Het bericht dat slechts 6 op de 10 Nederlanders weten wat de termen ‘budget’, ‘inflatie’ en ‘rente’ betekenen |
|
Joost Sneller (D66) |
|
Wopke Hoekstra (minister financiën) (CDA) |
|
|
|
|
Bent u bekend met het «European Payment Report 2019»1 en het bericht «Vier op de tien Nederlanders hebben te weinig financiële basiskennis»?2
Ja, daar ben ik mee bekend. Ik benadruk daarbij wel dat het niet alleen gaat om financiële kennis, maar juist ook om vaardigheden en gedrag. Weten is nog geen doen.
Deelt u de mening in het report dat de verbetering van financiële geletterdheid («financial literacy») van cruciaal belang is om consumenten te helpen de financiële complexiteit en daarmee samenhangende stress waarmee zij zich geconfronteerd voelen, te beheersen? Zo nee, waarom niet?
Ja, die mening deel ik. Daarom ben ik er voorstander van dat in het onderwijs voldoende aandacht is voor goed omgaan met geld. Het is daarom goed dat in de voorstellen voor de actualisatie van het onderwijscurriculum ook ruimte is gemaakt voor het bevorderen van financiële vaardigheden van kinderen en jongeren. De kabinetsreactie op de voorstellen is deze maand aan de Kamer verzonden door de Minister voor Basis- en Voortgezet Onderwijs; hierover wordt in het nieuwe jaar het gesprek gevoerd.3
Hiernaast dient de Week van het geld als aanjager om het gehele jaar door regelmatig aandacht te besteden aan leren omgaan met geld. Ik geef zelf ook iedere maand een gastles, om die continuïteit te stimuleren.
Verstandige financiële keuzes leren maken draagt bij aan economische zelfstandigheid als volwassene. Ook juich ik het toe dat volwassenen zich blijven verdiepen in geldzaken, bijvoorbeeld door gebruik te maken van informatie van het Nibud en Wijzer in geldzaken.
Hoe beoordeelt u de 11e plaats (van de 24) op de score financiële geletterdheid? Bent u tevreden met deze plaats? Zo ja, waarom?
Ik ben niet tevreden, maar ook niet zo verrast door de uitkomsten van het «European consumer payment report» van Intrum. Uit eerdere internationale onderzoeken (zoals OESO-rapporten uit 2017) bleek dit al. Bijvoorbeeld het OESO-PISA rapport4 uit 2017: daaruit bleek dat 19% van de Nederlandse vijftienjarigen te weinig vaardigheden had om alledaagse financiële beslissingen te nemen, en 18% net voldoende (samen 37%). Dit benadrukt het belang van financiële geletterdheid in het onderwijscurriculum en het stimuleren van financiële vaardigheden buiten schooltijd, zoals thuis en op het werk.
Hoe beoordeelt u het feit dat gemiddeld 69 procent van de Europeanen vindt dat zij of hij een adequate (47 procent) ofwel excellente (22 procent) financiële opleiding heeft gehad en derhalve geëquipeerd zou zijn om dagelijkse financiële beslissingen te nemen? Hoe ziet u dit gegeven het feit dat 37 procent niet in staat was om financiële basistermen (zijnde budget, credit score, jaarlijks kostenpercentage, variabele rente en inflatie) te koppelen aan de correcte definities?
Ook uit eerdere onderzoeken blijkt dat er een verschil is tussen de financiële vaardigheden die mensen denken te hebben, en de kennis die in een test wordt gemeten.
In 2017 verscheen bijvoorbeeld een OESO-rapport over financiële geletterdheid van volwassenen, waaruit bleek dat in veel landen (waaronder Nederland) mensen hun financiële kennis overschatten. Mogelijk zijn de gestelde vragen (over rente, inflatie, kredietscore etc.) niet voor iedereen van dagelijks belang, en hebben mensen een ander beeld bij wat je hoort te weten/kunnen als het gaat om geldzaken.
Ook in het Nibud rapport «Financiële problemen» dat eind 2018 verscheen5, bleek dat mensen zichzelf soms overschatten of hun financiële problemen onderschatten.
Hoe kijkt u aan tegen het feit dat 38 procent van de Nederlanders van mening is dat zij of hij een excellente financiële opleiding heeft gehad terwijl 40 procent van de Nederlanders niet in staat is om financiële basistermen (zijnde budget, credit score, jaarlijks kostenpercentage, variabele rente en inflatie) te koppelen aan de correcte definities? Ziet u dit als een risico? Zo nee, waarom niet?
Het versterken van financiële vaardigheden is van groot belang. Het draagt bij aan weerbare huishoudens, maar staat niet op zichzelf. Naast mijn inspanning om financiële vaardigheden onderdeel te laten uitmaken van het onderwijscurriculum, zorg ik daarom ook voor consumentenbescherming op de financiële markten. Zo is bij complexe financiële producten (zoals hypotheken, arbeidsongeschiktheidsverzekeringen), wanneer deze worden afgesloten zonder voorafgaand advies door een gediplomeerd adviseur, een kennis- en ervaringstoets ingevoerd. Bij het afsluiten van hypothecaire- of consumentenkredieten worden consumenten beschermd doordat er, in samenwerking met Nibud, leennormen zijn vastgesteld. Via het Actieplan Consumentenkeuzes wil ik stimuleren dat partijen in de financiële markten hun keuzeomgevingen en dienstverlening zo inrichten dat ze consumenten helpen bij financieel gezond gedrag (zie vraag 10 en verder).
Wie is, volgens u, verantwoordelijk voor de financiële opleiding van mensen?
Naar mijn mening is dit een gezamenlijke verantwoordelijkheid. Ik denk dat het goed is als mensen via meerdere routes hun financiële vaardigheden kunnen vergroten, zowel in hun jeugd als later. Dat blijkt ook uit het onderzoek van Intrum: daar worden diverse voorlichtingsbronnen genoemd zoals ouders/familie/ vrienden, scholen, internet, media, banken en financieel adviseurs.
Ouders spelen een belangrijke rol bij kennis, vaardigheden en het geven van goede voorbeelden. Dat blijkt ook uit het Nibud onderzoek «geldzaken in de praktijk» van april 2019. Mensen die het goede voorbeeld meekregen, omdat hun ouders goed met geld konden omgaan en dit aan hun kinderen leerden, vertonen verantwoord aankoopgedrag. Het helpt dus als kinderen van hun ouders leren om geen impulsaankopen te doen, om eerst te kijken of ze voldoende geld hebben voordat ze iets kopen, en om prijzen te vergelijken. Niet alle ouders zijn echter financieel onderlegd.
Onderwijs over geldzaken is belangrijk om kinderen ook op financieel gebied gelijke kansen te geven, ongeacht hun achtergrond. Het Nibud heeft leerdoelen opgesteld, die aangeven wat kinderen en jongeren bij verschillende leeftijden zouden moeten kennen en kunnen als het gaat om geldzaken. De leerdoelen sluiten aan bij de competenties voor omgaan met geld voor volwassenen, en bij het raamwerk dat de OECD heeft opgesteld om de kennis en vaardigheden te meten op het gebied van financiële geletterdheid binnen het PISA programma (Programme for International Student Assessment).
De Nibud-leerdoelen en -competenties zijn als volgt in te zetten:
Een deel van de Nederlanders is niet of nauwelijks «financieel redzaam», bijvoorbeeld door laaggeletterdheid of andere omstandigheden. Daarom is het belangrijk dat mensen weten wie hen kan helpen als ze het zelf niet kunnen. Hiervoor wordt samengewerkt met o.a. gemeenten, sociaal-maatschappelijke organisaties en landelijke schuldhulpinitiatieven.
Ook is het belangrijk dat mensen toegang hebben tot betrouwbare websites over geldzaken, zoals die van het Nibud en Wijzer in geldzaken. Daarnaast is goede informatie door financiële instellingen en adviseurs van belang, op het moment dat mensen financiële keuzes maken.
Verder kunnen werkgevers een rol spelen bij het financieel fit houden van werknemers, bijvoorbeeld door informatie te verstrekken over de pensioenregeling, attent te zijn op loonbeslagen en andere signalen van geldzorgen. Om werkgevers daarbij te ondersteunen is de website www.financieelfittewerknemers.nl gemaakt.
Kunt u aangeven in hoeverre u een verantwoordelijkheid voor zichzelf ziet, per genoemde bron van financiële opleiding van «European Payment Report 2019»3, om deze financiële opleiding te verbeteren? Zou u per bron kunnen aangeven welke stappen u op dit moment onderneemt om de financiële opleiding vanuit deze bron te verbeteren?
Elf jaar geleden is op initiatief van het Ministerie van Financiën het platform Wijzer in geldzaken opgericht, om de krachten te bundelen als het gaat om financiële vaardigheden. Het programmabureau is gevestigd in het Ministerie van Financiën. In de stuurgroep zitten het Nibud, de koepels van banken/ verzekeraars/pensioenfondsen en toezichthouders AFM en DNB. Bij de verschillende projecten (zoals de week van het geld, lesmaterialen, pensioenen, financieel fitte werknemers e.d.) wordt ook samengewerkt met andere organisaties. De komende jaren zal Wijzer in geldzaken zich daarbij meer gaan richten op financieel kwetsbare groepen, zoals laaggeletterden en het MBO.
Kijkend naar de «bronnen» die in het Intrum-rapport worden genoemd, worden al verschillende acties ondernomen waaraan steeds meer organisaties meedoen; zie ook het antwoord op vraag 6. In aanvulling daarop:
Ziet u, gezien de uitkomsten op de score financiële geletterdheid en de bronnen van financiële opleidingen, redenen om per bron de aanpak te intensiveren?
Er worden al veel acties ondernomen en steeds meer organisaties doen mee; zie het antwoord op vraag 7.
Gegeven de huidige financiële geletterdheid, welke gedragsinzichten uit de rapportage «Rijk aan gedragsinzichten: editie 2019» wilt u inzetten en versterken om mensen te helpen de financiële complexiteit te beheersen?4
Ook op website van Wijzer in geldzaken wordt gebruik gemaakt van gedragsinzichten. De website is opgebouwd rondom life events en bevat veel checklists en korte tools (bv. samenwoontool, ZZP-tool, pensioentool). Daarmee krijgen mensen snel inzicht in hun eigen situatie en ontvangen ze concrete tips voor actie. De gedragsinzichten zullen ook worden gebruikt om meer mensen te stimuleren om een buffer op te bouwen.
Tot slot wordt veel aandacht besteed aan het meten van de effectiviteit van de interventies. Uit onderzoeken8 blijken de volgende factoren essentieel bij het vergroten van financiële vaardigheden van kinderen en jongeren:
Ook wordt het materiaal van (partners van) Wijzer in geldzaken aan effectiviteitsmetingen onderworpen9. Daaruit blijkt dat financiële educatie inderdaad werkt als je je aan deze onderzoeksinzichten houdt.
Herinnert u zich uw Actieplan Consumentenkeuzes en begeleidende brief5 waarin u schrijft dat «de theoretische opvatting van een rationeel denkende en handelende mens, in veel situaties in de praktijk echter niet op gaat»? Kunt u aangeven in welke situatie de theoretische opvatting van een rationeel denkende en handelende mens wel op gaat?
Op mogelijk uitzonderlijke situaties na hebben mensen niet de tijd, motivatie en kennis om te komen tot optimaal afgewogen en geïnformeerde financiële beslissingen. Onderzoek leert dat mensen beperkt rationeel handelen.
Kunt u, het liefst per initiatief uit de brief6, aangeven welke (concrete) doelstellingen geformuleerd zijn?
De 11 initiatieven in het Actieplan zijn de verantwoordelijkheid van 22 partijen, uit de financiële sector, consumentenorganisaties en kennisinstituten, en zij hebben hiervoor concrete onderzoeksplannen uitgewerkt. Deze partijen doen meer dan de wetgeving van ze vraagt en zij zoeken net als ik naar vernieuwende manieren om de keuzeomgeving voor consumenten beter in te richten. Dit is dan ook de overkoepelende doelstelling. In de Kamerbrief is per initiatief benoemd welke consumentenkeuzes zij willen faciliteren. De initiatieven omvatten vaak experimenten en de uitkomsten daarvan zijn niet zeker. Door meer te testen, door kennisinstituten, consumentenorganisaties en financiële sector met elkaar te verbinden, en partijen uitkomsten met elkaar te laten delen wil ik verbetering en vernieuwing ten behoeve van consumenten versnellen. Bij positieve resultaten, waarbij onderzoek laat zien dat consumentenkeuzes daadwerkelijk worden gefaciliteerd, kan een partij deze kennis toepassen in product- en dienstenaanbod aan consumenten.
Een voorbeeld is het onderzoek van Vereniging Eigen Huis, Nibud en Universiteit van Leiden naar het activeren van klanten met aflossingsvrije hypotheken middels e-mail. Als de resultaten luiden dat bepaalde boodschappen aanslaan en consumenten helpen om aanpassingen door te laten voeren aan de aflossingsvrije hypotheek, dan kunnen zij dit toepassen in hun werkwijze. Ook kunnen andere banken of financieel adviseurs gebruik maken van deze inzichten.
Welke doelstellingen heeft u voor uzelf geformuleerd aangaande het Actieplan Consumentenkeuzes? Zijn deze doelstellingen SMART, ook wel specifiek, meetbaar, actiegericht, realistisch en tijdgebonden? Zo niet, bent u bereid deze doelstellingen alsnog dusdanig te formuleren?
Mijn doelstelling is om vernieuwing en verbetering in de financiële keuzeomgevingen van consumenten aan te jagen door toepassing van gedragsinzichten. Dit wil ik bereiken door kennisinstituten, consumentenorganisaties en financiële sector aan elkaar te verbinden. Zij werken onderzoeksplannen uit, starten samenwerkingen, en delen uitkomsten met elkaar. Als blijkt dat consumenten geholpen zijn door het initiatief, dan zullen initiatiefnemers dit aanbieden aan consumenten. Denk bijvoorbeeld aan de ontwikkeling van een applicatie waarmee spaargedrag wordt bevorderd.
De doelstelling om te verbinden en aan te jagen lijkt vooralsnog geslaagd en realistisch. Veel partijen zijn actief aan de slag gegaan. Cijfermatig is het beeld dat er 11 initiatieven starten of gestart zijn en dat 22 partijen aan de slag gaan. Daarnaast zijn er nadat ik de Kamerbrief heb verstuurd, veel nieuwe partijen die zich hebben aangemeld om mee te werken aan het Actieplan. Dit zijn bijvoorbeeld banken, fintechs en financieel adviseurs die consumenten beter willen bedienen, en daarnaast nieuwe kennisinstituten die recente gedragskennis willen delen en willen experimenteren. Elk kwartaal komen deze partijen bij elkaar. Zij pitchen dan nieuwe ideeën, werken samen onderzoekplannen uit, geven updates over de uitvoering van plannen en delen uitkomsten van onderzoek. Ten aanzien van het tijdpad geldt dat partijen die reeds deelnamen bij de aftrap een concreet onderzoeksplan moesten hebben en daar uiterlijk eerste kwartaal 2020 mee starten.
Klopt het dat de enige rol die u voor zichzelf ziet in het Actieplan Consumentenkeuzes is het «zoveel mogelijk faciliteren door partijen te verbinden waar en wanneer dat nuttig is, kennis te laten uitwisselen waar en wanneer dat zinvol is en er zorg voor dragen dat resultaten in het netwerk worden gedeeld, zodat er van elkaar kan worden geleerd»? Zo nee, wat gaat u concreet nog meer doen? Zo ja, denkt u dat deze aanpak afdoende is, gegeven het «European Payment Report 2019»?
Het Actieplan is onderdeel van een bredere aanpak; waarin ik ook inzet op wettelijke bescherming van consumenten waar misstanden zijn, aanjagen van betere keuzeomgevingen voor financieel gezond gedrag en op financiële educatie voor de basiskennis. Op dat laatste ben ik in de antwoorden hierboven ingegaan. Waar problemen zijn zal ik maatregelen treffen, denk bijvoorbeeld aan de flitskredieten waardoor kwetsbare consumenten in problemen raakten. Hiermee wil ik bijdragen aan de brede schuldenaanpak. Hierover heb ik u recent bij brief geïnformeerd.12 Ten slotte wordt gewerkt aan verbetering van het dienstverleningsdocument waarmee consumenten financiëledienstverleners met elkaar kunnen vergelijken.
Kunt u deze vragen apart beantwoorden voor het algemeen overleg Financiële markten van 15 januari 2020?
Ja.
De kranslegging op het oorlogskerkhof te Margaten |
|
Martijn van Helvert (CDA), Henk Krol (VVD) |
|
Ank Bijleveld (minister defensie) (CDA) |
|
|
|
|
Kent u het bericht van 1Limburg van 1 december jl., waarin wordt vermeld dat de kransen die op oorlogsgraven in Margaten worden gelegd, gemaakt van de balsemzilverspar uit Amerika, slechts 72 uur op de graven mogen liggen?1
Ja.
Klopt het dat de kransen van de balsemzilverspar een speciale betekenis hebben voor de herdenking van de gevallen soldaten?
Een kranslegging is over het algemeen een plechtige gebeurtenis en heeft daarmee een belangrijke symbolische betekenis voor nabestaanden maar is ook belangrijk voor de Nederlandse samenleving. De mooie traditie van de krans van balsemzilverspar kende ik persoonlijk niet maar wordt in Amerika wel al jaren toegepast omdat het voor nabestaanden belangrijk is.
