De obstakels bij integratie voor de buitenlandse partners van Nederlanders |
|
Wimar Bolhuis (PvdA) |
|
Thierry Aartsen (VVD) |
|
|
|
|
Deelt u de mening dat Nederlanders die een liefdesrelatie hebben met een niet-EU-inwoner en aan de inkomenseisen voldoen, de mogelijkheid zouden moeten hebben om samen met hun geliefde een leven op te bouwen in Nederland, waarbij de niet-Nederlandse partner zo snel mogelijk zou moeten kunnen inburgeren?
Ja, wanneer aan de wettelijke voorwaarden is voldaan.
Deelt u de mening dat praktische obstakels die de vlotte inburgering van deze liefdespartners in de weg staan, zo veel mogelijk vermeden en opgeheven moeten worden?
In zijn algemeenheid wel. Dat wil zeggen: voor zover andere belangen dan die van de betrokken liefdespartners daardoor niet onevenredig geschaad worden. Het gaat dan onder meer om het belang van de Nederlandse samenleving dat de vreemdeling die naar Nederland komt al een zekere kennis van de Nederlandse taal en de Nederlandse samenleving heeft (Wet inburgering buitenland) en dat van tevoren al is getoetst of hij aan de toelatingsvoorwaarden voldoet (mvv-vereiste).
Acht u het wenselijk dat liefdespartners van Nederlanders honderden euro’s kwijt zijn louter en alleen aan de reiskosten om het basisexamen inburgering in het buitenland te kunnen afleggen?
Het is van belang dat alle examens op een betrouwbare, veilige en objectieve wijze worden afgenomen. Dit is alleen mogelijk op een diplomatieke Nederlandse post in het buitenland. Gezien het beperkte aantal locaties van deze posten kan het zijn dat personen hiervoor moeten reizen. Dat brengt kosten met zich mee: de onwenselijkheid van kosten die de vreemdeling moet maken weegt echter niet op tegen het borgen van de objectiviteit en betrouwbaarheid van het examen.
Is het mogelijk om buitenlandse partners van Nederlanders het basisexamen inburgering in het buitenland digitaal van op afstand te laten afleggen wanneer er geen examenfaciliteit in hun stad of dorp beschikbaar is? Zo nee, wat is ervoor nodig om dat wel mogelijk te maken?
Het is op dit moment technisch en organisatorisch niet mogelijk om het basisexamen inburgering buitenland digitaal af te leggen, anders dan op een diplomatieke post. Zoals gezegd kan alleen op deze manier gecontroleerd worden op fraude.
Wat is de gemiddelde doorlooptijd van het basisexamen inburgering in het buitenland? En wat is de gemiddelde doorlooptijd van de procedure voor een machtiging tot voorlopig verblijf?
Als het gaat om het basisexamen dan verschilt het per diplomatieke post wanneer iemand daar terecht kan voor het afleggen van een examen. In principe kan iemand binnen enkele maanden examen doen, uitzonderingen daargelaten. Examens worden door de aanvrager vaak verder van tevoren aangevraagd zodat diegene zich hier nog op voor kan bereiden.
De gemiddelde doorlooptijd van de mvv-procedure voor gezinshereniging/-vorming bedroeg in 2025 83 dagen.
Kan de termijn van acht weken waarover DUO beschikt om de examenuitslag bekend te maken, ingekort worden? Zo ja, met hoeveel weken? Zo nee, wat precies staat een inkorting in de weg?
Nee. De termijn van maximaal acht weken heeft te maken met het examenonderdeel Spreekvaardigheid. Dit onderdeel wordt nagekeken door menselijke beoordelaars, waarbij elke beoordelaar in principe maar 2 opgaven mag beoordelen, om te komen tot een uitslag met een hoge betrouwbaarheid. Dit proces vergt al snel 4 á 5 weken, dat is op dit moment ook de gemiddelde beoordelingstermijn. Om ook uitschieters op te kunnen vangen is de maximale termijn op 8 weken gesteld.
Hoe verhoudt de lange duurtijd van de combinatie van het basisexamen inburgering in het buitenland plus de procedure voor een machtiging tot voorlopig verblijf zich tot het recht op gezinsleven uit artikel 8 van het Europees Verdrag voor de Rechten van de Mens (EVRM), wanneer aan alle inkomens- en huisvestingseisen wordt voldaan, en wanneer de wachttijd in de praktijk samenvalt met perioden waarin echtgenoten elkaar door visumtellingen niet eens fysiek mogen ontmoeten?
Een lidstaat heeft de taak om zorgvuldig te toetsen of aan al de toelatingsvoorwaarden voor gezinshereniging is voldaan. De EU-richtlijn gezinshereniging (EG 2003/86) geeft lidstaten daarvoor maximaal negen maanden de tijd. In Nederland is de wettelijke beslistermijn voor gezinshereniging maximaal 90 dagen en bij statushouders negen maanden. Hier wordt aan voldaan. Van schending van artikel 8 van de EVRM is dus geen sprake.
Een fysieke ontmoeting tussen echtgenoten is mogelijk buiten Nederland. Vreemdelingen die visumvrij (voor kort verblijf) zijn kunnen dit ook in Nederland doen (gedurende de vrije termijn). Bij visumplichtige vreemdelingen ligt dat genuanceerder. Bij de beoordeling van de aanvraag van een visum kort verblijf wordt door Buitenlandse Zaken in overweging genomen of er een duidelijk en concreet motief is om tijdens de lopende mvv-procedure naar NL te reizen, of de reden legitiem en goed onderbouwd is, en of het verblijfsdoel van de mvv-aanvraag relevant is voor de beoordeling van de aanvraag om het visum kort verblijf.
Is het mogelijk bij het inplannen van het basisexamen inburgering in het buitenland al het proces voor een machtiging tot voorlopig verblijf op te starten, zodat deze processen parallel lopen en mensen dus niet onnodig lang hoeven te wachten? Zo nee, wat concreet staat dat in de weg?
Nee, dat is niet mogelijk. Een geslaagd basisexamen inburgering buitenland is noodzakelijk voor de mvv-aanvraag. Zonder dit document is er sprake van een incomplete aanvraag. Voor de IND is het inefficiënt en onwenselijk om een niet-complete aanvraag toch te behandelen en vervolgens te wachten tot het ontbrekende diploma wordt overgelegd. De IND moet dan twee keer de aanvraag behandelen. Bovendien bestaat het risico dat het diploma nooit wordt overgelegd omdat het niet is gehaald.
Op welke objectieve gronden zijn partners uit Australië, Canada, Japan, Monaco, Nieuw-Zeeland, Vaticaanstad, Verenigd Koninkrijk, de Verenigde Staten van Amerika, Zuid-Korea of Zwitserland vrijgesteld van het basisexamen buitenland, terwijl partners uit andere landen deze eis wel krijgen opgelegd? Is dit onderscheid nog te rechtvaardigen?
Op grond van buitenlands-politieke en economische redenen zijn bovengenoemde landen vrijgesteld van het basisexamen buitenland. Nederland vindt het wenselijk dat burgers van deze landen op een snellere en eenvoudiger wijze toelating tot Nederland kunnen krijgen. Het kabinet meent dat genoemde redenen een voldoende rechtvaardigingsgrond is voor het onderscheid dat gemaakt wordt in het mvv-vereiste, conform de EU-richtlijn gezinshereniging (EG 2002/86).1
Overigens heeft de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State prejudiciële vragen over precies deze kwestie gesteld aan het Hof van Justitie van de EU (C-394–25, Volta).
Overweegt u de vrijstelling van het basisexamen inburgering in het buitenland uit te breiden naar andere landen wanneer het gaat om de liefdespartners van Nederlanders? Zo ja, welke? Zo nee, waarom niet?
Het kabinet overweegt geen uitbreiding van de vrijstelling van het basisexamen inburgering in het buitenland.
Het kabinet hecht eraan dat gezinsmigranten, die mvv-plichtig zijn, een zekere kennis van de Nederlandse taal en de Nederlandse samenleving hebben, voordat zij naar Nederland komen om hier te verblijven.
Is het kabinet bereid te onderzoeken of inburgering in Nederland zelf, onder begeleiding van de Nederlandse echtgenoot en familie, een gelijkwaardig of beter alternatief kan zijn voor het examen in het buitenland? Zo nee, waarom niet?
Nee, dit voorstel wordt als niet wenselijk gezien. Zoals geantwoord op vraag 10 en toegelicht in de Memorie van Toelichting bij de wet inburgering buitenland, hecht het kabinet eraan dat gezinsmigranten, die mvv-plichtig zijn, een zekere kennis van de Nederlandse taal en de Nederlandse samenleving hebben voordat zij naar Nederland komen om hier te verblijven. Het voorgestelde alternatief is daarmee strijdig.
Hoe weegt het kabinet de mentale en relationele schade van maandenlange gedwongen scheiding mee in de proportionaliteitstoets? Welke maatregelen zal het kabinet nemen om een vlottere inreis en integratie van liefdespartners van Nederlanders te garanderen om dit soort mentale en relationele schade te voorkomen?
Het kabinet onderkent dat langdurige scheiding van partners mentale en relationele impact kan hebben. Tegelijkertijd moeten toelatingsprocedures objectief, uitvoerbaar en juridisch houdbaar zijn. Omdat de mate van mentale en relationele impact per persoon sterk kan verschillen en niet op een objectieve manier vast te stellen is, kan dit geen afzonderlijk criterium zijn binnen de toelatingsprocedure.
Kunt u iedere vraag afzonderlijk beantwoorden?
Ja.
De combinatie van werk en intensieve mantelzorg |
|
Nicole Moinat (PVV) |
|
Thierry Aartsen (VVD) |
|
|
|
|
Bent u bekend met het rapport van het Sociaal en Cultureel Planbureau waaruit blijkt dat intensieve mantelzorgers steeds vaker vastlopen in de combinatie van werk en zorg?1
Het Sociaal en Cultureel Planbureau (hierna: SCP) heeft recent twee rapporten opgeleverd rondom mantelzorg. Dit gaat om het rapport «Op zoek naar verbinding»2 en «Mantelzorg in beweging»3. Ik ben bekend met beide rapporten. Ook ben ik bekend met het SER-advies «Mantelzorg en werk in een zorgzame samenleving»4 waarnaar wordt verwezen in het FD-artikel dat is opgenomen als voetnoot bij de vraag.
Deelt u de zorg dat door de vergrijzing en het langer zelfstandig wonen steeds meer werkenden intensieve mantelzorg zullen verlenen? Zo ja, welke gevolgen verwacht u hiervan voor de arbeidsmarkt en het ziekteverzuim?
Ik deel het beeld dat door vergrijzing en het langer zelfstandig wonen steeds meer mantelzorg verleend zal worden. Deze vorm van zorgverlening komt ook terecht bij werkenden. Volgens het SCP-rapport «Mantelzorg in beweging» is het aantal mensen dat werk en mantelzorg combineert gestegen van 73% in 2014 naar 80% in 2024. Het aantal mensen dat mantelzorg geeft, is toegenomen van 33% tot 39%. In totaal gaven in 2024 5,5 miljoen mensen mantelzorg. Volgens het SER-advies «Mantelzorg en werk in een zorgzame samenleving» is naar schatting 18 procent van het totale ziekteverzuim gerelateerd aan mantelzorg. Wanneer een grotere groep werkenden in de toekomst mantelzorg zou verlenen, zal de kans op ziekteverzuim ook toenemen.
Hoeveel werknemers zijn de afgelopen vijf jaar uitgevallen of minder gaan werken vanwege intensieve mantelzorg, voor zover dit bekend is?
Er zijn geen cijfers bekend over hoeveel werknemers de afgelopen vijf jaar zijn uitgevallen of minder zijn gaan werken vanwege (intensieve) mantelzorg, omdat mantelzorg niet wordt geregistreerd. Het CBS geeft aan dat in 2023 807.000 werknemers van 15 tot 75 jaar te maken hadden met een langdurige zorgsituatie. Bijna driekwart heeft hierbij zelf zorg verleend. Ruim vier op de tien werknemers (243.000) die gezorgd hebben voor een langdurig zieke, hebben daarvoor aanpassingen gedaan in hun werk. 42.000 werknemers zijn minder uren gaan werken en 14.000 zijn tijdelijk gestopt met werken. Voor kortdurende zorgsituaties is niet bekend hoeveel werknemers minder uren zijn gaan werken of tijdelijk zijn gestopt met werken.5
Welke concrete maatregelen neemt u om te voorkomen dat werknemers hun baan moeten opgeven of structureel minder gaan werken vanwege intensieve mantelzorg?
De afgelopen jaren zijn met onder andere de Mantelzorgagenda 2023–2026 stappen gezet om de positie van mantelzorgers te erkennen en versterken. Voor werkende mantelzorgers is door het Ministerie van Volksgezondheid, Welzijn en Sport samen met het Ministerie van Sociale Zaken en Werkgelegenheid via een subsidie de Stichting Werk en Mantelzorg gefaciliteerd bij het ontwikkelen en uitvoeren van een ondersteuningsprogramma. De Stichting Werk en Mantelzorg ondersteunt werkgevers en stimuleert hen bij het maken van mantelzorgvriendelijk personeelsbeleid. Ook is met de Stichting van de Arbeid een inspiratiedocument voor werkgevers en werknemers over de combinatie werk en mantelzorg ontwikkeld. Via deze maatregelen wordt gewerkt aan het voorkomen van verzuim vanwege mantelzorg.
Daarnaast geeft de Wet flexibel werken werknemers de mogelijkheid bij de werkgever een verzoek in te dienen voor aanpassing van de arbeidsduur, werktijden en arbeidsplaats (bijvoorbeeld thuiswerken). Hoewel dit niet voor alle (intensieve) mantelzorgers voldoende ruimte zal bieden, kan deze flexibiliteit in de inrichting van werk wel bijdragen aan het kunnen combineren van arbeid en mantelzorg. Ook werk ik aan een wetsvoorstel ter vereenvoudiging van het verlofstelsel. Onderdeel daarvan is de samenvoeging van het huidige kortdurend en langdurend zorgverlof. Zie verder ook het antwoord op vraag 5.
Bent u bereid te onderzoeken of de bestaande verlofregelingen voor mantelzorg voldoende aansluiten bij langdurige en intensieve mantelzorgsituaties? Zo nee, waarom niet?
Momenteel werk ik aan een wetsvoorstel ter vereenvoudiging van het verlofstelsel. Onderdeel van dit wetsvoorstel is de samenvoeging van het huidige kortdurend en langdurend zorgverlof. Met het samenvoegen van beide regelingen komt er één zorgverlofregeling van acht weken, waarvan twee weken gedeeltelijk (70 procent) betaald. Het samenvoegen zorgt voor een aantal wijzigingen in kenmerken en voorwaarden ten opzichte van hoe het zorgverlof op dit moment in de Wet arbeid en zorg is geregeld. Zo worden de gedeeltelijk betaalde weken zorgverlof voor een breder aantal situaties inzetbaar. In het wetsvoorstel is opgenomen dat het verlof zowel voor de noodzakelijke verzorging van een naaste die ziek of hulpbehoevend is, als voor de verzorging van een naaste die levensbedreigend ziek is, kan worden ingezet. Dit kan ook relevant zijn voor mensen die mantelzorg verlenen. Het wetsvoorstel was tot 10 augustus jl. in internetconsultatie. Het streven is om het wetsvoorstel voor het einde van het jaar naar uw Kamer te sturen.
In het SER-advies «Mantelzorg en werk in een zorgzame samenleving» wordt aangegeven dat de bestaande verlofregelingen onvoldoende aansluiten bij langdurige en intensieve mantelzorgsituaties. Aanbevolen wordt een verlof te introduceren gedurende acht keer de overeengekomen arbeidsduur per week onder loondoorbetaling door een publiek gefinancierde uitkering van 70 procent van het dagloon, gemaximeerd en met het minimumloon als bodem, belegd bij een externe partij. In het najaar kom ik samen met mijn collega’s van VWS, OCW en FIN met een reactie op het SER-advies, waar ook in zal worden gegaan op deze aanbeveling.
Hoe beoordeelt u de signalen dat werkgevers vaak onvoldoende bekend zijn met de mogelijkheden om mantelzorgende werknemers te ondersteunen, en bent u bereid te bezien hoe deze kennis kan worden verbeterd?
Ik herken het beeld dat niet alle werkgevers voldoende bekend zijn met de mogelijkheden om mantelzorgende werknemers te ondersteunen. Ik zie dit als een aandachtspunt waar kansen liggen om de combinatie van werk en mantelzorg voor werknemers te verbeteren. Zoals eerder aangegeven is in de Mantelzorgagenda 2023–2026 een ondersteuningsprogramma voor werkgevers en een programma voor leidinggevenden opgenomen, gericht op het faciliteren van de combinatie van werk en mantelzorg voor werknemers. Een divers scala aan werkgevers en branches worden hiermee bereikt.
In het SER-advies «Mantelzorg en werk in een zorgzame samenleving» wordt aanbevolen om het gesprek over mantelzorg aan de cao-tafel te bevorderen en mantelzorgvriendelijk beleid in cao’s en bedrijven te promoten. Dit kan ook belangrijk zijn om bewustwording en concrete afspraken op de werkvloer te stimuleren. In het najaar zal in de reactie op het SER-advies ook ingegaan worden op deze aanbeveling en op de wijze waarop werkgevers nog meer geïnformeerd en ondersteund kunnen worden ten aanzien van het faciliteren van werk en mantelzorg.
Bent u bereid samen met de Minister van Langdurige Zorg, Jeugd en Sport te bezien hoe de regeldruk voor mantelzorgers kan worden verminderd, zodat zij minder tijd kwijt zijn aan administratieve procedures en meer aan de zorg zelf?
Ik ben bereid samen met de Minister van Langdurige Zorg, Jeugd en Sport te bezien hoe de regeldruk voor mantelzorgers kan worden verminderd. In het SER-advies »Mantelzorg en werk in een zorgzame samenleving» wordt regeldruk ook benoemd en geconstateerd dat die de belasting op mantelzorgers verhoogt en mantelzorgers kan belemmeren om toegang te krijgen tot voorzieningen die hen ontlasten. Zij geven daarbij verschillende concrete aanbevelingen, zoals het beperken van herindicaties in de Wmo en Wlz en het stroomlijnen van de toegang tot respijtzorg. In de kabinetsreactie op het SER-advies zullen we uw Kamer daarover verder informeren.
Kunt u de Kamer informeren welke aanbevelingen uit het SCP-rapport u overneemt, welke niet en waarom?
Zoals eerder aangegeven komt het kabinet dit najaar met een reactie op het SER-advies «Mantelzorg en werk in een zorgzame samenleving» en een breed plan voor de ondersteuning van mantelzorgers, conform de motie Struijs c.s.6. Hierin zullen ook de inzichten uit de SCP-rapporten worden meegenomen.
Het bericht ‘Gezondheidsraad beschouwt vliegtuiguitstoot als kankerverwekkend’ |
|
Jimmy Dijk (SP) |
|
Hans Vijlbrief (D66), Vincent Karremans (VVD) |
|
|
|
|
Bent u bekend met het bericht «Gezondheidsraad beschouwt vliegtuiguitstoot als kankerverwekkend»?1
Ja.
Welke signalen heeft u de afgelopen jaren gekregen waaruit blijkt dat het platformwerk op Schiphol een risico voor de gezondheid van werknemers oplevert? Wat heeft u gedaan met deze signalen?
In 2021 bracht Zembla de uitzending «Ziek van Schiphol» uit. Hierin werd aandacht gevraagd voor werknemers die werken met gevaarlijke stoffen op Schiphol, met name dieselmotoruitstoot (DME), kerosinemotoruitstoot (KME, ook vaak aangeduid als vliegtuigmotoruitstoot) en ultrafijnstof. Eind 2021 heeft de FNV een handhavingsverzoek ingediend bij de Nederlandse Arbeidsinspectie. Het verzoek was om bij Schiphol onderzoek te doen naar en te handhaven op de blootstelling aan uitlaatgassen en de arbozorgverplichtingen. De Arbeidsinspectie heeft naar aanleiding van het verzoek van de FNV een handhavingstraject ingezet. Over het toezicht van de Arbeidsinspectie op Schiphol is uw Kamer eerder geïnformeerd, onder andere in de brief van 28 januari 2025.2
Mijn ministerie is verantwoordelijkheid voor het arbeidsomstandighedenstelsel. Vanuit de stelselverantwoordelijkheid heb ik verschillende stappen gezet:
Schiphol en de werkgevers op Schiphol zijn op grond van de Arbeidsomstandighedenwet primair verantwoordelijk voor het gezond en veilig werken op de luchthaven. Schiphol heeft een plan van aanpak opgesteld voor het gezond en veilig werken met DME en KME. Schiphol geeft hier samen met de andere werkgevers op het terrein uitvoering aan. De Arbeidsinspectie houdt toezicht op de uitvoering hiervan.
Ook het Ministerie van IenW zet zich in voor het stimuleren van het duurzaam taxiën, voor zover dit technisch mogelijk is. In het Akkoord Duurzame Luchtvaart (2018) hebben de overheid en luchtvaartsector zich gecommitteerd aan de ambitie om duurzaam taxiën in 2030 de standaardprocedure te laten zijn voor het gehele luchthaventerrein. Deze ambitie staat ook in de Luchtvaartnota 2020–2050. De luchtvaartsector heeft in dit kader al verschillende stappen gezet. Zo wordt sinds mei de eerste elektrische taxibot op Schiphol ingezet. Later dit jaar volgen nog drie additionele elektrische taxibots, waardoor de inzet kan worden uitgebreid naar meer vliegtuigtypes. De implementatie is echter complex. Technische, operationele en infrastructurele beperkingen maken dat nog niet bij alle vliegtuigtypen, niet voor alle startbanen en niet op alle opstelposities taxitowvoertuigen ingezet kunnen worden. De sector werkt hard aan deze uitdagingen om waar mogelijk verdere opschaling te realiseren.
