De tijdelijke maatregelen voor de woningmarkt |
|
Jacques Monasch (PvdA), Ed Groot (PvdA) |
|
Frans Weekers (staatssecretaris financiën) (VVD) |
|
|
|
|
In uw brief van 30 augustus 20101 over de tijdelijke maatregelen voor de woningmarkt kondigt u een tijdelijke verlaging aan van het btw-tarief arbeidskosten renovatie woningen, in hoeverre kunt u garanderen dat deze btw-verlaging daadwerkelijk wordt doorberekend aan de consument? Heeft u daarover met de branche harde afspraken gemaakt?
Allereerst moet ik benadrukken, dat de overheid niet treedt in prijsafspraken tussen ondernemers en consumenten. Die prijsafspraken worden beheerst door de regels van de vrije markt. De overheid beschikt niet over de instrumenten om te garanderen dat een btw-verlaging wordt doorberekend aan de consument. Dat neemt niet weg dat ik het een kwestie van fatsoen vind om het voordeel door te berekenen aan de consument. Dat standpunt is al eerder met de Kamer gewisseld.2 Juist om ervoor zorg te dragen dat consumenten optimaal profiteren van het verlaagde btw-tarief op arbeidskosten bij renovatie en herstel van woningen is voor de besluitvorming over deze maatregel al overleg gevoerd met Bouwend Nederland, MKB-Nederland en VNO-NCW. Deze organisaties hebben toegezegd zich richting hun leden actief te zullen inzetten om ervoor te zorgen dat het tariefsvoordeel aan de consument wordt doorberekend. Mij hebben signalen bereikt dat desbetreffende organisaties gevolg geven aan deze toezegging. Overigens mag, gezien de aandacht die Financiën en ook de media heeft besteed aan de maatregel, ook verwacht worden dat woningeigenaren alert zijn op een juiste toepassing van de maatregel.
Kunt u aangeven hoe effectief deze maatregel is? Schept deze maatregel meer banen, voorkomt de maatregel werkloosheid? Heeft deze maatregel ook effecten op werkgelegenheid in andere branches dan de bouw?
Zoals het kabinet in de hiervoor aangehaalde brief van 30 augustus jl. heeft opgemerkt, beoogt het pakket aan tijdelijke maatregelen de woningmarkt een impuls te geven, mede vanwege de omzetdaling in de bouwsector en de gevolgen daarvan voor de economie en de werkgelegenheid. Juist bij de btw-verlaging gaat het om een tijdelijke stimulans die snel en gericht ingevoerd kan worden. Daar komt bij dat de branche op aandringen van het kabinet heeft toegezegd zich bij de leden ervoor te zullen inzetten dat het voordeel wordt doorberekend aan de consument. Het geïsoleerde effect van de btw-verlaging kan vooraf niet exact worden bepaald.
Deelt u de mening dat ook de architectenbranche hard is getroffen door de crisis in de bouw? Kunt u aangeven waarom u heeft gekozen om de architectendiensten buiten deze regeling te houden? Bent u bereid de architectenbranche alsnog in de regeling te betrekken? Zo nee, waarom niet?
Door de gevolgen van de economische crisis is de bouwsector in zijn geheel zwaar getroffen. Deze gevolgen werken door op branches die diensten verrichten aan de bouwsector, zoals architecten, die het aantal opdrachten van bouwbedrijven zien teruglopen. Om de bouwsector een tijdelijke extra impuls te geven wordt tijdelijk het btw-tarief naar 6% op arbeidskosten bij renovatie en herstel van woningen verlaagd. Diensten van architecten vallen niet onder deze regeling, aangezien deze diensten niet zijn aan te merken als renovatie- en herstelwerkzaamheden. Een apart verlaagd btw-tarief voor diensten van architecten is op grond van de Europese btw-richtlijn niet toegestaan. Desondanks is mijn verwachting dat ook aan de bouwsector grenzende branches, waaronder de architectenbranche, zullen meeprofiteren van de voorgestelde btw-maatregel.
Is het waar dat deze maatregel niet geldt voor de renovatie van woonboten en woonwagens? Kunt u aangeven waarom consumenten woonachtig in een woonboot of woonwagen geen gebruik kunnen maken van deze maatregel? Is het mogelijk deze maatregel ook open te stellen voor de renovatie van woonboten en woonwagens?
Ja. De btw-richtlijn maakt de toepassing van het verlaagde btw-tarief alleen mogelijk voor het renoveren en herstellen van particuliere woningen. Volgens vaste rechtspraak van het Hof van Justitie dient voor toepassing van verlaagde btw-tarieven gekozen te worden voor een strikte uitleg.3 Tegen deze achtergrond is voor een uitleg gekozen waarbij voor het begrip «particuliere woningen» wordt aangesloten bij onroerende zaken die bestemd zijn voor permanente bewoning. Woonboten en woonwagens zijn expliciet uitgezonderd van deze regeling. In verband met de kosten en een goede uitvoering en handhaafbaarheid ben ik voorstander van een duidelijke afbakening. Uitbreiden van de regeling tot woonboten en woonwagens maakt de afbakening met andere eventueel voor bewoning geschikte zaken lastiger. Ik ben daar geen voorstander van.
De totale kosten voor deze maatregel worden gedekt door de onderuitputting van de incidentele Energie Investeringsaftrek uit het aanvullend beleidsakkoord, hoeveel is deze onderuitputting en wat zijn de consequenties hiervan voor het energie-investeringsaftrek (EIA-)programma?
De incidentele intensivering van de Energie-Investeringsaftrek (EIA) ten behoeve van energiebesparende investeringen in huurwoningen, die als gevolg van het aanvullend beleidsakkoord is geïntroduceerd, is te onderscheiden van de reeds bestaande, structurele EIA. Beide regelingen bestaan separaat van elkaar en ook het budget van de structurele EIA is gescheiden van het budget van de incidentele EIA-maatregel. De besteding van de onderuitputting van de incidentele EIA-maatregel heeft dan ook geen consequenties voor de structurele EIA.
Op basis van de meest recente cijfers zal de realisatie van de incidentele EIA-maatregel in 2010 uitkomen rond de € 10 mln. Dit is vergelijkbaar met de realisatie over 2009. Het budget van de incidentele EIA bedraagt in totaal € 277,5 mln ((130 mln over 2009 en 147,5 mln over 2010). De onderuitputting van de incidentele EIA over de periode 2009–2010 bedraagt dus circa € 250 mln.
Voor de tijdelijke maatregelen voor de woningmarkt zoals opgenomen in het Belastingplan 2011, is de derving geraamd op € 195 mln. Dit betekent dat het niet waarschijnlijk is dat de incidentele EIA voortijdig – dat wil zeggen vóór 1 december van dit jaar – zou moeten worden gesloten, zelfs als het beslag voor de rest van dit jaar nog zou toenemen.
Wat is er bekend over de effecten van de ophoging van de Nationale Hypotheekgarantie?
De minister voor WWI heeft het EIB opdracht gegeven de effecten van diverse maatregelen m.b.t. de woningbouw te onderzoeken. Een van de maatregelen die onderzocht wordt, is de tijdelijke ophoging van de Nationale Hypotheekgarantie. Het onderzoek is inmiddels van start gegaan. Om de effecten van de maatregelen zo goed mogelijk te kunnen onderzoeken, is het noodzakelijk een relatief lange onderzoeksperiode in acht te nemen, mede omdat de maatregelen nog lopen. In de loop van 2011 zal de eindrapportage naar de Tweede Kamer worden gestuurd.
Is er met de banken overlegd of zij in dit kader bereid zijn om de kredietverstrekking te normaliseren? Zo ja, wat waren de resultaten van dit gesprek? Zo nee, waarom heeft u dit in het kader van het stimuleren van de woningmarkt, mede in het licht aan de steun aan de banken, nagelaten?
Met regelmaat wordt met de financiële instellingen overlegd over de kredietverlening in Nederland. Dit gebeurt bijvoorbeeld in het kader van de Taskforce Kredietverlening. Hierover wordt de Kamer regelmatig geïnformeerd. Aanvullend specifiek overleg over de hypotheekverstrekking in het kader van de tijdelijke verlenging van de ophoging van de Nationale Hypotheek Garantie (NHG) is naar inzichten van het kabinet niet nodig. Van de tijdelijke verhoogde NHG wordt veel gebruik gemaakt. Op dit moment wordt bijna 80% van de aankopen van woningen binnen de NHG-kostengrens gefinancierd met de NHG.
Het niet verhypothekeren van huizen op erfpacht door banken |
|
Betty de Boer (VVD) |
|
Jan Kees de Jager (minister financiën) (CDA) |
|
|
|
|
Heeft u kennisgenomen van het bericht over de erfpachtoplossing waar de gemeente Amsterdam kennelijk voor heeft gekozen, inzake het niet verhypothekeren van woningen op particuliere erfpacht door banken?1
Ja.
Is het u bekend of banken door de economische crisis terughoudender omgaan met het verstrekken van hypotheken aan woningen op particuliere erfpacht? Zo nee, waar komt het voornemen van de gemeente Amsterdam om de grondeigendommen van particulieren over te nemen dan vandaan? Loopt de gemeente in deze ook risico’s?
Zoals vermeld in Kamerbrief FM/2010/4146 zijn diverse banken inderdaad zeer huiverig om hypotheken te verstrekken bij particuliere erfpacht. De NVB stelt dat dit primair komt door onduidelijkheid over de voorwaarden van de erfpachtovereenkomsten, onduidelijkheid over de identiteit van de (toekomstige) erfverpachter en/of de toekomstige hoogte van het erfpachtcanon.
Dit mag niet betekenen dat er niets gedaan wordt aan de situatie dat bepaalde mensen met onverkoopbare huizen komen te zitten. Inmiddels is bekend geworden dat de Gemeente Amsterdam en de NVB hebben besloten om getroffen huiseigenaren tegemoet te komen. Zoals valt te lezen in het persbericht van de Gemeente Amsterdam zijn de gemeente en de NVB van mening dat deze groep mensen hun huis weer moet kunnen verkopen. Om dit te realiseren zouden bestaande gevallen van particuliere erfpacht omgezet moeten kunnen worden. Zoals het bericht vermeldt kan dit op twee manieren. De eerste mogelijkheid is dat de erfpachter zelf initiatief neemt en zijn erfverpachter benadert voor het bijkopen van het bloot eigendom van de grond. Door het bijkopen van de bloot-eigendom van de erfpacht door de erfpachter (of diens rechtsopvolger) gaat het erfpachtrecht door vermenging teniet en ontstaat er een situatie van volle eigendom. Ten tweede kan de Gemeente Amsterdam de grond (het bloot eigendom) kopen, zodat gemeentelijke erfpacht ontstaat. In dit geval loopt de Gemeente Amsterdam dan ook dezelfde risico’s als bij gemeentelijk erfpacht.
Als deze twee wegen niet tot een oplossing leiden, dan zullen banken bezien of financiering van huizenbezitters op particuliere erfpacht alsnog mogelijk is. Zo kan een bank overwegen of aan potentiële kopers van particuliere erfpacht alsnog een hypotheek wordt verstrekt. Ik hoop dat deze handreiking een oplossing is voor het bovenstaande geschetste probleem. Ik zal dit proces nauwlettend blijven volgen.
