Bent u bekend met het NRC-artikel «Vrouwen tussen de 31 en 40 jaar verzuimen veel en dat is écht een probleem, vindt de verzekeraar»?1
Ja, dit is mij bekend.
Herkent u het beeld van hoge uitval onder (jonge) vrouwen? Welke verklaringen ziet u voor de hoge uitval?
Dit beeld herken ik. Uit de Nationale Enquête Arbeidsomstandigheden (NEA 2023–2024)2 van het CBS en TNO blijkt dat ruim 60% van de vrouwelijke werknemers in de leeftijdscategorie 31–40 jaar aangeeft wel eens te hebben verzuimd in de afgelopen 12 maanden. Voor alle vrouwelijke werknemers is dit gemiddeld 55%3. Vrouwen van 31–40 jaar geven aan langer te hebben verzuimd (11 werkdagen ten opzichte van 9 werkdagen gemiddeld). Het ziekteverzuimpercentage (het aantal verzuimde dagen per 100 werkdagen) laat hetzelfde beeld zien. Die ligt voor vrouwen van 31–40 jaar hoger dan gemiddeld voor alle vrouwen (6,7% versus 5,7%).
Weleens verzuimd afgelopen 12 maanden
54,6
59,9
61,0
52,5
49,6
Hoe vaak verzuimd afgelopen 12 maanden
1,6
1,79
1,78
1,41
1,47
Hoeveel werkdagen verzuimd afgelopen 12 maanden
9,2
7,95
11,1
9,38
10,8
Ziekteverzuimpercentage
5,73
4,75
6,72
5.70
6,72
Bron: bewerking cijfers NEA 2023–2024
Als specifieke redenen voor het verzuim noemen vrouwelijke werknemers van 31–40 jaar vaker dan gemiddeld een te hoge werkdruk en emotioneel te zwaar werk als reden. Vrouwen van 31–40 jaar geven ook vaker dan gemiddeld aan een werk-privé disbalans te ervaren.
Kunt u beschrijven uit welke inkomensgroepen deze vrouwen afkomstig zijn, in welke sectoren zij werkzaam waren en wat voor soort banen zij hadden?
Volgens de NEA werken vrouwen in de leeftijdscategorie 31–40 het meest in de zorg, zakelijke dienstverlening, onderwijs en handel. Ze werken vaak in banen met een gemiddeld inkomen, op vaste contracten en met hoge taakeisen4.
Welk aandeel van deze groep stroomt in in de WIA of de Ziektewet?
Er zijn geen cijfers beschikbaar van het aandeel vrouwen van deze groep die verzuimt en vervolgens instroomt in de WIA of de Ziektewet.
Onderstaande tabel toont over een periode van vijf jaar (2021–2025) de totale instroom aan personen in de WIA, de instroom van het aantal vrouwen in de leeftijdsgroep 30 tot 40 jaar (30 t/m 39) in de WIA en dit aandeel uitgedrukt als percentage van de totale instroom van vrouwen.
Daarnaast is in onderstaande tabel de instroom van vrouwen in de leeftijdsgroepen 30 t/m 39 jaar ook uitgedrukt als percentage van het aantal verzekerden in dezelfde leeftijdsgroep. Per duizend verzekerde vrouwen in de groep 30 t/m 39 jaar kregen in 2025 negen vrouwen een nieuwe WIA-uitkering toegekend.
55.599
54.769
59.581
68.984
71.239
6.214
6.303
6.867
8.676
9.513
11%
12%
12%
13%
13%
0,7%
0,6%
0,7%
0,9%
0,9%
Bron: UWV
Onderstaande tabel toont over de periode 2021–2025 de totale instroom in de Ziektewet, de instroom van het aantal vrouwen in de Ziektewet in de leeftijdsgroep 30 t/m 39 jaar en dit aandeel vrouwen uitgedrukt als percentage van de totale instroom.
346.101
393.697
311.855
324.241
343.907
68.224
72.848
68.572
73.633
77.744
20%
19%
22%
23%
23%
Bron UWV
Voor de Ziektewet wordt de instroom van het aantal vrouwen niet uitgedrukt als percentage van het aantal verzekerden in dezelfde leeftijdsgroep. De instroom in de Ziektewet is namelijk niet representatief voor alle verzekerden maar beperkt zich tot specifieke groepen, waaronder vrouwen die ziek zijn als gevolg van zwangerschap of bevalling.
Kunt u uitsplitsen per leeftijdscategorie hoe vaak uitval voorkomt en hoe lang de uitval duurt bij vrouwen ten opzichte van mannen?
Uit onderstaande tabel blijkt dat in alle leeftijdscategorieën het aandeel dat heeft verzuimd, de verzuimfrequentie en het ziekteverzuimpercentage hoger ligt bij vrouwen dan bij mannen. Vooral het ziekteverzuimpercentage voor vrouwen van 31–40 jaar ligt aanmerkelijk hoger dan bij mannen. Bij mannen is het kortdurend verzuim in deze leeftijdsgroep het hoogste.
Man (21–30)
51,7
1,35
4,99
2,72
Vrouw (21–30)
59,9
1,79
7,95
4,75
Man (31–40)
54,2
1,33
7,13
3,59
Vrouw (31–40)
61,0
1,78
11,1
6,72
Man (41–50)
47,5
1,16
7,83
3,92
Vrouw (41–50)
52,5
1,41
9,38
5,70
Man (50+)
42,7
1,21
10,3
5,32
Vrouw (50+)
49,6
1,47
10,8
6,72
Bron: bewerking cijfers NEA 2023–202
Kunt u uitsplitsen vanuit welke contractvorm (vast, tijdelijk of uitzendkracht) deze vrouwen in de WIA instromen?
Onderstaande tabel toont over de periode van 2021–2025 de instroom in de WIA van vrouwen in de leeftijdsgroep 30 t/m 39 jaar naar type contractvorm.
Er is zowel een toename van vrouwen met een vast contract en een tijdelijk en oproepcontract.
2.651
2.744
3.346
4.262
4.504
2.281
2.386
2.293
3.004
3.545
603
529
534
619
531
679
644
694
791
933
6.214
6.303
6.867
8.676
9.513
Bron UWV
Kunt u aangeven welk deel van deze vrouwen een inkomen heeft dat ligt tussen de 80 en de 100% van het huidige maximumdagloon?
Onderstaande twee tabellen tonen over de periode 2021–2025 het percentuele aandeel van vrouwen in de leeftijdsgroep 30 t/m 39 jaar die zijn ingestroomd in de WIA en Ziektewet met een dagloon tussen 80–100 van het maximumdagloon. Deze instroom ligt hoger dan met een dagloon boven de 100% van het maximumdagloon.
5%
4%
5%
6%
5%
2%
2%
2%
3%
2%
5%
5%
5%
6%
6%
3%
3%
3%
3%
3%
Bron: UWV
Kunt u aangeven welk deel van de vrouwen uitvalt wegens vrouwspecifieke klachten?
Uit onderzoek5 blijkt dat vrouwspecifieke aandoeningen, zoals (1) bekkenbodemproblemen, (2) cyclusstoornissen en cyclus gerelateerde buikpijn, (3) hormonale problemen en (4) vulvaire klachten, vaak voorkomen en een grote impact hebben op de kwaliteit van leven. Gemiddeld krijgt elke vrouw minimaal een van de bovengenoemde vrouwspecifieke aandoeningen tijdens haar werkzame leven. Een groot deel van deze vrouwen ervaart zoveel hinder dat het dagelijks functioneren en werk hierdoor negatief beïnvloed wordt. Volgens cijfers van TNO6 over gezondheidsklachten bij vrouwen (gebaseerd op cijfers van de NEA 2023) gaat het om 39% van de vrouwelijke werknemers, ofwel 1,5 miljoen vrouwen. Dit leidt voor een deel van deze vrouwen ook tot verzuim. Van alle vrouwelijke respondenten heeft 56% zich het afgelopen jaar een keer ziekgemeld, tegenover 51% van de mannen. Ook geeft 66% van de vrouwen met hormoongerelateerde klachten aan dat zij minder werk gedaan krijgen bij klachten.
Kunt u aangeven welk deel van de vrouwen uitvalt wegens burn-outklachten?
Op basis van de NEA is niet vast te stellen welk deel van de vrouwen uitvalt vanwege burn-outklachten. Er wordt wel naar de soort klachten bij het laatste verzuim gevraagd, waarbij onderscheid is gemaakt naar psychische klachten, klachten in het bewegingsapparaat, griep/verkoudheid en overige klachten.
Onder psychische klachten vallen overspannenheid, burn-outklachten, vermoeidheid en concentratieproblemen. Het gaat dus om allerlei klachten die psychisch van aard zijn, waaronder ook het hebben van een burn-out of burn-outklachten. Gemiddeld verzuimt 9% van de vrouwen met psychische klachten. Bij jongere vrouwen in de leeftijdscategorieën 21–30 en 31–40 jaar komt dat iets vaker voor (respectievelijk 10% en 11,5%).
Welke stappen heeft het kabinet tot nu toe gezet om de hoge uitval onder vrouwen tegen te gaan? Welke middelen ziet u nog meer?
Met de Nationale Strategie Vrouwengezondheid zet het kabinet sinds 2025 extra in op aandacht voor vrouwengezondheid. Het gaat om meer aandacht en kennis over vrouwspecifieke aandoeningen en verbetering van diagnostiek, maar ook om meer bewustwording en bespreekbaarheid op de werkvloer van vrouwengezondheid.
Aan de hoge uitval van vrouwen op de arbeidsmarkt en daarmee ook verhoogde instroom in de WIA liggen zowel maatschappelijke, werkgerelateerde en individuele factoren ten grondslag. In lijn met de motie van het lid Neijenhuis7 brengen we samen met VWS de oorzaken en oplossingsrichtingen in kaart. Het kabinet zal de Kamer over de stand van zaken voor de volgende begrotingsbehandeling van SZW informeren.
Herkent u het in het artikel geschetste beeld dat ruimer (zorg)verlof de druk op vrouwen kan verlichten? Op welke manier neemt u de hoge uitval onder vrouwen mee bij het herzien van het verlofstelsel, zoals voorgenomen in het coalitieakkoord?
In het artikel wordt genoemd dat de zorgtaken tussen vrouwen en hun partner niet goed zijn verdeeld. Aangegeven wordt dat vrouwen hun carrière veelal moeten balanceren met de zorg voor kinderen en soms ook het verlenen van mantelzorg voor bijvoorbeeld ouders. Dit kan zorgen voor druk onder vrouwen. De verdeling van zorgtaken is in de eerste plaats een onderwerp van gesprek dat thuis plaatsvindt. De overheid faciliteert een gelijkwaardige verdeling van zorgverantwoordelijkheden tussen partners onder meer via het verlofstelsel en de Wet flexibel werken. Op dit moment wordt gewerkt aan de vereenvoudiging van het verlofstelsel met als doel het stelsel begrijpelijker en toegankelijker te maken voor zowel werknemers als werkgevers. Dit moet ervoor zorgen dat meer mensen het verlof opnemen en dit kan daarnaast bijdragen aan een betere balans tussen werk en privé.
Welke rol kan hervorming van het kinderopvangstelsel spelen? Kunt u in uw antwoord de in het artikel aangehaalde Scandinavische voorbeelden meenemen in uw antwoord?
Het nieuwe financieringsstelsel kinderopvang kent een hoge inkomensonafhankelijke vergoeding. Hierdoor wordt kinderopvang voor de midden en hoge inkomens aanzienlijk goedkoper. Bovendien wordt voor alle ouders de marginale druk lager. Meer verdienen (bijvoorbeeld door meer te gaan werken) zal namelijk niet langer voor een lager vergoedingspercentage zorgen. Omdat vrouwen nog altijd vaak de minst werkende en minstverdienende ouder zijn zal dit naar verwachting vooral voor hen positief uitpakken. Het nieuwe financieringsstelsel kinderopvang stimuleert daarmee gelijke arbeidsdeelname en een evenwichtigere werk en zorg verdeling tussen ouders.
Het kinderopvangstelsel in Scandinavische landen is wezenlijk anders dan in Nederland, maar net als daar wordt kinderopvang ook hier voor de meeste ouders veel beter betaalbaar. Daarnaast kan het nieuwe financieringsstelsel kinderopvang bijdragen aan een cultuurverandering. De nieuwe systematiek (zonder voorschotten en zonder kans op terugvorderingen) zorgt namelijk voor meer eenvoud en zekerheid voor ouders. Hierdoor kan het op termijn de norm worden om meer kinderopvang te gebruiken dan drie dagen per week. Een dergelijke normverandering is niet op voorhand te kwantificeren maar zal wel worden gemonitord.
