Bent u bekend met het Woo-verzoek van NRC Handelsblad aangaande het besluit van toenmalig Minister Paul om het besluit van haar voorganger Van Hijum aangaande het afbouwen van de mogelijkheid om 25 procent van het minimumloon in te houden terug te draaien en de timing daarvan?
Ja.
Klopt het dat het besluit van de Minister om deze maatregel terug te draaien reeds op 30 september bekend was, dat op 7 oktober een concept-Kamerbrief aan de Minister is voorgelegd, dat hier vervolgens twee weken overheen gingen en dat op 20 oktober vervolgens intern bekend werd dat een betrokken ambtenaar met de Minister had besloten om de brief pas na de verkiezingen te verzenden, dat daags erop door een andere ambtenaar eveneens werd aangegeven dat de Minister tot na de verkiezingen wilde wachten met communiceren over het niet afbouwen van de inhoudingsmogelijkheid per 1 januari 2026 en dat het communicatiebureau dat nieuwsberichten voor het ministerie verzorgt te horen kreeg dat er «nog even geen momentum is om hier iets over naar buiten te brengen», zoals uit de reconstructie van NRC aan de hand van het Woo-verzoek blijkt1? Zo nee, wat klopt er volgens u niet aan deze reconstructie en hoe is een en ander dan wél verlopen? Graag een concreet antwoord.
Ik zou graag een tijdlijn met u willen delen, die intern is gereconstrueerd:
Voorafgaand aan het voorleggen van de brief aan hun Minister, wil VRO deze eerst ook intern bespreken en afstemmen.
Indien de gereconstrueerde gang van zaken klopt, erkent u dan dat deze niet in lijn is met de verklaring die de Minister tijdens het Kamerdebat op 27 november gaf voor de timing rond het informeren van de Kamer over haar besluit op 30 oktober -daags na de Tweede Kamerverkiezingen? Zo nee, waarom niet?
Nee. Het beeld is niet veranderd zoals de tijdlijn in het antwoord op vraag 2 ook laat zien.
Hoe duidt in het licht van de uitkomsten van het Woo-verzoek dat Minister Paul tijdens dit debat in antwoord op vragen van het lid Ceulemans over deze timing aangaf: «We zijn terughoudend om met beleidsinhoudelijke brieven te komen, dus niet in een reces, niet in een verkiezingsreces. Tegelijkertijd is de praktische kant van de zaak dat de ambtelijke afstemming met VRO pas op 29 oktober afgerond was» en «De suggestie wordt gewekt dat ik gepland en bewust heb gedacht: zo, die drop ik de dag na de verkiezingen. Dat is helemaal niet aan de orde. Dat is oprecht niet aan de orde.2»Vindt u deze verklaringen in lijn met hetgeen uit de Woo-verzoeken is gebleken, namelijk dat expliciet wordt aangegeven dat de Minister pas na de verkiezingen de Kamer wilde informeren en communiceren over het terugdraaien van de inhoudingsmogelijkheid? Zo ja, hoe rijmt u dit?
Ja. In zowel de Kamerbrief die op 20 november aan uw Kamer is aangeboden, als ook in het debat met uw Kamer op 27 november is voornoemde terughoudendheid gemeld. Daarbij is rekening gehouden met de staande parlementaire verhoudingen door terughoudend om te gaan met het sturen van beleidsbrieven tijdens een (verkiezings-)reces wanneer de Kamer deze niet in behandeling kan nemen.
Hoe duidt u in het licht van de uitkomsten van het Woo-onderzoek tevens dat Minister Paul tijdens hetzelfde debat in antwoord op vragen van het lid Patijn (PRO) aangaf: «De suggestie wordt gewekt dat ik de timing heb laten afhangen van de campagne of het feit dat er verkiezingen aankwamen. Daar heeft het werkelijk helemaal niks mee te maken.» en «Nadat ik het besluit had genomen, zijn we aan de slag gegaan om die communicatie voor te bereiden. Ik werk samen met fantastische ambtenaren, maar als ik concepten voorgelegd krijg, vind ik er ook nog wat van. Dat gaat dan heen en weer. Vervolgens vond er ambtelijke afstemming plaats met het Ministerie van VRO. Uiteindelijk waren we er op 29 oktober ambtelijk uit. Toen is er een klap gegeven op die brief en is die uitgestuurd.» Vindt u deze verklaringen in lijn met hetgeen uit het Woo-verzoek is gebleken, namelijk een expliciet besluit om pas na de verkiezingen de Kamer te informeren en over de maatregel te communiceren over het terugdraaien van de inhoudingsmogelijkheid? Zo ja, hoe rijmt u dit?
Ja. Deze weging blijkt ook uit de Kamerbrief die op 20 november aan uw Kamer is aangeboden en waarin melding wordt gemaakt van voornoemde terughoudendheid. Ook in het debat noemt de Minister dat ze terughoudend is met beleidsinhoudelijke brieven tijdens een verkiezingsreces.
De politieke afstemming vond plaats tot en met 29 oktober. Toen was de Minister van VRO akkoord. De ambtelijke afstemming met VRO was op 7 oktober afgerond.
Vindt u alles afwegende dat uw voorganger de Kamer juist en volledig heeft geïnformeerd over de timing van haar besluit om de inhoudingsmogelijkheid terug te draaien? Zo ja, hoe kunt u dit volhouden?
Voor zover ik kan beoordelen is er geen sprake van een afweging op basis van politieke gronden om de brief pas na de verkiezingen te versturen. Zie voorts ook de eerdergenoemde brief van 20 november aan uw Kamer.
Zo nee, deelt de u de indruk dat het er alle schijn van heeft dat de Kamer door de Minister bewust onjuist geïnformeerd is over de besluitvorming rond dit dossier? Zo nee, waarom niet?
Zie antwoord op vraag 6.
Was u bekend met de gang van zaken zoals blijkt uit het Woo-verzoek van NRC aangaande het bewust pas ná de verkiezingen informeren van de Kamer over het terugdraaien van de afbouw van de inhoudingsmogelijkheid? Zo ja, heeft u overwogen om het beeld dat uw voorganger hierover tijdens het Kamerdebat van 27 november schetste richting de Kamer recht te zetten? Zo nee, waarom niet en zo ja, waarom is dit niet alsnog gebeurd?
Ik ben op 6 juli van dit jaar geïnformeerd dat er een Woo-verzoek lag en wanneer de Woo-stukken met de indieners gedeeld zouden worden.
Kunt u aangeven of indien nodig nagaan welke gesprekken uw voorganger heeft gevoerd met welke betrokken partijen en belanghebbenden in aanloop naar haar besluit om het verbod op inhoudingen voor huisvesting terug te draaien? Kunt u de Kamer voorzien van alle beschikbare informatie hieromtrent?
In het Kamerdebat van 27 november 2025 is door mijn ambtsvoorganger aangegeven dat de standpunten van alle stakeholders duidelijk waren door de eerder uitgevoerde verkenning en ook nog eens bevestigd waren in de internetconsultatie. Er was dus geen nieuwe aanleiding om daarover met hen in gesprek te gaan.
Deelt u de conclusie dat het bewust pas ná de verkiezingen informeren van de Kamer over een reeds genomen besluit sterk de suggestie wekt dat dit politiek beter uitkwam? Zo nee, waarom niet en welk andere motieven zijn dan volgens u aannemelijk?
Dit beeld herken ik niet, maar ik begrijp wel dat dit beeld is ontstaan. Hierover is in de Kamer ook het debat gevoerd. De stukken uit het Woo-verzoek bevestigen de uitgangspunten bij het besluit zoals die met uw Kamer zijn gedeeld in het debat en de brief die voorafgaand aan het debat naar de Kamer is verstuurd.
Hoe is het besluit om de Kamer pas na de verkiezingen te informeren tot stand gekomen, welke personen en eventuele organisaties en andere partijen zijn hierbij -al dan niet in adviserende vorm- betrokken geweest?
In het antwoord op vraag 2 is een tijdlijn opgenomen die beschrijft hoe het besluit tot stand is gekomen.
Bent u bereid het verbod op het inhouden van huur op het minimumloon, een maatregel die volgens de Arbeidsinspectie een prikkel vormt om buitenlands in plaats van Nederlands personeel aan te stellen, alsnog snel door te voeren en niet te wachten op het eventuele aannemen van de aangekondigde wet op de huurbescherming, aangezien het nog zeker een jaar zal duren voordat deze wordt ingevoerd? Zo nee, waarom niet?
In het Kamerdebat op 27 november 2025 zijn twee moties ingediend die verzoeken om de inhoudingsmogelijkheid op het minimumloon voor huisvestingskosten alsnog af te schaffen, zo mogelijk gelijktijdig met het wetsvoorstel van VRO over huurbescherming. Tijdens het Commissiedebat Arbeidsmigratie van 3 juni 2026 heb ik toegezegd uw Kamer over mijn standpunt te informeren. Uw Kamer ontvangt hierover zo snel mogelijk een brief van mij. Mijn inzet is om de inhoudingsmogelijkheid voor huisvesting in het minimumloon in lijn met de door de Tweede Kamer aangenomen moties gelijktijdig met de invoering van de huurbeschermingswet af te schaffen.3 4
Het bericht ‘Minister Mariëlle Paul verzweeg bewust tot na de verkiezingen dat ze een plan ter bescherming van arbeidsmigranten introk’ |
|
Jimmy Dijk (SP) |
|
Hans Vijlbrief (D66) |
|
|
|
|
Heeft u kennisgenomen van het bericht dat uw voorganger al vóór de Tweede Kamerverkiezingen besloot een wetsvoorstel voor de afbouw van looninhoudingen voor de huisvesting van arbeidsmigranten in te trekken, maar de Tweede Kamer daar pas één dag ná de verkiezingen over informeerde?1
Ja.
Klopt het dat het besluit tot terugtrekking van de wet al eind september was genomen, maar de Kamer daar pas na de verkiezingen over werd geïnformeerd?
Ja. Ik zou graag een tijdlijn met u willen delen, die intern is gereconstrueerd:
Waarom is er door uw voorganger voor gekozen de Kamerbrief pas na de verkiezingen te versturen waardoor kiezers en de Kamer vóór de verkiezingen geen kennis konden nemen van dit besluit?
Bij het moment van versturen is mijn ambtsvoorganger uitgegaan van twee uitgangspunten. Ten eerste is terughoudend omgegaan met het versturen van een brief met een beleidswijziging als uw Kamer met (verkiezings-)reces is. Daarnaast was de afstemming met de Minister van Volkshuisvesting en Ruimtelijke Ordening (VRO) op woensdag 29 oktober eind van de dag gereed.
Deelt u de mening dat een demissionair kabinet de Kamer en de samenleving tijdig en volledig moet informeren over ingrijpende beleidswijzigingen, ook in verkiezingstijd? Zo nee, waarom niet? Zo ja, wat is hier misgegaan?
Jazeker. Daarbij kan ik me voorstellen dat terughoudendheid is betracht bij het versturen van een Kamerbrief met een beleidswijziging wanneer uw Kamer met (verkiezings-)reces is. Daarmee wordt voorkomen dat in aanloop naar verkiezingen beleidswijzigingen worden voorgesteld die kunnen leiden tot discussie, zonder dat de Kamer daar meteen op kan reageren.
Wat vindt u van het ontijdig informeren van de Kamer en de samenleving door uw voorganger?
De lijn om in verkiezingsreces terughoudendheid te betrachten bij het versturen van Kamerbrieven met beleidswijzingen kan ik volgen.
Bent u bereid het besluit tot terugtrekking van het wetsvoorstel terug te draaien en de looninhouding voor huisvesting alsnog af te bouwen, zoals eerder voorgesteld door het vorige kabinet en onderdeel van de aanbevelingen van onder meer de Commissie Roemer en de Arbeidsinspectie? Zo nee, waarom niet?
In het Kamerdebat op 27 november 2025 zijn twee moties ingediend die verzoeken om de inhoudingsmogelijkheid op het minimumloon voor huisvestingskosten alsnog af te schaffen, zo mogelijk gelijktijdig met het wetsvoorstel van VRO over huurbescherming. Tijdens het Commissiedebat Arbeidsmigratie van 3 juni 2026 heb ik toegezegd uw Kamer over mijn standpunt te informeren. Uw Kamer ontvangt hierover zo snel mogelijk een brief van mij. Mijn inzet is om de inhoudingsmogelijkheid voor huisvesting in het minimumloon in lijn met de door de Tweede Kamer aangenomen moties gelijktijdig met de invoering van de huurbeschermingswet af te schaffen.2 3
Kunt u deze vragen één voor één beantwoorden?
Ja.
Het mogelijk onjuist informeren van de Tweede Kamer over het uitstellen van een besluit inzake arbeidsmigratie. |
|
Maikel Boon (PVV) |
|
Hans Vijlbrief (D66) |
|
|
|
|
Bent u bekend met het bericht «Oud-minister liet bewust na de Tweede Kamerverkiezingen weten het arbeidsmigratieplan te schrappen1» en klopt het dat uit vrijgegeven documenten blijkt dat voormalig Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid Paul de bekendmaking van dit besluit bewust heeft uitgesteld tot na de verkiezingen? Zo nee, waarom niet?
Ja. Een tijdlijn, die intern is gereconstrueerd, ziet er als volgt uit:
Voorafgaand aan het voorleggen van de brief aan hun Minister, wil VRO deze eerst ook intern bespreken en afstemmen.
Hoe verhoudt dit zich tot de uitspraken van voormalig Minister Paul tijdens het debat van 27 november 2025, waarin zij onder meer verklaarde dat de timing «werkelijk helemaal niks te maken had»2 met de verkiezingen en dat de vertraging werd veroorzaakt door ambtelijke afstemming en de voorbereiding van de Kamerbrief?
In de brief van 20 november 2025 aan uw Kamer en het daaropvolgende Kamerdebat van 27 november is gemeld dat mijn ambtsvoorganger bij het moment van versturen is uitgegaan van twee uitgangspunten. Ten eerste is terughoudend omgegaan met het versturen van een brief met een beleidswijziging als uw Kamer met (verkiezings-)reces is. Daarnaast was de afstemming met de Minister van Volkshuisvesting en Ruimtelijke Ordening (VRO) op woensdag 29 oktober eind van de dag gereed.
Deelt u de opvatting dat de Tweede Kamer, indien de vrijgegeven documenten juist zijn, tijdens dit debat onvolledig en/of onjuist is geïnformeerd? Zo nee, waarom niet?
Nee. Met de Kamerbrief van 20 november en het daaropvolgende debat met uw Kamer op 27 november 2025 is uw Kamer geïnformeerd over de weging en het proces omtrent het besluit over inhoudingen op minimumloon voor huisvesting.
Is naar uw oordeel sprake van een schending van de ministeriële informatieplicht? Zo nee, waarom niet?
Nee. Met de inlichtingenplicht van bewindspersonen zoals die is opgenomen in artikel 68 van de Grondwet is opgenomen dat de kamers elk afzonderlijk en in verenigde vergadering mondeling of schriftelijk de door een of meer leden verlangde inlichtingen ontvangen waarvan het verstrekken niet in strijd is met het belang van de staat. Met de Kamerbrieven van 30 oktober en 20 november en het debat met uw Kamer op 27 november 2025 is uw Kamer geïnformeerd.
Welke consequenties verbindt u aan deze gang van zaken en bent u bereid alle relevante interne documenten over de besluitvorming en de gekozen communicatietiming alsnog aan de Kamer te verstrekken?
Ja. Alle relevante documenten die op grond van de Woo-verzoeken worden vrijgegeven, worden ook via het internet openbaar gemaakt.
Het misgelopen pensioencompensatie door deelnemers die van fonds wisselen |
|
Elles van Ark (CDA), Wimar Bolhuis (GroenLinks-PvdA) |
|
Hans Vijlbrief (D66) |
|
|
|
|
Bent u bekend met het Volkskrant-bericht «Tienduizenden mensen lopen pensioengeld mis omdat ze van baan zijn gewisseld – en daar lijkt niks tegen te doen»?1
Ja.
Deelt u de zorg dat deelnemers door de samenloop van verschillende transitiedata tussen twee compensatieregelingen kunnen vallen, dat dit tot moeilijk uitlegbare uitkomsten kan leiden en een onbedoelde belemmering kan vormen om van baan te wisselen? Hoe verhoudt dit zich tot de inzet van het kabinet voor een gedragen pensioenstelseltransitie en juist de bevordering van de stap van werk naar werk?
Ik begrijp de zorgen over de situatie die kan ontstaan wanneer mensen door een baanwissel, waarbij ze overstappen naar een ander pensioenfonds met een andere transitiedatum geen compensatie ontvangen. Dit kan voor deelnemers tot onduidelijkheid leiden bij het maken van keuzes over een nieuwe baan.
Bij de totstandkoming van het Pensioenakkoord en de Wet toekomst pensioenen (Wtp), is op voorstel van het kabinet en sociale partners besloten tot een meerjarige overgangstermijn. Eén vaste transitiedatum voor alle pensioenregelingen bleek niet uitvoerbaar vanwege de piekbelasting in de administratieve, IT- en financieel-actuariële capaciteit bij pensioenfondsen, PPI’s en verzekeraars, maar ook bij pensioenuitvoeringsorganisaties, toezichthouders en adviseurs. Er is weloverwogen gekozen voor een meerjarige overgangstermijn om de kwaliteit van de transitie te kunnen waarborgen. Daarbij zijn ook afspraken gemaakt over compensatie omdat afschaffing van de zogenoemde doorsneesystematiek voor bepaalde groepen kan leiden tot een nadeel bij toekomstige opbouw. Hierbij is expliciet ruimte gelaten aan decentrale sociale partners om, gelet op het regelings- en sectorspecifieke karakter van compensatie, eigen afspraken te maken. Die ruimte was nodig; een uniforme en wettelijk voorgeschreven compensatieregeling zou de ruimte beperken om voor decentrale partijen tot uitvoerbare, regeling- of sectorspecifieke afspraken te komen. Zo kunnen ze mede afhankelijk van hun deelnemerspopulatie de omvang van de compensatieregeling afspreken en ze kunnen besluiten om compensatie toe te kennen op één moment of verdeeld over een langere periode, mogelijk meerdere jaren.
