De plannen voor privatisering van het gevangeniswezen en het bericht 'kleinere cel is beter' |
|
Sharon Gesthuizen (SP) |
|
Fred Teeven (staatssecretaris justitie en veiligheid) (VVD) |
|
|
|
|
Klopt het bericht dat u van mening bent dat de gevangenissen soberder moeten en Nederlandse cellen wel wat kleiner kunnen?1 Wanneer kan de Kamer een gemotiveerde onderbouwing van deze standpunten, inclusief uitgewerkte plannen voor het gevangeniswezen, verwachten?
Ook voor het gevangeniswezen geldt dat telkens een afweging moet worden gemaakt op welke wijze de taken het meest kosteneffectief kunnen worden uitgevoerd. Tijdens een recent werkbezoek in het Verenigd Koninkrijk heb ik een (private) gevangenis bezocht. Ik heb daar kunnen vaststellen dat het kennelijk ook mogelijk is om op een adequate wijze invulling te geven aan de detentietaak in cellen die kleiner zijn dan in Nederland. Daarmee heb ik niet willen aangeven dat ik een voorstander ben van kleinere cellen in Nederland. Ik heb dan ook geen concrete voornemens op dit punt, zeker niet wat betreft het aanpassen van de huidige gevangenissen.
Blijft u nog steeds van mening dat de uitgangspunten van het programma «Modernisering Gevangeniswezen» overeind staan?
De persoonsgerichte aanpak vormt het hart van het programma Modernisering Gevangeniswezen (MGW). Met deze aanpak worden bemoedigende resultaten geboekt en het kabinet zet deze aanpak dan ook voort. Er is wel sprake van een belangrijk accentverschil: de eigen verantwoordelijkheid van de gedetineerde staat meer voorop. Gedetineerden die geen gebruik maken van de mogelijkheden die hun worden geboden en niet serieus werken aan hun eigen toekomst en bij herhaling recidiveren, kunnen rekenen op een soberder aanpak. Ik acht het niet verantwoord te blijven investeren in gedetineerden bij wie is vast komen te staan dat dat geen toegevoegde waarde heeft.
Bent u bereid een volledig overzicht te geven van de kosten voor het huisvesten van gedetineerden, uitgesplitst naar beveiliging, dagprogramma, kosten gebouwen, etc?
Het gevangeniswezen kent verschillende bestemmingen met een eigen dagprijs. De hoogte van de dagprijs is onder meer afhankelijk van het van toepassing zijnde dagprogramma en de benodigde mate van beveiliging en zorg (inclusief psycho-medische zorg). In de begroting 2011 is een gemiddelde dagprijs per cel voor het gevangeniswezen opgenomen van € 231. Dit bedrag is inclusief de toeslagen voor de landelijke diensten (waaronder de Dienst Vervoer en Ondersteuning en de shared service centra) en de centrale overhead, waaronder de kosten voor het hoofdkantoor. De kosten voor het dagprogramma bedragen gemiddeld genomen ca. 25% van het totaal. Ditzelfde percentage van 25% geldt ook voor zowel de beveiligingskosten als de huisvestingskosten. De resterende 25% bestaat met name uit verzorgingskosten en trajectkosten.
Hoeveel denkt u de komende tijd extra te kunnen besparen op de gevangenissen? Ten koste van welke in de vorige vraag genoemde aspecten zal dit gaan?
Zoals ik in het antwoord op vraag 2 heb aangegeven, kunnen gedetineerden die geen gebruik maken van de mogelijkheden die hun worden geboden en niet serieus werken aan hun eigen toekomst en bij herhaling recidiveren, voortaan rekenen op een soberder aanpak. Uw Kamer kan nog dit jaar een uitwerking verwachten van deze nieuwe aanpak.
Hoeveel is er de laatste jaren reeds bezuinigd op het gevangeniswezen, inclusief (nog niet gerealiseerde) «taakstellingen»?
Het gevangeniswezen is onderdeel van het agentschap Dienst Justitiële Inrichtingen (DJI). Aan DJI opgelegde algemene kortingen (bijvoorbeeld het niet uitkeren van de loonbijstelling) en taakstellingen (bijvoorbeeld de algemene doelmatigheidskorting) worden naar rato toebedeeld aan de onder DJI ressorterende sectoren, waaronder het gevangeniswezen. De afgelopen jaren zijn aan het gevangeniswezen taakstellingen en kortingen opgelegd die oplopen tot een bedrag van ca. € 220 miljoen op jaarbasis. Ongeveer de helft hiervan betreft capaciteitsgerelateerde taakstellingen en kortingen. De andere helft heeft met name betrekking op efficiencykortingen, niet uitkeren van loon- en prijsbijstellingen en arbeidsvoorwaarden, alsmede het beperken van de kosten voor externen. Deze taakstellingen en kortingen hebben een structureel karakter.
Op welke wijze denkt u de gevangenissen verder te kunnen versoberen?
Zie antwoord vraag 4.
Op welke wijze gaat u de cellen verkleinen? Geldt dit alleen voor nieuwbouw of gaan er ook grootschalige verbouwingen plaatsvinden? Welke minimum afmetingen van de cellen heeft u hierbij in gedachten?
Zie antwoord vraag 1.
Wat zijn nu precies uw plannen met betrekking tot de privatisering van het gevangeniswezen? Voor welke taken denkt u dat privatisering in optie kan zijn? En voor welke taken sluit u privatisering uit? Bent u bereid privatisering van het zogeheten «primaire proces» (het werken met gedetineerden) uit te sluiten van privatisering omdat dit een publieke taak is en bezuinigingen hierop als gevolg van commerciële doelstellingen rechtstreeks de veiligheid van de maatschappij raken? Zo nee, waarom niet?
In het Regeerakkoord staat het voornemen om de privatisering van voor het gevangeniswezen relevante taken voor te bereiden. Alvorens een besluit te nemen laat ik een onderzoek uitvoeren door het WODC naar de ervaringen met private gevangenissen in verschillende landen en de mogelijkheden voor Nederland. Een grondig onderzoek is nodig, omdat het hier gaat om een complexe materie die een zorgvuldige besluitvorming vereist. Ik verwacht de uitkomsten van het onderzoek deze zomer, waarna ik uw Kamer na het zomerreces nader zal informeren.
Er zijn in het Verenigd Koninkrijk en ook daarbuiten goede ervaringen opgedaan met de privatisering van gevangenissen. Door de komst van private gevangenissen in het Verenigd Koninkrijk is het publieke monopolie doorbroken en de concurrentie die als gevolg hiervan is ontstaan heeft niet alleen geleid tot kostenreducties, maar ook tot een hogere effectiviteit. Ook bij publieke gevangenissen heeft dit geleid tot verbeteringen, omdat zij geleerd hebben van de technieken die door de marktpartijen zijn toegepast. Tot nu toe ging het in het Verenigd Koninkrijk om nieuwe gevangenissen. Er zijn echter ook evaluatierapporten bekend die minder positief zijn over de gevolgen van privatisering. Vandaar het besluit om het WODC een grondig literatuuronderzoek te laten verrichten en de voor- en nadelen van privatisering op een rij te laten zetten. Op voorhand sluit ik geen activiteiten uit van privatisering. Het onderzoek van het WODC moet er juist meer duidelijkheid in brengen welke mogelijkheden er zijn en aan welke voorwaarden moet worden voldaan. Het garanderen van de veiligheid van de maatschappij is en blijft uiteraard ook wat betreft het kabinet een eerste vereiste.
Hoeveel mensen die dagelijks werkzaam zijn in de Nederlandse gevangenissen heeft u sinds uw aantreden als staatssecretaris gesproken?
Sinds het aantreden van dit kabinet heb ik aan drie penitentiaire inrichtingen, twee justitiële jeugdinrichtingen en een detentiecentrum een werkbezoek gebracht. Tijdens deze bezoeken heb ik met tal van medewerkers gesproken uit de betreffende inrichtingen. In de komende periode heb ik het voornemen om alle justitiële inrichtingen te bezoeken.
Klopt het dat u van mening dat de macht van de vakbonden doorbroken moet worden om veranderingen in het gevangeniswezen te bewerkstelligen? Zo ja, hoe komt u hierbij? Bent u bereid om er voor te zorgen dat het personeel niet minder maar juist meer te zeggen moet krijgen over werk dat zij doen?
Het gevangeniswezen maakt een groot veranderingsproces door als gevolg van de implementatie van het programma MGW. MGW is een participatief proces, waarbij vanaf de ontwikkeling van de visie en het strategisch kader vertegenwoordigers van alle functiegroepen binnen het gevangeniswezen betrokken zijn geweest. Ook de medezeggenschap en de bonden zijn op alle daarvoor bestemde momenten in het proces betrokken. Mijn opmerking tijdens een werkbezoek in het Verenigd Koninkrijk over de macht van de vakbonden, dient in de historische context aldaar te worden geplaatst. Naar ik heb begrepen heeft dit punt in het Verenigd Koninkrijk wel meegespeeld in het proces dat uiteindelijk heeft geleid tot het besluit een aantal gevangenissen te privatiseren.
Hoe gaat u de veiligheid van het personeel waarborgen wanneer er, al dan niet als gevolg van privatisering, verder bezuinigd gaat worden op de gevangenissen?
Zoals ik reeds heb aangegeven in het antwoord op vraag 8 blijft het garanderen van de veiligheid van de maatschappij een eerste vereiste. Dat geldt evenzeer voor het garanderen van de veiligheid van het personeel en de gedetineerden. Zie overigens ook het antwoord op de vragen 9 en 10.
Bent u bereid de veiligheid van het personeel op de eerste plaats te zetten, hieraan nooit of te nimmer concessies te doen en vooral goed te luisteren naar de mensen zelf die dit belangrijke werk doen? Zo nee, waarom niet? Zo ja, hoe gaat u dit doen?
Zie antwoord vraag 11.
Misstanden bij huis aan huis verkoop van kaarten voor een goed doel |
|
Sharon Gesthuizen (SP) |
|
Fred Teeven (staatssecretaris justitie en veiligheid) (VVD) |
|
|
|
|
Wat is uw reactie op de uitzending van Kassa waarin de verkooppraktijken van kaarten voor een goed doel met verborgen camera werden gevolgd?1
De uitzending geeft aan dat de burgers alert moeten zijn op verkopers die aan de deur komen met de vraag om voor het goede doel te geven. Het is van belang dat burgers de verkoper altijd vragen naar een identiteitsbewijs en naar de door de gemeente verleende vergunning voor de kaartverkoop. In de vergunningsvoorwaarden is standaard opgenomen dat de verkoper een kopie van de vergunning bij zich moet dragen, die op verzoek moet worden getoond.
Herinnert u zich de antwoorden op eerdere vragen over dit onderwerp?2
Ja.
Deelt u de mening dat er zo snel mogelijk een einde moet komen aan het handelen van bedrijven die voor eigen gewin geld aftroggelen van goedwillende mensen die een goed doel denken te steunen? Zo nee, waarop baseert u uw mening?
Het is niet de bedoeling dat deze bedrijven burgers voorhouden dat de opbrengst vrijwel geheel naar een goed doel gaat terwijl feitelijk slechts een gering deel daarvan bij het goede doel terechtkomt. Burgers moeten eerlijk worden voorgelicht. Op grond van de Wet oneerlijke handelspraktijken is het aanbieders van producten en diensten verboden onduidelijke, onvolledige of misleidende informatie te geven over de belangrijkste kenmerken van hun product of dienst, waaronder de prijs. De Consumentenautoriteit kan bij overtreding van deze wet handhavend optreden.
Bent u bereid gemeenten actief voor te lichten over de praktijken van dergelijke organisaties die vaak landelijk werken?