Herkent u het in het artikel geschetste beeld dat er onvoldoende aandacht is voor overgangsklachten, terwijl er wel degelijk behandelingen zijn die helpen? Zo ja, kunt u reflecteren hierop en een breder beeld, onderbouwd met cijfers, schetsen van de problematiek rondom overgangsklachten op de werkvloer? Zo ja, wat gaat u doen om het taboe rond dit thema te doorbreken, in aanvulling op het bestaande protocol van arbo-artsen?
Ook zijn er initiatieven zoals het gratis VSA-spreekuur (Vrouwspecifieke aandoeningen) van AmsterdamUMC voor eigen medewerkers om vrouwen met hormonaal gerelateerde problemen te helpen en tijd tot diagnose te verkorten. Het blijkt dat dit spreekuur bijdraagt aan het bespreekbaar maken op de werkvloer en het doorbreken van het taboe. Op dit moment wordt onderzocht of dit initiatief landelijk kan worden ingezet.
Kunt u nader toelichten welke behandelingsmogelijkheden er reeds bestaan voor overgangsklachten en wat hierin de mogelijkheden voor vergoeding zijn? Kunt u tevens reflecteren op de bekendheid en toegankelijkheid van dergelijke behandelingen? Op welke concrete manier gaat u ervoor zorgen dat deze behandelingen breder bekend en toegankelijker worden?
Overgangsklachten kunnen op verschillende manieren behandeld worden. Wat het beste werkt, verschilt per vrouw en hangt van de ernst van de klachten af. Ook is het belangrijk dat onderliggende oorzaken en eventuele andere problemen worden uitgesloten. De belangrijkste behandelmogelijkheden zijn in grote lijnen:
De meeste van bovengenoemde behandelmethoden kunnen worden vergoed uit de basisverzekering als zij worden verricht door een huisarts of – na verwijzing – door een medisch specialist. Het eigen risico is niet van toepassing voor behandelingen bij de huisarts; wel bij de medisch specialist. Ook is voor medicatie soms een eigen bijdrage nodig. Overgangsconsulten en -behandelingen en alternatieve behandelingen worden vaak vergoed via een aanvullende verzekering.
Voor een grotere bekendheid en toegankelijkheid van dergelijke behandelingen is er Thuisarts.nl. Hier staan de mogelijkheden voor behandelingen, de richtlijnen8 en wordt in begrijpelijke taal informatie gegeven. Dit geldt eveneens voor de richtlijn overgang van de NVOG9. Daarnaast zijn er specifieke organisaties die vrouwen voorlichting geven rondom de overgang.
Zoals eerder in de Kamerbrief over het doorbreken van het taboe rondom de overgang en werk10 is aangegeven zijn er ook diverse maatregelen in gang gezet om het taboe rondom de overgang te doorbreken. Daarvoor verwijs ik naar het antwoord op vraag 13.
Wat vindt u van de oproep om vrouwengezondheid meer centraal te stellen? Hoe gaat u hier concreet uitvoering aangeven?
De werkconferentie Vrouwengezondheid op 4 februari jl. is een belangrijke stap geweest in de uitwerking van de Nationale Strategie Vrouwengezondheid 2025–203011. Met de Nationale Werkagenda Vrouwengezondheid zet het kabinet in op duidelijke ambities en concrete acties die bijdragen aan een langer leven in goede gezondheid voor alle meisjes en vrouwen in Nederland. De conferentie kenmerkte zich door een sterke betrokkenheid en duidelijke bereidheid tot samenwerking op het terrein van de vrouwengezondheid. Met de ondertekening van het convenant «Samen in actie voor betere vrouwengezondheid12» hebben twaalf partijen het belang van een gezamenlijke inzet op dit terrein benadrukt. Met het convenant spreken partijen verder af om ook zelf vrouwengezondheid blijvend op de agenda te zetten, eigen initiatieven te versterken, kennis en data te delen en samen nieuwe acties te starten. Dit doen zij onder andere door:
Op de site van ZonMw staat beschreven hoe organisaties ook zelf bij kunnen dragen aan de beweging naar een betere vrouwgezondheid. Het is een positieve ontwikkeling dat partijen ook daadwerkelijk samen in actie komen. Er zijn inmiddels 30 pledges13 ingediend. Het kabinet kijkt ernaar uit om verder samen te werken aan een Nationale Werkagenda Vrouwengezondheid. Met de werkagenda vrouwengezondheid, die op 25 juni 2026 wordt gelanceerd, zet het kabinet in op duidelijke ambities en concrete acties die bijdragen aan een langer leven in goede gezondheid voor alle meisjes en vrouwen in Nederland. Ook is het kabinet positief over de manier waarop verschillende initiatiefnemers elkaars initiatieven verder willen brengen, bijvoorbeeld op het gebied van het verminderen van ziekteverzuim. Voor de zomer wordt uw Kamer verder geïnformeerd over de uitwerking van de werkagenda, de monitoring en de overige ontwikkelingen op het gebied van vrouwengezondheid.
Kunt u de vragen afzonderlijk beantwoorden?
Ja.
Het artikel 'Ook Grieken overstag, regering wil verbod op sociale media voor kinderen' |
|
Jantine Zwinkels (CDA) |
|
Aerdts , David van Weel (VVD) |
|
|
|
|
Bent u bekend met het bericht «Ook Grieken overstag, regering wil verbod op sociale media voor kinderen»?1
Ja.
Hoe beoordeelt u het voornemen van Griekenland om kinderen tot 15 jaar de toegang tot sociale media te verbieden, mede in het licht van het coalitieakkoord waarin is opgenomen dat wordt gewerkt aan een handhaafbare Europese minimumleeftijd van 15 jaar voor sociale media met privacyvriendelijke leeftijdsverificatie?
Verschillende Europese lidstaten hebben wetsvoorstellen aangekondigd om een minimumleeftijd in te stellen voor sociale media. Lidstaten hebben de bevoegdheid om een minimumleeftijd voor te schrijven voor toegang tot bepaalde producten of online diensten, met inbegrip van sociale mediadiensten.
In het coalitieakkoord is het voornemen geuit voor een Europese minimumleeftijd van 15 jaar voor sociale media, zolang sociale media onvoldoende veilig zijn. Een minimumleeftijd op Europees niveau heeft mijn voorkeur, omdat sociale mediabedrijven grensoverschrijdend opereren. Het is daarom efficiënter om te kiezen voor een gezamenlijke oplossing en uniforme Europese regels, omdat dit versnippering tussen lidstaten voorkomt.
Welke concrete stappen zet het kabinet op dit moment in Europees verband om te komen tot die handhaafbare Europese minimumleeftijd van 15 jaar voor sociale media?
Nederland heeft tijdens de Informele Telecomraad van 29 en 30 april 2026 het belang uitgedragen van een Europese minimumleeftijd van 15 jaar voor sociale media met privacyvriendelijke leeftijdsverificatie, zolang sociale media onvoldoende veilig zijn. De Kamer zal hier op korte termijn via een verslag nader over worden geïnformeerd.
Daarnaast ga ik de komende periode mogelijkheden voor samenwerking verder verkennen door met verschillende lidstaten in gesprek te gaan. Ik heb onder meer een bijeenkomst op initiatief van Frankrijk bijgewoond, waar ik met andere Europese leiders en de Europese Commissie sprak over een Europese minimumleeftijd voor sociale media.
Tot slot voert de Universiteit van Amsterdam (UvA) momenteel een onderzoek uit naar de juridische inrichting van een Europese minimumleeftijd voor sociale media. Ik zal de resultaten van dit onderzoek uiterlijk voor het zomerreces publiceren.
Erkent het kabinet dat, in het licht van de ontwikkeling dat steeds meer landen overgaan tot een verbod, nu het moment is om tot een gezamenlijke aanpak te komen?
Het is belangrijk om tot een gezamenlijke Europese aanpak te komen, zoals ik heb aangegeven in de beantwoording van de vragen 2 en 3.
Trekt Nederland hierbij actief op met andere Europese lidstaten die eveneens willen komen tot strengere regels voor kinderen op sociale media, zoals Griekenland, Frankrijk, en Spanje? Zo ja, op welke wijze?
Zoals aangegeven in het antwoord op vraag 3, zal ik met verschillende lidstaten in gesprek gaan om te verkennen wat de mogelijkheden zijn voor samenwerking. Na deze gesprekken en de resultaten van het onderzoek van de UvA zal ik nagaan wat de meest geschikte vorm van samenwerking is.
Hoe wil het kabinet een Europese minimumleeftijd juridisch en technisch handhaafbaar vormgeven, in het bijzonder in relatie tot de Digital Services Act (DSA) en de door de Europese Commissie ontwikkelde leeftijdsverificatie-aanpak?
Zoals aangegeven in het antwoord op vraag 3 voert de UvA momenteel een onderzoek uit naar de juridische inrichting van een Europese minimumleeftijd voor sociale media. Daarbij wordt uiteraard ook ingegaan op de relatie tot de DSA als hoeksteen van het Europese platformrecht. De uitkomsten van dit onderzoek worden meegenomen bij de uitvoering van het coalitieakkoord.
Voor wat betreft de technische handhaafbaarheid, geldt dat online leeftijdsverificatie een belangrijk instrument kan zijn, mits fundamentele rechten en grondrechten zoals privacy, gegevensbescherming, non-discriminatie en digitale toegankelijkheid worden gewaarborgd. De toepassing moet proportioneel zijn en steeds per context worden afgewogen; er is geen one size fits all-oplossing. Om de ontwikkeling van privacyvriendelijke leeftijdsverificatie te ondersteunen, heeft de Europese Commissie een blauwdruk voor een Europese white-label leeftijdsverificatie-app gepubliceerd. Het kabinet verkent momenteel of de EU-blauwdruk app in Nederland geïmplementeerd kan worden of dat er ook andere mogelijkheden zijn voor implementatie van leeftijdsverificatie.
Uitstroom van beleggers uit woningfondsen |
|
Inge van Dijk (CDA), Hanneke Steen (CDA) |
|
Boekholt-O’Sullivan , Eerenberg |
|
|
|
|
Bent u bekend met het bericht «Vesteda poogt massale uitstroom beleggers uit woningfonds te beperken»?1
Ja.
Hoe beoordeelt u de signalen dat (internationale) beleggers op grote schaal kapitaal terugtrekken uit Nederlandse woningfondsen?
De verwachting is dat er door de redemptieverzoeken bij Vesteda huurwoningen worden uitgepond en er waarschijnlijk minder nieuwbouw wordt gepleegd. Dit baart het kabinet zorgen omdat een gezonde voorraad aan (midden)huurwoningen bijdraagt aan een goed functionerende woningmarkt.
Kunt u in kaart brengen wat de omvang is van de (verwachte) uitstroom van kapitaal uit Nederlandse woningfondsen in de afgelopen jaren en op dit moment met daarbij een onderscheidt tussen nationaal en internationaal kapitaal?
Het is onbekend hoeveel kapitaal er exact is uitgestroomd bij woningfondsen en welke investeerders redempties hebben aangevraagd. De nationaliteit van deze investeerders betreft geen openbare informatie. Het kabinet is niet bekend met vergelijkbare situaties als bij Vesteda. Aangezien Vesteda de grootste woningbelegger van Nederland is en investeerders hier slechts eens in de zeven jaar een dergelijke redemptie kunnen aanvragen, valt deze casus het meest op.
Naast dat (buitenlandse) investeerders via een woningfonds investeren, kunnen ze dit ook direct doen. De omvang van de woningfondsen geeft dus een beperkt beeld van het geïnvesteerde volume. Zo is de voorraad huurwoningen in bezit van internationale beleggers – zonder tussenkomst van een woningfonds – in 2025 gedaald tot ruim 72.500, terwijl dit in 2024 ruim 80.000 huurwoningen betrof.2
De afname van buitenlandse investeerders in nieuwbouw huurwoningen is een recente ontwikkeling. In 2022 kwam 32% van alle investeringen in nieuwbouw door private investeerders – dus exclusief de investeringen van woningbouwcorporaties – nog uit het buitenland. Dit is in 2025 gedaald naar 1%.3 Het vertrek van buitenlandse investeerders uit de Nederlandse woningmarkt is een zorgelijke ontwikkeling, omdat Nederland voor een grote nieuwbouwopgave staat in de huursector, waar veel investeringen voor nodig zijn. Nederlandse investeerders, private partijen en woningcorporaties gezamenlijk, hebben onvoldoende kapitaal om deze opgave in te vullen en dus zijn buitenlandse investeringen essentieel.
Welke gevolgen heeft deze uitstroom voor investeringen in de Nederlandse woningmarkt, in het bijzonder voor de bouw van (midden)huurwoningen en het aantal beschikbare huurwoningen?