Het kabinet vindt het van belang dat de transitie naar het nieuwe pensioenstelsel evenwichtig verloopt en dat mensen de stap van werk naar werk goed geïnformeerd kunnen maken. Een baanwissel heeft ook los van de transitie naar het nieuwe pensioenstelsel gevolgen voor de pensioenopbouw. Het is daarom van belang dat mensen zich (laten) informeren over de mogelijke gevolgen van een baanwissel voor hun pensioen en dit meewegen bij hun keuze; niet alleen nu maar bij elke baanwissel die men overweegt. Daarom zetten pensioenuitvoerders en werkgevers in op het informeren van hun deelnemers en werknemers over de mogelijke gevolgen van een baanwissel voor hun pensioen. Ook mijn ministerie besteedt hier aandacht aan. Op www.pensioenduidelijkheid.nl is informatie beschikbaar over compensatie en de gevolgen van verschillende situaties, waaronder baanwissel. Tegelijkertijd realiseer ik mij dat het voor deelnemers niet altijd eenvoudig is om de gevolgen voor hun pensioen en eventuele compensatie vooraf goed te overzien; mensen ontvangen veel informatie in deze periode, die is soms lastig te doorgronden en overwegend in algemene termen opgesteld2.
Deelt u de mening dat kabinet, sociale partners en pensioensector vanuit hun gedeelde verantwoordelijkheid voor het Pensioenakkoord een uiterste inspanning moeten doen om te komen tot gerichte, juridisch houdbare en uitvoerbare oplossingen voor deze situatie?
Ik heb uw Kamer eerder toegezegd om samen met sociale partners een uiterste inspanning te doen om de mogelijkheden voor aanvullende maatregelen te bezien. Daarover heb ik uw Kamer geïnformeerd in de voortgangsrapportage monitoring Wet toekomst pensioenen van juli jl.3
Daaruit is gebleken dat eventuele als oplossing bedoelde nieuwe of aanvullende voorschriften voor compensatie substantiële juridische, afbakenings- en uitvoeringscomplexiteit toevoegt.
Vanuit de gedeelde verantwoordelijkheid voor het Pensioenakkoord vind ik het van belang dat de er gerichte aandacht is voor de situatie van mensen die tijdens de transitie van werksituatie veranderen. Uit mijn overleg met de sociale partners bleek ook dat er binnen de bestaande kaders al verschillende sectorspecifieke oplossingen worden toegepast. Zie ook verderop bij het antwoord op vraag 9 voor een nadere toelichting op fondsspecifieke oplossingen. Zoals genoemd bij de vorige vraag, pensioenfondsen en werkgevers attenderen hun deelnemers en werknemers er op dat een baanwissel gevolg kan hebben voor de pensioenopbouw en voor de toekenning van compensatie. De Pensioenfederatie heeft meerdere voorbeelden hierover opgenomen in een recent rapport.4
Omdat de compensatie voor het afschaffen van de doorsneesystematiek erg afhankelijk is van individuele omstandigheden en de actuele stand van zaken bij de overgang op de vernieuwde pensioenregeling volgens de Wtp, richten veel pensioenfondsen hun communicatie op het creëren van de juiste verwachtingen bij deelnemers. Veel pensioenfondsen publiceren rekenvoorbeelden op hun website, laten het aan bod komen in (online) bijeenkomsten voor werkenden en brengen het actief onder de aandacht bij aangesloten werkgevers. Pensioenfonds ABP heeft bijvoorbeeld een online tool ontwikkeld waarin mensen aan de hand van hun salaris en leeftijd een inschatting kunnen maken van de effecten van de compensatie. Het Bakkers Pensioenfonds heeft dan weer deelnemers een persoonlijke e-mail gestuurd met daarin het aanbod om een persoonlijke berekening te maken.
Is het mogelijk om – eventueel nadat alle pensioenfondsen zijn overgestapt naar de nieuwe pensioenregeling – uit de fondsadministraties te achterhalen welke deelnemers door een overstap tussen twee compensatieregelingen zijn gevallen of welke juist twee compensatieregelingen hebben ontvangen? Zo ja, hoe? Zo nee, waarom niet?
Nee, dat is niet zonder meer mogelijk. Zoals ik in mijn brief van 24 april jl. heb toegelicht, is in kaart gebracht welke werksituaties van invloed kunnen zijn op compensatie bij pensioenopbouw.5 Een dergelijke registratie bij pensioenfondsen of werkgevers ontbreekt waarmee achteraf op individueel niveau kan worden vastgesteld welke deelnemers door een baanwissel tussen twee compensatieregelingen zijn gevallen of juist bij meerdere fondsen compensatie hebben ontvangen.6 Pensioenuitvoerders kunnen alleen beschikken over gegevens van deelnemers die actief zijn binnen hun eigen regeling. Om dit voor alle deelnemers vast te stellen, zouden gegevens van alle pensioenuitvoerders moeten worden gecombineerd. Een grondslag hiertoe is er niet. Daarbij verschillen ook de voorwaarden en vormgeving van de compensatieregelingen per fonds.
Ik hecht er aan om in dit antwoord te vermelden dat er ook mensen van baan zijn gewisseld die in hun beslissing de eventuele gevolgen voor pensioencompensatie hebben meegewogen. Deze mensen hebben dit meegewogen in hun beslissing en mogelijk ook betrokken in de afspraken over hun nieuwe arbeidsvoorwaarden. Cijfers over welke deelnemers door een overstap tussen twee compensatieregelingen zijn gevallen, geven dus geen beeld van hoeveel mensen zich niet bewust waren van eventuele consequenties en hiervan per saldo nadeel ervaren.
Kunt u een inschatting geven hoe hoog de door u in een eerdere Kamerbrief benoemde «enorme kosten» zijn van een compensatievoorziening, vereveningsmodel of vangnetregeling die de sector uitdenkt en uitvoert, en waar u deze inschatting op baseert? Kunt u daarbij aangeven om welke orde van grootte het gaat, wie deze kosten uiteindelijk zou dragen en wat de gevolgen zouden zijn voor het deelnemerscollectief? 2)
Nee, ik kan geen inschatting geven hoeveel een aangepaste en uitgebreide regeling zou kosten die compensatie toekent zowel aan mensen die bij het pensioenfonds blijven als aan alle mensen die vertrekken. Om enkele aspecten te noemen: niet duidelijk is hoeveel mensen die nu bij het pensioenfonds blijven alsnog zouden vertrekken als gevolg van deze aangepaste regeling, niet duidelijk is welk tijdvak hiervoor zou gelden en niet duidelijk is hoeveel de compensatie per deelnemer bedraagt (die wordt vastgesteld niet eerder dan de feitelijke transitiedatum). Duidelijk is evenwel dat de compensatieregeling achteraf voor iedere baanwisselaar open stellen zal leiden tot enorme kosten.
Op welke wijze kunt u de wettelijke mogelijkheid tot dispensatie voor tijdelijke voortzetting bij het oude pensioenfonds tijdelijk verruimen voor de groep overstappers die tussen twee compensatieregelingen invallen, ten behoeve van een rechtvaardige transitie naar het nieuwe pensioenstelsel?
De wettelijke mogelijkheid tot dispensatie biedt hiervoor geen ruimte. Dispensatie kan een fonds alleen in bepaalde gevallen verlenen aan werkgevers uit die betreffende sector die een minstens gelijkwaardige regeling aanbieden. Het is wettelijk niet mogelijk dat een fonds dispensatie zou verlenen aan individuele werknemers. Bovendien zou een dergelijke mogelijkheid leiden tot nieuwe, complexe juridische afbakeningsvraagstukken en een zware belasting voor de uitvoering.
In de praktijk worden fondsspecifieke afspraken gemaakt. Zo hebben bijvoorbeeld pensioenfondsen PMT en PME afspraken gemaakt om werkgevers tijdelijk dispensatie te kunnen geven van de nieuwe regeling bij een overstap tussen deze fondsen, zodat werknemers toegang kunnen behouden tot de compensatieregeling van PME, ook als de werkgever vanwege werkingssfeer naar PMT zou moeten overstappen.
Kunt u samen met de pensioensector en sociale partners varianten van een compensatievoorziening, vereveningsmodel of vangnetregeling uitwerken, inclusief inschattingen van de verwachte complexiteit, kosten, uitvoeringsbelasting en deelnemersbereik, zodat de regering en Kamer hierover van gedachten kunnen wisselen?
Zoals ik in mijn brief van 2 juli jl. heb aangegeven, heb ik hierover met sociale partners gesproken. Daar zijn verschillende mogelijke alternatieven besproken. Hieruit is gekomen dat het introduceren van nieuwe eisen aan compensatie-afspraken, zoals de vraag voorstelt, al dan niet wettelijk opgelegd aan sociale partners en pensioenuitvoerders, zou leiden tot weer nieuwe, complexe uitvoeringsvraagstukken. In dat geval zouden, bijvoorbeeld, mensen die in 2025 zijn vertrokken bij een fonds dat per 1/1/2026 naar een nieuwe pensioenregeling is overgegaan, alsnog compensatie (kunnen) vragen. Het is – zoals ik ook in mijn brief van 2 juli jl. heb aangegeven – uitvoeringstechnisch niet mogelijk en juridisch zeer complex om onderscheid te maken tussen mensen die bewust van baan wisselen en die gezien het doel van de compensatieregeling terecht afzien van compensatie8 (bijvoorbeeld omdat de nieuwe baan betere arbeidsvoorwaarden heeft) en anderzijds, mensen die onbewust hebben afgezien van compensatie. Omdat een dergelijk onderscheid in de praktijk niet te maken is, zou het op deze manier een compensatieregeling zijn die achteraf voor elke baanwisselaar openstaat.
Kunt u een nauwkeurigere kwantitatieve inschatting maken van de grootte van de groep die compensatie misloopt, en van de door deze groep misgelopen compensatie, dan u eerder deed in uw Kamerbrief?2 Zo nee, waarom niet? . In hoeverre zijn de door u in uw Kamerbrief genoemde maatwerkoplossingen bij PMT/PME en BpfBOUW en in enkele sociale plannen representatief voor de pensioensector, of betreft het uitzonderingen?
Nee, deze gegevens zijn niet beschikbaar. In mijn brief van 24 april jl. heb ik een globale schatting gegeven dat het hierbij zou kunnen gaan om enkele tienduizenden mensen die dit jaar zonder compensatie overstappen naar een andere baan en pensioen gaan opbouwen bij een andere pensioenuitvoerder. Daarvoor is CBS-data gebruikt en zijn aannames gehanteerd over hoeveel mensen in deze periode van baan wisselen (gebaseerd op eerdere jaren), de voor compensatie relevante leeftijd van deze mensen en tussen welke sectoren zij op dat moment van baan wisselen in samenhang met de transitiedata van de (meest waarschijnlijk) hierbij betrokken pensioenfondsen. Van deze pensioenfondsen zijn de transitiedata bekend en de wijze waarop compensatie toegekend wordt. Deze inschatting kan ik hierdoor niet nauwkeuriger maken.
Hoe groot is de groep pensioendeelnemers die ondanks de genoemde maatwerkoplossingen alsnog compensatie misloopt? Welke mogelijkheden ziet u om deze groep tegemoet te komen en te waarborgen dat de transitie ook voor hen rechtvaardig uitpakt?
We zien dat er in verschillende sectoren wordt gezocht naar oplossingen die specifiek passen bij de betreffende sector. Het is mogelijk dat wat in de ene sector werkt in een andere wellicht niet werkt. Daarom is er ruimte gemaakt om sector (en fonds-)specifieke afspraken te maken bij compensatieregelingen. Ik heb in de voortgangsrapportage monitoring Wet toekomst pensioenen – zomer 2026 melding gedaan van maatwerk dat in enkele sectoren wordt toegepast. Sociale partners geven aan het vraagstuk rond compensatieregelingen zo goed als mogelijk te adresseren in transitieplannen en, waar dit speelt, ook in sociale plannen. Ik vind het positief dat sectorpartijen binnen de mogelijkheden die de wet biedt mitigerende maatregelen toepassen. Daarmee wordt de groep mensen die geen compensatie krijgt verder beperkt. Daarbij moet worden opgemerkt dat bijvoorbeeld het maatwerk dat in de metaalindustrie wordt toegepast geen regeling voor individuele deelnemers betreft. In de metaalsector hebben de van nature al onderling verbonden fondsen PMT en PME afspraken gemaakt om werkgevers tijdelijk dispensatie te kunnen geven. Zo kunnen werknemers toegang behouden tot de compensatieregeling, ook als de werkgever vanwege werkingssfeer naar PMT zou moeten overstappen. Het betreft in dit geval specifieke afspraken voor werkgevers en de deelnemers die daar werkzaam zijn.
De sociale partners van pensioenfonds bpfBOUW hebben gevraagd om bij de invulling van de compensatieregeling te voorkomen dat deelnemers specifiek als gevolg van bijvoorbeeld seizoensarbeid niet voor compensatie in aanmerking zouden komen. Het fonds heeft dit ingevuld door deelnemers die geen recht hebben op de reguliere compensatie voor het afschaffen doorsneesystematiek (doordat zij geen deelnemer zijn op 31-12-2025) toch compensatie te verlenen als ze een actief dienstverband van tenminste één dag hebben in het laatste kwartaal van 2025 en tevens een actief dienstverband hebben van tenminste een dag in het eerste halfjaar van 2026. Deze aanpak wordt ook gevolgd in andere sectoren. Bijvoorbeeld BPL, het pensioenfonds voor werknemers in de agrarische en de groene sector en voor pensioenfonds Koopvaardij. Deze oplossingen zijn gericht op de eigen deelnemers van het fonds, die tijdelijk niet in de sector actief zijn.
Kunt u ook een nauwkeurigere inschatting maken van de grootte van de groepen overstappers met «dubbele compensatie» en van de ontvangen compensatie van deze overstappers?
Ik beschik niet over exacte data. Zoals aangegeven in antwoord op vraag 8 is eerder een globale schatting gegeven dat het hierbij zou kunnen gaan om enkele tienduizenden mensen die dit jaar zonder compensatie overstappen naar een andere baan en pensioen gaan opbouwen bij een andere pensioenuitvoerder. Er kan niet worden vastgesteld welk deel daarvan compensatie zou hebben ontvangen bij voortzetting van het dienstverband en welk bedrag daarmee gemoeid zou zijn.
In het gesprek met de vakbonden en werkgeversorganisaties, zoals aangegeven bij vraag 7, zijn verschillende mogelijke alternatieven besproken. Het is van belang dat mensen goed worden geïnformeerd over de werking van compensatieregelingen en de mogelijke gevolgen van een baanwissel, zodat zij deze gevolgen kunnen meewegen bij hun arbeidsmarktbeslissingen.
Welke aanvullende communicatie gaat het ministerie in de komende periode intensiveren om mensen naar www.pensioenduidelijkheid.nl te leiden en te wijzen op eventuele gevolgen voor compensatie van arbeidsmarktgedrag, en waarom is deze communicatie niet eerder ingezet?
Nee, hiervoor is geen betekenisvolle inschatting te maken. Zoals toegelicht in het antwoord op vraag 4, zijn hiervoor geen gegevens beschikbaar waarmee de grootte van deze groepen en de hoogte van de ontvangen compensatie kunnen worden vastgesteld.
Klopt het dat deze aanvullende communicatie te laat komt voor de tienduizenden deelnemers die pensioencompensatie mislopen, omdat zij al overgestapt zijn?
Communicatie over de nieuwe regels voor pensioen is een taak die werkgevers, werknemersorganisaties, pensioenuitvoerders en mijn ministerie gezamenlijk hebben opgepakt. Met deze partijen hebben we gezamenlijk de campagne Pensioenduidelijkheid ontwikkeld om werkenden en gepensioneerden te informeren over de nieuwe regels voor pensioen.
In de afgelopen periode is de communicatie over compensatie verder geïntensiveerd en ook de komende periode wordt hier extra aandacht aan besteed. Op pensioenduidelijkheid.nl10 staat een aparte pagina over compensatie. Ook wordt al langere tijd ingezet op het bereiken van mensen die online zoeken naar informatie over pensioen en compensatie. In mei heeft de AFM op haar consumentenpagina een informatieflyer over compensatie gepubliceerd.11 In de zomer is het onderwerp vanuit mijn ministerie extra belicht op social media.12 Begin september is er een nieuwsbericht verspreid met speciale focus op waar men de juiste informatie kan vinden over mogelijke compensatie als men van plan is om van werkgever te wisselen of minder uren te gaan werken.
Via de campagne Pensioenduidelijkheid (14 september tot en met 18 oktober) brengen we deze informatie ook extra onder de aandacht. Deze communicatie komt naast de informatie die pensioenuitvoerders, werkgevers en sociale partners al verstrekken, onder meer via websites, nieuwsbrieven, webinars en bijeenkomsten.
Kunt u deze vragen beantwoorden voor het commissiedebat Pensioenonderwerpen op 10 september?
Voor mensen die al van baan zijn gewisseld, kan aanvullende communicatie achteraf niet voorkomen dat de baanwissel heeft plaatsgevonden. Tegelijkertijd is de transitie nog niet afgerond. De uiterste transitiedatum is 1 januari 2028 en een groot aantal pensioenfondsen maakt de overstap op 1 januari 2027. Er zijn daarmee nog veel deelnemers voor wie deze informatie relevant kan zijn.
Bent u bekend met het ESB-artikel «Onze arbeidsmarkt kan gezonder en veel inclusiever» van Anthony Stigter, Lidewij Renaud, Iris de Vries en Ton Wilthagen?1
Welk deel van de door TNO geschatte 415.000 fte aan onbenut arbeidspotentieel onder mensen met chronische gezondheidsproblemen acht u realistisch te benutten door betere preventie en begeleiding naar werk?
Deelt u de opvatting dat passend werk kan bijdragen aan de gezondheid en het welzijn van mensen, doordat het structuur biedt en mensen helpt sociale contacten te onderhouden en mee te blijven doen in de samenleving?
Welke mogelijkheden ziet u om werkgevers te motiveren om mensen met een chronische ziekte aan te nemen? Denkt u daarbij ook aan het uitbreiden van de no-risk polis of het beter communiceren hierover richting werkgevers?
Hoe kan ervoor worden gezorgd dat huisartsen en medisch specialisten bij de behandeling van mensen met chronische aandoeningen eerder aandacht besteden aan de mogelijkheden om te (blijven) werken?
Welke belemmeringen staan een betere samenwerking tussen de reguliere gezondheidszorg en de bedrijfsgezondheidszorg momenteel in de weg?
Hoe kunnen de op re-integratie gerichte activiteiten van UWV en gemeenten mensen met een chronische aandoening die willen en kunnen werken, maar momenteel geen baan hebben, beter bereiken en ondersteunen bij het vinden van passend werk?
Deelt u daarnaast de opvatting dat personen zonder werkgever tijdens ziekte minder ondersteuning richting werk ontvangen dan werknemers met een vast dienstverband? Welke maatregelen zijn nodig om dit verschil te verkleinen?
