De hulpbereidheid bij eerste hulp |
|
Hanke Bruins Slot (CDA) |
|
Edith Schippers (minister volksgezondheid, welzijn en sport) (VVD) |
|
![]() |
Heeft u kennisgenomen van de berichten dat slechts weinig Nederlanders een EHBO-diploma hebben en dat de hulpbereidheid bij zowel mensen met als zonder EHBO-diploma laag is?1
Ja.
Hoe verklaart u dat slechts een kleine 3% van de Nederlanders een EHBO-diploma heeft en dat slechts 13% van de Nederlanders zonder basiskennis van EHBO overweegt een cursus te doen?2
Het percentage van 3% is afkomstig uit een onderzoek van het Rode Kruis uit 2010. Dit percentage zegt niets over het totaal aantal Nederlanders dat ooit een EHBO-diploma heeft behaald of over de aantallen certificaten die door diverse organisaties worden verstrekt. Er kunnen dus geen conclusies worden getrokken uit deze percentages.
Hoe groot is het percentage Nederlanders dat via opleiding of anderszins in EHBO-kennis geschoold is?
Het Oranje Kruis heeft mij laten weten dat op dit moment circa 200.000 mensen in Nederland in het bezit zijn van een EHBO-diploma. Dit houdt in dat er sprake is van formele eindtermen en een onafhankelijk diploma. Tevens zijn er op jaarbasis nog ca. 100.000 certificaathouders, dit betreft bijvoorbeeld Eerste Hulp aan kinderen. Ook hier geldt dat deze aantallen niets zeggen over het aantal mensen dat ooit een cursus in het kader van eerste hulp bij ongelukken heeft gevolgd. Naast een formeel EHBO-diploma zijn er ook veel mensen die bedrijfshulpverlener zijn en in dat kader de nodige vaardigheden hebben om in een acute situatie in actie te komen tot er een professionele hulpverlener aanwezig is.
Deelt u de mening dat het wenselijk is dat zo veel mogelijk Nederlanders een EHBO-diploma behalen?
Het is zeer waardevol dat er in Nederland een groot netwerk is van vrijwillige hulpverleners, waaronder EHBO-ers. De nadruk bij deze hulpverlening ligt wel heel duidelijk op vrijwilligheid. Daarbij is eerste hulp ook echt bedoeld als eerste hulp. Als het ernstig is, dan is het zaak om altijd te 112 bellen. Natuurlijk gebeurt dit ook als er een EHBO-er bezig is, 112 wordt in geval van een ernstige situatie altijd gebeld. De toegang tot de professionele acute zorg in Nederland is goed geregeld waardoor hulp snel ter plaatse kan zijn.
Wat is momenteel de prijs van een EHBO-cursus? Wat kost een aansprakelijkheidsverzekering voor diplomahouders? Worden de kosten voor een cursus en een verzekering geheel of gedeeltelijk vergoed? Hoeveel tijd kost het om een EHBO-cursus te volgen?
Er is een zeer divers aanbod aan EHBO-cursussen waarbij er zowel verschil is in tijdsduur van de cursus als ook verschil is in wat een cursus kost. Om een indicatie te geven: het varieert van een online cursus die twee uur duurt voor 14,95 euro, een korte cursus van 3 uur voor 55 euro tot een cursus van 20 uur voor 260 euro. Diverse zorgverzekeraars bieden in de aanvullende verzekeringen een (gedeeltelijke) vergoeding voor de kosten van een EHBO-cursus. Voor diplomahouders van zowel Oranje Kruis als Rode Kruis geldt dat zij aanspraak kunnen maken op de aansprakelijkheidsverzekeringen van het Rode Kruis/Oranje Kruis.
Welke stappen worden door overheden, zorgverzekeraars en overige organisaties ondernomen om meer Nederlanders een EHBO-diploma te laten halen? Welke belemmeringen zijn er volgens u om een dergelijke cursus te volgen? Bent u bereid zich in te spannen om die belemmeringen weg te nemen?
Het volgen van een EHBO-cursus is een beslissing die ieder voor zichzelf neemt, het gaat hier om vrijwillige hulpverlening. Het aanbod aan cursussen is zeer divers, waardoor het voor een brede groep mogelijk is om deze te volgen als zij daar interesse in hebben. Diverse zorgverzekeraars bieden in de aanvullende verzekeringen een (gedeeltelijke) vergoeding voor de kosten van een EHBO-cursus. Ik zie dan ook geen belemmeringen die dit in de weg kunnen staan en die door de overheid weggenomen zouden moeten worden.
Hoe verklaart u dat slechts 64% van de mensen met een EHBO-diploma bereid is om te reanimeren als dat nodig is? Bent u bereid onderzoek te laten uitvoeren waar deze handelingsverlegenheid vandaan komt en hoe het genoemde percentage verhoogd kan worden?3
Het percentage van 64% komt uit een onderzoek dat het Rode Kruis heeft laten uitvoeren naar de stand van zaken EHBO in 2016. Uit het onderzoek van het Rode Kruis blijkt dat het vooral om specifieke situaties gaat waarin mensen minder snel bereid zijn om te helpen. Hierbij gaat het vooral om meer ernstige situaties zoals vergiftiging, reanimatie en wanneer iemand flauwvalt. Ook wanneer iemand vreest voor de eigen veiligheid daalt de hulpbereidheid. Een andere verklaring is dat mensen, ook wanneer zij een cursus hebben gevolgd, bang zijn om fouten te maken bij het verlenen van EHBO.
Het Rode Kruis heeft mij laten weten dat zij de drempels die mensen ervaren om EHBO te verlenen herkent en hier ook aandacht aan besteed in (bij)scholing.
Het door u genoemde internationale onderzoek in vraag 8 is mij niet bekend.
Klopt het dat deze cijfers overeenkomen met internationaal onderzoek, waaruit blijkt dat mensen met een EHBO-diploma echte reanimatie vaak niet zien zitten? Zo ja, welke lessen zijn daar volgens u uit te trekken?4
Zie antwoord vraag 7.
Wanneer wordt de Kamer geïnformeerd over de uitwerking van het idee om de kosten voor het vervangen van gebruikte pads en batterijen van Automatsche Externe Defibrilators (AED’s) door de Regionale ambulancevoorziening (RAV) te laten declareren bij de zorgverzekeraar van het slachtoffer?5
Op dit moment wordt met betrokken partijen verkend hoe de vergoeding van de gebruikte pads bij de Regionale Ambulancevoorziening (RAV) kan worden vormgegeven. Hierbij is een belangrijk aandachtspunt dat er geen sprake zal zijn van een toename van de administratieve lasten bij de RAV. Ik verwacht u hierover in het voorjaar van 2017 te kunnen informeren.
Het bericht ‘Tsunami van jihadisten’ |
|
Machiel de Graaf (PVV), Geert Wilders (PVV) |
|
Mark Rutte (minister-president , minister algemene zaken) (VVD), Ard van der Steur (minister justitie en veiligheid) (VVD) |
|
![]() |
Kent u het bericht «Tsunami van jihadisten»?1
Ja.
Maakt u zich, net zoals inlichtingendiensten, terreurbestrijders en terrorismedeskundigen, inmiddels al zorgen over de vele duizenden IS-strijders die vanuit IS-gebied uitzwermen naar onder meer ons land? Zo nee, waarom niet?
Personen die terugkeren uit jihadistisch strijdgebied in Syrië en/of Irak, moeten beschouwd worden als een direct of indirect gevaar voor de nationale veiligheid. ISIS staat militair onder druk. Een verdere afbrokkeling van het «kalifaat» kan leiden tot een toename van het aantal terugkeerders uit Syrië en Irak. Nederland is voorbereid op eventuele terugkeerders.
Wanneer gaat u uw rode loper voor jihadisten weer inrollen zodat deze islamitische soldaten in Nederland geen schade kunnen aanrichten?
Het kabinet wendt de middelen aan bij alle relevante partners (internationaal, landelijk en lokaal) om de risico’s die van jihadisten uit kunnen gaan te verminderen. Elke onderkende terugkeerder wordt bij terugkeer voor verhoor aangehouden en het Openbaar Ministerie gaat, waar opportuun, over tot strafvervolging. Tevens worden zij in een lokaal multidisciplinair casusoverleg besproken met het doel passende maatregelen te treffen. Op basis van een risico-inschatting wordt per geval bepaald welke maatregelen worden getroffen. Terugkeerders zijn onder andere onderwerp van strafrechtelijk onderzoek en kunnen onderwerp zijn van inlichtingenmatig onderzoek. Politie en AIVD maken bij onderkende terugkeerders een inschatting van de dreiging, houden hen daar waar mogelijk en noodzakelijk scherp in beeld en zijn alert.
Bent u bereid eindelijk onze grenzen te sluiten en deze terroristen tegen te houden, weer grenscontroles in te voeren en geen enkele asielzoeker meer toe te laten? Zo nee, waarom nu nog steeds niet?
Deze vraagstelling wekt de indruk dat het praktisch of juridisch mogelijk zou zijn de Nederlandse grenzen hermetisch af te sluiten en zo eenvoudig alle risico’s voor de samenleving weg te nemen. Die indruk is onjuist. Om die reden en op rechtsstatelijke gronden kiest het kabinet ervoor met een groot pakket aan maatregelen risico’s zo veel als mogelijk te beperken en de veiligheid te bevorderen, waarbij tevens bescherming wordt geboden aan die asielzoekers die bescherming behoeven.
Nederland en de Europese Unie zijn, zoals aangegeven in het DTN 42, zeer alert op misbruik van de vluchtelingen-en asielinstroom door jihadistische organisaties naar het Europees grensgebied. Nederland en de Europese Unie hebben hiervoor extra maatregelen genomen en het toezicht in de binnengrenszone verscherpt. Deze intensivering van de controles wordt in nauwe samenwerking met de krijgsmacht, de politie, de Koninklijke Marechaussee en de douane binnen het bestaande nationale juridisch kader uitgevoerd.
Het bericht ‘Botsing Aruba en Nederland over gouverneur’ |
|
Mustafa Amhaouch (CDA) |
|
Ronald Plasterk (minister binnenlandse zaken en koninkrijksrelaties) (PvdA) |
|
![]() |
Hebt u kennisgenomen van het bericht «Botsing Aruba en Nederland over gouverneur»?1
Ja
Is het waar dat de Rijksministerraad eenzijdig een niet door Aruba voorgedragen persoon tot gouverneur van Aruba heeft benoemd?
De benoeming van de (waarnemend) Gouverneurs vindt op basis van het Statuut voor het Koninkrijk en het Reglement van Orde voor de Gouverneur plaats door de Koninkrijksregering. Tot de voordracht wordt besloten door de Rijksministerraad op voorstel van de Minister van BZK. Het verdient de voorkeur dat een kandidaat, die naar verwacht op draagvlak in de Rijksministerraad kan rekenen, wordt voorgedragen op (schriftelijke) aanbeveling van de ministerraad van het betrokken land. Ondanks het feit dat de tweede termijn van Gouverneur Refunjol reeds op 1 mei 2016 verliep en ondanks regelmatig overleg ontstond er geen zicht op een aanbeveling vanuit Aruba die op draagvlak zou kunnen rekenen. De Rijksministerraad is vervolgens overgegaan tot het doen van een voordracht. Het benoemingsbesluit is aldus rechtmatig tot stand gekomen. De Minister-President van Aruba en ik hebben op 18 oktober jl. met elkaar teruggekeken op het overleg dat in de afgelopen anderhalf jaar heeft plaats gevonden. Wij zijn daarbij tot de volgende conclusies gekomen: De benoeming is het resultaat van een proces dat geen schoonheidsprijs verdient. De Minister van BZK is zich hiervan bewust. Nu de benoeming van een nieuwe gouverneur bij koninklijk besluit is geformaliseerd, legt de regering van Aruba zich hier in het belang van de relaties binnen het Koninkrijk, bij neer. Wij hebben ons voorgenomen de komende periode de samenwerking ook op andere terreinen te intensiveren en de wederzijdse voordelen van het Koninkrijk te bevorderen.
Is het waar dat alleen de ministerraad van Aruba kandidaten kan voordragen voor de functie van gouverneur?
Zie antwoord vraag 2.
Is de voordracht voor benoeming tot gouverneur van Aruba voorbereid binnen de geldende juridische en bestuurlijke kaders? Zo nee, waarom niet?
Zie antwoord vraag 2.
Welke gevolgen heeft deze benoeming voor de bestuurlijke verhoudingen tussen Nederland en Aruba?
Ik verwijs naar het slot van de conclusies van het gesprek met de Minister-President van Aruba. Ik kijk dan ook uit naar een vruchtbare samenwerking met Aruba.
Wilt u deze vragen beantwoorden vóór maandag 24 oktober 2016?
Ik heb de vragen zo spoedig mogelijk beantwoord.
Het bericht dat RVO nog niet meewerkt aan het akkerbouwonderzoek |
|
Elbert Dijkgraaf (SGP) |
|
Martijn van Dam (staatssecretaris economische zaken) (PvdA) |
|
![]() |
Heeft u kennisgenomen van het bericht dat de Rijksdienst voor Ondernemend Nederland (RVO) tot op heden niet meewerkt aan het verkrijgen van machtigingen voor de telersbijdrage aan het akkerbouwonderzoek en dat derhalve het akkerbouwonderzoek op losse schroeven staat1?
Ja.
Waarom werkt RVO nog niet mee?
Aan de beoordeling van het verzoek van de BO Akkerbouw tot medewerking aan het verkrijgen van de genoemde machtigingen zijn diverse aspecten verbonden die zorgvuldige afweging behoeven. Een van die aspecten is de Wet bescherming persoonsgegevens (Wbp) die de overheid beperkingen oplegt bij het delen van persoonsgegevens.
Een en ander afwegend heb ik besloten – binnen de ruimte die de Wbp biedt – het de Brancheorganisatie (BO) Akkerbouw mogelijk te maken de Kamer van Koophandel-nummers (KvK-nummers) van de niet bij haar aangesloten marktdeelnemers van RVO.nl te verkrijgen. Zo kan de BO alle marktdeelnemers die een verplichting tot het betalen van een financiële bijdrage hebben, benaderen. Op basis van deze KvK-nummers van de niet aangeslotenen en van de gegevens van de bij de BO aangeslotenen kan de BO alle betalingsplichtige marktdeelnemers benaderen en hen verzoeken RVO.nl te machtigen areaalgegevens door te geven aan de BO.
