De uitwerking van een capaciteitsmechanisme om de voorzieningszekerheid van elektriciteit te borgen en de rol van kolencentrales |
|
Henk Jumelet (CDA) |
|
Stientje van Veldhoven (D66) |
|
|
|
|
Kunt u aangeven hoe het tijdspad eruitziet voor het invoeren van de capaciteitsmarkt voor de leveringszekerheid van elektriciteit, zoals afgesproken in het coalitieakkoord? Welke concrete stappen moeten nog worden gezet en binnen welke termijn verwacht u dat het capaciteitsmechanisme operationeel kan zijn?
Op welke manier wordt bij het ontwerp van het capaciteitsmechanisme rekening gehouden met de voorschriften uit Verordening (EU) 2019/943, met name ten aanzien van de CO2-emissienormen voor elektriciteitscentrales uit artikel 22 lid 4?
Klopt het dat deze verordening voorschrijft dat energiecentrales alleen mogen deelnemen aan een capaciteitsmechanisme indien zij minder dan 550 g CO2 per kWh uitstoten en gemiddeld minder dan 350 kg CO2 per kW geïnstalleerd vermogen per jaar?
Kunt u bevestigen dat het kabinet bij de verdere vormgeving van aanvullend beleid voor leveringszekerheid van elektriciteit blijft streven naar de beste balans tussen maatschappelijke kosten en baten, zoals eerder aangegeven in Kamerstuk 29 023, nr. 570?
In hoeverre zal er bij de inrichting van de capaciteitsmarkt aansluiting worden gezocht bij hoe een dergelijk mechanisme in ons omringende landen zoals België al is ingericht?
Welke mogelijkheden ziet u om bij de verdere uitwerking van een capaciteitsmechanisme rekening te houden met de rol van bestaande kolencentrales in de voorzieningszekerheid van elektriciteit, zoals dat o.a. ook in België is gedaan?
Hoe beoordeelt u de mogelijkheid om het capaciteitsmechanisme zo in te richten dat deze centrales alleen in aanmerking komen voor deelname aan een capaciteitsmechanisme indien zij voldoen aan strenge emissie-eisen zoals die uit de genoemde Europese Verordening, waarmee een in aanmerking komende centrale minstens zo schoon dient te zijn als het uitstootniveau van een gascentrale?
Is het mogelijk om het capaciteitsmechanisme flexibel vorm te geven zodat ook innovatieve technologieën, zoals waterstofcentrales of batterijsystemen, kunnen bijdragen aan de leveringszekerheid?
Drugs in COA-locaties |
|
Simon Ceulemans (JA21) |
|
Bart van den Brink (CDA) |
|
|
|
|
Bent u bekend met de recente berichtgeving over signalen van drugshandel in COA-locaties?1
Wat is uw reactie hierop? Kunt u hierbij specifiek ingaan op de beelden die in de reportage getoond worden met betrekking tot vermeende drugshandel vanuit de COA-locatie in Budel?
Welke (recente) cijfers zijn u bekend over drugshandel, -bezit en -gebruik in COA-locaties?
Op welke wijze wordt hierop gecontroleerd in COA-locaties?
Wat wordt verstaan onder de categorie «door het OM afgehandelde drugsmisdrijven» in het jaarlijkse WODC-onderzoek naar incidenten en misdrijven door bewoners van COA- en tgo-locaties (in 2024 respectievelijk 30 en 15 zaken)?2
Van hoeveel drugsgerelateerde zaken was vorig jaar in COA-locaties sprake onder andere in de in het onderzoek genoemde categorieën, zoals «incidenten» of «afdoening politie»?
Wat is de standaardprocedure wanneer een bewoner van een COA-locatie zich schuldig maakt aan het dealen van drugs?
Wat is de standaardprocedure wanneer er sprake is van harddrugsbezit bij een bewoner van een COA-locatie?
Kunt u van beide gevallen aangeven hoe vaak hiervan de afgelopen vijf jaar sprake is geweest, in welke COA-locaties en tot welke straffen en sancties dit heeft geleid?
Kunt u deze vragen afzonderlijk en voorafgaand aan het eerstvolgende commissiedebat Asiel en Migratie beantwoorden?
Het bericht 'Schade binnenvaart op ecologie in rivieren groter dan gedacht' |
|
Marieke Vellinga-Beemsterboer (D66) |
|
Vincent Karremans (VVD) |
|
|
|
|
Hoe reflecteert u op de berichtgeving?1
In hoeverre is er zicht op de omvang van de ecologische schade veroorzaakt door de binnenvaart in de Nederlandse rivieren?
Het artikel stelt dat er wordt gevreesd voor de toename van ecologische schade, wordt dit tegengegaan? Zo ja, hoe? Op welke manier kan dit worden voorkomen?
In hoeverre is er momenteel toezicht op de uitstoot van vervuilende stoffen door de binnenvaart direct in het rivierwater, en wordt dit toezicht geïntensiveerd nu blijkt dat de ecologische druk groter is dan gedacht?
Wat betekent dit (eventuele) ingrijpen voor de binnenvaart, welke maatregelen moeten schippers nemen en welke gevolgen hebben die maatregelen voor schippers?
Hoe weegt u het belang van een diepe vaargeul voor de binnenvaart af tegen de ecologische doelstellingen van de Kaderrichtlijn Water, gelet op het feit dat in het artikel wordt gesteld dat drempels in KRW-nevengeulen – bedoeld om verzanding van de vaargeul te voorkomen – juist schadelijk zijn voor het ecologisch functioneren van die geulen?
Hoe verklaart u de bevinding dat een afname van 32% in het aantal schepen op de Maas niet leidde tot ecologisch herstel, en wat betekent dit voor de effectiviteit van toekomstig beleid? Is enkel het sturen op intensiteit (aantal schepen) nog wel zinvol als de impact per schip (vermogen, grootte) exponentieel toeneemt?
Bent u bereid om samen met de sector op te trekken in het zoeken naar oplossingen die de ecologische druk verminderen, waarbij wordt uitgegaan van de kracht en de innovatiebereidheid van de binnenvaart in plaats van enkel het opleggen van beperkingen?
Op welke wijze faciliteert u de sector om de al ingezette koers van verduurzaming door te zetten, en bent u bereid om extra in te zetten op kennisdeling over technieken die zowel de uitstoot als de fysieke belasting van het rivierwater (zoals schroefwerking en golfslag) minimaliseren?
Blauwe waterstof, CO2-opslag en publiek risico |
|
Daniël van den Berg (JA21) |
|
Stientje van Veldhoven (D66) |
|
|
|
|
Bent u bekend met de Kamerbrief van 14 juli 2025 over waterstof, groen gas en andere energiedragers en met de Klimaat- en Energienota 2025?1, 2, 3
Klopt het dat het kabinet nieuwe productie van koolstofarme waterstof uit aardgas met Carbon Capture and Storage (CCS) wel mogelijk en in bepaalde gevallen kansrijk acht, maar daarvoor op dit moment geen aanvullend financieel instrumentarium inzet vanwege onzekere vraag, hoge kosten en een pas na circa 2035 realistisch geachte substantiële afzetmarkt?
Hoe verhoudt deze terughoudendheid zich tot de forse publieke betrokkenheid bij CO2-infrastructuur, waaronder het afdekken van vollooprisico’s en de deelname van Energie Beheer Nederland (EBN) in CCS-projecten?
Kunt u een integraal overzicht geven van alle directe en indirecte publieke middelen, garanties, leningen, kapitaalstortingen, Stimulering Duurzame Energieproductie en Klimaattransitie-beschikkingen (SDE++) en overige risico’s die samenhangen met CCS-infrastructuur en projecten die voor blauwe waterstof relevant zijn?
Welke exacte definitie hanteert u voor «koolstofarme» of «blauwe» waterstof in termen van maximale ketenemissies per kilogram waterstof?
Op welke wijze worden methaanemissies in de aardgasketen, emissies uit compressie en transport en verschillen tussen binnenlands en geïmporteerd gas in die definitie en toetsing meegenomen?
Hanteert u bij CO2-afvang als maatstaf de totale emissiereductie op installatieniveau, of volstaat afvang op afzonderlijke deelstromen? Kunt u dit precies toelichten?
Welke eisen gelden voor permanente opslag, monitoring, aansprakelijkheid, eventuele lekkages en langjarige nazorg van opgeslagen CO2?
Kunt u per industriecluster aangeven waar u blauwe waterstof nog als reële transitieroute ziet, met welke orde van grootte aan volumes, voor welke periode en onder welke afbouwvoorwaarden?
Klopt het dat het kabinet in februari 2025 voor ammoniakproductie een uitzonderingspercentage van 60% consulteerde, mede rekening houdend met CCS en andere vormen van koolstofarme waterstof? Op basis van welke aannames over kosten, volumes en beschikbaarheid is dat percentage gekozen?
Hoe voorkomt u dat tijdelijke inzet op blauwe waterstof feitelijk leidt tot langdurige fossiele lock-in, verdringing van elektrificatie of vertraging van groene waterstof?
Bent u bereid de Kamer voortaan jaarlijks te informeren over de kosten, emissiereductie, capture rate, benuttingsgraad van CO2-infrastructuur en het publieke risicoprofiel van projecten die samenhangen met blauwe waterstof?
Diepzeemijnbouw |
|
Christine Teunissen (PvdD) |
|
van Essen , Stientje van Veldhoven (D66), Berendsen |
|
|
|
|
Kunt u bevestigen dat de Internationale Zeebodemautoriteit (ISA)-Raad van maart 2026 het besluit heeft genomen om onderzoek naar mogelijke schendingen van contractuele verplichtingen door contractanten voort te zetten, en welke positie heeft Nederland hier tijdens de Raad over ingenomen?
Is er voor Nederland nog een bijzondere rol binnen de ISA weggelegd, aangezien één van de contractanten een Zwitsers-Nederlands bedrijf is? Zijn er door de ISA ook directe vragen gesteld aan de Nederlandse overheid? Zo ja, wat was de reactie van het kabinet hierop?
Bent u bekend met het rapport «Inquiry On Potential Breaches By ISA Contractors» van Greenpeace International1?
Kunt u bevestigen dat Allseas inderdaad valt onder het ISA-onderzoek, aangezien in het rapport staat dat Allseas, via dochterbedrijf Blue Minerals Jamaica (BMJ) en de samenwerking met TMC, mogelijk onder het lopende ISA-onderzoek valt naar overtreding van contractregels?
Erkent u dat Allseas een sleutelpositie inneemt binnen de plannen voor diepzeemijnbouw door The Metals Company via de Amerikaanse vergunningaanvraag, aangezien het bedrijf de essentiële technologie en het diepzeemijnbouwschip «Hidden Gem» levert? Hoe weegt u deze rol?
Erkent u dat Nederland, gezien de betrokkenheid van een Nederlands bedrijf in deze keten, daarmee ook een sleutelrol vervult en een verantwoordelijkheid draagt om het mandaat van de ISA en het VN-Zeerechtverdrag (UNCLOS) actief te beschermen en te handhaven?