In zijn algemeenheid leidt uitstroom van investeringen, indien deze niet gecompenseerd wordt door investeringen die instromen, tot uitponding van bestaande (midden)huurwoningen en in veel gevallen leidt het tot de bouw van minder nieuwbouw huurwoningen. Dit heeft uiteindelijk tot gevolg dat het tekort aan (betaalbare) huurwoningen oploopt.
Het kabinet blijft de voorraad huurwoningen monitoren, en werkt ondertussen door aan afspraken uit het Coalitieakkoord op dit belangrijke dossier. Namelijk door de wet- en regelgeving alsmede het fiscale klimaat op de huurmarkt zodanig vorm te geven dat het investeringsklimaat verbetert en het aanbod van huurwoningen weer kan toenemen. De eerste resultaten op dit vlak zijn inmiddels geboekt (zie ook het antwoord op vraag 15). Het kabinet gaat hier via de Ministeriële Taskforce Versnelling Woningbouw verder invulling aan geven. Na de zomer volgt het actieplan met daarin meer maatregelen en verdere uitwerkingen.
Kunt u daarnaast in kaart brengen wat het effect is van de uitstroom van institutioneel kapitaal op het behalen van de 70% voorverkoopeis bij gemengde woningbouwprojecten en hoeveel woningen hierdoor geraakt worden?
Institutionele beleggers nemen doorgaans een groot deel van een nieuwbouwproject op zich. Als een institutionele belegger instapt, wordt de eis van 70 procent voorverkoop vaak sneller gehaald. Het is niet mogelijk om exact in kaart te brengen wat het effect is van de uitstroom van institutioneel kapitaal op het behalen van de 70 procent voorverkoopeis bij gemengde woningbouwprojecten. Dit komt omdat er geen openbare data beschikbaar is over de mate waarin institutionele beleggers per project deelnemen en wat de exacte timing van hun betrokkenheid is.
Kunt u in kaart brengen hoe breed de problematiek van redemptieverzoeken speelt onder (internationale) pensioenfondsen en andere institutionele beleggers, en wat dit betekent voor de investeringscapaciteit in de Nederlandse woningmarkt?
Zoals in vraag 3 beantwoord is het kabinet niet bekend vergelijkbare situaties zoals die van Vesteda, maar blijft het kabinet de situatie monitoren en werkt het verder aan beleid om het investeringsklimaat te verbeteren. Indien grootschalige redemptie plaatsvindt, zonder dat genoeg investeerders instromen, leidt dit tot uitponding van bestaande (midden)huurwoningen en in veel gevallen leidt het tot de bouw van minder nieuwbouw huurwoningen. Dit zal ertoe leiden dat het tekort aan (betaalbare) huurwoningen oploopt.
Welke rol speelt de fiscale behandeling van buitenlandse pensioenfondsen bij hun bereidheid om in Nederland te investeren in woningbouw?
De mate waarin buitenlandse partijen – waaronder ook pensioenfondsen – bereid zijn om in de Nederlandse woningmarkt te investeren is afhankelijk van verschillende factoren. In de praktijk is het de optelsom van factoren die investeerders doet besluiten wel of niet in Nederland te investeren in Nederland. Uit cijfers van Capital Value blijkt dat het aandeel buitenlandse investeerders in nieuwbouw sinds een aantal jaren is afgenomen.4 Deze verschillende factoren en de verscheidenheid aan investeerders maken het niet mogelijk het precieze effect van de fiscale behandeling op het investeringsgedrag van pensioenfondsen aan te geven. Wel heeft het kabinet SEO Economisch Onderzoek onderzoek laten doen naar het investeringsklimaat voor middenhuur. SEO concludeert dat het investeringsklimaat sinds 2022 voornamelijk is verslechterd door een stijging van de rente, de regulering van de middenhuur en minder voorspelbaar overheidsbeleid door de hoge frequentie van beleidswijzigingen. SEO geeft daarbij aan dat de maatregel met de meeste impact op het investeringsklimaat in brede zin de regulering van de middenhuursector is. SEO heeft niet specifiek de situatie van buitenlandse pensioenfondsen onderzocht. Wel doet SEO de aanbeveling om de toepassing van de pensioenfondsvrijstelling in de vennootschapsbelasting bij buitenlandse pensioenfondsen nader te onderzoeken naar aanleiding van signalen hierover uit de praktijk.
De Nederlandse vennootschapsbelasting maakt geen onderscheid tussen binnenlandse en buitenlandse pensioenfondsen. Naast Nederlandse pensioenfondsen kunnen in het buitenland gevestigde pensioenfondsen (als zij vergelijkbaar zijn met Nederlandse pensioenfondsen) zich beroepen op de vrijstelling in de vennootschapsbelasting. Deze vrijstelling werkt ook door naar de dividendbelasting.5 In het buitenland gevestigde pensioenfondsen kunnen zich beroepen op de subjectieve vrijstelling in de vennootschapsbelasting als zij zich (nagenoeg) uitsluitend bezighouden met het uitvoeren van pensioenregelingen die naar aard en strekking overeenkomen met een Nederlandse pensioenregeling. Met het beleidsbesluit subjectieve vrijstelling Vpb is ingevuld wanneer sprake is van een pensioenregeling die naar aard en strekking overeenkomt met een Nederlandse pensioenregeling.6 De voorwaarden in het beleidsbesluit zijn gebaseerd op de Nederlandse Pensioenwet. Zoals ik heb toegelicht in de kabinetsreactie op het SEO onderzoek bekijkt de Belastingdienst momenteel zorgvuldig of en zo ja welke voorwaarden in het beleidsbesluit modernisering behoeven. Voor zover de knelpunten binnen het huidig rechtskader kunnen worden weggenomen kan dit gebeuren door middel van kennisgroepstandpunten die worden gepubliceerd op de website van de Belastingdienst en/of door aanpassing van het beleidsbesluit. Ter illustratie, onlangs is een tweetal kennisgroepstandpunten gepubliceerd om duidelijkheid te creëren over de toepasselijkheid van de pensioenfondsvrijstelling.7 Recent is het kabinet uitgebreider ingegaan op dit onderwerp naar aanleiding van vragen van andere leden van uw Kamer.8
Deelt u de opvatting dat ongunstige fiscale behandeling van buitenlandse pensioenfondsen ertoe kan leiden dat Nederland investeringen in de woningmarkt misloopt? Zo ja, hoe groot acht u dit effect?
Zie antwoord vraag 7.
Bent u bereid in kaart te brengen welke fiscale knelpunten buitenlandse pensioenfondsen ervaren bij investeringen in de Nederlandse woningmarkt en welke mogelijkheden er zijn om deze knelpunten weg te nemen?
Zoals in het vorige antwoord naar voren komt, is de aantrekkelijkheid van het investeringsklimaat een complex samenspel van factoren, zoals huur- en fiscaal beleid en macro-economische omstandigheden. In het nieuwsartikel en de bovengenoemde vragen worden enkele punten naar voren gebracht waaraan het kabinet werkt met als doel verbetering van het investeringsklimaat voor woningbouw. Zo is het kabinet voornemens het tarief van de overdrachtsbelasting voor investeerders te verlagen naar 7%. Daarnaast is het kabinet voornemens om voorafgaand aan de evaluatie de Wet betaalbare huur te optimaliseren om het aanbod van huurwoningen op peil te houden. Daarnaast is door het vorige kabinet – vanuit de wens om het investeringsklimaat te verbeteren – een versoepeling van de earningsstrippingmaatregel ingevoerd waarmee het maximale renteaftrekpercentage is verhoogd van 20% naar 24,5% van de gecorrigeerde winst.
Ten aanzien van de pensioenfondsvrijstelling gaat de Belastingdienst kijken in hoeverre de huidige voorwaarden in het beleidsbesluit subjectieve vrijstelling Vpb9 nog actueel zijn en modernisering behoeven. De voorwaarden in het beleidsbesluit zijn gebaseerd op de Nederlandse Pensioenwet en er wordt derhalve geen onderscheid gemaakt tussen binnenlandse en buitenlandse pensioenfondsen. Het toetsen aan de voorwaarden voor buitenlandse pensioenfondsen kan bewerkelijk zijn, bijvoorbeeld omdat buitenlandse pensioenregelingen vaak niet exact overeenkomen met Nederlandse pensioenregelingen.
Verder is het kabinet bekend met het signaal dat de wijziging van het fbi-regime een pijnpunt kan zijn voor vastgoedbeleggingen. Het terugdraaien van de aanpassing van het fbi-regime zou echter betekenen dat in bepaalde gevallen buitenlandse investeerders al dan niet onbedoeld opnieuw Nederlandse belastingheffing zouden kunnen ontlopen. Dit acht het kabinet geen evenwichtige situatie. Een andere mogelijkheid zou zijn om een zogenoemd REIT-regime te introduceren. Het introduceren van zo’n nieuw fiscaal regime is ook niet eenvoudig. In een Kamerbrief van 7 juni 2024 heeft het destijds zittende kabinet een aantal belangrijke aandachtspunten ten aanzien van een REIT-regime genoemd.10 Recent is het kabinet uitgebreider ingegaan op dit onderwerp naar aanleiding van vragen van andere leden van uw Kamer.11 Wat betreft de earningsstrippingmaatregel zal het kabinet – in navolging van de aanbeveling uit het SEO-rapport – verder verkennen of, en zo ja in hoeverre, de effecten van deze maatregel voor vastgoedbedrijven beter in beeld kunnen worden gebracht aan de hand van de bij de Belastingdienst beschikbare gegevens. Voor private verhuurders die investeren in de bouw van nieuwe middenhuurwoningen zoekt het kabinet in de Taskforce Versnelling Woningbouw naar aanvullende oplossingen om het investeringsklimaat te verbeteren. In het Actieplan van deze Taskforce zal het kabinet met een integraal plan komen ter verbetering van het investeringsklimaat voor het creëren van nieuwe, betaalbare huurwoningen. Het kabinet is direct aan de slag gegaan met de Taskforce en de eerste resultaten zijn geboekt.12
Zou u in de hiervoor genoemde verkenning naar fiscale knelpunten de in het nieuwsartikel genoemde afschaffing van de fiscale beleggingsinstelling (FBI)-status en de renteaftrekbeperking en de pensioenfondsvrijstelling willen meenemen?
Zie antwoord vraag 9.
Bent u hierover in gesprek met (internationale) beleggers en pensioenfondsen, en zo ja, wat zijn de belangrijkste signalen die u uit deze gesprekken ontvangt?
Het Ministerie van BZK/VRO is regelmatig in gesprek met investeerders over het investeringsklimaat en ook specifiek met verschillende investeerders en pensioenfondsen over de recente ontwikkelingen. In deze gesprekken komen verschillende signalen naar boven die verklaren waarom de investeringen zijn afgenomen. Een aantal Nederlandse pensioenfondsen geeft aan dat zij tegen de grenzen aanloopt van hoeveel zij kunnen investeren in de Nederlandse woningmarkt. Vanwege risico- en spreidingsoverwegingen is dat gelimiteerd. Door het verslechterde investeringsklimaat zijn met name buitenlandse investeerders minder bereid om in Nederlandse woningen te investeren. Nederlandse institutionele investeerders die wel nog investeringsruimte hebben, hebben ook moeite met het vinden van projecten die aan de rendementseisen voldoen.
Het kabinet krijgt signalen vanuit de markt dat de snel opeenvolgende wijzigingen in het huurbeleid en fiscale beleid hebben gezorgd voor instabiliteit en onvoorspelbaarheid en dus een minder aantrekkelijk investeringsklimaat. Ook hoort het kabinet in gesprekken met de sector dat indien de rente en/of bouwkosten stijgen, dat het dan nog lastiger wordt om investeringen in woningen rond te rekenen.
Waarom is er nog geen kabinetsreactie op het onderzoek naar het Investeringsklimaat middenhuur dat SEO Economisch Onderzoek heeft verricht in opdracht van het Ministerie van Volkshuisvesting en Ruimtelijke Ordening en het Ministerie van Financiën, terwijl dit samenhangt met belangrijke trajecten rondom middenhuur, investeringsklimaat en versnellen van de woningbouwproductie, en een belangrijke basis moet vormen voor realisatie van de afspraken uit de Woontop en concrete afspraken met investeerders?
Op 20 april jl. heeft het kabinet uw Kamer de kabinetsreactie op het onderzoek Investeringsklimaat middenhuur van SEO Economisch Onderzoek gestuurd. Vanwege de demissionaire status van het vorig kabinet tijdens publicatie van het onderzoek was dit nog niet gedaan.
Zou u in kaart willen brengen welke impact deze vertraging van de kabinetsreactie heeft op trajecten rondom middenhuur, investeringsklimaat en versnellen van de woningbouwproductie, maar ook voor realisatie van de afspraken uit de Woontop en concrete afspraken met investeerders?