Zie ook het afschrift van mijn antwoordbrief aan de BO Akkerbouw dat ik gelijktijdig met deze antwoorden aan uw Kamer heb gestuurd.
Deelt u de mening dat het akkerbouwonderzoek van groot belang is en daarom steun verdient?
Ja. Op grond van artikel 165 van Verordening EU Nr. 1308/2013 moet een brancheorganisatie aantonen dat het door haar voorgestelde onderzoek zowel van algemeen economisch belang is voor de betrokken marktdeelnemers als dat het voordeel oplevert voor alle betrokken individuele marktdeelnemers in de akkerbouw. De Brancheorganisatie Akkerbouw heeft dit gedaan en ik heb de financiering van het onderzoek verbindend verklaard.
Bent u bereid ervoor te zorgen dat RVO op korte termijn meewerkt aan het verkrijgen van de genoemde machtigingen?
Zie antwoord vraag 2.
Het bericht dat Poolse vrouwen te maken hebben met scheldpartijen, bedreigingen en aanrandingen |
|
Sadet Karabulut |
|
Lodewijk Asscher (viceminister-president , minister sociale zaken en werkgelegenheid) (PvdA) |
|
Wat is uw reactie op het bericht van Stichting Fairwork dat Poolse vrouwen op hun werk te maken hebben met scheldpartijen, bedreigingen en aanrandingen?1
Seksuele intimidatie is ongewenst gedrag dat aangepakt moet worden. Dit geldt voor iedereen die in Nederland werkt en dus ook voor arbeidsmigranten.
Wat vindt u van de uitkomsten van de verkennende studie van Stichting Fairwork waaruit blijkt dat Poolse vrouwen die in fabrieken of de land- of tuinbouw werken, aangeven dat ze veelvuldig te maken hebben met allerlei misstanden, zoals scheldpartijen, handtastelijkheden en fysieke bedreiging?
Het ongewenste gedrag dat in dit onderzoek naar voren komt dient aangepakt te worden. De SZW campagne «Ongewenst gedrag» (www.duurzameinzetbaarheid.nl) die 17 oktober in herhaling is gegaan geeft werkgevers en werknemers handvatten om seksuele intimidatie te herkennen en aan te pakken. Op de site van de campagne zijn ook ervaringsverhalen opgenomen. Met FairWork is al voor het uitkomen van het onderzoek contact geweest over het opnemen van een ervaringsverhaal van een arbeidsmigrant. Dit verhaal over een vrouwelijke Poolse arbeidsmigrant is op de site geplaatst.
Bent u bereid om de inspectie onmiddellijk onderzoek te laten doen naar de misstanden waar Poolse vrouwen en mogelijk ook andere Oost-Europese vrouwen zoals Bulgaarse en Roemeense vrouwen mee te maken hebben? Zo ja, welke maatregelen gaat u treffen tegen de bedrijven en uitzendbureaus die zich schuldig maken aan deze misstanden? Zo nee, waarom niet?
De sectoren waar dit probleem zich mogelijk voor kan doen, namelijk de agrarische sector, schoonmaak- en uitzendbranche, zijn al onderwerp van de risicogerichte aanpak van de Inspectie SZW om de naleving van de arbeidswetten te bevorderen en misstanden, en ook dit soort misstanden, tegen te gaan. Omdat de Inspectie dit soort signalen belangrijk vindt en ook zelf hier alert op is, heeft zij geïnventariseerd welke aanwijzingen er in zaken en bij inspecteurs en rechercheurs zijn rond deze problematiek. Ze bericht mij hier binnenkort over, waarna ik uw Kamer zal informeren.
Kunt u aangeven op welke wijze er getoetst wordt of de arbeidsvoorwaarden en arbeidsomstandigheden gerespecteerd worden?
De verantwoordelijkheid voor het naleven van de regels ligt primair bij werkgevers en werknemers zelf. De Inspectie SZW ziet toe op naleving van de arbeidswetten, waaronder de Arbowet, Wet minimumloon en minimumvakantiebijslag en Arbeidstijdenwet. Wanneer zij bij een controle op basis van de feiten en omstandigheden constateert dat er sprake is van een overtreding kan zij een sanctie opleggen.
Is u bekend of er aangifte is gedaan van misstanden zoals gemeld door Stichting Fairwork? Zo ja, wat is de status van deze aangifte(n)?
Het is bij de Inspectie SZW niet bekend of mensen aangifte hebben gedaan. Een van de activiteiten van de Inspectie SZW is het uitvoeren van strafrechtelijke onderzoeken naar arbeidsuitbuiting. Seksuele intimidatie is een van de mogelijke indicatoren van arbeidsuitbuiting.
Bent u bereid om de campagne tegen «pesten op de werkvloer», waar ook seksuele intimidatie onder valt, ook in andere talen beschikbaar te stellen en het onderwerp expliciet in de voorlichtingsbijeenkomsten hier en in het thuisland te benoemen? Zo ja, op welke termijn kan dat gerealiseerd worden? Zo nee, waarom niet?
Ik laat de campagne «Ongewenst gedrag» waar u aan refereert niet vertalen. Deze campagne en de site zijn er vooral op gericht om seksuele intimidatie bespreekbaar te maken door werkgever en werknemer. Daarbij is zoals in het antwoord op vraag 2 aangegeven wel aandacht voor het ervaringsverhaal van arbeidsmigranten om vooral ook de Nederlandse werkgever bewust te maken van seksuele intimidatie van arbeidsmigranten op de werkvloer.
Om arbeidsmigranten zelf bewust te maken van het onderwerp en handvatten te geven wat te doen als ze ermee geconfronteerd worden zet ik in op gerichte voorlichting in de eigen taal in het herkomstland. Nederland werkt samen met de belangrijkste herkomstlanden in Midden- en Oost-Europa. De Nederlandse ambassade in Warschau verzorgt bijvoorbeeld voorlichting over wonen en werken in Nederland voor potentiële arbeidsmigranten. In die voorlichting zal ook informatie over dit onderwerp worden meegenomen.
Het nieuws dat de FBI vooraf geweten zou hebben van de aanslag in Garland op 3 mei 2015 |
|
Geert Wilders (PVV) |
|
Mark Rutte (minister-president , minister algemene zaken) (VVD) |
|
![]() |
Heeft u kennisgenomen van de eerdere antwoorden op Kamervragen door de Minister van Veiligheid en Justitie d.d. 18 augustus 2016 en 19 september 2016 over de terreuraanslag in Texas?1 2
Ja
Hebben de Amerikanen inmiddels een verklaring gegeven over de berichtgeving dat de FBI voorkennis had van de aanslag in Garland en er mogelijk zelfs toe heeft aangezet? Zo nee, waarom niet?
Ja
Hoe vaak heeft Nederland er in de laatste tweeënhalve maand, sinds hierover schriftelijke vragen zijn gesteld, bij de Amerikanen op aangedrongen om met een verklaring te komen?
Sindsdien mijn verzoek op 16 augustus heb ik langs verschillende wegen en op verschillende momenten geïnformeerd naar de voortgang van de beantwoording van mijn verzoek.
Op welke wijze gaat u ervoor zorgen dat er zo snel mogelijk duidelijkheid komt over dit dossier en op welke termijn verwacht u deze duidelijkheid te kunnen verschaffen, zodat herhaling in de toekomst kan worden voorkomen?
De Amerikaanse autoriteiten geven het volgende aan:
Wilt u deze vragen nog deze week beantwoorden?
Uw vragen zijn zo snel als mogelijk beantwoord.
Het bericht ‘OM wraakt rechtbank’ |
|
Madeleine van Toorenburg (CDA), Ard van der Steur (minister justitie en veiligheid) (VVD) |
|
![]() ![]() |
Heeft u kennisgenomen van het bericht dat het openbaar ministerie (OM) Oost-Nederland drie rechters van de rechtbank in Almelo heeft gewraakt?1
Ja.
Is het eerder voorgekomen dat het OM een wrakingsverzoek heeft ingediend?
Van de wettelijke bevoegdheid om een wrakingsverzoek in te dienen kan door beide procespartijen gebruik worden gemaakt. Het Openbaar Ministerie (hierna: OM) maakt van deze bevoegdheid slechts in zeer bijzondere gevallen gebruik. Een eerder voorbeeld van het indienen van een wrakingsverzoek door het OM dateert uit 2007 (ECLI:NL:RBUTR:2007:BA8296).
Hoe beoordeelt u de stellingname van het OM dat de rechtbank meer rekening zou hebben gehouden met de verhinderdata van de advocaten van de verdachte in deze drugszaak dan met de beschikbaarheid van de desbetreffende officier van justitie? Staat u achter het OM in het reeds gedane verzoek om de zaaksbehandeling uit te stellen?
De beoordeling van een stellingname door het OM in individuele aangelegenheden is aan de rechter. In de uitspraak van de rechtbank Overijssel op het wrakingsverzoek d.d. 10 oktober 20162 heeft de wrakingskamer van de rechtbank in overweging 4.4 gesteld dat de afweging van de meervoudige strafraadkamer tussen enerzijds de belangen van de beslagene en anderzijds de belangen van het OM als beslaglegger niet onbegrijpelijk voorkomt en dan ook geen zwaarwegende aanwijzing oplevert voor een gebrek aan onpartijdigheid. Daarbij laat de wrakingskamer meewegen dat de afwijzing van het aanhoudingsverzoek reeds op 1 september 2016 aan het OM is meegedeeld, zodat er naar mening van de rechtbank voldoende gelegenheid is geweest om hiernaar te handelen, waarbij een andere prioriteitstelling, overdracht aan een collega of een aanvullend verweerschrift opties hadden kunnen zijn. De rechtbank heeft het verzoek tot wraking daarom afgewezen.
Kunt u aangeven hoeveel tijd de officier van justitie in deze concrete zaak heeft gehad ter voorbereiding op de zitting, wat klaarblijkelijk voor de rechtbank voldoende was en ook de reden om de zaaksbehandeling niet uit te willen stellen?
Aan deze kwestie lag niet ten grondslag dat het OM onvoldoende voorbereidingstijd voor de zitting zou hebben gehad, maar dat de zaaksofficier van justitie de behandeling ter terechtzitting op de door de rechtbank geplande datum niet kon bijwonen en vervanging door een collega-officier van justitie in deze specifieke zaak niet mogelijk was.
Wat zijn de gevolgen voor de uiteindelijke datum van de zaaksbehandeling, de aanwezigheid van de betreffende officier van justitie op deze zitting en concrete inzet die het OM kan leveren in deze complexe drugszaak nu het wrakingsverzoek is afgewezen?2
Ik kan geen inzage geven in aspecten samenhangende met de procespositie van het OM in een lopende (straf)zaak. De behandeling van de beklagzaak is op 12 oktober 2016 voortgezet.
Deelt u de mening dat het in het algemeen een zeer kwalijke gang van zaken zou zijn wanneer de beschikbaarheid van de desbetreffende officier van justitie wordt genegeerd bij het inplannen van een zitting? Het is toch immers de officier van justitie die de vervolging in een strafzaak heeft ingezet en dientengevolge in elk geval aanwezig zal moeten zijn op de datum waarop een zaak wordt behandeld?
De strafrechtelijke handhaving van de rechtsorde is opgedragen aan het OM. De uitvoering van die taak geschiedt door individuele officieren van justitie. Uitgangspunt bij de behandeling van strafzaken is optimale inhoudelijke behandeling en effectieve, vlotte afhandeling. Daartoe dient het aantal overdrachtsmomenten zoveel mogelijk beperkt te worden, zeker in complexe zaken. De gerechten hanteren als uitgangspunt dat bij de planning van de inhoudelijke behandeling van de strafzaak de zaaksofficier van Justitie op de zitting aanwezig is. Bij raadkamerzaken (verzoekschriften, bezwaarschriften en klaagschriften) is voor gerechten het uitgangpunt dat deze behandelingen in het zittingsrooster zijn opgenomen en dat het toelichten van het standpunt van het OM doorgaans wordt gedaan door de officier van Justitie die tijdens deze zitting de belangen van het OM behartigt. Hier kan in bijzondere gevallen van worden afgeweken.
Kunt u via het College van procureurs-generaal inventariseren of vaker en elders in het land meer officieren van justitie hinder ondervinden van het probleem dat in deze uitzonderlijke wrakingszaak door het OM is aangekaart? Indien dat het geval blijkt, welke vervolgstappen gaat u nemen om dit op te lossen?
In de regel wordt in geval van verhindering van een van de procespartijen in goed overleg een passende zittingsdatum of passende vervanging gevonden.
Wel is de verdere verbetering van de planningsmethodiek een prominent onderwerp van de Taskforce OM/ZM. Hierin worden concrete verbetermaatregelen voor planning, behandeling en voorkoming van aanhouding van strafzaken vormgegeven met behulp van het verkeerstoren ++ model.
Deelt u de mening dat het opgeven van verhinderdata door de verdediging ook kan worden benut om doelbewust een strafzaak te traineren? Hoe wordt hier rekening mee gehouden in de gerechtelijke processen om een zittingsdatum te plannen en/of in de beoordeling van de rechters over de opstelling van de verdediging in het algemeen?
Het opgeven van verhinderdata door de verschillende procespartijen kan worden benut om doelbewust een strafzaak te traineren. De indruk bestaat niet dat daarvan stelselmatig sprake is. De rechter laat zich bij het bepalen van de zittingsdatum in de eerste plaats leiden door de belangen van goede en zorgvuldige rechtspraak. Tijdige rechtspraak maakt daarvan deel uit. Dit betekent dat soms bij de planning met een of meer van de opgegeven verhinderdata geen rekening kan worden gehouden. De beslissing daarover is voorbehouden aan de onafhankelijke rechter.
