Het verslavend ontwerp van Instagram en Facebook |
|
Barbara Kathmann (GroenLinks-PvdA) |
|
Aerdts |
|
|
|
|
Bent u bekend met de bevindingen van de Europese Commissie over het verslavende ontwerp van Instagram en Facebook1 en de berichtgeving hierover?2
Wat is uw reactie op de bevindingen van de Europese Commissie? Deelt u de analyse dat Meta willens en wetens gebruikmaakt van verslavend ontwerp, ten koste van de privacy en gezondheid van haar miljarden gebruikers?
Vindt u dat het onderzoek van de Europese Commissie snel genoeg is verlopen, aangezien al lang en breed bekend is dat Meta verslavend ontwerp toepast op Instagram en Facebook?
Wat is er nodig om de Digital Services Act sneller, effectiever en harder in te kunnen zetten tegen techbedrijven die verslavend ontwerp toepassen? Wat is hiervoor de inzet van dit kabinet?
Kunt u uitleggen wanneer Meta technische aanpassingen moet doorvoeren op Instagram en Facebook? Welke aanpassingen zijn dit?
Hoe hoog is de boete die Meta riskeert? Vindt u de boete hoog genoeg om het bedrijf tot actie te dwingen?
Wanneer moet Meta de aanpassingen doorvoeren? Is hier een harde deadline voor? Zo niet, bent u bereid hiervoor te pleiten bij de Europese Commissie?
Vertrouwt u er op dat Meta de aanpassingen zal doorvoeren? Op welke manieren kunnen de Europese Commissie of afzonderlijke lidstaten de druk opvoeren om dit tijdig te doen?
Hoe kunt u, samen met het Nederlandse veld van experts, burgerrechtenorganisaties en toezichthouders, bijdragen aan de stappen die de Europese Commissie zet tegen Meta?
Kunt u de vragen afzonderlijk van elkaar beantwoorden?
Het artikel 'Russische atleten en ploegen weer welkom op Olympische Spelen na besluit IOC' |
|
Nicole Maes (VVD) |
|
Berendsen |
|
|
|
|
Bent u bekend met het bericht «Russische atleten en ploegen weer welkom op Olympische Spelen na besluit IOC»?1
Hoe beoordeelt u het besluit van het Internationaal Olympisch Comité (IOC) om de schorsing van het Russisch Olympisch Comité (ROC) voorlopig op te heffen, in het licht van de realiteit dat er door de Russische agressie inmiddels meer dan 600 Oekraïense atleten en coaches zijn vermoord, er nog zeker 19 in Russische gevangenschap verkeren en er 13 als vermist staan geregistreerd?
Hoe duidt u het feit dat het IOC deze schorsing opheft, terwijl de oorspronkelijke reden voor de schorsing (namelijk: het inlijven van regionale sportbonden uit geannexeerde Oekraïense gebieden door het ROC) door Rusland niet ongedaan is gemaakt of gecorrigeerd?
Hoe beoordeelt u de haalbaarheid van zogenaamd «neutrale» Russische deelnemers of ploegen, wetende dat topsport in Rusland veelal onlosmakelijk verbonden is met de staat en dat veel topsporters direct gelieerd zijn aan het Russische leger en de veiligheidsdiensten?
Deelt u de zorg dat het toelaten van Rusland tot het meest prestigieuze sportevenement ter wereld bijdraagt aan het witwassen van Russische oorlogsmisdaden in Oekraïne en kan bijdragen aan het legitimeren van de Russische staat op het wereldtoneel?
Deelt u de opvatting dat het IOC besluit het risico in zich draagt het signaal af te geven, namelijk dat oorlogsmisdaden zonder langdurige of fundamentele consequenties blijven, en daarmee straffeloosheid aanwakkert? Zo ja, wat gaat u hier dan aan doen? Zo nee, waarom niet?
Deelt u de zorg dat dit besluit kan dienen als een onwenselijke opmaat naar de bredere politieke rehabilitatie van het regime van Poetin, en bent u het ermee eens dat hiervan geen sprake mag zijn zolang de Russische aanvalsoorlog tegen Oekraïne voortduurt?
Hoe schat u de kans in dat er in de huidige Russische context werkelijk onafhankelijke dopingcontroles worden uitgevoerd?
Wat vindt u van de verklaringen van onder meer Estland en Litouwen, waarin dit besluit van het IOC stevig wordt veroordeeld en de oproep is gedaan om Europese financiering aan het IOC op te schorten, omdat sport geen achterdeur mag zijn voor het normaliseren van agressie?
Bent u bereid om zich aan te sluiten bij de inzet van Estland en Litouwen, en in Europees verband de mogelijkheid te verkennen om EU-subsidies en -financieringsprogramma's (zoals het Erasmus+-programma) aan het IOC op te schorten of te bevriezen totdat deze beslissing wordt teruggedraaid? Zo nee, waarom niet?
Ziet u mogelijkheden om, in overleg met de gastlanden van de komende Spelen (de Verenigde Staten voor de Zomerspelen van 2028 en Frankrijk voor de Winterspelen van 2030), te spreken over de inzet van gerichte visumrestricties om deelname van Russische sporters met aantoonbare staats- of legerbanden te voorkomen?
Bent u bereid om er op korte termijn voor te zorgen dat er een krachtig en eenduidig Nederlands geluid richting het IOC gaat, met als inzet dat de rehabilitatie van Rusland onbespreekbaar is zolang de oorlog in Oekraïne voortduurt?
Het besluit van het IOC om Russische sporters weer toe te laten tot internationale sportevenementen |
|
Renilde Huizenga (D66), Hanneke van der Werf (D66) |
|
Mirjam Sterk (CDA), Berendsen |
|
|
|
|
Bent u bekend met het besluit van het Internationaal Olympisch Comité (IOC) om de schorsing van het Russisch Olympisch Comité onder voorwaarden op te heffen en daarmee de weg vrij te maken voor terugkeer van Russische sporters naar internationale competities?
Deelt u de verontwaardiging van de vraagstellers over het besluit van het IOC om Rusland weer toe te laten, terwijl het land nog altijd een agressieoorlog voert tegen Oekraïne, met dagelijkse raketaanvallen op steden en burgers?
Deelt u de zorg dat dit besluit door Oekraïense sporters en hun families gevoeld zal worden als een klap in het gezicht, en als een signaal dat de internationale solidariteit met Oekraïne verzwakt? Zo ja, welke concrete stappen onderneemt u om dit bij het IOC en internationale sportorganisaties aan te kaarten?
Deelt u de zorg dat dit besluit een eerste stap kan zijn richting bredere normalisatie en herintegratie van Rusland in andere sportieve en niet-sportieve fora? Zo ja, hoe verzet Nederland zich hiertegen, en welke stappen zet het kabinet om deze normalisering actief tegen te gaan?
Welke voorwaarden gelden volgens het IOC voor de toelating van Russische sporters en hoe beoordeelt u de handhaafbaarheid en controleerbaarheid van deze voorwaarden?
Welke aanvullende waarborgen bestaan er om, gelet op de eerdere grootschalige staatsgestuurde dopingschandalen in Rusland, eerlijke en onafhankelijke dopingcontroles te garanderen?
Bent u hierover in gesprek met NOC*NSF, Nederlandse sportbonden en Nederlandse topsporters? Zo ja, wat zijn de uitkomsten van die gesprekken? Zo nee, bent u bereid dit alsnog te doen?
Bent u voornemens binnen de Europese Unie of in overleg met gelijkgezinde landen op te trekken om een gezamenlijke positie in te nemen over de terugkeer van Russische sporters naar internationale sportevenementen?
Wat is de Nederlandse inzet ten aanzien van een eventuele toekomstige terugkeer van de Russische vlag, het volkslied en officiële Russische vertegenwoordiging bij internationale sportevenementen en de Olympische Spelen, nu het IOC daarover nog geen definitief besluit heeft genomen?
Bent u bereid de Kamer voorafgaand aan eerstvolgende internationale overleggen over dit onderwerp te informeren over de Nederlandse inzet en de gesprekken die hierover worden gevoerd?
De uitzending van Nieuwsuur 'Zijn we klaar voor de afvalrevolutie?' |
|
Ingrid Coenradie (PVV) |
|
Sophie Hermans (VVD) |
|
|
|
|
Bent u bekend met de uitzending van Nieuwsuur «Zijn we klaar voor de afvalrevolutie?» over de opkomst van afslankmedicatie en de vraag of Nederland daarop is voorbereid?1
Welke concrete maatregelen neemt u om te voorkomen dat de toegang tot afslankmedicatie de komende jaren vooral afhankelijk wordt van de portemonnee van patiënten, terwijl patiënten zonder voldoende financiële middelen kunnen uitwijken naar buitenlandse of schimmige websites?
Heeft u een concreet scenario klaarliggen voor de situatie waarin goedkope generieke varianten van GLP-1- en GLP-1/GIP-middelen op grote schaal online beschikbaar komen voor Nederlandse patiënten? Zo ja, wat houdt dat scenario in? Zo nee, waarom niet en wanneer komt dat er wel?
Welke inschatting maakt u van de huidige omvang van het gebruik van afslankmedicatie buiten de reguliere zorgkanalen, bijvoorbeeld via buitenlandse websites, online platforms of sociale media?
Welke prognoses heeft u over de verwachte groei van dit gebruik in 2026 en de jaren daarna, mede gelet op het vooruitzicht dat goedkopere varianten uit onder meer India en China beschikbaar komen?
Welke cijfers zijn beschikbaar over meldingen van verkeerd gebruik, bijwerkingen, vergiftigingen of ziekenhuisopnames door afslankmedicatie bij onder meer de Inspectie Gezondheidszorg en Jeugd (IGJ), het Nationaal Vergiftigingen Informatie Centrum, Lareb, huisartsenposten en spoedeisende hulpafdelingen en kunt u deze cijfers uitsplitsen over 2023, 2024, 2025 en 2026 en daarbij waar mogelijk onderscheid maken tussen geregistreerde middelen, off-labelgebruik, online bestelde middelen, vermoedelijk vervalste middelen, zelf geïmporteerde middelen en middelen waarvan de herkomst onbekend is?
Klopt het dat het Zorginstituut Nederland nog bezig is met beoordelingen van nieuwe obesitasmedicatie, waaronder Wegovy en Mounjaro? Waarom moet dit proces zo lang duren, mede gelet op de snelle groei van de markt en het toenemende gebruik buiten de reguliere zorg?