Bent u bereid na te gaan om welke banken het hier gaat, en wat het beleid inzake verhypothekeren op particulier erfpacht van deze banken inhoudt? Zo nee, waarom niet.
Zie antwoord op vraag 2. Is zijn algemeenheid zijn de banken zeer terughoudend bij het verstrekken van hypotheken op particuliere erfpacht. Zoals aangegeven zullen banken echter overwegen om aan potentiële kopers van particuliere erfpacht alsnog een hypotheek te verstrekken indien er geen andere oplossing wordt gevonden.
Bent u bereid na te gaan om hoeveel gevallen van particulier erfpacht het hier landelijk gaat? Zo nee, waarom niet?
Uit cijfers van het Kadaster blijkt dat er in Nederland in 2009 op 8 078 percelen particuliere erfpacht zit. Dat cijfer is een lichte stijging ten opzichte van 2007 toen er op 8 046 percelen particuliere erfpacht zat. Het kan overigens wel zo zijn dat er op één perceel meerdere woningen staan.
Is het waar dat de Nederlandse Mededingingsautoriteit (NMa) onderzoekt of er sprake is van onderling afgestemd gedrag tussen banken als het gaat om de hoge, of hoogte van de rentetarieven?2 Bent u bereid de NMa te vragen of er eveneens afspraken tussen banken inzake hypotheken op particulier erfpacht bestaan? Zo nee, waarom niet?
Het klopt dat de NMa bekend heeft gemaakt onderzoek te doen naar onder andere de ontwikkeling van de marges in de hypotheekmarkt. Als onafhankelijk toezichthouder op de naleving van de Mededingingswet bepaalt de NMa zelf waar zij onderzoek naar wenst te verrichten. Zo heeft de NMa besloten dat de financiële markten, waaronder de markt voor hypotheken, een speerpunt vormen in haar toezicht. Hierbij kijkt de NMa ook naar mogelijke gedragsafstemming tussen banken, wat onder omstandigheden een overtreding kan vormen van het kartelverbod.
Wat zijn de bevindingen van de minister van Financiën inzake de verstrekking van hypotheken bij particulier erfpacht door banken?3
Zie antwoord op vraag 2.
Dreigende huurexplosie |
|
Sadet Karabulut |
|
Onderschrijft u de conclusie van het onderzoek van de Woonbond1, waaruit blijkt dat woningcorporaties bij mutatie de huren de komende jaren met gemiddeld 14 procent willen verhogen tegenover een gemiddelde van 6 procent nu? Zo ja, acht u dit wenselijk? Zo nee, waarom niet?
Ik ken het onderzoek van de Woonbond naar het huurbeleid van de corporaties in Nederland. Uit dit onderzoek blijkt op grond van de gegevens van 250 corporaties dat het streefhuurniveau, dit is het huurniveau waarnaar zij de huur bij bewonerswisseling willen optrekken, gemiddeld 14 procent hoger ligt dan de huidige gemiddelde huur.
Het tempo waarin corporaties deze streefhuren kunnen realiseren is overigens afhankelijk van de mutatiegraad van hun woningvoorraad. Deze mutatiegraad bedroeg in 2009 7,5%. Het is dus niet zo dat corporaties alle huren binnen enkele jaren met het genoemde percentage kunnen optrekken.
Volgens de rapportage «Feiten en achtergronden van het huurbeleid», welke ik u op 19 februari j.l. heb toegezonden, vond in 2009 bij de woningen waarbij een bewonerswisseling plaatsvond in 76% van de gevallen huurharmonisatie plaats. De huur werd daarbij met gemiddeld 16,4% opgetrokken. Dit leidde tot een harmonisatie-effect (aandeel van de totale huurverhoging dat is toe te schrijven aan huurverhogingen die voortkomen uit het harmoniseren van huren bij mutatie) van 0,5%. Ik beschouw dit niet als een explosieve huurstijging. Dit effect ligt bovendien de laatste jaren op een vrij constant niveau.
Ik constateer dan ook dat het onderzoek van de Woonbond op dit punt geen nieuwe ontwikkeling laat zien.
Deelt u de mening dat, daar de Nederlandse huurders de hoogste woonlasten hebben van Europa2 en veel hogere dan die van eigen woningbezitters, het niet redelijk is de huren nog verder te verhogen? Zo ja, wat gaat u doen om een huurexplosie te voorkomen? Zo nee, waarom niet?
Uit het onderzoek «Housing and social inclusion» van de Europese Commissie van 2009 blijkt dat het niveau van de woonlasten in Nederland tot de hogere van Europa behoort. Van belang is wel dat in de berekening van de woonlasten door de Europese Commissie ook de kosten voor energieverbruik, reparatie en onderhoud worden meegenomen. Een andere reden voor een hoger woonlastenniveau in Nederland is gelegen in de relatief hoge kwaliteit van de woonruimte ten opzichte van die in andere EU-landen.
De summiere door de EC gepubliceerde cijfers zijn voor mij aanleiding om een nadere analyse op het survey-onderzoek van de EU te laten uitvoeren. Ik heb dan ook recent opdracht gegeven aan het OTB te Delft om deze onderzoeksinformatie nader te laten analyseren.
Het is mogelijk de huren bij nieuwe verhuringen, binnen de grenzen van de huurprijsregelgeving, te verhogen.
Er kunnen moverende redenen zijn om de huurprijs bij een nieuwe verhuring hoger vast te stellen. Zo kan het zijn dat de huurprijs tijdens de voorgaande verhuring jarenlang is achtergebleven bij de geboden woonkwaliteit.
Belangrijk is dat de huurstijging en het nieuwe huurprijsniveau beperkt worden door de maximale huurprijs op grond van het woningwaarderingsstelsel.
Woningcorporaties zijn bovendien nog gebonden aan de aanbiedingsafspraken die zij met gemeenten maken. Daarnaast dienen zij op grond van de
Wet op het overleg huurders verhuurder met de huurdersorganisaties te overleggen over hun huurprijsbeleid.
Onderschrijft u dat, wanneer de huurprijs bij mutatie fors stijgt, de huurder wordt uitgemolken, de woningnood zal toenemen, wachtlijsten groeien en steeds meer mensen tussen wal en schip zullen gaan vallen? Zo ja, hoe denkt u dit tegen te gaan? Zo nee, waarom niet?
Neen. Het gaat hier om nieuwe verhuringen, waarbij de huurprijs in evenwicht is met de geboden kwaliteit. De huurder kan ervoor kiezen de woning wel of niet te gaan huren. Welke huurprijs de woning voorheen had is voor een nieuwe huurder niet relevant. Huurders kunnen bovendien een beroep doen op de huurtoeslag.
Bent u bereid met de woningcorporaties in overleg te treden om explosieve huurstijgingen te voorkomen, en te zoeken naar andere maatregelen om de financiële positie van de woningcorporaties zeker te stellen, zonder dat daarbij de sociale volkshuisvesting wordt geschaad? Zo ja, bent u bereid om in ieder geval de vennootschapsbelasting af te schaffen? Zo nee, waarom niet en wat dan wel?
Neen. In vervolg op mijn antwoord op vraag 3, zie ik hier geen reden toe.
Problemen met huurtoeslag bij straatnaamwijzigingen |
|
Farshad Bashir (SP) |
|
Jan Kees de Jager (minister financiën) (CDA) |
|
|
|
|
Is het u bekend dat ongeveer twintig huishoudens uit Vlaardingen in problemen zijn gekomen vanwege een straatnaamwijziging nu de adressen die eerder bekend stonden als «Afrol» gelegen zijn aan de «Gedempte Biersloot»?1
Ja.
Hoe kan het dat als gevolg van een straatnaamwijziging bewoners geen huurtoeslag meer krijgen en zelfs de toeslag over 2009 terug moeten betalen?
Voor het recht op de huurtoeslag is de inschrijving in de Gemeentelijke Basis Administraties (GBA) van het huishouden op het woonadres bepalend. Het GBA-adres moet overeenkomen met de gegevens in de aanvraag. Wanneer in dit adres wijzigingen optreden moet een toeslagaanvrager dit aan de Belastingdienst/Toeslagen melden. Op basis van deze gegevens wordt immers de huurtoeslag toegekend.
De Belastingdienst/Toeslagen voert periodiek administratieve controles uit op de juiste inschrijving. Bij deze controle is een straatnaamwijziging niet te onderscheiden van een verhuizing. In dit geval betreft het zowel een wijziging van de straatnaam, het huisnummer, alsmede de postcode. Omdat het adres in de GBA-registratie als gevolg van een naamswijziging niet meer overeenkomt met de gegevens in de aanvraag, is de toeslag beëindigd en is er een terugvordering ontstaan vanaf het moment (in 2009) dat de gegevens niet meer overeenkomen. Deze controle is juist uitgevoerd.
Hoe snel gaat u dit probleem oplossen?
De Belastingdienst/Toeslagen heeft direct acties ingezet om de invorderingen stop te zetten. Daarnaast heeft de Belastingdienst/Toeslagen contact opgenomen met de betreffende woningcorporatie en de gegevens van de belanghebbenden ontvangen. Deze gegevens zijn zo snel mogelijk verwerkt in een aangepast voorschot 2010 en, indien van toepassing, in een aangepaste definitieve toekenning 2009. De betrokken aanvragers ontvangen een nieuwe beschikking met een toekenning op het juiste adres. De betaling van de voorschotten is hervat.
Overigens is door de betrokken woningbouwcorporatie een overbruggingsregeling met de betrokken huurders overeengekomen om eventuele acute financiële problemen van huurders te voorkomen. De woningbouwcorporatie verlaagt de huurprijs voor de maand september (en indien van toepassing ook voor oktober) met de huurtoeslag.
Hoe gaat u dit soort problemen in de toekomst voorkomen?
Het is niet mogelijk om tijdens de administratieve controles een straatnaamwijziging te onderscheiden van een daadwerkelijke verhuizing. Wanneer de betrokken huurders dan wel de woningcorporatie een bericht van de straatnaamwijziging hadden gestuurd, hadden de problemen voorkomen kunnen worden. De Belastingdienst/Toeslagen zal gemeenten en verhuurders hierop attenderen.
De houding van de gemeente Amsterdam inzake het uitvoeren van de kraakwet |
|
Betty de Boer (VVD) |
|
|
|
|
Kent u het bericht «Amsterdamse krakers vrijuit»?1
Ja.
Kent u de notitie van burgemeester Van der Laan, waarin volgens De Telegraaf gemeld wordt dat het handhaven van de nieuwe Wet Kraken en leegstand geen prioriteit heeft bij het hoofdstedelijk gemeentebestuur? Bent u bereid kennis te nemen van deze notitie en deze ter informatie aan de Kamer te verstrekken, en na te gaan wat de status is van deze notitie?
Zoals in antwoord op vragen van de leden Vietsch, Ten Hoopen en Van Bochove (allen CDA) aan de ministers voor Wonen, Wijken en Integratie, van Justitie en van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties over de Wet kraken en leegstand (ingezonden 9 juni 2010) is aangegeven, vindt over de handhaving van het kraakverbod afstemming in de lokale driehoek plaats, teneinde de beschikbare politiecapaciteit evenwichtig te verdelen over de door het Openbaar Ministerie aangedragen strafrechtelijke prioriteiten en de door de burgemeester aangedragen prioriteiten op het terrein van openbare orde en veiligheid (Tweede Kamer 2009–2010, nr. 2740).