Het kabinet heeft eerder met Allseas gesproken naar aanleiding van de motie-Postma, en heeft daarbij benadrukt dat Nederland staat voor de integriteit van UNCLOS en dat diepzeemijnbouw in internationale wateren alleen binnen het ISA-kader mag plaatsvinden; wat was de reactie van Allseas op deze boodschap? Heeft het bedrijf zich daarbij expliciet gecommitteerd om uitsluitend binnen het ISA-kader te opereren?
Gezien het feit dat Allseas de plannen om via de Verenigde Staten buiten het ISA-kader te opereren voortzet en een dergelijke vergunning op korte termijn verleend kan worden, welke concrete stappen zal Nederland zetten op het moment dat zo’n buitenlandse vergunning wordt verleend voor diepzeemijnbouw buiten het ISA-kader, waarbij een Zwitsers-Nederlands bedrijf zoals Allseas betrokken is?
De hoge energieprijzen naar aanleiding van de Iran oorlog |
|
Henk Vermeer (BBB) |
|
Eerenberg |
|
|
|
|
In de brief aan de Kamer van 16 maart 2026 geeft het kabinet aan de situatie nauwlettend te volgen en de komende periode potentiële maatregelen, inclusief de financiële consequenties, verder uit te werken: kunt u aangeven wanneer de Kamer de uitwerking van deze mogelijke maatregelen kan verwachten1?
In dezelfde brief geeft het kabinet aan dat deze mogelijke maatregelen pas in augustus kunnen worden betrokken bij de bredere besluitvorming over lasten en koopkracht: begrijpt u dat energiestations in de grensregio en energie-intensieve bedrijven nu al onder grote financiële druk staan en dat het voor hen simpelweg niet haalbaar is om tot augustus te wachten?
Kunt u aangeven wat de eerstvolgende mogelijkheid is voor de Kamer om eventuele maatregelen eerder dan augustus te behandelen en te besluiten?
Heeft de Staat op dit moment extra inkomsten gegenereerd uit accijnzen en btw op brandstoffen als gevolg van de significant hogere adviesprijzen aan de pomp?
Indien dit het geval is, kunt u inzicht geven in de omvang van deze extra inkomsten?
Kunt u tevens aangeven wat het verwachte overschot zou zijn als deze prijsontwikkeling zich de komende periode voortzet?
Bent u van mening dat de situatie in het Midden-Oosten de druk op de energiemarkt verder vergroot en dat Nederland al jarenlang structureel hogere energieprijzen kent dan de omringende landen?
Kunt u toelichten op welke wijze het kabinet werkt aan een structurele oplossing voor de hoge energiekosten, in plaats van tijdelijke maatregelen, zodat het ondernemersklimaat duurzaam wordt versterkt?
De uitspraken van minister Boekholt-O’Sullivan in The Guardian inzake het aanpassen van het energie- en ruimtegebruik van Nederlandse burgers |
|
Tom Russcher (FVD) |
|
Boekholt-O’Sullivan |
|
|
|
|
Bent u bekend met uw eigen uitspraken in The Guardian van 23 maart 2026, waarin u het dagelijks energie- en ruimtegebruik van Nederlandse burgers ter discussie stelt en vergelijkingen trekt met rantsoenering tijdens militaire missies in Afghanistan?1
Ja.
U verklaarde dat u in Afghanistan «een muntje kreeg voor de douche en een muntje om naar huis te bellen» en voegde toe dat burgers «afspraken moeten maken, want het aanbod is niet oneindig.» – welk concreet beleid vloeit uit deze uitspraak voort, en welke vormen van rantsoenering, tokensystemen, quota of verbruiksplafonds voor energie, water of andere nutsvoorzieningen worden door het kabinet overwogen of voorbereid?
Zoals ik in mijn brief van 26 maart aan de Kamer heb laten weten, had ik mijn woorden zorgvuldiger moeten kiezen en dit voorbeeld niet moeten gebruiken. Er vloeit geen beleid voort uit deze voorbeelden.
Kunt u uitleggen waarom de Nederlandse burger zijn gedrag zou moeten aanpassen – zoals de wasmachine ’s nachts aanzetten – terwijl het overbelaste elektriciteitsnet het gevolg is van geforceerde elektrificatie zonder adequate uitbreiding van de infrastructuur?
De oproep om stroom waar mogelijk buiten piekuren te gebruiken, is geen afwenteling op huishoudens maar een praktische maatregel om het elektriciteitsnet doelmatiger te benutten. Dit sluit aan bij de rijkscampagne Zet ook de knop om. De netbeheerders werken hard aan uitbreiding van de infrastructuur; het kabinet ondersteunt dit met een Versnellingsaanpak om de doorlooptijden van realisatie te verkorten. Daarnaast werken het kabinet en betrokken partijen aan maatregelen om het bestaande net efficiënter te benutten. Zie daartoe ook bijvoorbeeld de brief van de (vorige) Minister van KGG van 4 februari 2026 over het aansluitoffensief netcongestie.
Bestaan er binnen uw ministerie of de regering ambtelijke verkenningen, notities of scenariostudies over het beperken, reguleren of rantsoeneren van huishoudelijk energieverbruik, en bent u bereid deze naar de Kamer te sturen?
Voor zover binnen de overheid stukken zijn over netcongestie, flexibiliteit of vraagsturing, hebben die betrekking op beter gebruik van schaarse capaciteit, door bijvoorbeeld gebruik buiten de piekuren te stimuleren, en niet op het beperken van huishoudelijke vrijheden via rantsoenering.
Welke tijdsafhankelijke energiebeperkingen, dynamische afschakelmechanismen of op afstand bestuurbare apparatuur voor huishoudens worden door het kabinet overwogen, op welke wettelijke grondslag, en hoe zou de handhaving en controle daarvan eruitzien?
In het kabinetsbeleid voor spreiding van elektriciteitsverbruik door huishoudens is vrijwilligheid het uitgangspunt. Het kabinet overweegt geen tijdsafhankelijke energiebeperkingen, dynamische afschakelmechanismen of op afstand bestuurbare apparatuur voor huishoudens op grond van een publiekrechtelijk dwingend regime. Wel wordt toegewerkt naar de invoering van tijdafhankelijke nettarieven voor kleinverbruikers om dit te stimuleren, waarbij gebruikers worden ontzorgd door slimme apps voor energiemanagement om net-intensieve apparaten, zoals warmtepompen en thuislaadpalen, automatisch optimaal in te zetten2.
Op basis van welke norm of maatstaf concludeert u dat de gemiddelde Nederlander te veel ruimte, energie of water verbruikt, en welke maatregelen – zoals woningdelingsregelingen, verplichte kamerverhuur of andere vormen van woonruimteverdeling – overweegt de regering om het aantal kamers per persoon terug te dringen van 2,1 naar het Europees gemiddelde van 1,7?
Ik hanteer geen norm waaruit zou volgen dat de gemiddelde Nederlander «te veel» ruimte, energie of water gebruikt. Het kabinet bereidt geen maatregelen voor zoals verplichte woningdeling, verplichte kamerverhuur of een norm voor het aantal kamers per persoon. Zoals ik in mijn brief van 26 maart jongstleden heb aangegeven had ik mijn woorden in het interview zorgvuldiger moeten kiezen.
Deelt u de mening dat het tekort aan netcapaciteit niet was ontstaan als Nederland zijn eigen aardgasvoorraad niet vroegtijdig had afgebouwd, en wat zijn de totale kosten geweest van het dichtdraaien van de gaskraan in Groningen, inclusief de import van buitenlands gas en het ontmantelen en overdragen aan Oekraïne van ons gaspompsysteem?
Die mening deel ik niet. Netcongestie is een probleem van elektriciteitsinfrastructuur en piekbelasting en dat staat los van de vraag of aardgasproductie uit Groningen langer had moeten doorgaan. Na de aardbevingen van 2018 in Zeerijp besloot het kabinet om de gaswinning uit het Groningenveld zo snel mogelijk volledig te beëindigen. Op 19 april 2024 is met brede parlementaire steun gaswinning uit het Groningenveld definitief wettelijk beëindigd. Daarbij zijn alle overwegingen en perspectieven inclusief geopolitieke factoren en leveringszekerheid uitgebreid en zorgvuldig gewogen. Het belang van energiezekerheid spreekt voor zich. Het kabinet zit daar bovenop.
In hoeverre is het woningtekort direct te herleiden tot massale immigratie, gezien het feit dat de Nederlandse bevolking enkel nog kunstmatig groeit door migratie, en waarom kiest de regering voor grootschalige bijbouw in plaats van het aanpakken van deze oorzaak?
Het beleid van het kabinet is zowel gericht op het toevoegen van woningen om het woontekort aan te pakken als ook op minder instroom.
In de «Primos-prognose 2025, Prognose van bevolking, huishoudens en woningbehoefte» laat ABF Research zien hoe de door ABF verwachte woningbouw in de komende 15 jaar opgedeeld kan worden. Met 45% van de woningbouw wordt de groei van de bevolking opgevangen. Met 25% wordt voorzien in extra vraag naar woningen doordat huishoudens kleiner worden (minder mensen per woning). Met 14% wordt de geraamde sloop van woningen gecompenseerd. Met de resterende 16% wordt het woningtekort teruggedrongen. Voor de bevolkingsgroei geldt vervolgens dat deze voor 95% ontstaat door migratie. De basis achter deze prognose van ABF zijn de CBS-bevolkingsprognoses.
Hoe verhoudt uw oproep tot «eenvoudiger leven» zich tot het feit dat de Nederlandse burger al tot de hoogst belaste ter wereld behoort, en erkent u dat de werkende middenklasse onevenredig hard wordt geraakt door de gecombineerde lasten van de woningcrisis, het klimaatbeleid en de kosten van immigratie?
Ik onderken dat veel huishoudens druk ervaren door woonlasten, energiekosten en bredere kosten van levensonderhoud. Het kabinet zet zich in om die druk te verminderen, onder meer door maatregelen gericht op het verlagen van woonlasten, het verbeteren van betaalbaarheid en het versterken van de koopkracht van huishoudens.
Welke klimaat- en stikstofregelgeving die woningbouw belemmert is het kabinet bereid op te schorten totdat het woningtekort is opgelost, en indien geen enkele: waarom weegt deze regelgeving zwaarder dan adequate huisvesting?
Het kabinet is niet voornemens klimaat- of stikstofregelgeving generiek op te schorten. De inzet is om woningbouw sneller mogelijk te maken binnen de geldende wettelijke kaders, onder meer via vereenvoudiging van procedures, financiële stimulansen en maatregelen om knelpunten zoals stikstof en netcongestie te verminderen. Natuur- en klimaatmaatregelen zijn juist noodzakelijk met het oog op een gezonde en duurzame leefomgeving. Adequate huisvesting en de bescherming van natuur, klimaat en leefomgeving zijn publieke belangen die in samenhang moeten worden gediend.