Wat kan Nederland leren van de nauwere samenwerking tussen de gezondheidszorg en instanties die mensen naar werk begeleiden in landen als Zweden en Noorwegen?
Kunt u indicatief berekenen wat het voor de overheidsfinanciën zou betekenen als de in het artikel geschatte 183.000 fte aan arbeidspotentieel wordt benut bij niet-werkenden met chronische gezondheidsproblemen die aangeven niet of slechts licht belemmerd te worden bij het uitvoeren van werkzaamheden? Kunt u daarbij ook rekening houden met de investeringen die hiervoor nodig zijn?
Hoe wordt de investering in preventie betrokken bij de uitwerking van het te bereiken sociaal akkoord? Wordt daarbij ook gekeken naar de bijdrage die preventie kan leveren aan gezondheidsdoelen? Worden hierbij ook andere ministeries, zoals het Ministerie van Volksgezondheid, Welzijn en Sport, betrokken, zodat de effecten op arbeidsparticipatie, gezondheid en sociale zekerheid in samenhang kunnen worden bezien?
Bent u bereid om een gezamenlijke agenda op te stellen voor gezondheid en werk, met meetbare doelen voor onder andere extra arbeidsdeelname, minder langdurig verzuim en hogere productiviteit? Zo ja, wanneer kan de Kamer deze agenda ontvangen?
De Zelfstandigenwet |
|
Mariëtte Patijn (GroenLinks-PvdA) |
|
Hans Vijlbrief (D66) |
|
|
|
|
Deelt u de de mening dat u met de Zelfstandigenwet het Midellanggetermijnadvies van de Sociaal Economische Raad (SER-MLT) doorbreekt en daarmee de balans in het arbeidsmarktpakket verstoort, terwijl dit pakket nog niet helemaal geïmplementeerd is?
Is er steun van sociale partners voor de Zelfstandigenwet?
Bent u bereid aan sociale partners advies te vragen over de Zelfstandigenwet?
Klopt het dat er verschillende elementen van de Zelfstandigenwet worden geregeld via lagere regelgeving, namelijk de voorwaarden die wijzen op het werken als zelfstandigen en het minimumbedrag voor bestedelingen aan voorzieningen tegen risico’s? Wanneer is de lagere regelgeving gereed?
Bent u bereid aan sociale partners advies te vragen over het niveau van de regelgeving en de invulling van de lagere regelgeving?
Het stopzetten van de Bemiddelingsservice bij het UWV |
|
Stephan Neijenhuis (D66), Sarah El Boujdaini (D66) |
|
Hans Vijlbrief (D66) |
|
|
|
|
Kunt u een tijdlijn verstrekken van alle gebeurtenissen rond het opstarten, het draaien van pilots en stopzetten van het Bemiddelingsservice-project (BMS) bij het UWV in de afgelopen jaren? Kan daarbij ook betrokken worden op welke manier en naar wie is gerapporteerd, bijvoorbeeld over het draaien van een pilot met BMS en welke acties daarop zijn ondernomen?
Onderschrijft u het belang van een goede matching tussen vaardigheden en baanmogelijkheden, vooral in het licht van de grote personeelstekorten in cruciale sectoren en de noodzaak mensen snel van werk naar werk te begeleiden?
Waarom onderneemt het UWV niet direct aanvullende actie om het begeleiden van mensen met de juiste vaardigheden naar passend werk te verbeteren, nu deze bemiddelingsservice wordt gestopt?
Onderschrijft u de stelling van de leverancier dat de software niet goed kon werken vanwege de kwaliteit van de data?1
Welke acties heeft het UWV ondernomen om de kwaliteit van de data te verbeteren en welke mogelijkheden zijn er in de toekomst om data bruikbaar te maken voor het koppelen van mensen met de juiste vaardigheden aan passend werk?
Klopt het dat BMS moest werken op basis van Sonar-data, waarvan uit een interne audit in 2019 al bleek dat de data van onvoldoende kwaliteit en incompleet was?2
Valt de leverancier op enigerlei wijze aansprakelijk te stellen voor het aanbieden van diensten voor grote bedragen terwijl het volgens die leverancier nu zelf met de beschikbare data niet mogelijk was aan de opdracht te voldoen? Zo ja, worden daartoe stappen gezet?
Wat is er gebeurd met eerdere waarschuwingen van het Adviescollege ICT-toetsing (AcICT) rondom dit project?
Klopt het dat er nog een kostbaar onderzoek bij Deloitte is uitgezet rondom dit project terwijl op basis van het AcICT-rapport al duidelijk was dat dit project fundamenteel anders aangepakt of stopgezet diende te worden?
Welke risico’s zijn er dat de kosten van het project hoger uit blijken te vallen dan 55.000.000 euro? Zijn hierbij ook indirecte kosten meegenomen van het feit dat UWV-medewerkers nu nog langer met niet-toereikende software moeten werken om mensen aan passend werk te koppelen?
Hoe kan het dat pas na ruim drie jaar een eerste proef met acht adviseurs begon? Hoe zorgt het UWV ervoor dat een nieuw systeem vanaf het begin in kleine stappen met echte gebruikers wordt getest, voordat er grote bedragen in worden geïnvesteerd?
Hoe is bij de aanbesteding beoordeeld of het product al werkte bij een organisatie van de omvang van het UWV, nu het Adviescollege ICT-toetsing constateert dat het UWV de grootste klant van de leverancier was? Waarom is gekozen voor een standaardpakket dat vervolgens op verschillende punten moest worden aangepast?
Waarom is voor een vernieuwend en nog onbeproefd systeem een langjarig contract gesloten waarin betalingen niet aan behaalde resultaten waren gekoppeld? Hoe zorgt u ervoor dat uitvoeringsorganisaties bij digitale vernieuwing voortaan kleinere opdrachten met een kortere looptijd inkopen en betalen voor werkende resultaten?
Hoeveel van het werk aan BMS is gedaan door eigen medewerkers van het UWV en hoeveel door externe inhuur en de leverancier? Hoe bouwt het UWV de eigen IT-kennis op die nodig is om als opdrachtgever grip te houden op leveranciers en algoritmes, in lijn met de afspraak in het coalitieakkoord om meer IT-talent in dienst van het Rijk te nemen?
Welke knelpunten op het gebied van uitlegbaarheid vond de externe quick scan waarop het UWV het besluit om te stoppen mede baseerde3, terwijl het UWV in maart nog aangaf onderzoek te hebben gedaan naar bias en uitlegbaarheid?4 Hoe zorgt het UWV ervoor dat een volgend matchingsysteem, dat als hoog-risico-AI-systeem geldt, vanaf het begin transparant en uitlegbaar is voor werkzoekenden en adviseurs?
Wat betekent het stoppen van BMS voor de vervanging van de verouderde systemen Werk Bemiddeling Systeem (WBS) en Sonar, nu in Sonar al sinds 2020 tekortkomingen bestaan op het gebied van informatiebeveiliging en privacy?5 Hoe lang moeten deze systemen nu nog mee en welke risico’s brengt dat met zich mee?
Kunt u deze vragen afzonderlijk van elkaar beantwoorden?
Het bericht ‘Het is geen mythe dat de cao-lonen achterblijven’ |
|
Jimmy Dijk (SP) |
|
Hans Vijlbrief (D66) |
|
|
|
|
Bent u bekend met het bericht «Het is geen mythe dat de cao-lonen achterblijven»?1
Wat vindt u van het bericht dat de cao-lonen al jaren achterblijven bij de arbeidsproductiviteit en koopkracht voor werkenden dus ook al langer achterblijft?
Wat vindt u van het feit dat de arbeidsinkomensquote al jaren onder een volgens de polder passende loonkostenontwikkeling ligt? Hoe verklaart u deze ontwikkeling?
Waar is volgens u de niet-uitbetaalde loonruimte terecht gekomen? Heeft u gegevens waaruit blijkt in welke mate dit in de vorm van winst is uitgekeerd aan aandeelhouders of is geherinvesteerd?
Deelt u de mening van de SP dat een langdurige achterblijvende loonontwikkeling de koopkracht van werknemers onder druk kan zetten? Zo ja, welke gevolgen heeft dit volgens u voor de economische groei en de bestaanszekerheid van huishoudens?
In welke sectoren blijft de loonontwikkeling het sterkst achter bij de beschikbare loonruimte?
Welke mogelijkheden ziet u om in te grijpen om er zo voor te zorgen dat werknemers structureel meer profiteren van de groei van de arbeidsproductiviteit?
Welke rol ziet u daarbij voor het verhogen van het minimumloon en het versterken van de positie van werknemers in de collectieve onderhandelingen?
Welke maatregelen neemt het kabinet om te bevorderen dat werkgevers de beschikbare loonruimte daadwerkelijk benutten voor betere arbeidsvoorwaarden, in plaats van dat de economische opbrengsten voornamelijk bij aandeelhouders terechtkomen?
Kunt u deze vragen één voor één beantwoorden?
De lang aanslepende asielaanvragen die werk in de weg staan |
|
Wimar Bolhuis (GroenLinks-PvdA), Lisa Westerveld (GroenLinks-PvdA) |
|
Thierry Aartsen (VVD), Bart van den Brink (CDA) |
|
|
|
|
Wat wordt de gemiddelde en de maximale wachttijd van een aanvraag van de ruim 50.000 asielzoekers die al wachtten op een besluit van de Immigratie- en Naturalisatiedienst (IND) en door het migratiepact onderaan de stapel zijn beland?1
Herkent u de frustratie die dit veroorzaakt bij mensen die al lang aan het wachten zijn op een besluit van de IND?
Erkent u dat Nederland er absoluut niet bij gebaat is dat deze mensen langer in onzekerheid zitten en daardoor niet kunnen werken of studeren, hetgeen zou bijdragen aan de Nederlandse samenleving?
Wat kunt u doen om deze mensen tijdens hun wachttijd alsnog de kans te geven om bij te dragen aan de Nederlandse samenleving?
Welke mogelijkheden hebben deze mensen om de Nederlandse taal te leren nu zij langer moeten wachten op een besluit?
Bent u het eens met de stelling dat er sprake is van een gemiste kans dat mensen die hier zijn niet kunnen bijdragen aan de samenleving door de onzekerheid waar zij zich in bevinden?
Zijn er mogelijkheden – wanneer deze mensen niet mogen werken – voor mensen om vrijwilligerswerk te doen, ofwel te werken voor een loon wat pas wordt uitbetaald wanneer zij een beslissing van de IND krijgen?
Wat gaat u doen aan het grote aantal verhuisbewegingen dat voor (potentiële) werknemers en werkgevers een sta-in-de-weg is te beperken?
Hoeveel extra FTE's zouden er nodig zijn om alle lopende aanvragen van asielzoekers binnen de zes maanden af te ronden?
Bent u bereid uw strategie om 50.000 al wachtende asielzoekers na drie jaar pas van een eerste besluit te voorzien te heroverwegen? Zo nee, waarom niet?
Bent u het eens met de stelling dat het jarenlange wachten van mensen niet bijdraagt aan een gevoel van nut en zingeving en juist voor meer overlast van deze mensen kan zorgen?
Heeft u cijfers over de psychische klachten en het aantal suïcides of suïcidepogingen onder asielzoekers die wachten op een besluit van de IND? Zo ja, kunt u deze cijfers delen? Zo nee, kunt u dit in kaart brengen?
De antwoorden op vragen van het lid Bolhuis (2026D44753) |
|
Martin de Beer (VVD) |
|
Thierry Aartsen (VVD) |
|
|
|
|
Hoe reflecteert u op de cijfers uit de antwoorden waaruit blijkt dat in december 2025 55% van de jongeren tot 27 jaar in de bijstand een herkomstland buiten Europa heeft en dat deze groep sinds 2021 90% van de groei vertegenwoordigt?
Welk deel van de statushouders tot 27 jaar ontvangt een bijstandsuitkering en welk deel heeft werk?
Hoe groot is het totale budget van de bijstand? Welk deel wordt besteed aan statushouders, en welk deel specifiek aan statushouders onder de 27 jaar?
Hoe lang is de gemiddelde statushouder onder 27 jaar die bijstand ontvangt al in Nederland en wat is de spreiding hiervan?
Kunt u aangeven wat de gemiddelde duur van de bijstandsuitkering is vergeleken tussen de groep statushouders versus niet-statushouders, en wat de spreiding is in duur voor de groep jongeren tot 27 jaar?
Kunt u aangeven welke belemmeringen of obstakels statushouders ervaren om een baan te vinden?
Hoe kijkt u naar de spanning tussen de inburgeringsplicht en het vinden van of uitvoeren van werk door een statushouder?
Welk deel van deze statushouders spreekt Nederlands?
Welke plannen heeft u om deze obstakels weg te nemen?
Welke plannen heeft u om prikkels en ondersteuning te bieden waardoor meer statushouders aan het werk gaan?
Kunt u aangeven welke succesfactoren meespelen bij statushouders die sneller aan een baan komen? Welke goede praktijkvoorbeelden kent u? In hoeverre zijn deze schaalbaar of welke lessen voor algemeen beleid zijn hieruit te trekken?
Kunt u aangeven welke belemmeringen er voor werkgevers zijn om statushouders aan te nemen?
Welke plannen heeft u om deze belemmeringen weg te nemen? Moet er bijvoorbeeld strenger gehandhaafd worden op de taaleis en zijn er voldoende (om)scholingsmogelijkheden naar bijvoorbeeld tekortsectoren?
Kunt u toezeggen dat zijn actieprogramma Nederland Werkt een plan zal bevatten om specifiek statushouders (breder dan de groep jongeren tot 27 jaar) meer succesvol te begeleiden naar werk?
Kan u deze vragen beantwoorden voor het commissiedebat Participatiewet op 29 oktober?
Regels |
|
Arend Kisteman (VVD), Ruben Brekelmans (VVD) |
|
Herbert |
|
|
|
|
Bent u bereid de verplichte externe toetsing van de risico-inventarisatie en -evaluatie (RI&E) voor kantooromgevingen te schrappen of meer risicogestuurd vorm te geven?
Bent u bereid de preventieve ontslagtoets te hervormen, zodat ontslag in beginsel achteraf door de rechter wordt getoetst?
Bent u bereid de regels in de Nederlandse Wet ter voorkoming van witwassen en financieren van terrorisme (Wwft) zo aan te passen dat de meldplicht meer aansluit bij de Europese norm van verdachte in plaats van de norm voor ongebruikelijke transacties?
Bent u bereid de verplichting voor horecaondernemers om wijzigingen van leidinggevenden telkens op de vergunning bij te schrijven te schrappen? Wanneer voert u de aangenomen motie Kisteman uit die hierover gaat?1
Bent u bereid de jaarlijkse keuringsplicht voor veilige arbeidsmiddelen te vereenvoudigen en sterker risicogestuurd te maken?
Bent u bereid het uitzenden van EK- en WK-voetbalwedstrijden op dorps- en stadspleinen voor horecagelegenheden tot 5.000 bezoekers kosteloos mogelijk te maken?
Bent u bereid Engels, Frans en Duits op productetiketten toe te staan, zodat ondernemers eenvoudiger producten in andere Europese landen kunnen inkopen?
Bent u bereid de vergunningsplicht voor festivalpodia die door een langere opbouwperiode meer dan 31 dagen aanwezig zijn, te schrappen of te vereenvoudigen?
Bent u bereid de minimumoppervlakte van 35 m2 voor horecagelegenheden die alcohol willen schenken te schrappen, zodat meer pittoreske horecazaken van de grond kunnen komen en geen van deze zaken in de knel zitten?
Bent u bereid de rapportageverplichting over zeer zorgwekkende stoffen op componentenniveau te vereenvoudigen en te vervangen door een beter uitvoerbare, risicogerichte aanpak?
Bent u bereid voor aantoonbaar veilige, terugkerende lokale evenementen een meerjarige vertrouwensvergunning mogelijk te maken?
Bent u bereid af te zien van de huidige wettelijke termijn van maximaal twaalf dagen voor een tijdelijke alcoholvergunning en dit bijvoorbeeld te koppelen aan de duur van het evenement?
Bent u bereid de Nederlandse meldingsdrempel voor substantiële aandeelhoudersbelangen te verhogen van 3% naar de Europese norm van 5%?
Bent u bereid de nationale meldplicht voor bruto shortposities bij 3% te schrappen, zodat Nederland aansluit bij de Europese norm?
Bent u bereid de bijkantoorverplichting voor beleggingsondernemingen uit derde landen die diensten verlenen aan Nederlandse niet-professionele beleggers te schrappen?
Bent u bereid het dispensatieproces bij algemeen verbindend verklaarde cao’s te hervormen, zodat ondernemingen met een eigen cao en gelijkwaardige arbeidsvoorwaarden in beginsel dispensatie krijgen?
Bent u bereid de wettelijke werkingssfeerbepalingen van cao’s te verduidelijken, zodat innovatieve en gemengde bedrijven niet onder een cao vallen die niet aansluit bij hun feitelijke activiteiten?
Bent u bereid de bewaartermijn voor blootstellingsregistraties van CMR- en reprotoxische stoffen te verkorten en meer in lijn te brengen met de Europese richtlijn?
Bent u bereid de verplichting om psychosociale arbeidsbelasting in de RI&E op te nemen te vereenvoudigen, zodat deze minder een papieren tijger en meer risicogestuurd wordt?
Bent u bereid de nationale CO2-ketensturing bij de implementatie van de Europese richtlijn Renewable Energy Directive (RED) III te schrappen?
Bent u bereid de nationale sectorsturing bij de implementatie van RED III te schrappen?
Bent u bereid de grenswaarde voor de rapportageplicht werkgebonden personenmobiliteit te verhogen, zodat minder bedrijven en toeleveranciers hierover hoeven te rapporteren?
Bent u bereid de regels rond vergunningen voor mengformules te hervormen, zodat horecaondernemers bijvoorbeeld olijfolie of servies kunnen verkopen zonder onnodige vergunningsproblemen?
Bent u bereid meerdere regulatory sandboxes voor AI mogelijk te maken, naast de reeds bestaande verplichte sandbox die volgt uit de AI-verordening?
Bent u bereid de regulatory sandbox onder de Verordening Cyberweerbaarheid snel, breed toegankelijk en bruikbaar in te richten voor midden- en kleinbedrijven (mkb) en start-ups?
Bent u bereid belemmerende regelgeving voor de uitbreiding van Nederlandse cloud- en datacentercapaciteit weg te nemen, onder meer door minder terughoudend te zijn over datacenter versnellingszones uit de Cloud and AI Development Act (CADA)(Verordening cloud- en AI-ontwikkeling)?