Klopt het dat de kransen, die door families van soldaten in Amerika worden gemaakt en speciaal door Delta Cargo zijn overgevlogen, na 72 uur weggehaald moeten worden? Zo ja, klopt het dat dit te maken zou hebben met EU-importregels in verband met schadelijke organismen die mogelijk op het hout van de kransen zouden kunnen zitten? Zo nee, waarom moeten de kransen dan na 72 uur weggehaald worden?
Ja dit klopt. Bij de import van planten en plantaardig materiaal gelden Europese en nationale regels2. Deze regels dienen ter bescherming van onder andere landbouwgewassen, biodiversiteit en ecosystemen in de Europese Unie. Het importeren van levende plantdelen van balsemzilverspar is in beginsel verboden. Op de balsemzilverspar uit de Verenigde Staten kunnen verschillende soorten schadelijke organismen voorkomen (waaronder diverse rupsen/vlindersoorten en schimmels) die ernstige schade kunnen toebrengen aan Europese bomen uit de dennenfamilie en andere houtige planten. Eitjes van diverse insectensoorten kunnen achterblijven en later uitkomen hetgeen grote schade kan veroorzaken aan bossen in Nederland en de EU.
Bij inspecties van de kransen is een dode larve van een insect aangetroffen. Deze larve wordt nader onderzocht in een laboratorium om te bepalen welke soort het betreft. Voorzichtigheid is daarom gepast. Omdat de kransen niet binnen maar buiten worden geplaatst is het risico op verspreiding van schadelijke organismen groter. Het is dan ook niet zonder reden dat de organisatie die bij de import is betrokken in de aanvraag een periode van 72 uur heeft opgenomen. De periode is bewust kort gehouden om het risico op verspreiding te minimaliseren. Nederland heeft deze aanvraag bij uitzondering toegekend.
Klopt het dat bij de oorlogsgraven in Normandië (Frankrijk) deze kransen wel mogen blijven liggen, terwijl ze aldaar te maken hebben met dezelfde EU-importregels?
De vergunning die door de Franse autoriteiten bij uitzondering is verstrekt gaat er ook vanuit dat de kransen binnen drie dagen worden verwijderd en vernietigd. Dit is ook conform de aanvraag van de organisatie uit de Verenigde Staten.
Bent u het met de indieners eens dat deze periode wel heel kort is en geen eer doet aan de inzet van de gevallen soldaten die voor onze bevrijding hun leven gaven, en bij de nabestaanden tot onbegrip leidt?
Zoals hiervoor aangegeven is de periode mede vastgesteld op basis van de aanvraag door de organisatie uit de Verenigde Staten en passend gezien de fytosanitaire risico’s.
Begrijpt u dat het hier gaat om een traditie die in Amerika al jaren bestaat voor de daar aanwezige 2,2 miljoen oorlogsgraven, dat het de bedoeling was deze traditie in Nederland ook op te starten, en dat dit initiatief nu in de kiem wordt gesmoord?
Ik realiseer me dat een dergelijke traditie bijzonder is. De wetgeving met betrekking tot de bescherming van de plantgezondheid is er echter niet zonder reden. Per 14 december 2019 is het Europese fytosanitaire stelsel verder aangescherpt. Dit is nodig om de Europese landbouw en biodiversiteit te beschermen. Zoals hierboven gemeld, is de betreffende vergunning bij uitzondering toegekend en is er tijdens inspecties aanwezigheid van insecten vastgesteld. Bij een eventuele nieuwe aanvraag volgend jaar zal een nieuwe risico analyse moeten worden gemaakt. Het is dus niet zeker of een dergelijke ontheffing volgend jaar opnieuw kan worden verleend. De betreffende organisatie is daarom reeds geadviseerd gebruik te maken van plantmateriaal van Europese bodem.
Welke mogelijkheden ziet u om ervoor te zorgen dat in de toekomst de kransen tot 2 januari van het jaar daarop mogen blijven liggen, bijvoorbeeld door het maken van afspraken met de producent, de vervoerder, de importeur, de douane, de gemeente, hoveniers, enzovoort?
Gezien de strikte regelgeving en de risico’s dient Nederland behoedzaam om te gaan met het toepassen van uitzonderingen. Desgewenst ga ik graag in gesprek met de initiatiefnemers hoe we op alternatieve wijze aan de wensen rond Amerikaanse kransleggingstradities tegemoet kunnen komen.
Het artikel ‘GGZ Nederland vraagt NZa in te grijpen bij zorgverzekeraars’ |
|
Kelly Regterschot (VVD) |
|
Paul Blokhuis (staatssecretaris volksgezondheid, welzijn en sport) (CU) |
|
|
|
|
Heeft u kennisgenomen van het nieuwsartikel: «GGZ Nederland vraagt NZa in te grijpen bij zorgverzekeraars»?1
Ja.
Vindt u het terecht dat GGZ Nederland een handhavingsverzoek heeft ingediend bij de Nederlandse Zorgautoriteit (NZa) over de onderhandelingen van een aantal zorgverzekeraars betreffende de acute ggz in 2020 en kunt u uw standpunt toelichten?
Ik heb mij om een helder beeld van de feiten te krijgen gewend tot de NZa.
Van de NZa heb ik begrepen dat GGZ Nederland (GGZ NL) op 25 november 2019 een handhavingsverzoek heeft ingediend. Het is niet aan mij om over de juistheid van het indienen van handhavingsverzoeken uitspraken te doen.
Op grond van de Regeling transparantie zorginkoopproces Zorgverzekeringswet zijn zorgaanbieders en zorgverzekeraars in het kader van het inkoopproces gehouden voldoende beschikbaar te zijn voor vragen en opmerkingen van zorgaanbieders en om tijdig te reageren hierop. GGZ NL stelde zich op het standpunt dat voornoemde regeling was overtreden.
Naar aanleiding van dit verzoek heeft op 12 december 2019 tussen betrokken partijen, ZN en GGZ NL, een gesprek plaatsgevonden. Op 13 december 2019 heeft GGZ NL vervolgens het handhavingsverzoek ingetrokken. Na intrekking van het handhavingsverzoek is de behandeling van het verzoek door de NZa beëindigd. De NZa heeft daarmee geen besluit genomen op het handhavingsverzoek en geen standpunt ingenomen over in hoeverre zorgverzekeraars de regeling daadwerkelijk zouden hebben overtreden.
Ik begrijp dat er inmiddels voor alle 28 regio’s aanvragen ter vaststelling van het budget voor de acute ggz zijn ingediend. Daarmee kan de nieuwe bekostiging in de praktijk zijn beslag krijgen.
Bij het intrekken van het handhavingsverzoek hebben beide partijen geconstateerd dat het nodig is om het contracteerproces door een onafhankelijke derde te laten evalueren. Deze evaluatie zal in februari 2020 starten.
Klopt het dat tussen zorgverzekeraars en ggz-instellingen niet of nauwelijks onderhandeld is en wat is uw standpunt hierover? Bent u voornemens om partijen bij elkaar te brengen om de zorg voor patiënten weer centraal te stellen?
Zie antwoord vraag 2.
In hoeverre deelt u de mening dat geen enkele patiënt gebaat is bij het verschijnen van dit soort artikelen? Hoe kan in uw visie dit in de toekomst vermeden worden?
Zie antwoord vraag 2.
Bent u bekend met de bewering van GGZ Nederland dat er zes weken niets is gebeurd bij de zorgverzekeraars nadat op 1 oktober 2019 alle offertes waren ingediend? Zo ja, deelt u deze mening? Afhankelijk van uw mening hierover, wat vindt u hiervan en kunt u aangeven of dit leidt tot een risico bij de zorgplicht van de zorgverzekeraars?
Zie antwoord vraag 2.
Vindt u dat een zorgplafond een correct instrument is om de zorgkosten binnen de perken te houden en kunt u uw mening hierover toelichten?
Budgetplafonds zijn onderdeel van de reguliere wijze van contractering in de zorg. Ze laten de zorgplicht van verzekeraars onverlet.
Het bericht 'Turkse appartementen gebouwd met Nederlandse zorgmiljoenen: gemeente onderzoekt rol 47 Utrechters' |
|
Fleur Agema (PVV) |
|
Hugo de Jonge (viceminister-president , minister volksgezondheid, welzijn en sport) (CDA) |
|
|
|
|
Bent u bekend met het bericht «Turkse appartementen gebouwd met Nederlandse zorgmiljoenen: gemeente onderzoekt rol 47 Utrechters»?1
Ja.
Heeft u gezien dat de rechtbank het zeer aannemelijk noemt dat de frauderende broers hun bedrijf enkel en alleen hebben opgericht om te frauderen met zorggeld en dat zij zes jaar lang geen beroep meer mogen uitoefenen in de zorg? Worden deze broers geregistreerd in het Waarschuwingsregister Zorg en Welzijn? Zo nee, waarom niet?
Ja, dat heb ik gezien. Ik ben bezig met het voorbereiden van een wetsvoorstel, dat er voor zorgt dat zorgverzekeraars, zorgkantoren en gemeenten gegevens over fraudeurs in het Waarschuwingsregister Zorgfraude kunnen registreren.2 Het streven is dit wetsvoorstel eind tweede kwartaal 2020 aan de Tweede Kamer te verzenden. Voor registratie in het Waarschuwingsregister Zorgfraude moet er sprake zijn van de gerechtvaardigde overtuiging van fraude en aan de overige vereisten voldaan zijn die nog worden opgesteld in wet- en regelgeving en een protocol. Op grond van het thans in voorbereiding zijnde wetsvoorstel zouden de broers opgenomen worden in het Waarschuwingsregister Zorgfraude.
Het Waarschuwingsregister Zorg en Welzijn is een register dat momenteel wordt beheerd door koepelorganisatie RegioPlus, waarin aangesloten zorgaanbieders medewerkers kunnen registreren die grensoverschrijdend gedrag (diefstal, mishandeling, seksueel grensoverschrijdend gedrag) richting cliënten vertonen. Fraude is volgens het protocol van het Waarschuwingsregister Zorg en Welzijn geen grond voor registratie.
Hoe heeft het kunnen gebeuren dat mensen die helemaal geen zorg nodig hebben toch een persoonsgebonden budget (pgb) hebben ontvangen? Bent u van mening dat deze frauderende budgethouders het onterecht ontvangen zorggeld tot op de laatste cent moeten terugbetalen? Zo nee, waarom niet?
Geld voor de zorg moet naar de zorg. Dit betekent dat de frauderende budgethouders en zorgaanbieders het ten onrechte ontvangen zorggeld terug moeten betalen. De betrokken partijen (zie het antwoord op vraag 4 en 5) zijn daar ook mee bezig. Uit de vonnissen is niet af te leiden dat er geen PGB-zorg nodig was. Er is zorg verleend, zij het (veel) minder zorg dan was toegekend. De vraag hoe dit heeft kunnen gebeuren is niet meer te beantwoorden.
Wat gebeurt er met het appartementencomplex in Turkije?
De gemeente en het zorgkantoor zullen alles in het werk moeten stellen om de ten onrechte verstrekte middelen terug te vorderen. De gemeente Utrecht heeft een team van vier medewerkers samengesteld die zich hier mee bezig gaat houden. Andere afdelingen binnen de gemeente kunnen erbij worden betrokken als de situatie daarom vraagt. In eerste instantie gaat de gemeente op grond van het bestuursrecht de bedragen proberen terug te vorderen. Als betaling uitblijft, dan kan de gemeente met een dwangbevel tot terugvordering overgaan. Zilveren Kruis is aan het onderzoeken wat de meeste kans van slagen heeft. Het strafrechtelijk onderzoek van het Openbaar Ministerie naar tientallen cliënten of hun vertegenwoordigers loopt daarnaast nog steeds. Lopende het onderzoek kan het OM geen mededelingen doen over de middelen die het inzet jegens verdachten.
Hoe gaat u ervoor zorgen dat 6,5 miljoen euro aan zorggeld terugkomt?
Zie antwoord vraag 4.
Om fraude met persoonsgebonden budget tegen te gaan is het trekkingsrecht ingevoerd; heeft deze fraude onder dit trekkingsrecht plaatsgevonden?
De periode waarop de fraude betrekking heeft loopt van 2014 tot 2018. De fraude valt voor een deel onder de AWBZ-tijd en voor een deel onder het trekkingsrecht. Ik zal de Kamer informeren over de verdere uitkomsten van het onderzoek.
Bent u bereid de Kamer te informeren over de verdere uitkomsten van dit onderzoek? Zo nee, waarom niet?
De stand van zaken met betrekking tot transgenderzorg |
|
Nevin Özütok (GL), Corinne Ellemeet (GL) |
|
Bruno Bruins (minister volksgezondheid, welzijn en sport) (VVD) |
|
|
|
|
Deelt u de zorgen over de onverminderd lange wachttijden in de transgenderzorg en over het feit dat u, noch de kwartiermaker tot nu in staat bent om de problemen in de transgenderzorg op te lossen?1
Ik deel uw zorgen over het feit dat de wachttijden in de transgenderzorg nog steeds erg lang zijn. Ik had met u graag gezien dat de wachttijden nu al een stuk korter zouden zijn. Het terugdringen van de wachttijden is echter geen eenvoudige opgave. De wachttijden in de transgenderzorg hebben onder meer te maken met de beschikbare capaciteit in termen van (gespecialiseerd) personeel en faciliteiten, maar ook met de enorme stijging in de vraag naar transgenderzorg. Tussen december 2018 en juni 2019 (in 6 maanden tijd) is de vraag naar transgenderzorg met 10,1% toegenomen, en tussen juni 2019 en oktober 2019 (in 4 maanden tijd) zelfs met 11,7% (Kamerstuk 31 016, nr. 257). Er is niet één oplossing voor de verschillende (oorzaken van) wachttijden aan te geven. Er is ook niet één partij die hier alleen aan zet is. Uiteraard streef ik ernaar dat de wachttijden voor transgenderzorg in de toekomst binnen de Treeknormen komen te liggen. Wanneer dit het geval kan zijn, kan ik gelet op de complexiteit van de opgave echter niet aangeven.
Dat betekent echter niet, dat er niets gebeurt en dat wij niet in staat zijn om de wachttijden terug te dringen. In 2020 neemt de capaciteit van transgenderzorg wederom toe. De behandelcapaciteit (eerste intake) stijgt in 2020 bij vrijwel alle aanbieders en ook de capaciteit van de endocrinologische zorg zal in 2020 flink toenemen ten opzichte van de huidige capaciteit. Ook komen er in 2020 nieuwe aanbieders van transgenderzorg bij: het Radboudumc start naar verwachting begin 2020 met endocrinologische zorg voor jongeren en er komen enkele nieuwe aanbieders van chirurgische genderzorg bij. Maar ik ben het met de kwartiermaker eens dat er meer nodig is om snel voldoende verbetering van de wachttijden te zien. In dat kader doet de kwartiermaker in zijn brief verschillende aanbevelingen.
Ik heb er vertrouwen in dat het opvolgen van deze aanbevelingen zal bijdragen aan het verkorten van de wachttijden in de transgenderzorg. In mijn Kamerbrief (Kamerstuk 31 016, nr. 257) heb ik zorgverzekeraars, gemeenten, zorgaanbieders en belangenorganisaties opgeroepen om voortvarend aan de slag te gaan met de aanbevelingen van de kwartiermaker. Het commitment dat ik het afgelopen jaar bij de partijen in het veld heb gezien, geeft mij het vertrouwen dat iedereen bereid is om daarvoor zijn uiterste best te doen.
Maar daar laat ik het niet bij. Samen met Zorgverzekeraars Nederland heb ik de opdracht aan de kwartiermaker verlengd. Met het inzicht dat wordt geboden door de inzet en rapporten van de kwartiermaker kunnen wij met elkaar de aanpak nog meer aanscherpen en beter richten. De kwartiermaker zal binnenkort onder meer een advies uitbrengen over hoe de transgenderzorg zich op de (middel-)lange termijn moet ontwikkelen, en daarbij ook aandacht besteden aan de verwachte ontwikkeling van de vraag en capaciteit van het aanbod. Ook zal hij samen met zorgaanbieders en zorgverzekeraars werken aan het zichtbaar verlagen van de wachttijden en wachtlijsten, en de voortgang op dit punt blijven monitoren. In dat kader zal hij de zorgverzekeraars de komende tijd onder meer vragen om individueel te rapporteren hoe zij uitvoering geven aan de aanbevelingen van de kwartiermaker uit zijn laatste voortgangsbrief (Kamerstuk 31 016, nr. 257). In de voortgangsbrief van de kwartiermaker die voor de zomer zal volgen, zal hij over de resultaten hiervan rapporteren. Op verzoek van mijn collega, de Minister van VWS, zal de kwartiermaker tevens een aanjagende rol vervullen bij het verkorten van de wachttijden voor GGZ-zorg voor jonge transgenders, waarvoor de verantwoordelijkheid bij de gemeenten ligt. De NZa zal de inspanningen van de zorgverzekeraars met betrekking tot transgenderzorg de komende periode intensiever gaan monitoren om te kijken of zij daadwerkelijk voldoende inspanningen plegen om de wachttijden te verkorten.
Wanneer verwacht u dat de wachttijden wel binnen de Treeknormen liggen, aangezien u «geen garanties kan geven dat de wachttijden binnen afzienbare termijn binnen de Treeknormen liggen»?