De inzet op blauwe waterstof in de industrie |
|
Henk Jumelet (CDA) |
|
Stientje van Veldhoven (D66) |
|
|
|
|
Heeft u kennisgenomen van het artikel «Oost-Groningen zet in op blauwe waterstof als betaalbare stap richting duurzame industrie. «Wie tempo wil maken kan hier niet omheen»»1?
Deelt u de constatering dat de ontwikkeling van blauwe waterstof in Nederland achterblijft, terwijl dit volgens het rapport «Naar een eerste regionaal industrieel waterstofcluster rond Oost-Groningen» van de New Energy Coalition wél een noodzakelijke tussenstap is om CO2-reductie te bewerkstelligen in de industrie?
Kunt u verduidelijken welke concrete rol u ziet voor blauwe waterstof in het energiesysteem van de toekomst, zowel als vervanger in het opschalen van de Nederlandse waterstofketen en als tijdelijk alternatief voor aardgas?
Hoe beoordeelt u de huidige ontwikkeling en de concurrentiepositie van blauwe waterstof in Nederland ten opzichte van omringende landen?
Hoe verklaart u het huidige trage tempo van projecten voor blauwe waterstof, mede in het licht van recente uitstel of afstel van grootschalige initiatieven?
Welke maatregelen worden genomen om te voorkomen dat projecten op het gebied van blauwe waterstof uitwijken naar het buitenland vanwege ongunstige randvoorwaarden in Nederland?
In hoeverre ziet u het gebrek aan stabiel en voorspelbaar beleid als belangrijke belemmering voor investeringsbeslissingen in o.a. de industrie op het gebied van blauwe waterstof?
Hoe voorkomt u dat een te absolute focus op groene waterstof op korte termijn de ontwikkeling van blauwe waterstof vertraagt, terwijl deze ontwikkeling juist kan bijdragen aan snelle CO2-reductie?
Hoe voorkomt u dat de volgorde die u tijdens het commissiedebat Waterstof, groen gas en andere energiedragers op 4 maart 2026 schetste met betrekking tot de voorwaarden voor de inzet van blauwe waterstof (eerst het systeem en pas daarna concrete randvoorwaarden en ondersteuning) in de praktijk leidt tot uitstel en vertraging, terwijl snelheid maken met CO2-reductie juist een reden is om blauwe waterstof in te zetten?
Bent u bereid om vooruitlopend op het volledige systeemplaatje op korte termijn in ieder geval de voorlopige kaders en voorwaarden voor de productie en inzet van blauwe waterstof te schetsen, zodat kansrijke projecten niet onnodig vertragen of Nederland verlaten? Zo nee, waarom niet?
Het rapport 'Damherten in de Amsterdamse Waterleidingduinen; effecten van beleid' |
|
Caroline van der Plas (BBB) |
|
Silvio Erkens (VVD) |
|
|
|
|
Bent u bekend met het rapport «Damherten in de Amsterdamse Waterleidingduinen; effecten van beleid»?1
Kunt u bevestigen dat in dit rapport wordt gesteld dat bij aanwezigheid van wolven interacties met recreanten voor de hand liggen en dat (zelfs dodelijke) ongelukken met mensen, waaronder kinderen, niet volledig kunnen worden uitgesloten?
Hoe beoordeelt u deze constatering in het licht van de huidige situatie waarin wolven zich structureel in Nederland lijken te vestigen?
Welke criteria hanteert u om te bepalen wanneer sprake is van een voorzienbaar risico voor burgers door de aanwezigheid van wolven?
Waar zijn deze criteria beleidsmatig of juridisch vastgelegd?
Erkent u dat een expliciete afweging tussen deze belangen noodzakelijk is wanneer bescherming van een diersoort structureel botst met grondrechten van burgers?
Op welke wijze wordt binnen het wolvenbeleid rekening gehouden met de veiligheid van recreanten in drukbezochte natuurgebieden, waaronder gezinnen met kinderen?
Zijn er actuele risicoanalyses uitgevoerd naar mogelijke interacties tussen wolven en mensen in Nederlandse natuurgebieden? Zo ja, kunt u deze met de Kamer delen? Zo nee, waarom niet?
Op welke wijze wordt binnen het wolvenbeleid invulling gegeven aan de zorgplicht van de overheid voor de bescherming van het recht op leven en veiligheid van burgers, zoals onder meer beschermd in artikel 2 van het Europees Verdrag voor de Rechten van de Mens (EVRM)?
Hoe worden het recht op privéleven en woning (artikel 8 EVRM) en het eigendomsrecht (artikel 1 van het Eerste Protocol bij het EVRM) betrokken bij de afwegingen binnen het wolvenbeleid?
Welke protocollen en interventiemaatregelen bestaan er voor situaties waarin wolven afwijkend of potentieel gevaarlijk gedrag vertonen richting mensen?
Wie draagt bestuurlijk en juridisch de verantwoordelijkheid indien zich een ernstig (mogelijk dodelijk) incident voordoet tussen een wolf en een mens en hoe is deze verantwoordelijkheid vastgelegd?
Kunt u toelichten welke mogelijkheden burgemeesters hebben om op te treden in situaties waarin wolven mogelijk een gevaar vormen voor inwoners of recreanten?
In hoeverre acht u deze mogelijkheden in de praktijk toereikend?
Kunt u daarnaast verklaren waarom burgemeesters in de praktijk terughoudend lijken te zijn om van deze bevoegdheden gebruik te maken?
Deelt u de opvatting dat onduidelijkheid over bevoegdheden kan leiden tot handelingsverlegenheid bij burgemeesters?
Waarom worden incidenten, angstbeleving, aantasting van leefbaarheid en economische schade in het wolvendossier vaak aangeduid als «maatschappelijke acceptatieproblemen» en niet als beleidsrelevante indicatoren voor veiligheid en leefbaarheid?
Het bericht dat Polen en Italië met acht andere lidstaten de aanval openen op de Europese CO2-beprijzing |
|
Daniël van den Berg (JA21) |
|
Stientje van Veldhoven (D66) |
|
|
|
|
Bent u bekend met het bericht «Polen en Italië openen met acht andere lidstaten aanval op Europese CO2-beprijzing»?1
Hoe beoordeelt u het feit dat meerdere EU-lidstaten inmiddels openlijk aandringen op herziening, afzwakking of tijdelijke opschorting van het ETS vanwege de gevolgen voor energieprijzen, industrie en concurrentiekracht?
Erkent u dat de kosten van het ETS in de praktijk niet beperkt blijven tot de papieren handel in emissierechten, maar via de elektriciteitsprijs en productiekosten rechtstreeks doorwerken in de rekening van bedrijven en uiteindelijk ook van consumenten?
Waarom kiest u er niet voor zich actief aan te sluiten bij lidstaten als Polen en Italië die pleiten voor een fundamentele herziening of tijdelijke opschorting van het ETS?
Klopt het dat in de Europese discussie over concurrentievermogen en energieprijzen inmiddels expliciet wordt gewezen op de kosten die samenhangen met het ETS? Welke conclusies trekt u daaruit voor de Nederlandse inzet?
Bent u bereid in Brussel te pleiten voor een tijdelijke noodrem of opschorting van onderdelen van het ETS zolang de energieprijzen uitzonderlijk hoog zijn en de concurrentiekracht van de Europese industrie verder onder druk staat? Zo nee, waarom niet?
Deelt u de mening dat ETS-opbrengsten in de eerste plaats ten goede moeten gaan van de industrie en naar maatregelen die de energierekening en concurrentiedruk verlagen, in plaats van te worden gebruikt om nieuw klimaatbeleid verder op te tuigen?
Bent u bereid zich in te zetten voor een ingrijpende herziening van het ETS, waarbij betaalbaarheid van energie, leveringszekerheid en een gelijk speelveld voor Europese bedrijven zwaarder gaan wegen dan de huidige ideologische fixatie op steeds hogere CO2-prijzen?
Kunt u aangeven welke gevolgen het ETS volgens u momenteel heeft voor de Nederlandse energie-intensieve industrie, waaronder de chemie, staal, raffinage en andere grootverbruikers?
Kunt u daarbij ook inzichtelijk maken in hoeverre ETS-kosten doorwerken in de Nederlandse elektriciteitsprijs en daarmee het vestigingsklimaat en de werkgelegenheid raken?
Klopt het dat binnen het bestaande Europese ETS een deel van de opbrengsten van emissierechten wordt aangewend voor een fonds ten behoeve van lagere-inkomenslidstaten, het zogenoemde Modernisation Fund?
Hoe beoordeelt u het principiële bezwaar dat Europese CO2-beprijzing daarmee niet alleen een prijsprikkel is, maar ook een herverdelingsmechanisme wordt waarbij opbrengsten uit het ETS worden ingezet voor vergroening in andere lidstaten?
Kunt u inzichtelijk maken welk deel van de totale ETS-opbrengsten binnen de Europese Unie momenteel wordt gereserveerd voor het Modernisation Fund en in hoeverre dit leidt tot minder ruimte voor lastenverlichting of concurrentieversterking in lidstaten als Nederland?
Deelt u de mening dat dit fonds de prikkel vergroot om ETS-opbrengsten te zien als financieringsbron voor steeds verdergaande Europese klimaatpolitiek in plaats van als middel dat juist zou moeten worden beperkt vanwege de schade voor koopkracht en concurrentiekracht?
Kunt u uitsluiten dat Nederland in toekomstige Europese onderhandelingen zal instemmen met nieuwe of grotere ETS-gerelateerde herverdelingsfondsen ten behoeve van andere lidstaten? Zo nee, waarom vindt u het aanvaardbaar dat Nederlandse huishoudens en ondernemingen worden geconfronteerd met hogere energiekosten, terwijl ETS-opbrengsten mede worden afgeroomd voor klimaatuitgaven elders in Europa?
De stijgende uitstoot en het effect van de stijging van de zeespiegel op de Waddenzee |
|
Sjoukje van Oosterhout (GroenLinks-PvdA) |
|
Stientje van Veldhoven (D66) |
|
|
|
|
Bent u bekend met het feit dat de Nederlandse uitstoot van broeikasggassen vorig jaar is toegenomen?1
Houdt u vast aan het doel om in 2030 de uitstoot met 55 procent te doen afnemen ten opzichte van het referentiejaar 1990?
Zult u doen wat nodig is om dat doel effectief te bereiken?
Welk gevolg geeft u aan de vaststelling van gestegen uitstoot in de vorm van eventuele bijsturingen van uw beleid om de uitstoot weer te doen dalen en dat voldoende snel om de klimaatdoelen te halen?
Bent u bekend met het feit dat de stijging van de zeespiegel gemiddeld 30 centimeter hoger staat dan voorheen gedacht?2
Deelt u de mening dat het voor een land dat voor een groot deel onder de zeespiegel ligt, de betrouwbaarheid van modellen die gebruikt worden om ons land en inwoners te beschermen tegen een steeds sneller stijgende zeespiegel, essentieel is?
