Het huidige mestbeleid en de financiële consequenties daarvan voor agrarisch ondernemers |
|
Jan Arie Koorevaar (CDA) |
|
van Essen |
|
|
|
|
Bent u bekend met het artikel «geld betalen om mest af te voeren én dure kunstmest inkopen? «onverdedigbaar», vindt Eurocomissaris Hansen»?1
Ja, ik ben bekend met dit artikel.
Deelt u de opvatting van Eurocommissaris Christophe Hansen dat het «onverdedigbaar» is dat boeren betalen voor mestafvoer en tegelijkertijd dure kunstmest moeten inkopen? Hoe beoordeelt u deze situatie specifiek voor Nederland?
Ik zie dat ook in Nederland agrariërs betalen voor mestafvoer en tegelijkertijd kunstmest moeten aankopen. Dit speelt met name bij bedrijven met veel grasland, omdat de stikstofgebruiksnorm voor grasland beduidend hoger ligt dan de vanuit de Nitraatrichtlijn verplichte gebruiksnorm voor dierlijke mest van 170 kg stikstof per hectare (N/ha). In mindere mate kan dit ook bij andere teelten voorkomen, bijvoorbeeld in de aardappelteelt. Bij de andere teelten, met name de teelt van vollegrondsgroenten, speelt echter ook de praktische toepasbaarheid van dierlijke mest een rol en is het (op dit moment) onvermijdelijk dat kunstmest moet worden aangekocht. Zo wordt in sommige teelten bemest als het gewas al is opgekomen, waardoor het onmogelijk wordt om met de machines waarmee dierlijke mest wordt uitgereden het land op te gaan. Ook speelt voedselveiligheid soms een rol, met name bij gewassen die rauw worden gegeten.
Eurocommissaris Hansen stelt terecht dat op grasland, vanwege een hogere opnamecapaciteit, hogere stikstofgiften te verantwoorden zijn. Deze hogere giften hoeven niet te leiden tot overschrijding van waterkwaliteitsnormen. Mede vanwege het lange groeiseizoen van gras is de stikstofopnamecapaciteit van gras hoog. Daarom zijn in Nederland voor grasland relatief hoge totaal stikstofgebruiksnormen vastgesteld, variërend van 250 kg N/ha tot 385 kg N/ha. Ook in andere noordwestelijke lidstaten gelden vergelijkbare stikstofgebruiksnormen.
Overigens biedt ook biologische landbouw een oplossingsrichting in Nederland. In de biologische landbouw wordt geen kunstmest gebruikt en is men in staat een extensieve maar toch rendabele bedrijfsvoering te hebben. Ik zet mij daarom in lijn met voorgaande kabinetten in om het areaal biologische landbouw te vergroten tot 15% in 2030. Tegelijkertijd ben ik mij er van bewust dat dit niet voor elk bedrijf een realistische optie is. Zo moet er immers voldoende markt zijn voor deze producten, waar onder meer via het Actieplan biologische landbouw2 aan wordt gewerkt.
Bent u bekend met de consequenties voor kleinere boeren door het mestbeleid omdat deze boeren relatief harder geraakt worden omdat zij minder schaalvoordelen en financiële ruimte hebben om stijgende kosten zoals mestafvoer en kunstmest op te vangen of zich aan te passen? Zijn er signalen dat kleinere bedrijven in Nederland relatief harder worden geraakt dan grotere bedrijven door de consequenties voor het verdienvermogen en mogelijke bedrijfsbeëindiging?
Er zijn mij op dit moment geen signalen bekend dat kleinere bedrijven in Nederland relatief harder worden geraakt door het mestbeleid. Het is in algemene zin moeilijk om eenduidige uitspraken te doen over de effecten op kleinschalige bedrijven ten opzichte van die op grootschalige bedrijven. Of agrariërs op dit moment geraakt worden door de stijgende kunstmestprijzen hangt van meerdere factoren af, waaronder de teelten op een bedrijf en de hoeveelheid kunstmest die bedrijven gebruiken en reeds in voorraad hebben.
Ik realiseer mij dat het aflopen van de derogatie een grote invloed heeft op de Nederlandse landbouw, in het bijzonder de melkveehouderij. Daarom vind ik het belangrijk om agrariërs, zowel klein als groot, wel perspectief te geven voor de lange termijn, bijvoorbeeld via opschaling van de mogelijkheid van productie en aanwending van Renure-meststoffen. Ik realiseer me ook dat de investering in deze technieken niet voor alle agrariërs meteen interessant is en dat het opschalen hiervan tijd in beslag neemt. Dit wil ik faciliteren met een subsidieregeling voor de bouw van installaties van Renure-meststoffen.
In de (graas)dierhouderij hangen de effecten van de afbouw van derogatie ook sterk samen met de mate van intensiteit van een bedrijf. Een groot intensief bedrijf kan daardoor meer geraakt worden dan een klein extensief bedrijf, zoals ook is becijferd in het rapport «Uitwerking bedrijfstypen voor duurzame landbouw» van Wageningen Research3.
Ten slotte zorgen de stijgende mestafzetprijzen in de akker- en tuinbouw ervoor dat het inkomen van deze bedrijven kan stijgen door de afname van dierlijke mest. Wanneer deze bedrijven nog meer dierlijke mest ten opzichte van kunstmest kunnen aanvoeren en benutten binnen de wettelijke gebruiksruimte van 170 N/ha, daalt ook de behoefte van deze bedrijven aan stikstofkunstmest. Het is op dit moment onduidelijk hoe deze balans voor deze bedrijven zal uitpakken. In de komende maanden zal hier meer duidelijkheid over ontstaan.
Hoe kijkt u naar innovatieve oplossingen zoals het gebruik van bewerkte dierlijke mest, bijvoorbeeld Renure, als alternatief voor kunstmest en welke belemmeringen bestaan er momenteel voor grootschalige toepassing hiervan in Nederland en Europa?
Ik kijk positief naar innovatie op het vlak van het gebruik van bewerkte dierlijke mest in de plaats van kunstmest. Door de productie van hoogwaardig verwerkte meststoffen op maat kan een positieve bijdrage worden geleverd aan de vermindering van de milieuopgaven. Daarnaast kan het gebruik van deze verwerkte meststoffen de stikstofbenutting door de gewassen verbeteren en wordt de afhankelijkheid van stikstofkunstmest verminderd.
In mijn ogen is in de EU een belangrijke eerste stap gezet met de aanpassing van de Nitraatrichtlijn, waarmee het gebruik van enkele Renure-meststoffen boven de gebruiksnorm dierlijke mest wordt toegestaan. De komende evaluatie van de Nitraatrichtlijn biedt mogelijk aanknopingspunten om dit concept verder te ontwikkelen.
In Nederland zie ik nog uitdagingen voor de vergunningverlening van de installaties voor productie van Renure-meststoffen. In september 2025 is de Tweede Kamer geïnformeerd over het advies van dhr. Knops ten aanzien van vergunningverlening op het gebied van mestverwerking en het vervolg dat het toenmalige kabinet hieraan wilde geven.4
Hoe beoordeelt u de huidige afhankelijkheid van import van kunstmest, mede in het licht van geopolitieke ontwikkelingen? Deelt u de opvatting dat vermindering van importafhankelijkheid wenselijk is? Zo ja, welke concrete stappen worden gezet?
Ik ben inderdaad van mening dat het verminderen van de importafhankelijkheid wenselijk is in het licht van de geopolitieke ontwikkelingen. In Europees verband worden hierin inmiddels stappen gezet. Zo hebben onder meer het Carbon Border Adjustment Mechanism (CBAM) en de importheffingen op het Russische kunstmest het effect dat er meer productie in de EU plaatsvindt en de productiecapaciteit in de EU behouden blijft.
Welke concrete verbeteringen kunnen boeren op korte termijn verwachten en bent u bereid zich actief in te zetten voor oplossingen die zowel economisch als ecologisch houdbaar zijn?
De inzet is om rond de zomer de benodigde nationale regelgeving voor de toepassing van Renure-producten boven de stikstofgebruiksnorm dierlijke mest in werking te laten treden. Tevens zet ik in op het vormgeven van een subsidieregeling voor Renure-installaties van kleinschaligere omvang. Ik verwacht uw Kamer hier later dit jaar nader over te kunnen informeren.
In Europees verband heeft de Europese Commissie begin januari aangekondigd in het tweede kwartaal van dit jaar te komen met een Fertiliser Action Plan. Aanleiding is onder andere de recente prijsschommelingen door de geopolitieke context op dit moment. De focus van het actieplan zal liggen op het vergroten van markttransparantie en het opschalen van gerecyclede nutriënten en alternatieve grondstoffen, ondersteund door (waar nodig) aanpassing van regelgeving. Zoals in het in vraag 1 genoemde artikel is aangegeven heeft Eurocommissaris Hansen aangegeven in april een bijeenkomst met veel partijen te willen organiseren om deze onderwerpen te bespreken. Ik kijk uit naar de resultaten van deze bijeenkomst.
Het bericht ‘Hoe de sloten in Nederland verdwijnen’ |
|
Anne-Marijke Podt (D66), Marieke Vellinga-Beemsterboer (D66) |
|
van Essen , Vincent Karremans (VVD) |
|
|
|
|
Hoe beoordeelt u het feit dat de regels voor bufferstroken, bedoeld voor een betere waterkwaliteit, in de praktijk een prikkel vormen voor agrariërs om sloten te dempen zodat zij deze stroken niet hoeven aan te leggen?1
Dit is niet de bedoeling geweest van de regels voor bufferstroken. Sloten zijn onderdeel van een watersysteem en hebben daarin vaak meerdere functies. Denk aan afvoer van water, waterkwaliteit en ecologie.Wie een sloot wil dempen, heeft hiervoor veelal toestemming nodig. Dit kan van het waterschap zijn, maar ook van de gemeente. Zowel waterschappen als gemeenten hebben hiervoor regels.
In algemene zin is het zo dat voor grotere watergangen altijd een vergunning van het waterschap nodig voor het dempen. Voor kleinere sloten kan het soms volstaan om een melding te maken en gelden algemene regels voor dempingen van het waterschap. Het is dan ook van belang dat agrariërs altijd eerst in overleg treden met het desbetreffende waterschap of toestemming nodig is voor het dempen van een specifieke sloot, omdat een demping een verandering in de waterhuishouding tot gevolg heeft en over het algemeen de voorwaarde geldt dat de hoeveelheid oppervlaktewater behouden moet blijven.
De individuele waterschappen verstrekken veel informatie over de betreffende regelgeving op hun websites. Gemeenten kunnen ook een taak hebben bij de toetsing of dempingen kunnen worden toegestaan in het kader van omgevingsplannen (voorheen bestemmingsplannen). Bij gemeenten staat in dat geval de evenwichtige toedeling van functies aan locaties (voorheen het belang van ruimtelijke ordening) voorop. Via het Omgevingsloket kan worden bekeken of een vergunning in een specifiek geval nodig is.
Hoe rijmt u de landelijke ambities om juist meer ruimte te geven aan water en natuur, bijvoorbeeld in het kader van agrarische natuurbeheer, met de in dit artikel beschreven ontwikkelingen, waarbij tienduizenden sloten in rap tempo verdwijnen?
Sloten vormen verbindingen in het landschap en dragen bij aan leefgebieden voor soorten zoals vogels, amfibieën en bestuivers. Zeker wanneer dit wordt gecombineerd met agrarisch natuurbeheer. Het Rijk en regionale partijen zetten daarom in op het aanleggen, beheren, herstellen en behouden van blauwe landschapselementen, zoals opgenomen in het Aanvalsplan Landschap.
Sloten vervullen ook een belangrijke rol in het weerbaarder maken tegen piekbuien. Zowel de bodem van percelen als de sloten tussen percelen kunnen als wateropvang fungeren. Sloten en greppels dragen in dat geval bij aan het goed beheer van landbouwpercelen, omdat deze voorkomen dat grote plassen op het land blijven staan.
Tegelijkertijd hebben sloten een drainerende werking, wat ook negatieve effecten kan hebben. Na de Tweede Wereldoorlog zijn met name op de hoge zandgronden veel extra sloten gegraven om water snel af te voeren en om van nature drassige gronden geschikt te maken voor landbouw. Dat heeft geleid tot structurele daling van de grondwaterstanden en verdroging van natuurgebieden. Het verminderen van de ontwatering door het ondieper maken of dempen van sloten kan dus ook een goede manier om de sponswerking van de bodem te verbeteren, de grondwaterstand te verhogen en om te zorgen voor hydrologisch herstel van natuurgebieden. Het hangt dus af van de specifieke locatie of het dempen van sloten problematisch is in een gebied of niet.
In hoeverre dragen sloten bij aan het opslaan van stikstof en nitraten, en in het verlengde daarvan aan een betere waterkwaliteit en minder stikstofdruk op natuurgebieden?
In sloten spelen zich processen af, waarbij stikstof en nitraten onder meer worden opgenomen door waterplanten. Dat betekent dat zij, tot op zekere hoogte, als filter kunnen fungeren en de druk op de waterkwaliteit in natuurgebieden kunnen beperken. Natuurlijke oevers hebben een filterende werking en bufferen water. De blauwe dooradering kan bijdragen aan het behalen van de doelstellingen van de Kaderrichtlijn Water. Aan de andere kan het beperken van de ontwatering door het verondiepen of dempen van sloten ook bijdragen aan hydrologisch herstel van natuurgebieden.
Op welke wijze houdt de overheid op dit moment overzicht van de bestaande sloten in Nederland, en hoe wordt gecontroleerd of de tienduizenden verdwenen sloten legaal of illegaal zijn gedempt?
De overheid houdt zicht op bestaande sloten en waterlopen via de Basisregistratie Grootschalige Topografie (BGT). De verantwoordelijkheid voor het bijhouden van deze informatie ligt bij de bronhouders van de BGT. De bronhouders die verantwoordelijk zijn voor een overzicht van sloten in de BGT zijn voornamelijk de waterschappen, gemeenten, provincies en voor een klein percentage het Ministerie van Landbouw, Visserij, Voedselzekerheid en Natuur (LVVN). Daarnaast volgt de Monitor Landschap2 sinds 2019 de veranderingen in het Nederlandse landschap. Elke twee jaar wordt de staat en ontwikkeling van het landschap in beeld gebracht.
De Monitor Landschap geeft overheden, onderzoekers, ontwerpers en beleidsmakers objectief inzicht in hoe het landschap verandert, door de tijd heen en op verschillende schaalniveaus. Deze informatie is ook gebruikt bij het schrijven van het Volkskrantartikel. De Monitor Landschap is gerealiseerd in opdracht van het Ministerie van Binnenlandse Zaken en Koninkrijkrelaties, het Ministerie van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap en het Ministerie van LVVN. Op verzoek van de Minister van Volkshuisvesting en Ruimtelijke Ordening brengt het Planbureau voor de Leefomgeving regelmatig de rapportage «Het landschap geduid» uit, met duiding van de indicatoren van de Monitor Landschap en de Kustpactmonitor.
Voor waterschappen geldt dat zij sloten registreren in zogenoemde leggers (profielenlegger en onderhoudslegger). Niet alle sloten staan (altijd) geregistreerd in de leggers van het waterschap. Sommige sloten zijn namelijk van te geringe afmeting en behoren tot de haarvaten van het regionaal watersysteem, of ze hebben nauwelijks effect op het watersysteem. Welke sloten wel en welke sloten niet in de legger staan, is niet bij elk waterschap hetzelfde. Dit hangt samen met gebiedsspecifieke kenmerken van het betreffende beheergebied.
Bij reguliere controles, de jaarlijkse schouw en het herzien van peilbesluiten worden veranderingen in het watersysteem waargenomen en wordt met perceeleigenaren gesproken over het eventueel terugdraaien, compenseren of legaliseren van het dempen van sloten.
Gemeenten registreren sloten meestal via beheerplannen, voor sloten die voor hen functioneel of juridisch relevant zijn. De keuze welke sloten worden opgenomen hangt, net als bij waterschappen, af van gebiedsspecifieke kenmerken en gemeentelijke beleidskeuzes. Over het algemeen geldt dan dat deze sloten in eigendom zijn van de gemeente, ze functioneel belangrijk zijn voor afwatering en/of onderdeel zijn van groen- of bermbeheer. In zulke plannen worden sloten vaak genoemd als onderdeel van het areaal, maar worden deze niet altijd individueel geregistreerd.
Hoe verklaart u dat veel gemeenten aangeven «geen prioriteit» te geven aan het handhaven van hun eigen bestemmingsplannen voor watergangen, terwijl dit de nationale doelen voor water en natuur direct raakt?
Ik kan geen antwoord geven namens de gemeenten (en waterschappen). Wel zal ik in het Bestuurlijk Overleg Water dat periodiek gehouden wordt met onder andere decentrale overheden, aandacht vragen voor het belang van watergangen voor de nationale doelen. Zie ook het antwoord op vraag 12.
Welk effect heeft het niet consequent handhaven van regels rondom waterbeheer en landschapsinrichting volgens u op de algemene waterkwaliteit, de natuurwaarden in de regio en betrouwbare overheid?
De kwaliteit van het grondwater en oppervlaktewater wordt periodiek gemonitord via verschillende meetsystemen, waaronder het Landelijk Meetnet Effecten Mestbeleid van het Ministerie van LVVN. Het verdwijnen van sloten gaat ten koste van de biodiversiteit die de sloten herbergen. In de sloten komen, naast algemene soorten, ook beschermde dier- en plantensoorten voor van populaties die al jaren aanwezig zijn. Met het dempen van de sloten verdwijnen de habitats, en daarmee deze soorten in het gebied. Deze populaties staan in verbinding met andere sloten. Door het verdwijnen van sloten wordt ook deze verbinding onderbroken. Aan de andere kant kan het dempen van sloten tot verhoging van de grondwaterstand leiden, wat bij kan dragen aan hydrologisch herstel van natuurgebieden, wat weer gunstig is voor de biodiversiteit. Het hangt van de specifieke locatie af of het dempen van sloten op het totaal gezien positief of negatief is voor de waterkwaliteit en natuurwaarden in het gebied.
Wat vindt u van het feit dat omwonenden die melding maken van illegale demping vaak in de kou worden gezet door de overheid en soms zelfs te maken krijgen met intimidatie en dreigementen?
Omwonenden die melding maken van illegale dempingen, kunnen hiervoor terecht bij de betreffende gemeente of het waterschap. Vaak kan dit ook anoniem. Signalen van mogelijke fraude binnen de LVVN-domeinen kunnen worden gemeld bij de Inlichtingen- en opsporingsdienst (IOD) van de NVWA. Anoniem melden van fraude is ook mogelijk via het Team Criminele Inlichtingen (TCI). De overheid is in het kader van haar beginselplicht tot handhaving gehouden om klachten of meldingen te onderzoeken en de melders op de hoogte te stellen van de afhandeling van hun klacht of melding. Dit betekent niet dat ook altijd opvolging wordt gegeven aan een melding van een illegale demping. Dit hangt namelijk af van het type sloot en de relevantie voor het watersysteem (zie het antwoord op vraag 4).
Intimidatie en dreigementen keur ik in alle gevallen ten zeerste af en ik raad omwonenden en lokale toezichthouders die hiermee te maken krijgen aan om hiervan melding of aangifte te doen bij de politie. Waterschappen en gemeenten hebben vaak ook protocollen over hoe wordt omgegaan met agressie tegen en bedreigingen van medewerkers.
Hoe gaat u, in samenwerking met uw collega-minister van Justitie en Veiligheid, de positie en de fysieke veiligheid van deze kritische burgers en lokale toezichthouders beschermen, nu uit het artikel blijkt dat zij zich soms ernstig bedreigd voelen?
Zie antwoord vraag 7.
Bent u bekend met het risico dat door het dempen van sloten en het ophogen van landbouwpercelen de lokale waterhuishouding ontregeld raakt, waardoor de waterdruk op omliggende funderingen van woningen gevaarlijk toeneemt?