Wanneer verwacht u de publicatie van de adviezen over Wegovy en Mounjaro voor de behandeling van obesitas? Bent u bereid het Zorginstituut te vragen deze publicatie te versnellen? Zo nee, waarom niet en welke afweging ligt daaraan ten grondslag?
Wat gaat u concreet doen om te voorkomen dat het beleid in de praktijk neerkomt op afwachten, terwijl patiënten ondertussen zelf middelen bestellen, doseringen aanpassen of zonder begeleiding stoppen en opnieuw beginnen?
Hoe beoordeelt u het door emeritus hoogleraar Chris Mulder genoemde voorbeeld van een gecontroleerd model waarbij patiënten goedkope medicatie uit het buitenland kunnen bestellen, maar waarbij overheid, inspectie en laboratoria de betrouwbaarheid van middelen toetsen en artsen of apothekers het gebruik begeleiden?
Bent u bereid de juridische, medische en praktische haalbaarheid van zo’n gecontroleerd import- en testmodel voor afslankmedicatie te onderzoeken, inclusief de ruimte binnen Nederlandse en Europese geneesmiddelenwetgeving en binnen bijvoorbeeld het octrooirecht, de douaneregels en de regels voor persoonlijke import?
Indien u een dergelijk model niet mogelijk of niet wenselijk acht, kunt u precies aangeven welke wettelijke, Europese, medische of praktische belemmeringen daaraan in de weg staan?
Bent u bereid te onderzoeken of een lijst van betrouwbare buitenlandse fabrikanten of producten kan worden opgesteld, dan wel of batchgewijze kwaliteitscontrole mogelijk is, zodat patiënten niet volledig zijn overgeleverd aan schimmige websites?
Bent u bereid met huisartsen, apothekers, medisch specialisten en patiëntenorganisaties richtlijnen te ontwikkelen voor veilige begeleiding van patiënten die afslankmedicatie gebruiken of overwegen, ook wanneer zij deze middelen niet via vergoeding verkrijgen?
Op welke termijn informeert u de Kamer over de aanpak van deze problematiek, inclusief scenario’s voor goedkope import, online aanbod, toezicht, patiëntveiligheid, medische begeleiding en de beoordeling van mogelijke vergoeding?
Het bericht ‘Jodenhaat op sociale media groeit explosief’ |
|
Don Ceder (CU) |
|
David van Weel (VVD), Aerdts |
|
|
|
|
Hoe luidt uw reactie op het bericht «Jodenhaat op sociale media groeit explosief»?1
Hoe beoordeelt u de conclusie dat het aantal antisemitische uitingen op Nederlandse sociale media tussen 2021 en 2024 is verdubbeld en dat directe bedreigingen tegen Joden zijn vervijfvoudigd?
Hoe beoordeelt u de constatering dat antisemitische uitingen steeds vaker gepaard gaan met gewelddadige retoriek, waaronder oproepen tot uitroeiing en moord op Joden?
Hoe beoordeelt u de constatering dat antisemitische uitingen zich niet langer beperken tot vooral binnen rechts-radicale en complotgerichte online kringen, maar zich vanaf 2023 ook verspreiden naar radicaallinkse kringen?
Hoe beoordeelt u de constatering dat buitenlandse extremistische influencers en netwerken een steeds grotere invloed hebben op Nederlandse gebruikers van sociale media? Welke mogelijkheden ziet u om deze beïnvloeding tegen te gaan?
Welke concrete maatregelen neemt u momenteel om online antisemitisme op sociale media en andere online platforms tegen te gaan?
Geeft het onderzoek aanwijzingen over in hoeverre zeer grote online platforms hun verplichtingen onder de Digital Services Act (DSA) om antisemitische uitingen tegen te gaan voldoende nakomen?
Meent u dat het wettelijk kader van de DSA toereikend is in het bestrijden van antisemitisme op online platforms? Zo nee, wat is er volgens u meer nodig?
Welke gesprekken voert u met online platforms over de bestrijding van antisemitische content gericht op Nederlandse gebruikers?
In hoeverre vallen platforms als 4chan en Soyzellig onder de reikwijdte van de DSA? Welke verplichtingen gelden voor dergelijke platforms? Acht u het huidige toezicht toereikend als dergelijke platforms een belangrijke rol spelen bij de verspreiding van antisemitische uitingen?
Acht u de huidige capaciteit en mogelijkheden van de toezichthouder, politie, het Openbaar Ministerie en opsporingsdiensten voldoende om online antisemitisme effectief te bestrijden? Zo nee, welke stappen gaat u ondernemen?
Welke aanvullende maatregelen overweegt u naar aanleiding van de bevindingen uit dit onderzoek?
De voorgenomen aanscherping van de Wapenwet |
|
Shanna Schilder (PVV) |
|
David van Weel (VVD) |
|
|
|
|
Heeft u kennisgenomen van het bericht dat het kabinet de Wapenwet wil aanscherpen met onder meer psychologische en lichamelijke controles voor houders van een wapenverlof?1
Erkent u dat houders van een wapenverlof reeds behoren tot de strengst gecontroleerde burgers van Nederland en zich moeten houden aan een uitgebreid stelsel van vergunningen, controles, screenings en opslagvoorschriften?
Waarom kiest u ervoor opnieuw extra verplichtingen op te leggen aan legale jagers, sportschutters en verzamelaars, terwijl het illegale wapenbezit onder criminelen onverminderd groot blijft? Heeft u dan wel de prioriteiten op orde?
Klopt het dat politie en justitie nu al moeite hebben om alle bestaande controles en toezichtmaatregelen rond verlofhouders uit te voeren? Zo ja, waarom acht u verdere uitbreiding van het stelsel dan uitvoerbaar? Zo nee, waar blijkt dat uit?
Op basis van welke concrete cijfers concludeert u dat psychologische en lichamelijke keuringen van alle verlofhouders daadwerkelijk zullen leiden tot een veiliger Nederland?
Waarom richt u zich op burgers die reeds bekend zijn bij de overheid, beschikken over een vergunning en zich al aan uitgebreide regels houden, in plaats van de aanpak van illegaal wapenbezit en vuurwapengeweld verder op te voeren?
Deelt u de opvatting dat het wrang is dat legale verlofhouders opnieuw worden geconfronteerd met extra controles, keuringen en beperkingen, terwijl veel Nederlanders dagelijks zien dat vuurwapengeweld, straatterreur en ernstige criminaliteit door veelplegers een steeds groter probleem vormen? Zo nee, waarom niet?
Welke problemen worden met deze maatregelen opgelost die niet reeds met de bestaande bevoegdheden, controles en screenings kunnen worden aangepakt?
Bent u bereid af te zien van nieuwe lasten voor legale verlofhouders zolang niet is aangetoond dat de bestaande regelgeving onvoldoende is en zolang de handhaving van de huidige regels niet volledig op orde is? Zo nee, waarom niet?
Het bericht 'Oranje op scherm kijken peperduur terwijl het in België gratis kan: ‘Wij zijn het braafste jongetje van de klas’' |
|
Arend Kisteman (VVD) |
|
Herbert , Letschert |
|
|
|
|
Bent u bekend met het artikel «Oranje op scherm kijken peperduur terwijl het in België gratis kan: «Wij zijn het braafste jongetje van de klas»» uit de Telegraaf van 13 juni 2026, mede gebaseerd op uw Kamerbrief over dit onderwerp van 11 juni 2026?1, 2
Zou u het goed vinden als het uitzenden van voetbalwedstrijden op schermen tot 5000 bezoekers voor ondernemers gratis zou zijn?
Waar baseert u het op dat de NOS door het gratis uitzenden van het WK-voetbal tot 5.000 personen, dienstbaar zou zijn aan het maken van een meer dan normale winst van (horeca)ondernemers en dat het daarmee het dienstbaarheidsverbod in de Mediawet zou schenden, bijvoorbeeld indachtig onderzoek dat aantoont dat het WK-voetbal nauwelijks zorgt voor extra horeca-omzet omdat mensen hun bestedingspatroon verschuiven?3
Waar baseert u het op dat derden een concurrentievoordeel behalen als de NOS voor het uitzenden van het WK-voetbal tot 5.000 personen geen vergoeding vraagt, bijvoorbeeld indachtig het feit dat in dat geval iedere (horeca)ondernemer hiervan kan profiteren en er tussen (horeca)ondernemers onderling dus geen concurrentievoordeel ontstaat?
Waarom is de NOS in Nederland wel in het bezit van de rechten voor public viewings terwijl de Vlaamse Radio- en Televisieomroeporganisatie (VRT) in België dit niet is? Acht u het wenselijk dat de NOS bij volgende grote voetbaltoernooien niet in het bezit van deze public viewing is, om te voorkomen dat zij, volgens u, geld moet vragen voor deze public viewings?
Bent u van mening dat het gratis uitzenden van het WK-voetbal door de NOS tot 5.000 bezoekers tot «maatschappelijke problemen» leidt en/of een groot risico voor het «publiek belang» kent, welke kernwaarden van het toezichtkader van het Commissariaat van de Media vormen? Zo ja, waarom? Zo nee, waarom doet u dan geen moreel appel op het Commissariaat van de Media om in deze casus niet te handhaven op deze bepaling uit de Mediawet?
Waarom geeft u in de genoemde Kamerbrief als reactie op de motie niet aan dat u voor de lange termijn werkt aan een wetswijziging om deze situatie bij een Europees Kampioenschap over twee jaar te voorkomen? Bent u daartoe bereid?
Waarom geeft u in de Kamerbrief niet duidelijker aan het wenselijk te vinden als (horeca)ondernemers en Oranjesupporters ook in de overige 60% van de Nederlandse gemeenten kunnen genieten van ruimere openingstijden?
Kunt u deze vragen deze week nog beantwoorden, aangezien het WK al is begonnen?
Bent u bekend met de uitspraak van misdaadjournalist Paul Vugts in de Parool Misdaadpodcast van 11 juni 2026, waarin hij stelt dat Amsterdamse ambtenaren hem zouden hebben benaderd nadat hij had gepubliceerd over Syrische asielzoekers die verantwoordelijk zouden zijn voor een golf van straatroven in Amsterdam, met de boodschap dat dergelijke berichtgeving «rechts in de kaart» zou spelen?1
Deelt u de mening dat het buitengewoon zorgelijk is wanneer ambtenaren feitelijke journalistieke berichtgeving beoordelen aan de hand van de vraag welke politieke stroming daar mogelijk baat bij zou hebben?
