| Ingediend | 24 februari 2026 |
|---|---|
| Beantwoord | 13 april 2026 (na 48 dagen) |
| Indiener | Songül Mutluer (PvdA) |
| Beantwoord door | David van Weel (VVD) |
| Onderwerpen | openbare orde en veiligheid organisatie en beleid |
| Bron vraag | https://zoek.officielebekendmakingen.nl/kv-tk-2026Z03649.html |
| Bron antwoord | https://zoek.officielebekendmakingen.nl/ah-tk-20252026-1601.html |
Ja, ik ben bekend met de berichtgeving. Dergelijke zaken onderschrijven het belang van het versterken van de aanpak tegen online seksueel geweld.
Ik vind het belangrijk dat de politie onderzoekt wat haar rol in deze zaak precies is geweest, of er gedaan is wat de slachtoffers van de politie hadden mogen verwachten en of de politie anders had moeten handelen.
Ik deel de opvatting dat het van groot belang is dat de politie verbindingen kan leggen tussen verschillende meldingen over (online) seksuele misdrijven die over een langere periode binnenkomen en wijzen naar eenzelfde persoon. De teams opsporing seksuele misdrijven (voorheen aangeduid als zedenteams) van de politie zijn belast met de opsporing van seksuele misdrijven, zowel in de offline wereld als online. Zij werken regio-overstijgend samen en hebben periodiek landelijk overleg met elkaar waardoor de lijnen tussen de teams uit de verschillende politie-eenheden kort zijn. Verder dienen alle meldingen van (online) seksuele misdrijven voor advies voorgelegd te worden aan de frontoffices van de teams seksuele misdrijven. De frontoffice beoordeelt de melding vervolgens, waarbij gekeken wordt naar spoedhandelingen, slachtofferbehoeften en passende interventies.
Om de mogelijkheid van eventuele seriematigheid bij een melding van een (online) seksueel misdrijf te onderzoeken, kan de politie op dit moment alleen handmatig in de politiesystemen zoeken naar bijvoorbeeld personen, telefoonnummers of IP-adressen. De politie zet daarom in op het vereenvoudigen van werkinstructies en het blijvend onder de aandacht brengen van de werkafspraken voor meldingen van (online) seksuele misdrijven zodat er beter geregistreerd en doorverwezen wordt naar voornoemde frontoffices. Bovendien wordt er gewerkt aan de inzet van nieuwe technologie bij de beoordeling van meldingen. Tegelijkertijd benadrukt de politie echter dat er meer nodig is om seksuele misdrijven, zeker als deze (deels) online plaatsvinden, effectief op te sporen en daders te pakken. De benodigde verbeteringen zien toe op meer dan een andere behandeling en analyse van meldingen.
De toename in meldingen van sextortion is zeer zorgelijk. Het onderstreept de urgentie om de aanpak van online seksueel geweld te versterken. Door de digitalisering van de samenleving hebben veiligheidsvraagstukken steeds vaker een hybride of volledig online karakter. Deze trend is ook zichtbaar ten aanzien van seksuele misdrijven. In de Wet seksuele misdrijven, die op 1 juli 2024 in werking is getreden, is het uitgangspunt verankerd dat online en offline seksueel misbruik even strafwaardig is.2 Ook zijn er meer vormen van seksueel grensoverschrijdend gedrag, ook online, strafbaar gesteld. De politie wijst erop dat online seksuele misdrijven een andere manier van opsporen vragen dan fysieke seksuele misdrijven, omdat de opsporing ervan per definitie regio-overstijgend is, er veelal geen verdachte bekend is en er vaak meerdere slachtoffers gemaakt worden. Omdat bewijsverzameling vaker plaatsvindt in de digitale context vraagt dit bovendien om andere specialisten, zoals digitaal specialisten, tactisch rechercheurs en analisten. Daarnaast kan, zoals hierboven vermeld, de inzet van nieuwe technologische middelen helpen bij het in kaart brengen van eventuele seriematigheid in de meldingen.
De opsporing van online seksuele misdrijven heeft de volle aandacht van de politie. Zo is er recent een verkenning uitgevoerd naar wat er nodig is om de opsporing op dit punt te versterken. De politie ziet kansen in het meer multidisciplinair gaan werken, dat wil zeggen meer datagedreven en intel-gestuurd en met behulp van analysetools. Tegelijkertijd blijft de professionele beoordeling van meldingen van seksuele misdrijven door gespecialiseerde politiemedewerkers van groot belang, bijvoorbeeld bij het signaleren van «rode vlaggen» en de opvang en verwijzing van slachtoffers naar hulpverlening. Deze inzichten zullen worden betrokken bij de gesprekken die ik met de politie voer over de uitwerking van de ambitie uit het coalitieakkoord om meer zedenrechercheurs op te leiden.