Uit overleg met de VNG blijkt dat gemeenten over het algemeen goed op de hoogte zijn, dat het voorkomt dat er zonder vergunning wordt gecollecteerd. Daar wordt ook tegen opgetreden. Gemeenten kunnen op basis van de (plaatselijke) APV een vergunning verplicht stellen voor iedereen die huis-aan-huis goederen tegen betaling aanbiedt, ook indien een deel van de opbrengst bestemd is voor het goede doel. Het betreft dan collecteren dat valt onder de zogenoemde inzamelingsbepaling. Aan de vergunning zijn voorwaarden verbonden. Alvorens de gemeente een vergunning afgeeft wordt meestal eerst advies gevraagd aan het Centraal Bureau Fondsenwerving (CBF). Het CBF controleert of de goededoelen instelling die geld ontvangt een bonafide instelling is. Tevens wordt nagegaan of over de verkopende organisatie klachten zijn binnengekomen. Bij een negatief advies wordt geen vergunning verleend.
Deelt u de mening dat er een verplichting om te werken met een vergunning dient te komen voor verkopende organisaties die aan goede doelen zeggen af te dragen?
Zie antwoord vraag 4.
Bent u bereid in overleg te treden met de Vereniging van Nederlandse Gemeenten om dit samen op korte termijn te bereiken? Zo nee, waarom niet? Zo ja, op welke termijn?
Zie antwoord vraag 4.
De brand bij Moerdijk |
|
René Leegte (VVD), Johannes Sibinga Mulder |
|
Joop Atsma (staatssecretaris infrastructuur en waterstaat) (CDA) |
|
|
|
|
Bent u bekend met artikel «Brand Moerdijk: brand meester»?1
Ja, ik ben bekend met het bewuste artikel in het Financieel Dagblad.
Kunt u aangeven wat de stank- en rookontwikkeling in de omgeving is geweest als gevolg van deze brand?
De brand ontwikkelde zich spoedig tot een zeer grote brand. In de directe omgeving benedenwinds, op het bedrijventerrein, was de stank- en rookontwikkeling het hevigst. Vanaf het bedrijventerrein steeg de rook door de grote hitte naar circa 500 m hoogte (inversielaag) en verspreidde zich in noordelijke tot noordoostelijke richting over grote afstand. Bewoners in de benedenwindse zone tot 10 km typeerden de geur als een chemische verflucht (terpentineachtig) die irritatie veroorzaakte aan de luchtwegen. Op grotere afstand dan 10 km waren de stank en de rook ook waarneembaar, echter minder intens. Diverse klachten van blootstelling aan rook zijn gemeld in bijvoorbeeld Rotterdam, Dordrecht en Gouda. Ook op grotere afstand is geuroverlast gemeld, in de provincies Utrecht, Noord-Holland en Overijssel.
Welke onderzoeken worden op dit moment uitgevoerd naar de effecten van de brand op de volksgezondheid? Kunt u aangeven of deze onderzoeken op elkaar zijn afgestemd en wanneer de resultaten van deze onderzoeken verwacht kunnen worden?
Aan mensen die klachten of zorgen hebben in verband met de brand is het advies gegeven om contact op nemen met de huisarts of GGD. Dit advies blijft van kracht. Voorts wordt alle mensen die klachten of hinder hebben ondervonden tijdens of na de brand gevraagd een vragenlijst invullen. Deze vragenlijst werd verstrekt via GGD of behandelend arts en was tot 1 februari ook te downloaden van de website www.crisis.nl2. De vragenlijst is bedoeld voor bewoners, hulpverleners, journalisten en medewerkers van bedrijven op het bedrijventerrein en mensen die tijdens de brand als passant in het gebied aanwezig waren. Werknemers van omliggende bedrijven konden zich tussen 17 januari en 9 februari melden bij het Actiecentrum Bedrijfsgezondheidszorg dat is ingericht op het bedrijventerrein, waar zij de vragenlijst konden invullen. Daarnaast worden hulpverleners die zich hebben gemeld met klachten over enkele weken opnieuw benaderd om na te gaan of er zich mogelijk ook op termijn nog gezondheidsklachten zullen of kunnen voordoen.
Alle vragenlijsten worden door het bureau Gezondheid Milieu en Veiligheid van de GGD in Tilburg verzameld. Op deze wijze worden door de GGD'en in samenwerking met het RIVM de gezondheidseffecten in de gaten gehouden en wordt bekeken of nadere acties nodig zijn. Vragenlijsten konden worden ingeleverd tot en met 2 februari. Na analyse van de antwoorden kan meer worden gezegd over nut en noodzaak van eventuele verdere activiteiten. De veiligheidsregio heeft met het RIVM en de GGD afgesproken dat voor de analyse, inclusief advies over het vervolgtraject, drie weken gereserveerd worden. Die termijn is nodig om een goede analyse te kunnen maken. Dat betekent dat een beslissing over vervolgstappen daarna genomen kan worden. Het eindrapport wordt begin maart verwacht. In het debat op 13 januari heeft de minister van VWS toegezegd na vier weken een beslissing over vervolgstappen te nemen naar aanleiding van het gezondheidsonderzoek. Omdat in de veiligheidregio andere termijnen zijn afgesproken, wordt die periode bijgesteld naar acht weken.
Welke onderzoeken worden op dit moment uitgevoerd naar de effecten van de brand op het milieu? Kunt u aangeven of deze onderzoeken op elkaar zijn afgestemd en wanneer de resultaten van deze onderzoeken verwacht kunnen worden?
In de brief van 12 januari 2011 (Tweede Kamer, vergaderjaar 2010–2011, 26 956, nr. 75) informeerden wij uw kamer over de brand bij Chemie-Pack te Moerdijk. In deze brief zijn onder andere de onderzoeken die over de effecten van de brand op het milieu zijn uitgevoerd, uitvoerig behandeld. Daarbij is ook ingegaan op de onderlinge afstemming van de onderzoeken en de te verwachten tijdstippen van onderzoeksresultaten.
In de brief van 12 januari is onder meer ingegaan op de onderzoeksactiviteiten van het BOT-mi (Beleidsondersteunend Team milieu-incidenten) en de Milieu Ongevallen Dienst (MOD) van het RIVM.
Naar aanleiding van de brand in Moerdijk is vanuit de veiligheidsregio’s Midden- en West-Brabant en Zuid-Holland Zuid het BOT-mi verzocht te adviseren op te nemen maatregelen ter beperking van de gevolgen van het incident voor het milieu en de volksgezondheid. Tevens werd door tussenkomst van I&M de Milieu Ongevallen Dienst (MOD) van het RIVM ingezet ter ondersteuning van de regionale brandweer van Zuid-Holland Zuid en overige betrokken diensten in het incident- en effectgebied.
Bij de brief van 12 januari is een aantal op dat moment actuele rapportages als bijlage aan u aangeboden.
Het BOT-mi is vanaf het begin van de brand bij Chemie-Pack in Moerdijk betrokken bij de advisering van de veiligheidsregio’s. Er zijn meerdere steeds geactualiseerde BOT-mi adviezen afgegeven met betrekking tot gezondheidsaspecten, behandeling van vee en gewassen en meer algemeen, het omgaan met de roetachtige depositie. In opdracht van Crisismanagement I&M is ook de Milieu Ongevallen Dienst (MOD) ter plaatse gestuurd om, onder aansturing van de brandweer, metingen te verrichten naar onder andere de aard en samenstelling van de omgevingslucht en de depositie (neerslag), op verschillende plaatsen in het zogenoemde effectgebied.
Ook daarna zijn de onderzoeksactiviteiten van BOT-mi, RIVM/MOD en andere onderzoeksdiensten voortgezet. Deze onderzoeken zijn vanuit een verschillende domeinen ingezet (zoals volksgezondheid, arbeidsveiligheid, voedselveiligheid, dierwelzijn, land- en tuinbouwproducten, oppervlaktewater, drinkwater en bodem). Alle onderzoeksresultaten (tussentijdse en geconsolideerde rapportages) zijn door de Veiligheidsregio’s Midden West Brabant en Zuid Holland Zuid gepubliceerd op www.crisis.nl.
De verwachting is dat de Onderzoeksraad voor Veiligheid eveneens deze aspecten van de hulpverlening bij haar onderzoek zal betrekken.
Diepgravend onderzoek naar de toedracht van het overlijden van Michelle Mooij |
|
Jeanine Hennis-Plasschaert (VVD) |
|
|
|
|
Bent u bekend met het artikel «Onze Michelle is de dood ingejaagd»?1
Ja.
Is het waar dat het onderzoek is ingestoken als «zelfdoding onder verdachte omstandigheden»?
Nee, in het kader van het onderzoek wordt niet alleen rekening gehouden met de mogelijkheid van zelfdoding, maar worden ook andere mogelijke doodsoorzaken onderzocht.
Bent u van mening dat er sprake is geweest van een diepgaand onderzoek door politie en het openbaar ministerie evenals het Nederlands Forensisch Instituut? Zo ja, waar baseert u dit op?
Het College van procureurs-generaal heeft mij op de hoogte gebracht van de stand van zaken van het onderzoek. Verder heeft het College mij laten weten dat politie en Openbaar Ministerie al het nodige doen om te proberen de doodsoorzaak te achterhalen en vast te stellen of er sprake is geweest van een strafbaar feit. Zo heeft de officier van justitie besloten om een contra-expertise te laten uitvoeren ten aanzien van het NFI-onderzoek, nu op basis van het technisch en tactisch onderzoek van de politie en het rapport van het NFI de exacte doodsoorzaak niet kon worden vastgesteld. Deze contra-expertise is nog niet afgerond.
Bent u het eens met hoogleraar Knoops dat Nederland, conform Europese rechtspraak, in ieder geval de verplichting heeft om een meer en zeer diepgaand onderzoek in te stellen naar de precieze toedracht van het overlijden van Michelle? Zo nee, waarom niet?
Uiteraard ben ook ik van mening dat een diepgaand onderzoek naar het overlijden vereist is. Ik ga ervan uit dat dit ook uitgevoerd wordt.
Deelt u de mening dat (mede met het oog op haar eerdere aangiften tegen I., zijn recidiverend handelen, zijn veroordelingen wegens ernstige delicten en de voortijdige beëindiging van zijn verplichte behandeling) het nog altijd onduidelijk is of Michelle zelfmoord heeft gepleegd dan wel is vermoord? Zo nee, waarom niet? Zo ja, welke maatregelen bent u voornemens om op korte termijn te nemen?
Inderdaad is vooralsnog niet vastgesteld of er sprake is geweest van moord of van zelfmoord. Het onderzoek hiernaar loopt nog. De uitkomsten moeten we afwachten. Ik zie thans geen aanleiding om maatregelen te nemen.
Het niet goed functioneren van de rampenwebsite en het speciale telefoonnummer tijdens de brand in Moerdijk |
|
Magda Berndsen (D66) |
|
|
|
|
Bent u op de hoogte van de nieuwsberichten en berichten van bezorgde burgers in sociale media dat de communicatie over de brand in Moerdijk chaotisch is verlopen?1
Ja.
Kunt u aangeven hoe het heeft kunnen gebeuren dat juist het voor een crisis bedoelde informatienummer 0800-1351 én de website crisis.nl gedurende enige tijd onbereikbaar waren? Hoe lang deze onbereikbaarheid precies heeft geduurd?
Rond 18.30 uur is om onbekende redenen door de media gemeld dat het nummer 0800-1351 geopend was, terwijl dit toen nog niet het geval was. Het nummer is om 19.20 uur opengegaan en dit is gecommuniceerd door de gemeente Moerdijk. Toen was het aanbod zo overweldigend, dat het zeker is dat er enkele telefoontjes zijn gemist. Het is niet bekend hoeveel. Binnen 10 minuten is opgeschaald, waardoor iedere beller gehoor kreeg.
De officiële opdracht (aanvraag aan het NCC) om het nummer in te zetten is om 17.45 uur gegeven door de gemeente Moerdijk. Om 19.10 uur was de benodigde informatie vanuit de gemeente Moerdijk beschikbaar om het nummer open te zetten.
Bij het inzetten van de website moeten door meerdere partijen verschillende technische handelingen worden uitgevoerd. Een menselijke fout bij de technische ondersteuning is de reden van de storing geweest. Door de storing was de site één uur en een kwartier (18.00–19.15 uur) niet bereikbaar.
