De afhandeling van Woo-verzoeken en de rechtsbescherming van betrokkenen |
|
André Flach (SGP), Caroline van der Plas (BBB) |
|
David van Weel (VVD), van Essen , Pieter Heerma (CDA) |
|
|
|
|
Bent u bekend met het artikel «RVO stuurt 55.000 foute brieven over bezwaar, snel reageren nodig»?1
Kunt u specifiek voor Wet open overheid (Woo)-verzoek Woo/2023/066 toelichten waarom voor betrokkenen geen mogelijkheid tot het indienen van bezwaar tegen openbaarmaking is geboden? Op basis van welke wettelijke grondslag is ervoor gekozen om de reactie van betrokkene direct als beroep aan te merken en waarom is betrokkene hierbij geen expliciete keuze gelaten tussen bezwaar en beroep?
Klopt het dat in het kader van Woo-verzoek Woo/2023/066 eerder is aangegeven dat de gevraagde informatie (gedeeltelijk) niet openbaar zou worden gemaakt, maar dat op een later moment alsnog is besloten tot openbaarmaking? Zo ja, kunt u toelichten wat de reden is geweest voor deze wijziging van inzicht en kunt u de communicatie daarover binnen RVO openbaar maken (inclusief het bezwaarschrift van de aanvrager van het WOO-verzoek)?
Hoe kan het dat de Rijksdienst voor Ondernemend Nederland (RVO) 55.000 onjuiste brieven over bezwaar heeft verstuurd, welke concrete fout(en) in het systeem of proces liggen hieraan ten grondslag?
Deelt u de opvatting dat het indienen van beroep bij de rechtbank wezenlijk verschilt van het maken van bezwaar, onder meer omdat beroep minder laagdrempelig is, hogere eisen stelt aan motivering en doorgaans meer tijd, geld en juridische kennis vergt van betrokkenen? Zo nee, waarom niet?
Deelt u de opvatting dat van betrokkenen in redelijkheid niet kan worden verwacht dat zij binnen dezelfde termijn en zonder duidelijke keuze direct een beroep bij de rechtbank instellen, terwijl zij mogelijk in de veronderstelling zijn dat zij bezwaar maken?
Deelt u de opvatting dat betrokkenen in hun rechtspositie zijn benadeeld doordat, na het constateren van een fout, de termijn niet is verlengd en zij nog slechts enkele dagen (circa zes dagen) hadden om zich voor te bereiden op een gerechtelijke procedure? Zo nee, waarom niet?
Staat de korte periode van herstel in verhouding met de termijnen die de overheid zelf hanteert? Zo ja, kunt u dat onderbouwen?
Acht u het in het kader van zorgvuldige besluitvorming wenselijk dat betrokkenen in een situatie zoals bij Woo-verzoek Woo/2023/066 niet expliciet zijn gewezen op het verschil tussen bezwaar en beroep en de gevolgen daarvan, waaronder griffierechten en procedurele vereisten?
Waarom is er in dit geval niet voor gekozen om, na constatering van de onduidelijkheid, de termijnen aan te passen en betrokkenen opnieuw en duidelijk te informeren over hun rechtspositie en de mogelijkheid om, desgewenst, beroep in te stellen?
Deelt u de opvatting dat het, gelet op de impact van openbaarmaking van persoonsgegevens en de rechtspositie van betrokkenen, zorgvuldiger was geweest om betrokkenen een nieuwe termijn te bieden en hen expliciet de keuze te geven om beroep in te stellen? Zo nee, waarom niet?
Hoe kan het dat bij een uitvoeringsorganisatie als RVO, die zoveel cruciale data en besluiten verwerkt, dit soort grootschalige fouten niet eerder (lees voor het versturen van de betreffende brief) worden gesignaleerd?
In het regeerakkoord spreekt u over «een betrouwbare en menselijke overheid. De overheid en de politiek kunnen meer doen om vertrouwen te vergroten, door een menselijk gezicht en een overheid die zich transparant opstelt», hoe past dit voorbeeld in het streven naar een betrouwbare en menselijke overheid?
Waarom heeft een bezwaar tegen openbaarmaking in het kader van de Woo geen opschortende werking, waardoor betrokkenen genoodzaakt zijn een voorlopige voorziening aan te vragen om openbaarmaking te voorkomen?
Kunt u aangeven hoe vaak een verzoek tot een voorlopige voorziening (vovo) in dit soort zaken níet wordt toegewezen? Klopt het beeld dat deze in de praktijk vrijwel altijd worden toegekend?
Deelt u de opvatting dat het verplicht moeten aanvragen van een voorlopige voorziening leidt tot onnodige belasting van zowel betrokkenen als de rechtspraak, terwijl het doel (het tijdelijk opschorten van openbaarmaking) ook op een eenvoudiger manier bereikt zou kunnen worden?
Bent u bereid te onderzoeken of het mogelijk is om bij bezwaar tegen openbaarmaking standaard een opschortende werking toe te passen, zodat het aanvragen van een voorlopige voorziening niet langer nodig is? Zo nee, waarom niet?
Hoe verhoudt deze werkwijze zich tot de eerder aangenomen motie van Van der Plas over openbaarmaking van een Woo-besluit automatisch opschorten als er bezwaar is ingediend (Kamerstuk 32 802, nr. 114) die juist beoogt de rechtsbescherming van burgers te versterken en onnodige juridische procedures te voorkomen?
Hoe staat het met de uitvoering van de motie van Van der Plas (Kamerstuk 32 802, nr. 111), waarin wordt verzocht om een onafhankelijk onderzoek naar de sociale veiligheid van agrariërs in Nederland? Is dit onderzoek inmiddels gestart of afgerond? Zo ja, wanneer wordt de Kamer hierover geïnformeerd?
De Dag van de Geleidehond. |
|
Daan de Kort (VVD) |
|
Mirjam Sterk (CDA) |
|
|
|
|
Bent u bekend met de Dag van de geleidehond? Zo ja, deelt u de mening dat meer bekendheid voor hulphonden, zowel voor geleidehonden als andere hulphonden die helpen met bijvoorbeeld PTSS, belangrijk is?
In welke mate herkent u de signalen dat mensen met een hulphond op openbare plekken regelmatig geweerd worden, terwijl toegang wettelijk verplicht is?
In welke mate herkent u de signalen dat er sprake is van nep-hulphonden, waarbij honden voor veel geld verkocht worden die niet in staat zijn om hun baasje te helpen op de benodigde manier?
Denkt u dat een kwaliteitskeurmerk en een daaraan verbonden hulpdierenpaspoort voor deze beide problemen een oplossing kan zijn? Zo ja, op welke manier kan dat vormgegeven worden? Zo nee, waarom niet?
Bent u ermee bekend dat de gemiddelde wachttijd voor een hulphond inmiddels is opgelopen tot anderhalf tot twee jaar? Deelt u de mening dat deze wachttijd drastisch omlaag zou moeten?
Ziet u mogelijkheden om met een voorlichtingscampagne over de hulphond meer mensen te enthousiasmeren om een geleidehond op te leiden?
In welke mate herkent u de signalen dat er onduidelijkheid bestaat voor mensen met een visuele beperking of zij een hulphond vergoed kunnen krijgen bij de zorgverzekeraar of de gemeente?
Bent u bereid om in gesprek gaan met zorgverzekeraar en gemeenten om ervoor te zorgen dat de regels over vergoeding van hulphonden duidelijker uitgelegd worden?
De weigering van een gerichte aanpak van sektes |
|
Songül Mutluer (PvdA) |
|
David van Weel (VVD) |
|
|
|
|
Heeft u kennisgenomen van het bericht dat Twentse burgemeesters zich teleurgesteld voelen over het uitblijven van een gerichte aanpak van sektes?1
Welke concrete vragen, signalen en hulpvragen hebben deze burgemeesters bij u neergelegd en waarom hebben deze niet geleid tot aanvullende maatregelen?
Hoeveel meldingen en signalen van mogelijke sektarische misstanden zijn de afgelopen vijf jaar landelijk geregistreerd? Is er sprake van een stijgende trend?
Deelt u de zorgen van deze burgemeesters dat gemeenten onvoldoende handelingsperspectief hebben bij vermoedens van psychische dwang, manipulatie en uitbuiting binnen sektes?
Bent u zich ervan bewust dat er bredere maatschappelijke onrust bestaat over dit fenomeen en het ervaren gebrek aan beleid en aanpak? Hoe weegt u deze signalen?
In hoeverre biedt het huidige juridische kader voldoende mogelijkheden om tegen dit soort praktijken op te treden? Hoe vaak is daar succesvol gebruik van gemaakt?
In hoeverre is het wetsvoorstel inzake strafbaarstelling van psychisch geweld mede bedoeld om misstanden binnen sektes aan te pakken?
Wanneer wordt dit wetsvoorstel aan de Kamer aangeboden?
Welke zorg en ondersteuning wordt momenteel aan slachtoffers van sektes geboden? Acht u deze voldoende, mede gelet op de signalen van gemeenten en ervaringsdeskundigen?
Bent u bereid om, mede naar aanleiding van de oproep van deze burgemeesters en eerdere verzoeken vanuit de Kamer, aanvullend onderzoek te doen naar de aard en omvang van sektarische problematiek in Nederland, de effectiviteit van huidige instrumenten en de vraag welke aanvullende maatregelen nodig zijn?
De toepassing van snelrecht bij Azc-demonstrant en niet bij A12-bezetter |
|
Marjolein Faber (PVV) |
|
David van Weel (VVD) |
|
|
|
|
Bent u bekend met het bericht «Azc-demonstrant snel berecht, A12-bezetter niet: wanneer wordt supersnelrecht ingezet»?1
Hoe vaak werden er in de afgelopen drie jaar strafzaken afgedaan via snelrecht of supersnelrecht? En voor verdenking van welke strafbare feiten werd (super)snelrecht ingezet?
Waarom worden strafzaken tegen azc-demonstranten wel afgedaan via het (super)snelrecht en niet bij A12-bezetters? De zes bestuurders die de A12 blokkeerden leenden zich toch ook voor (super)snelrecht nu zij op heterdaad werden betrapt? En hoe zit dat met de A12-bezetters, zij werden door de politie verwijderd van de snelweg, dan was het bewijs toch ook direct voorhanden?
Deelt u de mening dat het er sterk op lijkt dat het Openbaar Ministerie en de rechter de azc-demonstraties de kop wil indrukken, aangezien (super)snelrecht voornamelijk wordt ingezet voor het maken van een statement?
Het bericht 'Is de toename van het aantal besneden vrouwen nog te stoppen? – zomervakantie is risicoperiode' |
|
Etkin Armut (CDA), Bente Becker (VVD) |
|
David van Weel (VVD), Sophie Hermans (VVD) |
|
|
|
|
Bent u bekend met het bericht «Is de toename van het aantal besneden vrouwen nog te stoppen? – zomervakantie is risicoperiode»?1
Wat is uw reactie op de constatering dat er in Nederland duizenden vrouwen en meisjes slachtoffer zijn van vrouwelijke genitale verminking?
Hoe wordt vrouwelijke genitale verminking momenteel geregistreerd in Nederland, en acht u deze registratie volledig en betrouwbaar?
In hoeverre heeft u zicht op het aantal meisjes en vrouwen dat het risico loopt op vrouwelijke genitale verminking, in het bijzonder in relatie tot (gedwongen) uitreizen naar het buitenland?
Deelt u de opvatting dat de periode voorafgaand aan de zomervakantie een verhoogd risico met zich meebrengt en daarom een cruciaal moment is voor preventieve maatregelen in de aanpak van vrouwelijke genitale verminking? Zo ja, hoe wordt hierop ingezet?