Zie antwoord vraag 2.
Seksuele afdreiging (sextortion) is geen aparte strafbaarstelling in het Wetboek van Strafrecht. Het is een vorm van misbruik van seksueel beeldmateriaal waarbij vaak sprake is van diverse strafbare feiten, waaronder verkrachting, aanranding en kinderpornografie, maar ook commune delicten zoals afpersing, afdreiging, bedreiging etc.
In haar interne werkinstructie gebiedsgebonden politie bij seksuele delicten besteedt de politie onder andere aandacht aan de bejegening van minderjarige slachtoffers bij meldingen van misbruik van seksueel beeldmateriaal.3 In het algemeen geldt voor meldingen van misbruik van seksueel beeldmateriaal dat in bepaalde situaties de inzet van een gespecialiseerde zedenrechercheur noodzakelijk of wenselijk kan zijn, terwijl in andere situaties een wijkagent bijvoorbeeld sneller en effectiever kan handelen. Daar waar het een minderjarig slachtoffer betreft en er bijvoorbeeld sprake is van dwang of een meer dan gering leeftijdsverschil tussen dader en slachtoffer, ligt de opsporing altijd bij de teams opsporing seksuele misdrijven.
Met betrekking tot het aspect van het herkennen van eventuele seriematigheid ten aanzien van meldingen van misbruik van seksueel beeldmateriaal verwijs ik naar het antwoord op vragen 2 en 3.
Bij (online) seksuele misdrijven bestaat de mogelijkheid van een mededelingsgesprek, waarbij de politie de beschuldigde mededeelt dat er melding over hem/haar is gedaan. Hiertoe wordt alleen overgegaan indien een slachtoffer de politie expliciet verzoekt om de pleger te informeren en dit gebeurt alleen na overleg met de hulpofficier van justitie. De politie heeft de effectiviteit van het mededelingsgesprek recent intern laten onderzoeken. Uitkomst daarvan was dat het merendeel van de slachtoffers die kiezen voor een mededelingsgesprek hier tevreden over zijn.
Verder beoordeelt de politie of ambtshalve opsporen een optie is bij elke melding die na triage door de frontoffice van een team opsporing seksuele misdrijven in behandeling is genomen en niet leidt tot een aangifte. Het in beeld krijgen van eventuele seriematigheid is hierbij een van de redenen om (ambtshalve) juist wel opsporing in te stellen. Gezien het voorgaande zie ik geen aanleiding om nader onderzoek te doen naar de effectiviteit van het mededelingsgesprek.
Volledigheidshalve merk ik nog op dat de politie de behoeften van een slachtoffer in kaart brengt, ook wanneer er geen aangifte wordt gedaan en er ambtshalve geen onderzoek volgt. Zodoende kunnen slachtoffers toch geholpen worden met een alternatief gericht op hulp, veiligheid en herstel.
Zie antwoord vraag 5.
Het kan voorkomen dat slachtoffers van (online) seksuele misdrijven zelf (onder dwang) ook strafbare feiten plegen. Dit betreft complexe situaties waarin slachtofferschap en daderschap door elkaar lopen. Het vraagt enerzijds om een trauma-sensitieve bejegening van de betrokkene (die zowel slachtoffer als verdachte is) en anderzijds om de nodige zorgvuldigheid met het oog op het recht van de verdachte op een eerlijk proces. Voor deze afweging bestaat geen blauwdruk. De politie bepaalt per geval hoe zij omgaat met de situatie en doet dit altijd in nauw overleg met en onder het gezag van de betrokken officier van justitie. Dit past bij de professionele ruimte van de politie om operationele afwegingen te maken en het is aan de politie en het Openbaar Ministerie om, indien nodig, nadere afspraken te maken.
De politie heeft de afgelopen jaren gewerkt aan het verbeteren van de wijze waarop zedenrechercheurs, en andere agenten die betrokken zijn bij een melding, slachtoffers van een seksueel misdrijf bejegenen. Doel van de verbeteringen is het meer aansluiten bij de (informatie)behoefte van de individuele melder en het voorkomen dat slachtoffers zich door de politie gestuurd voelen om geen aangifte te doen.
