De veroordeling van Mert P. en de aanhoudende veiligheidsproblemen rond de Fivoor-klinieken in Den Dolder |
|
Shanna Schilder (PVV) |
|
van Bruggen |
|
|
|
|
Heeft u kennisgenomen van de berichtgeving over de veroordeling van Mert P., die tijdens verlof in januari 2025 een 76-jarige vrouw in Den Dolder om het leven bracht?1
Ja.
Hoe kijkt u, ruim anderhalf jaar na deze afschuwelijke moord, terug op de veiligheidssituatie rond de Fivoor-klinieken in Den Dolder? Deelt u de conclusie dat de maatregelen die na de moord op Anne Faber in 2017 zijn genomen onvoldoende zijn gebleken om de veiligheid van omwonenden te waarborgen? Zo nee, waarom niet?
De moord van 2 januari 2025 is afschuwelijk en heeft een enorme impact gehad. Het heeft geleid tot groot verdriet bij de nabestaanden en tot gevoelens van onveiligheid onder omwonenden. De veiligheid rondom forensische zorginstellingen heeft continu onze aandacht. Dit is in het belang van omwonenden en medewerkers, maar ook van de cliënten zelf.
Op 12 februari 2025 heeft mijn ambtsvoorganger in de beantwoording van Kamervragen van de leden Thiadens en Van Dijk (beiden PVV) antwoord gegeven op de vraag welke maatregelen er zijn genomen na de moord op Anne Faber in 2017.2 Dit betreft onder andere om wijziging in de aanpak van verdachten van een ernstig misdrijf die niet meewerken aan een gedragsdeskundig onderzoek (weigerende observandi), het wegnemen van belemmeringen bij informatie-uitwisseling en een beter zicht op risico’s; bij uitplaatsing naar een instelling voor forensische zorg is naast een professioneel oordeel, een gestructureerde risicotaxatie en een delictsanalyse verplicht gesteld.
De Inspectie Gezondheidszorg en Jeugd (IGJ) heeft onderzocht of de zorg aan de dader van de steekpartij op niveau was. In haar rapport concludeerde de IGJ dat de zorg op onderdelen beter en meer volgens protocol had gekund.3 Tegelijkertijd concludeert de IGJ dat wanneer was voldaan aan alle protocollen het dodelijke steekincident niet voorkomen had kunnen worden. Voor de volledige reactie op het rapport verwijs ik u naar de Voortgangsbrief forensische zorg die ik op 26 maart jl. met uw Kamer heb gedeeld.4
Naar aanleiding van het steekincident in januari 2025 hebben de burgemeester van Zeist en de Commissaris van Koning van Utrecht een beroep gedaan op mijn ambtsvoorganger. Daarop volgend zijn er (aanvullende) maatregelen genomen om het veiligheidsgevoel van omwonenden te vergroten en maatschappelijke rust en verbinding te creëren.5 Het gaat onder andere om het aanstellen van een omgevingsmanager, de inzet van extra BOA’s en het plaatsen van camera’s op de looproute van het terrein van Fivoor naar het dorp Den Dolder. Het Ministerie van Justitie en Veiligheid (JenV) ondersteunt de gemeente Zeist hierbij financieel.
Ondanks de veiligheidsmaatregelen kunnen incidenten nooit volledig worden uitgesloten. Een ernstig incident geeft altijd aanleiding om kritisch te bezien of er aanvullende maatregelen nodig zijn. De veiligheid van omwonenden, burgers in het algemeen, medewerkers en cliënten staat daarbij voorop.
Wie heeft destijds besloten Mert P. onbegeleid verlof te verlenen? Welke functionarissen waren betrokken bij die beslissing? Zijn deze mensen inmiddels ontslagen? Zo nee, waarom niet?
Vanwege het belang van resocialisatie en een veilige terugkeer in de samenleving, maakt verlof een onlosmakelijk deel uit van de behandeling van deze cliënten. In de kliniek van Fivoor – waar de dader van het dodelijke steekincident destijds verbleef – worden cliënten behandeld met een licht verstandelijke beperking (LVB) in combinatie met psychiatrische stoornissen en/of gedragsproblemen.
Als onderdeel van de behandeling en wanneer dat als verantwoord wordt ingeschat, kunnen de cliënten in deze kliniek op begeleid of onbegeleid verlof gaan. Het verlof wordt stapsgewijs opgebouwd. Op basis van het dossier en de observaties tijdens de behandeling wordt multidisciplinair gekeken naar de risico’s van de cliënt in de betreffende verloffase. betrokken cliënt ontving op dat moment geen zorg in het kader van een strafrechtelijke maatregel of voorwaarde.
Kunt u toezeggen dat nooit meer gevaarlijke gekken zoals deze moordenaar met verlof, laat staan onbegeleid verlof, op de maatschappij worden losgelaten?
Zie antwoord vraag 3.
Hoe beoordeelt u de aanhoudende signalen van bewoners en de gemeenteraad van Zeist dat de veiligheid rond de klinieken nog steeds onvoldoende is gewaarborgd en dat het vertrouwen in de situatie volledig is verdwenen? Welke lessen trekt u daaruit?
Bij de beantwoording van vraag 2 ben ik ingegaan op de veiligheidsmaatregelen die eerder zijn getroffen. Dat neemt niet weg dat ik de zorgen van de inwoners van Den Dolder over de lokale veiligheid serieus neem.
Acht u het acceptabel dat inwoners van Den Dolder na alles wat er is gebeurd opnieuw moeten vrezen voor jarenlang uitstel, gezien de Fivoor-klinieken uiterlijk 1 januari 2027 uit Den Dolder zouden vertrekken, maar dat de bestuurder van Fivoor heeft aangegeven dat deze planning waarschijnlijk niet haalbaar is en dat een verhuizing mogelijk nog jaren op zich laat wachten?
Fivoor is een particuliere aanbieder van forensische en reguliere zorg aan cliënten met complexe psychiatrische ziektebeelden. De kliniek is zelf verantwoordelijk voor het vinden van een nieuwe locatie.Dat neemt niet weg dat ik op verzoek van de burgemeester van Zeist en de commissaris van de Koning van Utrecht de zoektocht naar een nieuwe locatie voor Fivoor ondersteun, omdat ik de zorgen van de inwoners begrijp. In de beantwoording van de Kamervragen van het lid Ellian (VVD) van 25 maart 2026 heb ik antwoord gegeven op de vraag welke rol JenV speelt in deze zoektocht.6 JenV heeft als voorzitter een bijdrage geleverd aan de Regionale Regietafel. Aan deze tafel zitten burgemeesters uit de regio en de commissaris van de Koning van de provincie Utrecht vanuit een gezamenlijke verantwoordelijkheid om voldoende reguliere én forensische zorg beschikbaar te houden in de regio. Daarnaast is JenV betrokken bij de Stuurgroep Reallocatie Fivoor die concrete locaties voor herhuisvesting onderzoekt.
Fivoor heeft het streven geuit om 1 januari 2027 te willen verhuizen maar heeft daarbij aangegeven dat de verhuisdatum afhankelijk is van het vinden van een alternatieve locatie in de regio. Vanaf het moment dat er een geschikte locatie voor de herhuisvesting is gevonden, duurt het doorgaans een aantal jaren om daadwerkelijk te kunnen verhuizen.
Welke concrete maatregelen neemt u om ervoor te zorgen dat de klinieken uiterlijk op 1 januari 2027 zoals afgesproken, en nog liever morgen, uit Den Dolder zijn verdwenen? Kunt u de inwoners van Den Dolder op zijn minst de harde garantie geven dat deze datum niet opnieuw zal opschuiven? Zo nee, waarom niet?
Zie antwoord vraag 6.
Deelt u de mening dat inwoners van Den Dolder na jaren van incidenten, waarschuwingen en uitgestelde verhuizingen recht hebben op duidelijkheid en dat de veiligheid van omwonenden niet opnieuw ondergeschikt mag worden gemaakt aan bestuurlijke en praktische problemen rond de herhuisvesting van Fivoor? Zo nee, waarom niet?
Zie antwoord vraag 6.
Kunt u de Kamer zo spoedig mogelijk informeren over de voortgang van de verhuizing, de concrete planning, de eventuele knelpunten en de maatregelen die u neemt om te voorkomen dat de vertrekdatum opnieuw opschuift?
Ik heb uw Kamer in de meest recente Voortgangsbrief forensische zorg geïnformeerd over de stand van zaken.7 In deze brief staat dat er drie locaties in beeld zijn voor de herhuisvesting van Fivoor. Met het oog op lokaal draagvlak voor de nieuwe locatie, verloopt de herhuisvesting volgens een zorgvuldig proces dat op dit moment wordt uitgewerkt. Het doorkruisen van dit proces roept risico’s op voor de herhuisvesting. De betreffende locaties worden daarom op dit moment niet gedeeld. Ik houd uw Kamer op de hoogte van relevante ontwikkelingen.
Oxfam Novib |
|
Ingrid Coenradie (PVV), Mona Keijzer |
|
Sjoerd Sjoerdsma (D66) |
|
|
|
|
Bent u bekend met de uitlatingen van Oxfam Novib waarin wordt gesteld dat bepaalde moties of voorstellen van politieke partijen en Kamerleden racistisch zouden zijn?
Klopt het dat Oxfam Novib de afgelopen jaren subsidies, bijdragen en/of opdrachten heeft ontvangen van de rijksoverheid?
Kunt u een overzicht verstrekken van alle directe en indirecte financiële bijdragen die Oxfam Novib sinds 2020 heeft ontvangen van het Rijk?
Kunt u een overzicht verstrekken van alle directe en indirecte financiële bijdragen die Oxfam Novib verwacht te gaan ontvangen tot 2030 van het Rijk?
Welke voorwaarden gelden voor organisaties die overheidssubsidies ontvangen ten aanzien van lobbyactiviteiten, publieke campagnes en politieke beïnvloeding?
Acht u het wenselijk dat een door de overheid gesubsidieerde organisatie democratisch gekozen volksvertegenwoordigers publiekelijk associeert met racisme?
Deelt u de opvatting dat politieke meningsverschillen in een democratische rechtsstaat niet lichtvaardig als racistisch dienen te worden bestempeld?
Bent u van mening dat organisaties die met belastinggeld worden ondersteund een bijzondere verantwoordelijkheid hebben om zorgvuldig om te gaan met kwalificaties richting Kamerleden en politieke partijen?
Kunt u toelichten wat de corebusiness van Oxfam Novib was ten tijde van de oprichting van de organisatie en in hoeverre de huidige activiteiten nog aansluiten bij het oorspronkelijke doel waarvoor zij is opgericht?
Hoe beoordeelt u het feit dat Oxfam Novib zich niet beperkt tot ontwikkelingssamenwerking en humanitaire hulp, maar ook actief campagne voert rond politieke thema's zoals klimaatbeleid, vermogensverdeling en het Israëlisch-Palestijnse conflict?
Deelt u de mening dat belastinggeld primair bedoeld is voor ontwikkelingssamenwerking en humanitaire hulp, en niet voor activistische campagnes gericht op het beïnvloeden van het Nederlandse politieke debat?
Hoe rechtvaardigt u dat organisaties die aanzienlijke publieke middelen ontvangen deze positie gebruiken om gekozen volksvertegenwoordigers en hun voorstellen in verband te brengen met racisme, terwijl zij geacht worden bij te dragen aan een open democratisch debat?
Hoe beoordeelt u het risico dat overheidssubsidies worden gebruikt om via maatschappelijke organisaties draagvlak te creëren voor politieke opvattingen en beleidsdoelen die u zelf voorstaat?
Deelt u de mening dat publiek geld hier absoluut niet voor bedoeld is en dat het de democratische rechtsstaat ondermijnt?
De afsluiting van de Merwedebrug en de staat van de Nederlandse infrastructuur |
|
Peter van Duijvenvoorde (FVD) |
|
Vincent Karremans (VVD) |
|
|
|
|
Heeft u kennisgenomen van het bericht dat de Merwedebrug per direct en voor onbepaalde tijd is afgesloten voor vrachtverkeer?
Ja
Wanneer werd voor het eerst geconstateerd dat het staal in de boogconstructie minder sterk was dan eerder werd aangenomen?
In voorbereiding voor werkzaamheden van het project A27 Houten – Hooipolder, waarbij een nieuwe brug naast de bestaande gebouwd gaat worden, zijn in 2025 en 2026 aanvullende herberekeningen en inspecties uitgevoerd. Hieruit bleek dat naast inspecties ook aanvullend materiaalonderzoek gewenst was. Afgelopen maanden zijn deze aanvullende onderzoeken door Rijkswaterstaat en TNO uitgevoerd. Op 16 juli zijn de voorlopige resultaten door TNO met Rijkswaterstaat gedeeld. De materiaaleigenschappen bleken slechter te zijn dan verwacht en hiermee was er noodzaak om met spoed de constructieve veiligheid van de brug opnieuw te beoordelen. Op 17 juli is op basis hiervan opgeschaald en is op zaterdag 18 juli om 17.30 uur een vrachtwagenverbod ingesteld.
Wanneer bent u hierover geïnformeerd?
Ik ben op 17 juli door Rijkswaterstaat geïnformeerd.
Welke onderzoeken en inspecties hebben geleid tot het besluit de brug met onmiddellijke ingang af te sluiten?
Zie beantwoording van vraag 2.
Waarom is gekozen voor een onmiddellijke afsluiting, terwijl de inspecties al eerder hadden plaatsgevonden?
Zie beantwoording van vraag 2.
Welke alternatieven zijn overwogen alvorens tot volledige afsluiting voor vrachtverkeer over te gaan?
Er zijn diverse opties overwogen; van volledige of gedeeltelijke afsluiting voor alle verkeer tot een relatief beperkte gewichtsbeperking. Er is overwogen om het verkeer naar 1 rijstrook terug te brengen, maar dat leverde onvoldoende gewichtsbeperking op om tot een acceptabele belasting van de brug te komen. Daarmee zou echter niet aan de constructieve veiligheid worden voldaan. Alles overwegende is er gekozen voor afsluiting voor vrachtverkeer zwaarder dan 3,5 ton en touringcars. De belasting op de brug van verkeer lichter dan 3,5 ton is relatief gering en vormt nu geen veiligheidsrisico voor de brug.
Waarom mogen lijnbussen, hulpdiensten en zwaar beladen bestelbussen met aanhanger de brug nog wel gebruiken, terwijl vrachtverkeer volledig wordt geweerd? Hoe verhoudt dit zich tot de constructieve overwegingen die aan het verbod ten grondslag liggen?
Gezien de kwaliteit van het staal is de noodzaak om per direct de (zware) belasting van de brug sterk te verminderen door een vrachtwagenverbod. Bestelbussen en personenauto’s zijn minder zwaar dan veel vrachtwagens en dragen maar beperkt bij aan de belasting van de brug. Alleen lichte bestelbussen tot 3,5 ton zijn toegelaten (voertuigcategorieën N1 en M1). Nood- en hulpdiensten en lijnbussen zijn de enige uitzonderingen die wordt gemaakt, omdat dit in verhouding niet vaak voorkomt en daarmee getolereerd kan worden voor wat betreft de constructieve veiligheid.
Welke technische grens is gehanteerd bij het bepalen welke voertuigen nog wel en welke niet meer over de brug mogen rijden?
De grenzen die hiervoor gebruikt worden zijn vastgelegd in de NEN8700 waarin de normen zijn vastgelegd voor de toetsing van de constructieve veiligheid in bestaande bouw en verbouw. Op basis hiervan kan bepaald worden welke gewichtsklassen van voertuigen nog toelaatbaar zijn gegeven de draagkracht van de brug.
Hoe lang verwacht u dat de afsluiting zal duren?
Op dit moment worden er nadere onderzoeken uitgevoerd naar de sterkte van de brug en passende maatregelen daarbij. De resultaten tot nu toe bevestigen de eerdere conclusies dat de brug niet voldoet aan de geldende normen, en bevestigen de noodzaak van de genomen maatregelen. Duidelijkheid over de duur van de maatregelen kan gegeven worden als er genoeg zicht is op de sterkte van de brug en de maatregelen die nodig zijn om de beperkingen op te mogen heffen. Omdat de onderzoeken nog lopen is daar nu nog geen antwoord op te geven.
Wanneer verwacht u de Kamer hierover nader te informeren?
Zodra daar aanleiding toe is, wordt de Kamer geïnformeerd.
Hoeveel vrachtwagens maakten vóór de afsluiting dagelijks gebruik van de Merwedebrug?
Voor de afsluiting reden er tussen de 7.000 en 8.000 vrachtauto's per dag per rijrichting over de brug.
Welke extra verkeersdruk verwacht u op de alternatieve routes?
Omdat het alleen een afsluiting voor vrachtverkeer is, is de verwachting dat de totale extra verkeerdruk op alternatieve routes beperkt is. Een indicatie van de extra reistijd voor het vrachtvervoer als gevolg van het omrijden op rustige momenten is tot 30–45 minuten, wat tijdens drukke momenten kan oplopen naar 45–60 minuten.
Welke gevolgen heeft de afsluiting voor de doorstroming op de A15, A16, A2 en overige omleidingsroutes?
Zie vraag 12. Als er al sprake is van extra verkeerdruk, is dat op de A16 (Moerdijkbrug) en de A2 en A59. Lokale alternatieven zijn beperkt vanwege het ontbreken van een rivierovergang.
Welke gevolgen heeft de toegenomen drukte op de omleidingsroutes voor de aanrijtijden van hulpdiensten in de regio? Hoe wordt de bereikbaarheid van nooddiensten geborgd?
Minimaal, zie ook beantwoording vraag 12. Met nood- en hulpdiensten is hierover afstemming. Zij kunnen gebruik blijven maken van de Merwedebrug.
Welke gevolgen heeft de afsluiting voor het vervoer van gevaarlijke stoffen, nu door gelijktijdige beperkingen op onder meer de N3 en de A27 het aantal geschikte routes sterk afneemt? Hoe borgt u de veiligheid én de continuïteit van dit transport?
De geschatte extra reistijd voor vrachtverkeer als gevolg van het verbod van vrachtwagens op de Merwedebrug wordt ingeschat op rustige momenten op 30–45 minuten, tijdens drukke momenten kan dit oplopen tot 45 tot 60 minuten. Voor het vervoer van gevaarlijke stoffen is de verwachting dat dit helaas meer is, omdat – afhankelijk van de bestemming – de alternatieve verplichte routes beperkter zijn en er mogelijk verder omgereden moet worden.
Is onderzocht welke gevolgen de afsluiting heeft voor de bereikbaarheid van bedrijven, havens, distributiecentra en industriële locaties in de regio?
Nee, de afweging is gemaakt op basis van veiligheid. De resultaten van het materiaalonderzoek waren onverwacht en dusdanig urgent dat onmiddellijke afsluiting voor vrachtverkeer onvermijdelijk was. Laat onverlet dat het duidelijk is dat impact voor bedrijven in de nabijheid van de brug het grootst is.
Bent u bekend met signalen dat individuele transportbedrijven tienduizenden euro's per week of zelfs per dag extra kosten verwachten? Hoe beoordeelt u deze signalen?
De signalen zijn mij bekend. De afsluiting van de Merwedebrug is echter niet zonder reden. De resultaten van het materiaalonderzoek waren dusdanig dat er direct ingegrepen moest worden. Daarbij is gekozen voor een maatregel die ertoe leidt dat de constructieve veiligheid van de brug kan worden gewaarborgd en de andere weggebruikers, de hulpdiensten en het openbaar vervoer nog veilig gebruik kunnen blijven maken van de brug. Transportbedrijven kunnen een beroep doen op de regeling voor nadeelcompensatie.
Gaat u de economische schade voor ondernemers en de logistieke sector in kaart brengen?