Het dempen van sloten kan effect hebben op de waterhuishouding en daarmee ook op de omgeving. Het risico dat dit met zich meebrengt is locatiespecifiek. Er is een gedegen water- en bodemsysteemanalyse nodig van de specifieke situatie om inzichtelijk te kunnen maken welke gevolgen er zijn voor de omgeving, waaronder ook voor de woningen.
Bent u bereid om een landelijk onderzoek in te stellen naar de directe relatie tussen illegale slootdemping, perceelophoging en de toename van funderingsschade bij burgers in het buitengebied?
De relatie tussen slootdemping, perceelophoging en de staat van woningen is zeer locatiespecifiek. Er is een gedegen water- en bodemsysteemanalyse nodig van de specifieke situatie om inzichtelijk te kunnen maken welke gevolgen er zijn voor de omgeving, waaronder ook voor de woningen. Het is noodzakelijk dat een dergelijke analyse lokaal wordt uitgevoerd. Het instellen van een landelijk onderzoek acht ik daarmee niet zinvol.
Erkent u dat illegale slootdemping de nationale woningbouwopgave bemoeilijkt, omdat de benodigde waterberging verdwijnt en de kans op wateroverlast op andere (bouw)locaties in de regio toeneemt?
Bij ruimtelijke ontwikkelingen, waaronder woningbouw, dient er, ongeacht eerder gedempte sloten, binnen de betreffende ontwikkeling voldoende waterberging en -afvoer gerealiseerd te worden naar de normen voor de betreffende ontwikkeling.3
Hoe gaat u ervoor zorgen dat de biodiversiteit in en rond deze sloten beter beschermd wordt, zodat planten en dieren niet langer «levend begraven» worden bij illegale werkzaamheden?
Gezien de rol van al deze regionale overheden ga ik vanuit mijn systeemverantwoordelijkheid hierover in gesprek met hen. Het betreft diverse wateropgaven, waaronder waterkwaliteit, waterkwantiteit, maar ook biodiversiteit, governance, regelgeving, en vergunningverlening, toezicht en handhaving. Daarom heb ik dit, in aanwezigheid van het Ministerie van LVVN, op 9 april jl. besproken in het brede Bestuurlijk Overleg Water. Ik zal de Kamer informeren over de uitkomsten hiervan in aanloop naar het commissiedebat Water van 25 juni a.s.
Op welke wijze gaat u het belang van sloten voor de hydrologie van de bodem en natuur meenemen in de zonering rond Natura 2000-gebieden?
In het kader van de Taskforce Landbouw, Natuur en Stikstof wordt gewerkt aan een zoneringsaanpak rondom gevoelige Natura 2000-gebieden. Daarbij wordt gekeken naar alle relevante drukfactoren op het betreffende gebied en de KRW-doelen, waaronder hydrologisch herstel. In een samenhangende aanpak, met oog voor de bredere bijdrage van groene en blauwe dooradering in het landelijk gebied voor natuur en hydrologie, wordt vervolgens bezien wat nodig is om de weg naar systeemherstel in te zetten.
Bent u bereid om met gemeenten in gesprek te gaan om te zorgen dat de handhaving zal toenemen en daarmee de goeden niet lijden onder de kwaden?
Zie het antwoord op vraag 12.
Kunt u toezeggen om voor het commissiedebat Water op 25 juni een terugkoppeling te geven van de gesprekken, uw maatregelen en de ontwikkelingen omtrent het illegaal dempen van sloten?
Zie het antwoord op vraag 12.
Openbaarmaking bedrijfsgegevens naar aanleiding van de technische briefing over doelsturing |
|
Caroline van der Plas (BBB) |
|
van Essen , Pieter Heerma (CDA) |
|
|
|
|
Klopt het dat bij een systeem van doelsturing op bedrijfsniveau gegevens over emissies, managementmaatregelen of prestaties van individuele landbouwbedrijven verzameld en verwerkt zullen worden?
Ja, dat klopt.
Klopt het dat dergelijke gegevens, wanneer zij bij de overheid berusten, in beginsel onder de reikwijdte van de Wet open overheid (Woo) kunnen vallen?
Ja, dat kan. De Woo geeft algemene regels voor het openbaar maken van de informatie waarover de overheid beschikt. Daaronder vallen in beginsel ook de bedrijfsgegevens van individuele bedrijven waar de overheid over beschikt, ongeacht hoe de overheid daarover de beschikking heeft gekregen. Doorslaggevend voor de vraag of gegevens onder de reikwijdte van de Woo vallen, is of er een verband bestaat tussen de informatie en de publieke taak van het bestuursorgaan. Niet alle gegevens die bij de overheid berusten zijn per definitie verbonden aan de publieke taak van in dit geval de Minister van LVVN. Wat publieke taken zijn moet ruim worden uitgelegd zo blijkt uit de memorie van toelichting bij de Woo.1
Deelt u de zorg dat openbaarmaking van gedetailleerde bedrijfsgegevens van individuele landbouwbedrijven kan leiden tot ongewenste effecten zoals reputatieschade, actiedruk of juridisering richting individuele ondernemers?
Ik begrijp dat openbaarmaking van gedetailleerde bedrijfsgegevens van individuele landbouwbedrijven impact kan hebben voor individuele ondernemers, zeker als bedrijfsgegevens gelijk zijn aan het privéadres. Ik begrijp dat dit zijn weerslag kan hebben op ondernemers en hun gezinnen. Zoals ik in mijn brief over de zienswijzeprocedure bij de openbaarmaking van emissiegegevens 15 april 20262 heb aangegeven werk ik in dit kader met het Ministerie van Justitie en Veiligheid aan een onderzoek naar de sociale veiligheid van agrarisch ondernemers.
Hoe wordt voorkomen dat bedrijfsgegevens die nodig zijn voor doelsturing via Woo-verzoeken openbaar gemaakt kunnen worden?
Openbaarheid van overheidsinformatie is een belangrijk onderdeel van onze democratische rechtsstaat. Openbaarheid van gegevens maakt het mogelijk voor belangenorganisaties, onderzoekers en burgers informatie te vergaren over onder andere hun leefomgeving.
Daarom zijn er internationaal afspraken gemaakt over openbaarheid van informatie. Deze afspraken zijn vastgelegd in het Verdrag van Aarhus (hierna: het verdrag) en de Europese milieu-informatierichtlijn (Richtlijn 2003/4/EG, hierna: de richtlijn). De richtlijn en het verdrag zijn geïmplementeerd in de Woo.
Ik streef er dan ook niet naar om dergelijke informatie te onttrekken van de openbaarheid. Tegelijkertijd kunnen er wel dilemma’s spelen, bijvoorbeeld wanneer de openbaarmaking van dergelijke gegevens mede raakt aan de persoonlijke levenssfeer van agrarische ondernemers. Daarbij spelen een aantal elementen een rol.
Als er een verzoek wordt gedaan tot openbaarmaking, is het van belang om welke gegevens verzocht wordt. Als bedrijfsgegevens ook als milieu-informatie aan te merken zijn, dan dient een afweging te worden gemaakt tussen het belang van openbaarmaking tegenover het belang van het bedrijf om de bedrijfsgegevens niet openbaar te maken. Bij deze belangenafweging staat openbaarmaking van de gegevens voorop. Er kan alleen van openbaarmaking van de (betreffende) informatie worden afgezien wanneer het bedrijf concreet kan onderbouwen dat openbaarmaking daadwerkelijk en ernstige schade toebrengt aan het bedrijfsbelang3.
Op grond van artikel 5.1, zevende lid, van de Woo mogen er bij emissiegegevens geen uitzonderingsgronden worden toegepast. Deze gegevens moeten dan ook altijd openbaar worden gemaakt als daartoe een verzoek wordt gedaan. Ook als het hierbij gaat om gegevens die de persoonlijke levenssfeer raken, zoals bedrijfsadressen die tevens woonadressen zijn.4 Dit laatste is een verplichting die direct voortvloeit uit de richtlijn.
Ik realiseer mij dat er zich dilemma’s kunnen voordoen bij de openbaarmaking van informatie, bijvoorbeeld wanneer openbaarmaking van informatie mede raakt aan de persoonlijke levenssfeer van agrarische ondernemers. Ik vind het daarom van belang om de verschillende belangen die hier kunnen spelen af te wegen, binnen de kaders die onder meer de Woo, de richtlijn en het verdrag bieden. Dit zal ook worden meegenomen in de wetsevaluatie van de Woo en bij de vormgeving van doelsturing.
Wordt overwogen om de dataverzameling voor doelsturing (deels) buiten de overheid te organiseren, bijvoorbeeld via ketenorganisaties, sectorale systemen of onafhankelijke dataplatforms?
In het kader van doelsturing zal nog besloten moeten worden hoe de organisatie van data delen ingericht zal worden. Daarbij is het goed om op te merken dat informatie die nodig is voor een goede taakuitoefening door de overheid niet gepositioneerd kan worden buiten de invloedsfeer van het ministerie waardoor documenten buiten de reikwijdte van de Woo vallen. Ook indien het verzamelen, controleren en bewerken van agrarische bedrijfsinformatie gebeurt door een specifiek daarvoor op te richten private entiteit, is niet uit te sluiten dat die entiteit geheel of gedeeltelijk onder de Woo valt, omdat voor milieu-informatie een ruim begrip van «overheid» moet worden gehanteerd. Bij besluitvorming door de overheid is het noodzakelijk dat de overheid over relevante gegevens beschikt.
Bent u bekend met systemen in de veehouderij waarbij gegevens over diergezondheid en bedrijfsvoering via ketenpartijen worden verzameld, zoals binnen de zuivelsector via systemen als KoeMonitor/KoeKompas?
Ja, daar ben ik mee bekend.
Ziet u mogelijkheden om monitoring in het kader van doelsturing primair via gebiedsmonitoring te organiseren, bijvoorbeeld via gebiedscoöperaties of andere collectieve verbanden van boeren, zodat niet direct bedrijfsgegevens van individuele landbouwbedrijven bij de overheid berusten?
Bij een systeem van doelsturing op bedrijfsniveau zal monitoring primair via individuele landbouwbedrijven georganiseerd worden. Bovendien is voor sommige toepassingsvormen van doelsturing herleidbaarheid naar bedrijven een vereiste. Hiernaast kunnen de mogelijkheden naar gebiedsmonitoring verkend worden om gegevens op een meer geaggregeerd niveau te verzamelen. Zie ook het antwoord op vragen 4 en 5 voor het geval herleidbaarheid naar bedrijven nodig is.
Welke waarborgen worden overwogen om ervoor te zorgen dat boeren veilig en zonder risico op openbaarmaking van bedrijfsgevoelige informatie kunnen deelnemen aan systemen voor doelsturing?
Er moeten hierover nog keuzes worden gemaakt, waarbij uiteindelijk van belang is dat besluiten zorgvuldig worden voorbereid en dragend worden gemotiveerd. Bij het maken van deze keuzes zal ik de belangen van openbaarheid en de bescherming van bedrijfs- en persoonsgegevens afwegen binnen de geldende kaders.
Kunt u deze vragen beantwoorden voorafgaand aan het op donderdag 9 april 2026 geplande commissiedebat Doelsturing?
Het commissiedebat Doelsturing is door uw Kamer uitgesteld tot nader order. De reguliere termijn voor het beantwoorden van Kamervragen is gehanteerd.
Het bericht dat de Nederlandse pluimveesector de “slag om voedselzekerheid dreigt te verliezen” |
|
Caroline van der Plas (BBB) |
|
Sjoerd Sjoerdsma (D66), van Essen |
|
|
|
|
Bent u bekend met het bericht dat de Nederlandse pluimveesector de «slag om voedselzekerheid dreigt te verliezen»?1
Ja.
Erkent u de zorg dat import uit onder andere China, Oekraïne en Mercosur-landen plaatsvindt onder lagere normen op het gebied van dierenwelzijn, milieu en voedselveiligheid?
De Europese Unie kan onder het multilaterale kader van de Wereldhandels Organisatie (WTO) bij import eisen stellen aan het product op het gebied van voedselveiligheid en etikettering. Geïmporteerde producten moeten altijd voldoen aan dezelfde Europese eisen voor voedselveiligheid als binnen de EU geproduceerd voedsel.
Productiestandaarden komen onder meer voort uit sociaaleconomische, landbouwkundige, klimatologische, milieukundige en geografische omstandigheden van een land. Elk land kent daardoor zijn eigen productiestandaarden, en verschillen in productiestandaarden zijn onvermijdelijk. Daarbij geldt ook dat andere standaarden niet per definitie slechter zijn. Daarnaast geldt dat productiestandaarden onder het zogenoemde right to regulate van derde landen vallen. Een recht waar de EU zelf ook niet lichtvoetig mee om gaat.
Aangezien productiestandaarden onder dit zogenoemd recht om te reguleren van een land vallen, kan de EU slechts in beperkte mate haar productiestandaarden als dierenwelzijns- en milieu-eisen opleggen aan derde landen. Regelgeving over productiestandaarden inzake milieu of dierenwelzijn op geïmporteerde producten moet bijvoorbeeld in lijn zijn met relevante WTO-regels, zoals ook geconcludeerd door de Commissie in 2022 in haar rapport «Toepassing van de gezondheids- en milieunormen van de EU op ingevoerde landbouw- en agrovoedingsproducten» (COM(2022)226). In de Visie Landbouw en Voedsel heeft de Commissie aangegeven een sterkere afstemming van productiestandaarden die van toepassing zijn op geïmporteerde producten, met name op het gebied van gewasbeschermingsmiddelen en dierenwelzijn, na te streven. Dit moet wel gebeuren in overeenstemming met de internationale (handels)regels. Het kabinet heeft in het BNC-fiche mb.t. de visie aangegeven dit te steunen, en uit te kijken naar deze voorstellen.2 Inmiddels is een deel van de voorstellen gepresenteerd.
Daarnaast kan via handelsverdragen bilateraal afgesproken worden dat enkel producten die aan Europese productiestandaarden voldoen gebruik kunnen maken van lagere importtarieven. In het Associatieakkoord/Deep and Comprehensive Free Trade Agreement met Oekraïne zijn bijvoorbeeld afspraken opgenomen waarin Oekraïne zich verplicht heeft de Europese Sanitaire- en Fytosanitaire (SPS)-regelgeving, inclusief dierenwelzijnsregelgeving, over te nemen en te implementeren. Daarmee worden deze normen gelijkgetrokken met die van de EU.
Klopt het dat Nederland op verschillende punten strengere eisen hanteert of ontwikkelt dan het Europese beleid voorschrijft?
Ja, het klopt dat Nederland op onderdelen verder gaat of sneller beweegt dan het huidige Europese minimumniveau. Tegelijk is het kabinetsuitgangspunt dat een gelijk speelveld belangrijk is en dat onnodige nationale koppen op Europees beleid moeten worden vermeden. Het kabinet onderschrijft het belang van goede dierenwelzijnswetgeving op EU-niveau. Juist voor de concurrentiepositie van Nederlandse veehouders is het van belang dat dergelijke wetgeving zo veel mogelijk op Europees niveau wordt geregeld. Voor dierwaardige veehouderij geldt dat het kabinet hier uitvoering geeft aan een wettelijke opdracht uit artikel 2.3a «Dierwaardige Veehouderij» van de Wet dieren.
Welke concrete maatregelen neemt u om te komen tot een gelijk speelveld binnen de Europese Unie en ten opzichte van derde landen?
Op het gebied van het EU-concurrentievermogen zet het kabinet in op een gelijk speelveld op de interne markt als een eerlijk mondiaal speelveld, waarin bedrijven en niet (lid)staten met elkaar concurreren. Voor landbouw- en voedselproducten zet Nederland zich via de EU in op het ontwikkelen en verbeteren van productiestandaarden. Dat kan multilateraal (bv bij de Wereldhandels Organisatie en de Wereldorganisatie voor Diergezondheid) en bilateraal (in handelsverdragen). Verder kan EU, onder bepaalde voorwaarden, autonome maatregelen treffen.
Bent u bereid om nationale koppen op Europees beleid te beperken, zodat Nederlandse pluimveehouders concurrerend kunnen blijven binnen de interne markt?
De ambitie van het kabinet blijft om onnodige nationale koppen op Europese regels te schrappen. Daarbij geldt wel dat het kabinet voor dierwaardige veehouderij uitvoering moet geven aan de wettelijke opdracht uit de Wet dieren vanuit een ruime kamermeerderheid. Binnen die opdracht blijft het kabinet oog houden voor regeldruk, uitvoerbaarheid, verdienvermogen en het gelijk speelveld.
Erkent u dat voedselproductie een strategisch belang heeft voor Nederland en Europa in het licht van toenemende geopolitieke spanningen?
Voedselzekerheid is van fundamenteel belang voor de nationale en Europese weerbaarheid en strategische autonomie. Een robuuste voedselproductieketen levert hier uiteraard een cruciale bijdrage aan.
Hoe weegt u het risico dat Nederland in toenemende mate afhankelijk wordt van import uit derde landen?
Het veiligstellen van de voedselzekerheid op de langere termijn, ook in relatie tot strategische afhankelijkheden van het buitenland, is voor het kabinet reden om een strategische agenda voor de voedselzekerheid op te stellen om kwetsbaarheden te adresseren. Ik zal de Tweede Kamer voor de zomer informeren over de bouwstenen en de aanpak om te komen tot deze strategische agenda.
Hoe beoordeelt u het risico dat de nationale zelfvoorzieningsgraad van pluimveevlees daalt tot circa 60 procent bij invoering van de algemene maatregel van bestuur (AMvB) dierwaardige veehouderij?
Het kabinet herkent dat ingrijpende nationale maatregelen gevolgen kunnen hebben voor productievolume, kosten, concurrentiepositie en nationale zelfvoorzieningsgraad. Eerdere analyses van Wageningen University & Research laten zien dat nationaal beleid, en specifiek de AMvB dierwaardige veehouderij, grote invloed kan hebben op de veehouderij en dat forse aanpassingen in de pluimveehouderij mogelijk zijn. Tegelijk geldt dat de precieze ontwikkeling van de zelfvoorzieningsgraad afhankelijk is van de uiteindelijke invulling, het tempo van invoering, marktontwikkelingen, innovatie en handelsstromen. Het kabinet verbindt zich daarom niet aan één sectorschatting, maar laat de ontwikkeling wel volgen, juist ook via monitoring van marktontwikkelingen en randvoorwaarden.
Bent u bereid zich in te zetten voor het borgen van een nationale zelfvoorzieningsgraad van ten minste 100 procent alvorens aanvullende maatregelen te nemen?
Het kabinet acht voedselproductie en leveringszekerheid van groot belang, maar een vaste norm van 100% nationale zelfvoorzieningsgraad is geen op zichzelf staand doel. Daarbij is Nederland onderdeel van de EU en is er een gemeenschappelijk landbouwbeleid en vrij verkeer van goederen op de Europese interne markt. Het kabinet stuurt daarom op een bredere afweging, waarin voedselzekerheid, strategische weerbaarheid, dierenwelzijn, uitvoerbaarheid en verdienvermogen samen worden bezien. Overigens was de zelfvoorzieningsgraad van Nederlands pluimveevlees in 2024 152%.
Bent u bekend met het rapport van Wageningen University & Research waaruit blijkt dat de kosten op boerderijniveau voor de pluimveehouderij met circa € 0,23 per kilogram (ruim 19 procent ten opzichte van € 1,20) stijgen?2, 3
Ja, ik ben bekend met het rapport en de financiële doorrekeningen van de plannen van aanpak van de sectoren en Dierenbescherming die daarin zijn opgenomen.
Hoe verhoudt deze kostenstijging zich tot de concurrentiepositie van Nederlandse pluimveehouders ten opzichte van landen als Duitsland en Polen, waar dergelijke lasten niet gelden?
Een kostenstijging als gevolg van nationale maatregelen kan de concurrentiepositie van Nederlandse pluimveehouders onder druk zetten wanneer die kosten niet in gelijke mate optreden in andere lidstaten. Juist daarom heeft het kabinet steeds benadrukt dat bij dierenwelzijnsverbeteringen een gelijk speelveld binnen de Europese Unie van groot belang is. Tegelijk hangt de feitelijke impact op de concurrentiepositie af van de uiteindelijke invulling van de maatregelen, het invoeringstempo, de mogelijkheden voor innovatie en marktwaardering, en van ontwikkelingen in andere lidstaten. Het kabinet betrekt deze aspecten nadrukkelijk bij de verdere uitwerking van de AMvB dierwaardige veehouderij. Daarbij ben ik ook bereid om met onze buurlanden op te trekken om tot gezamenlijke standaarden en keurmerken rondom dierwaardigheid te komen (specifiek Duitsland en België).