Vertraging van de kabinetsreactie heeft op zichzelf geen impact op het investeringsklimaat en de woningbouw. Wel is het natuurlijk goed dat een nieuw kabinet is aangetreden en missionair het woningtekort kan aanpakken. Dit kabinet heeft hiervoor onder andere een Ministeriële Taskforce Versnelling Woningbouw ingesteld met als doel binnen zes maanden een integraal programma op te stellen dat de koers uitzet hoe zo snel als mogelijk de jaarlijkse realisatie van de gewenste 100.000 woningen per jaar bereikt kan worden. Eén van de opdrachten van de Taskforce is het verbeteren van het investeringsklimaat via stabiele fiscale kaders en stimulerende regelgeving.
Wat is de stand van zaken van het plan van aanpak om de verruimde staatssteunruimte voor middenhuur te benutten, zoals verzocht in de motie-Vedder c.s. (Kamerstuk 36 600-XXII, nr. 35)?
Het is goed nieuws dat de Europese Commissie op 16 december 2025 mogelijk heeft gemaakt om staatssteun in te kunnen zetten voor middenhuur. Op dit moment brengt het kabinet de verschillende mogelijkheden voor de implementatie in kaart, ook voor provincies en gemeenten. Er zijn verschillende opties denkbaar binnen de door de Europese Commissie gestelde kaders. Zoals Uw Kamer is toegezegd, wordt u vóór de zomer een plan van aanpak gepresenteerd. De gekozen optie zal worden uitgewerkt in een wijziging van de Woningwet.
Welke kansen ziet u om via publiek-private samenwerking (PPE-constructies), garantstellingen of andere instrumenten de investeringsbereidheid van (institutionele) beleggers in de middenhuur te vergroten, en hoe gaat u deze kansen concreet benutten?
In het coalitieakkoord is opgenomen dat de wet- en regelgeving alsmede het fiscale klimaat op de huurmarkt zodanig worden vormgegeven dat het investeringsklimaat verbetert en het aanbod van (midden)huurwoningen weer kan toenemen. In dat kader heeft het kabinet een Ministeriële Taskforce Versnelling Woningbouw ingesteld. Één van de opdrachten van de Taskforce is het verbeteren van het investeringsklimaat via stabiele fiscale kaders en stimulerende regelgeving.
Het kabinet is direct aan de slag gegaan met de Taskforce en de eerste resultaten zijn geboekt. Het kabinet zet een stap in de optimalisatie van de Wet betaalbare huur en de tijdelijke contracten voor alle studenten, zoals bedoeld in het coalitieakkoord. Concreet betekent dit: 1) het invoeren van een WOZ-opslag, 2) het afschaffen van minpunten bij het geheel ontbreken van buitenruimte, 3) een betere locatiewaardering kleine rijksmonumenten en 4) het mogelijk maken van een tijdelijk contract voor alle studenten. Naast deze maatregelen zal ik de tijdelijke nieuwbouwopslag voor middenhuurwoningen voor vier jaar verlengen, waardoor investeerders voor een langere periode extra ruimte krijgen voor de bouw van nieuwe middenhuurwoningen. En om het investeringsklimaat voor private verhuurders te verbeteren is in het coalitieakkoord reeds afgesproken dat de overdrachtsbelasting voor verhuurders wordt verlaagd naar 7%. In het integrale programma dat in september gepresenteerd wordt, zal er nader worden ingegaan ingaan op hoe het kabinet aan deze opdracht invulling geeft.
Het bericht 'Grote zorgen over afhandeling BOSA-aanvragen 2026' |
|
Inge van Dijk (CDA) |
|
Mirjam Sterk (CDA) |
|
|
|
|
Bent u bekend met het bericht «Grote zorgen over afhandeling BOSA-aanvragen 2026»?1
Ja.
Kunt u uitleggen waarom is gekozen voor een lotingssystematiek, terwijl veel verenigingen aantoonbaar tijdig hun aanvraag hebben ingediend? Waarom is deze objectieve volgorde van binnenkomst losgelaten?
Het besluit om de verdeelwijze van het budget op volgorde van binnenkomst van complete aanvragen los te laten is niet lichtzinnig genomen. Zoals aangegeven in de Verzamelbrief Sport en Bewegen april 20262 hebben aanvragers door de storing niet allemaal een eerlijke en gelijke kans gehad tot het indienen van hun subsidieaanvraag. Om iedereen een gelijke kans te geven heb ik besloten de verdeelwijze van het beschikbare budget van de BOSA aan te passen naar rangschikking van de complete aanvragen op basis van loting.
Hoe rechtvaardigt u dat verenigingen die zorgvuldig en tijdig hebben gehandeld, door een willekeurige loting alsnog worden uitgesloten? Deelt u de opvatting dat dit het vertrouwen in een voorspelbare en rechtvaardige overheid ondermijnt?
Door de storing was verdeling van het budget op volgorde van binnenkomst geen gelijke en eerlijke methodiek meer. Met loting heeft elke BOSA-aanvrager een gelijke kans om aanspraak te maken op subsidie. De loting zal voor sommigen positief uitvallen en voor anderen een mogelijke teleurstelling zijn. Ik betreur met u dat deze storing heeft plaatsgevonden en zal er alles aan doen om dit in de toekomst beter vorm te geven.
Bent u zich ervan bewust dat dit besluit leidt tot concrete en schrijnende situaties bij verenigingen die hierdoor hun plannen moeten stilleggen? Hoe weegt zij deze gevolgen in het licht van behoorlijk bestuur?
Ik ben me ervan van bewust dat dit vervelende situaties oplevert en dat betreur ik. Tegelijkertijd betekent het doen van een aanvraag nog niet dat er een recht op subsidie ontstaat. Daar komt bij dat ook bij verdeling op volgorde van binnenkomst zich schrijnende situaties hadden voorgedaan bij organisaties die vanwege de storing geen aanvraag hadden kunnen doen. Elke verdeelsystematiek sluit aanvragen in en uit.
Een wijziging van de regeling met terugwerkende kracht die nadelige gevolgen heeft voor een bepaalde groep ontvangers is niet wenselijk in het kader van het rechtszekerheidsbeginsel. Anderzijds moet ik op grond van het gelijkheidsbeginsel potentiële gegadigden gelijke kansen bieden bij de verdeling van subsidie. Op grond van de bestaande jurisprudentie weegt het gelijkheidsbeginsel zwaarder dan het rechtszekerheidsbeginsel.
Waarom is er niet gekozen voor een alternatieve verdelingssystematiek die beter aansluit bij rechtszekerheid en gelijke behandeling, zoals volgorde van binnenkomst of inhoudelijke prioritering?
Zoals ik in eerdere antwoorden heb toegelicht was een gelijke verdeelvolgorde op volgorde van binnenkomst door de storing niet meer mogelijk. Een volgorde op basis van inhoudelijke prioritering is niet wenselijk, aangezien je daarmee criteria zou toevoegen waarop aanvragers worden beoordeeld waar zij niet op hebben kunnen anticiperen. Daarom is de inschatting gemaakt dat rangschikking op basis van een loting het meest recht doet aan het bieden van een gelijke kans voor BOSA-aanvragers.
Hoe beoordeelt u de positie van verenigingen die aantoonbaar tijdig hebben ingediend en op basis daarvan gerechtvaardigde verwachtingen hadden over de behandeling van hun aanvraag?
Het wijzigen van de verdeelvolgorde is een vervelende uitkomst voor de verenigingen die het wel tijdig is gelukt om een aanvraag in te dienen en die een slechtere positie bij de loting hebben gekregen. Het doen van een tijdige aanvraag betekent echter nog niet dat er een recht op subsidie ontstaat. Er was immers ook nog een kans dat de aanvraag die tijdig was ingediend op andere gronden zou worden afgewezen, bijvoorbeeld als de activiteiten niet binnen de BOSA passen of als de aanvraag incompleet zou zijn.
Herkent u de signalen dat verenigingen tijdens technische problemen bij de aanvraagprocedure geen gehoor konden krijgen? Hoe verhoudt dit zich tot de zorgplicht van de overheid richting aanvragers?
Ik vind het vervelend voor aanvragers als zij niet altijd direct gehoor kregen met vragen over de storing. Door het grote aantal aanvragers dat gelijktijdig contact opnam konden zij niet altijd direct telefonisch geholpen worden en zijn zij soms verwezen naar het schriftelijke formulier. Ondanks de drukte en ontstane wachttijden bij de telefoonlijn van DUS-I is het klantcontactcentrum niet gesloten en operationeel gebleven. DUS-I heeft daarnaast met BOSA-alerts ingezet op het informeren van de doelgroep over de status van het portaal en de uiteindelijke sluiting van het aanvraagportaal vanwege de overvraging van het subsidieplafond.
Welke concrete stappen gaat u zetten om te voorkomen dat aanvragers in de toekomst opnieuw afhankelijk worden van een systeem dat als willekeurig wordt ervaren, en om de procedure aantoonbaar eerlijker en transparanter te maken?
Ik trek lering uit de gevolgen van deze storing en neem deze lessen mee in de vormgeving van de regeling voor komende jaren. Zowel de gebruiksvriendelijkheid van het portaal als de verdeelwijze van het beschikbare budget zal hierbij tegen het licht gehouden worden.
Herkent u de signalen dat het aanvragen van de BOSA in toenemende mate complex aan het worden is en veel sportverenigingen om die reden ervoor kiezen de aanvraagprocedure over te laten aan externe partijen? Hoe beoordeelt u in het licht van deze toenemende complexiteit het gelijke speelveld voor het aanvragen van de subsidie tussen de sportverenigingen?
Significant heeft eerder de doeltreffendheid en doelmatigheid van de BOSA onderzocht. Zo stelt Significant dat uit de interviews blijkt dat aanvragen goed te doen zijn voor de gemiddelde penningmeester en dat de administratieve lasten bij het doen van een subsidieaanvraag schappelijk zijn.3 De aanvraagprocedure is sinds dit onderzoek niet substantieel gewijzigd. Ik zie niet hoe de inzet van intermediairs het gelijke speelveld voor het aanvragen van de subsidie tussen de sportverenigingen onder druk zou zetten: de regels zijn voor iedereen hetzelfde.
Het recht op onderwijs voor kinderen in de opvang |
|
Lisa Westerveld (GL), Wimar Bolhuis (PvdA) |
|
Bart van den Brink (CDA), Letschert |
|
|
|
|
Wat vindt u van de constatering van de Inspectie van het Onderwijs dat er de afgelopen jaren geen verbetering is gekomen voor de eerder geïdentificeerde problemen rond het onderwijs voor kinderen in de noodopvang?1
Bent u ingegaan op het verzoek van de Inspectie van het Onderwijs om met hen in gesprek te gaan over de al jarenlang gesignaleerde problematiek in de noodopvang en hun aanbevelingen? Zo ja, wat is de uitkomst van dat gesprek? Zo nee, gaat u dit doen en op welke termijn?
Bent u het ermee eens dat continuïteit van de schoolloopbaan, ook als jongeren meerderjarig worden, van groot belang is voor een ononderbroken ontwikkeling en het voltooien van de schoolloopbaan – voor de jongere, de samenleving en de economie?
Hoe komt het dat de ononderbroken toegang tot onderwijs voor kinderen in noodopvang nog steeds niet goed is geregeld, ondanks dat de Inspectie al jaren aan de bel trekt?
Bent u het ermee eens dat hiermee de rechten van kinderen zoals onder meer beschreven in het Internationale Kinderrechtenverdrag, specifiek artikel 6 op ontwikkeling, worden geschonden en hoe verenigt u deze problematiek met de Leerplichtwet?
Is het door een onafhankelijke partij – niet zijnde de overheid –, zoals de Landsadvocaat, juridisch getoetst of Nederland wel of niet aan het Internationale Kinderrechtenverdrag voldoet inzake het onderwijs aan kinderen uit de noodopvang of de reguliere opvang? Zo nee, waarom niet?
Welke concrete maatregelen gaat u nemen om de toegang te waarborgen voor alle kinderen?
Worden er nog andere artikelen uit het Kinderrechtenverdrag geschonden?
Hoeveel kinderen tussen de 5 en 18 jaar in de noodopvang en de reguliere opvang staan momenteel op de wachtlijst voor onderwijs, uitgesplitst naar onderwijssector?
Hoeveel kinderen in de noodopvang en in de reguliere opvang moesten in 2025 langer dan de de wettelijke termijn van 3 maanden wachten om naar onderwijs geleid te worden?
Klopt het dat het voorkomt dat deze termijn van 3 maanden bij iedere nieuwe verhuizing opnieuw als norm gehanteerd wordt, ondanks dat de termijn officieel slechts eenmalig geldt voor kinderen en jongeren die net in Nederland zijn aangekomen? Zo ja, bij hoeveel kinderen bleek dit in de afgelopen 3 jaar het geval?