Zie antwoord vraag 1.
Welk meetbaar doel voor het verkorten van wachttijden en indicatiestelling streeft u na? Wanneer wilt u dit bereikt hebben?
Zie antwoord vraag 1.
Hoe gaat gezorgd worden voor meer maatwerk in de transgenderzorg, een behoefte die blijkt uit het onderzoek van de kwartiermaker?
Een van de aanbevelingen van de kwartiermaker transgenderzorg is de behoefte aan meer maatwerk in het aanbod van zorg. Hierbij kan gedacht worden aan een korter psychologisch traject in het zorgproces. Maar het gaat ook om meer specifieke aandacht voor de behoeften van de groep non-binaire personen en om de behoefte aan nazorg. In het advies voor de langere termijn dat de kwartiermaker begin 2020 zal uitbrengen zal nader ingegaan worden op dit punt. TNN en Transvisie pleiten al geruime tijd voor decentralisering van de transgenderzorg en meer zeggenschap van de transgender persoon over de benodigde zorg. Uiteraard moeten bovenstaande ontwikkelingen passen in de zorgstandaarden, het medische beleid van de zorgaanbieders zelf alsmede wettelijke voorschriften (WGBO). De kwartiermaker zal zorgaanbieders in het voorjaarsoverleg vragen aan te geven hoe zij de zorg zo vormgeven dat de wens van meer maatwerk door hen wordt ingevuld.
Kunt u aangeven in hoeverre er wordt gekeken naar lessen uit het buitenland met betrekking tot transgenderzorg en hoe deze worden en/of zijn overgenomen?
Tijdens het seminar over de toekomst van de Transgenderzorg welke is gehouden op 27 november 2019 zijn ook voorbeelden van internationale ervaringen met betrekking tot transgenderzorg aan de orde geweest. Er is gesproken over het Callen-Lorde Community Health Center in New York (kliniek voor innovatieve transgenderzorg) en de ervaringen met transgenderzorg in IJsland. De lessen uit het buitenland geven input om na te denken over de transgenderzorg over een paar jaar. In het advies over de toekomst van de transgenderzorg dat de kwartiermaker begin 2020 zal uitbrengen, zullen ook lessen uit het buitenland worden meegenomen.
Hoe wordt precies opvolging gegeven aan de aanbevelingen van de kwartiermaker dat zorgverzekeraars en patiëntenorganisaties meer overzicht kunnen geven over de zorg die beschikbaar is en welke zorg vergoed wordt? Wie gaat zorgdragen dat dit ook echt gebeurt? Hoe zal dit gebeuren?
Transvisie biedt al sinds jaar en dag op haar website uitgebreide informatie over de vergoeding van behandelingen (https://www.transvisie.nl/transitie/algemeen/zorgverzekering/). Ook staat daar een overzicht van de bekende gespecialiseerde aanbieders van transgenderzorg (https://www.transvisie.nl/transitie/volwassenen/behandelaars/). Naast deze aanbieders zijn bij het Informatiepunt van Transvisie ook enkele kleinere aanbieders bekend, waar op maat naar verwezen wordt. Deze informatie wordt actueel gehouden op basis van signalen uit de community en contacten uit de belangenbehartiging.
In 2018 is het initiatief genomen om te komen tot een online sociale kaart waarmee zorgaanbieders, dienstaanbieders en contactgroepen gevonden kunnen worden. Het idee achter die sociale kaart is dat zorgaanbieders (of hun beroepsverenigingen) zelf deze informatie beheren, onder regie van Transvisie. In 2019 hebben enkele zorgaanbieders en beroepsverenigingen interesse getoond hieraan mee te werken. De financiering voor de eerste versie van die sociale kaart is rond en de implementatie staat gepland voor 2020. De financiële middelen hiervoor worden vanuit OC&W beschikbaar gesteld.
Ook voeren zorgverzekeraars en Transvisie regelmatig overleg over ervaren knelpunten in de vergoedingen van transgenderzorg. Het voornaamste knelpunt zit in vergoedingen voor behandelingen in het buitenland. Zorgverzekeraars hebben dit in voorkomende gevallen verduidelijkt en waar nodig zaken aangepast. Transvisie gebruikt deze informatie om hun achterban goed te kunnen informeren.
Verder zal de kwartiermaker zoals ik reeds heb aangegeven de zorgverzekeraars vragen individueel te rapporteren hoe zij uitvoering geven aan de aanbevelingen van de kwartiermaker uit de laatste voortgangsbrief van 26 november 2019 (Kamerstuk 31 016, nr. 257), inclusief de roep om betere informatievoorziening. In de voortgangsbrief van de kwartiermaker die voor de zomer zal volgen, zal hij over de resultaten hiervan rapporteren.
Wanneer komt er een nieuw behoefte- en ervaringenonderzoek zoals de kwartiermaker adviseert, specifieker dan «over een paar jaar»? Bent u bereid dit in 2020 of 2021 weer uit te voeren?
Transgenderzorg is relatief nieuwe zorg die sterk in ontwikkeling is.
Het Kennisinstituut Medisch Specialisten (KiMS) heeft eind november de «Kwaliteitsstandaard somatische transgenderzorg» gepubliceerd. Deze standaard beschrijft waaraan goede transgenderzorg moet voldoen. Spreiding van zorg, toename van ervaring bij een bredere groep zorgverleners of nieuw onderzoek kan leiden tot andere inzichten. Het is dan ook van belang dat deze standaard frequent op actualiteit beoordeeld wordt. Uitgangspunt is om 2 jaar na autorisatie van deze standaard een evaluatie uit te voeren in hoeverre de aanbevelingen uit de standaard daadwerkelijk in de praktijk worden toegepast/opgevolgd. Deze evaluatie vormt dan tegelijkertijd de start van het onderhoudsproces.
Ik denk dat het goed is wanneer de uitkomsten van het nieuwe patiëntenonderzoek kunnen worden meegenomen bij de evaluatie van de zorgstandaard. Daarom ben ik voornemens om in 2021 opdracht te geven voor een nieuw patiëntenonderzoek.
Waarom is er minder gebruik gemaakt van de Subsidieregeling borstvergroting voor transgenders, zoals in de Najaarsnota 2019 is vermeld? Ligt dit aan het lage aantal operaties? Blijft dit subsidiebudget beschikbaar voor mensen die in 2020 of later pas geholpen worden door de lange wachttijden?2
Zoals ik uw Kamer eerder heb gemeld kende het budgettaire beslag van de subsidieregeling onzekerheden, mede omdat niet bekend was hoeveel transgenders er precies zijn in Nederland, en hoeveel daarvan gebruik zouden maken van deze regeling (Kamerstuk 29 689, nr. 832). Op basis van een schatting van de jaarlijkse toename van het aantal transvrouwen in Nederland (geschat op zo’n 1000 transvrouwen) en de inschatting dat 70% van deze transvrouwen deze operatie ondergaat, is ingeschat dat het benodigde budgettair beslag 2,8 miljoen euro per jaar was. Omdat daarnaast werd verwacht dat er sprake zou zijn van een «inhaalslag» van transvrouwen die wachtten op de inwerkingtreding van de regeling, is het budgettair beslag voor 2019 en 2020 vastgesteld op 4,2 miljoen euro per jaar.
In de loop van 2019 is gebleken dat er minder subsidies zijn aangevraagd dan bij het opstellen van de regeling was ingeschat. Daarop is het budget dat in 2019 voor deze subsidieregeling beschikbaar is bij de 2e suppletoire begroting verlaagd naar 717.000 euro.
Naar aanleiding van uw vraag heb ik contact gehad met Transvisie. Transvisie gaf aan dat uit het recente patiëntenonderzoek (Kamerstuk 31 016, nr. 257) blijkt dat 32% van de transvrouwen die aan het onderzoek hebben meegewerkt een borstvergroting heeft ontvangen of nog wil. Zo’n 18% weet dit (nog) niet en ongeveer 50% heeft hier geen behoefte aan. Wat de subsidieregeling betreft gaf Transvisie aan dat deze regeling wellicht nog niet voldoende bekend is onder transvrouwen, en dat de organisatie via sociale media vaker de regeling onder de aandacht zal brengen. Ook gaf Transvisie aan dat de procedure van aanvragen mogelijk een reden kan zijn dat er minder gebruik gemaakt wordt van de subsidieregeling. Transvisie heeft reeds informatie op de website staan over het aanvragen van de subsidie (https://www.transvisie.nl/subsidieregeling-voor-borstvergroting-gepubliceerd-in-de-staatscourant-van-30-januari-2019/). In overleg met Transvisie zal ik de komende tijd bekijken of er aanleiding is om de informatie over de regeling op de websites van de rijksoverheid nader te verduidelijken.
Overigens is voor 2020 wederom 4,2 miljoen euro per jaar beschikbaar en voor volgende jaren tot einde looptijd subsidieregeling 2,8 miljoen per jaar.
Begrijpt u dat door uw taakopvatting over uw «activerende rol» waarbij u partijen blijft aansporen, het idee ontstaat dat u het oplossen van de wachtlijsten als een inspanningsverplichting ziet, en niet als een resultaatverplichting? Deelt u de mening dat de problemen onder uw verantwoordelijkheid opgelost moeten worden?
Ik verwijs hiervoor naar het antwoord op vragen 1,2 en 3.
Nederlandse miljardensubsidies voor Amerikaanse pelletfabrieken |
|
Alexander Kops (PVV) |
|
Eric Wiebes (minister economische zaken) (VVD) |
|
|
|
|
Bent u bekend met het bericht «Pelletfabrieken in North Carolina gesteund met Nederlandse miljarden»?1
Ja.
Hoe hebt u, met uw volle verstand, kunnen besluiten om met miljarden Nederlands belastinggeld pelletfabrieken in de Verenigde Staten te ondersteunen? Hoeveel geld is hier precies mee gemoeid?
Inzet van het kabinet is de meest kosteneffectieve technieken om de uitstoot van broeikasgassen te verminderen. Daartoe bestaat een regeling die de meest kosteneffectieve subsidieaanvragen honoreert: de SDE+. Gebruik van duurzame houtpellets voor elektriciteit- en warmteproductie is hiervan een uitkomst, naast andere kosteneffectieve technieken. Geïmporteerde houtpellets – die niet alleen uit de Verenigde Staten geïmporteerd worden – komen op dit moment in aanmerking voor maximaal 3,6 miljard euro subsidie.
Denkt u werkelijk dat het, zoals u het zelf noemt, «duurzaam» is om met behulp van Nederlands belastinggeld Amerikaanse bomen te kappen, te versnipperen, helemaal de oceaan over te vervoeren en vervolgens in Nederlandse biomassacentrales te verbranden? Bent u ertoe bereid hier direct mee te kappen?
Het kabinet is van mening dat duurzame biomassa noodzakelijk is in de energietransitie en de overgang naar een circulaire economie. Daarbij gelden strenge eisen voor wat duurzame biomassa is. Bij de bepaling van de duurzaamheid wordt ook rekening gehouden met de CO2-uitstoot die vrij mag komen bij het transport.
Deelt u de mening dat het pure misleiding is dat u door het verbranden van Amerikaans hout de CO2-uitstoot in Nederland omlaag probeert te krijgen, aangezien zoals u zelf hebt gezegd de uitstoot van biomassa niet meetelt voor de nationale emissies?
Nee, ik deel die mening niet. Op het moment dat wordt geborgd dat de gebruikte houtpellets duurzaam zijn, is de internationale afspraak redelijk dat de uitstoot meetelt waar het hout wordt gewonnen en niet bij de toepassing ervan.
Deelt u de mening dat de klimaatellende met de dag weerzinwekkender en geldverslindender wordt?
Nee, ik deel deze mening niet.
Bent u ertoe bereid onmiddellijk volledig te stoppen met biomassa en elke andere vorm van klimaatbeleid en hier geen cent meer aan uit te geven?
Nee, ik ben hier niet toe bereid.
Het bericht dat forensische zorginstellingen onvoldoende gefinancierd worden |
|
Michiel van Nispen (SP) |
|
Bruno Bruins (minister volksgezondheid, welzijn en sport) (VVD), Sander Dekker (minister zonder portefeuille justitie en veiligheid) (VVD) |
|
|
|
|
Heeft u kennisgenomen van het bericht dat drie tbs-klinieken naar de rechter zijn gestapt om hogere tarieven af te dwingen?1
Ja, ik heb kennis genomen van het bericht.
Waarom zijn volgens u de onderhandelingen over prijsafspraken mislukt met de drie tbs-klinieken?
De Dienst Justitiële Inrichtingen (DJI) koopt de forensische zorg in. DJI doet dat transparant en zorgvuldig. De algemene beginselen van het aanbestedingsrecht en behoorlijk bestuur zijn hierop van toepassing. Er moet daarbijsprake zijn van een gelijke behandeling. Dat betekent dat DJI gedurende de inkoopprocedure niet met individuele aanbieders in gesprek kan over de hoogte van tarieven. Er is dus geen sprake geweest van onderhandelingen over prijsafspraken. De tarieven die landelijk worden gehanteerd door DJI zijn gebaseerd op de maximale tarieven zoals vastgesteld door de Nederlandse Zorgautoriteit (Nza).
Erkent u dat de afgelopen jaren de financiering voor de forensische zorginstellingen niet evenredig is meegestegen met de kosten en dit ook het komende jaar weer het geval zal zijn? Zo nee, waarom niet?
De forensische zorg is van groot belang voor de veiligheid van onze maatschappij. Het is belangrijk dat dat voor een reëel tarief gebeurt, zodat de veiligheid van patiënten, behandelaars en samenleving gewaarborgd blijft. In Nederland worden de maximumtarieven in de zorg vastgesteld door een onafhankelijke marktmeester, de NZa. De NZa heeft de tarieven vastgesteld op basis van de uitkomsten van een groot opgezet kostenonderzoek in de ggz en forensische zorg. Hier is sinds het voorjaar van 2018 samen met de branche aan gewerkt. De NZa kijkt terug naar eerdere uitgaven, in dit geval uit 2017, om op basis daarvan (geïndexeerde) maximumtarieven voor de komende jaren vast te stellen.
Klopt het dat er wachtlijsten zijn bij de drie aangehaalde tbs-klinieken? Zo ja, hoe groot is het probleem en hoe reëel is de dreiging dat, wanneer er niet meer geld bijkomt voor de drie klinieken, er geen uitvoering gegeven kan worden aan verplichte tbs-behandelingen?
Het door drie aangehaalde zorgaanbieders aangespannen kort geding is gericht tegen de tarieven in de overige forensische zorg. Hieronder vallen niet de forensisch psychiatrische centra (FPC’s) waar patiënten met tbs-dwangverpleging worden geplaatst, maar wel de forensisch psychiatrische klinieken (FPK’s) waar, naast justitiabelen met andere strafrechtelijke titels, ook tbs-patiënten kunnen worden ondergebracht.
Er is inderdaad sprake van een toenemende vraag naar FPC-capaciteit voor tbs met dwangverpleging; momenteel zijn er ruim 50 wachtenden voor een plek in een FPC. Deze omstandigheid staat los van de huidige discussie over de tarieven, maar wordt veroorzaakt door een stijging van het aantal tbs-opleggingen door de rechter.
Dit betekent niet dat opgelegde tbs-maatregelen niet worden uitgevoerd. Zolang tot tbs met dwangverpleging veroordeelde personen moeten wachten op een plek in een kliniek, verblijven zij in een penitentiaire inrichting alvorens te worden overgeplaatst voor de start van de behandeling. Zij wachten de beschikbare plek dus niet in vrijheid af, ongeacht het aantal beschikbare capaciteit in de klinieken.
Klopt het dat het ministerie tarieven hanteert die onder de prijs liggen die de Nederlandse Zorgautoriteit (NZa) heeft vastgesteld? Zo ja, waarom hanteert het ministerie die lagere tarieven? Zo nee, kunt u dit nader onderbouwen?
De tarieven die DJI landelijk hanteert volgen voor het overgrote deel de maximumtarieven die de NZa heeft vastgesteld. Hiervoor heb ik extra geld vrijgemaakt. Hierop zijn drie uitzonderingen:
Voor ambulante forensische zorg en de verblijfszorg, bijvoorbeeld beschermd wonen, worden afslagen gehanteerd. Voor ambulante zorg is deze afslag ten opzichte van de voorgaande jaren overigens verlaagd van 6% naar 4,1%. Dat betekent dat DJI 4,1% minder dan het maximumtarief betaalt voor dit type zorg. Hierbij is wel geïndexeerd.
De tarieven voor de langdurige verblijfszorg maakten geen onderdeel uit van het uitgevoerde kostprijsonderzoek.2 Deze tarieven zijn alleen geïndexeerd. Op deze geïndexeerde tarieven worden dezelfde afslagen toegepast als in voorgaande jaren.
Voor de klinische zorg en behandeling wordt een zogenaamde geïntegreerde maximum dagprijs gehanteerd. Hier zijn verblijf, behandeling en dagbesteding in opgenomen. Deze drie onderdelen beïnvloeden elkaar namelijk tot op zekere hoogte. Als een zorgaanbieder bijvoorbeeld meer inzet op de dagactiviteiten, betekent dit dat zij minder sociotherapeuten op de groep nodig heeft. Met deze dagprijs heeft een meerderheid van de aanbieders de afgelopen jaren goede en veilige zorg kunnen bieden. Voor DJI is de geïntegreerde maximum dagprijs een manier om zorgvuldig met de beschikbare middelen om te gaan. De maximum dagprijs is tijdig aan aanbieders gecommuniceerd zodat zij hier, indien nodig, op kunnen anticiperen.