Bent u bereid de werkkostenregeling ingrijpend te vereenvoudigen, bijvoorbeeld door gerichte vrijstellingen samen te voegen met de vrije ruimte?
Bent u bereid de dubbele conformiteitsverklaring voor installateurs van reeds CE-goedgekeurde kleine airco’s en warmtepompen te schrappen?
Bent u bereid de actieve provisietransparantieverplichting voor schadeverzekeringstussenpersonen te versoepelen en meer in lijn te brengen met de Europese norm?
Bent u bereid de aparte vergunningsplicht voor interne bedrijfsborrels en bedrijfsfeesten te schrappen wanneer voor het pand al een gebruiksvergunning geldt?
Bent u bereid de omgevingsvergunning voor buitenreclame aan een eigen bedrijfspand af te schaffen, behoudens situaties waarin aantoonbaar sprake is van excessen?
Bent u bereid de uitwegvergunning voor het aanleggen van een oprit of inrit naar de openbare weg af te schaffen of sterk te vereenvoudigen?
Bent u bereid gemeenten niet langer de mogelijkheid te bieden om voor kleine percelen en gemiddelde particuliere tuinen een kapvergunning te eisen?
Bent u bereid de verplichting voor kleine werkgevers om formeel verzuimbeleid op te stellen te schrappen of te vereenvoudigen?
Bent u bereid vaker algemene einde-afvalcriteria vast te stellen, zodat circulaire ondernemers niet per afzonderlijk geval hoeven te bewijzen dat gerecyclede materialen geen afval meer zijn?
Bent u bereid de massabalanssystematiek ook voor bioLNG toe te staan, zodat de Nederlandse industrie niet achterloopt op landen als Duitsland, Spanje, Frankrijk en Italië?
Bent u bereid de Aanvullende Risico-Inventarisatie en -Evaluatie (ARIE)-systematiek te hervormen, door overlap met andere verplichtingen weg te nemen en de plicht beter te richten op ondernemingen met daadwerkelijk relevante risico’s?
Bent u bereid bij de verplichting om dieselmotoren te vervangen door elektrische of andere aandrijving niet alleen technische haalbaarheid, maar ook de financiële proportionaliteit te laten meewegen?
Bent u bereid de verplichting tot periodiek arbeidsgezondheidskundig onderzoek beter te koppelen aan de concrete risico’s uit de RI&E, om zo dubbel werk te voorkomen?
Bent u bereid horecaondernemers de mogelijkheid te geven af te zien van de verplichte bijdrage aan het Horeca Ontwikkel Platform (HOP)?
Bent u bereid een landelijke, uniforme procedure of digitaal loket in te voeren voor werkgevers die mensen met een arbeidsbeperking in dienst willen nemen?
Bent u bereid de aanvraag en administratie rond betaald ouderschapsverlof voor werkgevers te vereenvoudigen, in het bijzonder bij gespreid of gewijzigd opgenomen verlof?
Bent u bereid wettelijk te verduidelijken wanneer een werkgever voldoende gelegenheid tot verbetering heeft geboden aan een disfunctionerende werknemer, door dit in tijd te maximeren?
Bent u bereid de begeleidingsplicht van werkgevers bij een disfunctionerende werknemer te verduidelijken, bijvoorbeeld door middel van voldoende duidelijke criteria waaronder werkgevers aan deze verplichting hebben voldaan?
Bent u bereid het aanvraagproces voor de expatregeling te vereenvoudigen door gegevens die al bij de Belastingdienst bekend zijn automatisch te benutten?
Bent u bereid het aanvraagformulier voor de expatregeling volledig digitaal beschikbaar te maken en verzending per post af te schaffen?
Bent u bereid de gemeentelijke exploitatievergunning voor de horeca af te schaffen wanneer een Alcoholwetvergunning voldoende waarborgen biedt?
Bent u bereid de terrasvergunning af te schaffen wanneer de Algemene Plaatselijke Verordening (APV) voldoende mogelijkheden biedt om overlast te voorkomen en aan te pakken?
Bent u bereid de wettelijke taak van de Kamer van Koophandel om de regionale economie te stimuleren te schrappen, conform de aangenomen motie Kisteman?2
Bent u bereid de wettelijke taak van de Kamer van Koophandel om innovatie te stimuleren te schrappen, conform de aangenomen motie Kisteman?3
Bent u bereid samen met gemeenten, provincies en waterschappen landelijke standaarden voor lagere regelgeving te ontwikkelen en uit te breiden?
Bent u bereid de meldingsplicht voor zorgfusies bij de Nederlandse Zorgautoriteit (NZa) en de Autoriteit Consument & Markt (ACM) samen te voegen tot één melding en één procedure?
Bent u bereid de Nederlandse meldplicht voor mogelijk schadelijke levensmiddelen risicogerichter in te richten en meer in lijn te brengen met de praktijk in vergelijkbare landen, zoals België?
Bent u bereid ervoor te zorgen dat niet iedere werkgever een afzonderlijke pas voor een beveiliger hoeft aan te vragen, hetgeen zeker voor veel rompslomp zorgt als wordt gewerkt met oproepkrachten, bijvoorbeeld door een persoonsgebonden beveiligingspas (in de evenementenbranche) mogelijk te maken?
Bent u bereid een geruisloze omzetting van pensioenvermogen in een pensioen-bv naar een verzekeraar mogelijk te maken, zodat administratieve lasten het pensioenvermogen niet uithollen?
Bent u bereid de ACM de bevoegdheid te geven om onder een fictieve identiteit mystery shopping toe te passen bij de controle op onveilige of niet-conforme producten?
Bent u bereid de nationale koppen bij exportkredietverzekeringen systematisch te schrappen, zodat Nederlandse bedrijven niet strenger worden behandeld dan hun buitenlandse concurrenten, bijvoorbeeld ten aanzien van de Common Approaches?
Bent u bereid het bonusplafond verder te versoepelen en meer in lijn te brengen met de Europese norm, bijvoorbeeld door fintechbedrijven uit te zonderen?
Bent u bereid de verplichte ziekmelding na 42 weken samen te voegen met de eerstejaarsevaluatie?
Bent u bereid de informatieverplichtingen voor financieel adviseurs over de financiële positie, kennis, ervaring, doelstellingen en risicobereidheid van klanten proportioneel en meer op maat vorm te geven?
Bent u bereid voor tijdelijke verkeersmaatregelen bij één project één aanvraag en één besluit mogelijk te maken?
Bent u bereid een landelijk erkende verkeersontheffing in te voeren voor aannemers die met identieke voertuigen en werkzaamheden in meerdere gemeenten actief zijn?
Bent u bereid de vooraanmelding en startmelding voor mesttransport samen te voegen tot een startmelding?
Bent u bereid de digitale afgiftebevestiging van een erkende inzamelaar te laten gelden als de afvalstoffenadministratie van autobedrijven voor banden, accu’s en vergelijkbare afvalstoffen?
Bent u bereid een lichter opslagregime of duidelijke uitzondering in te voeren voor beperkte dagelijkse werkvoorraden van onder meer olie, verf, spuitbussen, reinigingsmiddelen en accu’s?
Bent u bereid bij een ongewijzigd productieproces geen volledig nieuw onderzoek naar zeer zorgwekkende stoffen te eisen en een actualiteitsverklaring te laten volstaan?
Bent u bereid de voorwaarden voor autonoom of op afstand bestuurd varen risicogestuurd te maken, zodat een volgboot alleen verplicht is wanneer de concrete omstandigheden dat noodzakelijk maken?
Bent u bereid een landelijke experimenteerontheffing mogelijk te maken voor een reeks vergelijkbare proeven met autonoom varende schepen?
Bent u bereid de wettelijke, gedetailleerde definitie van roomijs te schrappen?
Bent u bereid de toegankelijkheidseis voor een verplichte privébuitenruimte bij reguliere woningen te versoepelen, zodat een hoogteverschil van meer dan 2 cm niet altijd met een hellingbaan hoeft te worden overbrugd?
Bent u bereid voor alle woonfuncties een collectieve, afsluitbare buitenberging als alternatief voor een individuele buitenberging mogelijk te maken?
Bent u bereid de eisen aan de rechtstreekse bereikbaarheid en toegankelijkheid van buitenbergingen te schrappen of te vereenvoudigen?
Bent u bereid bij reguliere woningen een gemeenschappelijke buitenruimte als alternatief voor een verplichte privébuitenruimte toe te staan?
Bent u bereid de eis te versoepelen dat een niet-gemeenschappelijke buitenruimte rechtstreeks bereikbaar moet zijn vanuit een niet-gemeenschappelijk verblijfsgebied?
Bent u bereid tijdelijke huurcontracten voor meer groepen toe te staan, bijvoorbeeld voor drie of vijf jaar?
Bent u bereid klein en slechts tijdelijk ingezet bouwmaterieel vrij te stellen van de generieke emissiereductieplicht?
Bent u bereid de informatie- en administratieplicht voor bouwmaterieel bij kleine en kortdurende bouwprojecten te beperken?
Bent u bereid de technische geluidseisen voor tijdelijke woningen zoveel mogelijk te harmoniseren, zonder afbreuk te doen aan de noodzakelijke bescherming van bewoners?
Bent u bereid de verplichte minimale afmetingen voor toiletruimten in nieuwbouwwoningen te schrappen?
Bent u bereid de verplichting dat 55% van de gebruiksoppervlakte als verblijfsgebied moet gelden te herzien?
Bent u bereid de verplichting tot een tweede trappenhuis in woongebouwen risicogestuurd te hervormen, zodat alternatieve brandveiligheidsmaatregelen mogelijk zijn?
Bent u bereid de verplichte minimale afmetingen voor badruimten in nieuwbouwwoningen te flexibiliseren?
Bent u bereid de brede reikwijdte van de Wet afwikkeling massaschade in collectieve actie (WAMCA) boven de Europese richtlijn te schrappen en de regeling te beperken tot consumentenzaken?
Bent u bereid de verplichte notariële akte voor de uitgifte of overdracht van kleine aandelenbelangen aan werknemers in een bv te schrappen en een onderhandse akte mogelijk te maken?
Bent u bereid de digitale loonstrook als standaard in te voeren, met een papieren loonstrook uitsluitend op verzoek van de werknemer?
Bent u bereid een dakkapel aan de voorzijde van een woning landelijk vergunningsvrij te maken, met eenduidige maatvoeringseisen?
Bent u bereid de grens van € 125.000 voor een verplicht accountantsproduct bij subsidievaststelling te indexeren naar het prijsniveau van 2026?
Bent u bereid een materialiteitsdrempel en de mogelijkheid van verzamelmeldingen in te voeren voor terugmeldingen over verschillen tussen het UBO-register en cliëntenonderzoek?
Bent u bereid de afzonderlijke opgave van bestuurders als pseudo-UBO te schrappen en deze gegevens automatisch te laten volgen uit de inschrijving in het Handelsregister?
Bent u bereid de verplichting voor gemeenten om bij nieuwbouw hoge minimumeisen aan fietsparkeerplaatsen te stellen te versoepelen, waaronder de verplichting om rekening te houden met grotere fietsen?
Bent u bereid de verplichte kennisgeving te schrappen wanneer na een aanvraag blijkt dat geen omgevingsvergunning nodig is?
Bent u bereid de mogelijkheid voor gemeenten om opkoopbescherming toe te passen te beperken tot goedkope koopwoningen en dus middeldure koopwoningen daarvan uit te zonderen?
Bent u bereid de mogelijkheid van de digitale notariële akte te verbreden tot alle akten waarbij fysieke waarneming door de notaris niet noodzakelijk is?
Bent u bereid voor eenvoudige ziektegevallen, zoals licht en voorzienbaar letsel, een vereenvoudigde re-integratieprocedure mogelijk te maken wanneer werkgever en werknemer daarmee instemmen?
Bent u bereid de eis te schrappen dat postvervoerders met een omzet van € 2 miljoen of meer minimaal 80% van hun postbezorgers een arbeidsovereenkomst moeten aanbieden?
Bent u bereid de reikwijdte van het Digitaal Opkopers Register (DOR) te beperken voor voertuigcategorieën, bijvoorbeeld door aanhangers uit te zonderen, temeer omdat er vaak al een RDW-registratieplicht geldt?
Bent u bereid de verkoop van geneesmiddelen op afstand niet alleen via een website, maar ook via een app mogelijk te maken?
De vacaturemailing van werkenvoornederland.nl |
|
Renilde Huizenga (D66), Sarah El Boujdaini (D66) |
|
Eric van der Burg (VVD) |
|
|
|
|
Bent u bekend met de melding op werkenvoornederland.nl dat mensen zich niet kunnen inschrijven voor de vacaturemailing en dat er geen vacaturemails meer worden verstuurd voor mensen die zich eerder hebben ingeschreven?1
Kloppen onze signalen dat de vacaturemailing al sinds medio januari buiten werking is vanwege een wijziging in het vacaturesysteem?
Om welke wijziging in het vacaturesysteem gaat het, en waarom valt de maildienst door die wijziging volledig uit?
Wat maakt het herstel zo ingewikkeld dat het inmiddels acht maanden duurt?
Hoe beoordeelt u het dat de melding op de site deze uitval na acht maanden nog steeds «tijdelijk» noemt?
Wanneer verwacht u dat mensen zich weer kunnen inschrijven en weer vacature mails kunnen ontvangen?
Bent u van mening dat de vacaturemailing een belangrijk middel is voor de Nederlandse overheid om medewerkers te werven, juist ook om nieuw (IT-)talent binnen de overheid aan te trekken?
Wat ziet u terug in het aantal bezoekers van de vacaturepagina, het aantal sollicitaties of het type reacties sinds de mailing wegviel, vergeleken met de periode daarvoor?
Hoe voorkomt u dat de Nederlandse overheid talent van binnen en buiten de overheid misloopt door de problemen bij de vacaturemailing?
Welke alternatieven of kanalen, online en offline, zijn er tussentijds ingezet om vacatures extra onder de aandacht te brengen?
Is er een eenvoudige terugvaloptie overwogen, zoals een basismailing of een RSS-feed, zolang het vacaturesysteem niet werkt?
Welke afspraken gelden binnen het Rijk over de hersteltermijn van uitgevallen functionaliteit op publieksgerichte websites, en hoe verhoudt een uitval van deze duur zich tot de ambitie van uitstekende digitale dienstverlening bij een slagvaardige overheid?
Kunt u aangeven wanneer de functionaliteiten om vacaturemails voor mensen die zich hiervoor hebben ingeschreven het weer doet via werkenvoornederland.nl?
Kunt u deze vragen, indien mogelijk beantwoorden voor het commissiedebat Digitaliserende overheid en toezicht?
Team Diverse Instroom en het selectiebeleid bij de politie. |
|
Ingrid Coenradie (PVV) |
|
David van Weel (VVD) |
|
|
|
|
Wat hield de informele toetsing van de werkwijze rond diverse instroom bij het College voor de Rechten van de Mens concreet in, wanneer heeft deze plaatsgevonden, welke informatie is daarbij aan het College voor de Rechten van de Mens voorgelegd en welke conclusies of adviezen heeft het College voor de Rechten van de Mens gegeven?
Is het beleid waarbij tussen 2020 en 2025 streefcijfers van minimaal 35 procent respectievelijk 15 tot 20 procent voor aspiranten met een migratieachtergrond werden gehanteerd formeel juridisch getoetst aan Artikel 1 van de Grondwet en de Algemene wet gelijke behandeling? Zo ja, door wie, wanneer en wat was de conclusie? Zo nee, waarom is volstaan met een informele toetsing?
Op welke grond weigert u de gevraagde interne beleidsstukken, instructies, juridische adviezen, evaluaties en budgetoverzichten over Team Diverse Instroom aan de Kamer te verstrekken en hoe verhoudt deze weigering zich tot Artikel 68 van de Grondwet?
Bent u alsnog bereid de gevraagde beleidsstukken, instructies, juridische adviezen, evaluaties en budgetoverzichten over Team Diverse Instroom en de gehanteerde streefcijfers aan de Kamer te verstrekken? Zo nee, welke concrete grond bestaat voor het niet verstrekken van deze informatie?
Aan de hand van welke concrete resultaten of prestatie-indicatoren wordt de doelmatigheid en doeltreffendheid beoordeeld van de inzet van de ongeveer 17 fte die landelijk werkzaam zijn voor Team Diverse Instroom?
Hoeveel geld is sinds de oprichting daadwerkelijk besteed aan Team Diverse Instroom en welke externe bureaus, consultants, trainers of onderzoekers zijn daarbij ingezet? Bent u bereid dit alsnog door de politie te laten inventariseren en de Kamer hierover te informeren?
Hoe verhoudt het uitgangspunt dat politieteams herkenbaar moeten zijn voor en moeten passen bij de lokale bevolkingssamenstelling zich tot het hanteren van streefcijfers van 15 tot 20 procent voor aspiranten met een migratieachtergrond in alle overige politie-eenheden?
Betekent het uitgangspunt dat politieteams moeten passen bij de lokale bevolkingssamenstelling dat in gebieden waar relatief weinig mensen met een migratieachtergrond wonen ook naar een relatief lage vertegenwoordiging van politiemedewerkers met een migratieachtergrond zou moeten worden gestreefd? Zo nee, waarom geldt het argument van een afspiegeling van de lokale bevolkingssamenstelling volgens u slechts één kant op?
Kunt u uitsluiten dat tussen 2020 en 2025 geschikte kandidaten zonder migratieachtergrond direct of indirect niet zijn aangenomen of een nadeliger positie hebben gehad met als doel de streefcijfers van 35 procent respectievelijk 15 tot 20 procent voor aspiranten met een migratieachtergrond te behalen? Zo nee, waarom kunt u dit niet uitsluiten?
Waarom heeft u de eerdere vraag of u kunt uitsluiten dat sollicitanten vanwege hun ras, huidskleur, afkomst, migratieachtergrond, culturele achtergrond of geloof een voorkeurs- of achterstandspositie hebben gekregen niet met ja of nee beantwoord, en kunt u deze vraag alsnog expliciet beantwoorden?
Waarom acht u gegevens over herkomst en migratieachtergrond relevant voor het monitoren en evalueren van diversiteitsbeleid bij de politie, en welke objectieve criteria hanteert u om te bepalen wanneer dergelijke achtergrondkenmerken relevant zijn voor registratie, analyse en publicatie door de overheid?