Hoe groot is momenteel het capaciteitstekort over heel Nederland om kinderen in de noodopvang en in de reguliere opvang ononderbroken onderwijs te kunnen bieden?
In welke regio’s is er sprake van een capaciteitstekort om onderwijs te voorzien voor alle in die regio gevestigde kinderen in de noodopvang en in de reguliere opvang?
Heeft u zicht op hoe vaak kinderen in de noodopvang en in de reguliere opvang verhuizen en hoeveel onderwijstijd ze daardoor verliezen? Zo ja, kunt u deze cijfers delen? Zo nee, kunt u dit aantal verhuizingen en de daardoor verloren onderwijstijd in kaart brengen?
Wat gaat u doen om te voorkomen dat kinderen in de noodopvang en in de reguliere opvang door frequente verhuizingen onderwijstijd missen en steeds een nieuwe school en nieuwe leerlingen moeten leren kennen?
Hoe staat het met de uitvoering van de ambitie uit het regeerakkoord om ervoor te zorgen dat kinderen niet continu verhuisd worden en welke acties zijn er al ondernomen? Welke acties gaat u ondernemen om dat continu verhuizen te voorkomen?
Klopt het dat kinderen in de noodopvang die over enkele maanden 18 worden, niet meer toegelaten worden tot onderwijsvoorzieningen voor kinderen in de noodopvang en blijven de bewuste kinderen daardoor langer op de wachtlijst? Hoe zit dit voor kinderen in de reguliere opvang?
Welke oplossingen voorziet u om te garanderen dat ieder kind toegang tot onderwijs krijgt, ook als ze binnen enkele maanden 18 worden?
Overweegt u daarbij meer flexibiliteit te voorzien waardoor kinderen in de noodopvang of in de reguliere opvang in het jaar dat ze 18 worden het leerjaar kunnen afmaken, ook nadat ze meerderjarig zijn geworden? Zo niet, waarom niet?
Welke mogelijkheden ziet u om de capaciteit van onderwijs voor kinderen in de noodopvang of in de reguliere opvang op te schalen zodat er geen wachtlijsten meer zijn en welke van die mogelijkheden zult u benutten en welke niet? En waarom die keuze?
Welke acties gaat u ondernemen om tekorten aan gekwalificeerde docenten voor onderwijs voor kinderen in de noodopvang en in de reguliere opvang op te lossen?
Hoeveel bijkomende financiering zou er nodig zijn om alle wachtlijsten voor onderwijs voor kinderen in de noodopvang en in de reguliere opvang weg te werken?
Kunt u dat budget vrijmaken? Zo nee, waarom niet?
Aangezien de verantwoordelijkheden over het garanderen van toegang tot onderwijs voor kinderen in noodopvang over vele partijen versnipperd is, wat zal u doen om meer coördinatie te garanderen? Zal het Rijk hier meer regie op pakken?2
Kunt u deze vragen afzonderlijk van elkaar beantwoorden?
Strafbaarstelling van kritiek op de Chinese regering |
|
Raymond de Roon (PVV) |
|
Berendsen |
|
|
|
|
Kent u het bericht dat per 1 juli 2026 in China een wet in werking treedt die kritiek op de regering strafbaar stelt?1
Is het juist dat ook personen die buiten China kritiek op de Chinese regering uiten daardoor strafbaar zijn en bij aankomst in China daarom gearresteerd kunnen worden?
Indien de vorige vraag door u niet ontkennend beantwoord kan worden, wat gaat u dan doen om Nederlanders die naar China willen gaan te waarschuwen dat zij het risico lopen in China gearresteerd te worden als zij eerder kritiek op de Chinese regering hebben geuit?
Heeft de bedoelde wet terugwerkende kracht voor daden die gepleegd zijn vóór de inwerkingtreding van die wet?
Is in die wet duidelijk omschreven wat wordt verstaan onder kritiek op de Chinese regering?
Klopt het dat daaronder ook wordt verstaan het uiten van gedachten die in strijd zijn met de Chinese claim dat Taiwan en inwoners van Taiwan onderdeel zijn of moeten zijn van de Volksrepubliek China?
Wilt u deze vragen voor 30 juni beantwoorden?
De berichten dat de nieuwe kerncentrales in Eemshaven of Terneuzen gaan komen |
|
Sjoukje van Oosterhout (GroenLinks-PvdA) |
|
de Bat |
|
|
|
|
Bent u bekend met de berichten «Eemshaven in Groningen toch weer in beeld voor nieuwe kerncentrales» en «Twee grote kerncentrales? Ook Terneuzen staat niet te springen»?1, 2
Herinnert u zich de toezegging van het vorige kabinet aan de provincie Groningen dat er in Groningen geen kerncentrales zouden komen, mede als erkenning van de gaswinningsproblematiek en de aardbevingsschade die de regio heeft getroffen? Bent u het ermee eens dat het huidige kabinet gebonden is aan deze toezegging? Bent u bereid deze belofte onvoorwaardelijk te herbevestigen?
Aangezien de Kamer zich eerder heeft uitgesproken tegen het opleggen van kerncentrales aan Groningen, hoe verhoudt het toch doorzetten van de Eemshaven als onderzoekslocatie zich tot deze uitspraak van de Kamer? Beschouwt u dit als een schending van eerder gemaakte afspraken?
Heeft u kennisgenomen van de stelling van wethouder Dijkhuis van gemeente Het Hogeland dat Den Haag het gebied «erin gerommeld» heeft? Hoe reflecteert u hierop? Wat doet deze keuze volgens u met de bestuurlijke verhoudingen tussen het kabinet en Groningen? Welke concrete stappen gaat u zetten om het vertrouwen te herstellen?
Heeft u kennisgenomen van de stelling van Tennet dat plaatsing van kerncentrales in Terneuzen grootschalige knelpunten in het hoogspanningsnet veroorzaakt waardoor windturbines zullen moeten worden uitgeschakeld? Hoe weegt u dit verlies aan hernieuwbare capaciteit van wind op zee af tegen de veronderstelde winst van nieuwe kerncentrales op die locatie?
Heeft u er kennis van genomen dat Tennet als oplossing voor het gebrek aan afnemers in Zeeland schetst dat stroom uit kerncentrales naar waterstofproductie of nieuwe datacenters zou moeten gaan? Is kabinet bereid miljarden aan publieke investeringen in het net te doen ten behoeve van stroomafname door energie-intensieve (tech)bedrijven? Zo ja, hoe verhoudt dit zich tot het publieke belang?
Is het vestigen van een vaorkeursrecht op grond in zowel Eemshaven als Terneuzen, terwijl beide locaties aantoonbare en door Tennet erkende technische en/of maatschappelijke bezwaren kennen, niet in feite al een locatiekeuze in plaats van een stap in een open onderzoeksfase?
Wanneer is voor u een locatie technisch of maatschappelijk ongeschikt genoeg om definitief af te vallen, aangezien het afgelopen jaar zeven locaties zijn onderzocht, waarvan vijf zijn afgevallen vanwege ruimtelijke, ecologische of netgerelateerde bezwaren, terwijl de twee overgebleven locaties eveneens aanzienlijke bezwaren kennen? Wat moet er gebeuren om de plannen voor twee kerncentrales definitief te staken?
Kunt u deze vragen voorafgaand aan het commissiedebat Kernenergie op 2 juli 2026 beantwoorden?
Bent u op de hoogte van de situatie in Utrecht en Zuid-Limburg waarbij hoogzwangere vrouwen hun eerder toegezegde kraamzorg alsnog verliezen?1
Kunt u zich voorstellen welke onzekerheid dit teweeg brengt bij zwangere vrouwen?
Hoe kan het gebeuren dat vrouwen zo kort voor de bevalling te horen krijgen dat reeds toegezegde kraamhulp toch niet beschikbaar is?
Bent u het ermee eens dat een dergelijke gang van zaken onaanvaardbaar is en vanaf nu voorkomen moet worden? Zo ja, wat gaat u daaraan doen? Zo nee, waarom niet?
Welke verantwoordelijkheid hebben kraamzorgorganisaties wanneer zij eerder toegezegde zorg niet meer kunnen leveren?
Hoe wordt voorkomen dat door deze gang van zaken de kwaliteit en veiligheid van de zorg voor moeder en kind in gevaar komen?
Kunt u in het bijzonder toelichten wat er wordt gedaan om te voorkomen dat juist kwetsbare vrouwen en gezinnen de komende zomer geen toegang hebben tot kraamzorg?
Kunt u aangeven hoe zorgverzekeraars hun zorgplicht in deze situatie hebben ingevuld?
Kunt u garanderen dat vrouwen die op deze manier noodgedwongen in een kraamhotel terecht komen niet met extra kosten (voor bijvoorbeeld vervoer of verblijf) te maken krijgen? Als dit onverhoopt wel het geval is, worden deze gezinnen hiervoor gecompenseerd door de zorgaanbieder of de verzekeraar?
Welke ondersteuning krijgen gezinnen die geen gebruik kunnen of willen maken van een kraamhotel?
Zijn bij u signalen bekend dat dit ook in andere regio’s speelt?
Kunt u toelichten welke (regionale) afspraken er zijn gemaakt om te garanderen dat elke vrouw de kraamzorg krijgt waar zij gewoon recht op heeft?
Bieden deze afspraken naar uw overtuiging voldoende zekerheid voor vrouwen?
Hoe wordt de regionale ongelijkheid aangepakt nu sommige delen van Nederland blijkbaar met méér tekorten kampen dan andere?
Bent u bereid om op korte termijn extra financiële middelen beschikbaar te stellen voor verbetering van arbeidsvoorwaarden in de kraamzorg, waaronder salaris en wachttijden?
Kunt u inmiddels verduidelijken of wachtdiensten van kraamverzorgenden als arbeidstijd of als rusttijd moeten worden aangemerkt en dienovereenkomstig beloond moeten worden?2
Waarom ontbreekt er nog steeds een serieuze aanpak van de crisis in de kraamzorg, gezien het feit dat kraamverzorgenden en de Tweede Kamer hier kéér op kéér toe hebben opgeroepen? Kunt u inzichtelijk maken wat u hebt gedaan met alle eerdere aanbevelingen om de noodsituatie in de kraamzorg snel aan te pakken, van begin tot eind, van opleiding tot vergoedingen voor reizen en wachten?
Hoe staat het inmiddels met de uitvoering van de moties Dijk/Dobbe3, Bikker c.s.4, Dobbe/Van Dijk5, Van Dijk c.s.6, Coenradie7 en Van Meetelen/Van Dijk8? Ziet u in dat uw aanpak tot nu toe niet voldoet aan de oproepen van de Tweede Kamer?
Het artikel ‘Inwoners grensdorp kunnen voordeur naar België verplaatsen: ’Ziektekosten, wegenbelasting en huur zijn lager’’ |
|
Mona Keijzer |
|
Boekholt-O’Sullivan |
|
Bent u op de hoogte van berichtgeving over situaties in grensgemeenten, zoals in Baarle, waar een appartementencomplex zowel een Nederlandse als een Belgische voordeur heeft vanwege verschillen in regelgeving?1
Bent u op de hoogte van het feit dat aan de Nederlandse zijde van een dergelijk perceel geen extra woningen mochten worden gerealiseerd vanwege gemeentelijke regels, terwijl dit aan de Belgische zijde wél mogelijk bleek?
Deelt u de opvatting dat dergelijke casussen illustreren dat regelgeving in Nederland knellender kan uitpakken dan in buurlanden en daarmee ongewenste prikkels creëert? Is het mogelijk dat dergelijke regels ontstaan zijn in de jaren dat Nederland nog dacht te krimpen?
Wat vindt u van het feit dat beperkingen worden gesteld, zoals maximale bouwhoogtes, bebouwingspercentages en functiebestemmingen, die het realiseren van extra woningen kunnen beperken of uitsluiten?
Hoe beoordeelt u het dat gemeenten via deze planregels feitelijk kunnen voorkomen dat extra woningen worden toegevoegd, ook in gebieden met een groot woningtekort?
Deelt u de opvatting dat procedures, die in de praktijk maanden tot jaren kunnen duren, een rem zetten op het tempo waarin nieuwe woningen worden gerealiseerd?
Hoe beoordeelt u de stapeling van regels uit omgevingsplannen, huisvestingsverordeningen en Algemene Plaatselijke Verordeningen in relatie tot de nationale woningbouwopgave?
Hoe beoordeelt u het risico dat vergelijkbare woninginitiatieven in de ene gemeente wel en in de andere gemeente niet mogelijk zijn vanwege lokaal beleid?
Kunt u aangeven hoe vergunningplichten voor het splitsen, samenvoegen of verkameren van woningen ertoe leiden dat het aantal feitelijk beschikbare woonruimten wordt beperkt? Hoe komen we daarvan af?