Deze afslagen zijn van belang voor het creëren van kostenbewustzijn bij zorgaanbieders.
Hoe verklaart u dat de NZa een verlaging heeft voorgesteld van de tarieven voor forensische zorg eerder dit jaar, terwijl het gehele forensische veld aan heeft gegeven dat de voorgestelde tarieven niet toereikend zijn om alle kosten te kunnen dekken?
De branches hebben een bezwaarprocedure bij de NZa gestart tegen de hoogte van de tarieven. Het is het niet aan mij om daarover te oordelen. Of de tarieven stijgen of dalen is per productgroep en verblijfsintensiteit verschillend. Sommige vallen hoger uit, andere lager.
Bent u bereid de verantwoordelijkheid te dragen voor de toenemende risico’s voor medewerkers en de gehele samenleving die voortvloeien uit de onderfinanciering van de forensische zorgsector?
Ik herken het beeld van onderfinanciering niet. In 2018 heb ik met de sector een meerjarenovereenkomst gesloten ten behoeve van de kwaliteit en veiligheid. De afgelopen jaren is het totale budget voor de forensische zorg gestegen van € 822 mln in 2018 tot naar verwachting € 864 mln in 2020. Daarnaast zijn de afslagen op klinische zorg inmiddels nagenoeg verdwenen en op ambulante behandeling aanzienlijk verlaagd. Daarbij is veiligheid niet alleen een kwestie van geld. In de meerjarenovereenkomst zijn er daarom ook afspraken gemaakt over het aantrekken van personeel, het terugdringen van administratieve lasten en het opleiden van forensisch personeel.
Bent u bereid de NZa-tarieven met 10% te verhogen en te stoppen met het gebruik van kortingen (afslagen) in de gehele forensische zorgsector? Zo nee, waarom niet?
Nee. De NZa maakt het mogelijk om in individuele gevallen bovenop het maximumtarief een hoger tarief tot maximaal 10% te bieden. Dit instrument is bedoeld voor individuele gevallen en niet als generieke verhoging van de tarieven. Daarvan wordt ook op die wijze gebruik gemaakt door DJI. Zorgaanbieders komen voor een verhoging van het tarief in aanmerking als zij zich inzetten op het terrein van innovatie en kwaliteit of voor zeer complexe casuïstiek. Zo kunnen zorgaanbieders tijdelijk een hoger tarief ontvangen voor bijvoorbeeld de implementatie van een nieuwe werkwijze ter bevordering van de kwaliteit of voor justitiabelen met zeer complexe problematiek waarvoor aantoonbaar extra inspanningen vereist zijn.
Voor de vraag over het gebruik van afslagen verwijs ik u naar het antwoord op vraag 5.
De berichten ‘Zelfs grote bedrijven hebben geen natuurvergunning, dus weten we niet hoeveel stikstof in de natuur terechtkomt’ en ‘Uitstoot van Gelderse bedrijven onbekend’ |
|
Cem Laçin , Frank Futselaar |
|
Stientje van Veldhoven (staatssecretaris infrastructuur en waterstaat, minister zonder portefeuille infrastructuur en waterstaat) (D66), Carola Schouten (viceminister-president , minister landbouw, visserij, voedselzekerheid en natuur) (CU) |
|
Bent u bekend met de berichten «Zelfs grote bedrijven hebben geen natuurvergunning, dus weten we niet hoeveel stikstof in de natuur terechtkomt» en «Uitstoot van Gelderse bedrijven onbekend»?1 2
Ja.
Wat is uw reactie op het nieuws dat naar schatting duizenden (grote) bedrijven niet over natuurvergunningen beschikken, zoals benodigd conform de Wet natuurbescherming?
Er kunnen verschillende redenen zijn waarom een bedrijf niet over een natuurvergunning beschikt. Er geldt onder andere geen vergunningplicht voor het aspect stikstof als de betreffende activiteit geen depositie veroorzaakt, of al bestond op de referentiedatum van het Natura 2000-gebied en sindsdien ongewijzigd is voortgezet. Daarnaast zijn er bedrijven zonder vergunning, omdat hun activiteit ten tijde van het PAS was vrijgesteld van vergunningplicht. Maar er zijn ook bedrijven waarop dit niet van toepassing is en die toch geen natuurvergunning hebben. De emissies van bedrijven zonder natuurvergunning zijn wel in beeld. De emissies van de verschillende sectoren worden bepaald door Emissieregistratie. Gegevens uit de natuurvergunning worden hier niet voor gebruikt. De uitstoot van de industriesector is bekend via het jaarlijks elektronisch Milieujaarverslag. Voor bedrijven die niet verplicht zijn om een elektronisch Milieujaarverslag te leveren, omdat de emissie onder de rapportagedrempel blijft, worden de emissies afgeleid uit gegevens als het energieverbruik en de productie-index van de bedrijven. Het totaal van deze emissies is ook bekend, doordat gegevens over de precieze hoeveelheid totaal verstookte brandstof geleverd worden door het CBS.
Hoe heeft deze situatie volgens u kunnen ontstaan en in hoeverre is dit toe te schrijven aan tekorten op het gebied van handhaving en inspectie?
Het is in eerste instantie aan bedrijven zelf om de inschatting te maken of een vergunning aangevraagd moet worden. De provincies zijn in de meeste gevallen het bevoegd gezag voor vergunningverlening, toetsing en handhaving. Zij voeren deze taken uit op basis van hun prioriteiten en de beschikbare capaciteit.
Zoals gemeld in het antwoord op vraag 2 zijn niet alle bedrijven vergunningplichtig voor het aspect stikstof. Daarnaast zijn er bedrijven zonder vergunning, omdat hun activiteit ten tijde van het PAS was vrijgesteld van vergunningplicht. Dit was het geval als de stikstofdepositie de toenmalige grenswaarde van maximaal 1 mol/hectare/jaar niet overschreed. Totdat een voorziening voor collectieve legalisering van gerealiseerde meldingen is getroffen zal, zoals aangegeven in mijn brief van 27 juni 2019 (Kamerstuk 32 670, nr. 163), geen actieve handhaving plaatsvinden. De initiatiefnemers die in het kader van de vrijstellingsregeling een melding hebben gedaan of een meldingsvrije activiteit ontplooiden, hebben immers te goeder trouw gehandeld. In mijn brief van 16 december 2019 (Kamerstuk 35 334, nr. 25) ben ik hier nader op in gegaan.
Deelt u de mening dat het terugbrengen van de stikstofuitstoot een gemeenschappelijke taak is van bedrijven, veehouderijen, overheden en inwoners, waarbij van alle partijen een inspanning dient te worden gevraagd? Zo ja, wat gaat u doen om deze lasten eerlijk te verdelen?
Ja, ik ben van mening dat dit een gemeenschappelijke taak is. In mijn brief van 4 oktober jl. (Kamerstuk 32670–167) heb ik een gebiedsgerichte aanpak geschetst. Dit sluit aan op het gegeven dat de herkomst van stikstofdepositie per gebied anders is. De keuze welke maatregel in welk gebied het beste past, is afhankelijk van een aantal factoren. Hierbij worden ook de adviezen van het Adviescollege Stikstofproblematiek betrokken. De afweging vindt plaats op basis van de effectiviteit, de kosten, de gevolgen voor de leefbaarheid, de juridische houdbaarheid, de uitvoerbaarheid en de politieke weging.
Hoe verklaart u het verschil tussen de provincie Brabant, waar pakweg een kwart tot een derde van de bedrijven niet over een vergunning beschikte, en de provincie Gelderland, waar maar liefst driekwart een vergunning bleek te missen?
In de provincies Noord-Brabant en Gelderland is een andersoortige set bedrijven bekeken, die op een ander moment is beoordeeld met het toen geldende juridische kader. Dit verklaart de verschillen in het aandeel bedrijven zonder vergunning. Noord-Brabant heeft risicogericht ieder jaar een set bedrijven bekeken, die mogelijk vanwege ligging en activiteiten een natuurvergunning nodig had. Noord-Brabant heeft in haar controles rekening gehouden met de toen geldende vrijstellingen van de vergunningplicht onder het PAS.
In Gelderland is een overzicht gegeven van alle bedrijven, waarvoor de provincie het bevoegd gezag voor de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht (Wabo) is. Het Gelderse overzicht is opgesteld na de uitspraak van de Raad van State, waarin is geoordeeld dat de vrijstellingen van de vergunningplicht onder het PAS onrechtmatig zijn geweest. Bedrijven die gebruik maakten van deze vrijstellingen zijn door Gelderland meegenomen in het aantal bedrijven dat niet beschikt over een natuurvergunning.
Zijn u naast «stikstofprovincies» Brabant en Gelderland meer provincies bekend die gedurende de afgelopen jaren onderzoek hebben laten verrichten naar de aanwezigheid van natuurvergunningen bij bedrijven?
Er zijn geen andere, afgeronde onderzoeken bekend naar de aanwezigheid van natuurvergunningen bij bedrijven.
Wat gaat u doen om ervoor te zorgen dat alle bedrijven die vergunningplichtig zijn aan deze plicht gaan voldoen?
Het is aan de betreffende bevoegde instanties, in het algemeen de provincies, om de aanpak van vergunningverlening, toezicht en handhaving een beleidsmatige focus te geven. Zie verder het antwoord op vraag 3.
Bent u bereid om de Kamer op korte termijn een overzicht per provincie te verstrekken van de dekkingsgraad aan natuurvergunningen bij bedrijven? Zo nee, waarom niet?
Het is niet bekend hoeveel bedrijven er ten onrechte geen vergunning hebben in het kader van de Wet natuurbescherming. Of een vergunning noodzakelijk is, hangt af van bedrijfsspecifieke en locatiespecifieke kenmerken. Deze zijn niet op voorhand bekend. Daarom beschikken de provincies, die in de meeste gevallen het bevoegd gezag voor vergunningverlening zijn, niet over een overzicht van bedrijven die ten onrechte geen natuurvergunning hebben.
Hoe vaak controleren provincies op de aanwezigheid van natuurvergunningen, welke omgevingsdiensten zijn hiervoor verantwoordelijk en bestaat hier een wettelijke controletermijn voor?
Het bevoegd gezag bepaalt de inzet op toezicht en handhaving. Dit verschilt per provincie. Er gelden geen wettelijke verplichtingen voor termijnen of controles.
Kunt u de Kamer informeren over de voortgang van het handhavingsverzoek dat milieuorganisatie Mobilisation for the Environment (MOB) is gestart inzake het ontbreken van een natuurvergunning voor Schiphol?
Naar aanleiding van het van MOB ontvangen handhavingsverzoek is aan het Ministerie van Infrastructuur en Waterstaat en aan de SchipholGroup de mogelijkheid geboden om daarop een zienswijze in te dienen. Beide hebben daar gebruik van gemaakt. De zienswijzen zijn ontvangen op 4 december respectievelijk 28 november jl. Deze zienswijzen worden nu bestudeerd en meegenomen in de besluitvorming op het handhavingsverzoek. Aan MOB is meegedeeld dat het besluit op het handhavingsverzoek uiterlijk 1 april 2020 zal worden genomen, zo mogelijk eerder.
Hoe is het gesteld met de aanwezigheid van natuurvergunningen bij de andere (grote) mainports en luchthavens in Nederland?
Voor beantwoording van de vragen over de aanwezigheid van natuurvergunningen bij de luchthavens van nationale betekenis verwijs ik naar informatie van de Minister van Infrastructuur en Waterstaat in de brief van 15 oktober 2019 (Kamerstuk 31 936, nr. 698), de antwoorden op de schriftelijke vragen over het bericht «Schiphol is niet de enige: ook 5 andere Nederlandse vliegvelden missen natuurvergunning» (Aanhangsel Handelingen, vergaderjaar 2019–2020, nr. 540) en de antwoorden op aanvullende schriftelijke vragen over dit bericht (d.d. 9 december 2019).
Wat betreft de mainports zijn met name de in de Rotterdamse haven gevestigde bedrijven aan te merken als inrichtingen als bedoeld in de Wabo. Deze inrichtingen dienen te beschikken over verschillende vergunningen, waaronder een omgevingsvergunning. Het bevoegd gezag voor de afgifte van deze vergunning is de DCMR, de gezamenlijke uitvoeringsdienst van de provincie Zuid-Holland en vijftien gemeenten in de regio Rijnmond en Goeree-Overflakkee. In het kader van een aanvraag voor een omgevingsvergunning op grond van de Wabo beziet de DCMR of voor de voorgenomen activiteit ook een natuurvergunning benodigd is. Omgevingsdienst Haaglanden (ODH) is namens de provincie Zuid-Holland verantwoordelijk voor het verlenen van ontheffingen en vergunningen bij natuuraspecten. Omgevingsdienst Zuid-Holland Zuid (OZHZ) voert namens de provincie Zuid-Holland toezicht en handhaving uit voor de Wet natuurbescherming. OZHZ en ODH controleren al enkele jaren of bedrijven over een natuurvergunning dienen te beschikken. Hierbij zijn ook de andere omgevingsdiensten in Zuid-Holland betrokken. Dit heeft ertoe geleid dat al veel bedrijven (zowel agrarisch als industrie) een natuurvergunning hebben aangevraagd. Door de PAS-uitspraak heeft dit tijdelijk stil gelegen, maar deze controles worden spoedig hervat.
De veiligheid van het 5G netwerk |
|
Kathalijne Buitenweg (GL), Laura Bromet (GL) |
|
Mona Keijzer (staatssecretaris economische zaken) (CDA), Ferdinand Grapperhaus (minister justitie en veiligheid) (CDA) |
|
|
|
|
Bent u bekend met het bericht «EU poised to send warning to China on 5G» van Bloomberg?1
Ja.
Bent u het eens met de stelling dat de beoordeling van de leveranciers van 5G infrastructuur ook moet kijken naar de nationale wetgeving in het land waar de leverancier vandaan komt, en dan met name of daar bepalingen in staan die de leverancier kunnen dwingen tot het delen van data met de lokale autoriteiten? Zo ja, kan de aanwezigheid van dergelijke bepalingen reden zijn om de leverancier niet goed te keuren? Zo nee, waarom niet?
In het Besluit veiligheid en integriteit telecommunicatie2, zoals dat op 5 december 2019 is gepubliceerd, wordt geregeld dat aanbieders van openbare elektronische communicatie netwerken of -diensten in Nederland de verplichting kan worden opgelegd om in de kritieke onderdelen van hun netwerken louter gebruik te maken van producten of diensten van anderen dan de daarbij genoemde, voor die kritieke onderdelen uitgesloten, leveranciers. Daarbij gelden krachtens dit besluit als criteria voor het uitsluiten van leveranciers, dat bekend is of gronden zijn te vermoeden dat de genoemde leveranciers de intentie hebben om Nederlandse telecomnetwerken te misbruiken of te laten uitvallen, dan wel dat zij nauwe banden hebben met of onder invloed staan van een partij met die intentie.
Zoals toegelicht bij het Besluit veiligheid en integriteit telecommunicatie zijn deze criteria in lijn met de overwegingen die het kabinet hanteert bij de beoordeling van risico’s ten aanzien van onder meer spionage door statelijke actoren, zoals die zijn vermeld in de brief aan de Tweede Kamer over C2000.3 Dat betekent dat bij de beoordeling van bovengenoemde leveranciers ook wordt gekeken naar de wetgeving van het land waaruit de leverancier afkomstig is, en meer in het bijzonder of deze wetgeving de leverancier verplicht om (bv. in de vorm van het moeten delen van data) samen te werken met de overheid van dat land.
Bent u het eens met de risicobeoordeling van de Europese Unie (EU) dat ook delen van het netwerk buiten de kern, zoals het Radio Access Network (RAN), moeten worden bestempeld als «hoog risico» voor spionage en sabotage en worden de extra veiligheidseisen ook van toepassing op het RAN? Zo ja, hoe beoordeelt u het feit dat Nederlandse providers al investeren in Chinese technologie in dit deel van het netwerk, terwijl de extra veiligheidseisen nog niet zijn afgekondigd? Zo nee, waarom niet?
De Taskforce Economische Veiligheid heeft in de nationale risicoanalyse op basis van de te beschermen belangen en de actuele dreiging kritieke onderdelen geïdentificeerd in de huidige telecomnetwerken. De lijst met kritieke onderdelen is als vertrouwelijk geclassificeerd en kan ik daarom niet met u delen.
In samenwerking met de telecomaanbieders wordt een structureel proces ingericht. Deze structurele aanpak maakt het mogelijk om adaptief te kunnen reageren op veranderingen in de dreiging of ontwikkelingen in de telecomnetwerken. Op die manier kunnen ook de telecomnetwerken in de toekomst beschermd worden tegen de dreiging.
Nederland heeft actief bijgedragen aan de totstandkoming van de Europese risicoanalyse, die zich richt op het toekomstige 5G netwerk, en de bevindingen zijn in lijn met en complementair aan de bevindingen van de Nederlandse Taskforce Economische Veiligheid.
De telecomaanbieders zijn geïnformeerd over de maatregelen die het kabinet neemt. De telecomaanbieders blijven ook bij de nadere uitwerking hiervan nauw betrokken en het is daarbij aan deze partijen om bij hun investeringen hier rekening mee te houden.