In dit soort gevallen treedt de Regeling Nadeelcompensatie in werking. Partijen die schade lijden kunnen bij Rijkswaterstaat een verzoek om nadeelcompensatie indienen.
Welke gevolgen verwacht u voor consumentenprijzen indien deze extra transportkosten langere tijd aanhouden?
Hierover kan ik geen uitspraken doen, omdat dit van heel veel factoren afhankelijk is.
Deelt u de opvatting dat deze keer voorkomen moet worden dat compensatie voor ondernemers uitblijft, zoals dat volgens ondernemers het geval was na de afsluiting van 2016, waarbij de schade grotendeels werd afgedaan als ondernemersrisico? Op welke wijze zorgt u ervoor dat de bestaande regeling voor nadeelcompensatie ditmaal wel toereikend is voor de getroffen ondernemers?
Op grond van artikel 4:126 van de Algemene wet bestuursrecht bestaat er aanspraak op nadeelcompensatie voor zover er schade wordt geleden die uitgaat boven het normale maatschappelijke risico en die een benadeelde in vergelijking met anderen onevenredig zwaar treft. De «Beleidsregel nadeelcompensatie Infrastructuur en Waterstaat 2024» biedt een laagdrempelige toegang tot een beoordeling. Dat zal ook bij de huidige afsluiting het geval zijn.
Bent u bereid ondernemers tegemoet te komen indien de afsluiting langdurig blijkt?
Ja. De «Beleidsregel nadeelcompensatie Infrastructuur en Waterstaat 2024» houdt rekening met de omstandigheden. Zo moet bij het bepalen van het normaal maatschappelijk risico worden betrokken of de afsluiting een normale of niet-normale maatregel is en ook of er sprake is van een langdurige maatregel. Een onafhankelijke commissie brengt hierover advies uit.
Bent u bereid tijdelijk een uitzondering te maken op de kilometerheffing voor de extra omrijkilometers die rechtstreeks voortvloeien uit deze afsluiting?
Nee, de Wet vrachtwagenheffing biedt geen mogelijkheid voor een tijdelijke uitzondering van extra omrijkilometers. Eigenaren van vrachtwagens moeten per gereden kilometer betalen voor het gebruik van het heffingsnetwerk. Het heffingsnetwerk is vastgelegd in de wet. Verder zou een dergelijke uitzondering niet uitvoerbaar zijn. Ondernemers kunnen wel via Rijkswaterstaat een beroep doen op de wettelijk vastgelegde regeling voor Nadeelcompensatie. Overigens geldt in de periode van 1 september tot en met 31 december van dit jaar een tijdelijke verlaging van de tarieven van de vrachtwagenheffing met 22,3%. Daarmee komt het kabinet ondernemers tegemoet vanwege de hoge brandstofprijzen als gevolg van het conflict in het Midden-Oosten.
Heeft Rijkswaterstaat onderzocht of gecontroleerd nachtelijk vrachtverkeer onder voorwaarden mogelijk zou zijn? Zo nee, waarom niet?
Vanuit constructieve veiligheid dient de belasting op de brug te worden verminderd. Dit geldt voor zowel overdag als ’s nachts. Personenauto's vormen door hun geringe gewicht ten opzichte van vrachtwagens maar een klein percentage van de belasting op de brug door het wegverkeer. Vrachtwagens veroorzaken het grootste gedeelte van de belasting. In de nacht neemt de belasting op de brug door minder personenverkeer maar weinig af. Het toelaten van vrachtverkeer tijdens de nacht zal waarschijnlijk leiden tot meer vrachtverkeer en dus een hogere belasting. Een belasting die voor deze brug op dit moment volgens de berekeningen niet toelaatbaar is.
Hoe beoordeelt u de kritiek dat de informatievoorziening en bewegwijzering in de eerste dagen onvoldoende waren?
De resultaten van het materiaalonderzoek waren onverwacht en dusdanig urgent dat onmiddellijke afsluiting voor vrachtverkeer onvermijdelijk was. De informatie over de afsluiting voor vrachtverkeer en touringcars is zo snel als mogelijk naar buiten gecommuniceerd. Het kost inderdaad enige tijd om de bebording en bewegwijzering goed op orde te krijgen. Deze is afgelopen week samen met de politie nagelopen en verder versterkt. Regelmatig wordt dit nog gecontroleerd en bezien of verdere aanpassingen noodzakelijk zijn.
Welke maatregelen neemt u om sluipverkeer door dorpen en woonkernen te voorkomen?
Zie vraag 13. Omdat er plaatselijk weinig alternatieven zijn om de rivier over te steken is de verwachting dat er weinig lokaal sluipverkeer zal zijn.
Welke gevolgen verwacht u van de gelijktijdige werkzaamheden aan de Papendrechtse brug, de Algerabrug en de afsluiting van de Merwedebrug voor de bereikbaarheid van Zuidwest-Nederland?
Zie ook de beantwoording van vraag 14. De gecombineerde afsluiting van de Papendrechtse en Algerabrug laat tot nu toe nog weinig effect zien op de bereikbaarheid van Zuidwest-Nederland als geheel. De verwachting op voorhand was dat de afsluiting van de Papendrechtsebrug circa 30 minuten vertraging oplevert. Aangezien de afsluiting van de Merwedebrug alleen effect heeft op het vrachtverkeer, heeft dit daarom geen aanvullend effect voor het gehele verkeersbeeld. Hierbij moet worden aangetekend dat dit beeld is opgebouwd in de relatieve rustige vakantieperiode.
Waarom is de vervanging van de Merwedebrug niet eerder gerealiseerd, terwijl al langer bekend was dat vervanging noodzakelijk was?
Tijdens de vorige tijdelijke afsluiting van de Merwedebrug in het najaar van 2016 werkte IenW al volop aan de planuitwerking voor de verbreding van de A27 tussen Houten en het knooppunt Hooipolder, inclusief de vervanging van onder andere de Merwedebrug. In 2020 is het Tracébesluit A27 Houten-Hooipolder onherroepelijk geworden. Vervolgens vond tijdens en na de Covid-periode de voorbereiding van de realisatie plaats en zijn begin 2023 de reguliere onderdelen gegund. Voor de complexe en risicovolle onderdelen, waaronder de Merwedebrug, eerst een ontwerpfase plaats door de aannemer en RWS.
Over de voortgang van de A27 Houten – Hooipolder is uw Kamer regelmatig geïnformeerd. Zo is in de MIRT-brief najaar 20241 gemeld dat het programma te maken heeft met aanzienlijk hogere kosten dan eerder was voorzien. Oorzaken hiervan betreffen prijsstijgingen, huidige marktspanning, een te lage initiële raming en voortschrijdend inzichten (onder andere onderschatting complexiteit en een slechtere staat van het areaal). 11 mei jl.2 is aan uw Kamer geïnformeerd dat de ontwerpfase van de Merwedebrug West is afgerond. Dit heeft geleid tot het definitief opdragen van de uitvoeringswerkzaamheden waarmee het project formeel is overgegaan in de realisatiefase.
Kan de bouw van de nieuwe Merwedebrug worden versneld nu de bestaande brug is afgesloten? Welke gevolgen heeft de eerdere fasering en versobering van het project A27 Houten-Hooipolder voor de duur van de huidige situatie?
De bestaande brug is enkel afgesloten voor vrachtverkeer, het andere verkeer blijft gewoon gebruik maken van de Merwedebrug.
In de huidige planning voor de bouw van de nieuwe Merwedebrug is reeds fors ingezet op slimme bouwfasering om met name de eerste (westelijke) brug zo snel mogelijk beschikbaar te hebben ter vervanging van de huidige brug. Deze planning resulteert naar verwachting in een openstelling van de nieuwe Merwedebrug West in 20313.
De bouw van de nieuwe brug is complex. Zeker ook omdat de nieuwe brug op korte afstand wordt gebouwd van de bestaande brug. De bouwwerkzaamheden kunnen namelijk van invloed zijn op de huidige brug (zettingen, trillingen).
Voorkomen moet worden dat de bestaande brug door de werkzaamheden beschadigd raakt. De recent bekend geworden slechtere staat van de huidige brug, vergroot de bouwcomplexiteit en legt daarmee extra druk op de bouwplanning. Zo mag ook het bouwverkeer voor de bouw van de nieuwe Merwedebrug geen gebruik maken van de bestaande brug. Dit heeft consequenties voor de bouwlogistiek. De impact wordt op dit moment onderzocht. Een verdere versnelling van de bouw ligt hiermee niet voor de hand.
Welke onderhoudswerkzaamheden zijn de afgelopen tien jaar aan de Merwedebrug uitgevoerd?
De Merwedebrug heeft het einde van de technische levensduur bereikt. De onderhoudsopgave wordt dan groter en onvoorspelbaarder. De brug wordt regelmatig geïnspecteerd en daarbij geldt voor een aantal onderdelen in een verhoogd inspectieregime. De inspecties vormen de basis voor het onderhoud aan de brug. Het onderhoud betrof de afgelopen jaren zowel de verhardingen (deklagen en onderlagen) als de constructie zelf. Denk daarbij aan: reparatie en vervanging van de voegovergangen, herstel van scheuren en het verwijderen van corrosie (met name op het beweegbare deel). Ook het vervangen van de opleggingen en het conserveren van de hangerkabels is in de afgelopen periode nodig geweest om de brug beschikbaar en veilig te houden.
Welke lessen zijn getrokken uit de afsluiting van de Merwedebrug in 2016 en waarom hebben deze niet kunnen voorkomen dat opnieuw een langdurige afsluiting noodzakelijk is?
Bij de huidige afsluiting van de brug zijn de rapporten en aanbevelingen van de afsluiting in 2016 bij de hand genomen. Ook toen werd de brug voor verkeer zwaarder dan 3,5 ton afgesloten. De aanbevelingen hadden met name betrekking op een betere betrokkenheid van medeoverheden en andere belangrijke partijen, wat nu ook zorgvuldiger is gedaan. De aanleiding voor de afsluiting was echter verschillend: toen was er sprake van vermoeiing van de verbindingen in de brug en daar zijn ook passende maatregelen op getroffen, zoals bijvoorbeeld het aanbrengen van verstevigingen en verscherpte inspecties, zie ook beantwoording vraag 29. Het onderzoek heeft uitgewezen dat het staal van de brug een andere kwaliteit heeft dan mocht worden aangenomen.
Hoeveel bruggen, tunnels, sluizen en viaducten in beheer van het Rijk bevinden zich momenteel in een staat waarbij aanvullende beperkingen of onverwachte afsluitingen niet kunnen worden uitgesloten?
Jaarlijks publiceren Rijkswaterstaat en ProRail rapportages over de technische staat van de infrastructuur in Nederland. Op 8 december 2025 zijn de meest recente rapportages met de Kamer gedeeld.4 De eerstvolgende Staat van de Infrastructuur wordt dit najaar gepubliceerd.
In de RWS-rapportage wordt ook gerapporteerd over kunstwerken die in een zodanige slechte staat verkeren dat gebruiksbeperkingen zijn opgelegd en/of die onder een verhoogd inspectieregime staan. In de meest recente rapportage gaat het om respectievelijk 80 objecten met een gebruiksbeperking en 104 objecten die onder een verhoogd inspectieregime staan.5 In de beleidsbrief van 24 april jl. is aangekondigd dat als we niets doen, het de verwachting is dat dit aantal in 2030 verdubbeld is. RWS stelt verschillende maatregelen in om de veiligheid op deze kunstwerken te waarborgen. Tegelijkertijd zijn de beschikbare middelen in het Deltafonds en Mobiliteitsfonds en de beschikbare capaciteit helaas niet toereikend om alle opgaven en (nieuwe) ambities te bekostigen en uit te kunnen voeren. Dat betekent onvermijdelijk dat we scherpe keuzes moeten maken. Niet alles kan en niet alles kan tegelijkertijd. Over het afweegproces om te komen tot een prioritering is de Kamer van 19 juni jl. geïnformeerd.
Bij hoeveel rijkskunstwerken is momenteel sprake van uitgesteld onderhoud?
Jaarlijks publiceren Rijkswaterstaat en ProRail rapportages over de technische staat van de infrastructuur in Nederland. Daarin wordt onder meer inzicht geboden in de locaties waar onderhoudswerkzaamheden zijn uitgesteld en waarvoor op peildatum juli 2025 nog geen uitvoering is gepland in de periode 2026–2028. Voor RWS gaat het in totaal om 136 objecten per peildatum juli 2025. Dit is overigens een momentopname; de situatie kan gedurende het jaar wijzigen.
Welk bedrag is volgens u nodig om de huidige onderhoudsachterstand van Rijkswaterstaat volledig weg te werken?
De Algemene Rekenkamer heeft in haar verantwoordingsonderzoek over 2024 het tekort voor exploitatie, onderhoud en vernieuwing van de netwerken van Rijkswaterstaat geraamd op € 34,5 miljard voor de periode tot en met 20385. Het betreft de instandhouding van het hoofdwegennet, hoofdvaarwegennet en hoofdwatersysteem.
Acht u de huidige onderhoudsbudgetten voldoende om de veiligheid, betrouwbaarheid en economische functie van de Nederlandse infrastructuur structureel te waarborgen? Zo ja, waaruit blijkt dat?
De middelen die beschikbaar zijn in het Deltafonds en Mobiliteitsfonds zijn niet toereikend om alle opgaven en (nieuwe) ambities op het gebied van infrastructuur te bekostigen. Niet alles kan en niet alles kan tegelijkertijd. Dat betekent onvermijdelijk dat we scherpe keuzes moeten maken. Op 16 maart jl.6 is de Kamer geïnformeerd over de grote opgaven binnen het Mobiliteitsfonds en het Deltafonds en de noodzaak om scherpe keuzes te maken; enerzijds wat we moeten en willen en anderzijds wat we kunnen met het geld dat we hebben. Over het afweegproces om te komen tot een prioritering is de Kamer op 19 juni jl.7 geïnformeerd.
Bent u bereid de Kamer vóór de behandeling van de begroting Infrastructuur en Waterstaat een integraal overzicht te sturen van:
Zie beantwoording van vraag 31, 32, 33 en 34.
Deelt u de opvatting dat het steeds vaker onverwacht moeten afsluiten van bruggen, viaducten en andere vitale infrastructuur erop wijst dat Nederland te lang heeft geleund op uitgesteld onderhoud? Zo nee, waarom niet?
Ja, daarom ben ik samen met de Staatssecretaris van I&W bezig met het proces rondom het afweegkader, om de basis van onze netwerken weer op orde te brengen. Daarvoor is het noodzakelijk om samen met uw Kamer scherpe keuzes te maken en te prioriteren wat nu nodig is, wat later kan en wat we niet meer doen. Zie ook beantwoording van vraag 31, 32, 33 en 24.
Het bericht ‘Cliëntenraad vreest sluiting laatste zorgvilla’s Expertcare’ |
|
Vicky Maeijer (PVV) |
|
Mirjam Sterk (CDA) |
|
|
|
|
Bent u bekend met het bericht «Cliëntenraad vreest sluiting laatste zorgvilla’s Expertcare»1
Ja.
Klopt het dat multinational B. Braun heeft gedreigd de resterende locaties al voor 31 december a.s. te sluiten als het gerechtshof ingrijpt?
Ik heb kennisgenomen van de berichtgeving waarnaar u verwijst. Vanuit het Ministerie van VWS was niemand aanwezig bij de zitting van de Ondernemingskamer. Ik kan de gang van zaken tijdens die zitting daarom niet uit eigen waarneming bevestigen. Bovendien geeft het (tijdelijk) bestuur van Villa ExpertCare (VEC) hierover een andere lezing dan uit de berichtgeving naar voren komt. Het is niet aan mij om in een lopende gerechtelijke procedure te beoordelen welke lezing juist is.
Mijn inzet blijft onverminderd gericht op het waarborgen van de continuïteit van zorg voor de kinderen die nog zorg ontvangen bij Villa ExpertCare. Daarover ben ik voortdurend in gesprek met de betrokken partijen, waaronder VEC, zorgverzekeraars, zorgkantoren, de Inspectie Gezondheidszorg en Jeugd (IGJ), de Nederlandse Zorgautoriteit (NZa) en de onafhankelijk intermediair die is aangesteld om het proces van zorgbemiddeling te ondersteunen.
Deelt u de mening dat B. Braun hier een nieuwe ondergrens heeft bereikt door de rechtbank, de ouders en de kinderen te chanteren met dreigende sluiting van de laatste zorgvilla’s Expertcare met als doel de rechtsgang te frustreren? Zo nee, waarom niet?
Ik begrijp de grote zorgen en emoties die leven bij ouders, kinderen en medewerkers. De situatie is voor alle betrokkenen zeer ingrijpend. Het is echter niet aan mij om kwalificaties te geven over het handelen van private partijen of over stellingen die onderdeel uitmaken van een lopende gerechtelijke procedure. Zoals aangegeven in het antwoord op vraag 2 was het ministerie niet bij de zitting aanwezig en lopen de lezingen van partijen over het verloop daarvan uiteen; ook dat maakt een oordeel op dit moment niet aan mij. Ongeacht de exacte lezing van de gebeurtenissen vind ik wel dat de zorg voor deze kwetsbare kinderen nooit een instrument mag zijn in een zakelijk of juridisch geschil, en ik verwacht dat alle betrokken partijen zich dat terdege realiseren.
Hoe gaat u ervoor zorgen dat de deuren van de twee zorglocaties geopend blijven totdat er een passende zorgplek is gevonden voor alle overgebleven kinderen?
Zoals ik uw Kamer eerder heb geïnformeerd, staat voor mij voorop dat voor ieder kind passende vervolgzorg beschikbaar moet zijn voordat de zorg wordt beëindigd. Om de zorgbemiddeling te versnellen en de zorgvuldigheid van het proces te versterken, heb ik een onafhankelijk intermediair aangesteld. Daarnaast werken zorgverzekeraars en zorgkantoren vanuit hun wettelijke zorgplicht aan passende vervolgzorg voor iedere individuele cliënt. Voor alle cliënten zijn bovendien cliëntspecifieke noodscenario's uitgewerkt voor het geval de continuïteit van zorg onverwacht onder druk komt te staan.
Voor de twee resterende locaties, Wezep en Rijswijk, heeft VEC aangeven dat deze in ieder geval tot en met 31 december aanstaande openblijven. Mijn inzet blijft erop gericht dat deze toezegging wordt nagekomen en dat de continuïteit van zorg voor ieder kind wordt geborgd.
De IGJ houdt toezicht op de kwaliteit en veiligheid van de zorg en op een zorgvuldige overdracht van cliënten. Op 11 augustus heeft de IGJ twee toezichtsrapporten uitgebracht over de locaties Wezep en Rijswijk. Voor locatie Wezep heeft de IGJ verbetermaatregelen opgelegd. De IGJ blijft de uitvoering van deze verbetermaatregelen en de ontwikkelingen op beide locaties nauwlettend volgen.
Bent u van plan wetgeving voor te bereiden om te voorkomen dat een onderneming na ernstig falen nog zorg mag aanbieden, bijvoorbeeld een tijdelijk of permanent verbod om als zorgaanbieder op te treden na ernstige overtredingen? Zo ja, wanneer kan de Kamer deze verwachten? Zo nee, waarom niet?
Op dit moment ben ik niet voornemens wetgeving voor te bereiden die voorziet in een algemeen tijdelijk of permanent verbod voor een onderneming om als zorgaanbieder op te treden. Wel heb ik eerder aangekondigd dat ik deze casus op een later moment, nadat er voor de kinderen van VEC een oplossing is gevonden, grondig zal evalueren. Bij die evaluatie zal ik ook de toereikendheid van het bestaande wettelijke instrumentarium betrekken, om te bezien of dit voldoende mogelijkheden biedt om in vergelijkbare situaties tijdig en effectief in te grijpen.