Welke concrete doelstelling rechtvaardigde volgens u het registreren en monitoren van de etnisch-culturele samenstelling van de politie, en waarom was het daarvoor noodzakelijk om onderscheid te maken naar migratieachtergrond?
Op welke objectieve en wetenschappelijke onderzoeken baseert u uw stelling dat een diverse en inclusieve politie de legitimiteit en het vertrouwen van burgers in de politie vergroot, en kunt u deze onderzoeken afzonderlijk noemen en aan de Kamer doen toekomen?
Uit welke wetenschappelijke onderzoeken blijkt specifiek dat een hogere etnisch-culturele diversiteit van het Nederlandse politiekorps op zichzelf leidt tot meer vertrouwen in en legitimiteit van de politie, en hoe groot is dit effect ten opzichte van factoren als politieprestaties, bereikbaarheid, responsiviteit en de wijze waarop burgers door de politie worden behandeld?
Heeft u kennisgenomen van bovenstaande artikelen?1 2
Hoe oordeelt u over het bericht dat een bureau, dat kandidaat-wethouders voor de gemeente Best, een kandidaat-wethouder bevroeg over zijn leeftijd en dit als risico in de rapportage opnam?
Hoe oordeelt u over het bericht dat de leeftijd van de kandidaat-wethouder als aandachtspunt werd aangemerkt?
Wat heeft in uw optiek leeftijd te maken met bestuurlijke integriteit?
Wat heeft in uw optiek leeftijd te maken met iemands capaciteiten?
Hoe oordeelt u over het bericht dat de burgemeester van Best de rapportage op deze manier accepteerde?
Bent u het eens met de stelling dat hier sprake is van leeftijdsdiscriminatie en dat Artikel 1 van de Grondwet daarmee is overtreden? Kunt u uw antwoord toelichten?
Hoe oordeelt u over de stelling dat het doel van een dergelijk onderzoek het bevorderen van de integriteit van het openbaar bestuur is, maar als de procedure zelf niet integer verloopt, dat het echte probleem is?
Welke voorwaarden/eisen worden er gesteld aan wethouders die door een extern bureau gescreend worden?
Hoe uniform wordt deze screening uitgevoerd?
Het misgelopen pensioencompensatie door deelnemers die van fonds wisselen |
|
Elles van Ark (CDA), Wimar Bolhuis (GroenLinks-PvdA) |
|
Hans Vijlbrief (D66) |
|
|
|
|
Bent u bekend met het Volkskrant-bericht «Tienduizenden mensen lopen pensioengeld mis omdat ze van baan zijn gewisseld – en daar lijkt niks tegen te doen»?1
Ja.
Deelt u de zorg dat deelnemers door de samenloop van verschillende transitiedata tussen twee compensatieregelingen kunnen vallen, dat dit tot moeilijk uitlegbare uitkomsten kan leiden en een onbedoelde belemmering kan vormen om van baan te wisselen? Hoe verhoudt dit zich tot de inzet van het kabinet voor een gedragen pensioenstelseltransitie en juist de bevordering van de stap van werk naar werk?
Ik begrijp de zorgen over de situatie die kan ontstaan wanneer mensen door een baanwissel, waarbij ze overstappen naar een ander pensioenfonds met een andere transitiedatum geen compensatie ontvangen. Dit kan voor deelnemers tot onduidelijkheid leiden bij het maken van keuzes over een nieuwe baan.
Bij de totstandkoming van het Pensioenakkoord en de Wet toekomst pensioenen (Wtp), is op voorstel van het kabinet en sociale partners besloten tot een meerjarige overgangstermijn. Eén vaste transitiedatum voor alle pensioenregelingen bleek niet uitvoerbaar vanwege de piekbelasting in de administratieve, IT- en financieel-actuariële capaciteit bij pensioenfondsen, PPI’s en verzekeraars, maar ook bij pensioenuitvoeringsorganisaties, toezichthouders en adviseurs. Er is weloverwogen gekozen voor een meerjarige overgangstermijn om de kwaliteit van de transitie te kunnen waarborgen. Daarbij zijn ook afspraken gemaakt over compensatie omdat afschaffing van de zogenoemde doorsneesystematiek voor bepaalde groepen kan leiden tot een nadeel bij toekomstige opbouw. Hierbij is expliciet ruimte gelaten aan decentrale sociale partners om, gelet op het regelings- en sectorspecifieke karakter van compensatie, eigen afspraken te maken. Die ruimte was nodig; een uniforme en wettelijk voorgeschreven compensatieregeling zou de ruimte beperken om voor decentrale partijen tot uitvoerbare, regeling- of sectorspecifieke afspraken te komen. Zo kunnen ze mede afhankelijk van hun deelnemerspopulatie de omvang van de compensatieregeling afspreken en ze kunnen besluiten om compensatie toe te kennen op één moment of verdeeld over een langere periode, mogelijk meerdere jaren.
Het kabinet vindt het van belang dat de transitie naar het nieuwe pensioenstelsel evenwichtig verloopt en dat mensen de stap van werk naar werk goed geïnformeerd kunnen maken. Een baanwissel heeft ook los van de transitie naar het nieuwe pensioenstelsel gevolgen voor de pensioenopbouw. Het is daarom van belang dat mensen zich (laten) informeren over de mogelijke gevolgen van een baanwissel voor hun pensioen en dit meewegen bij hun keuze; niet alleen nu maar bij elke baanwissel die men overweegt. Daarom zetten pensioenuitvoerders en werkgevers in op het informeren van hun deelnemers en werknemers over de mogelijke gevolgen van een baanwissel voor hun pensioen. Ook mijn ministerie besteedt hier aandacht aan. Op www.pensioenduidelijkheid.nl is informatie beschikbaar over compensatie en de gevolgen van verschillende situaties, waaronder baanwissel. Tegelijkertijd realiseer ik mij dat het voor deelnemers niet altijd eenvoudig is om de gevolgen voor hun pensioen en eventuele compensatie vooraf goed te overzien; mensen ontvangen veel informatie in deze periode, die is soms lastig te doorgronden en overwegend in algemene termen opgesteld2.
Deelt u de mening dat kabinet, sociale partners en pensioensector vanuit hun gedeelde verantwoordelijkheid voor het Pensioenakkoord een uiterste inspanning moeten doen om te komen tot gerichte, juridisch houdbare en uitvoerbare oplossingen voor deze situatie?
Ik heb uw Kamer eerder toegezegd om samen met sociale partners een uiterste inspanning te doen om de mogelijkheden voor aanvullende maatregelen te bezien. Daarover heb ik uw Kamer geïnformeerd in de voortgangsrapportage monitoring Wet toekomst pensioenen van juli jl.3
Daaruit is gebleken dat eventuele als oplossing bedoelde nieuwe of aanvullende voorschriften voor compensatie substantiële juridische, afbakenings- en uitvoeringscomplexiteit toevoegt.
Vanuit de gedeelde verantwoordelijkheid voor het Pensioenakkoord vind ik het van belang dat de er gerichte aandacht is voor de situatie van mensen die tijdens de transitie van werksituatie veranderen. Uit mijn overleg met de sociale partners bleek ook dat er binnen de bestaande kaders al verschillende sectorspecifieke oplossingen worden toegepast. Zie ook verderop bij het antwoord op vraag 9 voor een nadere toelichting op fondsspecifieke oplossingen. Zoals genoemd bij de vorige vraag, pensioenfondsen en werkgevers attenderen hun deelnemers en werknemers er op dat een baanwissel gevolg kan hebben voor de pensioenopbouw en voor de toekenning van compensatie. De Pensioenfederatie heeft meerdere voorbeelden hierover opgenomen in een recent rapport.4
Omdat de compensatie voor het afschaffen van de doorsneesystematiek erg afhankelijk is van individuele omstandigheden en de actuele stand van zaken bij de overgang op de vernieuwde pensioenregeling volgens de Wtp, richten veel pensioenfondsen hun communicatie op het creëren van de juiste verwachtingen bij deelnemers. Veel pensioenfondsen publiceren rekenvoorbeelden op hun website, laten het aan bod komen in (online) bijeenkomsten voor werkenden en brengen het actief onder de aandacht bij aangesloten werkgevers. Pensioenfonds ABP heeft bijvoorbeeld een online tool ontwikkeld waarin mensen aan de hand van hun salaris en leeftijd een inschatting kunnen maken van de effecten van de compensatie. Het Bakkers Pensioenfonds heeft dan weer deelnemers een persoonlijke e-mail gestuurd met daarin het aanbod om een persoonlijke berekening te maken.
Is het mogelijk om – eventueel nadat alle pensioenfondsen zijn overgestapt naar de nieuwe pensioenregeling – uit de fondsadministraties te achterhalen welke deelnemers door een overstap tussen twee compensatieregelingen zijn gevallen of welke juist twee compensatieregelingen hebben ontvangen? Zo ja, hoe? Zo nee, waarom niet?
Nee, dat is niet zonder meer mogelijk. Zoals ik in mijn brief van 24 april jl. heb toegelicht, is in kaart gebracht welke werksituaties van invloed kunnen zijn op compensatie bij pensioenopbouw.5 Een dergelijke registratie bij pensioenfondsen of werkgevers ontbreekt waarmee achteraf op individueel niveau kan worden vastgesteld welke deelnemers door een baanwissel tussen twee compensatieregelingen zijn gevallen of juist bij meerdere fondsen compensatie hebben ontvangen.6 Pensioenuitvoerders kunnen alleen beschikken over gegevens van deelnemers die actief zijn binnen hun eigen regeling. Om dit voor alle deelnemers vast te stellen, zouden gegevens van alle pensioenuitvoerders moeten worden gecombineerd. Een grondslag hiertoe is er niet. Daarbij verschillen ook de voorwaarden en vormgeving van de compensatieregelingen per fonds.
Ik hecht er aan om in dit antwoord te vermelden dat er ook mensen van baan zijn gewisseld die in hun beslissing de eventuele gevolgen voor pensioencompensatie hebben meegewogen. Deze mensen hebben dit meegewogen in hun beslissing en mogelijk ook betrokken in de afspraken over hun nieuwe arbeidsvoorwaarden. Cijfers over welke deelnemers door een overstap tussen twee compensatieregelingen zijn gevallen, geven dus geen beeld van hoeveel mensen zich niet bewust waren van eventuele consequenties en hiervan per saldo nadeel ervaren.
Kunt u een inschatting geven hoe hoog de door u in een eerdere Kamerbrief benoemde «enorme kosten» zijn van een compensatievoorziening, vereveningsmodel of vangnetregeling die de sector uitdenkt en uitvoert, en waar u deze inschatting op baseert? Kunt u daarbij aangeven om welke orde van grootte het gaat, wie deze kosten uiteindelijk zou dragen en wat de gevolgen zouden zijn voor het deelnemerscollectief? 2)
Nee, ik kan geen inschatting geven hoeveel een aangepaste en uitgebreide regeling zou kosten die compensatie toekent zowel aan mensen die bij het pensioenfonds blijven als aan alle mensen die vertrekken. Om enkele aspecten te noemen: niet duidelijk is hoeveel mensen die nu bij het pensioenfonds blijven alsnog zouden vertrekken als gevolg van deze aangepaste regeling, niet duidelijk is welk tijdvak hiervoor zou gelden en niet duidelijk is hoeveel de compensatie per deelnemer bedraagt (die wordt vastgesteld niet eerder dan de feitelijke transitiedatum). Duidelijk is evenwel dat de compensatieregeling achteraf voor iedere baanwisselaar open stellen zal leiden tot enorme kosten.
Op welke wijze kunt u de wettelijke mogelijkheid tot dispensatie voor tijdelijke voortzetting bij het oude pensioenfonds tijdelijk verruimen voor de groep overstappers die tussen twee compensatieregelingen invallen, ten behoeve van een rechtvaardige transitie naar het nieuwe pensioenstelsel?
De wettelijke mogelijkheid tot dispensatie biedt hiervoor geen ruimte. Dispensatie kan een fonds alleen in bepaalde gevallen verlenen aan werkgevers uit die betreffende sector die een minstens gelijkwaardige regeling aanbieden. Het is wettelijk niet mogelijk dat een fonds dispensatie zou verlenen aan individuele werknemers. Bovendien zou een dergelijke mogelijkheid leiden tot nieuwe, complexe juridische afbakeningsvraagstukken en een zware belasting voor de uitvoering.
In de praktijk worden fondsspecifieke afspraken gemaakt. Zo hebben bijvoorbeeld pensioenfondsen PMT en PME afspraken gemaakt om werkgevers tijdelijk dispensatie te kunnen geven van de nieuwe regeling bij een overstap tussen deze fondsen, zodat werknemers toegang kunnen behouden tot de compensatieregeling van PME, ook als de werkgever vanwege werkingssfeer naar PMT zou moeten overstappen.
Kunt u samen met de pensioensector en sociale partners varianten van een compensatievoorziening, vereveningsmodel of vangnetregeling uitwerken, inclusief inschattingen van de verwachte complexiteit, kosten, uitvoeringsbelasting en deelnemersbereik, zodat de regering en Kamer hierover van gedachten kunnen wisselen?
Zoals ik in mijn brief van 2 juli jl. heb aangegeven, heb ik hierover met sociale partners gesproken. Daar zijn verschillende mogelijke alternatieven besproken. Hieruit is gekomen dat het introduceren van nieuwe eisen aan compensatie-afspraken, zoals de vraag voorstelt, al dan niet wettelijk opgelegd aan sociale partners en pensioenuitvoerders, zou leiden tot weer nieuwe, complexe uitvoeringsvraagstukken. In dat geval zouden, bijvoorbeeld, mensen die in 2025 zijn vertrokken bij een fonds dat per 1/1/2026 naar een nieuwe pensioenregeling is overgegaan, alsnog compensatie (kunnen) vragen. Het is – zoals ik ook in mijn brief van 2 juli jl. heb aangegeven – uitvoeringstechnisch niet mogelijk en juridisch zeer complex om onderscheid te maken tussen mensen die bewust van baan wisselen en die gezien het doel van de compensatieregeling terecht afzien van compensatie8 (bijvoorbeeld omdat de nieuwe baan betere arbeidsvoorwaarden heeft) en anderzijds, mensen die onbewust hebben afgezien van compensatie. Omdat een dergelijk onderscheid in de praktijk niet te maken is, zou het op deze manier een compensatieregeling zijn die achteraf voor elke baanwisselaar openstaat.
Kunt u een nauwkeurigere kwantitatieve inschatting maken van de grootte van de groep die compensatie misloopt, en van de door deze groep misgelopen compensatie, dan u eerder deed in uw Kamerbrief?2 Zo nee, waarom niet? . In hoeverre zijn de door u in uw Kamerbrief genoemde maatwerkoplossingen bij PMT/PME en BpfBOUW en in enkele sociale plannen representatief voor de pensioensector, of betreft het uitzonderingen?
Nee, deze gegevens zijn niet beschikbaar. In mijn brief van 24 april jl. heb ik een globale schatting gegeven dat het hierbij zou kunnen gaan om enkele tienduizenden mensen die dit jaar zonder compensatie overstappen naar een andere baan en pensioen gaan opbouwen bij een andere pensioenuitvoerder. Daarvoor is CBS-data gebruikt en zijn aannames gehanteerd over hoeveel mensen in deze periode van baan wisselen (gebaseerd op eerdere jaren), de voor compensatie relevante leeftijd van deze mensen en tussen welke sectoren zij op dat moment van baan wisselen in samenhang met de transitiedata van de (meest waarschijnlijk) hierbij betrokken pensioenfondsen. Van deze pensioenfondsen zijn de transitiedata bekend en de wijze waarop compensatie toegekend wordt. Deze inschatting kan ik hierdoor niet nauwkeuriger maken.
Hoe groot is de groep pensioendeelnemers die ondanks de genoemde maatwerkoplossingen alsnog compensatie misloopt? Welke mogelijkheden ziet u om deze groep tegemoet te komen en te waarborgen dat de transitie ook voor hen rechtvaardig uitpakt?
We zien dat er in verschillende sectoren wordt gezocht naar oplossingen die specifiek passen bij de betreffende sector. Het is mogelijk dat wat in de ene sector werkt in een andere wellicht niet werkt. Daarom is er ruimte gemaakt om sector (en fonds-)specifieke afspraken te maken bij compensatieregelingen. Ik heb in de voortgangsrapportage monitoring Wet toekomst pensioenen – zomer 2026 melding gedaan van maatwerk dat in enkele sectoren wordt toegepast. Sociale partners geven aan het vraagstuk rond compensatieregelingen zo goed als mogelijk te adresseren in transitieplannen en, waar dit speelt, ook in sociale plannen. Ik vind het positief dat sectorpartijen binnen de mogelijkheden die de wet biedt mitigerende maatregelen toepassen. Daarmee wordt de groep mensen die geen compensatie krijgt verder beperkt. Daarbij moet worden opgemerkt dat bijvoorbeeld het maatwerk dat in de metaalindustrie wordt toegepast geen regeling voor individuele deelnemers betreft. In de metaalsector hebben de van nature al onderling verbonden fondsen PMT en PME afspraken gemaakt om werkgevers tijdelijk dispensatie te kunnen geven. Zo kunnen werknemers toegang behouden tot de compensatieregeling, ook als de werkgever vanwege werkingssfeer naar PMT zou moeten overstappen. Het betreft in dit geval specifieke afspraken voor werkgevers en de deelnemers die daar werkzaam zijn.
De sociale partners van pensioenfonds bpfBOUW hebben gevraagd om bij de invulling van de compensatieregeling te voorkomen dat deelnemers specifiek als gevolg van bijvoorbeeld seizoensarbeid niet voor compensatie in aanmerking zouden komen. Het fonds heeft dit ingevuld door deelnemers die geen recht hebben op de reguliere compensatie voor het afschaffen doorsneesystematiek (doordat zij geen deelnemer zijn op 31-12-2025) toch compensatie te verlenen als ze een actief dienstverband van tenminste één dag hebben in het laatste kwartaal van 2025 en tevens een actief dienstverband hebben van tenminste een dag in het eerste halfjaar van 2026. Deze aanpak wordt ook gevolgd in andere sectoren. Bijvoorbeeld BPL, het pensioenfonds voor werknemers in de agrarische en de groene sector en voor pensioenfonds Koopvaardij. Deze oplossingen zijn gericht op de eigen deelnemers van het fonds, die tijdelijk niet in de sector actief zijn.
Kunt u ook een nauwkeurigere inschatting maken van de grootte van de groepen overstappers met «dubbele compensatie» en van de ontvangen compensatie van deze overstappers?