Welke maatregelen neemt u om de bereikbaarheid van deze officiële informatie-instrumenten, die naar uw zeggen burgers optimaal in staat stellen zichzelf in crisistijd te informeren, tijdens een ramp of crisis te waarborgen?
Het Nationaal CrisisCentrum (NCC) onderzoekt nu met de technische partijen wat de oorzaken zijn en hoe deze in de toekomst zijn te voorkomen. Hier wordt de grootste urgentie aan gegeven. De gesprekken met de technische partijen zijn al gestart en alles wordt op alles gezet om dit binnen een week op te lossen.
Wat is de reden dat tijdens de brand in Moerdijk, naast de officiële informatiekanalen en gezien de onbereikbaarheid gedurende enige tijd, geen gebruik is gemaakt van sociale media zoals Twitter of Hyves om het publiek te informeren en op de hoogte te houden van de ernst van de brand en eventuele voorzorgsmaatregelen?2
Zoals in de Wet Veiligheidsregio is vastgelegd, gaat de burgemeester over de crisiscommunicatie bij een ramp. Bij deze specifieke ramp met regio-overschrijdende effecten hebben beide betrokken veiligheidsregio’s werkzaamheden verricht met betrekking tot de crisiscommunicatie.
Het NCC heeft continue geadviseerd over inhoud en proces van de crisiscommunicatie. In de advisering is ook de rol van sociale media aan bod gekomen. De beide veiligheidsregio’s hebben mij het volgende laten weten:
Binnen de regio Zuid-Holland Zuid is conform het geldende draaiboek crisiscommunicatie ingezet tijdens en na de brand Moerdijk. Daarbij is een breed scala aan instrumenten ingezet. De sociale media zijn gevolgd en, voor zover mogelijk binnen de hectiek van het moment, is er gereageerd op gebruikers van onder andere twitter. Er is op de avond van de brand geen sprake geweest van uitval van hun officiële informatiekanalen.
De primaire focus bij crissicommunicatie ligt in de veiligheidsregio Zuid-Holland Zuid bij de calamiteitenzender RTV-Rijnmond. Door de veiligheidsregio is kort na de eerste melding en het besluit tot inschakelen van de sirenes al contact gelegd met de calamiteitenzender die snel is gestart met uitzenden. Gedurende de hele nacht is er in bijzonder goed overleg met de calamiteitenzender continue via deze zender de actuele informatie gecommuniceerd naar de inwoners. Ondersteunende communicatie is er ook op gericht geweest mensen naar deze zender te verwijzen.
In Midden-West Brabant is crisiscommunicatie de gehele tijd ingezet vanaf GRIP 2 (Gecoördineerde Regionale IncidentbestrijdingsProcedure). Daarin is sprake van een door de veiligheidsregio opgesteld en door het bestuur vastgesteld draaiboek. Daarin kwam tot op heden geen actiecentrum sociale media voor. Vanaf zaterdag (8 januari), enkele dagen na het incident, is besloten tot het instellen van een dergelijk actiecentrum en is door de twitteraccounts @ghormwb en later door @brandweermoerdijk actief informatie gegeven.
Het bestuur van de veiligheidsregio Midden-West Brabant heeft mij laten weten dat zij een aanbeveling zal volgen om het actiecentrum sociale media structureel op te nemen in het draaiboek communicatie bij rampen. Tijdens de eerste uren van het incident is voorrang gegeven aan de bestrijding van het incident.
Deelt u de mening dat naast de huidige officiële informatiekanalen en het toekomstige NL-Alert, het gebruik van sociale media in het geval van rampen en crises een nuttig aanvullend instrument kan zijn als informatievoorziening richting burgers?
Het NCC is al geruime tijd bezig met sociale media als één van de communicatiemiddelen bij crises. Hier zitten twee kanten aan, namelijk het gebruik van sociale media binnen de media-analyse en het gebruik van sociale media als middel om je boodschap over te brengen.
Bent u voornemens om het instrumentarium van het Nationaal CrisisCentrum en de veiligheidsregio’s uit te breiden met sociale media?
Zie ook het antwoord op vraag 5. In de analysefase wordt al gebruik gemaakt van sociale media. Voor de toepassing door het NCC wordt op dit moment onderzocht hoe dit effectief kan worden gebruikt. Voor wat betreft de veiligheidsregio’s is een dergelijk besluit aan hen. Wij zullen daarbij een adviserende rol hebben en houden.
Welke maatregelen neemt u om het bestaan en de inzet van verschillende informatiekanalen zo helder mogelijk te laten zijn voor het publiek en gedurende een crisis de bereikbaarheid en informatievoorziening overzichtelijk te houden voor burgers?
Via campagnes zoals voorheen de Denk Vooruit-campagne en de huidige campagne Nederland Veilig onder de vlag van «Goed voorbereid zijn, heb je zelf in de hand», wijzen wij mensen op hoe zij zich kunnen voorbereiden op noodsituaties. Daarbij is ook aandacht voor crisiscommunicatie door een verwijzing naar onder andere de calamiteitenzender en www.crisis.nl. Zo is helder welke informatiekanalen er zijn tijdens crisis.
Het opvragen van IP-adressen door politie en justitie |
|
Ard van der Steur (VVD) |
|
|
|
|
Kent u het bericht «Politie bluft om IP-adressen bezoekers te krijgen»?1
Ja.
Kunt u precies aangeven welke procedure(s) gevolgd moet(en) worden als het gaat om het opvragen van IP-adressen door politie en justitie?
De bevoegdheden voor het opvragen door politie en justitie van door nieuws- en krantenwebsites vastgelegde IP-adressen zijn te vinden in de regeling van de artikelen 126nc en 126nd Wetboek van Strafvordering (het vorderen van gegevens). Deze regeling voorziet in nauwkeurig omschreven bevoegdheden voor het vorderen van gegevens uit gegevensbestanden. De verschillende bepalingen binnen de regeling zijn zo opgebouwd dat bij de bevoegdheidstoekenning altijd rekening wordt gehouden met een drietal belangen: het belang van de opsporing, het belang van de derde bij wie de gegevens gevorderd worden en het belang van degene op wie de gegevens betrekking hebben. Hoe zwaarder de belangen zijn van bijvoorbeeld een derde onder wie de gegevens worden gevorderd, hoe meer waarborgen zijn ingebouwd in de regeling.
De verantwoordelijkheid voor het maken van een juiste belangenafweging ligt bij de vorderende instantie en niet bij de derde. Dit houdt tevens in dat het personen of instanties, met uitzondering van verschoningsgerechtigden, niet vrij staat een eigen afweging te maken en te beslissen om de gevorderde gegevens te weigeren aan politie en justitie. Aan journalisten is op grond van de jurisprudentie van het Europees Hof voor de Rechten van de Mens en de Hoge Raad een bijzondere vorm van verschoningsrecht toegekend, namelijk het recht op bronbescherming in het kader van vrije nieuwsgaring en een open publiek debat. De zware toetsen en belangenafwegingen die in deze jurisprudentie geformuleerd zijn, moeten door politie en justitie worden meegenomen alvorens zij besluiten gebruik te maken van de hun toegekende vorderingsbevoegdheden uit de bovengenoemde regeling. De toets of de opsporingsambtenaren op juiste gronden gebruik hebben gemaakt van de hen toegekende bevoegdheden kan altijd worden voorgelegd aan de rechter via de speciale beklagprocedure van art. 552a van het Wetboek van Strafvordering.
Kunt u ingaan op de reactie van de woordvoerder van het Landelijk Parket, waarin wordt gesteld dat er sprake is van een heroverweging als er na een informatieverzoek wordt afgezien van een vordering tot afgifte van een IP-adres?
Een verzoek tot vrijwillige verstrekking behoort niet tot de mogelijkheden: opsporingsambtenaren moeten van de vorderingsbevoegdheid (ex artikel 126nc en artikel 126nd Sv) gebruik maken. Een vordering mag pas daadwerkelijk worden gedaan als alle belangen tegen elkaar zijn afgewogen en de uitkomst is dat het opsporingsbelang zwaarder dient te wegen.
De uitspraak van de woordvoerder van het Landelijk Parket was algemeen van aard, en zag niet specifiek op de specifieke vordering bij Crimesite. Over deze specifieke casus heeft de voorzitter van het College van procureurs-generaal mij bericht dat ten tijde van de vordering onvoldoende duidelijk was welke (journalistieke) belangen mee dienden te worden gewogen. Vragen als: is sprake van bronbescherming, belemmert het vorderen van deze gegevens het publieke debat of de vrije nieuwsgaring, is sprake van een journalistieke website, waren ten onrechte niet meegenomen in de belangenafweging die aan de vordering vooraf ging. Om deze reden is de vordering ook ingetrokken.
Deelt u de mening dat redacties niet op oneigenlijke wijze onder druk moeten worden gezet? Zo ja, welke maatregelen bent u voornemens te nemen?
Ik erken de bijzondere rol van journalisten in de maatschappij bij het vergaren en verspreiden van informatie en bij het aanjagen van het publieke debat. De Europese jurisprudentie over het journalistieke privilege in het algemeen en het recht op bronbescherming in het bijzonder vindt zoals gezegd doorwerking binnen het Nederlandse strafprocesrecht. Om meer duidelijkheid te creëren over onder andere de vraag in welke situaties sprake is van bronbescherming en wanneer het inzetten van een dwangmiddel de vrije nieuwsgaring of het publieke debat belemmert, zal het College van procureurs-generaal dit voorjaar met een aangepaste Aanwijzing toepassing dwangmiddelen tegen journalisten komen.
Cybercrime aanvallen op Nederlandse bedrijven |
|
Afke Schaart (VVD) |
|
Maxime Verhagen (minister economische zaken en klimaat, viceminister-president ) (CDA) |
|
|
|
|
Bent u bekend met het artikel «Nederlandse bedrijven vaak doelwit cyberaanval»?1
Ja.
Bent u er van op de hoogte dat Nederland een van de landen is met de meeste ICT-beveiligingsincidenten binnen de Europese Unie en dat vooral Nederlandse bedrijven hier vaak de dupe van zijn?
Ja. Hier past wel enige nuancering. Het valt namelijk op dat een aantal landen met een vergelijkbaar relatief veel en geavanceerd ICT-gebruik zoals Finland, Noorwegen en Denemarken, ook minder goed scoren. Veel gebruik leidt klaarblijkelijk ook sneller tot de kans op meer incidenten.
Deelt u de mening dat dit een zeer onwenselijke situatie is, die tot grote economische schade leidt en dat hier snel verandering in moet komen? Zo nee, waarom niet?
Ja. Een slechte score in de EU ten aanzien van ICT-incidenten is ongewenst. Los van het directe ongemak en schade, heeft dit mogelijk een negatieve impact op het vertrouwen in de ICT-dienstverlening en het vestigingsklimaat. Ondanks dat Nederland het over het algemeen (zeer) goed doet in de internationale benchmarks, zijn dit ontwikkelingen die mogelijk inbreuk hebben op dat beeld en derhalve de aandacht vragen.
Welk beleid voert u met betrekking tot het voorkomen van cyberaanvallen op bedrijven in Nederland?
Netwerk- en informatiebeveiliging is in de eerste plaats een verantwoordelijkheid van de bedrijven zelf. De concrete maatregelen dienen dan ook door de bedrijven zelf te worden genomen. Dat neemt niet weg dat de overheid het van belang vindt om bedrijven te wijzen op de mogelijke risico’s. Het voorkomen van cyberaanvallen begint namelijk bij bewustwording met betrekking tot de risico’s en kennis van mogelijke oplossingen. Daarom is de afgelopen jaren veel geïnvesteerd in bewustwording en voorlichting via programma’s als Digivaardig en Digibewust. Ook vanuit de private sector zijn initiatieven ondernomen zoals de campagne «3 x kloppen» en het recente vervolg erop van de bancaire sector.