Deelt u de conclusie van de Gezondheidsraad dat werknemers beter beschermd moeten worden tegen beroepsmatige blootstelling aan kerosinemotoremissie?
De Gezondheidsraad concludeert dat er voldoende bewijs is om te veronderstellen dat het mengsel KME kankerverwekkend is (classificatie categorie 1B). Werkgevers zijn op basis van de Arbowetgeving verplicht om blootstelling aan kankerverwekkende stoffen te minimaliseren, voor zover dat technisch mogelijk is. RIVM heeft in 20245 al aangetoond dat er verschillende kankerverwekkende stoffen in KME zitten. Voor deze stoffen gold de minimalisatieverplichting al. Het Gezondheidsraadadvies verduidelijkt dat de genoemde minimalisatieverplichting ook voor het mengsel KME geldt. In mijn brief van 2 juli 20266 heb ik uw Kamer geïnformeerd over de uitkomsten van het Gezondheidsraadadvies over KME.
De Gezondheidsraad beoordeelt uitsluitend de eigenschappen van stoffen en mengsels. De beoordeling van de blootstelling op de werkplek en de getroffen beheersmaatregelen valt onder de verantwoordelijkheid van werkgevers. Schiphol en de werkgevers op het terrein zijn primair verantwoordelijk voor het gezond en veilig werken op de luchthaven en het minimaliseren van de blootstelling aan DME en KME binnen de kaders van de Arbowetgeving. Schiphol heeft hiervoor een plan van aanpak opgesteld en werkt samen met de andere werkgevers aan de uitvoering hiervan. De Arbeidsinspectie houdt hier toezicht op.
Gaat u op korte termijn extra beschermende maatregelen nemen om medewerkers preventief te beschermen tegen kerosinemotoremmissie zolang het onderzoek van het RIVM loopt? Zo nee, waarom niet? Zo ja, om welke maatregelen gaat dit?
Het treffen van beschermende maatregelen is de verantwoordelijkheid van Schiphol en de werkgevers op het terrein. Zij zijn op basis van de Arbeidsomstandighedenwet- en regelgeving verplicht om de beroepsmatige blootstelling aan DME en KME zo snel mogelijk te minimaliseren, voor zover dit technisch mogelijk is. De luchtvaartsector heeft hiervoor een plan van aanpak opgesteld. De maatregelen die daarin worden genoemd zijn bijvoorbeeld het elektrificeren van het grondmaterieel en vliegtuigvoorzieningen, het minimaliseren van het gebruik van de hulpmotor (APU) en het stimuleren van duurzamer taxiën. De Arbeidsinspectie houdt toezicht op de uitvoering hiervan.
Bereidt u naar aanleiding van het rapport van de Gezondheidsraad en zolang het onderzoek van het Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu (RIVM) loopt andere maatregelen voor? Zo ja, om welke maatregelen gaat dit?
Ja. Op basis van het Gezondheidsraadadvies neem ik het mengsel KME op in de SZW-lijst van kankerverwekkende stoffen en processen. Deze lijst is een hulpmiddel voor werkgevers en werknemers. De lijst bevat alle stoffen en processen die als kankerverwekkend geclassificeerd zijn. En alle stoffen en processen die geclassificeerd zijn als «schadelijk voor de voortplanting» (reprotoxisch) en «beschadigend voor het erfelijk materiaal» (mutageen).
Daarnaast zet ik mij in voor een Europese classificatie voor het mengsel KME. Mijn doel is om een gelijk speelveld voor werkgevers en een eenduidig beschermingsniveau voor werknemers in de hele EU te realiseren.
Tot slot blijf ik in mijn gesprekken met Schiphol het belang van een gezonde en veilige werkomgeving benadrukken.
Gaat u de Nederlandse Arbeidsinspectie zo lang het onderzoek van het RIVM loopt vragen om vaker te controleren bij het platformwerk op Schiphol? Zo nee, waarom niet?
In lijn met de aanwijzingen van de Minister-President over rijksinspecties is de Arbeidsinspectie onafhankelijk en gaat zij zelf over haar werkwijze. De Arbeidsinspectie heeft al meerdere toezichtprojecten lopen op Schiphol, ook ten aanzien van het werk op de platforms.
Bent u bereid te onderzoeken of (voormalige) Schipholmedewerkers die mogelijke gezondheidsschade hebben opgelopen in aanmerking kunnen komen voor compensatie, eventueel via de werkgever? Zo nee, waarom niet?
Het Burgerlijk Wetboek (artikel 7:658, lid 2) regelt dat de werkgever een zorgplicht heeft voor zijn werknemers. Het schadeverhaal bij beroepsziekten loopt via het civiele aansprakelijkheidsrecht. Daarmee is het een zaak tussen werknemers en werkgevers. De werknemer die ziek is geworden door het werk kan de werkgever hiervoor aansprakelijk stellen en zo in aanmerking komen voor een schadevergoeding.
Kunt u deze vragen één voor één beantwoorden?
Ja.
Het bericht ‘Werknemers vallen volgens de vakbond bijna flauw op de werkvloer’ |
|
Jimmy Dijk (SP) |
|
Hans Vijlbrief (D66) |
|
|
|
|
Bent u bekend met het bericht «Werknemers vallen volgens de FNV bijna flauw op de werkvloer. Welke rechten hebben ze?»?1
Ja, ik ben op de hoogte van de inhoud van dit artikel.
Bent u het met de FNV eens dat het een slechte zaak is dat er in het Arbobesluit alleen staat dat de temperatuur op de werkplek «niet nadelig» mag zijn voor de gezondheid van de werknemer? Zo nee, waarom niet? Zo ja, waar vindt u dat de wetgeving tekortschiet?
Ja. Ik ben het hierover eens met de FNV.
De Arbeidsinspectie heeft in 2023 een verkenning uitgevoerd naar hittestress. In deze verkenning wijst de Arbeidsinspectie erop dat artikel 6.1 van het Arbobesluit alleen de factor temperatuur benoemt en niet ingaat op factoren als luchtvochtigheid, luchtverplaatsing en straling. Dit kan ertoe leiden dat bij werkgevers andere relevante (bron)maatregelen niet of minder snel in beeld komen. In de reactie hierop in de Verzamelbrief van 18 juni 20242 wordt dit bevestigd. Het gaat hier om onderliggende factoren die beïnvloeden wat het effect is van de temperatuur op de werkplek op de gezondheid. Een werkgever moet deze factoren wel in beschouwing nemen. De regelgeving zal daarom op dit punt worden verduidelijkt, door in artikel 6.1 op te nemen dat werkgevers bij het nemen van (bron)maatregelen ook rekening moeten houden met factoren als de luchttemperatuur, de luchtvochtigheid, de stralingstemperatuur en de luchtsnelheid. Hieraan wordt momenteel gewerkt.
Welke misstanden heeft de Nederlandse Arbeidsinspectie de afgelopen vijf jaar geconstateerd rond werken in de hitte?
De Arbeidsinspectie voerde in 2023 een verkenning uit naar hittestress. Deze verkenning was op basis van 28 inspecties in risicosectoren. Het onderzoek geeft als indicatief beeld dat werkgevers en werknemers zich grotendeels bewust zijn van de negatieve gevolgen van werken onder hoge buitentemperaturen en van de blootstelling aan Uv-straling. Ongeveer twee derde van de werkgevers geeft aan beleid of afspraken te hebben, meestal in de vorm van een hitteplan of een hitteprotocol, met maatregelen als drinkpauzes en tropenroosters. Wel ontbreekt het soms aan kennis om het risico op hittestress goed vast te stellen of is er sprake van een verouderde of onvolledige Risico-inventarisatie en -evaluatie (RI&E).
Arbo in Bedrijf 2024–20253 kijkt breder naar alle bedrijven, dus niet alleen naar risicosectoren. Daarin wordt geconstateerd dat het risico «werken in warme omstandigheden» buiten bij 10 procent van de bedrijven aanwezig is en binnen bij 13%. Bij 16% van de bedrijven waar het risico aanwezig is, is dit niet adequaat beheerst. Als het risico aanwezig is, hebben werkgevers in 95% van de gevallen wel één of meer maatregelen getroffen, waarvan 49% aan de bron, 53% technisch, 72% organisatorisch en 67% persoonlijk.
Hoeveel bedrijven komt de Nederlandse Arbeidsinspectie tegen waar helemaal geen hitteplan is geformuleerd?
Op grond van de Arbowet moeten werkgevers zorgen voor een veilige en gezonde werkplek. Daarbij mag de temperatuur op de werkplek niet nadelig zijn voor de gezondheid van de werknemer. Het is niet voorgeschreven dat werkgevers een hitteplan moeten hebben. Als hitte of kou een risico is in het bedrijf, moeten werkgevers dit opnemen in de RI&E en in het plan van aanpak aangeven welke maatregelen ze gaan nemen. Daarbij kunnen ze gebruik maken van de tips en adviezen op het Arboportaal. Andere nuttige bronnen van tips en informatie zijn bijvoorbeeld de website van Volandis, het kennis- en adviescentrum voor de bouw en infrasector; het SER-dossier werken bij hitte, de FNV Werkklimaat app en de CNV weerverlet app. Verder kunnen sectoren de aanpak van hittestress opnemen in hun Arbocatalogi of afspraken opnemen in een cao. Uit de verkenning van de Arbeidsinspectie in 2023 in een beperkt aantal bedrijven in risicosectoren, komt dat ongeveer twee-derde van de werkgevers aangeeft beleid of afspraken te hebben, meestal in de vorm van een hitteplan of hitteprotocol.
Hoe handhaaft de Nederlandse Arbeidsinspectie op werken in de hitte?
De Arbeidsinspectie krijg regelmatig meldingen over werkzaamheden in de hitte. In 2025 waren dat ca. 150 meldingen. Eind juni 2026 heeft de Arbeidsinspectie al meer meldingen ontvangen dan in heel 2025.
Bij een melding over werken bij hitte, stelt de Arbeidsinspectie extra vragen om te kunnen beoordelen of er een kans op hittestress is door een te hoge temperatuur in combinatie met de aard van de werkzaamheden. Met behulp van een objectief weeginstrument gaat de Inspectie na of er een verhoogde kans is op gezondheidsschade. Daarbij kijkt de Inspectie naar drie factoren: of er gezondheidsklachten zijn; of het gaat om risicovolle werkzaamheden en of er risicogroepen werkzaam zijn. Bij een kans op hittestress met een verhoogde kans op gezondheidsschade neemt een inspecteur de melding in behandeling. In het onderzoek wordt beoordeeld of de getroffen maatregelen doeltreffend zijn en of de risico-inventarisatie voldoende aandacht besteedt aan dit onderwerp en aan risicogroepen.
Vindt u de huidige wetgeving op dit moment toereikend genoeg om te voorkomen dat mensen in extreme warmte moeten werken? Zo ja, waarom? Zo nee, waar vindt u dat de wetgeving tekortschiet?
Als de temperatuur in een bedrijf een risico vormt voor de gezondheid van de werknemers, moeten werkgevers dit risico opnemen in de RI&E. In het plan van aanpak geven ze dan aan welke maatregelen ze gaan nemen. Als met andere (bron)maatregelen het risico niet voldoende kan worden weggenomen, kan de werkgever het werk volledig stilleggen. Dit kan al worden bereikt op basis van de huidige wetgeving. Deze is daarvoor dus al toereikend. De ervaring bij de hittegolf van eind juni 2026 laat zien dat diverse werkgevers hiervoor hebben gekozen, als dat in hun bedrijf een optie was. Bedrijven gingen dicht, winkels sloten eerder of helemaal, bezorgtijden werden aangepast en er werd gewerkt volgens tropenroosters. Wel zal, zoals aangegeven in het antwoord op vraag 2, de regelgeving worden verduidelijkt. Het doel hiervan is dat werkgevers bij het bepalen van maatregelen ook rekening houden met onderliggende factoren die van invloed zijn op het effect op de gezondheid van de temperatuur op de werkplek, zoals de impact van een hoge luchtvochtigheid.
Bent u het ermee eens dat de huidige wetgeving moet worden aangepast om duidelijkere normen en maatregelen rond werken in de hitte te verankeren? Zo nee, waarom niet? Zo ja, wat gaat u hieraan doen?
Zoals aangegeven in antwoord op vraag 2, zal de regelgeving worden verduidelijkt zodat duidelijker is welke factoren in beschouwing moeten worden genomen bij het bepalen van maatregelen. Daarnaast zal ik het tweede lid van artikel 6.1 van het Arbobesluit intrekken. Dit lid is strijdig met de arbeidshygiënische strategie uit artikel 3 van de Arbowet. Het lid noemt als eerst te nemen maatregelen het bieden van persoonlijke beschermingsmiddelen aan werknemers. Pas daarna worden andere maatregelen, hoger in de arbeidshygiënische strategie, genoemd. Ook dit is een verduidelijking; werkgevers kunnen niet gelijktijdig aan beide regels voldoen.
Hoe staat u tegenover het idee van de FNV om een norm voor hittestress op te nemen in de Arbowet waarbij de kerntemperatuur van het lichaam niet boven de 38 graden mag komen?
Ik ben daar geen voorstander van. Werkgevers moeten op grond van de Arbowet rekening houden met de specifieke omstandigheden. Dat bereik je niet met zo’n norm. Verder heeft de Gezondheidsraad in 2011 een Briefadvies over hittestress uitgebracht.4 Daarin geeft de Raad aan dat een gezondheidskundige grenswaarde in de vorm van een lichaamskerntemperatuur op individueel niveau niet mogelijk is. Daarvoor fluctueert de lichaamskerntemperatuur binnen een persoon en tussen personen te veel. Bovendien is inwendige vaststelling van de lichaamskerntemperatuur in het rectum, de slokdarm en het maagdarmstelsel te prefereren boven metingen onder de tong, in de oksel of in het oor. Maar inwendige metingen zijn lastig, gevoelig voor de inname van koude of warme dranken en gaan gepaard met ongemak voor de werknemer. Inwendig vaststellen is overigens ook in strijd met artikel 11 van de Grondwet, het recht op de onaantastbaarheid van het menselijk lichaam.
Bent u van plan een norm voor hittestress op te nemen in de Arbowet? Zo nee, waarom niet?
Ik ben op dit terrein niet voor normen of grenswaarden. Er zijn geen normen die voor iedere persoon en voor elke situatie gelden. De invloed van temperatuur op het lichaam verschilt onder meer door luchtvochtigheid, zonnekracht, wind, kleding, de zwaarte van het werk, de gezondheid. Dit is niet te vertalen in een algemene norm, die in alle gevallen geldt. Er zijn diverse landen die wel zo’n systeem hanteren. Daarbij gaat het veelal om systemen die over een enkele situatie gaan zoals buiten werken, of er zijn complexe systemen met meerdere normen. Als sprake is van een hoge hitte moeten werkgevers en werknemers er samen voor zorgen dat er gezond en veilig kan worden gewerkt.
Kunt u deze vragen één voor één beantwoorden?
Deze vragen zijn afzonderlijk beantwoord.
Team Diverse Instroom en het selectiebeleid bij de politie. |
|
Ingrid Coenradie (PVV) |
|
David van Weel (VVD) |
|
|
|
|
Wat hield de informele toetsing van de werkwijze rond diverse instroom bij het College voor de Rechten van de Mens concreet in, wanneer heeft deze plaatsgevonden, welke informatie is daarbij aan het College voor de Rechten van de Mens voorgelegd en welke conclusies of adviezen heeft het College voor de Rechten van de Mens gegeven?
Is het beleid waarbij tussen 2020 en 2025 streefcijfers van minimaal 35 procent respectievelijk 15 tot 20 procent voor aspiranten met een migratieachtergrond werden gehanteerd formeel juridisch getoetst aan Artikel 1 van de Grondwet en de Algemene wet gelijke behandeling? Zo ja, door wie, wanneer en wat was de conclusie? Zo nee, waarom is volstaan met een informele toetsing?
Op welke grond weigert u de gevraagde interne beleidsstukken, instructies, juridische adviezen, evaluaties en budgetoverzichten over Team Diverse Instroom aan de Kamer te verstrekken en hoe verhoudt deze weigering zich tot Artikel 68 van de Grondwet?
Bent u alsnog bereid de gevraagde beleidsstukken, instructies, juridische adviezen, evaluaties en budgetoverzichten over Team Diverse Instroom en de gehanteerde streefcijfers aan de Kamer te verstrekken? Zo nee, welke concrete grond bestaat voor het niet verstrekken van deze informatie?
Aan de hand van welke concrete resultaten of prestatie-indicatoren wordt de doelmatigheid en doeltreffendheid beoordeeld van de inzet van de ongeveer 17 fte die landelijk werkzaam zijn voor Team Diverse Instroom?
Hoeveel geld is sinds de oprichting daadwerkelijk besteed aan Team Diverse Instroom en welke externe bureaus, consultants, trainers of onderzoekers zijn daarbij ingezet? Bent u bereid dit alsnog door de politie te laten inventariseren en de Kamer hierover te informeren?
Hoe verhoudt het uitgangspunt dat politieteams herkenbaar moeten zijn voor en moeten passen bij de lokale bevolkingssamenstelling zich tot het hanteren van streefcijfers van 15 tot 20 procent voor aspiranten met een migratieachtergrond in alle overige politie-eenheden?
Betekent het uitgangspunt dat politieteams moeten passen bij de lokale bevolkingssamenstelling dat in gebieden waar relatief weinig mensen met een migratieachtergrond wonen ook naar een relatief lage vertegenwoordiging van politiemedewerkers met een migratieachtergrond zou moeten worden gestreefd? Zo nee, waarom geldt het argument van een afspiegeling van de lokale bevolkingssamenstelling volgens u slechts één kant op?
Kunt u uitsluiten dat tussen 2020 en 2025 geschikte kandidaten zonder migratieachtergrond direct of indirect niet zijn aangenomen of een nadeliger positie hebben gehad met als doel de streefcijfers van 35 procent respectievelijk 15 tot 20 procent voor aspiranten met een migratieachtergrond te behalen? Zo nee, waarom kunt u dit niet uitsluiten?
Waarom heeft u de eerdere vraag of u kunt uitsluiten dat sollicitanten vanwege hun ras, huidskleur, afkomst, migratieachtergrond, culturele achtergrond of geloof een voorkeurs- of achterstandspositie hebben gekregen niet met ja of nee beantwoord, en kunt u deze vraag alsnog expliciet beantwoorden?
Waarom acht u gegevens over herkomst en migratieachtergrond relevant voor het monitoren en evalueren van diversiteitsbeleid bij de politie, en welke objectieve criteria hanteert u om te bepalen wanneer dergelijke achtergrondkenmerken relevant zijn voor registratie, analyse en publicatie door de overheid?
Welke concrete doelstelling rechtvaardigde volgens u het registreren en monitoren van de etnisch-culturele samenstelling van de politie, en waarom was het daarvoor noodzakelijk om onderscheid te maken naar migratieachtergrond?
Op welke objectieve en wetenschappelijke onderzoeken baseert u uw stelling dat een diverse en inclusieve politie de legitimiteit en het vertrouwen van burgers in de politie vergroot, en kunt u deze onderzoeken afzonderlijk noemen en aan de Kamer doen toekomen?
Uit welke wetenschappelijke onderzoeken blijkt specifiek dat een hogere etnisch-culturele diversiteit van het Nederlandse politiekorps op zichzelf leidt tot meer vertrouwen in en legitimiteit van de politie, en hoe groot is dit effect ten opzichte van factoren als politieprestaties, bereikbaarheid, responsiviteit en de wijze waarop burgers door de politie worden behandeld?
Heeft u kennisgenomen van bovenstaande artikelen?1 2
Hoe oordeelt u over het bericht dat een bureau, dat kandidaat-wethouders voor de gemeente Best, een kandidaat-wethouder bevroeg over zijn leeftijd en dit als risico in de rapportage opnam?
Hoe oordeelt u over het bericht dat de leeftijd van de kandidaat-wethouder als aandachtspunt werd aangemerkt?
Wat heeft in uw optiek leeftijd te maken met bestuurlijke integriteit?
Wat heeft in uw optiek leeftijd te maken met iemands capaciteiten?
Hoe oordeelt u over het bericht dat de burgemeester van Best de rapportage op deze manier accepteerde?
Bent u het eens met de stelling dat hier sprake is van leeftijdsdiscriminatie en dat Artikel 1 van de Grondwet daarmee is overtreden? Kunt u uw antwoord toelichten?
Hoe oordeelt u over de stelling dat het doel van een dergelijk onderzoek het bevorderen van de integriteit van het openbaar bestuur is, maar als de procedure zelf niet integer verloopt, dat het echte probleem is?
Welke voorwaarden/eisen worden er gesteld aan wethouders die door een extern bureau gescreend worden?
Hoe uniform wordt deze screening uitgevoerd?
Nieuwbouwwoningen en Nederlandse en buitenlandse pensioenfondsen |
|
Henk-Jan Oosterhuis (D66), Robin van Leijen (D66) |
|
Eerenberg , Boekholt-O’Sullivan |
|
|
|
|
Voor welk aandeel van de nieuwbouwwoningen zijn Nederlandse en buitenlandse pensioenfondsen verantwoordelijk de afgelopen jaren?
Wat is de financiële ruimte bij Nederlandse pensioenfondsen voor investeringen in woningbouw gezien hun bestaande vastgoedallocatie?
Hoe verklaart u de daling van het investeringsvolume van buitenlandse beleggers in nieuwbouw in Nederland?1
Herkent u de signalen dat buitenlandse pensioenfondsen momenteel tegen fiscale onzekerheid en lange doorlooptijden aanlopen bij investeringen in Nederlandse woningbouw?
Deelt u de mening dat deze belemmeringen voor buitenlandse pensioenfondsen tegen de ambities van een Europese kapitaalmarktunie ingaan, waarbij investeringen vrij kunnen bewegen over Europese grenzen?
Deelt u de mening dat buitenlandse pensioenfondsen een belangrijke rol kunnen spelen in het financieren van de bouw van woningen in Nederland?