Welke concrete preventieve maatregelen worden ingezet om vrouwelijke genitale verminking te voorkomen, potentiële slachtoffers te beschermen en risicovol uitreizen tegen te gaan?
Welke concrete resultaten zijn sinds de strafbaarstelling van vrouwelijke genitale verminking van 30 jaar geleden geboekt in de preventie en strafrechtelijke aanpak van deze praktijk?
Acht u de huidige strafbaarstelling voldoende effectief? Hoe vaak heeft dit in de afgelopen 5 jaar geleid tot vervolging en veroordeling?
In hoeverre is het herkennen en signaleren van vrouwelijke genitale verminking onderdeel van de opleiding en nascholing van huisartsen en andere zorgprofessionals? Ziet u ruimte om deze deskundigheid en bewustwording te versterken en zo ja, hoe?
Op welke manier en binnen welke termijn gaat u het mogelijk maken om een uitreisverbod op te kunnen leggen bij het risico op genitale verminking?
Welke aanvullende maatregelen kunnen worden genomen om (potentiële) slachtoffers beter in beeld te krijgen en hun bescherming te versterken?
Bent u bereid de inzet van sleutelpersonen en gemeenschapsgerichte aanpakken te intensiveren, zodat (potentiële) slachtoffers beter worden bereikt en hulp laagdrempeliger beschikbaar komt?
Wat is er concreet verbeterd in de aanpak van vrouwelijke genitale verminking sinds de beleidsreactie op het WODC-onderzoek «Over Grenzen» (over preventieve beschermingsbevelen bij onder andere vrouwelijke genitale verminking)?2
In hoeverre wordt de meldcode huiselijk geweld en kindermishandeling toegepast bij signalen van vrouwelijke genitale verminking?
De toename van huiselijk geweld |
|
Nicole Moinat (PVV) |
|
Mirjam Sterk (CDA) |
|
|
|
|
Bent u bekend met het bericht «Voor het eerst sinds 2022 meer huiselijk geweld in het Westland» en soortgelijke berichten over een stijging van huiselijk geweld in onder meer Westland, Epe, Arnhem en Alphen aan den Rijn?1
Ja, ik ben bekend met het bericht.
Erkent u dat dit geen incidenten zijn, maar een landelijke trend?
Ik herken het beeld dat het aantal meldingen en adviezen dat Veilig Thuis landelijk ontvangt een stijgende trend laat zien. Deze stijging is al enkele jaren zichtbaar. Het is belangrijk om bij deze cijfers een splitsing aan te brengen tussen het aantal adviesvragen en het aantal meldingen. De cijfers van beide categorieën stijgen namelijk niet evenredig: zo is het aantal meldingen in 2025 ten opzichte van 2024 met ongeveer 5% gestegen, terwijl het aantal adviesvragen in dezelfde periode met 16% is gestegen. Een vergelijkbaar verschil was ook in 2024 al zichtbaar ten opzichte van 2023. De snellere groei van het aantal adviesvragen lijkt te laten zien dat Veilig Thuis vaker al in een vroeg stadium wordt betrokken. Mensen zoeken sneller advies bij signalen of twijfel, nog voordat situaties escaleren. Daarbij nemen ook direct betrokkenen vaker zelf contact op met Veilig Thuis voor advies. Deze verschuiving naar de «voorkant» betekent dat Veilig Thuis steeds vaker en eerder meedenkt, adviseert en ondersteunt, zodat betrokkenen waar mogelijk zelf stappen kunnen zetten om de veiligheid te verbeteren en escalatie te voorkomen. Deze trend sluit aan bij de inzet die hierop is gepleegd, bijvoorbeeld met campagnes en het versterken van de adviesfunctie van Veilig Thuis. Een tweede belangrijke nuancering bij deze cijfers is dat de stijging in aantallen niet per definitie hoeft te betekenen dat huiselijk geweld vaker vóórkomt; deze cijfers lijken er vooral op te wijzen dat huiselijk geweld eerder en vaker in beeld komt. Dat is ook precies de inzet geweest van de diverse grootschalige publiekscampagnes van afgelopen jaren. Een causaal verband is hierbij niet te geven, maar de relatief sterker stijgende groei van het aantal adviesvragen ten opzichte van het aantal meldingen lijkt hier wel sterk op te wijzen.
Klopt het dat in ongeveer de helft van de gevallen sprake is van kindermishandeling?
Op basis van de cijfers van Veilig Thuis kan niet worden vastgesteld dat in de helft van de gevallen daadwerkelijk sprake is van kindermishandeling. Het gaat hierbij om signalen en vermoedens en niet om vastgestelde kindermishandeling. Ongeveer de helft van alle meldingen en adviesvragen bij Veilig Thuis heeft betrekking op vermoedens van kindermishandeling. Dit percentage is de afgelopen jaren stabiel gebleven. De totale aantallen laten zien dat zowel het aantal meldingen als het aantal adviesvragen toeneemt. Zoals ook toegelicht in het antwoord op vraag 2 kan dit duiden op een ontwikkeling waarbij signalen eerder worden opgepakt en Veilig Thuis vaker in een vroeg stadium wordt betrokken om mee te denken en te adviseren.
Klopt het dat ook ouderen (65+) steeds vaker slachtoffer zijn van mishandeling en verwaarlozing binnen de huiselijke sfeer?
Op basis van de cijfers van Veilig Thuis kan niet worden vastgesteld dat ouderen (65+) vaker slachtoffer zijn van mishandeling en verwaarlozing. Wel is zichtbaar dat het aantal meldingen van huiselijk geweld in de brede zin is toegenomen. Ouderenmishandeling vormt daarin een relatief klein deel van het totaal en er zijn geen aanwijzingen dat dit aandeel sneller stijgt. De cijfers hebben betrekking op meldingen en adviezen en geven daarmee inzicht in hoeveel gevallen in beeld komen, niet in de daadwerkelijke omvang van ouderenmishandeling.
Hoe groot is het aandeel partner- en ex-partnergeweld in de meldingen bij Veilig Thuis?
Het aantal meldingen van (ex-)partnergeweld bedroeg in 2025 53.485. Op een totaal van 136.325 meldingen, bedraagt het aantal meldingen van (ex-)partnergeweld daarmee 39 procent.
In hoeveel van de 25 Veilig Thuis-regio’s stijgen de cijfers momenteel?
Het aantal meldingen is in 2025 ten opzichte van 2024 in acht Veilig Thuis regio’s gedaald en in zeventien Veilig Thuis regio’s gestegen. Het aantal adviesvragen is in dezelfde periode in twee regio’s gedaald en in drieëntwintig regio’s gestegen.
Hoe verklaart u deze brede stijging bij kinderen, partners én ouderen ondanks jarenlang beleid?
Zoals toegelicht bij vraag 2 is er een verschil tussen de stijging in aantal meldingen en het aantal adviesvragen en dienen de cijfers met nuance te worden bezien. De stijging kan niet aan één specifieke oorzaak worden toegeschreven. Deze kan mogelijk samenhangen met verbeterde signalering, een grotere bereidheid van professionals en burgers om te melden en/of advies te vragen en een toegenomen bekendheid van Veilig Thuis, waardoor (zorgen rondom) huiselijk geweld en kindermishandeling eerder en vaker in beeld komt. Direct betrokkenen nemen ook steeds vaker zelf contact op met Veilig Thuis als sprake is van onveiligheid. Daarnaast geldt de meldcode huiselijk geweld en kindermishandeling voor een groot aantal professionals. Wanneer zij vermoedens hebben van onveiligheid, dienen zij de stappen van de meldcode te volgen. Contact met Veilig Thuis is daar onderdeel van. Wanneer vermoedens van onveiligheid eerder of beter worden herkend en volgens de meldcode wordt gehandeld, zullen professionals vaker contact opnemen met Veilig Thuis. De stijging is niet voor alle groepen en geweldsvormen in gelijke mate zichtbaar is, zo is bij ouderenmishandeling geen duidelijk stijgende trend waarneembaar.
Deelt u de conclusie dat de huidige aanpak tekortschiet?
De aanpak van huiselijk geweld en kindermishandeling vraagt continue aandacht. De afgelopen jaren zijn veel stappen gezet in de verbetering van deze aanpak, gericht op het voorkomen, eerder signaleren en zorgen voor duurzame veiligheid. Zo is bijvoorbeeld ingezet op het versterken van de advies- en meldfunctie en het verbeteren van de toegankelijkheid en bereikbaarheid van Veilig Thuis, het vergroten van bewustwording, het versterken van deskundigheid van professionals, het verbeteren van risicotaxaties en het bieden van integrale hulp. Het is van belang deze inzet door te zetten en verdere verbeteringen te realiseren, samen met andere departementen, gemeenten en uitvoeringsorganisaties.
Hoeveel meldingen krijgen geen tijdige opvolging door wachttijden of capaciteitstekorten?
Het is belangrijk dat bij gezinnen en huishoudens in een onveilige situatie zo snel mogelijk een goede inschatting wordt gemaakt van wat er aan de hand is. Vervolgens dienen zij zo snel mogelijk de juiste hulp en ondersteuning te krijgen. Op dit moment lukt dit niet in alle Veilig Thuis regio’s, mede door het grote aantal adviesvragen en meldingen dat zij ontvangen. Het exacte aantal meldingen dat op dit moment geen tijdige opvolging krijgt door wachttijden of capaciteitstekorten is niet goed weer te geven, onder andere als gevolg van regionale verschillen in uitvoering en registraties. Het is daarbij ook niet eenvoudig om deze wachttijden terug te dringen, onder meer vanwege de krappe arbeidsmarkt, de toename in complexiteit van de casuïstiek en de bredere uitdagingen in de keten, zoals wachttijden bij lokale hulpverleners die een soepele overdracht in de weg staan. In deze moeilijke omstandigheden zetten de professionals van Veilig Thuis en de hulpverlening zich in om hun ingewikkelde werk uit te voeren. Het is daarnaast belangrijk om te benadrukken dat ook als er sprake is van wachtlijsten, Veilig Thuis bij iedere melding direct toetst of er sprake is van een acuut onveilige situatie. Bij acuut gevaar of onveiligheid wordt altijd gehandeld. De Inspectie Gezondheidszorg en Jeugd houdt toezicht op de uitvoering van de taken door Veilig Thuis.
Wat gaat u per direct doen om alle slachtoffers, kinderen, partners en ouderen beter te beschermen?
Zoals in de beantwoording van vraag 8 benadrukt, vraagt de aanpak van huiselijk geweld en kindermishandeling continue aandacht en worden verbeterinitiatieven doorgezet. Zo wordt ingezet op preventieve maatregelen en het verbeteren van de vroegsignalering en de deskundigheid van professionals zodat huiselijk geweld eerder in beeld komt en betrokkenen tijdig kunnen worden ondersteund.
Daarnaast wordt met het Toekomstscenario Kind- en Gezinsbescherming ingezet op het realiseren van verbeteringen in de kind- en gezinsbescherming. Het stelsel is complex georganiseerd, de problemen in gezinnen en huishoudens worden onvoldoende in samenhang opgepakt en volwassenen en kinderen voelen zich onvoldoende gehoord en gezien. Dit vraagt om een fundamenteel andere werkwijze bij het helpen en beschermen van volwassenen en kinderen als sprake is van onveiligheid. Er wordt toegewerkt naar integrale ondersteuning van gezinnen en huishoudens, met een centrale rol voor stevige lokale teams en een kwalitatief sterk Regionaal Veiligheidsteam. De proeftuinen van het Toekomstscenario laten zien dat de nieuwe manier van werken tot goede resultaten leidt. Op dit moment wordt samen met alle betrokken partnerorganisaties hard gewerkt aan de zogeheten veranderstrategie, waarin wordt beschreven aan welke inhoudelijke doelen en in welk tempo aan de gestelde ambities wordt gewerkt – passend bij de beschikbare financiële ruimte.