Zullen alle delen van 5G die beoordeeld worden als «hoog risico» ook expliciet zo worden benoemd? Of klopt het, zoals de Minister van Justitie en Veiligheid suggereerde tijdens het algemeen overleg over nationale veiligheid en crisisbeheersing van 14 november jl. dat dit niet bekend kan worden gemaakt vanwege redenen die samenhangen met nationale veiligheid?
Zie antwoord vraag 3.
Bent u het eens met de stelling dat het 5G netwerk in de Europese Unie moet zijn gegrond op de basiswaarden van de EU, zoals mensenrechten, de rechtsstaat en het beschermen van privacy? Zo ja, worden deze principes meegenomen in de beoordeling van leveranciers? Zo nee, waarom niet?
Zoals bij alle telecommunicatienetwerken is het belangrijk dat ook bij 5G-netwerken de randvoorwaarden zijn geborgd. De Telecommunicatiewet, waarin de Europese richtlijnen op het gebied van telecommunicatie en e-privacy zijn geïmplementeerd, biedt deze borging op tal van onderwerpen, waaronder de privacy, vertrouwelijkheid, veiligheid en integriteit. Deze regels richten zich tot de openbare aanbieders van elektronische communicatienetwerken en -diensten. Zij zijn op grond van artikel 11a.1 van de Telecommunicatiewet verplicht passende technische en organisatorische maatregelen te nemen om de risico’s voor de integriteit en veiligheid van hun netwerken en -diensten te beheersen. Het Besluit veiligheid en integriteit telecommunicatie, dat hierop is gebaseerd, biedt de mogelijkheid om telecomaanbieders daarbij te verplichten in de kritieke onderdelen van hun netwerken uitsluitend gebruik te maken van producten en diensten van vertrouwde leveranciers. Zoals hierboven ook in het antwoord op vraag 2 vermeld, zal het criterium bij de beoordeling van leveranciers zijn of zij zelf de intentie hebben om Nederlandse telecomnetwerken te misbruiken of laten uitvallen, dan wel nauwe banden hebben met of onder invloed staan van een partij met die intentie. Bij misbruik valt te denken aan spionage: ongeoorloofde toegang tot communicatiegegevens, zowel verkeersgegevens als inhoud van communicatie. Daarnaast zijn de aanbieders uiteraard ook gehouden aan de privacyregels in de Telecommunicatiewet en de Algemene verordening gegevensbescherming. Verder zijn er ook algemenere kaders zoals het Europees Verdrag voor de Rechten van de Mens.»
Kunt u zich vinden in de laatste aanbeveling van de EU risicobeoordeling dat de EU en haar lidstaten bij de uitrol van het 5G-netwerk ook rekening moeten houden met de ontwikkeling van de eigen industriële capaciteit op het gebied van 5G? Zo ja, hoe bent u van plan om deze aanbeveling op te volgen? Zo nee, waarom niet?
Het is belangrijk om het vraagstuk van industriële capaciteit voor 5G te bezien in een bredere context van innovatiebeleid, omdat dit vraagstuk ook op andere terreinen speelt. Om de transitie naar een duurzame en digitale economie te kunnen maken is een stevig innovatiebeleid nodig. Gezamenlijk optrekken binnen de EU zal ontwikkeling van sleuteltechnologieën en onderzoek en innovatie in het algemeen bevorderen. Ook het versterken van de Europese interne markt heeft onze blijvende prioriteit. Hierbij is het vooral belangrijk om uit te blijven gaan van onze eigen economische waarden. Open markten zorgen ervoor dat onze bedrijven concurrerend en innovatief zijn en leveren nieuwe producten en diensten op voor consumenten, tegen redelijke prijzen. Binnen de interne markt zijn strenge mededingingsregels en politiek onafhankelijk toezicht nodig voor het beschermen van de belangen van de consument en het faciliteren van eerlijke concurrentie. Over de aspecten waarop een eventuele stimulering van de eigen 5G industriële capaciteit plaatsvindt en de mate waarin dat dan gebeurt wordt nog in EU-verband besproken.
De actieve promotie van de controversiële paspoortprofessor Kochenov door de Rijksuniversiteit Groningen |
|
Frank Futselaar , Renske Leijten |
|
Ingrid van Engelshoven (minister onderwijs, cultuur en wetenschap) (D66) |
|
Klopt het dat de Rijksuniversiteit Groningen (RuG) tot op heden nog niet is gestart met het onderzoek naar de mogelijke belangenverstrengeling van hoogleraar Kochenov?1
Het onderzoek is gestart. Met de beantwoording op 30 oktober 2019 van vragen van de leden Futselaar en Leijten over het aangekondigde onderzoek naar hoogleraar Kochenov en nadien bij brief van de Staatssecretaris van Justitie en Veiligheid d.d. 5 november 2019 (Kamerstuk 30 573, nr. 177) is uw Kamer geïnformeerd over het onderzoek dat de Rijksuniversiteit (RUG) uitzet naar mogelijke belangenverstrengeling.
Uit informatie van de RUG maak ik op dat medio oktober 2019 een onafhankelijke externe voorzitter is aangesteld en een adviesbureau is aangezocht om dit onderzoek te doen. Eveneens is in oktober 2019 een eerste onderzoeksopzet opgesteld. Deze opzet is aan de Inspectie van het Onderwijs voorgelegd. Medio november is gestart met het dossieronderzoek. De eerste afspraak met heer Kochenov heeft plaatsgevonden in december 2019.
Erkent u, gezien de serieuze verdenkingen van belangenverstrengeling vanwege advies aan de Maltese regering over de verkoop van paspoorten en een mogelijke dubbelrol met een adviesbureau over aanschaf van paspoorten, dat niet alleen zorgvuldigheid maar ook snelheid geboden is bij dit onderzoek?
Ik vind dit een serieuze aangelegenheid en ik begrijp dan ook de kennelijke wens van de leden. Zorgvuldigheid staat echter voorop, dat maakt dat oplevering helaas niet sneller kan. Na oplevering van het onderzoeksrapport – naar verwachting in eerste kwartaal 2020 – zal de Rijksuniversiteit Groningen zich moeten verhouden tot de onderzoeksresultaten en eventueel maatregelen nemen. Zoals eerder aangekondigd heb ik de Inspectie van het Onderwijs gevraagd om de bevindingen van het onderzoek te beoordelen.
Vindt u het ook vreemd dat de RuG geen onderzoek is gestart, maar wel actief onderzoeken van Kochenov deelt op de website en Twitter van de RuG?2
Zoals bij de beantwoording van vraag 1 is aangegeven vindt er wel degelijk een extern onafhankelijk onderzoek naar onder meer de naleving van de Sectorale regeling nevenwerkzaamheden Nederlandse universiteiten en de Nederlandse gedragscode wetenschappelijke integriteit 2018 plaats. Ik heb er kennis van genomen dat de Faculteit Rechtsgeleerdheid van de RUG via haar website en sociale media overzichten deelt van publicaties in media van onderzoekers verbonden aan de faculteit, waaronder ook van de heer Kochenov. De wijze waarop de universiteit activiteiten van haar medewerkers kenbaar maakt is aan de instelling. Dat naar een specifieke medewerker een onderzoek wordt verricht doet aan dit uitgangspunt niet af. Laat onverlet dat ik er begrip voor had gehad als er een andere afweging was gemaakt met betrekking tot opnemen van de activiteiten van de heer Kochenov in het overzicht van publicaties.
Vindt u het wenselijk dat onderzoeken van Kochenov worden gepromoot, terwijl er nota bene juist een onderzoek door de RuG naar Kochenov zou moeten lopen over belangenverstrengeling?
Zie antwoord vraag 3.
Is het wenselijk om onderzoeken te promoten van personen die, op basis van serieuze en onderbouwde verdenkingen, worden verdacht van het schenden van de ethische code voor onderzoekers?3
Zie antwoord vraag 3.
Heeft u het idee dat de RuG de ernst van de situatie juist inschat? Kunt u uw antwoord toelichten?
Ja, ik heb geen reden te veronderstellen van het College van Bestuur van de RUG de ernst van de situatie niet juist inschat.
Bent u bereid, ook in lijn met de toezegging op eerdere Kamervragen van de SP hierover, in gesprek te gaan met de RuG over de ongewenstheid van de promotie rondom onderzoek van Kochenov en het feit dat niet alleen zorgvuldigheid maar ook snelheid geboden is bij het onderzoek naar mogelijke belangenverstrengeling? Kunt u de Kamer hierover informeren?
De wijze waarop universiteiten activiteiten van hun medewerkers kenbaar maken is aan de instellingen. Ten aanzien van de voortgang en zorgvuldigheid van het onderzoek naar mogelijke belangenverstrengeling is er eveneens geen aanleiding om met de RUG in gesprek te gaan. Bij de beantwoording van vraag 1 is aangegeven dat de onderzoeksopzet door de RUG is voorgelegd aan de inspectie. Het bestuur van de instelling is volgens mijn waarneming doordrongen van de ernst van de situatie en de noodzaak om zo spoedig mogelijk te kunnen reageren op een door haar geïnitieerd zorgvuldig uitgevoerd extern onafhankelijk onderzoek.
Bent u bereid een eigen onderzoek naar belangenverstrengeling te starten, als de RuG blijft talmen met een eigen onderzoek? Zo ja, wanneer is dat wat u betreft nodig? Zo nee, waarom niet?
Zoals bij de beantwoording bij vraag 1 aangegeven is er een onderzoek gestart. Ik wacht de uitkomsten van het onderzoek en het oordeel van de inspectie over dit onderzoek af.
De berichten ‘Puinhoop bij Arnhems verpleeghuis; inspectie grijpt in’ en ‘All Day moet cliënten van Dunya Zorggroep na twee maanden alweer overdragen aan goede zorgpartij’ |
|
John Kerstens (PvdA) |
|
Hugo de Jonge (viceminister-president , minister volksgezondheid, welzijn en sport) (CDA) |
|
|
|
|
Heeft u kennisgenomen van de berichten «Puinhoop bij Arnhems verpleeghuis; inspectie grijpt in» en «All Day moet cliënten van Dunya Zorggroep na twee maanden alweer overdragen aan goede zorgpartij»?1 2
Ja, daarvan heb ik kennisgenomen.
Op welke wijze is bij het overdragen destijds van cliënten en patiënten van Dunya Zorggroep naar All Day M.O. door de Inspectie Gezondheidszorg en Jeugd (IGJ) en/of de zorgverzekeraar proactief bezien dan wel getoetst of daarmee de kwaliteit en continuïteit van zorg aan betrokkenen was gewaarborgd? Is daarbij bijvoorbeeld beoordeeld of een concreet kwaliteitsplan aanwezig was respectievelijk of dat van voldoende niveau was?
Aan Dunya Woonzorg is op 19 augustus 2019 een aanwijzing gegeven om binnen de gestelde termijn van één maand de zorg te verbeteren. Op 20 september 2019 heeft de inspectie Dunya Woonzorg bezocht om te toetsen of aan de aanwijzing was voldaan. De inspectie kwam tot de conclusie dat het niet langer verantwoord was dat Dunya Woonzorg zorg verleende. Voordat de inspectie een nieuwe aanwijzing kon opleggen waarin Dunya Woonzorg werd verplicht de zorg zorgvuldig over te dragen, heeft Dunya Woonzorg zelf, zonder de inspectie en/of de zorgverzekeraar hierover actief te informeren, haar cliënten overgedragen aan organisatie All Day. De inspectie werd voor een voldongen feit geplaatst. Uit inspectieonderzoek naar All Day bleek dat de bestuurder van All Day de zorg van Dunya Woonzorg had overgenomen, terwijl de kwaliteit van zorg nog steeds niet op orde was en zonder een concreet plan om de kwaliteit op orde te krijgen. De IGJ heeft daarom All Day op 13 november 2019 een aanwijzing gegeven om de cliënten binnen twee weken op zorgvuldige wijze over te dragen aan een zorgaanbieder die naar het oordeel van de inspectie goede zorg verleent.
Wat is de standaard werkwijze in gevallen waarin cliënten en patiënten na ingrijpen van de inspectie moeten worden overgedragen aan een andere zorgverlener? Wordt er alvorens dat feitelijk gebeurt getoetst om kwaliteit en continuïteit van zorg, en daarmee de cliënt- en patiëntveiligheid, te waarborgen? Wiens verantwoordelijkheid is dat?
Het opleggen van de maatregel om cliënten over te dragen, is zeer ingrijpend. Deze maatregel wordt alleen opgelegd als de inspectie ernstige risico’s voor de veiligheid en kwaliteit van zorg constateert. De zorgaanbieder is verantwoordelijk voor een zorgvuldige overdracht van cliënten. De IGJ toetst of sprake is van continuïteit en veiligheid van zorg. De zorg dient te worden overgedragen aan een nieuwe zorgaanbieder die volgens de IGJ goede zorg verleent. Het zorgkantoor is vanuit zijn zorgplicht nauw betrokken bij de overdracht van de cliënten. De situatie dat de cliënten in aanloop naar een maatregel worden overgedragen zonder dat de IGJ en/of de zorgverzekeraar worden betrokken is uitzonderlijk.
Mocht een toets als hiervoor bedoeld niet standaard plaatsvinden, wilt u er dan voor zorgdragen dat dat wèl gaat gebeuren?
Zie antwoord vraag 3.
Wat kunt u zeggen over de opstelling en handelwijze van Dunya Zorggroep (die al meerdere keren met de IGJ in aanraking c.q. aanvaring kwam) in dezen?
De kwaliteit en veiligheid van zorg dient voor een zorgaanbieder voorop te staan. Gelet op de aanwijzing die de inspectie aan All Day heeft gegeven, is door Dunya Woonzorg niet gezorgd voor een overdracht naar een goede zorgaanbieder. Deze handelwijze vind ik onaanvaardbaar.
Hoe wordt gewaarborgd dat Dunya Zorggroep c.q. haar (voormalige) bestuurder, met zoals aangegeven een geschiedenis van aanvaringen met IGJ en zorgverzekeraar waarbij de veiligheid van cliënten en patiënten meermaals in gevaar is geweest, in de toekomst niet opnieuw in de zorg activiteiten ontplooit? Biedt de huidige regelgeving in dit opzicht voldoende mogelijkheden? Als dat niet het geval is, bent u dan tot extra regelgeving bereid?
Ik vind dat cliënten moeten kunnen rekenen op goede kwaliteit van zorg. De huidige Wet Toelating Zorginstellingen (WTZi) waarborgt de kwaliteit van zorg momenteel onvoldoende.
Het wetsvoorstel Wet toetreding zorgaanbieders (Wtza), dat door uw Kamer is aangemeld voor plenaire behandeling, introduceert een meldplicht en een vergunningplicht. Met de meldplicht komen alle nieuwe zorgaanbieders voor de aanvang van de zorgverlening in beeld bij de IGJ. Dit stelt de inspectie in staat om waar nodig eerder maatregelen te nemen als in de praktijk blijkt dat een nieuwe zorgaanbieder niet aan de voorwaarden voor goede zorg voldoet. Daarbij zijn aan de Wtza-vergunning meer weigerings- en intrekkingsgronden verbonden dan aan de huidige WTZi-toelating, zoals kwaliteitseisen uit de Wkkgz. Daarbij verwacht ik dat zorgverzekeraars en zorgkantoren bij de contractering van zorg kritisch zullen zijn.
In mijn brief van 25 november jl. heb ik u geïnformeerd over de hoofdlijnen en planning van het nog op te stellen wetsvoorstel Integere bedrijfsvoering zorgaanbieders dat tot doel heeft de IGJ en NZa extra handvatten te geven om zorgaanbieders aan te spreken op hun verantwoordelijkheid voor een zorgvuldige bedrijfsvoering. Gezien de complexiteit en impact van deze maatregelen is gekozen voor een apart wetstraject dat voortbouwt op de Wtza. Een onderdeel van dit wetsvoorstel is de uitbreiding en inrichting van de Wtza-vergunning om aanbieders die de verkeerde intenties hebben of eerder de fout in zijn gegaan beter te kunnen weren, door aanvullende weigering- en intrekkingsgronden. Daarbij wordt onder andere gedacht aan het weigeren of intrekken van de vergunning vanwege kortgezegd eerdere gedragingen ten aanzien van kwaliteit of integriteit van bepaalde bij de zorgaanbieder betrokken personen.
Wat betekent het feit dat Dunya Zorggroep naar eigen zeggen op eigen verzoek failliet wordt verklaard voor eventuele vorderingen op Dunya Zorggroep of bijvoorbeeld door Dunya Zorggroep nog niet voldane eventuele dwangsommen? Bent u van mening dat maximaal ingezet moet worden op het voorkómen van het via een zelfgekozen faillissement benadelen van zorgverzekeraars dan wel premiebetalers en/of de overheid? Welke mogelijkheden heeft u daartoe?
Ik heb vernomen dat Dunya Woonzorg op 27 november jl. door de rechtbank failliet is verklaard. Het is nu aan de curator om de schuldeisers, waaronder de zorgverzekeraars, zo veel als mogelijk te vergoeden uit de failliete boedel. Het is daarnaast de taak van de curator om onderzoek te doen naar de oorzaken van het faillissement. Als blijkt dat het handelen van de bestuurder(s) heeft bijgedragen aan het faillissement, kan de curator besluiten de bestuurder(s) persoonlijk aansprakelijk stellen voor het faillissementstekort.