Ook informatie-uitwisseling is van belang ter voorkoming van incidenten. Zo is al enige jaren het InformatieKnooppunt Cybercrime actief. Binnen dit knooppunt wordt tussen enerzijds GOVCERT, AIVD en KLPD en anderzijds marktpartijen, gevoelige en vertrouwelijke informatie over dreigingen en best practices uitgewisseld.
Zijn de feiten uit dit artikel voor u aanleiding om verdere actie te ondernemen? Zo nee, waarom niet?
De feiten uit dit artikel zullen naast de inzichten worden gelegd die nu worden verzameld ten behoeve van de aan uw Kamer toegezegde nota Digitale Agenda.nl.
In de Digitale Agenda.nl zal ook worden ingegaan op de veiligheid van ICT netwerken en het vertrouwen dat de eindgebruiker in ICT moet ervaren. In maart 2011 zal de Nationale Cybersecurity Strategie aan de Tweede Kamer worden toegestuurd met daarin ondermeer het beleid rond de aanpak van cybercrime.
Beide documenten spelen daarmee in op de noodzaak om ICT incidenten te beperken.
De brand bij Chemie-Pack |
|
Paulus Jansen (SP) |
|
Joop Atsma (staatssecretaris infrastructuur en waterstaat) (CDA) |
|
|
|
|
Wilt u de Onderzoeksraad voor Veiligheid verzoeken om de Kamer op zo kort mogelijke termijn inzicht te geven in de opzet van haar onderzoek naar de brand bij Chemie-Pack te Moerdijk, opdat een afweging gemaakt kan worden over eventueel aanvullend onderzoek voor aspecten die de Raad niet meeneemt?
In de brief van 12 januari 2011 (Tweede Kamer, vergaderjaar 2010–2011, 26 956, nr. 75) informeerden wij uw kamer onder andere over de onderzoeken van de Onderzoeksraad voor Veiligheid (OvV) en de diverse inspecties. In deze brief hebben wij aangegeven dat de OvV de brand in Moerdijk onderzoekt. Op dit moment is nog geen definitieve onderzoeksopzet beschikbaar.
De OvV heeft laten weten dat binnen enkele weken de precieze focus van het onderzoek zal worden bepaald.
Naast het onderzoek van de OvV onderzoekt de Inspectie Openbare Orde en Veiligheid (IOOV) het optreden van de bij de brand betrokken rampenbestrijdingsorganisaties. Het onderzoek van de IOOV is echter afhankelijk van de focus van de OvV. In de wet is bepaald dat waar het gaat om onderzoek ter lering, geen «dubbel» onderzoek dient te worden gedaan. De VROM-inspectie (VI), de Inspectie Verkeer en Waterstaat (IVW), en de Arbeidsinspectie (AI) onderzoeken gezamenlijk de vergunningverlening en de activiteiten van alle betrokken toezichthouders. Deze onderzoeksactiviteiten worden op elkaar afgestemd.
Kunt u een overzicht geven van toezicht- en handhavingsactiviteiten bij Chemie-Pack door het bevoegd gezag en de rijksinspecties in de afgelopen vijf jaar? Zijn er in het kader van dat toezicht sancties opgelegd? Zo ja, welke?
Met het in de brief van 12 januari 2011 (Tweede Kamer, vergaderjaar 2010–2011, 26 956, nr. 75) genoemde gezamenlijke onderzoek van de VI, IVW en AI zal worden gerapporteerd over de vergunningensituatie bij Chemie-Pack en de handhavingactiviteiten in de afgelopen jaren. Dit rapport zal u uiterlijk 25 februari 2011 worden toegezonden.
Uit de voorlopige onderzoeksresultaten blijkt dat bij het bedrijf de afgelopen vijf jaar circa 30 verschillende toezicht- en handhavingactiviteiten hebben plaatsgevonden door de verschillende instanties.
Gemeente, Arbeidsinspectie, Inspectie Verkeer en Waterstaat en de inspectieteams in het kader van het Besluit risico’s zware ongevallen 1999 (Brzo 1999), bestaande uit gemeente, brandweer en Arbeidsinspectie hebben deze inspecties uitgevoerd. In het onderzoeksrapport van de VI, IVW en AI zal hierop uitvoerig, worden ingegaan. Eventueel opgelegde sancties zullen hierbij ook worden gerapporteerd.
Valt Chemie-Pack onder het Besluit Risico’s Zware Stoffen (BRZO)? Zo ja, waren toezichtfrequentie en -aard in overeenstemming met de specifieke risico’s voor deze categorie bedrijven? Kunt u uw antwoord motiveren? Zo nee, waarom heeft het bedrijf – in het licht van de opgetreden calamiteit – geen BRZO-status?
Ja, het bedrijf Chemie-Pack valt onder het Brzo 1999. Binnen het Brzo 1999 worden twee categorieën onderscheiden. Chemie-Pack valt binnen de zwaarste categorie, waardoor dit bedrijf verplicht is een preventiebeleid zware ongevallen in te voeren, een veiligheidsbeheerssysteem te hebben en een veiligheidsrapport op te stellen.
Omdat Chemie-Pack tot de hoogste risicocategorie hoort, rust er op de toezichthouders op basis van artikel 24 van het Brzo 1999 een wettelijke inspectieverplichting van 1 keer per jaar. Uit de voorlopige onderzoeksresultaten van de VI, IVW en AI is gebleken dat de afgelopen 5 jaren door de toezichthouders ieder jaar een inspectie is uitgevoerd. De toezichtfrequentie is daarmee in overeenstemming met de wettelijke verplichting die voor VR-bedrijven volgt uit het Brzo 1999.
De toezichtaard kan weergegeven worden door het aantal inspectiedagen per jaarlijkse controle en de inhoudelijke diepgang per controle.
Voor het aantal inspectiedagen per controle geldt dat hoe hoger de risico’s, hoe meer inspectiedagen per controle. Voor de vaststelling van het aantal inspectiedagen in relatie tot de risico’s wordt sinds 2008 landelijk gewerkt met het toezichtmodel dat door bevoegd gezag Wet milieubeheer (nu Wet algemene bepalingen omgevingsrecht), Brandweer en Arbeidsinspectie sinds 2008 wordt gehanteerd. Bij de inspecties bij Chemie-pack is vanaf 2008 met dit toezichtmodel gewerkt overeenkomstig de aanwezige risico’s, hetgeen drie inspectiedagen per controle betekende.
Voldeed het bedrijf aan de eisen van opslag voor gevaarlijke stoffen zoals onder andere geregeld via Publicatiereeks Gevaarlijke Stoffen (PGS) 15 (voorheen richtlijnen van de Commissie voor Preventie van Rampen (CPR))? Zo ja, zijn de voorschriften van de PGS wel voldoende, nu blijkt dat het hele bedrijf en aanpalende bedrijven in korte tijd in vuur en vlam konden komen te staan? Zo nee, welke sanctie staat er op het niet voldoen aan de PGS 15?
De richtlijn PGS 15 bevat stand der techniek documenten voor de opslag van verpakte gevaarlijke stoffen die in de omgevingsvergunning van dit soort bedrijven horen te worden verwerkt. De gemeente Moerdijk is bevoegd gezag. Het bevoegd gezag handhaaft op basis van de omgevingsvergunning en niet op basis van de PGS 15. PGS 15 is een richtlijn. De daarin vermelde maatregelen zijn niet direct werkend, maar moeten in een omgevingsvergunning worden vastgelegd. Overtredingen van de omgevingsvergunning kunnen met de gebruikelijke dwangmiddelen (opleggen dwangsom etc.) worden bestraft.
Het onderzoek van de VI, IVW en AI zal dieper ingaan op de kwaliteit van de vergunningverlening en het uitgevoerde toezicht bij Chemie-Pack. Daarbij zal ook op andere aspecten van het werken met en de aanwezigheid van gevaarlijke stoffen bij Chemie-Pack worden ingegaan.
Overigens is het van belang op te merken dat PGS 15 alleen gericht is op eisen voor de opslag van verpakte gevaarlijke stoffen. Andere aspecten zoals handling, het interne transport en ook de bulkopslag in tanks van gevaarlijke stoffen staan niet vermeld in de PGS 15. Wel behoren in een adequate omgevingsvergunning de juiste maatregelen voor deze activiteiten te zijn voorgeschreven en moeten richtlijnen op het gebied van explosieveiligheid worden nageleefd.
Aan Chemie-Pack zijn door de gemeente Moerdijk recent twee milieuvergunningen verleend: een revisievergunning van 29 januari 2009 en een wijzigingsvergunning van 29 oktober 2010. In deze vergunningen zijn de vereisten voor de opslag en aanwezigheid van gevaarlijke stoffen vermeld.
In het verleden zijn door de gemeente Moerdijk bij controles overtredingen geconstateerd bij de opslag van gevaarlijke stoffen.
Uit het onderzoeksrapport van de OvV zal mogelijk blijken wat de oorzaak is geweest van de brand en of er een verband is met de getroffen PGS 15-maatregelen en de toereikendheid van deze maatregelen.
Kunt u toelichten waarom vele uren na het uitbreken van de brand de hulpverlenende diensten op de rampenzenders nog niet konden zeggen welke gevaarlijke stoffen op het bedrijfsterrein aanwezig waren?
Deze kwestie zal in het onderzoek van de OvV of, als deze het onderwerp niet meeneemt, het onderzoek van de IOOV aan de orde komen. Het gaat daarbij om de stoffenlijst zelf (kwaliteit, actualiteit en beschikbaarheid) én om het gebruik van de stoffenlijst bij de rampbestrijding en de communicatie naar de bevolking.
Heeft het bedrijf zich gehouden aan de verplichting om dagelijks aan de bevoegde instanties te melden welke stoffen in welke hoeveelheden op het terrein aanwezig waren? Zo ja, waarom kreeg de bevolking daarover geen informatie via de rampenzenders? Zo nee, hoe kan dat in dit digitale tijdperk?
Vanuit het Brzo ligt er de verplichting voor de drijver van de inrichting om een lijst van gevaarlijke stoffen bij te houden die door een ieder kan worden ingezien. Deze lijst dient minimaal maandelijks te worden bijgewerkt. Verder draagt de drijver van de inrichting er zorg voor dat hulpverleningsdiensten van de overheid voor elke installatie direct toegang hebben tot de actuele gegevens van de binnen de installatie aanwezige gevaarlijke stoffen.
In de vigerende omgevingsvergunning van 29 januari 2009 is een voorschrift (5.2.8) opgenomen dat conform het Brzo 1999 en de Regeling risico’s zware ongevallen en PGS 15 beschrijft waar de stoffenlijst aan moet voldoen.
In het onderzoek van de VI, IVW en AI zal worden ingegaan op de vraag of Chemie Pack zich heeft gehouden aan deze verplichtingen, alsmede op de vraag of de vergunning op dit punt adequaat is. Of aan deze verplichting is voldaan, op de dag van de brand zelf, zal mogelijk in de onderzoeksrapportage van de OvV aan de orde komen.
Waren er op het bedrijf afdoende voorzieningen aanwezig voor bluswater opvang? Hebben deze naar behoren gefunctioneerd?
Het onderzoek van de VI, IVW en AI zal ingaan op de vraag of er afdoende voorzieningen aanwezig waren voor bluswateropvang.
In algemene zin moet wel worden opgemerkt dat bedrijfsinterne voorzieningen voor bluswateropvang, zoals die bijvoorbeeld in PGS-richtlijnen zijn vastgelegd, uitgaan van goed functionerende interne brandbestrijdingssystemen. Het gaat dan om de opvang van bluswater dat vrijkomt bij het gedurende bepaalde tijd in werking zijn van een automatisch blussysteem, en het gedurende korte tijd nablussen.
Of de aanwezige bluswateropvangvoorzieningen naar behoren gefunctioneerd hebben zal mogelijk in het rapport van de OvV naar voren komen.