Hoe acht u het mogelijk dat Nederlandse pluimveehouders kunnen blijven concurreren op een Europees speelveld, indien deze kostenstijging zich voordoet?
Bij het komen tot maatregelen in de ontwerp AMvB heeft overleg en afstemming plaatsgevonden met sector en Dierenbescherming. Daarbij is gekeken naar de door deze partijen opgestelde plannen van aanpak voor het verhogen van dierenwelzijn in de pluimveesector, naar wetenschappelijke onderbouwing en naar de handhaafbaarheid van voorgenomen maatregelen. Ook is een economische impactanalyse gemaakt. Er is op grond daarvan gekozen voor een stapsgewijze aanpak tot 2040 zodat enerzijds duidelijk is welke stip er op de horizon staat en er tevens voldoende tijd is om daar naar toe te kunnen werken. Daarbij zet het kabinet zich actief in voor de marktcreatie voor deze producten in binnen- en buitenland, waarbij Nederlandse producten kwalitatief aan de beste standaarden voldoen. Intussen heeft de Europese Commissie aangekondigd te zullen komen met een herziening van de Europese dierenwelzijnsregelgeving waarmee naar verwachting ook in Europees verband zal worden gekomen tot hogere dierenwelzijnsstandaarden en er daarmee binnen de EU een gelijk speelveld blijft bestaan.
Bent u bereid om in overleg met de sector te kijken of dierenwelzijnsverbeteringen kunnen worden gerealiseerd via maatregelen die geen negatieve impact hebben op de zelfvoorzieningsgraad en concurrentiepositie, bijvoorbeeld door sturing op basis van Kritische Prestatie Indicatoren (KPI’s), als alternatief voor onderdelen van de AMvB dierwaardige veehouderij?
Zie het antwoord op vraag 12.
Heeft u kennisgenomen van het artikel «In tranen over dreigende boete voor alternatieve therapeuten: «Ik mag wel mensen blijven helpen maar dieren zijn nu dus taboe. Dat is toch bizar?»»1, waarin wordt beschreven dat diertherapeuten door handhaving van de Nederlandse Voedsel- en Warenautoriteit (NVWA) worden geconfronteerd met dreigende boetes tot 25.000 euro?
Kunt u aangeven hoeveel waarschuwingen, lastgevingen en boetes de NVWA in 2024 en 2025 heeft opgelegd aan diertherapeuten en op basis van welke typen handelingen deze sancties zijn opgelegd?
Kunt u toelichten op welke wettelijke grondslag de NVWA concludeert dat behandelingen door alternatieve diertherapeuten, zoals osteopathie en craniosacraal therapie bij paarden, worden aangemerkt als diergeneeskundige handelingen die uitsluitend door dierenartsen of daartoe bevoegde beroepsgroepen mogen worden uitgevoerd?
Deelt u de opvatting dat aanvullende therapieën, mits duidelijk afgebakend en uitgevoerd na of in afstemming met een diagnose door een dierenarts, een complementaire rol kunnen spelen bij het welzijn en herstel van dieren? Zo ja, hoe krijgt dit momenteel vorm in wet- en regelgeving?
Erkent u dat het ontbreken van een beschermd beroep voor de diertherapeuten zowel risico’s voor dierenwelzijn als onzekerheid voor goed opgeleide en zorgvuldig werkende therapeuten met zich meebrengt?
Bent u bereid te onderzoeken of het mogelijk en wenselijk is om opleidingen en kwaliteitseisen voor diertherapieën te toetsen en eventueel te erkennen, zodat onderscheid kan worden gemaakt tussen deskundige behandelaars en onbevoegde of onzorgvuldige aanbieders?
Bent u bereid om, in overleg met de NVWA, dierenartsen, diertherapeuten en sectororganisaties, te bezien of nadere verduidelijking of aanpassing van beleid nodig is om zowel dierenwelzijn als rechtszekerheid voor betrokken beroepsgroepen beter te borgen?
Kunt u deze vragen één voor één beantwoorden?
De overlast van invasiewaterplanten |
|
Caroline van der Plas (BBB) |
|
van Essen |
|
|
|
|
Bent u bekend met het artikel «Overlast invasieve waterplanten. «Boosdoeners» én methoden van bestrijding in beeld» in het mei-nummer 2026 van het VISblad?1
Deelt u de constatering dat invasieve uitheemse waterplanten, zoals de waterteunisbloem (Ludwigia grandiflora), zich steeds verder verspreiden in Nederlandse wateren en daarbij inheemse flora en fauna verdringen?
Kunt u een actueel overzicht geven van de verspreiding in Nederland van invasieve waterplanten, waaronder watercrassula (Crassula helmsii) en grote waternavel (Hydrocotyle ranunculoides), en aangeven hoe deze verspreiding zich in de afgelopen jaren heeft ontwikkeld?
Welke ecologische gevolgen hebben deze invasieve waterplanten voor visstanden, waterkwaliteit en biodiversiteit?
In hoeverre belemmeren invasieve waterplanten het recreatief gebruik van wateren, waaronder sportvisserij, waterrecreatie en onderhoud van watergangen?
Welke rol spelen waterschappen bij de signalering, beheersing en bestrijding van invasieve waterplanten en op welke wijze vindt landelijke coördinatie plaats?
Welke bestrijdings- en beheersmaatregelen worden momenteel toegepast en wat is bekend over de effectiviteit en duurzaamheid van deze maatregelen?
Zijn er volgens u voldoende financiële en personele middelen beschikbaar bij waterschappen en andere beheerders om de problematiek van invasieve waterplanten effectief aan te pakken?
In hoeverre draagt de verkoop van potentieel invasieve waterplanten via tuincentra en webshops bij aan verdere verspreiding in het Nederlandse watersysteem?
Kunt u toelichten hoe Nederland uitvoering geeft aan de Europese exotenverordening (Verordening (EU) nr. 1143/2014) voor wat betreft invasieve waterplanten?
Klopt het dat verbodsbepalingen uit de Europese exotenverordening uitsluitend gelden voor soorten die zijn opgenomen op de zogeheten Unielijst en dat invasieve uitheemse soorten die niet op deze lijst staan nog steeds verhandeld mogen worden?
Acht u het wenselijk dat ernstig schadelijke invasieve waterplanten die (nog) niet op de Unielijst staan nationaal beperkender worden gereguleerd, bijvoorbeeld via verkoopverboden of aanvullende beheersmaatregelen?
Hoe zijn de verantwoordelijkheden op het terrein van invasieve waterplanten verdeeld tussen het Ministerie van Infrastructuur en Waterstaat en het Ministerie van Landbouw, Visserij, Voedselzekerheid en Natuur en leidt deze verdeling in de praktijk tot knelpunten in de aanpak?
Welke rol spelen maatschappelijke organisaties, waaronder hengelsportorganisaties en natuurbeheerders, bij het signaleren en bestrijden van invasieve waterplanten?
Wordt het effect van bestrijding en beheer van invasieve waterplanten structureel gemonitord en zo ja, hoe worden deze resultaten gebruikt voor beleidsverbetering?
Bent u bereid te komen tot een nationale strategie voor invasieve waterplanten, waarin preventie, handel, bestrijding, verantwoordelijkheidsverdeling en samenhang met doelen uit de Kaderrichtlijn Water expliciet worden betrokken?
Erkent u dat snelgroeiende waterplanten in onder andere het Markermeer en de Randmeren leiden tot onveilige situaties voor watersporters en zwemmers?
Hoe beoordeelt u het feit dat boten regelmatig vastlopen en zelfs reddingsboten hinder ondervinden van waterplanten?
Kunt u aangeven hoe vaak hulpdiensten, zoals de Koninklijke Nederlandse Redding Maatschappij (KNRM), moeten uitrukken vanwege problemen met waterplanten en hoe deze trend zich ontwikkelt?
Bent u bereid om met de KNRM in gesprek te gaan over de overlast van waterplanten zodat voorkomen kan worden dat ze onnodig veel moeten uitrukken.
Deelt u de zorg dat watersporters soms risicovolle handelingen verrichten om hun schroef vrij te maken, met mogelijk levensgevaarlijke situaties tot gevolg?
Waarom worden waterplanten voornamelijk gemaaid in hoofdvaargeulen, terwijl recreatiegebieden en zwemlocaties relatief onbehandeld blijven?
Welke concrete maatregelen neemt u om de veiligheid buiten de hoofdvaargeulen te verbeteren, waar juist veel recreanten aanwezig zijn?
De afhandeling van Woo-verzoeken en de rechtsbescherming van betrokkenen |
|
André Flach (SGP), Caroline van der Plas (BBB) |
|
David van Weel (VVD), van Essen , Pieter Heerma (CDA) |
|
|
|
|
Bent u bekend met het artikel «RVO stuurt 55.000 foute brieven over bezwaar, snel reageren nodig»?1
Kunt u specifiek voor Wet open overheid (Woo)-verzoek Woo/2023/066 toelichten waarom voor betrokkenen geen mogelijkheid tot het indienen van bezwaar tegen openbaarmaking is geboden? Op basis van welke wettelijke grondslag is ervoor gekozen om de reactie van betrokkene direct als beroep aan te merken en waarom is betrokkene hierbij geen expliciete keuze gelaten tussen bezwaar en beroep?
Klopt het dat in het kader van Woo-verzoek Woo/2023/066 eerder is aangegeven dat de gevraagde informatie (gedeeltelijk) niet openbaar zou worden gemaakt, maar dat op een later moment alsnog is besloten tot openbaarmaking? Zo ja, kunt u toelichten wat de reden is geweest voor deze wijziging van inzicht en kunt u de communicatie daarover binnen RVO openbaar maken (inclusief het bezwaarschrift van de aanvrager van het WOO-verzoek)?
Hoe kan het dat de Rijksdienst voor Ondernemend Nederland (RVO) 55.000 onjuiste brieven over bezwaar heeft verstuurd, welke concrete fout(en) in het systeem of proces liggen hieraan ten grondslag?
Deelt u de opvatting dat het indienen van beroep bij de rechtbank wezenlijk verschilt van het maken van bezwaar, onder meer omdat beroep minder laagdrempelig is, hogere eisen stelt aan motivering en doorgaans meer tijd, geld en juridische kennis vergt van betrokkenen? Zo nee, waarom niet?
Deelt u de opvatting dat van betrokkenen in redelijkheid niet kan worden verwacht dat zij binnen dezelfde termijn en zonder duidelijke keuze direct een beroep bij de rechtbank instellen, terwijl zij mogelijk in de veronderstelling zijn dat zij bezwaar maken?
Deelt u de opvatting dat betrokkenen in hun rechtspositie zijn benadeeld doordat, na het constateren van een fout, de termijn niet is verlengd en zij nog slechts enkele dagen (circa zes dagen) hadden om zich voor te bereiden op een gerechtelijke procedure? Zo nee, waarom niet?
Staat de korte periode van herstel in verhouding met de termijnen die de overheid zelf hanteert? Zo ja, kunt u dat onderbouwen?
Acht u het in het kader van zorgvuldige besluitvorming wenselijk dat betrokkenen in een situatie zoals bij Woo-verzoek Woo/2023/066 niet expliciet zijn gewezen op het verschil tussen bezwaar en beroep en de gevolgen daarvan, waaronder griffierechten en procedurele vereisten?
Waarom is er in dit geval niet voor gekozen om, na constatering van de onduidelijkheid, de termijnen aan te passen en betrokkenen opnieuw en duidelijk te informeren over hun rechtspositie en de mogelijkheid om, desgewenst, beroep in te stellen?
Deelt u de opvatting dat het, gelet op de impact van openbaarmaking van persoonsgegevens en de rechtspositie van betrokkenen, zorgvuldiger was geweest om betrokkenen een nieuwe termijn te bieden en hen expliciet de keuze te geven om beroep in te stellen? Zo nee, waarom niet?
Hoe kan het dat bij een uitvoeringsorganisatie als RVO, die zoveel cruciale data en besluiten verwerkt, dit soort grootschalige fouten niet eerder (lees voor het versturen van de betreffende brief) worden gesignaleerd?
In het regeerakkoord spreekt u over «een betrouwbare en menselijke overheid. De overheid en de politiek kunnen meer doen om vertrouwen te vergroten, door een menselijk gezicht en een overheid die zich transparant opstelt», hoe past dit voorbeeld in het streven naar een betrouwbare en menselijke overheid?
Waarom heeft een bezwaar tegen openbaarmaking in het kader van de Woo geen opschortende werking, waardoor betrokkenen genoodzaakt zijn een voorlopige voorziening aan te vragen om openbaarmaking te voorkomen?
Kunt u aangeven hoe vaak een verzoek tot een voorlopige voorziening (vovo) in dit soort zaken níet wordt toegewezen? Klopt het beeld dat deze in de praktijk vrijwel altijd worden toegekend?
Deelt u de opvatting dat het verplicht moeten aanvragen van een voorlopige voorziening leidt tot onnodige belasting van zowel betrokkenen als de rechtspraak, terwijl het doel (het tijdelijk opschorten van openbaarmaking) ook op een eenvoudiger manier bereikt zou kunnen worden?
Bent u bereid te onderzoeken of het mogelijk is om bij bezwaar tegen openbaarmaking standaard een opschortende werking toe te passen, zodat het aanvragen van een voorlopige voorziening niet langer nodig is? Zo nee, waarom niet?
Hoe verhoudt deze werkwijze zich tot de eerder aangenomen motie van Van der Plas over openbaarmaking van een Woo-besluit automatisch opschorten als er bezwaar is ingediend (Kamerstuk 32 802, nr. 114) die juist beoogt de rechtsbescherming van burgers te versterken en onnodige juridische procedures te voorkomen?
Hoe staat het met de uitvoering van de motie van Van der Plas (Kamerstuk 32 802, nr. 111), waarin wordt verzocht om een onafhankelijk onderzoek naar de sociale veiligheid van agrariërs in Nederland? Is dit onderzoek inmiddels gestart of afgerond? Zo ja, wanneer wordt de Kamer hierover geïnformeerd?
Generieke vrijstelling tewerkstellingsvergunning (TWV) voor de zeevisserij |
|
Femke Wiersma (BBB) |
|
van Essen |
|
|
|
|
Bent u bekend met het feit dat de commerciële zeevisserij, in tegenstelling tot de koopvaardij en zeegaande waterbouw, geen gebruik kan maken van de generieke vrijstelling van de tewerkstellingsvergunning (TWV) zoals opgenomen in het Besluit uitvoering Wav 2022?
Hoe beoordeelt u het verschil in behandeling tussen de zeevisserij en andere maritieme sectoren, terwijl zij vergelijkbare arbeid op zee verrichten?
Deelt u de mening dat dit onderscheid leidt tot een structureel zwaardere toegangsdrempel tot arbeidskrachten van buiten de Europese Unie (EU) voor de zeevisserij?
Bent u bekend met signalen uit de sector dat aanvragen voor TWV's voor vissers regelmatig worden ontmoedigd of afgewezen door het Uitvoeringsinstituut Werknemersverzekeringen (UWV) en wat is uw reactie daarop?
Hoe verhoudt deze ongelijke behandeling zich tot het streven naar een gelijk speelveld binnen het Europees Gemeenschappelijk Visserijbeleid?
Kunt u aangeven in hoeverre de huidige regelgeving met betrekking tot het aanvragen van een TWV bijdraagt aan bemanningstekorten in de Nederlandse zeevisserijsector?
Erkent u dat de instroom in maritieme opleidingen en het aantal beschikbare Nederlandse en EU-werknemers voor zeevisserij structureel afneemt? Zo ja, welke consequenties verbindt u hieraan?
Deelt u de analyse dat het voor de zeevisserij noodzakelijk is om – net als andere maritieme sectoren personeel van buiten de EU te kunnen aantrekken om operationeel te blijven?
Waarom is er destijds voor gekozen om zeevissersschepen expliciet uit te sluiten van de schepelingendienst-vrijstelling?
Bent u bereid te onderzoeken of de zeevisserij onder voorwaarden kan worden opgenomen in de generieke vrijstelling van de TWV, vergelijkbaar met de koopvaardij en waterbouw?
Hoe beoordeelt u het voorstel om deze vrijstelling te koppelen aan registratie in het Nederlands Register van Vissersvaartuigen (NRV) om handhaafbaarheid te waarborgen?
Ziet u mogelijkheden om via het NRV een duidelijke en controleerbare afbakening te creëren van de doelgroep voor een eventuele vrijstelling?
Welke risico’s ziet u bij het invoeren van een dergelijke vrijstelling en hoe kunnen deze volgens u worden ondervangen?
Bent u bereid om, in overleg met de sector en uitvoeringsorganisaties zoals UWV en de Nederlansdse Arbeidsinspectie (NLA), te komen tot een voorstel voor gelijkschakeling van maritieme sectoren op dit punt?
Op welke termijn kunt u de Kamer informeren over mogelijke beleidsaanpassingen of vervolgstappen?
De afsluiting kwelders Wierum en Ternaard en beperking recreatief gebruik Waddenzee |
|
Femke Wiersma (BBB) |
|
van Essen , Vincent Karremans (VVD) |
|
|
|
|
Bent u bekend met recente berichten over het afsluiten van delen van de Waddenzee, waaronder de kwelders bij Wierum en Ternaard, en het stopzetten van excursies naar Rottum?
Klopt het dat Rijkswaterstaat inzet op het afsluiten van meerdere gebieden in de Waddenzee voor publiek gebruik in het kader van Natura 2000-doelstellingen?
Welke concrete ecologische problemen liggen volgens het kabinet ten grondslag aan deze maatregelen en welke rol speelt recreatie daarin ten opzichte van andere factoren, zoals visserij, scheepvaart, industrie en baggerwerkzaamheden?
Kunt u onderbouwen welk aandeel recreatief medegebruik heeft in de verstoring van natuurwaarden in de Waddenzee?
Waarom is in deze gevallen gekozen voor een vergaande en vaak jaarronde afsluiting, terwijl recreatie in het Waddengebied grotendeels seizoensgebonden, weersafhankelijk en tijdelijk van aard is?
In hoeverre zijn alternatieven onderzocht, zoals seizoensgebonden openstelling, zonering, vergunningen of begeleide toegang?
Hoe weegt u het feit dat lokale gebruikers, zoals wadlopers, vissers, schippers en bewoners al generaties lang verbonden zijn met het gebied en een belangrijke rol vervullen als «ogen en oren» van de natuur?
Deelt u de zorg dat het uitsluiten van deze groepen kan leiden tot verlies van lokale kennis, minder toezicht in het gebied en afname van betrokkenheid bij natuurbeheer?
Kunt u toelichten hoe de belangen van natuur, leefbaarheid en cultureel gebruik van het gebied tegen elkaar zijn afgewogen bij deze besluiten?
Waarom richt het beleid zich volgens signalen uit de regio relatief sterk op het beperken van recreatie, terwijl grotere drukfactoren mogelijk onderbelicht blijven?
Bent u het ermee eens dat natuur en mens in veel gevallen samen kunnen gaan en dat volledige uitsluiting van mensen niet altijd de meest effectieve maatregel is?
Hoe voorkomt u dat maatregelen vooral bijdragen aan het behalen van papieren natuurdoelen, zonder aantoonbaar effect op daadwerkelijke natuurverbetering?
Bent u bereid om samen met regionale partijen, gebruikers en bewoners te werken aan gebiedsgerichte oplossingen met draagvlak, in plaats van generieke afsluitingen?
Kunt u toezeggen dat toekomstige maatregelen in de Waddenzee expliciet worden getoetst op effectiviteit, proportionaliteit en draagvlak?
Waarom is specifiek gekozen voor locaties zoals ’t Skoar bij Ternaard en de nieuwe kwelder bij Wierum en bijvoorbeeld niet voor kwelders in de Peazumerlannen?