Handhaving monogamie |
|
Diederik van Dijk (SGP) |
|
David van Weel (VVD) |
|
|
|
|
Bent u bekend met het bericht «Bijzonder huwelijk: Natasja (51) trouwt niet alleen met Erik (51), maar óók met Berlinda (55)»?1
Zijn u meer situaties bekend van een schijnhuwelijk met meer dan twee personen waarbij een buitengewoon ambtenaar van de burgerlijke stand (babs) een rol vervult?
Ziet u het belang om het huwelijk als een uniek verbond van twee personen te beschermen, mede gezien de problemen die bij polygamie bestaan en die de overheid door middel van beleid probeert te bestrijden?
Wat vindt u, gelet op de wettelijke norm van monogamie en de strafbepaling inzake bigamie, van situaties waarin bewust de schijn wordt gecreëerd dat sprake is van een huwelijk met meer dan twee personen?
In hoeverre wordt in de informatievoorziening richting de babs en bij hun beëdiging aandacht besteed aan de wettelijke norm van monogamie en de betekenis ervan voor de verantwoordelijkheid van de babs?
Vindt u het te verenigen met de verantwoordelijkheid van de babs in het naleven van de wettelijke normen dat hij bewust meewerkt aan situaties waarin de schijn van bigamie wordt gewekt, bijvoorbeeld door in de ceremonie een plaats te geven aan het gebruik van aktes en getuigen? Zo ja, waarom? Zo nee, in hoeverre wordt het handelen van de babs meegewogen bij een nieuwe beëdiging?
In hoeverre is bij de beëdiging van een babs voor een enkele dag bekend op welke situatie de beëdiging betrekking heeft? Vindt u ook dat een beëdiging voor situaties van schijnhuwelijken, waaronder bigame schijnhuwelijken, niet aan de orde kan zijn?
Bent u bereid in overleg te treden met de Vereniging van Nederlandse Gemeenten (VNG) en de Raad voor de rechtspraak om meer duidelijkheid te creëren over de rol van de babs in het bewaken van de wettelijke positie van het monogame huwelijk?
Het bericht: "Merwedebrug dicht voor vrachtwagens, brugconstructie niet veilig" |
|
Hidde Heutink (PVV) |
|
Vincent Karremans (VVD) |
|
|
|
|
Kunt u de Kamer een actueel overzicht geven van alle rijkskunstwerken waarvan de veiligheid (mogelijk) onder druk staat?
Jaarlijks publiceren Rijkswaterstaat en ProRail rapportages over de technische staat van de infrastructuur in Nederland. Op 8 december 2025 zijn de meest recente rapportages met de Kamer gedeeld1. De eerstvolgende Staat van de Infrastructuur wordt dit najaar gepubliceerd.
In de RWS-rapportage wordt ook gerapporteerd over kunstwerken die in een zodanige slechte staat verkeren dat gebruiksbeperkingen zijn opgelegd en/of die onder een verhoogd inspectieregime staan. In de meest recente rapportage gaat het om respectievelijk 80 objecten met een gebruiksbeperking en 104 objecten die onder een verhoogd inspectieregime staan.2
In de ProRail-rapportage is aangegeven dat de algemene staat van de Nederlandse spoorweginfrastructuur gemiddeld genomen wordt beoordeeld als «ruim voldoende». De technische prestaties zijn beheersbaar, de betrouwbaarheid is goed en de veiligheid van de assets blijft geborgd. Ondanks de beoordeling «ruim voldoende» laat de ontwikkeling over de afgelopen vijf jaar een neerwaartse trend zien. Daarnaast verwacht ProRail dat de opgave in de komende tien tot vijftien jaar verder zal toenemen, met name voor (beweegbare) bruggen, bovenleidingsystemen, tunneltechnische installaties en beveiligingssystemen (in samenhang met ERTMS-programma).
Hoeveel bruggen verkeren in een vergelijkbare situatie als de Merwedebrug?1
Zie beantwoording vraag 1. In juli 2025 waren er 80 kunstwerken (waarvan 72 bruggen en viaducten) met (gewichts- of doorvaart)beperkingen voor de Rijkswegen en de Rijksvaarwegen. In de beleidsbrief van 24 april jl. is aan de Kamer daarbij onder meer aangekondigd dat als we niets doen, het de verwachting is dat dit aantal in 2030 verdubbeld is. Het kabinet heeft zich als doel gesteld om de negatieve trend van meer en/of langer durende beperkingen als gevolg van achterstanden in het onderhoud deze kabinetsperiode te doorbreken.
In het afweegproces4 vormen constructieve en waterveiligheid het vertrekpunt voor de verdere prioritering van de instandhoudingsopgaven en de ontwikkelingsopgaven binnen het MIRT.
Is het geld dat van nieuwe aanleg naar onderhoud is verschoven voldoende om alle noodzakelijke werkzaamheden uit te voeren?
Nee, ondanks de schuif van middelen van aanleg naar instandhouding en de investeringen van het huidige en vorige kabinetten zijn de beschikbare middelen in het Deltafonds en Mobiliteitsfonds helaas niet toereikend om alle opgaven en (nieuwe) ambities te bekostigen. In totaal is er sprake van een tekort van € 80 miljard tot 2040. Het kabinet heeft zich als doel gesteld om de negatieve trend van meer en/of langer durende beperkingen als gevolg van achterstanden in het onderhoud deze kabinetsperiode te doorbreken. Daarin zijn scherpe, maar noodzakelijke keuzes nodig. Over het afweegproces is de Kamer op 19 juni jl. geïnformeerd.
Heeft u volledig en voldoende inzicht in de technische staat van alle rijksbruggen en -viaducten? Zo nee, hoe gaat u dit verbeteren?
Naast de objecten die al onder een verhoogd inspectieregime staan, worden alle kunstwerken periodiek geïnspecteerd (regulier inspectieprogramma) en er vinden tijdens regulier onderhoud schouwen plaats. Indien nodig worden aanvullende technische inspecties en herberekeningen uitgevoerd. Dit inspectieprogramma van Rijkswaterstaat voldoet aan gangbare eisen die gesteld worden aan een inspectieprogramma en is zeer vergelijkbaar met inspectieprogramma's van andere beheerders. Volledigheid is niet te garanderen, maar door het uitvoeren van het inspectieprogramma is er voldoende inzicht in de staat van het areaal.
Hoeveel bruggen en viaducten worden op dit moment extra gecontroleerd vanwege mogelijke veiligheidsproblemen?
Zie beantwoording vraag 2. In de jaarlijkse rapportage over de Staat van de Infrastructuur Rijkswaterstaat is aangegeven dat er 104 objecten zijn die onder een verhoogd inspectieregime staan, waarvan 72 bruggen en viaducten.
Kunt u uitsluiten dat de komende jaren meer bruggen onverwacht moeten worden afgesloten of beperkt?
Nee, zie beantwoording vraag 2 en 4.
Welke economische schade ontstaat als belangrijke bruggen tijdelijk dicht moeten voor vrachtverkeer of ander verkeer?
De economische schade hangt af van vele factoren, zoals de beschikbaarheid van economische alternatieven, de waarde van de getroffen economische activiteiten, etc. Reistijdverlies is een belangrijke indicator waarover jaarlijks wordt gerapporteerd, zie daarvoor de rapportage rijkswegennet 2025.5
Daarnaast heeft het Kennisinstituut Mobiliteit van IenW in 2023 onderzoek gedaan naar de maatschappelijke kosten als gevolg van files. Deze zijn voor het hoofdwegennet berekend op circa € 2,7–3,5 miljard euro per jaar6. Een meer gedetailleerd inzicht van de economische schade als gevolg van de andere gevraagde factoren valt niet te geven.
Is er genoeg personeel en capaciteit bij Rijkswaterstaat en bouwbedrijven om alle noodzakelijke onderhouds- en vervangingsprojecten op tijd uit te voeren?
De instandhoudingsopgave is groter dan de beschikbare capaciteit bij Rijkswaterstaat en aannemers. Zoals in het meerjarenplan instandhouding 1 juli 2025 is gemeld ziet Rijkswaterstaat kansen om de productie verder te verhogen.7
De middelen die beschikbaar zijn in het Deltafonds en Mobiliteitsfonds en de beschikbare capaciteit in de uitvoering en markt (door onder andere schaarse arbeidskrachten) zijn helaas niet toereikend om alle opgaven en (nieuwe) ambities op het gebied van infrastructuur te bekostigen en uit te voeren. Niet alles kan en niet alles kan tegelijkertijd. Dat betekent onvermijdelijk dat we scherpe keuzes moeten maken. Op 16 maart jl. is de Kamer geïnformeerd over de grote opgaven binnen het Mobiliteitsfonds en het Deltafonds en de noodzaak om die scherpe keuzes te maken: enerzijds wat we moeten en willen en anderzijds wat we kunnen met het geld dat we hebben. Over het afweegproces om te komen tot een prioritering is de Kamer van 19 juni jl. geïnformeerd.
Welke maatregelen zijn noodzakelijk (conform moties Heutink) om sneller, makkelijker en goedkoper te kunnen aanbesteden om te zorgen dat we sneller meters kunnen maken?2
Rijkswaterstaat werkt met een portfolioaanpak waarmee gelijksoortige objecten gebundeld naar de markt worden gebracht. Hiermee wordt het aantal aanbestedingen verminderd (makkelijker), worden tenderkosten en planvoorbereidingskosten bespaard (goedkoper) en worden leren en innoveren tijdens de looptijd van het portfolio gestimuleerd (beter). Rijkswaterstaat maakt zoveel mogelijk gebruik van de mogelijkheden die de aanbestedingswet biedt en werkt met de best passende contractvormen om de samenwerking met de markt en daarmee het tempo in de uitvoering hoog te houden. Mogelijk biedt de herziening van de Europese aanbestedingsregels hiervoor aanvullende aanknopingspunten.
Waarom beschikt de Kamer nog altijd niet over een openbaar overzicht van de technische staat en de risico’s van alle rijksbruggen, zodat zij samen met u kan beoordelen waar de grootste veiligheids- en bereikbaarheidsrisico’s liggen?
Jaarlijks publiceren Rijkswaterstaat en ProRail rapportages over de technische staat van de infrastructuur in Nederland. Dit wordt ook altijd aan de Kamer toegezonden.
Gaat het kabinet nu eindelijk zorgen dat onze infrastructuur niet nog verder achteruit holt en eens flink investeren in infrastructuur?
Ja, dat is wat we aan het doen zijn met de basis weer op orde brengen. Hierover is de Kamer 19 juni jl. geïnformeerd9.
Het artikel ‘Neurologen kunnen meer doen om een brein te redden, maar er zijn er veel te weinig’ |
|
Vicky Maeijer (PVV) |
|
Mirjam Sterk (CDA) |
|
|
|
|
Bent u bekend met het artikel «Neurologen kunnen meer doen om een brein te redden, maar er zijn er veel te weinig»1
Ja.
Deelt u de mening van de Nederlandse Vereniging voor Neurologie dat het door u overgenomen advies van het Capaciteitsorgaan om het aantal opleidingsplaatsen voor 2027 met elf te verhogen lang niet genoeg is om de tekorten op te vangen en geen oplossing vormt op de korte termijn? Zo nee, waarom niet?
Het Ministerie van VWS onderkent het belang van het opleiden van voldoende medisch specialisten om te kunnen voorzien in de toekomstige zorgvraag. Tegelijkertijd streven we naar het voorkomen van tekorten of overschotten op de langere termijn. Daartoe zijn de instroomadviezen van het Capaciteitsorgaan over de benodigde instroom in (medische) vervolgopleidingen leidend.
Het Ministerie van VWS volgt de raming van het Capaciteitsorgaan voor de medisch-specialistische vervolgopleidingen, waarin wordt aangegeven dat het aantal opleidingsplaatsen voor neurologen moet toenemen. In lijn met deze raming wordt het aantal opleidingsplaatsen voor neurologie in 2027 met elf verhoogd. Het Capaciteitsorgaan maakt bij het opstellen van de raming gebruik van de input van beroepsgroepen, opleidingsinstellingen, zorgverzekeraars en werkgevers die vertegenwoordigd zijn in de zogenoemde «kamers». De kamers en werkgroepen komen tot een inhoudelijk oordeel over de benodigde instroom in de opleidingen. Daarbij wordt rekening gehouden met ontwikkelingen, zoals de vergrijzing van de beroepsgroep, veranderingen in de deeltijdfactor en verschuivingen in de zorgvraag (bijvoorbeeld als gevolg van vergrijzing of nieuwe behandelmethoden). Het Capaciteitsorgaan richt zich op structurele ontwikkelingen op de lange termijn, waarbij varkenscycli worden voorkomen ten behoeve van een stabiele opleidingsinfrastructuur. Varkenscycli kunnen ontstaan wanneer er teveel wordt gestuurd op ontwikkelingen op de korte termijn. De Capaciteitsplannen zijn gericht op een stabiele opleidingsinfrastructuur voor de lange termijn. We gaan daarom uit van de raming van het Capaciteitsorgaan.
Over drie jaar wordt een nieuwe raming verwacht. Vanwege de duur van de opleiding kan een verhoging van het aantal opleidingsplaatsen echter niet direct bijdragen aan het oplossen van knelpunten op de korte termijn. Voor het aanpakken van de knelpunten op de korte termijn is het daarom ook van belang om de bestaande capaciteit zo goed mogelijk te benutten en te behouden. Voor de maatregelen die hierop zijn gericht, verwijs ik naar het antwoord op vraag 4.
Bent u van plan het aantal opleidingsplaatsen voor 2027 en/of de jaren erna verder te verhogen? Zo ja, naar hoeveel? Zo nee, waarom niet?
Het Ministerie van VWS weegt de ramingen van het Capaciteitsorgaan in een driejaarlijkse cyclus. Tegelijkertijd is er in het coalitieakkoord vanaf het jaar 2029 een structurele korting ingeboekt voor de vervolgopleidingen medisch-specialisten ter hoogte van € 110 miljoen. Het streven is om begin 2027 een beeld te hebben hoe deze bezuiniging het beste vorm kan krijgen en wat dit betekent voor het aantal opleidingsplekken die beschikbaar zijn gesteld voor medisch specialisten in 2028 en 2029.
Welke maatregelen gaat u nemen om tot oplossingen op de korte termijn te komen?
Voor oplossingen op de korte- en middellange termijn wordt, naast het verhogen van de opleidingscapaciteit, ingezet op het zo goed mogelijk benutten en behouden van de bestaande capaciteit door anders te werken. Het kabinet werkt hier samen met de sector aan via de zorgakkoorden. Zo kan onder meer gedacht worden aan het verminderen van de administratieve lasten, regionale samenwerking en de inzet van digitale ondersteuning en slimme zorglogistiek. De vertaling naar specifieke maatregelen op regionaal en lokaal niveau vraagt om inzet van alle betrokken partijen, waaronder zorgaanbieders en (vertegenwoordigers van) de beroepsgroep.
Heeft u kennisgenomen van de conclusie van het Duitse Openbaar Ministerie dat de sabotage van de Nord Stream-pijpleidingen volgens de Duitse aanklagers plaatsvond op bevel van Oekraïense staatsautoriteiten en deelt u de opvatting dat, indien deze conclusie juist blijkt te zijn, sprake is van een ongekende aanval op vitale Europese infrastructuur door een land dat Nederland al jaren politiek, financieel en militair steunt? Zo nee, waarom niet?1
Het kabinet volgt de berichten over het onderzoek van het Duitse Openbaar Ministerie nauwgezet. Sabotage van energie-infrastructuur is onaanvaardbaar en dreigingen ten aanzien hiervan worden serieus genomen. Juist daarom is zorgvuldigheid geboden. Het kabinet wacht de uitkomsten van de Duitse rechtsgang af.
Deelt u de mening dat voormalig Minister-President Rutte de Nederlandse bevolking en de Tweede Kamer op het verkeerde been heeft gezet door de suggestie dat Oekraïne of de Verenigde Staten betrokken konden zijn bij het opblazen van de Nord Stream-pijpleidingen als «echt onzin» af te doen, terwijl de Duitse federale aanklagers nu tot de conclusie zijn gekomen dat de sabotage volgens hun onderzoek plaatsvond op bevel van Oekraïense staatsautoriteiten? Zo nee, waarom niet?2
Zie antwoord vraag 1.
Deelt u de mening dat Oekraïne, indien de conclusie van de Duitse federale aanklagers standhoudt dat Oekraïense staatsautoriteiten opdracht hebben gegeven tot de sabotage van de Nord Stream-pijpleidingen, niet zonder politieke gevolgen aanspraak kan blijven maken op Nederlandse politieke, financiële en militaire steun? Zo nee, waarom niet? Welke concrete politieke gevolgen verbindt het kabinet hieraan?
De Russische agressie tegen Oekraïne raakt de veiligheid van heel Europa. Oekraïne verdedigt zich tegen een illegale invasie en strijdt ook voor onze veiligheid en normen en waarden. De Nederlandse politieke, financiële en militaire steun aan Oekraïne is onderdeel van het bredere beleid om de Oekraïense soevereiniteit en territoriale integriteit te ondersteunen. Deze steun sluit aan bij de gezamenlijke inzet van een groot aantal landen om de illegale Russische agressie tegen te gaan.
Deze steun staat niet ter discussie en wordt breed gedragen in kabinet en parlement. Het kabinet acht het niet passend om vooruit te lopen op mogelijke uitkomsten van een lopende juridische procedure.
Bent u bereid, indien komt vast te staan dat Oekraïense staatsautoriteiten verantwoordelijk zijn voor de sabotage van de Nord Stream-pijpleidingen, Oekraïne aansprakelijk te stellen voor alle directe en indirecte schade die Nederland en de Nederlandse samenleving hierdoor hebben geleden en deze schade volledig op Oekraïne te verhalen? Zo nee, waarom niet?
Zie antwoord vraag 3.
De afsluiting van de Merwedebrug voor vrachtverkeer |
|
Luciënne Boelsma-Hoekstra (CDA) |
|
Vincent Karremans (VVD) |
|
|
|
|
Heeft u kennisgenomen van het bericht dat de Merwedebrug op de A27 per direct wordt gesloten voor vrachtverkeer, omdat de constructieve veiligheid voor zwaar verkeer niet langer kan worden gegarandeerd?1
Ja.
Op welk moment heeft Rijkswaterstaat voor het eerst signalen ontvangen dat de sterkte van de boogconstructie mogelijk onvoldoende was? Kunt u een tijdlijn geven van de onderzoeken, bevindingen en besluitvorming?
Bij de voorbereiding van de werkzaamheden voor het project A27 Houten – Hooipolder, waarbij een nieuwe brug naast de bestaande gebouwd gaat worden, zijn in 2025 en 2026 aanvullende herberekeningen en inspecties uitgevoerd. Hieruit bleek dat naast inspecties ook aanvullend materiaalonderzoek gewenst was. Afgelopen maanden zijn deze aanvullende onderzoeken door Rijkswaterstaat en TNO uitgevoerd. Op 16 juli zijn de voorlopige resultaten door TNO aan Rijkswaterstaat gedeeld. De materiaaleigenschappen bleken slechter te zijn dan verwacht en hiermee was er noodzaak om met spoed de constructieve veiligheid van de brug te herbeoordelen. Op 17 juli is op basis hiervan opgeschaald en is op zaterdag 18 juli 17.30 een vrachtwagenverbod ingesteld.
Waren er eerder signalen bekend die aanleiding hadden kunnen zijn om maatregelen te treffen? Zo nee, waarom niet? Zo ja, waarom is er pas op dit moment besloten tot een verbod voor vrachtverkeer en niet eerder gekozen voor maatregelen?