Deelt u de mening dat de waarheidsvinding door journalisten nooit ondergeschikt mag worden gemaakt aan de vraag of feiten «links», «rechts» of enig ander politiek kamp in de kaart spelen?
Acht u het verenigbaar met de persvrijheid wanneer overheidsfunctionarissen journalisten benaderen met de suggestie dat bepaalde feiten beter niet gepubliceerd kunnen worden omdat deze een politiek onwenselijk effect zouden kunnen hebben?
Deelt u de mening dat het kwalificeren van feitelijke berichtgeving als iets wat «rechts in de kaart speelt» een vorm van politieke framing is die niet thuishoort in het contact tussen overheid en journalistiek?
Deelt u de mening dat een overheid die journalisten probeert te bewegen om feiten niet of minder prominent te publiceren uit angst voor electorale of ideologische gevolgen, zich begeeft op een hellend vlak richting politieke beïnvloeding van de pers?
Vindt u het acceptabel dat ambtenaren kennelijk niet primair bezwaar zouden hebben tegen de feitelijke juistheid van berichtgeving, maar tegen de mogelijke politieke interpretatie daarvan?
Deelt u de mening dat de taak van journalisten is om relevante feiten boven tafel te krijgen en te publiceren en niet om bij iedere publicatie af te wegen of die publicatie «rechts in de kaart» zou kunnen spelen?
Bent u bereid uit te spreken dat feiten over criminaliteit, migratie, asiel en openbare veiligheid niet mogen worden verzwegen of afgezwakt omdat de politieke consequenties daarvan bepaalde partijen of stromingen zouden kunnen bevoordelen?
Deelt u de mening dat het bestrijden van «rechtse» politieke duiding nooit een taak kan is van gemeentelijke ambtenaren in hun contact met journalisten?
Bent u bereid bij de gemeente Amsterdam na te vragen of de term «rechts in de kaart spelen», of woorden van gelijke strekking, daadwerkelijk is gebruikt in contact met Paul Vugts of met andere journalisten?
Bent u bereid daarbij ook na te gaan of binnen de gemeente Amsterdam interne richtlijnen, instructies of communicatiestrategieën bestaan waarin wordt gesproken over het voorkomen van berichtgeving die «rechts», «populistisch», «extreemrechts» of andere politieke stromingen in de kaart zou kunnen spelen?
Kunt u uitsluiten dat er binnen de gemeente Amsterdam of andere overheidslagen beleid, instructies of informele werkwijzen bestaan om berichtgeving over asielzoekers, statushouders, migranten of criminaliteit te ontmoedigen wanneer deze politiek ongewenst wordt geacht?
Bent u bereid te onderzoeken of overheidscommunicatieafdelingen journalisten vaker benaderen met politieke argumenten over de mogelijke impact van hun berichtgeving, in plaats van met feitelijke correcties of wederhoor?
Bent u bereid heldere richtlijnen op te stellen of aan te scherpen waarin wordt vastgelegd dat overheidsfunctionarissen journalisten niet mogen aanzetten tot het achterwege laten van berichtgeving op grond van het argument dat deze «rechts in de kaart» zou spelen?
Deelt u de mening dat juist het achterhouden of ontmoedigen van feitelijke berichtgeving over gevoelige onderwerpen het wantrouwen in overheid en media voedt?
Bent u bereid publiekelijk afstand te nemen van iedere vorm van overheidsdruk op journalisten die is gebaseerd op de politieke gevolgen van hun berichtgeving?
Kunt u deze vragen afzonderlijk beantwoorden?
Een Instagrampost van de minister over een onderhoud van de minister met leden van de Moslim Studenten Associatie (MSA) |
|
Diederik Boomsma (CDA), Annabel Nanninga (JA21) |
|
Letschert |
|
|
|
|
Bent u bekend met de post op Instagram van 11 juni 2026 waarin u vertelt over uw ontmoeting met leden van de Moslim Studenten Associatie (hierna: MSA)?1
In deze post zegt u dat «veel moslimstudenten» zich «nog niet altijd» thuis voelen op hun onderwijsinstelling, heeft u een idee hoeveel studenten dit betreft en wat hun klachten precies zijn?
Was u ervan op de hoogte dat de MSA is aangesloten bij Femyso, het Forum of European Muslim Youth and Student Organisations, dat volgens de inlichtingendiensten van België, Duitsland en Frankrijk en verschillende wetenschappers de officieuze jongerentak is van de Council of European Muslims, een organisatie die de strategie voor de Europese Unie coördineert van de Moslimbroederschap die streeft naar de islamisering van het Westen? Zo ja, heeft u hierover gesproken met de delegatie van MSA?2, 3, 4, 5, 6, 7
Wat vindt u van de bevinding dat Femyso en de bij haar aangesloten verenigingen zoals MSA strijden volgens de in vraag 3 genoemde inlichtingendiensten en wetenschappers tegen islamofobie of moslimdiscriminatie en voor «sociale veiligheid» omdat officieel erkend slachtofferschap helpt bij het behouden en verkrijgen van subsidies en het verwezenlijken van faciliteiten zoals bijvoorbeeld gebeds- of stilteruimten waarmee de «ongelovige» omgeving kan worden aangepast aan de islamitische norm?
Wat vindt u van de bevinding dat volgens de Franse sociologe en kenner van de ideologie van de Moslimbroederschap Florence Bergeaud-Blackler en van een in mei vorig jaar verschenen onderzoek dat is verricht in opdracht van het Franse Ministerie van Binnenlandse Zaken dat Femyso en bij haar aangesloten verenigingen zoals MSA opleidingsstructuren voor hooggekwalificeerde kaderleden van de Moslimbroederschap zijn die een rol moeten spelen in de strategie die entryismwordt genoemd, dat wil zeggen het ideologisch bewerken en verleiden van overheidsorganisaties om deze een «inclusieve» koers te laten varen die de islam accommodeert? Bent u bekend met het onderzoek van Florence Bergeaud-Blackler en hoe beoordeelt u de bevindingen en waarschuwingen daarin?8
Het onderzoek van het Franse Ministerie van Binnenlandse Zaken was voor de Franse president Macron aanleiding om aan te dringen op maatregelen, het rapport waarschuwt onder andere dat de organisaties van het moslimbroedernetwerk heel bedreven zijn in het exploiteren van slachtofferschap («victimisation») om de eigen agenda vooruit te helpen, herkent u het beeld? Zo nee, waarom niet?9, 10
Meent u – in het licht van deze waarschuwing – dat het verstandig was om leden van de MSA niet alleen te ontvangen maar ook hun narratief over te nemen dat «veel moslimstudenten» zich niet thuis voelen op universiteiten, hogescholen en mbo-instellingen waardoor deze klacht die draait om een niet nader omschreven gevoel wint aan legitimiteit? Graag een toelichting.
Lokale afdelingen van de MSA – zoals de MSA Rotterdam (Erasmus Universiteit), de MSA UAS (Amsterdam) en de EMSA (Universiteit Twente) – zijn erkende studentenorganisaties die in aanmerking komen voor subsidies van de onderwijsinstellingen zoals «bestuursmaanden» en activiteitensubsidies, daarnaast kunnen zij een beroep doen bij gemeenten op een bijdrage uit welzijns- en diversiteitspotjes, bent u bereid met de betrokken onderwijsinstellingen en gemeenten in overleg te treden om te zien hoeveel subsidie de MSA via al deze kanalen ontvangt?
Hoe beoordeelt u de financiering van deze organisaties, in het licht van de formele banden van MSA met Femyso en vindt u het wenselijk? Zo nee, waarom niet?
Bent u bereid kennis te nemen van de actuele wetenschappelijke literatuur over de Moslimbroederschap en het zogenoemde «broederisme» alsmede het rapport van de Franse overheid dat beschrijft hoe verenigingen die zich presenteren als ngo’s voor burgerrechten en non-discriminatie in feite religieuze lobbyorganisaties zijn die de taal spreken van diversiteit en inclusie om groepsprivileges af te dwingen zoals gebedsruimten, inclusief tentamenbeleid – flexibiliteit rondom religieuze feestdagen – en halal-opties in de kantine? Graag een toelichting.11, 12
Een reclameverbod voor ultra fast fashion |
|
Christine Teunissen (PvdD) |
|
Vincent Karremans (VVD), Stientje van Veldhoven (D66) |
|
|
|
|
Bent u bekend met de EenVandaag-uitzending over een reclameverbod op ultra fast fashion?1
Ja.
Deelt u de opvatting dat reclame voor ultra fast fashion-producten via sociale media (zoals TikTok Shop), aanbevelingsalgoritmen en influencermarketing bijdraagt aan overconsumptie van textiel en daarmee op gespannen voet staat met de Nederlandse én Europese doelstellingen op het gebied van circulaire economie en grondstoffengebruik? Zo nee, waarom niet?
Ja, die opvatting deel ik. In het Nationaal Programma Circulaire Economie zet het kabinet onder andere in op het efficiënter grondstoffengebruik en het bevorderen van circulair consumentengedrag. Het sterk groeiende verdienmodel van ultra fast fashion platforms staan hiermee op gespannen voet en stimuleren het tegenovergestelde. Deze producten bestaan vaak uit textiel van lage kwaliteit met een korte levensduur en worden tegen lage prijzen aangeboden. Daarnaast zorgt de instroom van grote hoeveelheden laagwaardig textiel ervoor dat hergebruik en hoogwaardige recycling onder druk staat. Ook de Inspectie Leefomgeving en Transport benoemt deze problemen.2Bovendien maken bepaalde platforms gebruik van diverse reclame- en marketingtechnieken, zoals nepkortingen, aftelklokken en meldingen van beperkte beschikbaarheid, om consumenten te verleiden tot het kopen van grote hoeveelheden trendgevoelige kleding.
In hoeverre acht u het wenselijk dat met name jongeren en financieel kwetsbare consumenten via ultra fast fashion-platforms worden blootgesteld aan koopprikkels voor goedkope kledingproducten? Ziet u een relatie tussen dergelijke verkooptechnieken, impulsaankopen en de financiële weerbaarheid van consumenten?