Hoeveel extra woningen zouden per jaar kunnen worden gerealiseerd bij een hoger investeringsvolume van buitenlandse pensioenfondsen?
Wat is de gemiddelde doorlooptijd van een vpb-ruling voor buitenlandse pensioenfondsen, waarmee de fiscale vergelijkbaarheid van deze fondsen met Nederlandse pensioenfondsen kan leiden tot een gelijk fiscaal speelveld, en daarmee tot een groei van investeringen?
Hoe beoordeelt u de gevolgen van de nieuwe pensioenwetgeving zoals de Wet toekomst pensioenen (Wtp) de vergelijkbaarheid van buitenlandse pensioenfondsen, in het bijzonder voor het criterium van het afkoopverbod?
Is het Besluit vergelijking buitenlandse rechtsvormen, wat als basis dient voor de vergelijking van buitenlandse pensioenfondsen, nog volledig in overeenstemming met de pensioenrealiteit na invoering van de Wtp of zijn er kansen om meer investeringen van buitenlandse pensioenfondsen aan te trekken?
Bent u bereid het Besluit vergelijking buitenlandse rechtsvormen te evalueren?
Kunt u deze vragen beantwoorden voor het commissiedebat Volkshuisvesting en fiscaliteit van donderdag 24 september a.s.?
Bent u bekend met het bericht «Pensioenfondsen betrokken bij verkoop van DigiD aan Amerikanen»?1
Wat is uw reactie op het bericht en de investeringen van pensioenfondsen in het bedrijf Solvinity, dat DigiD faciliteert en dreigde te worden overgekocht door Amerikanen?
Wat is de reactie van de pensioenfondsen ABP en PFZW op dit bericht? Kunt u de fondsen vragen om verantwoording af te leggen over deze investering namens de burgers die premie aan hen afdragen?
Waren de pensioenfondsen ABP en PFZW op de hoogte dat hun geld belegd werd in Solvinity? Zo ja, kunt u verklaren waarom zij deze investeringen alsnog hebben gedaan?
Vindt u het uit te leggen dat burgers via hun pensioenpremie indirect investeren in een bedrijf dat keuzes maakt die, in uw eigen woorden, indruisen tegen het publieke belang?
Welke rol speelt digitale autonomie op dit moment in het strategisch beleggingsbeleid van de pensioenfondsen? Zijn er plannen om het strategisch beleggingsbeleid op dit onderwerp aan te passen?
Welke toezichthouder zorgt ervoor dat pensioenfondsen conform hun kaders beleggen? Voldoet de investering in Solvinity aan dat kader?
Bent u bereid om pensioenfondsen te verzoeken om beleggingen die afbreuk doen aan de digitale autonomie stop te zetten?
Hoe gaat u ervoor zorgen dat pensioenfondsen hun kapitaal inzetten om de digitale autonomie van Nederland te versterken? Bent u bereid dit te bespreken met de fondsen en de Kamer dit najaar te informeren over de uitkomsten hiervan?
Kunt u deze vragen afzonderlijk en nog vóór het commissiedebat «digitaliserende overheid en toezicht» van 30 september 2026 beantwoorden?
Het bericht ‘Gezondheidsraad beschouwt vliegtuiguitstoot als kankerverwekkend’ |
|
Jimmy Dijk (SP) |
|
Hans Vijlbrief (D66), Vincent Karremans (VVD) |
|
|
|
|
Bent u bekend met het bericht «Gezondheidsraad beschouwt vliegtuiguitstoot als kankerverwekkend»?1
Ja.
Welke signalen heeft u de afgelopen jaren gekregen waaruit blijkt dat het platformwerk op Schiphol een risico voor de gezondheid van werknemers oplevert? Wat heeft u gedaan met deze signalen?
In 2021 bracht Zembla de uitzending «Ziek van Schiphol» uit. Hierin werd aandacht gevraagd voor werknemers die werken met gevaarlijke stoffen op Schiphol, met name dieselmotoruitstoot (DME), kerosinemotoruitstoot (KME, ook vaak aangeduid als vliegtuigmotoruitstoot) en ultrafijnstof. Eind 2021 heeft de FNV een handhavingsverzoek ingediend bij de Nederlandse Arbeidsinspectie. Het verzoek was om bij Schiphol onderzoek te doen naar en te handhaven op de blootstelling aan uitlaatgassen en de arbozorgverplichtingen. De Arbeidsinspectie heeft naar aanleiding van het verzoek van de FNV een handhavingstraject ingezet. Over het toezicht van de Arbeidsinspectie op Schiphol is uw Kamer eerder geïnformeerd, onder andere in de brief van 28 januari 2025.2
Mijn ministerie is verantwoordelijkheid voor het arbeidsomstandighedenstelsel. Vanuit de stelselverantwoordelijkheid heb ik verschillende stappen gezet:
Schiphol en de werkgevers op Schiphol zijn op grond van de Arbeidsomstandighedenwet primair verantwoordelijk voor het gezond en veilig werken op de luchthaven. Schiphol heeft een plan van aanpak opgesteld voor het gezond en veilig werken met DME en KME. Schiphol geeft hier samen met de andere werkgevers op het terrein uitvoering aan. De Arbeidsinspectie houdt toezicht op de uitvoering hiervan.
Ook het Ministerie van IenW zet zich in voor het stimuleren van het duurzaam taxiën, voor zover dit technisch mogelijk is. In het Akkoord Duurzame Luchtvaart (2018) hebben de overheid en luchtvaartsector zich gecommitteerd aan de ambitie om duurzaam taxiën in 2030 de standaardprocedure te laten zijn voor het gehele luchthaventerrein. Deze ambitie staat ook in de Luchtvaartnota 2020–2050. De luchtvaartsector heeft in dit kader al verschillende stappen gezet. Zo wordt sinds mei de eerste elektrische taxibot op Schiphol ingezet. Later dit jaar volgen nog drie additionele elektrische taxibots, waardoor de inzet kan worden uitgebreid naar meer vliegtuigtypes. De implementatie is echter complex. Technische, operationele en infrastructurele beperkingen maken dat nog niet bij alle vliegtuigtypen, niet voor alle startbanen en niet op alle opstelposities taxitowvoertuigen ingezet kunnen worden. De sector werkt hard aan deze uitdagingen om waar mogelijk verdere opschaling te realiseren.
Deelt u de conclusie van de Gezondheidsraad dat werknemers beter beschermd moeten worden tegen beroepsmatige blootstelling aan kerosinemotoremissie?
De Gezondheidsraad concludeert dat er voldoende bewijs is om te veronderstellen dat het mengsel KME kankerverwekkend is (classificatie categorie 1B). Werkgevers zijn op basis van de Arbowetgeving verplicht om blootstelling aan kankerverwekkende stoffen te minimaliseren, voor zover dat technisch mogelijk is. RIVM heeft in 20245 al aangetoond dat er verschillende kankerverwekkende stoffen in KME zitten. Voor deze stoffen gold de minimalisatieverplichting al. Het Gezondheidsraadadvies verduidelijkt dat de genoemde minimalisatieverplichting ook voor het mengsel KME geldt. In mijn brief van 2 juli 20266 heb ik uw Kamer geïnformeerd over de uitkomsten van het Gezondheidsraadadvies over KME.
De Gezondheidsraad beoordeelt uitsluitend de eigenschappen van stoffen en mengsels. De beoordeling van de blootstelling op de werkplek en de getroffen beheersmaatregelen valt onder de verantwoordelijkheid van werkgevers. Schiphol en de werkgevers op het terrein zijn primair verantwoordelijk voor het gezond en veilig werken op de luchthaven en het minimaliseren van de blootstelling aan DME en KME binnen de kaders van de Arbowetgeving. Schiphol heeft hiervoor een plan van aanpak opgesteld en werkt samen met de andere werkgevers aan de uitvoering hiervan. De Arbeidsinspectie houdt hier toezicht op.
Gaat u op korte termijn extra beschermende maatregelen nemen om medewerkers preventief te beschermen tegen kerosinemotoremmissie zolang het onderzoek van het RIVM loopt? Zo nee, waarom niet? Zo ja, om welke maatregelen gaat dit?
Het treffen van beschermende maatregelen is de verantwoordelijkheid van Schiphol en de werkgevers op het terrein. Zij zijn op basis van de Arbeidsomstandighedenwet- en regelgeving verplicht om de beroepsmatige blootstelling aan DME en KME zo snel mogelijk te minimaliseren, voor zover dit technisch mogelijk is. De luchtvaartsector heeft hiervoor een plan van aanpak opgesteld. De maatregelen die daarin worden genoemd zijn bijvoorbeeld het elektrificeren van het grondmaterieel en vliegtuigvoorzieningen, het minimaliseren van het gebruik van de hulpmotor (APU) en het stimuleren van duurzamer taxiën. De Arbeidsinspectie houdt toezicht op de uitvoering hiervan.
Bereidt u naar aanleiding van het rapport van de Gezondheidsraad en zolang het onderzoek van het Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu (RIVM) loopt andere maatregelen voor? Zo ja, om welke maatregelen gaat dit?
Ja. Op basis van het Gezondheidsraadadvies neem ik het mengsel KME op in de SZW-lijst van kankerverwekkende stoffen en processen. Deze lijst is een hulpmiddel voor werkgevers en werknemers. De lijst bevat alle stoffen en processen die als kankerverwekkend geclassificeerd zijn. En alle stoffen en processen die geclassificeerd zijn als «schadelijk voor de voortplanting» (reprotoxisch) en «beschadigend voor het erfelijk materiaal» (mutageen).
Daarnaast zet ik mij in voor een Europese classificatie voor het mengsel KME. Mijn doel is om een gelijk speelveld voor werkgevers en een eenduidig beschermingsniveau voor werknemers in de hele EU te realiseren.
Tot slot blijf ik in mijn gesprekken met Schiphol het belang van een gezonde en veilige werkomgeving benadrukken.
Gaat u de Nederlandse Arbeidsinspectie zo lang het onderzoek van het RIVM loopt vragen om vaker te controleren bij het platformwerk op Schiphol? Zo nee, waarom niet?
In lijn met de aanwijzingen van de Minister-President over rijksinspecties is de Arbeidsinspectie onafhankelijk en gaat zij zelf over haar werkwijze. De Arbeidsinspectie heeft al meerdere toezichtprojecten lopen op Schiphol, ook ten aanzien van het werk op de platforms.
Bent u bereid te onderzoeken of (voormalige) Schipholmedewerkers die mogelijke gezondheidsschade hebben opgelopen in aanmerking kunnen komen voor compensatie, eventueel via de werkgever? Zo nee, waarom niet?
Het Burgerlijk Wetboek (artikel 7:658, lid 2) regelt dat de werkgever een zorgplicht heeft voor zijn werknemers. Het schadeverhaal bij beroepsziekten loopt via het civiele aansprakelijkheidsrecht. Daarmee is het een zaak tussen werknemers en werkgevers. De werknemer die ziek is geworden door het werk kan de werkgever hiervoor aansprakelijk stellen en zo in aanmerking komen voor een schadevergoeding.
Kunt u deze vragen één voor één beantwoorden?
Ja.
De combinatie van werk en intensieve mantelzorg |
|
Nicole Moinat (PVV) |
|
Thierry Aartsen (VVD) |
|
|
|
|
Bent u bekend met het rapport van het Sociaal en Cultureel Planbureau waaruit blijkt dat intensieve mantelzorgers steeds vaker vastlopen in de combinatie van werk en zorg?1
Het Sociaal en Cultureel Planbureau (hierna: SCP) heeft recent twee rapporten opgeleverd rondom mantelzorg. Dit gaat om het rapport «Op zoek naar verbinding»2 en «Mantelzorg in beweging»3. Ik ben bekend met beide rapporten. Ook ben ik bekend met het SER-advies «Mantelzorg en werk in een zorgzame samenleving»4 waarnaar wordt verwezen in het FD-artikel dat is opgenomen als voetnoot bij de vraag.
Deelt u de zorg dat door de vergrijzing en het langer zelfstandig wonen steeds meer werkenden intensieve mantelzorg zullen verlenen? Zo ja, welke gevolgen verwacht u hiervan voor de arbeidsmarkt en het ziekteverzuim?
Ik deel het beeld dat door vergrijzing en het langer zelfstandig wonen steeds meer mantelzorg verleend zal worden. Deze vorm van zorgverlening komt ook terecht bij werkenden. Volgens het SCP-rapport «Mantelzorg in beweging» is het aantal mensen dat werk en mantelzorg combineert gestegen van 73% in 2014 naar 80% in 2024. Het aantal mensen dat mantelzorg geeft, is toegenomen van 33% tot 39%. In totaal gaven in 2024 5,5 miljoen mensen mantelzorg. Volgens het SER-advies «Mantelzorg en werk in een zorgzame samenleving» is naar schatting 18 procent van het totale ziekteverzuim gerelateerd aan mantelzorg. Wanneer een grotere groep werkenden in de toekomst mantelzorg zou verlenen, zal de kans op ziekteverzuim ook toenemen.
Hoeveel werknemers zijn de afgelopen vijf jaar uitgevallen of minder gaan werken vanwege intensieve mantelzorg, voor zover dit bekend is?
Er zijn geen cijfers bekend over hoeveel werknemers de afgelopen vijf jaar zijn uitgevallen of minder zijn gaan werken vanwege (intensieve) mantelzorg, omdat mantelzorg niet wordt geregistreerd. Het CBS geeft aan dat in 2023 807.000 werknemers van 15 tot 75 jaar te maken hadden met een langdurige zorgsituatie. Bijna driekwart heeft hierbij zelf zorg verleend. Ruim vier op de tien werknemers (243.000) die gezorgd hebben voor een langdurig zieke, hebben daarvoor aanpassingen gedaan in hun werk. 42.000 werknemers zijn minder uren gaan werken en 14.000 zijn tijdelijk gestopt met werken. Voor kortdurende zorgsituaties is niet bekend hoeveel werknemers minder uren zijn gaan werken of tijdelijk zijn gestopt met werken.5
Welke concrete maatregelen neemt u om te voorkomen dat werknemers hun baan moeten opgeven of structureel minder gaan werken vanwege intensieve mantelzorg?
De afgelopen jaren zijn met onder andere de Mantelzorgagenda 2023–2026 stappen gezet om de positie van mantelzorgers te erkennen en versterken. Voor werkende mantelzorgers is door het Ministerie van Volksgezondheid, Welzijn en Sport samen met het Ministerie van Sociale Zaken en Werkgelegenheid via een subsidie de Stichting Werk en Mantelzorg gefaciliteerd bij het ontwikkelen en uitvoeren van een ondersteuningsprogramma. De Stichting Werk en Mantelzorg ondersteunt werkgevers en stimuleert hen bij het maken van mantelzorgvriendelijk personeelsbeleid. Ook is met de Stichting van de Arbeid een inspiratiedocument voor werkgevers en werknemers over de combinatie werk en mantelzorg ontwikkeld. Via deze maatregelen wordt gewerkt aan het voorkomen van verzuim vanwege mantelzorg.
Daarnaast geeft de Wet flexibel werken werknemers de mogelijkheid bij de werkgever een verzoek in te dienen voor aanpassing van de arbeidsduur, werktijden en arbeidsplaats (bijvoorbeeld thuiswerken). Hoewel dit niet voor alle (intensieve) mantelzorgers voldoende ruimte zal bieden, kan deze flexibiliteit in de inrichting van werk wel bijdragen aan het kunnen combineren van arbeid en mantelzorg. Ook werk ik aan een wetsvoorstel ter vereenvoudiging van het verlofstelsel. Onderdeel daarvan is de samenvoeging van het huidige kortdurend en langdurend zorgverlof. Zie verder ook het antwoord op vraag 5.
Bent u bereid te onderzoeken of de bestaande verlofregelingen voor mantelzorg voldoende aansluiten bij langdurige en intensieve mantelzorgsituaties? Zo nee, waarom niet?
Momenteel werk ik aan een wetsvoorstel ter vereenvoudiging van het verlofstelsel. Onderdeel van dit wetsvoorstel is de samenvoeging van het huidige kortdurend en langdurend zorgverlof. Met het samenvoegen van beide regelingen komt er één zorgverlofregeling van acht weken, waarvan twee weken gedeeltelijk (70 procent) betaald. Het samenvoegen zorgt voor een aantal wijzigingen in kenmerken en voorwaarden ten opzichte van hoe het zorgverlof op dit moment in de Wet arbeid en zorg is geregeld. Zo worden de gedeeltelijk betaalde weken zorgverlof voor een breder aantal situaties inzetbaar. In het wetsvoorstel is opgenomen dat het verlof zowel voor de noodzakelijke verzorging van een naaste die ziek of hulpbehoevend is, als voor de verzorging van een naaste die levensbedreigend ziek is, kan worden ingezet. Dit kan ook relevant zijn voor mensen die mantelzorg verlenen. Het wetsvoorstel was tot 10 augustus jl. in internetconsultatie. Het streven is om het wetsvoorstel voor het einde van het jaar naar uw Kamer te sturen.
In het SER-advies «Mantelzorg en werk in een zorgzame samenleving» wordt aangegeven dat de bestaande verlofregelingen onvoldoende aansluiten bij langdurige en intensieve mantelzorgsituaties. Aanbevolen wordt een verlof te introduceren gedurende acht keer de overeengekomen arbeidsduur per week onder loondoorbetaling door een publiek gefinancierde uitkering van 70 procent van het dagloon, gemaximeerd en met het minimumloon als bodem, belegd bij een externe partij. In het najaar kom ik samen met mijn collega’s van VWS, OCW en FIN met een reactie op het SER-advies, waar ook in zal worden gegaan op deze aanbeveling.
Hoe beoordeelt u de signalen dat werkgevers vaak onvoldoende bekend zijn met de mogelijkheden om mantelzorgende werknemers te ondersteunen, en bent u bereid te bezien hoe deze kennis kan worden verbeterd?
Ik herken het beeld dat niet alle werkgevers voldoende bekend zijn met de mogelijkheden om mantelzorgende werknemers te ondersteunen. Ik zie dit als een aandachtspunt waar kansen liggen om de combinatie van werk en mantelzorg voor werknemers te verbeteren. Zoals eerder aangegeven is in de Mantelzorgagenda 2023–2026 een ondersteuningsprogramma voor werkgevers en een programma voor leidinggevenden opgenomen, gericht op het faciliteren van de combinatie van werk en mantelzorg voor werknemers. Een divers scala aan werkgevers en branches worden hiermee bereikt.
In het SER-advies «Mantelzorg en werk in een zorgzame samenleving» wordt aanbevolen om het gesprek over mantelzorg aan de cao-tafel te bevorderen en mantelzorgvriendelijk beleid in cao’s en bedrijven te promoten. Dit kan ook belangrijk zijn om bewustwording en concrete afspraken op de werkvloer te stimuleren. In het najaar zal in de reactie op het SER-advies ook ingegaan worden op deze aanbeveling en op de wijze waarop werkgevers nog meer geïnformeerd en ondersteund kunnen worden ten aanzien van het faciliteren van werk en mantelzorg.
Bent u bereid samen met de Minister van Langdurige Zorg, Jeugd en Sport te bezien hoe de regeldruk voor mantelzorgers kan worden verminderd, zodat zij minder tijd kwijt zijn aan administratieve procedures en meer aan de zorg zelf?
Ik ben bereid samen met de Minister van Langdurige Zorg, Jeugd en Sport te bezien hoe de regeldruk voor mantelzorgers kan worden verminderd. In het SER-advies »Mantelzorg en werk in een zorgzame samenleving» wordt regeldruk ook benoemd en geconstateerd dat die de belasting op mantelzorgers verhoogt en mantelzorgers kan belemmeren om toegang te krijgen tot voorzieningen die hen ontlasten. Zij geven daarbij verschillende concrete aanbevelingen, zoals het beperken van herindicaties in de Wmo en Wlz en het stroomlijnen van de toegang tot respijtzorg. In de kabinetsreactie op het SER-advies zullen we uw Kamer daarover verder informeren.
Kunt u de Kamer informeren welke aanbevelingen uit het SCP-rapport u overneemt, welke niet en waarom?
Zoals eerder aangegeven komt het kabinet dit najaar met een reactie op het SER-advies «Mantelzorg en werk in een zorgzame samenleving» en een breed plan voor de ondersteuning van mantelzorgers, conform de motie Struijs c.s.6. Hierin zullen ook de inzichten uit de SCP-rapporten worden meegenomen.
Het bericht 'Gemeente vergeet arbeidsmigrant bij bouw distributiecentra' |
|
Stephan Neijenhuis (D66) |
|
Hans Vijlbrief (D66) |
|
|
|
|
Bent u bekend met het bericht van «gemeente vergeet arbeidsmigrant bij bouw distributiecentra»?1
Herkent u het beeld dat bij de ontwikkeling van nieuwe distributiecentra onvoldoende aandacht is voor de benodigde huisvesting van arbeidsmigranten die daar gaan werken?
Welk deel van de extra werkgelegenheid vanuit nieuwe distributiecentra wordt op dit moment opgevuld met arbeidsmigratie?
Kunt u inzicht geven in de mate waarin gemeenten bij de vergunningverlening of planvorming voor distributiecentra afspraken maken over de huisvesting van werknemers? Bent u bereid dit in kaart te brengen?
Deelt u de opvatting dat de maatschappelijke kosten van onvoldoende huisvesting van arbeidsmigranten onderdeel zouden moeten zijn van de afweging bij de ontwikkeling van nieuwe distributiecentra? Zo ja, hoe wordt hier momenteel mee omgegaan?
Welke mogelijkheden ziet u om gemeenten meer handvatten te geven om bij de vestiging of uitbreiding van distributiecentra eisen te stellen aan de beschikbaarheid van huisvesting voor arbeidsmigranten en wat is de voortgang op aangenomen moties en toezeggingen op dit vlak?