Ook wanneer een zorgaanbieder ervoor kiest om zelf faillissement aan te vragen is het altijd aan de rechter om te beoordelen of een faillissementsaanvraag wordt ingewilligd. Een aanvrager moet kunnen aantonen dat structureel niet meer aan betalingsverplichtingen kan worden voldaan. In het geval van Dunya Woonzorg heeft de rechter besloten om het faillissement uit te spreken.
Het handhaven van de stakingsacties door sociaal advocaten in januari 2020 |
|
Michiel van Nispen (SP) |
|
Sander Dekker (minister zonder portefeuille justitie en veiligheid) (VVD) |
|
|
|
|
Bent u bekend met het artikel «Piketacties niet van de baan: «Hoezo is iedereen ineens zo tevreden»»?1
Ja.
Kunt u zo snel mogelijk na het sluiten van de deadline op 1 december 2019 aangeven hoeveel sociaal advocaten zich alsnog hebben aangemeld voor de piketdienst, na het sluiten van de oorspronkelijke deadline?
Uit informatie van de raad voor rechtsbijstand blijkt dat inmiddels ongeveer 1850 advocaten één of meer dagen beschikbaar zijn voor piketdiensten in de eerste twee weken van januari. Dit aantal is voldoende om veruit de meeste piketdiensten op de normale wijze uit te voeren. Zie daarover ook het antwoord op vraag 4.
Kunt u zo snel mogelijk na het sluiten van de deadline op 1 december 2019 aangeven hoeveel sociaal advocaten hun staking in januari 2020 handhaven?
De raad voor rechtsbijstand registreert niet hoeveel advocaten staken. Voor het maken van de piketroosters vraagt de raad voor rechtsbijstand advocaten aan te geven of ze beschikbaar zijn of niet. Naar eventuele redenen van niet-beschikbaarheid wordt niet gevraagd.
Kunt u in kaart brengen wat de gevolgen zijn van de gehandhaafde staking door sociaal advocaten en zo snel mogelijk na het sluiten van de deadline op 1 december 2019 de Kamer daarover informeren?
Nadat de NOvA en de specialisatieverenigingen hadden aangegeven dat wat hen betreft de aangekondigde piketacties en verhinderacties van de baan waren hebben veel advocaten zich alsnog aangemeld voor het vervullen van piketdiensten in de eerste twee weken van januari. Op een paar uitzonderingen na kan de raad voor rechtsbijstand de piketroosters op de normale manier vullen. Voor het enkele (zeer lokale) uitzonderingsgeval treft de raad voor rechtsbijstand maatregelen, zodat rechtsbijstand ook op die plekken verzekerd is. De raad houdt mij hierover geïnformeerd.
Kunt u bevestigen dat de Staatssecretaris van Justitie en Veiligheid in Marokko niet welkom is om met de ambtsbekleder die daar over gaat te praten over de terugkeer van uitgeprocedeerde Marokkanen?1
De Staatssecretaris van Justitie en Veiligheid heeft tijdens de tweede termijn van de begrotingsbehandeling Justitie en Veiligheid op 21 november reeds gemeld dat zij niet door Marokko is geweigerd. Ook is gemeld dat de Staatssecretaris zo snel als mogelijk naar Marokko afreist als er zicht is op een afspraak.
Kunt u aangeven welke reden de Marokkaanse autoriteiten hebben gegeven voor het weigeren van een gesprek met de Staatssecretaris van Justitie en Veiligheid? Zo nee, waarom is hier geen navraag over gedaan?
Zie antwoord vraag 1.
Welke inspanningen onderneemt u om te zorgen dat de Staatssecretaris van Justitie en Veiligheid alsnog op korte termijn in gesprek kan met de Marokkaanse ambtsbekleder die het betreft over de terugname van uitgeprocedeerde Marokkaanse staatburgers?
Er is direct na de begrotingsbehandeling van Justitie en Veiligheid telefonisch contact geweest tussen de Staatssecretaris en de Marokkaanse ambassadeur. Zoals bekend heeft de afspraak tussen de Staatssecretaris en de Marokkaanse ambassadeur van 5 december jl. niet kunnen plaatsvinden.
Marokko en Nederland delen de wens om in gesprek te blijven over de hele breedte van de relatie, migratie en terugkeersamenwerking zijn daarvan een belangrijk onderdeel. De Minister van Buitenlandse Zaken heeft kortgeleden nog met zijn Marokkaanse ambtgenoot over de brede relatie gesproken en afgesproken daarover in gesprek te blijven. Dat traject wordt vervolgd.
Daarnaast wordt gewerkt aan het plannen van een afspraak voor een bezoek van de staatsecretaris aan haar Marokkaanse counterpart.
Ondertussen worden de contacten over de terugname door de Marokkaanse autoriteiten van Marokkaanse onderdanen die geen rechtmatig verblijf hebben, die geregeld op verschillende niveaus tussen Nederland en Marokko plaatshebben, voortgezet.
De artikelen 'Duitse spaarder betaalt al negatieve rente' en 'Deutsche Bank gaat negatieve rente doorrekenen' |
|
Evert Jan Slootweg (CDA), Erik Ronnes (CDA) |
|
Wopke Hoekstra (minister financiën) (CDA) |
|
|
|
|
Hebt u kennisgenomen van de artikelen «Duitse spaarder betaalt al negatieve rente»1 en «Deutsche Bank gaat negatieve rente doorberekenen»?2
Ja.
Bent u ook van plan een dergelijke enquête te laten uitvoeren door De Nederlandsche Bank (DNB) voor de Nederlandse banken, zoals de enquête van de Bundesbank waaruit deze gegevens komen?
De Bundesbank maakt gebruik van de zogeheten «MFI-rentestatistieken».3 Uit deze statistieken volgt maandelijks het gewogen gemiddelde rentepercentage voor girale deposito’s van niet-financiële bedrijven en huishoudens. Op basis hiervan doet de Bundesbank uitspraken over de relatieve spreiding van negatieve rente op deposito's van niet-financiële bedrijven en huishoudens.4 Deze statistieken worden ook ingezameld door DNB en zijn ook terug te vinden op de website van de Europese Centrale Bank (ECB).5
Hoe staat het met de gesprekken met de Nederlandse banken over een eventuele invoering van een negatieve rente voor spaarders door Nederlandse banken?
Banken gaan over hun eigen prijsbeleid en over hun eigen verklaringen daarover. Bij het algemeen overleg effecten van het ECB-beleid op 24 september 2019 heb ik uw Kamer toegezegd om in gesprek te gaan met banken. Parallel aan deze beantwoording heb ik u een brief gestuurd waarin ik voldoe aan deze toezegging. In die brief ga ik in op de indrukken die ik uit de gesprekken en uit de publieke uitingen van de bestuursvoorzitters van banken heb gekregen.
Maken de statements van ABN AMRO en Rabobank, dat spaarders geen rente hoeven te betalen over hun spaargeld, en van Rabobank, dat expliciet aangeeft geen garantie te kunnen geven voor de toekomst, deel uit van uw gesprekken of zijn ze daar een tussenresultaat van?3
Zie antwoord vraag 3.
Klopt het dat in Duitsland de nood veel hoger is dan in Nederland om een negatieve rente door te berekenen aan spaarders, omdat de banken er daar in doorsnee veel slechter voorstaan?
Op basis van de MFI-rentestatistieken uit het antwoord op vraag 2 valt niet te stellen dat in Duitsland de nood om een negatieve rente door te rekenen aan spaarders veel hoger is dan in Nederland (zie ook cijfers in figuur 1).
Een stresstest beoordeelt de financiële weerbaarheid van een bank door het simuleren van financiële schokken. De EU-brede stresstest vond voor het laatst plaats in 2018 en besloeg 48 banken.7 Op basis van de resultaten van de 2018 stresstest kan niet gesteld worden dat Nederlandse banken «er in doorsnee beter voorstaan dan Duitse banken».
Figuur 1: Gewogen gemiddelde rentepercentages girale deposito’s
Bron: ECB
In 2020 voert EBA de volgende EU-brede stresstest uit. Deze start in januari en de resultaten zullen bekend worden in juli. Wanneer uit een stresstest blijkt dat een bank onvoldoende kapitaal heeft, dan zal de bank extra kapitaal moeten aantrekken om weer te voldoen aan de kapitaaleisen. Duitse banken moeten net als Nederlandse banken voldoen aan de minimumkapitaaleisen. Dit zorgt ervoor dat banken een buffer hebben om slechtere tijden te doorstaan. Banken moeten te allen tijde aan de prudentiële eisen voldoen. Het is aan de toezichthouders om die eisen vast te stellen en daarop toe te zien.
Is dat, i.e. dat Nederlandse banken er in doorsnee beter voorstaan dan Duitse banken, ook het beeld uit de stresstest voor banken zoals de Europese Centrale Bank (ECB) deze uitvoert? Zo nee, kunt u uitleggen hoe dat komt?
Zie antwoord vraag 5.
Wat is uw reactie op de brandbrief van de Consumentenbond met het verzoek om in Nederland een verbod op negatieve rente in te voeren?4
In de eerdergenoemde brief die ik de Kamer parallel stuur, ga ik uitgebreid in op mijn overwegingen bij een negatieve spaarrente en een mogelijk verbod daarop.
Wat is uw opvatting over de theorie van Jean Pierre Mustier, president van de European Banking Federation, dat het doorrekenen van negatieve rente ertoe leidt dat vermogende klanten meer risico gaan nemen, waardoor het beleid van de ECB maximaal gaat doorwerken in de economie?
In een recent artikel stelde de president van de Europese Bankenfederatie dat wanneer banken negatieve rentes doorrekenen aan bedrijven en vermogende klanten, het beleid van de ECB maximaal doorwerkt in de economie.9 Het is aan de ECB om te beslissen welke beleidsmaatregelen ze neemt om haar mandaat van prijsstabiliteit te bewerkstelligen, en daarbij de doorwerking van de maatregelen naar de bredere economie en daarmee de inflatiedynamiek in de eurozone in ogenschouw te nemen. Tegelijk stelde de president van de Europese Bankenfederatie ook dat hij vindt dat banken voorzichtig moeten omgaan met particuliere klanten die tot en met € 100.000 op hun spaarrekening hebben staan.
Klopt het dat de Duitse bankensector de laatste jaren miljarden euro’s naar de ECB heeft gebracht, maar dat de bereidheid om dat te doen afneemt? Zo ja, klopt het dat ook bij de Nederlandse banken de bereidheid daartoe afneemt?
Banken dienen voldoende liquide middelen aan te houden om liquiditeitsuitstromen het hoofd te kunnen bieden. Een veilige manier voor banken om liquide middelen aan te houden, is gelden stallen bij de centrale bank middels zogeheten centralebankreserves. Het Eurosysteem heeft in de afgelopen jaren voor ca. EUR 2.500 miljard aan reserves in omloop gebracht. Circa EUR 2.000 miljard hiervan is terecht gekomen bij commerciële banken. Voor de financiële crisis bedroegen de reserves die commerciële banken aanhielden bij de centrale bank ca. EUR 200 miljard. De reserves kennen momenteel een lage vergoeding.
De hoeveelheid reserves van de Duitse en Nederlandse bankensector is iets gedaald dit jaar, maar vergeleken met andere lidstaten in de Eurozone houden banken in Duitsland en Nederland nog steeds relatief veel gelden aan in reserves. In Duitsland is de totale hoeveelheid gestalde gelden gedaald van ca. EUR 700 miljard begin mei van dit jaar naar EUR 620 miljard begin september. Voor Nederland is er sprake van een kleine stijging sinds mei dit jaar van ca. EUR 186 miljard naar EUR 190 miljard.
Een lagere rente bij de ECB over de depositofaciliteit maakt andere investeringen relatief aantrekkelijker. Banken maken continu een afweging tussen het aanhouden van liquide middelen enerzijds en rendement anderzijds. Het Eurosysteem monitort nauwgezet of banken voldoende liquide middelen aanhouden zodat banken niet in liquiditeitsproblemen terechtkomen.
Klopt het dat banken in België, Frankrijk, Italië en Griekenland niet rekenen met een negatieve rente, noch voor kleine spaarders, noch voor grote spaarders?
Banken gaan zelf over hun prijsstelling. Hoe zij deze invullen moet wel passen binnen hun productvoorwaarden en voldoen aan toepasselijke wet- en regelgeving. Het gewogen gemiddelde rentepercentage voor girale deposito’s van huishouders is volgens de MFI-rentestatistieken in geen van de in vraag 10 en 11 genoemde Eurozonelanden negatief. Tussen landen zijn – net als tussen banken – renteverschillen mogelijk, ook binnen een monetaire unie.
Kunt u uitleggen waarom spaarders in Denemarken en Duitsland wel te maken hebben met een negatieve rente en spaarders in België, Frankrijk, Italië en Griekenland niet, aangezien er toch één monetaire unie en één munt is?
Zie antwoord vraag 10.
Een voormalige vruchtbaarheidskliniek in Oosterbeek |
|
Attje Kuiken (PvdA), Lilianne Ploumen (PvdA) |
|
Hugo de Jonge (viceminister-president , minister volksgezondheid, welzijn en sport) (CDA), Sander Dekker (minister zonder portefeuille justitie en veiligheid) (VVD) |
|
|
|
|
Kent u het bericht «Misschien wel 150 kinderen van één vader; arts in Oosterbeek had eigen vruchtbaarheidskliniek»?1
Ja
Welke wet- of regelgeving bestond er in de jaren ’70 en ’80 met betrekking tot vruchtbaarheidsklinieken of andere vormen van georganiseerd zaaddonorschap? Was een kliniek zoals die in het bericht genoemd wordt naar de toenmalige juridische maatstaven legaal? Zo nee, waarom niet?
De Wet donorgegevens kunstmatige bevruchting is in 2004 in werking getreden. Voor die tijd bestond nog geen specifieke wetgeving rond het gebruik van en de registratie van donoren van ei- en zaadcellen.
Er zijn geen aanwijzingen dat de kliniek in Oosterbeek naar de toenmalige juridische maatstaven niet legaal was.
Welke juridische en praktische mogelijkheden zijn er voor de kinderen die in deze kliniek zijn verwekt om hun donorvader te vinden?
De administratie van deze vruchtbaarheidskliniek ontbreekt, zodat het niet mogelijk is op basis daarvan te achterhalen welke donoren in deze kliniek hebben gedoneerd. Om die reden zijn er geen juridische mogelijkheden voor de donorkinderen die in de vruchtbaarheidskliniek in Oosterbeek zijn verwekt om hun donor te vinden. Het enige wat overblijft is de gratis inschrijving in de Fiom KID-DNA databank. Donoren van voor 2004 kunnen zich ook gratis inschrijven. Op deze manier kunnen donorkinderen en donoren met elkaar worden gematcht. Ook kunnen donorkinderen, indien zij dit wensen, mogelijk met eventuele halfbroers en -zussen worden gematcht. Wanneer donorkinderen of donoren vragen hebben over dit onderwerp kunnen zij terecht bij Fiom.
Kunnen deze kinderen hun dna-profiel in de Fiom KID-DNA Databank laten opnemen om hun dna met dat van een donor te laten matchen? Zo nee, waarom niet?2
Zie antwoord vraag 3.
Wat kunt u in het kader van uw actieplan ondersteuning donorkinderen doen om kinderen die in deze kliniek zijn verwekt en hun vader zoeken te helpen?
Zie antwoord vraag 3.
Het racisme tijdens de voetbalwedstrijd FC Den Bosch – Excelsior |
|
Jan Paternotte (D66), Antje Diertens (D66) |
|
Bruno Bruins (minister volksgezondheid, welzijn en sport) (VVD), Mark Rutte (minister-president , minister algemene zaken) (VVD) |
|
|
|
|
Wat was uw reactie op de uitlatingen richting Excelsior-speler Ahmad Mendes Moreira tijdens de voetbalwedstrijd FC Den Bosch–Excelsior op 17 november 2019?
Racisme en discriminatie horen niet thuis in de sport en op de tribunes. De uitlatingen richting Excelsior-speler Ahmad Mendes Moreira zijn onacceptabel.
Bent u op de hoogte van de reactie die FC Den Bosch in eerste instantie heeft gegeven op de gebeurtenissen tijdens de wedstrijd? Wat vindt u van deze initiële reactie van FC Den Bosch als gevolg van de gebeurtenissen?
Ja. Die reactie was uiterst ongelukkig. Daags erna heeft FC Den Bosch na gesprekken met de spelersgroep en andere betrokkenen het boetekleed aangetrokken en aangegeven diep geschrokken te zijn. Voor zover ik heb begrepen doet de club verder onderzoek naar wat er feitelijk is gebeurd en zal ze alles in het werk stellen om de personen die zich schuldig hebben gemaakt aan dit grensoverschrijdend gedrag te achterhalen en te straffen. Ook komt de club met een actieplan om misstanden grondig aan te pakken en uit te bannen.
Bent u het eens met de stelling dat dat buiten deze gebeurtenissen, racisme, discriminatie en homofobie bredere problemen zijn binnen de sport?1
Het is de realiteit dat wij nooit alle gebeurtenissen kunnen voorkomen, maatschappelijke issues als racisme, discriminatie en homofobe uitingen komen ook op en rond het sportveld voor. Het realiseren van een positieve sportcultuur vergt een lange adem en is een verantwoordelijkheid van alle betrokkenen: sporters, coaches, vrijwilligers, scheidsrechters, ouders, supporters en de overheid.