Nee, zie beantwoording van vraag 2: op 16 juli 2026 is uit onderzoek gebleken dat de constructieve sterkte van de brug beneden de toelaatbare norm kwam.
Hoe kan het dat nu blijkt dat het staal van de brug minder sterk is dan eerder werd aangenomen? Is sprake van nieuwe onderzoeksmethoden, nieuwe inzichten of eerdere mogelijke onjuiste aannames?
Bij de Merwedebrug was i.v.m. de voorbereiding voor de werkzaamheden van de bouw van de nieuwe Merwedebrug materiaalonderzoek nodig. Uit dit materiaalonderzoek is gebleken dat de sterkte van het staal van de brug aanmerkelijk minder is dan verwacht en waarmee dus ook geen rekening gehouden was.
Welke lessen zijn er getrokken toen de Merwedebrug in 2016 moest worden afgesloten voor vrachtverkeer vanwege haarscheurtjes in de constructie? En hoe kan het dat die maatregelen kennelijk onvoldoende waren om een nieuwe ingrijpende maatregel te voorkomen?
Bij de huidige afsluiting van de brug zijn de rapporten en aanbevelingen van de afsluiting in 2016 bij de hand genomen. Ook toen werd de brug voor verkeer zwaarder dan 3,5 ton afgesloten. De aanbevelingen hadden met name betrekking op een betere betrokkenheid van medeoverheden en andere belangrijke partijen, wat nu ook zorgvuldiger is gedaan. De aanleiding voor de afsluiting was echter verschillend: toen was er sprake van vermoeiing van de verbindingen in de brug waardoor scheurtjes waren ontstaan en daar zijn toen ook passende maatregelen op getroffen, zoals het aanbrengen van verstevigingen en verscherpte inspecties. Uit het hiervoor genoemde onderzoek blijkt dat het staal van de brug een andere kwaliteit heeft dan verwacht en waarmee dus ook geen rekening mee gehouden was.
Welke gevolgen van deze afsluiting verwacht u voor de bereikbaarheid van Midden- en Zuid-Nederland, de logistieke sector, de economie en ondernemers?
Omdat het alleen een afsluiting voor vrachtverkeer is, is de verwachting dat het effect op de bereikbaarheid van Midden- en Zuid-Nederland als geheel beperkt zal zijn, hoewel dit voor ondernemingen in de nabije omgeving van de brug een groter effect kan hebben. Voor het vrachtverkeer is de inschatting dat de extra reistijd als gevolg van de afsluiting op rustige momenten 30–45 minuten zal bedragen en de extra reistijd tijdens drukke momenten kan oplopen tot 45 tot 60 minuten voor 7.000 tot 8.000 vrachtwagens per dag per rijrichting over de brug.
Bent u het met eens met de stelling dat er aanvullende maatregelen moeten worden genomen om de hinder voor weggebruikers, omwonenden en transportbedrijven en de economische schade te beperken? Zo nee, waarom niet? Zo ja, welke maatregelen worden hiervoor genomen? Welke alternatieve routes zijn er beschikbaar en zijn die voldoende toegerust voor de extra verkeersdruk?
Door het vrachtwagenverbod moet vrachtverkeer gebruikmaken van alternatieve routes. Personenauto's en ander verkeer kunnen de brug blijven gebruiken. Lijnbussen en hulpdiensten vallen niet onder het verbod voor vrachtverkeer. Deze uitzondering is noodzakelijk om de bereikbaarheid van de regio te waarborgen. Met het weren van vrachtverkeer wordt de verkeersdruk van zware voertuigen sterk verminderd, terwijl het openbaar vervoer beschikbaar blijft voor reizigers en de hulpverlening op peil blijft.
Vrachtverkeer wordt omgeleid via de A15, A16 en A59 of via de A15, A2 en A59. Het vervoer van gevaarlijke stoffen maakt gebruik van de A2. De alternatieve routes zullen naar verwachting het extra aanbod aankunnen. Door werkzaamheden onder andere aan de Papendrechtsebrug en omleidingen voor het vrachtverkeer moeten weggebruikers rekening houden met drukte op de Nederlandse wegen, waardoor de reistijd kan oplopen. We monitoren de verkeerssituatie en nemen waar nodig aanvullende verkeersmaatregelen. Ondernemers kunnen eventueel een beroep doen op de regeling voor nadeelcompensatie.
Welke verkeersmaatregelen worden getroffen om sluipverkeer en overbelasting van omliggende wegen en bruggen te voorkomen?
Zie beantwoording van vraag 7. Lokale alternatieven zijn beperkt vanwege de grote rivieren die dat niet toestaan, waardoor sluipverkeer naar verwachting beperkt zal blijven.
Is onderzocht of tijdelijke versterkingsmaatregelen of tussentijdse reparaties mogelijk zijn om (een deel van) het vrachtverkeer eerder weer veilig over de Merwedebrug te laten rijden? Zo ja, welke mogelijkheden zijn onderzocht en waarom zijn deze wel of niet uitvoerbaar? Zo nee, bent u bereid de mogelijkheid van tijdelijke versterkingsmaatregelen of tussentijdse reparatie te verkennen?
Met de constatering dat de staalkwaliteit van de brug minder sterk is dan eerder werd aangenomen, is een eenvoudige versterking of reparatie vrijwel zeker niet genoeg: de brug als geheel is te zwak. Op dit moment worden er nadere onderzoeken uitgevoerd naar de sterkte van de brug en passende maatregelen daarbij. De resultaten tot nu toe bevestigen de eerdere conclusies dat de brug niet voldoet aan de geldende normen, en bevestigen de noodzaak van de genomen maatregelen. Duidelijkheid over de duur van de maatregelen kan gegeven worden als er genoeg zicht is op de sterkte van de brug en de maatregelen die nodig zijn om de beperkingen op te mogen heffen. Omdat de onderzoeken nog lopen is daar nu nog geen antwoord op te geven.
Hoe vaak zal de Merwedebrug de komende periode worden geïnspecteerd en welke criteria worden gehanteerd om te beoordelen of aanvullende beperkingen noodzakelijk of juist versoepelingen mogelijk zijn?
Op dit moment worden er nadere onderzoeken uitgevoerd naar de sterkte van de brug en passende maatregelen daarbij.
Welke bruggen kunnen met vergelijkbare problemen te maken krijgen vanwege constructie of materiaal? Bent u bereid dit in kaart te brengen en kun u hiervan een overzicht geven, inclusief de eventuele verkeersbeperkingen die worden voorzien?
Jaarlijks publiceren Rijkswaterstaat en ProRail rapportages over de technische staat van de infrastructuur in Nederland. Op 8 december 2025 zijn de meest recente rapportages met de Kamer gedeeld.2 De eerstvolgende Staat van de Infrastructuur wordt dit najaar gepubliceerd.
In de RWS-rapportage wordt ook gerapporteerd over kunstwerken die in een zodanige slechte staat verkeren dat er gebruiksbeperkingen zijn opgelegd en/of die onder een verhoogd inspectieregime staan. In de meest recente rapportage gaat het om respectievelijk 80 objecten (waarvan 72 bruggen en viaducten) met een gebruiksbeperking en 104 objecten (waarvan 72 bruggen en viaducten) die onder een verhoogd inspectieregime staan.3
Zijn de huidige inspectie- en monitoringsprogramma's van Rijkswaterstaat voldoende om dit soort problemen tijdig te signaleren? Zo ja, hoe verklaart u dat deze maatregel nu alsnog onverwacht noodzakelijk blijkt?
Bij instandhouding spelen altijd onzekerheden. Er is veel in beeld, maar niet alles is voorspelbaar. Alle kunstwerken worden periodiek geïnspecteerd (regulier inspectieprogramma) en er vinden tijdens regulier onderhoud schouwen plaats. Indien nodig zullen aanvullende technische inspecties en herberekeningen worden uitgevoerd of monitoring plaatsvinden. Uitkomst van een inspectie of herberekening kan, zoals bij de Merwedebrug, onverwacht slechter zijn dan verwacht en dan zijn acute maatregelen noodzakelijk. Bij de Merwedebrug is dit aan het licht gekomen na materiaalonderzoek bij de voorbereiding voor de werkzaamheden van de bouw van de nieuwe Merwedebrug, zie ook beantwoording vraag 2.
Welke gevolgen heeft deze situatie voor de planning van de vervanging van de Merwedebrug? Is versnelling in uw ogen mogelijk en wenselijk?
In de huidige planning voor de bouw van de nieuwe Merwedebrug is reeds fors ingezet op slimme bouwfasering om met name de eerste (westelijke) brug zo snel mogelijk beschikbaar te hebben ter vervanging van de huidige brug. Deze planning resulteert naar verwachting in een openstelling van de nieuwe Merwedebrug West in 20314.
De bouw van de nieuwe brug is complex. Zeker ook omdat de nieuwe brug op korte afstand wordt gebouwd van de bestaande brug. De bouwwerkzaamheden kunnen namelijk van invloed zijn op de huidige brug (zettingen, trillingen). Voorkomen moet worden dat de bestaande brug door de werkzaamheden beschadigd raakt. De recent bekend geworden slechtere staat van de huidige brug, vergroot de bouwcomplexiteit en legt daarmee extra druk op de bouwplanning. Zo mag ook het bouwverkeer voor de bouw van de nieuwe Merwedebrug geen gebruik maken van de bestaande brug. Dit heeft consequenties voor de bouwlogistiek. De impact wordt op dit moment onderzocht. Een verdere versnelling van de bouw ligt hiermee niet voor de hand.
Verwacht u dat vergelijkbare acute verkeersbeperkingen de komende jaren vaker zullen voorkomen vanwege de verouderde staat van Nederlandse bruggen en viaducten? Zo ja, welke maatregelen neemt u om dergelijke situaties zoveel mogelijk te voorkomen en welke invloed heeft dit op het net vastgestelde afweegkader?
Ja. In de beleidsbrief van 24 april jl. is aan de Kamer onder meer gemeld dat in juli 2025 er 80 kunstwerken waren met (gewichts- of doorvaart-) beperkingen voor de Rijkswegen en de Rijksvaarwegen. Daarbij is aangekondigd dat als we niets doen, het de verwachting is dat dit aantal in 2030 verdubbeld is. Het kabinet heeft zich als doel gesteld om de negatieve trend van meer en/of langer durende beperkingen als gevolg van achterstanden in het onderhoud deze kabinetsperiode te doorbreken.
In het afweegproces5 vormen constructieve en waterveiligheid het vertrekpunt voor de verdere prioritering van de instandhoudingsopgaven en de ontwikkelingsopgaven binnen het MIRT.
Bent u bereid de Kamer periodiek te informeren over de uitkomsten van het aanvullende onderzoek, de voortgang van eventuele tijdelijke maatregelen en de gevolgen voor de bereikbaarheid en de planning van de vervanging van de Merwedebrug?
Zodra daar aanleiding toe is, wordt de Kamer over de uitkomsten geïnformeerd.
Het bericht de aanpak van de asielinstroom in Duitsland |
|
Gidi Markuszower (PVV) |
|
Bart van den Brink (CDA) |
|
|
|
|
Bent u bekend met dit bericht?1
Kunt u bevestigen dat Duitsland tussen 2023 en 2025 een daling van 65 procent van het aantal nieuwe asielzoekers heeft laten zien, dat mei 2026 in Duitsland de rustigste maand sinds 2012 was, en dat de situatie in Nederland in die periode juist verslechterde, met een stijging van het aantal asielaanvragen in het eerste kwartaal van 2026 ten opzichte van een jaar eerder? Zo nee, wat zijn volgens u de juiste cijfers?
Bent u bereid een totale asielstop in te voeren, wat de enige maatregel is die de asielcrisis werkelijk oplost? Zo nee, waarom niet?
Deelt u de opvatting dat, zolang u weigert een totale asielstop in te voeren, u op zijn minst verplicht bent al het mogelijke te doen om de asielinstroom te beperken, en dus ten minste de maatregelen te nemen die in Duitsland aantoonbaar werken?
Deelt u de opvatting dat structurele grenscontroles, zoals Duitsland die hanteert, bijdragen aan een lagere asielinstroom, gezien uit het artikel blijkt dat de Duitse regering naar strenge grenscontroles wijst als (mede)verklaring voor de lagere instroom?
Wat moet u concreet doen – juridisch, operationeel en in samenwerking met de Koninklijke Marechaussee – om vergelijkbare structurele grenscontroles aan alle Nederlandse landsgrenzen in te voeren, en binnen welke termijn acht u dit haalbaar?
Welk effect op de asielinstroom verwacht u van het invoeren van dergelijke grenscontroles, en op basis waarvan schat u dit effect in?
Indien u deze maatregel niet per direct invoert, waarom niet?
Deelt u de opvatting dat een bankkaartregeling, zoals genoemd in het artikel, ook in Nederland zou bijdragen aan het tegengaan van misbruik van staatssteun door mensensmokkelaars?
Welke wet- en regelgeving moet u wijzigen en welke uitvoeringsstappen bij het Centraal Orgaan opvang asielzoekers (COA) moet u zetten om deze bankkaartregeling ook in Nederland in te voeren? Op welke termijn acht u dit uitvoerbaar?
Welk effect verwacht u van deze maatregel, zowel op het tegengaan van mensensmokkel als op de asielinstroom in algemene zin?
Indien u deze maatregel niet per direct invoert, waarom niet? Uit het artikel blijkt dat afgewezen asielzoekers in Duitsland het risico lopen te worden teruggestuurd naar landen als Afghanistan en Syrië.
Klopt het dat Nederland dit uitgangspunt ten aanzien van Afghanistan en Syrië niet op dezelfde wijze als Duitsland hanteert, waarbij afgewezen asielzoekers het risico lopen te worden teruggestuurd naar andere landen als Afghanistan en Syrië? Zo nee, kunt u dit toelichten?
Wat moet u doen – in het landenbeleid, in de samenwerking met herkomstlanden en in de uitvoering door de Dienst Terugkeer en Vertrek – om terugkeer naar Afghanistan en Syrië ook in Nederland als reëel beleidsuitgangspunt te hanteren?
Welk effect verwacht u hiervan op de asielinstroom vanuit deze landen en op het aantal afgewezen asielzoekers dat daadwerkelijk vertrekt?
Indien u deze maatregel niet per direct invoert, waarom niet?
Kunt u de gemiddelde doorlooptijd van de Nederlandse asielprocedure geven, en bevestigen dat deze aanmerkelijk langer is dan in Duitsland, aangezien uit het artikel blijkt dat asielzoekers in Duitsland gemiddeld na 11 maanden uitsluitsel krijgen en in Bremen zelfs na 9 maanden?
Wat moet de Immigratie- en Naturalisatiedienst (IND) doen om de doorlooptijd van de Nederlandse asielprocedure terug te brengen naar een vergelijkbaar niveau als in Duitsland?
Welk effect verwacht u hiervan op de kosten van noodopvang en op de druk op het opvangsysteem?
Indien u deze maatregel niet per direct invoert, waarom niet?
Deelt u de opvatting dat een vergelijkbaar tweetrapssysteem zoals in het artikel genoemd, met een tijdslimiet en een eigen zoekplicht voor statushouders, de doorstroom uit Nederlandse azielzoekerscentra (azc) zou bevorderen?
Wat moet u doen om een dergelijk systeem van overgangslocaties met een zoekplicht en tijdslimiet ook in Nederland in te voeren?
Welk effect verwacht u hiervan op de doorstroom uit azc’s en op de druk op de sociale huurwoningmarkt?
Indien u deze maatregel niet per direct invoert, waarom niet?
Wat moet u doen om een vergelijkbaar begeleidingsprogramma met werken, taallessen, persoonlijke begeleiding en dat kinderen naar school gaan met als doel een «zachte landing» en betere integratie, tijdens de overgangsfase na statusverlening in Nederland in te voeren?
Welk effect verwacht u hiervan op de integratie van statushouders?
Indien u deze maatregel niet per direct invoert, waarom niet?
Deelt u de opvatting dat, zolang er geen asielstop wordt ingevoerd, Nederland op zeer korte termijn ten minste de hierboven genoemde Duitse maatregelen zou moeten overnemen?
Kunt u per maatregel afzonderlijk aangeven binnen welke termijn u deze zou kunnen invoeren indien u daartoe besluit?
Kunt u deze vragen afzonderlijk en binnen de reguliere termijn beantwoorden?
De berichten over de situatie in de straat van Hormuz |
|
Anne-Marijke Podt (D66) |
|
van Essen , Silvio Erkens (VVD) |
|
|
|
|
Heeft u een duidelijk beeld van de gevolgen van de crisis in de straat van Hormuz voor de kosten en beschikbaarheid van inputs voor de Nederlandse landbouw (zoals diervoeding en kunstmest)?
Het kabinet heeft Wageningen Social & Economic Research gevraagd een onderzoek uit te voeren naar de gevolgen van een afsluiting van de Straat van Hormuz voor de Nederlandse voedselvoorziening, waaronder de beschikbaarheid en kosten van landbouwinputs zoals diervoeder en kunstmest. De resultaten van deze analyse zijn begin juli met uw Kamer gedeeld (Kamerstuk 31 532, nr. 310). Tegelijkertijd monitort het kabinet de ontwikkelingen in en rond de Straat van Hormuz nauwlettend en onderhoudt het ministerie hierover nauw contact met sectorpartijen.
Heeft u ook breder de afhankelijkheden van de Nederlandse landbouw in beeld van inputs van buiten de EU en de gevolgen voor de landbouw en de Nederlandse strategische autonomie en economie wanneer dit soort inputs tijdelijk of langdurig zouden wegvallen?
Het kabinet heeft de belangrijkste strategische afhankelijkheden van de Nederlandse landbouw van inputs uit derde landen in beeld en monitort deze. Het verminderen van deze strategische afhankelijkheden vormt de tweede pijler van de aangekondigde Strategische Agenda Voedselzekerheid (Kamerstuk 31 532, nr. 310). Tegelijkertijd kunnen, afhankelijk van de aard en duur van een verstoring, ook bij andere producten en grondstoffen knelpunten ontstaan. Een onderbreking van de aanvoer kan leiden tot schaarste en prijsstijgingen van strategische inputs zoals energie en kunstmeststoffen, met mogelijke gevolgen voor de kosten en continuïteit van de landbouwproductie. De uiteindelijke impact is afhankelijk van de duur van de verstoring en de beschikbaarheid van alternatieve leveranciers of producten.
Op welke wijze bereidt u zich voor op dit soort scenario’s?
Het kabinet bereidt zich op dergelijke scenario's voor door analyses uit te voeren, strategische afhankelijkheden in kaart te brengen, ontwikkelingen in internationale toeleveringsketens nauwlettend te volgen en contact te onderhouden met sectorpartijen. Op basis daarvan kan het kabinet, indien nodig, tijdig maatregelen treffen om de gevolgen voor de voedselvoorziening en de landbouwproductie zoveel mogelijk te beperken.
Bovendien werkt het kabinet in nauwe samenwerking met het bedrijfsleven en relevante (publieke) stakeholders aan een Landelijk Crisisplan Voedselzekerheid, dat naar verwachting begin 2027 aan u zal worden aangeboden. Dit is het overkoepelende kader voor het handelen in crisissituaties rondom voedselzekerheid en beschrijft de rol, taken en verantwoordelijkheden.
Hoe voorziet u dat Nederland de komende tijd meer onafhankelijk kan worden van dit soort inputs en hoe past dit binnen de verdere stappen die op het terrein van LVVN worden gezet, zoals de stikstofplannen, het nieuwe achtste Actieprogramma Nitraatrichtlijn en de eiwitstrategie?
Begin juli heeft de Staatssecretaris van LVVN uw Kamer geïnformeerd over de contouren van zijn Strategische Agenda Voedselzekerheid (Kamerstuk 31 532, nr. 310). Het structureel verminderen van risicovolle strategische afhankelijkheden vormt één van de drie pijlers waarop deze agenda is gebaseerd. De agenda zal integraal worden bezien in relatie tot de genoemde LVVN-terreinen, waarbij aandacht is voor de samenhang tussen de verschillende beleidsopgaven.