Het is belangrijk dat consumenten, met name jongeren en financieel kwetsbare groepen, hun keuzes kunnen baseren op duidelijke en betrouwbare informatie en niet worden beïnvloed door misleidende verkooptechnieken. Daarom zetten de ACM3 en Europese toezichthouders4 zich actief in voor de naleving van de consumentenregels en spreken zij deze platforms hierop aan. Eerder hebben Europese consumententoezichthouders vastgesteld dat bepaalde ultra fast fashion-platforms gebruikmaken van technieken, zoals nepkortingen, aftelklokken en meldingen van beperkte beschikbaarheid, die consumenten kunnen aanzetten tot impulsieve aankopen en in strijd zijn met het consumentenrecht. De consumententoezichthouders roepen de platforms op hun handelspraktijken in overeenstemming te brengen met het consumentenrecht. Omdat deze platforms in meerdere Europese landen dezelfde mogelijke overtredingen begaan, is gekozen voor een gezamenlijke aanpak van de Europese consumententoezichthouders. Ook de ACM neemt deel aan deze actie. Het overtreden van consumentenregels kan de financiële weerbaarheid van consumenten onder druk zetten.
In hoeverre acht u een benadering voor ultra fast fashion-producten juridisch en beleidsmatig haalbaar, zoals in verschillende sectoren waarbij beperkingen of verboden gelden op reclame wanneer producten of diensten aantoonbaar negatieve maatschappelijke gevolgen hebben, zoals bij tabak, kansspelen en bepaalde financiële producten?
Het kabinet ziet dat er zorgen bestaan over de impact van ultra fast fashion en de wijze waarop deze producten worden gepromoot. Voor ultra fast fashion ontbreekt op dit moment een dergelijke juridische afbakening. Om een eventueel verbod of vergaande beperking van reclame juridisch houdbaar te maken, is een dergelijke heldere definitie nodig van wat onder ultra fast fashion wordt verstaan en op welke gronden een beperking gerechtvaardigd is.
Daarbij geldt dat reclameregulering een beperking vormt van de vrijheid van meningsuiting en daarom alleen mogelijk is wanneer daarvoor een voldoende zwaarwegend algemeen belang bestaat en de maatregel proportioneel en goed afgebakend is. Het kabinet ziet het vaststellen van een duidelijke definitie als eerste stap. Dit onderwerp wordt op Europees niveau opgepakt, gezien het belang van harmonisatie binnen de textielsector. Nederland, Duitsland en Frankrijk brengen een non-paper in bij de Milieuraad waarin wij pleiten voor een Europese definitie van ultra fast fashion.
Daarna worden de juridische mogelijkheden verder onderzocht. Het kabinet kan nog niet vooruitlopen op de uitkomsten van deze verkenning. Op het gebied van illegale reclame gelden er Europese regels onder de Digital Services Act (DSA). Deze regels zijn sinds 2024 van kracht. Zij verplichten platforms om illegale content en misleiding tegen te gaan. Ook het gebruik van misleidende verkooptechnieken en zogenoemde dark patterns valt hieronder.
Bent u bekend met de maatregelen die in Frankrijk en Italië zijn genomen of voorgesteld om reclame voor ultra fast fashion te beperken?
Ja.
Bent u bereid om, in navolging van Frankrijk en Italië, te onderzoeken of een Nederlandse definitie van ultra fast fashion kan worden opgesteld?
Ja, Nederland bepleit samen met andere lidstaten een Europese definitie en gezamenlijke aanpak van ultra fast fashion. Hierbij kan worden gekeken naar bestaande voorbeelden, zoals in Frankrijk.
Wat is uw beleidsambitie op de breed aangenomen motie Stoffer c.s. over voor het begrotingsdebat IenW komen met een actieplan om ultrafast fashion aan te pakken (Kamerstuk 32 852, nr. 372) die oproept om de Franse anti ultra fast fashionwet te vertalen naar Nederland? Wanneer kunnen we concrete beleidsacties verwachten hieromtrent?
In de voortgangsrapportage textiel van 2025 is de Kamer geïnformeerd over de aanpak ultra fast fashion naar aanleiding van motie Stoffer c.s. Daarnaast heeft de Textieltafel, onder leiding van de Speciaal Regeringsvertegenwoordiger Circulaire Economie Steven van Eijck, partijen uit de textielketen samengebracht om te werken aan oplossingen voor de inzameling, sortering en recycling van textiel. In het rapport «Samen verder in Circulair Textiel» doet de Textieltafel aanbevelingen om de circulaire textielketen te versterken. De Kamer ontvangt voor de zomer een kabinetsreactie, inclusief de verdere uitwerking van de aanpak van ultra fast fashion.
Forum voor Democratie en Ongehoord Nederland |
|
Ouafa Oualhadj (D66) |
|
Letschert , van Bruggen |
|
|
|
|
Bent u bekend met de uitingen die zijn gedaan in een PowNed documentaire waarin is gesteld dat een onbevoegd persoon beschikt over het volledige ledenbestand van Ongehoord Nederland?
Indien deze beschuldiging juist blijkt, kwalificeert dit dan als een meldingsplichtig datalek onder de Algemene verordening gegevensbescherming?
Bent u bekend met enige melding van een datalek door Ongehoord Nederland met betrekking tot ledengegevens?
Deelt u de opvatting dat leden van omroepverenigingen erop moeten kunnen vertrouwen dat hun persoonsgegevens niet terechtkomen bij personen die geen functionele noodzaak hebben om daarover te beschikken?
Welke maatregelen worden genomen indien blijkt dat persoonsgegevens van circa 50.000 leden onbevoegd toegankelijk zijn geweest?
Kunt u uitsluiten dat persoonsgegevens die zijn verzameld voor een omroeplidmaatschap worden gebruikt voor partijpolitieke doeleinden, en zo nee, welke waarborgen bestaan hiertegen?
De invloed van FVD op de publieke omroep ON |
|
Mohammed Mohandis (PRO) |
|
Letschert |
|
|
|
|
Hoe beoordeelt u de berichtgeving in het televisiedocumentaire De duistere kant van Forum voor Democratie over beïnvloeding van de publieke omroep ON door de politieke partij FVD, mede in het licht van onafhankelijke journalistiek bij publieke omroepen in het algemeen en onafhankelijke nieuwsgaring en verslaglegging in het bijzonder?1
Klopt het beeld dat de omroep deals heeft gesloten met FVD die invloed hebben op welke gasten deze in zijn uitzendingen uitnodigt? Als dit waar is, is dit dan strijdig met de redactionele onafhankelijkheid van de omroep?
Klopt het dat het ledenbestand van ON is gestolen?
Of heeft de omroep het ledenbestand gedeeld met FVD? Mag dit volgens de regelgeving?
Kunt u uiteen zetten hoeveel sancties de omroep heeft opgelegd gekregen en welke overtredingen deze heeft begaan volgens de NPO, de NPO-ombudsman en het Commissariaat voor de Media?
Klopt het dat u volgens de Mediawet als enige bevoegd bent om de licentie van een publieke omroep in te trekken?
Hoeveel van zulke «gele kaarten» kan ON zich uws inziens nog permitteren, voordat u het gepast vindt de zendmachtiging in te trekken?
Kunt u deze vragen voor het commissiedebat over de landelijke publieke omroep van 24 september 2026 beantwoorden?
Het bericht 'Torenhoge salarissen omroepbazen stegen nóg verder, terwijl gewone medewerkers vrezen voor hun baan' |
|
Mona Keijzer |
|
Letschert |
|
Bent u op de hoogte van het bericht dat salarissen van omroepbestuurders sterker zijn gestegen dan die van het overige personeel terwijl tegelijkertijd sprake is van bezuinigingen en ontslagen?1
Ja.
Deelt u de opvatting dat een dergelijke loonontwikkeling waarbij bestuurders relatief sterker vooruitgaan dan medewerkers een onwenselijk signaal afgeeft in een sector die grotendeels met belastinggeld wordt gefinancierd? Zo nee, waarom niet?
Voor de bezoldiging van bestuurders gelden heldere regels. De bezoldiging van bestuurders en toezichthouders in de publieke sector zijn gemaximeerd door de Wet Normering Topinkomens (WNT). De maximale bezoldiging van de WNT wordt ieder jaar geïndexeerd met het percentage van de ontwikkeling van de contractuele loonkosten voor de overheid.
Dit voorkomt dat de bezoldiging te hoog wordt of te sterk stijgt.
Hoe verhoudt deze ontwikkeling zich tot het uitgangspunt dat publieke middelen sober, doelmatig en maatschappelijk verantwoord moeten worden besteed?
De loonontwikkeling van de bestuurders en toezichthouders als topfunctionaris is gemaximeerd door de WNT. Die maximering is juist gebaseerd op het uitgangspunt van een sobere, doelmatige en maatschappelijk verantwoorde besteding van publieke middelen. Ik ben van mening dat organisaties die een publieke taak hebben en die bekostigd worden met publiek geld, hun bestuurders en toezichthouders ordentelijk behoren te betalen. Ordentelijk betekent: evenwichtig, maatschappelijk verantwoord en niet exorbitant.
Klopt het dat bestuurdersbeloningen veelal meestijgen met het maximum van de Wet normering topinkomens (WNT)? Acht u het wenselijk dat dit maximum in de praktijk als richtpunt fungeert in een sector die grotendeels met belastinggeld wordt gefinancierd?
De WNT kent bewust alleen maxima, daarbinnen is het aan de bestuurder als topfunctionaris en de instelling als werkgever om tot afspraken over de bezoldiging en de overige arbeidsvoorwaarden te komen. Als partijen een bezoldiging op het maximum afspreken, is dat dus niet verboden door de WNT. Het is dan aan partijen zelf om ervoor te zorgen dat de bezoldiging niet boven dat maximum uitkomt, zo zal bijvoorbeeld bij verhoging van één component van de bezoldiging een of meer andere componenten dienovereenkomstig moeten worden verlaagd. Overigens geldt voor de bestuurders in de publieke mediasector dat er aparte, verlaagde, maxima zijn afgesproken die afhankelijk zijn van de bestuurlijke complexiteit van de instelling.
Kunt u een overzicht geven van de verhouding tussen uitgaven aan bestuur, toezicht en management enerzijds en het programmabudget anderzijds over de afgelopen vijf jaar?
De financiële verantwoording van de omroepen is niet ingericht op de termen bestuur, toezicht en management. Wel wordt bij de omroepen een onderscheid gemaakt tussen organisatiekosten en kosten voor media-aanbod. Bij de NPO-organisatie wordt een onderscheid gemaakt tussen bestuur en beheer, ondersteuning aan de ene kant en gemeenschappelijke activiteiten (o.a. kosten voor rechten en distributie) aan de andere kant. Op basis van dit onderscheid is het aandeel organisatiekosten in de totale kosten van het bestel circa 14%.