Kunt u een integraal overzicht geven van de relevante hervormingen, beleidswijzigingen en regelgeving van de afgelopen decennia (waaronder veranderingen in de invullingsvrijheid van bestemmings- en omgevingsplannen, huisvestingsverordeningen, vergunningplichten en bepalingen in Algemene Plaatselijke Verordeningen) die direct of indirect hebben bijgedragen aan het beperken van woningbouw en woningvorming, en daarmee aan het vastlopen van de woningmarkt?
Klopt het dat de regels die het aantal woningen in het bestemmings- of omgevingsplan niet laten toenemen, het splitsen van bestaande woningen beperken, wonen in bijgebouwen verbieden of wonen in aanbouwen verbieden het toevoegen van woningen bemoeilijken? Zijn er mogelijkheden om deze landelijk en generiek te schrappen? Zo ja, hoe? Bent u bereid dat te doen?
Welke maatregelen bent u verder bereid te treffen om te voorkomen dat lokale regelgeving het realiseren van extra woningen onnodig belemmert? En op welke termijn zijn deze maatregelen te verwachten? En neemt u in uw overwegingen het opleggen van een instructiebesluit mee? Zo nee waarom niet? Zo ja, hoe en binnen welke termijn?
Het bericht dat het natuurvriendelijk inrichten van oevers goedkoper is dan wegvangen voor de aanpak van uitheemse rivierkreeftensoorten |
|
Ines Kostić (PvdD) |
|
van Essen , Vincent Karremans (VVD) |
|
|
|
|
Bent u bekend met het onderzoeksrapport van adviesbureaus ATKB en Haskoning, waaruit blijkt dat het natuurvriendelijker inrichten van oevers op de lange termijn veel goedkoper is dan het wegvangen van uitheemse rivierkreeftensoorten?1
Deelt u de mening dat inzetten op een instrument als wegvangen (doden), dat € 475 per m2 kost, een slechtere besteding is van belastinggeld dan inzetten op een oplossing van € 320–€ 360 per m2 (natuurvriendelijke oevers), zeker als deze goedkopere oplossing een effectieve en zogenaamde no-regret maatregel is? Zo nee, waarom niet?
Gelet op het feit dat een eerste indicatie van hoogheemraadschap Rijnland laat zien dat voor het «beheersmatig wegvangen» van rivierkreeften een bedrag nodig is van zo’n 20 tot 25 miljoen euro per jaar, wat landelijk neer zou komen op ongeveer 400 tot 500 miljoen euro per jaar; deelt u de mening dat dit heel veel geld is voor een oplossing die niet structureel is, aangezien rivierkreeften gelijk zullen terugkeren zodra het wegvangen stopt? Zo nee, waarom niet?2
Kunt u beamen dat het onderhoud van natuurvriendelijke oevers in het algemeen goedkoper is dan onderhoud van niet-natuurvriendelijke oevers, zoals blijkt uit het onderzoek?
Is het niet bij een beperkt budget de meest financieel verantwoordelijke beslissing om zo veel mogelijk in te zetten op het natuurvriendelijk maken van oevers? Zo nee, waarom niet?
Wat vindt u van het onderzoeksresultaat dat het creëren van natuurvriendelijke oevers in Leiden heeft gezorgd voor een afname van 17 keer het aantal rivierkreeften aldaar [KI5]? Welke lessen trekt u hieruit voor uw beleid? Gaat u naar aanleiding hiervan uw beleid nog aanscherpen en zo ja, op welke punten?
Bent u ermee bekend dat uit het onderzoek blijkt dat ook in de omliggende gebieden van de pilot met natuurvriendelijke oevers een vermindering van rivierkreeften te zien was? Neemt u dit uitstralende effect ook mee in het afwegingskader Aanpak invasieve exoten? Zo nee, waarom niet?
Bent u het eens met het onderzoek van OBN Natuurkennis dat, naast natuurvriendelijke oevers, andere ecologische maatregelen die robuuste watersystemen versterken toegepast moeten worden om onze natuur te herstellen en te komen tot een gezonde balans?3 Zo nee, waarom niet?
Kunt u beamen dat het creëren van natuurvriendelijke oevers ook een gunstig effect heeft op de waterkwaliteit en daarmee bijdraagt aan het behalen van de doelen van de Kaderrichtlijn Water?
Kunt u beamen dat hiermee sprake is van een win-win situatie: invasieve exoten worden aangepakt, de natuur wordt versterkt, natuurdoelen komen dichterbij, water wordt schoner en gezonder en de kosten op lange termijn liggen vele malen lager? Zo nee, waarom niet?
Bent u bereid de uitkomsten en berekeningen uit dit het eindrapport van adviesbureaus ATKB en Haskoning te verwerken in het landelijk aanvalsplan invasieve exoten en het bijbehorende afwegingskader, in lijn met de aangenomen motie-Kostić?4 Zo ja, op welke punten? Zo nee, waarom niet?
Kunt u deze vragen één voor één voor het komende commissiedebat Water beantwoorden?
Het oplopende ziekteverzuim in de zorg |
|
Milan Schenk (FVD) |
|
Hans Vijlbrief (D66), Sophie Hermans (VVD) |
|
|
|
|
Bent u bekend met het artikel «Nergens is personeel zo vaak ziek als in de zorg: de grens is bereikt» van 4 juni 2026?1
Klopt het dat het ziekteverzuim in de zorg inmiddels is opgelopen tot 8,2 procent en daarmee tot het hoogste niveau sinds de coronaperiode?
Hoe verklaart u dat het ziekteverzuim in de zorg structureel aanzienlijk hoger ligt dan in vrijwel alle andere Nederlandse sectoren?
Welke concrete maatregelen heeft het kabinet de afgelopen vijf jaar genomen om het ziekteverzuim in de zorg terug te dringen?
Wat hebben deze maatregelen aantoonbaar opgeleverd?
Hoe verhoudt het huidige veelvuldig voorkomende overwerken zich tot de geldende arbeidsomstandigheden binnen de zorg?
Welke concrete maatregelen gaat u treffen om de vicieuze cirkel van personeelstekorten, werkdruk, ziekteverzuim en verdere personeelsuitval te doorbreken?
Hoeveel extra zorgkosten zijn naar schatting het gevolg van ziekteverzuim, uitzendkrachten, vervangingskosten en het betalen van extra vergoedingen voor schaarse diensten?
Kunt u reflecteren op het grote aantal zorgmedewerkers dat tijdens en na de coronaperiode de zorg heeft verlaten?
Hoeveel zorgmedewerkers hebben de sector sinds 2020 verlaten?
Heeft u een plan om voormalig zorgpersoneel terug te winnen voor een baan in de zorg?
Indien het antwoord op vraag 11 bevestigend luidt, wat houdt dit plan in en hoeveel mensen verwacht u hiermee terug te laten keren?
Kunt u uiteenzetten welke rol administratieve lasten, registratiedruk en verantwoordingsverplichtingen spelen bij het hoge ziekteverzuim in de zorg?
Kunt u reflecteren op het feit dat reeds jarenlang wordt gesproken over het verminderen van administratieve lasten in de zorg, terwijl zorgmedewerkers nog steeds aangeven hier dagelijks hinder van te ondervinden?
Waarom zijn eerdere pogingen om de administratieve lasten terug te dringen volgens u onvoldoende succesvol gebleken?
Hoeveel tijd besteden zorgmedewerkers gemiddeld per werkweek aan administratieve werkzaamheden?
Hoeveel tijd zou volgens het kabinet redelijkerwijs besteed moeten worden aan dergelijke werkzaamheden?
Erkent u dat psychische klachten en burn-outs inmiddels een belangrijke oorzaak vormen van langdurige uitval in de zorg?
Welke concrete maatregelen neemt het kabinet om deze ontwikkeling te keren?
Kunt u reflecteren op de gevolgen van het aangescherpte handhavingsbeleid rondom ZZP’ers in de zorg voor de beschikbaarheid van personeel?
Hoeveel ZZP’ers zijn sinds de aangescherpte handhaving daadwerkelijk in loondienst getreden?
Hoeveel voormalige ZZP’ers hebben de zorgsector geheel verlaten?
Erkent u dat het verdwijnen van ervaren zorgprofessionals uit de sector de druk op het overblijvende personeel verder vergroot?
Deelt u de analyse dat een zorgsysteem waarin inmiddels meer dan acht procent van het personeel ziek thuis zit structurele problemen kent die niet kunnen worden opgelost met incidentele maatregelen?
Indien het antwoord op vraag 24 ontkennend luidt, waarom niet?
Welke structurele hervormingen acht u noodzakelijk om de zorgsector weer aantrekkelijk, beheersbaar en toekomstbestendig te maken?
Kunt u deze vragen zo spoedig mogelijk en afzonderlijk van elkaar beantwoorden?
Bent u bekend met het bericht «113.nl: structurele privacy schending in digitale zorgverlening» dat 12 mei 2026 verscheen op het onafhankelijke security & privacy journalistiek platform «Hackedemia», dat breed in de media, zoals BNR en Hart van Nederland, werd overgenomen?1
Bent u bekend met het gegeven dat 113.nl werkte met een session-recording- en heatmaptool, fingerprinting- en trackingtools?
Bent u bekend met het gegeven dat enkele van deze tools niet vermeld stonden in het cookiebeleid, DPIA’s (Data Protection Impact Assessment) ontbraken en de opgehaalde data werd uitgestuurd naar derden?
Wat is uw reactie op de bevindingen dat een kwetsbare groep, verkerend in acute psychische nood, op dergelijke wijze werd blootgesteld aan privacyschendingen?
Is bekend bij welke zorgorganisaties dit probleem nog meer voorkomt? Zo nee, wat gaat u er concreet aan doen om hier een landsdekkend overzicht van te verkrijgen?
Hoe denkt u het vertrouwen in die organisatie en soortgelijke organisaties te herstellen en te voorkomen dat mensen in nood niet meer durven bellen?
Bent u het eens met de stelling dat 113 snel en adequaat heeft gehandeld en ziet u mogelijkheden om de uit deze casus voortgekomen controlelijst (checklist) als standaard te handhaven? Graag een onderbouwing van uw beantwoording.
Welke stappen gaat u ondernemen om dergelijke privacyschendingen in de zorgsector in de toekomst effectief te voorkomen?
Het bericht 'Antifa belaagt rechtse studenten in Leiden: ‘Jullie moeten allemaal sterven, vuile fascisten’' |
|
Annette Raijer (PVV), Marjolein Faber (PVV) |
|
Letschert , David van Weel (VVD) |
|
|
|
|
Heeft u kennisgenomen van het artikel «Antifa belaagt rechtse studenten in Leiden: «Jullie moeten allemaal sterven vuile fascisten»» en wat is uw reactie op de in het artikel beschreven gebeurtenissen?1
Klopt het dat leden van de Groot-Nederlandse Studentenvereniging (GNSV) in Leiden zijn omsingeld, gevolgd, geïntimideerd en bedreigd door personen die zich met Antifa identificeren, waarbij onder meer uitspraken zouden zijn gedaan als «Ik geef je een nekschot» en «jullie moeten allemaal sterven»?
Welke informatie is hierover bekend bij politie en justitie en deelt u de mening dat dergelijke uitlatingen als ernstige bedreigingen strafrechtelijk onderzocht dienen te worden? Zo nee, waarom niet?
Zijn er naar aanleiding van dit incident aangiftes opgenomen, verdachten geïdentificeerd of onderzoeken gestart? Zo nee waarom niet?
Kunt u tevens aangeven hoe u beoordeelt dat de betrokkenen volgens berichtgeving niet alleen bij het station werden benaderd, maar ook werden gevolgd naar de locatie van hun bijeenkomst?
Deelt u de mening dat studenten, ongeacht hun politieke overtuiging, veilig moeten kunnen deelnemen aan verenigingsactiviteiten en gebruik moeten kunnen maken van hun recht op vrije meningsuiting en vereniging zonder angst voor intimidatie, geweld of doodsbedreigingen? Zo ja, welke consequenties verbindt u aan dit incident?
Worden extreemlinkse groeperingen die zich schuldig maken aan intimidatie, bedreiging, geweld of het verstoren van bijeenkomsten voldoende in beeld gebracht door politie, gemeenten en de Nationaal Coördinator Terrorismebestrijding en Veiligheid en kunt u daarbij aangeven hoeveel incidenten waarbij extreemlinkse activisten betrokken waren bij bedreigingen, vernielingen, geweld of verstoringen van bijeenkomsten zich in de afgelopen vijf jaar hebben voorgedaan?