Kunt u deze vragen beantwoorden vóór het commissiedebat Voedselzekerheid op 23 september 2026?
Ja.
Het bericht dat het kabinet wel bouwstenen, maar nog geen plan heeft voor de huisvesting van mensen in de knel |
|
Ulysse Ellian (VVD) |
|
Bart van den Brink (CDA), Boekholt-O’Sullivan |
|
|
|
|
Bent u bekend met het bericht «Wel de «bouwstenen», nog geen plan voor huisvesting mensen in de knel»?1
Klopt het dat het kabinet bij de huisvesting van aandachtsgroepen, waaronder statushouders, ook nadrukkelijk kijkt naar woningdeling binnen de sociale woningvoorraad?
Klopt het dat er gemeenten en woningcorporaties zijn die sociale huurwoningen beschikbaar stellen als «doorstroomlocatie»?
Waarom kiest het kabinet er niet voor om, conform het coalitieakkoord, als uitgangspunt te hanteren dat alternatieve huisvestingsvormen voor statushouders zoveel mogelijk buiten de bestaande sociale woningvoorraad worden gerealiseerd?
Welke alternatieven buiten de sociale woningvoorraad onderzoekt u om invulling te geven aan de taakstelling voor de huisvesting van statushouders, zonder de druk op de reguliere sociale huurmarkt verder te vergroten?
In hoeverre deelt u de opvatting dat het oneerlijk is dat woningzoekenden soms pas na 10 jaar in aanmerking komen voor een sociale huurwoning terwijl statushouders voorrang krijgen op sociale huurwoningen? Zo niet, waarom niet?
In hoeverre deelt u de opvatting dat statushouders daarom zoveel mogelijk in sobere alternatieve huisvesting buiten de sociale woningvoorraad moeten worden gehuisvest?
Welke maatregelen bent u bereid te nemen om te voorkomen dat gemeenten en woningcorporaties reguliere sociale huurwoningen inzetten als doorstroomlocatie voor statushouders?
Welke mogelijkheden tot inspraak hebben omwonenden wanneer een sociale huurwoning wordt aangewezen als doorstroomlocatie?
Hoeveel statushouders zijn de afgelopen drie jaar gehuisvest in een zelfstandige sociale huurwoning? Welk aandeel van de jaarlijkse toewijzingen aan corporatiewoningen betreft dit? Welk effect verwacht u dat de beschreven plannen zullen hebben op dit aandeel?
Bent u het eens dat woningdelen voor statushouders binnen de bestaande voorraad strijdig is met het voornemen om te komen tot een wetsvoorstel waarmee de voorrang voor statushouders op sociale huurwoningen wettelijk niet meer mogelijk is? Zo niet, waarom niet?
In antwoord op eerdere schriftelijke vragen gaf u aan dat er slechts 48 doorstroomlocaties met 1.853 plekken zijn gerealiseerd. De verwachting was dat er nog voor het zomerreces 263 extra plekken gerealiseerd zouden worden. Zijn deze plekken ook daadwerkelijk voor het zomerreces gerealiseerd?
Hoeveel plekken moeten volgens u nog worden gerealiseerd voordat u een wetsvoorstel naar de Kamer kunt sturen waarmee de wettelijke voorrang voor statushouders op sociale huurwoningen wordt beëindigd? Wanneer verwacht u dit wetsvoorstel naar de Kamer te sturen?
In uw brief «Bouwstenen: versnelde realisatie aanvullende vormen van huisvesting» heeft mijn fractie niet kunnen opmaken op welke wijze u invulling heeft gegeven aan de motie Nobel/Flach (Kamerstuk 36 881, nr. 9) over onderzoeken hoe gemeenten die voortvarend aan de slag zijn gegaan met de realisatie van alternatieve huisvesting zodat de voorrang statushouders kan worden afgeschaft, kunnen worden beloond. Kunt u hier alsnog antwoord op geven?
Kunt u deze vragen één voor één beantwoorden?
Het bericht: ‘Trump administration probes UNRWA over alleged employment of 1,500 terrorists’ |
|
Annelotte Lammers (PVV) |
|
Sjoerd Sjoerdsma (D66) |
|
|
|
|
Bent u bekend met de berichtgeving dat de regering-Trump een onderzoek is gestart naar de United Nations Relief and Works Agency for Palestine Refugees (UNRWA) vanwege beschuldigingen dat duizenden medewerkers banden zouden hebben met terroristische organisaties, zoals Hamas?
Ja.
Hoe beoordeelt u deze nieuwe beschuldigingen tegen UNRWA?
Op het moment van schrijven is het onderzoek van de VS nog gaande en is er nog geen rapport gepubliceerd. Ik wil dan ook niet vooruitlopen op de uitkomsten van het onderzoek. Navraag bij UNRWA levert op dat vooralsnog geen informatie is gedeeld over dit lopende onderzoek jegens de UNRWA-medewerkers. UNRWA heeft daartoe wel verschillende verzoeken gedaan, zodat waar nodig reactie kan worden gegeven en/of actie ondernomen kan worden.
Deelt u de opvatting dat ook de schijn dat Nederlands belastinggeld direct of indirect terechtkomt bij personen met banden met terroristische organisaties volstrekt onacceptabel is?
Zoals aangegeven in mijn brief aan uw Kamer van 30 maart jl.1 benadrukt het kabinet de strikte voorwaarde dat publieke middelen onder geen enkel beding aangewend mogen worden voor directe of indirecte ondersteuning van terroristische groeperingen.
Welke garanties kunt u geven dat geen enkele euro Nederlands belastinggeld via UNRWA terechtkomt bij personen of organisaties die betrokken zijn bij terrorisme of terrorisme ondersteunen?
Het kabinet wil onder geen enkel beding dat publieke middelen aangewend worden voor directe of indirecte ondersteuning van terroristische groeperingen zoals Hamas. Berichtgevingen over potentiële banden van UNRWA met Hamas en mogelijke betrokkenheid van enkele individuele UNRWA-medewerkers bij de aanslagen van 7 oktober worden derhalve steeds serieus bekeken. Internationale, onafhankelijke onderzoeken tonen aan dat er tot op heden onvoldoende bewijs is geleverd ten aanzien van banden tussen UNRWA en Hamas. Uit het onafhankelijk onderzoek van Office of Internal Oversight Services (OIOS) naar mogelijke betrokkenheid van individuele UNRWA-medewerkers blijkt eveneens dat er onvoldoende bewijs was en het beschikbare bewijs niet kon worden geverifieerd. UNRWA heeft robuuste systemen ontwikkeld om eventuele misstanden te signaleren en gepaste actie te ondernemen, zoals de organisatie in het verleden ook heeft laten zien. Verder heeft UNRWA aangegeven alle aanbevelingen op te volgen uit het Colonna-rapport2 over de neutraliteit van de organisatie. Tot dusverre heeft UNRWA meer dan de helft van deze aanbevelingen geïmplementeerd en wordt voortgang geboekt op de overige aanbevelingen. Daarnaast neemt Nederland deel aan de werkgroep over neutraliteit en integriteit. Deze groep ziet nauw toe op de implementatie van de aanbevelingen.
Bent u bereid alle Nederlandse financiële bijdragen aan UNRWA onmiddellijk op te schorten? Zo nee, waarom niet?
Nederland blijft het door de Algemene Vergadering van de VN verleende mandaat van UNRWA steunen. De organisatie biedt belangrijke basisdiensten conform dit mandaat, zoals gezondheidszorg en onderwijs, aan Palestijnse vluchtelingen in de regio, inclusief Libanon, Jordanië en Syrië. Op deze manier draagt UNRWA bij aan de stabiliteit in een onrustige regio. Verder is UNRWA essentieel in het bieden van humanitaire hulp in zowel Gaza als Libanon.
Hoeveel Nederlands belastinggeld is sinds 7 oktober 2023 aan UNRWA verstrekt of toegezegd?
In totaal heeft Nederland in de periode sinds 7 oktober 2023 tot nu 63 miljoen euro bijgedragen aan UNRWA. Na 7 oktober heeft Nederland in 2023 een extra 18 miljoen euro bijgedragen gezien de hoge noden in de regio. In 2024, 2025 en 2026 heeft Nederland de jaarlijkse bijdrage aan UNRWA overgemaakt, waarvan 2025 en 2026 conform amendement Stoffer/Eerdmans3.
Welke concrete controles voert Nederland uit om te voorkomen dat Nederlands belastinggeld indirect ten goede komt aan terroristische organisaties?
Nederland werkt samen met professionele en betrouwbare maatschappelijke organisaties, die beleid en gedegen procedures hebben om risico’s van malversaties te verkleinen, en die adequaat optreden in geval van zowel aantijgingen als bewezen malversaties.
Besluiten om bepaalde organisaties te financieren worden altijd zorgvuldig genomen, waarbij het voltooien van een Organisational Risk and Integrity Assessment (ORIA) essentieel is. Deze assessment toetst onder andere op governance-structuren en de integriteit van organisaties. Organisaties met wie Nederland samenwerkt doen bovendien controle en screening van alle medewerkers (zowel nationale als internationale staf) en partners aan de hand van o.a. de sanctielijsten van de VN, EU en nationale instanties. Daarnaast worden afspraken gemaakt over tussentijdse monitoring, (onafhankelijke) evaluatie en audits van activiteiten met Nederlandse steun. Indien uit het toezicht blijkt dat er mogelijk sprake is van fraude, verduistering of andere malversaties, zal het ministerie daartegen optreden.
Ook is Nederland lid van de verschillende bestuursorganen van VN-organisaties, waarbij wordt toegezien op het effectief functioneren van de organisaties.
Eveneens bestaat het Multilateral Organisation Performance Assessment Network (MOPAN), waar Nederland ook lid van is en in 2025 voorzitter van was. Dit netwerk ziet toe op de effectiviteit, transparantie en resultaten van multilaterale organisaties, zoals de VN en de Wereldbank, middels onafhankelijke doorlichtingen.
Bent u bereid toekomstige Nederlandse bijdragen aan UNRWA definitief af te schaffen indien de ernstige beschuldigingen (gedeeltelijk) worden bevestigd? Zo nee, waarom niet?
Zoals aangegeven in mijn brief aan uw Kamer van 30 maart jl.4 benadrukt het kabinet de strikte voorwaarde dat publieke middelen onder geen enkel beding aangewend mogen worden voor directe of indirecte ondersteuning van terroristische groeperingen. Indien hier sprake van zou zijn dan wordt steun heroverwogen. Het kabinet neemt de risico's op onbedoelde financiering altijd serieus en Nederland zal, samen met andere donoren, scherp blijven toezien op de integriteit van de hulpverlening, ook in de toekomst.
Bent u bereid zich er in Europees- en internationaal verband voor in te zetten dat geen belastinggeld meer terechtkomt bij organisaties waarvan de neutraliteit ernstig ter discussie staat? Zo nee, waarom niet?
Nederland is voortdurend in contact met partners en andere lidstaten om te blijven toezien op de integriteit en neutraliteit van de hulpverlening.
Beschikt u of het kabinet over aanwijzingen dat sinds 7 oktober 2023 Nederlands overheidsgeld, direct of indirect, terecht is gekomen bij Hamas of aan Hamas gelieerde personen of organisaties, dan wel dat door Nederland gefinancierde humanitaire- of ontwikkelingshulp door Hamas is verduisterd, omgeleid of in beslag genomen? Zo ja, om welke bedragen, gevallen en maatregelen gaat het? Zo nee, op basis van welke informatie concludeert het kabinet dat hiervan geen sprake is?
Na de gebeurtenissen op 7 oktober 2023 zijn de due diligence-processen die ervoor moeten waken dat geld niet (in)direct ten goede komt van terroristische organisaties tegen het licht gehouden. Daaruit bleek dat er geen signalen zijn dat geld voor Nederlandse en EU-ontwikkelingshulp voor de Palestijnse gebieden terecht is gekomen bij onbedoelde bestemmingen en dat de processen op orde zijn, zoals gesteld in de brief die met de kamer op 11 oktober 2023 gedeeld is.5
Kunt u deze vragen afzonderlijk en zo spoedig mogelijk beantwoorden?
Ja.
De gevolgen van de wachtlijsten voor de specialistische (jeugd-)GGZ |
|
Lisa Westerveld (GroenLinks-PvdA) |
|
Sophie Hermans (VVD), Mirjam Sterk (CDA) |
|
|
|
|
Is bekend hoeveel jongeren en volwassenen die in het afgelopen jaar overleden door suïcide of door te stoppen met eten en drinken, op dat moment in behandeling waren bij de jeugdzorg of ggz of in het (recente) verleden een behandeling kregen? Kunt u de aantal weergeven vanaf 2018?
Hoe vaak heeft de Inspectie Gezondheidszorg en Jeugd (IGJ) casusonderzoek uitgevoerd naar de suïcide van een jongere of volwassene in zorg? Hoe vaak heeft de IGJ hierbij geoordeeld dat er tekortkomingen zijn in het zorgaanbod?
Erkent u dat het tekort aan gespecialiseerde hulp, de wachtlijsten en andere problemen in de jeugdzorg en ggz, verergering van klachten als gevolg kan hebben en dit kan leiden tot suïcidale gedachten of uiteindelijk suïcide? Zo ja, deelt u de mening dat een aanpak van alle problemen veel meer urgentie verdient?
Kent u het rapport van de IGJ over de suïcide van de 17-jarige Roos, waarna de Inspectie constateert dat er voor jongeren zoals zij geen passende gespecialiseerde hulp is in de regio? Hoe kan het dat in de hele regio niet de juiste hulp voorhanden was? Hoeveel regio's bieden geen passende langdurige specialistische behandeling aan jongeren met complexe problematiek en wie houdt hier toezicht op?1
Herkent u het beeld dat er vaak een tekort is aan acute crisisplekken? Deelt u de mening dat dit te belangrijk is om aan de markt over te laten en er een vastgesteld aantal plekken moet zijn voor situaties die van levensbelang zijn?
Hoe vaak gebeurt het dat jongeren en volwassenen met complexe psychische problemen worden weggestuurd bij ggz-instellingen? Wordt dit bijgehouden of gemeld bij de IGJ?
Hoe wordt gecontroleerd of het verbod op exclusiecriteria ook in praktijk wordt nageleefd?
Kent u de uitvraag die MIND heeft gedaan, waaruit blijkt dat tachtig procent van de respondenten vertelt geweigerd of niet in behandeling te zijn genomen door een ggz-aanbieder? Hoe beoordeelt u deze uitvragen in het licht van de gemaakte afspraken?2
Wat is de stand van zaken met betrekking tot de aangenomen motie-Dobbe/Westerveld over beschikbaarheidsfinanciering? Wanneer verwacht u het onderzoek met de Kamer te kunnen delen?3
Hoe beoordeelt u de constatering van zorgprofessionals en experts dat ook de tekortkomingen in de ggz gevolgen heeft voor het aantal euthanasieverzoeken, zoals blijkt uit het RISE-onderzoek van ZonMw?4
Wanneer komt u met een kabinetsreactie op het IBO-rapport «Uit Balans» uit oktober 2025 waarin een heel aantal aanbevelingen staan om de cruciale ggz, waaronder ook de acute ggz te verbeteren en ook wordt voorgesteld de marktwerking aan te pakken? Deelt u de mening dat maatregelen haast hebben en kunt u uitleggen waarom het zo lang duurt voor het kabinet hier besluiten over neemt?5
Waterproblematiek als gevolg van klimaatverandering |
|
Felix Klos (D66), Marieke Vellinga-Beemsterboer (D66) |
|
Vincent Karremans (VVD) |
|
|
|
|
Kunt u toelichten wat de opschaling van de Landelijke Coördinatiecommissie Waterverdeling naar het niveau «dreigend watertekort» op 1 juli concreet betekent en of u verwacht dat Nederland deze zomer opschaalt naar «feitelijk watertekort»?1
Van watertekort is sprake als de vraag naar water vanuit verschillende maatschappelijke en ecologische behoeften groter is dan het aanbod met een voor de behoefte geschikte kwaliteit. Watertekort ontstaat geleidelijk.
Op 16 juli is de Kamer per brief2 geïnformeerd over de opschaling. In de brief is opgenomen dat op 1 juli de Landelijke Coördinatiecommissie Waterverdeling (LCW) is opgeschaald naar het niveau «dreigend watertekort» (niveau 1). Ook wordt de Kamer in de brief geïnformeerd over de concrete genomen maatregelen. Op advies van de LCW heeft de voorzitter van het Management Team Watertekorten (MTW) donderdag 16 juli 2026 besloten om op te schalen naar een «feitelijk watertekort» (niveau 2). De criteria voor opschaling zijn vastgelegd in het Landelijk draaiboek Waterverdeling en Droogte3.
Het MTW bestaat uit Rijkswaterstaat, waterschappen, drinkwaterbedrijven, provincies en betrokken Ministeries (LNV, EZK en IenW). Zij bereiden bovenregionale maatregelen voor, om het water zo goed mogelijk te verdelen. Denk bij maatregelen aan schutbeperking, onttrekkingsverboden en aangepaste inzet van de stuwen op de Rijntakken. De leden van het MTW vertalen dit naar besluiten in de eigen bestuurlijke kolom. Waterschappen, Rijkswaterstaat en provincies hebben elk hun eigen structuren, verantwoordelijkheden en besluitvorming.
Deelt u de analyse van de voorzitter van de Landelijke Coördinatiecommissie Waterverdeling dat de huidige droogte steeds meer overeenkomsten vertoont met het uitzonderlijke jaar 1976 en dat de kans op zulke zomers door klimaatverandering toeneemt?2
Ja, ik deel deze analyse. De aanhoudende droogte zorgt ervoor dat er een grotere vraag is naar water dan wat er ons land binnenkomt via regen en rivieren. Elke droogte is anders, maar tot nu toe zijn er veel overeenkomsten met de droogte uit 1976. Zo zijn de rivierafvoeren historisch laag, en is op 15 juli de laagste juli-afvoer van 780 m/s, uit 1976, onderschreden. Ook het neerslagtekort loopt steeds verder op. Deze is vergelijkbaar met het droge jaar 2018 maar blijft voorlopig nog onder het neerslagtekort van 1976.
De KNMI-klimaatscenario’s5 laten zien dat perioden van droogte vaker zullen optreden en langer zullen aanhouden naarmate het klimaat verandert.
Kunt u toelichten welke keuzes u in de verdringingsreeks voorziet als de droogte de rest van de zomer aanhoudt en op welk moment u de Kamer daarover informeert?3
De huidige droogte heeft op dit moment vooral gevolgen voor functies die vallen onder categorie 4 van de wettelijke verdringingsreeks (bijlage 1). Voor de functies in de categorieën 1 tot en met 3 doen zich momenteel geen bovenregionale waterverdelingsvraagstukken voor.
De Kamer wordt geïnformeerd wanneer er wordt op- danwel afgeschaald naar een ander niveau of wanneer er sprake is van ingrijpende bestuurlijke besluiten met aanzienlijke maatschappelijke of financiële gevolgen. Dit laatste ligt waarschijnlijk pas in de rede wanneer wordt opgeschaald van niveau 2 naar niveau 3 van de droogtekolom, en de watertekorten ook gevolgen hebben voor functies in de categorieën 1 tot en met 3 van de verdringingsreeks.
Welke maatregelen in dat geval nodig zijn, hangt af van de aard van de watertekorten en algehele situatie op dat moment. Het is daarom niet mogelijk daar nu op vooruit te lopen.