Waarom worden dergelijke besluiten volgens signalen uit de regio in sterke mate top-down genomen, zonder voldoende overleg met de lokale gemeenschap, lokale politiek en omwonenden?
Heeft het afsluiten van buitendijkse gebieden gevolgen voor lopende dijkversterkingsprojecten?
Waarom wordt de lokale gemeente volgens signalen op geen enkele manier betrokken bij dergelijke besluiten, terwijl zij over belangrijke gebiedskennis beschikt en de gevolgen ook haar plannen rond toerisme raken?
Bent u zich ervan bewust dat dergelijke besluiten plaatsvinden in regio’s aan de randen van Nederland, waar voorzieningen onder druk staan en waar deze gebieden juist bijdragen aan de leefkwaliteit en het gevoel van verbondenheid van bewoners?
Deelt u de zorg dat het op deze wijze afsluiten van gebieden negatieve gevolgen kan hebben voor het vertrouwen van inwoners in de overheid?
Het afbouwen van de afhankelijkheid van kunstmest en het versnellen van de inzet van RENURE |
|
Jan Arie Koorevaar (CDA), Joris Lohman (CDA) |
|
van Essen |
|
|
|
|
Kunt u aangeven hoeveel stikstofkunstmest (in tonnen Nitraat) Nederland jaarlijks importeert, welk aandeel daarvan direct of indirect afkomstig is uit de Golfregio en hoe de blokkade van de Straat van Hormuz de prijs van gangbare kunstmeststoffen op de Nederlandse markt heeft beïnvloed?
Deelt u de inschatting van de brancheorganisatie Meststoffen Nederland dat er op dit moment geen tekorten zijn dankzij de Europese productiecapaciteit? Hoe beoordeelt u de houdbaarheid hiervan indien de Hormuz-blokkade voortduurt?
Deelt u de opvatting dat leveringszekerheid van kunstmest een strategisch belang is dat vraagt om het behoud van sterke Europese productiecapaciteit en ziet u in RENURE-technologie en circulaire mestverwerking een aanvullend instrument om de Nederlandse landbouw structureel minder kwetsbaar te maken voor geopolitieke verstoringen?
Welke concrete stappen zet u om de toepassing van RENURE (verwerkte dierlijke mest als kunstmestvervanger) te versnellen zodat de Nederlandse landbouw minder afhankelijk wordt van geïmporteerde stikstofkunstmest?
In hoeverre heeft Nederland zich in Brussel ingezet voor snellere Europese erkenning van RENURE-producten als volwaardige kunstmestvervanger onder de EU Fertilising Products Regulation?
Het bericht dat de Nederlandse pluimveesector de “slag om voedselzekerheid dreigt te verliezen” |
|
Caroline van der Plas (BBB) |
|
Sjoerd Sjoerdsma (D66), van Essen |
|
|
|
|
Bent u bekend met het bericht dat de Nederlandse pluimveesector de «slag om voedselzekerheid dreigt te verliezen»?1
Ja.
Erkent u de zorg dat import uit onder andere China, Oekraïne en Mercosur-landen plaatsvindt onder lagere normen op het gebied van dierenwelzijn, milieu en voedselveiligheid?
De Europese Unie kan onder het multilaterale kader van de Wereldhandels Organisatie (WTO) bij import eisen stellen aan het product op het gebied van voedselveiligheid en etikettering. Geïmporteerde producten moeten altijd voldoen aan dezelfde Europese eisen voor voedselveiligheid als binnen de EU geproduceerd voedsel.
Productiestandaarden komen onder meer voort uit sociaaleconomische, landbouwkundige, klimatologische, milieukundige en geografische omstandigheden van een land. Elk land kent daardoor zijn eigen productiestandaarden, en verschillen in productiestandaarden zijn onvermijdelijk. Daarbij geldt ook dat andere standaarden niet per definitie slechter zijn. Daarnaast geldt dat productiestandaarden onder het zogenoemde right to regulate van derde landen vallen. Een recht waar de EU zelf ook niet lichtvoetig mee om gaat.
Aangezien productiestandaarden onder dit zogenoemd recht om te reguleren van een land vallen, kan de EU slechts in beperkte mate haar productiestandaarden als dierenwelzijns- en milieu-eisen opleggen aan derde landen. Regelgeving over productiestandaarden inzake milieu of dierenwelzijn op geïmporteerde producten moet bijvoorbeeld in lijn zijn met relevante WTO-regels, zoals ook geconcludeerd door de Commissie in 2022 in haar rapport «Toepassing van de gezondheids- en milieunormen van de EU op ingevoerde landbouw- en agrovoedingsproducten» (COM(2022)226). In de Visie Landbouw en Voedsel heeft de Commissie aangegeven een sterkere afstemming van productiestandaarden die van toepassing zijn op geïmporteerde producten, met name op het gebied van gewasbeschermingsmiddelen en dierenwelzijn, na te streven. Dit moet wel gebeuren in overeenstemming met de internationale (handels)regels. Het kabinet heeft in het BNC-fiche mb.t. de visie aangegeven dit te steunen, en uit te kijken naar deze voorstellen.2 Inmiddels is een deel van de voorstellen gepresenteerd.
Daarnaast kan via handelsverdragen bilateraal afgesproken worden dat enkel producten die aan Europese productiestandaarden voldoen gebruik kunnen maken van lagere importtarieven. In het Associatieakkoord/Deep and Comprehensive Free Trade Agreement met Oekraïne zijn bijvoorbeeld afspraken opgenomen waarin Oekraïne zich verplicht heeft de Europese Sanitaire- en Fytosanitaire (SPS)-regelgeving, inclusief dierenwelzijnsregelgeving, over te nemen en te implementeren. Daarmee worden deze normen gelijkgetrokken met die van de EU.
Klopt het dat Nederland op verschillende punten strengere eisen hanteert of ontwikkelt dan het Europese beleid voorschrijft?
Ja, het klopt dat Nederland op onderdelen verder gaat of sneller beweegt dan het huidige Europese minimumniveau. Tegelijk is het kabinetsuitgangspunt dat een gelijk speelveld belangrijk is en dat onnodige nationale koppen op Europees beleid moeten worden vermeden. Het kabinet onderschrijft het belang van goede dierenwelzijnswetgeving op EU-niveau. Juist voor de concurrentiepositie van Nederlandse veehouders is het van belang dat dergelijke wetgeving zo veel mogelijk op Europees niveau wordt geregeld. Voor dierwaardige veehouderij geldt dat het kabinet hier uitvoering geeft aan een wettelijke opdracht uit artikel 2.3a «Dierwaardige Veehouderij» van de Wet dieren.
Welke concrete maatregelen neemt u om te komen tot een gelijk speelveld binnen de Europese Unie en ten opzichte van derde landen?
Op het gebied van het EU-concurrentievermogen zet het kabinet in op een gelijk speelveld op de interne markt als een eerlijk mondiaal speelveld, waarin bedrijven en niet (lid)staten met elkaar concurreren. Voor landbouw- en voedselproducten zet Nederland zich via de EU in op het ontwikkelen en verbeteren van productiestandaarden. Dat kan multilateraal (bv bij de Wereldhandels Organisatie en de Wereldorganisatie voor Diergezondheid) en bilateraal (in handelsverdragen). Verder kan EU, onder bepaalde voorwaarden, autonome maatregelen treffen.
Bent u bereid om nationale koppen op Europees beleid te beperken, zodat Nederlandse pluimveehouders concurrerend kunnen blijven binnen de interne markt?
De ambitie van het kabinet blijft om onnodige nationale koppen op Europese regels te schrappen. Daarbij geldt wel dat het kabinet voor dierwaardige veehouderij uitvoering moet geven aan de wettelijke opdracht uit de Wet dieren vanuit een ruime kamermeerderheid. Binnen die opdracht blijft het kabinet oog houden voor regeldruk, uitvoerbaarheid, verdienvermogen en het gelijk speelveld.
Erkent u dat voedselproductie een strategisch belang heeft voor Nederland en Europa in het licht van toenemende geopolitieke spanningen?
Voedselzekerheid is van fundamenteel belang voor de nationale en Europese weerbaarheid en strategische autonomie. Een robuuste voedselproductieketen levert hier uiteraard een cruciale bijdrage aan.
Hoe weegt u het risico dat Nederland in toenemende mate afhankelijk wordt van import uit derde landen?
Het veiligstellen van de voedselzekerheid op de langere termijn, ook in relatie tot strategische afhankelijkheden van het buitenland, is voor het kabinet reden om een strategische agenda voor de voedselzekerheid op te stellen om kwetsbaarheden te adresseren. Ik zal de Tweede Kamer voor de zomer informeren over de bouwstenen en de aanpak om te komen tot deze strategische agenda.
Hoe beoordeelt u het risico dat de nationale zelfvoorzieningsgraad van pluimveevlees daalt tot circa 60 procent bij invoering van de algemene maatregel van bestuur (AMvB) dierwaardige veehouderij?
Het kabinet herkent dat ingrijpende nationale maatregelen gevolgen kunnen hebben voor productievolume, kosten, concurrentiepositie en nationale zelfvoorzieningsgraad. Eerdere analyses van Wageningen University & Research laten zien dat nationaal beleid, en specifiek de AMvB dierwaardige veehouderij, grote invloed kan hebben op de veehouderij en dat forse aanpassingen in de pluimveehouderij mogelijk zijn. Tegelijk geldt dat de precieze ontwikkeling van de zelfvoorzieningsgraad afhankelijk is van de uiteindelijke invulling, het tempo van invoering, marktontwikkelingen, innovatie en handelsstromen. Het kabinet verbindt zich daarom niet aan één sectorschatting, maar laat de ontwikkeling wel volgen, juist ook via monitoring van marktontwikkelingen en randvoorwaarden.
Bent u bereid zich in te zetten voor het borgen van een nationale zelfvoorzieningsgraad van ten minste 100 procent alvorens aanvullende maatregelen te nemen?
Het kabinet acht voedselproductie en leveringszekerheid van groot belang, maar een vaste norm van 100% nationale zelfvoorzieningsgraad is geen op zichzelf staand doel. Daarbij is Nederland onderdeel van de EU en is er een gemeenschappelijk landbouwbeleid en vrij verkeer van goederen op de Europese interne markt. Het kabinet stuurt daarom op een bredere afweging, waarin voedselzekerheid, strategische weerbaarheid, dierenwelzijn, uitvoerbaarheid en verdienvermogen samen worden bezien. Overigens was de zelfvoorzieningsgraad van Nederlands pluimveevlees in 2024 152%.
Bent u bekend met het rapport van Wageningen University & Research waaruit blijkt dat de kosten op boerderijniveau voor de pluimveehouderij met circa € 0,23 per kilogram (ruim 19 procent ten opzichte van € 1,20) stijgen?2, 3
Ja, ik ben bekend met het rapport en de financiële doorrekeningen van de plannen van aanpak van de sectoren en Dierenbescherming die daarin zijn opgenomen.
Hoe verhoudt deze kostenstijging zich tot de concurrentiepositie van Nederlandse pluimveehouders ten opzichte van landen als Duitsland en Polen, waar dergelijke lasten niet gelden?
Een kostenstijging als gevolg van nationale maatregelen kan de concurrentiepositie van Nederlandse pluimveehouders onder druk zetten wanneer die kosten niet in gelijke mate optreden in andere lidstaten. Juist daarom heeft het kabinet steeds benadrukt dat bij dierenwelzijnsverbeteringen een gelijk speelveld binnen de Europese Unie van groot belang is. Tegelijk hangt de feitelijke impact op de concurrentiepositie af van de uiteindelijke invulling van de maatregelen, het invoeringstempo, de mogelijkheden voor innovatie en marktwaardering, en van ontwikkelingen in andere lidstaten. Het kabinet betrekt deze aspecten nadrukkelijk bij de verdere uitwerking van de AMvB dierwaardige veehouderij. Daarbij ben ik ook bereid om met onze buurlanden op te trekken om tot gezamenlijke standaarden en keurmerken rondom dierwaardigheid te komen (specifiek Duitsland en België).
Hoe acht u het mogelijk dat Nederlandse pluimveehouders kunnen blijven concurreren op een Europees speelveld, indien deze kostenstijging zich voordoet?
Bij het komen tot maatregelen in de ontwerp AMvB heeft overleg en afstemming plaatsgevonden met sector en Dierenbescherming. Daarbij is gekeken naar de door deze partijen opgestelde plannen van aanpak voor het verhogen van dierenwelzijn in de pluimveesector, naar wetenschappelijke onderbouwing en naar de handhaafbaarheid van voorgenomen maatregelen. Ook is een economische impactanalyse gemaakt. Er is op grond daarvan gekozen voor een stapsgewijze aanpak tot 2040 zodat enerzijds duidelijk is welke stip er op de horizon staat en er tevens voldoende tijd is om daar naar toe te kunnen werken. Daarbij zet het kabinet zich actief in voor de marktcreatie voor deze producten in binnen- en buitenland, waarbij Nederlandse producten kwalitatief aan de beste standaarden voldoen. Intussen heeft de Europese Commissie aangekondigd te zullen komen met een herziening van de Europese dierenwelzijnsregelgeving waarmee naar verwachting ook in Europees verband zal worden gekomen tot hogere dierenwelzijnsstandaarden en er daarmee binnen de EU een gelijk speelveld blijft bestaan.
Bent u bereid om in overleg met de sector te kijken of dierenwelzijnsverbeteringen kunnen worden gerealiseerd via maatregelen die geen negatieve impact hebben op de zelfvoorzieningsgraad en concurrentiepositie, bijvoorbeeld door sturing op basis van Kritische Prestatie Indicatoren (KPI’s), als alternatief voor onderdelen van de AMvB dierwaardige veehouderij?
Zie het antwoord op vraag 12.
De vermenging van plantaardige ingrediënten in vleesproducten door supermarkten |
|
Pepijn van Houwelingen (FVD) |
|
van Essen , Sophie Hermans (VVD) |
|
|
|
|
Bent u bekend met het bericht dat vleesproducten in Nederlandse supermarkten tot wel veertig procent plantaardige ingrediënten kunnen bevatten, zonder dat dit duidelijk op de verpakking wordt vermeld?1
Klopt het dat consumenten in veel gevallen pas op de achterzijde van de verpakking, namelijk in de ingrediëntenlijst, kunnen zien dat hun product geen volledig vleesproduct is?
Indien het antwoord op vraag 2 bevestigend luidt, hoe wenselijk vindt u deze realiteit?
Deelt u de opvatting van de indiener dat er sprake is van een vorm van misleiding, nu consumenten een vleesproduct in de supermarkt denken te kopen maar in feite een grotendeels plantaardig product krijgen?
Indien het antwoord op vraag 4 ontkennend luidt, waarom niet?
Welke regels gelden momenteel voor de etikettering van vleesproducten waarin plantaardige ingrediënten zijn verwerkt? Hoe beoordeelt u deze regels?
Wat heeft de Nederlandse Voedsel- en Warenautoriteit (NVWA) de afgelopen drie jaar gedaan aan het controleren op en waarborgen van transparantie bij dergelijke producten?
Zijn er door de NVWA de afgelopen drie jaar overtredingen geconstateerd?
Indien het antwoord op vraag 8 bevestigend luidt, welke gevolgen heeft dit gehad?
Deelt u de opvatting van de indiener dat het onopgemerkt vervangen van dierlijke producten door plantaardige ingrediënten past binnen de bredere, door de overheid gestimuleerde eiwittransitie?
Indien het antwoord op vraag 10 ontkennend luidt, waarom niet?
Hoe beoordeelt u het onopgemerkt vervangen van dierlijke producten door plantaardige ingrediënten?
Kunt u garanderen dat er geen directe of indirecte druk vanuit de overheid bestaat om vleesproducten op deze onopgemerkte wijze te «verduurzamen»?
Indien het antwoord op vraag 13 ontkennend luidt, waarom niet?
Hoe beoordeelt u de verklaring dat supermarkten steeds minder vlees in producten verwerken vanwege stijgende vleesprijzen?
In hoeverre acht u deze verklaring volledig, gezien het feit dat de Rijksoverheid zelf de ambitie heeft dat in 2030 vijftig procent van de eiwitconsumptie uit plantaardige eiwitten bestaat (tegenover veertig procent nu), en dat supermarkten daarbij expliciet worden aangewezen als partijen die hierin een belangrijke rol vervullen?2
Kunt u uitsluiten dat de toename van plantaardige ingrediënten in vleesproducten (voor een deel) het gevolg is van sturing vanuit de overheid in het kader van de eiwittransitie?
Deelt u de opvatting van de indiener dat consumenten recht hebben op volledige transparantie en dat het percentage vlees in een bepaald vleesproduct op de voorkant van de verpakking zou moeten worden vermeld?
Bent u bereid om regelgeving aan te passen zodat duidelijk en prominent op de verpakking wordt vermeld welk percentage van een vleesproduct daadwerkelijk uit vlees bestaat?
Indien het antwoord op vraag 19 ontkennend luidt, waarom niet?
Deelt u de opvatting van de indiener dat consumenten te allen tijde het recht moeten behouden om bewust en transparant te kiezen voor vlees, zonder verborgen aanpassingen of misleidende etiketten?
Indien het antwoord op vraag 21 bevestigend luidt, welke maatregelen bent u van plan te nemen om dit te garanderen?
Indien het antwoord op vraag 21 ontkennend luidt, waarom niet?
Het nieuwsbericht 'Wees alert bij afkeuring eco-regeling' |
|
Caroline van der Plas (BBB) |
|
van Essen |
|
|
|
|
Bent u op de hoogte van het nieuwsbericht «Wees alert bij afkeuring eco-regeling», waarin staat dat er steeds meer zorgelijke signalen zijn dat eco-activiteiten voor het jaar 2025 worden afgekeurd terwijl de onderbouwing van de Rijksdienst voor Ondernemend Nederland (RVO) minimaal is en dat een aantal boeren hierover recent een beschikking hebben gekregen van de RVO?1
Ja, dit bericht en de signalen zijn mij bekend.
Deelt u de mening dat het moment van beschikken te laat is, gezien het feit dat de Gecombineerde opgave 2026 van de RVO op 1 maart reeds gestart is en vele duizenden boeren reeds de aanvraag hebben ingediend en op land bezig zijn met zaaien, planten en bemesten? Wat wilt u doen om het proces te versnellen?
Ik begrijp dat het voor boeren vervelend is als beschikkingen laat komen, juist in een periode waarin zij al volop bezig zijn met zaaien, planten en bemesten. Die onzekerheid wil ik net als RVO zoveel mogelijk beperken. RVO kon vanaf 10 maart 2026 beginnen met het definitief beschikken van de aanvragen en heeft nu 94% van de aanvragen uit 2025 beschikt.
Voor 2026 zetten we extra in op verdere versnelling. Daarbij blijft het uitgangspunt dat boeren tot 18 mei voor deze Gecombineerde Opgave hun aanvraag kunnen indienen.
Klopt het dat RVO voor de beoordeling van eco-activiteiten gebruik maakt van een algoritme? Klopt het ook dat dit voor de eerste keer is?
Voor de beoordeling van een aantal eco-activiteiten is in 2025 voor het eerst gebruik gemaakt van het Areaalmonitoringssysteem (AMS). Dat systeem combineert gegevens uit satellietbeelden en remote sensing en maakt een geautomatiseerde beoordeling van percelen aan de hand van een algoritme.
Is dit algoritme rijp voor gebruik in de praktijk, gezien de vele klachten? Indien niet, wanneer wel?
De inzet van het Areaalmonitoringssysteem (AMS) en de onderliggende algoritmes is gericht op het ondersteunen van de uitvoering en is gebaseerd op uitgebreide ontwikkeling, testen en validatie met historische en actuele gegevens. Met de bredere toepassing van AMS op de controle van eco-activiteten zijn ook kwaliteitscontroles geïmplementeerd om na te gaan of de AMS-controle voldoende functioneert. Tegelijkertijd blijft het systeem in ontwikkeling en wordt het continu gemonitord en waar nodig verbeterd. Gezien eerder geconstateerde niet-nalevingen door steekproeven in het veld liggen de huidige aantallen afwijzingen in lijn der verwachting.