In de Mediabegrotingsbrief 2027 zal ik een meerjarenoverzicht van de afgelopen jaren opnemen.
In hoeverre acht u het verdedigbaar dat bij bezuinigingen primair wordt gesneden in programmering en redactionele capaciteit terwijl bestuurlijke lagen relatief worden ontzien?
De landelijke publiek omroep is onafhankelijk. Het is dan ook primair aan de NPO en de omroepen om te bepalen hoe de bezuinigingen worden ingevuld. Het uitgangspunt daarbij is wel om de programmering zoveel als mogelijk te ontzien. Om die reden wordt er bij de invulling van de bezuinigingen ook bespaard op de organisatiekosten van de NPO en de omroepen.
Deelt u de opvatting dat een publieke omroep bij bezuinigingen bij zichzelf dient te beginnen en dat dit impliceert dat ook de top van de organisatie naar rato bijdraagt aan besparingen? Zo nee, waarom niet?
Zie het antwoord op vraag 6.
In hoeverre verwacht u dat de hervormingen binnen de publieke omroep leiden tot lagere overhead en een beperking van bestuurlijke kosten?
De voorgenomen hervorming gaat leiden tot minder organisaties en minder bestuurlijke afstemming. Dat leidt ook tot een lagere totale overhead en minder bestuurlijke kosten.
Waarom is er voor gekozen om pas in het vierde kwartaal van 2026 een voorstel te doen voor een benchmark voor overheadkosten? Waarom is er niet gekozen voor versnelling, gelet op de actuele maatschappelijke en politieke discussie over bezuinigingen en bestedingen binnen de publieke omroep?2
De keuze voor het vierde kwartaal is gebaseerd op benodigde tijd voor afstemming, in een periode waarin er al veel tijd en aandacht nodig is om de voorgenomen hervorming en bezuinigingen goed vorm te geven en uit te werken.
Ook zonder benchmark bestaan er al afspraken en regelingen voor de hoogte en transparantie van de verschillende kosten. Omroepen rapporteren op basis van het handboek financiële verantwoording3 al jaarlijks over de hoogte van de organisatiekosten. De vergoeding voor organisatiekosten die omroepen ontvangen is genormeerd in de bindende regeling vergoeding organisatiekosten van de NPO, waarmee de vergoeding voor organisatiekosten wordt bepaald, gerelateerd aan de hoogte van het programmabudget. De NPO rapporteert jaarlijks over de kosten van de eigen NPO-organisatie en maakt daarbij een onderscheid tussen kosten voor gemeenschappelijke activiteiten voor het gehele bestel (o.a. rechten en distributiekosten) en kosten voor bestuur en beheer en ondersteuning.
Kunt u uiteenzetten welke concrete definities en afbakeningen u hanteert voor «overhead» zodat inzichtelijk wordt welke kosten wel en niet onder deze toekomstige norm vallen?
Ik informeer u in de Mediabegrotingsbrief 2027 over de precieze definities en afbakening van de term overhead en over de manier waarop ik een benchmark wil vormgeven en toepassen. Het uitgangspunt is om daarbij zoveel als mogelijk aan te sluiten bij de al bestaande definities uit het handboek financiële verantwoording en het onderscheid dat daarin voor de financiële verantwoording voor omroepen al wordt gemaakt tussen kosten voor media-aanbod en organisatiekosten.
Hoe wordt gewaarborgd dat de voorgenomen benchmark daadwerkelijk vergelijkbaarheid en transparantie oplevert tussen omroepen?
Ik informeer u in de Mediabegrotingsbrief 2027 over de precieze definities en afbakening van de term overhead en over de manier waarop ik de benchmark wil vormgeven en toepassen. Het borgen van vergelijkbaarheid en transparantie is daar onderdeel van. Dat kan op verschillende manieren, bijvoorbeeld door vastlegging van definities en van rapportageafspraken.
Waarom wilt u, gezien de aanzienlijke hoeveelheid publieke middelen, geen koppeling maken tussen bezuinigingen op het mediabudget en besparingen op bestuur en toezicht vanwege de onafhankelijkheid van de publieke omroep? Hoe voorkomt u in dat licht dat bezuinigingen in de praktijk onevenredig neerslaan bij programma’s en makers?
Een directe koppeling vanuit de overheid tussen de hoogte van het totale mediabudget en de hoogte van uitgaven aan een specifieke kostencategorie is onwenselijk. Dat geldt voor alle uitgaven, ook de uitgaven aan bestuur en toezicht. De publieke omroep moet daarin onafhankelijk keuzes kunnen maken, binnen de kaders en randvoorwaarden die de wet- en regelgeving, waaronder de WNT, daaraan stellen. Zoals ook gesteld bij het antwoord op vraag 6 wordt bij de invulling van de huidige bezuinigingen ook bespaard op organisatiekosten bij de NPO en de omroepen.
Welke andere instrumenten of prikkels ziet u om te bevorderen dat ook binnen bestuur, toezicht en management kritisch wordt gekeken naar kostenreductie?
De kaders en randvoorwaarden uit wet- en regelgeving vormen tezamen het instrumentarium en de prikkel om te bevorderen dat kritisch wordt gekeken naar kostenreductie. Daarbij gaat het onder andere om de WNT, om de wettelijke opdracht om middelen doelmatig te besteden en om de organisatie sober, doelmatig en evenwichtig in te richten en om de bindende regeling vergoeding organisatiekosten van de NPO. Ook een transparante verantwoording en gebruik van een benchmark kan hieraan bijdragen.
In hoeverre acht u het voldoende dat bestuurdersbeloningen enkel worden begrensd via de WNT, gegeven het feit dat binnen dat kader alsnog sprake kan zijn van aanzienlijke salarisstijgingen?
Ik acht het voldoende dat de WNT alleen de maximale bezoldiging begrenst. Binnen die normen is het aan bestuurders en toezichthouders als topfunctionaris en de instelling als werkgever om te komen tot afspraken over passende beloningen.
Tot hoe ver reikt de onafhankelijkheid van de NPO wanneer het gaat over de invulling van bezuinigingen? Waar zit de grens voor u om te besluiten in te grijpen bij disproportionele salarissen/beloningen van individuele medewerkers, bestuurders of toezichthouders?
De onafhankelijkheid van de NPO en de omroepen is een groot goed, die wat mij betreft ver reikt. Dat geldt ook voor de invulling van de bezuinigingen, zolang dat gebeurt binnen de kaders en randvoorwaarden van de wet- en regelgeving, waaronder de WNT.
Deelt u de opvatting dat het ontbreken van een koppeling tussen bezuinigingen en de bijdrage van de bestuurlijke top het risico vergroot dat het draagvlak voor de publieke omroep onder druk komt te staan?
Die opvatting deel ik niet. Ik vind het voor het draagvlak wel belangrijk dat de NPO en de omroepen transparant rapporteren over de manier waarop de beschikbare middelen worden ingezet en welke keuzes daarbij worden gemaakt. Het gebruik van een benchmark voor overhead kan daaraan bijdragen.
Hoe verhoudt uw standpunt dat de overheid geen partij is bij individuele beloningsafspraken zich tot de systeemverantwoordelijkheid voor doelmatige besteding van publieke middelen?
De systeemverantwoordelijkheid van de overheid voor doelmatige besteding van publieke middelen wordt onder andere ingevuld door de maximering van bezoldigingen van topfunctionarissen door de WNT. Dat verhoudt zich goed tot het standpunt dat het daarbinnen aan bestuurders en toezichthouders als topfunctionaris en de instelling als werkgever is om te komen tot afspraken over passende beloningen.
Kunt u toelichten hoe de Kamer tijdig wordt betrokken bij de uitwerking van de overheadnorm en de onderliggende keuzes?
Uw Kamer wordt geïnformeerd over de voorgenomen uitwerking en de onderliggende keuzes in de Mediabegrotingsbrief 2027. Het is daarna ook aan uw Kamer zelf om te bepalen of en hoe uw Kamer zich daarin kan vinden en welke uitwerking en betrokkenheid gewenst is.
Bent u bereid om, vooruitlopend op de definitieve benchmark, tussentijds inzicht te geven in de huidige overheadpercentages en mogelijke bandbreedtes voor een norm?
Zie het antwoord op vraag 5.
Authentieke en inauthentieke social media accounts |
|
Pepijn van Houwelingen (FVD) |
|
Pieter Heerma (CDA) |
|
|
|
|
Hoe wordt het onderscheid tussen «authentiek» en «inauthentiek» gedrag op sociale media gemaakt?
Worden er accounts als «inauthentiek» geïdentificeerd?
Als dat zo is, welke maatregelen worden vervolgens concreet tegen deze «authentieke accounts» genomen?
Het bericht 'Duitse regering wil nachtleven beschermen door clubs als culturele instelling te classificeren' |
|
Heera Dijk (D66) |
|
Letschert |
|
|
|
|
Bent u bekend met het bericht «Duitse regering wil nachtleven beschermen door clubs als culturele instelling te classificeren»?1
Deelt u de zorg dat het aantal nachtclubs in tien jaar tijd met 45% is gedaald?
Deelt u de opvatting dat het nachtleven culturele en maatschappelijke waarde heeft, doordat het ruimte biedt aan onder andere muziek, sociale verbinding, jong talent en bijdraagt aan een aantrekkelijk leef- en vestigingsklimaat?
Beschouwt u nachtcultuur als onderdeel van de culturele infrastructuur van Nederland? Zo ja, welke verantwoordelijkheid ziet u voor het Rijk bij het behoud en de ontwikkeling daarvan?
Bent u bereid te onderzoeken of het, naar Duits voorbeeld, wenselijk en mogelijk is om nachtclubs met aantoonbare culturele waarde wettelijk als culturele instellingen te erkennen, zodat deze plekken beter beschermd worden tegen verdringing en sluiting?
Bent u bereid te onderzoeken hoe clubs en nachtculturele instellingen met aantoonbare culturele waarde op andere manieren beter kunnen worden beschermd?
Welke mogelijkheden hebben nachtclubs of organisaties voor nachtcultuur op dit moment om binnen bestaande cultuurregelingen, rijksfondsen of gemeentelijke regelingen ondersteuning te krijgen?
Bent u bereid in gesprek te gaan met het Ministerie van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties en gemeenten om in het ruimtelijkeordeningsbeleid structureler ruimte te reserveren voor nachtcultuur?
Bent u bereid te onderzoeken of het agent-of-change-principe, naar voorbeeld van Toronto, ook in Nederland kan helpen om nieuwe woningbouw en bestaande nachtcultuur beter naast elkaar te laten bestaan?