Daarnaast wordt voor het zomerreces een Nationaal Coördinator Geweld tegen Vrouwen en Huiselijk Geweld aangesteld. De Nationaal Coördinator gaat onder andere aan de slag met een Nationaal Actieplan Geweld tegen Vrouwen en Huiselijk Geweld. De coördinator zal zich richten op het versterken van het netwerk, het signaleren van knelpunten in beleid en uitvoering en het verbeteren van de samenwerking. Ook kindermishandeling heeft hierin nadrukkelijk de aandacht. Met deze maatregelen wordt beoogd de bescherming van slachtoffers, kinderen, partners en ouderen te versterken.
Bent u bereid landelijke normen in te voeren voor sneller ingrijpen en maximale wachttijden?
Er gelden reeds landelijke normen waar Veilig Thuis-organisaties zich aan dienen te houden. Specifiek geldt de norm dat Veilig Thuis binnen 5 werkdagen na ontvangst van de melding een veiligheidsbeoordeling uitvoert en een besluit neemt over het vervolg. Indien uit de triage blijkt dat de dienst «Voorwaarden en Vervolg» van Veilig Thuis nodig is, moet deze dienst zo spoedig mogelijk maar uiterlijk binnen 10 weken na de veiligheidsbeoordeling zijn afgerond. Met inzet van deze dienst worden veiligheidsvoorwaarden opgesteld en vervolghulp ingezet. Dat deze normen niet altijd gehaald worden heeft zodoende niet te maken met het ontbreken van normen, maar voornamelijk met de eerder geschetste uitdagingen op het gebied van de arbeidsmarkt en het grote aantal adviesvragen en meldingen dat Veilig Thuis ontvangt. In deze context is Veilig Thuis ook altijd bezig de eigen werkwijzen tegen het licht te houden, te zoeken naar efficiëntere vormen van samenwerking en het innoveren van haar dienstverlening. Een voorbeeld hiervan is de verdere doorontwikkeling van de chatfunctie, bedoeld om het contact met Veilig Thuis en de daar beschikbare kennis en expertise vroegtijdig en laagdrempelig toegankelijk te maken.
Wilt u deze vragen beantwoorden vóór het commissiedebat Maatschappelijk domein van 28 mei aanstaande?
Ja.
De versnelde verzwakking van de Atlantische omloopstroming (AMOC) |
|
Laurens Dassen (Volt) |
|
Sjoerd Sjoerdsma (D66), Vincent Karremans (VVD), Stientje van Veldhoven (D66) |
|
|
|
|
Bent u bekend met het onderzoek gepubliceerd op 16 april 2026 in Science Advances1, waaruit blijkt dat de Atlantic Meridional Overturning Circulation (AMOC) sneller verzwakt dan gemiddelde klimaatmodellen voorspelden en mogelijk al rond het midden van deze eeuw een kantelpunt bereikt, en wat is uw appreciatie van deze bevindingen?2
Welke gevolgen heeft het nieuwe inzicht dat de AMOC voor het einde van deze eeuw met meer dan 50% kan vertragen, mede door de versnelde smelting van het Groenlandse landijs, voor de ambitie en urgentie van het Nederlandse klimaatbeleid, en bent u bereid het klimaatbeleid hierop aan te scherpen?
Deelt u de conclusie van de onderzoekers dat de tijd voor halve maatregelen voorbij is en dat de bevindingen over de AMOC dwingen tot een fundamentele versnelling van de klimaattransitie, en zo ja, welke concrete beleidsmaatregelen overweegt u op korte termijn te nemen die verder gaan dan het bestaande beleid?
Wordt het risico dat een ineenstorting van de AMOC zichzelf versterkt doordat opgeslagen koolstof vrijkomt uit de oceaan en zo de opwarming verder versnelt, meegenomen in de klimaatrisicoscenario’s van het ministerie, en zo niet, bent u bereid dit alsnog te laten onderzoeken?
Bent u bereid om de gevolgen van een mogelijke AMOC-ineenstorting voor de Nederlandse economie, voedselvoorziening en het waterbeheer systematisch in kaart te brengen?
Zijn de huidige Nederlandse waterkeringen en overstromingsscenario’s gebaseerd op actuele AMOC-risicomodellen, en zo niet, wanneer worden deze geactualiseerd?
Beschikt u over voldoende capaciteit en middelen om de gevolgen van AMOC-verzwakking voor Nederland structureel te monitoren en door te vertalen naar beleidsrelevante scenario’s?
Worden de nieuwste AMOC-scenario’s, waarbij wetenschappers stellen dat het kantelpunt mogelijk al rond het midden van deze eeuw bereikt wordt, actief meegenomen in langetermijnbeslissingen over infrastructuur, ruimtelijke ordening en waterveiligheid, en zo ja, op welke wijze?
Bent u bereid in Europees verband het gevaar van een ineenstorting van de AMOC aan te kaarten en het klimaatbeleid hierop aan te scherpen, en zo nee, waarom niet?
Op welke wijze integreert u de klimaatrechtvaardigheidsaspecten van een mogelijke AMOC-ineenstorting, die ernstige gevolgen heeft voor landbouw, voedselzekerheid en zeespiegelstijging in Afrika en de Amerika’s in regio’s die nauwelijks bijdragen aan de uitstoot die dit veroorzaakt, in het Nederlandse beleid voor ontwikkelingssamenwerking en internationaal klimaatbeleid?
Hoe beoordeelt u de uitkomst dat de routekaart van COP30-gastland Brazilië geen verwijzing naar fossiele brandstoffen bevat, mede vanwege de invloed van lobbyisten uit de industrie, en welke concrete stappen onderneemt Nederland om bij COP30 alsnog een ambitieuze afbouw van fossiele brandstoffen op de agenda te krijgen?
Een plan B voor de asielnoodmaatregelenwet en de Novelle |
|
Caroline van der Plas (BBB) |
|
Bart van den Brink (CDA) |
|
|
|
|
Herinnert u zich uw uitspraak in het commissiedebat over de Tweede cyclus van de spreidingswet van 23 april jongstleden dat u de maandag voorafgaand aan de stemming over de asielwetten in de Eerste Kamer (telefonisch) contact heeft gehad met «enkele mensen», ter voorbereiding van een plan B?
Mijn uitspraken ten tijde van genoemd debat zijn mij bekend.
Klopt het dat u in ieder geval contact heeft gehad met de Minister-President en eerste vicepremier Yeşilgöz?1
Zoals meermaals met de Kamer is gedeeld2, is het voor het goede functioneren van het parlementaire proces noodzakelijk dat er ruimte bestaat voor vertrouwelijke contacten tussen deelnemers aan dat proces. Dat geldt met het oog op de eenheid van kabinetsbeleid in het bijzonder voor communicatie tussen de leden van het kabinet onderling. Om geen onnodige onduidelijkheid over de gang van zaken te laten bestaan, ben ik desalniettemin tijdens het in vraag 1 genoemde debat al op deze kwestie ingegaan. Ik heb aangegeven dat ik enkele collega bewindspersonen kort voor de stemmingen vooraf wilde informeren over hoe ik zou reageren mocht een van de wetsvoorstellen worden verworpen. Dat betroffen de Minister-President en eerste vicepremier. Ik heb daaraan verder niets toe te voegen.
Met welke personen heeft u vooraf aan de stemmingen nog meer (telefonisch) contact gehad wat relevant is met betrekking tot het tot stand komen van plan B?
Ik verwijs u naar het antwoord op vraag 2. Buiten degenen die ik noemde in het antwoord op vraag 2 heb ik vanzelfsprekend hierover ook contact gehad met mijn ministerie. In de aanloop naar de stemmingen heb ik vanaf maandag met hierbij betrokken ambtenaren gesproken over de mogelijke scenario’s voor het verloop van de stemmingen en hoe daarna vervolgens te handelen. Dat was niet zoals de vraagstelling suggereert als zodanig een «plan B». Wat de scenario’s van de gesneuvelde onderdelen van de asielnoodmaatregelenwet inhouden, heb ik ook toegelicht tijdens het genoemde debat. Drie onderdelen van de Asielnoodmaatregelenwet worden niet ook geregeld in de Uitvoerings- en implementatiewet Asiel- en Migratiepact 2026, te weten de afschaffing van de rechterlijke dwangsom, de uitbreiding van de mogelijkheden voor ongewenstverklaring en de strafbaarstelling van terugkeerfrustreerders. Ik heb er kennis van genomen dat leden Diederik van Dijk en Boomsma inmiddels opnieuw een amendement over het afschaffen van rechterlijke dwangsommen in vreemdelingenzaken hebben ingediend. Ditmaal in het kader van het traject dat zal gaan leiden tot de Wet terugkeer en vreemdelingenbewaring.3
Voor de uitbreiding van de ongewenstverklaring heb ik inmiddels een nota van wijziging ingediend in datzelfde traject. Voorts kom ik met een zorgvuldig proces rondom de strafbaarstelling van de terugkeerfrustreerders om te voorkomen dat het politiek rommelige proces dat hieraan in de vorige periode vooraf is gegaan, opnieuw plaatsvindt, en om ervoor te zorgen dat ertoe doende advisering plaatsvindt en er voldoende gesprek is met maatschappelijke organisaties. Over de ontwikkelingen langs deze drie lijnen zal ik vanzelfsprekend op de gebruikelijke wijze met uw Kamer communiceren en verantwoording afleggen.
Kunt u een volledig overzicht met namen, functies en het tijdstip van contact met de Kamer delen?
Zie antwoord vraag 3.
Wat was de inhoud van deze (telefoon)gesprekken?
Zie antwoord vraag 3.
Waarom heeft u ervoor gekozen om juist voorafgaand aan de stemming in de Eerste Kamer deze contacten te leggen?
Zie antwoord vraag 3.
Wanneer exact is gestart met de voorbereiding van dit «plan B»? Kunt u een precieze tijdlijn geven van de ambtelijke en politieke besluitvorming?
De inzet is te allen tijde geweest ervoor te zorgen dat de wetsvoorstellen het zouden halen. Zoals al opgemerkt heb ik in de aanloop naar de stemmingen op 21 april vanaf maandag 20 april met hierbij betrokken ambtenaren gesproken over de mogelijke scenario’s voor het verloop van de stemmingen en hoe daarna vervolgens te handelen.
In welke ministerraad of ander overleg is besloten om dit alternatieve wetgevingstraject op te starten? Wanneer en door wie en in opdracht van wie is besloten om plan B bekend te maken aan het publiek?
Tijdens het meergenoemde commissiedebat gaf ik al aan dat niet voorafgaand aan de stemmingen in de ministerraad of anderszins over alternatieven is besloten.
In wiens opdracht is een plan B gemaakt?
Zoals in het antwoord op vraag 7 al is aangegeven is vanaf maandag 20 april gesproken over de mogelijke scenario’s. Na de stemmingen gaf ik de opdracht om daadwerkelijk alternatieven uit te werken.
Was de fractie van D66 in de Eerste Kamer voorafgaand aan de stemming op de hoogte van het bestaan van dit «plan B»?
Zie antwoord vraag 3.
Heeft u zelf, direct of indirect, informatie over dit «plan B» gedeeld met leden van de Eerste Kamer, in het bijzonder met senatoren van D66?
Zie antwoord vraag 3.
Welke senatoren van zowel D66 als andere Eerste Kamerfracties waren op de hoogte van plan B?
Dat is bij mij niet bekend. Voor het overige verwijs ik naar het antwoord op de vragen 2 tot en met 6, 10, 11 en 16.