Tijdens het groeiseizoen worden eco-activiteiten soms ingetrokken: de boer kiest dan bijvoorbeeld voor het inzaaien van een ander gewas; worden die wijzigingen door de RVO meegenomen in de beoordeling van de aanvraag?
Boeren moeten voor de eco-regeling gedurende de periode 15 mei tot en met 15 oktober hun aanvraag actueel houden. Dit betekent dat boeren die niet aan de voorwaarden van een eco-activiteit voldoen en dus het resultaat niet halen, deze zelf moeten terugtrekken uit de aanvraag. Wijzigingen die boeren aanbrengen worden meegenomen in de definitieve aanvraag op 15 oktober en de beoordeling daarvan door RVO.
Als het algoritme een eco-activiteit afwijst, kan een boer met eigen fotomateriaal dan alsnog bezwaar maken en aantonen dat de eco-activiteit wel is uitgevoerd?
Als boeren het niet eens zijn met de beoordeling van hun aanvraag door RVO kunnen zij bezwaar maken.
Telt dode bodembedekking, bijvoorbeeld een doodgevroren gewas, mee voor de berekening van het percentage bodembedekking, gegeven het feit dat voor bepaalde eco-activiteiten minimaal 80 procent bodembedekking door een gewas gedurende een bepaalde periode is vereist? Zo nee, waarom niet?
Voor de eco-activiteit Groenbedekking telt een doodgevroren gewas mee voor de bodembedekking. Dit staat ook expliciet in de subsidievoorwaarden. Het doodvriezen van het gewas is als mogelijkheid opgenomen voor het vernietigen van het gewas voorafgaand aan de volgende teelt. Het levende of doodgevroren gewas moet het perceel wel voor 80% bedekken.
Hoeveel procent van de aanvragen van de eco-regeling wordt namens de boer gedaan door een adviseur of andere tussenpersoon?
In 2025 is iets meer dan de helft van de Gecombineerde opgaves verstuurd door een gemachtigde. Het is mij niet bekend bij hoeveel procent van de aanvragen van de Eco-regeling een adviseur of bedrijfsaccountant is betrokken.
Deelt u de mening dat de eco-regeling in principe en eenvoudig door de boer zelf gedaan moet kunnen worden? Wat wilt u doen om dit te bevorderen?
Die mening deel ik. De norm dient wat mij betreft te zijn dat boeren zelfstandig de opgave kunnen doen. Hier is volop ondersteuning toe. Zo is er veel informatie beschikbaar over de activiteiten en werking van de eco-regeling. Ook zijn er in de aanvraag verwijzingen naar informatie die benodigd is. Hiernaast wordt er hard gewerkt om informatievoorziening uit te breiden met (meer) voorbeelden van hoe activiteiten uitgevoerd dienen te worden, informatie over de werking van de resultaatverplichting in de eco-regeling en het klantvriendelijker maken van de RVO dienstverlening. Ook zijn automatische meldingen en validaties ingebouwd om boeren te helpen. Ik ben mij ervan bewust dat de huidige Eco-regeling complex is. Stabiel en voorspelbaar beleid, vereenvoudiging van regels en investeringen in betere ICT ondersteuning zijn daarom blijvende aandachtspunten.
Diepzeemijnbouw |
|
Christine Teunissen (PvdD) |
|
van Essen , Berendsen , Stientje van Veldhoven (D66) |
|
|
|
|
Kunt u bevestigen dat de Internationale Zeebodemautoriteit (ISA)-Raad van maart 2026 het besluit heeft genomen om onderzoek naar mogelijke schendingen van contractuele verplichtingen door contractanten voort te zetten, en welke positie heeft Nederland hier tijdens de Raad over ingenomen?
Is er voor Nederland nog een bijzondere rol binnen de ISA weggelegd, aangezien één van de contractanten een Zwitsers-Nederlands bedrijf is? Zijn er door de ISA ook directe vragen gesteld aan de Nederlandse overheid? Zo ja, wat was de reactie van het kabinet hierop?
Bent u bekend met het rapport «Inquiry On Potential Breaches By ISA Contractors» van Greenpeace International1?
Kunt u bevestigen dat Allseas inderdaad valt onder het ISA-onderzoek, aangezien in het rapport staat dat Allseas, via dochterbedrijf Blue Minerals Jamaica (BMJ) en de samenwerking met TMC, mogelijk onder het lopende ISA-onderzoek valt naar overtreding van contractregels?
Erkent u dat Allseas een sleutelpositie inneemt binnen de plannen voor diepzeemijnbouw door The Metals Company via de Amerikaanse vergunningaanvraag, aangezien het bedrijf de essentiële technologie en het diepzeemijnbouwschip «Hidden Gem» levert? Hoe weegt u deze rol?
Erkent u dat Nederland, gezien de betrokkenheid van een Nederlands bedrijf in deze keten, daarmee ook een sleutelrol vervult en een verantwoordelijkheid draagt om het mandaat van de ISA en het VN-Zeerechtverdrag (UNCLOS) actief te beschermen en te handhaven?
Het kabinet heeft eerder met Allseas gesproken naar aanleiding van de motie-Postma, en heeft daarbij benadrukt dat Nederland staat voor de integriteit van UNCLOS en dat diepzeemijnbouw in internationale wateren alleen binnen het ISA-kader mag plaatsvinden; wat was de reactie van Allseas op deze boodschap? Heeft het bedrijf zich daarbij expliciet gecommitteerd om uitsluitend binnen het ISA-kader te opereren?
Gezien het feit dat Allseas de plannen om via de Verenigde Staten buiten het ISA-kader te opereren voortzet en een dergelijke vergunning op korte termijn verleend kan worden, welke concrete stappen zal Nederland zetten op het moment dat zo’n buitenlandse vergunning wordt verleend voor diepzeemijnbouw buiten het ISA-kader, waarbij een Zwitsers-Nederlands bedrijf zoals Allseas betrokken is?
Het huidige mestbeleid en de financiële consequenties daarvan voor agrarisch ondernemers |
|
Jan Arie Koorevaar (CDA) |
|
van Essen |
|
|
|
|
Bent u bekend met het artikel «geld betalen om mest af te voeren én dure kunstmest inkopen? «onverdedigbaar», vindt Eurocomissaris Hansen»?1
Ja, ik ben bekend met dit artikel.
Deelt u de opvatting van Eurocommissaris Christophe Hansen dat het «onverdedigbaar» is dat boeren betalen voor mestafvoer en tegelijkertijd dure kunstmest moeten inkopen? Hoe beoordeelt u deze situatie specifiek voor Nederland?
Ik zie dat ook in Nederland agrariërs betalen voor mestafvoer en tegelijkertijd kunstmest moeten aankopen. Dit speelt met name bij bedrijven met veel grasland, omdat de stikstofgebruiksnorm voor grasland beduidend hoger ligt dan de vanuit de Nitraatrichtlijn verplichte gebruiksnorm voor dierlijke mest van 170 kg stikstof per hectare (N/ha). In mindere mate kan dit ook bij andere teelten voorkomen, bijvoorbeeld in de aardappelteelt. Bij de andere teelten, met name de teelt van vollegrondsgroenten, speelt echter ook de praktische toepasbaarheid van dierlijke mest een rol en is het (op dit moment) onvermijdelijk dat kunstmest moet worden aangekocht. Zo wordt in sommige teelten bemest als het gewas al is opgekomen, waardoor het onmogelijk wordt om met de machines waarmee dierlijke mest wordt uitgereden het land op te gaan. Ook speelt voedselveiligheid soms een rol, met name bij gewassen die rauw worden gegeten.
Eurocommissaris Hansen stelt terecht dat op grasland, vanwege een hogere opnamecapaciteit, hogere stikstofgiften te verantwoorden zijn. Deze hogere giften hoeven niet te leiden tot overschrijding van waterkwaliteitsnormen. Mede vanwege het lange groeiseizoen van gras is de stikstofopnamecapaciteit van gras hoog. Daarom zijn in Nederland voor grasland relatief hoge totaal stikstofgebruiksnormen vastgesteld, variërend van 250 kg N/ha tot 385 kg N/ha. Ook in andere noordwestelijke lidstaten gelden vergelijkbare stikstofgebruiksnormen.
Overigens biedt ook biologische landbouw een oplossingsrichting in Nederland. In de biologische landbouw wordt geen kunstmest gebruikt en is men in staat een extensieve maar toch rendabele bedrijfsvoering te hebben. Ik zet mij daarom in lijn met voorgaande kabinetten in om het areaal biologische landbouw te vergroten tot 15% in 2030. Tegelijkertijd ben ik mij er van bewust dat dit niet voor elk bedrijf een realistische optie is. Zo moet er immers voldoende markt zijn voor deze producten, waar onder meer via het Actieplan biologische landbouw2 aan wordt gewerkt.
Bent u bekend met de consequenties voor kleinere boeren door het mestbeleid omdat deze boeren relatief harder geraakt worden omdat zij minder schaalvoordelen en financiële ruimte hebben om stijgende kosten zoals mestafvoer en kunstmest op te vangen of zich aan te passen? Zijn er signalen dat kleinere bedrijven in Nederland relatief harder worden geraakt dan grotere bedrijven door de consequenties voor het verdienvermogen en mogelijke bedrijfsbeëindiging?
Er zijn mij op dit moment geen signalen bekend dat kleinere bedrijven in Nederland relatief harder worden geraakt door het mestbeleid. Het is in algemene zin moeilijk om eenduidige uitspraken te doen over de effecten op kleinschalige bedrijven ten opzichte van die op grootschalige bedrijven. Of agrariërs op dit moment geraakt worden door de stijgende kunstmestprijzen hangt van meerdere factoren af, waaronder de teelten op een bedrijf en de hoeveelheid kunstmest die bedrijven gebruiken en reeds in voorraad hebben.
Ik realiseer mij dat het aflopen van de derogatie een grote invloed heeft op de Nederlandse landbouw, in het bijzonder de melkveehouderij. Daarom vind ik het belangrijk om agrariërs, zowel klein als groot, wel perspectief te geven voor de lange termijn, bijvoorbeeld via opschaling van de mogelijkheid van productie en aanwending van Renure-meststoffen. Ik realiseer me ook dat de investering in deze technieken niet voor alle agrariërs meteen interessant is en dat het opschalen hiervan tijd in beslag neemt. Dit wil ik faciliteren met een subsidieregeling voor de bouw van installaties van Renure-meststoffen.
In de (graas)dierhouderij hangen de effecten van de afbouw van derogatie ook sterk samen met de mate van intensiteit van een bedrijf. Een groot intensief bedrijf kan daardoor meer geraakt worden dan een klein extensief bedrijf, zoals ook is becijferd in het rapport «Uitwerking bedrijfstypen voor duurzame landbouw» van Wageningen Research3.
Ten slotte zorgen de stijgende mestafzetprijzen in de akker- en tuinbouw ervoor dat het inkomen van deze bedrijven kan stijgen door de afname van dierlijke mest. Wanneer deze bedrijven nog meer dierlijke mest ten opzichte van kunstmest kunnen aanvoeren en benutten binnen de wettelijke gebruiksruimte van 170 N/ha, daalt ook de behoefte van deze bedrijven aan stikstofkunstmest. Het is op dit moment onduidelijk hoe deze balans voor deze bedrijven zal uitpakken. In de komende maanden zal hier meer duidelijkheid over ontstaan.
Hoe kijkt u naar innovatieve oplossingen zoals het gebruik van bewerkte dierlijke mest, bijvoorbeeld Renure, als alternatief voor kunstmest en welke belemmeringen bestaan er momenteel voor grootschalige toepassing hiervan in Nederland en Europa?
Ik kijk positief naar innovatie op het vlak van het gebruik van bewerkte dierlijke mest in de plaats van kunstmest. Door de productie van hoogwaardig verwerkte meststoffen op maat kan een positieve bijdrage worden geleverd aan de vermindering van de milieuopgaven. Daarnaast kan het gebruik van deze verwerkte meststoffen de stikstofbenutting door de gewassen verbeteren en wordt de afhankelijkheid van stikstofkunstmest verminderd.
In mijn ogen is in de EU een belangrijke eerste stap gezet met de aanpassing van de Nitraatrichtlijn, waarmee het gebruik van enkele Renure-meststoffen boven de gebruiksnorm dierlijke mest wordt toegestaan. De komende evaluatie van de Nitraatrichtlijn biedt mogelijk aanknopingspunten om dit concept verder te ontwikkelen.
In Nederland zie ik nog uitdagingen voor de vergunningverlening van de installaties voor productie van Renure-meststoffen. In september 2025 is de Tweede Kamer geïnformeerd over het advies van dhr. Knops ten aanzien van vergunningverlening op het gebied van mestverwerking en het vervolg dat het toenmalige kabinet hieraan wilde geven.4
Hoe beoordeelt u de huidige afhankelijkheid van import van kunstmest, mede in het licht van geopolitieke ontwikkelingen? Deelt u de opvatting dat vermindering van importafhankelijkheid wenselijk is? Zo ja, welke concrete stappen worden gezet?
Ik ben inderdaad van mening dat het verminderen van de importafhankelijkheid wenselijk is in het licht van de geopolitieke ontwikkelingen. In Europees verband worden hierin inmiddels stappen gezet. Zo hebben onder meer het Carbon Border Adjustment Mechanism (CBAM) en de importheffingen op het Russische kunstmest het effect dat er meer productie in de EU plaatsvindt en de productiecapaciteit in de EU behouden blijft.
Welke concrete verbeteringen kunnen boeren op korte termijn verwachten en bent u bereid zich actief in te zetten voor oplossingen die zowel economisch als ecologisch houdbaar zijn?
De inzet is om rond de zomer de benodigde nationale regelgeving voor de toepassing van Renure-producten boven de stikstofgebruiksnorm dierlijke mest in werking te laten treden. Tevens zet ik in op het vormgeven van een subsidieregeling voor Renure-installaties van kleinschaligere omvang. Ik verwacht uw Kamer hier later dit jaar nader over te kunnen informeren.
In Europees verband heeft de Europese Commissie begin januari aangekondigd in het tweede kwartaal van dit jaar te komen met een Fertiliser Action Plan. Aanleiding is onder andere de recente prijsschommelingen door de geopolitieke context op dit moment. De focus van het actieplan zal liggen op het vergroten van markttransparantie en het opschalen van gerecyclede nutriënten en alternatieve grondstoffen, ondersteund door (waar nodig) aanpassing van regelgeving. Zoals in het in vraag 1 genoemde artikel is aangegeven heeft Eurocommissaris Hansen aangegeven in april een bijeenkomst met veel partijen te willen organiseren om deze onderwerpen te bespreken. Ik kijk uit naar de resultaten van deze bijeenkomst.
Openbaarmaking bedrijfsgegevens naar aanleiding van de technische briefing over doelsturing |
|
Caroline van der Plas (BBB) |
|
van Essen , Pieter Heerma (CDA) |
|
|
|
|
Klopt het dat bij een systeem van doelsturing op bedrijfsniveau gegevens over emissies, managementmaatregelen of prestaties van individuele landbouwbedrijven verzameld en verwerkt zullen worden?
Ja, dat klopt.
Klopt het dat dergelijke gegevens, wanneer zij bij de overheid berusten, in beginsel onder de reikwijdte van de Wet open overheid (Woo) kunnen vallen?
Ja, dat kan. De Woo geeft algemene regels voor het openbaar maken van de informatie waarover de overheid beschikt. Daaronder vallen in beginsel ook de bedrijfsgegevens van individuele bedrijven waar de overheid over beschikt, ongeacht hoe de overheid daarover de beschikking heeft gekregen. Doorslaggevend voor de vraag of gegevens onder de reikwijdte van de Woo vallen, is of er een verband bestaat tussen de informatie en de publieke taak van het bestuursorgaan. Niet alle gegevens die bij de overheid berusten zijn per definitie verbonden aan de publieke taak van in dit geval de Minister van LVVN. Wat publieke taken zijn moet ruim worden uitgelegd zo blijkt uit de memorie van toelichting bij de Woo.1
Deelt u de zorg dat openbaarmaking van gedetailleerde bedrijfsgegevens van individuele landbouwbedrijven kan leiden tot ongewenste effecten zoals reputatieschade, actiedruk of juridisering richting individuele ondernemers?
Ik begrijp dat openbaarmaking van gedetailleerde bedrijfsgegevens van individuele landbouwbedrijven impact kan hebben voor individuele ondernemers, zeker als bedrijfsgegevens gelijk zijn aan het privéadres. Ik begrijp dat dit zijn weerslag kan hebben op ondernemers en hun gezinnen. Zoals ik in mijn brief over de zienswijzeprocedure bij de openbaarmaking van emissiegegevens 15 april 20262 heb aangegeven werk ik in dit kader met het Ministerie van Justitie en Veiligheid aan een onderzoek naar de sociale veiligheid van agrarisch ondernemers.
Hoe wordt voorkomen dat bedrijfsgegevens die nodig zijn voor doelsturing via Woo-verzoeken openbaar gemaakt kunnen worden?
Openbaarheid van overheidsinformatie is een belangrijk onderdeel van onze democratische rechtsstaat. Openbaarheid van gegevens maakt het mogelijk voor belangenorganisaties, onderzoekers en burgers informatie te vergaren over onder andere hun leefomgeving.
Daarom zijn er internationaal afspraken gemaakt over openbaarheid van informatie. Deze afspraken zijn vastgelegd in het Verdrag van Aarhus (hierna: het verdrag) en de Europese milieu-informatierichtlijn (Richtlijn 2003/4/EG, hierna: de richtlijn). De richtlijn en het verdrag zijn geïmplementeerd in de Woo.
Ik streef er dan ook niet naar om dergelijke informatie te onttrekken van de openbaarheid. Tegelijkertijd kunnen er wel dilemma’s spelen, bijvoorbeeld wanneer de openbaarmaking van dergelijke gegevens mede raakt aan de persoonlijke levenssfeer van agrarische ondernemers. Daarbij spelen een aantal elementen een rol.
Als er een verzoek wordt gedaan tot openbaarmaking, is het van belang om welke gegevens verzocht wordt. Als bedrijfsgegevens ook als milieu-informatie aan te merken zijn, dan dient een afweging te worden gemaakt tussen het belang van openbaarmaking tegenover het belang van het bedrijf om de bedrijfsgegevens niet openbaar te maken. Bij deze belangenafweging staat openbaarmaking van de gegevens voorop. Er kan alleen van openbaarmaking van de (betreffende) informatie worden afgezien wanneer het bedrijf concreet kan onderbouwen dat openbaarmaking daadwerkelijk en ernstige schade toebrengt aan het bedrijfsbelang3.
Op grond van artikel 5.1, zevende lid, van de Woo mogen er bij emissiegegevens geen uitzonderingsgronden worden toegepast. Deze gegevens moeten dan ook altijd openbaar worden gemaakt als daartoe een verzoek wordt gedaan. Ook als het hierbij gaat om gegevens die de persoonlijke levenssfeer raken, zoals bedrijfsadressen die tevens woonadressen zijn.4 Dit laatste is een verplichting die direct voortvloeit uit de richtlijn.
Ik realiseer mij dat er zich dilemma’s kunnen voordoen bij de openbaarmaking van informatie, bijvoorbeeld wanneer openbaarmaking van informatie mede raakt aan de persoonlijke levenssfeer van agrarische ondernemers. Ik vind het daarom van belang om de verschillende belangen die hier kunnen spelen af te wegen, binnen de kaders die onder meer de Woo, de richtlijn en het verdrag bieden. Dit zal ook worden meegenomen in de wetsevaluatie van de Woo en bij de vormgeving van doelsturing.
Wordt overwogen om de dataverzameling voor doelsturing (deels) buiten de overheid te organiseren, bijvoorbeeld via ketenorganisaties, sectorale systemen of onafhankelijke dataplatforms?