De staat van de bruggen (ook wel kunstwerken) in Nederland |
|
Barbara Visser (VVD) |
|
Melanie Schultz van Haegen (minister infrastructuur en waterstaat) (VVD) |
|
![]() |
Heeft u kennisgenomen van de berichten «Mogelijk ook bruggen in Noord-Holland dicht» door RTV Noord-Holland d.d. 12 oktober 20161 en «A8 open na storing» uit het Noord-Hollands Dagblad Zaanstreek d.d. 17 oktober 2016?2
Ja, ik heb kennisgenomen van beide artikelen.
Bent u het eens met de uitspraak van de verkeerskundige Hornmans in het RTV Noord-Holland-artikel dat onderhoud en inspectie de laatste jaren niet de prioriteit gehad hebben die ze zouden moeten hebben? Zo nee, waarom niet? Zo ja, wat betekent dat en welke acties heeft u en/of gaat u ondernemen?
Nee, ik ben het niet eens met de uitspraak van de verkeerskundige. Rijkswaterstaat voert dagelijkse schouw, jaarlijkse toestandsinspecties en eens in de zes jaar visuele instandhoudinginspecties uit. Daarnaast vindt detailonderzoek plaats als er in het kader van een weguitbreiding of een ander project beoordeeld moet worden of een brug dat aan kan.
Door de inspecties heeft Rijkswaterstaat inzicht in de gevolgen van het gebruik van de bruggen door het verkeer. Tevens geeft de inspectie inzicht in het proces van veroudering van de bruggen en inzicht in de actuele toestand van deze objecten. Veiligheidsrisico’s die uit deze inspecties komen hebben de hoogste prioriteit om aangepakt te worden. Die worden dan ook met prioriteit uitgevoerd.
Zoals ook aangegeven in mijn brief (34 300-A-68) aan uw Kamer van 10 juni dit jaar, wordt gewerkt met een flexibele onderhoudsplanning. Niet alle onderhoudsmaatregelen worden in het jaar uitgevoerd, waarin dit idealiter technisch gezien zou moeten gebeuren. Redenen voor latere uitvoering kunnen zijn, dat dit minder hinder geeft voor weggebruikers, werkzaamheden in één contract kunnen worden samengevoegd of dat het beter past in de financiële en personele planning.
Wat is de oorzaak van de storingen van de Coenbrug over de Zaan? Deelt u de mening van de ANWB dat dit een zoveelste storing in een hele lange rij is? Zo nee, waarom niet? Zo ja, welke maatregelen heeft u en/of gaat u ondernemen? Kunt u deze vragen ook voor de bruggen van de A9 beantwoorden?
De Coenbrug heeft in 2016 tot nu toe 8 storingen gehad. De laatste 3 storingen waren in oktober. Het betreft hier een ongelukkige samenloop van losstaande oorzaken die ervoor heeft gezorgd dat de Coenbrug driemaal in storing was. Het betrof een storing in de automatische bediening (in het weekend van 8 en 9 oktober), een stroomstoring (13 oktober) in de regio waardoor bediening van de brug niet mogelijk was en een defect aan een slagboom (18 oktober) die niet openging.
Op 8 oktober was er een storing aan de brug over Zijkanaal C (A9, ter hoogte van HM 47). De oorzaak hiervan was een defect onderdeel.
Op 19 oktober was deze brug nogmaals een kwartier buiten gebruik vanwege een storing in de brugklep. De oorzaak van de laatste storing wordt nog onderzocht. Zowel voor de Coenbrug als voor de brug over Zijkanaal C wordt momenteel door Rijkswaterstaat en de aannemer een gedegen storingsanalyse gemaakt. Op basis hiervan wordt gekeken of aanvullende maatregelen genomen moeten worden.
Op 1 oktober was er gedurende 1 uur een storing aan de Schipholbrug (A9, ter hoogte van Amstelveen). De oorzaak van de storing wordt onderzocht. De schipholbrug wordt tijdens uitvoering van het project SAA A9 Badhoevedorp – Holendrecht vervangen (start realisatie 2019).
Deelt u de mening dat met de storingen aan de Coenbrug en/of de A9 in grote delen van Noord-Holland een verkeerschaos ontstaat en dat dit onacceptabel is voor deze belangrijke economische regio? Zo nee, waarom niet? Heeft u inzicht in de (financiële) schade van de files die door deze storingen ontstaat?
De verkeershinder die ontstaat wanneer een storing aan een brug optreedt, is afhankelijk van de duur van de storing en/of de verkeersintensiteit op de weg. Elke ernstige vertraging die voorkomen had kunnen worden vind ik ongewenst. RWS zet zich maximaal in om het aantal storingen zo beperkt mogelijk te houden. Indien er toch storingen optreden, worden deze zo snel mogelijk verholpen. Financiële schade die ontstaat door files als gevolg van storingen is vervelend. Dit type schade wordt echter niet door Rijkswaterstaat geregistreerd en ik kan hierover dat ook geen informatie aanleveren.
Kunt u een overzicht geven (in tabellen en infographics) van de reserveringen voor 1) beheer, 2) onderhoud en 3) vervanging in het Infrastructuurfonds in de periode voor 2010 voor wegen en de bijbehorende kunstwerken?
Sinds 2003 heeft het belang van adequaat beheer en onderhoud een steeds toenemende aandacht gekregen. Tegelijkertijd is ook de aandacht voor einde levensduur van de objecten van het Hoofdwegennet toegenomen. Vanaf dat moment zijn er ook extra middelen voor beheer en onderhoud uitgetrokken en in 2008 is het programma voor de stalen bruggen gestart. Hierdoor is er ook meer aandacht gekomen voor de achterliggende oorzaken van de toen gesignaleerde budgettaire knelpunten. Toen er zich in 2011 wederom tekorten aandienden heb ik er voor gekozen niet alleen deze tekorten aan te pakken, maar ook de achterliggende problemen aan te pakken door het systeem dat ten grondslag ligt aan de raming van de budgetten verder te verbeteren.
Voor de tekorten heb ik in de ontwerpbegroting 2012 extra middelen vrijgemaakt ten behoeve van beheer en onderhoud en vervanging en renovatie op het hoofdwegennet. Zie onderstaande figuur.
Ten opzichte van de Voorjaarsnota 2011 is er hierdoor tot 2020 voor het Hoofdwegennet in totaal € 800 mln. extra aan beheer en onderhoudsbudget beschikbaar gekomen en € 370 mln. voor Vervangingen en Renovatie.
Daarnaast zijn er bij de verlenging van de looptijd van het infrastructuurfonds in de begroting 2012 middelen gereserveerd na 2020 die door middel van kasmanagement naar voren zouden worden gehaald. Het ging daarbij om net iets meer dan € 1 mrd. ten behoeve van Beheer en Onderhoud en Vervanging en Renovatie op het hoofdwegennet gezamenlijk, waarvan gemiddeld € 36 mln. per jaar voor Vervanging en Renovatie en € 66 mln. voor Beheer en Onderhoud.
Deze middelen zijn inmiddels voor het overgrote deel naar voren gehaald.
Op basis van de ontwerpbegroting 2017 is er voor Vervanging en Renovatie gemiddeld € 101 mln. beschikbaar in de periode 2011–2020 en voor Beheer en Onderhoud € 463 mln. Zie onderstaande grafieken.
Om de ramingssystematiek te verbeteren worden bij aanlegbeslissingen nu ook de effecten daarvan op de toekomstige onderhoudsbehoefte in kaart gebracht en worden de daarvoor benodigde middelen gereserveerd vanaf de start van de planuitwerking gereserveerd en op het moment dat de bouw start ook daadwerkelijk toegevoegd aan de meerjarencijfers voor beheer en onderhoud.
Daarnaast wordt periodiek getoetst of de ramingsveronderstellingen nog actueel zijn. Om die reden is bijvoorbeeld bij de implementatie van de nieuwe geluidswetgeving ook budget toegevoegd voor de hierdoor toenemende beheer- en onderhoudskosten.
En ook zijn er meerjarig budgetten gereserveerd voor de renovatie en vervanging bij einde levensduur van de objecten in het hoofdwegennet. De inschatting van einde levensduur geschiedt, zoals ook in de bijlage instandhouding bij de ontwerpbegroting 2016 is uitgelegd door een combinatie van de ontwerplevensduur, het feitelijk gebruik en inspecties. Deze inschatting wordt periodiek geactualiseerd. De eerstvolgende actualisatie is voorzien bij de ontwerpbegroting 2018.
Bij de (jaarlijkse) verlenging van het Infrastructuurfonds wordt eerst het budget toegewezen dat op basis van de bestaande ramingen nodig is voor beheer en onderhoud en vervanging en renovatie, alsmede voor de lopende verplichtingen uit DBFM. Wat dan resteert binnen het kader wordt toegevoegd aan de investeringsruimte.
Kunt u aangeven welke reserveringen er vervolgens gemaakt zijn voor 1) beheer, 2) onderhoud en 3) vervanging in het infrastructuurfonds in de periode na 2010 voor de wegen en de bijbehorende kunstwerken? Welke achterstanden dienden te worden ingelopen? En op welke wijze is de vervanging, beheer en onderhoud nu structureel geregeld in het Infrastructuurfonds voor alle wegen en kunstwerken?
Zie antwoord bij vraag 5
Klopt het dat aan de hand van de ervaringen met de Merwedebrug de systematiek van inspecteren wordt aangepast? Zo ja, op welke wijze en wanneer wordt de Kamer over de uitkomsten geïnformeerd? Wat betekent dit voor de reserveringen voor beheer, onderhoud en vervanging in het Infrastructuurfonds?
De situatie die is ontstaan bij de Merwedebrug wordt geëvalueerd, met name gericht op de hier uitgevoerde inspectie. Op dit moment heb ik geen aanwijzingen dat de gehele systematiek van inspecteren moet worden aangepast.
Op welke wijze worden de betrokken medeoverheden zoals gemeenten en provincies, tegen de achtergrond van de problemen rondom de Merwedebrug en de oproep van bijvoorbeeld de gemeente Dordrecht om de N3 versneld te renoveren, betrokken bij dergelijke inspecties en eventuele omleidingsroutes? Kunt u hierbij ook ingaan op de aankondiging van de afsluiting van de Moerdijkbrug?
Partijen worden in de regel betrokken bij het plannen van maatregelen die uit inspecties naar voren komen.
De Moerdijkbrug is een spoorbrug en is daardoor wat direct belanghebbenden betreft niet goed vergelijkbaar met de Merwedebrug. Zoals in de brief van de Staatssecretaris van 24 oktober jl. (Kamerstuk 29 893, nr. 206)) aangegeven wordt door ProRail in overleg met consumentenorganisaties, vervoerders, verladers en de aannemer bepaald wanneer de benodigde buitendienststelling op de Moerdijkbrug zal plaatsvinden. Hierbij staat het zoveel mogelijk beperken van hinder voor reizigers en verladers centraal. ProRail en Rijkswaterstaat stemmen, zoals gebruikelijk, de planning van werkzaamheden aan het spoor en rijkswegen met elkaar af.
Klopt de stelling van de verkeersdeskundige Hornmans dat de slechte staat van de Merwedebrug te wijten is aan verouderde gegevens die gebruikt worden bij het berekenen van de noodzakelijke draagkracht? Zo ja, wat betekent dit voor alle bruggen en andere kunstwerken in Nederland?
Nee. De situatie bij de Merwedebrug wordt veroorzaakt door de ouderdom van de brug in combinatie met de zware belasting op de brug (meer en zwaarder verkeer dan toen de brug gebouwd werd). De Merwedebrug was al geprogrammeerd om versterkt te worden en werd in dat kader nader geïnspecteerd. Naar andere relatief oudere bruggen (en kunstwerken) doet Rijkswaterstaat ook onderzoek.
Deelt u de stelling van de verkeerskundige dat ook elders problemen zullen gaan ontstaan met bruggen daar waar de verkeersdrukte is toegenomen de afgelopen decennia? Zo nee, waarom niet? Zo ja, welke acties heeft u en/of gaat u ondernemen?
De toegenomen verkeersdrukte op bruggen leidt er bij sommige bruggen toe dat deze eerder moeten worden versterkt/vervangen, omdat deze niet zijn ontworpen op deze hogere belasting. Om de veiligheid van de bruggen voor de toekomst te garanderen brengt Rijkswaterstaat dmv inspecties in beeld wat de verwachte restlevensduur van bruggen is en waar versterking of vervanging noodzakelijk is. Een aantal bruggen is onlangs versterkt of vervangen.
Kunt u deze vragen voor de bespreking van de begroting van Infrastructuur en Milieu beantwoorden, die is voorzien voor de eerste week van november 2016?
Ja
Het bericht ‘Apple haalt tientallen gokapps uit Nederlandse App Store’ |
|
Madeleine van Toorenburg (CDA) |
|
Klaas Dijkhoff (staatssecretaris justitie en veiligheid) (VVD) |
|
![]() |
Kunt u aangeven om welke 55 bedrijven het gaat waarvan apps zijn verwijderd op verzoek van de Kansspelautoriteit?1
De kansspelautoriteit heeft mij desgevraagd aangegeven deze informatie niet te publiceren; zij maakt in beginsel geen namen van (individuele) bedrijven openbaar tenzij daar een bestuurlijke sanctie aan ten grondslag ligt.
Kunt u aangeven hoeveel tijd is verstreken tussen het verzoek van de Kansspelautoriteit aan Apple en het daadwerkelijk verwijderen door Apple van de betreffende apps? Klopt het dat dit verzoek al ruim voor de zomer, in mei 2016, is gedaan?2
De kansspelautoriteit heeft de betreffende appstore eind april 2016 verzocht 49 kansspelapps te verwijderen. Aan dit verzoek is ruim voor de deadline van 1 juni 2016 voldaan. Daarna heeft de kansspelautoriteit zes nieuwe kansspelapps geïdentificeerd. Deze zijn op verzoek van de kansspelautoriteit terstond uit de betreffende appstore verwijderd.
Speelt de tijdsduur waarin gevolg wordt gegeven aan een verzoek van de Kansspelautoriteit om een app te verwijderen een rol in de overwegingen van de kansspelautoriteit om een boete op te leggen en/of een bedrijf uit te sluiten van het verkrijgen in de toekomst van een vergunning om online kansspelen aan te bieden? Zo ja, wat is volgens u de maximale termijn die mag gelden om gevolg te kunnen geven aan dit betrekkelijk eenvoudige verzoek van de Kansspelautoriteit?