Een inventarisatie naar de sluiting van coffeeshops door voorgenomen kabinetsbeleid |
|
Boris van der Ham (D66) |
|
|
|
|
Wat is uw reactie op het bericht «Zes op de tien coffeeshops bij kabinetsbeleid dicht», waarin gesteld wordt dat 57,9% van de Nederlandse coffeeshops in veertien steden door het kabinetsbeleid zou moeten sluiten?1
Bent u bereid in uw drugsnota, op basis van het door u gestelde afstandscriterium tussen coffeeshops en scholen, een lijst op te nemen met daarin alle coffeeshops die te maken krijgen met sluiting? Zo nee, waarom niet?
Wat zijn uw verwachtingen omtrent de toename van de hoeveelheid straathandel, zoals die ook is toegenomen door de sluiting van coffeeshops in West-Brabant? Bent u bereid een nulmeting uit te voeren naar de effecten van het gebruik van harddrugs, de straathandel en de daarmee samenhangende overlast, zodat de consequenties van het ingezette beleid nauwkeurig kunnen worden vastgesteld?
Een vergelijking met de gemeenten in West-Brabant is niet zonder meer te maken, omdat in deze gemeenten alle coffeeshops hun deuren moesten sluiten, terwijl het afstandscriterium in het algemeen minder verstrekkende gevolgen zal hebben. De gevolgen op de straathandel zullen dan ook moeten worden afgewacht. Indien straathandel wordt aangetroffen dan zal die met de beschikbare wettelijke mogelijkheden worden aangepakt door het lokaal bestuur, Openbaar Ministerie en de politie. De straathandel is ook een punt van aandacht van de Taskforce bestrijding georganiseerde criminaliteit in Brabant, waar het aangescherpte coffeeshopbeleid van het kabinet versneld wordt invoerd. De Taskforce beziet in dat kader ook of een nulmeting gewenst is. Ik wacht dit af voordat ik besluit over een landelijke nulmeting.
Welke rol spelen gemeenten in de totstandkoming van uw beleid? In hoeverre wilt u rekening houden met lokale situaties en lokaal maatwerk accepteren, zeker in steden waar in goed overleg al tot afspraken met coffeeshops is gekomen, en waar de AHOJ-G2 criteria goed worden nagekomen, ook wat betreft jongeren?
Binnen de kaders van het regeerakkoord wordt overleg gevoerd met verschillende gemeenten, bijvoorbeeld in het kader van de Taskforce Brabant.
De onrust in Tunesië |
|
Frans Timmermans (PvdA) |
|
|
|
|
|
|
|
Kent u de berichten over de demonstraties tegen het bewind van president Zine el Abidine Ben Ali van Tunesië?1
Gaan op verschillende plaatsen in Tunesië vele duizenden demonstranten de straat op om te protesteren tegen de nijpende economische situatie, het gebrek aan vrijheid en de alles verstikkende corruptie van het regime Ban Ali? Zo ja, waarom kan hierover niet rechtstreeks worden bericht door de media en is men aangewezen op anonieme bloggers voor informatie?
Is dit het gevolg van een persbreidel door het regime? Zo ja, bent u bereid via de EU met kracht te protesteren tegen de persbreidel in Tunesië?
Deelt u de mening dat het gebrek aan economisch perspectief, de ernstige tekortkomingen op het vlak van mensenrechten, het gebrek aan politieke vrijheden en de enorme corruptie een voedingsbodem vormen voor radicalisering, die dankbaar door islamitische fundamentalisten zal worden gebruikt om hun invloed uit te breiden en meer terreur te veroorzaken? Zo ja, bent u bereid in EU-verband met spoed een speciale EU-strategie te bepleiten die er aan moet bijdragen dat in Tunesië de mensenrechten verbeteren, de politieke vrijheden toenemen, de persbreidel stopt, de corruptie wordt aangepakt, als voorwaarden om radicalisering tegen te gaan en economische ontwikkeling mogelijk te maken?
Bent u tevens bereid Frankrijk aan te sporen tot het verhogen van de bilaterale inspanningen om verbeteringen in Tunesië te bereiken, aangezien Frankrijk een speciale band heeft met Tunesië en veel invloed heeft in dat land?
De terroristische moordaanslag op Koptische Christenen in Egypte |
|
Pieter Omtzigt (CDA) |
|
|
|
|
Wat is uw reactie op de aanslag op een koptische kerk in Alexandrië op oudejaarsavond, waarbij 21 mensen zijn omgekomen en vele mensen gewond?1
Met afschuw heb ik kennis genomen van de aanslag op een koptische kerk in Alexandrië op oudejaarsavond. Ik heb mijn Egyptische ambtgenoot een brief geschreven waarin ik mijn medeleven betuig aan de Egyptische regering en aan hen die vrienden of familie bij deze aanslag hebben verloren. Daarnaast roep ik de Egyptische regering in de brief op om al het mogelijke te doen om religieuze minderheden in Egypte te beschermen.
Is er een verband tussen de recente terroristische aanslagen op christenen in Irak en deze aanslag, zoals wordt gesuggereerd door een militante Irakese website, «Netwerk van Islamitische glorie», die oproept om kerken aan te vallen?
Zowel in Irak als in Egypte doen zich geruime tijd spanningen voor tussen verschillende religieuze groeperingen. Naar verluidt zouden de gijzelnemers bij de gijzeling in de koptische kerk in Bagdad in oktober 2010 de vrijlating hebben geëist van de (islamitische) echtgenotes van twee koptische priesters in Egypte, die daar tegen hun wil in een koptische kerk zouden worden vastgehouden. Dat kan ik echter niet bevestigen. De aanslag is niet opgeëist. In een toespraak van de Egyptische minister van Binnenlandse Zaken, Habib al-Adly, op 23 januari 2011 heeft deze aangegeven dat onderzoek van de Egyptische autoriteiten naar de (daders van de) aanslag heeft uitgewezen dat een splintergroepering van Al Qaida, met de naam «het Palestijnse Leger van de islam» achter de aanslag zit. Inmiddels is de hoofdverdachte in deze zaak, de 28-jarige Ahmed Lotfi Ibrahim Mohamed gearresteerd.Het Palestijnse Leger van de Islam zelf heeft alle betrokkenheid bij de aanslag ontkend. Verdere informatie over het resultaat van het onderzoek van de Egyptische autoriteiten is niet openbaar gemaakt.
Waarom zijn de drie verdachten die tijdens de vorige koptische Kerstviering (6 januari 2010) opgepakt zijn, nadat zeven koptische christenen in Nag Hammadi (Egypte) werden vermoord, nog niet berecht? Bent u bereid bij de Egyptische autoriteiten aan te dringen op een spoedige rechtsgang?
Het proces van de drie verdachten van de aanslag in Naga Hammadi op 6 januari 2010 neemt veel tijd in beslag, onder andere vanwege onenigheid tussen de advocaten van de verdachten. Op 17 januari 2011 heeft een staatsveiligheidsrechtbank vonnis gewezen tegen de hoofdverdachte (de schutter). Hij is ter dood veroordeeld. Een uitspraak tegen de twee medeverdachten wordt op 20 februari 2011 verwacht. Omdat het vonnissen van een staatsveiligheidsrechtbank betreft is geen hoger beroep mogelijk. Of de doodstraf daadwerkelijk zal worden uitgevoerd is nog niet bekend. Daarover worden in de regel geen mededelingen gedaan. De Nederlandse ambassade heeft op een aantal momenten als waarnemer deelgenomen aan de procesgang.
Kunnen koptische christenen in Egypte en Irak nog wel de koptische Kerst op 6 januari in hun kerkgemeenschappen vieren?
De veiligheidsmaatregelen rond koptische doelen zijn in aanloop naar de koptische kerst op 6 januari j.l. verscherpt. Voor zover mij bekend is de koptische kerst zonder incidenten verlopen en hebben de kopten in Egypte en Irak hun kerst inderdaad in hun kerkgemeenschappen kunnen vieren.
Wat vindt u van de reactie van de Arabische Liga op het toenemende geweld tegen religieuze minderheden, aanslagen op kerken en gijzelingsacties?
De Secretaris Generaal van de Arabische Liga, de heer Amr Moussa, heeft de aanslag op de koptische kerk in Alexandrië veroordeeld. In zijn reactie heeft hij de Egyptische bevolking tevens opgeroepen vast te houden aan hun nationale eenheid en zich collectief tegen dergelijke criminele aanvallen te scharen. Dat is een passende reactie.
Op welke wijze proberen de Europese Unie en de internationale gemeenschap bij te dragen aan vermindering van spanningen tussen christenen en moslims in Egypte en Irak?
Op 11 januari heb ik EU-buitenlandvertegenwoordiger Ashton gevraagd het recente geweld tegen religieuze minderheden in diverse landen op de agenda van de Raad Buitenlandse Zaken (RBZ) van 31 januari te zetten. Tijdens deze vergadering zal worden besproken wat de EU concreet kan doen om spanningen tussen religieuze groepen en geweld tegen religieuze minderheden in derde landen tegen te gaan. Ik heb voorgesteld de informatie van speciaal VN-rapporteur Bieleveldt bij de discussies te betrekken. Voorts gaf mevrouw Ashton aan dat de positie van religieuze minderheden een vast onderdeel zal vormen van de EDEO mensenrechtenrapportages.
In het kader van het EU-Associatieakkoord wordt dit onderwerp met de Egyptische autoriteiten besproken. Mensenrechten, waaronder godsdienstvrijheid, maken deel uit van de reguliere mensenrechtendialoog die plaatsvindt tussen de EU en Egypte in het kader van het Associatieakkoord. In de periode tussen 2007–2010 heeft de EU € 17 miljoen ingezet voor het bevorderen van mensenrechten in Egypte. Dit is ingezet voor programma’s ten behoeve van het bevorderen van fundamentele mensenrechten, waaronder burger- en politieke rechten.
Ook de VN Mensenrechtenraad biedt een forum om dit onderwerp te bespreken. Tijdens de Universal Periodic Review (UPR) van Egypte in de Mensenrechtenraad heeft Nederland aandacht gevraagd voor de rechten van religieuze minderheden in Egypte. Nederland heeft met name aangedrongen op het afschaffen van discriminerende bepalingen en de aanname van uniforme regels voor het bouwen en renoveren van kerken en andere gebedshuizen.
De aanzwellende islamitische jihad tegen christenen in Irak |
|
Geert Wilders (PVV), Wim Kortenoeven (PVV) |
|
|
|
|
Kent u de nieuwsberichten «Two killed and eight injured in bomb attacks on Baghdad Christians»1 en «Resurgent al-Qaida threatens Christians in Iraq with «destruction'»?2
Ja.
Deelt u de mening dat de tegen Irakese christenen gerichte bedreigingen met vernietiging en terreuraanslagen niet op zichzelf staan, maar dat deze onderdeel uitmaken van een islamitische jihad die erop gericht is de christenen uit de islamitische wereld te verdrijven? Ziet u wat dat betreft een verband tussen de in december 2010 gepleegde aanslagen tegen christenen in Alexandrië (Egypte), Jos (Nigeria) en Bagdad (Irak)?
Naar verluidt zouden de gijzelnemers in Bagdad de vrijlating hebben geëist van twee (tot de islam bekeerde) echtgenotes van Koptische priesters in Egypte, die daar tegen hun wil in een Koptische kerk zouden worden vastgehouden. Dit kan ik echter niet bevestigen. Er zijn verder geen concrete aanwijzingen voor een verband tussen de gebeurtenissen in Alexandrië, Jos en Bagdad.
In genoemde landen doen zich al geruime tijd plaatselijk spanningen voor tussen verschillende religieuze groeperingen. Het is van belang deze incidenten in de lokale context te plaatsen en niet slechts te verklaren op basis van religie. In het geval van Irak spelen onder andere de slechte veiligheidssituatie, georganiseerde criminaliteit en sektarisch geweld een rol.
Welke acties worden er door u en de internationale gemeenschap ondernomen om te voorkomen dat de Irakese christelijke gemeenschap daadwerkelijk vernietigd wordt?