Een belangrijke ontwikkeling betreft de komst van de frontoffices van de teams opsporing seksuele misdrijven. Zoals vermeld in het antwoord op vragen 2 en 3 dienen alle meldingen van seksuele misdrijven voor advies te worden voorgelegd aan deze frontoffices. De politiemedewerkers die binnen de frontoffices werken, zijn opgeleid om in gesprek te gaan met slachtoffers van seksueel misbruik en op een sensitieve manier in kaart te brengen wat hen is overkomen. Ze vormen een beeld van de strafbaarheid van de feiten en van de verwachtingen, vragen en behoeften van het slachtoffer. Bij behoefte kunnen zij het slachtoffer verwijzen naar bijvoorbeeld herstelvoorzieningen, Veilig Thuis, Slachtofferhulp Nederland, Centrum Seksueel Geweld en Offlimits. Een andere verbetering betreft het niet meer standaard aanbieden van het informatieve gesprek en de bedenktijd bij het doen van aangifte. In plaats daarvan wordt informatie aangeboden op een manier die past bij de behoeften van het slachtoffer, bijvoorbeeld telefonisch tijdens het eerste contact met de politie, door melders te wijzen op de vindplaats van informatie (website, brochure, videoanimatie) of in een persoonlijk informatief gesprek met een zedenrechercheur. Bovendien is de bedenktijd bij het doen van aangifte een recht van het slachtoffer en geen plicht. Er kan direct aangifte gedaan worden als een slachtoffer dat wil. Door de informatie op maat aan te bieden, wordt voorkomen dat een slachtoffer meer belast wordt dan nodig en/of zich ontmoedigd voelt om aangifte te doen.
Hoewel het in de praktijk nog niet in alle gevallen lukt om voldoende rekening te houden met de wensen en behoeften van slachtoffers, concludeerde de Inspectie van Justitie en Veiligheid in 2024 dat de politie haar werkwijze aantoonbaar heeft verbeterd en meer oog heeft voor het slachtofferbelang.
De bejegening van slachtoffers van (online) seksuele misdrijven heeft verder een duidelijke plek gekregen binnen de vakontwikkeling. Zo is naar aanleiding van een onderzoek van de Inspectie van Justitie en Veiligheid uit 20204 de vakspecialistische opleiding Handelen in Zedenzaken aangepast. Ook is er in het kader van de implementatie van de Wet seksuele misdrijven nadrukkelijk aandacht geweest voor de bejegening van slachtoffers doordat er aan ruim 25.000 medewerkers (zowel bij de zedenteams als onder andere aan de medewerkers in de basisteams, regionale service centra, meldkamers en opsporingsdiensten) een specifieke leermodule Bejegening beschikbaar is gesteld. Daarnaast is de werkinstructie gebiedsgebonden politie aangepast met het oog op de bejegening van slachtoffers van een seksueel misdrijf en het voorkomen van victim blaming en secundaire victimisatie, aangezien het vaak agenten in de basisteams zijn die als eerste in aanraking komen met een melding.
Ten slotte wijs ik naast voornoemde ontwikkelingen binnen de politieorganisatie nog op de ontwikkeling van een gezamenlijke aanpak van multidisciplinaire triage en regie. De politie heeft samen met het Centrum Seksueel Geweld, Veilig Thuis, Slachtofferhulp Nederland, Perspectief Herstelbemiddeling en het Openbaar Ministerie het initiatief genomen om ondersteuning aan slachtoffers van seksueel geweld te verbeteren. Het doel van deze gezamenlijke aanpak is om ervoor te zorgen dat alle slachtoffers van seksueel geweld en mensen uit hun (in)directe omgeving weten waar zij terecht kunnen en zo min mogelijk belast worden met het (onnodig) opnieuw doen van hun verhaal, hetzelfde aanbod krijgen, goed worden doorverwezen en dus op de juiste plek terecht komen, een vast aanspreekpunt hebben en de informatie en best passende inzet ontvangen op het gebied van veiligheid, (straf)recht, (medische) hulp en herstel, ongeacht de plek waar zij het eerste contact hebben. Om dit te bewerkstelligen bestaat de gezamenlijke aanpak uit een nieuwe werkwijze met drie kernelementen: een goed afgestemd en georganiseerd eerste contact, een dagelijks multidisciplinair triage-overleg en een passende vorm van regie voor elke casus door de inzet van een regiehouder. De samenwerking is in de afgelopen maanden in de praktijk getest in de regio’s Den Haag en Oost-Brabant. Medio 2026 zullen de resultaten van de resultaat- en effectmeting evenals de uitvoeringstoets bekend worden.
Zoals vermeld in het antwoord op vraag 4, is seksuele afdreiging (sextortion) geen aparte strafbaarstelling in het Wetboek van Strafrecht. Het is een vorm van misbruik van seksueel beeldmateriaal waarbij vaak sprake is van diverse strafbare feiten. Hierdoor wordt seksuele afdreiging (sextortion) als zodanig niet door de politie geregistreerd. Meer in het algemeen kan worden opgemerkt dat het aantal geregistreerde online seksuele misdrijven door de politie in 2025 met 46% steeg (ten opzichte van 2024) naar bijna 3.100 registraties5, waarvan in 1383 gevallen aangifte werd gedaan. Ter vergelijking; in 2023 werden er 1747 incidenten geregistreerd, waarvan in 722 gevallen aangifte werd gedaan. Bij ongeveer de helft van de registraties gaat het om een minderjarig slachtoffer. De politie kan, zoals toegelicht in het antwoord op vragen 2 en 3, op basis van de geregistreerde meldingen niet aangeven in hoeveel gevallen er sprake is van meerdere meldingen die wijzen naar eenzelfde persoon (seriematigheid).