Ik beschik niet over exacte data. Zoals aangegeven in antwoord op vraag 8 is eerder een globale schatting gegeven dat het hierbij zou kunnen gaan om enkele tienduizenden mensen die dit jaar zonder compensatie overstappen naar een andere baan en pensioen gaan opbouwen bij een andere pensioenuitvoerder. Er kan niet worden vastgesteld welk deel daarvan compensatie zou hebben ontvangen bij voortzetting van het dienstverband en welk bedrag daarmee gemoeid zou zijn.
In het gesprek met de vakbonden en werkgeversorganisaties, zoals aangegeven bij vraag 7, zijn verschillende mogelijke alternatieven besproken. Het is van belang dat mensen goed worden geïnformeerd over de werking van compensatieregelingen en de mogelijke gevolgen van een baanwissel, zodat zij deze gevolgen kunnen meewegen bij hun arbeidsmarktbeslissingen.
Welke aanvullende communicatie gaat het ministerie in de komende periode intensiveren om mensen naar www.pensioenduidelijkheid.nl te leiden en te wijzen op eventuele gevolgen voor compensatie van arbeidsmarktgedrag, en waarom is deze communicatie niet eerder ingezet?
Nee, hiervoor is geen betekenisvolle inschatting te maken. Zoals toegelicht in het antwoord op vraag 4, zijn hiervoor geen gegevens beschikbaar waarmee de grootte van deze groepen en de hoogte van de ontvangen compensatie kunnen worden vastgesteld.
Klopt het dat deze aanvullende communicatie te laat komt voor de tienduizenden deelnemers die pensioencompensatie mislopen, omdat zij al overgestapt zijn?
Communicatie over de nieuwe regels voor pensioen is een taak die werkgevers, werknemersorganisaties, pensioenuitvoerders en mijn ministerie gezamenlijk hebben opgepakt. Met deze partijen hebben we gezamenlijk de campagne Pensioenduidelijkheid ontwikkeld om werkenden en gepensioneerden te informeren over de nieuwe regels voor pensioen.
In de afgelopen periode is de communicatie over compensatie verder geïntensiveerd en ook de komende periode wordt hier extra aandacht aan besteed. Op pensioenduidelijkheid.nl10 staat een aparte pagina over compensatie. Ook wordt al langere tijd ingezet op het bereiken van mensen die online zoeken naar informatie over pensioen en compensatie. In mei heeft de AFM op haar consumentenpagina een informatieflyer over compensatie gepubliceerd.11 In de zomer is het onderwerp vanuit mijn ministerie extra belicht op social media.12 Begin september is er een nieuwsbericht verspreid met speciale focus op waar men de juiste informatie kan vinden over mogelijke compensatie als men van plan is om van werkgever te wisselen of minder uren te gaan werken.
Via de campagne Pensioenduidelijkheid (14 september tot en met 18 oktober) brengen we deze informatie ook extra onder de aandacht. Deze communicatie komt naast de informatie die pensioenuitvoerders, werkgevers en sociale partners al verstrekken, onder meer via websites, nieuwsbrieven, webinars en bijeenkomsten.
Kunt u deze vragen beantwoorden voor het commissiedebat Pensioenonderwerpen op 10 september?
Voor mensen die al van baan zijn gewisseld, kan aanvullende communicatie achteraf niet voorkomen dat de baanwissel heeft plaatsgevonden. Tegelijkertijd is de transitie nog niet afgerond. De uiterste transitiedatum is 1 januari 2028 en een groot aantal pensioenfondsen maakt de overstap op 1 januari 2027. Er zijn daarmee nog veel deelnemers voor wie deze informatie relevant kan zijn.
Nieuwbouwwoningen en Nederlandse en buitenlandse pensioenfondsen |
|
Robin van Leijen (D66), Henk-Jan Oosterhuis (D66) |
|
Eerenberg , Boekholt-O’Sullivan |
|
|
|
|
Voor welk aandeel van de nieuwbouwwoningen zijn Nederlandse en buitenlandse pensioenfondsen verantwoordelijk de afgelopen jaren?
Wat is de financiële ruimte bij Nederlandse pensioenfondsen voor investeringen in woningbouw gezien hun bestaande vastgoedallocatie?
Hoe verklaart u de daling van het investeringsvolume van buitenlandse beleggers in nieuwbouw in Nederland?1
Herkent u de signalen dat buitenlandse pensioenfondsen momenteel tegen fiscale onzekerheid en lange doorlooptijden aanlopen bij investeringen in Nederlandse woningbouw?
Deelt u de mening dat deze belemmeringen voor buitenlandse pensioenfondsen tegen de ambities van een Europese kapitaalmarktunie ingaan, waarbij investeringen vrij kunnen bewegen over Europese grenzen?
Deelt u de mening dat buitenlandse pensioenfondsen een belangrijke rol kunnen spelen in het financieren van de bouw van woningen in Nederland?
Hoeveel extra woningen zouden per jaar kunnen worden gerealiseerd bij een hoger investeringsvolume van buitenlandse pensioenfondsen?
Wat is de gemiddelde doorlooptijd van een vpb-ruling voor buitenlandse pensioenfondsen, waarmee de fiscale vergelijkbaarheid van deze fondsen met Nederlandse pensioenfondsen kan leiden tot een gelijk fiscaal speelveld, en daarmee tot een groei van investeringen?
Hoe beoordeelt u de gevolgen van de nieuwe pensioenwetgeving zoals de Wet toekomst pensioenen (Wtp) de vergelijkbaarheid van buitenlandse pensioenfondsen, in het bijzonder voor het criterium van het afkoopverbod?
Is het Besluit vergelijking buitenlandse rechtsvormen, wat als basis dient voor de vergelijking van buitenlandse pensioenfondsen, nog volledig in overeenstemming met de pensioenrealiteit na invoering van de Wtp of zijn er kansen om meer investeringen van buitenlandse pensioenfondsen aan te trekken?
Bent u bereid het Besluit vergelijking buitenlandse rechtsvormen te evalueren?
Kunt u deze vragen beantwoorden voor het commissiedebat Volkshuisvesting en fiscaliteit van donderdag 24 september a.s.?
Bent u bekend met het bericht «Pensioenfondsen betrokken bij verkoop van DigiD aan Amerikanen»?1
Wat is uw reactie op het bericht en de investeringen van pensioenfondsen in het bedrijf Solvinity, dat DigiD faciliteert en dreigde te worden overgekocht door Amerikanen?
Wat is de reactie van de pensioenfondsen ABP en PFZW op dit bericht? Kunt u de fondsen vragen om verantwoording af te leggen over deze investering namens de burgers die premie aan hen afdragen?
Waren de pensioenfondsen ABP en PFZW op de hoogte dat hun geld belegd werd in Solvinity? Zo ja, kunt u verklaren waarom zij deze investeringen alsnog hebben gedaan?
Vindt u het uit te leggen dat burgers via hun pensioenpremie indirect investeren in een bedrijf dat keuzes maakt die, in uw eigen woorden, indruisen tegen het publieke belang?
Welke rol speelt digitale autonomie op dit moment in het strategisch beleggingsbeleid van de pensioenfondsen? Zijn er plannen om het strategisch beleggingsbeleid op dit onderwerp aan te passen?
Welke toezichthouder zorgt ervoor dat pensioenfondsen conform hun kaders beleggen? Voldoet de investering in Solvinity aan dat kader?
Bent u bereid om pensioenfondsen te verzoeken om beleggingen die afbreuk doen aan de digitale autonomie stop te zetten?
Hoe gaat u ervoor zorgen dat pensioenfondsen hun kapitaal inzetten om de digitale autonomie van Nederland te versterken? Bent u bereid dit te bespreken met de fondsen en de Kamer dit najaar te informeren over de uitkomsten hiervan?
Kunt u deze vragen afzonderlijk en nog vóór het commissiedebat «digitaliserende overheid en toezicht» van 30 september 2026 beantwoorden?
Bent u bekend met het Woo-verzoek van NRC Handelsblad aangaande het besluit van toenmalig Minister Paul om het besluit van haar voorganger Van Hijum aangaande het afbouwen van de mogelijkheid om 25 procent van het minimumloon in te houden terug te draaien en de timing daarvan?
Ja.
Klopt het dat het besluit van de Minister om deze maatregel terug te draaien reeds op 30 september bekend was, dat op 7 oktober een concept-Kamerbrief aan de Minister is voorgelegd, dat hier vervolgens twee weken overheen gingen en dat op 20 oktober vervolgens intern bekend werd dat een betrokken ambtenaar met de Minister had besloten om de brief pas na de verkiezingen te verzenden, dat daags erop door een andere ambtenaar eveneens werd aangegeven dat de Minister tot na de verkiezingen wilde wachten met communiceren over het niet afbouwen van de inhoudingsmogelijkheid per 1 januari 2026 en dat het communicatiebureau dat nieuwsberichten voor het ministerie verzorgt te horen kreeg dat er «nog even geen momentum is om hier iets over naar buiten te brengen», zoals uit de reconstructie van NRC aan de hand van het Woo-verzoek blijkt1? Zo nee, wat klopt er volgens u niet aan deze reconstructie en hoe is een en ander dan wél verlopen? Graag een concreet antwoord.
Ik zou graag een tijdlijn met u willen delen, die intern is gereconstrueerd:
Voorafgaand aan het voorleggen van de brief aan hun Minister, wil VRO deze eerst ook intern bespreken en afstemmen.
Indien de gereconstrueerde gang van zaken klopt, erkent u dan dat deze niet in lijn is met de verklaring die de Minister tijdens het Kamerdebat op 27 november gaf voor de timing rond het informeren van de Kamer over haar besluit op 30 oktober -daags na de Tweede Kamerverkiezingen? Zo nee, waarom niet?
Nee. Het beeld is niet veranderd zoals de tijdlijn in het antwoord op vraag 2 ook laat zien.
Hoe duidt in het licht van de uitkomsten van het Woo-verzoek dat Minister Paul tijdens dit debat in antwoord op vragen van het lid Ceulemans over deze timing aangaf: «We zijn terughoudend om met beleidsinhoudelijke brieven te komen, dus niet in een reces, niet in een verkiezingsreces. Tegelijkertijd is de praktische kant van de zaak dat de ambtelijke afstemming met VRO pas op 29 oktober afgerond was» en «De suggestie wordt gewekt dat ik gepland en bewust heb gedacht: zo, die drop ik de dag na de verkiezingen. Dat is helemaal niet aan de orde. Dat is oprecht niet aan de orde.2»Vindt u deze verklaringen in lijn met hetgeen uit de Woo-verzoeken is gebleken, namelijk dat expliciet wordt aangegeven dat de Minister pas na de verkiezingen de Kamer wilde informeren en communiceren over het terugdraaien van de inhoudingsmogelijkheid? Zo ja, hoe rijmt u dit?
Ja. In zowel de Kamerbrief die op 20 november aan uw Kamer is aangeboden, als ook in het debat met uw Kamer op 27 november is voornoemde terughoudendheid gemeld. Daarbij is rekening gehouden met de staande parlementaire verhoudingen door terughoudend om te gaan met het sturen van beleidsbrieven tijdens een (verkiezings-)reces wanneer de Kamer deze niet in behandeling kan nemen.
Hoe duidt u in het licht van de uitkomsten van het Woo-onderzoek tevens dat Minister Paul tijdens hetzelfde debat in antwoord op vragen van het lid Patijn (PRO) aangaf: «De suggestie wordt gewekt dat ik de timing heb laten afhangen van de campagne of het feit dat er verkiezingen aankwamen. Daar heeft het werkelijk helemaal niks mee te maken.» en «Nadat ik het besluit had genomen, zijn we aan de slag gegaan om die communicatie voor te bereiden. Ik werk samen met fantastische ambtenaren, maar als ik concepten voorgelegd krijg, vind ik er ook nog wat van. Dat gaat dan heen en weer. Vervolgens vond er ambtelijke afstemming plaats met het Ministerie van VRO. Uiteindelijk waren we er op 29 oktober ambtelijk uit. Toen is er een klap gegeven op die brief en is die uitgestuurd.» Vindt u deze verklaringen in lijn met hetgeen uit het Woo-verzoek is gebleken, namelijk een expliciet besluit om pas na de verkiezingen de Kamer te informeren en over de maatregel te communiceren over het terugdraaien van de inhoudingsmogelijkheid? Zo ja, hoe rijmt u dit?
Ja. Deze weging blijkt ook uit de Kamerbrief die op 20 november aan uw Kamer is aangeboden en waarin melding wordt gemaakt van voornoemde terughoudendheid. Ook in het debat noemt de Minister dat ze terughoudend is met beleidsinhoudelijke brieven tijdens een verkiezingsreces.
De politieke afstemming vond plaats tot en met 29 oktober. Toen was de Minister van VRO akkoord. De ambtelijke afstemming met VRO was op 7 oktober afgerond.
Vindt u alles afwegende dat uw voorganger de Kamer juist en volledig heeft geïnformeerd over de timing van haar besluit om de inhoudingsmogelijkheid terug te draaien? Zo ja, hoe kunt u dit volhouden?
Voor zover ik kan beoordelen is er geen sprake van een afweging op basis van politieke gronden om de brief pas na de verkiezingen te versturen. Zie voorts ook de eerdergenoemde brief van 20 november aan uw Kamer.
Zo nee, deelt de u de indruk dat het er alle schijn van heeft dat de Kamer door de Minister bewust onjuist geïnformeerd is over de besluitvorming rond dit dossier? Zo nee, waarom niet?
Zie antwoord op vraag 6.
Was u bekend met de gang van zaken zoals blijkt uit het Woo-verzoek van NRC aangaande het bewust pas ná de verkiezingen informeren van de Kamer over het terugdraaien van de afbouw van de inhoudingsmogelijkheid? Zo ja, heeft u overwogen om het beeld dat uw voorganger hierover tijdens het Kamerdebat van 27 november schetste richting de Kamer recht te zetten? Zo nee, waarom niet en zo ja, waarom is dit niet alsnog gebeurd?
Ik ben op 6 juli van dit jaar geïnformeerd dat er een Woo-verzoek lag en wanneer de Woo-stukken met de indieners gedeeld zouden worden.
Kunt u aangeven of indien nodig nagaan welke gesprekken uw voorganger heeft gevoerd met welke betrokken partijen en belanghebbenden in aanloop naar haar besluit om het verbod op inhoudingen voor huisvesting terug te draaien? Kunt u de Kamer voorzien van alle beschikbare informatie hieromtrent?
In het Kamerdebat van 27 november 2025 is door mijn ambtsvoorganger aangegeven dat de standpunten van alle stakeholders duidelijk waren door de eerder uitgevoerde verkenning en ook nog eens bevestigd waren in de internetconsultatie. Er was dus geen nieuwe aanleiding om daarover met hen in gesprek te gaan.
Deelt u de conclusie dat het bewust pas ná de verkiezingen informeren van de Kamer over een reeds genomen besluit sterk de suggestie wekt dat dit politiek beter uitkwam? Zo nee, waarom niet en welk andere motieven zijn dan volgens u aannemelijk?
Dit beeld herken ik niet, maar ik begrijp wel dat dit beeld is ontstaan. Hierover is in de Kamer ook het debat gevoerd. De stukken uit het Woo-verzoek bevestigen de uitgangspunten bij het besluit zoals die met uw Kamer zijn gedeeld in het debat en de brief die voorafgaand aan het debat naar de Kamer is verstuurd.
Hoe is het besluit om de Kamer pas na de verkiezingen te informeren tot stand gekomen, welke personen en eventuele organisaties en andere partijen zijn hierbij -al dan niet in adviserende vorm- betrokken geweest?
In het antwoord op vraag 2 is een tijdlijn opgenomen die beschrijft hoe het besluit tot stand is gekomen.
Bent u bereid het verbod op het inhouden van huur op het minimumloon, een maatregel die volgens de Arbeidsinspectie een prikkel vormt om buitenlands in plaats van Nederlands personeel aan te stellen, alsnog snel door te voeren en niet te wachten op het eventuele aannemen van de aangekondigde wet op de huurbescherming, aangezien het nog zeker een jaar zal duren voordat deze wordt ingevoerd? Zo nee, waarom niet?
In het Kamerdebat op 27 november 2025 zijn twee moties ingediend die verzoeken om de inhoudingsmogelijkheid op het minimumloon voor huisvestingskosten alsnog af te schaffen, zo mogelijk gelijktijdig met het wetsvoorstel van VRO over huurbescherming. Tijdens het Commissiedebat Arbeidsmigratie van 3 juni 2026 heb ik toegezegd uw Kamer over mijn standpunt te informeren. Uw Kamer ontvangt hierover zo snel mogelijk een brief van mij. Mijn inzet is om de inhoudingsmogelijkheid voor huisvesting in het minimumloon in lijn met de door de Tweede Kamer aangenomen moties gelijktijdig met de invoering van de huurbeschermingswet af te schaffen.3 4
Het bericht ‘Minister Mariëlle Paul verzweeg bewust tot na de verkiezingen dat ze een plan ter bescherming van arbeidsmigranten introk’ |
|
Jimmy Dijk (SP) |
|
Hans Vijlbrief (D66) |
|
|
|
|
Heeft u kennisgenomen van het bericht dat uw voorganger al vóór de Tweede Kamerverkiezingen besloot een wetsvoorstel voor de afbouw van looninhoudingen voor de huisvesting van arbeidsmigranten in te trekken, maar de Tweede Kamer daar pas één dag ná de verkiezingen over informeerde?1
Ja.
Klopt het dat het besluit tot terugtrekking van de wet al eind september was genomen, maar de Kamer daar pas na de verkiezingen over werd geïnformeerd?
Ja. Ik zou graag een tijdlijn met u willen delen, die intern is gereconstrueerd:
Waarom is er door uw voorganger voor gekozen de Kamerbrief pas na de verkiezingen te versturen waardoor kiezers en de Kamer vóór de verkiezingen geen kennis konden nemen van dit besluit?
Bij het moment van versturen is mijn ambtsvoorganger uitgegaan van twee uitgangspunten. Ten eerste is terughoudend omgegaan met het versturen van een brief met een beleidswijziging als uw Kamer met (verkiezings-)reces is. Daarnaast was de afstemming met de Minister van Volkshuisvesting en Ruimtelijke Ordening (VRO) op woensdag 29 oktober eind van de dag gereed.
Deelt u de mening dat een demissionair kabinet de Kamer en de samenleving tijdig en volledig moet informeren over ingrijpende beleidswijzigingen, ook in verkiezingstijd? Zo nee, waarom niet? Zo ja, wat is hier misgegaan?