Bent u bekend met de Utrechtse pilot die jongeren op een veilige en begeleide manier laat kennismaken met het nachtleven, en bent u bereid te onderzoeken of dit model landelijk kan worden uitgerold om jongeren in een beschermde omgeving kennis te laten maken met nachtcultuur?
De campagne rond mentale gezondheid in het amateurvoetbal. |
|
Nicole Moinat (PVV) |
|
Mirjam Sterk (CDA) |
|
|
|
|
Heeft u kennisgenomen van de campagne rond mentale gezondheid in het amateurvoetbal en kunt u aangeven welke publieke middelen direct of indirect beschikbaar zijn gesteld aan deze campagne, de betrokken organisaties en de uitvoering daarvan?1
Welke concrete, meetbare doelstellingen zijn aan deze campagne verbonden, op basis van welke wetenschappelijke inzichten is gekozen voor deze aanpak en hoe wordt vastgesteld of de campagne daadwerkelijk leidt tot een verbetering van de mentale gezondheid van jongeren?
Kunt u aangeven hoeveel vergelijkbare campagnes op het gebied van mentale gezondheid de afgelopen vijf jaar met publieke middelen zijn ondersteund, wat deze hebben gekost en welke aantoonbare resultaten zij hebben opgeleverd?
Hoe wordt voorkomen dat belastinggeld vooral terechtkomt bij campagnes, workshops, ambassadeurs en overlegstructuren, terwijl jongeren met psychische problemen nog steeds te maken hebben met wachtlijsten en beperkte toegang tot passende hulp?
Kunt u aangeven hoeveel jongeren momenteel wachten op geestelijke gezondheidszorg en hoe de uitgaven aan bewustwordingscampagnes zich verhouden tot investeringen in daadwerkelijke behandeling en ondersteuning?
Welke afspraken zijn gemaakt voor situaties waarin tijdens dergelijke bijeenkomsten signalen naar voren komen van ernstige psychische problemen, suïcidaliteit, huiselijk geweld of kindermishandeling en hoe wordt geborgd dat deze jongeren snel passende hulp krijgen?
Deelt u de opvatting dat het bespreekbaar maken van mentale problemen waardevol kan zijn, maar nooit een vervanging mag worden voor tijdige professionele hulpverlening? Zo ja, welke maatregelen neemt u om ervoor te zorgen dat jongeren na signalering ook daadwerkelijk hulp ontvangen?
Het bericht ‘Zestal bekogelt moskee Rotterdam met bierflesjes en urineert tegen gebouw’ |
|
Tijs van den Brink (CDA), Ismail El Abassi (DENK) |
|
David van Weel (VVD) |
|
|
|
|
Bent u bekend met het NOS-bericht van 29 mei jl. «Zestal bekogelt moskee Rotterdam met bierflesjes en urineert tegen gebouw»?1
Hoe beoordeelt u deze gebeurtenis?
Deelt u de opvatting dat iedereen in Nederland, ongeacht geloofsovertuiging, zich veilig moet kunnen voelen in en rondom zijn of haar gebedshuis en dat aanvallen op moskeeën onaanvaardbaar zijn?
Kunt u aangeven hoe de regering gereageerd heeft op deze aanslag? Is er contact geweest met het bestuur van de Mevlana-moskee?
Is er inmiddels meer bekend over de achtergrond en motieven van de daders?
Kunt u aangeven hoe vaak in de afgelopen vijf jaar moskeeën, kerken, synagogen en andere gebedshuizen doelwit zijn geweest van vernieling, intimidatie of andere strafbare feiten? Kunt u deze cijfers uitsplitsen naar jaar, type incident en religieuze instelling?
Welke maatregelen bestaan momenteel om de veiligheid van gebedshuizen te vergroten en acht u deze maatregelen toereikend?
Bent u bereid de Kamer te informeren over de uitkomsten van het onderzoek naar dit incident en eventuele lessen die hieruit kunnen worden getrokken voor de bescherming van religieuze gemeenschappen in Nederland?
Het bericht 'De islam neemt de Duitse klaslokalen over' |
|
Geert Wilders (PVV), Annette Raijer (PVV) |
|
Letschert |
|
|
|
|
Bent u op de hoogte van het recente Der Spiegel-artikel van 14 mei 2026, waarin een schooldirectrice in Noord-Duitsland beschrijft hoe een kleine groep islamitische leerlingen met groepsdruk, halal-eisen, verplichte hoofdbedekking voor meisjes vanaf groep 7 en afwijzing van muziek en kerst de hele schoolcultuur naar hun hand zet?1, 2
Ja, daarvan ben ik op de hoogte.
Erkent u dat de openbare scholen in Nederland in rap tempo islamiseren onder invloed van dezelfde barbaarse ideologie, met almaar hardere eisen over halal-voeding, gebedsruimtes, verplichte bedekkende kleding en aanpassingen van lesstof? Zo nee, waarom niet?
Bij mij zijn geen signalen bekend van wat uw leden de «islamisering» van het openbaar onderwijs noemen.
Wettelijk is vastgelegd dat openbaar onderwijs wordt gegeven met eerbiediging van ieders godsdienst of levensovertuiging. In dat opzicht is het openbaar onderwijs neutraal. Dat betekent onder andere dat het onderwijs niet doorslaat in de richting van één bepaalde religie en dat aan leerlingen geen religieuze leefregels worden opgelegd. De Inspectie van het Onderwijs (hierna: inspectie) ziet hierop toe.
Voor gebedsruimtes specifiek geldt dat ze in openbare scholen niet hoeven te bestaan. Het is aan openbare scholen zelf om te beoordelen of ze in een gebedsruimte kunnen en willen voorzien.
Hoelang blijft u willens en wetens werkeloos toekijken terwijl de barbaarse ideologie onze openbare scholen in hoog tempo islamiseert, totdat we net als in Duitsland het punt bereiken waarop leerkrachten volledig de controle kwijt zijn en de schoolcultuur verloren is?
Bij mij zijn geen signalen bekend van wat uw leden de «islamisering» van het openbaar onderwijs noemen.
Waarom durft u de radicale barbaarse ideologie islam die hierachter zit niet gewoon bij naam te noemen, terwijl zelfs een links blad als Der Spiegel spreekt over ondraaglijke groepsdwang en het einde van een normale schoolcultuur? Hoelang blijft u deze gevaarlijke ideologie nog beschermen tegen kritiek, ten koste van Nederlandse leerkrachten, meisjes en de toekomst van ons openbaar onderwijs?
Het openbaar onderwijs is neutraal. De inspectie ziet hierop toe.
Welke harde maatregelen gaat u nemen, denk aan een duidelijk verbod op islamitische druk op scholen, geen subsidies meer voor extremistische organisaties en strenge handhaving om te voorkomen dat Nederlandse scholen dezelfde kant op gaan als in Duitsland?
Ik zie geen noodzaak om maatregelen te nemen, aangezien bij mij geen signalen bekend zijn van wat u de «islamisering» van het openbaar onderwijs noemt.
Hoe kunt u het nog langer tolereren dat leerkrachten en schoolleiders geïntimideerd en monddood gemaakt worden uit angst voor racismeverwijten, terwijl deze barbaarse ideologie steeds meer terrein wint en onze seculiere scholen dreigt over te nemen?
Een school moet veilig zijn voor alle leerlingen en onderwijspersoneel, zodat bijvoorbeeld over angst voor racismeverwijten op een open manier kan worden gesproken. Dat volgt uit de wettelijke burgerschapsopdracht. De inspectie ziet hierop toe. Daarnaast scherp ik met het Wetsvoorstel vrij en veilig onderwijs de zorgplicht voor de veiligheid aan. Daarmee krijgen scholen scherper zicht op de veiligheid, bieden we betere ondersteuning en begeleiding bij onveiligheid en zorgen we dat het veiligheidsbeleid wordt gecoördineerd en jaarlijks wordt gecoördineerd.
De positie van christenen in India |
|
Don Ceder (CU) |
|
Berendsen |
|
|
|
|
Hoe luidt uw reactie op het bericht «Harde maatregelen tegen christenen in India: water en werk geweigerd»?1
Het kabinet heeft kennisgenomen van de berichtgeving over de situatie van christelijke gemeenschappen in het district Kanker in de Indiase deelstaat Chhattisgarh, maar kan deze berichten in dit specifieke district niet verifiëren. Dat laat vanzelfsprekend onverlet dat het kabinet berichten over het mogelijk ontzeggen van toegang tot water, banen en andere bestaansmiddelen aan christelijke families zorgwekkend acht.
In algemene zin geldt dat de oorzaken van geweld tegen religieuze minderheden in India zich niet altijd eenduidig vast laten stellen. Er zijn grote verschillen in de dynamiek op nationaal niveau en op niveau van de verschillende deelstaten. Voorts is niet steeds mogelijk om helder te differentiëren of er sprake is van conflict van religieuze of etnische aard, gerelateerd aan sociale klasse, aan economisch conflict (bijvoorbeeld conflict over land of grondstoffen), of aan een combinatie van dergelijke factoren. Dit geldt zeker voor een deelstaat als Chhattisgarh die reeds decennialang geteisterd wordt door conflict.
Beschikt u over eigen informatie over de in het artikel beschreven situatie? Klopt het dat christelijke gemeenschappen via boycotmaatregelen onder druk worden gezet om hun geloof af te zweren?
Meldingen van sociale uitsluiting, discriminatie of druk in verband met religieuze identiteit zijn zorgelijk. De beschreven situatie zou passen binnen bredere spanningen rond religieuze bekeringen en de positie van religieuze minderheden waarover regelmatig gerapporteerd wordt door religieuze organisaties en mensenrechtenorganisaties. De Nederlandse ambassade in New Delhi volgt deze situatie nauwgezet. Zoals hierboven evenwel uiteengezet beschikt het kabinet momenteel niet over onafhankelijk geverifieerde informatie over de in het artikel beschreven situatie.
Bent u bereid om deze situatie, zowel bilateraal als in EU-verband onder de aandacht te brengen van de Indiase autoriteiten en daarbij aan te dringen op bescherming van de getroffen christelijke gemeenschappen en op toegang tot de waterbronnen, banen binnen het overheidsprogramma en de producten uit het bos? Zo nee, waarom niet?