Wat betekent dit nieuwe wetenschappelijke inzicht voor de situatie in Nederland? Welke impact heeft deze nieuwe informatie op eerder genomen besluiten over het beschermen van ons land, waarbij mogelijks gebruik gemaakt is van achterhaalde en onjuiste modellen?
Klopt de berichtgeving dat ook Nederlandse onderzoeken naar zeespiegelstijging langs de kust van verkeerde aannames zijn uitgegaan? Kunt u de Kamer informeren over welke Nederlandse onderzoeken dat gaat?
Kunt u aangeven hoe u met deze nieuwe informatie omgaat bij besluiten die raken aan de kern van het behoud van de eilanden en het werelderfgoed Waddenzee, zoals bijvoorbeeld dijknormering en delfstofwinning?
Gezien in beleid en vergunningverlening voor gas- en zoutwinning in de Waddenzee (met het «Hand aan de Kraan»-principe) zeespiegelstijging een belangrijke parameter is, bent u bereid om verleende vergunningen met deze nieuwe inzichten te herijken en aan te passen?
Herinnert u zich dat in 2021 het beleid voor mijnbouw in de Waddenzee (het de «Hand aan de Kraan»-principe) is geëvalueerd en dat het kabinet de toezegging aan de Kamer heeft gedaan dat ieder jaar geëvalueerd zou worden of er nieuwe wetenschappelijke inzichten zijn die moeten leiden tot een bijstelling van het gebruikte zeespiegelstijgingsscenario?3 Is dat gebeurd? Kunt u de evaluaties van 2022, 2023, 2024 en indien al beschikbaar 2025 aan de Kamer sturen? Zo nee, waarom niet?
Kunt u naar aanleiding van recente inzichten over zeespiegelstijging nieuwe berekeningen laten maken van de te verwachten zeespiegelstijging langs de Nederlandse (wadden)kust? Kunt u daarbij de wetenschappers achter bovenvermelde studie en het KNMI betrekken?
Bent u bereid om gezien de veiligheid voor eiland- en kustgemeenten en de liefde van veel Nederlanders voor het Wad geen onomkeerbare stappen te nemen bij vergunningverlening voor delfstofwinning tot het moment waarop u het onderzoek bedoeld in de vorige vraag met de Kamer heeft besproken?
De wetenschappelijke onderbouwing van windturbinenormen, de bescherming van omwonenden en afstandsnormen |
|
Daniël van den Berg (JA21) |
|
Stientje van Veldhoven (D66), Vincent Karremans (VVD) |
|
|
|
|
Bent u bekend met de meest recente versie van de RIVM-factsheet over gezondheidseffecten van windturbinegeluid en met de voorbereiding van nieuwe landelijke windturbinenormen?
Kunt u aangeven welke inhoudelijke wijzigingen sinds 2021 in deze factsheet zijn aangebracht, welke nieuwe wetenschappelijke inzichten daarbij zijn betrokken en op welke wijze die wijzigingen zijn verwerkt in de voorbereiding van nieuwe windturbinenormen?
Kunt u uiteenzetten welke internationale wetenschappelijke literatuur sinds 2022 door het RIVM en het Expertisepunt Windenergie en Gezondheid is betrokken bij de advisering over windturbinegeluid, en kunt u daarbij specifiek ingaan op het Duitse Umweltbundesamt-onderzoek uit 2022 naar hinder van moderne windturbines?
Op welke wijze is dit Duitse Umweltbundesamt-onderzoek betrokken bij het plan-MER, de nota van toelichting en de voorbereiding van de nieuwe landelijke windturbinenormen?
Welke blootstelling-responsrelatie ligt thans ten grondslag aan de in het ontwerpbesluit en het plan-MER beschouwde normopties voor windturbinegeluid?
Kunt u per beschouwde normoptie, waaronder in ieder geval 37, 40, 43, 45, 47 en 50 dB Lden, aangeven welk percentage ernstige hinder binnenshuis en, indien beschikbaar, buitenshuis daarbij volgens de door het kabinet gebruikte modellen hoort?
Kunt u bevestigen dat in de toelichting bij de nieuwe normering 45 dB Lden wordt gekoppeld aan een lager percentage ernstige hinder binnenshuis dan 47 dB Lden, en kunt u exact uiteenzetten welke beleidsmatige en wetenschappelijke afweging ten grondslag ligt aan de uiteindelijke normkeuze?
Bent u bereid een onafhankelijke wetenschappelijke beoordeling te laten uitvoeren van de door Leonard Baart de la Faille gepubliceerde omzetting van de Duitse dosis-effectrelatie naar de Nederlandse systematiek, en de Kamer over de uitkomsten daarvan te informeren?
Waarom kiest het kabinet bij windturbinegeluid voor normering op basis van Lden en Lnight, en welke alternatieven, zoals aanvullende maximum- of gebeurtenisnormen, zijn onderzocht om met name slaapverstoring beter te adresseren?
Welke praktijkgegevens over klachten, hinder, slaapverstoring, handhaving en ervaren overlast rond bestaande windparken zijn betrokken bij de voorbereiding van de nieuwe normen?
Klopt het dat het RIVM momenteel een nieuw blootstelling-responsonderzoek uitvoert waarvan de resultaten eind 2026 worden verwacht, terwijl de beoogde inwerkingtreding van de definitieve windturbinenormen uiterlijk per 1 januari 2027 is voorzien?
Hoe waarborgt u dat de resultaten van dit blootstelling-responsonderzoek nog daadwerkelijk en zorgvuldig kunnen worden meegewogen bij de definitieve vaststelling van de normen?
Worden in dit blootstelling-responsonderzoek ook personen betrokken die na plaatsing van windturbines zijn verhuisd wegens ervaren overlast, en zo nee, op welke wijze wordt mogelijke selectiebias dan ondervangen?
Bent u bekend met het besluit van provinciale staten van Gelderland om voor nieuwe windturbines uit te gaan van een minimale afstand van twee keer de tiphoogte tot geluidsgevoelige gebouwen, en met het voorstel om deze afstandsnorm in de Omgevingsverordening Gelderland op te nemen?
Hoe beoordeelt u deze Gelderse afstandsnorm in het licht van de bescherming van omwonenden tegen hinder en slaapverstoring door windturbines?
Waarom is bij de voorbereiding van landelijke windturbinenormen niet gekozen voor een expliciete minimale afstandsnorm, terwijl een provincie als Gelderland daar inmiddels wel toe overgaat dan wel deze norm concreet heeft voorgesteld?
Bent u bereid expliciet te onderzoeken en uit te spreken of naast geluidsnormen ook een landelijke minimale afstandsnorm voor windturbines wenselijk en juridisch houdbaar is?
Welke instructies, handreikingen of tijdelijke beleidskaders gelden in de tussenperiode voor gemeenten en provincies die besluiten nemen over windprojecten, zodat ook op lokaal niveau wordt aangesloten bij de meest recente stand van de wetenschap?
Bent u bereid de Kamer te informeren over de vraag of en, zo ja, in welke gevallen decentrale overheden vooruitlopend op de nieuwe landelijke normstelling eigen normen of vergunningvoorwaarden hanteren?
Bent u bereid geen onomkeerbare keuzes in de definitieve landelijke normstelling te maken voordat de Kamer expliciet is geïnformeerd over de betekenis van nieuwe wetenschappelijke inzichten voor de bescherming van omwonenden?
Deelt u de opvatting dat bij normstelling rond windturbinegeluid en afstandsnormen maximale transparantie over gebruikte wetenschappelijke bronnen, aannames en hinderpercentages noodzakelijk zijn om het vertrouwen van omwonenden in de overheid te versterken?
De aardbeving met een kracht van 3.0 in Drenthe |
|
Sjoukje van Oosterhout (GroenLinks-PvdA), Sandra Beckerman (SP), Julian Bushoff (PvdA) |
|
Enneüs Heerma (CDA), de Bat , Stientje van Veldhoven (D66) |
|
|
|
|
Erkent u dat het zeer pijnlijk is dat een aardbeving in Drenthe opnieuw voor schade heeft gezorgd zonder dat de rijksoverheid tijdig heeft gezorgd voor een rechtvaardige schaderegeling?
Erkent u dat bewoners zeggen dat «de breuk in het vertrouwen groter is dan de scheur in het huis»?1 Snapt u dat de woede van bewoners diep zit gezien de ongelijkheid tussen de schaderegelingen in Drenthe en de bureaucratie rondom de schadeafhandeling? Kunt u uw antwoord toelichten?
In maart 2024 werd de motie van de leden Beckerman en Bushoff2 aangenomen om het bewijsvermoeden voor alle mijnbouwactiviteiten in Nederland te laten gelden: kunt u deze motie alsnog spoedig uitvoeren, zodat gedupeerden in Drenthe eindelijk een rechtvaardige schadevergoeding krijgen?
Uw beleidsvoorganger heeft Drenthe reeds een nieuwe, soepelere regeling met terugwerkende kracht beloofd, maar beloftes dichten echter geen scheuren: hoe snel kunt u met daden komen? Welke stappen gaat u wanneer zetten?
Welke zekerheid kunt u gedupeerden geven? Kunt u een einddatum noemen waarvoor u alle schades beoordeeld wilt hebben? Gaat u hierbij direct onterecht afgewezen of te laag beoordeelde schades vergoeden?
Hoe kunt u bewoners ontzorgen? Welke extra stappen wilt u zetten voor deze bewoners die hun thuis en hun vertrouwen beschadigd zien?
Hoe voorkomt u dat er, net als bij andere mijnbouwschaderegelingen, weer een nieuwe regeling wordt opgetuigd met hoge uitvoeringskosten?
Wat is volgens u een goede balans tussen schadevergoedingen en uitvoeringskosten? Vindt u voor elke geadviseerde euro schadevergoeding 5,65 euro aan onderzoekskosten in balans?
Hoe zorgt u dat Noord-Nederland nu eindelijk boven gas gaat, gelet op het feit dat Noord-Nederland klappen blijft krijgen door bestaande en oude gaswinning en ontoereikende regelingen voor herstel en compensatie en er stemmen blijven opgaan voor nieuwe gaswinning uit kleine velden en het Groningenveld?
Welke garanties kunt u in Noord-Nederland geven dat de overheid die zo vaak onbetrouwbaar is geweest, nu eindelijk problemen gaat oplossen in plaats van nieuwe problemen gaat veroorzaken?
Welke voorwaarden en aannames waren aan de oorspronkelijke winningsvergunning gekoppeld om de veiligheid te garanderen? Zijn al deze voorwaarden ook effectief uitgevoerd? Zo nee, welke niet en waarom niet? Hoe kan het dat er dan alsnog bevingen hebben plaatsgevonden? Wat leert u van de veronderstellingen van toen die nu negatief uitpakken? Zult u op basis daarvan nieuwe, bijkomende voorwaarden stellen aan eventuele nieuwe vergunningen voor gaswinning in Nederland om daar de veiligheid wel te garanderen, ook na het beëindigen van de winningsactiviteiten?