Kunt u uitsluiten dat binnen universiteitssteden een klimaat ontstaat waarin rechtse of conservatieve studenten zich niet langer veilig voelen om hun politieke overtuiging uit te dragen? Zo nee, bent u bereid in overleg te treden met universiteiten en studentenorganisaties om politieke intimidatie en geweld keihard aan te pakken en de Kamer vóór het einde van het zomerreces te informeren over de uitkomsten van eventuele onderzoeken en aanvullende maatregelen? Zo nee, waarom niet?
Het kabinetsplan om 75.000 asielzoekers aan werk te helpen |
|
Milan Schenk (FVD) |
|
Bart van den Brink (CDA), Thierry Aartsen (VVD) |
|
|
|
|
Klopt het dat het kabinet als doelstelling heeft om ervoor te zorgen dat in december 2030 75.000 meer statushouders en asielzoekers aan het werk zijn dan nu het geval is?
Waarom acht het kabinet het een kerntaak van de Nederlandse overheid om 75.000 statushouders en asielzoekers aan werk te helpen?
Deelt het kabinet de opvatting dat asielopvang in beginsel tijdelijk van aard is en niet bedoeld is als instrument voor arbeidsmarktbeleid?
Indien het antwoord op vraag 3 ontkennend luidt, waarom niet?
Klopt het dat het kabinet expliciet wil investeren in asielzoekers die nog in procedure zijn, maar volgens het kabinet een redelijke kans maken op een verblijfsvergunning?
Hoeveel asielzoekers die in het verleden als kansrijk werden aangemerkt, hebben uiteindelijk geen verblijfsvergunning gekregen? Graag een overzicht vanaf 2010.
Kan het kabinet uitsluiten dat het vroegtijdig begeleiden van asielzoekers naar werk, scholing en integratie de druk vergroot om uiteindelijk een verblijfsvergunning te verlenen?
Indien het antwoord op vraag 7 ontkennend luidt, waarom niet?
Hoe beoordeelt het kabinet het risico dat werkgevers, gemeenten of maatschappelijke organisaties zich in toekomstige procedures op het standpunt zullen stellen dat een asielzoeker inmiddels dusdanig is geïntegreerd dat terugkeer onwenselijk is?
Kan het kabinet uitsluiten dat dit beleid een extra aanzuigende werking heeft op personen die primair economische motieven hebben om via de asielroute toegang tot de Nederlandse arbeidsmarkt te verkrijgen?
Indien het antwoord op vraag 10 ontkennend luidt, waarom niet?
Het kabinet zet in op het aanpakken van arbeidsmarkttekorten door asielmigranten sneller naar werk te begeleiden maar tegelijkertijd constateert het kabinet dat arbeidsmigratie druk legt op de bevolkingsgroei en geen structurele oplossing vormt voor krapte op de arbeidsmarkt; hoe beoordeelt u deze spanning?
Bent u zich bewust van signalen dat de vraag op de arbeidsmarkt in verschillende sectoren afneemt en zijn er prognoses beschikbaar over de wijze waarop de arbeidsmarkt zich de komende jaren zal ontwikkelen en welke gevolgen de instroom van 75.000 extra werknemers daarop zal hebben?
Wat is volgens het kabinet het effect van deze instroom op de arbeidsmarktkansen van Nederlandse werknemers?
Bent u het ermee eens dat verbeteringen op het gebied van arbeidsproductiviteit, innovatie en automatisering op de langere termijn een betere oplossing vormen dan een voortdurende uitbreiding van het arbeidsaanbod door migratie?
Hoeveel procent van de huidige statushouders beschikt volgens het kabinet over relevante werkervaring en/of een opleiding die aansluit op tekortsectoren zoals de bouw, techniek of zorg?
Hoe ziet u in dat licht de instroom van 75.000 extra werknemers, terwijl een groot deel van deze groep naar verwachting niet beschikt over de kwalificaties die in de grootste tekortsectoren worden gevraagd?
Kunt u reflecteren op de gevolgen die een instroom van 75.000 extra werknemers in met name lager- en middelbaar geschoolde arbeid kan hebben voor lonen, arbeidsvoorwaarden en arbeidsmarktkansen van Nederlandse werknemers die momenteel in deze sectoren werkzaam zijn?
Hoe kunnen de inburgeringseisen worden geflexibiliseerd zonder dat de kwaliteit van de inburgering onder druk komt te staan?
U schrijft dat de werkvloer een geschikte plek is om de Nederlandse taal te leren maar tegelijkertijd zien wij dat binnen steeds meer sectoren het Nederlands juist wordt verdrongen door het Engels; waarom verwacht u dat dit bij asielmigranten anders zal verlopen en hoe gaat hij waarborgen dat het Nederlands daadwerkelijk de voertaal blijft?
Klopt het dat het kabinet streeft naar huisvesting van werkende statushouders in de regio waar zij werkzaam zijn?
Betekent dit dat arbeidsmarktoverwegingen een rol gaan spelen bij de verdeling van statushouders over gemeenten?
Indien het antwoord op vraag 22 bevestigend luidt, hoe verhoudt zich dat tot het uitgangspunt dat asielopvang en huisvesting primair voortvloeien uit humanitaire bescherming en niet uit economische belangen?
Hoeveel belastinggeld verwacht het kabinet de komende vier jaar uit te geven aan de uitvoering van de aanpak Werk en Meedoen voor statushouders en asielzoekers?
Kunt u deze vragen zo spoedig mogelijk en afzonderlijk van elkaar beantwoorden?
De voorgenomen aanscherping van de Wapenwet |
|
Shanna Schilder (PVV) |
|
David van Weel (VVD) |
|
|
|
|
Heeft u kennisgenomen van het bericht dat het kabinet de Wapenwet wil aanscherpen met onder meer psychologische en lichamelijke controles voor houders van een wapenverlof?1
Erkent u dat houders van een wapenverlof reeds behoren tot de strengst gecontroleerde burgers van Nederland en zich moeten houden aan een uitgebreid stelsel van vergunningen, controles, screenings en opslagvoorschriften?
Waarom kiest u ervoor opnieuw extra verplichtingen op te leggen aan legale jagers, sportschutters en verzamelaars, terwijl het illegale wapenbezit onder criminelen onverminderd groot blijft? Heeft u dan wel de prioriteiten op orde?
Klopt het dat politie en justitie nu al moeite hebben om alle bestaande controles en toezichtmaatregelen rond verlofhouders uit te voeren? Zo ja, waarom acht u verdere uitbreiding van het stelsel dan uitvoerbaar? Zo nee, waar blijkt dat uit?
Op basis van welke concrete cijfers concludeert u dat psychologische en lichamelijke keuringen van alle verlofhouders daadwerkelijk zullen leiden tot een veiliger Nederland?
Waarom richt u zich op burgers die reeds bekend zijn bij de overheid, beschikken over een vergunning en zich al aan uitgebreide regels houden, in plaats van de aanpak van illegaal wapenbezit en vuurwapengeweld verder op te voeren?
Deelt u de opvatting dat het wrang is dat legale verlofhouders opnieuw worden geconfronteerd met extra controles, keuringen en beperkingen, terwijl veel Nederlanders dagelijks zien dat vuurwapengeweld, straatterreur en ernstige criminaliteit door veelplegers een steeds groter probleem vormen? Zo nee, waarom niet?
Welke problemen worden met deze maatregelen opgelost die niet reeds met de bestaande bevoegdheden, controles en screenings kunnen worden aangepakt?
Bent u bereid af te zien van nieuwe lasten voor legale verlofhouders zolang niet is aangetoond dat de bestaande regelgeving onvoldoende is en zolang de handhaving van de huidige regels niet volledig op orde is? Zo nee, waarom niet?
Het bericht ‘Hakenkruizen en vandalisme: grote zorgen bij moslimorganisaties na incidenten’ |
|
Mahjoub Mathlouti (D66), Mpanzu Bamenga (D66) |
|
David van Weel (VVD), Pieter Heerma (CDA) |
|
|
|
|
Bent u bekend met het bericht «Hakenkruizen en vandalisme: grote zorgen bij moslimorganisaties na incidenten»?1
Deelt u de opvatting dat het volstrekt onacceptabel is dat burgers geïntimideerd worden met geweld, vandalisme en discriminerende symbolen?
Herkent u het geschetste beeld dat er sprake lijkt te zijn van een toename van gewelds- en vandalisme-incidenten bij moskeeën?
Gezien de hoeveelheid incidenten en de specifieke kenmerken ervan, in hoeverre is hier naar uw mening sprake van een patroon van gerichte aanvallen met een discriminerend karakter?
Wat gaat u doen om een voortzetting van de reeks incidenten tegen te gaan, daders aan te pakken en slachtoffers te beschermen?
Heeft u veiligheidsmaatregelen getroffen naar aanleiding van de recente incidenten? Zo ja, welke?
Bent u bereid om met de belangenorganisaties die hun zorgen hebben uitgesproken in gesprek te treden over wat er nodig is om de veiligheid en het gevoel van veiligheid te herstellen en moslimdiscriminatie tegen te gaan en de Kamer over de uitkomsten te informeren?
Kunt u uw reactie in het NOS-bericht, waarin u stelt dat u extra middelen voor de bescherming van moskeeën niet aan de orde acht, verder toelichten?
Klopt het dat er geen centrale registratie bestaat van het aantal incidenten met geweld en/of vandalisme rond moskeeën?
Bent u bereid blijvend te inventariseren hoe vaak dergelijke incidenten plaats hebben gevonden en plaatsvinden rond moskeeën en andere religieuze instellingen die geregeld doelwit van intimidatie zijn, zodat inzichtelijk kan worden of nadere veiligheidsmaatregelen nodig zijn?
Het Centrum Seksueel Geweld als toegangspoort voor zedenzaken |
|
Ingrid Coenradie (PVV) |
|
David van Weel (VVD) |
|
|
|
|
Kunt u uiteenzetten hoe de huidige instroom van meldingen, aangiften en signalen van seksuele misdrijven verloopt en welke rol het Centrum Seksueel Geweld (CSG) daarin momenteel vervult?
Hoe verloopt de samenwerking tussen het CSG, de politie, de zedenrecherche, het Openbaar Ministerie en Slachtofferhulp Nederland in de praktijk?
Welke gegevens worden tussen deze organisaties gedeeld, welke ICT-koppelingen ondersteunen deze gegevensuitwisseling en welke juridische of praktische belemmeringen bestaan daarbij?
Hoe beoordeelt u de huidige capaciteit binnen de zedenketen, mede in het licht van vacatures, ziekteverzuim, doorlooptijden, werkvoorraden en een mogelijk verdere stijging van de instroom?
Bent u het ermee eens dat een vorm van triage aan de voorkant noodzakelijk kan zijn om schaarse opsporingscapaciteit zo effectief mogelijk in te zetten? Zo nee, waarom niet?
Is in het verleden onderzocht of het CSG een formele intake-, poortwachters- of triagefunctie kan vervullen voor meldingen van seksuele misdrijven? Zo ja, wat waren de uitkomsten?
Welke wettelijke, organisatorische, financiële, privacyrechtelijke of andere belemmeringen staan een dergelijke rol van het CSG eventueel in de weg?
Welke voordelen en risico’s ziet u in een grotere rol van het CSG bij de beoordeling, doorgeleiding en prioritering van meldingen van seksuele misdrijven?
Deelt u de opvatting dat niet iedere melding van seksueel grensoverschrijdend gedrag automatisch hoeft te leiden tot een strafrechtelijk traject, mits slachtoffers wel snel toegang houden tot passende zorg, ondersteuning en bescherming?
Welke alternatieve routes naast strafvervolging bestaan er momenteel voor slachtoffers en hoe worden zij hierover geïnformeerd?
Beschikt u over gegevens waaruit blijkt welke behoeften slachtoffers hebben ten aanzien van zorg, herstel, bescherming en strafvervolging? Zo ja, hoe zien deze gegevens eruit?
In hoeveel gevallen kiezen slachtoffers uiteindelijk niet voor aangifte nadat zij informatie of begeleiding hebben ontvangen, zowel absoluut als procentueel?
Deelt u de opvatting dat voor sommige slachtoffers erkenning, hulpverlening of herstel belangrijker kan zijn dan een strafproces en hoe wordt hiermee binnen de zedenketen rekening gehouden?
Welke eerdere onderzoeken, pilots, evaluaties of beleidsinitiatieven zijn uitgevoerd naar centrale intake, triage of ketensamenwerking binnen de aanpak van seksuele misdrijven en welke lessen zijn daaruit getrokken?
Zijn er internationale voorbeelden bekend waarbij gespecialiseerde centra zoals het CSG een centrale intakefunctie vervullen en welke lessen kunnen daaruit worden getrokken?