Nederland zet zich, zowel bilateraal als samen met EU-partners, in om zorgen over de positie van religieuze minderheden, waaronder christelijke gemeenschappen, bij de Indiase autoriteiten aan de orde te stellen. In EU-verband gebeurt dit onder meer via de jaarlijkse EU-mensenrechtendialoog met India en andere relevante politieke contacten, waar aandacht wordt gevraagd voor bescherming van kwetsbare groepen en hun toegang tot basisvoorzieningen en bestaansmiddelen.
Deze inzet vindt plaats binnen het bredere Nederlandse mensenrechtenbeleid. Een van de prioriteiten van het kabinet in het mensenrechtenbeleid is vrijheid van religie en geloofsovertuiging. Nederland maakt gebruik van bilaterale en multilaterale kanalen om zorgen over vrijheid van religie en levensovertuiging over te brengen, in lijn met de inzet zoals uiteengezet in de kabinetsreactie op de initiatiefnota-Ceder van 25 maart 2026.
Hoe taxeert u de antibekeringswet die is aangenomen door de Indiase deelstaat Chhattisgarh?2 Is deze wet inderdaad in strijd met de vrijheid van godsdienst en levensovertuiging? Op welke wijze heeft u deze kwestie aangekaart, zowel in bilateraal als in EU-verband?
Antibekeringswetgeving bestaat in verschillende Indiase deelstaten en is gericht op het voorkomen van bekeringen die volgens de wetgever tot stand komen door dwang, fraude of misleiding. De nieuwe wet in Chhattisgarh bevat onder meer bepalingen die personen die van religie willen veranderen verplichten dit vooraf te melden bij de autoriteiten. Daarnaast voorziet de wet in zware straffen voor bekeringen die volgens de wet door verboden middelen tot stand zijn gekomen.
De gevolgen van dergelijke wetgeving voor de vrijheid van religie en levensovertuiging baren het kabinet zorgen. Zowel artikel 18 van de Universele Verklaring van de Rechten van de Mens (UVRM) als artikel 18 van het Internationaal Verdrag inzake Burgerrechten en Politieke Rechten (IVBPR) erkennen het recht om van religie of overtuiging te veranderen als onderdeel van de vrijheid van religie en levensovertuiging. Wetgeving die religieuze bekeringen onderwerpt aan voorafgaande meldings- of toestemmingsvereisten staat daarmee op gespannen voet met deze internationale mensenrechtenstandaarden. Zie overigens het antwoord op vraag 3.
Kunt u in bredere context de positie van christenen en andere religieuze minderheden in India schetsen? Deelt u de zorgen over onderdrukking van deze minderheden in India?
Naast christenen worden ook andere groepen zoals moslims in toenemende mate geconfronteerd met discriminatie, geweld en beperkende maatregelen. Dit past in een breder patroon van druk op religieuze minderheden in meerdere Indiase deelstaten. Het kabinet deelt de zorgen van de Kamer. De Nederlandse inzet is ingebed in een breed mensenrechtenkader dat zich richt op vrijheid van religie en levensovertuiging voor iedereen, ongeacht geloofsovertuiging. In de kabinetsreactie op de initiatiefnota-Ceder van 25 maart 2026 heeft het kabinet bevestigd dat bescherming van religieuze minderheden, waaronder christenen, een prioriteit is.
Wordt de situatie van christenen en andere religieuze minderheden in India expliciet betrokken bij de Nederlandse inzet ten aanzien van de betrekkingen met India? Zo ja, op welke wijze?
De situatie van religieuze minderheden maakt onderdeel uit van de bredere Nederlandse inzet op mensenrechten in India. Nederland volgt de situatie van religieuze minderheden in India nauwgezet, zowel bilateraal als in EU- en VN-verband. De Nederlandse ambassade in New Delhi onderhoudt contacten met maatschappelijke organisaties en mensenrechtenverdedigers om zicht te houden op ontwikkelingen rondom vrijheid van religie en levensovertuiging. Ook spreekt de ambassade, samen met andere EU-lidstaten, regelmatig met vertegenwoordigers van religieuze minderheden over de situatie ter plaatse. Daarnaast wordt de positie van religieuze minderheden, inclusief die van christenen, geadresseerd in de EU-India mensenrechtendialoog.
Is christenvervolging als gespreksonderwerp aan bod gekomen tijdens het recente bezoek van Minister-President Modi aan Nederland, conform motie-Bikker/Stoffer (Kamerstuk 36 800, nr. 56)? Zo nee, waarom niet?
Het kabinet handelt conform de motie-Bikker/Stoffer en betrekt vrijheid van religie en levensovertuiging structureel bij contacten met landen waar dit aan de orde is. Over de specifieke inhoud van diplomatieke gesprekken met Minister-President Modi doet het kabinet in het openbaar geen mededelingen. Mensenrechten vormen een vast onderdeel van de Nederlandse inzet in contacten met India. De inzet op dit thema is in lijn met de kabinetsreactie op de initiatiefnota-Ceder.
Welke concrete stappen zet Nederland momenteel in EU- en VN-verband ter bevordering van de vrijheid van religie en levensovertuiging in India? Bent u bereid tot extra inzet? Zo nee, waarom niet?
Nederland zet zich, samen met EU-partners, in voor de bevordering van de vrijheid van religie en levensovertuiging in India. Onder meer middels de EU-mensenrechtendialoog met India en in relevante bilaterale contacten.
Daarnaast wordt via de Nederlandse ambassade in New Delhi en de EU-delegatie nauw contact onderhouden met mensenrechtenverdedigers, maatschappelijke organisaties en vertegenwoordigers van religieuze en andere kwetsbare gemeenschappen in India, om ontwikkelingen te volgen.
Deze inzet vindt plaats binnen het bredere Nederlandse mensenrechtenbeleid, waarin vrijheid van religie en levensovertuiging een prioriteit is. Nederland is actief lid van de International Freedom of Religion or Belief Alliance en zet zich daarbinnen in voor de bescherming van religieuze minderheden wereldwijd. In VN-verband steunt Nederland resoluties die vrijheid van religie bevorderen en spreekt het landen aan op schendingen. De diplomatieke inzet wordt ondersteund door programmatische instrumenten, waaronder het Mensenrechtenfonds en het FOCUS-programma (2026–2031, EUR 35 miljoen), actief in landen waar religieuze gemeenschappen aantoonbaar onder druk staan. De inzet richt zich naast concrete schendingen ook op onderliggende oorzaken zoals conflict, sociaaleconomische ongelijkheid en zwak bestuur, met als doel duurzame verbetering van de positie van religieuze minderheden.
De praktische organisatie en naleving rond het Offerfeest 2026 |
|
Renate den Hollander (VVD) |
|
van Essen |
|
|
|
|
Heeft u kennisgenomen van het bericht van de Nederlandse Voedsel- en Warenautoriteit (NVWA) over het toezicht tijdens het Offerfeest 2026?1
Ja. Een dergelijk nieuwsbericht wordt iedere jaar voorafgaand aan het Offerfeest gepubliceerd.
Kunt u toelichten welke lessen uit eerdere edities van het Offerfeest concreet zijn verwerkt in de aanpak voor 2026, zowel ten aanzien van dierenwelzijn als handhaving en preventie van overtredingen?
Het Offerfeest wordt jaarlijks voorbereid in een samenwerkingsverband van LVVN, NVWA, Vereniging van Zelfslachtende Slagers (VZS), VleesNL, Contactorgaan Moslims en Overheid (CMO) en politie. Na afloop volgt in dit verband een evaluatie, waarbij iedere organisatie de verbeterpunten meeneemt voor het procesverloop van het Offerfeest. Er is gewerkt aan een betere aansluiting tussen het aangeboden aantal te slachten dieren en de planning van de toezichtscapaciteit. Zo wordt voorkomen dat het slachthuis meer dieren aanvoert dan geslacht kunnen worden. Ook heeft de NVWA de afgelopen jaren haar toezicht in algemene zin versterkt door invoering van verscherpt toezicht en three strikes out. Herhaalde overtredingen en ook misdragingen jegens toezichthouders van voorgaande jaren worden beter meegewogen bij de keuze van te nemen maatregelen. Daarnaast zet ik mij in voor een herziening van het boetestelsel, met onder meer hogere en omzetgerelateerde boetes, zoals ik heb aangekondigd in mijn brief van 18 juni 2026 (Kamerstuk 33 835, nr. 262). Tot slot wordt door de NVWA op bedrijfsniveau na elk offerfeest een evaluatie uitgevoerd, die meeweegt in de toestemming en het toezicht voor het jaar erop. Zo kijkt de NVWA elk jaar waar het beter kan.
Gelet op het feit dat de NVWA meldt dat in 2025 een groter aandeel dieren bedwelmd is geslacht, welke factoren hebben volgens u aan deze ontwikkeling bijgedragen en ziet u mogelijkheden om deze ontwikkeling verder te versnellen?
In Nederland is bedwelmde slacht de wettelijke standaard. De redenen om een dier onbedwelmd ritueel dan wel bedwelmd te laten slachten zijn divers en niet eenduidig vast te stellen; dit kan samenhangen met keuzes van religieuze gemeenschappen, slachthuizen en afnemers, en met de praktische organisatie rondom het Offerfeest. Mijn inzet blijft gericht op een zorgvuldige uitvoering binnen de geldende wettelijke kaders, met toezicht door de NVWA op dierenwelzijn, diergezondheid, voedselveiligheid en hygiëne. Tegelijk wil ik mij, binnen de huidige wettelijke kaders inzetten om het aandeel onbedwelmde religieuze slacht verder terug te brengen. Ik zal daarover met de betrokken partijen, waaronder het CMO, in gesprek treden.
Deelt u de opvatting dat het voorkomen van vermijdbaar dierenleed altijd leidend moet zijn bij beleid rondom rituele slacht?
Dat deel ik. Het verbeteren van dierenwelzijn tijdens de onbedwelmde rituele slacht was in 2012 een belangrijk uitgangspunt van het Convenant onbedwelmd slachten volgens religieuze riten. In de evaluatie van het Convenant door Deloitte uit 2021 (Kamerstuk 28 286, nr. 1232) is geconcludeerd dat het Convenant doelmatig en doeltreffend functioneert in de praktijk en heeft geleid tot een verbetering van het dierenwelzijn ten opzichte van de nulmeting in 2014. Tegelijkertijd geldt dat rituele slacht zonder voorafgaande bedwelming binnen Europese regelgeving onder voorwaarden is toegestaan en beperking hiervan raakt aan de vrijheid van godsdienst. Daarom is de inzet erop gericht om binnen de geldende huidige wettelijke kaders de aantasting van het dierenwelzijn zo veel mogelijk te beperken. Dat gebeurt onder meer via aanvullende voorschriften in het Besluit houders van dieren, permanente aanwezigheid van de NVWA bij onbedwelmde rituele slacht en handhaving wanneer regelgeving niet wordt nageleefd.