Kunt u toelichten hoe u de zoetwatervoorziening voor drinkwater, landbouw, natuur en industrie borgt nu de verzilting in het benedenrivierengebied verder toeneemt en regionaal al onttrekkings- en beregeningsverboden gelden?4
De Kamerbrief8 van 16 juli biedt overzicht van de reeds genomen maatregelen. Zo hebben waterbeheerders al vroeg in het jaar geanticipeerd op mogelijke droogte door het peil lokaal en in het IJssel- en Markermeer te verhogen. Plaatselijk worden pompen ingezet om kanalen en het regionale watersysteem van extra water te voorzien en verschillende maatregelen zijn al ingezet om de verzilting te beperken en waterpeilen te kunnen handhaven. Denk aan het extra inlaten van water, het sluiten van de Haringvlietsluizen, beperkt spuien bij de Afsluitdijk en de inzet van de Klimaatbestendige wateraanvoer (KWA). Waterbeheerders hebben hiermee de gevolgen van de droogte gedeeltelijk kunnen opvangen en/of uitstellen. Hoe langer de droogte aanhoudt, hoe ingewikkelder het wordt om functies lager in de verdringingsreeks (categorie 4) van zoetwater te voorzien. De gevolgen van droogte kunnen niet altijd en overal voorkomen worden.
Kunt u specifiek toelichten in hoeverre de huidige droogte en verzilting een concreet risico vormen voor een feitelijk drinkwatertekort voor consumenten op de korte en middellange termijn?
De huidige droogte en verzilting vormen geen risico op een drinkwatertekort en brengen dan ook geen concrete gevolgen mee voor de consument. Er is momenteel voldoende drinkwater beschikbaar en de levering van drinkwater blijft stabiel. Risico’s voor de drinkwaterwinning zijn beheersbaar door de preëmptieve peilopzet van het IJsselmeer begin dit jaar, het inschakelen van de Klimaatbestendige wateraanvoer (KWA) voor West-Nederland en andere genomen maatregelen uit de Kamerbrief9. Wel is belangrijk bewust met kraanwater om te gaan. Het vaste advies van de drinkwaterbedrijven is dat minder water gebruiken altijd beter is – het hele jaar door.
Het is bekend dat de drinkwatervoorziening op de middellange termijn steeds meer onder druk komt te staan. Onder andere door langere periodes van droogte, maar ook door een groeiende vraag. De beschikbaarheid van voldoende, schoon en betaalbaar drinkwater wordt voor een belangrijk deel bepaald door de beschikbaarheid en kwaliteit van de drinkwaterbronnen. Om de komende jaren onze drinkwaterbeschikbaarheid ook veilig te stellen werken de drinkwaterbedrijven en provincies in het kader van het Actieprogramma beschikbaarheid drinkwaterbronnen aan maatregelen om de productiecapaciteit van drinkwater in 2030 ook structureel te vergroten. Tegelijkertijd werken we met de uitvoering van het Nationaal Plan van aanpak drinkwaterbesparing samen met veel stakeholders aan het terugbrengen van de vraag naar drinkwater met 20% in 2035, zowel voor consumenten als voor zakelijke gebruikers.
Hoe beoordeelt u de ecologische gevolgen van deze droogte, zoals vissterfte, blauwalg, botulisme, droogvallende nevengeulen en een landelijk verhoogd risico op natuurbranden?
Het risico op vissterfte, blauwalg, botulisme, droogvallende nevengeulen en natuurbranden is jaarlijks terugkerend en lokaal verschillend, maar naarmate de droogte aanhoudt neemt dit risico overal toe. Zo zijn onlangs in het noordelijke deel van de Krimpenerwaard grote aantallen dode vissen en watervogels aangetroffen, vermoedelijk ten gevolge van een botulisme-uitbraak door de hoge watertemperaturen. Het handelen ten aanzien van het verhoogde risico op natuurbranden is vastgelegd in het Landelijk Crisisplan Natuurbranden10.
Kunt u aangeven welke gevolgen de aanhoudende droogte heeft voor de staat van kades, dijken en funderingen?
De droogte heeft vooralsnog beperkte gevolgen voor de staat van kades en dijken omdat we op tijd ingrijpen waar dat nodig is. Waterbeheerders controleren locaties waar door uitdroging risico’s kunnen ontstaan en nemen maatregelen om deze te beschermen. Het recentelijk afsluiten van de Twentekanalen is hier een voorbeeld van. De stabiliteit van keringen heeft de hoogste prioriteit in de verdringingsreeks.
Funderingen zijn als zodanig niet opgenomen in de verdringingsreeks, maar waterbeheerders nemen wel maatregelen om bodemdaling door droogte (klink en zetting) te voorkomen. Hiermee wordt ook schade aan funderingen door de huidige droogte beperkt.
Kunt u toelichten wat de lage waterstanden nu al betekenen voor de binnenvaart, waar schepen minder diep mogen varen, minder lading kunnen meenemen en verladers te maken krijgen met hogere transportkosten, laagwatertoeslagen en langere doorlooptijden?
De huidige lage waterstanden in Nederland hebben aanzienlijke gevolgen voor de binnenvaartsector. Door de verminderde vaardiepte mogen binnenvaartschepen minder diep varen, wat direct leidt tot een verminderd laadvermogen per schip. Hierdoor neemt de beschikbare transportcapaciteit af, terwijl de vraag naar vervoer onverminderd blijft. Uit ervaringen in 2018 en 2022 hebben wij gezien dat de transportprijzen in dergelijke periodes -tijdelijk- enorm kunnen stijgen. Bovendien leiden lage waterstanden tot langere wachttijden bij sluizen, omdat deze minder vaak schepen doorlaten om water te besparen, wat de vertragingen in de logistieke keten verergert. Verladers en bedrijven moeten hun planning aanpassen, bijvoorbeeld door voorraden op te bouwen of alternatieve transportmodaliteiten te overwegen.
De recente stremming van de Twentekanalen illustreert hoe ingrijpend de gevolgen van droogte voor de binnenvaart en de regionale economie kunnen zijn. Door het sluiten van de sluizen bij Eefde is de vaarverbinding tussen de IJssel en belangrijke Twentse industrie- en overslaglocaties (tijdelijk) weggevallen. Bedrijven die afhankelijk zijn van aanvoer en afvoer over water worden daardoor gedwongen op zoek te gaan naar mogelijke alternatieven zoals het wegvervoer of andere logistieke oplossingen, hetgeen extra kosten en organisatorische uitdagingen met zich brengt. Wij blijven in goed gesprek met de sector en zijn ons bewust dat hierdoor niet alleen de binnenvaart wordt geraakt, maar ook verladers, industriële bedrijven, overslagterminals en andere schakels in de logistieke keten. De uiteindelijke duur van dergelijke stremmingen als gevolg van droogte is vooraf vaak onzeker.
Houdt het kabinet rekening met dreigende tekorten aan specifieke goederen en grondstoffen in Nederland als gevolg van de beperkte toevoer via de commerciële binnenvaart en zo ja, welke goederen betreft dit en hoe wordt dit gemonitord?
Het kabinet is zich bewust van de risico’s op tekorten als gevolg van beperkte toevoer via de binnenvaart en monitort dit actief. Binnen het kader van de Mobiliteitsvisie wordt gewerkt aan het verhogen van de leveringszekerheid door risicovolle afhankelijkheden in kaart te brengen. Daarnaast hebben wij een langlopend programma dat de klimaatimpact inzichtelijk maakt in zgn. stresstesten en mogelijke maatregelen in kaart brengt in een Uitvoeringsagenda. Vooralsnog zijn er geen signalen van specifieke tekorten van goederen. De voorraden en de mate van transportalternatieven, bijvoorbeeld vervoer via de weg, bepaalt mede de continuïteit van commerciële partijen. Het kabinet blijft de situatie nauwlettend volgen in samenwerking met brancheorganisaties, waterschappen, Rijkswaterstaat en andere betrokken partijen.
Kunt u aangeven of het kabinet een raming maakt van de economische schade van de droogte van 2026 voor Nederlandse handels-, productie- en industriebedrijven? Zo nee, kunt u toezeggen dit wel te doen?
Er zijn evaluaties gemaakt van de economische effecten van droogte In de droge jaren 201811 en 202212. Indien de droogte van dit jaar verder doorzet zal ook over dit seizoen een economische evaluatie worden gemaakt.
Op dit moment ontwikkelt het kabinet een dashboard dat de schade van (dreigende) watertekorten voor de huidige en aankomende perioden in beeld kan brengen. Een van de doelen van dit dashboard is om jaarlijkse droogterapportages te kunnen maken die ingaan op de economische effecten. De informatie in dit dashboard kan al worden gebruikt voor een evaluatie van economische effecten van de droogte dit jaar.
Welke risico's ziet u door de aanhoudende droogte, hoge watertemperaturen en lage rivierstanden voor de koelwatercapaciteit van elektriciteitscentrales en in hoeverre brengt dit de leveringszekerheid van energie in Nederland in gevaar?
Op dit moment is de leveringszekerheid van energie niet in gevaar als gevolg van de huidige droogte. Wel is de watertemperatuur hoger dan normaal en is het risico dat bij verdere daling van rivierafvoeren en aanhoudende hoge luchttemperatuur dat het lozen van koelwater op de rivieren dan sterk moet worden beperkt of gestaakt.
De elektriciteitscentrales in Nederland liggen zeer beperkt aan rivieren en veelal langs de kust of aan water met invloed van het getij, waar opwek blijvend mogelijk is doordat de watertemperatuur daar lager is. Bij de elektriciteitscentrales aan de Maas en de Amer kan eventueel een koeltoren worden ingezet, waardoor veel minder warmte wordt toegevoegd aan de rivier.
Leveringszekerheid van energie zit in categorie 2 van de verdringingsreeks. Dat betekent dat de watervraag voor de leveringszekerheid van energie voorrang krijgt op economische functies indien dat nodig is. In zeer uitzonderlijke gevallen kan voor de leveringszekerheid van elektriciteit de inzet van centrales ook bij hoge watertemperaturen worden toegelaten, bijvoorbeeld als ook op Europese schaal onvoldoende elektriciteit beschikbaar is.
Deelt u de opvatting dat extreme droogte en extreem hoogwater twee uitingen zijn van hetzelfde onderliggende probleem, namelijk klimaatverandering, en dat het waterdossier daarmee onlosmakelijk ook een klimaatdossier is?
Het waterdossier is ook, maar niet alleen, een klimaatdossier. De oorzaak van de toenemende wateropgaven ligt in de combinatie van klimaatveranderingen en sociaal-economische ontwikkeling.
Door klimaatverandering verandert het wateraanbod. De Deltascenario’s13 laten zien dat het zomers droger en ’s winters natter wordt en de extremen extremer zullen worden en vaker zullen optreden. Het weerbeeld wordt grilliger, de Rijn- en Maasafvoeren gaan veranderen en de zeespiegel stijgt met verzilting in de kustgebieden als gevolg.
Tegelijkertijd laten de Deltascenario’s zien dat ook sociaal-economische ontwikkelingen een rol spelen. De vraag naar zoetwater groeit door bevolkingsgroei, economische ontwikkeling en nieuwe water-intensieve activiteiten (bijv. datacentra en waterstoffabrieken). Ook bepalen de ruimtelijke keuzes die we nu en in het verleden gemaakt hebben de waterbeschikbaarheid en het risico op wateroverlast.
Op welke wijze werkt u samen met de Minister van Klimaat en Groene Groei (KGG) om te zorgen dat mitigatie en adaptatie op het klimaat- en waterterrein elkaar versterken?
De ontwerpNationale Klimaatadaptatiestrategie (NAS; Kamerbrief 31 793, nr. 301) is een rijksbrede strategie, waarbij de betrokken ministeries (waaronder die van IenW en EZK/KGG) nauw hebben samengewerkt. Zo bevat de Ontwerp-NAS een aanpak voor een klimaatbestendige energieinfrastructuur. In het Programma Energiehoofdinfrastructuur wordt bekeken waar nieuwe energie-infrastructuur ruimtelijk geordend kan worden om zo te werken naar een klimaatneutraal energiesysteem in 2050. Klimaatadaptatie wordt hierbij integraal meegewogen. Het kabinet blijft verder gecommitteerd aan klimaatmitigatie en zet met volle kracht in op het halen van de klimaatdoelen.
Bent u bekend met de stelling van hydrometeoroloog Jan Verkade dat de enige échte, structurele oplossing voor de toenemende droogte- en waterproblematiek ligt in het drastisch verminderen van de CO₂-uitstoot? Deelt u deze visie en is het kabinet bereid om op basis hiervan extra (mitigerende) maatregelen te treffen om gegarandeerd aan de nationale en internationale klimaatafspraken te voldoen?
Ik deel de visie dat het verminderen van de CO2-uitstoot belangrijk is. Het kabinet werkt daarom aan het behalen van de klimaatdoelen en de implementatie en realisatie van maatregelen. Maar zelfs als we morgen alle klimaatdoelen halen, dan krijgt Nederland de komende jaren alsnog te maken met extremer weer. Bovendien heeft de mate waarin de rest van de wereld de klimaatdoelen behaalt, ook een groot effect op de klimaatverandering in Nederland.
Daarom zet ik tegelijk in op adaptatie, zoals het vergroten van de sponswerking van onze landschappen zodat we water beter kunnen vasthouden, en het flexibiliseren van het hoofdwatersysteem zodat we het schaarse water slimmer kunnen verdelen waar dit het meest nodig is.
Door klimaatverandering neemt het belang van sterke internationale samenwerking verder toe. Nederland is immers voor een groot deel afhankelijk van het rivierwater dat vanuit bovenstrooms gelegen landen ons land instroomt. Binnen de internationaal rivierencommissies zet Nederland zich daarom actief in voor afspraken over de rivierafvoer.
Bent u van mening dat Nederland genoeg doet om de effecten van klimaatverandering tegen te gaan via mitigatie en adaptatie? Zo nee, waar is extra inzet nodig en welke rol ziet u voor zichzelf daarin?
Uit de evaluatie van de NAS’16 (2022)14 blijkt dat zowel de Rijksoverheid als veel decentrale overheden en bedrijven al aan de slag zijn gegaan met klimaatrisico’s. Maar hieruit blijkt ook dat die inzet onvoldoende is gezien het huidige tempo van klimaatverandering. Met de (ontwerp)NAS’26 streeft het kabinet naar duidelijkheid over onze ambities en doelen en zetten we op de korte termijn stappen waarmee we ons voorbereiden op de benodigde veranderingen op de middellange termijn. Om de benodigde snelheid te behalen is het echter nodig om – in samenwerking met belanghebbenden – keuzes te maken waar welke maatregelen worden genomen. Dit vergt eveneens capaciteit en middelen bij alle betrokken partijen.
Het kabinet zet verder in op de implementatie en realisatie van de klimaatmitigatiemaatregelen die reeds zijn afgesproken, op langetermijnbeleid en een slimme Europese aanpak zodat we de klimaatdoelen voor 2040 en 2050 conform afspraak halen. Behalen van het klimaatdoel van 2030 blijft lastig, maar we houden de ambitie vast.
Kunt u per hoofdaanbeveling van het Planbureau voor de Leefomgeving (PBL)-rapport «Voorbij de risico's»5 op het waterdossier aangeven welke door u in de Ontwerp Nationale Klimaatadaptatiestrategie is overgenomen en welke niet en wat de reden is bij de aanbevelingen die u niet heeft overgenomen?
Het onderzoek van het PBL is meegenomen in de ontwerpNAS. Zo zijn de risicoanalyses in alle hoofdstukken mede gebaseerd op dit onderzoek en hanteren we in de adaptatiepadenkaarten een vergelijkbare indeling van intensiverende en transformerende maatregelen. Een intensiverende maatregel voor zoetwaterbeschikbaarheid is bijvoorbeeld het verder optimaliseren van de flexibiliteit van het hoofdwatersysteem. Daarbij kunnen we, afhankelijk van de specifieke droogteomstandigheden en aan de hand van de wettelijk vastgelegde verdringingsreeks, het water slim verdelen naar waar dat het meest nodig is. Een transformerende maatregel is bijvoorbeeld het beter vasthouden van grondwater. Hiervoor kan een functiewijziging nodig zijn. In de Ontwerp-NAS worden echter geen beleidskeuzes voor het waterdomein gemaakt. Dit gebeurt in het Nationaal Waterprogramma dat in 2027 ter inzage wordt gelegd, maar ook op regionaal niveau, onder andere ook aan de hand van de stapsgewijze aanpak van Deltaprogramma Ruimtelijke Adaptatie waarin gemeenten, waterschappen en provincies samenwerken.
Kunt u toelichten of het Deltaprogramma Zoetwater, de Nationale Klimaatadaptatiestrategie en het uitgangspunt «water en bodem sturend» in hun huidige vorm toereikend zijn voor zomers als deze, of dat u versnelling nodig acht en wat die versnelling dan concreet zou inhouden?
Het aanbod van zoetwater in de neemt in de zomerperiode af, terwijl de vraag toeneemt. Toekomstige waterschaarste, in zomers zoals deze met lage rivierafvoeren, kunnen niet volledig worden voorkomen. De genoemde programma’s helpen ons voor te bereiden op deze waterschaarste. We zien dat al uitgevoerde maatregelen de effecten van schaarste tot nu toe hebben weten te beperken.
De programma’s geven richting aan een bredere aanpak waarin de nadruk verschuift van het treffen van maatregelen in het watersysteem naar aanpassingen in het ruimtegebruik en de ruimtelijke inrichting. Belangrijk hiervoor is dat maatschappelijke partijen en gebruikers beter inzicht krijgen in de lokale veranderingen in waterbeschikbaarheid door klimaatverandering, en de inspanningen van overheden en waterbeheerders om dit gebiedsgericht te beperken, of niet, afhankelijk van hun doelen en strategie. Aanvullend op een goede samenwerking en voldoende capaciteit en financiering bij alle betrokkenen, is voorwaardelijk ook voldoende kennis, duidelijkheid en transparantie. Deze nieuwe aanpak wordt momenteel concreet uitgewerkt in het Nationaal Waterprogramma (NWP) welke in 2027 ter inzage wordt gelegd.
Kunt u een reflectie geven op het bericht dat Waterschappen pleiten voor Europese regels om te voorkomen dat Nederland niet alleen een «restje rivierwater» krijgen?6
Nederland is afhankelijk van het water uit de rivier dat vanuit bovenstrooms gelegen landen ons land instroomt. Deze afhankelijkheid geldt omgekeerd ook: bovenstroomse gebieden zijn afhankelijk van voldoende zoetwater in Nederland voor bijvoorbeeld scheepvaart en daarmee de bevoorrading van eigen industrie. Internationale samenwerking is daarom essentieel om de waterbeschikbaarheid te waarborgen. Het beeld dat Nederland alleen een «restje rivierwater» krijgt deel ik daarom niet.
Door klimaatverandering neemt de noodzaak van een sterke Europese samenwerking verder toe. Nederland is al lang actief om in Europees verband afspraken te maken en zet daarbij vooral in op afspraken binnen de riviercommissies. Onder meer binnen de Internationale Commissie ter bescherming van de Rijn (ICBR) en de Internationale Maascommissie (IMC). Deze Rijn- en Maascommissies gaan o.a. over waterkwaliteit en waterkwantiteit. De afspraken zijn vastgelegd in verdragen. Doel van de verdragen is het bereiken van een duurzaam en integraal waterbeheer van de internationale stroomgebieden.
Met de Europese Water Resilience Strategy zet de Europese Commissie samen met lidstaten in op een efficiënter gebruik van water en het verder versterken van de internationale samenwerking.
Bent u bekend met de berichtgeving dat de burgemeester van Valkenburg aan de Geul vijf jaar na de watersnood van 2021 spreekt van «een ramp na de ramp», omdat particulieren achterbleven met een restschuld van 15 tot 45 procent en hoe beoordeelt u die kwalificatie?7
Ja, ik ben bekend met de berichtgeving.