Ik heb mij, op grond van hun primaire verantwoordelijkheid, allereerst tot de Iraakse autoriteiten gewend om te bevorderen dat de veiligheidssituatie in Irak zal verbeteren en dat de veiligheid van alle Iraakse burgers gewaarborgd zal worden. Een verbetering in de algemene veiligheidssituatie zal naar verwachting zijn weerslag hebben op de veiligheid van de minderheden. In Irak vinden incidenten waarbij religieuze groepen betrokken zijn voornamelijk plaats in de onrustige gebieden in en rond Bagdad, Mosul en Anwar. In andere gebieden waar ook christenen wonen maar waar de veiligheidssituatie beter is, zoals Basra, vinden geen incidenten plaats. Door deelname aan de NAVO Trainingsmissie in Irak en de EU-missie EUJUST LEX, die tot doel heeft de Iraakse veiligheids- en justitiële sector te versterken, draagt Nederland bij aan de versterking van de Iraakse rechtsstaat.
Nederland spreekt in bilateraal en EU-verband met de Iraakse autoriteiten over deze problematiek en benadrukt daarbij continu het belang van het waarborgen van de veiligheid en de mensenrechten van religieuze minderheden. De Iraakse autoriteiten nemen de zaak serieus en hebben maatregelen genomen om de christelijke Irakezen te beschermen. Een voorbeeld hiervan is het beveiligen door leger en politie van plaatsen waar christenen samenkomen en het feit dat christenen in Mosul wapens mogen dragen. De Iraakse autoriteiten benadrukken dat de christelijke Irakezen historisch gezien onderdeel uitmaken van Irak en vragen hen in Irak te blijven. Iraakse religieuze leiders zijn op 12 januari in Kopenhagen bijeengekomen om te bespreken hoe het religieuze geweld een halt toegeroepen kan worden. De EU financiert al langere tijd activiteiten op het gebied van dialoog tussen religieuze leiders.
Onlangs heb ik EU-buitenlandvertegenwoordiger Ashton gevraagd de recente incidenten tegen religieuze minderheden in een aantal landen te agenderen tijdens de Raad Buitenlandse Zaken van 31 januari a.s., wat door haar is toegezegd. Samen met andere Europese ministers van Buitenlandse Zaken zal ik daar bespreken wat de EU concreet kan doen om de positie van religieuze minderheden beter te beschermen en hun vrijheid van godsdienst en levensovertuiging te bevorderen.
Uitlatingen van de korpschef van de politie Amsterdam-Amstelland over handhaving van het boerkaverbod |
|
Geert Wilders (PVV), Hero Brinkman (PVV) |
|
|
|
|
Bent u bekend met de uitlatingen die zijn gedaan door de korpschef van de politie Amsterdam-Amstelland, de heer Welten, in het NTR-programma «5 jaar later» van dinsdag 4 januari 2011?1
Ja.
Deelt u de mening dat het onacceptabel is indien een korpschef van de Nederlandse politie met gebruikmaking van het individuele recht, namelijk de discretionaire bevoegdheid van de individuele politieman, democratisch aangenomen formele wetgeving in zijn geheel niet wil uitvoeren met als motivatie: «mindere prioriteit»? Zo nee, waarom niet?
Wetten worden gehandhaafd in het hele land. De korpsbeheerder heeft mij bevestigd dat er in de Amsterdamse driehoekgeen misverstand over bestaat dat de wet ook in Amsterdam geldt en wordt gehandhaafd.2
Deelt u de mening dat wanneer bij een mogelijk boerkaverbod de politie enkel waarschuwend wil optreden, met andere woorden niet verbaliserend, de politie in casu de korpschef, zichzelf indirect boven de wet stelt en dat dit in een rechtsstaat onacceptabel is? Zo nee, waarom niet?
Het kabinet komt met een voorstel voor een algemeen verbod op gelaatsbedekkende kleding zoals boerka’s. Daarin zal worden opgenomen welke sancties zullen volgen op het overtreden van dit verbod.
Bent u bereid met de heer Welten zo snel mogelijk een functioneringsgesprek te voeren naar aanleiding van dit interview waarin hij de mogelijkheid krijgt geboden om zijn woorden publiekelijk terug te nemen en indien hij dit niet wenst te doen, zijn ontslagprocedure per direct in te zetten? Zo nee, waarom niet?
De Amsterdamse driehoek, waar de heer Welten onderdeel van uitmaakt, heeft inmiddels publiekelijk bevestigd dat de wet (ook) in Amsterdam wordt gehandhaafd.
Kunt deze vragen voor 12 januari 2011, 12.00 uur beantwoorden?
Ja.
Een bomaanslag op Egyptische christenen |
|
Wim Kortenoeven (PVV), Geert Wilders (PVV), Raymond de Roon (PVV) |
|
|
|
|
Heeft u kennisgenomen van het bericht dat de Egyptische veiligheidseenheid die zich op 31 december 2010 bevond bij de christelijke kerk in Alexandrië, zich een uur voor de bomaanslag op die kerk terugtrok?1
Ik heb kennis genomen van het artikel. Verklaringen van aanwezigen (zowel in de pers als tegenover onderzoekende NGO’s) over de gebeurtenissen rondom de bomaanslag en de aanwezigheid van beveiligingspersoneel lopen echter uiteen. Tot nu toe heeft de Egyptische overheid daarover geen uitlatingen gedaan. Het onderzoek naar de bomaanslag in Alexandrië wordt geleid door de openbaar hoofdaanklager. De eerste resultaten van dit onderzoek zijn 23 januari jl. bekend gemaakt. Daarbij zijn echter geen mededelingen gedaan over de rol van het beveiligingspersoneel. Wel is geconcludeerd dat drie leden van de beveiligingseenheid bij de aanslag zijn omgekomen.
Kunt u bevestigen dat dit niet de eerste keer is dat Egyptische veiligheidsdiensten het moslimterroristen wel heel gemakkelijk maken om de christenen daar te terroriseren?
In Egypte doen zich geruime tijd spanningen voor tussen christenen en moslims. De Egyptische veiligheidsdiensten zijn goed op de hoogte van de spanningen tussen religieuze groeperingen. In oktober 2010 werden de Egyptische autoriteiten en de Egyptische koptische kerk door een – aan Al-Qaeda gelieerde – groep gewaarschuwd voor mogelijke aanslagen op christenen in Egypte. Daarop hebben de Egyptische autoriteiten extra veiligheidsmaatregelen getroffen.
Wilt u de ambassadeur van Egypte op het matje roepen om hem tekst en uitleg hierover te vragen en hem duidelijk te maken dat Nederland wil dat de christenen in Egypte beter worden beschermd tegen salafisten en ander islamitisch gespuis?
In mijn condoleancebrief aan de Egyptische minister van Buitenlandse Zaken, de heer Ahmed Aboul Gheit, heb ik de Egyptische autoriteiten gevraagd al het nodige te doen om religieuze minderheden in Egypte te beschermen.
Wilt u ook uw verontrusting uitspreken over het feit dat moslims onmiddellijk Israël verantwoordelijk hebben gesteld voor deze verachtelijke terreurdaad?
Ik ben niet bekend met serieuze beschuldigingen van Israël voor deze aanslag.
Het door moslims op Kerstavond aangerichte bloedbad tegen christenen in Nigeria |
|
Louis Bontes (PVV), Wim Kortenoeven (PVV), Geert Wilders (PVV) |
|
|
|
|
Bent u bekend met het bericht «Nigeria seeks to contain violence after Christmas attacks»?1
Ja.
Deelt u de mening dat de aanslagen van moslimsop christenen in Nigeria geen deel uitmaken van een geïsoleerd conflict, maar van oorlogen uitgevoerd over de hele wereld, waarbij de islam de imperialistische partij is met het islamitische einddoel van werelddominantie als motor?
Er is geen informatie die erop wijst dat de gewelddadigheden in Nigeria deel uitmaken van een brede, wereldwijde strijd gericht op het vergroten van de invloedssfeer van de islam.
De aanslagen op kerstavond zijn opgeëist door Boko Haram, een radicale islamitische groepering. Momenteel wordt onderzocht of deze groepering daadwerkelijk verantwoordelijk is voor de aanslagen.
In Nigeria doen zich al geruime tijd plaatselijke spanningen voor tussen verschillende religieuze groeperingen. Het is van belang deze incidenten in de lokale context te plaatsen en niet slechts te verklaren op basis van religie.
De antwoorden op eerdere Kamervragen hierover (vergaderjaar 2009–2010, nr. 2066) hebben niet aan betekenis ingeboet.
Kan er wat u betreft gesproken worden van volkerenmoord nu er in Nigeria in 2010 een geschatte 2000 doden onder christenen zijn gevallen door aanslagen?2
De geweldsuitbarstingen in Nigeria zijn ernstig van aard en baren mij grote zorgen. De afgelopen jaren zijn er in Nigeria bij aanslagen en onderling geweld duizenden doden gevallen, zowel aan de zijde van christenen als van moslims. Ten aanzien van de kwalificatie «volkerenmoord» verwijs ik graag naar de definitie van genocide zoals opgenomen in het Verdrag inzake de Voorkoming en de Bestraffing van Genocide uit 1948. Om van genocide te kunnen spreken dienen de daaronder geschaarde misdrijven te worden gepleegd «met het oogmerk om een nationale, etnische of godsdienstige groep, dan wel een groep behorend tot een bepaald ras, geheel of gedeeltelijk, als zodanig te vernietigen». Dit is hier niet aan de orde. Dit neemt niet weg dat ik de gepleegde aanslagen en gewelddadigheden scherp veroordeel. Verdachten van dergelijke gewelddadigheden dienen te worden opgespoord en berecht.
Welke acties worden er door u en de internationale gemeenschap ondernomen om een eind te maken aan deze bloedige aanslagen?
De internationale gemeenschap, inclusief Secretaris-Generaal van de Verenigde Naties, Ban Ki-Moon, en de Hoge Vertegenwoordiger van de EU, Catherine Ashton, hebben de aanslagen scherp veroordeeld. Ashton riep de Nigeriaanse overheid op om de verdachten van de aanslagen op te sporen en te berechten en om voldoende maatregelen te nemen om de burgerbevolking te beschermen.
Verschillende landen hebben assistentie aangeboden bij het onderzoek naar de aanslagen.
Tijdens de Raad Buitenlandse Zaken van 31 januari jl. is, op verzoek van onder meer Nederland, besproken wat de EU concreet kan doen om de positie van religieuze minderheden beter te beschermen en hun vrijheid van godsdienst en levensovertuiging te bevorderen.
Nederland draagt vanuit het Mensenrechtenfonds bij aan het Centrum voor Conflictmanagement en Vredesopbouw van de universiteit van Jos. Dit centrum doet onderzoek naar de oorzaken van geweld en besteedt aandacht aan voorlichtingscampagnes ter voorkoming van geweld.
Nederland zal, mede in EU-verband, de Nigeriaanse overheid nogmaals met klem aanspreken op zijn verantwoordelijkheden op het gebied van mensenrechten en stabiliteit. In april 2011 zullen er verkiezingen worden gehouden in Nigeria. Juist ook in deze tijd is het van belang dat de Nigeriaanse overheid iedere burger bescherming biedt tegen politiek, etnisch of godsdienstig gemotiveerd geweld.
De vondst van explosieven bij de milieudienst in Dordrecht |
|
Liesbeth van Tongeren (GL) |
|
Piet Hein Donner (minister binnenlandse zaken en koninkrijksrelaties) (CDA) |
|
|
|
|
Heeft u kennisgenomen van het bericht «Weer explosief gevonden in Dordrecht»?1
Ja.
Heeft u informatie over het bericht dat deze bedreigingen zouden komen uit de hoek van de «huisjesmelkers»?2
Naar aanleiding van de vondst van explosieven bij de milieudienst is een grootschalig onderzoek gestart door de politie Zuid-Holland-Zuid. In het belang van het onderzoek kunnen hierover verder geen mededelingen worden gedaan.