Stikstof, zeevogels en natuurontwikkeling in het Waddengebied |
|
Caroline van der Plas (BBB) |
|
van Essen , Silvio Erkens (VVD) |
|
|
|
|
Bent u bekend met de artikelen «Meeuwen en aalscholvers poepen eigen duinen bij elkaar» en «Vogelpoep helpt bij eilandvorming», waarin onderzoek van onder meer de Universiteit Utrecht wordt beschreven naar de rol van zeevogels en hun stikstofrijke uitwerpselen bij duinvorming en vegetatieontwikkeling op (onbewoonde) Waddeneilanden?1
Klopt het dat uit dit onderzoek blijkt dat uitwerpselen van zeevogels zorgen voor extra nutriënten, waaronder stikstof, waardoor kustplanten zoals helmgras sneller groeien en zo bijdragen aan duinvorming en de stabiliteit van zandige eilanden?
Klopt het dat in sommige broedgebieden van zeevogels grote hoeveelheden vogelmest lokaal terechtkomen, waardoor daar een relatief hoge lokale nutriëntenbelasting ontstaat?
Hoe verhoudt deze bevinding (dat extra stikstof en andere nutriënten uit vogelmest bijdragen aan vegetatiegroei, duinvorming en eilandstabiliteit) zich tot het beleid waarin stikstofdepositie in Natura 2000-gebieden in beginsel als een negatieve belasting wordt beschouwd?
Deelt u de opvatting dat stikstof in ecosystemen een voedingsstof is die voor sommige soorten mogelijk nadelig kan zijn, maar voor andere juist gunstig? Zo ja, hoe wordt deze ecologische werkelijkheid momenteel meegewogen in het natuur- en stikstofbeleid?
Hoe verhoudt het feit dat in de gebiedsanalyse van het eiland Griend onder meer de habitattypen H1310A (zilte pionierbegroeiing met zeekraal), H1310B (zilte pionierbegroeiing met zeevetmuur), H1330A (schorren en zilte graslanden buitendijks) en H1330B (schorren en zilte graslanden binnendijks) als stikstofgevoelig worden aangemerkt zich tot dit onderzoek waaruit blijkt dat nutriëntenaanvoer via vogels juist een enorm positieve rol speelt bij vegetatieontwikkeling en landschapsvorming op deze locatie?
Wordt in de huidige beoordeling van stikstofdepositie rekening gehouden met verschillende bronnen van stikstof, zoals natuurlijke bronnen (bijvoorbeeld zeevogels en ganzen) en antropogene bronnen? Zo ja, op welke wijze? Zo nee, waarom niet?
Is bekend hoeveel stikstofdepositie op bepaalde locaties in het Waddengebied afkomstig is van zeevogels en andere wilde vogels, met name de locaties die op dit moment te boek staan als «stikstof overbelast»? Zo ja, kunt u deze cijfers delen? Zo nee, waarom niet?
Hoe wordt dergelijke natuurlijke stikstofaanvoer vanuit grote vogelkolonies betrokken bij het bepalen van de stikstofbelasting en de beoordeling van de staat van instandhouding van habitattypen in Natura 2000-gebieden?
Kan de waargenomen discrepantie in stikstofmetingen uit zee, waarover het Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu (RIVM) in maart 2025 rapporteerde, gedeeltelijk worden verklaard door stikstof afkomstig van zeevogels2?
Klopt het dat er binnenkort weer aanpassingen aan de modellen stikstof uit zee worden gedaan? Zo ja, wordt dit dan ook meegenomen?
Hoe wordt stikstofdepositie van zee naar land precies gemodelleerd in de modellen die worden gebruikt voor natuurbeleid en vergunningverlening?
Kan de gemeten stikstofdepositie in kustnatuur mogelijk verkeerd worden toegeschreven aan menselijke activiteiten als natuurlijke bronnen onvoldoende worden meegenomen in de modellen?
Wat betekent een mogelijke modelaanpassing voor vergunningverlening en bezwaarprocedures tegen activiteiten, zoals garnalenvisserij?
Wordt voor gebieden die mogelijk vanuit de natuur al zoveel stikstof ontvangen dat ze volgens de regels als «overbelast» te boek staan beleid gemaakt om de stikstofbelasting vanuit de mens zo laag te krijgen dat de stikstofdepositie onder de kritische depositiewaarde (KDW) komt? Zo ja, betekent dat dan niet dat er zogenaamd «overbelaste» gebieden zijn, die op totaal natuurlijke wijze «overbelast» zijn met stikstof en dat, ook als Nederland volledig inzet op stikstofemissiereductie, dan nog steeds bepaalde gebieden overbelast zouden zijn?
Als er in Nederland gebieden zijn die hoe dan ook «overbelast» zouden blijven, is dat niet bewijs dat die gebieden kennelijk alleen kunnen bestaan als wij daar op de meest onnatuurlijke wijze inzetten op behoud van een natuurtype dat het in Nederland onmogelijk zal kunnen redden?
Hoe kan beleid worden gemaakt met enorme sociaal-maatschappelijke impact (heel Nederland op slot), terwijl mogelijk de natuur zelf een zeer groot aandeel heeft op de stikstofbelasting van natuurgebieden, als er natuurtypen zijn die in een voedingsrijke delta als Nederland nooit onder de KDW zouden kunnen komen?
Klopt het dat habitattypen in Natura 2000-analyses worden beoordeeld aan de hand van categorieën als «geen overbelasting», «evenwicht», «matige overbelasting» en «sterke overbelasting»? Bestaat binnen deze systematiek ook een categorie of beoordeling waarbij nutriëntenaanvoer juist een positieve bijdrage levert aan de ontwikkeling van een habitat? Zo nee, waarom niet?
Hoe verklaart u dat in hetzelfde Natura 2000-gebied enerzijds habitattypen voorkomen die volgens de huidige systematiek als sterk stikstofgevoelig worden beschouwd, terwijl anderzijds processen plaatsvinden waarbij stikstofaanvoer via vogelkolonies juist bijdraagt aan vegetatieontwikkeling en landschapsvorming?
Klopt het dat stikstofdepositie volgens het huidige beleid als probleem wordt beschouwd wanneer deze leidt tot een verschuiving in vegetatie, waarbij soorten die beter gedijen bij hogere nutriëntenbeschikbaarheid andere soorten verdringen?
Klopt het dat dergelijke verschuivingen in vegetatie ook natuurlijke ecologische processen kunnen zijn, bijvoorbeeld wanneer nutriëntenaanvoer vanuit vogels, sediment, overstromingen of andere natuurlijke processen toeneemt?
In hoeverre kan het huidige stikstofbeleid worden gezien als een poging om bepaalde vegetatietypen actief in stand te houden of zelfs te ontwikkelen, ook wanneer natuurlijke processen juist tot een andere vegetatieontwikkeling leiden?
Klopt het dat er natuurmaatregelen in stikstofgevoelige gebieden worden uitgevoerd, zoals plaggen, maaien, afvoeren van biomassa of verwijderen van voedselrijke bodemlagen om nutriënten uit het systeem te halen?
Klopt het dat die maatregelen ook kunnen worden ingezet om stikstofbelasting te verkleinen, in plaats van enorme sociaal-maatschappelijke ingrepen in de samenleving om de stikstofemissie naar beneden te krijgen?
Klopt het dat Nederland als delta van grote Europese rivieren van nature een relatief nutriëntenrijk landschap is, mede door sedimentaanvoer, kleigronden en mariene invloeden, zoals overstromingen?
Wordt bij de aanwijzing en instandhouding van habitattypen ook gekeken naar de natuurlijke kenmerken van het landschap, zoals het feit dat Nederland een voedselrijke rivierdelta is? In hoeverre speelt dit mee bij de keuze voor te beschermen habitattypen?
In hoeverre is bij de aanwijzing van Natura 2000-habitattypen rekening gehouden met het feit dat Nederland een voedselrijke delta is en dat bepaalde voedselarme vegetaties daardoor alleen met intensief beheer en zeer grote ingrepen in onze samenleving (zoals inperken van de economische bedrijvigheid) in stand kunnen worden gehouden?
Deelt u de opvatting dat de keuze voor bepaalde habitattypen en vegetaties bepalend is voor de mate waarin stikstof als probleem wordt ervaren? Zo nee, waarom niet?
In hoeverre wordt bij het natuurbeleid overwogen om in gebieden met structureel hoge nutriëntenbeschikbaarheid in te zetten op natuurtypen die beter passen bij deze omstandigheden, in plaats van op vegetaties die juist afhankelijk zijn van voedselarme omstandigheden?
Deelt u de opvatting dat natuurdoelen die alleen met voortdurend en kostbaar menselijk ingrijpen en grote ingrepen in onze samenleving kunnen worden behouden, feitelijk minder robuust zijn dan natuurtypen die aansluiten bij de bestaande en natuurlijke omstandigheden van een gebied?
Wordt binnen het huidige natuurbeleid ook overwogen om natuurdoelen aan te passen wanneer blijkt dat deze structureel botsen met natuurlijke omstandigheden, zoals hoge nutriëntenbeschikbaarheid?
Welke ruimte biedt de Europese Habitatrichtlijn om bij natuurbeheer rekening te houden met natuurlijke nutriëntenrijkdom van gebieden en de daarbij passende ecosystemen?
Welke ruimte biedt de Habitatrichtlijn om rekening te houden met ontwikkeling van habitattypen naar ander typen, omdat natuur niet statisch is, maar altijd in ontwikkeling is?
Welke mogelijkheden bestaan er binnen de Habitatrichtlijn om natuurdoelen of habitattypen aan te passen wanneer natuurlijke ontwikkelingen structureel een andere richting opgaan dan bij de aanwijzing van een gebied werd voorzien?
Ziet u dan ruimte om daarvoor te pleiten, als er weinig ruimte is voor die ontwikkeling, zodat in Nederland natuur die ooit is ontstaan als stikstofarm (bijvoorbeeld nieuwe zanderige eilanden) of door de mens ooit is ontwikkeld tot stikstofarm (bijvoorbeeld door voedingsbodems af te voeren als turf) weer kan worden doorontwikkeld naar de stikstofrijke natuur die in een voedingsrijke delta als Nederland kan bestaan zonder extreem en zeer kostbaar, ingrijpen van de mens?
Deelt u de opvatting dat natuurbeleid is gebaat bij robuuste ecosystemen die aansluiten bij de natuurlijke en bestaande omstandigheden van een gebied, in plaats van bij ecosystemen die alleen met intensief beheer en ingrijpende emissiereducties in stand kunnen worden gehouden?