Het verzoek tot verwijdering van apps was niet gericht tot kansspelaanbieders, maar tot de appstore waarin deze te verkrijgen waren. Aan het verzoek is tijdig voldaan door de appstore. In het algemeen geldt dat kansspelaanbieders en dienstverleners die het aanbieden van kansspelen faciliteren zich moeten houden aan de termijn die de kansspelautoriteit hen stelt. Het niet of niet tijdig voldoen aan een verzoek van de kansspelautoriteit kan leiden tot verdere bestuurlijke handhaving. Voor de kansspelaanbieder kan dit gevolgen hebben voor het verkrijgen van een vergunning.
Klopt het dat Unibet een van de aanbieders was die een gokapp aanbood in de Nederlandse App Store?
Zie antwoord vraag 1.
Komt Unibet nog steeds in aanmerking voor een vergunning voor online kansspelen gelet op de eerdere overtredingen van Unibet van het verbod op online kansspelen, wat door u is gekwalificeerd als dat «Unibet met vuur speelt» en gelet op uw standpunt dat aanbieders die persisteren in hun aanbod van illegale kansspelen niet in aanmerking komen voor een vergunning?3 Zo ja, hoe geloofwaardig is dan volgens u nog de huidige handhaving van de Kansspelautoriteit ten aanzien van opererende illegale aanbieders? En kunt u dan aangeven of Unibet in elk geval op een forse boete kan rekenen, gelet op uw eerdere opmerkingen dat inzake illegaal opererende aanbieders «een financiële sanctie wegens die overtreding van de Wet op de kansspelen hier gepast kan zijn»?4
Zoals ik eerder dit jaar antwoordde op vragen van het lid Van Toorenburg, zullen alleen betrouwbare en geschikte aanbieders in aanmerking komen voor een Nederlandse vergunning.5 Aanbieders die niettegenstaande de aanwijzingen van de kansspelautoriteit persisteren in hun onmiskenbaar op de Nederlandse markt gerichte aanbod moeten rekening houden met het feit dat dit een mogelijke vergunning in de toekomst in de weg zal staan.
Het beoordelen van de betrouwbaarheid en geschiktheid van individuele vergunningaanvragers is aan de kansspelautoriteit. De kansspelautoriteit weegt bij de betrouwbaarheidsbeoordeling alle relevante feiten en omstandigheden mee, waaronder aanwijzingen wegens het illegaal aanbieden van kansspelen op de Nederlandse markt. Bij iedere aanvraag wordt maatwerk geleverd.
Het kan gepast zijn dat illegaal opererende aanbieders een financiële sanctie krijgen wegens het overtreden van de Wet op de kansspelen. Het is aan de kansspelautoriteit om te bepalen of zij naast het reeds uitgevoerde handhavende optreden, ook over gaan tot het beboeten van de betrokken aanbieders.
Kunt u de beantwoording van deze vragen tevens separaat toezenden aan de Eerste Kamer in het kader van de huidige wetsbehandeling aldaar omtrent de Wet op de Kansspelen?
Alhoewel de beantwoording van Kamervragen openbaar is, zal ik tegemoet komen aan uw wens om de beantwoording separaat aan de Eerste Kamer te zenden. De overweging om de antwoorden op uw vragen te betrekken bij de wetsbehandeling omtrent de Wet op de kansspelen, laat ik aan de leden van de deze Kamer.
Kankerverwekkende stoffen in rubbergranulaat op kunstgrasvelden |
|
Hanke Bruins Slot (CDA) |
|
Edith Schippers (minister volksgezondheid, welzijn en sport) (VVD) |
|
![]() |
Wanneer wordt het plan van aanpak voor het onderzoek naar de risico's van spelen op kunstgras gepresenteerd?1 Op basis waarvan wordt een selectie van vijftig tot honderd kunstgrasvelden gemaakt waar monsters van worden genomen?
Het Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu (RIVM) stelt regelmatig informatie beschikbaar via zijn website over de stand van zaken van het onderzoek. Op 3 november heeft het RIVM het onderzoeksprotocol voor de analyse van de concentratie van verschillende stoffen op de website geplaatst. De selectie van de velden is willekeurig («random steekproef») en onder andere op basis van informatie van de KNVB, de Vereniging Sport en gemeente en van de branche. Bij het nemen van de steekproef is gelet op de locatie in Nederland, de leverancier van het materiaal, de ouderdom van het rubbergranulaat en de frequentie van het gebruik van het veld, zodat een representatief beeld van het rubbergranulaat in Nederland ontstaat. Er worden ook enkele Johan Cruijff velden en korfbalvelden bemonsterd. In de periode daarna is meer informatie beschikbaar gesteld, onder andere over de inhoud van het literatuuronderzoek en over de opzet van het onderzoek naar de blootstelling via verschillende routes.
Wordt in het door u aangekondigde onderzoek naast de korrels in kunstgras ook de rubbertegels meegenomen die op onder andere speelveldjes, trottoirs en stalvloeren worden gebruikt?
Het onderzoek zoals aangekondigd betreft in eerste instantie de mogelijke risico’s van rubbergranulaat. De mogelijke risico’s van rubbertegels, met name bij gebruik onder speeltoestellen worden door het RIVM apart beoordeeld. Wel zal gezocht worden naar samenhang.
Klopt het dat veel van de onderzoeken naar veiligheid van kunstgrasvelden, waaronder dat van IndusTox, is betaald door de kunstgrasfabrikanten, zoals beweerd wordt door de Australische onderzoeker John Orchard?2 Wordt hier door het Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu (RIVM) rekening mee gehouden bij het uitvoeren van het literatuuronderzoek dat nu uitgevoerd wordt?
Dit klopt ten dele. Het IndusTox onderzoek is betaald door een groot aantal partijen waaronder de kunstgrasfabrikanten, maar ook KNVB en NOC*NSF. Volgens de Europese REACH-regelgeving is de producent verantwoordelijk voor de veiligheid van diens product. Het RIVM is goed bekend met dit staand beleid. Het RIVM neemt dit altijd mee in zijn evaluaties.
Is het gebruikelijk dat het RIVM zich voor haar adviezen baseert op onderzoeken die slechts zeer beperkt in omvang zijn, zoals bij het onderzoek naar rubbergranulaat waar slechts onderzoek naar zeven volwassen mannen is gedaan, zonder gebruik van controlegroep?
Het RIVM advies is gebaseerd op meerdere studies. Het onderzoek met 7 sporters (de rapportage van Industox), was destijds de enige studie, waarin gekeken is naar de afbraakproducten van pak’s in het lichaam van sporters na contact met rubbergranulaat. Het RIVM heeft destijds reeds opgemerkt dat het onderzoek niet representatief was, noch in aantal deelnemers, noch in diversiteit. Dit betekent echter niet dat de resultaten van dit onderzoek – in combinatie met andere informatie – niet bruikbaar zijn.
Klopt het dat het vervangen van rubbergranulaat door bijvoorbeeld kurk per kunstgrasveld tussen de 50.000 en 80.000 euro kost?3 Kunt u daarnaast aangeven om hoe veel kunstgrasvelden dit in Nederland gaat?
Op dit moment worden de kosten voor vervanging van rubbergranulaat door kurk geschat tussen de € 100.000,– en de € 150.000,– per veld, mede afhankelijk van de leeftijd van het veld. Dit is inclusief het afvoeren van het eerder gebruikte rubbergranulaat en exclusief de kosten voor onderhoud. Het is niet precies duidelijk hoeveel kunstgrasvelden er in Nederland aanwezig zijn; de KNVB gaat uit van circa 1.800 waarvan circa 90% met rubber is ingestrooid.
Om welke reden heeft u begin dit jaar aan het RIVM gevraagd of zij aanleiding zagen om de conclusies van het Intron onderzoek uit 2007 bij te stellen, zoals u in uw brief van 7 oktober hebt aangegeven?4 Had u daar een concrete aanleiding voor?
Begin 2016 werd het Ministerie van VWS op de hoogte gebracht van de kanttekeningen die professor Berger had geplaatst bij het IndusTox-onderzoek. Hij heeft deze kanttekeningen uiteindelijk ook in de uitzending van Zembla van 7 oktober geplaatst. Omdat deze kanttekeningen uit wetenschappelijke hoek kwamen heb ik het RIVM gevraagd op deze kanttekeningen te reageren in relatie tot de eerder afgegeven opinie.
Op basis van welke wetenschappelijke onderzoeken baseert u uw uitspraak dat barbecueën gevaarlijker is voor de gezondheid dan spelen op een kunstgrasveld?5
Mensen worden dagelijks blootgesteld aan risico's. De beoordeling van risico's wordt bepaald door de ernst van mogelijke negatieve gevolgen en de kans op dergelijke gevolgen. Het RIVM heeft mij laten weten dat er meer wetenschappelijke onderbouwing is voor de beoordeling van risico's van barbecueën dan voor de beoordeling van het spelen op een kunstgrasveld. Dat betreft de blootstelling aan pak's als gevolg van het eten van verbrand vlees, de kans op voedselvergiftiging als gevolg van onvoldoende gaar vlees en de bootstelling aan dampen van de barbecue en fijn stof.
De Nederlandse positie inzake een AVVN-resolutie over een internationaal verbod op kernwapens |
|
Han ten Broeke (VVD) |
|
Bert Koenders (minister buitenlandse zaken) (PvdA) |
|
![]() |
Hoe verhoudt de in het kader van de 71ste AVVN opgestelde concept-resolutie van Mexico, Oostenrijk en andere landen (over de noodzaak om onderhandelingen te initiëren over een verdrag dat kernwapens verbiedt) zich tot bestaande NAVO-verplichtingen?
Hoeveel NAVO-bondgenoten hebben aangekondigd de resolutie te zullen steunen? En hoeveel NAVO-bondgenoten hebben tijdens de AVVN meeonderhandeld over de resolutie?
Hoe zou een «voor»-stem van een NAVO-bondgenoot zich verhouden tot de geldende doctrine die stelt dat de NAVO een «nucleaire alliantie» is, hetgeen alle NAVO-bondgenoten, inclusief Nederland, onlangs nog bevestigden in het communiqué van de NAVO-top in Warschau?1
Hoe zou een eventuele «voor»-stem van Nederland zich verhouden tot de nucleaire taak die Nederland in NAVO-verband heeft?
Hoe zou de resolutie, en later de aanvang van onderhandelingen over een verdrag dat kernwapens verbiedt, zich verhouden tot het Non-proliferatieverdrag (NPV)? Is het kabinet nog steeds van mening dat het NPV de hoeksteen zou moeten zijn van het nucleaire ontwapeningsbeleid? En is het kabinet van mening dat de resolutie het NPV zou uithollen? Zo neen, waarom niet?
Hoe beoordeelt het kabinet het nucleaire spierballenvertoon van de Russische Federatie, dat zich bijvoorbeeld manifesteert in de vorm van stationering van Iskander-raketten in Kaliningrad2 en de diverse opmerkingen over de gereedheid van het Russische nucleaire arsenaal?
Het bericht over Johan van Laarhoven en zijn vrouw Tukta |
|
Sjoerd Sjoerdsma (D66), Vera Bergkamp (D66) |
|
Bert Koenders (minister buitenlandse zaken) (PvdA) |
|
![]() |
Heeft u kennis genomen van het bericht «Onzekere Tijd voor Thailand»?1
Ja.
Waarop baseert u de stelling dat het niet in het voordeel van Van Laarhoven is om nu over zijn situatie te beginnen?
Het moment betrof 14 oktober jl., de dag nadat de Thaise Koning Bhumibol Adulyadej overleed en Thailand de eerste dag van een lange periode van rouw was ingegaan.
Van welke omstandigheden moet er sprake zijn voordat u het in het voordeel van Van Laarhoven acht om over zijn situatie te beginnen?
Ik ben goed bekend met de medische situatie en de detentieomstandigheden van de heer Van Laarhoven. Zoals in de antwoorden op eerdere Kamervragen over de situatie van de heer Van Laarhoven in september van dit jaar is aangegeven, onderhoudt de Nederlandse ambassade in Bangkok over zaken betreffende de detentieomstandigheden en gezondheid van de heer Van Laarhoven, mede op aangeven van de heer Van Laarhoven zelf, regelmatig contact met de penitentiaire instelling waar hij verblijft.
Omdat Thailand een land is waar de detentie-omstandigheden in het algemeen tekort schieten, komt de heer Van Laarhoven, net als alle andere Nederlandse gedetineerden in Thailand die hebben aangegeven consulaire bijstand te wensen, in aanmerking voor het «aanvullend maatwerkpakket» in het kader van het met de Tweede Kamer in 2014 afgesproken beleid voor Nederlandse gedetineerden in het buitenland 2). Zo krijgt ook de heer Van Laarhoven bezoeken van ambassademedewerkers, een maandelijkse gift, indien noodzakelijk medicijnen alsook extra zorg en socialisatie via Reclassering Nederland. De frequentie van de bezoeken door de ambassade in het kader van consulaire bijstand is afhankelijk van de situatie van de gedetineerde en de omstandigheden in de gevangenis. De ambassade in Bangkok heeft regelmatig en frequent contact gehad met de heer Van Laarhoven sinds zijn arrestatie, zowel tijdens bezoeken als per brief. In 2016 is de heer Van Laarhoven vijf keer door een medewerker van de ambassade bezocht, waavan één keer met een aan de ambassade verbonden arts. Verder werd de heer Van Laarhoven twee keer bezocht door een vrijwilliger van Reclassering Nederland alsook door een medewerker van Epafras.
De Nederlandse ambassade in Thailand onderhoudt proactief contact met de penitentiaire inrichting waar de heer Van Laarhoven verblijft. Na afloop van bezoeken aan hem door ambassademedewerkers wordt gesproken met de gevangenisleiding over het welzijn van de heer Van Laarhoven. Eventuele zorgen of misstanden worden in deze gesprekken aan de orde gesteld. De verantwoordelijkheid voor de detentieomstandigheden van heer Van Laarhoven ligt immers bij de lokale autoriteiten. In die gesprekken is onder andere de medische toestand van de heer Van Laarhoven onder de aandacht gebracht.