Zijn er andere voorbeelden in Nederland van vergelijkbare bedreigingen? Zo ja, kunt u nader ingaan op de aard en de omvang van deze bedreigingen?
Er worden met regelmaat diverse inventarisaties gemaakt van geweld tegen ambtsdragers, onder andere in het kader van het programma Veilige Publieke Taak, Daarbij gaat het veelal om verbaal of fysiek geweld tijdens toevallige confrontaties. Ernstige bedreigingen, zoals in de onderhavige casus, zijn van een andere orde en komen minder vaak voor. Uit veiligheidsoverwegingen ga ik, zoals gebruikelijk, niet nader in op de aard en omvang van bedreigingen.
Heeft het college van burgemeester en wethouders hulp gevraagd om maatregelen te nemen om de veiligheid van de medewerkers van de milieudienst van Dordrecht te garanderen of ziet u noodzaak dit aanbod te doen?
Het college van burgemeester en wethouders heeft geen hulp gevraagd om de veiligheid van medewerkers te garanderen. Ik zie op dit moment geen noodzaak om dit aanbod te doen.
Ontstaat er door deze bedreigingen een handhavingstekort in de regio Zuid-Holland Zuid? Zo ja, wat gaat u daar aan doen?
Er ontstaat door deze bedreigingen geen handhavingstekort omdat tijdelijke uitval is opgevangen door extra inzet van andere medewerkers.
Welke preventieve maatregelen treft u op dit moment om dit soort bedreigingen te voorkomen en vindt u dat deze maatregelen volstaan? Zo nee, welke andere maatregelen bent u voornemens te treffen?
Werkgevers met een publieke taak zijn verantwoordelijk voor het beschermen van hun werknemers (o.a. Arbeidsomstandighedenwet) en de publieke taak. Vanuit het programma Veilige Publieke Taak (VPT) van mijn ministerie zijn 8 veiligheidsmaatregelen opgesteld als minimum waarmee werkgevers hun werknemers zo veel mogelijk tegen agressie en geweld kunnen beschermen.
Overigens ligt de verantwoordelijkheid voor het treffen van aanvullende beveiligingsmaatregelen voor de werknemers van de milieudienst bij het lokaal bevoegd gezag. In dit specifieke geval is door het lokaal bevoegd gezag een aantal maatregelen getroffen. Ik heb geen aanleiding om te veronderstellen dat deze maatregelen onvoldoende zijn.
Om agressie en geweld tegen werknemers met een publieke taak met kracht te bestrijden heb ik vanaf 2007 een fors en breed pakket van maatregelen neergezet in het programma Veilige Publieke Taak (VPT). Het stevig aanpakken van daders, met als uitgangspunt dat er altijd een reactie volgt, werkt preventief. De afgelopen maanden zijn regiobijeenkomsten georganiseerd om werkgevers te informeren hoe zij hun mogelijkheden beter kunnen benutten om daders aan te pakken.
De situatie van de koptische gemeenschap in Nederland en andere Europese landen |
|
Frans Timmermans (PvdA), Ahmed Marcouch (PvdA) |
|
|
|
|
Kent u de berichten over bedreigingen op internet van koptische gemeenschappen in verschillende Europese landen?1
Ja.
Zijn zowel in Frankrijk, het Verenigd Koninkrijk als Duitsland extra maatregelen genomen om koptische kerken te beschermen die op een lijst voorkomen die Al Quaida op internet heeft verspreid?
In diverse Europese landen zijn beveiligingsmaatregelen genomen om koptische kerken te beschermen.
Is het waar dat er op een dergelijke lijst ook koptische kerken uit Nederland voorkomen? Zo ja, welke actie heeft u ondernomen om de veiligheid van die kerken en de koptische gemeenschap in Nederland te garanderen?
Op de lijst komen drie koptische Kerken in Nederland voor. Zie verder het antwoord op de vragen 4 en 5.
Zijn er behalve de eerdergenoemde lijst nog andere aanwijzingen dat de veiligheid van kopten in Nederland onder druk staat? Zo ja, welke maatregelen heeft u genomen of gaat u nemen om de veiligheid te waarborgen?
In het najaar 2010 hebben jihadisten op internet oproepen gedaan om wereldwijd aanslagen op de koptische kerken en hun vertegenwoordigers te plegen. Hoewel dit zorgelijke signalen zijn, hebben de Nationaal Coördinator Terrorismebestrijding (NCTb) en de met hem samenwerkende politie- en veiligheidsdiensten vooralsnog geen indicaties voor een concrete dreiging tegen de kopten in Nederland. Zij zullen daarop alert blijven. Waar nodig worden beveiligingsmaatregelen genomen. Zo ook rond de koptische kerstviering. Over de aard van deze maatregelen worden, zoals gebruikelijk, geen nadere mededelingen gedaan.
Is er aanleiding voor extra veiligheidsmaatregelen rond de viering van het orthodoxe kerstfeest? Zo ja, waar bestaan deze uit? Zo nee, waarom niet?
Zie antwoord vraag 4.
Bent u bereid met spoed in overleg te treden met uw collega’s uit de andere EU-lidstaten ten einde te bezien hoe het beste Europees kan worden samengewerkt om de veiligheid van de kopten in de Europese Unie te waarborgen en potentiële daders van aanslagen tegen kopten op te sporen, te arresteren en te vervolgen?
In Europees verband wordt regelmatig op diverse niveaus overlegd tussen de verantwoordelijke diensten van de lidstaten over de bescherming van personen en objecten, alsmede over de opsporing en vervolging van daders van aanslagen.
Een zelfmoordaanslag voor een kerk in Alexandrië, Egypte |
|
Kees van der Staaij (SGP), Joël Voordewind (CU) |
|
|
|
|
Kent u het bericht van de zelfmoordaanslag voor de kerk in Alexandrië, Egypte op oudejaarsnacht, waarbij zeker 21 mensen zijn omgekomen en 80 mensen zijn gewond geraakt?1
Ja.
Kunt u inmiddels bevestigen dat deze aanslag is gepleegd door een groep die zichzelf de Islamitische Staat van Irak noemt, de groepering die eerder Koptische christenen in Egypte bedreigde en die eerder zei ook verantwoordelijk te zijn voor de aanslag op een kerk twee maanden geleden in Bagdad, waarbij 44 kerkgangers, twee priesters en zeven beveiligers omkwamen?
Zowel in Irak als in Egypte doen zich geruime tijd spanningen voor tussen verschillende religieuze groeperingen. Naar verluidt zouden de gijzelnemers bij de gijzeling in de koptische kerk in Bagdad in oktober 2010 de vrijlating hebben geëist van de (islamitische) echtgenotes van twee koptische priesters in Egypte, die daar tegen hun wil in een koptische kerk zouden worden vastgehouden. Dat kan ik echter niet bevestigen. De aanslag is niet opgeëist. In een toespraak van de Egyptische minister van Binnenlandse Zaken, Habib al-Adly, op 23 januari 2011 heeft deze aangegeven dat onderzoek van de Egyptische autoriteiten naar de (daders van de) aanslag heeft uitgewezen dat een splintergroepering van Al Qaida, met de naam «het Palestijnse Leger van de islam» achter de aanslag zit. Inmiddels is de hoofdverdachte in deze zaak, de 28-jarige Ahmed Lotfi Ibrahim Mohamed gearresteerd. Het Palestijnse Leger van de Islam zelf heeft alle betrokkenheid bij de aanslag ontkend. Verdere informatie over het resultaat van het onderzoek van de Egyptische autoriteiten is niet openbaar gemaakt.
Bent u bereid bij uw collega-ministers in de EU ervoor te pleiten om tot een gezamenlijke veroordeling te komen van de bomaanslag in Alexandrië en er bij de Egyptische overheid op aan te dringen de christelijke minderheid beter te beschermen?
De Hoge Vertegenwoordiger van de EU, mevrouw Catherine Ashton, heeft reeds een verklaring uitgegeven waarin de bomaanslag in Alexandrië wordt veroordeeld. In haar verklaring wordt het recht van christenen om zich te verenigen en het christelijk geloof te belijden onderstreept. In de condoleancebrief die ik namens de Nederlandse regering aan de Egyptische minister van Buitenlandse Zaken, de heer Ahmed Aboul Gheit verstuurde, vraag ik al het nodige te doen om religieuze minderheden in Egypte te beschermen.
Bent u tevens bereid er zowel bilateraal (Egypte is een partnerland) als in EU-verband bij de Egyptische overheid voor te pleiten om tot gelijke rechten en behandeling te komen voor moslims en christenen (bijvoorbeeld bij de bouw van kerken), zoals dit ook het geval is in Nederland?
Zie antwoord vraag 6.
Vindt u dat bij de voorgenomen vermindering van het aantal partnerlanden voor de Nederlandse ontwikkelingssamenwerking, het respecteren van godsdienstvrijheid meegewogen zou moeten worden als indicator voor politieke stabiliteit van een land?
Momenteel beraden wij ons op de criteria op basis waarvan wij de partnerlanden zullen selecteren. Wij willen hierop niet vooruit lopen en verwijzen naar de beantwoording van vraag 34 gesteld ter voorbereiding op het WGO (Kamerstuknummer: 32500-V-00 d.d. 6 december 2010):
«Begin 2011 zal de uiteindelijke groep van partnerlanden geselecteerd worden. Bij de definitieve selectie van partnerlanden zal een breed scala van criteria worden meegewogen. Het gaat hierbij naast specifieke elementen van nationaal belang (brede maatschappelijke en commerciële belangen) om onder meer belangen van de partnerlanden zelf, andere departementen, het bedrijfsleven en kennisinstellingen. Ook zal er gekeken worden naar de mate waarin op de prioritaire thema’s ingezet kan worden en er MDG’s bereikt kunnen worden».
Bent u bereid niet alleen incidenteel aandacht te besteden aan godsdienstvrijheid in het buitenlands beleid, maar ook structureel? Zo ja, op welke wijze zal het kabinet dit vormgeven?
Nederland stelt vrijheid van godsdienst en levensbeschouwing systematisch aan de orde in de contacten met derde landen. Dat zal ik ook doen tijdens mijn bezoek aan Egypte, dat gepland staat voor begin februari van dit jaar. De Nederlandse Mensenrechtenambassadeur heeft jaarlijks contact met zijn Egyptische counterpart. Ook daar wordt vrijheid van godsdienst en levensbeschouwing aan de orde gesteld. Daarnaast zet Nederland zich in vijf pilot-landen extra in voor de bevordering van vrijheid van godsdienst en levensbeschouwing. Egypte behoort tot die vijf landen. In dat verband worden de Egyptische autoriteiten regelmatig aangesproken op de behandeling van religieuze minderheden, waaronder ook Baha’is, Ahmadis en Shiieten.
Ook in multilateraal verband zal Nederland zich blijven inzetten voor godsdienstvrijheid. Tijdens mijn gesprek op 11 januari met EU-buitenlandvertegenwoordiger Ashton, gaf zij aan dat de positie van religieuze minderheden een vast onderdeel wordt van de EDEO mensenrechtenrapportages. Ik heb haar gevraagd het recente geweld tegen religieuze minderheden ook op de agenda van de Raad Buitenlandse Zaken (RBZ) van 31 januari te zetten. Ik heb voorgesteld de informatie van speciaal VN-rapporteur Bieleveldt bij de discussies te betrekken.
In het kader van het EU-Associatieakkoord wordt vrijheid van godsdienst en levensbeschouwing eveneens met de Egyptische autoriteiten besproken. Binnen VN-kader heeft Nederland recentelijk tijdens de Universal Periodic Review (UPR) van Egypte in de Mensenrechtenraad aandacht gevraagd voor de rechten van religieuze minderheden in Egypte. Nederland heeft met name aangedrongen op het afschaffen van discriminerende bepalingen en de aanname van uniforme regels voor het bouwen en renoveren van kerken en andere gebedshuizen.