Blijkens informatie die ik recentelijk van de gemeente Amsterdam ontving, wordt over dit onderwerp eind september in driehoeksverband een notitie besproken. Aan deze notitie wordt op dit moment nog gewerkt en de inhoud ervan staat dan ook nog niet vast.
Deelt u de mening dat door het parlement vastgestelde wetten uitgevoerd dienen te worden, en niet ad hoc terzijde geschoven kunnen worden door willekeurige overheden? Zo nee, waarom niet? Welke actie gaat u nemen om ervoor te zorgen dat de gemeente Amsterdam de uitvoering van de Wet Kraken en leegstand ter hand neemt?
Ja. Zie verder het antwoord op vraag 2.
Het beschikbaar stellen van woningen voor de sociale huurvoorraad |
|
Betty de Boer (VVD) |
|
|
|
|
Kent u het artikel «Amsterdam besteelt eigenaar tweede huis»?1
Ja ik heb kennis genomen van het artikel.
Tevens heb ik kennis genomen van het artikel in de Volkskrant van 25 augustus 2010, waaruit blijkt dat de gemeente eerst extra juridisch advies over deze kwestie zal inwinnen en ook met mijn ministerie over de kwestie wil overleggen.
Daarnaast heb ik er kennis van genomen dat de gemeente Amsterdam heeft besloten om alle eigenaren die zijn aangeschreven een excuusbrief te sturen.
Kent u de uitspraak van de Rechtbank Amsterdam, Sector Kanton, van 27 juli 2005 waarin de rechter heeft uitgesproken dat het hebben van twee hoofdverblijfplaatsen is toegestaan? Hoe verhoudt zich deze uitspraak met de bestaande praktijk in Amsterdam? Deelt u de mening dat gerechtelijke uitspraken dienen te worden uitgevoerd en opgevolgd? Zo nee, waarom niet?
Zoals ik bij vraag 1 heb aangegeven wil de gemeente Amsterdam overleg over deze kwestie. Daartoe ben ik gaarne bereid. Ik wacht eerst de gesprekken met Amsterdam en verdere informatie over deze zaak af alvorens vervolgstappen te overwegen.
Bent u bereid actie te ondernemen richting de gemeente Amsterdam om te bewerkstelligen dat deze gemeente gerechtelijke uitspraken opvolgt? Zo nee, waarom niet?
Zie antwoord vraag 2.
Bent u bekend met de praktijk in Amsterdam waarin het voorkomt dat woningcorporaties woningen uit hun woningvoorraad doorverhuren ten behoeve van hotels die daarin gasten onderbrengen? Zo nee, bent u bereid te verifiëren of dit daadwerkelijk voorkomt in Amsterdam? Indien u dit niet bent, waarom niet?
De situatie op dit punt is mij bekend. Het is woningcorporaties op grond van het Besluit beheer sociale huurwoningen niet toegestaan om zelf panden als hotel te verhuren. Wel is het onder voorwaarden voor toegelaten instellingen mogelijk om woningen aan derden te verhuren ten behoeve van de exploitatie van een hotel. In voorgaande Kamervragen ben ik hier dieper op ingegaan. Zie hiervoor ook mijn brief van 22 april 2010, kenmerk 29 453 nr. 157.
Bent u bekend met de uitspraak van het Europese Hof die bekend staat als de Poolse kwestie?2 Bent u bereid na te gaan hoe de gemeente Amsterdam omgaat met de puntentelling voor de huurberekening, en of de gemeente Amsterdam zich hierbij ook houdt aan Europese richtlijnen en gerechtelijke uitspraken over deze materie? Zo nee, waarom niet?
Met deze uitspraak ben ik bekend.
In zijn algemeenheid kan worden gesteld dat de Nederlandse huurwetgeving niet vergelijkbaar is met de toenmalige Pools huurwetgeving; zo is er voldoende ruimte voor huurverhogingen, kunnen onderhoudskosten redelijkerwijs uit de huur opbrengsten worden gedekt en is de huurovereenkomst primair een privaatrechtelijke aangelegenheid tussen huurder en verhuurder, inclusief de huurprijs, ondanks de regulering van overheidswege voor het niet-geliberaliseerde deel van de huurvoorraad.
Het gaat er derhalve vooral om hoe individuele verhuurders hiermee omgaan.
Ook kunnen huurders op grond van de Nederlandse huurwetgeving, indien zij het niet eens zijn met de puntentelling voor hun woning, een beroep doen op de Huurcommissie om de huurprijs te laten toetsen.
Ik zie dan ook geen aanleiding om de gemeente Amsterdam op dit aspect aan te spreken.
Te dure hypotheken |
|
Jolande Sap (GL) |
|
Jan Kees de Jager (minister financiën) (CDA) |
|
|
|
|
Bent u bekend met het bericht «Hypotheek duur voor klant» en het bericht «Dure huizen, geen spaargeld»?1
Ja.
Hoe beoordeelt u over het algemeen het verdienmodel van de Nederlandse financiële sector?
Deelt u de mening dat het verdienmodel in de sector waarbij banken geld verdienen aan hypotheken en over het algemeen bijleggen op betaalrekeningen gedragsafstemming in de hand zou kunnen werken?
Bent u bereid met banken te gaan praten over een herziening van het verdienmodel zodat dat meer in de pas is met het verdienmodel in andere Europese landen?
Bent u bereid te onderzoeken hoe het aanbod van hypotheken tegen variabele rentes en voor kortlopende rentevaste periodes zich verhoudt tot het aanbod in andere Europese landen?
De NMa heeft in de quick scan de marges op hypotheken vergeleken met de marges in Duitsland, België en Frankrijk. Hieruit komt naar voren dat in 2004 en 2005 de marges op hypotheken met een variabele rente in Nederland laag waren in vergelijking met de ons omringende landen. Vanaf medio 2009 zijn de marges op hypotheken met een variabele rente in Nederland relatief hoog in vergelijking met België en Duitsland.
Kunt u ook uiteenzetten welk deel van de hypotheken in ons land wordt afgesloten tegen een variabel tarief? Wanneer dit substantieel afwijkt van omringende landen, kunt u dan uiteenzetten of informatieasymmetrie daarbij wellicht een rol speelt en de mogelijkheden onderzoeken hoe banken de consumenten beter zouden kunnen voorlichten over de voor- en nadelen van verschillende rentevaste periodes?
Uit cijfers van DNB blijkt dat in Nederland ruim 20% (de NMa spreekt in de quick scan van 25%) van het aantal hypotheken wordt afgesloten met een variabel rentetarief. Hierbij wordt als variabele debetrentevoet aangemerkt een rente die voor een krediet verschuldigd is, uitgedrukt in een percentage op jaarbasis, waarbij de rentevaste periode korter is dan één jaar. Uit onderstaande figuur, die is opgesteld op basis van cijfers van DNB over de eerste 6 maanden van 2010, blijkt dat de gemiddeld gekozen rentevaste looptijd per land verschilt.
Zoals ik heb geantwoord op vragen van het CDA is uit onderzoek van de AFM naar voren gekomen dat consumenten op dit moment onvoldoende inzicht hebben in de fluctuatie en de opbouw van het in rekening gebrachte variabele rentepercentage. Hierdoor kunnen consumenten de risico’s die zij lopen door fluctuatie van de variabele rente niet goed inschatten. Ik heb eerder aangekondigd op korte termijn over te gaan tot de consultatie van een Algemene Maatregel van Bestuur inzake variabele rente. De eerste resultaten van het onderzoek van de NMa hebben mij echter doen besluiten om in een breder kader te kijken naar deze ontwikkelingen op de hypotheekmarkt. Zoals ik eerder heb aangegeven zal ik hiertoe op korte termijn in overleg treden met marktpartijen en andere stakeholders, waaronder de AFM.
Kunt u uiteenzetten hoe de recente monetaire verruimingen van de Europese Centrale Bank (ECB) zich verhouden tot de relatief hoge hypotheekrentes in combinatie met het lage risico van wanbetaling op Nederlandse hypotheken? Zouden meer hypotheken met kortere rentevaste periodes of variabele rentes hierbij uitkomst kunnen bieden?
Het NMa-onderzoek geeft meer duidelijkheid over de ontwikkelingen van de hypotheekmarges in Nederland. Uit de quick scan van de NMa blijkt dat de marges na medio 2009 hoog zijn in historisch perspectief.
Het type contract speelt een belangrijke rol bij het bepalen van de rentetarieven. Zo worden voor hypotheken met korte rentevaste periodes (of variabele rentes) doorgaans lagere tarieven gehanteerd dan voor hypotheken met een lange rentevaste periode. Consumenten die kiezen voor een hypotheek met een variabele rente kunnen wel te maken krijgen met fluctuerende maandlasten. Het is aan de consument om te bepalen bij welke aanbieder hij het contract naar keuze onder de gunstigste voorwaarden kan afnemen.
Ook andere factoren kunnen bepalend zijn voor de hoogte van hypotheekrentes. U stelt bijvoorbeeld terecht dat de inschatting van de risico’s voor een bank een grote rol spelen. De NMa vermeldt in de quick scan het debiteurenrisico, het pijplijnrisico en het prepayment risico. Het is echter ook mogelijk dat andere specifieke omstandigheden in Nederland ten grondslag liggen aan de hoogte van de rentetarieven.Hettweede deel van het onderzoek van de NMa zal de concurrentieomstandigheden op de hypotheekmarkt in kaart brengen en de mogelijk gebreken van de marktwerking identificeren. Overigens blijkt uit de quick scan van de NMa als wordt gekeken naar het verschil van degemiddelde marge vóór en na augustus 2009, dat deze verschillen groter zijn voor hypotheken met een variabel rentepercentage. Het is dus maar de vraag of meer hypotheken met een kortere rentevaste periode hier uitkomst kunnen bieden. Om daar een beter beeld van te krijgen moet het bredere onderzoek van de NMa worden afgewacht.
Is het niet zo dat de combinatie van het prijsopdrijvend effect van de hypotheekrenteaftrek en relatief weinig spaargeld om uit te lenen er juist voor zorgt dat hypotheken duurder worden, en daarmee de rentes hoger worden? Zou u via een studie kunnen uitzoeken welk deel van het totale bedrag aan hypotheekrenteaftrek hierdoor terecht komt bij de banken en bijvoorbeeld het Centraal Plan Bureau (CPB) kunnen verzoeken deze studie te verrichten?
Zoals ik heb geantwoord op eerdere vragen doet de NMa op dit moment onderzoek naar de hoogte en ontwikkelingen van de hypotheekrentes. De quick scan is inmiddels openbaar, maar er volgt nog een breder onderzoek waarvan de NMa de resultaten in het voorjaar van 2011 hoopt te presenteren. Voor wat betreft de hypotheekrenteaftrek merk ik op dat het CPB, in het kader van de werkgroep Heroverweging Wonen, betrokken is geweest bij onderzoek naar interventie van de overheid op de woningmarkt, waarbij ook de fiscale stimulering van eigenwoningbezit is meegenomen. Ik acht het op dit moment dan ook niet nodig het CPB te verzoeken aanvullend onderzoek uit te voeren naar hypotheekrentes.