De situatie van de heer Van Laarhoven wordt ook proactief opgebracht bij elk contact met de relevante Thaise autoriteiten. Zo is in oktober jl. en marge van mijn bezoek op directeursniveau contact geweest met het Thaise Ministerie van Buitenlandse Zaken met de boodschap dat Nederland het van belang acht dat de Thaise autoriteiten de zaak van de heer Van Laarhoven goed in de gaten houden, in het bijzonder is aangedrongen op goede omstandigheden in de gevangenis en een spoedige rechtsgang. Ook is in oktober jl. de zaak van de heer Van Laarhoven op directeursniveau opgebracht tijdens het Global Consular Forum in Seoul, met dezelfde boodschap en bijzondere aandacht voor de benodigde medische zorg.
De heer Van Laarhoven heeft hoger beroep ingesteld tegen zijn veroordeling. In contacten met de Thaise overheid dringt het Ministerie van Buitenlandse Zaken aan op een spoedige rechtsgang.
In het antwoord van 7 april 2016 (nr. 2218) op vragen van uw Kamer gaf ik aan dat Nederland geen consulaire bijstand kan verlenen aan de partner van de heer Van Laarhoven, omdat die niet de Nederlandse maar de Thaise nationaliteit heeft. Het Verdrag van Wenen inzake consulaire betrekkingen maakt alleen de toegang tot gedetineerden met de nationaliteit van de zendstaat mogelijk.
Zolang de rechtsgang in Thailand nog niet geheel is doorlopen, kan nog geen sprake zijn van eventuele overbrenging naar Nederland. Mocht deze situatie zich voordoen, dan zal ik hiervoor vanzelfsprekend aandacht vragen.
Wat bent u te weten gekomen over de situatie van Johan van Laarhoven en zijn vrouw in uw gesprekken met ambassademedewerkers?
Zie antwoord vraag 3.
Hebben de ambassademedewerkers advies gegeven over hoe en wanneer u de Thaise autoriteiten aan kan spreken over de situatie van Van Laarhoven en zijn vrouw? Zo nee, waarom niet en waarom heeft u hier niet om gevraagd? Zo ja, hoe luidde dit advies?
Zie antwoord vraag 3.
Heeft u nog van andere instanties of medewerkers advies gekregen over hoe en wanneer u het beste in gesprek kan treden met de Thaise autoriteiten over Johan van Laarhoven en zijn vrouw? Zo ja, hoe luidde dit advies? Zo nee, waarom niet en waarom heeft u hier niet om gevraagd?
Zie antwoord vraag 3.
Heeft u Johan van Laarhoven en zijn vrouw Tukta bezocht? Zo ja, waarover heeft u gesproken tijdens dit bezoek? Zo nee, waarom heeft u hen niet bezocht?
Zie antwoord vraag 3.
Wat bedoelt u met uw uitspraak dat het van belang is dat het hoger beroep van Van Laarhoven niet te lang duurt? Wanneer duurt het hoger beroep volgens u te lang?
Zie antwoord vraag 3.
Spant u zich op enigerlei wijze in om de omstandigheden waarin Johan van Laarhoven en zijn vrouw Tukta zich bevinden te verbeteren? Zo ja, op wat voor wijze? Zo nee, waarom niet?
Zie antwoord vraag 3.
Heeft u zich in verleden ingespannen om de omstandigheden waarin Johan van Laarhoven en zijn vrouw Tukta zich bevinden te verbeteren? Zo ja, op wat voor wijze? Zo nee, waarom niet?
Zie antwoord vraag 3.
Spant u zich op enigerlei wijze in om Johan van Laarhoven en zijn vrouw Tukta naar Nederland te krijgen? Zo ja, op wat voor wijze? Zo nee, waarom niet?
Zie antwoord vraag 3.
Heeft u ooit met uw Thaise ambtscollega’s gesproken over Van Laarhoven en zijn vrouw? Zo ja, waarover heeft u gesproken? Zo nee, waarom niet?
Zie antwoord vraag 3.
Wilt u in de toekomst in gesprek gaan met uw Thaise ambtscollega’s om zo Van Laarhoven en zijn vrouw naar Nederland te halen? Zo ja, hoe wilt u dit bewerkstelligen? Zo nee, waarom niet?
Zie antwoord vraag 3.
Het bericht “Beveiligingsteam Oranjes bende” |
|
Lilian Helder (PVV) |
|
Ard van der Steur (minister justitie en veiligheid) (VVD) |
|
![]() |
Kent u het bericht «Beveiligingsteam Oranjes bende»?1
Ja.
Zijn de in dat artikel geuite mededelingen juist? Zo ja, wat gaat u hier per direct aan doen?
De in het artikel geuite mededelingen zijn beweringen die onderwerp zijn van twee verschillende soorten onderzoeken. In de eerste plaats is een extern onderzoek uitgevoerd naar cultuur, werkverhoudingen en leiderschap binnen de Dienst Bewaken en Beveiligen.
Het onderzoeksrapport geeft aanleiding tot verbetermaatregelen gericht op:
De verbetermaatregelen zullen gezamenlijk met de medewerkers worden aangepakt om zo het vertrouwen in elkaar en de organisatie te herstellen.
Naar aanleiding van het rapport heeft het huidige hoofd van de Dienst Bewaken en Beveiligen in goed overleg met de politiechef besloten dat hij zijn functie beschikbaar stelt.
In de tweede plaats heeft de afdeling Veiligheid, Integriteit en Klachten naar aanleiding van de signalen binnen de Dienst Bewaken en Beveiligen een oriënterend onderzoek uitgevoerd naar mogelijk plichtsverzuim binnen de dienst. Van de politiechef van de Landelijke Eenheid heb ik begrepen dat dit onderzoek geen aanknopingspunten voor plichtsverzuim of integriteitsschendingen heeft opgeleverd.
Hoe heeft het zo ver kunnen komen dat er inmiddels sprake is van een «volledig verziekte sfeer» en dat er zelfs wordt gesproken over corruptie?
De herkomst van deze kwalificaties is mij niet bekend. De hierboven genoemde onderzoeken zijn erop gericht om meer duidelijkheid te krijgen over wat er speelt binnen de dienst.
Deelt u de mening dat de betreffende situatie al veel te lang heeft geduurd omdat er inmiddels een klokkenluider is en deze persoon al 17 maanden thuis zit vanwege een conflict met de leiding? Zo nee, waarom niet?
De betreffende medewerker heeft zich in juni 2016 gemeld in het kader van de klokkenluidersregeling. Bij het onderzoek op grond van deze melding van vermeende misstanden binnen de dienst geldt dat zorgvuldigheid boven snelheid gaat. Overigens is de bewering dat deze persoon al 17 maanden thuis zit vanwege een conflict met de leiding onjuist. Sinds vijf maanden is de betreffende medewerker met buitengewoon verlof vanwege de ontstane situatie.
Waarom worden er steeds onderzoeken gedaan in plaats van naar de mensen op de werkvloer te luisteren?
Naar aanleiding van signalen van medewerkers zijn de eenheidsleiding van de Landelijke Eenheid en de dienstleiding Bewaken en Beveiligen gestart met gesprekken met medewerkers, vakbond en ondernemingsraad om de signalen te concretiseren. Om deze signalen nader te duiden is in aanvulling daarop in de zomer een onafhankelijk onderzoek gestart naar cultuur, werkverhoudingen en leiderschap binnen de Dienst Bewaken en Beveiligen. Alle medewerkers die hebben aangegeven gehoord te willen worden, zijn daadwerkelijk gehoord.
Waarom wordt een onderzoek naar de bedrijfscultuur afgewacht dat duidelijk niet onafhankelijk wordt uitgevoerd?
Een van de onderzoekers heeft een politieachtergrond en kent daardoor mensen binnen de politieorganisatie. De ondernemingsraad van de Landelijke Eenheid en de betrokken vakbond zijn daarvan in kennis gesteld. Het onderzoek wordt begeleid door een commissie waarin onder meer de ondernemingsraad en vakbond zitting hebben. Deze samenstelling moet de onafhankelijkheid en objectiviteit van het onderzoek waarborgen. Bij het inhuren van dit bureau zijn bovendien de aanbestedingsregels- en procedures correct gevolgd.
Deelname aan onderhandelingen over een internationaal verbod op kernwapens |
|
Michiel Servaes (PvdA), Selçuk Öztürk (GrKÖ), Harry van Bommel , Rik Grashoff (GL), Sjoerd Sjoerdsma (D66), Marianne Thieme (PvdD), Joël Voordewind (CU) |
|
Bert Koenders (minister buitenlandse zaken) (PvdA) |
|
![]() ![]() ![]() ![]() ![]() |
Herinnert u zich de motie van het lid Servaes c.s. over «doeltreffende maatregelen, waaronder de start van onderhandelingen over een internationaal verbod op nucleaire wapens»1 en de motie van het lid Sjoerdsma c.s. over inhoudelijk deelnemen aan internationale besprekingen over een dergelijk verdrag?2
De schriftelijke vragen van de leden Sjoerdsma (D66), Servaes (PvdA), Van Bommel (SP), Voordewind (ChristenUnie), Grashoff (GroenLinks), Thieme (PvdD) en Öztürk (Groep Kuzu/Öztürk), vraagnummer 2016Z19120, zijn beantwoord middels de brief «Onderhandelingen over een internationaal verbod op kernwapens» (Kamerstuk 33 783, nr. 23).
Begrijpt u dat een meerderheid van de Tweede Kamer, gezien de aangenomen moties, een vóórstem had verwacht bij de stemmingen over het rapport van de Open Ended Working Group (OEWG) over nucleaire ontwapening waarin onder meer de aanbeveling is opgenomen om in 2017 te starten met onderhandelen over een nieuw juridisch instrument om kernwapens te verbieden en te elimineren?
Zie antwoord vraag 1.
Kunt u specifiek toelichten waarom Nederland niet in kon stemmen met paragraaf 67 van het OEWG-rapport waarin deze aanbeveling is opgenomen? Kunt u aangeven waarom deze paragraaf «afbreuk deed aan jaren werk» en «zowel het gehele NPV-acquis als het Nederlands beleid van de laatste 25 jaar» ondermijnde, zoals u stelt in het recente Schriftelijk Overleg over de Algemene Vergadering van de Verenigde Natioes (AVVN)?3
Zie antwoord vraag 1.
Is het niet juist zo dat in het eindrapport bewust ruimte is gelaten voor verschillen van inzicht tussen de deelnemende landen aan de OEWG over de waarde van andere maatregelen voor non-proliferatie en nucleaire ontwapening?
Zie antwoord vraag 1.
Kunt u meer inzicht geven in het verloop van de discussie over dit thema binnen de NAVO? Op welke wijze heeft Nederland getracht om bruggen te bouwen tussen NAVO-landen en overige deelnemers aan de OEWG?
Zie antwoord vraag 1.
Bent u er zich van bewust dat er op dit moment in de AVVN een resolutie voorligt van Oostenrijk, Ierland, Mexico, Brazilië, Zuid-Afrika en Nigeria om in 2017 in VN-verband te gaan onderhandelen over een internationaal verbod op kernwapens? Bent u bereid deze resolutie mede te ondertekenen? Zo nee, waarom niet, en hoe verhoudt zich dit dan tot de aangenomen motie Servaes c.s?
Zie antwoord vraag 1.
Bent u bereid om bij de stemmingsronde over de ingediende resoluties bij de AVVN vóór de resolutie van Oostenrijk, Ierland, Mexico, Brazilië, Zuid Afrika en Nigeria, om in 2017 in VN-verband te gaan onderhandelen over een internationaal verbod op kernwapens, te stemmen? Zo nee, waarom niet, en hoe verhoudt zich dit dan tot de aangenomen motie Servaes c.s?
Zie antwoord vraag 1.
Deelt u de inschatting dat de resolutie zeer waarschijnlijk aangenomen zal worden door een meerderheid van landen binnen de AVVN?
Zie antwoord vraag 1.
Indien dit inderdaad het geval is en er daadwerkelijk een conferentie in 2017 zal plaatsvinden over een verdrag voor een verbod op nucleaire wapens, bent u dan nog altijd voornemens om conform de motie Sjoerdsma c.s. deel te nemen aan deze internationale bijeenkomst?
Zie antwoord vraag 1.
Bent u bereid deze vragen uiterlijk 21 oktober te beantwoorden, dus nog voordat de daadwerkelijke stemming plaatsvindt over de resolutie waarin wordt voorgesteld om in 2017 te gaan onderhandelen over een internationaal verbod op kernwapens?
Zie antwoord vraag 1.
Het bericht dat het beveiligingsteam van de oranjes een bende is |
|
Nine Kooiman |
|
Ard van der Steur (minister justitie en veiligheid) (VVD) |
|
Heeft u kennisgenomen van het bericht dat het beveiligingsteam van de Oranjes een bende is?1
Ja.
Was u op de hoogte van de problemen bij de Dienst Bewaken en Beveiligen? Zo ja, wanneer bent u hierover geïnformeerd?
Op 22 april jl. berichtte de Telegraaf over onrust bij medewerkers van de Dienst Bewaken en Beveiligen van de Landelijke Eenheid. Volgens het bericht zou onvrede bestaan bij medewerkers en zou de werkdruk en het ziekteverzuim te hoog zijn. Ik ben door de korpschef op de hoogte gesteld van de situatie bij deze dienst. Conform mijn toezegging in het mondelinge vragenuur van 26 april jl., heb ik uw Kamer in mijn voortgangsbrief Politie2 d.d. 20 juni jl. nader geïnformeerd over de voortgang van de maatregelen die bij de dienst in gang zijn gezet. Voor de huidige stand van zaken met betrekking tot de maatregelen verwijs ik u naar het antwoord op vraag 4.
Hoe beoordeelt u het feit dat er iemand tegen wie een corruptieonderzoek is gestart nog steeds aan het werk is?