In het kader van doelsturing zal nog besloten moeten worden hoe de organisatie van data delen ingericht zal worden. Daarbij is het goed om op te merken dat informatie die nodig is voor een goede taakuitoefening door de overheid niet gepositioneerd kan worden buiten de invloedsfeer van het ministerie waardoor documenten buiten de reikwijdte van de Woo vallen. Ook indien het verzamelen, controleren en bewerken van agrarische bedrijfsinformatie gebeurt door een specifiek daarvoor op te richten private entiteit, is niet uit te sluiten dat die entiteit geheel of gedeeltelijk onder de Woo valt, omdat voor milieu-informatie een ruim begrip van «overheid» moet worden gehanteerd. Bij besluitvorming door de overheid is het noodzakelijk dat de overheid over relevante gegevens beschikt.
Bent u bekend met systemen in de veehouderij waarbij gegevens over diergezondheid en bedrijfsvoering via ketenpartijen worden verzameld, zoals binnen de zuivelsector via systemen als KoeMonitor/KoeKompas?
Ja, daar ben ik mee bekend.
Ziet u mogelijkheden om monitoring in het kader van doelsturing primair via gebiedsmonitoring te organiseren, bijvoorbeeld via gebiedscoöperaties of andere collectieve verbanden van boeren, zodat niet direct bedrijfsgegevens van individuele landbouwbedrijven bij de overheid berusten?
Bij een systeem van doelsturing op bedrijfsniveau zal monitoring primair via individuele landbouwbedrijven georganiseerd worden. Bovendien is voor sommige toepassingsvormen van doelsturing herleidbaarheid naar bedrijven een vereiste. Hiernaast kunnen de mogelijkheden naar gebiedsmonitoring verkend worden om gegevens op een meer geaggregeerd niveau te verzamelen. Zie ook het antwoord op vragen 4 en 5 voor het geval herleidbaarheid naar bedrijven nodig is.
Welke waarborgen worden overwogen om ervoor te zorgen dat boeren veilig en zonder risico op openbaarmaking van bedrijfsgevoelige informatie kunnen deelnemen aan systemen voor doelsturing?
Er moeten hierover nog keuzes worden gemaakt, waarbij uiteindelijk van belang is dat besluiten zorgvuldig worden voorbereid en dragend worden gemotiveerd. Bij het maken van deze keuzes zal ik de belangen van openbaarheid en de bescherming van bedrijfs- en persoonsgegevens afwegen binnen de geldende kaders.
Kunt u deze vragen beantwoorden voorafgaand aan het op donderdag 9 april 2026 geplande commissiedebat Doelsturing?
Het commissiedebat Doelsturing is door uw Kamer uitgesteld tot nader order. De reguliere termijn voor het beantwoorden van Kamervragen is gehanteerd.
Het bericht 'Belastingdienst zet agrarische bedrijfsopvolging op slot' |
|
Inge van Dijk (CDA), Jan Arie Koorevaar (CDA) |
|
Eerenberg , van Essen |
|
|
|
|
Bent u bekend met het kennisgroep-standpunt van de Belastingdienst inzake gefaseerde bedrijfsoverdracht en het inbrengen van de onderneming in een BV?1
Klopt het dat gefaseerde bedrijfsoverdrachten in de agrarische sector vaak voorkomen en soms jaren kunnen duren?
Klopt het dat de familievrijstelling in artikel 15, lid 1, onderdeel b, van de Wet op belastingen van rechtsverkeer (WBR) inhoudt dat geen overdrachtsbelasting wordt geheven bij de verkrijging van onroerende zaken als die onderdeel zijn van een onderneming, die binnen de familiekring wordt overgedragen?
Klopt het dat de rechtsvorm van de onderneming hierbij geen materieel verschil maakt, omdat de vrijstelling behouden blijft als na gefaseerde overdracht een subjectieve onderneming wordt ingebracht in een BV?
Kunt u toelichten waarom op grond van het kennisgroepstandpunt de vrijstelling dan wel wordt teruggenomen als tijdens de gefaseerde overdracht de rechtsvorm wordt aangepast?
Wat maakt het volgens u materieel uit of iemand tijdens de gefaseerde bedrijfsoverdracht zijn onderneming in een BV laat overgaan, of daarna, omdat in beide situaties op enig moment enkel de rechtsvorm verandert, terwijl de materiële onderneming die onder de bedrijfsopvolgingsregeling is overgegaan juist blijft voortbestaan binnen de familiekring?
Hoe past dit standpunt volgens u bij de bedoeling van de familievrijstelling?
Bent u het ermee eens dat er goede bedrijfseconomische redenen kunnen zijn waarom een ondernemer zijn subjectieve onderneming wil inbrengen in een BV, bijvoorbeeld bij investeringsplannen, uitbreiding of willen beperken van zijn persoonlijke aansprakelijkheid?
Vindt u het terecht dat dit standpunt een ondernemer dwingt gedurende vele jaren persoonlijk risico te blijven dragen, terwijl dit mogelijk niet verstandig is vanuit het ondernemersperspectief?
Waarom heeft de kennisgroep volgens u het standpunt ingenomen dat dit toch een andere behandeling vereist, en waar zien zij de verschillen en risico’s?
Wat zijn volgens u de gevolgen van dit standpunt voor de agrarische praktijk?
Kunt u over dit standpunt in gesprek met de agrarische sector?
Het bericht ‘Varkenshouder baalt van vele Woo-verzoeken' |
|
Caroline van der Plas (BBB) |
|
van Essen |
|
|
|
|
Bent u bekend met het bericht «Varkenshouder baalt van vele Woo-verzoeken»?1
Ik heb kennisgenomen van het bericht.
Herkent u de zorgen van de sector waar het bedrijfsadres van boeren en agrarische bedrijven zoals transporteurs en verzamelcentra ook vaak het woonadres is? Zo ja, wat vindt u hiervan?
Ik begrijp de zorgen van betrokken agrarisch ondernemers. Ik begrijp dat openbaarmaking van gegevens die de persoonlijke levenssfeer raken veel impact kan hebben op ondernemers en hun gezinnen. Daarom werk ik ook met het Ministerie van Justitie en Veiligheid aan een onderzoek naar de sociale veiligheid van agrarisch ondernemers. Hiernaast staat dit jaar een wetsevaluatie van de Wet Open Overheid (Woo) op de planning. Het streven is om de Woo beter toepasbaar te maken. In deze wetsevaluatie wordt ook expliciet gekeken naar de openbaarmaking van emissiegegevens (zoals bijvoorbeeld bedrijfsadressen van agrarische ondernemers die tevens een woonadres zijn) in relatie tot de uitzonderingsgronden, de zienswijzeprocedure en relevante EU-richtlijnen.
Tegelijkertijd is openbaarmaking van overheidsinformatie een groot goed. Het is belangrijk dat burgers, journalisten en wetenschappers toegang hebben tot overheidsinformatie, zodat zij goed geïnformeerd zijn en van daaruit de overheid kritisch kunnen volgen, kunnen participeren en onderzoek kunnen uitvoeren. Daarnaast kan de toegang tot overheidsinformatie, bijvoorbeeld als het gaat om milieu-informatie en emissiegegevens, van belang zijn om kennis te nemen over de gezondheid van de eigen leefomgeving. Bij de openbaarmaking van informatie kan echter ook sprake zijn van andere belangen, zoals publicatie van informatie die raakt aan de persoonlijke levenssfeer. Zoals ik ook in mijn brief van 15 april 2026 (Kamerstuk 32 802, nr. 140) aangaf, vindt het kabinet het daarom van belangrijk om op zoek te gaan naar een goede balans tussen de verschillende belangen.
Klopt het dat er binnen de Rijksdienst voor Ondernemend Nederland (RVO) geen interne protocollen, richtlijnen of handreikingen (formeel of informeel) zijn die toezien op de beoordeling van Wet open overheid (Woo)-verzoeken bij binnenkomst, de afweging om al dan niet gebruik te maken van de verdagingsmogelijkheid van artikel 4.4 Woo of beoordelingscriteria of afwegingskaders die door de RVO worden gehanteerd om te bepalen of een Woo-verzoek «omvangrijk» of «complex» is? Zo nee, op welke gronden vindt de beoordeling van Woo-verzoeken dan plaats?
Binnen de rijksoverheid, en dus ook bij de RVO, wordt gewerkt met een Rijksbrede Woo-instructie voor de behandeling van Woo-verzoeken. Deze instructie bevat een uniforme werkwijze en praktische handvatten voor de procedurele en inhoudelijke beoordeling van verzoeken. Daarnaast wordt binnen organisaties gewerkt met interne werkprocessen en uitvoeringspraktijken die aansluiten bij deze Rijksbrede instructie.
De beoordeling van Woo-verzoeken vindt plaats op basis van:
Of gebruik wordt gemaakt van de mogelijkheid tot verdaging als bedoeld in artikel 4.4 van de Woo, wordt per verzoek beoordeeld. Dit hangt af van de specifieke omstandigheden van het verzoek, in het bijzonder de omvang van het aantal te beoordelen documenten en de gecompliceerdheid van de gevraagde informatie.
Van een vast afwegingskader met limitatieve criteria voor wanneer een verzoek als «omvangrijk» of «complex» wordt aangemerkt, is geen sprake. Dit volgt uit de aard van de wet en jurisprudentie, die vereist dat per individueel verzoek een zorgvuldige beoordeling plaatsvindt.
Kunt u aangeven of deze interne protocollen, richtlijnen en of handreikingen (formeel of informeel) wel aanwezig zijn binnen het Ministerie van LVVN en/of de Nederlandse Voedsel- en Warenautoriteit (NVWA) voor de beoordeling van Woo-verzoeken die aan deze organisaties zijn gericht?
Ja. De Rijksbrede Woo-instructie is opgesteld voor de gehele rijksoverheid en wordt toegepast door ministeries, uitvoeringsorganisaties en toezichthouders, waaronder het Ministerie van LVVN, de RVO en de NVWA.
Kunt u aangeven hoe de beoordeling van Woo-verzoeken plaatsvindt indien er geen interne protocollen, richtlijnen of handreikingen (formeel of informeel) zijn?
De beoordeling van Woo-verzoeken vindt plaats op basis van wettelijke kaders. Dit betekent dat per verzoek wordt beoordeeld of sprake is van een Woo-verzoek, welke documenten onder het verzoek vallen en of uitzonderingsgronden van toepassing zijn. Daarbij wordt gebruikgemaakt van de Woo, de Awb, de Rijksbrede Woo-instructie en relevante jurisprudentie.
Bent u zich bewust van het feit dat het ontbreken van interne protocollen, richtlijnen, handreikingen of instructies (formeel of informeel) de schijn van willekeur kan ontstaan? Zo nee, waarom niet?
De behandeling van Woo-verzoeken is gebonden aan wettelijke regels, de Rijksbrede Woo-instructie en jurisprudentie. Dit waarborgt een consistente en zorgvuldige behandeling. Dat per verzoek maatwerk wordt toegepast, volgt uit de aard van de wet en betekent niet dat sprake is van willekeur.
Kunt u aangeven of en hoe vaak termijnen worden overschreden omdat de beoordeling van Woo-verzoeken te lang op zich laat wachten en kunt u dit inzichtelijk maken voor het Ministerie van LVVN, de RVO en de NVWA?
Het kerndepartement heeft in 2025 156 Woo-verzoeken ontvangen. Van de in de 2025 ontvangen en afgehandelde Woo-verzoeken heeft het kerndepartement 16% binnen de (verdaagde) wettelijke termijn afgehandeld.
De NVWA heeft in 2025 309 Woo-verzoeken ontvangen. Van de in de 2025 ontvangen en afgehandelde Woo-verzoeken heeft de NVWA 38% binnen de (verdaagde) wettelijke termijn afgehandeld.
De RVO heeft in 2025 290 Woo-verzoeken op beleidsterrein van LVVN ontvangen. Van de in 2025 afgehandelde Woo-verzoeken heeft RVO 64% binnen de (verdaagde) wettelijke termijn afgehandeld.
Kunt u aangeven hoeveel kosten er in de afgelopen vijf jaar (per jaar en per organisatie) zijn gemaakt omdat de behandeling van het Woo-verzoek te lang op zich liet wachten?
Bij de RVO zijn in de afgelopen vijf jaar de volgende bedragen aan dwangsommen betaald in verband met het niet tijdig beslissen op Woo-verzoeken. Dit betreft alle dwangsommen die zijn betaald door RVO, in de systemen kan geen uitsplitsing gemaakt worden specifiek voor LVVN.
Bij de NVWA zijn in de afgelopen vijf jaar de volgende bedragen aan dwangsommen betaald in verband met het niet tijdig beslissen op Woo-verzoeken:
Bij het kerndepartement zijn de afgelopen jaren de volgende bedragen aan dwangsommen betaald in verband met het niet tijdig beslissen op Woo-verzoeken2:
Deze bedragen zien op gevallen waarin een dwangsom is verbeurd wegens het overschrijden van de wettelijke beslistermijn na een ingebrekestelling. Niet elke termijnoverschrijding leidt tot een dwangsom.
Kunt u alle documenten, interne protocollen, richtlijnen, handreikingen of instructies per organisatie (het Ministerie van LVVN, de RVO en de NVWA) per ommegaande met de Kamer delen? Zo nee, waarom niet?
U treft bijgaand aan de Rijksbrede Woo-instructie. Eventuele doorvertalingen op handelingsniveau zijn in lijn hiermee.
Bent u bereid deze vragen voor het commissiedebat Dieren in de Veehouderij en NVWA op 23 april 2026 te beantwoorden?
Ja.
Stikstof, zeevogels en natuurontwikkeling in het Waddengebied |
|
Caroline van der Plas (BBB) |
|
Silvio Erkens (VVD), van Essen |
|
|
|
|
Bent u bekend met de artikelen «Meeuwen en aalscholvers poepen eigen duinen bij elkaar» en «Vogelpoep helpt bij eilandvorming», waarin onderzoek van onder meer de Universiteit Utrecht wordt beschreven naar de rol van zeevogels en hun stikstofrijke uitwerpselen bij duinvorming en vegetatieontwikkeling op (onbewoonde) Waddeneilanden?1
Klopt het dat uit dit onderzoek blijkt dat uitwerpselen van zeevogels zorgen voor extra nutriënten, waaronder stikstof, waardoor kustplanten zoals helmgras sneller groeien en zo bijdragen aan duinvorming en de stabiliteit van zandige eilanden?
Klopt het dat in sommige broedgebieden van zeevogels grote hoeveelheden vogelmest lokaal terechtkomen, waardoor daar een relatief hoge lokale nutriëntenbelasting ontstaat?
Hoe verhoudt deze bevinding (dat extra stikstof en andere nutriënten uit vogelmest bijdragen aan vegetatiegroei, duinvorming en eilandstabiliteit) zich tot het beleid waarin stikstofdepositie in Natura 2000-gebieden in beginsel als een negatieve belasting wordt beschouwd?
Deelt u de opvatting dat stikstof in ecosystemen een voedingsstof is die voor sommige soorten mogelijk nadelig kan zijn, maar voor andere juist gunstig? Zo ja, hoe wordt deze ecologische werkelijkheid momenteel meegewogen in het natuur- en stikstofbeleid?
Hoe verhoudt het feit dat in de gebiedsanalyse van het eiland Griend onder meer de habitattypen H1310A (zilte pionierbegroeiing met zeekraal), H1310B (zilte pionierbegroeiing met zeevetmuur), H1330A (schorren en zilte graslanden buitendijks) en H1330B (schorren en zilte graslanden binnendijks) als stikstofgevoelig worden aangemerkt zich tot dit onderzoek waaruit blijkt dat nutriëntenaanvoer via vogels juist een enorm positieve rol speelt bij vegetatieontwikkeling en landschapsvorming op deze locatie?
Wordt in de huidige beoordeling van stikstofdepositie rekening gehouden met verschillende bronnen van stikstof, zoals natuurlijke bronnen (bijvoorbeeld zeevogels en ganzen) en antropogene bronnen? Zo ja, op welke wijze? Zo nee, waarom niet?
Is bekend hoeveel stikstofdepositie op bepaalde locaties in het Waddengebied afkomstig is van zeevogels en andere wilde vogels, met name de locaties die op dit moment te boek staan als «stikstof overbelast»? Zo ja, kunt u deze cijfers delen? Zo nee, waarom niet?
Hoe wordt dergelijke natuurlijke stikstofaanvoer vanuit grote vogelkolonies betrokken bij het bepalen van de stikstofbelasting en de beoordeling van de staat van instandhouding van habitattypen in Natura 2000-gebieden?
Kan de waargenomen discrepantie in stikstofmetingen uit zee, waarover het Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu (RIVM) in maart 2025 rapporteerde, gedeeltelijk worden verklaard door stikstof afkomstig van zeevogels2?
Klopt het dat er binnenkort weer aanpassingen aan de modellen stikstof uit zee worden gedaan? Zo ja, wordt dit dan ook meegenomen?
Hoe wordt stikstofdepositie van zee naar land precies gemodelleerd in de modellen die worden gebruikt voor natuurbeleid en vergunningverlening?
Kan de gemeten stikstofdepositie in kustnatuur mogelijk verkeerd worden toegeschreven aan menselijke activiteiten als natuurlijke bronnen onvoldoende worden meegenomen in de modellen?
Wat betekent een mogelijke modelaanpassing voor vergunningverlening en bezwaarprocedures tegen activiteiten, zoals garnalenvisserij?
Wordt voor gebieden die mogelijk vanuit de natuur al zoveel stikstof ontvangen dat ze volgens de regels als «overbelast» te boek staan beleid gemaakt om de stikstofbelasting vanuit de mens zo laag te krijgen dat de stikstofdepositie onder de kritische depositiewaarde (KDW) komt? Zo ja, betekent dat dan niet dat er zogenaamd «overbelaste» gebieden zijn, die op totaal natuurlijke wijze «overbelast» zijn met stikstof en dat, ook als Nederland volledig inzet op stikstofemissiereductie, dan nog steeds bepaalde gebieden overbelast zouden zijn?
Als er in Nederland gebieden zijn die hoe dan ook «overbelast» zouden blijven, is dat niet bewijs dat die gebieden kennelijk alleen kunnen bestaan als wij daar op de meest onnatuurlijke wijze inzetten op behoud van een natuurtype dat het in Nederland onmogelijk zal kunnen redden?
Hoe kan beleid worden gemaakt met enorme sociaal-maatschappelijke impact (heel Nederland op slot), terwijl mogelijk de natuur zelf een zeer groot aandeel heeft op de stikstofbelasting van natuurgebieden, als er natuurtypen zijn die in een voedingsrijke delta als Nederland nooit onder de KDW zouden kunnen komen?
Klopt het dat habitattypen in Natura 2000-analyses worden beoordeeld aan de hand van categorieën als «geen overbelasting», «evenwicht», «matige overbelasting» en «sterke overbelasting»? Bestaat binnen deze systematiek ook een categorie of beoordeling waarbij nutriëntenaanvoer juist een positieve bijdrage levert aan de ontwikkeling van een habitat? Zo nee, waarom niet?
Hoe verklaart u dat in hetzelfde Natura 2000-gebied enerzijds habitattypen voorkomen die volgens de huidige systematiek als sterk stikstofgevoelig worden beschouwd, terwijl anderzijds processen plaatsvinden waarbij stikstofaanvoer via vogelkolonies juist bijdraagt aan vegetatieontwikkeling en landschapsvorming?
Klopt het dat stikstofdepositie volgens het huidige beleid als probleem wordt beschouwd wanneer deze leidt tot een verschuiving in vegetatie, waarbij soorten die beter gedijen bij hogere nutriëntenbeschikbaarheid andere soorten verdringen?
Klopt het dat dergelijke verschuivingen in vegetatie ook natuurlijke ecologische processen kunnen zijn, bijvoorbeeld wanneer nutriëntenaanvoer vanuit vogels, sediment, overstromingen of andere natuurlijke processen toeneemt?
In hoeverre kan het huidige stikstofbeleid worden gezien als een poging om bepaalde vegetatietypen actief in stand te houden of zelfs te ontwikkelen, ook wanneer natuurlijke processen juist tot een andere vegetatieontwikkeling leiden?
Klopt het dat er natuurmaatregelen in stikstofgevoelige gebieden worden uitgevoerd, zoals plaggen, maaien, afvoeren van biomassa of verwijderen van voedselrijke bodemlagen om nutriënten uit het systeem te halen?