Kunt u ondubbelzinnig uitsluiten dat senatoren van D66 of van andere Eerste Kamerfracties voorafgaand aan de stemming op de hoogte waren van het bestaan van alternatieve wetgeving?
Zie antwoord vraag 12.
Kunt u uitsluiten dat kennis over een dergelijk «plan B» van invloed is geweest op het stemgedrag in de Eerste Kamer?
Het is niet aan mij wat van invloed is op het stemgedrag van leden van de senaat. Verder verwijs ik naar het antwoord op de vragen 12 en 13.
Deelt u de opvatting dat het gelijktijdig voorbereiden van nieuwe wetgeving, terwijl bestaande wetsvoorstellen nog in behandeling zijn, afbreuk doet aan de geloofwaardigheid van het wetgevingstraject richting de Eerste Kamer?
De inzet is te allen tijde geweest ervoor te zorgen dat de wetsvoorstellen het zouden halen. Het voorbereiden op mogelijke uitkomsten van de stemmingen doet geen afbreuk aan de geloofwaardigheid van het wetgevingstraject richting de Eerste Kamer. Verder verwijs ik u naar de antwoorden op vragen 7 en 9.
Bent u bereid alle relevante documenten, waaronder memo’s, gespreksverslagen, appberichten en e-mails met betrekking tot deze contacten en de voorbereiding van «plan B» en de aankondiging daarvan, aan de Kamer te doen toekomen? Zo nee, waarom niet?
Zie antwoord vraag 3.
Kunt u deze vragen beantwoorden voor het commissiedebat Vreemdelingen- en asielbeleid van van 13 mei?
De vragen zijn zo spoedig mogelijk beantwoord.
Het artikel 'Marechaussee werkte met omstreden techreus Palantir: minister Van Weel verzweeg contract voor Tweede Kamer' |
|
Laurens Dassen (Volt) |
|
David van Weel (VVD) |
|
|
|
|
Bent u bekend met het Follow The Money-artikel «Marechaussee werkte met omstreden techreus Palantir: Minister van Weel verzweeg contract voor Tweede Kamer»?1
Was uw eerdere antwoord op Kamervragen in juli 2025 over gebruik van Palantir binnen de Nederlandse overheid correct en compleet?2 Zo nee, wat heeft u dan verzaakt te melden?
Was u op de hoogte van het contract tussen Palantir en de Programmadirectie Identiteitsmanagement en Immigratie (IDMI) in 2014?
Zo ja, waarom heeft u dat contract niet genoemd in uw eerdere antwoord? Zo nee, waarom bent u niet voldoende op de hoogte over Amerikaanse tech-afhankelijkheden binnen uw eigen ministerie?
Kunt u een kloppend overzicht geven van alle lopende, aanstaand of verlopen contracten tussen de Nederlandse overheid, inclusief sub-overheden en Zelfstandig Uitvoeringsorganen (ZBO’s), en het Amerikaanse Palantir?
Bent u van mening dat ongepaste of onethische uitspraken van het bestuur van een bedrijf een reden moet zijn dat de Nederlandse overheid geen zaken meer moet doen met het bedrijf in kwestie? Zo nee, waarom niet?
Bent u voornemens alle lopende en aanstaande contracten tussen de Nederlandse overheid en Palantir in belang van nationale veiligheid te annuleren, dan wel niet te verlengen? Zo nee, waarom niet?
Kunt u deze vragen apart van elkaar en voor 12 mei 2026 beantwoorden?
Het herhaaldelijk blokkeren van snelwegen door demonstranten |
|
Shanna Schilder (PVV) |
|
Pieter Heerma (CDA), David van Weel (VVD) |
|
|
|
|
Bent u bekend met de zoveelste wegblokkade van Extinction Rebellion (XR), dit keer in Utrecht?1
Bent u bekend met het feit dat ook andere burgers grondrechten hebben, zoals bewegingsvrijheid en het recht op gebruik van de openbare weg, of geldt dat in de praktijk alleen zolang er geen actiegroep op het asfalt zit? Acht u het recht om te demonstreren absoluut?
Deelt u de opvatting dat het structureel blokkeren van vitale infrastructuur een creatieve, zij het selectieve, interpretatie is van het demonstratierecht? Waar eindigt volgens u demonstreren en begint simpelweg ontwrichten?
Klopt het dat handhaving inmiddels contextafhankelijk is geworden, waarbij de inhoud van de boodschap mede bepaalt of de wet wordt toegepast? Zo nee, waarom niet?
Hoe legt u aan burgers uit dat regels nageleefd moeten worden, terwijl tegelijkertijd zichtbaar wordt dat overtredingen op grote schaal zonder directe consequenties blijven? Wanneer worden eindelijk harde maatregelen genomen en zwaardere handhavingsmiddelen ingezet, zoals bijvoorbeeld de inzet van waterkannonen en zwaardere sancties?
In hoeverre vindt u het wenselijk dat werkende burgers hun dag moeten herinrichten omdat de overheid structureel ervoor kiest niet in te grijpen? Kunnen deze mensen hun (brandstof)kosten bij u declareren?
Ziet u aanleiding om nader te onderzoeken of organisaties die zich herhaaldelijk schuldig maken aan het ontwrichten van de openbare orde nog passen binnen de voorwaarden voor een ANBI-status? Zo nee, kunt u dit uitgebreid motiveren?
De Zembla-uitzending 'Gokkers in je tijdlijn'. |
|
Mirjam Bikker (CU), Jan Struijs (50PLUS), Diederik van Dijk (SGP), Laurens Dassen (Volt), Tijs van den Brink (CDA), Sarah Dobbe (SP) |
|
van Bruggen |
|
|
|
|
Bent u bekend met de Zembla uitzending «Gokkers in je tijdlijn», waarin wordt gesteld dat ondanks het rolmodellenverbod sinds 2022 meer dan de helft van de legale online gokaanbieders nog altijd betrokken is bij influencer en affiliate constructies?1
Wat is uw reactie op de bevindingen uit deze uitzending, en wat zegt dit volgens u over de werking van het rolmodellenverbod en het Besluit ongerichte reclame kansspelen op afstand (Besluit orka)?
Klopt het dat er na deze uitzending in feite twee conclusies mogelijk zijn: ofwel het rolmodellenverbod was juridisch duidelijk maar is jarenlang onvoldoende gehandhaafd, ofwel het verbod was zo onduidelijk dat aanbieders via influencers, streamers en affiliates materieel hetzelfde konden blijven doen als verboden reclame? Welke conclusie acht u de juiste, en wat gaat u doen om dit probleem op te lossen?
Hoeveel onderzoeken heeft de Kansspelautoriteit sinds 2022 ingesteld naar overtredingen van het rolmodellenverbod en verwante reclamebeperkingen, en welke sancties zijn daarbij opgelegd? Acht u deze handhaving effectief?
Erkent u dat het beschermingsdoel van het rolmodellenverbod niet kan worden uitgehold door te verwijzen naar juridische constructies (zoals contracten met affiliates of websites) wanneer het feitelijke effect gelijk blijft: normalisering van gokken en beïnvloeding van jongeren en kwetsbare groepen? Bent u bereid vast te leggen dat bij toezicht en handhaving de feitelijke beïnvloeding leidend is in plaats van de contractvorm?
Deelt u de zorg dat jongeren en jongvolwassenen via influencers, livestreams en «informatieve» content alsnog structureel met gokreclame worden geconfronteerd, juist omdat deze minder herkenbaar en daardoor effectiever kan zijn? Hoe wordt deze blootstelling momenteel gemonitord en bent u bereid die monitoring te versterken?
Deelt u de opvatting dat websites, vergelijkingspagina’s, streamkanalen en affiliate constructies die financieel afhankelijk zijn van speelgedrag of verliezen van spelers, feitelijk functioneren als verkapte reclame en niet als neutrale informatievoorziening? Acht u het wenselijk dat zulke constructies binnen het huidige reclameregime zijn toegestaan?
Nu het zo lijkt te zijn dat dat het onderscheid tussen directe reclame, indirecte promotie, affiliates en zogenaamd informatieve doorverwijzing voor spelers nauwelijks nog zichtbaar en voor toezicht steeds moeilijker handhaafbaar is, deelt u de mening dat reclame voor online kansspelen in brede zin zou moeten worden verboden, juist om administratief ontwijken te voorkomen?
Bent u bekend met de oproep van Verslavingskunde Nederland en de Nederlandse ggz voor een totaalverbod op gokreclame? Deelt u de opvatting dat een dergelijk verbod effectiever en eenvoudiger handhaafbaar kan zijn dan in elk geval het huidige stelsel van gedeeltelijke beperkingen maar ook het in het coalitieakkoord aangekondigde reclameverbod voor online gokken?
Kunt u deze vragen afzonderlijk en ruim voorafgaand aan het commissiedebat over kansspelen op 24 juni 2026 beantwoorden?
Het werkbezoek aan Marokko |
|
Kati Piri (PvdA) |
|
Berendsen |
|
|
|
|
Bent u bekend met het bericht «De lange arm van Marokko: actiegroep waarschuwt Kamer voor spionage en intimidatie in Nederland»?[1]
Ja.
Heeft u bij uw werkbezoek aan Marokko bij uw ambtsgenoot aangedrongen te stoppen met de spionage en intimidatie van Marokkaanse Nederlanders in Nederland? Zo nee, waarom niet?
De Nederlandse overheid is alert op ongewenste buitenlandse inmenging van andere landen in Nederland. Wanneer het kabinet constateert dat er sprake is van statelijke inmenging, worden landen hier consequent op aangesproken. Het staat andere landen, ook Marokko, vrij om banden te onderhouden met mensen met de Marokkaanse nationaliteit die in Nederland wonen. Voor alle landen geldt: mits dit geschiedt op basis van vrijwilligheid en binnen de grenzen van onze rechtsstaat. Deze boodschap wordt structureel en breed uitgedragen door de Nederlandse overheid. Ook in de goede en open relatie met Marokko.
Heeft u uw ambtsgenoot aangesproken op de arrestatie van meer dan vijfduizend mensen die vorig jaar demonstreerden tegen corruptie en de staat van de gezondheidszorg in Marokko? Zo nee, waarom niet?
Ik heb tijdens mijn bezoek een breed scala aan onderwerpen besproken met mijn ambtsgenoot. De demonstraties en arrestaties waar u naar verwijst zijn bij dit eerste bezoek niet aan bod gekomen. Recht op demonstratie en vrijheid van meningsuiting zijn een groot goed, en worden ook in gesprekken met Marokkaanse autoriteiten besproken.
Heeft u gepoogd om het mensenrechtenvraagstuk expliciet in de gezamenlijke verklaring op te nemen? Zo nee, waarom niet?
We hebben met Marokko een open en gelijkwaardige dialoog waarbinnen ook mensenrechten aan bod komen. Tijdens het bezoek van Minister Bourita aan Nederland in december 2025 is daarnaast afgesproken een informele bilaterale mensenrechtendialoog op te zetten. Dit voornemen is expliciet opgenomen in de gezamenlijke verklaring van het bezoek van december jl. Opnieuw vastleggen was daarom niet nodig in onze optiek. Met Marokko werken we aan het laten plaatsvinden van de informele bilaterale mensenrechtendialoog in Nederland later dit jaar.
Heeft u bij dit werkbezoek, in lijn met de breed aangenomen motie Piri en Dobbe (Kamerstuk 32 735, nr. 407), de druk op de Marokkaanse regering opgevoerd om Nasser Zefzafi en andere politieke gevangenen vrij te laten? Zo ja, op welke manier heeft u dat tijdens dit werkbezoek gedaan? Zo nee, waarom niet? Op welke manier bent u dan wel voornemens om de motie uit te voeren?