Jazeker. Daarbij kan ik me voorstellen dat terughoudendheid is betracht bij het versturen van een Kamerbrief met een beleidswijziging wanneer uw Kamer met (verkiezings-)reces is. Daarmee wordt voorkomen dat in aanloop naar verkiezingen beleidswijzigingen worden voorgesteld die kunnen leiden tot discussie, zonder dat de Kamer daar meteen op kan reageren.
Wat vindt u van het ontijdig informeren van de Kamer en de samenleving door uw voorganger?
De lijn om in verkiezingsreces terughoudendheid te betrachten bij het versturen van Kamerbrieven met beleidswijzingen kan ik volgen.
Bent u bereid het besluit tot terugtrekking van het wetsvoorstel terug te draaien en de looninhouding voor huisvesting alsnog af te bouwen, zoals eerder voorgesteld door het vorige kabinet en onderdeel van de aanbevelingen van onder meer de Commissie Roemer en de Arbeidsinspectie? Zo nee, waarom niet?
In het Kamerdebat op 27 november 2025 zijn twee moties ingediend die verzoeken om de inhoudingsmogelijkheid op het minimumloon voor huisvestingskosten alsnog af te schaffen, zo mogelijk gelijktijdig met het wetsvoorstel van VRO over huurbescherming. Tijdens het Commissiedebat Arbeidsmigratie van 3 juni 2026 heb ik toegezegd uw Kamer over mijn standpunt te informeren. Uw Kamer ontvangt hierover zo snel mogelijk een brief van mij. Mijn inzet is om de inhoudingsmogelijkheid voor huisvesting in het minimumloon in lijn met de door de Tweede Kamer aangenomen moties gelijktijdig met de invoering van de huurbeschermingswet af te schaffen.2 3
Kunt u deze vragen één voor één beantwoorden?
Ja.
Het mogelijk onjuist informeren van de Tweede Kamer over het uitstellen van een besluit inzake arbeidsmigratie. |
|
Maikel Boon (PVV) |
|
Hans Vijlbrief (D66) |
|
|
|
|
Bent u bekend met het bericht «Oud-minister liet bewust na de Tweede Kamerverkiezingen weten het arbeidsmigratieplan te schrappen1» en klopt het dat uit vrijgegeven documenten blijkt dat voormalig Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid Paul de bekendmaking van dit besluit bewust heeft uitgesteld tot na de verkiezingen? Zo nee, waarom niet?
Ja. Een tijdlijn, die intern is gereconstrueerd, ziet er als volgt uit:
Voorafgaand aan het voorleggen van de brief aan hun Minister, wil VRO deze eerst ook intern bespreken en afstemmen.
Hoe verhoudt dit zich tot de uitspraken van voormalig Minister Paul tijdens het debat van 27 november 2025, waarin zij onder meer verklaarde dat de timing «werkelijk helemaal niks te maken had»2 met de verkiezingen en dat de vertraging werd veroorzaakt door ambtelijke afstemming en de voorbereiding van de Kamerbrief?
In de brief van 20 november 2025 aan uw Kamer en het daaropvolgende Kamerdebat van 27 november is gemeld dat mijn ambtsvoorganger bij het moment van versturen is uitgegaan van twee uitgangspunten. Ten eerste is terughoudend omgegaan met het versturen van een brief met een beleidswijziging als uw Kamer met (verkiezings-)reces is. Daarnaast was de afstemming met de Minister van Volkshuisvesting en Ruimtelijke Ordening (VRO) op woensdag 29 oktober eind van de dag gereed.
Deelt u de opvatting dat de Tweede Kamer, indien de vrijgegeven documenten juist zijn, tijdens dit debat onvolledig en/of onjuist is geïnformeerd? Zo nee, waarom niet?
Nee. Met de Kamerbrief van 20 november en het daaropvolgende debat met uw Kamer op 27 november 2025 is uw Kamer geïnformeerd over de weging en het proces omtrent het besluit over inhoudingen op minimumloon voor huisvesting.
Is naar uw oordeel sprake van een schending van de ministeriële informatieplicht? Zo nee, waarom niet?
Nee. Met de inlichtingenplicht van bewindspersonen zoals die is opgenomen in artikel 68 van de Grondwet is opgenomen dat de kamers elk afzonderlijk en in verenigde vergadering mondeling of schriftelijk de door een of meer leden verlangde inlichtingen ontvangen waarvan het verstrekken niet in strijd is met het belang van de staat. Met de Kamerbrieven van 30 oktober en 20 november en het debat met uw Kamer op 27 november 2025 is uw Kamer geïnformeerd.
Welke consequenties verbindt u aan deze gang van zaken en bent u bereid alle relevante interne documenten over de besluitvorming en de gekozen communicatietiming alsnog aan de Kamer te verstrekken?
Ja. Alle relevante documenten die op grond van de Woo-verzoeken worden vrijgegeven, worden ook via het internet openbaar gemaakt.
De grote verschillen binnen en tussen gemeenten als het gaat om de uitvoering van de Participatiewet |
|
Wimar Bolhuis (GroenLinks-PvdA) |
|
Hans Vijlbrief (D66) |
|
|
|
|
Bent u op de hoogte van het bericht «Mensen die bijstand aanvragen worden ongelijk behandeld» van Binnenlands Bestuur op 6 juli 2026?1
Ja.
Deelt u de mening dat grote verschillen in de behandeling van bijstandsaanvragen binnen dezelfde gemeente en tussen gemeenten onwenselijk zijn?
Gemeenten zijn in medebewind verantwoordelijk voor de uitvoering van de Participatiewet en in dat kader verantwoordelijk voor de vormgeving van de aanvraagprocedure om het recht op bijstand vast te stellen. In de wet is daarbij ruimte voor de menselijke maat en om uit te gaan van wat iemand nodig heeft. Tegelijkertijd vind ik het belangrijk dat mensen die daar recht op hebben kunnen rekenen op een bepaald niveau van ondersteuning en dat ze zekerheid over hun inkomen hebben. Het is aan de gemeenteraad om hierop toe te zien.
Met de wetswijzigingen van spoor 1 van het programma Participatiewet in balans wordt de uitvoering door gemeenten op bepaalde punten meer geharmoniseerd en is op andere punten meer ruimte gecreëerd voor het toepassen van de menselijke maat. Zo mogen op individuele basis gemeenten afzien van de vierwekenzoektermijn voor jongeren tot 27 jaar in een kwetsbare situatie. Ook is er sprake van een verkorte aanvraagprocedure voor herintreders in de bijstand en voor alle aanvragers een eenvoudigere aanvraag. De genoemde wijzigingen gelden vanaf 1 januari 2026 en helpen de aanvraagprocedure meer te harmoniseren tussen gemeenten.
Welke instructies krijgen ambtenaren van gemeenten om hun taken betreffende de behandeling van bijstandsaanvragen uit te voeren en hun bevoegdheden en beleidsvrijheid correct in te zetten? Hoe houdt u zicht op de kwaliteit, onderlinge gelijkenissen, en op de eenduidigheid?
Gemeenten zijn verantwoordelijk voor de uitvoering van de Participatiewet. SZW heeft een faciliterende rol in het ondersteunen van de uitvoering door gemeenten. Bij de wijzigingen van Participatiewet in balans is voor een aantal onderdelen een duidelijker kader neergezet voor gemeenten waarin de bewegingsruimte explicieter is gemaakt.
De gemeenten zijn verantwoordelijk voor de vormgeving van de uitvoering, en worden daarbij ondersteund door onder meer de VNG en Divosa. SZW houdt geen toezicht op de uitvoering van individuele gemeenten. Dat is aan de gemeenteraad.
Welke verbeteringen denkt u dat er in de bestaande gemeentelijke instructies betreffende het behandelen van de aanvragen mogelijk zijn? Welke rol ziet u hierbij voor de nationale overheid?
Gemeenten dragen zelf verantwoordelijkheid voor de werkinstructies aan hun medewerkers. Deze zijn en worden aangepast op basis van de wijzigingen van de Participatiewet in balans. Deze wijzigingen zijn deels al ingegaan en een deel gaat in per 1 januari 2027. In 2028 wordt een invoeringstoets uitgevoerd, waaruit eventuele knelpunten naar voren kunnen komen. Mocht uit de invoeringstoets blijken dat er knelpunten zijn in de uitvoering van de wijzigingen van de Participatiewet, dan zal ik daar met gemeenten het gesprek over aangaan. De Kamer wordt hierover geïnformeerd.
In hoeverre zijn er vanuit de nationale overheid op dit moment initiatieven of beleid om gemeenten kennis en ervaringen met elkaar te laten delen?
Naast de leeragenda en de andere activiteiten die in het kader van het programma Participatiewet in balans zijn uitgevoerd met ondersteuning van SZW zijn er verschillende initiatieven waarin wordt gewerkt aan kennisdeling. Op basis van de leeragenda heeft de VNG dit jaar handelingsperspectieven gepubliceerd voor en door gemeenten op het gebied van handhaving, domeinoverstijgend werken en sturen op vakmanschap. Beroepsvereniging SAM werkt samen met hogescholen en private opleiders aan een kwalificerende beroepsopleiding op hbo-niveau. Divosa heeft bovendien een werkatelier voor gemeenten georganiseerd over de maatwerkondersteuning van jongeren. Dit werkatelier organiseerde zij in het verlengde van de handreiking over ondersteuning van jongeren in een kwetsbare positie2. De lessen uit deze handreiking kunnen breder worden ingezet dan enkel voor jongeren.
Wat gaat u doen met het signaal er bij ambtenaren van gemeenten te weinig kennis is over hun handelingsruimte binnen de Participatiewet? Welke mogelijkheden ziet u hier voor digitale kennisoverdracht, zoals bijvoorbeeld een chatbot die alle relevante en actuele SZW-regelgeving en kennisdocumenten kan inlezen en doorzoeken, en ambtenaren van op hun verzoek van eenduidige correcte kennis en advies kan voorzien?
Het kabinet neemt het signaal mee dat kennis over de handelingsruimte binnen de Participatiewet niet overal in gelijke mate aanwezig is. Tegelijkertijd ligt de primaire verantwoordelijkheid voor het op peil houden van de vakkennis en deskundigheid bij gemeenten als uitvoerders van de Participatiewet. Zij zijn verantwoordelijk voor het opleiden en ondersteunen van hun medewerkers. In hoeverre daarbij gebruik wordt gemaakt van chatbots e.d. is aan gemeenten.
Vanuit de systeemverantwoordelijkheid ondersteunt het Rijk de gemeenten door te zorgen voor duidelijke wet- en regelgeving, handreikingen, toelichtingen en kennisproducten. Daarnaast werken we samen met verschillende partijen zoals de VNG en Divosa om kenniswisseling en de eenduidige uitvoering te bevorderen. Daarnaast wil ik wijzen op meerdere digitale databanken met alle relevante en actuele wet- en regelgeving, inclusief jurisprudentie, die beschikbaar is op nationaal niveau3 4.
Wat gaat u doen met het signaal dat er te weinig tijd en ruimte is om genoeg persoonlijke aandacht te besteden aan de individuele bijstandsaanvrager waardoor maatwerk soms tekortschiet?
Met de recente wetswijzigingen uit Participatiewet in balans komt er meer ruimte voor maatwerk door gemeenten. Ook is het streven om de uitvoering eenvoudiger te maken. Een deel van de maatregelen is geïmplementeerd per januari 2026, de overige maatregelen volgen vanaf januari 2027. Het resultaat van die wetswijzigingen, maar ook van eerdergenoemde handreikingen wordt dus nog zichtbaar. De gemeenten hebben immers tijd nodig om de veranderingen door te voeren. De eerste signalen zullen bij de invoeringstoets in 2028 actief worden opgehaald. In de tussentijd sta ik open voor signalen vanuit de uitvoering en de doelgroep.
Komt u met een kabinetsreactie op het rapport «(On)benutte ruimte in de bijstand» van de Nederlandse Arbeidsinspectie, waarin u aangeeft welke stappen u zet op basis van het rapport?
Het kabinet heeft op het rapport gereageerd in de verzamelbrief Participatiewet van 3 juli 20265, waarmee het rapport aan de Kamer is aangeboden. In de beantwoording van de vragen 2 tot en met 7 is al genoemd welke activiteiten momenteel lopen en hoe de uitvoering ondersteund wordt. Een verdere kabinetsreactie is niet voorzien.
Het bericht ‘Gezondheidsraad beschouwt vliegtuiguitstoot als kankerverwekkend’ |
|
Jimmy Dijk (SP) |
|
Hans Vijlbrief (D66), Vincent Karremans (VVD) |
|
|
|
|
Bent u bekend met het bericht «Gezondheidsraad beschouwt vliegtuiguitstoot als kankerverwekkend»?1
Ja.
Welke signalen heeft u de afgelopen jaren gekregen waaruit blijkt dat het platformwerk op Schiphol een risico voor de gezondheid van werknemers oplevert? Wat heeft u gedaan met deze signalen?
In 2021 bracht Zembla de uitzending «Ziek van Schiphol» uit. Hierin werd aandacht gevraagd voor werknemers die werken met gevaarlijke stoffen op Schiphol, met name dieselmotoruitstoot (DME), kerosinemotoruitstoot (KME, ook vaak aangeduid als vliegtuigmotoruitstoot) en ultrafijnstof. Eind 2021 heeft de FNV een handhavingsverzoek ingediend bij de Nederlandse Arbeidsinspectie. Het verzoek was om bij Schiphol onderzoek te doen naar en te handhaven op de blootstelling aan uitlaatgassen en de arbozorgverplichtingen. De Arbeidsinspectie heeft naar aanleiding van het verzoek van de FNV een handhavingstraject ingezet. Over het toezicht van de Arbeidsinspectie op Schiphol is uw Kamer eerder geïnformeerd, onder andere in de brief van 28 januari 2025.2
Mijn ministerie is verantwoordelijkheid voor het arbeidsomstandighedenstelsel. Vanuit de stelselverantwoordelijkheid heb ik verschillende stappen gezet:
Schiphol en de werkgevers op Schiphol zijn op grond van de Arbeidsomstandighedenwet primair verantwoordelijk voor het gezond en veilig werken op de luchthaven. Schiphol heeft een plan van aanpak opgesteld voor het gezond en veilig werken met DME en KME. Schiphol geeft hier samen met de andere werkgevers op het terrein uitvoering aan. De Arbeidsinspectie houdt toezicht op de uitvoering hiervan.
Ook het Ministerie van IenW zet zich in voor het stimuleren van het duurzaam taxiën, voor zover dit technisch mogelijk is. In het Akkoord Duurzame Luchtvaart (2018) hebben de overheid en luchtvaartsector zich gecommitteerd aan de ambitie om duurzaam taxiën in 2030 de standaardprocedure te laten zijn voor het gehele luchthaventerrein. Deze ambitie staat ook in de Luchtvaartnota 2020–2050. De luchtvaartsector heeft in dit kader al verschillende stappen gezet. Zo wordt sinds mei de eerste elektrische taxibot op Schiphol ingezet. Later dit jaar volgen nog drie additionele elektrische taxibots, waardoor de inzet kan worden uitgebreid naar meer vliegtuigtypes. De implementatie is echter complex. Technische, operationele en infrastructurele beperkingen maken dat nog niet bij alle vliegtuigtypen, niet voor alle startbanen en niet op alle opstelposities taxitowvoertuigen ingezet kunnen worden. De sector werkt hard aan deze uitdagingen om waar mogelijk verdere opschaling te realiseren.
Deelt u de conclusie van de Gezondheidsraad dat werknemers beter beschermd moeten worden tegen beroepsmatige blootstelling aan kerosinemotoremissie?
De Gezondheidsraad concludeert dat er voldoende bewijs is om te veronderstellen dat het mengsel KME kankerverwekkend is (classificatie categorie 1B). Werkgevers zijn op basis van de Arbowetgeving verplicht om blootstelling aan kankerverwekkende stoffen te minimaliseren, voor zover dat technisch mogelijk is. RIVM heeft in 20245 al aangetoond dat er verschillende kankerverwekkende stoffen in KME zitten. Voor deze stoffen gold de minimalisatieverplichting al. Het Gezondheidsraadadvies verduidelijkt dat de genoemde minimalisatieverplichting ook voor het mengsel KME geldt. In mijn brief van 2 juli 20266 heb ik uw Kamer geïnformeerd over de uitkomsten van het Gezondheidsraadadvies over KME.
De Gezondheidsraad beoordeelt uitsluitend de eigenschappen van stoffen en mengsels. De beoordeling van de blootstelling op de werkplek en de getroffen beheersmaatregelen valt onder de verantwoordelijkheid van werkgevers. Schiphol en de werkgevers op het terrein zijn primair verantwoordelijk voor het gezond en veilig werken op de luchthaven en het minimaliseren van de blootstelling aan DME en KME binnen de kaders van de Arbowetgeving. Schiphol heeft hiervoor een plan van aanpak opgesteld en werkt samen met de andere werkgevers aan de uitvoering hiervan. De Arbeidsinspectie houdt hier toezicht op.
Gaat u op korte termijn extra beschermende maatregelen nemen om medewerkers preventief te beschermen tegen kerosinemotoremmissie zolang het onderzoek van het RIVM loopt? Zo nee, waarom niet? Zo ja, om welke maatregelen gaat dit?
Het treffen van beschermende maatregelen is de verantwoordelijkheid van Schiphol en de werkgevers op het terrein. Zij zijn op basis van de Arbeidsomstandighedenwet- en regelgeving verplicht om de beroepsmatige blootstelling aan DME en KME zo snel mogelijk te minimaliseren, voor zover dit technisch mogelijk is. De luchtvaartsector heeft hiervoor een plan van aanpak opgesteld. De maatregelen die daarin worden genoemd zijn bijvoorbeeld het elektrificeren van het grondmaterieel en vliegtuigvoorzieningen, het minimaliseren van het gebruik van de hulpmotor (APU) en het stimuleren van duurzamer taxiën. De Arbeidsinspectie houdt toezicht op de uitvoering hiervan.
Bereidt u naar aanleiding van het rapport van de Gezondheidsraad en zolang het onderzoek van het Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu (RIVM) loopt andere maatregelen voor? Zo ja, om welke maatregelen gaat dit?
Ja. Op basis van het Gezondheidsraadadvies neem ik het mengsel KME op in de SZW-lijst van kankerverwekkende stoffen en processen. Deze lijst is een hulpmiddel voor werkgevers en werknemers. De lijst bevat alle stoffen en processen die als kankerverwekkend geclassificeerd zijn. En alle stoffen en processen die geclassificeerd zijn als «schadelijk voor de voortplanting» (reprotoxisch) en «beschadigend voor het erfelijk materiaal» (mutageen).