Antikraakovereenkomsten en leegstand in de sociale huursector |
|
Paulus Jansen (SP) |
|
|
|
|
Is u bekend dat de woningcorporatie Woonbelang te Veghel al geruime tijd vrijkomende sociale huurwoningen in de Oranjewijk niet meer verhuurt maar uitgeeft op basis van gebruiksovereenkomsten (antikraakovereenkomsten), terwijl er nog geen formeel besluit genomen is over sloop of renovatie van de wijk?
Ja, de corporatie heeft mij meegedeeld dat het een voorgenomen herstructurering betreft.
Is het waar dat de gebruikers van de woningen in Oranjewijk aan leegstandsbeheerder Ad Hoc een maandelijkse gebruiksvergoeding van € 135,– (alleenstaanden) respectievelijk € 200,– (samenwonenden) moeten betalen (exclusief de kosten van de nutsbedrijven), alsmede eenmalige kosten van € 85,– voor een brandveiligheidspakket en € 300,– als borg?
Ja, de corporatie heeft aangegeven dat deze gegevens correct zijn.
Is er bij dergelijke vergoedingen nog wel sprake van bruikleen zoals bedoeld in Boek 7a BW, of is er feitelijk sprake van een verkapte huurovereenkomst? Zo ja, deelt u de mening dat Woonbelang door deze handelswijze artikel 15 van de Leegstandswet ontduikt? Zo ja, wat voor actie gaat u hiertegen ondernemen? Zo nee, kan de minister voor WWI zijn standpunt nader motiveren en aangeven onder welke condities corporaties binnen de kaders van de wet sociale huurwoningen kunnen uitgeven op basis van antikraakovereenkomsten?
Hoeveel corporatiewoningen stonden ultimo 2009 leeg en hoeveel waren op dat moment in gebruik op basis van een antikraakovereenkomst?
Ik onderschrijf dat niet-reguliere vormen van beheer beperkt dienen te worden tot de bijzondere situaties waarvoor ze bedoeld zijn.
Het spreekt voor zich dat de sociale huurwoningvoorraad bedoeld is om bewoond te worden door mensen die daar wat betreft hun inkomen of andere beperkende omstandigheden voor in aanmerking komen. De regelgeving zoals vastgelegd in het Besluit beheer sociale-huursector strekt daar ook toe.
Of overigens sprake is van een toename in de toepassing van anti-kraakovereenkomsten kan ik niet aangeven (zie het antwoord op vraag 3(b)).
Indien er sprake is van een (sterke) stijging van leegstand en antikraakovereenkomsten: onderschrijft de minister voor WWI de wenselijkheid dat dergelijke niet-reguliere vormen van beheer zoveel mogelijk beperkt worden, om de optimale benutting van de schaarse sociale huurvoorraad te verbeteren?
Het maken van prestatieafspraken is een aangelegenheid tussen gemeenten en corporaties. Zij bepalen in onderling overleg wat er gelet op de lokale opgave gedaan moet worden en hoe dat moet gebeuren.
Moeten naar de mening van de minister voor WWI gemeenten en woningcorporaties in hun prestatieafspraken hiervoor concrete doelstellingen formuleren?
In het antwoord op vraag 3 (b) heb ik aangegeven dat het Centraal Fonds Volkshuisvesting gegevens over leegstand verzamelt vooral met het oog op de financiële positie van de corporaties. Verdere monitoring acht ik niet aan de orde, aangezien overeenkomsten tussen de verhuurder en huurder/gebruiker een zaak zijn van die partijen.
Is de minister voor WWI bereid om leegstand en antikraakcontracten in de sociale huurvoorraad op landelijk niveau beter te monitoren? Zo ja, hoe gaat hij die monitoring uitvoeren? Zo nee, waarom niet?
Het eindverslag van de externe toezichthouder bij woningcorporatie Servatius |
|
Sadet Karabulut |
|
Is het waar dat de externe toezichthouder van woningcorporatie Servatius zijn eindverslag bij u heeft ingediend? Zo nee, op welke termijn verwacht u dit verslag te ontvangen? Zo ja, kan de Kamer een afschrift van dit verslag ontvangen?
Op 1 april 2010 is het extern toezicht bij Servatius beëindigd. De door mijn ambtsvoorganger aangestelde externe toezichthouder bij Servatius (dhr. D.B. Stadig) heeft op 11 april 2010 zijn eindverslag bij mijn ambtsvoorganger ingediend. Bij deze doe ik u betreffend eindverslag toekomen.1
Wat is de standaardprocedure met betrekking tot de openbaarheid van verslagen van toezichthouders?
De verslagen van externe toezichthouders worden niet standaard openbaar gemaakt. Verzoeken om openbaarmaking worden getoetst aan de Wet openbaarheid van bestuur (Wob). Openbaarmaking van de gevraagde informatie blijft achterwege wanneer zich één of meer van de in artikel 10 en 11 van de Wob genoemde uitzonderingsgronden of beperkingen voordoen. Op grond van de Algemene Wet Bestuursrecht (Awb) worden belanghebbenden in de gelegenheid gesteld hun zienswijze op openbaarmaking te geven.
Ook bij een eventuele verstrekking aan uw Kamer van een verslag van een toezichthouder dient een dergelijke afweging plaats te vinden in verband met het belang van de overheid in het kader van de uitoefening van het toezicht, alsmede het feit dat openbaarmaking onevenredige schade zou kunnen toebrengen aan een belanghebbende en/of de overheid.
Indien deze verslagen standaard niet openbaar zijn, kunt u motiveren waarom? Als uw motivatie is dat er deels vertrouwelijke informatie in het verslag staat, waarom wordt deze niet ondergebracht in een vertrouwelijke bijlage, waardoor de essentie van het verslag wel openbaar is? Hoe kunnen de huurdersorganisatie, de ondernemingsraad en de volksvertegenwoordigers in de gemeenten waarin een woningcorporatie actief is hun controlerende taak waarmaken als ze niet beschikken over cruciale informatie?
Zoals bij vraag 2 aangegeven zijn de verslagen van toezichthouders niet standaard openbaar, omdat de aard van de informatie zich daar niet standaard voor leent. In feite dient per rapportage te worden afgewogen of (gedeeltelijke) openbaarmaking aan de orde is. Het heeft mijn voorkeur externe toezichthouders in alle vrijheid aan mij te laten rapporteren en vervolgens aan de hand van de uitzonderingsgronden in de Wob, in overleg met belanghebbenden, te bepalen of (delen van) de rapportage vertrouwelijk moet blijven. In het geval van de rapportage van de heer Stadig heeft deze afweging ertoe geleid dat u hierbij de integrale rapportage aantreft.
Overigens wordt een externe toezichthouder aangesteld door de minister, waaraan hij ook rapporteert. De minister legt verantwoording af aan de Tweede Kamer. Op dat niveau is derhalve de controlerende taak belegd als het gaat om de invulling van de rol van extern toezichthouder bij een woningcorporatie. De aanwezigheid van een extern toezichthouder bij een woningcorporatie heeft geen beperkende invloed op de reguliere verantwoordingsplicht voor corporaties richting lokale belanghebbenden.
Het bericht dat asielzoekers sneller een huis krijgen |
|
Eric Lucassen (PVV), Sietse Fritsma (PVV) |
|
|
|
|
Heeft u kennisgenomen van het bericht «Asielzoekers krijgen sneller huis»?1
Ja.
Is de berichtgeving waar, dat een zogenaamde «Taskforce Thuisgeven» alles in het werk gaat stellen om een groep van duizenden asielzoekers snel aan een woning te helpen?
Ja. Het betreft hier de huisvesting van zogenaamde vergunninghouders, asielzoekers die na een zorgvuldige procedure een verblijfsvergunning hebben gekregen en in een asielzoekerscentrum verblijven in afwachting van hun huisvesting. De plaatsen die zij nu bezet houden, dienen vrij te komen voor asielzoekers die nog in procedure zijn en zelf dienen zij zo snel mogelijk te gaan participeren in de Nederlandse samenleving. Om die reden krijgt elke gemeente op grond van de Huisvestingswet een taakstelling voor de huisvesting met voorrang van een aantal vergunninghouders naar rato van het aantal inwoners. In de huisvesting van deze groep is een achterstand ontstaan. Per 1 juli 2010 bedraagt deze bijna 2 200 vergunninghouders. Daarnaast dienen er tot 1 januari 2011 5 400 nieuwe vergunninghouders gehuisvest te worden. Ter verduidelijking: het betreft hier dus geen nieuwe of extra groep.
Het is om twee redenen van groot belang dat deze achterstand snel wordt weggewerkt: ten eerste is het voor de vergunninghouders belangrijk zo snel mogelijk aan de inburgering, de integratie en de participatie aan de Nederlandse samenleving te beginnen. Ten tweede zijn er onnodige kosten gemoeid met het te lang verblijven in de COA-centra.
De Minister van Justitie en ik hebben om de hiervoor genoemde redenen de Taskforce Thuisgeven in het leven geroepen om de achterstanden bij de huisvesting van deze vergunninghouders in te lopen. Tevens heeft de Taskforce opdracht daarbij nadrukkelijk de inburgering en participatie te bevorderen. Het is in ieders belang dat de weg naar scholing en werk ingeslagen wordt.
Deelt u de mening dat een dergelijk «huisvestingsoffensief» voor zo’n grote groep asielzoekers onvermijdelijk gevolgen heeft voor andere mensen die op de wachtlijst voor een huurwoning staan? Zo nee, waarom niet?
Nee, die mening deel ik niet. De doelstelling is de achterstand in 12 maanden weg te werken. Normaliter vinden in een dergelijke periode ruim 190 000 mutaties plaats binnen de sociale huurwoningvoorraad. Het huisvesten van de genoemde groep vergunninghouders binnen dat geheel heeft een zeer gering effect.
Deelt u de mening dat het zeer onrechtvaardig is voor andere mensen die wachten op een huurwoning dat men deze groep asielzoekers voorrang verleent? Zo nee, waarom niet?
Zoals eerder aangegeven betreft het een relatief gering aantal vergunninghouders dat om redenen van kostenefficiëntie, inburgering en participatie zo snel mogelijk buiten de asielzoekerscentra gehuisvest moet worden. Om dit te verwezenlijken is in de Huisvestingswet verankerd dat deze groep met voorrang gehuisvest wordt.
Met verwijzing naar het antwoord op vraag 3, bestrijd ik dat reguliere woningzoekenden de dupe zijn van de uit de Huisvestingswet voortvloeiende taakstelling en ik zie derhalve geen redenen maatregelen te treffen.
Bent u bereid maatregelen te treffen om te voorkomen dat reguliere woningzoekenden de dupe worden van dit plan om asielzoekers te bevoordelen? Zo ja, om welke maatregelen gaat het? Zo nee, waarom niet?
Zie antwoord vraag 4.
Bent u bereid maatregelen te treffen om de instroom van asielzoekers en andere vreemdelingen te beperken? Zo nee, waarom niet?