Bent u bereid te laten onderzoeken in hoeverre de huidige natuurdoelen in Nederland aansluiten bij de natuurlijke nutriëntencondities van het landschap en of alternatieve natuurtypen mogelijk robuuster en toekomstbestendiger zouden zijn?
Bent u bereid te laten onderzoeken in hoeverre natuurlijke stikstofbronnen, zoals grote vogelkolonies, bijdragen aan de stikstofbelasting in Natura 2000-gebieden en hoe deze bijdragen zich verhouden tot de kritische depositiewaarden die momenteel worden gehanteerd? Zo nee, waarom niet?
Is het stikstofprobleem in Nederland primair een emissieprobleem of een gevolg van de keuze om specifieke stikstofgevoelige natuurtypen te beschermen?
Bent u bereid, gelet op de voorbeelden waarbij natuurlijke processen (zoals vogelkolonies) leiden tot aanzienlijke stikstofaanvoer die aantoonbaar kunnen bijdragen aan natuurontwikkeling en gelet op de grote maatschappelijke en economische gevolgen van het huidige stikstofbeleid, te reflecteren op de vraag of het stikstofbeleid zijn oorspronkelijke doel (het beschermen van natuur) in sommige gevallen voorbij is geschoten en is doorgeslagen in een systeem waarbij het reduceren van stikstofdepositie een doel op zichzelf is geworden? Zo nee, waarom niet?
Deelt u de opvatting dat ingrijpende maatregelen, zoals gedwongen uitkoop van bedrijven en het intrekken van bestaande vergunningen, in ieder geval niet zijn gerechtvaardigd, gelet op de grote onzekerheden rond de rol van natuurlijke stikstofbronnen, de discussie over de passendheid van bepaalde stikstofgevoelige habitattypen in een voedselrijke delta als Nederland en de grote maatschappelijke impact van het huidige stikstofbeleid? Zo nee, waarom niet?
Waarom stapt u af van het principe «haalbaar en betaalbaar» bij de formulering van instandhoudingsdoelen, terwijl dit destijds uitdrukkelijk aan de Kamer is beloofd?
Kunt u deze vragen beantwoorden voorafgaand aan het commissiedebat Stikstof en mestbeleid op 1 april 2026?
Het onderzoek waaruit blijkt dat Nederlandse megatrawlers massaal natuurbeschermingswetten overtreden. |
|
Ines Kostić (PvdD) |
|
Silvio Erkens (VVD) |
|
|
|
|
Heeft u kennisgenomen van het recente onderzoek en campagne «Stop the Dirty Dozen»?1
Bent u ermee bekend dat door megatrawlers duizenden uren in Europese mariene beschermde gebieden (MPAs) en Natura 2000-gebieden wordt gevist, terwijl ze daar vaak geen toestemming of vergunningen voor hebben? Wat vindt u hiervan?
Heeft u ervan kennisgenomen dat de twaalf onderzochte trawlers die worden genoemd in dit onderzoek direct of indirect zijn verbonden met twee Nederlandse bedrijven?
Kunt u bevestigen dat deze praktijken in strijd met de geldende natuurbeschermingsregels zijn? Zo ja, welke actie heeft u ondernomen tegen de betreffende bedrijven? Zo nee, op welke bronnen baseert u zich dan?
Welke maatregelen worden getroffen tegen de genoemde bedrijven?
Hoe en hoe vaak wordt er momenteel gecontroleerd of trawlers zich houden aan hun quota’s en dat zij niet vissen in beschermde gebieden waar dit niet is toegestaan? Hoeveel handhavingscapaciteit is hiervoor precies beschikbaar?
Deelt u de opvatting dat de vispraktijken van deze megatrawlers te veel buiten het zicht van handhaving gebeuren en daardoor onvoldoende wordt opgetreden tegen natuurvernietiging door deze schepen? Zo nee, waarom niet en waarop baseert u dat?
Kunt u aangeven hoe vaak trawlers, verbonden aan Nederlandse bedrijven, visten zonder toestemming in beschermde gebieden of boven quota in de afgelopen vijf jaar? Welke sancties zijn daarbij opgelegd?
Bent u ermee bekend dat Europese mariene beschermde gebieden ook wel «Paper Parks» worden genoemd, omdat enige bescherming op papier is geregeld maar de gebieden in de praktijk nog steeds ernstig worden aangetast door onder meer de visserij? Onderschrijft u dit? Zo nee, op welke onafhankelijke bronnen baseert u zich?
Welke maatregelen gaat u treffen om ervoor te zorgen dat «Paper Parks» daadwerkelijk worden beschermd?
Onderschrijft u dat bodemberoerende visserij grote schade aanricht aan mariene ecosystemen doordat ze de zeebodem, en daarmee de leefgebieden van vele diersoorten, ernstig aantasten? Zo nee, op welke wetenschappelijke bronnen baseert u zich?
Hoe beoordeelt u de ecologische impact van bodemberoerende visserij op mariene ecosystemen met betrekking tot de grote hoeveelheid bijvangst van andere zeediersoorten die door deze netten wordt meegesleept en vaak ernstig gewond of dood worden teruggegooid? Op welke wetenschappelijke bronnen baseert u zich?
Bent u van mening dat ecologisch waardevolle gebieden moeten worden beschermd tegen verstoringen door de mens? Zo nee, waarom niet?
Welke aanvullende maatregelen gaat u treffen om bodemberoerende visserij in ecologisch waardevolle gebieden op zee zo spoedig mogelijk te beëindigen?
Kunt u aangeven welke rol Nederland speelt binnen de Europese Unie (EU) bij het tegengaan van visserspraktijken, zoals vissen zonder toestemming in beschermde gebieden of boven quota?
Bent u bereid om binnen de EU te pleiten voor betere bescherming van mariene beschermde gebieden en een stevige intensivering van handhaving tegen megatrawlers die ernstige natuurschade aanrichten en zich daarmee niet houden aan de Europese regels? Zo nee, waarom niet?
Kunt u deze vragen één voor één en binnen de daarvoor gestelde termijn beantwoorden?
Het versnellen van energieonafhankelijkheid en een betaalbare energierekening. |
|
Sjoukje van Oosterhout (GroenLinks-PvdA) |
|
Stientje van Veldhoven (D66) |
|
|
|
|
Bent u op de hoogte van het feit dat Spanje in deze nieuwe energiecrisis een van de Europese landen is met de goedkoopste energierekeningen juist dankzij de grote toename van hernieuwbare energie?1
Wat kan Nederland volgens u leren van de toegenomen weerbaarheid en goedkopere energierekeningen in Spanje?
Bent u op de hoogte van de vaststelling dat de transitie naar net zero voor het Verenigd Koninkrijk goedkoper zou uitkomen dan de kostprijs van één enkele fossiele energiecrisis?2
Wat kan Nederland volgens u hiervan leren?
Werkt u naar aanleiding van de olie- en gascrisis aan een versnellingsplan voor hernieuwbare energie en energiebesparing?
Hoe zult u bijvoorbeeld uitwerking geven aan de aangenomen motie Van Oosterhout c.s. om versneld de 1 GW wind op zee uit te rollen (Kamerstuk 36 800 XXIII, nr. 26)?
Welke mogelijkheden ziet u bovenop het coalitieakkoord om toch nog versneld te vergroenen om zo weerbaarder te worden, de energierekeningen van mensen en bedrijven te doen dalen en te vermijden dat de onvermijdelijk volgende olie- of gascrisis Nederland nóg meer geld gaat kosten?
Welke investeringen in verduurzaming zouden er vervroegd kunnen worden in de tijd om sneller te kunnen genieten van die voordelen van meer weerbaarheid en goedkopere energierekeningen?
Bent u op de hoogte van het Spoedplan voor minder aardgas van de Nederlandse Vereniging Duurzame Energie (NVDE)?3
Welke elementen uit dit plan kunnen volgens u versneld uitgevoerd worden?
Welke delen kunnen volgens u niet versneld uitgevoerd worden en waarom niet?
Indien bepaalde blokkades de uitvoering van die delen in de weg staan, wat zou er nodig zijn om die blokkades op te heffen?
Zou u deze vragen kunnen beantwoorden voor het commissiedebat Hernieuwbare energie van 1 april a.s.?
De juridische implicaties van het on hold zetten van gaswinning |
|
Sjoukje van Oosterhout (GroenLinks-PvdA) |
|
Stientje van Veldhoven (D66) |
|
|
|
|
Zou een tijdelijk staken van reeds vergunde gaswinning om bepaalde onderzoeken naar de gevolgen ervan af te wachten, neerkomen op contractbreuk met de gaswinningsbedrijven?
Heeft u binnen de huidige wetgeving juridische mogelijkheden om een algemene tijdelijke of permanente stop op nieuwe gasboringen in te voeren in een specifiek gebied, inclusief wanneer er exploratievergunningen zijn toegekend? Is er daarbij een verschil tussen projecten die nog in een proefboorfase zitten en projecten die al volop gas aan het winnen zijn? Zo ja, welke mogelijkheden heeft u?
Welke juridische mogelijkheden heeft u om reeds verleende vergunningen voor gasboringen weer in te trekken?
Heeft u juridische mogelijkheden om reeds lopende gaswinningsprojecten tijdelijk of permanent stil te leggen in een specifiek gebied? Zo ja, welke?
In welke van deze gevallen zullen betrokken bedrijven financieel gecompenseerd moeten worden en in welke gevallen is dat niet nodig?
Zijn er omstandigheden waarin u meer ruimte heeft om vergunningen in te trekken of vergunde projecten stil te leggen, bijvoorbeeld in het geval van nieuwe inzichten over risico’s die bij op het moment van vergunningverlening niet bekend waren of als minder riskant werden ingeschat?
De impact van de EU Methane Emissions Regulation op de leveringszekerheid van aardgas |
|
Henk Jumelet (CDA) |
|
Stientje van Veldhoven (D66) |
|
|
|
|
Bent u bekend met het rapport «EU Methane Emissions Regulation – Analysis of Market Impacts»?1
Hoe beoordeelt u, mede in het licht van de huidige instabiele geopolitieke situatie en het belang van leveringszekerheid, de bevindingen uit het rapport dat door de importvereisten volgend uit de Europese Methane Regulation vanaf 2027 mogelijk tot 43% van de huidige gasimport van de EU (circa 114 bcm) en 87% van de ruwe olie niet meer aan de regelgeving voldoet en daarmee niet geïmporteerd kan worden?
Hoe beoordeelt u het risico dat deze regelgeving daardoor zal leiden tot een aanbodtekort aan aardgas in Europa, aangezien het rapport concludeert dat de hoeveelheid gas die aan de EU-eisen voldoet mogelijk lager is dan de Europese vraag vanaf 2027?
Deelt u de zorg uit het rapport dat een door regelgeving veroorzaakt aanbodtekort kan leiden tot sterk stijgende gasprijzen en mogelijke vraagvernietiging, met gevolgen voor huishoudens, elektriciteitsproductie en energie-intensieve industrieën?