Daarnaast zet ik mij in voor een Europese classificatie voor het mengsel KME. Mijn doel is om een gelijk speelveld voor werkgevers en een eenduidig beschermingsniveau voor werknemers in de hele EU te realiseren.
Tot slot blijf ik in mijn gesprekken met Schiphol het belang van een gezonde en veilige werkomgeving benadrukken.
Gaat u de Nederlandse Arbeidsinspectie zo lang het onderzoek van het RIVM loopt vragen om vaker te controleren bij het platformwerk op Schiphol? Zo nee, waarom niet?
In lijn met de aanwijzingen van de Minister-President over rijksinspecties is de Arbeidsinspectie onafhankelijk en gaat zij zelf over haar werkwijze. De Arbeidsinspectie heeft al meerdere toezichtprojecten lopen op Schiphol, ook ten aanzien van het werk op de platforms.
Bent u bereid te onderzoeken of (voormalige) Schipholmedewerkers die mogelijke gezondheidsschade hebben opgelopen in aanmerking kunnen komen voor compensatie, eventueel via de werkgever? Zo nee, waarom niet?
Het Burgerlijk Wetboek (artikel 7:658, lid 2) regelt dat de werkgever een zorgplicht heeft voor zijn werknemers. Het schadeverhaal bij beroepsziekten loopt via het civiele aansprakelijkheidsrecht. Daarmee is het een zaak tussen werknemers en werkgevers. De werknemer die ziek is geworden door het werk kan de werkgever hiervoor aansprakelijk stellen en zo in aanmerking komen voor een schadevergoeding.
Kunt u deze vragen één voor één beantwoorden?
Ja.
De combinatie van werk en intensieve mantelzorg |
|
Nicole Moinat (PVV) |
|
Thierry Aartsen (VVD) |
|
|
|
|
Bent u bekend met het rapport van het Sociaal en Cultureel Planbureau waaruit blijkt dat intensieve mantelzorgers steeds vaker vastlopen in de combinatie van werk en zorg?1
Het Sociaal en Cultureel Planbureau (hierna: SCP) heeft recent twee rapporten opgeleverd rondom mantelzorg. Dit gaat om het rapport «Op zoek naar verbinding»2 en «Mantelzorg in beweging»3. Ik ben bekend met beide rapporten. Ook ben ik bekend met het SER-advies «Mantelzorg en werk in een zorgzame samenleving»4 waarnaar wordt verwezen in het FD-artikel dat is opgenomen als voetnoot bij de vraag.
Deelt u de zorg dat door de vergrijzing en het langer zelfstandig wonen steeds meer werkenden intensieve mantelzorg zullen verlenen? Zo ja, welke gevolgen verwacht u hiervan voor de arbeidsmarkt en het ziekteverzuim?
Ik deel het beeld dat door vergrijzing en het langer zelfstandig wonen steeds meer mantelzorg verleend zal worden. Deze vorm van zorgverlening komt ook terecht bij werkenden. Volgens het SCP-rapport «Mantelzorg in beweging» is het aantal mensen dat werk en mantelzorg combineert gestegen van 73% in 2014 naar 80% in 2024. Het aantal mensen dat mantelzorg geeft, is toegenomen van 33% tot 39%. In totaal gaven in 2024 5,5 miljoen mensen mantelzorg. Volgens het SER-advies «Mantelzorg en werk in een zorgzame samenleving» is naar schatting 18 procent van het totale ziekteverzuim gerelateerd aan mantelzorg. Wanneer een grotere groep werkenden in de toekomst mantelzorg zou verlenen, zal de kans op ziekteverzuim ook toenemen.
Hoeveel werknemers zijn de afgelopen vijf jaar uitgevallen of minder gaan werken vanwege intensieve mantelzorg, voor zover dit bekend is?
Er zijn geen cijfers bekend over hoeveel werknemers de afgelopen vijf jaar zijn uitgevallen of minder zijn gaan werken vanwege (intensieve) mantelzorg, omdat mantelzorg niet wordt geregistreerd. Het CBS geeft aan dat in 2023 807.000 werknemers van 15 tot 75 jaar te maken hadden met een langdurige zorgsituatie. Bijna driekwart heeft hierbij zelf zorg verleend. Ruim vier op de tien werknemers (243.000) die gezorgd hebben voor een langdurig zieke, hebben daarvoor aanpassingen gedaan in hun werk. 42.000 werknemers zijn minder uren gaan werken en 14.000 zijn tijdelijk gestopt met werken. Voor kortdurende zorgsituaties is niet bekend hoeveel werknemers minder uren zijn gaan werken of tijdelijk zijn gestopt met werken.5
Welke concrete maatregelen neemt u om te voorkomen dat werknemers hun baan moeten opgeven of structureel minder gaan werken vanwege intensieve mantelzorg?
De afgelopen jaren zijn met onder andere de Mantelzorgagenda 2023–2026 stappen gezet om de positie van mantelzorgers te erkennen en versterken. Voor werkende mantelzorgers is door het Ministerie van Volksgezondheid, Welzijn en Sport samen met het Ministerie van Sociale Zaken en Werkgelegenheid via een subsidie de Stichting Werk en Mantelzorg gefaciliteerd bij het ontwikkelen en uitvoeren van een ondersteuningsprogramma. De Stichting Werk en Mantelzorg ondersteunt werkgevers en stimuleert hen bij het maken van mantelzorgvriendelijk personeelsbeleid. Ook is met de Stichting van de Arbeid een inspiratiedocument voor werkgevers en werknemers over de combinatie werk en mantelzorg ontwikkeld. Via deze maatregelen wordt gewerkt aan het voorkomen van verzuim vanwege mantelzorg.
Daarnaast geeft de Wet flexibel werken werknemers de mogelijkheid bij de werkgever een verzoek in te dienen voor aanpassing van de arbeidsduur, werktijden en arbeidsplaats (bijvoorbeeld thuiswerken). Hoewel dit niet voor alle (intensieve) mantelzorgers voldoende ruimte zal bieden, kan deze flexibiliteit in de inrichting van werk wel bijdragen aan het kunnen combineren van arbeid en mantelzorg. Ook werk ik aan een wetsvoorstel ter vereenvoudiging van het verlofstelsel. Onderdeel daarvan is de samenvoeging van het huidige kortdurend en langdurend zorgverlof. Zie verder ook het antwoord op vraag 5.
Bent u bereid te onderzoeken of de bestaande verlofregelingen voor mantelzorg voldoende aansluiten bij langdurige en intensieve mantelzorgsituaties? Zo nee, waarom niet?
Momenteel werk ik aan een wetsvoorstel ter vereenvoudiging van het verlofstelsel. Onderdeel van dit wetsvoorstel is de samenvoeging van het huidige kortdurend en langdurend zorgverlof. Met het samenvoegen van beide regelingen komt er één zorgverlofregeling van acht weken, waarvan twee weken gedeeltelijk (70 procent) betaald. Het samenvoegen zorgt voor een aantal wijzigingen in kenmerken en voorwaarden ten opzichte van hoe het zorgverlof op dit moment in de Wet arbeid en zorg is geregeld. Zo worden de gedeeltelijk betaalde weken zorgverlof voor een breder aantal situaties inzetbaar. In het wetsvoorstel is opgenomen dat het verlof zowel voor de noodzakelijke verzorging van een naaste die ziek of hulpbehoevend is, als voor de verzorging van een naaste die levensbedreigend ziek is, kan worden ingezet. Dit kan ook relevant zijn voor mensen die mantelzorg verlenen. Het wetsvoorstel was tot 10 augustus jl. in internetconsultatie. Het streven is om het wetsvoorstel voor het einde van het jaar naar uw Kamer te sturen.
In het SER-advies «Mantelzorg en werk in een zorgzame samenleving» wordt aangegeven dat de bestaande verlofregelingen onvoldoende aansluiten bij langdurige en intensieve mantelzorgsituaties. Aanbevolen wordt een verlof te introduceren gedurende acht keer de overeengekomen arbeidsduur per week onder loondoorbetaling door een publiek gefinancierde uitkering van 70 procent van het dagloon, gemaximeerd en met het minimumloon als bodem, belegd bij een externe partij. In het najaar kom ik samen met mijn collega’s van VWS, OCW en FIN met een reactie op het SER-advies, waar ook in zal worden gegaan op deze aanbeveling.
Hoe beoordeelt u de signalen dat werkgevers vaak onvoldoende bekend zijn met de mogelijkheden om mantelzorgende werknemers te ondersteunen, en bent u bereid te bezien hoe deze kennis kan worden verbeterd?
Ik herken het beeld dat niet alle werkgevers voldoende bekend zijn met de mogelijkheden om mantelzorgende werknemers te ondersteunen. Ik zie dit als een aandachtspunt waar kansen liggen om de combinatie van werk en mantelzorg voor werknemers te verbeteren. Zoals eerder aangegeven is in de Mantelzorgagenda 2023–2026 een ondersteuningsprogramma voor werkgevers en een programma voor leidinggevenden opgenomen, gericht op het faciliteren van de combinatie van werk en mantelzorg voor werknemers. Een divers scala aan werkgevers en branches worden hiermee bereikt.
In het SER-advies «Mantelzorg en werk in een zorgzame samenleving» wordt aanbevolen om het gesprek over mantelzorg aan de cao-tafel te bevorderen en mantelzorgvriendelijk beleid in cao’s en bedrijven te promoten. Dit kan ook belangrijk zijn om bewustwording en concrete afspraken op de werkvloer te stimuleren. In het najaar zal in de reactie op het SER-advies ook ingegaan worden op deze aanbeveling en op de wijze waarop werkgevers nog meer geïnformeerd en ondersteund kunnen worden ten aanzien van het faciliteren van werk en mantelzorg.
Bent u bereid samen met de Minister van Langdurige Zorg, Jeugd en Sport te bezien hoe de regeldruk voor mantelzorgers kan worden verminderd, zodat zij minder tijd kwijt zijn aan administratieve procedures en meer aan de zorg zelf?
Ik ben bereid samen met de Minister van Langdurige Zorg, Jeugd en Sport te bezien hoe de regeldruk voor mantelzorgers kan worden verminderd. In het SER-advies »Mantelzorg en werk in een zorgzame samenleving» wordt regeldruk ook benoemd en geconstateerd dat die de belasting op mantelzorgers verhoogt en mantelzorgers kan belemmeren om toegang te krijgen tot voorzieningen die hen ontlasten. Zij geven daarbij verschillende concrete aanbevelingen, zoals het beperken van herindicaties in de Wmo en Wlz en het stroomlijnen van de toegang tot respijtzorg. In de kabinetsreactie op het SER-advies zullen we uw Kamer daarover verder informeren.
Kunt u de Kamer informeren welke aanbevelingen uit het SCP-rapport u overneemt, welke niet en waarom?
Zoals eerder aangegeven komt het kabinet dit najaar met een reactie op het SER-advies «Mantelzorg en werk in een zorgzame samenleving» en een breed plan voor de ondersteuning van mantelzorgers, conform de motie Struijs c.s.6. Hierin zullen ook de inzichten uit de SCP-rapporten worden meegenomen.
Het bericht 'Gemeente vergeet arbeidsmigrant bij bouw distributiecentra' |
|
Stephan Neijenhuis (D66) |
|
Hans Vijlbrief (D66) |
|
|
|
|
Bent u bekend met het bericht van «gemeente vergeet arbeidsmigrant bij bouw distributiecentra»?1
Ja.
Herkent u het beeld dat bij de ontwikkeling van nieuwe distributiecentra onvoldoende aandacht is voor de benodigde huisvesting van arbeidsmigranten die daar gaan werken?
Ja, op dit moment is het beeld dat er in veel gevallen geen of onvoldoende rekening wordt gehouden met de benodigde huisvesting voor arbeidsmigranten bij het aantrekken van nieuwe bedrijvigheid, zoals distributiecentra.
Welk deel van de extra werkgelegenheid vanuit nieuwe distributiecentra wordt op dit moment opgevuld met arbeidsmigratie?
Het is niet precies bekend welk deel van de extra werkgelegenheid die voortkomt uit nieuwe distributiecentra wordt ingevuld door arbeidsmigranten. CBS-data laten wel zien dat ongeveer een kwart van de arbeidsmigranten uit de EU in de sector handel, vervoer en horeca werkzaam is2, en dat ruim een derde van de arbeidsmigranten die in de uitzendsector werken te werk gesteld wordt in de logistieke sector.3
Kunt u inzicht geven in de mate waarin gemeenten bij de vergunningverlening of planvorming voor distributiecentra afspraken maken over de huisvesting van werknemers? Bent u bereid dit in kaart te brengen?
Ik heb geen inzicht in de mate waarin gemeenten bij de vergunningverlening of planvorming voor distributiecentra afspraken maken over de huisvesting van werknemers. Uit gesprekken die onder andere de Vereniging Nederlandse Gemeenten (VNG) voert met gemeenten ontstaat het beeld dat sommige gemeenten de handreiking effectrapportage toepassen om inzicht te krijgen in de effecten op de huisvestingsbehoefte, maar dat dit nog niet structureel in de werkwijze van alle gemeenten is verankerd. Ik heb doorlopend contact met de VNG om de ontwikkelingen op dit gebied bij gemeenten te monitoren.
Deelt u de opvatting dat de maatschappelijke kosten van onvoldoende huisvesting van arbeidsmigranten onderdeel zouden moeten zijn van de afweging bij de ontwikkeling van nieuwe distributiecentra? Zo ja, hoe wordt hier momenteel mee omgegaan?
Gemeenten maken afwegingen rondom distributiecentra op basis van de lokale situatie. Ik vind het belangrijk dat zij hierbij structureel aandacht besteden aan de huisvesting van arbeidsmigranten. Gemeenten en ondernemers zouden hierover samen het gesprek moeten voeren en tot oplossingen moeten komen. In het coalitieakkoord is afgesproken dat het kabinet met ruimtelijke ordeningsinstrumenten en gemeentelijke bedrijfseffectrapportages wil zorgen dat huisvesting, voorzieningen en leefbaarheid op orde zijn, voordat extra werknemers worden aangetrokken. Dit beleidsvoornemen wordt op dit moment uitgewerkt. Het kabinet zal uw Kamer hierover in het najaar informeren.
Ook hulpmiddelen van de VNG kunnen ondersteunen bij dit gesprek, bijvoorbeeld de handreiking «Effectrapportage bij nieuwe bedrijvigheid». Deze handreiking is in mei 2024 ontwikkeld door de VNG in samenwerking met verschillende ministeries in navolging van een van de aanbevelingen van het Aanjaagteam Bescherming Arbeidsmigranten. De handreiking kan gemeenten helpen om zo vroeg mogelijk zicht te hebben op de gebruiker van een locatie, de werkgelegenheidseffecten en daaraan gekoppelde effecten op huisvesting. De VNG stimuleert gemeenten om deze handreiking te gebruiken, maar heeft geen zicht op welke gemeenten deze handreiking daadwerkelijk toepassen. Het is voorstelbaar dat de implementatie van een dergelijke nieuwe werkwijze tijd kost. De VNG werkt op dit moment aan de doorontwikkeling van deze handreiking naar een bredere werkwijze voor wonen en werken voor gemeenten. Ook ondersteunen zij de komende periode een aantal gemeenten intensiever bij het tot stand komen van integraal beleid en uitvoering omtrent arbeidsmigratie, waar de implementatie van de handreiking effectrapportage onderdeel van is.
Welke mogelijkheden ziet u om gemeenten meer handvatten te geven om bij de vestiging of uitbreiding van distributiecentra eisen te stellen aan de beschikbaarheid van huisvesting voor arbeidsmigranten en wat is de voortgang op aangenomen moties en toezeggingen op dit vlak?
Zoals in het antwoord op vraag 5 aangegeven zal het kabinet uw Kamer in het najaar informeren over het beleidsvoornemen uit het coalitieakkoord dat ervoor moet zorgen dat met ruimtelijke ordeningsinstrumenten en gemeentelijke bedrijfseffectrapportages de huisvesting, voorzieningen en leefbaarheid beter op orde zijn voordat extra werknemers worden aangetrokken. Hierbij zal ook worden gereageerd op de aangenomen moties en toezeggingen op dit vlak.
Hoe wordt de afspraak uit het coalitieakkoord dat de huisvesting van arbeidsmigranten op orde moet zijn voordat extra werknemers worden aangetrokken in de praktijk geborgd bij de ontwikkeling van nieuwe distributiecentra?
Zie antwoord vraag 6.
Wat is de stand van zaken rond het afwegingskader huisvesting arbeidsmigranten bij nieuwe bedrijvigheid?
Zie antwoord vraag 6.
Welke gevolgen verwacht u van het voornemen om shortstay te beperken tot maximaal 30 nachten en daarna huurbescherming te laten gelden voor arbeidsmigranten die in dergelijke accommodaties verblijven en wat is de voortgang op dit wetsvoorstel?
Het wetsvoorstel passende huurcontracten is op 2 juli jl. in internetconsultatie gebracht. Partijen hebben tot en met 28 augustus de tijd om op het voorstel te reageren. Voorgesteld wordt de uitzondering voor korte-duur-verhuur (short-stay) te begrenzen tot maximaal 30 nachten. Doel van het wetsvoorstel is om ervoor te zorgen dat arbeidsmigranten (en andere huurders) een passende huurovereenkomst met huur(prijs)bescherming krijgen als zij ergens langer dan 30 nachten verblijven. Onderdeel van het wetsvoorstel is dat het mogelijk wordt dat arbeidsmigranten een tijdelijk huurcontract kunnen krijgen en dat er bij huisvesting op het eigen terrein van de werkgever een doelgroepencontract kan worden afgegeven. In beide gevallen is er sprake van huur(prijs)bescherming, maar geldt er een einddatum of mogelijkheid tot beëindiging, aansluitend bij de vaak tijdelijke situatie van arbeidsmigranten.
In een toekomstige situatie waarin de Wet passende huurcontracten van kracht is, betekent dit dat arbeidsmigranten die in genoemde accommodaties voor een periode langer dan 30 nachten verblijven, huur(prijs)bescherming hebben. Gemeenten zien op basis van de Wet goed verhuurderschap toe op het naleven van de huur(prijs)bescherming. De publiekrechtelijke functie van een gebouw of locatie heeft geen invloed op de huurbescherming. Het wetsvoorstel verandert dan ook niets aan de publiekrechtelijke functie van een locatie; het is aan de gemeente om in het omgevingsplan te bepalen of op een locatie huisvesting is toegestaan.