Gedupeerden hebben schadevergoedingen verkregen vanuit de afgesloten verzekeringen. Voor schade die onverzekerbaar is hebben gedupeerden een tegemoetkoming ontvangen op basis van de Wet tegemoetkoming schade bij rampen (Wts). Deze wet geldt als vangnet en biedt de mogelijkheid aan de overheid om een tegemoetkoming aan gedupeerden te verstrekken. Het gaat dus niet om een schadevergoeding en is niet kostendekkend. Dit is een belangrijk onderscheid.
De Wts is ruimhartiger toegepast dan louter juridisch voorgeschreven, Zo zijn voertuigen die schade hebben ondervonden door de wateroverlast in principe verzekerbaar door een all-risk verzekering en vallen daarmee buiten de werking van de Wts. Toch heeft het kabinet besloten bij hoge uitzondering en eenmalig de voertuigen die slechts WA-verzekerd waren toch onder de werking van de regeling van de Wts voor het hoogwater Limburg 2021 te brengen.
Naast deze ruimhartige toepassing van de Wts heeft het kabinet bovendien coulancehalve aanvullend de beleidsregel financiële nood in het leven geroepen. Door toepassing van de Wts en deze beleidsregel is absoluut ruimhartig opgetreden.
Met de term «ruimhartig» is overigens nooit bedoeld dat gedupeerden volledig schadeloos worden gesteld en dat is, zoals hierboven uiteengezet, ook niet het doel van de Wts. Het uitgangspunt blijft dat burgers en bedrijven voor verzekerbare schade zijn aangewezen op particuliere verzekeringen; de Wts is uitsluitend bedoeld als vangnet voor onverzekerbare schade.
Kunt u toelichten hoe het kan dat van de door Deltares becijferde schade van circa 433 miljoen euro ten minste vijftien miljoen euro die voor gedupeerden bestemd was hen nooit heeft bereikt en bent u bereid te bezien of die middelen alsnog ten goede kunnen komen aan de resterende schade in het gebied?8
Deltares heeft in hun rapport Een watersysteemanalyse – wat leren we van het hoogwater van juli 2021? een totaaloverzicht opgenomen van tegemoetkomingen en uitgekeerde schade per eind 2022. Dit betrof € 433 miljoen. Onderdeel van dit totaaloverzicht is onder andere de omzetdervingsregeling. Het Rijk heeft in 2023 een voorshot van € 24 miljoen verleend aan de provincie Limburg voor een eenmalige tegemoetkoming in omzetderving bij mkb'ers. Dit bedrag omvatte zowel de tegemoetkomingen als de uitvoeringskosten en de afhandeling van bezwaar- en beroepsprocedures, maar was verder beperkt onderbouwd omdat er destijds nog geen beeld was van de daadwerkelijk in-aanmerking-komende schade.
Het voorschot is verstrekt in de vorm van een specifieke uitkering (SPUK) met daar bijkomende voorwaarden. Zo moest, bijvoorbeeld, uitkering ervan in overeenstemming zijn met de Europese mededingingsregels, met name de staatssteunregels, en een eventuele onderuitputting moest terugkomen bij het rijk.
De provincie Limburg voerde de regeling in twee tranches uit, maar uiteindelijk raakte lang niet alle middelen bestemd. Conform de voorwaarden van de SPUK wordt het resterende bedrag daarom terugbetaald aan het Rijk. Dit is deels nog lopend vanwege een laatste beroeps- en bezwarenprocedure. Het kabinet is verder niet van plan de resterende middelen opnieuw als schadetegemoetkoming beschikbaar te stellen aan de provincie.
Wat zegt het volgens u over de uitvoerbaarheid van de regelingen dat gemeenten als Gulpen-Wittem en Meerssen speciale medewerkers moesten aanstellen om inwoners door het «woud aan regels» te loodsen9 en welke opvolging geeft u aan de conclusie van het Wetenschappelijk Onderzoek- en Datacentrum (WODC) dat de Wet tegemoetkoming schade bij rampen niet toekomstbestendig is?10
Communicatie over de regelingen zijn ruim opgezet en breed uitgedragen in samenwerkingen tussen het Ministerie van Justitie en Veiligheid, de Rijksdienst voor Ondernemend Nederland, gemeenten en lokale hulpverlenende partijen. Het staat gemeenten uiteraard vrij om additioneel verdere ondersteuning in te schakelen waar zij dat nodig achten.
Ten aanzien van de conclusie van het WODC dat de Wts in de huidige vorm niet toekomstbestendig is, is bij Kamerbrief van 7 november 2025 de Kamer geïnformeerd dat binnen het Ministerie van Justitie en Veiligheid wordt bezien hoe opvolging gegeven kan worden aan de gedane suggesties om deze wet wél toekomstbestendig te maken.
Kunt u aangeven hoe hoog de verzekeringsgraad tegen overstromings- en wateroverlastschade nu is onder huishoudens en onder mkb'ers, welk streefcijfer u hanteert en met welke instrumenten u die graad wilt verhogen?
Het kabinet heeft geen generieke streefcijfers voor verzekerbaarheid. Uiteraard is het wel wenselijk dat de verzekerbaarheid wordt bevorderd. Hierop is in de voornoemde brief van 7 november 2025 reeds ingegaan, kortheidshalve verwijs ik u daarom naar deze brief.
Kunt u toelichten of het beperken van de langdurige nasleep van een watercrisis, dus herstel, schadeafhandeling en verzekerbaarheid, expliciet onderdeel is van de derde laag van de meerlaagsveiligheid en van het Hoogwaterbeschermingsprogramma (HWBP)? Zo niet, kunt u toezeggen dit onderdeel te laten zijn van de Nationale Klimaatadaptatiestrategie?
«Meerlaagsveiligheid» is de basis van het beleid voor waterveiligheid en wateroverlast. Naar aanleiding van de wateroverlast en hoogwater in Limburg is meerlaagsveiligheid uitgebreid met twee lagen, laag 0: waterbewust handelen en laag 4 waterrobuust herstel. De eerste laag is preventie: het voorkómen van een overstroming of van wateroverlast. Dit is de belangrijkste pijler van het waterveiligheidsbeleid. Het Hoogwaterbeschermingsprogramma (HWBP) is een alliantie van alle 21 waterschappen en het Rijk. Via dit programma worden de primaire waterkeringen versterkt, zodat ze voor 1 januari 2050 voldoen aan de wettelijke gestelde omgevingswaarden (norm). Het gaat hier om preventie en is dus geen directe maatregel voor herstel na een crisis. Waterrobuust herstel is opgenomen in de Ontwerp Nationale Klimaatadaptatiestrategie (NAS) onder opgave 4.2 Veerkracht en weerbaarheid bij wateroverlast door extreme regen. Verdere uitwerking van het herstel na wateroverlast situaties zal plaatsvinden in de Nationale Aanpak Wateroverlast die eind 2026 gepubliceerd zal worden.
In de Nationale Klimaatadaptatiestrategie kondigt u een klimaatadaptatieladder en een herziene klimaatschadeschatter aan, maar kunt u aangeven wanneer die ladder er ligt, of daarin ook wordt vastgelegd welk deel van de restschade bij inwoners en ondernemers mag blijven liggen en hoe deze ladder zich verhoudt tot de Wet tegemoetkoming schade bij rampen, waarvan het WODC concludeerde dat die niet toekomstbestendig is?
De klimaatadaptatieladder wordt volgens de Ontwerp-NAS’26 uiterlijk 2029 opgeleverd. De ladder gaat over de keten van investeren, schade en herstel, en gaat over alle klimaatrisico's. Doel is om duidelijk te maken (voor verschillende doelgroepen) wie welke risico's en kosten draagt, inclusief schade die niet of moeilijk te verzekeren is. De eventuele herziening van de Wts heeft een eigen beloop maar de uiteindelijke uitkomst ervan zal worden meegenomen in de klimaatadaptatieladder. Een antwoord op de vraag over de restschade die bij inwoners en ondernemers komt te liggen is daarom op dit moment niet te geven.
Kunt u deze vragen binnen de gebruikelijke termijn van drie weken beantwoorden, in plaats van verlenging tot zes weken, gezien de urgentie van het onderwerp?
Ja.
De veiligheidssituatie in Ter Apel |
|
Lidewij de Vos (FVD) |
|
David van Weel (VVD), Bart van den Brink (CDA) |
|
|
|
|
Heeft u kennisgenomen van het bericht dat het Rode Kruis en Vluchtelingenwerk de veiligheidssituatie op het voorterrein van het asielzoekerscentrum in Ter Apel zo ernstig inschatten dat zij hun medewerkers hebben teruggetrokken?1
Ja.
Heeft u kennisgenomen van het feit dat dit gebeurde nadat vorige week onder andere (minimaal) twee steekpartijen plaatsvonden in het asielzoekerscentrum?
Ja.
Heeft u kennisgenomen van het feit dat op de eerste avond dat medewerkers van het Rode Kruis en Vluchtelingenwerk afwezig waren opnieuw meerdere vechtpartijen plaatsvonden bij het asielzoekerscentrum?2 3
Ja.
Klopt het dat ook buiten de hekken van het asielzoekerscentrum incidenten hebben plaatsgevonden, zoals het Rode Kruis heeft aangegeven?4 Kunt u uw antwoord toelichten?
Ja, zie in dit verband ook mijn nadere toelichting bij brief aan uw Kamer van 13 juli jl.5
Zijn naar aanleiding van de steek- en vechtpartijen in en rondom het asielzoekerscentrum gedurende de afgelopen twee weken aanhoudingen verricht en zo ja, hoeveel? Zo nee, hoe beoordeelt u dit?
In de eerste twee weken van juli zijn elf aanhoudingen verricht. Een deel van de verdachten waren eerder bekend bij de politie.
Wat betekent het voor de veiligheid van omwonenden dat in zo’n korte tijd zoveel geweldsdelicten plaatsvinden? Kunt u uw antwoord toelichten?
De overlastproblematiek en incidenten op het voorterrein zetten de veiligheid van medebewoners, medewerkers en vrijwilligers en dorpsbewoners nog verder onder druk. Dat vind ik onacceptabel. Daarom heb ik bij brief aan uw Kamer van 13 juli jl. extra maatregelen aangekondigd.6
Erkent u dat asielzoekers nog altijd vrij Ter Apel in kunnen en de veiligheid van omwonenden dus op geen enkele wijze kan worden gegarandeerd? Kunt u uw antwoord toelichten?
Overlast en crimineel gedrag wordt niet getolereerd. Uitgangspunt is dat bij strafbare feiten normerend wordt opgetreden. Dat vereist nauwe samenwerking tussen de strafrechtketen, vreemdelingenketen en lokale driehoek. Voor verdachten moet duidelijk zijn dat het plegen van een misdrijf direct gevolgen heeft in de vorm van lik-op-stuk. De inzet van de vreemdelingenketen is erop gericht om overlastgevers te sanctioneren. Dat betekent dat bij overlastgevend gedrag met zware impact, waar mogelijk aanvullend op strafrechtelijke maatregelen, ook vanuit de vreemdelingenketen een vrijheidsbeperkende maatregel kan worden opgelegd.
Hoe beoordeelt u het feit dat er volgens inwoners van het asielzoekerscentrum «elke dag wordt gevochten»?5
Overlast, intimidatie, bedreiging en criminaliteit door wie dan ook is onacceptabel, bij COA en in de openbare ruimte. Om die reden zijn aanvullende maatregelen genomen. Om te komen tot een structurele oplossing zijn verschillende maatregelen essentieel. Naast de reeds ingezette maatregelen om meer grip op migratie te krijgen door verlaging van de instroom en versnelde en effectieve terugkeer met bijzondere aandacht voor overlastgevende en criminele vreemdelingen, blijf ik me inzetten voor fatsoenlijke opvang en de uitvoering van de Spreidingswet om de druk op de opvang te verkleinen. Ook is snelle doorstroming van statushouders naar gemeentelijke huisvesting van belang. Het is hierbij cruciaal dat eenieder in veiligheid het werk uit kan voeren.
Wat vindt u ervan dat inwoners van Ter Apel nachtelijke onrust en een gevoel van onveiligheid ervaren?6
Zie antwoord vraag 8.
Welke veiligheidsmaatregelen – denk aan het vastzetten van overlastgevers, preventief fouilleren, invoering van een avondklok voor asielzoekers, enzovoort – bent u bereid te nemen teneinde de veiligheid van omwonenden per direct te verbeteren? Kunt u uw antwoord toelichten?
Het is onaanvaardbaar dat inwoners van Ter Apel, maar ook medebewonershulpverleners en medewerkers op het azc, zich onveilig voelen door incidenten. Daarom heb ik zoals toegelicht bij brief van 13 juli jl.9 extra maatregelen genomen om de veiligheidssituatie in Ter Apel te versterken.
Bent u tijdens uw afgelopen bezoek aan Ter Apel ook daadwerkelijk in het asielzoekerscentrum geweest?7 Zo ja, wat was uw indruk van de situatie? Zo nee, waarom niet?
Nee, ik heb een bezoek gebracht aan de boa’s van de flexpool boa, waarmee ik naar het centrum van Ter Apel en het voorterrein bij het AZC ben geweest. Verder ben ik in gesprek gegaan met de burgemeesters van Westerwolde en Emmen. Ook heb ik besprekingen gevoerd met de verschillende ondernemers in het centrum van Ter Apel en Nieuw- Weerdinge en heb ik gesproken met inwoners.
Klopt het dat u tijdens uw afgelopen bezoek aan Ter Apel hebt gesproken met ondernemers? Zo ja, wat zeiden zij tegen u?
Ik heb tijdens mijn werkbezoek een wandeling gemaakt door het centrum van Ter Apel en een bezoek gebracht aan de ondernemers. Zij gaven mij inzage in de overlast die zij ervaren door een relatief kleine groep overlastgevers van het azc.
Heeft u ook gesproken met omwonenden van het asielzoekerscentrum? Zo ja, wat gaven zij aan? Zo nee, waarom bent u niet met hen in gesprek geweest?
Ik heb gesproken met een aantal ondernemers, maar ook inwoners tijdens mijn wandeling met de boa’s van de flexpool boa’s in het centrum van Ter Apel. De inwoners hebben hun zorgen geuit en ook met hen heb ik gesproken over extra maatregelen om de veiligheidssituatie in Ter Apel te verbeteren.
Erkent u dat de belangen van asielzoekers ten koste gaan van de belangen van (de veiligheid van) Nederlanders (en vice versa)? Kunt u uw antwoord toelichten?
Mensen die in Nederland asiel aanvragen hebben recht op opvang. Daarnaast is het bieden van bescherming aan vreemdelingen op de vlucht voor oorlog en geweld een wettelijke en humanitaire verplichting. Dit mag niet ten koste gaan van de leefbaarheid en veiligheid.
Welke belangen hebben voor u prioriteit: de belangen van asielzoekers of de belangen van (de veiligheid van) Nederlanders? Kunt u uw antwoord toelichten?
Zie antwoord vraag 14.
Bent u het eens met de stelling dat geweldplegers in en rondom het asielzoekerscentrum in Ter Apel geen plek verdienen in Nederland en (na eventuele berechting) zo snel mogelijk moeten worden teruggestuurd naar hun landen van herkomst? Zo ja, hoe gaat u dat regelen? Zo nee, waarom niet?
Uitgangspunt is dat bij strafbare feiten normerend wordt opgetreden. Dat vereist nauwe samenwerking tussen de strafrechtketen, vreemdelingenketen en lokale driehoek. Voor verdachten moet duidelijk zijn dat het plegen van een misdrijf direct gevolgen heeft in de vorm van lik-op-stuk. De inzet van de vreemdelingenketen is erop gericht om de asielprocedures van overlastgevers snel- en slagvaardig af te doen, waarbij de IND na een onherroepelijke veroordeling altijd beziet of intrekking of weigering van een asielvergunning mogelijk is, en de DTenV direct na afwijzing voortvarend inzet op terugkeer naar land van herkomst of overdracht naar de verantwoordelijke lidstaat.
Lijkt het u verstandig om asielzoekers, onder wie zich ernstige bedreigingen voor de openbare orde en veiligheid bevinden, te verspreiden over Nederland? Zo ja, waarom wel? Zo nee, bent u dan bereid om de Spreidingswet in te trekken?
Wanneer vreemdelingen strafbare feiten plegen, is het van belang dat de straf- en
vreemdelingrechtelijke consequenties hiervan worden bezien. Het uitgangspunt van het openbare-ordebeleid is dat vreemdelingen die (ernstige) misdrijven plegen niet in aanmerking komen voor verblijf in Nederland. Na een afwijzend besluit of een intrekking van de IND start de DTenV het terugkeerproces. Dit kan, afhankelijk van de situatie, vanuit strafdetentie of (aansluitend in) vreemdelingenbewaring plaatsvinden. Om te komen tot een structurele oplossing zijn verschillende maatregelen essentieel. Naast de reeds ingezette maatregelen om meer grip op migratie te krijgen door verlaging van de instroom en versnelde en effectieve terugkeer met bijzondere aandacht voor overlastgevende en criminele vreemdelingen, blijf ik me inzetten voor fatsoenlijke opvang en de uitvoering van de Spreidingswet. Ook is snelle doorstroming van statushouders naar gemeentelijke huisvesting van belang.
Hoe beoordeelt u het feit dat de asielinstroom in de week van 29 juni tot en met 5 juli 890 personen bedroeg en dit aantal weinig tot niet afwijkt van de wekelijkse asielinstroom in de afgelopen maanden?
Het aantal van 890 personen asielinstroom is in lijn met de actuele prognoses binnen de Migratieketen. Deze aantallen omvatten naast nieuwe eerste asielaanvragen ook nareizigers en herhaalde aanvragen. De directe effecten van de inwerkingtreding van het Europees Asiel- en Migratiepact op de asielinstroom zijn nog niet in concrete cijfers uit te drukken omdat de wetgeving pas een maand geleden in werking is getreden.
Wat gaat u doen om de asielinstroom te beperken? Kunt u uw antwoord toelichten?
Het kabinet zet zich op verschillende manieren in om de instroom te beperken. Zo wordt uitvoering gegeven aan de Wet Tweestatusstelsel en wordt uitvoering gegeven aan het Europese Migratiepact dat op 12 juni jl. in werking is getreden. Hierin zijn verschillende instroombeperkende maatregelen opgenomen die de instroom van asielzoekers en nareizigers naar Nederland moet verminderen. Hierbij kan gedacht worden aan strengere controles aan de buitengrenzen en strengere eisen die gesteld worden aan de mogelijkheid om na te reizen. Binnen de EU wordt nareis tegengegaan door het Europees Asiel- en Migratiepact. Door intensievere samenwerking met derde landen worden asielprocedures sneller afgehandeld en het «veilig derde land»-concept verruimd, waardoor nareis vaker kan worden geweigerd of behandeld in landen buiten Europa.
Bent u bereid om per direct een asielstop in te voeren? Zo nee, waarom niet?
Zoals al vaker aangegeven bestaat er geen juridische ruimte voor een asielstop.
Dit kabinet kiest voor meer grip op migratie door de instroom te verlagen en vertrek van uitgeprocedeerde asielzoekers te verhogen.
Kunt u deze vragen zo spoedig mogelijk en afzonderlijk van elkaar beantwoorden?
Ja, ik heb het zo snel mogelijk beantwoord. Omwille van de leesbaarheid heb ik soms de beantwoording van vragen samengetrokken.
De economische activiteiten van Spar in Rusland |
|
Kati Piri (GroenLinks-PvdA) |
|
Berendsen |
|
|
|
|
Bent u bekend met het artikel «In Rusland opent de ene na de andere Spar zijn deuren: hoe kan dat?» in het Algemeen Dagblad d.d. 10 juli 2026?1
Ja.