Hoe wordt de afspraak uit het coalitieakkoord dat de huisvesting van arbeidsmigranten op orde moet zijn voordat extra werknemers worden aangetrokken in de praktijk geborgd bij de ontwikkeling van nieuwe distributiecentra?
Wat is de stand van zaken rond het afwegingskader huisvesting arbeidsmigranten bij nieuwe bedrijvigheid?
Welke gevolgen verwacht u van het voornemen om shortstay te beperken tot maximaal 30 nachten en daarna huurbescherming te laten gelden voor arbeidsmigranten die in dergelijke accommodaties verblijven en wat is de voortgang op dit wetsvoorstel?
Het bericht ‘Werknemers vallen volgens de vakbond bijna flauw op de werkvloer’ |
|
Jimmy Dijk (SP) |
|
Hans Vijlbrief (D66) |
|
|
|
|
Bent u bekend met het bericht «Werknemers vallen volgens de FNV bijna flauw op de werkvloer. Welke rechten hebben ze?»?1
Ja, ik ben op de hoogte van de inhoud van dit artikel.
Bent u het met de FNV eens dat het een slechte zaak is dat er in het Arbobesluit alleen staat dat de temperatuur op de werkplek «niet nadelig» mag zijn voor de gezondheid van de werknemer? Zo nee, waarom niet? Zo ja, waar vindt u dat de wetgeving tekortschiet?
Ja. Ik ben het hierover eens met de FNV.
De Arbeidsinspectie heeft in 2023 een verkenning uitgevoerd naar hittestress. In deze verkenning wijst de Arbeidsinspectie erop dat artikel 6.1 van het Arbobesluit alleen de factor temperatuur benoemt en niet ingaat op factoren als luchtvochtigheid, luchtverplaatsing en straling. Dit kan ertoe leiden dat bij werkgevers andere relevante (bron)maatregelen niet of minder snel in beeld komen. In de reactie hierop in de Verzamelbrief van 18 juni 20242 wordt dit bevestigd. Het gaat hier om onderliggende factoren die beïnvloeden wat het effect is van de temperatuur op de werkplek op de gezondheid. Een werkgever moet deze factoren wel in beschouwing nemen. De regelgeving zal daarom op dit punt worden verduidelijkt, door in artikel 6.1 op te nemen dat werkgevers bij het nemen van (bron)maatregelen ook rekening moeten houden met factoren als de luchttemperatuur, de luchtvochtigheid, de stralingstemperatuur en de luchtsnelheid. Hieraan wordt momenteel gewerkt.
Welke misstanden heeft de Nederlandse Arbeidsinspectie de afgelopen vijf jaar geconstateerd rond werken in de hitte?
De Arbeidsinspectie voerde in 2023 een verkenning uit naar hittestress. Deze verkenning was op basis van 28 inspecties in risicosectoren. Het onderzoek geeft als indicatief beeld dat werkgevers en werknemers zich grotendeels bewust zijn van de negatieve gevolgen van werken onder hoge buitentemperaturen en van de blootstelling aan Uv-straling. Ongeveer twee derde van de werkgevers geeft aan beleid of afspraken te hebben, meestal in de vorm van een hitteplan of een hitteprotocol, met maatregelen als drinkpauzes en tropenroosters. Wel ontbreekt het soms aan kennis om het risico op hittestress goed vast te stellen of is er sprake van een verouderde of onvolledige Risico-inventarisatie en -evaluatie (RI&E).
Arbo in Bedrijf 2024–20253 kijkt breder naar alle bedrijven, dus niet alleen naar risicosectoren. Daarin wordt geconstateerd dat het risico «werken in warme omstandigheden» buiten bij 10 procent van de bedrijven aanwezig is en binnen bij 13%. Bij 16% van de bedrijven waar het risico aanwezig is, is dit niet adequaat beheerst. Als het risico aanwezig is, hebben werkgevers in 95% van de gevallen wel één of meer maatregelen getroffen, waarvan 49% aan de bron, 53% technisch, 72% organisatorisch en 67% persoonlijk.
Hoeveel bedrijven komt de Nederlandse Arbeidsinspectie tegen waar helemaal geen hitteplan is geformuleerd?
Op grond van de Arbowet moeten werkgevers zorgen voor een veilige en gezonde werkplek. Daarbij mag de temperatuur op de werkplek niet nadelig zijn voor de gezondheid van de werknemer. Het is niet voorgeschreven dat werkgevers een hitteplan moeten hebben. Als hitte of kou een risico is in het bedrijf, moeten werkgevers dit opnemen in de RI&E en in het plan van aanpak aangeven welke maatregelen ze gaan nemen. Daarbij kunnen ze gebruik maken van de tips en adviezen op het Arboportaal. Andere nuttige bronnen van tips en informatie zijn bijvoorbeeld de website van Volandis, het kennis- en adviescentrum voor de bouw en infrasector; het SER-dossier werken bij hitte, de FNV Werkklimaat app en de CNV weerverlet app. Verder kunnen sectoren de aanpak van hittestress opnemen in hun Arbocatalogi of afspraken opnemen in een cao. Uit de verkenning van de Arbeidsinspectie in 2023 in een beperkt aantal bedrijven in risicosectoren, komt dat ongeveer twee-derde van de werkgevers aangeeft beleid of afspraken te hebben, meestal in de vorm van een hitteplan of hitteprotocol.
Hoe handhaaft de Nederlandse Arbeidsinspectie op werken in de hitte?
De Arbeidsinspectie krijg regelmatig meldingen over werkzaamheden in de hitte. In 2025 waren dat ca. 150 meldingen. Eind juni 2026 heeft de Arbeidsinspectie al meer meldingen ontvangen dan in heel 2025.
Bij een melding over werken bij hitte, stelt de Arbeidsinspectie extra vragen om te kunnen beoordelen of er een kans op hittestress is door een te hoge temperatuur in combinatie met de aard van de werkzaamheden. Met behulp van een objectief weeginstrument gaat de Inspectie na of er een verhoogde kans is op gezondheidsschade. Daarbij kijkt de Inspectie naar drie factoren: of er gezondheidsklachten zijn; of het gaat om risicovolle werkzaamheden en of er risicogroepen werkzaam zijn. Bij een kans op hittestress met een verhoogde kans op gezondheidsschade neemt een inspecteur de melding in behandeling. In het onderzoek wordt beoordeeld of de getroffen maatregelen doeltreffend zijn en of de risico-inventarisatie voldoende aandacht besteedt aan dit onderwerp en aan risicogroepen.
Vindt u de huidige wetgeving op dit moment toereikend genoeg om te voorkomen dat mensen in extreme warmte moeten werken? Zo ja, waarom? Zo nee, waar vindt u dat de wetgeving tekortschiet?
Als de temperatuur in een bedrijf een risico vormt voor de gezondheid van de werknemers, moeten werkgevers dit risico opnemen in de RI&E. In het plan van aanpak geven ze dan aan welke maatregelen ze gaan nemen. Als met andere (bron)maatregelen het risico niet voldoende kan worden weggenomen, kan de werkgever het werk volledig stilleggen. Dit kan al worden bereikt op basis van de huidige wetgeving. Deze is daarvoor dus al toereikend. De ervaring bij de hittegolf van eind juni 2026 laat zien dat diverse werkgevers hiervoor hebben gekozen, als dat in hun bedrijf een optie was. Bedrijven gingen dicht, winkels sloten eerder of helemaal, bezorgtijden werden aangepast en er werd gewerkt volgens tropenroosters. Wel zal, zoals aangegeven in het antwoord op vraag 2, de regelgeving worden verduidelijkt. Het doel hiervan is dat werkgevers bij het bepalen van maatregelen ook rekening houden met onderliggende factoren die van invloed zijn op het effect op de gezondheid van de temperatuur op de werkplek, zoals de impact van een hoge luchtvochtigheid.
Bent u het ermee eens dat de huidige wetgeving moet worden aangepast om duidelijkere normen en maatregelen rond werken in de hitte te verankeren? Zo nee, waarom niet? Zo ja, wat gaat u hieraan doen?
Zoals aangegeven in antwoord op vraag 2, zal de regelgeving worden verduidelijkt zodat duidelijker is welke factoren in beschouwing moeten worden genomen bij het bepalen van maatregelen. Daarnaast zal ik het tweede lid van artikel 6.1 van het Arbobesluit intrekken. Dit lid is strijdig met de arbeidshygiënische strategie uit artikel 3 van de Arbowet. Het lid noemt als eerst te nemen maatregelen het bieden van persoonlijke beschermingsmiddelen aan werknemers. Pas daarna worden andere maatregelen, hoger in de arbeidshygiënische strategie, genoemd. Ook dit is een verduidelijking; werkgevers kunnen niet gelijktijdig aan beide regels voldoen.
Hoe staat u tegenover het idee van de FNV om een norm voor hittestress op te nemen in de Arbowet waarbij de kerntemperatuur van het lichaam niet boven de 38 graden mag komen?
Ik ben daar geen voorstander van. Werkgevers moeten op grond van de Arbowet rekening houden met de specifieke omstandigheden. Dat bereik je niet met zo’n norm. Verder heeft de Gezondheidsraad in 2011 een Briefadvies over hittestress uitgebracht.4 Daarin geeft de Raad aan dat een gezondheidskundige grenswaarde in de vorm van een lichaamskerntemperatuur op individueel niveau niet mogelijk is. Daarvoor fluctueert de lichaamskerntemperatuur binnen een persoon en tussen personen te veel. Bovendien is inwendige vaststelling van de lichaamskerntemperatuur in het rectum, de slokdarm en het maagdarmstelsel te prefereren boven metingen onder de tong, in de oksel of in het oor. Maar inwendige metingen zijn lastig, gevoelig voor de inname van koude of warme dranken en gaan gepaard met ongemak voor de werknemer. Inwendig vaststellen is overigens ook in strijd met artikel 11 van de Grondwet, het recht op de onaantastbaarheid van het menselijk lichaam.
Bent u van plan een norm voor hittestress op te nemen in de Arbowet? Zo nee, waarom niet?
Ik ben op dit terrein niet voor normen of grenswaarden. Er zijn geen normen die voor iedere persoon en voor elke situatie gelden. De invloed van temperatuur op het lichaam verschilt onder meer door luchtvochtigheid, zonnekracht, wind, kleding, de zwaarte van het werk, de gezondheid. Dit is niet te vertalen in een algemene norm, die in alle gevallen geldt. Er zijn diverse landen die wel zo’n systeem hanteren. Daarbij gaat het veelal om systemen die over een enkele situatie gaan zoals buiten werken, of er zijn complexe systemen met meerdere normen. Als sprake is van een hoge hitte moeten werkgevers en werknemers er samen voor zorgen dat er gezond en veilig kan worden gewerkt.
Kunt u deze vragen één voor één beantwoorden?
Deze vragen zijn afzonderlijk beantwoord.
De obstakels bij integratie voor de buitenlandse partners van Nederlanders |
|
Wimar Bolhuis (PvdA) |
|
Thierry Aartsen (VVD) |
|
|
|
|
Deelt u de mening dat Nederlanders die een liefdesrelatie hebben met een niet-EU-inwoner en aan de inkomenseisen voldoen, de mogelijkheid zouden moeten hebben om samen met hun geliefde een leven op te bouwen in Nederland, waarbij de niet-Nederlandse partner zo snel mogelijk zou moeten kunnen inburgeren?
Ja, wanneer aan de wettelijke voorwaarden is voldaan.
Deelt u de mening dat praktische obstakels die de vlotte inburgering van deze liefdespartners in de weg staan, zo veel mogelijk vermeden en opgeheven moeten worden?
In zijn algemeenheid wel. Dat wil zeggen: voor zover andere belangen dan die van de betrokken liefdespartners daardoor niet onevenredig geschaad worden. Het gaat dan onder meer om het belang van de Nederlandse samenleving dat de vreemdeling die naar Nederland komt al een zekere kennis van de Nederlandse taal en de Nederlandse samenleving heeft (Wet inburgering buitenland) en dat van tevoren al is getoetst of hij aan de toelatingsvoorwaarden voldoet (mvv-vereiste).
Acht u het wenselijk dat liefdespartners van Nederlanders honderden euro’s kwijt zijn louter en alleen aan de reiskosten om het basisexamen inburgering in het buitenland te kunnen afleggen?
Het is van belang dat alle examens op een betrouwbare, veilige en objectieve wijze worden afgenomen. Dit is alleen mogelijk op een diplomatieke Nederlandse post in het buitenland. Gezien het beperkte aantal locaties van deze posten kan het zijn dat personen hiervoor moeten reizen. Dat brengt kosten met zich mee: de onwenselijkheid van kosten die de vreemdeling moet maken weegt echter niet op tegen het borgen van de objectiviteit en betrouwbaarheid van het examen.
Is het mogelijk om buitenlandse partners van Nederlanders het basisexamen inburgering in het buitenland digitaal van op afstand te laten afleggen wanneer er geen examenfaciliteit in hun stad of dorp beschikbaar is? Zo nee, wat is ervoor nodig om dat wel mogelijk te maken?
Het is op dit moment technisch en organisatorisch niet mogelijk om het basisexamen inburgering buitenland digitaal af te leggen, anders dan op een diplomatieke post. Zoals gezegd kan alleen op deze manier gecontroleerd worden op fraude.
Wat is de gemiddelde doorlooptijd van het basisexamen inburgering in het buitenland? En wat is de gemiddelde doorlooptijd van de procedure voor een machtiging tot voorlopig verblijf?
Als het gaat om het basisexamen dan verschilt het per diplomatieke post wanneer iemand daar terecht kan voor het afleggen van een examen. In principe kan iemand binnen enkele maanden examen doen, uitzonderingen daargelaten. Examens worden door de aanvrager vaak verder van tevoren aangevraagd zodat diegene zich hier nog op voor kan bereiden.
De gemiddelde doorlooptijd van de mvv-procedure voor gezinshereniging/-vorming bedroeg in 2025 83 dagen.
Kan de termijn van acht weken waarover DUO beschikt om de examenuitslag bekend te maken, ingekort worden? Zo ja, met hoeveel weken? Zo nee, wat precies staat een inkorting in de weg?
Nee. De termijn van maximaal acht weken heeft te maken met het examenonderdeel Spreekvaardigheid. Dit onderdeel wordt nagekeken door menselijke beoordelaars, waarbij elke beoordelaar in principe maar 2 opgaven mag beoordelen, om te komen tot een uitslag met een hoge betrouwbaarheid. Dit proces vergt al snel 4 á 5 weken, dat is op dit moment ook de gemiddelde beoordelingstermijn. Om ook uitschieters op te kunnen vangen is de maximale termijn op 8 weken gesteld.
Hoe verhoudt de lange duurtijd van de combinatie van het basisexamen inburgering in het buitenland plus de procedure voor een machtiging tot voorlopig verblijf zich tot het recht op gezinsleven uit artikel 8 van het Europees Verdrag voor de Rechten van de Mens (EVRM), wanneer aan alle inkomens- en huisvestingseisen wordt voldaan, en wanneer de wachttijd in de praktijk samenvalt met perioden waarin echtgenoten elkaar door visumtellingen niet eens fysiek mogen ontmoeten?
Een lidstaat heeft de taak om zorgvuldig te toetsen of aan al de toelatingsvoorwaarden voor gezinshereniging is voldaan. De EU-richtlijn gezinshereniging (EG 2003/86) geeft lidstaten daarvoor maximaal negen maanden de tijd. In Nederland is de wettelijke beslistermijn voor gezinshereniging maximaal 90 dagen en bij statushouders negen maanden. Hier wordt aan voldaan. Van schending van artikel 8 van de EVRM is dus geen sprake.
Een fysieke ontmoeting tussen echtgenoten is mogelijk buiten Nederland. Vreemdelingen die visumvrij (voor kort verblijf) zijn kunnen dit ook in Nederland doen (gedurende de vrije termijn). Bij visumplichtige vreemdelingen ligt dat genuanceerder. Bij de beoordeling van de aanvraag van een visum kort verblijf wordt door Buitenlandse Zaken in overweging genomen of er een duidelijk en concreet motief is om tijdens de lopende mvv-procedure naar NL te reizen, of de reden legitiem en goed onderbouwd is, en of het verblijfsdoel van de mvv-aanvraag relevant is voor de beoordeling van de aanvraag om het visum kort verblijf.
Is het mogelijk bij het inplannen van het basisexamen inburgering in het buitenland al het proces voor een machtiging tot voorlopig verblijf op te starten, zodat deze processen parallel lopen en mensen dus niet onnodig lang hoeven te wachten? Zo nee, wat concreet staat dat in de weg?
Nee, dat is niet mogelijk. Een geslaagd basisexamen inburgering buitenland is noodzakelijk voor de mvv-aanvraag. Zonder dit document is er sprake van een incomplete aanvraag. Voor de IND is het inefficiënt en onwenselijk om een niet-complete aanvraag toch te behandelen en vervolgens te wachten tot het ontbrekende diploma wordt overgelegd. De IND moet dan twee keer de aanvraag behandelen. Bovendien bestaat het risico dat het diploma nooit wordt overgelegd omdat het niet is gehaald.
Op welke objectieve gronden zijn partners uit Australië, Canada, Japan, Monaco, Nieuw-Zeeland, Vaticaanstad, Verenigd Koninkrijk, de Verenigde Staten van Amerika, Zuid-Korea of Zwitserland vrijgesteld van het basisexamen buitenland, terwijl partners uit andere landen deze eis wel krijgen opgelegd? Is dit onderscheid nog te rechtvaardigen?
Op grond van buitenlands-politieke en economische redenen zijn bovengenoemde landen vrijgesteld van het basisexamen buitenland. Nederland vindt het wenselijk dat burgers van deze landen op een snellere en eenvoudiger wijze toelating tot Nederland kunnen krijgen. Het kabinet meent dat genoemde redenen een voldoende rechtvaardigingsgrond is voor het onderscheid dat gemaakt wordt in het mvv-vereiste, conform de EU-richtlijn gezinshereniging (EG 2002/86).1
Overigens heeft de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State prejudiciële vragen over precies deze kwestie gesteld aan het Hof van Justitie van de EU (C-394–25, Volta).
Overweegt u de vrijstelling van het basisexamen inburgering in het buitenland uit te breiden naar andere landen wanneer het gaat om de liefdespartners van Nederlanders? Zo ja, welke? Zo nee, waarom niet?
Het kabinet overweegt geen uitbreiding van de vrijstelling van het basisexamen inburgering in het buitenland.
Het kabinet hecht eraan dat gezinsmigranten, die mvv-plichtig zijn, een zekere kennis van de Nederlandse taal en de Nederlandse samenleving hebben, voordat zij naar Nederland komen om hier te verblijven.
Is het kabinet bereid te onderzoeken of inburgering in Nederland zelf, onder begeleiding van de Nederlandse echtgenoot en familie, een gelijkwaardig of beter alternatief kan zijn voor het examen in het buitenland? Zo nee, waarom niet?
Nee, dit voorstel wordt als niet wenselijk gezien. Zoals geantwoord op vraag 10 en toegelicht in de Memorie van Toelichting bij de wet inburgering buitenland, hecht het kabinet eraan dat gezinsmigranten, die mvv-plichtig zijn, een zekere kennis van de Nederlandse taal en de Nederlandse samenleving hebben voordat zij naar Nederland komen om hier te verblijven. Het voorgestelde alternatief is daarmee strijdig.
Hoe weegt het kabinet de mentale en relationele schade van maandenlange gedwongen scheiding mee in de proportionaliteitstoets? Welke maatregelen zal het kabinet nemen om een vlottere inreis en integratie van liefdespartners van Nederlanders te garanderen om dit soort mentale en relationele schade te voorkomen?
Het kabinet onderkent dat langdurige scheiding van partners mentale en relationele impact kan hebben. Tegelijkertijd moeten toelatingsprocedures objectief, uitvoerbaar en juridisch houdbaar zijn. Omdat de mate van mentale en relationele impact per persoon sterk kan verschillen en niet op een objectieve manier vast te stellen is, kan dit geen afzonderlijk criterium zijn binnen de toelatingsprocedure.
Kunt u iedere vraag afzonderlijk beantwoorden?
Ja.
Het kabinetsplan om 75.000 asielzoekers aan werk te helpen |
|
Milan Schenk (FVD) |
|
Thierry Aartsen (VVD), Bart van den Brink (CDA) |
|
|
|
|
Klopt het dat het kabinet als doelstelling heeft om ervoor te zorgen dat in december 2030 75.000 meer statushouders en asielzoekers aan het werk zijn dan nu het geval is?
Waarom acht het kabinet het een kerntaak van de Nederlandse overheid om 75.000 statushouders en asielzoekers aan werk te helpen?
Deelt het kabinet de opvatting dat asielopvang in beginsel tijdelijk van aard is en niet bedoeld is als instrument voor arbeidsmarktbeleid?
Indien het antwoord op vraag 3 ontkennend luidt, waarom niet?
Klopt het dat het kabinet expliciet wil investeren in asielzoekers die nog in procedure zijn, maar volgens het kabinet een redelijke kans maken op een verblijfsvergunning?
Hoeveel asielzoekers die in het verleden als kansrijk werden aangemerkt, hebben uiteindelijk geen verblijfsvergunning gekregen? Graag een overzicht vanaf 2010.
Kan het kabinet uitsluiten dat het vroegtijdig begeleiden van asielzoekers naar werk, scholing en integratie de druk vergroot om uiteindelijk een verblijfsvergunning te verlenen?
Indien het antwoord op vraag 7 ontkennend luidt, waarom niet?
Hoe beoordeelt het kabinet het risico dat werkgevers, gemeenten of maatschappelijke organisaties zich in toekomstige procedures op het standpunt zullen stellen dat een asielzoeker inmiddels dusdanig is geïntegreerd dat terugkeer onwenselijk is?
Kan het kabinet uitsluiten dat dit beleid een extra aanzuigende werking heeft op personen die primair economische motieven hebben om via de asielroute toegang tot de Nederlandse arbeidsmarkt te verkrijgen?
Indien het antwoord op vraag 10 ontkennend luidt, waarom niet?