Het kabinet heeft in de afgelopen periode een aantal maatregelen genomen om de asielprocedure te verbeteren. De verbeterde asielprocedure is op 1 juli 2010 ingevoerd en zal leiden tot snellere en zorgvuldigere afhandeling van asielaanvragen.
Het bericht "Luxekantoor koopje voor moslimclub" |
|
Sietse Fritsma (PVV) |
|
|
|
|
Bent u bekend met het bericht «Luxekantoor koopje voor moslimclub»?1
Ja.
Is het waar dat de historische Montelbaanstoren door het Amsterdamse stadsdeel Centrum voor een symbolisch bedrag aan de stichting Secret Garden wordt verhuurd? Zo ja, welk bedrag aan huur betaalt deze organisatie maandelijks voor dit pand?
Nee. Navraag bij het Amsterdamse stadsdeel Centrum leert dat er geen sprake is van een symbolische huur. De stichting Secret Garden betaalt een huur van € 1426,25 per maand incl. BTW voor de Montelbaanstoren. Dit is per jaar € 17 115,00 voor een gebruiksoppervlakte van 165 m2. De prijs per vierkante meter kom daarmee uit op € 104,00. Dit is ook de prijs die in december 2009 is bepaald aan de hand van een taxatie van een makelaarskantoor. Hierbij is rekening gehouden met het feit dat er gebruiksbeperkingen rusten op het gebouw. Zo is bijvoorbeeld 65 m2 alleen geschikt voor opslag en archief.
Deelt u de mening dat het onacceptabel is dat de genoemde stichting op kosten van de Amsterdamse belastingbetaler wordt gehuisvest, nota bene in de duurste kantoorruimte van de stad? Zo nee, waarom niet?
Nee. Blijkens het verkregen ambtsbericht van het Amsterdamse stadsdeel Centrum is hierbij geen sprake van een onwenselijke huurconstructie. De exploitatie van de Montelbaanstoren is volgens het stadsdeel Centrum kostendekkend.
Bent u bereid de gemeente Amsterdam tot de orde te roepen en op te dragen af te zien van deze zeer onwenselijke huurconstructie en de Montelbaanstoren te verhuren aan een huurder die de verschuldigde huur zelf kan opbrengen? Zo nee, waarom niet?
Zie antwoord vraag 3.
Bent u tevens bereid paal en perk te stellen aan het verstrekken van dergelijke buitensporige vormen van overheidssteun door lagere overheden aan organisaties als de genoemde stichting en te eisen dat dergelijke organisaties voortaan hun eigen broek op houden? Zo nee, waarom niet?
Zoals uit mijn antwoord op vraag 2 blijkt, is bij de verhuur van de Montelbaanstoren aan Secret Garden geen sprake van overheidssteun.
Huren in de particuliere sector |
|
Bas Jan van Bochove (CDA), Paulus Jansen (SP) |
|
|
|
|
Is u bekend dat Vesteda voor een complex huurwoningen in het geliberaliseerde segment1 aan nieuwe huurders aanzienlijk lagere huren vraagt dan aan zittende huurders van identieke woningen?
Ja.
Onderschrijft u de conclusie dat het vragen van lagere huren aan nieuwe huurders erop duidt dat de marktwaarde van deze woningen gedaald is?
Ja.
Zo ja, acht u het acceptabel dat Vesteda bij zittende huurders – de facto: gebonden klanten – de huur niet aanpast?
In het geliberaliseerde segment hebben de huurder en verhuurder de vrijheid om zelf de hoogte van de huurprijs en een latere wijziging van de huurprijs overeen te komen. Hierbij geldt evenwel dat de huurprijs slechts eenmaal per jaar mag worden verhoogd (art. 7:251 BW). In de huurovereenkomst zal in het algemeen terzake de huurverhoging een indexeringsclausule zijn opgenomen. Voor huurverlagingen zijn geen regels gesteld.
Het meebewegen van huurprijzen van bestaande contracten met schommelingen in de marktwaarde van de gehuurde woonruimte is niet aan de orde, indien dat niet door de huurder en verhuurder is overeengekomen. Dat zou immers voor beide partijen de rechtszekerheid in ernstige mate aantasten.
Ik merk op dat huurprijsliberalisatie voor duurdere huurwoningen is ingevoerd omdat de noodzaak voor waarborgen in de huurprijsregelgeving voor deze duurdere huurwoningen was weggevallen aangezien de woningschaarste in dit huursegment was afgenomen. Ook nu is de schaarste in het duurdere huursegment aanzienlijk lager dan in het gereguleerde huursegment. Huurders in het geliberaliseerde segment worden daarom maar in beperkte mate als «gebonden klanten» beschouwd. Zittende huurders kunnen in redelijkheid afwegen of zij de huidige huurovereenkomst, zonder aanpassing, wensen voort te zetten of deze willen opzeggen om andere woonruimte te huren of te kopen.
Heeft de rechter op basis van het huidige Burgerlijk Wetboek de ruimte om voor huurwoningen in het geliberaliseerde segment een huurverlaging vast te stellen als de marktomstandigheden dat rechtvaardigen? Zo nee, bent u bereid om te onderzoeken of, en zo ja hoe, deze ruimte wel gecreëerd kan worden?
Partijen staat het vrij om hun geschil over de huurprijs van woonruimte aan de rechter voor te leggen, ook als het woonruimte betreft in het geliberaliseerde segment. Zo kan de huurder de vraag voorleggen aan de rechter of er reden is voor aanpassing van de huurovereenkomst op grond van onvoorziene omstandigheden (art. 6:258 BW). Een aanpassing zal plaatsvinden wanneer de omstandigheden van het geval dat rechtvaardigen. Als omstandigheid die de rechter mede in zijn beoordeling kan betrekken, komt ook in aanmerking een extreme waardevermindering van de woning, zoals deze wellicht in later overeengekomen huren van vergelijkbare woonruimte tot uiting komt.
De Wet kraken en leegstand |
|
Antoinette Vietsch (CDA), Bas Jan van Bochove (CDA), Jan ten Hoopen (CDA) |
|
|
|
|
Wat vindt u ervan dat de gemeente Utrecht niet van plan is de Wet kraken en leegstand1 uit te voeren en niet zal optreden tegen krakers ten gevolge van een motie van GroenLinks, ondersteund door D66, PvdA, SP en Stadspartij Leefbaar Utrecht?2
De gemeenteraad heeft zijn gevoelens kenbaar gemaakt over de uitvoering van de Wet kraken en leegstand en roept het college op om zoveel mogelijk aan te sluiten bij de huidige praktijk. De strafrechtelijke handhaving van het nieuwe art. 138a Wetboek van Strafrecht is echter voorbehouden aan het Openbaar Ministerie en onder diens gezag de politie.
Is het waar dat het Openbaar Ministerie ook niet van plan is krakers te vervolgen?3
Nee, het Openbaar Ministerie heeft aangegeven dat het algemeen kraakverbod zal worden gehandhaafd met inachtneming van het opportuniteitsbeginsel en de beschikbare capaciteit van politie en justitie. Handhavend optreden is steeds de inzet, waarbij meer gewicht aan handhaving toekomt indien de eigenaar bijvoorbeeld gehinderd wordt in het realiseren van de gekozen bestemming van een pand, alsook indien er sprake is van overlast voor de omgeving of vernielingen door de krakers. Op deze wijze kan worden gewaarborgd dat de handhaving van het algemeen kraakverbod in de prioriteitstelling evenwichtig is ten opzichte van de handhaving van andere strafrechtelijke normen. Over de inzet van het Openbaar Ministerie vindt afstemming in de lokale driehoek plaats ten einde de beschikbare politiecapaciteit evenwichtig te verdelen over de door het Openbaar Ministerie aangedragen strafrechtelijke prioriteiten en door de burgemeester aangedragen prioriteiten op het terrein van openbare orde en veiligheid.
Hoe gaat u zorgen dat de wet tegen het kraken, een wet die op initiatief van de leden Ten Hoopen (CDA), Slob (CU) en Van der Burg (VVD) tot stand is gekomen, in alle gemeenten uitgevoerd wordt en krakers aangepakt worden?
Ik heb geen aanleiding om te veronderstellen dat artikel 138a Wetboek van Strafrecht – zodra dit van kracht is – strafrechtelijk niet zal worden gehandhaafd, zoals hiervoor reeds is aangegeven.
De WABO |
|
Rendert Algra (CDA) |
|
Tineke Huizinga (minister volkshuisvesting, ruimtelijke ordening en milieubeheer) (CU) |
|
|
|
|
Heeft u kennisgenomen van berichtgeving dat er mogelijk toch sprake zal zijn van nieuwe vertragingen bij de invoering van de WABO?12
In aanloop naar het bestuurlijk overleg van 1 juni bereikten mij signalen dat gemeenten en provincies tijd nodig zouden hebben om de ICT-tool goed in te regelen in de eigen organisatie.
Wat is de rol van de vereniging Bouw- en Woningtoezicht bij deze mogelijke vertraging?
De Vereniging BWT Nederland is een beroepsvereniging voor gemeenten, organisaties en personen die actief zijn in of betrokken zijn bij het bouw- en woningtoezicht door gemeenten. Net als andere beroepspartijen is deze vereniging een bron van informatie als het gaat om kwesties van uitvoerbaarheid. De Vereniging BWT ondersteunt de gemeenten bij de invoering van de Wabo. Signalen uit de beroepsgroep worden opgepikt en doorgegeven door de vereniging.
Welke trainingsachterstanden zijn er bij gemeenten?
Vanuit VROM is in 2009 en in 2010 geïnvesteerd in opleidingen. Gemeenten en provincies zullen er vervolgens voor moeten zorgen dat deze kennis ook wordt gedeeld en wordt verwerkt in de werkprocessen. De zorg voor een verantwoorde en zorgvuldige invoering op 1 juli zit niet zozeer op training, maar op een goede invoering van het digitale vergunningproces. Ook hierbij is er sprake van training en opleiding om goed met de digitale tool die het proces ondersteunt, om te kunnen gaan. Nu de invoering van de Wabo per
1 oktober zal plaats vinden, is er voldoende tijd om met de definitieve versie van de tool zoals deze inmiddels als inregel- en oefenversie is vrijgegeven te oefenen.
Deelt u de mening dat, gezien de lange aanloop tot de WABO, het niet kan bestaan dat training van medewerkers bij gemeenten aanleiding kan zijn tot uitstel van invoering?
Zie antwoord op vraag 3.
Wat heeft uw overleg van 20 mei 2010 met provincies, gemeenten en waterschappen over de planning opgeleverd?
Het bestuurlijk overleg waar u op doelt heeft op 1 juni plaats gevonden. In het inwerkingstredings KB (Staatsblad 2010, 231) is opgenomen dat de invoeringsdatum 1 oktober dit jaar is. IPO en VNG hebben aangegeven te zullen zorgen voor een zorgvuldige en succesvolle invoering, zodat burgers en bedrijven per 1 oktober kunnen profiteren van een vereenvoudigde en digitale vergunningaanvraag.
Welke maatregelen neemt u om ervoor te zorgen dat de WABO per 1 juli 2010 daadwerkelijk wordt ingevoerd?