Hoe beoordeelt u vanuit dierenwelzijnsperspectief het feit dat dieren bij onverdoofde slacht aantoonbaar langer bij bewustzijn kunnen blijven en daarbij meer stress en pijn ervaren?
De algemene wetenschappelijke opvatting is dat de halssnede bij een dier dat bij bewustzijn is pijn veroorzaakt en dat het dier stress ervaart in de periode tot het als gevolg van het verbloeden het bewustzijn verliest. Om die reden zijn in het convenant onbedwelmde slacht volgens religieuze riten concrete afspraken gemaakt om het welzijn van deze dieren te verbeteren. De normen uit het convenant die betrekking hebben op dierenwelzijn zijn opgenomen in het Besluit houders van dieren. De NVWA houdt toezicht op de naleving van deze regelgeving en grijpt waar nodig in om het dierenwelzijn te waarborgen. Bij de totstandkoming van het convenant is ook een afweging gemaakt tussen dierenwelzijn en godsdienstvrijheid.
Bent u bekend met signalen van dierenartsen en dierenwelzijnsorganisaties dat dieren tijdens onverdoofde slacht langdurig worden gefixeerd, worden gekanteld in zogenoemde kantelboxen en in sommige gevallen herhaaldelijk moeten worden aangesneden voordat bewustzijnsverlies optreedt?2
Ik ben bekend met deze signalen. Het beeld dat dieren bij de onbedwelmde rituele slacht structureel langdurig worden gefixeerd, onjuist worden gekanteld of herhaaldelijk moeten worden aangesneden, herken ik echter niet. Fixatie en het gebruik van kantelapparatuur zijn aan strikte dierenwelzijnsvoorschriften gebonden en bij deze slacht is sprake van permanent toezicht door de NVWA. De NVWA ziet daarbij toe op de duur en wijze van fixatie, het gebruik van de apparatuur en een correcte uitvoering van de halssnede. Wanneer een handeling niet overeenkomstig de geldende voorschriften wordt uitgevoerd, grijpt de NVWA direct in en wordt waar nodig handhavend opgetreden. Er zijn geen aanwijzingen dat de dierenwelzijnsvoorschriften hierbij structureel niet worden nageleefd.
Hoe wordt tijdens het Offerfeest gecontroleerd dat dieren direct na de halssnede voldoende bewustzijnsverlies vertonen en welke maatregelen worden genomen wanneer dat niet het geval is?
Tijdens het Offerfeest worden niet alle dieren onbedwelmd geslacht. Uit de voorlopige cijfers blijkt dat tijdens het Offerfeest dit jaar 32% van de geslachte dieren onbedwelmd is geslacht en 68% van de dieren bedwelmd is geslacht. Bij bedwelmde slacht is er sprake van bewustzijnsverlies voordat de halssnede gezet wordt.
De NVWA ziet erop toe dat medewerkers van het slachthuis de controle op tekenen van bewustzijn of gevoeligheid bij alle dieren die onbedwelmd geslacht worden, correct uitvoeren. De afwezigheid van corneareflex en ooglidreflex zijn betrouwbare indicatoren om te controleren op tekenen van bewustzijn of gevoeligheid. Andere tekenen zijn de afwezigheid van ademhaling, een negatieve dreigtest of reactie op een toegediende pijnprikkel.3 De controle op tekenen van bewustzijn of gevoeligheid vindt plaats voordat het dier de fixatie verlaat, of in ieder geval na 35 seconden waarbij in geval van tekenen van bewustzijn de dieren bedwelmd moeten worden binnen 40 seconden na de halssnede.
Zoals in antwoord op vraag 6 aangegeven, wordt bij geconstateerde overtredingen handhavend opgetreden. Ook worden corrigerende maatregelen genomen zoals een directe aanwijzing tot nabedwelmen en/of het niet meer toestaan van onbedwelmd ritueel slachten.
Bent u bekend met wetenschappelijke kritiek op de zogenoemde waterbadmethode bij pluimvee, waarbij dieren wel bewegingsloos maar niet volledig buiten bewustzijn zouden zijn?3
Ik ben bekend met de wetenschappelijke literatuur over dit onderwerp en de risico’s die worden geschetst ten aanzien van de waterbadmethode.
Hoe beoordeelt u het risico dat dieren bij toepassing van de waterbadmethode alsnog bij bewustzijn de halssnede ondergaan of levend in verdere slachtprocessen, zoals de broeibak, terechtkomen?
Het bedwelmen met de waterbadmethode is toegestaan op grond van Verordening (EG) nr. 1099/2009 inzake de bescherming van dieren bij het doden. Voor het gebruik van het waterbad als bedwelmingsmethode zijn in deze verordening specifieke voorschriften vastgelegd.
De Nederlandse Voedsel- en Warenautoriteit (NVWA) houdt toezicht op de naleving van deze voorschriften tijdens de slacht. Een verbod op of beperking van een toegestane bedwelmings- of dodingsmethode kan alleen in Europees verband worden gerealiseerd. Ik heb mij eerder in Europees verband ingezet voor een verbod op de waterbadmethode, mede naar aanleiding van de aangekondigde herziening van Verordening (EG) nr. 1099/2009 inzake de bescherming van dieren bij het doden. Ik zal mij hiervoor op daartoe geschikte momenten blijven inzetten. Ook wil ik na de zomer in gesprek met de sector om te kijken of er afspraken gemaakt kunnen worden om zaken op het gebied van dierenwelzijn in slachthuizen te verbeteren. Daarbij wil ik ook kijken naar bedwelmingsmethodes.
Deelt u de opvatting dat technieken waarbij dieren langdurig bij bewustzijn blijven, zichtbaar stress ervaren of hun eigen slachtproces meemaken, zo veel mogelijk moeten worden uitgebannen?
Ja. Ik vind dat dieren tijdens het houden, transporteren en doden zo min mogelijk stress, pijn en vermijdbaar lijden mogen ondervinden. Tegelijkertijd geldt dat de beoordeling van specifieke slacht- en bedwelmingsmethoden plaatsvindt binnen de bestaande nationale en Europese wettelijke kaders. Voor toegestane methoden gelden voorschriften die erop gericht zijn de aantasting van het dierenwelzijn zo veel mogelijk te beperken. De NVWA ziet toe op de naleving daarvan. Waar uit nieuwe wetenschappelijke inzichten of praktijkervaring blijkt dat verdere verbeteringen mogelijk zijn, ben ik bereid deze te betrekken bij de verdere ontwikkeling van het dierenwelzijnsbeleid, zowel nationaal als in Europees verband.
In hoeverre acht u het wenselijk dat uitzonderingen voor religieuze slachtmethoden telkens opnieuw worden verlengd, terwijl het maatschappelijke en politieke draagvlak voor verdere verbetering van dierenwelzijn groeit?
Ik onderken dat over dit onderwerp maatschappelijk en politiek debat bestaat. Dat debat over de wenselijkheid en reikwijdte van de uitzondering voor religieuze slachtmethoden kan vanzelfsprekend in de Kamer worden gevoerd. Zolang de huidige wettelijke kaders gelden, richt ik mij op een zorgvuldige uitvoering daarvan, het minimaliseren van dierenleed, de naleving van de voorschriften en toezicht door de NVWA.
Deelt u de opvatting dat de overheid een duidelijke norm moet uitdragen dat bedwelmde slacht de standaard is en het onverdoofd slachten of koken van dieren verboden hoort te zijn?
Dit wordt uitgedragen. In Nederland is namelijk bedwelmde slacht de wettelijke standaard. De mogelijkheid om, voor religieuze doeleinden, dieren zonder voorafgaande bedwelming aan te snijden vormt daarop een uitzondering die rechtstreeks voortvloeit uit de Verordening 1099/2009. Het aantal dieren dat in Nederland onbedwelmd ritueel wordt geslacht is beperkt in verhouding tot het totaal aantal geslachte dieren. Uiteraard zullen we blijven uitdragen dat bedwelmde slacht de norm is.
Welke aanvullende mogelijkheden ziet u om dierenwelzijn tijdens het Offerfeest verder te verbeteren en het aandeel onverdoofde slacht verder terug te dringen, bijvoorbeeld via reversibele bedwelming of strengere voorwaarden aan slachtmethoden?
De bestaande regelgeving, de gezamenlijke voorbereiding van het Offerfeest en het permanente toezicht door de NVWA hebben de afgelopen jaren tot verbeteringen ten aanzien van dierenwelzijn geleid. Tegelijk wil ik mij, binnen de huidige wettelijke kaders, inzetten om het aandeel onbedwelmde religieuze slacht verder terug te brengen. Ik zal daarover met de betrokken partijen, waaronder het CMO, in gesprek treden. Daarbij kan worden gedacht aan het in overleg met de betrokken partijen verder bevorderen van het gebruik van bedwelming bij religieuze slacht.
Bent u bereid om na afloop van het Offerfeest 2026 de aanpak te evalueren met de NVWA, gemeenten, slachthuizen en betrokken maatschappelijke en religieuze organisaties en de Kamer daarbij expliciet te informeren over mogelijkheden om het aandeel onverdoofde slacht verder terug te dringen?
Zoals aangegeven in het antwoord op vraag 2, vindt jaarlijks overleg plaats tussen het Ministerie van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit, de Nederlandse Voedsel- en Warenautoriteit (NVWA), vertegenwoordigers van slachthuizen en vertegenwoordigers van de betrokken religieuze gemeenschappen over het verloop van het Offerfeest. Tijdens deze evaluaties, maar ook in de overleggen in aanloop naar het Offerfeest, staat primair de correcte uitvoering van de geldende wettelijke voorschriften centraal ten aanzien van dierenwelzijn, diergezondheid en voedselveiligheid, evenals de capaciteit voor toezicht en communicatie rondom het Offerfeest. Daarbij wordt niet gesproken over het actief terugbrengen van het aandeel onbedwelmde rituele slacht. De cijfers over onbedwelmd ritueel geslachte dieren, waaronder aantallen per diercategorie en gegevens over nabedwelming, worden jaarlijks aan de Tweede Kamer verstrekt en, conform de toezegging T03706 van 11 juli 2023, ook aan de Eerste Kamer toegezonden.