De afdeling Veiligheid, Integriteit en Klachten heeft naar aanleiding van signalen binnen de Dienst Bewaken en Beveiligen een oriënterend onderzoek uitgevoerd naar mogelijk plichtsverzuim binnen de dienst. De eenheidsleiding concludeerde dat het grootste deel van de meldingen van integriteitsschending ongegrond is. Waar wel integriteitsschendingen hebben plaatsgevonden, zijn die collega’s destijds berispt.
Wat gaat u voor actie ondernemen om de Dienst Bewaken en Beveiligen weer op orde te krijgen?
Naar aanleiding van signalen van medewerkers zijn de eenheidsleiding van de Landelijke Eenheid en de dienstleiding Bewaken en Beveiligen dit voorjaar gestart met gesprekken met medewerkers, ondernemingsraad en vakbond. Op basis daarvan zijn diverse maatregelen in gang gezet om, samen met de ondernemingsraad en medewerkers, verbeteringen door te voeren. Om de signalen van medewerkers nader te concretiseren en te duiden, is een extern onderzoek uitgevoerd naar cultuur, werkverhoudingen en leiderschap binnen de dienst. De resultaten daarvan zijn aan de medewerkers bekend gemaakt. Het onderzoeksrapport geeft aanleiding tot verbetermaatregelen gericht op:
De verbetermaatregelen zullen gezamenlijk met de medewerkers worden aangepakt om zo het vertrouwen in elkaar en de organisatie te herstellen.
Naar aanleiding van het rapport heeft het huidige hoofd van de Dienst Bewaken en Beveiligen in goed overleg met de politiechef besloten dat hij zijn functie beschikbaar stelt.
Kunt u garanderen dat de medewerkers hun werk veilig kunnen doen? Zo nee, wat gaat u hierop ondernemen?
De Dienst Bewaken en Beveiligen staat voor een veilige uitvoering van het werk door de medewerkers. De aard van de taak brengt echter veiligheidsrisico’s met zich mee. Binnen de dienst is daarom veel aandacht voor de veiligheid door opleiding, training, uitrusting en evaluatie. De medewerkers zijn actief betrokken bij de invulling hiervan.
Wat gaat u doen om te zorgen dat de medewerkers wel voldoende geschoold worden?
De medewerkers van de Dienst Bewaken en Beveiligen zijn voldoende geschoold. Er wordt jaarlijks een trainingsjaarplan opgesteld. Na ieder trainingsblok wordt geëvalueerd, waarna zo nodig bijstelling van de trainingen plaatsvindt. De trainingen staan onder leiding van docenten en ervaren persoonsbeveiligers, zodat didactiek en vakkennis elkaar aanvullen. In de jaarplanning staan momenten gereserveerd voor specifieke casuïstiek-training.
Bent u bereid het in het artikel genoemde onderzoeksrapport naar de Kamer te sturen?
Het onderzoeksrapport betreft een intern onderzoek met als doel om de achterliggende oorzaken van de signalen van onrust en onvrede binnen de Dienst Bewaken en Beveiligen aan te pakken. Het rapport zal op korte termijn ter inzage voor worden gelegd aan de medewerkers. Tegelijkertijd zal het rapport ter vertrouwelijke inzage aan uw Kamer beschikbaar worden gesteld.
Voor de verbetermaatregelen op basis van het onderzoek, verwijs ik u naar het antwoord op vraag 4.
Kunt u garanderen dat de mensen die beveiligd worden door de Dienst Bewaken en Beveiligen naar beste kunnen worden beveiligd? Zo nee, wat gaat u hierop ondernemen?
Bij de leiding van de Dienst Bewaken en Beveiligen, noch bij de Coördinator Bewaken van Beveiligen van de NCTV, die het gezag heeft over de persoonsbeveiliging van personen in het Rijksdomein, zijn signalen bekend dat de uitvoering van de beveiliging niet naar behoren zou zijn.
Vindt u dat het onderzoek dat nu plaatsvindt voldoende onafhankelijk is? Zo ja, wat is uw reactie op het feit dat de onderzoeker banden heeft met de baas van de Dienst Bewaken en Beveiligen? Zo nee, bent u bereid een onafhankelijk onderzoek te starten naar de problemen binnen de Dienst Bewaken en Beveiligen?
Een van de onderzoekers heeft een politieachtergrond en kent daardoor mensen binnen de politieorganisatie. De ondernemingsraad van de Landelijke Eenheid en de betrokken vakbond zijn daarvan in kennis gesteld. Het onderzoek wordt begeleid door een commissie waarin onder meer de ondernemingsraad en vakbond zitting hebben. Deze samenstelling moet de onafhankelijkheid en objectiviteit van het onderzoek waarborgen. Bij het inhuren van dit bureau zijn bovendien de aanbestedingsregels- en procedures correct gevolgd.
Aalbeheerplannen in relatie tot de Europese aalverordening |
|
Lutz Jacobi (PvdA) |
|
Martijn van Dam (staatssecretaris economische zaken) (PvdA) |
|
![]() |
Voldoet de huidige visserij aan de hersteldoelstellingen uit de Europese aalverordening?1 Leidt de huidige aanpak tot voldoende herstel van het aalbestand?
Zoals aangegeven in mijn brief van 21 maart jl. (Kamerstuk 32 201, nr. 81) bevat het Nederlandse aalbeheerplan (2009) een breed scala aan maatregelen, welke moeten leiden tot het herstel van het aalbestand in Nederland. Van deze maatregelen hebben de visserijgerelateerde maatregelen tot nu toe het meeste resultaat opgeleverd. Dit blijkt uit het evaluatierapport van het Nederlandse aalbeheerplan van IMARES uit 2015. Over de maatregelen en resultaten rapporteren de lidstaten iedere drie jaar aan de Europese Commissie. Tot nu toe geeft de evaluatie geen aanleiding om de aalbeheerplannen aan te scherpen. Uit de evaluatie van 2015 bleek de visserijsterfte licht gedaald. Of de maatregelen uit het Nederlandse aalbeheerplan samen met die van de andere lidstaten op termijn het gewenst effect zullen hebben, valt op dit moment niet met zekerheid te stellen. Omdat de huidige maatregelen een lichte daling van de visserijsterfte tot gevolg hebben, zie ik op dit moment geen reden voor aanpassing van de visserij. Wel is een blijvende inspanning noodzakelijk.
Is er nog visserij op aal mogelijk, zowel ecologisch als economisch, als we vasthouden aan de veertig procent ontsnapping zoals bedoeld in de Europese aalverordening en de adviezen van eerdere commissies, waaronder de Commissie Eijsackers?2
Zie antwoord vraag 1.
Hoe verhoudt uw uitgangspunt dat de sector verantwoordelijk is voor betrouwbare controle- en handhavingssystemen (inclusief financiering) zich tot de geringe nalevingsbereidheid van de sector?3
De geringe nalevingsbereidheid op het IJsselmeer is een grote zorg. De brief hierover (Kamerstuk 29 664, nr. 153) gaat specifiek om de problemen op het IJsselmeer en ik wil deze niet breder trekken.
Mijn ministerie stelt strenge voorwaarden aan de registratie van de vangsten en de controle- en handhavingssystemen van de sector. Bij de aanvraag van een ontheffing wordt hier op getoetst. Zo moeten bij de krabbenregeling controles onverwachts plaatsvinden door onafhankelijke controleurs en zijn vooraf voldoende afschrikwekkende sancties vastgesteld voor de verschillende overtredingen. Een visser kan bij een ernstige overtreding voor twee jaar uitgesloten worden van de regeling.
Elk jaar rapporteert de sector de resultaten van de controle- en handhaving. Op basis hiervan bepaald mijn ministerie, in overleg met de sector, of en zo ja hoe het controle- en handhavingsplan verder aangescherpt moet worden.
Het te vaak urgent uitrukken van ambulances door een nieuw triagesysteem |
|
Renske Leijten , Henk van Gerven |
|
Edith Schippers (minister volksgezondheid, welzijn en sport) (VVD) |
|
Wat is uw reactie op de enquête van De Monitor onder 640 medewerkers in de ambulancezorg waaruit blijkt dat volgens 85,6% van hen, ambulanceritten in zijn of haar regio te vaak een onterecht hoge urgentie krijgen?1
Ik heb ook signalen gekregen over een toename van ambulanceritten waarvan eenmaal ter plaatse blijkt dat de ambulance niet met spoed had hoeven uitrukken. Dit kan betekenen dat er op dat moment niet direct een ambulance beschikbaar is voor een ander wel acuut geval. Ik heb overigens geen signalen dat er als gevolg van de triagesystematiek gezondheidsschade bij patiënten is ontstaan.
Herkent u het beeld dat dit tot onwenselijke (medische) situaties leidt, zoals het niet kunnen vrijmaken voor een urgenter spoedgeval of zelfs gezondheidsschade bij patiënten? Kunt u uw antwoord toelichten?
Zie antwoord vraag 1.
Herkent u tevens het beeld dat het aantal spoedritten aanzienlijk toeneemt en dat het te vaak voorkomt dat de inzet van een ambulance eigenlijk niet nodig was? Kunt u uw antwoord wederom nader toelichten?
Zie antwoord vraag 1.
Heeft u er zicht op of de toename van het aantal spoedritten ook geleid heeft tot meer ongevallen waarbij ambulances betrokken zijn? Zo ja, bent u bereid die gegevens met de Kamer te delen? Zo nee, bent u bereid dit te laten onderzoeken?
Ongevallen met ambulances worden op dit moment niet landelijk geregistreerd. Ambulancezorg Nederland heeft mij laten weten dat deze meldingen in de toekomst in de landelijke registratie worden opgenomen.
Heeft de toename van het aantal spoedritten ook aantoonbaar geleid tot meer gezondheidsschade bij patiënten die hierdoor langer op een ambulance moesten wachten? Zo ja, kunt u die gegevens de Kamer doen toekomen?
Er is geen cijfermatig inzicht in de effecten van ambulancezorg in termen van gezondheidswinst of gezondheidsschade.
Vindt u dat zorgverzekeraars voldoen aan hun zorgplicht, wanneer de jarenlange toename van het aantal spoedritten niet heeft geleid tot meer ambulances maar wel tot onwenselijke (medische) situaties? Kunt u uw antwoord toelichten?
De NZa heeft onderzoek gedaan naar de manier waarop verzekeraars omgaan met de zorgplicht in de ambulancezorg. Ik heb uw Kamer in april jl. geïnformeerd over de uitkomsten van dit onderzoek2. Inmiddels zijn alle verbeterplannen door de NZa beoordeeld. De zorgverzekeraars in de regio’s waar de responstijden niet worden gehaald moeten vanaf 2017 twee keer per jaar aan de NZa rapporteren over de voortgang, tot de responstijden wel worden gehaald en zij voldoen aan de zorgplicht.
Bent u het eens met de medewerkers in de ambulancezorg dat de hoofdoorzaak hiervan het triagesysteem is waarmee de meldkamers sinds enige tijd werken? Zo nee, waarom ziet 76,7% van de respondenten het volgens u verkeerd?
Dit is wel het signaal dat ik heb gekregen. Ik heb naar aanleiding daarvan meer informatie gevraagd. Ambulancezorg Nederland heeft mij laten weten dat zij voornemens is een beperkt onderzoek uit te laten voeren naar de relatie tussen ondersteunende triagesystemen en risicobeheersing. Het thema risicobeheersing heeft met name betrekking op de discussie rond onder- en overtriage.
Kunt u zich uw antwoord op eerdere vragen in 2014 herinneren, waarin u zegt dat, gezien de destijds recent gestarte en gefaseerde introductie van de triagesystemen (NTS en ProQA), het niet mogelijk is de ritgegevens te koppelen aan de systemen waarmee de meldkamers werken?2
Ja.
Bent u twee jaar later inmiddels wel in staat het verband te leggen tussen de toename van het aantal spoedritten en het geprotocolleerd werken? Zo ja, wat is dit verband nu? Zo nee, bent u bereid dit te laten onderzoeken?
Ik wacht de evaluaties af en het onderzoek van Ambulancezorg Nederland, zie antwoord op vraag 10.
Zijn er volgens u ook nog verschillen op te merken uit de twee voorkomende type triagesystemen, te weten NTS en ProQA? Zo ja, wat zijn die verschillen? Zo nee, bent u bereid dit te laten onderzoeken?
De triagesystemen zijn rond 2012 geïmplementeerd. De sector heeft in 2014 de verschillen en overeenkomsten tussen NTS en ProQA in beeld gebracht, waarbij is ingezoomd op de onderwerpen werkwijze, taken en verantwoordelijkheden, samenwerking en kwaliteit. Beide triagesystemen zijn ondersteunende systemen, de keuze voor het ene of andere systeem is een verantwoordelijkheid van de individuele RAV. De meeste RAV’s hebben, nu een aantal jaren ervaring is opgedaan met de triagesystemen, een evaluatiemoment ingebouwd. Een uitkomst van een evaluatie kan zijn dat een RAV overstapt naar een ander triagesysteem. Op dit moment vinden in een aantal regio’s evaluaties plaats. De individuele RAV’s bepalen wanneer zij evalueren.
Ambulancezorg Nederland heeft mij laten weten dat zij voornemens is een beperkt onderzoek uit te laten voeren naar de relatie tussen ondersteunende triagesystemen en risicobeheersing. Het thema risicobeheersing heeft met name betrekking op de discussie rond onder- en overtriage.
Kunt u zich de uitspraak van een voormalig ambulancechauffeur voorstellen die gestopt is met het werk omdat hij de «onzinritten spuugzat was»?
Ik kan mij voorstellen dat ambulancepersoneel zinnige ritten wil maken en onnodig uitrijden wil voorkomen.
Zijn er maatregelen te treffen zodat het ambulancepersoneel zichzelf, patiënten en overige weggebruikers niet langer onnodig in gevaar hoeft te brengen? Kunt u uw antwoord toelichten?
Het is goed om te illustreren dat in de helft van het aantal ambulanceritten sprake is van een A1 urgentie waarbij met zwaailicht en sirene wordt gereden. Bij de overige ritten is dit niet het geval. Ik vind het van groot belang dat ambulancemedewerkers werken onder veilige omstandigheden. Daarom wordt er ook veel aandacht besteed aan de opleiding en periodieke bijscholing van ambulancechauffeurs zodat zij goed zijn toegerust voor het rijden onder bijzondere omstandigheden. Eventuele overige maatregelen overweeg ik na de evaluaties en het onderzoek dat loopt.