Het kabinet zet in op het aanpakken van arbeidsmarkttekorten door asielmigranten sneller naar werk te begeleiden maar tegelijkertijd constateert het kabinet dat arbeidsmigratie druk legt op de bevolkingsgroei en geen structurele oplossing vormt voor krapte op de arbeidsmarkt; hoe beoordeelt u deze spanning?
Bent u zich bewust van signalen dat de vraag op de arbeidsmarkt in verschillende sectoren afneemt en zijn er prognoses beschikbaar over de wijze waarop de arbeidsmarkt zich de komende jaren zal ontwikkelen en welke gevolgen de instroom van 75.000 extra werknemers daarop zal hebben?
Wat is volgens het kabinet het effect van deze instroom op de arbeidsmarktkansen van Nederlandse werknemers?
Bent u het ermee eens dat verbeteringen op het gebied van arbeidsproductiviteit, innovatie en automatisering op de langere termijn een betere oplossing vormen dan een voortdurende uitbreiding van het arbeidsaanbod door migratie?
Hoeveel procent van de huidige statushouders beschikt volgens het kabinet over relevante werkervaring en/of een opleiding die aansluit op tekortsectoren zoals de bouw, techniek of zorg?
Hoe ziet u in dat licht de instroom van 75.000 extra werknemers, terwijl een groot deel van deze groep naar verwachting niet beschikt over de kwalificaties die in de grootste tekortsectoren worden gevraagd?
Kunt u reflecteren op de gevolgen die een instroom van 75.000 extra werknemers in met name lager- en middelbaar geschoolde arbeid kan hebben voor lonen, arbeidsvoorwaarden en arbeidsmarktkansen van Nederlandse werknemers die momenteel in deze sectoren werkzaam zijn?
Hoe kunnen de inburgeringseisen worden geflexibiliseerd zonder dat de kwaliteit van de inburgering onder druk komt te staan?
U schrijft dat de werkvloer een geschikte plek is om de Nederlandse taal te leren maar tegelijkertijd zien wij dat binnen steeds meer sectoren het Nederlands juist wordt verdrongen door het Engels; waarom verwacht u dat dit bij asielmigranten anders zal verlopen en hoe gaat hij waarborgen dat het Nederlands daadwerkelijk de voertaal blijft?
Klopt het dat het kabinet streeft naar huisvesting van werkende statushouders in de regio waar zij werkzaam zijn?
Betekent dit dat arbeidsmarktoverwegingen een rol gaan spelen bij de verdeling van statushouders over gemeenten?
Indien het antwoord op vraag 22 bevestigend luidt, hoe verhoudt zich dat tot het uitgangspunt dat asielopvang en huisvesting primair voortvloeien uit humanitaire bescherming en niet uit economische belangen?
Hoeveel belastinggeld verwacht het kabinet de komende vier jaar uit te geven aan de uitvoering van de aanpak Werk en Meedoen voor statushouders en asielzoekers?
Kunt u deze vragen zo spoedig mogelijk en afzonderlijk van elkaar beantwoorden?
De inzet van externe verzekeringsartsen door het UWV |
|
Mariëtte Patijn (GroenLinks-PvdA) |
|
Hans Vijlbrief (D66) |
|
|
|
|
Hoe zorgt UWV ervoor dat zij gebruik kan maken van verzekeringsartsen die niet werkzaam zijn bij UWV maar elders werken?
UWV ziet binnen de huidige wetgeving geen mogelijkheden om verzekeringsartsen in te huren die als zelfstandige werken (ZZP-ers), daarom heeft UWV de inhuur van ZZP verzekeringsartsen per 1 oktober 2025 afgebouwd. UWV kan binnen de huidige wet- en regelgeving nog wel artsen inhuren op detacheringsbasis.
Klopt het dat UWV vanwege de wet deregulering beoordeling arbeidsrelaties (DBA) geen zelfstandige verzekeringsartsen meer inhuurt waarbij geldt dat zij door de aard van het werk eigenlijk werknemers zouden moeten zijn?
Ja, dat klopt.
Klopt het dat UWV deze zelfstandigen een aanbod voor een dienstverband heeft gedaan? Hoeveel van hen hebben dit geaccepteerd en hoeveel fte levert dit op?
Dat klopt, alle verzekeringsartsen die als zelfstandige bij UWV werkzaam waren hebben in de periode voor 1 oktober 2025 meerdere keren het aanbod gehad om bij UWV in dienst te komen. Er hebben 23 mensen van dat aanbod gebruik gemaakt.
Klopt het dat UWV echter ook geen partijen meer inzet waar verzekeringsartsen zijn aangesloten en werken op basis van een dienstverband?
Nee dat klopt niet. De wet DBA verhinderd dit niet, mits de externe artsen in loondienst zijn bij deze externe partijen. Zie vraag 6 voor een toelichting.
Klopt het dat dit binnen de wet DBA wel mogelijk zou zijn?
Het inzetten van externe partijen kan juridisch veilig onder de Wet DBA, mits de artsen die het werk uitvoeren in loondienst zijn bij die externe partij.
Klopt het dat dergelijke externe partijen tot wel duizenden keuringen zouden kunnen uitvoeren? Om hoeveel capaciteit gaat het?
UWV heeft regelmatig contact met de partijen in de markt. Op dit moment is er geen aanbod van te detacheren verzekeringsartsen.
Hoe veel capaciteit zou er nodig zijn om de tekorten bij UWV weg te werken?
UWV kampt al enkele jaren met een tekort aan verzekeringsartsen. Daardoor zijn de achterstanden de afgelopen jaren fors opgelopen. Er is op jaarbasis een tekort van ruim 200 artsen. En om opgelopen achterstanden weg te werken is er voor de duur van 1 jaar een capaciteit van 750 Fte nodig. Deze capaciteit is op dit moment niet in de markt van te detacheren verzekeringsartsen beschikbaar.
Ziet u mogelijkheden om partijen in het veld waar verzekeringsartsen werkzaam zijn binnen de wet DBA in te zetten voor aanvragen, herbeoordelingen of eerstejaars ziektewetbeoordelingen of anderzijds projecten op te pakken die de workload van UWV kunnen verlichten?
Het inhuren van verzekeringsartsen op detacheringsbasis is mogelijk binnen de huidige wet- en regelgeving. Een inventarisatie door UWV heeft uitgewezen dat deze markt geen groot aanbod aan te detacheren verzekeringsartsen kent. Juridisch is dit mogelijk maar de benodigde capaciteit is op dit moment niet beschikbaar.
UWV richt zich op de mogelijkheden die wél kunnen. Voor de werving van verzekeringsartsen hanteert UWV hanteert al jarenlang actieve wervingsstrategieën om artsen aan te trekken voor de verzekeringsgeneeskunde bij UWV. In het strategische personeelsplan van UWV wordt een apart hoofdstuk gewijd aan de werving van artsen inclusief gerichte doelstellingen. Hierover heb ik u geïnformeerd in de Kamerbrief van juni 20251.
Kunt u deze vragen beantwoorden voor het commissiedebat Uitvoeringsproblematiek UWV op 1 juli 2026?
Ja
Taakdelegatie |
|
Mariëtte Patijn (GroenLinks-PvdA) |
|
Hans Vijlbrief (D66) |
|
|
|
|
Kunt u een overzicht verstrekken van alle taken die onderdeel uitmaken van de totale sociaal medische dienstverlening bij UWV; van het in ontvangst nemen van een aanvraag, het verzamelen van informatie, de onderdelen van een beoordeling, de monitoring en begeleiding van een uitkeringsgerechtigde, etc?
Het opstellen van het overzicht waar om wordt gevraagd is onderdeel van het onderzoekstraject dat SZW en UWV ingaan met de betrokken beroepsgroepen. Het doel van het onderzoekstraject is om, in samenwerking met professionals zoals verzekeringsartsen, sociaal-medisch verpleegkundigen, arbeidsdeskundigen en eventueel proces- of re-integratiebegeleiders, te komen tot een optimale verdeling van taken en verantwoordelijkheden binnen de sociaal-medische dienstverlening.
De inzet is om het onderzoekstraject direct na de zomer 2026 op te starten. Het traject start met een inventariserend basisonderzoek. De resultaten van dit basisonderzoek moet in Q4 2026 worden opgeleverd.
Kan bij de beantwoording van vraag 1 per taak worden aangegeven wie deze taak nu (meestal) verricht en kan daarnaast worden aangegeven welke professionals die taak op basis van huidige wetgeving mogen verrichten?
Ja dat kan. Het vaststellen van het recht, de hoogte en de duur van een uitkering is een multidisciplinair proces. Binnen dit proces werken verschillende professionals samen.
Het doel van het onderzoekstraject (zoals ook omschreven in het antwoord op vraag 1) is om in samenwerking met professionals, te komen tot een optimale verdeling van taken en verantwoordelijkheden. Daarbij wordt in beeld gebracht welke taken nu in de praktijk door welke professional worden uitgevoerd én welke taken binnen de huidige wet- en regelgeving door welke professional mogen worden uitgevoerd. Vanuit die basis onderzoeken we naar welke situatie we willen groeien en wat hiervoor nodig is.
In het kader van de kwaliteit van de beoordeling is het essentieel om helder vast te leggen waar de (eind)verantwoordelijkheid voor de beoordeling ligt, met bijzondere aandacht voor het borgen van de verantwoordelijkheden van de betrokken professionals. Ten aanzien van de sociaal-medische beoordeling wordt onderzocht welke taken zijn voorbehouden aan de arts en welke taken door andere professionals kunnen worden uitgevoerd. Dit onderscheid maakt onderdeel uit van het onderzoekstraject.
Kan bij de beantwoording van vraag 1 een onderscheid worden aangebracht tussen taken die volledig zijn voorbehouden aan verzekeringsartsen en taken die binnen de huidige wettelijk kaders ook door een andere sociaal medische professional mogen worden verricht?
Zie antwoord vraag 2.
Kan een dergelijk overzicht zoals bij vragen 2 en 3 voor de Ziektewet, WIA en Wajong afzonderlijk worden gegeven?
Per wet zal het gehele beoordelingsproces in beeld worden gebracht, waarbij inzichtelijk wordt gemaakt welke specifieke taken door welke professional worden uitgevoerd. Dit is onderdeel van het onderzoekstraject.
Indien er taken worden uitgevoerd door de verzekeringsarts, terwijl deze binnen het huidige wettelijk kader ook door een andere professional kunnen worden uitgevoerd: welke (verklarende) factoren spelen daarbij een rol? Welke belemmeringen kunnen worden geduid? Welke randvoorwaarden zijn hier nodig? En hoe worden deze in de werkprocessen van UWV (structureel) geborgd of zouden deze geborgd kunnen worden?
Alle taken in het proces van de sociaal-medische beoordeling en dienstverlening worden in het onderzoekstraject geduid, waarna moet worden bepaald welke professional welke taken in de toekomstige situatie mag verrichten. Dit moet vervolgens een plaats krijgen in wet- en regelgeving. Naast de wet WIA bepalen ook het schattingsbesluit, jurisprudentie, professionele handreikingen en beroepsrichtlijnen welke taken wel of niet door andere professionals kunnen worden uitgevoerd.
Voor de dienstverlening in de Ziektewet geldt dat er nu al mogelijkheden zijn binnen de huidige wet- en regelgeving om andere professionals, zoals de sociaal-medische verpleegkundige, zelfstandiger in te zetten. Het werken met taakdelegatie is nu voor de verzekerarts nog steeds op vrijwillige basis en wordt op verschillende manieren uitgevoerd. UWV zet in de dienstverlening van de Ziektewet daarom reeds stappen richting verzelfstandiging van de sociaal-medisch verpleegkundige en werkt daarbij toe naar een meer uniforme uitvoering, binnen de huidige wet- en regelgeving. Belangrijke randvoorwaarden hierbij zijn een duidelijke taakafbakening, borging van de voor de taken benodigde competenties, passende opleiding en scholing, heldere professionele kaders, goede werkafspraken, juridische borging en een structurele verankering in processen, protocollen en de HRM-inrichting.
Bij wie ligt de (uiteindelijke) beslissing welke taak door wie wordt uitgevoerd? Welke sturing vindt hierop plaats, is hier sprake van een overkoepelend beleid of vaste werkafspraken?
De uiteindelijke verdeling van taken en bevoegdheden moet uiteindelijk een plaats krijgen in wet- en regelgeving, professionele richtlijnen, opleidingen, protocollen en de werkprocessen binnen UWV. Wet- en regelgeving wordt vastgesteld door de Tweede Kamer, de richtlijnen worden ontwikkeld door de professionals, en de protocollen en werkinstructies door UWV in samenwerking met de professionals.
Welke grenzen stelt de huidige wetgeving als het gaat om het laten uitvoeren van taken door een andere professional dan de verzekeringsarts? Welke aanpassingen zijn hierin mogelijk en worden hier al stappen op gezet?
Van oudsher zijn alleen de verzekeringsarts en arbeidsdeskundige opgenomen in de wetgeving omtrent de WIA. In het onderzoekstraject wordt onderzocht welke professional welke taken mag uitvoeren onder welke bevoegdheid. Naar aanleiding hiervan zal worden bezien of, en op welke wijze, wet- en regelgeving moeten worden aangepast.
Kunt u een beeld geven van de productiviteitswinst die er binnen de huidige wettelijke kaders kan worden bereikt door het beleggen van taken bij een andere professional dan de verzekeringsarts, zoals bij de sociaal medisch verpleegkundige (SMV’er)?
Dit moet in de loop van het onderzoekstraject duidelijk worden. Ik zal uw Kamer hier te zijner tijd over informeren. De mate van productiviteit is ook afhankelijk van andere factoren waar nu al hard aan wordt gewerkt binnen UWV. Ik verwijs hiervoor naar de kamerbrief
Kunt u deze vragen beantwoorden voor het commissiedebat Uitvoeringsproblematiek UWV op 1 juli 2026?
Het afnemen van rechten voor de werknemersverzekeringen |
|
Mariëtte Patijn (GroenLinks-PvdA) |
|
Hans Vijlbrief (D66) |
|
|
|
|
Kunt u uitdrukken welke groepen door de aanscherping van de referte-eis geen recht meer hebben op Werkloosheidswet (WW-)uitkering (in de huidige situatie wel WW zouden krijgen, maar door de aanscherping niet meer)? Kunt u hierbij in ieder geval de volgende groepen onderscheiden op basis van leeftijd (t/m 24 jaar, 25 t/m 34 jaar, 35 t/m 44 jaar, 45 t/m 54 jaar, 55 t/m 59 jaar, 60 t/m 64 jaar, 65 tot Algemene Ouderdomswet (AOW-)leeftijd en het gemiddelde) type contract (flex, vast en het gemiddelde) en op basis van inkomen (verdeeld in vijf kwintielen en het gemiddelde)?
Kunt u uitdrukken wat de gevolgen zijn van de inkorting van de maximale WW-duur en de vertraagde opbouw van WW op de gemiddelde WW-duur? Kunt u hierbij in ieder geval de volgende groepen onderscheiden op basis van leeftijd (t/m 24 jaar, 25 t/m 34 jaar, 35 t/m 44 jaar, 45 t/m 54 jaar, 55 t/m 59 jaar, 60 t/m 64 jaar, 65 tot AOW-leeftijd en het gemiddelde) type contract (flex, vast en het gemiddelde) en op basis van inkomen (verdeeld in vijf kwintielen en het gemiddelde)?
Kunt u aangeven welk deel van de mensen met WW daadwerkelijk werkloos is?
Kunt u aangeven welk deel van de mensen met WW een baan naast de WW heeft?
Kunt u aangeven hoeveel tijdswinst binnen keuringen er wordt bespaard door de Inkomensvoorziening Volledig Arbeidsongeschikten (IVA) af te schaffen? Kunt u dit aangeven per persoon en in totaal (voor het totaal aantal personen en voor de totale duur dat iemand in de WIA zit)?
Kunt u aangeven hoeveel tijdswinst het oplevert dat mensen binnen de IVA niet herkeurd hoeven te worden, terwijl dit voor andere populaties binnen de WIA wel geldt? Kunt u aangeven hoe vaak er gemiddeld herkeuringen plaatsvinden binnen de periode dat mensen in de WIA zitten? Kunt u dit aangeven per persoon en in totaal (voor het totaal aantal personen en voor de totale duur dat iemand in de WIA zit)?
Het massaal niet doorbetalen van huishoudelijke hulpen bij ziekte |
|
Jimmy Dijk (SP) |
|
Hans Vijlbrief (D66) |
|
|
|
|
Bent u bekend met het bericht dat negen op de tien huishoudens hun huishoudelijke hulp niet doorbetalen bij ziekte terwijl dat wel wettelijk verplicht is?1
Bent u het ermee eens dat het onacceptabel is dat een grote groep huishoudelijke hulpen inkomsten misloopt doordat werkgevers hun wettelijke verplichtingen niet nakomen? Zo nee, waarom niet?
Welke acties heeft het kabinet de afgelopen tien jaar ondernomen om huishoudens en huishoudhulpen te informeren over hun rechten en plichten?
Vindt u deze voorlichting voldoende? Zo nee, waarom niet?
Op welke wijze wordt momenteel gecontroleerd of particuliere werkgevers zich houden aan de verplichting om loon door te betalen bij ziekte?
Hoeveel meldingen, klachten, onderzoeken en handhavingsacties zijn er de afgelopen vijf jaar geweest met betrekking tot het niet naleven van de Regeling dienstverlening aan huis?
Welke mogelijkheden hebben huishoudelijke hulpen om hun recht op loondoorbetaling af te dwingen?
Vindt u deze mogelijkheden toegankelijk genoeg voor mensen met een laag inkomen?
Deelt u de mening dat huishoudelijke hulpen door de huidige regeling in een kwetsbare positie verkeren, omdat zij afhankelijk zijn van particuliere werkgevers die vaak niet op de hoogte zijn van hun verplichtingen of deze niet nakomen? Zo ja, wat gaat u hieraan doen?
Welke stappen neemt u om ervoor te zorgen dat huishoudhulpen krijgen waar zij recht op hebben?
Bent u het ermee eens dat de regeling dienstverlening aan huis opnieuw tegen het licht moet worden gehouden? Zo nee, waarom niet?
Het nieuws dat de Europese Commissie een formele klacht heeft gehonoreerd/opgepakt waardoor de grote verplichtstelling mogelijk in strijd is met EU-recht |
|
Corrie van Brenk (PvdA) |
|
Hans Vijlbrief (D66) |
|
|
|
|
Bent u op de hoogte van de recente uitlatingen van prof. van Meerten dat de Europese Commissie in 2026 zijn klacht (ingediend in 2021) over de grote verplichtstelling deelt? Zo ja, hoe luidt de positie van de Europese Commissie precies en wanneer wordt de Kamer hierover geïnformeerd?1
Ja, ik ben hiervan op de hoogte. Voordat ik inga op de gedane uitlatingen, geef ik eerst een duiding van de terminologie. De grote verplichtstelling heeft betrekking op de wettelijke verplichte deelneming aan een bedrijfstakpensioenfonds op grond van de Wet verplichte deelneming in een bedrijfstakpensioenfonds 2000. De kleine verplichtstelling betreft de contractueel overeengekomen deelneming aan een pensioenregeling op grond van een cao.2 Ik ben op de hoogte van het feit dat de Europese Commissie in 2022 een EU-Pilot (informele pre-infractiefase) is gestart naar aanleiding van een individuele klacht uit Nederland. De EU-Pilot heeft betrekking op de vraag waarom een verplichtgesteld bedrijfstakpensioenfonds de rechtsvorm van een stichting opgericht naar Nederlands recht dient te hebben (hierna: stichtingsvereiste). In het kader van de EU-Pilot heeft een aantal informele gesprekken plaatsgevonden tussen het Ministerie van SZW en de Europese Commissie en is informatie over de Nederlandse pensioenwet- en regelgeving gedeeld. Op basis van deze uitwisseling zijn de diensten van de Europese Commissie van mening dat Nederland, door te eisen dat een (verplichtgesteld bedrijfstak-)pensioenfonds een Nederlandse stichting moet zijn, een ongerechtvaardigde belemmering van de Europese vrijheden zou hebben geïntroduceerd. Ook een entiteit uit een ander EU land zou deze taak moeten kunnen uitvoeren, mits daartoe uitgenodigd door de sociale partners van een bedrijfstak.
Zoals ik uw Kamer eerder heb laten weten3, was de vraag of de verplichtstelling als zodanig strijdig is met EU-recht geen onderdeel van de EU-Pilot en daar zijn dan ook geen conclusies aan verbonden. Bij de totstandkoming van de Wtp is ook stilgestaan bij en getoetst of de verplichtstelling onder het nieuwe stelsel houdbaar is. De conclusie is dat dat het geval is. Er is geen aanleiding daar nu anders over te oordelen. Op het punt van het stichtingsvereiste bereid ik een wetswijziging voor, die zal worden meegenomen in het wetsvoorstel waarmee de herziene IORP-II wordt geïmplementeerd.
Het parlement is via de memorie van antwoord bij de behandeling van de Wtp sinds 24 maart 2023 van de EU-Pilot.4 Met de Verzamelbrief pensioenonderwerpen voorjaar 2026 heb ik de Tweede Kamer geïnformeerd over de stand van zaken.5
Heeft u correspondentie ontvangen van de Europese Commissie of de Europese Ombudsman over deze klacht? Zo ja, wilt u deze correspondentie (eventueel geanonimiseerd) met de Kamer delen, inclusief eventuele termijnen die de Europese Commissie stelt?
Vanuit de Europese Commissie of de Europese Ombudsman is er geen informatie gedeeld over de klacht. De EU-Pilot heeft betrekking op de vraag waarom het stichtingsvereiste geldt voor een verplichtgesteld bedrijfstakpensioenfonds. De betreffende wetswijziging zal worden meegenomen in de implementatiewetgeving van de lopende herziening van de IORP II-richtlijn.