Klopt het dat die maatregelen ook kunnen worden ingezet om stikstofbelasting te verkleinen, in plaats van enorme sociaal-maatschappelijke ingrepen in de samenleving om de stikstofemissie naar beneden te krijgen?
Klopt het dat Nederland als delta van grote Europese rivieren van nature een relatief nutriëntenrijk landschap is, mede door sedimentaanvoer, kleigronden en mariene invloeden, zoals overstromingen?
Wordt bij de aanwijzing en instandhouding van habitattypen ook gekeken naar de natuurlijke kenmerken van het landschap, zoals het feit dat Nederland een voedselrijke rivierdelta is? In hoeverre speelt dit mee bij de keuze voor te beschermen habitattypen?
In hoeverre is bij de aanwijzing van Natura 2000-habitattypen rekening gehouden met het feit dat Nederland een voedselrijke delta is en dat bepaalde voedselarme vegetaties daardoor alleen met intensief beheer en zeer grote ingrepen in onze samenleving (zoals inperken van de economische bedrijvigheid) in stand kunnen worden gehouden?
Deelt u de opvatting dat de keuze voor bepaalde habitattypen en vegetaties bepalend is voor de mate waarin stikstof als probleem wordt ervaren? Zo nee, waarom niet?
In hoeverre wordt bij het natuurbeleid overwogen om in gebieden met structureel hoge nutriëntenbeschikbaarheid in te zetten op natuurtypen die beter passen bij deze omstandigheden, in plaats van op vegetaties die juist afhankelijk zijn van voedselarme omstandigheden?
Deelt u de opvatting dat natuurdoelen die alleen met voortdurend en kostbaar menselijk ingrijpen en grote ingrepen in onze samenleving kunnen worden behouden, feitelijk minder robuust zijn dan natuurtypen die aansluiten bij de bestaande en natuurlijke omstandigheden van een gebied?
Wordt binnen het huidige natuurbeleid ook overwogen om natuurdoelen aan te passen wanneer blijkt dat deze structureel botsen met natuurlijke omstandigheden, zoals hoge nutriëntenbeschikbaarheid?
Welke ruimte biedt de Europese Habitatrichtlijn om bij natuurbeheer rekening te houden met natuurlijke nutriëntenrijkdom van gebieden en de daarbij passende ecosystemen?
Welke ruimte biedt de Habitatrichtlijn om rekening te houden met ontwikkeling van habitattypen naar ander typen, omdat natuur niet statisch is, maar altijd in ontwikkeling is?
Welke mogelijkheden bestaan er binnen de Habitatrichtlijn om natuurdoelen of habitattypen aan te passen wanneer natuurlijke ontwikkelingen structureel een andere richting opgaan dan bij de aanwijzing van een gebied werd voorzien?
Ziet u dan ruimte om daarvoor te pleiten, als er weinig ruimte is voor die ontwikkeling, zodat in Nederland natuur die ooit is ontstaan als stikstofarm (bijvoorbeeld nieuwe zanderige eilanden) of door de mens ooit is ontwikkeld tot stikstofarm (bijvoorbeeld door voedingsbodems af te voeren als turf) weer kan worden doorontwikkeld naar de stikstofrijke natuur die in een voedingsrijke delta als Nederland kan bestaan zonder extreem en zeer kostbaar, ingrijpen van de mens?
Deelt u de opvatting dat natuurbeleid is gebaat bij robuuste ecosystemen die aansluiten bij de natuurlijke en bestaande omstandigheden van een gebied, in plaats van bij ecosystemen die alleen met intensief beheer en ingrijpende emissiereducties in stand kunnen worden gehouden?
Bent u bereid te laten onderzoeken in hoeverre de huidige natuurdoelen in Nederland aansluiten bij de natuurlijke nutriëntencondities van het landschap en of alternatieve natuurtypen mogelijk robuuster en toekomstbestendiger zouden zijn?
Bent u bereid te laten onderzoeken in hoeverre natuurlijke stikstofbronnen, zoals grote vogelkolonies, bijdragen aan de stikstofbelasting in Natura 2000-gebieden en hoe deze bijdragen zich verhouden tot de kritische depositiewaarden die momenteel worden gehanteerd? Zo nee, waarom niet?
Is het stikstofprobleem in Nederland primair een emissieprobleem of een gevolg van de keuze om specifieke stikstofgevoelige natuurtypen te beschermen?
Bent u bereid, gelet op de voorbeelden waarbij natuurlijke processen (zoals vogelkolonies) leiden tot aanzienlijke stikstofaanvoer die aantoonbaar kunnen bijdragen aan natuurontwikkeling en gelet op de grote maatschappelijke en economische gevolgen van het huidige stikstofbeleid, te reflecteren op de vraag of het stikstofbeleid zijn oorspronkelijke doel (het beschermen van natuur) in sommige gevallen voorbij is geschoten en is doorgeslagen in een systeem waarbij het reduceren van stikstofdepositie een doel op zichzelf is geworden? Zo nee, waarom niet?
Deelt u de opvatting dat ingrijpende maatregelen, zoals gedwongen uitkoop van bedrijven en het intrekken van bestaande vergunningen, in ieder geval niet zijn gerechtvaardigd, gelet op de grote onzekerheden rond de rol van natuurlijke stikstofbronnen, de discussie over de passendheid van bepaalde stikstofgevoelige habitattypen in een voedselrijke delta als Nederland en de grote maatschappelijke impact van het huidige stikstofbeleid? Zo nee, waarom niet?
Waarom stapt u af van het principe «haalbaar en betaalbaar» bij de formulering van instandhoudingsdoelen, terwijl dit destijds uitdrukkelijk aan de Kamer is beloofd?
Kunt u deze vragen beantwoorden voorafgaand aan het commissiedebat Stikstof en mestbeleid op 1 april 2026?
Het bericht ‘Hoe de sloten in Nederland verdwijnen’ |
|
Anne-Marijke Podt (D66), Marieke Vellinga-Beemsterboer (D66) |
|
van Essen , Vincent Karremans (VVD) |
|
|
|
|
Hoe beoordeelt u het feit dat de regels voor bufferstroken, bedoeld voor een betere waterkwaliteit, in de praktijk een prikkel vormen voor agrariërs om sloten te dempen zodat zij deze stroken niet hoeven aan te leggen?1
Dit is niet de bedoeling geweest van de regels voor bufferstroken. Sloten zijn onderdeel van een watersysteem en hebben daarin vaak meerdere functies. Denk aan afvoer van water, waterkwaliteit en ecologie.Wie een sloot wil dempen, heeft hiervoor veelal toestemming nodig. Dit kan van het waterschap zijn, maar ook van de gemeente. Zowel waterschappen als gemeenten hebben hiervoor regels.
In algemene zin is het zo dat voor grotere watergangen altijd een vergunning van het waterschap nodig voor het dempen. Voor kleinere sloten kan het soms volstaan om een melding te maken en gelden algemene regels voor dempingen van het waterschap. Het is dan ook van belang dat agrariërs altijd eerst in overleg treden met het desbetreffende waterschap of toestemming nodig is voor het dempen van een specifieke sloot, omdat een demping een verandering in de waterhuishouding tot gevolg heeft en over het algemeen de voorwaarde geldt dat de hoeveelheid oppervlaktewater behouden moet blijven.
De individuele waterschappen verstrekken veel informatie over de betreffende regelgeving op hun websites. Gemeenten kunnen ook een taak hebben bij de toetsing of dempingen kunnen worden toegestaan in het kader van omgevingsplannen (voorheen bestemmingsplannen). Bij gemeenten staat in dat geval de evenwichtige toedeling van functies aan locaties (voorheen het belang van ruimtelijke ordening) voorop. Via het Omgevingsloket kan worden bekeken of een vergunning in een specifiek geval nodig is.
Hoe rijmt u de landelijke ambities om juist meer ruimte te geven aan water en natuur, bijvoorbeeld in het kader van agrarische natuurbeheer, met de in dit artikel beschreven ontwikkelingen, waarbij tienduizenden sloten in rap tempo verdwijnen?
Sloten vormen verbindingen in het landschap en dragen bij aan leefgebieden voor soorten zoals vogels, amfibieën en bestuivers. Zeker wanneer dit wordt gecombineerd met agrarisch natuurbeheer. Het Rijk en regionale partijen zetten daarom in op het aanleggen, beheren, herstellen en behouden van blauwe landschapselementen, zoals opgenomen in het Aanvalsplan Landschap.
Sloten vervullen ook een belangrijke rol in het weerbaarder maken tegen piekbuien. Zowel de bodem van percelen als de sloten tussen percelen kunnen als wateropvang fungeren. Sloten en greppels dragen in dat geval bij aan het goed beheer van landbouwpercelen, omdat deze voorkomen dat grote plassen op het land blijven staan.
Tegelijkertijd hebben sloten een drainerende werking, wat ook negatieve effecten kan hebben. Na de Tweede Wereldoorlog zijn met name op de hoge zandgronden veel extra sloten gegraven om water snel af te voeren en om van nature drassige gronden geschikt te maken voor landbouw. Dat heeft geleid tot structurele daling van de grondwaterstanden en verdroging van natuurgebieden. Het verminderen van de ontwatering door het ondieper maken of dempen van sloten kan dus ook een goede manier om de sponswerking van de bodem te verbeteren, de grondwaterstand te verhogen en om te zorgen voor hydrologisch herstel van natuurgebieden. Het hangt dus af van de specifieke locatie of het dempen van sloten problematisch is in een gebied of niet.
In hoeverre dragen sloten bij aan het opslaan van stikstof en nitraten, en in het verlengde daarvan aan een betere waterkwaliteit en minder stikstofdruk op natuurgebieden?
In sloten spelen zich processen af, waarbij stikstof en nitraten onder meer worden opgenomen door waterplanten. Dat betekent dat zij, tot op zekere hoogte, als filter kunnen fungeren en de druk op de waterkwaliteit in natuurgebieden kunnen beperken. Natuurlijke oevers hebben een filterende werking en bufferen water. De blauwe dooradering kan bijdragen aan het behalen van de doelstellingen van de Kaderrichtlijn Water. Aan de andere kan het beperken van de ontwatering door het verondiepen of dempen van sloten ook bijdragen aan hydrologisch herstel van natuurgebieden.
Op welke wijze houdt de overheid op dit moment overzicht van de bestaande sloten in Nederland, en hoe wordt gecontroleerd of de tienduizenden verdwenen sloten legaal of illegaal zijn gedempt?
De overheid houdt zicht op bestaande sloten en waterlopen via de Basisregistratie Grootschalige Topografie (BGT). De verantwoordelijkheid voor het bijhouden van deze informatie ligt bij de bronhouders van de BGT. De bronhouders die verantwoordelijk zijn voor een overzicht van sloten in de BGT zijn voornamelijk de waterschappen, gemeenten, provincies en voor een klein percentage het Ministerie van Landbouw, Visserij, Voedselzekerheid en Natuur (LVVN). Daarnaast volgt de Monitor Landschap2 sinds 2019 de veranderingen in het Nederlandse landschap. Elke twee jaar wordt de staat en ontwikkeling van het landschap in beeld gebracht.
De Monitor Landschap geeft overheden, onderzoekers, ontwerpers en beleidsmakers objectief inzicht in hoe het landschap verandert, door de tijd heen en op verschillende schaalniveaus. Deze informatie is ook gebruikt bij het schrijven van het Volkskrantartikel. De Monitor Landschap is gerealiseerd in opdracht van het Ministerie van Binnenlandse Zaken en Koninkrijkrelaties, het Ministerie van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap en het Ministerie van LVVN. Op verzoek van de Minister van Volkshuisvesting en Ruimtelijke Ordening brengt het Planbureau voor de Leefomgeving regelmatig de rapportage «Het landschap geduid» uit, met duiding van de indicatoren van de Monitor Landschap en de Kustpactmonitor.
Voor waterschappen geldt dat zij sloten registreren in zogenoemde leggers (profielenlegger en onderhoudslegger). Niet alle sloten staan (altijd) geregistreerd in de leggers van het waterschap. Sommige sloten zijn namelijk van te geringe afmeting en behoren tot de haarvaten van het regionaal watersysteem, of ze hebben nauwelijks effect op het watersysteem. Welke sloten wel en welke sloten niet in de legger staan, is niet bij elk waterschap hetzelfde. Dit hangt samen met gebiedsspecifieke kenmerken van het betreffende beheergebied.
Bij reguliere controles, de jaarlijkse schouw en het herzien van peilbesluiten worden veranderingen in het watersysteem waargenomen en wordt met perceeleigenaren gesproken over het eventueel terugdraaien, compenseren of legaliseren van het dempen van sloten.
Gemeenten registreren sloten meestal via beheerplannen, voor sloten die voor hen functioneel of juridisch relevant zijn. De keuze welke sloten worden opgenomen hangt, net als bij waterschappen, af van gebiedsspecifieke kenmerken en gemeentelijke beleidskeuzes. Over het algemeen geldt dan dat deze sloten in eigendom zijn van de gemeente, ze functioneel belangrijk zijn voor afwatering en/of onderdeel zijn van groen- of bermbeheer. In zulke plannen worden sloten vaak genoemd als onderdeel van het areaal, maar worden deze niet altijd individueel geregistreerd.
Hoe verklaart u dat veel gemeenten aangeven «geen prioriteit» te geven aan het handhaven van hun eigen bestemmingsplannen voor watergangen, terwijl dit de nationale doelen voor water en natuur direct raakt?
Ik kan geen antwoord geven namens de gemeenten (en waterschappen). Wel zal ik in het Bestuurlijk Overleg Water dat periodiek gehouden wordt met onder andere decentrale overheden, aandacht vragen voor het belang van watergangen voor de nationale doelen. Zie ook het antwoord op vraag 12.
Welk effect heeft het niet consequent handhaven van regels rondom waterbeheer en landschapsinrichting volgens u op de algemene waterkwaliteit, de natuurwaarden in de regio en betrouwbare overheid?
De kwaliteit van het grondwater en oppervlaktewater wordt periodiek gemonitord via verschillende meetsystemen, waaronder het Landelijk Meetnet Effecten Mestbeleid van het Ministerie van LVVN. Het verdwijnen van sloten gaat ten koste van de biodiversiteit die de sloten herbergen. In de sloten komen, naast algemene soorten, ook beschermde dier- en plantensoorten voor van populaties die al jaren aanwezig zijn. Met het dempen van de sloten verdwijnen de habitats, en daarmee deze soorten in het gebied. Deze populaties staan in verbinding met andere sloten. Door het verdwijnen van sloten wordt ook deze verbinding onderbroken. Aan de andere kant kan het dempen van sloten tot verhoging van de grondwaterstand leiden, wat bij kan dragen aan hydrologisch herstel van natuurgebieden, wat weer gunstig is voor de biodiversiteit. Het hangt van de specifieke locatie af of het dempen van sloten op het totaal gezien positief of negatief is voor de waterkwaliteit en natuurwaarden in het gebied.
Wat vindt u van het feit dat omwonenden die melding maken van illegale demping vaak in de kou worden gezet door de overheid en soms zelfs te maken krijgen met intimidatie en dreigementen?
Omwonenden die melding maken van illegale dempingen, kunnen hiervoor terecht bij de betreffende gemeente of het waterschap. Vaak kan dit ook anoniem. Signalen van mogelijke fraude binnen de LVVN-domeinen kunnen worden gemeld bij de Inlichtingen- en opsporingsdienst (IOD) van de NVWA. Anoniem melden van fraude is ook mogelijk via het Team Criminele Inlichtingen (TCI). De overheid is in het kader van haar beginselplicht tot handhaving gehouden om klachten of meldingen te onderzoeken en de melders op de hoogte te stellen van de afhandeling van hun klacht of melding. Dit betekent niet dat ook altijd opvolging wordt gegeven aan een melding van een illegale demping. Dit hangt namelijk af van het type sloot en de relevantie voor het watersysteem (zie het antwoord op vraag 4).
Intimidatie en dreigementen keur ik in alle gevallen ten zeerste af en ik raad omwonenden en lokale toezichthouders die hiermee te maken krijgen aan om hiervan melding of aangifte te doen bij de politie. Waterschappen en gemeenten hebben vaak ook protocollen over hoe wordt omgegaan met agressie tegen en bedreigingen van medewerkers.
Hoe gaat u, in samenwerking met uw collega-minister van Justitie en Veiligheid, de positie en de fysieke veiligheid van deze kritische burgers en lokale toezichthouders beschermen, nu uit het artikel blijkt dat zij zich soms ernstig bedreigd voelen?
Zie antwoord vraag 7.
Bent u bekend met het risico dat door het dempen van sloten en het ophogen van landbouwpercelen de lokale waterhuishouding ontregeld raakt, waardoor de waterdruk op omliggende funderingen van woningen gevaarlijk toeneemt?
Het dempen van sloten kan effect hebben op de waterhuishouding en daarmee ook op de omgeving. Het risico dat dit met zich meebrengt is locatiespecifiek. Er is een gedegen water- en bodemsysteemanalyse nodig van de specifieke situatie om inzichtelijk te kunnen maken welke gevolgen er zijn voor de omgeving, waaronder ook voor de woningen.
Bent u bereid om een landelijk onderzoek in te stellen naar de directe relatie tussen illegale slootdemping, perceelophoging en de toename van funderingsschade bij burgers in het buitengebied?
De relatie tussen slootdemping, perceelophoging en de staat van woningen is zeer locatiespecifiek. Er is een gedegen water- en bodemsysteemanalyse nodig van de specifieke situatie om inzichtelijk te kunnen maken welke gevolgen er zijn voor de omgeving, waaronder ook voor de woningen. Het is noodzakelijk dat een dergelijke analyse lokaal wordt uitgevoerd. Het instellen van een landelijk onderzoek acht ik daarmee niet zinvol.
Erkent u dat illegale slootdemping de nationale woningbouwopgave bemoeilijkt, omdat de benodigde waterberging verdwijnt en de kans op wateroverlast op andere (bouw)locaties in de regio toeneemt?
Bij ruimtelijke ontwikkelingen, waaronder woningbouw, dient er, ongeacht eerder gedempte sloten, binnen de betreffende ontwikkeling voldoende waterberging en -afvoer gerealiseerd te worden naar de normen voor de betreffende ontwikkeling.3
Hoe gaat u ervoor zorgen dat de biodiversiteit in en rond deze sloten beter beschermd wordt, zodat planten en dieren niet langer «levend begraven» worden bij illegale werkzaamheden?
Gezien de rol van al deze regionale overheden ga ik vanuit mijn systeemverantwoordelijkheid hierover in gesprek met hen. Het betreft diverse wateropgaven, waaronder waterkwaliteit, waterkwantiteit, maar ook biodiversiteit, governance, regelgeving, en vergunningverlening, toezicht en handhaving. Daarom heb ik dit, in aanwezigheid van het Ministerie van LVVN, op 9 april jl. besproken in het brede Bestuurlijk Overleg Water. Ik zal de Kamer informeren over de uitkomsten hiervan in aanloop naar het commissiedebat Water van 25 juni a.s.
Op welke wijze gaat u het belang van sloten voor de hydrologie van de bodem en natuur meenemen in de zonering rond Natura 2000-gebieden?
In het kader van de Taskforce Landbouw, Natuur en Stikstof wordt gewerkt aan een zoneringsaanpak rondom gevoelige Natura 2000-gebieden. Daarbij wordt gekeken naar alle relevante drukfactoren op het betreffende gebied en de KRW-doelen, waaronder hydrologisch herstel. In een samenhangende aanpak, met oog voor de bredere bijdrage van groene en blauwe dooradering in het landelijk gebied voor natuur en hydrologie, wordt vervolgens bezien wat nodig is om de weg naar systeemherstel in te zetten.
Bent u bereid om met gemeenten in gesprek te gaan om te zorgen dat de handhaving zal toenemen en daarmee de goeden niet lijden onder de kwaden?
Zie het antwoord op vraag 12.
Kunt u toezeggen om voor het commissiedebat Water op 25 juni een terugkoppeling te geven van de gesprekken, uw maatregelen en de ontwikkelingen omtrent het illegaal dempen van sloten?