In het verslag van de Raad Buitenlandse Zaken van 20 oktober 2025 (Kamerstuk 21 501-02, nr. 3265) informeerde ik u over de manier waarop uitvoering is gegeven aan de motie Piri en Dobbe (Kamerstuk 32 735, nr. 407). De Nederlandse zorg over politieke gevangenen, zoals de heer Zefzafi, is op hoogambtelijk niveau uitgesproken. Nederland zal zich hier sterk voor blijven maken.
Kunt u bovenstaande vragen elk afzonderlijk beantwoorden? [1] EW Magazine, 25 maart 2026, «De lange arm van Marokko: actiegroep waarschuwt Kamer voor spionage en intimidatie in Nederland» (https://www.ewmagazine.nl/buitenland/article/2026/03/lange-arm-marokko-intimidatie-activisten-nederland-109409w/)
Ja.
Het bericht 'Israëlische aanval treft journalisten in Libanon: vermiste verslaggever dood onder het puin gevonden' |
|
Sarah Dobbe (SP) |
|
Sjoerd Sjoerdsma (D66) |
|
|
|
|
Wat is uw reactie op de aanvallen op hulpverleners en journalisten door het Israëlische leger in Libanon, zoals het AD meldt?1
De gevolgen van het geweld in Libanon baren het kabinet ernstige zorgen, specifiek ook de slachtoffers die vallen onder hulpverleners en journalisten. Een van de centrale uitgangspunten van het humanitair oorlogsrecht (HOR) is dat humanitaire hulpverleners en humanitaire hulpgoederen door strijdende partijen moeten worden ontzien en beschermd.
Herinnert u zich het AIV en CAVV rapport over geweld tegen hulpverleners? Zo ja, passen deze aanvallen in het patroon van afbraak van het humanitair recht?
Het kabinet heeft het rapport van AIV en CAVV over geweld tegen hulpverleners meteen bij ontvangst verwelkomd. Het is cruciaal dat manieren worden gevonden om het in vele conflicten toenemende geweld tegen hulpverleners te keren. In de reactie op het rapport deelt het kabinet de analyse van de AIV en CAVV dat er wereldwijd sprake is van afnemend respect voor humanitair oorlogsrecht en mede als gevolg daarvan toenemend geweld tegen hulpverleners. Zoals de VN Emergency Relief Coordinator, Tom Fletcher, het begin april verwoordde in de VN Veiligheidsraad is de toename aan gedode hulpverleners geen toeval, maar de teloorgang van het humanitaire uitgangspunt van bescherming.2 Helaas is sinds de geweldsescalatie tussen Israël en Hezbollah ook in Libanon sprake van dergelijk toenemend geweld.
Herinnert u zich uw uitspraak «door stilte sterft de norm» als reactie op het rapport van de AIV en CAVV en hoe gaat u indachtig deze uitspraak reageren op deze aanvallen op journalisten en hulpverleners door het Israëlische leger?
Een van de centrale uitgangspunten van het humanitair oorlogsrecht (HOR) is dat humanitaire hulpverleners en humanitaire hulpgoederen door strijdende partijen moeten worden ontzien en beschermd. Het kabinet staat pal voor respect voor het HOR, zoals kortgeleden benadrukt in de kabinetsreactie op het rapport van de AIV en CAVV. Wereldwijd zien we dat in Oekraïne, Soedan, Gaza, Libanon of de Democratische Republiek Congo steeds meer lokale en internationale hulpverleners omkomen door een gebrek aan respect voor het HOR. Dit niet adresseren leidt tot normerosie en het kabinet zet zich daarom in om deze tegen te gaan en het werk van hulporganisaties in woord en daad te steunen.
Persvrijheid en vrijheid van meningsuiting, met in ruimere zin veiligheid van journalisten, is en blijft één van de prioriteiten binnen het Nederlandse mensenrechtenbeleid. Journalisten worden beschermd onder het humanitair oorlogsrecht en moeten hun belangrijke werk in conflictgebieden in veiligheid kunnen uitvoeren. Het kabinet onderstreept deze uitgangspunten en veroordeelt doelbewuste aanvallen op journalisten overal ter wereld, ook in het Midden-Oosten. Vermeende internationale misdrijven vragen in algemene zin om gedegen en onafhankelijk onderzoek, ook waar het journalisten betreft. Nederland vraagt ook al geruime tijd om meer internationale aandacht voor de toenemende straffeloosheid voor geweld tegen journalisten wereldwijd – onder andere in de context van de Media Freedom Coalition. Vanuit het Mensenrechtenfonds heeft Nederland het Safety for Voices-programma dat ziet op fysieke, digitale, juridische en psychosociale veiligheid van journalisten en mensenrechtenverdedigers (EUR 40 miljoen voor periode 2023–2027), waarmee ook journalisten in het Midden-Oosten worden geholpen. Nederland blijft het belang van persvrijheid en veiligheid van journalisten consistent onderstrepen tegenover Israël, zowel publiek als achter de schermen, mede met het oog op het tegengaan van straffeloosheid voor dit soort misdrijven.
Deelt u de mening dat aanvallen van hulpverleners en journalisten nooit de norm mogen worden en dat hier dus actie op is vereist om het internationaal recht als norm te herstellen?
Geweld tegen hulpverleners en journalisten mag inderdaad nooit de norm worden, net zo min als straffeloosheid bij dergelijk geweld. Om straffeloosheid tegen te gaan, is bewijsmateriaal nodig op grond waarvan vervolgens doortastend gehandeld moet worden. In principe is het in eerste instantie aan de nationale autoriteiten om onderzoek te doen naar mogelijke misdrijven. De internationale gemeenschap komt in beeld als een staat niet bereid of niet in staat is om zelf op te treden. Het kabinet roept daarom op tot transparant en onafhankelijk onderzoek naar de diverse gevallen waarbij de afgelopen tijd door het geweld tussen Israël en Hezbollah in Libanon hulpverleners en journalisten omkwamen of gewond raakten. Zie ook antwoord 7.
Deelt u de mening dat deze aanvallen door het Israëlische leger een schending zijn van het staakt-het-vuren tussen Israël en Libanon? Op welke manier gaat u ervoor zorgen dat het staakt-het-vuren overeind blijft?
Het kabinet verwelkomt het staakt-het-vuren tussen Israël en Libanon, de bemiddelende rol van de VS hierin, en roept alle partijen op zich aan de gemaakte afspraken te houden en de wederzijdse aanvallen te stoppen. Deze boodschap onderstreept het kabinet onverkort, zowel in samenspraak met gelijkgezinden als bilateraal. Het is van groot belang dat de onderhandelingen tussen Israël en Libanon worden voortgezet om te komen tot een duurzame diplomatieke oplossing.
Bent u bereid om deze aanvallen op hulpverleners en journalisten door het Israëlische leger publiekelijk te veroordelen?
Het kabinet onderstreept dat militair optreden alleen binnen de kaders van het internationaal recht mag plaatsvinden. Dat betekent dat het humanitair oorlogsrecht, alsook het recht voor het gebruik van geweld door staten, door alle partijen moet worden gerespecteerd. Daar waar dat niet gebeurt, spreekt het kabinet zich uit, voor en achter de schermen. Zoals uw Kamer bekend wijst het kabinet de Israëlische regering op zijn internationaalrechtelijke verplichtingen, waaronder de bescherming van burgers, inclusief journalisten en hulpverleners.
Bent u bereid ervoor te zorgen dat dat er onafhankelijk onderzoek komt naar deze en andere aanvallen op hulpverleners en journalisten in Libanon, en zo ja, op welke manier gaat u dit doen? Zo nee, waarom niet?
Ook in deze context dringt Nederland aan op transparant en onafhankelijk onderzoek naar mogelijke schendingen van het humanitair oorlogsrecht. Het is in eerste instantie aan de lokale autoriteiten om onderzoek te doen naar mogelijke schendingen. Het kabinet onderzoekt mogelijkheden om de Libanese autoriteiten hierin te ondersteunen en steunt Nederland het kantoor van de VN Hoge Commissaris voor de Mensenrechten (OHCHR) in Libanon met een bedrag van USD 1,5 mln. over de jaren 2025–2026.
Bent u bereid om de Israëlische ambassadeur te ontbieden naar aanleiding van deze aanvallen, of welke andere actie gaat u ondernemen om druk te zetten op de Israëlische regering om deze aanvallen op journalisten, hulpverleners of burgers te stoppen?
Het kabinet beziet steeds hoe het op een effectieve wijze kan bijdragen aan verbetering van de situatie ter plaatse en blijft dit consistent onderstrepen in bilaterale gesprekken met Israëli en in multilateraal verband. Dat doet het kabinet soms publiekelijk en soms achter de schermen.
Bent u bereid om deze vragen één voor één te beantwoorden en gezien de actualiteit met spoed te beantwoorden?
Ja.
Bent u bekend met het bericht «Ervaringen ingezetenencriterium»?1
Hoe kan het dat ondanks het i-criterium, welke sinds 1 januari 2013 deel uitmaakt van de Opiumwet en gemeentes verplicht dit in het lokale beleid op te nemen, er nog steeds gemeentes zijn die deze plicht verzaken?
Bent u het ermee eens dat het onacceptabel is dat gemeentes die het i-criterium wel in hun lokale beleid hebben opgenomen dit niet handhaven? Zo nee, waarom niet? Zo ja, welke actie gaat u hierop ondernemen?
Is het gedogen van eerdergenoemd gedrag door gemeentes geen vorm van ondermijning van de rechtsstaat? Zo nee, waarom niet? Zo ja, welke actie gaat u hierop ondernemen?
Als de overheid zich al niet houdt aan wet- en regelgeving, wat verwacht u dan van de burger? Is dit geen fout voorbeeld?
Wekt het niet uitvoeren en handhaven van het i-criterium het wiettoerisme, met de bijbehorende overlast, niet in de hand?
Het bericht dat een rechter duizenden Woo-verzoeken indiende om misbruik van de wet aan te tonen |
|
Ranjith Clemminck (JA21) |
|
Eric van der Burg (VVD) |
|
|
|
|
Bent u bekend met het artikel «Rechter bombardeert gemeenten met duizenden informatieverzoeken om punt te maken»?1
Ja.
Klopt het dat een zittende rechter volgens deze berichtgeving op grote schaal Woo-verzoeken heeft ingediend bij gemeenten, niet primair om informatie openbaar te krijgen, maar om aan te tonen hoe eenvoudig misbruik van de Woo mogelijk is? Zo ja, wat is uw reactie daarop?
Ja, dit klopt. Het recht op toegang tot overheidsinformatie en het kunnen doen van een Woo-verzoek is belangrijk voor de werking van onze democratie. Vanzelfsprekend is het onacceptabel dat dit belangrijke recht uit de Woo wordt misbruikt. Misbruik maken van de Woo leidt tot verspilling van publieke middelen en levert het overheidsorganisaties een hoop extra werk op. Misbruik ondermijnt een goede werking van het openbaarheidsstelsel, bijvoorbeeld omdat dit ten koste gaat van de doorlooptijd van andere Woo-verzoeken.
Deelt u de opvatting dat de Woo bedoeld is om openbaarheid van bestuur te bevorderen, maar niet om overheden op grote schaal doelbewust administratief te belasten of de uitvoeringspraktijk te ontregelen?
Ja.
Hoe beoordeelt u het risico dat dit soort massale en mogelijk strategische Woo-verzoeken, zeker bij kleinere gemeenten, leidt tot verdringing van reguliere publieke taken, oplopende uitvoeringskosten en langere wachttijden voor bona fide verzoekers?