Moeten er geen aanpassingen plaatsvinden aan de manier van (geprotocolleerd) werken om de veiligheid te garanderen en het aantal onnodige spoedritten terug te dringen?
Dat acht ik heel goed mogelijk. Ik besluit dit zonodig na ommekomst van de evaluaties en onderzoeken.
Het bericht dat de ouderenzorg verstopt raakt |
|
Fleur Agema (PVV) |
|
Martin van Rijn (staatssecretaris volksgezondheid, welzijn en sport) (PvdA) |
|
![]() |
Bent u bekend met de uitzending van Max Meldpunt met de titel «Ouderenzorg raakt verstopt»?1
Ja.
Gevraagd is naar de ontwikkeling van de groeiruimte voor de contracteerruimte sinds 2010. Uit de vraagstelling komt een beeld naar voren van een sterk afnemende groeiruimte voor de cliënten die op langdurige zorg zijn aangewezen. Dit beeld is om een aantal redenen niet terecht.
In mijn antwoord zal ik eerst de ontwikkeling van de groeiruimte voor zorg in natura binnen de contracteerruimte schetsen. Deze is opgenomen in tabel 1. Daaruit komt inderdaad een beeld naar voren van een lagere groeiruimte voor de contracteerruimte in de laatste jaren. Daarbij past echter een belangrijke nuance. Bij de invoering van de Wlz is het pgb als een volwaardige leveringsvorm vastgelegd. Hiermee is de keuzevrijheid van cliënten vergroot. Vanaf 2015 zijn de groeimiddelen voor de langdurige zorg in lijn met de voorkeuren van de cliënten in grotere mate ingezet voor pgb (en in mindere mate voor zorg in natura). Daarbij geldt dat er binnen de Wlz sprake is van één totaalkader voor zorg in natura en pgb. Wlz-uitvoerders hebben de mogelijkheid om, mits men binnen het totale kader blijft, middelen te verschuiven tussen zorg in natura en pgb. Daarmee is de scheidslijn tussen de groeiruimte voor zorg in natura en pgb binnen de Wlz minder scherp dan bij de AWBZ. Dat betekent ook dat de middelen die ik vanaf 2015 gedurende het jaar heb toegevoegd aan het Wlz-kader zijn te beschouwen als «onverdeeld». Deze middelen zijn toegevoegd voor groei van de Wlz-aanspraken, waarbij Wlz-uitvoerders deze afhankelijk van de voorkeuren van hun cliënten kunnen inzetten via de inkoop van zorg in natura of door het verstrekken van een pgb.
Om een integraal beeld te schetsen van de groeiruimte voor cliënten die op langdurige zorg zijn aangewezen brengt tabel 2 de totale groeiruimte in beeld. Tabel 2 laat zien dat de totale groeiruimte voor de langdurige zorg sinds de invoering van de Wlz per 2015 op een niveau ligt van 2,2% à 2,5% van het Wlz-kader.
Deze percentages zijn hoger dan de groei die bij aanvang voor deze jaren beschikbaar is gesteld (de demografische groei van 1,4%). Op basis van monitoring en advisering door de NZa zijn namelijk extra middelen beschikbaar gesteld. Daarmee is de gestegen zorgvraag in die jaren opgevangen. Voor 2017 is via de definitieve kaderbrief op voorhand een extra bedrag van € 220 miljoen beschikbaar gesteld. Daarmee komt de totale beschikbare ruimte in 2017 uit op € 470 miljoen (2,4%). Dit ligt in lijn met de volumegroei van 2,4% per jaar die het CPB in haar recente middellangetermijnraming 2018–2021 heeft geraamd voor de Wlz2.
Voor de jaren 2018–2021 wordt de groeiruimte volgend jaar door het nieuwe kabinet vastgesteld. Deze is daarom niet in de tabel opgenomen. Op basis van de MLT-raming zou zoals hiervoor aangegeven een groeiruimte van 2,4% resulteren.
* De groeiruimte voor de contracteerruimte van de AWBZ voor de jaren 2010–2014 is toegelicht in de Regeling aanwijzing ex artikel 7 Wet marktordening gezondheidszorg voor de betreffende jaren («aanwijzing contracteerruimte AWBZ»)3. De hoogte van de contracteerruimte 2010–2014 is gebaseerd op de publicaties hierover van de NZa4. De groeiruimte en hoogte van het Wlz-kader (contracteerruimte en pgb) is toegelicht in de brieven over het Wlz-kader5.
* De groeiruimte voor de contracteerruimte van de AWBZ voor de jaren 2010–2014 is toegelicht in de Regeling aanwijzing ex artikel 7 Wet marktordening gezondheidszorg voor de betreffende jaren («aanwijzing contracteerruimte AWBZ»)6. De hoogte van de contracteerruimte 2010–2014 is gebaseerd op de publicaties hierover van de NZa7. De groeiruimte en hoogte van het Wlz-kader (contracteerruimte en pgb) is toegelicht in de brieven over het Wlz-kader8.
Bij de cijfers in tabel 1 en 2 past een aantal opmerkingen.
Wat is uw oordeel over het feit dat er nu al 6000 thuiswonende ouderen met een hoge zorgzwaarte-indicatie (ZZP5 en hoger) op de wachtlijst staan van een verpleeghuis?
Het aantal van 6 duizend wachtenden dat omroep MAX noemt, betreft praktisch alleen wachtenden die hun intramurale indicatie (nog) niet verzilveren. Zij krijgen doorgaans al zorg vanuit de Wlz in de thuissituatie. Ik heb de Kamer op 3 november 2016 de resultaten van het onderzoek naar de wachtlijsten en mijn beleidsreactie daarop aangeboden9.
Waarop is de raming gebaseerd waarnaar in de uitzending wordt verwezen (uw brief van 5 juli 2016 met bijlage 153198-LZ) over de ontwikkeling van het aantal verpleeghuizen en de raming voor de toekomst?2
Naar aanleiding van vragen van het Kamerlid Bergkamp (D66) over de ramingen ontwikkeling verpleeghuizen 2016–2021 (Aanhangsel Handelingen, vergaderjaar 2016–2017, nr. 232) heb ik in mijn beantwoording van 18 oktober 2016 (Aanhangsel Handelingen, vergaderjaar 2016–2017, nr. 232) toegelicht waarop deze raming is gebaseerd. Bij de beantwoording heb ik aangegeven dat het om een technische raming ging die ik heb opgesteld op verzoek van de Tweede Kamer en waarbij een aantal veronderstellingen is gemaakt. Een van de punten waarop een veronderstelling nodig was, betrof het
feit dat de groeiruimte voor de periode 2018–2021 nog niet bekend is. In de beantwoording is daarom uitgegaan van een voorzichtige veronderstelling met betrekking tot de groeiruimte van 1,4% op basis van de demografische ontwikkelingen. De feitelijke groeiruimte voor de periode tot 2021 zal zoals ik hiervoor ook aangaf worden vastgesteld door het volgende kabinet. In de eerder genoemde MLT 2018–2021 van het CPB raamt het CPB een volumegroei voor de Wlz van 2,4%. Dat bevestigt dat het uitgangspunt van 1,4% groei in de technische raming voorzichtig was.
Hoe rijmt u het dat, hoewel de raming laat zien dat het aantal plekken gemiddeld met 1000 per jaar zal stijgen, de groeiruimte voor de Wlz steeds verder afneemt?
Zoals ik heb laten zien in tabel 2 ligt de groeiruimte van circa 2,4% in de Wlz in lijn met de geraamde volumegroei voor de Wlz door het CPB in haar recente MLT 2018–2021. Daarbij geldt dat de groeiruimte voor het totale kader van de langdurige zorg de afgelopen jaren redelijk stabiel was. Er is dus geen sprake van een afnemende groeiruimte. De groeiruimte voor de komende jaren zal het nieuwe kabinet naar verwachting baseren op de MLT van het CPB en eventueel te nemen beleidsmaatregelen.
Hoe rijmt u de fors afnemende groeiruimte met de groei van het aantal mensen met een Wlz-indicatie de komende jaren, aangezien de komende veertien jaar (tot 2030) het aantal 70-plussers met 50 procent zal groeien?
Zie het antwoord op vraag 5. Er is geen sprake van een fors afnemende groeiruimte.
Klopt het dat de groeiruimte voor de contracteerruimte van de AWBZ/Wlz niets meer is dan een knop om aan te draaien en dat de hoogte ervan nergens op gebaseerd is?
Nee. De groeiruimte voor de AWBZ/Wlz is gebaseerd op de middellangetermijnramingen (MLT) voor de zorg van het Centraal Planbureau. Het kabinet bepaalt vervolgens de groeiruimte die beschikbaar wordt gesteld.
Cijfermatig zijn de sommen onder punt a en punt b correct. Daarbij gelden echter wel een aantal kanttekeningen. Tabel 1 bij antwoord 2 laat de gerealiseerde groeiruimte zien in de periode 2010–2017. Daarbij geldt dat de groei in de Wlz vanaf 2015 ruim € 400 miljoen bedraagt (€ 470 miljoen in 2017) miljoen. Dat is nog steeds behoorlijk hoog. In verband met de houdbaarheid van de overheidsfinanciën blijft het dus belangrijk om doelmatig en effectief met de beschikbare middelen om te gaan. Tot slot geldt voor 2017 dat, net zoals in voorgaande jaren, de NZa mij zal adviseren over de toereikendheid van het kader voor de langdurige zorg. Bij een ontoereikend kader zal het kabinet binnen de integrale begrotingsbesluitvorming bezien hoe hiermee wordt omgegaan.
Deelt u het bezwaar tegen het werken met een bedrag voor groeiruimte die nergens op gebaseerd is?
Zoals aangegeven bij antwoord 7 is het bedrag voor de groeiruimte gebaseerd op de MLT-ramingen voor de zorg van het Centraal Planbureau. Deze MLT-raming vormt de basis voor het budgettaire kader van het kabinet.
Kunt u een tabel geven van de reële groeiruimte van de contracteerruimte voor de Wlz over de jaren 2017 tot 2040 die gebaseerd is op een reële schatting van de toename van het aantal mensen met een Wlz-indicatie?
Zoals ik hiervoor heb aangegeven zal het volgende kabinet de groeiruimte voor de komende kabinetsperiode 2018–2021 vaststellen. Voor de periode tot 2040 geldt het volgende. Het kabinet maakt voor dergelijke langetermijnvisies onder meer gebruik van de Volksgezondheid Toekomst Verkenning (VTV) van het RIVM. Deze verschijnt elke vier jaar, in opdracht van het Ministerie van VWS. In de meest recente rapportage (VTV-2014) heeft het RIVM een prognose gemaakt van trends tot 2030. Deze prognose geeft onder andere een beeld van de behoefte aan intramurale ouderenzorg tot 2030.
Kunt u deze vragen beantwoorden vóór de plenaire behandeling van de begroting VWS voor 2017?
Ja.
Het bericht dat een stichting in Emmen fraude heeft gepleegd met persoonsgebonden budgetten (pgb’s) van gedetineerden |
|
Fleur Agema (PVV) |
|
Martin van Rijn (staatssecretaris volksgezondheid, welzijn en sport) (PvdA) |
|
![]() |
Bent u bekend met het bericht «Fraude met zorgbudgetten gevangenen»?1
Ja.
Hoe is het in hemelsnaam mogelijk dat er voor enkele honderdduizenden euro’s gefraudeerd kon worden?
De Inspectie SZW en het Openbaar Ministerie doen op dit moment strafrechtelijk onderzoek om na te gaan of hier fraude is gepleegd. Hangende dit onderzoek kan ik geen uitspraken doen over deze casus. Als naderhand zou blijken dat er fraude is gepleegd, dan mag duidelijk zijn dat ik dat zeer ernstig vind.
Wanneer heeft deze fraude plaatsgevonden, voor of na de invoering van het trekkingsrecht?
Zoals ik in het antwoord op vraag 2 heb aangegeven, gaat de berichtgeving over een lopend strafrechtelijk onderzoek. Het Openbaar Ministerie geeft hier, als te doen gebruikelijk op dit moment, geen nadere informatie over. Dit om het verloop van het onderzoek niet te schaden.
Welke rol heeft de Sociale Verzekeringsbank (SVB) hier gespeeld?
Zie antwoord vraag 3.
Hoe wordt er zorg voor gedragen dat het fraudebedrag teruggehaald wordt bij de fraudeurs?
Omdat misdaad niet mag lonen, zetten het OM en de opsporingsdiensten in op het afpakken van crimineel verkregen vermogen. In het persbericht heeft het OM al aangegeven dat bij de doorzoeking beslag is gelegd op (onder andere) vastgoed en waardevolle goederen. Als uit het strafrechtelijk onderzoek blijkt dat er inderdaad fraude is gepleegd, dan zal het OM inzetten op de ontneming van het wederrechtelijk verkregen voordeel. Daarnaast worden benadeelde partijen zoveel als mogelijk ondersteund met het oog op civiele compensatie.
De leegstand en personeelstekort bij PI Haaglanden |
|
Nine Kooiman |
|
Klaas Dijkhoff (staatssecretaris justitie en veiligheid) (VVD) |
|
Klopt het dat de penitentiaire inrichting (PI) Haaglanden, locatie Zoetermeer, een aantal vergaande maatregelen neemt om leegstand te concentreren? Zijn de maatregelen die worden genomen met u afgestemd?