Koopsubsidie |
|
Cynthia Ortega-Martijn (CU) |
|
|
|
|
Kent u het bericht «Woede over koopsubsidie»?1
Ja.
Is het waar dat circa 1000 tot 1500 starters in de periode tussen 29 maart en 13 april koopsubsidie hebben aangevraagd?
Van 30 maart 2010 tot en met 13 april zijn er 1353 aanvragen ingediend. De aanvragen van 29 maart zijn in behandeling genomen en beoordeeld.
Herinnert u zich uw uitspraak in uw brief van 22 maart 2010 dat volgens de prognoses van dat moment medio april 2010 het budget voor de regeling Wet Bevordering Eigen Woningbezit (BEW) op zou zijn?
De uitspraak in mijn brief van 22 maart 2010 betrof een prognose op basis van het tot dat moment wekelijks binnenkomende aantal aanvragen. Daarna liep het aantal aanvragen per dag echter fors op, waardoor de uitputting van het budget sneller verliep dan op 22 maart nog werd gedacht.
Waarom is het stoppen van de koopsubsidieregeling pas op 13 april 2010 bekend gemaakt terwijl de subsidiepot al op 29 maart leeg was?
De aanvragen voor koopsubsidie worden op volgorde van binnenkomst beoordeeld. De doorlooptijd bedraagt twee weken. Bij ontvangst van de aanvraag kan nog geen definitief deel van het budget aan de aanvraag gekoppeld worden. Pas op 13 april was duidelijk dat met de aanvragen tot en met 29 maart het beschikbare budget zou zijn uitgeput.
Kunt u uiteenzetten welke informatie op welke datum door Agentschap NL op de website is geplaatst over het aflopen van de subsidieregeling? Welke informatie zoals genoemd in uw brief van 9 april 2010 was voor 13 april al beschikbaar op deze site?
Al vanaf 19 maart 2010 heeft Agentschap NL een waarschuwing en schatting met betrekking tot het aantal nog toe te kennen aanvragen gepubliceerd op de website. Om de aanvragers te beschermen tegen financiële consequenties van het opraken van het budget adviseerde Agentschap NL een ontbindende clausule op te nemen in de koopovereenkomst.
Op 19 maart 2010 werd het volgende op de website gepubliceerd:
«Het budget voor de koopsubsidie is bijna uitgeput. Vanaf 22 maart 2010 zullen wij dagelijks aangeven hoeveel wij nog ongeveer kunnen toekennen. Aanvragen worden op volgorde van indiening behandeld totdat het budget op is. Wij adviseren u om bij het sluiten van de koopovereenkomst een ontbindende clausule op te nemen voor het geval u geen koopsubsidie krijgt. Het budget is voldoende voor ongeveer 1750 aanvragen. De laatste tijd worden ongeveer 120 aanvragen per dag ingediend.»
Vervolgens op 23 maart 2010:
«Budget Koopsubsidie nog voor 1630 aanvragen.
Het budget voor de koopsubsidie is bijna uitgeput. Vanaf 22 maart 2010 zullen wij dagelijks aangeven hoeveel wij nog ongeveer kunnen toekennen. Aanvragen worden op volgorde van indiening behandeld totdat het budget op is. Wij adviseren u om bij het sluiten van de koopovereenkomst een ontbindende clausule op te nemen voor het geval u geen koopsubsidie krijgt. Het budget is voldoende voor ongeveer 1630 aanvragen. De laatste tijd worden ongeveer 120 aanvragen per dag ingediend.»
Op 24 maart 2010:
«Budget Koopsubsidie nog voor 1510 aanvragen.
Het budget voor de koopsubsidie is bijna uitgeput. Vanaf 22 maart 2010 zullen wij dagelijks aangeven hoeveel wij nog ongeveer kunnen toekennen. Aanvragen worden op volgorde van indiening behandeld totdat het budget op is. Wij adviseren u om bij het sluiten van de koopovereenkomst een ontbindende clausule op te nemen voor het geval u geen koopsubsidie krijgt. Het budget is voldoende voor ongeveer 1510 aanvragen. De laatste tijd worden ongeveer 120 aanvragen per dag ingediend.»
Na de publicatie van het bericht van 19 maart 2010 steeg het aantal aanvragen. Zie hierbij ook de brief van de minister aan de Tweede Kamer d.d. 20 april 2010.
Om dit te compenseren heeft Agentschap NL het gemiddelde aantal aanvragen dat is vermeld op de website, aangepast naar 170 per dag.
Op 26 maart 2010 werd het volgende op de website gepubliceerd:
«Budget Koopsubsidie nog voor 1290 aanvragen.
Het budget voor de koopsubsidie is bijna uitgeput. Vanaf 22 maart 2010 zullen wij dagelijks aangeven hoeveel wij nog ongeveer kunnen toekennen. Aanvragen worden op volgorde van indiening behandeld totdat het budget op is. Wij adviseren u om bij het sluiten van de koopovereenkomst een ontbindende clausule op te nemen voor het geval u geen koopsubsidie krijgt. Het budget is voldoende voor ongeveer 1290 aanvragen. De laatste tijd worden ongeveer 170 aanvragen per dag ingediend.»
Op 30 maart 2010:
«Budget Koopsubsidie nog voor 1120 aanvragen.
Het budget voor de koopsubsidie is bijna uitgeput. Vanaf 22 maart 2010 zullen wij dagelijks aangeven hoeveel wij nog ongeveer kunnen toekennen. Aanvragen worden op volgorde van indiening behandeld totdat het budget op is. Wij adviseren u om bij het sluiten van de koopovereenkomst een ontbindende clausule op te nemen voor het geval u geen koopsubsidie krijgt. Het budget is voldoende voor ongeveer 1120 aanvragen. De laatste tijd worden ongeveer 170 aanvragen per dag ingediend.»
Op 31 maart 2010:
«Budget Koopsubsidie nog voor 950 aanvragen.
Het budget voor de koopsubsidie is bijna uitgeput. Vanaf 22 maart 2010 zullen wij dagelijks aangeven hoeveel wij nog ongeveer kunnen toekennen. Aanvragen worden op volgorde van indiening behandeld totdat het budget op is. Wij adviseren u om bij het sluiten van de koopovereenkomst een ontbindende clausule op te nemen voor het geval u geen koopsubsidie krijgt. Het budget is voldoende voor ongeveer 950 aanvragen. De laatste tijd worden ongeveer 170 aanvragen per dag ingediend.»
Na deze drie publicaties bleek dat het aantal aanvragen nog steeds toenam tot boven de 200 aanvragen per dag. Het risico dat de voorraad het beschikbare budget zou overschrijden werd te groot waardoor op 1 april de volgende tekst op de website is gepubliceerd:
«Op dit moment zijn er bij Agentschap NL meer aanvragen ontvangen dan er naar verwachting met het nu beschikbare budget toegekend kunnen worden. Als u nu een aanvraag indient, bestaat de kans dat u een afwijzing ontvangt wegens overschrijding van het budget. Omdat wij een werkvoorraad hebben kunnen wij op dit moment niet zeggen op welk moment het budget is overschreden. De reeds ontvangen aanvragen worden in de komende weken op volgorde van ontvangst behandeld. Zolang het budget nog niet is uitgeput, wordt op elke aanvraag, indien aan de voorwaarden van de Wet bevordering eigenwoningbezit is voldaan, positief beschikt. Als bekend is wanneer het budget is overschreden wordt dit op deze website vermeld. Het opraken van het budget heeft geen gevolgen voor reeds toegekende aanvragen.»
In deze tekst van 1 april 2010 ontbrak het advies van Agentschap NL om een ontbindende clausule op te nemen waardoor op 2 april de tekst is aangepast naar:
«Op dit moment zijn er bij Agentschap NL meer aanvragen ontvangen dan er naar verwachting met het nu beschikbare budget toegekend kunnen worden. Als u nu een aanvraag indient, bestaat de kans dat u een afwijzing ontvangt wegens overschrijding van het budget. Omdat wij een werkvoorraad hebben kunnen wij op dit moment niet zeggen op welk moment het budget is overschreden. De reeds ontvangen aanvragen worden in de komende weken op volgorde van ontvangst behandeld. Zolang het budget nog niet is uitgeput, wordt op elke aanvraag, indien aan de voorwaarden van de Wet bevordering eigenwoningbezit is voldaan, positief beschikt. Als bekend is wanneer het budget is overschreden wordt dit op deze website vermeld. Het opraken van het budget heeft geen gevolgen voor reeds toegekende aanvragen. Agentschap NL adviseert u om bij het sluiten van de koopovereenkomst een ontbindende clausule op te nemen voor het geval u geen koopsubsidie krijgt.»
Hoewel deze tekst stond gepubliceerd op de website vanwaar de aanvragers het aanvraagformulier moeten downloaden en de digitale aanvraag kunnen indienen, zijn er in de periode van 2 april tot en met 13 april 2010 643 aanvragen ontvangen.
Op 13 april is daarom de volgende tekst op de website geplaatst:
«Er zijn meer aanvragen ontvangen dan met het beschikbare budget kan worden toegekend. Als u nu nog een aanvraag indient, wordt deze in beginsel afgewezen wegens overschrijding van het beschikbare budget.»
Hoe is het mogelijk dat na 29 maart 2010 nog aanvragen voor subsidie in behandeling zijn genomen?
Aanvragen die zijn binnengekomen na 29 maart 2010 zijn door Agentschap NL ontvangen maar niet in behandeling genomen. Na het uitputten van het budget ontvangen deze aanvragers een afwijzing. Agentschap NL kon op 29 maart 2010 niet voorspellen of deze aanvragen nog toegekend zouden worden.
Hoeveel geld is nodig om alle tot 13 april 2010 binnengekomen subsidieaanvragen die voldoen aan de voorwaarden, te honoreren?
De gemiddelde toegekende maandelijkse bijdrage over 2010 is € 82,92. Om 1353 dossiers toe te kennen is een meerjarig budget nodig van ongeveer €10 mln.
Mantelzorgwoningen |
|
Hans van Leeuwen , Renske Leijten |
|
Tineke Huizinga (minister volkshuisvesting, ruimtelijke ordening en milieubeheer) (CU) |
|
Bent u ermee bekend dat gemeenten, waaronder Schiermonnikoog, ondanks uw antwoorden op eerdere vragen1 moeite hebben met de uitleg van de regels rond plaatsing van mantelzorgwoningen en het toestaan van tijdelijke bewoning van bijgebouwen voor mantelzorg?
Ja, het is mij bekend dat de toepassing van de regelgeving voor het toestaan van mantelzorgwoningen in de praktijk vragen oproept.