Een bomaanslag op Kopten in Alexandrië |
|
Harry van Bommel (SP) |
|
|
|
|
Wat zijn naar het oordeel van de Raad van de Associatieovereenkomst van de EU en Egypte de achterliggende oorzaken («root causes») van religieuze intolerantie in Egypte?1 Deelt u die analyse?
De achterliggende oorzaken («root causes») van de religieuze intolerantie in Egypte worden onder meer gezocht in discriminerend overheidsbeleid ten aanzien van religieuze minderheden. Bijvoorbeeld discriminerende bepalingen en regels voor het bouwen en renoveren van kerken en gebedshuizen. Onvoldoende bescherming van religieuze minderheden door de Egyptische overheid en het achterwege blijven van strafrechtelijke vervolging bij discriminatie of onderdrukking van deze groepen zijn eveneens achterliggende oorzaak van religieuze intolerantie in Egypte.
Deelt u de analyse dat er geen vorderingen zijn gemaakt bij het wegnemen van die oorzaken? Zo ja, wat dient naar uw oordeel te moeten gebeuren? Zo nee, waarom niet?
Inderdaad zouden er meer vorderingen moeten worden gemaakt bij het wegnemen van de achterliggende oorzaken («root causes») van religieuze intolerantie in het Midden-Oosten. Ik heb tijdens mijn gesprek op 11 januari j.l. met de Hoge Vertegenwoordiger van de Europese Unie, mevrouw Catherine Ashton, daarom gevraagd het recente geweld tegen religieuze minderheden op de agenda te zetten van de Raad Externe Betrekkingen, die op 31 januari a.s. zal plaatshebben. Dan zal worden besproken op welke wijze de EU sterker zou kunnen inzetten op het bevorderen van vrijheid van godsdienst en levensovertuiging en het voorkomen van interreligieus geweld.
Juist het Associatieakkoord en de Egyptische wens de relaties met de EU te intensiveren bieden mogelijkheden om de dialoog met de Egyptische autoriteiten over onderwerpen als democratisering, discriminatie, mensenrechten en vrijheid van godsdienst en levensovertuiging te intensiveren. Het huidige EU-actieplan voor Egypte, waarmee uitvoering wordt gegeven aan hetgeen in het Associatieovereenkomst is afgesproken, zal in de loop van dit jaar worden besproken. Nederland zal daarbij pleiten voor meer aandacht voor deze onderwerpen.
Wat is uw opvatting over de mogelijkheden van de Associatieovereenkomst tussen de EU en Egypte om de oorzaken van discriminatie te helpen wegnemen?
Zie antwoord vraag 2.
Deelt u de mening dat de ondemocratische praktijk in Egypte een rol speelt bij de oplopende spanningen in dat land? Zo ja, wat stelt Nederland voor? Zo nee, waarom niet?
Uitsluiting kan leiden tot oplopende spanningen in een land. Nederland steunt daarom initiatieven voor inspraak voor burgers in gemeenteraden, dialoog over burgerschap tussen jeugdleiders met uiteenlopende achtergronden en monitoren van het politieke proces door maatschappelijk organisaties, journalisten en bloggers. Bij de Egyptische autoriteiten pleit Nederland, bilateraal en als onderdeel van de EU, voor meer openheid en participatie in de politieke arena. De afgelopen parlementaire verkiezingen in Egypte voldeden volstrekt niet aan de internationale standaarden die hiervoor gelden.
Deelt u de opvatting dat het Associatieakkoord niet voldoet als middel tot bevordering van democratie in Egypte en het wegnemen van oorzaken van allerlei vormen van discriminatie? Zo ja, wat behelzen de veranderingsvoorstellen? Zo nee, waarom niet?
Zie antwoord vraag 2.
De korting op de humanistische geestelijke verzorging voor gedetineerden |
|
Sharon Gesthuizen (SP) |
|
Fred Teeven (staatssecretaris justitie en veiligheid) (VVD) |
|
|
|
|
Is het waar dat per 1 januari 2011 fors wordt gekort op de humanistische geestelijke verzorging voor gedetineerden, met als gevolg dat slechts een op de tien gedetineerden toegang zal hebben tot een niet-godsdienstige verzorger?1 Zo ja, waarom is dit besluit genomen? Welke overwegingen en onderzoeken hebben hierbij een rol gespeeld?
Met ingang van 1 januari 2011 wordt het aantal formatieplaatsen voor de geestelijke verzorging bij DJI verminderd. Dit is het directe gevolg van het teruggelopen aantal ingeslotenen in de Justitiële Inrichtingen. Daarnaast spelen de effecten van de zogeheten voorkeurspeiling die in 2008, 2009 en 2010 heeft plaatsgevonden.
De voorkeurspeiling is een wetenschappelijk verantwoord onderzoek dat gedurende de hierboven vermelde drie opeenvolgende jaren is uitgevoerd onder een representatief deel van de ingeslotenen naar hun voorkeur voor de verschillende denominaties. In de Penitentiaire beginselenwetten is namelijk opgenomen dat er in elke Justitiële Inrichting voldoende geestelijke verzorging moet zijn, die zoveel mogelijk aansluit bij de godsdienst of levensovertuiging van de ingeslotenen. Hierbij dient overigens aangetekend te worden dat de religie of levensovertuiging, waartoe men zichzelf rekent, niet automatisch ook de denominatie is waarvan men geestelijke verzorging wil ontvangen. Die keuze kan voor iedere individuele ingeslotene anders uitvallen.
Op grond van de voorkeurspeiling bestaat nu een representatief beeld van de (daadwerkelijke) behoefte aan geestelijke verzorging onder ingeslotenen. Daaruit blijkt dat de vraag naar sommige denominaties is gegroeid en naar andere is gedaald. (Dat laatste is het geval bij de protestantse en de humanistische geestelijke verzorging. Op basis van de drie achtereenvolgende voorkeurspeilingen is sprake van een percentage van 12,3% van de ingeslotenen met een voorkeur voor humanistisch geestelijke verzorging).
Bent u bekend met het onderzoek «Geestelijke verzorging in detentie. Visie van ingeslotenen op behoefte en aanbod»2, waaruit blijkt dat een derde van de gedetineerden niet godsdienstig is en bovendien lang niet alle gelovige gedetineerden specifiek behoefte hebben aan godsdienstige geestelijke verzorging? Staan de conclusies van dit onderzoek niet haaks op uw maatregel om de humanistische geestelijke verzorging drastisch te korten?
Ja, het onderzoek «Geestelijke verzorging in detentie. Visie van ingeslotenen op behoefte en aanbod» is mij bekend. De conclusies van dit onderzoek dat een derde van de gedetineerden niet godsdienstig is en bovendien lang niet alle gelovige gedetineerden specifiek behoefte hebben aan godsdienstige geestelijke verzorging, staan mijns inziens niet haaks op het terugbrengen van de formatie voor humanistisch geestelijke verzorging. Evenmin is sprake van een inbreuk op artikel 41 van de Penitentiaire beginselenwet.
In het onderzoek «Geestelijke verzorging in detentie» is met name onderzocht of men behoefte heeft aan geestelijke verzorging en zo ja, of de inhoud van de huidige geestelijke verzorging in detentie aansluit op de wensen op het gebied van geestelijke verzorging van ingeslotenen.
In dit onderzoek is niet aan de respondenten de vraag gesteld naar welk type denominatie hun voorkeur uitgaat. Die vraag is wel expliciet gesteld in de voorkeurspeiling die ik in het antwoord op vraag 1 heb toegelicht. Met behulp van de voorkeurspeiling is derhalve veel preciezer in beeld gebracht welke voorkeur men daadwerkelijk uitspreekt en op basis daarvan heeft de nieuwe verdeling plaatsgevonden.
In hoeverre wordt hiermee inbreuk gemaakt op artikel 41 van de Penitentiare beginselenwet, waarin is voorgeschreven dat de directeur van de inrichting er voor moet zorgen dat in de inrichting voldoende geestelijke verzorging beschikbaar is die zoveel mogelijk aansluit bij de godsdienst of levensovertuiging van de gedetineerden? Kunt u uw antwoord toelichten?
Zie antwoord vraag 2.
Wanneer is er sprake van «voldoende beschikbaar» als bedoeld in artikel 41 van de Penitentiare beginselenwet?
Bij het bepalen van het aantal formatieplaatsen dat beschikbaar dient te worden gesteld voor geestelijke verzorging wordt de algemeen aanvaarde norm van 1 geestelijke verzorger op 90 ingeslotenen gehanteerd.
Bent u, nog los van het besluit de humanistische geestelijke verzorging drastisch te korten, op de hoogte van het feit dat de daadwerkelijke beschikbaarheid van geestelijke verzorgers in het algemeen problematisch is? Hoeveel beklagzaken zijn er bekend waarbij klachten van gedetineerden over de beschikbaarheid van geestelijke verzorging gegrond zijn verklaard?
Er wordt geen centrale registratie bijgehouden van het aantal beklagzaken van ingeslotenen over de daadwerkelijke beschikbaarheid van geestelijke verzorgers. In zijn algemeenheid geldt dat geestelijk verzorgers hun taken onbelemmerd moeten kunnen vervullen. Het dagprogramma mag de realisering van het grondrecht van vrijheid van godsdienst of levensovertuiging niet in de weg staan. Ook arbeid is geen reden tot beperking van uitoefening van dit recht. In het recente verleden is er met name in het kader van de implementatie van het Programma Modernisering Gevangeniswezen (MGW) een korte periode geweest waarin binnen enkele vestigingen niet steeds alle beschikbare diensten vanuit de geestelijke verzorging in het programma konden worden ondergebracht. Inmiddels zijn hier heldere afspraken over gemaakt waardoor de geestelijke verzorging is geïntegreerd in het nieuwe dagprogramma van het gevangeniswezen. Met de implementatie van het nieuwe dagprogramma wordt per 1 februari 2011 een aanvang gemaakt. Voor de zomer van dit jaar hebben alle vestigingen het nieuwe dagprogramma ingevoerd.
In hoeverre is sprake van voldoende ruimte in het dagprogramma voor contacten van gedetineerden met hun geestelijk verzorger? Deelt u de mening dat het niet de bedoeling kan zijn dat de arbeid dan wel andere onderdelen van het dagprogramma, moeten worden onderbroken om contacten met geestelijk verzorgers te hebben? Zo niet, waarom niet?
Zie antwoord vraag 5.
Zal het nieuwe dagprogramma in alle inrichtingen voldoende ruimte bieden voor contacten met geestelijk verzorgers? Per wanneer zal het nieuwe dagprogramma overal zijn ingevoerd?
Zie antwoord vraag 5.
Deelt u de mening dat een nieuwe verdeling, waarbij tenminste 30 procent van de geestelijke verzorging uit humanistische verzorging bestaat, evenwichtiger zou zijn en meer recht zou doen aan de bevolkingssamenstelling en de daadwerkelijke behoefte van gedetineerden? Zo nee, waarom niet?
Nee, ik ben niet van mening dat een nieuwe verdeling, waarbij tenminste 30 procent van de geestelijke verzorging uit humanistische verzorging bestaat, evenwichtiger zou zijn en meer recht zou doen aan de bevolkingssamenstelling en de daadwerkelijke behoefte van gedetineerden. Zoals aangegeven in het antwoord op vraag 1 is de religie of levensovertuiging, waartoe men zichzelf rekent, niet automatisch ook de denominatie waarvan men geestelijke verzorging wil ontvangen. Op basis van de drie achtereenvolgende voorkeurspeilingen is sprake van een percentage van 12,3% van de ingeslotenen met een voorkeur voor humanistisch geestelijke verzorging.Ik zie dan ook geen aanleiding om te komen tot een andere verdeling.
Bent u bereid uw besluit de humanistische geestelijke verzorging terug te dringen te heroverwegen en met een betere verdeling te komen? Zo nee, waarom niet?
Zie antwoord vraag 8.
Bent u bereid zo spoedig mogelijk te reageren op de brief van het Humanistisch Verbond van 22 december 2010 en deze vragen te beantwoorden in verband met de datum van 1 januari 2011 waarop deze korting in gaat?
Ja.