Welke risico’s ziet u voor de Wet toekomst pensioenen (Wtp) en lopende transitietrajecten als de grote verplichtstelling inderdaad EU-rechtelijk onhoudbaar blijkt? Moet de wet dan worden aangepast en zo ja, op welke termijn?
Bij de totstandkoming van de Wet toekomst pensioenen is de houdbaarheid van de verplichtstelling in het nieuwe stelsel uitgebreid aan de orde geweest6.
De conclusie is dat ook onder de Wtp de verplichtstelling houdbaar is. Deze conclusie is onderdeel van het uitgebreide wetgevingsproces geweest, waaronder advisering door de Raad van State. Er is geen aanleiding daar nu anders over te oordelen. Zoals ik uw Kamer eerder heb laten weten, was de vraag of de verplichtstelling als zodanig strijdig is met EU-recht geen onderdeel van de EU-Pilot en daar zijn dan ook geen conclusies aan verbonden.
Bent u het eens dat de kleine verplichtstelling (verplicht pensioen opbouwen) wél gehandhaafd kan blijven, terwijl de grote verplichtstelling (aan één specifiek fonds) wordt afgeschaft? Zo nee, waarom niet?
Deze vraag is hier niet aan de orde, zoals volgt uit het antwoord op vraag 3.
Hoeveel pensioenvermogen (en hoeveel deelnemers) valt momenteel onder de grote verplichtstelling?
Het aantal actieve deelnemers bij alle (type) pensioenfondsen tezamen bedraagt circa 6,7 miljoen (2024). Het belegd vermogen van alle (type) pensioenfondsen tezamen bedraagt circa 1.624 miljard euro (Q1 2026), waarvan circa 1.285 miljard euro (Q1 2026) bij bedrijfstakpensioenfondsen.7
Heeft het kabinet inmiddels een juridische analyse laten maken (bijv. door de landsadvocaat) over de houdbaarheid van de grote verplichtstelling onder het huidige EU-recht? Wilt u die analyse met de Kamer delen?
Zoals ik ook bij het antwoord op vraag 3 heb aangegeven, is bij de totstandkoming van de Wtp de houdbaarheid van de verplichtstelling in het nieuwe stelsel getoetst. De conclusie is dat ook onder de Wtp de verplichtstelling houdbaar is.
Wat is precies de strekking en reikwijdte van het oordeel van de Europese Commissie dat de Nederlandse stichting-eis voor een verplichtgesteld bedrijfstakpensioenfonds (Bpf) in strijd is met het EU-recht? Welke bepalingen van het Verdrag betreffende de Werking van de Europese Unie (VWEU) worden geschonden, en welke consequenties trekt het kabinet voor de Wet Bpf 2000 en de verplichtstellingsbesluiten?
In de Verzamelbrief pensioenonderwerpen voorjaar 2026 ben ik hierop ingegaan.8 De in 2022 gestarte EU-Pilot had betrekking op de vraag waarom het stichtingsvereiste op een verplichtgesteld bedrijfstakpensioenfonds van toepassing is. In het kader van de EU-Pilot heeft een aantal informele gesprekken plaatsgevonden tussen het Ministerie van SZW en de Europese Commissie en is de informatie over de Nederlandse pensioenwet- en regelgeving gedeeld. Op basis van deze uitwisseling zijn de diensten van de Europese Commissie van mening dat, door het stichtingsvereiste, Nederland een ongerechtvaardigde belemmering van de Europese vrijheden zou hebben geïntroduceerd. De vraag of de verplichtstelling als zodanig strijdig is met EU-recht geen onderdeel van de EU-pilot en daar zijn dan ook geen conclusies aan verbonden. Bij de Wtp is de houdbaarheid van de verplichtstelling, ook vanuit het Europese recht, onderbouwd. Er is geen aanleiding daar nu anders over te oordelen.
Voor het punt van het stichtingsvereiste is een wetswijziging in voorbereiding, zodanig dat het stichtingsvereiste niet geldt voor pensioeninstellingen uit een andere lidstaat die als verplichtgesteld bedrijfstakpensioenfonds actief zijn op de Nederlandse markt. Deze instellingen moeten echter wel een rechtspersoon zonder winstoogmerk zijn en er mogen geen uitkeringen aan oprichters worden gedaan, conform het doel van een Nederlandse stichting. Op deze manier wordt de noodzakelijke bescherming van de pensioendeelnemers – dat pensioengelden inclusief rendementen/winsten ten goede komen aan deelnemers – geborgd.
Daarnaast dient een pensioenuitvoerder uit een andere lidstaat waarborgen waaronder een governancesysteem te hebben, dat de afbakening van taken en de controle van werkgevers, werknemers en pensioengerechtigden omvat, dat hetzelfde resultaat bereikt als de governance die van toepassing is op een in Nederland gevestigde pensioenuitvoerder. In overleg met de diensten van de Europese Commissie en de nationale toezichthouders zal worden onderzocht hoe deze op resultaten gebaseerde beoordeling zo effectief mogelijk kan worden uitgevoerd, rekening houdend met de voorwaarden die gelden onder de (herziene) IORP II-richtlijn en het in Nederland gehechte belang aan de adequate bescherming van de belangen van deelnemers en gepensioneerden bij een verplichtstelling. De betreffende wetswijziging zal worden meegenomen in de implementatiewetgeving van de lopende herziening van de IORP II-richtlijn.
Is het niet rijkelijk laat, dat het kabinet aangeeft dat de wijziging bij de implementatie van de nieuwe IORP-richtlijn (Institutions for Occupational Retirement Provision-richtlijn) in Nederland gaat gebeuren, terwijl de stichting-eis al sinds 2016 geldt, en dus al tien jaar in strijd is met het EU-recht? Sinds wanneer is het kabinet hiervan op de hoogte (bijvoorbeeld via klachten bij de Europese Commissie of interne analyses)? Waarom handelde het kabinet niet? Volgens EU-recht experts is strijd met EU toch duidelijk? Heeft het kabinet zich laten leiden door het advies van prof. Lutjens en andere door de regering geraadpleegde pensioenexperts die het probleem überhaupt niet zagen? Hoe beoordeelt het kabinet het feit dat de situatie al geruime tijd onrechtmatig is? Welke consequenties verbindt het kabinet aan deze voortdurende inbreuk?
De EU-Pilot is gestart in 2022. In de afgelopen jaren heeft er een informele dialoog in de vorm van meerdere vertrouwelijke gesprekken plaatsgevonden tussen de Europese Commissie en Nederland. In deze gesprekken is de vraag behandeld of er sprake kan zijn van een ongeoorloofde belemmering van de Europese vrijheden. Een EU-Pilot is geen openbare procedure. Het parlement is via de memorie van antwoord bij de behandeling van de Wtp sinds 24 maart 2023 op de hoogte.9 Met de Verzamelbrief pensioenonderwerpen voorjaar 2026 heb ik de Tweede Kamer geïnformeerd over de stand van zaken.10
Het is goed om vast te stellen dat het aan sociale partners is om de pensioenregeling af te spreken en de onderbrenging bij een bedrijfstakpensioenfonds te bepalen. In de afgelopen jaren is het niet voorgekomen dat daarbij het verzoek is gekomen om de regeling onder te brengen bij een buitenlandse uitvoerder en dat dat werd verhinderd door de Nederlandse wetgeving. Daarom ben ik van mening dat het voldoende tijdig is dit in de implementatiewetgeving van de IORP II-herziening mee te laten lopen.
Indien de strijdigheid al sinds (in elk geval) 2016 bestaat: welke maatregelen zijn sindsdien genomen om de situatie te herstellen? Hoe beoordeelt het kabinet de mogelijke terugwerkende kracht of aansprakelijkheid voor de periode waarin de stichting-eis onrechtmatig werd gehandhaafd? Worden schadeclaims verwacht van (buitenlandse) partijen of deelnemers?
Zoals onder andere aangegeven bij vraag 8 is de Europese Commissie in 2022 een EU-Pilot gestart naar aanleiding van een individuele klacht uit Nederland.
Op basis van deze uitwisseling zijn de diensten van de Europese Commissie van mening dat, door het stichtingsvereiste, Nederland een ongerechtvaardigde belemmering van de Europese vrijheden zou hebben geïntroduceerd. Op het punt van het stichtingsvereiste bereid ik een wetswijziging voor, die zal worden meegenomen in het wetsvoorstel waarmee de herziene IORP-II wordt geïmplementeerd.
Sociale partners besluiten over de inhoud van de pensioenregeling en de onderbrenging bij een bedrijfstakpensioenfonds. In de afgelopen jaren is het niet voorgekomen dat daarbij het verzoek is gekomen om de regeling onder te brengen bij een buitenlandse uitvoerder en dat dat werd verhinderd door de Nederlandse wetgeving. De kans op schadeclaims acht ik gelet hierop te verwaarlozen.
Zouden buitenlandse pensioenuitvoerders interesse hebben om een verplichtgestelde sectorregeling uit te voeren? Zo zou bijvoorbeeld United Pensions, de Belgische IORP van Aon interesse kunnen hebben. Zo ja, om welke partijen zou het verder kunnen gaan en hoe verloopt dan de beoordeling? Zo nee, waarom verwacht het kabinet dat de praktijk niet zal veranderen?
Het is primair aan sociale partners om verplichte deelneming aan een bedrijfstakpensioenfonds aan te vragen. Het is aan sociale partners om desgewenst de interesse bij buitenlandse uitvoerders in kaart te brengen.
Kunnen Premiepensioeninstellingen (PPI’s) en (buitenlandse) verzekeraars nu of binnenkort ook als uitvoerder optreden voor verplichtgestelde regelingen? Zo nee: waarom niet, terwijl PPI’s en verzekeraars in de niet-verplichte sfeer wél pensioenregelingen mogen uitvoeren en de IORP-richtlijn juist diversiteit van uitvoerders en grensoverschrijdende activiteiten beoogt te bevorderen? Hoe verhoudt deze uitsluiting zich tot de uitspraak van de Commissie en tot het EU-recht? Wordt de Wet Bpf 2000 op dit punt alsnog aangepast, en zo ja, binnen welke termijn? Zo ja: welke stappen worden genomen om PPI’s en verzekeraars (Nederlands én buitenlands) daadwerkelijk toe te laten, en hoe wordt voorkomen dat er nieuwe de facto belemmeringen ontstaan?
Op het punt van het stichtingsvereiste bereid ik een wetswijziging voor, die zal worden meegenomen in het wetsvoorstel waarmee de herziene IORP-II wordt geïmplementeerd. Voor zover noodzakelijk zullen dergelijke situaties daarin worden meegenomen. De instellingen die een verplichtstelling uitvoeren moeten, zoals ik in het antwoord op vraag 7 heb aangegeven, wel een rechtspersoon zonder winstoogmerk zijn en er mogen geen uitkeringen aan oprichters worden gedaan, conform het doel van een Nederlandse stichting.
Is het «invaren» (overheveling van opgebouwde pensioenaanspraken) naar een buitenlandse uitvoerder nu ook mogelijk, of blijft dit beperkt tot Nederlandse Bpf’en? Indien het alleen binnen een Bpf kan: vormt dit geen nieuwe onrechtmatige belemmering van het EU-recht? Hoe zorgt het kabinet ervoor dat de overdracht van pensioenkapitaal naar een erkende buitenlandse entiteit zonder onnodige belemmeringen kan plaatsvinden?
Invaren is het omzetten van bestaande pensioenaanspraken en -rechten van de oude naar de nieuwe Wtp pensioenregeling.11 Invaren gebeurt altijd bij hetzelfde pensioenfonds, dit is een interne collectieve waardeoverdracht, en dus niet een uitgaande waardeoverdracht naar een andere uitvoerder.
Waardeoverdracht naar een buitenlandse pensioenuitvoerder is nu al onder voorwaarden op grond van de Pensioenwet mogelijk.12 Dat gaat ook gelden voor de waardeoverdracht van een verplichtgesteld bedrijfstakpensioenfonds naar een pensioeninstelling uit een andere lidstaat, gelet op het wetsvoorstel in voorbereiding, zodanig dat het stichtingsvereiste niet geldt voor pensioeninstellingen uit een andere lidstaat die als verplichtgesteld bedrijfstakpensioenfonds actief zijn op de Nederlandse markt.
Indien het kabinet meent dat «er niets verandert» en sociale partners in de praktijk toch een Nederlands fonds kunnen aanwijzen: wat zegt dit over de prioriteit die wordt gegeven aan het belang van de deelnemer? Stel dat een buitenlandse partij (of een PPI/verzekeraar) aantoonbaar goedkoper, transparanter of met betere rendement-risico-verhoudingen kan opereren – hoe waarborgt het kabinet dan dat het belang van de deelnemer prevaleert boven het behoud van een Nederlands monopolie?
Het is aan sociale partners om de pensioenregeling af te spreken en de onderbrenging bij een pensioenuitvoerder te bepalen. Zij maken daarbij de weging wat in het belang is van alle groepen deelnemers.
Is het kabinet bekend met de rechtspraak van het Hof van Justitie (en latere jurisprudentie over vrijheid van vestiging), zoals Inspire Art Ltd (C-167/01, 30 september 2003) waarin werd geoordeeld dat extra nationale eisen aan een geldig opgerichte buitenlandse vennootschap in strijd zijn met de vrijheid van vestiging? Lidstaten mogen geen «eigen» rechtsvorm eisen of equivalenten opleggen om eigen regels af te dwingen. Hoe ziet het kabinet dit?
Ik ben bekend met de betreffende rechtspraak van het Hof van Justitie van de EU. In de memorie van toelichting bij het wetsvoorstel dat (o.a.) het stichtingsvereiste zal adresseren, zal ook worden ingegaan op de relevante jurisprudentie voor verplichtgestelde bedrijfstakpensioenfondsen in het licht van de uitvoering van de pensioenregeling.
Welke concrete voorwaarden, toezichtseisen en waarborgen heeft het kabinet in gedachten voor buitenlandse entiteiten (inclusief PPI’s en verzekeraars) die een verplichtgestelde regeling willen uitvoeren? Hoe worden deze eisen getoetst op proportionaliteit, non-discriminatie en verenigbaarheid met de Inspire Art-doctrine?
Op het punt van het stichtingsvereiste bereid ik een wetswijziging voor, die zal worden meegenomen in het wetsvoorstel waarmee de herziene IORP-II wordt geïmplementeerd. Deze herziening volgt de gebruikelijke procedure van een wetgevingstraject, met de bijbehorende toetsen.
Ziet u kansen in een meer open stelsel met verplichte deelname aan een pensioenregeling, maar vrije keuze van uitvoerder? Hoe verhoudt zich dat tot de solidariteit en het polderoverleg met sociale partners?
Die vraag is nu niet aan de orde, de situatie waar het hier om gaat is het stichtingsvereiste bij verplichtgestelde bedrijfstakpensioenfondsen in relatie tot het EU-recht.
Is het denkbaar dat Nederland een boete- of infractieprocedure krijgt van de Europese Commissie, en dat individuele werkgevers (zoals in de Booking.com-zaak) alsnog geconfronteerd worden met enorme navorderingen?
Onderdeel van de procedure bij een EU-Pilot is dat de Europese Commissie beziet of de gekozen oplossing voldoet. Als dat zo is dan is de kwestie opgelost, indien de Europese Commissie oordeelt dat het onvoldoende is, dan kan alsnog een infractieprocedure worden gestart. Indien die procedure zou eindigen in een boete, is dat een aangelegenheid van de Europese Commissie en de Nederlandse Staat. Individuele werkgevers staan daarbuiten.
Overigens ga ik ervan uit dat met verwijzing naar de Booking.com zaak wordt gedoeld op de rechtszaken tussen Booking.com en Stichting pensioenfonds PGB over de (premievordering in verband met) de verplichte aansluiting van Booking.com bij Stichting pensioenfonds PGB.13 Het vervallen van het stichtingsvereiste brengt geen wijziging aan in de werkgevers die onder de werkingssfeer van een verplichtstelling vallen. De voorgenomen wetswijziging houdt in dat het stichtingsvereiste niet geldt voor pensioeninstellingen uit een andere lidstaat die als verplichtgesteld bedrijfstakpensioenfonds actief zijn op de Nederlandse markt. Sociale partners kunnen als gevolg daarvan ook de pensioenregeling onderbrengen bij een verplichtgestelde pensioeninstelling uit een andere lidstaat.
Welke stappen gaat u nemen om de Tweede Kamer proactief te betrekken bij deze ontwikkeling, bijvoorbeeld via een spoeddebat of een brief met een impactanalyse, voordat eventuele Europese stappen onomkeerbaar worden?
Het parlement wordt via de reguliere wijze meegenomen bij het wetstraject van de implementatiewet herziening van de IORP II Richtlijn. Ik wissel hierover uiteraard graag met uw Kamer van gedachten tijdens de reguliere commissiedebatten pensioenonderwerpen, waarvan de eerstvolgende nu gepland staat op 10 september 2026.
Waarom weigert het kabinet consistent om landsadvocaat-adviezen over het invaren van pensioenen openbaar te maken, terwijl in 2011 al expliciet werd erkend dat er (minstens) twee adviezen waren over het omzetten van oude rechten in een nieuw contract? Kunt u deze adviezen alsnog volledig (ongecensureerd) aan de Kamer doen toekomen?
Het standpunt over het openbaar maken van adviezen van de landsadvocaat is meermaals toegelicht.14 Bovendien staat het geheel los van de situatie rondom het stichtingsvereiste waar het hier om gaat.
Klopt het dat voormalig Minister Koolmees tijdens het debat over het pensioenakkoord in juni 2019 aan het Kamerlid Van Brenk (50PLUS) heeft bevestigd dat «het pensioenakkoord van de baan is» als de verplichtstelling in gevaar komt? Kunt u de consequenties hiervan, in het licht van de huidige inzet van de Europese Commissie, toelichten?
Ik kan het belang van de houdbaarheid van de verplichtstelling in het nieuwe stelsel onderschrijven. Zoals ik ook in het antwoord op vraag 3 heb aangegeven, is hier bij de totstandkoming van de Wtp uitgebreid bij stilgestaan, ook in debatten met uw Kamer, en is getoetst of de verplichtstelling onder het nieuwe stelsel houdbaar is. De conclusie was dat dat het geval is. Er is geen aanleiding daar nu anders over te oordelen.
De Kamerbrief van 20 mei jongstleden inzake de 'Analyses van additionele koopkracht instrumenten' |
|
Corrie van Brenk (PvdA) |
|
Hans Vijlbrief (D66) |
|
|
|
|
Klopt het dat in de Kamerbrief van 20 mei 2026 een aantal voorwaarden worden gesteld die in overleg met de Pensioenakkoord-partijen zijn geformuleerd (transparantie, uitvoerbaarheid, draagvlak)? Deze zijn toch veelal niet in harde cijfers te kwantificeren? Hoe rijmt u dit met de analysemethode van De Nederlandsche Bank (DNB)?1
Reeds in de eerder met de kamer gedeelde brieven over dit thema2 worden een aantal randvoorwaarden gesteld waaraan additionele koopkrachtvarianten moeten voldoen. Een aantal van deze randvoorwaarden gaan over elementen die te kwantificeren zijn zoals ex-ante herverdeling en de effecten op koopkracht, andere zijn meer kwalitatief van aard zoals uitlegbaarheid en uitvoerbaarheid. De DNB-analyse gaat over de kwantificeerbare elementen in de randvoorwaarden.
Klopt het dat in de Kamerbrief wordt gesteld dat; «Eerder perspectief op een koopkrachtig pensioen kan op verschillende manieren worden geïnterpreteerd»? Bent u het eens dat enkel het streven om het koopkrachtniveau te behouden daadwerkelijk invulling geeft aan een koopkrachtig pensioen? Welke harde maatstaven en normen hanteert u voor de interpretatie dat een pensioenfonds genoeg heeft gedaan wanneer zij ernaar streeft het koopkrachtverlies of de koopkrachtwinst te verlagen of respectievelijk verhogen?
In de bijlage bij de brief wordt weergegeven dat eerder perspectief op een koopkrachtig pensioen op verschillende manieren kan worden ingevuld. Zo kan een pensioenfonds ernaar streven om het koopkrachtniveau te behouden: de uitkeringen volgen dan zoveel mogelijk het patroon van de jaarlijkse gerealiseerde inflatie. Anderzijds kan het doel van een pensioenfonds ook zijn om de mate van koopkrachtverlies of koopkrachtwinst te verlagen respectievelijk verhogen. Dit draait om de kans en omvang van verlaging respectievelijk verhoging in reële uitkeringen in enig jaar te verbeteren.3
Ik ben het dus niet zonder meer eens met de interpretatie dat enkel het streven om het koopkrachtniveau te behouden daadwerkelijk invulling geeft aan een koopkrachtig pensioen. Er moet ook een afweging worden gemaakt tussen het jaar-op-jaar kunnen volgen van de inflatie tegenover op de lange termijn een hogere uitkering te kunnen bieden waarbij het patroon van de feitelijke inflatie minder goed wordt gevolgd dan de jaar-op-jaar-ontwikkeling. Elke doelstelling kent hierbij haar eigen afruilen. Zo zou bijvoorbeeld de doelstelling om het zo goed mogelijk jaar-op-jaar volgen van de inflatie-ontwikkeling in de praktijk tot gevolg kunnen hebben dat de initiële startuitkering voor gepensioneerden lager moet zijn.
Klopt het dat in de lijst met randvoorwaarden wordt gesteld dat «De varianten hebben een substantiële impact op de koopkracht van deelnemers. Er wordt in kaart gebracht in welke mate de variant of de combinatie van varianten ervoor zorgt dat de uitkering de feitelijke inflatie beter kan volgen ten opzichte van het wettelijk beschikbare koopkracht instrumentarium.»? Was dit eerder niet een doelstelling van de Wet toekomst pensioenen (Wtp) en het onderzoek naar de alternatieve koopkrachtinstrumenten en kan u ons het verschil uitleggen tussen een randvoorwaarde en een doelstelling?