Heeft u cijfers over wat de omvang is van racisme, discriminatie, antisemitisme en homofobie binnen de sport?
Uit de monitor van het actieplan «Naar een veiliger sportklimaat» (VSK) 2017 en 2018, welke jaarlijks aan u toegestuurd, bleek als volgt:
In 2016 is 9% van de sporters van 15 jaar of ouder geconfronteerd met discriminatie (op grond van sekse, handicap, religie, huidskleur, homoseksualiteit, cultuur).
In 2018 heeft 12% van het arbitrerend kader in de sportwereld te maken gehad met discriminatie vanwege huidskleur, 14% met discriminatie vanwege cultuur of religie en 5% procent met discriminatie vanwege homoseksualiteit en 15% met vrouwonvriendelijk gedrag. Van het sporttechnisch kader heeft 6% in 2018 te maken gehad met discriminatie vanwege huidskleur, 8% met discriminatie vanwege cultuur of religie, 4% met discriminatie vanwege homoseksualiteit en 15% met vrouwonvriendelijk gedrag. Van het bestuurlijk kader heeft 6% in 2018 te maken gehad met discriminatie vanwege huidskleur, 7% met discriminatie vanwege cultuur of religie, 2% met discriminatie vanwege homoseksualiteit en 10% met vrouwonvriendelijk gedrag.
Wat heeft u op het moment als beleid om racisme, discriminatie, antisemitisme en homofobie te voorkomen en tegen te gaan in de sport?
De sportsector werkt al jaren aan een veilig sportklimaat. Het beleid heeft dan ook als focus dat iedereen overal met plezier veilig kan sporten. Racisme, discriminatie, antisemitisme en homofobie horen daar niet in thuis. Belemmeringen vanwege iemands etnische achtergrond, seksuele geaardheid, geloofsovertuiging of sociale positie moeten worden weggenomen. Een dergelijk klimaat vergt een lange adem die zorgvuldig moet worden opgebouwd door sporters, bestuurders, trainers, coaches, ouders en supporters. De afgelopen jaren heb ik hiervoor het actieplan «Naar een veiliger Sportklimaat» ondersteund. Ik bouw daar op voort en ondersteun de komende jaren de sportsector financieel om te zorgen dat sportverenigingen structureel aandacht hebben voor een positieve sportcultuur.
Ik licht hier twee specifieke voorbeelden toe.
Het project «Ons voetbal is voor iedereen» van de KNVB heeft als doel om een positieve sportcultuur en inclusie te bevorderen en discriminatie tegen te gaan. Het project zal onder meer een campagne kennen die zich zal gaan richten op de volledige achterban van de KNVB.
Daarnaast de Alliantie Gelijkspelen (welke ik samen met de Minister van OCW ondersteun), die tot doel heeft het realiseren van een open, veilig en prettig team- en verenigingsklimaat voor LHBTI-ers in de sport. Dat doen ze onder meer door workshops te geven aan jeugdtrainers en jeugdcoaches van Betaald Voetbal Organisaties (BVO’s), door in bondsopleidingen waaronder die van de KNVB aandacht te hebben voor diversiteit en het omgaan met verschillen én door zichtbaarheidsacties met de regenboog aanvoerdersbanden.
Eind januari kom ik samen met mijn ambtsgenoten van J&V en SZW en de KNVB met een aanvalsplan om racisme en discriminatie in de sport nog beter te bestrijden.
Wat is het doel van uw torentjesoverleg met betrekking tot racisme in de sport met verschillende partijen, waaronder Ahmad Mendes Moreira, de Koninklijke Nederlandse Voetbalbond (KNVB), de bondscoach en de aanvoerder van het Nederlands Elftal, Virgil van Dijk?2 Wanneer zal dit torentjesoverleg plaatsvinden? Wat verwacht u als consequenties voor uw beleid met betrekking tot racisme en discriminatie? Kunt u de Kamer hierover informeren?
Op 28 november heb ik bij de KNVB in Zeist met direct betrokkenen en de KNVB, de Minister-President en de Minister van Justitie en Veiligheid gesproken. In dit gesprek heb ik richting Ahmad Mendes Moreira mijn empathie en richting scheidsrechter Laurens Gerrets mijn waardering voor zijn optreden uitgesproken. Voorts hebben we gezamenlijk afspraken gemaakt om racisme en discriminatie in de sport beter te bestrijden. Tijdens het wetgevingsoverleg sport van 2 december jl. heb ik aan uw Kamer toegezegd u hierover na 31 januari te informeren.
Bent u bekend met voorbeelden uit andere landen van oplossingen tegen racisme binnen de sport? Bent u bijvoorbeeld bekend met een app waarmee racisme kan worden gemeld door supporters in Engeland en wat vindt u hiervan?3
Ja, als onderdeel van het aanvalsplan zal gekeken worden hoe een anonieme meldingsapp ook in Nederland geïmplementeerd kan worden.
Bent u op de hoogte van het artikel «Moreira doet geen aangifte en wacht onderzoek KNVB naar racisme af»?4
Ja
Heeft de KNVB volgens u voldoende strafmogelijkheden? Klopt het dat FC Den Bosch de mogelijkheid heeft om een levenslang stadionverbod op te leggen aan de supporters die zich hebben misdragen?5
De KNVB kan in dit geval een landelijk stadionverbod opleggen. De termijn van een stadionverbod wordt bepaald op basis van de «Richtlijn termijn stadionverbod». Op basis van deze richtlijn staat voor het beledigen van een groep c.q. het verspreiden van discriminatoire uitlatingen een stadionverbod van 60 maanden.
FC Den Bosch heeft de mogelijkheid om op lokaal niveau een persoon een levenslang stadionverbod op te leggen. Dit lokale stadionverbod geldt in principe alleen voor de thuiswedstrijden van FC Den Bosch.
Klopt het dat er tijdens de sinterklaasintocht in 's-Hertogenbosch, FC Den Bosch-supporters zich al hebben misdragen?6 Zijn er toen maatregelen genomen tegen deze supporters?
Voorafgaand aan de intocht van Sinterklaas in ’s-Hertogenbosch hebben zowel voor- als tegenstanders van zwarte piet bij de gemeente aangegeven gebruik te willen maken van hun demonstratierecht. Onder de pro-zwarte piet demonstranten bevonden zich ook supporters van FC Den Bosch. Het gedrag van de demonstranten gaf geen aanleiding tot strafrechtelijk optreden en/of andere maatregelen.
Daar waar u heeft aangegeven dat de KNVB meer moet doen tegen racisme en u heeft voorgesteld dat zij eventueel punten in mindering zouden kunnen nemen bij clubs waar dit gebeurt, vind u dit proportionele maatregelen om racisme te bestrijden?7
In een brief aan de KNVB heeft mijn ambtsgenoot van Justitie en Veiligheid opgeroepen tot meer actie, en noemde daarbij enkele voorbeelden waaronder de puntenaftrek. In het aanvalsplan komen we met gerichte maatregelen om racisme en discriminatie te bestrijden.
Deelt u de mening van de vragenstellers dat u een leidende rol kunt spelen in het uitspreken tegen weerzinwekkend racisme en het bij elkaar brengen van partijen die naar middelen zoeken om racisme uit te roeien?
Ja, ik heb mijn afschuw uitgesproken en daarop volgend het initiatief genomen om partijen bij elkaar te brengen en samen te zoeken naar effectieve maatregelen om racisme en discriminatie te bestrijden. Het tegengaan van racisme en discriminatie is echter niet iets van de overheid of van de sportsector alleen, maar vraagt een verantwoordelijkheid van iedereen.
Kunt u deze vragen één voor één beantwoorden?
Ja.
Het feit dat de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid werd geweigerd in Marokko |
|
Jasper van Dijk |
|
Stef Blok (minister buitenlandse zaken) (VVD) |
|
Wist u dat uw collega, de Staatssecretaris van Justitie en Veiligheid, niet welkom was voor een bezoek aan haar ambtsgenoot in Marokko?1
De Staatssecretaris van Justitie en Veiligheid heeft tijdens de tweede termijn van de begrotingsbehandeling Justitie en Veiligheid op 21 november reeds gemeld dat zij niet door Marokko is geweigerd. Ook is gemeld dat de Staatssecretaris zo snel als mogelijk naar Marokko afreist als er zicht is op een afspraak.
Waarom was uw collega niet welkom?
Zie antwoord vraag 1.
Is het juist dat de relatie met Marokko «problematisch» is? Waarom?
De relatie tussen Nederland en Marokko kent een lange historie en de wederzijdse belangen zijn substantieel. Niet alleen migratie en terugkeer maar ook consulaire zaken, handel en investeringen, justitie- en politiesamenwerking en de strijd tegen terrorisme zijn onderdeel van deze bilaterale relatie. Een dergelijke relatie kent logischerwijs ook onderwerpen die de betrekkingen ingewikkeld kunnen maken. Op specifiek het onderwerp van terugkeer zijn helaas nog weinig resultaten geboekt. Zowel de Minister van Buitenlandse Zaken als de Staatssecretaris van Justitie en Veiligheid bespreken in contacten met de Marokkaanse autoriteiten de mogelijkheden tot voortgang op dit dossier.
Deelt u de mening dat deze weigering zeer ongepast was? Wat heeft u hiertegen ondernomen?
Zie ook het antwoord op vraag 1 en 2.
Er is direct na de begrotingsbehandeling van Justitie en Veiligheid telefonisch contact geweest tussen de Staatssecretaris en de Marokkaanse ambassadeur. Zoals bekend heeft de afspraak tussen de Staatssecretaris en de Marokkaanse ambassadeur van 5 december jl. niet kunnen plaatsvinden.
Marokko en Nederland delen de wens om in gesprek te blijven over de hele breedte van de relatie, migratie en terugkeersamenwerking zijn daarvan een belangrijk onderdeel. De Minister van Buitenlandse Zaken heeft kortgeleden nog met zijn Marokkaanse ambtgenoot over de brede relatie gesproken en afgesproken daarover in gesprek te blijven. Dat traject wordt vervolgd.
Daarnaast wordt gewerkt aan het plannen van een afspraak voor een bezoek van de staatsecretaris aan haar Marokkaanse ambtgenoot.
Hoe gaat de regering gesprekken met Marokko over terugkeer van «veiligelanders» weer opstarten?
Er is geregeld dialoog tussen Nederland en Marokko op verschillende niveaus over migratie in brede zin en specifiek over terugkeersamenwerking. Terugkeer vormt een belangrijk onderwerp van gesprek waarbij constant wordt ingezet om resultaten te boeken. Ook in de contacten van de Minister van Buitenlandse Zaken met zijn Marokkaanse ambtgenoot is terugname door de Marokkaanse autoriteiten van Marokkaanse onderdanen die geen rechtmatig verblijf hebben, een belangrijk onderwerp van gesprek.
Het bericht ‘Oorzaak gezocht bij capaciteitsproblematiek ziekenhuizen: Stijging sterfte rond geboorte baby’ |
|
Henk van Gerven (SP) |
|
Bruno Bruins (minister volksgezondheid, welzijn en sport) (VVD) |
|
|
|
|
Wat is uw reactie op het bericht «Oorzaak gezocht bij capaciteitsproblematiek ziekenhuizen: Stijging sterfte rond geboorte baby»?1
Op basis van de informatie die ik heb ontvangen herken ik het verband tussen de stijging van de sterftecijfers van baby’s rondom de geboorte en de capaciteitsproblematiek van ziekenhuizen niet. Zoals te lezen in het statement van het College Perinatale Zorg (CPZ), wat geschreven is naar aanleiding van hetzelfde bericht uit de Telegraaf, zijn de gelegde verbanden tussen capaciteitsproblematiek enerzijds en sterftecijfers anderzijds op basis van de nu bekende gegevens niet te maken. Daarnaast blijkt ook niet uit de cijfers en analyses van Perined dat capaciteitsproblematiek de oorzaak is voor de stagnatie van de daling van de perinatale sterftecijfers.
Zoals ik in mijn Kamerbrief van 25 november jl. heb aangegeven, blijkt uit de cijfers en de duiding van Perined dat de risico’s vooral zitten bij een laag geboortegewicht en/of te vroeggeboren baby’s.
Vindt u het ook een onwenselijke ontwikkeling dat na een periode van een sterke daling van het aantal baby’s dat sterft rond de geboorte in ons land, er volgens de laatste cijfers sprake is van een lichte stijging?
In mijn Kamerbrief van 25 november jl. heb ik u geïnformeerd over het perinatale sterftecijfers van 2018. Uit deze cijfers blijkt dat de daling van de sterftecijfers is gestagneerd. Dit vind ik een ongewenste ontwikkeling. De inzet van mij en partijen in de geboortezorg is er dan ook op gericht de sterftecijfers verder terug te dringen. Uit de duiding van Perined blijkt dat ingezet moet worden op het terugdringen van een laag geboortegewicht en/of te vroeg geboren baby’s en op verdere versteviging van de integrale geboortezorg. Daarnaast valt het op dat in de groep vrouwen met een langere zwangerschapsduur (41+ weken) ook een lichte stijging te zien is van de perinatale sterfte. Het CPZ zal dit punt in samenspraak met de partijen nader bekijken. Ik roep de partijen in de geboortezorg op hun verantwoordelijkheid te nemen en op korte termijn tot eenduidige afspraken en beleid te komen op basis van de laatste stand van de wetenschap.
Acties die ik onderneem om de sterftecijfers te laten dalen zijn:
Verder heb ik in mijn brief van 25 november ook aangekondigd dat ik aanvullend onderzoek door het RIVM laat uitvoeren. Met dit onderzoek wil ik beter zicht krijgen op verdere verbetermogelijkheden. Ik zal uw Kamer in het najaar van 2020 informeren over de uitkomsten van dit onderzoek.
Ziet u, net als de samenwerkende organisaties in de geboortezorg, de capaciteitsproblematiek bij de ziekenhuizen als een oorzaak voor deze ontwikkeling? Zo nee, wat is volgens u dan de oorzaak? Zo ja, wat gaat u doen om deze capaciteitsproblematiek op korte termijn op te lossen?
Voor de oorzaken van deze ontwikkeling verwijs ik naar het antwoord op vraag 2.
Zoals ik ook in het antwoord op vraag 1 aangeef blijkt uit het statement van het CPZ dat gelegde verbanden tussen capaciteitsverbeterpunten enerzijds en sterftecijfers anderzijds op basis van de nu bekende gegevens niet te maken zijn.
Wat is uw reactie op de stelling «het capaciteitsprobleem lijkt zich niet meer te beperken tot poliklinische bevallingen, maar breidt zich uit naar zwangere vrouwen met hogere risico’s. Er zijn signalen dat soms ook zwangeren met medische indicatie niet terecht kunnen in het ziekenhuis. Het grootste probleem lijkt het tekort aan obstetrie- en gynaecologieverpleegkundigen te zijn»?
Voor mij staat voorop dat vrouwen die moeten bevallen kunnen rekenen op goede verloskundige zorg. Alle ziekenhuizen hebben een systeem om capaciteit «achter de hand te houden» zodat een zwangere vrouw die acuut verloskundige zorg nodig heeft altijd in het ziekenhuis terecht kan. De Inspectie Gezondheidszorg en Jeugd heeft mij laten weten dat zij geen meldingen heeft ontvangen dat capaciteitsproblemen hebben geleid tot een calamiteit.
Wel heeft zij signalen ontvangen dat er soms situaties zijn dat een verloskundige meerdere telefoontjes moet plegen voor zij een bevalplek kan vinden voor een vrouw zonder acute hulpvraag, doordat ziekenhuizen vol liggen of een tijdelijke opnamestop hanteren. Het is onwenselijk dat verloskundigen meerdere telefoontjes moeten plegen voor zij een bevalplek hebben. In de ROAZ regio’s wordt daarom gewerkt aan goede samenwerkingsafspraken. Het gaat daarbij ook om inzicht hebben op regionaal niveau in de drukte op de acute zorgafdelingen, zodat partijen in de acute zorgketen hier o.a. via het ROAZ gepast regionaal beleid op kunnen maken.
Verder raamt het Capaciteitsorgaan per ziekenhuis, regionaal en landelijk wat de opleidingsbehoefte is aan gespecialiseerde verpleegkundigen. Dit doen zij ook voor de obstetrie- en gynaecologieverpleegkundigen. Vervolgens bepalen ziekenhuizen zelf hoeveel gespecialiseerde verpleegkundigen ze gaan opleiden. Ziekenhuizen hebben de afgelopen jaren ervoor gekozen om het advies van het Capaciteitsorgaan niet (volledig) op te volgen, waardoor de tekorten verder hebben kunnen oplopen. Vanuit het Ministerie van VWS is er altijd op aangedrongen dat ziekenhuizen meer opleiden. VWS heeft ziekenhuizen zelfs aangemoedigd om meer dan het advies van het Capaciteitsorgaan op te leiden en VWS heeft hiervoor ook kostendekkende financiering (beschikbaarheidbijdrage) beschikbaar gesteld. Mede in het licht van deze ervaring uit het verleden is in het Hoofdlijnenakkoord medisch specialistische zorg de ambitie opgenomen dat ziekenhuizen in 2021 volgens het advies van het Capaciteitsorgaan gaan opleiden, dit geldt onder andere voor neonatologieverpleegkundigen en obsteterieverpleegkundigen.
Staat volgens u de toegankelijkheid en de kwaliteit van acute geboortezorg onder druk? Zo ja, wat gaat u doen? Zo nee, waarom niet?