Is het voor Nederlandse supermarkten juridisch toegestaan om in Rusland direct, dan wel via licenties economisch actief te zijn?
Het kabinet doet geen uitspraken over individuele gevallen. In zijn algemeenheid kan gesteld worden dat economische activiteiten van Nederlandse bedrijven in Rusland niet verboden zijn. Wel moeten zij volledig voldoen aan de geldende EU-sancties en andere toepasselijke wet- en regelgeving. Er gelden omvangrijke sancties tegen Rusland. Binnen de kaders van de sanctiemaatregelen is het ontplooien van economische activiteiten in Rusland juridisch toegestaan.
Vindt u het moreel laakbaar als Nederlandse supermarkten in Rusland actief zijn? Zo nee, waarom niet?
Naast de bestaande sanctiemaatregelen hanteert het kabinet een actief ontmoedigingsbeleid voor Nederlandse bedrijven die actief zijn op de Russische markt of dat overwegen, vanwege de voortdurende Russische agressieoorlog in Oekraïne. Het ontplooien van economische activiteiten kan de inkomsten van de Russische regering vergroten en die kunnen worden ingezet om de oorlog tegen Oekraïne te financieren. Daarnaast brengt zakendoen in Rusland aanzienlijke risico’s met zich mee, zoals het aanwenden van de onteigende activa van Europese bedrijven voor de oorlogsvoering en risico op sanctieovertreding. In het geval van onteigening kan de Nederlandse overheid niets voor de betrokken Nederlandse bedrijven doen.
Bent u bereid zich in te spannen voor een expliciet verbod voor Nederlandse supermarkten om in Rusland direct, dan wel via licenties economisch actief te zijn? Zo ja, welke stappen onderneemt u daartoe? Zo nee, waarom niet?
Het kabinet spant zich voortdurend in voor het verzwaren van de EU sancties op Rusland. Voor aanvullende sancties is altijd EU-unanimiteit noodzakelijk. Daarbij ligt de prioriteit van het kabinet bij maatregelen met een directe impact op het Russische militair-industrieel complex en het Russische verdienvermogen op mondiale grondstoffen- en energiemarkten. Tot op heden zijn minder sancties aangenomen die de Russische voedselsector raken, mede vanwege het belang dat een groot aantal lidstaten – waaronder Nederland – hecht aan het beperken van de impact van sancties op de mondiale voedselzekerheid. Tegelijkertijd liggen wat het kabinet betreft in principe alle opties op tafel.
Bent u het eens met sanctierechtadvocaat Yvo Amar, die stelt dat overeenkomsten altijd kunnen worden beëindigd, al kost het «soms alleen wel veel geld en moeite»? Bent u het eens met de observatie in het artikel dat «een vermoeden van mogelijke schending van de sancties tegen Rusland» al een legitieme onderbouwing kan zijn? Zo nee, waarom niet?
Van ondernemingen mag worden verwacht dat zij passende maatregelen treffen om naleving van de sanctieregelgeving te waarborgen en waar nodig risico's op overtredingen zorgvuldig te beoordelen. Of in een concreet geval een vermoeden van een mogelijke schending van sanctieregelgeving een toereikende grond vormt voor het beëindigen van de contractuele relatie is afhankelijk van diverse factoren: de feiten en omstandigheden van het geval, de toepasselijke contractuele afspraken en het geldende recht. Over contractuele afspraken tussen commerciële partijen kunnen door het kabinet geen uitspraken worden gedaan.
Bent u het eens met sanctierechtadvocaat Heleen over de Linden, die stelt dat Europese bedrijven tegenwoordig steeds beter beschermd zijn tegen claims uit Rusland, waardoor het «voor Russische bedrijven inmiddels «nagenoeg onmogelijk» is om succesvol juridisch verhaal te halen»? Zo nee, waarom niet? Bent u in dat geval bereid zich in te spannen voor nog betere bescherming van Europese bedrijven tegen schadeclaims naar aanleiding van contractbreuk wegens (vermoedens van) sanctieovertredingen?
De EU heeft de afgelopen jaren verschillende maatregelen genomen om Europese bedrijven meer rechtszekerheid te bieden bij de naleving van sancties. Zo bevat de EU-sanctieregelgeving onder meer bepalingen die beogen te voorkomen dat claims worden toegewezen voor schade die voortvloeit uit de naleving van EU-sancties. Tegelijkertijd geldt in algemene zin dat de juridische positie van ondernemingen afhankelijk is van de feiten en omstandigheden van het individuele geval, waaronder de inhoud van contracten, het toepasselijke recht en de relevante nationale en internationale regelgeving. Het is aan ondernemingen om, zo nodig met juridisch advies, hun eigen positie te beoordelen.
Het bericht ‘’Hulporganisaties stoppen met werkzaamheden bij Ter Apel: 'Kan niet langer veilig'’’ |
|
Diederik Boomsma (CDA), Simon Ceulemans (JA21) |
|
Bart van den Brink (CDA) |
|
|
|
|
Bent u bekend met het bericht «Hulporganisaties stoppen met werkzaamheden bij Ter Apel: «Kan niet langer veilig»»?1
Ja.
Kunt u een feitelijk overzicht geven van de (gewelds)incidenten die zich de afgelopen weken op en rond het voorterrein van het aanmeldcentrum in Ter Apel hebben voorgedaan, uitgesplitst naar aantal, aard en ernst? Wat is de stand van zaken rond aanhoudingen en verdere vervolgstappen?
In dat verband verwijs ik u naar de tertaalrapportages die door het college van B&W van de gemeente Westerwolde periodiek met de Raad wordt gedeeld2. Daarnaast publiceert de politie de politiecijfers proactief op de website: data.politie.nl. Op deze website worden driemaandelijks de maandcijfers van de politie gepubliceerd op gemeente/plaats-niveau.
Om hoeveel personen gaat het bij de door het Rode Kruis genoemde «kleine groep overlastgevers»? Is dit een vaste groep of een steeds wisselende groep qua samenstelling?
Voor zover nu bekend, werd de overlast veroorzaakt door een relatief kleine groep mensen, vaak met een kansarme asielaanvraag, die op de locatie Ter Apel verbleef of mensen van elders zonder een asielaanvraag.
Wat is bekend over hun nationaliteit, hun verblijfslocatie, hun verblijfsstatus en de fase van hun asielprocedure? Gaat het hierbij inderdaad weer om veiligelanders?
Zie antwoord vraag 3.
Hoeveel van deze personen waren al eerder in beeld wegens overlastgevend of crimineel gedrag? Hoe en met welke maatregelen is tegen hen opgetreden en met welk resultaat?
In de eerste twee weken van juli zijn elf aanhoudingen verricht. Een deel van de verdachten waren eerder bekend bij de politie. Alle elf zaken worden door het Interventieteam van de IND met voorrang behandeld ten behoeve van snelle en slagvaardige afdoening van asielprocedure. De strafrechtelijke afdoening dient eerst te zijn afgerond, voordat aansluitende vreemdelingenrechtelijke maatregelen kunnen worden getroffen.
Waarom kan deze groep al geruime tijd ernstige overlast en agressie op het voorterrein blijven veroorzaken? Welke juridische of praktische belemmeringen staan volgens u in de weg om hier daadkrachtig tegen op te treden?
Het COA heeft op 20 mei jl. het besluit moeten nemen om over te gaan tot gecontroleerde toegang voor de opvanglocatie in Ter Apel, vanwege de aanhoudende druk op deze locatie door het landelijke tekort aan opvangplekken. Hierdoor is het niet mogelijk om asielzoekers vanuit Ter Apel voldoende door te laten stromen naar locaties elders in Nederland. Door deze gecontroleerde toegang is de situatie ontstaan dat asielzoekers die niet in aanmerking komen voor opvang op grond van de kwetsbaarheidstoets tijdelijk op het voorterrein bij de opvanglocatie verblijven.
In de afgelopen zeven weken hebben verschillende incidenten plaatsgevonden op het voorterrein in Ter Apel. De overlast werd veroorzaakt door een relatief kleine groep mensen, vaak met een kansarme asielaanvraag, die op de locatie Ter Apel verbleef of mensen van elders zonder een asielaanvraag. Er zijn verschillende maatregelen genomen om de veiligheid van de hulpverleners, medewerkers en asielzoekers te kunnen borgen.Dit heeft er helaas niet voor gezorgd dat de situatie in Ter Apel structureel verbeterd is. Om die reden zijn aanvullende maatregelen genomen waar ik uw Kamer per brief3 op 13 juli jl. over geïnformeerd.
Deelt u de mening dat deze groep geen minuut langer iets op het voorterrein, in Ter Apel en in Nederland te zoeken heeft? Zo nee, waarom niet? Zo ja, deelt u de mening dat alle inzet erop gericht moet zijn deze groep per direct Nederland uit te krijgen?
Uitgangspunt is dat bij strafbare feiten normerend wordt opgetreden. Dat vereist nauwe samenwerking tussen de strafrechtketen, vreemdelingenketen en lokale driehoek. Voor verdachten moet duidelijk zijn dat het plegen van een misdrijf direct gevolgen heeft in de vorm van lik-op-stuk. De inzet van de vreemdelingenketen is erop gericht om de asielprocedures van overlastgevers snel- en slagvaardig af te doen, waarbij de IND na een onherroepelijke veroordeling altijd beziet of intrekking of weigering van een asielvergunning mogelijk is, en de DTenV direct na afwijzing voortvarend inzet op terugkeer naar land van herkomst of overdracht naar de verantwoordelijke lidstaat.
Bent u bereid deze personen aansluitend met voorrang in bewaring te stellen en zo snel mogelijk uit te zetten of over te dragen aan de verantwoordelijke lidstaat? Zo nee, waarom niet, en welke maatregel stelt u dan in de plaats daarvan voor?
Zie antwoord vraag 7.
Welke maatregelen zijn en worden getroffen om te voorkomen dat deze groep voor nog meer ellende en overlast in het dorp Ter Apel en omgeving gaat zorgen?
Bij brief van 13 juli jl. heb ik uw Kamer nader geïnformeerd over extra maatregelen4.
Kunt u deze vragen afzonderlijk en zo spoedig mogelijk beantwoorden?
Omwille van de leesbaarheid heb ik soms de beantwoording van vragen samengetrokken.
Het rapport van Amnesty International over etnische zuivering op de Westelijke Jordaanoever |
|
Kati Piri (GroenLinks-PvdA) |
|
Berendsen |
|
|
|
|
Erkent u dat Israël etnische zuivering, door u gedefinieerd als «het met geweld of dwang overbrengen of verwijderen van de burgerbevolking», pleegt op de Westelijke Jordaanoever? Zo nee, waarom niet?
Etnische zuivering als zodanig heeft geen eenduidige juridische definitie. Dit geldt wel voor de handelingen die onder deze omschrijving kunnen vallen, waaronder bijvoorbeeld gedwongen verplaatsing. Het Internationaal Gerechtshof (IGH) stelde reeds in zijn advies van 19 juli 2024 dat het beleid van Israël ten aanzien van de Palestijnse Gebieden, waaronder gedwongen uithuiszettingen, grootschalige sloop van huizen en beperkingen in bewegingsvrijheid, de lokale bevolking geen andere keus laat dan te vertrekken. Daarmee druist dat beleid in tegen het verbod op gedwongen verplaatsing zoals vastgelegd in het humanitair oorlogsrecht. Nederland respecteert deze conclusie van het IGH.
Erkent u dat het kolonistengeweld en het faciliteren daarvan onderdeel zijn van het Israëlische staatsbeleid? Zo nee, waarom niet?
Het kabinet beschikt niet over eigenstandige informatie die nodig zou zijn om met zekerheid vast te stellen dat het kolonistengeweld onderdeel is van het Israëlische staatsbeleid.
Erkent u dat Israël de oorlogsmisdaad van onwettige overbrenging begaat? Zo nee, waarom niet?
Naast de vaststelling genoemd in het antwoord op vraag 1 concludeert het IGH in zijn advies van 19 juli 2024 dat Israëlisch beleid en maatregelen indruisen tegen het verbod op gedwongen overbrenging van delen van de eigen burgerbevolking naar het bezette gebied zoals vastgelegd in het humanitair oorlogsrecht. Dit beleid omvat alle maatregelen die door Israël worden genomen om overbrenging van de delen van de eigen bevolking naar het bezette gebied te organiseren of aan te moedigen, waaronder het bieden van (economische) prikkels voor de vestiging van Israëlische personen en bedrijven op de Westelijke Jordaanoever.
Erkent u dat Israël de misdaad tegen de menselijkheid van gedwongen verplaatsing of deportatie begaat? Zo nee, waarom niet?
Zie het antwoord op vraag 1.
Bent u voorstander van het uitbreiden van persoonsgerichte sancties tegen Benjamin Netanyahu, Israel Katz en Orit Stock vanwege hun nauwe betrokkenheid bij de etnische zuivering van Palestijnen op de Westelijke Jordaanoever? Zo nee, waarom niet?
Het kabinet zet zich actief in voor aanvullende maatregelen tegen gewelddadige kolonisten en hun organisaties. Nederland is daarnaast voorstander van het Europees sanctioneren van Israëlische veiligheidsminister Ben-Gvir en Israëlische Minister van Defensie Smotrich. Vooralsnog is voor het sanctioneren van deze personen onvoldoende draagvlak binnen de EU, waarmee dat ook zal gelden voor aanvullende persoonsgerichte sancties tegen Israëlische bewindspersonen.
Bent u voorstander van een verbod op handel, diensten, investeringen en andere vormen van samenwerking die bijdragen aan de onrechtmatige bezetting, de apartheid en de etnische zuivering van Palestijnen? Zo nee, waarom niet?
Op 22 september 2026 worden de nationale maatregelen van kracht die ervoor zorgen dat goederen afkomstig uit de onrechtmatige nederzettingen in de door Israël bezette gebieden worden geweerd van de Nederlandse markt.1 Het kabinet verwacht uw Kamer op korte termijn te kunnen informeren over de verkenning ten aanzien van diensten en investeringen.
Bent u voorstander van een verbod op de export van militaire goederen naar Israël die gebruikt kunnen worden ten behoeve van de mensenrechtenschendingen? Zo ja, worden de goederen uitgevoerd onder vergunningen NL0074CDIU0192355 (Delen, gereedschappen en technologie voor F-16 gevechtsvliegtuigen), NL0074CDIU0193354 (Zichtsysteem voor een voertuig), NL0074CDIU0189830 (Delen en technologie voor onderzeeboten) en NL0074CDIU0193376 (Elektronica voor helmen voor gebruik in militaire vliegtuigen) niet gebruikt in de bezette gebieden? Zo nee, waarom niet?
Het kabinet toetst alle individuele vergunningaanvragen voor de uit- en doorvoer van militaire en dual-use goederen per geval zorgvuldig aan de relevante Europese exportcontrolekaders. Daar waar duidelijke risico’s bestaan dat militaire goederen of dual-use goederen kunnen worden gebruikt voor ernstige schendingen van mensenrechten of het humanitair oorlogsrecht wordt een vergunningaanvraag afgewezen.
In de praktijk betekent dit dat het kabinet alleen vergunningen toewijst voor de uitvoer van militaire goederen die enkel defensief kunnen worden ingezet, zoals onderdelen voor het Iron Dome-luchtafweersysteem, en voor uitvoer van goederen ten behoeve van productie of onderhoud waarbij het eindgebruik niet in Israël ligt. Dat geldt eveneens voor de genoemde vergunningen.
Bent u voorstander van het opschorten van visumvrij reizen voor kolonisten? Zo nee, waarom niet?
Israëliërs reizen visumvrij naar de EU, dat gaat op basis van nationaliteit.
Zijn Nederlandse diplomaten sinds uw aantreden op bezoek gegaan bij Palestijnse gemeenschappen die getroffen worden door kolonistengeweld en onwettige overbrenging en/of gedwongen verplaatsing of deportatie door de Israëlische autoriteiten? Zo nee, waarom niet? Bent u voornemens om hen daartoe te instrueren? Zo nee, waarom niet?
Ja, de Nederlandse vertegenwoordiging in Ramallah brengt geregeld bezoeken aan gemeenschappen op de Westelijke Jordaanoever die onder druk staan door nederzettinguitbreidingen en die geraakt worden door kolonistengeweld. Nederland steunt sinds 2023 het West Bank Protection Consortium, een samenwerkingsverband van maatschappelijke organisaties dat is opgericht om de gedwongen verplaatsing van Palestijnen op de Westelijke Jordaanoever te voorkomen. Het consortium biedt deze gemeenschappen materiële en juridische bijstand.
Meer aandacht in het onderwijs voor (het voorkomen van) geweld tegen vrouwen en meisjes |
|
Bente Becker (VVD) |
|
Letschert , Judith Tielen (VVD) |
|
|
|
|
Bent u bekend met de petitie «Van achter de voordeur naar het klaslokaal» van de Federatie Nabestaanden Geweldsslachtoffers, Valente en de Blijf Groep?
Wat vindt u van de oproep om aan gendergelijkwaardigheid, relationele veiligheid en geweldpreventie expliciet aandacht te besteden in de klas als onderdeel van het burgerschapsonderwijs en/of seksuele vorming en ziet u mogelijkheden om deze elementen expliciet op te nemen in de SLO-documenten of in de wijze waarop de Inspectie toeziet op de naleving ervan? Zo ja, op welke termijn? Zo nee, waarom niet?
Wat vindt u ervan dat professionals en organisaties in het veld belangrijke hiaten zien in de wijze waarop scholen binnen de kerndoelen en eindtermen aandacht besteden aan gendergerelateerd geweld en het voorkomen daarvan en bent u het met de indieners van de petitie eens dat dit nog onvoldoende gebeurt?
Heeft u cijfers van de mate waarin op scholen expliciet aandacht wordt besteed aan gendergelijkwaardigheid, relationele veiligheid en geweldpreventie? Zo nee, bent u bereid de Inspectie hiernaar te vragen?
Op welke manier is het herkennen van signalen en het veilig en zorgvuldig handelen wanneer een kind mogelijk met geweld (zelf of in het gezin) te maken heeft, op dit moment onderdeel van de opleidingen in het onderwijs en bent u bereid te werken aan een verbetering voor meer structurele aandacht hiervoor en zo ja, op welke wijze?
Op welke wijze is het lesgeven over gendergelijkwaardigheid, relationele veiligheid en geweldpreventie momenteel onderdeel van de opleidingen in het onderwijs en bent u bereid te werken aan een verbetering voor meer structurele aandacht hiervoor en zo ja, op welke wijze?
Zijn er op dit moment voldoende lesmethodes waar scholen gebruik van kunnen maken als zij aandacht willen besteden aan gendergelijkwaardigheid, relationele veiligheid en geweldpreventie en zo ja, waar kunnen scholen deze vinden? Zo nee, wat kunt u vanuit uw rol doen om meer laagdrempelige lesmethodes hiervoor beschikbaar te krijgen?
Bent u bereid het gesprek aan te gaan met de indieners van de petitie om gezamenlijk tot een aanpak te komen waarmee het onderwijs beter in staat wordt gesteld een rol te spelen in het voorkomen en het herkennen van gendergerelateerd geweld en relationele onveiligheid?
In hoeverre acht u, vanuit uw zicht op de praktijk van scholen, de huidige mogelijkheden voor het tijdig delen van informatie over signalen en meldingen over gendergerelateerd geweld tussen scholen, politie en Veilig Thuis voldoende en bent u bereid hier navraag over te doen bij scholen?
Bent u bereid in overleg te treden met de Minister van J&V en de Minister van VWS om het onderwijs op te nemen als één van de pijlers in het Actieplan Stop geweld tegen vrouwen?