De doelstelling eerder perspectief op een koopkrachtig pensioen is een doelstelling van de Wet toekomst pensioenen (Wtp) en heeft betrekking op de stijging van de pensioenuitkering. Eén van de randvoorwaarden om de additionele koopkrachtinstrumenten te beoordelen is: «De varianten hebben een substantiële impact op de koopkracht van deelnemers. Er wordt in kaart gebracht in welke mate de variant of de combinatie van varianten ervoor zorgt dat de uitkering de feitelijke inflatie beter kan volgen ten opzichte van het wettelijk beschikbare koopkrachtinstrumentarium.» Dit is dus additioneel op het koopkrachtinstrumentarium dat de Wtp al biedt, waarbij geldt dat de Wtp reeds meer perspectief biedt op een koopkrachtig pensioen ten opzichte van het oude pensioenstelsel.
Waar blijkt uit dat «De nieuwe premieovereenkomsten uit de Wtp middels de basisvariant reeds meer perspectief bieden op een koopkrachtig pensioen dan het oude stelsel»?
Uit de analyse blijkt dat de basisvarianten een geringer koopkrachtverlies kennen dan een zuivere DC-variant met een regeling zonder solidariteitsreserve. Dit resultaat doet daarmee niks af aan eerdere analyses van DNB over de transitie effecten bij de Wtp4 en van Netspar5 tijdens het wetstraject van de Wtp die lieten zien dat het nieuwe pensioenstelsel eerder perspectief biedt op een koopkrachtig pensioen ten opzichte van het oude pensioenstelsel.
Het klopt toch dat in de Kamerbief wordt gesteld «Er zal altijd een afruil zijn tussen het beter volgen van de feitelijke inflatie en meer beleggingsrisico, een lagere startuitkering of meer herverdeling (met jezelf of met anderen).»? Gaat dit ook op wanneer er afruil mogelijk wordt gemaakt met de solidariteitsreserve?
In de Kamerbrief wordt weergegeven dat er geen sprake is van een zogeheten «free lunch». Er zal altijd een afruil zijn tussen het beter volgen van de feitelijke inflatie en meer beleggingsrisico, een lagere startuitkering of meer herverdeling (met jezelf of met andere deelnemers binnen het collectief). Deze afruil blijft bestaan, ook als bijvoorbeeld meer herverdeling plaatsvindt via de solidariteitsreserve.
De varianten en analyse van de alternatieve koopkrachtinstrumenten zijn toch door DNB in overleg met de experts vastgesteld? Waren de experts het in alle gevallen eens met de gekozen modellen en aannames van DNB?
Het Ministerie van Sociale Zaken en Werkgelegenheid heeft DNB verzocht de koopkrachtinstrumenten kwantitatief door te rekenen, waarbij is afgesproken zoveel mogelijk aan te sluiten bij de modellering in eerdere transitieberekeningen.6 De opzet van de analyse, inclusief model en aannames, is vooraf afgestemd met experts. Gedurende het traject zijn aanvullende gesprekken met experts gevoerd, die hebben geleid tot nieuwe inzichten en aanvullende gevoeligheidsanalyses om de robuustheid van de uitkomsten te toetsen. Daarnaast is een klankbordgroep van externe experts betrokken, die ook bij eerdere doorrekeningen heeft geadviseerd. Dit draagt bij aan de vergelijkbaarheid en consistentie met eerdere analyses. Ook het Ministerie van SZW als opdrachtgever is gedurende het traject nauw betrokken geweest bij de verkenning.
Het klopt toch dat in basisvariant 1 van DNB is gekozen voor een scenario waarin er onder andere van wordt uitgegaan dat de onverwachte inflatie wordt gecompenseerd vanuit de solidariteitsreserve, terwijl geen enkel fonds hiervoor kiest op dit moment?
In de basisvariant wordt gekeken naar het koopkrachtinstrumentarium dat wettelijk mogelijk is. Deze variant betreft daarmee één van de keuzes binnen de solidaire premieregeling die binnen het huidige wettelijk kader mogelijk zijn, maar deze betreft niet per definitie een praktijkvoorbeeld. Door het in kaart brengen van een basisvariant kunnen de uitkomsten vergeleken worden met het wettelijke kader. Sociale partners en pensioenfondsen maken zelf een afweging in hoeverre zij gebruik willen maken van het instrumentarium. Er zijn pensioenfondsen die overwegen de solidariteitsreserve zo vorm te geven dat deze tot uitkeringen leidt wanneer de gerealiseerde inflatie hoger uitvalt dan de verwachte inflatie. Waar het hier om gaat is dat er geen wettelijke beperking is om gebruik te maken van de koopkrachtinstrumenten in de basisvariant.
Het klopt toch dat de solidariteitsreserve wordt gemaximeerd op 10%, terwijl de meeste fondsen dat nu op maximaal 5–7% hebben staan? Hierbij wordt toch uitgegaan van het feit dat fondsen kiezen voor dakpansgewijze spreiding, terwijl in de werkelijkheid fondsen juist kiezen voor asymptotische spreiding? Vindt u het, met het oog op het gat tussen theorie en werkelijkheid, verdedigbaar om op basis van de basisvariant 1 de alternatieven af te serveren?
Ik herken het beeld niet dat in de kwalitatieve en kwantitatieve analyse één van de koopkrachtvarianten niet gelijkwaardig in de overwegingen mee is genomen. In de analyse wordt elke variant op basis van dezelfde criteria gewogen ten opzichte van dezelfde basisvariant. Dit zorgt voor een gelijkwaardige weging van de verschillende varianten, wat leidt tot een betere vergelijkbaarheid van de verschillende instrumenten. Voor de basisvarianten geldt dat het de wettelijke kaders weergeeft waarbinnen sociale partners en pensioenfondsen reeds de ruimte hebben om beleid te voeren.
Het klopt toch dat in basisvariant 2, boven op de aannames van basisvariant 1, ook wordt uitgegaan van een projectierendement met een afslag van 2%? Er is toch geen enkel fonds dat kiest voor een vaste afslag? Vindt u het, met het oog op het gat tussen theorie en werkelijkheid, verdedigbaar om op basis van deze basisvariant de alternatieven af te serveren?
Zie antwoord vraag 8.
Bent u bereid een nieuwe analyse van DNB te vragen waarin een basisvariant wordt gekozen met reële rekenvoorbeelden, zoals beschikbaar in het rapport «Sturen op een koopkrachtig pensioen» van drs. Henk Bets namens Actuarieel Adviesbureau Confident B.V. en het Wetenschappelijk Bureau NSC? Indien nee, waarom niet?
Het rapport «Sturen op een koopkrachtig pensioen» heeft als input gediend voor de koopkrachtvariant «Meer beleggingsrisico door meer risicodeling» en de auteur heeft ook meermaals commentaar gegeven op de uitkomsten van deze variant. Bovendien is de auteur als externe expert in diverse sessies betrokken. Daarmee is voldoende de kennis uit dit rapport meegenomen in de analyses van DNB. Momenteel kijkt de pensioensector naar de verschillende koopkrachtvarianten en zullen deze toetsen op uitvoerbaarheid en uitlegbaarheid. Zij is ook beter in staat om de praktische uitwerking en de resultaten van deze varianten verder te onderzoeken. Onder coördinatie van de Pensioenfederatie zal hier verder vorm aan gegeven worden binnen de eerdergenoemde randvoorwaarden. Ik wacht de inzichten vanuit de praktijk af en zal daarna nagaan of verdere berekeningen benodigd zijn.
Klopt het dat u in de brief concludeert dat geen van de onderzochte varianten evident de voorkeur verdient? Kunt u aangeven welk gewicht u in uw afweging heeft toegekend aan het realiseren van de oorspronkelijke Wtp-doelstelling van een koopkrachtiger pensioen, en waarom de substantiële verbetering van koopkrachtbehoud in variant 5 niet tot een positieve beleidsmatige beoordeling heeft geleid?
Zoals ik heb aangegeven in de kamerbrief geldt bij het bieden van additionele koopkracht aan gepensioneerden dat er nooit sprake is van een free lunch. Dit betekent dat er kosten of risico’s tegenover kunnen staan zoals ex-ante herverdelingseffecten, een lagere startuitkering of meer risico tijdens de opbouw- en/of uitkeringsfase. Gegeven deze afruil concludeer ik op basis van de analyses in de kamerbrief dat geen van de onderzochte varianten evident de voorkeur verdient.
Waarom wordt de herverdeling in variant 5 als een minpunt aangewezen, terwijl in de brief wordt gesteld dat «herverdeling niet per definitie slecht hoeft te zijn en is afhankelijk van de redenen voor herverdeling en de uitlegbaarheid hiervan vooraf.»?
In de brief wordt in de variant «Meer beleggingsrisico door meer risicodeling» de feitelijke constatering gedaan dat in de bewuste variant sprake is vaneen afruil tussen koopkrachtbehoud enerzijds en geen koopkrachtwinst en forse ex-ante herverdeling van deelnemers boven de 45 jaar naar jongeren anderzijds. Daarmee is ex-ante herverdeling niet per definitie onwenselijk en hangt de beoordeling af van de onderliggende redenen, de omvang van de herverdeling en de mate waarin deze vooraf uitlegbaar is.
Waarom acht u het verantwoord om (onderzoek naar) aanpassingen pas bij de evaluatie van de Wtp in 2028 in gang te zetten, terwijl vrijwel alle pensioenfondsen vóór die tijd al zijn ingevaren en deelnemers dan niet kunnen profiteren van verbeteringen die nu bekend zijn en verder uitgewerkt kunnen worden voor implementatie, direct na het invaren?
Uitvoeringspartijen in de pensioensector zullen de varianten toetsen op uitvoerbaarheid en uitlegbaarheid en de praktische uitwerking van deze varianten verder onderzoeken. Onder coördinatie van de Pensioenfederatie zal de pensioensector hier verder vorm aan geven binnen de genoemde randvoorwaarden in de brief. Om dit op een degelijke manier te doen is voldoende tijd nodig. Eén van de randvoorwaarden voor de additionele koopkrachtinstrumenten genoemd in de brief is dat de varianten niet mogen leiden tot vertraging van de pensioentransitie. Om die reden zouden de koopkrachtvarianten pas na de transitie in werking kunnen treden en zullen de uiteindelijke resultaten en aanbevelingen van de initiatieven uit de pensioensector worden meegenomen in de evaluatie van de Wtp.
Het klopt toch dat in de Kamerbrief wordt voorgesteld «om de evaluatie en het aandragen van koopkrachtinstrumenten bij de sector neer te leggen omdat pensioenuitvoerders en de Pensioenfederatie hiervoor het beste toegerust zijn»? Waarom wordt de bal bij deze organisaties neergelegd terwijl zij uitgesproken tegenstander zijn van alle aanpassingen van de Wtp? Is het niet beter deze evaluatie neer te leggen bij een meer onafhankelijke partij ofwel een groep bestaande uit de oorspronkelijke expertgroep die de varianten in deze evaluatie bedacht heeft?
Ten eerste ben ik van mening dat uitvoeringspartijen in de pensioensector het best gepositioneerd zijn om de varianten en diverse denkbare modaliteiten te toetsen op uitvoerbaarheid en uitlegbaarheid in de praktijk. Daarnaast herken ik het beeld niet dat pensioenuitvoerders en de Pensioenfederatie tegenstanders zijn van aanpassingen van de Wtp in zijn algemeenheid. Aanpassingen aan de Wtp gedurende deze transitieperiode die de transitie ondersteunen kunnen juist op steun vanuit de pensioensector rekenen. De pensioensector geeft daarbij evenwel aan dat gegeven de enorme uitvoeringsopgave van de transitie een zo stabiel, voorspelbaar wettelijk kader de beheerste uitvoering van de transitie in de nog restende periode tot 1 januari 2028 ten goede komt. Het kabinet heeft daar oog voor en is daarom terughoudend met voorgenomen aanpassingen van de pensioenwetgeving die niet direct benodigd zijn voor de transitie. De genoemde verkenning ziet op eventuele aanpassingen van het wettelijke kader ná afronding van de pensioentransitie.
Waarom wordt in de Kamerbrief een expliciete taak neergelegd bij de Pensioenfederatie voor het vervolgtraject? De pensioenfederatie is toch geen uitvoerder? Kunt u inzicht geven in de precieze opdracht die aan de Pensioenfederatie is/wordt verstrekt? Het klopt toch dat de Pensioenfederatie heeft aangegeven geen waarde te hechten aan aanpassingen aan de Wtp?
De Pensioenfederatie zal een coördinerende rol hebben in het vervolgtraject waarbij uitvoeringspartijen in de pensioensector de varianten toetsen op uitvoerbaarheid en uitlegbaarheid in de praktijk en de praktische uitwerking van deze varianten verder onderzoeken. Binnen de Pensioenfederatie zal via de Commissie Actuariaat hiervoor een werkgroep worden gevormd. Inmiddels hebben vijf pensioenuitvoerders c.q. uitvoeringsorganisaties kenbaar gemaakt hierin te willen participeren.
Erkent u dat de huidige wettelijke definitie van de solidariteitsreserve verhindert dat pensioenfondsen kunnen experimenteren met of ervaring kunnen opdoen met een reële solidariteitsreserve? Zo ja, hoe kan de sector volgens u dan zelfstandig de meerwaarde van dit instrument aantonen en/of hier de leiding in nemen?
Zoals ook in kwalitatieve analyse is aangegeven dient wet- en regelgeving te worden aangepast om de verschillende koopkrachtvarianten te kunnen uitvoeren. Dat neemt niet weg dat de pensioensector goed in staat is de voor- en nadelen in kaart te brengen van een invulling van de solidariteitsreserve die buiten het huidige wettelijk kader valt.
Waarom lijkt in uw afweging een beperkte stijging van het risico op nominale kortingen zwaarder te wegen dan een aanzienlijke vermindering van het risico op langdurig koopkrachtverlies, terwijl juist koopkrachtbehoud centraal stond bij de hervorming van het pensioenstelsel? Graag een toelichting.
Zoals eerder aangegeven schetst de kamerbrief «Analyses van additionele koopkrachtinstrumenten» alleen de feitelijke afruilen tussen additionele koopkracht enerzijds en ex-ante herverdelingseffecten, een lagere startuitkering of meer risico tijdens de opbouw- en/of uitkeringsfase anderzijds. In de brief worden door mij geen beleidsmatige afwegingen gemaakt. Dergelijke afwegingen zal ik met uw Kamer maken.
Het klopt toch dat in de Kamerbrief wordt gesteld: «In het licht van bovenstaande is het een open vraag of, en zo ja, hoe deze informatie ook kan worden gegeven aan nog actieve deelnemers zonder de indruk te wekken dat sprake is van een reële doelstelling.»? Wat is er tegen een reële doelstelling volgens u? De eerste doelstelling van de Wtp en het Pensioenakkoord waren toch sneller uitzicht op koopkrachtbehoud?
Een verplichte reële doelstelling kan ten onrechte de indruk wekken bij deelnemers dat zij een garantie hebben op een inflatiecorrectie. Dergelijk garanties zijn niet te geven in een kapitaalgedekt pensioenstelsel, mede gezien het ontbreken van voldoende activa (zoals inflatiegerelateerde obligaties) waarvan de rendementen meebewegen met de inflatie. Dergelijke garanties kunnen leiden tot nieuwe teleurstellingen in de toekomst. Dergelijke lessen hebben we uit het oude pensioenstelsel geleerd. Daarom gaat het nieuwe pensioenstelsel uit van premieregelingen, waarbij de pensioenpremie de daadwerkelijke toezegging is.
Het artikel ‘Bijna 3000 banen minder in Limburgse industrie en handel’ |
|
Elles van Ark (CDA), Judith Buhler (CDA) |
|
Hans Vijlbrief (D66), Herbert |
|
|
|
|
Bent u bekend met het artikel «Bijna 3000 banen minder in Limburgse industrie en handel» van L11 en met de onderliggende arbeidsmarktprognoses van het UWV? Herkent u de daarin geschetste ontwikkeling van de werkgelegenheid in Limburg?
Ja, ik ben bekend met het artikel en de arbeidsmarktprognoses van het UWV. Ik herken de verwachting dat de werkgelegenheid in Limburg afneemt. Daar staat tegenover dat de arbeidsmarkt in Limburg nog steeds krap is. Het is dus lastig voor werkgevers om de juiste mensen te vinden. Daarbij helpt het als werknemers en werkzoekenden zich blijven ontwikkelen.
Onderschrijft u de zorgen van het UWV over de verwachte afname van de werkgelegenheid in industrie en detailhandel?
Het UWV verwacht dat het aantal banen in Limburg zal afnemen, ook bij lagere energieprijzen. Bij hogere energieprijzen zal die afname groter zijn en vooral plaatsvinden in sectoren als de industrie en detailhandel. Tegelijkertijd verwacht het UWV ook dat de werkgelegenheid toeneemt in sectoren als de zorg en de ICT. Het gaat er daarnaast ook om hoeveel mensen instromen in de arbeidsmarkt en wat hun vaardigheden zijn. Het is belangrijk dat werknemers en werkzoekenden hun vaardigheden zo kunnen ontwikkelen dat deze passen bij de economische ontwikkelingen. Daarin moeten we extra aandacht hebben voor werkenden en werkzoekenden met vaardigheden die minder gevraagd worden in de toekomstige economie. Daarom werken we bijvoorbeeld in regionale werkcentra aan dienstverlening voor deze mensen.
Welke risico’s ziet u voor de economische vitaliteit, leefbaarheid en brede welvaart van Limburg en vergelijkbare regio’s wanneer de werkgelegenheid in industrie en detailhandel structureel afneemt?
Wanneer de werkgelegenheid in de regionale economie over de volle breedte structureel onder druk staat, raakt dit direct het regionale verdienvermogen en daarmee potentieel ook de brede welvaart, leefbaarheid en economische vitaliteit van die regio. Een sectorale terugval hoeft echter niet per definitie tot dergelijke risico’s te leiden. Indien krimp in bijvoorbeeld industrie en detailhandel wordt gecompenseerd door groei in andere sectoren, kan de economische basis zich juist herstructureren zonder verlies aan vitaliteit. Dit past binnen het bredere beeld van een economie in transitie, waarin verschuivingen tussen sectoren onvermijdelijk zijn. Werkgelegenheid en bestaanszekerheid blijven daarbij nauw met elkaar verbonden, maar vragen om een brede/tweeledige benadering waarin zowel wordt ingezet op verduurzaming van bestaande sectoren als op de ontwikkeling van nieuwe, stuwende economische activiteiten.
Deelt u de opvatting dat verlies van werkgelegenheid in Limburg extra zwaar kan doorwerken vanwege de demografische ontwikkelingen, vergrijzing en de positie van Limburg als grensregio?
Zoals de Staatscommissie Demografische Ontwikkelingen 2050 signaleert, krijgen Limburg en andere grensregio’s de komende jaren te maken met toenemende bevolkingskrimp en vergrijzing, onder meer doordat relatief veel jongeren deze gebieden verlaten. Deze regionale demografische ontwikkelingen beïnvloeden de arbeidsmarkt door enerzijds een verminderde instroom en vergrote uitstroom van arbeid en anderzijds door vraagverschuiving, bijvoorbeeld doordat de vraag naar arbeid verschuift richting sectoren als de zorg. Tegelijkertijd staat Limburg voor de opgave de economische structuur te versterken en de transitie naar een meer hoogproductieve en welvarende economie vorm te geven. Het is daarom van belang zowel in te zetten op de randvoorwaarden voor deze economische transitie als op ondersteuning van kwetsbare groepen bij het ontwikkelen van vaardigheden die aansluiten op de veranderende arbeidsvraag, conform het antwoord op vraag 2.
Wordt onderzocht welke effecten het verdwijnen van industriële werkgelegenheid heeft op het vestigingsklimaat, investeringsbereidheid van bedrijven en het behoud van strategische bedrijvigheid in Limburg? Zo ja, kunt u de resultaten daarvan delen?
Nee, een dergelijk onderzoek wordt op dit moment niet door ons uitgevoerd.
Welke concrete maatregelen worden momenteel genomen om strategische bedrijvigheid te behouden en verdere uitstroom van werkgelegenheid te voorkomen?
In Limburg is relatief veel industriële werkgelegenheid. Het Kabinet zet zich in om de internationale concurrentiepositie van de energie-intensieve industrie te verbeteren. Allereerst in Europa, bijvoorbeeld via aanpassingen binnen het EU-ETS en CBAM ter verbetering en versterking van het systeem, hetgeen bijdraagt aan betere bescherming van de industrie tegen import uit derde landen. Op nationaal niveau werkt het Kabinet aan verbetering van het level playing field, onder andere via de aangekondigde afschaffing van de CO2-heffing, verlaging van de energie- en elektriciteitskosten en het continueren van de SDE++ subsidieregeling. Daarnaast zijn er regionale agenda's opgesteld in het kader van het Nationaal Programma Vitale Regio's om een gebiedsgerichte aanpak te bevorderen. Op 30 januari 2026 (2) is de Kamer over de voortgang geïnformeerd. Aanvullend heeft het Kabinet in het Coalitieakkoord aangekondigd zich met de maatwerkaanpak te willen richten op industriële clusters of gebieden. Cluster Chemelot heeft in dit kader een clusterplan opgesteld dat inzicht geeft in hoe het toekomstperspectief van het cluster weer kan worden verbeterd. Dit clusterplan is aangeboden aan het Ministerie van EZK en de Provincie Limburg. De komende maanden worden de ambities uit het plan, samen met de betrokken bedrijven, verder geconcretiseerd.
In hoeverre sluiten de huidige scholings- en arbeidsmarktinstrumenten van UWV, gemeenten en provincies aan op de toekomstige personeelsvraag in sectoren waar juist tekorten bestaan, zoals techniek, zorg, energie en logistiek?