Transparantie van overheidshandelen en openbaarmaking van overheidsinformatie zijn belangrijke waarborgen in onze democratische rechtsstaat. Misbruik van het recht om Woo-verzoeken te doen, is dan ook onacceptabel. Deze casus laat zien dat misbruik van de Woo mogelijk is.
Om misbruik tegen te gaan, bevat de Woo een antimisbruikbepaling. Van deze bepaling kunnen overheidsorganisaties gebruik maken als een Woo-verzoeker kennelijk een ander doel heeft dan het verkrijgen van publieke informatie. Op dit moment heb ik geen signalen dat misbruik van de Woo op grote schaal voorkomt. Wel is het voor bestuursorganen soms lastig om te bepalen wanneer zij gebruik kunnen maken van de antimisbruikbepaling. Daarom hebben we een handreiking gepubliceerd die bestuursorganen hierbij helpt.2 Daarnaast wordt dit jaar de Woo geëvalueerd, waarbij ook wordt gekeken naar de werking van de antimisbruikbepaling. Op basis van de uitkomsten van de evaluatie kunnen we kijken of extra maatregelen nodig zijn om misbruik te voorkomen en te bestrijden.
Heeft u zicht op de omvang van de belasting voor gemeenten door dit soort bulkverzoeken, bijvoorbeeld in termen van extra ambtelijke inzet, externe juridische kosten en vertraging in de afhandeling van andere Woo-verzoeken? Zo nee, bent u bereid dit via de Vereniging van Nederlandse Gemeenten (VNG) uit te vragen?
Onlangs is een onderzoek uitgevoerd naar de uitvoeringslasten van Woo-verzoeken.3 In dit onderzoek is niet specifiek gekeken naar bulkverzoeken, maar wel naar zogenaamde «zeer complexe» verzoeken,4 waar ook de hier bedoelde bulkverzoeken onder kunnen vallen. Op landelijk niveau vergen de 10% meest complexe Woo-verzoeken circa 30% van de totale tijd die wordt besteed aan de afhandeling van Woo-verzoeken. De gemiddelde tijdsbesteding voor zeer complexe Woo-verzoeken bedraagt 113 uren voor kleine gemeenten, 128 uren voor middelgrote gemeenten en 159 uren voor grote gemeenten. Dit betreffen uitdrukkelijk niet allemaal verzoeken waarmee misbruik wordt gemaakt van de Woo. In de wetsevaluatie wordt nader gekeken naar de effecten van de Woo in de praktijk en de werking van de antimisbruikbepaling. De uitkomsten van het onderzoek naar de uitvoeringslasten worden in de wetsevaluatie meegenomen.
Welke mogelijkheden hebben bestuursorganen op dit moment om op te treden tegen kennelijk oneigenlijk of disproportioneel gebruik van de Woo, en acht u dat instrumentarium toereikend?
Zoals eerder genoemd, heeft de Woo een antimisbruikbepaling (artikel 4.6) waarmee bestuursorganen een middel hebben om Woo-verzoeken die een ander doel hebben dan het verkrijgen van informatie niet in behandeling te nemen. Hier heeft de gemeente Utrecht in deze casus ook een beroep op gedaan.
Of de antimisbruikbepaling wordt ingezet, is een afweging die het bestuursorgaan zelf moet maken op basis van de relevante feiten en omstandigheden van de betreffende casus. Er is dus geen standaardformule die altijd kan worden toegepast als er een vermoeden van een oneigenlijk of misbruikverzoek is. Zoals hiervoor al benoemd, is vanuit mijn ministerie – in samenwerking met een overheidsbrede werkgroep – een handreiking opgesteld met handvatten voor de toepassing van de antimisbruikbepaling. Zo kan met behulp van indicatoren uit de wet, jurisprudentie en de praktijk worden bepaald of in een casus toepassing van de antimisbruikbepaling passend is.
De handreiking is net gepubliceerd en moet zijn effect in de praktijk dus nog krijgen. Uiteraard herzien we zo nodig de handreiking op basis van signalen uit de praktijk en nieuwe jurisprudentie. Eventuele aanvullingen van het instrumentarium kunnen volgen naar aanleiding van de wetsevaluatie van de Woo.
In hoeverre deelt u de opvatting dat er een betere balans nodig is tussen enerzijds het recht op openbaarheid en anderzijds bescherming van bestuursorganen tegen seriematig of evident oneigenlijk gebruik van de Woo?
Een goed werkend openbaarheidsstelsel is van groot belang. Binnen dit stelsel moeten zowel het recht op overheidsinformatie als mogelijkheden voor bestuursorganen om met misbruik van dit recht om te gaan, geborgd zijn. Het is daarom belangrijk om hier ook in het onderzoek van de wetsevaluatie grondig en objectief naar te laten kijken.
Bent u bereid te onderzoeken of aanvullende waarborgen nodig zijn tegen massale, herhaalde of geautomatiseerd ingediende Woo-verzoeken, bijvoorbeeld door bundeling van identieke verzoeken, een steviger misbruiktoets of andere procedurele drempels voor evident oneigenlijk gebruik?
Tijdens de wetsevaluatie van de Woo worden de doeltreffendheid en de effecten van de wet in de praktijk onderzocht. Hieronder vallen dus ook de doeltreffendheid van de antimisbruikbepaling en misbruik van de Woo in de praktijk. De onderzoekers zal worden gevraagd om aanbevelingen te doen voor verbetering van de uitvoering en uitvoerbaarheid van de wet.
In tussentijd zetten we al stappen om tot een betere uitvoering en uitvoerbaarheid van de Woo te komen. Zo hebben we zeer recent een handreiking gepubliceerd die bestuursorganen helpt bij het omgaan met misbruik van de Woo.5 Aan de handreiking hebben ook verschillende gemeenten meegewerkt. Ook is er een openbare internetconsultatie gedaan waarin iedereen op de concepthandreiking kon reageren. Vanuit de praktijk bleek vooral behoefte aan een handreiking met praktische handvatten voor de toepassing van de antimisbruikbepaling. De handreiking is dan ook een praktisch product geworden dat helpt om misbruik van de Woo te herkennen en te bestrijden.
In hoeverre worden de uitvoeringsproblemen die samenhangen met dit soort bulkverzoeken meegenomen in de lopende evaluatie, monitoring en verbetermaatregelen rond de Woo, en hoe voorkomt u dat misbruik door enkelen het maatschappelijk en bestuurlijk draagvlak voor de Woo verder ondermijnt?
Zie antwoord vraag 8.
Bent u bereid om samen met gemeenten te bezien welke praktische maatregelen op korte termijn mogelijk zijn om de afhandeling van grootschalige en kennelijk oneigenlijke Woo-verzoeken beter te organiseren?
Zie antwoord vraag 8.
Bent u tevens bereid om, gelet op de bijzondere positie van een rechterlijke ambtsdrager in deze kwestie, hierover in overleg te treden met de Raad voor de rechtspraak en de Kamer voor het commissiedebat Wet open overheid te informeren welke concrete opties u ziet om misbruik van de Woo tegen te gaan, zonder het fundamentele recht op openbaarheid voor normale verzoekers onnodig te beperken?
Ik vind het niet noodzakelijk, en gezien de onafhankelijke positie van de rechterlijke macht onwenselijk, om over deze kwestie in overleg te treden met de Raad voor de rechtspraak. Daarnaast heeft de rechtbank Noord-Holland ook aangegeven deze kwestie hoog op te nemen en gemeld dat de betreffende rechter geen zaken meer behandelt totdat duidelijk is of het handelen gevolgen moet hebben (en zo ja, in welke vorm).6 De concrete acties die ik vanuit BZK onderneem, zoals de handreiking en het onderzoek in het kader van de wetsevaluatie, heb ik in de voorgaande antwoorden toegelicht.
Ex-kankerpatiënten die geen of een extreem dure overlijdensrisicoverzekering krijgen |
|
Julian Bushoff (PvdA) |
|
Sophie Hermans (VVD), Eelco Heinen (VVD) |
|
|
|
|
Bent u bekend met de Radar-uitzending van 13 april 2026 over de schone-lei-regeling bij ex-kankerpatiënten, die nu vaak nog geen overlijdensrisicoverzekering kunnen krijgen of daar extreem hoge premies voor moeten betalen?1
Wat vindt u ervan dat nog steeds 1 op de 3 ex-kankerpatiënten wordt afgewezen voor een overlijdensrisicoverzekering vanwege hun ziekteverleden, waardoor het afsluiten van een hypotheek veel lastiger of financieel risicovoller wordt?
Bent u inmiddels in overleg getreden met patiëntenorganisaties, verzekeraars en andere betrokkenen om te bespreken welke nieuwe wetenschappelijke inzichten er zijn waardoor verdere differentiatie van de leeftijdstermijnen wenselijk en passend is, zoals u heeft toegezegd in de beantwoording op eerdere schriftelijke vragen van ondergetekende?2 Zo ja, wat zijn de uitkomsten van deze gesprekken en welke vervolgstappen vloeien hieruit voort? Zo nee, wanneer vinden deze gesprekken plaats?
Binnen welk tijdsbestek kunnen de termijnen die nu worden gehanteerd binnen de schone-lei-regeling worden aangepast als uit de gesprekken met betrokkenen en wetenschappers blijkt dat dit wenselijk is en volgt uit de laatste wetenschappelijke inzichten?
Komen in deze gesprekken ook kankersoorten aan bod waarbij de overlevingskans vanaf het begin al heel hoog is en waarbij nauwelijks sprake is van extra sterfte ten opzichte van leeftijdsgenoten, zoals huidkanker, schildklierkanker en zaadbal- of eierstokkanker? Is de schone-lei-regeling wat u betreft passend voor deze kankersoorten?
Kunt u nader ingaan op uw uitspraak in de beantwoording op de schriftelijke vragen dat er een balans moet zijn tussen de toegankelijkheid van verzekeringen voor ex-kankerpatiënten enerzijds en de prudentiële verantwoordelijkheid van verzekeraars om passende premies te vragen anderzijds? Hoe verhoudt zich dit wat u betreft tot het solidariteitsbeginsel in ons verzekeringssysteem, zeker in het geval van jonge ex-kankerpatiënten die hun leven weer proberen op te bouwen?
Hoe gaat u ervoor zorgen dat meer ex-kankerpatiënten op de hoogte zijn van het bestaan van de schone-lei-regeling?
Deelt u de mening dat verzekeraars bij het afsluiten van een verzekering automatisch zouden moeten wijzen op het bestaan van de schone-lei-regeling (indien van toepassing) en de bijbehorende termijn? Zo nee, waarom niet? Zo ja, bent u bereid hierover met verzekeraars in gesprek te gaan om te bespreken hoe en wanneer dit onderdeel kan worden van het aanvraagproces?
Deelt u de mening dat eventuele hogere premies bij het aflopen van de gestelde termijn binnen de schone-lei-regeling automatisch zouden moeten worden bijgesteld naar beneden? Zo ja, bent u bereid met verzekeraars in gesprek te gaan over de implementatie hiervan? Zo nee, waarom niet?
Wat vindt u ervan dat hypotheekverstrekkers verschillend beleid voeren op het gebied van het verplichten van het afsluiten van een overlijdensrisicoverzekering voor het verkrijgen van een hypotheek? Zou dit wat u betreft geharmoniseerd moeten worden? Zo ja, waarom wel? Zo nee, waarom niet?
Klopt het dat een presentatie of notitie van het Instituut Mijnbouwschade Groningen (IMG) over de verhaalbaarheid van schadevergoedingen eerder in het openbare deel van het archief van de parlementaire enquête aardgaswinning Groningen (PEAG) raadpleegbaar was?
Klopt het dat dit document thans niet langer in het openbare deel van dat archief beschikbaar is? Sinds wanneer is dat het geval?