Zie het antwoord op vraag 12.
Het bericht ‘Afspraken over turfvrije potgrond eindigen met een kater’ |
|
Laura Bromet (GL) |
|
van Essen |
|
|
|
|
Bent u bekend met het bericht «Afspraken over turfvrije potgrond eindigen met een kater»?1
Ja, ik ben bekend met dit bericht.
In hoeverre bent u van mening dat het huidige, door de industrie geleide convenant uitvoering geeft aan de in 2021 met een zeer ruime meerderheid aangenomen motie-Boswijk/Bromet (Kamerstuk 21 501-32, nr. 1324) die vraagt om een mogelijk turfverbod te onderzoeken?
Met het convenant Milieu-impact Potgrond en Substraten wordt uitvoering gegeven aan de motie-Boswijk/Bromet (Kamerstuk 21 501-32, nr. 1324), die oproept om te onderzoeken hoe het gebruik van turf en turfproducten kan worden teruggedrongen en vervangen door duurzame alternatieven. Het convenant bevat afspraken om het gebruik van veen (turf) te verminderen en het aandeel hernieuwbare grondstoffen in groeimedia te vergroten.
Het convenant laat zien dat de tuinbouw- en substratensector verantwoordelijkheid neemt voor het verminderen van de milieu-impact van potgrond en substraten. Tegelijkertijd constateer ik dat na het vertrek van Stichting Turfvrij een disbalans is ontstaan in de belangen die partijen vertegenwoordigen binnen het convenant. Ik acht het van belang dat deze balans wordt hersteld en ik zie de noodzaak om de inbreng van verschillende perspectieven te versterken. Daarom zet ik mij, samen met de convenantspartijen, actief in om deze balans te herstellen door gericht relevante maatschappelijke organisaties te benaderen en te betrekken bij het convenant, waarbij ook de input van Stichting Turfvrij wordt betrokken.
Bent u het ermee eens dat een door de industrie geïnitieerd en gedomineerd convenant geen vervanging kan zijn voor een onafhankelijk beleidsonderzoek naar een uitfasering van turfwinning, zoals door de Kamer gevraagd in de motie-Boswijk/Bromet (Kamerstuk 21 501-32, nr. 1324)?
In de motie-Boswijk/Bromet (Kamerstuk 21 501-32, nr. 1324) wordt de regering verzocht om, in samenwerking met onder andere gemeenten en de tuinbouwsector, te onderzoeken hoe en op welke termijn het gebruik van turf en turfproducten kan worden uitgefaseerd en vervangen door alternatieven. Mede naar aanleiding van deze motie zijn gesprekken met onder andere de tuinbouwsector gevoerd die hebben geleid tot het Convenant Milieu-impact Potgrond en Substraten. Dit convenant vormt een gezamenlijke aanpak om de milieu-impact van groeimedia te reduceren en de transitie naar hernieuwbare grondstoffen te versnellen. Daarbij wordt ook aandacht besteed aan het gebruik van verantwoord gewonnen veen.
In 2023 is Wageningen University & Research (WUR) gevraagd onder andere onderzoek te doen naar de huidige volumes van gebruikte grondstoffen en naar de technisch mogelijke toename van hernieuwbare grondstoffen. Dit onafhankelijke onderzoek heeft mede de basis gevormd voor de doelstellingen van het convenant in 2030: minimaal 50% hernieuwbare grondstoffen in de professionele sector en 85% in de consumentenmarkt.
Kunt u verduidelijken of deelname aan het convenantproces het onafhankelijke onderzoek naar een turfverbod schaadt of vertraagt?
Ik ben van mening dat deelname van het Ministerie van Landbouw, Visserij, Voedselzekerheid en Natuur (LVVN) aan het Convenant Milieu-impact Potgrond en Substraten een onafhankelijk onderzoek naar een turfverbod niet schaadt of vertraagt. Op dit moment zie ik een dergelijk onderzoek niet als nuttige aanvulling op de reeds gemaakte afspraken binnen het convenant.
Bent u ervan op de hoogte dat een centraal lid van het convenant, de belangrijkste lobbyorganisatie voor substraten, de Vereniging Potgrond- en Substraatfabrikanten Nederland (VPN), sinds enkele maanden tegelijkertijd lobbyt voor uitbreiding en versoepeling van de regelgeving voor turfwinningslocaties en dat dit een belangrijke reden was waarom de enige ngo zich uit het proces heeft teruggetrokken?
De voormalig Minister van LVVN is tijdens een gesprek op 12 november jl. met de voorzitter en secretaris van het convenant Milieu-impact Potgrond en Substraten geïnformeerd over de lage beschikbaarheid van grondstoffen voor potgrond en substraten. Als oorzaken werden onder meer het natte weer in de Baltische staten genoemd en een sterke wereldwijde vraag naar kokosproducten (een bekende hernieuwbare grondstof als toepassing in groeimedia).
Mogelijk houdt dit verband met de in de vraag genoemde lobbyactiviteiten. Ik wil hierover op korte termijn in gesprek gaan met de VPN. Daarbij vind ik het belangrijk dat convenantspartijen zich blijven committeren aan de heldere en meetbare doelstellingen van het convenant.
Tot het moment waarop Stichting Turfvrij zich uit het convenant terugtrok, was ik niet op de hoogte dat dit voor hen een reden was om uit het proces te stappen.
Vindt u het verenigbaar dat partijen die pleiten voor de uitbreiding van de turfwinning een proces aansturen dat wordt gepresenteerd als een proces om het turfgebruik te verminderen?
Indien dit het geval zou zijn, dan vind ik dat niet verenigbaar. Ik heb geen aanleiding dat deelnemende partijen in het convenant zich niet inzetten voor het verminderen van veengebruik.
Bent u bereid alle formele en informele contacten tussen uw ministerie en de substraat-/turflobby openbaar te maken met betrekking tot de regulering van de turfwinning op internationaal niveau?
Het Ministerie van LVVN onderhoudt, zoals gebruikelijk, zowel formele als informele contacten met een breed scala aan stakeholders, waaronder vertegenwoordigers uit de potgrond- en substraatsector, kennisinstellingen en maatschappelijke organisaties. Deze contacten vinden plaats in het kader van kennisuitwisseling en het afstemmen van acties voor het behalen van de doelstellingen uit het convenant Milieu-impact Potgrond en Substraten.
Voor zover er contacten zijn waarin internationale aspecten aan de orde komen, maken deze doorgaans deel uit van bredere overleggen over de verduurzaming van de sector. Daarbij wordt onder meer gesproken over de beschikbaarheid van grondstoffen, de ontwikkeling en toepassing van hernieuwbare alternatieven en verantwoorde veenwinning in het buitenland. In dat kader is tevens aandacht voor internationale ontwikkelingen, het beperken van de ecologische schade van veenwinning en het terugdringen van CO2 uitstoot. Er vinden geen afzonderlijke, structurele overleggen plaats die specifiek gericht zijn op de internationale regulering van veenwinning.
Bent u ervan op de hoogte dat pogingen om de deelname van bepaalde ngo's, zoals Urgenda, bij het convenant om daarmee meer gelijk gewicht aan tafel te krijgen door het secretariaat zijn afgewezen en dat er inmiddels helemaal geen ngo's of andere natuurorganisaties meer aan de tafel zitten?
Ik ben op de hoogte van pogingen van de stuurgroep van het convenant om een tweede niet-gouvernementele organisatie (NGO) aan het convenant te laten deelnemen.
De leden uit de stuurgroep hebben op basis van een lijst met relevante NGO’s gesprekken gevoerd over mogelijke deelname. Deze lijst is opgesteld in overleg met de stuurgroep, waar Stichting Turfvrij destijds onderdeel van was. De volgorde waarin organisaties zijn benaderd, hing samen met hun activiteiten en expertise.
Ik ben er tevens van op de hoogte dat sinds het vertrek van Stichting Turfvrij geen NGO’s of andere natuurorganisaties meer deelnemen aan het convenant.
Bent u het ermee eens dat, wil een overeenkomst publieke legitimiteit hebben, kritische maatschappelijke actoren en onafhankelijke wetenschappers op zinvolle wijze moeten zijn vertegenwoordigd?
Ja, ik vind het belangrijk dat er een goede balans bestaat in de vertegenwoordiging van partijen binnen het convenant. In de subsidiebeschikking en begroting voor de uitvoering van het convenant voor de periode 2026–2028 is ook uitgegaan van deelname van twee NGO’s. NGO’s vervullen een belangrijke rol vanuit het maatschappelijk belang en kunnen bijdragen aan het versnellen van transities. Dat geldt ook voor de transitie naar hernieuwbare grondstoffen voor potgrond en substraten.
Bent u ervan op de hoogte dat er momenteel geen echte koplopers uit de industrie, bijvoorbeeld telers die al volledig turfvrij telen, structureel zijn vertegenwoordigd bij het convenant en vindt u hun afwezigheid verenigbaar met een evenwichtig en toekomstgericht beleidsproces?
Telers worden binnen het convenant vertegenwoordigd door sectororganisaties zoals Glastuinbouw Nederland en Plantum. Koplopers uit de sector maken onderdeel uit van deze organisaties en worden daarmee in het convenant vertegenwoordigd.
Gaat u ervoor zorgen dat toekomstige processen over beleid rondom het gebruik van turf in de Nederlandse tuinbouwsector onafhankelijk worden voorgezeten en een evenwichtige vertegenwoordiging wordt gegarandeerd?
Ja, samen met de convenantspartijen zorg ik voor een evenwichtige vertegenwoordiging van partijen binnen het convenant Milieu-impact Potgrond en Substraten. Het convenant wordt voorgezeten door een onafhankelijk voorzitter.
Kunt u bevestigen dat de levenscyclusanalyse (LCA), die het centrale evaluatie-instrument van het convenant vormt, is gefinancierd door de lobby van de turfindustrie (Growing Media Europe, GME), dat de turflobby centraal is vertegenwoordigd in de expertcommissies van de LCA en dat de LCA gebruikmaakt van door de sector aangeleverde gegevens en dat er geen transparantie is over de gegevens waarop het instrument is gebaseerd?
De levenscyclusanalyse (LCA) is een belangrijk instrument om de milieu-impact van producten inzichtelijk te maken. De gebruikte methodiek sluit aan bij de Product Environmental Footprint Category Rules (PEFCR)-methodologie van de Europese Commissie (EC), die bedoeld is om duurzaamheidsprestaties op een gestandaardiseerde en transparante manier te berekenen. Hiermee wordt voorkomen dat verschillende, niet-vergelijkbare methoden naast elkaar bestaan en wordt het mogelijk om producten binnen een productgroep objectief te vergelijken. De methoden zijn gebaseerd op LCA’s en worden ontwikkeld in samenwerking met sectoren en belanghebbenden.
Voor sierteeltproducten wordt gewerkt met de FloriPEFCR en voor groente en fruit met de FreshProducePEFCR. Deze methoden berekenen op basis van zestien indicatoren de milieu-impact van respectievelijk snijbloemen en potplanten en groente en fruit. Om de impact van het gebruikte substraat te kunnen berekenen heeft Growing Media Europe (GME) samen met Blonk Consultants in 2018 een LCA methodiek voor substraten ontwikkeld, die aansluit op de PEFCR methodiek van de EC. Begin 2024 is de FloriPEFCR goedgekeurd door de EC. De FreshProducePEFCR zal naar verwachting dit jaar ter goedkeuring worden ingediend.
De ontwikkeling van de rekenmethodiek voor substraten heeft plaatsgevonden met betrokkenheid van sectorpartijen, waarbij gebruik wordt gemaakt van sectorspecifieke data. Tegelijkertijd wordt ingezet op het versterken van transparantie en onafhankelijk van de methodiek. In 2024 is de methodiek voor substraat geactualiseerd in samenwerking met producenten en kennisinstellingen, waaronder WUR en het Europese kenniscentrum voor substraten (RHP). De onderliggende database en richtlijnen worden verder ontwikkeld en zullen naar verwachting in 2026 openbaar beschikbaar worden gesteld. Daarnaast zullen zowel de database als de methodiek extern worden geverifieerd.
Met deze stappen wordt toegewerkt naar een transparante, controleerbare en wetenschappelijk onderbouwde methode voor het berekenen van de milieu-impact van potgrond en substraten.
Vindt u het gepast dat de onderzochte sector de financiering verzorgt, de gegevens aanlevert en deelneemt aan het beheer van het instrument dat zijn eigen milieuprestaties meet?
De betrokkenheid van de sector bij de ontwikkeling van de LCA methode is in de praktijk gebruikelijk, omdat de benodigde data en praktijkkennis grotendeels bij deze partijen aanwezig zijn. Tegelijkertijd vind ik het van belang dat de methode betrouwbaar, controleerbaar en onafhankelijk toepasbaar is. Daarom werk ik samen met de convenantspartijen toe naar een situatie, waarin de methodiek breed gedragen en onafhankelijk geborgd is. Dit wordt gedaan door de stappen die ik in antwoord 12 heb toegelicht en door aansluiting op de PEFCR methode. Tegen deze achtergrond acht ik de huidige werkwijze, in deze fase van ontwikkeling, gepast.
Bent u van plan een onafhankelijke, door de overheid gefinancierde LCA te laten uitvoeren met volledige datatransparantie en openbare toegang tot datasets en methodologische uitgangspunten?
Indien daartoe aanleiding bestaat nadat de database openbaar beschikbaar is gesteld en de externe verificatie van de rekenmethodiek en database heeft plaatsgevonden, ben ik bereid te onderzoeken of een aanvullende onafhankelijke LCA wenselijk is.
Bent u het ermee eens dat het aanvoeren van voedselzekerheid als algemene rechtvaardiging voor turfgebruik misleidend kan zijn als minder dan 25 procent van de substraten in de praktijk wordt gebruikt voor voedselproductie?
Ja. De bijdrage aan voedselzekerheid mag geen rechtvaardiging zijn om op lange termijn veen te blijven gebruiken in potgrond en substraten. Met het ondertekenen van het Convenant Milieu-impact Potgrond en Substraten onderschrijf ik het belang om veen in groeimedia te vervangen en gezamenlijk toe te werken naar een CO2-neutrale substraatketen. Het doel in 2050 is dat potgrond en substraten, gemiddeld over het totale ketenvolume, voor minimaal 90% uit hernieuwbare grondstoffen bestaan.
Bent u van plan in nieuw beleid onderscheid te maken tussen essentiële voedselproductie en niet-essentiële of luxe toepassingen van turf?
Nee, op dit moment zie ik geen aanleiding om een dergelijk onderscheid te maken in nieuw beleid. De opgave vraagt om verduurzaming over de volle breedte van de potgrond- en substratensector. Samen met de betreffende sectoren werken we, volgens de doelstellingen van het convenant, toe naar een keten waarbij minimaal 90% van het totale ketenvolume bestaat uit hernieuwbare grondstoffen.
Bent u ermee bekend dat in verschillende Europese landen al succesvolle grootschalige turfvrije tuinbouwsystemen bestaan en bent u bereid om actief in overleg te treden met onafhankelijke koplopers op dit gebied, zowel nationaal als internationaal, en op basis hiervan nationaal beleid vast te stellen?
Ja. Ik ben bekend met verschillende succesvolle, veenvrije tuinbouwsystemen in Europa. Ook in Nederland zijn er goede voorbeelden van telers die volledig veenvrij telen. Uit het eerdergenoemde onderzoek van WUR blijkt dat er grote verschillen bestaan tussen gewassen in de mate waarin veen kan worden vervangen voor hernieuwbare grondstoffen. Zo wordt bij de teelt van orchideeën al een hoog percentage hernieuwbare grondstoffen toegepast, terwijl bij sommige groenteteelten de omschakeling trager verloopt, omdat de nieuwe mengsels nog niet volledig uniform zijn en dit doorwerkt in de doorlopende teelt. Een geschikte voedingsbodem blijft daarbij essentieel voor een goede plantengroei en vormt het fundament voor de weerbaarheid van gewassen. Nederlandse telers en kennisinstellingen werken daarom gezamenlijk aan de ontwikkeling en toepassing van nieuwe, stabiele potgrond- en substraatmengsels.
Het Ministerie van LVVN staat in contact met koplopers op dit gebied. Ik ben bereid om dit verder te intensiveren en actief in overleg te treden met onafhankelijke koplopers, zowel nationaal als internationaal.
Bent u het ermee eens dat het uitsluiten van succesvolle turfvrije telers van structurele participatie in convenant- en beleidsprocessen het risico met zich meebrengt van een vertekend beeld van de technische haalbaarheid?
Ik ben het ermee eens dat het uitsluiten van succesvolle veenvrije telers kan leiden tot een vertekend beeld van de technische haalbaarheid. Ik ben ook van mening dat hiervan binnen het Convenant Milieu-impact Potgrond en Substraten geen sprake is.
Klopt het dat certificeringssystemen zoals Responsibly Produced Peat (RPP) certificaten afgeven voor grotere volumes dan ze certificeren via hun Chain of Custody, en dat RPP scenario's toestaat die na gebruik nog steeds kunnen leiden tot voortdurende drainage en de daarmee samenhangende CO2-uitstoot? Bent u bereid dit nader te onderzoeken en hierover met betrokken partijen het gesprek aan te gaan?
In Europa vindt verantwoorde veenwinning plaats onder het Responsibly Produced Peat (RPP)-keurmerk. Een belangrijke voorwaarde voor de certificering is dat veen niet wordt gewonnen in waardevolle natuurgebieden, maar in gebieden die reeds ontwaterd zijn. Daarnaast wordt van exploitanten verwacht dat zij maatregelen treffen om de natuurlijke omstandigheden van afgegraven gebieden te herstellen.
Het Chain of Custody (CoC) systeem van RPP volgt gecertificeerde veen vanaf de winning tot en met de productie. Daarbij wordt gebruikgemaakt van een zogenoemd massabalanssysteem. Dit betekent dat gecertificeerd en niet-gecertificeerd materiaal in de praktijk gemengd kunnen worden, zolang de totale hoeveelheid gecertificeerde veen die wordt ingekocht overeenkomst met de hoeveelheid die als zodanig wordt verkocht. Dit systeem biedt daarmee een administratieve borging op totaalniveau, maar geen volledige fysieke traceerbaarheid van gecertificeerde veen in individuele eindproducten. Dit systeem zegt iets over het inkoopbeleid van een bedrijf, en niet perse over de exacte inhoud van de specifieke zak potgrond.
Ik ben bereid in gesprek te gaan met de betrokken partijen over de werking van dit certificeringssysteem en de mogelijke effecten na veenwinning onder het RPP keurmerk.
Vindt u het wenselijk dat wij in Nederland, onder andere omwille van het klimaat, actief inzetten op herstel van veengebied en hervernatting, terwijl Nederland doorgaat met de import van turf met alle (klimaat)schade in winningsgebieden van dien?
Nee. Ik vind het op lange termijn niet wenselijk dat veen wordt geïmporteerd voor toepassing in potgrond en substraten. Juist daarom blijft mijn ministerie zich inzetten voor het behalen van de doelstellingen uit het convenant.
Bent u bereid om een duidelijk en ambitieus afbouwpad op te stellen voor turfwinning?
Het Convenant Milieu-impact Potgrond en Substraten bevat doelstellingen voor 2025, 2030 en 2050 om het aandeel hernieuwbare grondstoffen in potgrond en substraten te vergroten. Hiermee wordt gewerkt aan een geleidelijke vermindering van het gebruik van veen.
Bent u het ermee eens dat consumenten momenteel onvoldoende transparantie hebben (bijvoorbeeld op het gebied van etikettering of ingrediëntenlijsten) bij de aankoop van planten, waardoor het maken van weloverwogen, duurzame keuzes in de praktijk onmogelijk is en bent u van plan dit aan te pakken?
Ja. Ik ben het ermee eens dat consumenten op dit moment beperkt in staat zijn om bij de aankoop van bijvoorbeeld planten een weloverwogen keuze te maken op basis van duurzaamheid. Samen met de convenantspartijen wordt daarom ingezet op betere consumentenvoorlichting en meer transparantie in de markt.