Welke mogelijkheden ziet het u om bij de verdere implementatie van de Europese Methaanverordening te voorkomen dat de leveringszekerheid van aardgas in gevaar komt, bijvoorbeeld door aanpassingen in de eisen rond monitoring, rapportage en verificatie voor importeurs? In hoeverre zijn dergelijke aanpassingen volgens u wenselijk en mogelijk?
In hoeverre en onder welke voorwaarden bent u bereid zich in Europees verband in te zetten voor een pragmatische implementatie of gerichte aanpassing van de regelgeving, zoals in het rapport wordt voorgesteld, om verstoringen van de Europese gas- en olievoorziening te voorkomen?
Het artikel 'Rijk verbiedt gemeenten om eigen maatregelen te nemen tegen staalslakken' |
|
Ani Zalinyan (GroenLinks-PvdA), Ines Kostić (PvdD) |
|
Vincent Karremans (VVD) |
|
|
|
|
Bent u bekend met het artikel «Rijk verbiedt gemeenten om eigen maatregelen te nemen tegen staalslakken»?1
Ja.
Klopt het dat het ministerie gemeenten heeft opgedragen bestaande lokale verboden, toepassingsregels of vergunningplichten terug te draaien? Zo ja, op basis van welke juridische analyse is dit standpunt gebaseerd? Valt dit niet onder de beleidsvrijheid van gemeenten? Of de plicht van overheden om burgers tegen vermijdbare risico’s te beschermen?
Eind december 2025 is het Circulair Materialenplan (CMP) in werking getreden en is er door IenW een brief gestuurd aan bevoegde gezagen en de Omgevingsdiensten. Deze brief had als doel om decentrale overheden te informeren over de inwerkingtreding van het CMP. Naar aanleiding van deze brief en berichtgeving in de media is er verwarring ontstaan over de bevoegdheid van decentrale overheden om op lokaal niveau aanvullende maatregelen voor het toepassen van staalslak en andere secundaire bouwstoffen te treffen. Het CMP doet op geen enkele wijze afbreuk aan de juridische verantwoordelijkheden en bevoegdheden van het bevoegd gezag. De bevoegdheid om op lokaal niveau aanvullende maatregelen te treffen is verankerd in de Omgevingswet en het Besluit activiteiten leefomgeving.
Ik heb dit recent ook verder toegelicht in de Kamerbrief van 13 maart jongstleden.2
Hoe verhoudt dit verbod om de eigen inwoners tegen gezondheidsschadelijke vervuiling te beschermen, zich tot de actuele kennis over de risico’s van staalslakken voor mens en milieu, zoals onder meer blijkt uit rapportages van het Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu (RIVM), de Inspectie Leefomgeving en Transport (ILT) en de Algemene Rekenkamer?
Op basis van diverse onderzoeksrapporten, zoals rapportages van het RIVM, de ILT en de Algemene Rekenkamer is op 23 juli 2025 de tijdelijke regeling staalslak (pauzeknop) ingesteld. Deze regeling verbiedt het toepassen van niet-vormgegeven bouwstoffen met daarin meer dan 20% staalslak op of in de landbodem in een laagdikte van meer dan 0,5 meter of op locaties waar direct oog-, mond- of huidcontact mogelijk is. Daarnaast is er een vergunningplicht ingevoerd voor het toepassen op of in de landbodem, voor zover deze niet onder het verbod vallen. De regeling geldt ten minste tot en met juli 2026 met een mogelijke verlenging tot januari 2027. Met deze landelijke regeling worden decentrale overheden ontlast en is het op dit moment niet nodig om voor de nieuwe toepassingen van staalslak die onder dit verbod of vergunningplicht vallen maatwerkregels of voorschriften in te stellen. Voor toepassingen die niet onder de reikwijdte van de regeling vallen (bijvoorbeeld toepassingen in oppervlaktewater) is maatwerk wel mogelijk.
Bent u bekend met de overweging van gemeenten om juist vanwege concrete lokale problemen en gezondheidsklachten, strengere regels te willen stellen voor het gebruik van staalslakken? Wat is uw reflectie hierop?
Het is mij bekend dat verschillende gemeenten maatregelen treffen en hebben getroffen voor het toepassen van secundaire bouwstoffen, waaronder staalslak. De bevoegdheid om op lokaal niveau aanvullende maatregelen te treffen is verankerd in de Omgevingswet en het Besluit activiteiten leefomgeving. Het staat bevoegde gezagen vrij om gemotiveerd lokaal beleid vast te stellen op basis van locatiespecifieke kenmerken ter bescherming van mens en milieu. Het doel van de tijdelijke regeling was om gemeenten hierin te ontlasten door op landelijk niveau voor staalslak een pauzeknop in te drukken.
Hoe verhoudt het standpunt, dat gemeenten geen generieke verboden mogen stellen, zich tot de tijdelijke stop op bepaalde toepassingen van staalslakken die het kabinet zelf heeft ingesteld vanwege gezondheidsrisico’s?
Het CMP doet op geen enkele wijze afbreuk aan de juridische verantwoordelijkheden en bevoegdheden van het bevoegd gezag. Zie ook het antwoord op vraag 2. Verder is in de antwoorden op vragen 3 en 4 aangegeven dat de tijdelijke regeling tot doel heeft decentrale overheden te ontlasten. In de toelichting op deze regeling is dat ook aangegeven door erop te wijzen dat het voor lokale overheden door de regeling niet meer nodig is om de bestaande bevoegdheden tot het stellen van maatwerkregels of-voorschriften in te zetten.3 Ook op het Informatiepunt Leefomgeving is een passage gewijd aan de verhouding van decentrale regels tot de tijdelijke regeling.4
Wilt u reflecteren op de stelling dat door generieke verboden te verbieden voor gemeenten, het praktisch onmogelijk wordt voor gemeenten vanwege gebrek aan middelen, capaciteit, afdoende kennis om de gezondheid van hun inwoners goed te beschermen? Denkt u dat gemeenten, aannemers of het milieu er beter bij gebaat zijn als elke lading apart moet worden getest op schadelijke stoffen en aparte toepassingsregels krijgt?
Het CMP roept enkel op om per bouwstof en per toepassingslocatie een afweging te maken en geen generieke lokale beperkingen in te stellen op de toepassing van secundaire bouwstoffen die voldoen aan de kwaliteitseisen in wet- en regelgeving. Een generieke beperking belemmert de afzet van secundair materiaal – en daarmee de transitie naar een circulaire economie – en het leidt tot een ongelijk speelveld in Nederland. Het staat bevoegde gezagen echter vrij om gemotiveerd af te wijken op basis van locatiespecifieke kenmerken ter bescherming van mens en milieu.
Deelt u de mening dat gemeenten een verantwoordelijkheid hebben voor de bescherming van de gezondheid van hun inwoners en daarom ruimte moeten hebben om lokaal aanvullende maatregelen te nemen wanneer zij risico’s signaleren en het Rijk in gebreke blijft door niet tijdig effectieve regels en maatregelen te treffen?
Ja, de bevoegdheid tot het vaststellen van maatwerkregels en -voorschriften is verankerd in de Omgevingswet en het Besluit activiteiten leefomgeving (afdeling 2.5). Hierbij kan worden afgeweken van de regels voor milieubelastende activiteiten en lozingsactiviteiten in het Bal, tenzij anders is bepaald (artikel 2.12, tweede lid). Voor de milieubelastende activiteiten «toepassen van bouwstoffen en grond» bevat het Bal geen beperking. Wel is het zo dat maatwerk alleen mogelijk is met het oog op de belangen die zijn genoemd in artikel 2.2 van het Bal, waaronder het beschermen van gezondheid en milieu. Het is aan decentrale overheden zelf om hierin een afweging te maken.
Hoe verhoudt uw instructie aan gemeenten zich tot de motie van het lid Teunissen c.s. (Kamerstuk 29 383, nr. 428), waarin de regering werd verzocht om strengere regels voor het gebruik van staalslakken te onderzoeken en risico’s beter te beperken?
De motie van lid Teunissen verzoekt de regering om op basis van het voorzorgsbeginsel het gebruik van LD-staalslak te stoppen totdat alle onderzoeken rond zijn. Met de inwerkingtreding van de tijdelijke regeling staalslak op 23 juli 20255 is invulling gegeven aan deze motie. De oproep in het CMP doet op geen enkele manier afbreuk aan de ingestelde regeling.
Hoe verhoudt deze instructie voor gemeenten zich tot de motie van de leden Zalinyan/Kostic (Kamerstuk 28 089, nr. 343), waarin de regering werd verzocht om aanvullende maatregelen te nemen rond het gebruik van staalslakken en de relatie tot de maatwerkafspraken met Tata Steel?
Zoals door de vorige Staatssecretaris aangegeven bij de appreciatie van de genoemde motie staat het zowel het kabinet als het parlement vrij om beleid te maken en wetten aan te passen, los van welke privaatrechtelijke afspraak dan ook. De verantwoordelijkheden en bevoegdheden van het bevoegd gezag, zoals toegelicht in de antwoorden op vragen 2 en 3, staan eveneens los van welke privaatrechtelijke afspraak dan ook.
Wilt u reflecteren op de stelling dat het belang van de afzetmarkt voor secundaire bouwstoffen, zoals in de brief wordt benoemd, zwaarder telt dan de gezondheid van mens en milieu?
Een doel van dit kabinet is om de circulaire economie te bevorderen en daarbij een veilige, verantwoorde toepassing te borgen. Gezondheid en milieu zijn integraal onderdeel van de doelen van de circulaire economie. Dit is ook neergelegd in artikel 2.2 van het Bal, waarin niet alleen het beschermen van gezondheid en milieu zijn genoemd, maar ook het doelmatig gebruik van energie en grondstoffen en het doelmatig beheer van afvalstoffen. Deze belangen moeten hand in hand met elkaar gaan.
Is over de inhoud van deze brief of het doel van deze instructie contact geweest met (vertegenwoordigers van) Tata Steel of afnemers van staalslakken van Tata Steel? Zo ja, wat was de inhoud van dat contact? Kunt u eventuele correspondentie en gespreksverslagen met de Kamer delen?
Nee, er is daarover geen contact geweest met genoemde partijen.
Klopt het dat er een financiële prikkel is om staalslakken te gebruiken in de vorm van dat als staalslakken afgenomen worden van Tata Steel, de afnemers geld krijgen daarvoor? Hoe ziet deze afzetmarkt eruit rondom de financiële prikkel? Waar ligt dan de grens tussen afval en grondstof?