Kunt u nog vóór de zomer van 2010 in een brief helder uiteenzetten:
Alvorens in te gaan op de gestelde vragen, merk ik eerst op dat het tot mijn spijt niet mogelijk is gebleken de vragen voor aanvang van de zomer van 2010 te beantwoorden. In antwoord op de vragen kan ik aangeven er groot belang aan te hechten dat gemeenten mantelzorg zoveel mogelijk faciliteren. Erkend moet echter worden dat er redenen kunnen zijn waarom bebouwing ten behoeve van mantelzorg niet in elke vorm aanvaardbaar kan worden geacht. Gemeenten beschikken, in het bijzonder binnen de bebouwde kom, over een grote mate van beleidsvrijheid om al dan niet in afwijking van een bestemmingsplan bouwwerken ten behoeve van mantelzorg bij woningen toe te staan. Dat de mogelijkheden die het ruimtelijk instrumentarium biedt bij zijn toepassing vragen oproept is mij bekend. Met de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht (Wabo), die per 1 oktober in werking treedt, zullen deze vragen nog niet allemaal opgelost zijn. Mede ter uitvoering van de motie Pieper c.s. (Kamerstukken II, 2009/2010, 32 123 XI, nr. 34) en de motie Linhard c.s. (Kamerstukken II, 2009/2010, 32 123 XI, nr. 38), wordt momenteel een voorstel voorbereid waarmee wordt nagestreefd om binnen het systeem van de Wro en Wabo vereenvoudigingen door te voeren in de vergunningprocedure om afwijkingen van het bestemmingsplan toe te staan. Daarbij wordt ook de mogelijkheid betrokken om tijdelijke afwijkingen van bestemmingsplannen toe te staan. Deze mogelijkheid is nu nog beperkt tot een maximumduur van vijf jaar. Bezien wordt hoe deze regeling flexibeler kan worden gemaakt. Ook wordt bezien hoe langs eenvoudige weg kan worden toegestaan dat (al dan niet tijdelijk) woningen kunnen worden toegestaan in leegstaande gebouwen. Bovenstaande materie is complex, mede vanwege de samenhang met onder meer het Bouwbesluit 2003, de Wet geluidhinder en het Besluit milieu effectrapportage. Anders dan aanvankelijk aangenomen is inmiddels duidelijk geworden dat hierbij wijzigingen op wetsniveau onvermijdelijk zijn. Zodra een samenhangende oplossing ter uitvoering van genoemde moties concretere vorm heeft gekregen, zult u hierover bij separate brief nader worden geïnformeerd. Naar mijn verwachting kan hier richting het einde van het jaar meer duidelijkheid over worden gegeven.
Burgemeester en wethouders zijn thans bevoegd via een eenvoudige procedure (met toepassing van de zogenoemde planologische «kruimellijst») medewerking te verlenen aan uitbreiding van bestaande woningen. Dergelijke uitbreidingen kunnen ook ten dienste staan van mantelzorg van bewoners van de woning. Het bijplaatsen van een aparte mantelzorgwoning bij een bestaande woning overschrijdt thans echter de toepassingsmogelijkheden van deze «kruimelprocedure». Er geldt namelijk een beperking dat het aantal woningen niet mag toenemen. In een dergelijke situatie kan thans medewerking worden verleend voor een afwijking van het bestemmingsplan door middel van een projectbesluit. Onder de Wabo wordt dit een omgevingsvergunning die met de uitgebreide procedure wordt voorbereid.
Indien toestemming is verleend om voor slechts een bepaalde tijdsduur (maximaal vijf jaar) een bouwwerk aanwezig te hebben, geldt het vereiste dat na verloop van die tijd het bouwwerk moet verdwijnen. Voor een tijdelijk toegestaan gebruik geldt dat het gebruik na verloop van de toegestane termijn moet worden beëindigd. Bij het negeren van dit vereiste kan het bevoegd gezag handhavend optreden. Voor gevallen waarin de wens bestaat om vrijgekomen bebouwing voor andere doeleinden (bijvoorbeeld bewoning) te gebruiken, zal het afhankelijk zijn van de geldende regelgeving (waaronder het bestemmingsplan) of en welke procedure hiertoe moet worden gevolgd. Veelal zal opnieuw omgevingsvergunning nodig zijn. Het bevoegd gezag zal zich daarbij een oordeel dienen te vormen over de planologische aanvaardbaarheid van het gewenste nieuwe gebruiksdoel, dat geheel op zijn eigen merites dient te worden beoordeeld. Het feit dat eerder toestemming is verleend voor een mantelzorgwoning, vormt in dat verband geen precedent.
Wat is, gelet op de bovengenoemde argumentatie, uw oordeel over het opleggen van een dwangsom door de gemeente Schiermonnikoog aan familieleden die tijdelijk een bijgebouw bewonen vanwege het verlenen van mantelzorg?
Ik kan niet treden in een lokale afweging om op een bepaald perceel al dan niet een mantelzorgsituatie toe te staan. Het is een zaak voor het gemeentebestuur om samen met initiatiefnemers te bezien in hoeverre er binnen de wettelijke mogelijkheden ruimte bestaat om mantelzorgsituaties toe te staan. Daarbij bestaat altijd de mogelijkheid om de juistheid van besluiten door de rechter te laten toetsen.
De subsidieregeling voor kleinschalig wonen die na negen weken al op is |
|
Jolande Sap (GL) |
|
Ab Klink (minister volksgezondheid, welzijn en sport) (CDA) |
|
|
|
|
Wat is uw reactie op het bericht «Subsidie kleinschalig wonen veel te snel overtekend»?1
Ik heb kennis genomen van dit bericht. De snelle reactie van zorgaanbieders op het beschikbaar komen van de beleidsregel kleinschalige zorg verbaast mij niet. Al geruime tijd was bekend dat deze beleidsregel beschikbaar zou komen en ook de contouren van de eisen waaraan aanvragen dienden te voldoen, waren reeds eerder bekend. Zie mijn brief aan de Tweede Kamer «aanwijzing NZa-beleidsregel kleinschalige zorg voor mensen met dementie» van 23 oktober 2009, kenmerk DLZ/KZ-U-2959638.
Met de stelling dat zorgorganisaties zonder deugdelijke plannen er met de subsidie vandoor zijn gegaan ben ik het derhalve niet eens.
Wat is uw reactie op de stelling dat zorgorganisaties zonder deugdelijke plannen er snel met de subsidie vandoor zijn gegaan?
Zie antwoord vraag 1.
Bent u van mening dat alle goedgekeurde plannen goed beoordeeld zijn op haalbaarheid? Welke criteria zijn gebruikt om de plannen te toetsen?
De initiatiefnemers dienden met een haalbaarheidsstudie aan te tonen dat men goed voorbereid aan het realiseren van kleinschalige woonvormen voor dementerenden begint. De zorgkantoren hebben een duidelijk instructie ontvangen over de wijze waarop de plannen van zorgaanbieders dienden te worden beoordeeld en de eisen waaraan de plannen moesten voldoen om in aanmerking te komen voor de beschikbare middelen.
Ik heb geen signalen ontvangen dat deze beoordeling door de zorgkantoren niet zorgvuldig zou zijn uitgevoerd.
Op welke wijze ondersteunt u de plannen voor kleinschalig wonen van instellingen die door uitputting van het subsidiebudget nu buiten deze stimuleringsregeling vallen? Bent u bereid extra middelen vrij te maken, bijvoorbeeld door de subsidieregeling uit te breiden?
De beleidsregel is bedoeld om het aantal plaatsen kleinschalig zorg voor mensen met dementie zodanig uit te breiden dat een ruime hoeveelheid plaatsen van het totale aanbod op relatief korte termijn beschikbaar komt. Het doel hiervan is het aanbod binnen het totale aanbod van zorg inclusief verblijf een zodanige plaats te geven dat er een substantiële keuzevariatie voor de cliënt ontstaat.
Het totale budget dat ik hiervoor heb gereserveerd moet als voldoende worden beschouwd om dit doel te bereiken. De plaatsen die door het budget aan het reeds beschikbare of aantal plaatsen kan worden toegevoegd leidt naar verwachting tot een totaal aantal van 19 000 a 20 000 plaatsen. Dit moet op het totaal van de op dit moment beschikbare aantal plaatsen voor psychogeriatrische zorg met verblijf van circa 43 000 als voldoende worden beschouwd. De vraag naar kleinschalige zorg kan daarmee met een volwaardig aanbod tegemoet worden getreden. In welke mate deze vorm van zorg door de toekomstige cliënt wordt gekozen bepaald in het vervolg het aanbod dat door de zorgaanbieders zal worden ontwikkeld.
Ik zie geen reden om budget voor de beleidsregel kleinschalige zorg te verruimen.
Wat is uw mening over het gehanteerde molenaarsprincipe, waarbij «de instelling die het eerst komt, het eerst maalt»? Bent u van mening dat met het hanteren van dat principe het subsidiebudget besteed wordt aan projecten waar deze subsidie het meest noodzakelijk is?
Het molenaarsprincipe maakt het mogelijk om aanvragen op volgorde van binnenkomst onmiddellijk in behandeling te nemen. Dit komt het tempo waarin de aanvrager van een bijdrage voort kan gaan met de plannen ten goede. Er ontstaat dus geen vertraging in de ontwikkeling van plannen als gevolg van de stimuleringsregeling. Bij andere methoden van behandeling, bijvoorbeeld indien was gekozen voor het organiseren van tenders, dient behandeling van aanvragen te wachten tot de sluitingsdatum van de betreffende tender. Dit vertraagt de afhandeling. Een dergelijke methode kan er ook toe leiden dat de beschikbare middelen over een groot aantal aanvragen dient te worden verdeeld waardoor het stimuleringseffect van de uiteindelijk beschikbar gestelde bedragen wordt beperkt. Bij het molenaarsprincipe staat het toe te kennen bedrag per plaats van te voren vast zodat de businesscase van een plan kleinschalige zorg niet behoeft te worden gewijzigd of in het ongunstigste geval onhaalbaar wordt.
Alle projecten die leiden tot kleinschalige zorg aan mensen met dementie zijn even noodzakelijk. Als u met het tweede deel van uw vraag bedoelt of sommige instellingen minder financiële steun nodig hebben om de stap naar een kleinschalig aanbod te maken dan andere, is het antwoord dat dit niet in de beoordeling van de projecten is betrokken. Het is niet de bedoeling om instellingen die financieel minder goed op orde zijn meer te steunen dan andere.
Bovendien zou een systeem waarmee kan worden beoordeeld of sommige plannen noodzakelijk duurder uitvallen dan andere, waardoor een op maat toegesneden subsidie zou kunnen worden verleend, een aanzienlijk complexere beoordelingssystematiek vereisen en een aanzienlijk grotere administratieve last voor de instellingen betekenen.
Nog steeds slecht gehuisveste Polen |
|
Paul Ulenbelt |
|
Piet Hein Donner (minister sociale zaken en werkgelegenheid) (CDA) |
|
Wat is uw reactie op het bericht dat uitzendbureaus sjoemelen met de eigen normen voor de huisvesting van buitenlandse arbeiders?1
Ik heb kennis genomen van dit bericht.
Is het waar dat een aantal leden van de Vereniging van Internationale Arbeidsbemiddelaars (VIA) niet voldoet aan het keurmerk voor huisvesting van buitenlandse arbeiders dat ze zelf heeft opgesteld? Zo ja, welke uitzendbureaus zijn dat en aan welke bedrijven zenden zij uit?
Het is aan de branche zelf om toe te zien op de naleving van de huisvestingsnormen behorende bij het door de branche zelf ingestelde keurmerk. Waar het gaat om wettelijke normen voor huisvesting, is het aan gemeenten om hierop toe te zien.