Is dit document verplaatst naar een besloten of vertrouwelijk deel van het archief, of is het geheel uit het archief verwijderd? Kunt u de exacte handelwijze, datum en grondslag uiteenzetten?
Op wiens verzoek is de openbaarheidsstatus van dit document gewijzigd? Wie heeft dat verzoek gedaan, bij wie is het ingediend en wie heeft het besluit genomen?
Waren uw ministerie, de toenmalig verantwoordelijke bewindspersoon, het IMG of de landsadvocaat betrokken bij of op de hoogte van dit verzoek? Zo ja, wat was ieders rol daarbij?
Welke bepaling van de Wet op de parlementaire enquête 2008, de Regeling parlementair en extern onderzoek of andere toepasselijke regels biedt volgens u de grondslag om na afloop van een parlementaire enquête een document alsnog uit het openbare deel van het archief te halen of onder beperkingen te brengen?
Is over de wijziging van de status van dit document juridisch advies ingewonnen door de griffie van de Tweede Kamer of een andere instantie? Zo ja, door wie, wanneer en bent u bereid dat advies met de Kamer te delen?
Klopt het dat de PEAG-commissie of haar staf van dit document kennis heeft kunnen nemen? Zo ja, is dit document betrokken bij de oordeelsvorming, het feitenrelaas of de rapportage van de commissie? Zo nee, waarom niet?
Heeft het IMG de in de presentatie vervatte inzichten over de verhaalbaarheid van schade en de duur van de schadeafhandeling vóór of tijdens 2022 gedeeld met het ministerie? Zo ja, op welke data, in welke vorm en met welke ambtelijke en politieke geadresseerden?
Is de toenmalig verantwoordelijke Minister expliciet geïnformeerd over het risico dat delen van het gehanteerde schadebeleid mogelijk buiten de aansprakelijkheidskaders van Nederlandse Aardolie Maatschappij (NAM) vallen? Zo ja, wanneer en via welke stukken, nota’s of presentaties?
Klopt het dat het IMG in deze presentatie signaleert dat delen van het schadebeleid niet zonder meer binnen de aansprakelijkheid van NAM vallen? Zo nee, wilt u dan feitelijk weergeven welke conclusie het IMG op dit punt wel trok?
Klopt het dat het IMG in deze presentatie signaleert dat onder het huidige beleid geen duidelijke exitstrategie bestaat en dat, zolang nieuwe scheuren worden vastgesteld, vergoedingen kunnen blijven doorlopen? Zo nee, wat is volgens u een juiste lezing van die passage?
Kunt u toelichten hoe uw antwoord op vraag 4 uit eerdere schriftelijke vragen (2026Z05645), namelijk dat niet kan worden uitgesloten dat kosten uiteindelijk voor rekening van de Staat komen, zich verhoudt tot uw antwoord op vraag 15, namelijk dat daarvoor geen begrotingsvoorziening of reservering nodig wordt geacht?
Over welke concrete kostencategorieën bestaat op dit moment een juridisch geschil tussen de Staat enerzijds en NAM, Shell en ExxonMobil anderzijds? Kunt u dit uitsplitsen naar fysieke schade, waardedaling, versterken, daadwerkelijk herstel, forfaitaire of ruimhartige regelingen, verduurzamingsmaatregelen, knelpuntenregelingen en overige posten?
Heeft het ministerie intern scenario’s, bandbreedtes, risicoregisters of andere analyses opgesteld over de mogelijke financiële risico’s voor de Staat indien kosten niet of slechts gedeeltelijk op NAM verhaalbaar blijken? Zo ja, wanneer zijn deze opgesteld, geactualiseerd of besproken?
Welke concrete vervolgstappen zet het kabinet indien uit rechterlijke uitspraken of arbitrale vonnissen blijkt dat relevante delen van de schadekosten niet verhaalbaar zijn op NAM? Is er in dat geval een aanvullend begrotings- of dekkingsplan?
Bent u bereid de Kamer vertrouwelijk te briefen over de inhoud, status en betekenis van de IMG-presentatie en van eventuele onderliggende of vergelijkbare analyses, nu u in eerdere beantwoording aangaf bereid te zijn tot een vertrouwelijke technische briefing?
Bent u bereid de Algemene Rekenkamer expliciet te verzoeken in haar onderzoek ook aandacht te besteden aan de vraag in hoeverre het huidige schadebeleid leidt tot niet-verhaalbare lasten voor de Staat en tot welke budgettaire risico’s dat kan leiden?
Kunt u deze vragen afzonderlijk beantwoorden uiterlijk vóór 12 juni 2026, zodat de Kamer vóór de aangekondigde uitspraak van de rechtbank Noord-Nederland daarover kan beschikken?
De positie van Arameeërs in Syrië |
|
Tijs van den Brink (CDA), Maes van Lanschot (CDA) |
|
Sjoerd Sjoerdsma (D66), Berendsen |
|
|
|
|
Bent u bekend met de petitie die onlangs door de Aramese Beweging voor Mensenrechten (ABM) is overhandigd aan de Speciaal Gezant voor Vrijheid van Religie en Levensovertuiging over de verslechterende positie van Aramese christenen in Syrië?1
Ja.
Kunt u aangeven hoe binnen het Nederlandse en Europese Syriëbeleid rekening wordt gehouden met de positie van kwetsbare minderheden, waaronder de Arameeërs, en waar deze volgens u explicieter kan worden verankerd in beleidskaders?
De bescherming van alle kwetsbare gemeenschappen in Syrië, waaronder Arameeërs, is een belangrijk uitgangspunt van het Nederlandse en Europese Syriëbeleid. De bevordering van de vrijheid van religie en levensovertuiging en de bescherming van religieuze gemeenschappen, die in lijn hiermee is, is verankerd in het Nederlandse buitenlandbeleid.2 Gezien het belang dat het kabinet hieraan hecht is in de Beleidsbrief Buitenlandse Zaken 2026 van 24 april j.l. ook nadrukkelijk aandacht besteed aan het bevorderen van mensenrechten, de positie van minderheden, vrijheid van godsdienst en levensovertuiging.3
Zoals met uw Kamer gedeeld in de brief van 20 maart jl. dringt het kabinet – zowel bilateraal als in EU-verband – in de contacten met de Syrische overgangsautoriteiten consequent aan op een inclusieve politieke transitie en de bescherming van alle gemeenschappen.4 In het meest recente telefoongesprek met de Syrische Minister van Buitenlandse Zaken Shaibani heb ik het belang van het beschermen van minderheden in Syrië ook expliciet benoemd. Voortgang op dit terrein blijft een belangrijk uitgangspunt voor bredere Nederlandse en Europese steun, zoals ten behoeve van de wederopbouw van Syrië.
Nederland en de EU steunen ook projecten om de rechten van gemeenschappen te beschermen en straffeloosheid voor plegers van mensenrechtenschendingen in Syrië tegen te gaan. Hiertoe behoort onder andere de steun aan de VN-bewijzenbank voor Syrië (IIIM), de Independent International Commission of Inquiry, het Bureau van de VN Hoge Commissaris voor de Mensenrechten (OHCHR) in Damascus en maatschappelijke organisaties in Syrië. In EU-verband zet het kabinet zich tevens in voor gerichte sancties tegen plegers van mensenrechtenschendingen of sektarisch geweld.
Om deze inzet vorm te geven, vinden structureel gesprekken plaats met Syrische gemeenschappen en het maatschappelijk middenveld. Het gesprek met de ABM, waarbij de petitie overhandigd is aan de Speciaal Gezant voor Vrijheid van Religie en Levensovertuiging, is hier een voorbeeld van.
Kunt u reflecteren op de huidige constitutionele ontwikkelingen in Syrië, waarbij onder meer via Presidentieel Decreet No. 13 erkenning is gegeven aan de Koerdische identiteit en taal?
Het kabinet heeft kennis genomen van de erkenning van de Koerdische identiteit en taal als belangrijke stap in het streven naar een inclusieve politieke transitie. Het is van belang dat de rechten van alle Syriërs hun weerslag vinden in de nieuwe Grondwet die Syrië opstelt.
Kunt u tevens aangeven of en in hoeverre het kabinet van oordeel is dat ook andere inheemse bevolkingsgroepen, waaronder de Arameeërs – met een aantoonbare aanwezigheid van ongeveer 3.000 jaar – in aanmerking zouden moeten komen voor vergelijkbare erkenning? Hoe beoordeelt u in dat licht het belang van gelijke behandeling van verschillende inheemse bevolkingsgroepen in Syrië?
Het kabinet merkt op dat meerdere bevolkingsgroepen in Syrië, waaronder de Aramese gemeenschap, een langdurige en diepgewortelde aanwezigheid in de regio kennen. Het kabinet acht het van belang dat bij de verdere constitutionele ontwikkelingen in Syrië oog bestaat voor de geschiedenis, culturele identiteit en taal van alle gemeenschappen.
Het kabinet benadrukt daarom dat het proces van grondwetsvorming in Syrië inclusief dient te zijn en moet leiden tot waarborgen voor gelijke behandeling en bescherming van alle etnische en religieuze gemeenschappen. In dat licht beziet het kabinet erkenning van specifieke groepen niet als een op zichzelf staand doel, maar als onderdeel van een breder proces waarin de rechten van alle Syriërs, ongeacht afkomst of religie, op gelijke wijze worden verankerd en gerespecteerd.
Bent u bereid om zich, zowel bilateraal als in EU-verband, actief in te zetten voor inclusie en erkenning van inheemse bevolkingsgroepen, waaronder de Arameeërs, in de Syrische constitutionele en politieke processen? Zo ja, hoe geeft u hier concreet invulling aan?
Het kabinet zet zich in voor de inclusie van alle gemeenschappen in Syrië, zowel bilateraal als in EU-verband. In aanvulling op de diplomatieke en politieke inspanningen die reeds worden gepleegd zal worden bezien op welke wijze de Syrische constitutionele en politieke processen in EU-verband verder ondersteund kunnen worden. Het kabinet heeft in dit kader, conform de motie van de leden Stoffer en Ceder, bij de Raad Buitenlandse Zaken van 21 april jl. opgeroepen tot verankering van het recht op geloofsvrijheid in de nieuwe Syrische Grondwet.5
Kunt u aangeven in hoeverre volgens u Nederlandse en Europese humanitaire en wederopbouwmiddelen voor Syrië – mede via internationale organisaties zoals de Verenigde Naties – effectief kwetsbare minderheidsgemeenschappen bereiken?
De humanitaire partners waar Nederland en de EU mee samenwerken leveren steun op basis van de grootste noden en ten behoeve van de meest kwetsbare groepen. Hierbij ligt de focus niet op één specifieke doelgroep, maar richten organisaties zich op alle mensen in nood.
Zo zijn er naar aanleiding van de ontwikkelingen in Noordoost-Syrië in de eerste twee maanden van dit jaar meer dan 185,000 mensen uit 110 verschillende gemeenschappen bereikt met hulp, volgens het VN Bureau voor de Coördinatie van Humanitaire Aangelegenheden (OCHA).
Bij de inzet van wederopbouwmiddelen is inclusiviteit ook een belangrijke voorwaarde. De besteding van EU en Nederlandse middelen is hiertoe onderworpen aan strikte monitoring- en evaluatiemechanismen. Indien risico’s op uitsluiting of marginalisering van bevolkingsgroepen worden vastgesteld, kan de uitvoering worden aangepast, opgeschort of beëindigd. Hiermee wordt geborgd dat steun niet bijdraagt aan spanningen of ongelijkheid en Nederlandse en EU-middelen effectief de meest kwetsbare gemeenschappen bereiken.