Het klopt dat voor sommige toepassingen een negatieve prijs geldt. In dat geval krijgt de aannemer geld toe van de leverancier. Als het meegeven van geld aan aannemers aantoonbaar en structureel zou leiden tot een volgens de regels onjuiste of overmatige, niet-functionele toepassing, dan is er reden om op dát aspect aan te grijpen. Dit is namelijk niet toegestaan (artikel 4.1261 Bal). Dit wordt ook aangegeven in een rapport, opgesteld door Drift en Tauw, dat ook in de verzamelbrief Circulaire Economie van juni 2024 met de Kamer is gedeeld.6
Het rapport stelt dat enkel door het gegeven van een negatieve prijs (die geldt op het punt waarop de bouwstoffen uit de poort van de verwerker gaan) niet geconcludeerd kan worden dat er een prikkel is tot overmatig toepassen van materiaal. De transportkosten van staalslak vormen namelijk een belangrijk onderdeel van de totale kosten van de bouwstof. Omdat staalslak slechts op één locatie in Nederland geproduceerd wordt, is de reële prijs in de praktijk vaak positief en zijn de transportkosten hoger dan de vergoeding die de afnemer ontvangt voor de staalslakken. Daarmee heeft de afnemer op dat moment geen prikkel meer om meer af te nemen dan strikt noodzakelijk is voor het project.7
Met betrekking tot de grens tussen afval en grondstof, zijn de definities van de begrippen afvalstof, bijproduct en einde-afvalstof neergelegd in art. 1.1 Wet milieubeheer van belang. Op basis van deze definities moet worden bepaald of staalslakken afvalstoffen zijn of niet. Dat moet per geval worden bepaald. Een van de voorwaarden die bij de toepassing van staalslak als bouwstof moet zijn vervuld is dat het gebruik voldoet aan de hiervoor geldende wettelijke kaders, waaronder de eis dat geen grotere hoeveelheid mag worden toegepast dan functioneel nodig is voor het werk. Is niet aan deze voorwaarde voldaan (en dit moet per individuele situatie worden beoordeeld), dan kan er geen sprake zijn van een bijproduct of einde-afval.
Hoe ziet u de rol van het ministerie in het faciliteren en zelfs afdwingen van een afzetmarkt voor het afval van Tata Steel en de verplichting van de overheid om de gezondheid van mens en milieu te beschermen?
Secundaire bouwstoffen zijn afkomstig van afvalstoffen en reststromen van productieprocessen die op basis van wettelijke voorwaarden geschikt zijn of kunnen worden gemaakt om op een verantwoorde wijze als bouwstof te worden gebruikt. Ze zijn dan geen afvalstof meer, maar einde-afval of bijproduct. De regels voor afvalverwerking staan in de Wet Milieubeheer (Wm) en het Circulair Materialenplan (CMP) en de regels voor toepassing als bouwstof liggen op basis van de Omgevingswet en de Wm vast in het Besluit activiteiten leefomgeving, het Besluit bodemkwaliteit en de Regeling bodemkwaliteit. Door recycling en voorbereiding voor hergebruik, aanpassing van productieprocessen en vervolgens het gebruik van secundaire materialen kan winning en gebruik van primaire grondstoffen, zoals zand en grind, worden voorkomen. Bevorderen van efficiënt grondstofgebruik en het beschermen van de natuurlijke hulpbronnen in verband met de overgang naar een circulaire economie is een van de doelstellingen van de Europese Kaderrichtlijn Afval (Kra). De Kra stelt ook als doel en randvoorwaarde dat de menselijke gezondheid en het milieu moeten worden beschermd.
Kortom – het is in het kader van grondstoffenefficiëntie goed als afvalstoffen of reststromen van productieprocessen kunnen worden ingezet als secundaire bouwstof, maar dit moet wel veilig gebeuren. Deze belangen moeten hand in hand gaan.
Hoeveel gemeenten hebben een generiek verbod ingevoerd en hoeveel hebben andere aanvullende regels opgesteld? Worden alle aanvullende regels nu verboden? Hoe gaat u optreden tegen gemeenten die dit weigeren?
Er is geen totaalbeeld beschikbaar. Pas sinds de inwerkingtreding van het CMP geldt op grond van artikel 10:14, vierde lid, van de Wet milieubeheer dat decentrale overheden IenW moeten informeren wanneer zij afwijken van het CMP. Op basis van deze verstrekking plicht zijn er drie meldingen ontvangen. Als reactie op de ontvangen meldingen sturen we een niet-bindend advies. Het staat bevoegde gezagen vrij hiervan af te wijken met een motivering in het uiteindelijke besluit.
Deelt u de mening dat het beperken van de ruimte voor gemeenten om maatregelen te nemen haaks kan staan op de bedoeling van de Kamer en de aangenomen moties hierover, de autonomie van gemeenten en de zorgplicht van de overheid om te zorgen voor een gezonde leefomgeving voor haar inwoners?
Ja, deze mening deel ik. Ik heb toegelicht dat hiervan geen sprake is.
Bent u bereid de Kamer inzicht te geven in alle correspondentie van het ministerie met gemeenten, provincies en omgevingsdiensten over het terugdraaien van lokale beperkingen op staalslakken?
Hiervan is geen sprake geweest. Zie ook het antwoord op vraag 2.
Bent u bereid uw staalslakkenverbodverbod aan te houden, zolang de onderzoeken naar de risico’s nog niet zijn afgerond en de landelijke regels nog niet zijn aangescherpt?
Zoals ook in de brief van 21 juli 20258 waarin de tijdelijke regeling werd aangekondigd is beschreven geldt de regeling in beginsel voor een jaar en kan maximaal met een half jaar worden verlengd (artikel 23.6a Omgevingswet). De regeling is een pas op de plaats om grip te krijgen op de huidige situatie en veilige toepassingen van staalslak te kunnen borgen. In deze periode wordt onderzoek gedaan om een beter beeld te krijgen van de risico’s om vervolgens de benodigde structurele maatregelen te kunnen nemen voor een verantwoorde toepassing na de periode van de tijdelijke regeling. Over een eventuele verlenging en over de opvolging van de tijdelijke regeling zal ik op korte termijn een besluit nemen. U wordt hierover geïnformeerd.
Kunt u de Kamer informeren op hoeveel locaties in Nederland meldingen zijn geweest van milieuschade of gezondheidsklachten?
Er bestaat geen totaalbeeld van het aantal meldingen of incidenten. In 2025 heeft de Inspectie Leefomgeving en Transport (ILT) een onderzoek uitgevoerd naar grootschalige toepassingen met toepassingslagen dikker dan 0,5 meter van de LD-staalslak. Het rapport is op 27 oktober gepubliceerd.9 De ILT heeft 26 locaties onderzocht, waarvan op 23 locaties LD-staalslak is toegepast. Van deze 23 locaties zijn op 19 locaties milieueffecten geconstateerd.
Welke stappen zijn er sinds het instellen van het tijdelijke landelijke verbod op het gebruik van staalslakken gezet om tot strengere regels of betere bescherming van mens en milieu te komen? Wanneer kan de Kamer nieuwe wetgeving verwachten?
Gedurende de looptijd van de tijdelijke regeling wordt onderzoek gedaan om een beter beeld te krijgen van de risico’s van het toepassen van staalslak. Verder is een aantal scenario’s uitgewerkt voor de opvolging van de tijdelijke regeling. Over een eventuele verlenging en opvolging van de tijdelijke regeling zal ik op korte termijn een besluit nemen. U wordt hierover geïnformeerd.
Wat gebeurt er wanneer het tijdelijke verbod afloopt en op basis van welke criteria wordt besloten of het gebruik van staalslakken weer wordt toegestaan?
Zoals hierboven aangegeven is er een aantal scenario’s uitgewerkt voor de opvolging van de tijdelijke regeling. Over een eventuele verlenging en opvolging van de tijdelijke regeling zal ik op korte termijn een besluit nemen. U wordt hierover geïnformeerd.
Het bericht ‘Hoe de sloten in Nederland verdwijnen’ |
|
Anne-Marijke Podt (D66), Marieke Vellinga-Beemsterboer (D66) |
|
van Essen , Vincent Karremans (VVD) |
|
|
|
|
Hoe beoordeelt u het feit dat de regels voor bufferstroken, bedoeld voor een betere waterkwaliteit, in de praktijk een prikkel vormen voor agrariërs om sloten te dempen zodat zij deze stroken niet hoeven aan te leggen?1
Hoe rijmt u de landelijke ambities om juist meer ruimte te geven aan water en natuur, bijvoorbeeld in het kader van agrarische natuurbeheer, met de in dit artikel beschreven ontwikkelingen, waarbij tienduizenden sloten in rap tempo verdwijnen?
In hoeverre dragen sloten bij aan het opslaan van stikstof en nitraten, en in het verlengde daarvan aan een betere waterkwaliteit en minder stikstofdruk op natuurgebieden?
Op welke wijze houdt de overheid op dit moment overzicht van de bestaande sloten in Nederland, en hoe wordt gecontroleerd of de tienduizenden verdwenen sloten legaal of illegaal zijn gedempt?
Hoe verklaart u dat veel gemeenten aangeven «geen prioriteit» te geven aan het handhaven van hun eigen bestemmingsplannen voor watergangen, terwijl dit de nationale doelen voor water en natuur direct raakt?
Welk effect heeft het niet consequent handhaven van regels rondom waterbeheer en landschapsinrichting volgens u op de algemene waterkwaliteit, de natuurwaarden in de regio en betrouwbare overheid?
Wat vindt u van het feit dat omwonenden die melding maken van illegale demping vaak in de kou worden gezet door de overheid en soms zelfs te maken krijgen met intimidatie en dreigementen?
Hoe gaat u, in samenwerking met uw collega-minister van Justitie en Veiligheid, de positie en de fysieke veiligheid van deze kritische burgers en lokale toezichthouders beschermen, nu uit het artikel blijkt dat zij zich soms ernstig bedreigd voelen?
Bent u bekend met het risico dat door het dempen van sloten en het ophogen van landbouwpercelen de lokale waterhuishouding ontregeld raakt, waardoor de waterdruk op omliggende funderingen van woningen gevaarlijk toeneemt?
Bent u bereid om een landelijk onderzoek in te stellen naar de directe relatie tussen illegale slootdemping, perceelophoging en de toename van funderingsschade bij burgers in het buitengebied?
Erkent u dat illegale slootdemping de nationale woningbouwopgave bemoeilijkt, omdat de benodigde waterberging verdwijnt en de kans op wateroverlast op andere (bouw)locaties in de regio toeneemt?
Hoe gaat u ervoor zorgen dat de biodiversiteit in en rond deze sloten beter beschermd wordt, zodat planten en dieren niet langer «levend begraven» worden bij illegale werkzaamheden?
Op welke wijze gaat u het belang van sloten voor de hydrologie van de bodem en natuur meenemen in de zonering rond Natura 2000-gebieden?
Bent u bereid om met gemeenten in gesprek te gaan om te zorgen dat de handhaving zal toenemen en daarmee de goeden niet lijden onder de kwaden?
Kunt u toezeggen om voor het commissiedebat Water op 25 juni een terugkoppeling te geven van de gesprekken, uw maatregelen en de ontwikkelingen omtrent het illegaal dempen van sloten?