Is het waar dat de directeur van de VIA op non-actief is gesteld? Is het waar dat de directeur van de Stichting Keurmerk Internationale Arbeidsbemiddeling op non-actief is gesteld? Door wie en waarom? Wat is de rol van de onafhankelijk voorzitter van de VIA daarbij? Heeft hij het «sjoemelen» toegelaten?
Uit mediaberichten blijkt dat de directeuren van VIA en SKIA op non-actief zijn gesteld. Het is mij niet bekend wat de achtergrond hiervan is en wat de rol is van de onafhankelijk voorzitter: dit is een interne kwestie van de VIA.
Deelt u de conclusie dat de zelfregulering in deze branche is mislukt? Zo nee, waarom niet? Welke middelen heeft u om uitzendbureaus die buitenlandse arbeiders uitzenden te dwingen om ze fatsoenlijk te huisvesten?
Het systeem van zelfregulering in de uitzendbranche is nog volop in ontwikkeling. Dit geldt zowel voor de aanpak van fraude en illegaliteit als voor huisvesting.
De uitzendbranche heeft een keurmerk ontwikkeld dat kan worden verkregen als uit controles van de private certificerende instellingen is gebleken dat de uitzendonderneming zich houdt aan specifieke normen om fraude en illegaliteit tegen te gaan. Uitzendondernemingen die over een dergelijk keurmerk, een NEN-certificaat, beschikken worden opgenomen in het register van de Stichting Normering Arbeid (SNA).
Op dit moment ga ik na of het mogelijk is om informatie van de Arbeidsinspectie en de Belastingdienst over uitzendondernemingen, die de wet hebben overtreden, aan de SNA door te geven. De SNA kan dan maatregelen treffen tegen deze bedrijven in relatie tot het afgegeven NEN-certificaat. Hierdoor kan het corrigerend mechanisme van dit certificaat worden vergroot en de betrouwbaarheid ervan toenemen. Een ander onderdeel van het zelfreguleringssysteem is de door de branche opgerichte Stichting Naleving Cao voor Uitzendkrachten (SNCU), die toeziet op de naleving van arbeidsvoorwaarden en huisvesting.
Voor de overige maatregelen van het kabinet ter bestrijding van fraude en illegaliteit in de uitzendbranche, zoals de inlenersaansprakelijkheid voor lonen en de registratieplicht, verwijs ik u naar de Nota naar aanleiding van het verslag, Tweede Kamer, vergaderjaar 2008–2009, 31 833, nr. 6.
Huisvesting van arbeidsmigranten is in de eerste plaats een verantwoordelijkheid van werkgevers en de arbeidsmigranten zelf. De koepelorganisaties in de uitzendbranche hebben zelf, zij het onderling ietwat verschillende, normen voor adequate huisvesting ontwikkeld. Daarnaast is in de cao voor uitzendkrachten een bepaling opgenomen over adequate huisvesting. Deze geldt voor alle uitzendbureaus, aangezien deze cao algemeen verbindend is verklaard.
Op dit moment zijn SZW, WWI, de uitzendkoepels en werknemersorganisaties in overleg over de mogelijkheden om tot één gemeenschappelijke norm voor de huisvesting van arbeidsmigranten te komen. Ook wordt gekeken naar de mogelijke rol van de Stichting Naleving Cao Uitzendkrachten bij het toezicht hierop en de samenwerking met gemeenten. In het op 21 januari jl. aan uw Kamer toegezegde Actieplan «Arbeidsmigranten uit Midden- en Oost- Europa in oude wijken», dat in juni a.s. aan uw Kamer wordt aangeboden, komen de minister voor WWI en ik hierop terug.
Bent u bereid een systeem van vergunningen (inclusief normen voor huisvesting voor buitenlandse arbeiders) in te voeren nu er kennelijk geen garanties bestaan dat deze uitzendbureaus zich aan de eigen regels houden en door kunnen gaan met slechte huisvesting van buitenlandse arbeiders?
Ja.
Wilt u deze vragen beantwoorden vóór het algemeen overleg over Handhaving op 12 mei a.s.?
Fraude op de huizenmarkt |
|
Pierre Heijnen (PvdA), Staf Depla (PvdA) |
|
|
|
|
Kent u het bericht «Fraude bederft de huizenmarkt»1 en herinnert u zich de antwoorden op de vragen van het lid Heijnen over het direct verstrekken van gegevens uit de GBA aan woningcorporaties2?
Ja.
Waarom is er nog een steekproef nodig om fraude op de huizenmarkt aan te tonen terwijl uit de antwoorden op genoemde vragen2 blijkt dat gemeenten nu al GBA-gegevens kunnen verstrekken aan woningbouwcorporaties en «uit eerder onderzoek is gebleken dat woonfraude in hoge mate bijdraagt aan verloedering en vervuiling»?
De aanpak waarmee in Eindhoven wordt geëxperimenteerd gaat verder dan het koppelen van gegevens van de corporatie aan GBA-gegevens. Zij omvat ook de koppeling aan andere gegevens zoals van het Kadaster, telefoonrekeningen en verhuiskaarten. Deze aanpak, die is geïnitieerd vanuit het Centrum voor Criminaliteitspreventie en Veiligheid (CCV) en waaraan meer corporaties en gemeenten deelnemen, heeft tot doel om te bezien of een dergelijke werkwijze effectief is. De positieve resultaten kunnen andere corporaties en gemeenten ertoe aanzetten meer werk te maken van het opsporen en tegengaan van woonfraude.
Wordt er door gemeenten en woningbouwcorporaties voldoende gebruik gemaakt van de mogelijkheid, die de Wet GBA nu al biedt, om daarvoor toegesneden persoonsgegevens uit te wisselen met maatschappelijke partners zoals woningbouwcorporaties? Zo ja, waaruit blijkt dat en hoeveel gemeenten hebben in hun verordening met betrekking tot de GBA de mogelijkheid tot deze gegevensuitwisseling vastgelegd? Zo nee, waarom niet en hoe gaat u bewerkstelligen dat dit op korte termijn wel het geval wordt?
Zoals in het eerdere antwoord (TK 2009-2010, aanhangsel 888) op de vragen van de heer Heijnen is aangegeven, is het mogelijk dat – onder bepaalde voorwaarden – gegevens beschikbaar worden gesteld vanuit de GBA en dat gemeenten en woningcorporaties, afhankelijk van de concrete noodzaak om woonfraude aan te pakken, hierover afspraken kunnen maken. In hoeverre dat nodig is, is een afweging die iedere gemeente voor zichzelf moet maken (zie ook het antwoord op vraag 5).
Gezien het feit dat het hier om een lokale invulling van beleid gaat en ook de verstrekking van gegevens uit de GBA in dat verband lokaal is geregeld, is het niet mogelijk een overzicht te verstrekken van gemeenten die gebruik maken van de in de Wet GBA geboden mogelijkheden om persoonsgegevens uit te wisselen met maatschappelijke partners, zoals woningbouwcorporaties.
Waarom worden gegevens van woningbouwcorporaties niet stelselmatig gekoppeld aan gegevens uit de GBA, het kadaster, telefoonmaatschappijen en TNT Post? Bestaan er wettelijke belemmeringen, en zo ja, deelt u dan de mening dat die weggenomen dienen te worden en hoe gaat u dit bewerkstelligen? Komt het, in de antwoorden op genoemde vragen, aangekondigde wetsvoorstel inderdaad nog in de eerste helft van 2010 naar de Kamer?
Het stelselmatig koppelen van gegevens kan inderdaad een goede methode zijn om woonfraude aan te pakken. In hoeverre van dit middel gebruik wordt gemaakt is enerzijds afhankelijk van de beoordeling door gemeenten en woningcorporaties of de daarmee gemoeide handhavingsinspanningen en kosten opwegen tegen de opbrengsten (doelmatigheidsvraag). Anderzijds zal een stelselmatige koppeling van gegevens uit zowel publiekrechtelijke als privaatrechtelijke bronnen het recht van burgers op bescherming van hun persoonlijke levenssfeer niet onevenredig mogen aantasten (rechtmatigheidsvraag).
Op zich zijn er binnen de bestaande wetgeving (de Wet GBA en de Wet bescherming persoonsgegevens) al mogelijkheden voor gegevensuitwisseling, mits daarbij wordt voldaan aan de basisvoorwaarden voor rechtmatige gegevensverwerking. Dit houdt in dat de gegevensuitwisseling plaatsvindt voor een duidelijk en wel omschreven doel, wordt gerechtvaardigd door een dringende maatschappelijke behoefte, in een juiste verhouding staat tot het doel waarvoor de gegevens worden gevraagd en dat dit doel niet op een minder ingrijpende wijze kan worden bereikt.
Ter voorbereiding van het wetsvoorstel Basisregistratie personen (dat de wet GBA zal gaan vervangen) wordt onderzocht of er ruimere mogelijkheden moeten komen voor rechtstreekse verstrekking van gegevens uit de basisregistratie persoonsgegevens aan derden (niet-overheidsorganen) en hoe dat vorm moet worden gegeven. Wat de planning van het wetsvoorstel betreft, heeft de Staatssecretaris van BZK eerder aangegeven er naar te streven het wetsvoorstel rond de zomer aan Uw Kamer aan te bieden.
Die planning zal echter niet kunnen worden gerealiseerd in verband met het grote aantal reacties van (maatschappelijke) organisaties in de consultatieronde van het wetsvoorstel. De Staatssecretaris van BZK zal u na het zomerreces informeren over de bijgestelde planning.
Deelt u de mening van de programmaleider van het Centrum voor Criminaliteitspreventie en Veiligheid (CCV) dat buurtonderzoeken nodig zijn voor het opsporen van woonfraude? Zo ja, acht u hierin ook een taak weggelegd voor de overheid? Hoe gaat u die taak invullen? Zo nee, waarom niet?
Buurtonderzoeken kunnen een goede methode zijn om woonfraude op te sporen en aan te pakken. De gemeenten die aan de pilot van het CCV hebben meegewerkt, te weten Eindhoven, Maastricht, Leiden, Alkmaar en Haarlem, hebben overigens niet allemaal dezelfde aanpak gevolgd. Zo heeft gegevenskoppeling met GBA alleen in Eindhoven, Maastricht en Leiden plaatsgevonden. In Alkmaar is uitsluitend actie ondernomen op basis van signalen die bewoners en professionele partijen in de wijk hebben afgegeven naar aanleiding van publiciteit in de media. Deze verschillende manieren van werken kunnen tot goede resultaten leiden. In Eindhoven is ongeveer 1% woonfraude ontdekt wat neerkomt op 60 situaties uit een bestand van 6.000 woningen. Omgekeerd zijn de woningcorporaties in Maastricht tot het oordeel gekomen, na steekproefsgewijs vervolgonderzoek, dat bij het overgrote deel van de via gegevenskoppeling opgespoorde adressen geen sprake is van woonfraude.
De gemeente zal, samen met de betrokken sociale verhuurders, de afweging moeten maken of een buurtonderzoek zinvol is en daar dan capaciteit en middelen voor beschikbaar moeten stellen.
De taak van de rijksoverheid is, gegeven de primaire verantwoordelijkheid van de gemeenten, vooral om een vinger aan de pols te houden en om gemeenten te informeren en stimuleren ten aanzien van de aanpak van woonfraude.