Ook Offlimits ziet het aantal hulpvragen over online seksueel grensoverschrijdend gedrag en misbruik de laatste jaren stijgen (van 5.543 in 2023 naar 9.281 in 2025). Een groot deel daarvan gaat over seksuele afdreiging (sextortion) (2.723 in 2025), waarbij ongeveer een derde van de hulpvragen afkomstig is van een minderjarige. Wel neemt het aandeel hulpvragen over seksuele afdreiging (sextortion) op het totaal af (van 43% in 2023 naar 29% in 2025). Een mogelijke verklaring hiervoor is een verschuiving in de manier waarop seksuele afdreiging vorm krijgt. Offlimits ziet steeds vaker gevallen waarbij het misbruik van seksueel beeldmateriaal niet draait om geld of het verkrijgen van extra seksueel beeldmateriaal, maar om het afdwingen of behouden van contact. Seksuele afdreiging (sextortion) wordt dan ingezet als middel om macht en controle uit te oefenen, waarbij de vormen en motieven steeds diverser worden. Hierbij kan gedacht worden aan afdreiging met ander materiaal, zoals pestvideo’s en vernedergroepen, maar ook de dynamieken uit de COM-groepen.
De opsporing en vervolging van online seksuele misdrijven is onderdeel van een bredere aanpak, waarbij ingezet wordt op preventie, slachtofferondersteuning en informatievoorziening, en een bestuursrechtelijke en strafrechtelijke aanpak. Dit kabinet blijft, samen met maatschappelijke partners en bedrijven, inzetten op een integrale aanpak waarin aandacht is voor zowel een online veilige wereld als het bijstaan van slachtoffers.
Met betrekking tot de politie is de formatie van de teams opsporing seksuele misdrijven de afgelopen jaren flink uitgebreid om de werkvoorraden terug te dringen en de verwachte stijging van het aantal meldingen en aangiften als gevolg van de invoering van de Wet seksuele misdrijven op 1 juli 2024 te kunnen opvangen.6 Ook dit kabinet zet in op het opleiden van meer zedenrechercheurs. Tegelijkertijd zien we dat door de pensioenuitstroom (relatief veel ervaren politiemedewerkers stromen uit) en de krappe arbeidsmarkt, het een uitdaging blijft om de bezetting van de teams opsporing seksuele misdrijven op peil te houden. De politie werkt voortdurend aan de werving en selectie van zedenrechercheurs en zoekt hierbij ook naar alternatieve mogelijkheden, zoals de instroom van specialistische zij-instromers met kennis van (online) seksuele misdrijven. Het is echter onvermijdelijk dat er gezien de druk op de teams opsporing seksuele misdrijven keuzes gemaakt moeten worden ten aanzien van de inzet van de beschikbare opsporingscapaciteit.
Met betrekking tot de digitale expertise van de zedenrecherche verwijs ik naar het antwoord op vragen 2 en 3.
Een goede, efficiënte en effectieve aanpak van (online) seksuele misdrijven is van groot belang omdat elk slachtoffer van seksueel geweld alle bescherming, begeleiding en ondersteuning verdient die hij of zij nodig heeft. Zoals toegelicht in het antwoord op vragen 2 en 3 deel ik de opvatting dat het van groot belang is dat de politie verbindingen kan leggen tussen verschillende meldingen over (online) seksuele misdrijven die over een langere periode binnenkomen en wijzen naar eenzelfde persoon. De benodigde verbeteringen binnen de politieorganisatie zien daarbij toe op meer dan een andere behandeling en analyse van meldingen, zeker daar waar het gaat om seksuele misdrijven die (deels) online plaatsvinden. Online seksuele misdrijven vragen een andere manier van opsporen van de politie dan fysieke seksuele misdrijven. De inzichten hieromtrent zullen worden betrokken bij de gesprekken die ik met de politie voer over de uitwerking van de ambitie uit het coalitieakkoord om meer zedenrechercheurs op te leiden.
Zie antwoord vraag 11.
Hierbij deel ik u mede dat de schriftelijke vragen van het lid Mutluer (GroenLinks-PvdA), van uw Kamer aan de Minister van Justitie en Veiligheid over structureel falen bij de behandeling van meldingen van sextortion en zedenzaken (ingezonden 24 februari 2026) niet binnen de gebruikelijke termijn kunnen worden beantwoord, aangezien nog niet alle benodigde informatie is ontvangen. Ik streef ernaar de vragen zo spoedig mogelijk te beantwoorden.