Hoe beoordeelt u de signalen dat bepaalde bevolkingsgroepen, waaronder de Arameeërs, sinds het begin van het conflict in 2011 structureel in beperkte mate van dergelijke steun hebben kunnen profiteren?
Helaas zijn er in Syrië, net als in veel andere landen, niet voldoende middelen om in alle noden te voorzien. Partners moeten hierdoor prioriteren in de ondersteuning die zij bieden. Uit gesprekken met partnerorganisaties heeft het kabinet echter geen indicatie ontvangen dat bepaalde gemeenschappen structureel en bewust in mindere mate worden bereikt met hulp. Het kabinet is en blijft hiertoe in nauw contact met partners in Syrië.
Hoe betrekt u het behoud van ernstig bedreigde talen, zoals het Aramees – dat gedurende circa twee millennia de voornaamste taal van Syrië was – in de Nederlandse en Europese inzet op het behoud van cultureel erfgoed, het waarborgen van culturele diversiteit in Syrië en het bevorderen van duurzame stabiliteit?
Syrië is geen prioriteitsland binnen het kader van het Internationaal Cultuurbeleid (ICB) voor de periode 2025–2028. Dit betekent dat er geen tot weinig mogelijkheden zijn om bilateraal programmering op te zetten.
Het kabinet onderschrijft wel het belang van het behoud van cultureel en immaterieel erfgoed in Syrië. De inzet hiertoe verloopt ongeoormerkt via multilaterale kanalen zoals UNESCO en Europese programma’s. Daarbij gaat het om projecten voor documentatie, erfgoedbescherming, onderwijs en overdracht van culturele tradities.
Tussen 2014 en 2020 heeft de EU middels het Erasmus+ programma geïnvesteerd in twee projecten om de Aramese taal veilig te stellen voor de toekomst. Bij deze projecten was onder andere het Sint Ephrem Klooster in Nederland betrokken. Het project heeft geresulteerd in een online omgeving waar Aramees geleerd kan worden en een tekstboek dat beschikbaar is in zes talen.6
Momenteel ondersteunt de European Research Council voor 1.5 miljoen euro een vijfjarig onderzoeksproject naar het ontstaan en de historische verspreiding van het Aramees in het Midden-Oosten, waarbij kennis van Assyrisch, Aramaisch en historische sociolinguïstiek bijeen wordt gebracht.7
UNESCO spant zich daarnaast in voor de bredere bescherming van erfgoed in Syrië.
Op welke wijze kan Nederland, al dan niet via UNESCO of Europese programma’s, bijdragen aan de bescherming en revitalisering van het Aramees als bedreigd immaterieel erfgoed in Syrië?
Zie antwoord vraag 8.
Kunt u toelichten hoe Nederland momenteel maatschappelijke organisaties van minderheden in Syrië ondersteunt? In hoeverre ziet u hierbij mogelijkheden om – juist waar dergelijke civiele structuren nog ontbreken – gerichte ondersteuning te bieden voor de opbouw van inclusieve maatschappelijke organisaties, ter versterking van diversiteit, burgerparticipatie en sociale cohesie?
Het kabinet ondersteunt via het decentrale Mensenrechtenfonds en het nieuwe subsidiebeleidskader Focus (2026–2030) maatschappelijke organisaties in Syrië die zich inzetten voor diversiteit, inclusie en sociale cohesie. Hiertoe behoren organisaties die zich inzetten voor de bescherming van mensenrechten, waaronder op het gebied van vrijheid van religie en levensovertuiging en de bescherming van religieuze gemeenschappen. Ook in EU-verband wordt het Syrische middenveld ondersteunt, bijvoorbeeld via de «Day of Dialogue» die afgelopen november in Damascus is georganiseerd met 500 deelnemers. Het kabinet zal zich blijven inspannen om maatschappelijke dialoog in Syrië te ondersteunen ter versterking van verzoening, sociale cohesie en burgerparticipatie.
Hoe kan volgens u de kennis en betrokkenheid van de Aramese diaspora in Nederland structureler worden benut bij beleid en programma’s gericht op Syrië?
Het kabinet heeft op zowel ambtelijk als politiek niveau structureel contact met vertegenwoordigers van Syrische gemeenschappen en het maatschappelijk middenveld. De petitie en aanvullende informatie die de Speciaal Gezant voor Vrijheid van Religie en Levensovertuiging ontvangen heeft van de ABM zullen hierin worden meegewogen.
Welke mogelijkheden ziet u om gerichte steun aan kwetsbare inheemse minderheden in Syrië te versterken, met bijzondere aandacht voor erfgoedbescherming, taalbehoud en maatschappelijke opbouw? Bent u bereid de Kamer hierover concreet te informeren?
Zoals toegelicht ondersteunen Nederland en de EU de rechten van gemeenschappen in Syrië zowel politiek als financieel. Het kabinet zal zich hiervoor blijven inzetten binnen lopende programma’s.
Bent u bereid te verkennen hoe Nederlandse expertise op het gebied van waterbeheer, landbouw, voedselzekerheid en innovatieve sectoren, zoals digitalisering en kunstmatige intelligentie, kan worden ingezet bij de wederopbouw van Syrië?
Ja. Het kabinet is in EU-verband in gesprek met de Syrische overgangsautoriteiten over de Syrische wederopbouwprioriteiten, en zal hiertoe afwegen waar vanuit Nederlandse expertise aan de wederopbouw in Syrië kan worden bijgedragen.
Bent u daarbij bereid te verkennen hoe ook kwetsbare minderheden, waaronder de Arameeërs met hun historisch brede aanwezigheid en lokale netwerken, een constructieve rol kunnen vervullen bij de implementatie en verspreiding van deze kennis en ondersteuning?
Het kabinet zal oog houden voor de inclusie van gemeenschappen in de wederopbouw van Syrië en op welke wijze gemeenschappen een constructieve rol kunnen vervullen in de wederopbouwopgave.
Het bericht 'Verkrachtingsacademie’ waar mannen hun vrouwen drogeren en aanranden: CNN legt wereldwijd netwerk van misbruik bloot' |
|
Jantine Zwinkels (CDA), Etkin Armut (CDA) |
|
David van Weel (VVD) |
|
|
|
|
Bent u bekend met het bericht ««Verkrachtingsacademie» waar mannen hun vrouwen drogeren en aanranden: CNN legt wereldwijd netwerk van misbruik bloot»?1
Deelt u de mening dat het verwerpelijk en onacceptabel is dat er wereldwijde netwerken bestaan van mannen die elkaar aanmoedigen om vrouwen te misbruiken en drogeren, en hier veelvuldig tips over delen?
Welke strafrechtelijke mogelijkheden bestaan er om beheerders en Nederlandse gebruikers van dit soort platforms op te sporen en te vervolgen?
Kunt u in kaart brengen hoeveel van dit materiaal op Nederlandse servers staan en in hoeverre soortgelijke «verkrachtingsacademies» in Nederland aan de orde zijn?
Hoeveel Nederlandse vrouwen zijn naar verwachting slachtoffer van drogering en verkrachting door hun partner en waar kunnen deze slachtoffers zich melden?
In hoeverre is het strafbaar om in groepchats tips te delen om vrouwen te drogeren met slaapmedicatie? Kan hier specifiek op gehandhaafd worden en zo nee, welke belemmeringen zijn er?
Bent u van mening dat het wenselijk is om deelnemen aan of faciliteren van dergelijke online omgevingen explicieter strafbaar te stellen?
Hoe kunt u voorkomen dat anonimiteit op het internet ertoe leidt dat daders zich gemakkelijk kunnen verschuilen bij het plegen van seksueel geweld en delen van livestreams van seksueel misbruik, en welke ruimte biedt de Digital Services Act (DSA) om dit tegen te gaan?
Op welke manier werkt Nederland samen met andere Europese lidstaten bij de bestrijding van dit soort grensoverschrijdende online seksuele criminaliteit?
Kunt u in kaart brengen wat Nederland als individuele lidstaat kan doen om dit aan te pakken, en wat nodig is in Europees verband?
Heeft u in beeld hoeveel meldingen worden gedaan bij de online platforms over dergelijke «verkrachtingsacademies» en op welke manier wordt hierop geacteerd door de platforms?
Vindt u dat Telegram de verantwoordelijkheid om slachtoffers te beschermen en schadelijke content te verwijderen naleeft, nu veelvuldig in groepchats concreet advies wordt gedeeld over het drogeren van vrouwen, middelen worden verkocht om vrouwen in slaap te houden en livestreams worden gemaakt van seksueel misbruik?
Bent u bereid om te onderzoeken of aanvullende wetgeving of bevoegdheden nodig zijn om sneller in te grijpen bij websites die seksueel geweld faciliteren?
Bent u bereid om, in samenwerking met Europese lidstaten, zich actief in te zetten voor het zo snel mogelijk offline halen van platforms zoals Motherless die seksueel geweld faciliteren of verheerlijken, en welke concrete stappen kunt u daartoe nemen?
Het gebrek aan psychische hulp voor kinderen in de vrouwenopvang |
|
Marijke Synhaeve (D66), Hanneke van der Werf (D66) |
|
Mirjam Sterk (CDA) |
|
|
|
|
Bent u bekend met het bericht «Nauwelijks psychische hulp voor kinderen in vrouwenopvang, scholen springen bij»?1
Erkent u dat deze kinderen vaak zeer getraumatiseerd zijn, en wanneer zij niet de juiste zorg krijgen, deze trauma's doorwerken in alle levensterreinen van deze kinderen en dat zij hier hun hele toekomst last van kunnen houden?
Kunt u reflecteren op welke concrete verbeteringen de afgelopen jaren daadwerkelijk gerealiseerd zijn voor kinderen in de vrouwenopvang in termen van bescherming, toegang tot passende ondersteuning en zorg, en continuïteit in hun ontwikkeling, als gevolg van het rapport van burgemeester Lenferink, vanuit zijn aanjagersrol op dit traject?2
Kunt u daarbij ook ingaan op de vraag in hoeverre de kwaliteitsverbeteringen die beoogd zijn met deze instrumenten, waaronder de inzet van een aanjager en het werken met normenkaders, in praktijk daadwerkelijk afdwingbaar zijn, zowel richting gemeenten als richting opvangorganisaties?
Hoe beoordeelt u de huidige juridische positie van kinderen in de vrouwenopvang en maatschappelijke opvang, en acht u deze positie voldoende beschermd om te waarborgen dat kinderen daadwerkelijk als zelfstandige dragers van rechten worden behandeld en aanspraak kunnen maken op zorg?
Erkent u dat veel van deze kinderen professionele zorg nodig hebben, die niet geboden kan worden door het onderwijs, en hoe gaat u ervoor zorgen dat kinderen deze zorg ook daadwerkelijk krijgen?
Kunt u uiteenzetten onder welke wettelijke regelingen en financieringsstromen de kindgerichte zorg wordt betaald die plaatsvindt binnen de vrouwenopvang en maatschappelijke opvang, waarbij gedacht kan worden aan ondersteuning bij onderwijs en pedagogische begeleiding, en kloppen de signalen dat hier geen structureel, herkenbaar budget per kind voor beschikbaar is?
Zou u kunnen toelichten door wie specialistische zorg buiten de opvang voor deze kinderen, zoals jeugd-GGZ en overige jeugdhulp, wordt gefinancierd?
Erkent u dat het naar elkaar wijzen van gemeenten in de praktijk kan leiden tot vertraging of uitstel van noodzakelijke zorg?
Zijn er signalen bekend dat kinderen en/of vrouwen in de vrouwenopvang psychische zorg mijden, met het gevaar dat hun ouders of partner via de zorgverzekering kan achterhalen waar zij geplaatst zijn, zoals eerder al aangekaart is op gebied van medische zorg via motie Synhaeve c.s.?3