Zie antwoord vraag 4.
Het bericht ‘Omdat duizenden bedrijven geen natuurvergunning hebben weten we niet hoeveel stikstof de industrie uitstoot’ |
|
Carla Dik-Faber (CU) |
|
Eric Wiebes (minister economische zaken) (VVD), Carola Schouten (viceminister-president , minister landbouw, visserij, voedselzekerheid en natuur) (CU) |
|
|
|
|
Bent u bekend met het bericht «Omdat duizenden bedrijven geen natuurvergunning hebben weten we niet hoeveel stikstof de industrie uitstoot»?1
Ja.
Is er bekend hoeveel bedrijven in heel Nederland geen vergunning voor gebiedsbescherming in het kader van de Natuurbeschermingswet hebben? Zo nee, kunt u opdracht geven aan de provincies om te onderzoeken om hoeveel bedrijven dit gaat?
De emissies van alle sectoren, dus ook van de industrie, zijn bekend door Emissieregistratie. Hiervoor wordt geen gebruik gemaakt van gegevens uit vergunningen.
Het is niet bekend hoeveel bedrijven er ten onrechte geen vergunning hebben in het kader van de Wet natuurbescherming. Of een vergunning noodzakelijk is, hangt af van bedrijfsspecifieke en locatie specifieke kenmerken. Het is in eerste instantie aan bedrijven zelf om de inschatting te maken of een vergunning aangevraagd moet worden. De provincies zijn in de meeste gevallen het bevoegd gezag voor vergunningverlening, toetsing en handhaving. Zij voeren deze taken uit op basis van hun prioriteiten en de beschikbare capaciteit.
Ik deel uw mening dat vergunningverlening, toezicht en handhaving noodzakelijk zijn.
Deelt u de mening dat voor het draagvlak voor maatregelen tegen te hoge stikstofuitstoot, cruciaal is dat alle sectoren, dus ook de industrie, worden getoetst op hun impact op de natuur en zijn voorzien van een natuurvergunning waar nodig?
Zie antwoord vraag 2.
Kunt u verklaren hoe het komt dat zoveel, vaak grote bedrijven geen natuurvergunning hebben aangevraagd? Bent u van mening dat er voldoende aandacht is geweest bij vergunningverlenende instanties voor benodigde natuurvergunningen voor bedrijven? Kunt u uw antwoord toelichten?
Een belangrijke verklaring voor het feit dat een deel van de bedrijven, zowel groot als klein, geen vergunning heeft, is dat een vergunning niet altijd noodzakelijk is. Er geldt onder andere geen vergunningplicht voor het aspect stikstof als de betreffende activiteit geen depositie veroorzaakt of al bestond op de referentiedatum van het Natura 2000-gebied en sindsdien ongewijzigd is voortgezet.
Daarnaast zijn er ook agrarische en industriële bedrijven zonder vergunning, omdat hun activiteit ten tijde van het PAS was vrijgesteld van vergunningplicht. Dit was het geval als de stikstofdepositie de toenmalige grenswaarde van maximaal 1 mol/hectare/jaar niet overschreed. Totdat een voorziening voor collectieve legalisering van gerealiseerde meldingen is getroffen zal, zoals aangegeven in mijn brief van 27 juni 2019 (Kamerstuk 32 670, nr. 163), geen actieve handhaving plaatsvinden. De initiatiefnemers die in het kader van de vrijstellingsregeling een melding hebben gedaan of een meldingsvrije activiteit ontplooiden, hebben immers te goeder trouw gehandeld. In mijn brief van 16 december 2019 (Kamerstuk 35 334, nr. 25) ben ik hier nader op in gegaan.
Kunt u nagaan bij de provincies hoe de controles op de Wet Natuurbescherming zijn uitgevoerd? Kunt u nagaan hoe het komt dat er onvoldoende gehandhaafd wordt op het ontbreken van de natuurvergunning voor industriële activiteiten?
Voor het antwoord op deze vraag verwijs ik u naar het antwoord op vraag 2 en 3.
Is er zonder deze natuurvergunningen voldoende in beeld wat de impact is op de natuur van de uitstoot van stikstofoxide door de industriesector? Kunt u uw antwoord toelichten?
De impact van de uitstoot van stikstofdioxide door de industrie is goed in beeld door luchtkwaliteitsmodellen, zoals AERIUS. Deze modellen geven een beeld van de stikstofdepositie in de natuur, onder meer uitgesplitst per sector. De bijdrage van de sector industrie aan de stikstofdepositie in Nederland bedroeg in 2018 1% van de totale depositie.2 De luchtkwaliteitsmodellen maken gebruik van de emissiegegevens van Emissieregistratie. Gegevens uit de natuurvergunning worden hier niet voor gebruikt.
De uitstoot van de industriesector is bekend voor een groot aantal individuele bedrijven. Bedrijven zijn verplicht hun emissiecijfers te rapporteren via het elektronisch Milieujaarverslag, als de emissie boven een vastgestelde drempel uitkomt (10 ton voor NOx). Dit betreft honderden bedrijven, die samen zorgen voor 87% van de jaarlijkse Nederlandse industriële NOx-emissie. Ook van de bedrijven die de resterende 13% van de industriële NOx-emissie veroorzaken zijn de emissiegegevens in beeld. Deze emissies onder de rapportagedrempel worden niet exact per bedrijf geregistreerd, maar afgeleid uit gegevens als het energieverbruik en de productie-index van de bedrijven. Het totaal van deze emissies is ook bekend, doordat gegevens over de precieze hoeveelheid totaal verstookte brandstof geleverd worden door het CBS.
Deelt u de mening dat de rapportage van volledige uitstoot kan bijdragen aan een beter beeld van de uitstoot van stikstof en mogelijke fluctuaties daarvan door de jaren heen? Bent u in het licht daarvan bereid om de huidige norm aan te passen, die stelt dat er pas boven de 10 ton aan uitstoot van NOx en ammoniak hoeft te worden gerapporteerd in het milieujaarverslag, hetgeen gelijk staat aan de uitstoot van vijf gemiddelde melkveehouderijen?
De Emissieregistratie levert een voldoende nauwkeurig beeld van de NOx-uitstoot door de industrie. Met de rapportagedrempel van 10 ton NOx per jaar wordt 87% van de NOx-emissies nauwkeurig bepaald en de resterende 13% met aanzienlijke nauwkeurigheid. Verlaging van de rapportagedrempel zou leiden tot een verhoging van het percentage van 87%, maar levert naar de inschatting van de Emissieregistratie nauwelijks een verbetering op van de robuustheid van de cijfers. De door Nederland gehanteerde rapportagedrempel van 10 ton voor NOx is reeds lager dan de drempel van 100 ton die in de EU E-PRTR verordening staat.
Het bericht ‘Geheime diensten morren over nieuwe toezichthouder’ |
|
Paul Smeulders (GL), Kathalijne Buitenweg (GL), Isabelle Diks (GL) |
|
Ank Bijleveld (minister defensie) (CDA) |
|
|
|
|
Heeft u kennisgenomen van het bericht «Geheime diensten morren over nieuwe toezichthouder»?1
Ja.
Klopt het dat de AIVD en de MIVD ongelukkig zijn met de assertieve manier waarop de Toetsingscommissie Inzet Bevoegdheden (TIB) opereert? Zo ja, waarom? Zo nee, hoe is dit beeld ontstaan?
Ruim anderhalf jaar geleden is de TIB geïntroduceerd als toetsingscommissie die voorafgaand aan de uitoefening van bijzondere bevoegdheden door de AIVD en MIVD de door de verantwoordelijke Ministers verleende toestemming op rechtmatigheid beoordeelt.
In sommige gevallen is er discussie over de reikwijdte van de toets van de TIB. Bij brief van 2 juli 2019 (Kamerstuk 29 924, nr. 186) informeerde ik uw Kamer meest recentelijk over het samen met mijn collega van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties gevoerde gesprek met de TIB en de CTIVD inzake hun rechtseenheidsbrieven, waarbij ook de strekking van de rechtmatigheidstoets door de TIB aan de orde is gekomen. In het gesprek is vast komen te staan dat de verschillen van inzicht inzake de rechtmatigheidstoets door de TIB in de praktijk overbrugbaar zijn.
De TIB speelt een belangrijke rol in het autorisatieproces met betrekking tot de inzet van bijzondere bevoegdheden door de diensten. Het onafhankelijke en scherpe oordeel komt de kwaliteit van het werk van de diensten ten goede.
Klopt het dat er regelmatig «discussiepunten» zijn tussen de diensten en de TIB? Zo ja, waar gaan deze «discussiepunten» over en welke «discussiepunten» keren regelmatig terug? Zo nee, hoe kan het dat dit beeld bij de TIB is ontstaan?
In sommige gevallen is er discussie over de reikwijdte van de toets of het toetsingskader van de TIB. De diensten zijn namens mij bijvoorbeeld in gesprek met de TIB over geautomatiseerde data-analyse (GDA) om te komen tot een toepassing van GDA die recht doet aan zowel de strekking van de wet als aan de operationele uitvoeringspraktijk.
Klopt het dat de AIVD van mening is dat de TIB erg gedetailleerd naar de aanvragen kijkt, terwijl de AIVD van mening is dat er slechts een marginale toets zou moeten plaatsvinden? Zo ja, waarom? Zo, nee wat gaat u doen om dit beeld bij de TIB weg te nemen?
Conform de wet is de toets van de TIB een bindende toets op rechtmatigheid, waarbij naar de noodzaak, proportionaliteit, subsidiariteit en gerichtheid van de voorgenomen inzet van een bijzondere bevoegdheid wordt gekeken. Zoals tijdens de parlementaire behandeling van de Wiv 2017 is bevestigd, is de toets van de TIB géén marginale toets. Hierover bestaat geen onduidelijkheid.
Klopt het dat het nooit de bedoeling is geweest van de wetgever dat de TIB slechts marginaal toetst en dat dit ook in strijd is met jurisprudentie van het Europees Hof? Zo nee, waarom niet? Zo ja, wat is de oorzaak dat de AIVD (en de MIVD) hier anders over lijkt te denken?
Zoals tijdens de parlementaire behandeling van de Wiv 2017 is bevestigd, is de toets van de TIB géén marginale toets. Hierover bestaat geen onduidelijkheid.
Klopt het dat de diensten van mening zijn dat de TIB vaak doorvraagt naar technische details? Zo ja, waarom?
De wet biedt de TIB de mogelijkheid om vragen te stellen en om aanvullende informatie te verzoeken wanneer de TIB dit noodzakelijk acht voor een goede uitvoering van haar taak. Het doorvragen bij een door de Minister verleende toestemming voor de inzet van een bijzondere bevoegdheid hoort er bij en gebeurt dan ook met enige regelmaat. Hier kunnen ook vragen bij zitten die zien op de technische aspecten van de inzet van de desbetreffende bijzondere bevoegdheid. De gevraagde informatie wordt dan conform de wettelijke verplichting aan de TIB verstrekt.
Klopt het dat de AIVD soms lang wacht met het nadere onderzoek van data die bij een bulkhack zijn vergaard? Zo ja, hoe beoordeelt u de zorg van de TIB op dit specifieke punt? Kunt u hierbij ook aangeven hoe beoordeeld wordt hoelang data redelijkerwijs zonder nader onderzoek ter beschikking van de diensten kan blijven?
De diensten zijn op grond van de Wiv 2017 verplicht om met behulp van bijzondere middelen verworven gegevens zo spoedig mogelijk op relevantie te beoordelen. Voor gegevens die zijn verworven via een hack – de bevoegdheid tot het binnendringen in een geautomatiseerd werk ex artikel 45 van de Wiv 2017 – geldt voor deze relevantiebeoordeling een maximale termijn van één jaar, met een mogelijkheid tot eenmalige verlenging van zes maanden. Bij het uitvoeren van deze relevantiebeoordeling zijn aard, omvang en complexiteit van de verworven gegevens van invloed op de termijn waarbinnen deze toets kan worden uitgevoerd. Dat neemt niet weg dat deze zo snel mogelijk moet plaatsvinden. Dit volgt ook uit de goede taakuitvoering van de diensten, immers de gegevens worden verworven voor actuele onderzoeken en een spoedige evaluatie van de verworven gegevens is van belang om tijdig dreigingen voor de nationale veiligheid te onderkennen.
Deelt u de mening van de TIB dat het bij het beoordelen van een hack relevant is om te weten of de data die hierbij worden verzameld mogelijk worden gedeeld met een of meer buitenlandse diensten? Zo nee, waarom niet? Zo ja, bent u van mening dat de diensten dit voortaan bij hun aanvraag moeten vermelden? Zo nee, waarom niet?
Op 20 juni jl. is met de TIB en de CTIVD gesproken over de reikwijdte van de rechtmatigheidstoets. In dit gesprek is afgesproken dat, indien de diensten bij het doen van een verzoek om toestemming voor de inzet van een bijzondere bevoegdheid aan de Minister reeds het oogmerk hebben om gegevens te delen met buitenlandse diensten, dit in het verzoek wordt gemeld en – indien de toestemming is verleend – dit door de TIB in de rechtmatigheidstoets kan worden betrokken.
Snapt u dat de TIB, om geautomatiseerde data-analyse goed te snappen, precies moet kunnen weten wat de werkwijze van de diensten is? Zo nee, waarom niet?
In artikel 36, eerste lid, van de Wiv 2017 is bepaald wat ter toetsing aan de TIB dient te worden voorgelegd en daarmee het object van de rechtmatigheidstoets definieert, namelijk: het aan de toestemming ten grondslag liggende verzoek alsmede het door de Minister genomen besluit. Het gaat hier ingevolge artikel 32, tweede lid, van de wet, waarin de toetsingstaak van de TIB is geregeld, om een toets op rechtmatigheid.
De wet biedt de TIB de mogelijkheid om vragen te stellen en om aanvullende informatie te verzoeken wanneer de TIB dit noodzakelijk acht voor een goede uitvoering van haar taak. De diensten hebben in dit kader ook meerdere keren gesproken met de TIB over GDA.
Klopt het dat de diensten vinden dat de TIB zich teveel met de werkwijze van de diensten bemoeit? Zo nee, hoe gaan de diensten deze indruk bij de TIB wegnemen?
Zoals al in de antwoorden op bovenstaande vragen is gesteld, heb ik samen met mijn collega van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties met de TIB gesproken over de reikwijdte van de rechtmatigheidstoets. Hierbij is vastgesteld dat de verschillen van inzicht inzake de rechtmatigheidstoets in de praktijk overbrugbaar zijn.
Klopt het dat de AIVD (en de MIVD) graag een beroepsmogelijkheid zou willen wanneer de TIB een aanvraag om een bevoegdheid in te zetten afwijst? Zo ja, wat vindt u hiervan?
Zoals ik uw Kamer informeerde bij brief van 12 november jl. (Kamerstuk 34 588, nr. M) zal de hele inrichting, de functie en de plek van de TIB in het bestel worden betrokken in de evaluatie van de Wiv 2017 die uiterlijk 1 mei 2020 van start gaat. Dit ook tegen de achtergrond van het vraagstuk van ministeriële verantwoordelijkheid. Ik wil en kan niet vooruitlopen op deze evaluatie.
Bent u van plan om met een voorstel voor een wettelijke beroepsmogelijkheid voor de diensten te komen? Zo ja, waarom en wanneer? Zo nee, deelt u de mening van de TIB dat de diensten «soms ook gewoon hun verlies moeten nemen en moeten erkennen dat een verzoek niet wordt toegestaan»? Zo nee, waarom niet?
Ik wacht graag de evaluatie van de Wiv 2017 af waarin de inrichting, functie en plek van de TIB in het bestel zal worden betrokken, een en ander tegen de achtergrond van het vraagstuk van ministeriële verantwoordelijkheid.
Indien de TIB van oordeel is dat een toestemming niet rechtmatig is verleend, geven de diensten uiteraard gevolg aan dit oordeel.
Vindt u het gezichtsverlies als een verzoek door de TIB wordt afgewezen dat u zelf wel had goedgekeurd? Zo nee, bestaat die indruk wel bij de AIVD?
Nee. Deze indruk bestaat ook niet bij de AIVD. De TIB maakt een zelfstandige, onafhankelijke afweging. Uiteraard wil ik een negatief rechtmatigheidsoordeel van de TIB over een door mij verleende toestemming wel zoveel mogelijk vermijden.
Deelt u de mening dat het, gelet op de diverse kritische rapporten van de CTIVD over de uitvoering van de nieuwe bevoegdheden uit de Wiv 2017 door de veiligheidsdiensten, juist van elementair belang is dat het TIB op assertieve en doorvragende wijze haar toezichtstaak vervult? Zo nee, waarom niet?
De TIB speelt in het stelsel van toetsing en toezicht een belangrijke rol. Het onafhankelijke en scherpe oordeel komt de kwaliteit van het werk van de diensten ten goede. Tegelijkertijd is het goed om te benadrukken dat de rol van de TIB een wezenlijk andere rol is dan die van de CTIVD. De TIB toetst de verleende toestemmingen voor de inzet van bijzondere bevoegdheden in de autorisatiefase, voorafgaand aan de inzet. De CTIVD is belast met toezicht op de uitoefening van de desbetreffende bevoegdheid, zowel tijdens als na afloop hiervan. De bevoegdheden van de CTIVD hebben daarbij naar hun aard een ruimer bereik.
Kunt u deze vragen één voor één beantwoorden?
Ja.