Op 8 november jl. is door uw Kamer de motie van het lid Kooiman, waarin de regering is verzocht niet verder over te gaan tot al dan niet gedeeltelijke sluitingen van justitiële inrichtingen en alternatieve maatregelen te treffen om de werkdruk te verminderen en de veiligheid binnen gevangenissen te waarborgen, aangenomen (Kamerstuk 24 587, nr. 667). Deze motie is in lijn met de eerder door uw Kamer aangenomen motie van de leden Van Oosten en Volp, die inhoudt dat sluiting van gevangenissen, inclusief justitiële jeugdinrichtingen, aanvullend op het lopende masterplan nu niet aan de orde is en de regering oproept dienovereenkomstig te handelen. In reactie hierop heb ik – onder andere in mijn brief van 14 juni jl. – gesteld dat sluiting van penitentiaire inrichtingen deze kabinetsperiode niet aan de orde is (Kamerstuk 24 587, nr. 655). De maatregelen die thans binnen de Dienst Justitiële Inrichtingen (DJI) worden getroffen zien niet op het geheel of gedeeltelijk sluiten van gevangenissen, maar op het concentreren van gedetineerden en het personeel van DJI. Met deze concentratie worden twee doelen nagestreefd. Ten eerste bevordert de (tijdelijke) concentratie van leegstand het waarborgen van de veiligheid van gedetineerden en personeel en draagt het bij aan een beheersbare werkdruk. Ten tweede wordt met de maatregel ingezet op een gezonde en efficiënte bedrijfsvoering. Er wordt zoveel mogelijk voorkomen dat vast en extern ingehuurd personeel wordt ingezet in een slechts deels bezette inrichting. Waar mogelijk wordt personeel dat werkzaam is in niet volledig bezette PI’s tijdelijk te werk gesteld in PI’s waar sprake is van openstaande of niet vervulde functies binnen de functiegroep executief personeel. Het voorgaande kan leiden tot een tijdelijke buitengebruikstelling van gedeeltes van PI’s. Er is geen sprake van het geheel of gedeeltelijk sluiten van PI’s.
In lijn met het bovenstaande is – in overleg met mij – besloten over te gaan tot het nemen van een aantal zorgvuldig gekozen maatregelen binnen de Penitentiaire Inrichting (PI) Haaglanden, locatie Zoetermeer.
De PI Haaglanden, locatie Zoetermeer, bestaat uit een zogenoemd gevangenisdeel, een Inrichting voor Stelselmatige Daders (ISD) en een Huis van Bewaring. De thans getroffen maatregelen betreffen het gevangenisdeel en de ISD-afdeling. Ten aanzien van dit deel is besloten tot een opnamestop en het overplaatsen van de reeds aldaar aanwezige gedetineerden naar PI Haaglanden, locatie Scheveningen. Dit heeft tot gevolg dat de gedetineerden die vallen onder het in deze locatie (Scheveningen) uitgevoerde Zeer Beperkt Beveiligde Instelling-regime (ZBBI-regime) worden overgeplaatst naar de PI Dordrecht.
De consequentie van het nemen van bovengenoemde maatregelen is dat het gevangenisdeel van de PI Haaglanden, locatie Zoetermeer, met ingang van
1 januari 2017 niet meer in gebruik zal zijn.
Waarom wordt de leegstand niet opgelost door meer in te zetten op andere manieren, zoals bijvoorbeeld eenpersoonscellen en het oppakken van criminelen met een openstaande celstraf?
Uit het antwoord op de vragen 1, 3, 8 en 10 volgt dat over wordt gegaan tot geconcentreerde leegstand om kwesties rondom veiligheid, werkdruk en een gezonde en efficiënte bedrijfsvoering aan te pakken. Het gebruik van meerpersoonscellen is in lijn met een gezonde en efficiënte bedrijfsvoering, zodat ik wil vasthouden aan het gebruik hiervan. Van belang hierbij is dat het gebruik van meerpersoonscellen – zoals ook door de destijds nog geheten Inspectie voor de Sanctietoepassing (thans Inspectie Veiligheid en Justitie) in 2011 is geconcludeerd2 – een volwaardige vorm van detentie betreft.
Er wordt hard gewerkt door de verschillende diensten om openstaande vrijheidsstraffen terug te dringen. De effecten van de aanpak hiervan zullen naar verwachting geleidelijk aan optreden en een relatief beperkte verandering in de capaciteitsraming tot gevolg hebben, zodat deze ook bij een eventuele afbouw van de capaciteit kunnen worden opgevangen. Overigens, is het zo dat in het theoretische geval dat het totale bestand aan openstaande vrijheidsstraffen in één keer zou kunnen worden ingesloten, slechts twee grote inrichtingen gedurende één jaar kunnen worden gevuld.
Wat zijn de consequenties van de opnamestop op het gevangenisdeel van de locatie Zoetermeer?
Zie antwoord vraag 1.
Betekent het verplaatsen van de Zeer Beperkt Beveiligde Inrichting (ZBBI) Scheveningen naar een andere inrichting uiteindelijk niet het opheffen van deze ZBBI? Zo nee, waarom niet? In hoeverre acht u dit verstandig aangezien het wetsvoorstel tot wijziging van de Penitentiaire beginselenwet en het Wetboek van Strafrecht in verband met de herijking van de wijze van de tenuitvoerlegging van vrijheidsbenemende sancties en de invoering van elektronische detentie (Kamerstuk 33 745) door de Eerste Kamer is verworpen en het wetsvoorstel tot wijziging van de Penitentiaire beginselenwet, de Beginselenwet verpleging ter beschikking gestelden en de Beginselenwet justitiële jeugdinrichtingen en enkele andere wetten in verband met het vervoer, het medisch klachtrecht en enkele andere onderwerpen (Kamerstuk 33 844) nog niet volledig door de Tweede Kamer is behandeld?
Zoals ik reeds heb aangegeven in het antwoord op de vragen 1 en 3 worden de gedetineerden die vallen onder het in de PI Haaglanden, locatie Scheveningen, uitgevoerde ZBBI-regime overgeplaatst naar PI Dordrecht. Dit vindt begin december 2016 plaats. Er is derhalve geen sprake van het opheffen van het ZBBI-regime. Of uiteindelijk hiervan wel sprake zal zijn, hangt af van de behandeling van het wetsvoorstel tot wijziging van de Penitentiaire beginselenwet, de Beginselenwet verpleging ter beschikking gestelden en de Beginselenwet justitiële jeugdinrichtingen en enkele andere wetten in verband met het vervoer, het medisch klachtrecht en enkele andere onderwerpen (Kamerstuk 33 844). Op de nadere behandeling van dit wetsvoorstel wil ik niet vooruitlopen.
Wat zijn de consequenties van het verplaatsen van ZBBI Scheveningen voor het personeel en (de resocialisatie van de) gedetineerden?
Om de gevolgen van de in het ZBBI-regime geplaatsten gedetineerden zo beperkt mogelijk te houden, zullen de gedetineerden middels een warme overdracht worden geplaatst in de PI Dordrecht. Dit betekent dat alle relevante informatie door de PI Haaglanden, locatie Scheveningen, wordt gedeeld met de PI Dordrecht. De verplaatsing naar de PI Dordrecht kan een toename van de reisafstand betekenen. Voor zover dit aan de orde is, zal worden ingezet op continuïteit van school, werk, vrijwilligerswerk en (eventueel) weekendverlof. Op deze manier wordt getracht de consequenties zo beperkt mogelijk te houden. Het personeel dat werkzaam is binnen het ZBBI-regime wordt elders binnen de PI Haaglanden ingezet op voor hen passende functies.
Betekent het verplaatsen van de afdeling Inrichting Stelselmatige Daders (ISD-afdeling) van Zoetermeer naar een andere locatie uiteindelijk niet het opheffen van deze afdeling? Zo nee, waarom niet?
Door de ISD-afdeling van de PI Haaglanden, locatie Zoetermeer, inclusief het thans op deze afdeling werkzame personeel, te handhaven binnen de PI Haaglanden blijft de expertise van het personeel, alsook het rond de ISD-afdeling benodigde netwerk gehandhaafd. De resocialisatie en behandeling van de op de ISD-afdeling geplaatste veroordeelden zal derhalve op de bekende wijze worden voortgezet. Dit geldt eveneens voor de werkzaamheden van het personeel van deze afdeling, met dien verstande dat er voor hen wellicht een klein verschil in het woon-werkverkeer zal ontstaan. Uit het voorgaande blijkt wel dat het opheffen van de ISD-afdeling niet aan de orde is.
Wat zijn de consequenties van het verplaatsen van de ISD-afdeling van Zoetermeer voor het personeel en (de resocialisatie en behandeling van de) gedetineerden?
Zie antwoord vraag 6.
Betekent het overplaatsen van gedetineerden vanuit de gevangenis van Zoetermeer naar andere gevangenissen uiteindelijk niet het opheffen van deze afdeling? Zo nee, waarom niet?
Zie antwoord vraag 1.
Wat zijn de consequenties van overplaatsen van gedetineerden vanuit de gevangenis van Zoetermeer voor het personeel en (de resocialisatie en behandeling van de) gedetineerden?
Zoals ik reeds heb aangegeven zal het personeel van de betreffende ISD-afdeling werkzaam zijn binnen de PI Haaglanden, locatie Scheveningen. Het overige personeel van de locatie Zoetermeer dat te maken heeft met de concentratie wordt zoveel mogelijk binnen de PI Haaglanden geplaatst. Voor zover dit niet mogelijk is, zal in samenspraak met het betreffende personeelslid een arbeidsplek binnen een andere PI worden gezocht.
De betrokken gedetineerden zullen worden overgeplaatst naar andere PI’s. Bij de selectie van de betreffende PI zal met alle omstandigheden rekening gehouden worden, zodat de overplaatsingen zo min mogelijk gevolgen hebben voor de gedetineerden. Het staat buiten kijf dat ongewijzigd zal worden gewerkt aan de resocialisatie van gedetineerden. Zoals uit het antwoord op de vragen 6 en 7 blijkt, zal de behandeling van de in de ISD-geplaatste gedetineerden eveneens ongewijzigd worden voortgezet.
Betekenen voorgaande maatregelen uiteindelijk niet gewoon dat voorgesorteerd wordt op de sluiting van gevangenissen, waardoor in strijd wordt gehandeld met de motie-Van Oosten/Volp1 waarin de Tweede Kamer heeft uitgesproken dat sluiting van gevangenissen aanvullend op het lopende masterplan nu niet aan de orde is en dienovereenkomstig door de regering moet worden gehandeld? Zo ja, wat gaat u daaraan doen? Zo nee, waarom niet?
Zie antwoord vraag 1.
Hoe kan het dat er een toenemend aantal vacatures is, terwijl het personeel wel wordt gedwongen op zoek te gaan naar ander werk en hierbij worden begeleid via Van-Werk-Naar-Werk (VWNW)? Waarom kunnen ze niet blijven als er een personeelstekort dreigt?
Van belang is in dit kader voorop te stellen dat niet iedere functie kan worden uitgevoerd door elke Van-Werk-Naar-Werk-kandidaat (VWNW-kandidaat). Iedere functie heeft immers zijn eigen specifieke functie-eisen. Uiteraard wordt bij iedere vacature bekeken of er een VWNW-kandidaat beschikbaar is die aan de benodigde functie-eisen voldoet, dan wel of er een kandidaat – middels opleiding of training – aan deze eisen kan gaan voldoen. Slechts als dat niet het geval is, wordt er een vacature opengesteld.
Waarom wordt het dreigende personeelstekort niet opgelost door het aantrekken van meer personeel?
Zoals ik uit de beantwoording van de vragen 1, 3, 8 en 10 volgt, bestaat de verwachting dat de dalende behoefte aan celcapaciteit zich zal voortzetten. Dit heeft tot gevolg dat zowel vanuit financiële en personele overwegingen als ook vanuit goed werkgeverschap verstandig moet worden omgegaan met het aantrekken van nieuw personeel. Met het inhuren van extern personeel kan in een situatie waarin sprake is van een dalende behoefte aan personeel worden voldaan aan een wisselende behoefte aan personeel, zonder dat dit langdurige financiële gevolgen voor DJI met zich brengt en er vertrouwen wordt gewekt bij personeel dat zij langdurig arbeid kunnen gaan verrichten. Ik merk in dit verband op dat er minder onzekerheid bestaat over de behoefte aan personeel in de functiegroep inrichtingsbeveiligers en er zich onder de VWNW-kandidaten onvoldoende geschikt personeel bevindt, zodat er voor deze functiegroep op korte termijn een wervingsprocedure zal worden gestart. Er zal overigens ook na deze procedure – waar nodig – gebruik gemaakt worden van extern beveiligingspersoneel.
Wordt er nog steeds personeel ingehuurd via een extern beveiligingsbedrijf? Zo ja, wat zijn daarvan de redenen en waarom is er in de tussentijd niet gekeken of er intern personeel kan worden aangetrokken?2
Zie antwoord vraag 12.
Welke kosten zijn er inmiddels gemaakt voor het inhuren van extern personeel? Wat zouden de kosten zijn geweest als dit eigen personeel betrof?
Voor de inhuur van beveiligers bij een externe partij zijn in de periode januari tot en met september 2016 voor circa € 6,2 miljoen kosten gemaakt. De verwachting is dat dit voor geheel 2016 uitkomt op circa 9 miljoen. Afgezet tegen de gemiddelde kosten van beveiligers van DJI, rekening houdend met ziekte, verlof en opleidingen, resulteert het gebruik van een externe partij in een kostenverhoging van circa 28 procent. Van belang hierbij is dat de totale personeelskosten van DJI in de periode januari tot en met augustus 2016, te weten tot en met het tweede tertaal, € 615 miljoen bedroegen.
Klopt het dat Dienst Vervoer en Ondersteuning (DV&O) in verband met een dreigend personeelstekort van plan is bij een aantal inrichtingen hun personeel weg te trekken, met grote gevolgen voor de personeelsbezetting van dien? Zo nee, waarom niet? Zo ja, hoe wordt dit probleem zo snel mogelijk opgelost? In hoeverre wordt hierbij dan alsnog overgegaan tot het werven van eigen personeel in plaats van extern personeel?
Nee dat klopt niet. De Dienst Vervoer en Ondersteuning (DV&O) levert conform afspraak beveiligers aan PI’s. Indien binnen DV&O niet voldaan kan worden aan de vraag naar beveiligers, vindt externe inhuur plaats conform de bestaande raamovereenkomst met G4S. Van belang hierbij is dat – zoals ik reeds in de bij de beantwoording van vraag 12 en 13 heb aangegeven – voor de functiegroep inrichtingsbeveiligers op korte termijn een wervingsprocedure zal worden gestart.