Zowel UWV als gemeenten zetten scholing en arbeidsmarktinstrumenten in om aan te sluiten bij de lokale en regionale personeelsvraag en zo werkzoekenden te begeleiden naar werk. Dit doen UWV en gemeenten vanuit hun publieke re-integratietaken en in regionaal verband via de arbeidsmarktinfrastructuur, met medebetrokkenheid van sociale partners en in samenwerking met tekortsectoren.
Sinds 2025 bestaat daarnaast de SLIM-Scholingssubsidie voor werkgevers in de maatschappelijk cruciale sectoren techniek, bouw en energie, ICT, groen, zorg en welzijn, kinderopvang en onderwijs. De subsidie heeft tot doel om met behulp van scholing instroom van werkzoekenden en doorstroom of overstappen van werkenden te stimuleren en zo bij te dragen aan de aanpak van personeelstekorten in deze sectoren. Opleidingen waarvoor de subsidie kan worden ingezet, komen voort uit de sectorale Ontwikkelpaden. De Ontwikkelpaden geven inzicht in welke functies er zijn, hoe deze elkaar opvolgen en welke opleidingen daarvoor nodig zijn. Deze worden door sociale partners gemaakt en door de Minister van SZW erkend. Dit is een goed werkbaar instrument voor werkgevers, werknemers en werkzoekenden, sectoren, opleiders en arbeidsmarktprofessionals. SZW ondersteunt samen met landelijke partners de ingebruikname van Ontwikkelpaden door de arbeidsmarktregio’s in samenwerking met sectoren voor de matching van werkzoekenden.
Het Kabinet werkt bovendien aan een Talenstrategie: een breed pakket aan maatregelen voor met als doel schaars talent te bewegen naar opgaven die cruciaal zijn voor onze toekomstige welvaart en verdienvermogen. Daarbij gaat het om talent in de breedste zin van het woord: van kinderen in het basisonderwijs, studenten in het vervolgonderwijs, tot werknemers en werkzoekenden. En van praktische vaardigheden tot theoretische kennis. Hierin trekt het kabinet nauw op met relevante stakeholders, waaronder vanzelfsprekend ook medeoverheden en het UWV.
Bent u bereid om samen met werkgevers, onderwijsinstellingen, vakbonden en UWV te onderzoeken of een regionale agenda opgesteld kan worden om de werkgelegenheid in Limburg te behouden en werknemers tijdig van werk naar werk te begeleiden?
Het is niet nodig om een extra regionale agenda op te stellen voor Limburg, omdat er al regionale agenda’s ontwikkeld worden. In het kader van de hervorming van de arbeidsmarktinfrastructuur zijn in alle arbeidsmarktregio’s regionale beraden opgericht, bestaande uit gemeenten, het UWV, sociale partners, onderwijsinstellingen en SBB. Onder regie van de centrumgemeenten stellen zij regionale meerjarenagenda’s op, gericht op onder meer het behoud van werkgelegenheid.
Ook in de Limburgse arbeidsmarktregio’s worden deze agenda’s ontwikkeld, waarbij opgaven en ontwikkelingen op het gebied van arbeidsmarkt, onderwijs en economie in samenhang worden benaderd. Van werk naar werk dienstverlening valt onder verantwoordelijkheid van sociale partners. De aanpak wordt verbonden aan de regionale samenwerking.
Het bericht ‘Winkelsluiting op zondag verder onder vuur: 'Een aanslag op privélevens van duizenden medewerkers'' |
|
André Flach (SGP), Jimmy Dijk (SP) |
|
Herbert |
|
|
|
|
Heeft u kennisgenomen van het bericht «Winkelsluiting op zondag verder onder vuur: «Een aanslag op privélevens van duizenden medewerkers»»?1
Ja, ik heb kennis genomen van dit bericht.
Herinnert u zich de toezegging van de Minister-President in de richting van de fractie van de SGP tijdens het debat over de regeringsverklaring dat «deze regering de gemeentelijke vrijheid erkent voor zover in de Winkeltijdenwet is vastgelegd»?
Ja.
Welke consequenties heeft dit standpunt van de regering voor de eventuele uitkomsten van de evaluatie van de Winkeltijdenwet?
In de evaluatie van de Winkeltijdenwet wordt rekening gehouden met de gemeentelijke vrijheid zoals vastgelegd in de Winkeltijdenwet. Daarbij wordt ook gekeken naar de belangen van werkgevers, werknemers en de samenleving als geheel. Zoals toegezegd in de antwoorden op de vragen over de Winkeltijdenwet van het lid Kisteman (VVD)2 wordt uw Kamer in september geïnformeerd over de uitkomsten van de evaluatie en over het standpunt van het kabinet.
Kunt u hierbij toezeggen dat naar aanleiding van de evaluatie van de Winkeltijdenwet de mogelijkheden voor zondagsopenstelling voor winkeliers op geen enkele wijze zullen worden verruimd, vanwege het belang van zondagsrust voor onder meer kleine werkgevers, werknemers en de samenleving als geheel?
Zie antwoord vraag 3.
Bent u bereid, in aanvulling op de reeds geschetste opties in een eerdere Kamerbrief over verruiming van de zondagsopenstelling2, in de kabinetsreactie over de uitkomsten van de evaluatie ook opties voor verdere bescherming van de zondagsrust op te nemen, zodat er een compleet beeld ontstaat van de mogelijkheden voor aanpassing van de Winkeltijdenwet ten aanzien van winkeltijden op zondag?
Conform de Kamerbrief over verruiming van de zondagsopenstelling4 van begin dit jaar lag de focus van het onderzoek, dat onlangs werd afgerond, op drie onderdelen. Deze onderdelen zijn: marktanalyse en consumentengedrag in het kader van zon- en feestdagen, mogelijkheid van het (gedeeltelijk) loslaten van het openingsverbod op zon- en feestdagen, en een evaluatie van het verbod op eenzijdige wijziging winkeltijden. Het perspectief van werknemers over de zondagsrust en een toelichting over de vereisten onder zondagswet komen terug in de evaluatie. In het onderzoek zijn echter geen opties in kaart gebracht om de zondagsrust verder te beschermen. Om die reden zal dit niet terugkomen in de begeleidende kabinetsreactie.
Hoe reageert u op de oproep van de FNV aan het kabinet om «het weekend niet af te schaffen»?3
Ik begrijp de zorgen van de FNV over de positie van werknemers in winkels en distributiecentra. In de evaluatie wordt daarom onder meer onderzocht hoe werknemers de huidige regels rond winkeltijden ervaren en wat de gevolgen voor hen zouden zijn van een eventuele (gedeeltelijke) afschaffing van het openingsverbod op zon- en feestdagen.
Bent u bereid uw reactie op de brief van FNV Handel te delen met de Kamer?
De brief van FNV Handel betrof een oproep aan mij als Minister van Economische Zaken en Klimaat om de openingstijden niet op te rekken. Hoewel er geen schriftelijke reactie wordt opgesteld, kan ik u mededelen dat mijn ministerie wel in gesprek gaat met de FNV. Dit gesprek zal plaatsvinden voordat het eindrapport van de evaluatie van de Winkeltijdenwet en de begeleidende kabinetsreactie aan uw Kamer wordt aangeboden.
Erkent u dat met een verdere openstelling van de winkeltijden op zondag de bescherming van werknemers onder druk kan komen te staan?
Ik ben mij bewust dat een verdere openstelling van de winkeltijden op zondag effect kan hebben op de werktijden van werknemers. Het perspectief van werknemers is dan ook meegenomen in de evaluatie. Mijn reflectie hierop komt terug in de begeleidende brief die uw Kamer in september ontvangt.
Kunt u uitgebreid aangeven in hoeverre en op welke wijze de positie van werknemers expliciet wordt meegenomen in de evaluatie van de Winkeltijdenwet?
Als onderdeel van de evaluatie zijn gesprekken gevoerd met de FNV en de AVV om het werknemersperspectief ook vanuit de bonden mee te nemen.
Klopt het dat «een grootschalig onderzoek naar de ervaringen van medewerkers in de sector is uitgebleven», zoals beschreven in genoemde brief? Zo ja, bent u bereid hier alsnog onderzoek naar te doen en dit te betrekken bij de uitkomsten van de evaluatie van de Winkeltijdenwet?
Dat klopt, er is geen grootschalig onderzoek gedaan naar de ervaringen van medewerkers in de sector. Dat wil echter niet zeggen dat het werknemersbelang niet wordt meegewogen. Om die reden zijn er ook gesprekken gevoerd met de FNV en de AVV. Omdat de evaluatie is afgerond vind ik het niet opportuun om een grootschalig onderzoek uit te voeren naar de ervaringen van medewerkers in de sector.
Hoe wordt in het evaluatieonderzoek invulling gegeven aan de toezegging van voormalig Minister van Economische Zaken Karremans in de richting van het lid Flach (SGP) dat ook de belangen van ondernemers die hechten aan zondagsrust hierin zullen worden meegenomen?
In het evaluatieonderzoek is op meerdere manieren rekening gehouden met de belangen van ondernemers die hechten aan de zondagsrust. Zo is bij de enquête onder winkeliers expliciet gevraagd naar de redenen om niet open te gaan op zon- en feestdagen. Daarnaast zijn er verschillende casestudies uitgevoerd in specifieke gemeenten, waaronder gemeenten met een grote geloofsgemeenschap en waar de zondagsrust een nadrukkelijke rol speelt in het lokale beleid.
De brief van de minister met betrekking tot de toekomst van ons pensioenstelsel |
|
Corrie van Brenk (PvdA) |
|
Hans Vijlbrief (D66) |
|
|
|
|
Waarom wil u pas in 2028 de Tweede Kamer informeren over de vergroting van koopkracht als gevolg van het nieuwe stelsel terwijl dit voor gepensioneerden juist een van de belangrijkste redenen was om akkoord te gaan met nieuwe pensioenstelsel?
De koopkracht van deelnemers en gepensioneerden is een belangrijk onderwerp waar u terecht aandacht voor vraagt. Zoals ik in mijn brief aan uw Kamer heb aangegeven, biedt het nieuwe pensioenstelsel meer perspectief op een koopkrachtig pensioen in vergelijking met het oude stelsel. Aan het toevoegen van eventuele additionele koopkrachtinstrumenten zijn voor- en nadelen verbonden. Ik wil uitvoeringspartijen in de pensioensector de tijd geven om zorgvuldig de inzet van additionele koopkrachtinstrumenten te toetsen op uitvoerbaarheid en uitlegbaarheid. De uitvoeringspartijen zijn ook beter in staat om de praktische uitwerking van deze varianten verder te onderzoeken. De pensioensector zal hiertoe het initiatief nemen. Onder coördinatie van de Pensioenfederatie zal hier verder vorm aan gegeven worden binnen de eerdergenoemde randvoorwaarden. Om dit op een degelijke manier te doen is ruime tijd nodig, mede gezien de lopende transitie. Ik zal de Kamer daarom begin volgend jaar hierover een stand van zaken geven. De uiteindelijke resultaten en aanbevelingen van deze initiatieven zullen worden meegenomen in de evaluatie van de Wtp.1
Welke partijen zijn naar uw mening verantwoordelijk voor de toepassing van de additionele koopkrachtinstrumenten?
Sociale partners zijn verantwoordelijk voor de pensioenregeling en pensioenfondsen zijn verantwoordelijk voor de uitvoering van de regeling. In de regeling wordt het gebruik van de verschillende instrumenten gedefinieerd. Deze rolverdeling zal ook gelden voor eventuele additionele koopkrachtinstrumenten.
Op welke wijze gaat u de Tweede Kamer op jaarbasis informeren over de resultaten van (additionele) koopkrachtinstrumenten?
Zoals ik heb aangegeven in de brief zal ik de Kamer begin volgend jaar over de verkenning naar additionele koopkrachtinstrumenten door de pensioensector verder informeren. Ik zal de Kamer betrekken bij het vervolg dat daaruit voortvloeit. Naar aanleiding van de geboden inzichten vanuit de pensioensector zal ik nader bezien hoe ik uw Kamer op regelmatige wijze verder kan informeren. Over de wijze waarop ontwikkelingen in de pensioensector rondom koopkracht zullen worden gevolgd zal ik te zijner tijd een voorstel doen. In dit voorstel zullen verschillende elementen worden gewogen. Hierbij zal gekeken moeten worden hoe fijnmazig de informatie kan zijn en welke vorm deze rapportage kan krijgen. Om hier een beter beeld van te krijgen zal eerst bezien worden welke gegevens momenteel beschikbaar zijn of kunnen worden gemaakt. Hierbij zal natuurlijk rekening moeten worden gehouden met kosten, beschikbare capaciteit en regeldruk voor o.a. de pensioensector. Ik ga graag op basis van dit voorstel met uw Kamer in gesprek.
Is er volgens u wetgeving nodig om de (additionele) koopkrachtinstrumenten te implementeren?
Ik zie de inzichten van de pensioensector op het gebied van uitvoerbaarheid en uitlegbaarheid met belangstelling tegemoet. Zoals ook uit de kwalitatieve analyse blijkt is in principe voor alle vier onderzochte koopkrachtinstrumenten aanpassingen van wet- en regelgeving nodig.2
De fiscale ongelijkheid tussen eenverdieners- en tweeverdienersgezinnen |
|
Ralf Dekker (FVD) |
|
Eerenberg |
|
|
|
|
Bent u bekend met het gegeven dat bij een gelijk bruto gezinsinkomen van € 70.000 een tweeverdienersgezin door de werking van dubbele heffingskortingen netto circa € 1.100 per maand meer overhoudt dan een eenverdienersgezin?
Ja, het is mij bekend dat een tweeverdienersgezin bij een gelijk gezinsinkomen netto meer salaris overhoudt dan een alleenverdienersgezin. Onderstaande tabel toont ter illustratie het verschil in netto-inkomen tussen een alleenverdieners- en tweeverdienershuishouden met een brutogezinsinkomen van € 70.000. Het netto huishoudinkomen van het tweeverdienershuishouden ligt € 15.815 hoger dan van het eenverdienershuishouden, oftewel € 1.318 per maand. Daarbij moet wel opgemerkt worden dat het de vraag is of beide huishoudens goed te vergelijken zijn. Huishoudens met twee verdienende partners werken doorgaans bij elkaar opgeteld meer dan veertig uur. Bij een gelijk huishoudinkomen hebben zij dus een lager uurloon dan een eenverdiener. Dit rekenvoorbeeld geeft de meest extreme situatie weer met het grootste verschil in netto huishoudinkomen tussen een alleenverdiener en tweeverdieners met een huishoudinkomen van € 70.000; wanneer het inkomen tussen tweeverdieners ongelijker is verdeeld, neemt het verschil in huishoudinkomen ten opzichte van een alleenverdiener af.
Eenverdiener
Tweeverdiener
Tweeverdiener
Bruto inkomen
70.000
35.000
35.000
Verschuldigde inkomstenbelasting
24.368
12.133
12.133
Algemene heffingskorting
747
2.846
2.846
Arbeidskorting
4.308
5.458
5.458
IACK
–
–
3.032
Netto inkomen
47.437
30.110
33.142
Acht u het rechtvaardig dat het netto besteedbaar inkomen van huishoudens met een identiek bruto inkomen zo sterk uiteen kan lopen uitsluitend op basis van de verdeling van dat inkomen over één of twee partners?
De belastingdruk op huishoudniveau bij een gelijk huishoudinkomen is hoger voor een alleenverdienershuishouden dan voor een tweeverdienershuishouden. Dit is het gevolg van de combinatie van belastingheffing op het niveau van het individu (in beginsel wordt iedere persoon binnen het gezin belast voor zijn of haar eigen inkomen) en de progressiviteit van het belastingstelsel. Hierdoor wordt een huishoudinkomen dat door twee personen wordt verdiend tegen een lager (marginaal) tarief belast dan hetzelfde inkomen dat door slechts één persoon wordt verdiend. De belastingheffing op het niveau van het individu zorgt ervoor dat werkenden niet geconfronteerd worden met een hogere marginale druk doordat de partner een (relatief hoog) inkomen heeft. Hierdoor is het voor een minstverdienende partner in de regel financieel lonend om (meer) te werken.
Het kabinet is ook van mening dat werken moet lonen. Ook voorgaande kabinetten hebben beleid gevoerd om werken meer te laten lonen. De belastingheffing op het individuele inkomen heeft als doel arbeidsparticipatie te stimuleren en economische zelfstandigheid te bevorderen. Een gevolg van de belastingheffing op het niveau van het individu is dat bij de vergelijking van de belastingdruk tussen huishoudens, gekeken moet worden naar huishoudens waarbij de individuen hetzelfde inkomen hebben. Als de vergelijking op huishoudniveau wordt gemaakt, kan het zijn dat een huishouden waarin twee partners in totaal acht of tien dagen moeten werken voor een inkomen worden vergeleken met een eenverdiener die hetzelfde bedrag in vier of vijf dagen verdient. Het uurloon van tweeverdienershuishouden ligt in dat geval lager. Deze huishoudens bevinden zich dus niet in een vergelijkbare positie.
Kunt u toelichten hoe het huidige fiscale stelsel rekening houdt met de verdeling van betaalde arbeid en onbetaalde zorgtaken binnen huishoudens?
De belangrijkste functie van belastingen is het genereren van voldoende inkomsten om de overheidsuitgaven te kunnen financieren. Daarnaast kunnen belastingen dienen als herverdelingsinstrument en gedrag beïnvloeden. Belastingen werken in principe verstorend. Bovendien is het inkomen geen optimale maatstaf voor de draagkracht. Dit komt doordat de herverdeling op basis van het gerealiseerde arbeidsinkomen op twee manier gebeurt. Behalve van mensen met een hoge naar mensen met een lage verdiencapaciteit is ook sprake van herverdeling van mensen die veel werken naar mensen die weinig werken. Dit terwijl vrije tijd/ huishoudproductie ook waarde vertegenwoordigt.2
Het is goed om de negatieve effecten van belastingheffing op welvaart zoveel mogelijk te beperken. Een manier om de verstorende werking van de inkomstenbelasting op het arbeidsaanbod te beperken is de arbeidskorting die erop gericht is om de arbeidsparticipatie te bevorderen. Daarvoor is veelal een individuele benadering in de loon- en inkomensheffing vereist. Binnen het toeslagenstelsel speelt de functie van inkomensondersteuning een meer nadrukkelijke rol. Om die reden is het huishoudinkomen leidend. Dit geldt vooral voor de huurtoeslag, de zorgtoeslag en het kindgebonden budget. Bij de kinderopvangtoeslag speelt ook het bevorderen van de arbeidsparticipatie een rol.
Zoals aangegeven in het antwoord op vraag 2 staat het huidige kabinet nog steeds achter het streven van voorgaande kabinetten naar meer arbeidsparticipatie en economische zelfstandigheid van beide partners. Hoewel onbetaalde zorgtaken van grote waarde zijn voor onze maatschappij en binnen huishoudens, wordt in het fiscale stelsel geen rekening gehouden met de verdeling van onbetaalde zorgtaken en betaalde arbeid binnen huishoudens. Het waarderen van zorgtaken via het fiscale stelsel ligt daarbij wat het kabinet betreft – gezien het streven naar arbeidsparticipatie en het idee dat werken moet lonen – niet direct voor de hand.
Erkent u dat onbetaalde zorgtaken een economische waarde vertegenwoordigen die momenteel niet tot uitdrukking komt in de fiscale systematiek?
Zie antwoord vraag 3.
Indien het antwoord op de voorgaande vraag negatief luidt, kunt u toelichten hoe u dit ziet?
Zie antwoord vraag 3.
Hoe beoordeelt u het feit dat heffingskortingen per individu worden toegekend, terwijl bij inkomensafhankelijke regelingen juist het gezamenlijke huishoudinkomen als grondslag geldt?
Zie antwoord vraag 3.
Bent u bereid te onderzoeken of een systeem waarbij het huishoudinkomen gedeeltelijk per persoon wordt gewogen – bijvoorbeeld via een splitsingsfactor – kan bijdragen aan een evenwichtiger verdeling van de belastingdruk?
Het coalitieakkoord bevat de ambitie om het belasting- en toeslagenstelsel te vereenvoudigen en te hervormen. Bij deze hervormingsagenda zal het kabinet ook oog hebben voor de effecten voor de belastingdruk voor alleenverdieners en tweeverdieners. Daar zijn eerder ook moties over aangenomen door Uw Kamer en door de Eerste Kamer.3
Het opnieuw onderzoeken van een splitsingsstelsel ligt niet voor de hand. De eerste reden is dat recent nog een variant van een splitsingsstelsel is doorgerekend voor de Eerste Kamer.4 In die brief zijn ook alternatieven genoemd om het verschil in belastingdruk op huishoudniveau te verkleinen. Ook wijst de brief op enkele nadelen van een splitsingsstelsel. De belangrijkste is dat het zou leiden tot een hogere marginale druk voor mensen met een goed verdienende partner. Dat kan ten koste gaan van de arbeidsparticipatie en de economische zelfstandigheid van met name vrouwen.
Een tweede reden is dat een splitsingsstelsel op gespannen voet kan staan met de doelen van de hervormingsagenda. Het kabinet wil toe naar een stelsel dat eenvoudiger is voor mensen. Een splitsingsstelsel kan het voor mensen juist moeilijker maken om te begrijpen en te voorspellen hoeveel het bijvoorbeeld loont om meer uren te gaan werken.
Indien het antwoord op de voorgaande vraag negatief luidt, kunt u toelichten waarom u hiertoe niet bereid bent?
Zie antwoord vraag 7.
Welke effecten verwacht u van een dergelijke aanpassing op arbeidsparticipatie, inkomensverdeling en de uitvoerbaarheid van het belastingstelsel?
Zie antwoord vraag 7.
Bent u bereid de Kamer te informeren over de beleidsopties en bijbehorende voor- en nadelen van inkomenssplitsing voor fiscale doeleinden?
Zie antwoord vraag 7.
Indien het antwoord op de voorgaande vraag negatief luidt, kunt u toelichten waarom u hiertoe niet bereid bent?
Zie antwoord vraag 7.