Deelt u de opvatting dat het CSG kan bijdragen aan een betere selectie en doorgeleiding van zaken die zich daadwerkelijk lenen voor strafrechtelijke afdoening? Zo ja, welke stappen zijn nodig om dit mogelijk te maken
Bent u bereid samen met politie, Openbaar Ministerie, het CSG, Slachtofferhulp Nederland en zorgpartners een verkenning uit te voeren naar een toekomstbestendige inrichting van de zedenketen, waarbij specifiek wordt gekeken naar centrale intake, triage, digitalisering, gegevensuitwisseling en capaciteitsverdeling? Zo ja, binnen welk tijdspad kan de Kamer hierover worden geïnformeerd? Zo nee, waarom niet?
Het bericht 'Oranje op scherm kijken peperduur terwijl het in België gratis kan: ‘Wij zijn het braafste jongetje van de klas’' |
|
Arend Kisteman (VVD) |
|
Letschert , Herbert |
|
|
|
|
Bent u bekend met het artikel «Oranje op scherm kijken peperduur terwijl het in België gratis kan: «Wij zijn het braafste jongetje van de klas»» uit de Telegraaf van 13 juni 2026, mede gebaseerd op uw Kamerbrief over dit onderwerp van 11 juni 2026?1, 2
Zou u het goed vinden als het uitzenden van voetbalwedstrijden op schermen tot 5000 bezoekers voor ondernemers gratis zou zijn?
Waar baseert u het op dat de NOS door het gratis uitzenden van het WK-voetbal tot 5.000 personen, dienstbaar zou zijn aan het maken van een meer dan normale winst van (horeca)ondernemers en dat het daarmee het dienstbaarheidsverbod in de Mediawet zou schenden, bijvoorbeeld indachtig onderzoek dat aantoont dat het WK-voetbal nauwelijks zorgt voor extra horeca-omzet omdat mensen hun bestedingspatroon verschuiven?3
Waar baseert u het op dat derden een concurrentievoordeel behalen als de NOS voor het uitzenden van het WK-voetbal tot 5.000 personen geen vergoeding vraagt, bijvoorbeeld indachtig het feit dat in dat geval iedere (horeca)ondernemer hiervan kan profiteren en er tussen (horeca)ondernemers onderling dus geen concurrentievoordeel ontstaat?
Waarom is de NOS in Nederland wel in het bezit van de rechten voor public viewings terwijl de Vlaamse Radio- en Televisieomroeporganisatie (VRT) in België dit niet is? Acht u het wenselijk dat de NOS bij volgende grote voetbaltoernooien niet in het bezit van deze public viewing is, om te voorkomen dat zij, volgens u, geld moet vragen voor deze public viewings?
Bent u van mening dat het gratis uitzenden van het WK-voetbal door de NOS tot 5.000 bezoekers tot «maatschappelijke problemen» leidt en/of een groot risico voor het «publiek belang» kent, welke kernwaarden van het toezichtkader van het Commissariaat van de Media vormen? Zo ja, waarom? Zo nee, waarom doet u dan geen moreel appel op het Commissariaat van de Media om in deze casus niet te handhaven op deze bepaling uit de Mediawet?
Waarom geeft u in de genoemde Kamerbrief als reactie op de motie niet aan dat u voor de lange termijn werkt aan een wetswijziging om deze situatie bij een Europees Kampioenschap over twee jaar te voorkomen? Bent u daartoe bereid?
Waarom geeft u in de Kamerbrief niet duidelijker aan het wenselijk te vinden als (horeca)ondernemers en Oranjesupporters ook in de overige 60% van de Nederlandse gemeenten kunnen genieten van ruimere openingstijden?
Kunt u deze vragen deze week nog beantwoorden, aangezien het WK al is begonnen?
Het artikel dat de hogere energieprijzen vooral de armste huishoudens treffen |
|
Hidde Heutink (PVV) |
|
Stientje van Veldhoven (D66) |
|
|
|
|
Bent u bekend met de inhoud van de studie van het CPB waaruit blijkt dat huishoudens in de laagste inkomensgroep in het negatieve scenario tot wel 6% van hun inkomen meer kwijt zijn aan energie? Zo ja, wat is uw eerste reactie hierop?1
Bent u het eens met de stelling dat het onrechtvaardig is dat hogere inkomensgroepen zich dankzij overheidssubsidies voor zonnepanelen, warmtepompen en elektrische auto’s beter hebben kunnen beschermen tegen energieprijsstijgingen, terwijl de laagste inkomens dit niet konden en nu de rekening gepresenteerd krijgen? Zo ja, waarom? Zo nee, waarom niet?
Klopt het dat verduurzamingsbeleid van de afgelopen jaren in de praktijk voornamelijk ten goede is gekomen aan hogere inkomens? Zo nee, kunt u dit met cijfers onderbouwen?
Hoeveel huishoudens in de laagste inkomensgroep beschikken momenteel over een slecht geïsoleerde woning? En bij hoeveel van deze woningen is een woningcorporatie verantwoordelijk voor de verduurzaming en onderhoud?
Erkent u dat de hoge brandstofprijzen en de beslissing van de regering om de accijns niet te verlagen ervoor zorgt dat de groep mensen die een auto nodig heeft voor hun werk, ook binnen de laagste inkomensgroepen, nog meer in de knel komt? Zo ja, waarom? Zo nee, waarom niet?
Erkent u dat de hoge brandstofprijzen ervoor zorgen dat mensen die afhankelijk zijn van een auto op deze manier vereenzamen, zich noodgedwongen isoleren van de samenleving en niet langer onderdeel uitmaken van de samenleving? Zo ja, wat bent u voornemens hier aan te gaan doen?
Welke maatregelen neemt het kabinet om ervoor te zorgen dat werkende Nederlanders hun werk kunnen blijven uitvoeren, ondanks de torenhoge brandstofprijzen?
Deelt u de mening dat het onacceptabel is dat de energietransitie de allerarmsten in ons land het hardst raakt, en dat dit beleid fundamenteel herzien moet worden? Zo ja, welke stappen gaat u zetten om herziening van dit beleid te bewerkstelligen? Zo nee, hoe verklaart u de bevindingen van het CPB dan?
Bent u van plan de aanbeveling van het CPB, dat de overheid actief moet ingrijpen om lagere inkomens te helpen fossiele energie te vervangen, over te nemen? Zo ja, hoe? Zo nee, waarom niet?
Het artikel ‘Huurmarkt voor 'happy few': vierkantemeterprijzen verdubbeld en aanbod drastisch gedaald’ |
|
Jurgen Nobel (VVD) |
|
Boekholt-O’Sullivan |
|
|
|
|
Bent u bekend met het artikel «Huurmarkt voor «happy few»: vierkantemeterprijzen verdubbeld en aanbod drastisch gedaald»?1
Hoe kijkt u naar de constatering dat de vierkantemeterprijzen zijn verdubbeld terwijl het aanbod is gedaald en er in het lage segment van de vrije huursector nauwelijks aanbod is?
Is er volgens u een verband tussen de 65.000 woningen die zijn uitgepond afgelopen jaar en de stijging van de vierkantemeterprijs?
Hoe verklaart u dat het aanbod verschuift naar het hogere segment en in het lagere segment nauwelijks woningen beschikbaar zijn?
Bent u het eens dat met name door het aanbod te vergroten, de huurprijzen afnemen? Hoe beoordeelt u dit in lijn met de recente regulering waardoor huurprijzen juist zijn toegenomen?
Hoe bent u van plan regulering aan te passen zodat het weer aantrekkelijk wordt om een pand te verhuren? Welke prikkels wilt u op korte termijn toe passen bij verhuurders om te stimuleren dat men niet verkoopt, maar verhuurt?
Welke maatregelen bent u van plan te treffen op korte termijn om het investeringsklimaat op de huurmarkt te herstellen?
Kunt u deze vragen één voor één beantwoorden?
Het bericht ‘Ook vrouwen en kinderen moeten nu buiten wachten in Ter Apel, dat steeds meer op een tentenkamp lijkt’ |
|
Robert van Asten (D66) |
|
Bart van den Brink (CDA) |
|
|
|
|
Kunt u aangeven hoeveel personen de afgelopen weken geen toegang hebben gekregen tot het aanmeldcentrum in Ter Apel en daardoor waren aangewezen op noodopvang buiten of in de directe omgeving? Bent u bereid deze cijfers periodiek met de Kamer te delen zolang de huidige situatie voortduurt?1
Klopt het dat ook (zwangere) vrouwen, kinderen, mensen met een beperking en andere kwetsbare personen nu soms buiten moeten wachten? Zo ja, hoe verhoudt dit zich tot de wettelijke zorgplicht van de overheid en de verplichtingen onder de EU-Opvangrichtlijn, die bijzondere bescherming van kwetsbare groepen voorschrijft?
Kunt u bevestigen dat het beleid om kwetsbare personen altijd toegang te verlenen tot het aanmeldcentrum per of rond 12 juni jl. is gewijzigd of opgeschort? Zo ja, wat was hiervan de oorzaak?
In hoeverre hangt de verslechterde toegang voor kwetsbare personen samen met de invoering van het nieuwe proces van de Immigratie- en Naturalisatiedienst (IND) als gevolg van het Europese migratiepact? Welk specifiek onderdeel van dat nieuwe proces veroorzaakt dit knelpunt en wanneer verwacht u dat dit is opgelost?
Bent u in gesprek met het Centraal Orgaan opvang asielzoekers (COA), Vluchtelingenwerk en het Rode Kruis over het waarborgen van de veiligheid en sfeer rondom het terrein? Zien zij de omstandigheden verslechteren?
Hoe wordt op dit moment, in samenwerking met het Rode Kruis, gewerkt aan een nationaal opschalingsplan waarop kan worden teruggevallen? Op welke termijn kan een dergelijk plan naar de Kamer worden gestuurd?
Welke additionele maatregelen worden verkend om op korte termijn verlichting te bieden aan het aanmeldcentrum in Ter Apel?
Het bericht ‘Sterke toename cryptobetalingen voor aankoop online kinderporno’ |
|
Tijs van den Brink (CDA), Inge van Dijk (CDA) |
|
David van Weel (VVD), Eelco Heinen (VVD) |
|
|
|
|
Heeft u kennisgenomen van de bevindingen van de Financial Intelligence Unit Nederland (FIU-Nederland) dat het aantal en volume van cryptobetalingen voor online kinderporno toenemen?1 Hoe beoordeelt u deze ontwikkeling?
Kunt u aangeven hoe het aantal meldingen, onderzoeken en veroordelingen die voortkomen uit signalen over cryptobetalingen voor online kinderporno zich de afgelopen vijf jaar heeft ontwikkeld?
Deelt u de zorg dat de groei van cryptobetalingen voor online seksueel kindermisbruik laat zien dat criminelen steeds vaker gebruikmaken van internationale cryptonetwerken en aanbieders buiten het bereik van Europese toezichthouders en opsporingsdiensten?
Acht u de huidige capaciteit van de FIU, politie, Fiscale inlichtingen- en opsporingsdienst (FIOD) en het Team Bestrijding Kinderpornografie en Kindersekstoerisme voldoende om de toenemende stroom van cryptogerelateerde signalen te analyseren en op te volgen?
Herkent u het beeld dat de FIU schetst dat sinds de invoering van het Europese vergunningenstelsel voor cryptodienstverleners minder informatie rechtstreeks in Nederland beschikbaar komt, en welke gevolgen heeft dit voor toezicht, opsporing en handhaving?
Welke lacunes of beperkingen zijn er in de huidige Europese regelgeving waardoor crypto-aanbieders nog steeds relatief eenvoudig diensten kunnen verlenen aan criminelen?
Welke mogelijkheden ziet u om binnen de Europese Unie te komen tot een intensievere en meer structurele uitwisseling van gegevens over verdachte cryptotransacties, specifiek gericht op seksueel kindermisbruik, mensenhandel, terrorismefinanciering en georganiseerde criminaliteit?
Bent u bereid zich in Europees verband in te zetten voor een gezamenlijke aanpak van cryptodienstverleners en wisselkantoren die onvoldoende meewerken aan het voorkomen, melden en opsporen van ernstige criminaliteit?
Bent u bereid om met andere Europese lidstaten in gesprek te gaan om ervaringen uit te wisselen over de samenwerking met de FIU in het kader van onderscheppen van verdachte geldstromen?
Hoe beoordeelt u de mogelijkheden om informatie uit te wisselen tussen het strafrecht enerzijds en bestuursrecht anderzijds als het gaat om signalen die kunnen worden gekoppeld aan meldingen van seksueel geweld en kinderporno?
Herkent u de problemen waar de FIU op wijst bij het verkrijgen van informatie uit derde landen en jurisdicties waar cryptodienstverleners zijn gevestigd, en welke mogelijkheden ziet u om via de Europese Unie, de Financial Action Task Force (FATF) en andere internationale samenwerkingsverbanden de informatie-uitwisseling met deze landen te verbeteren?
Welke aanvullende maatregelen zijn volgens u in Nederland mogelijk, binnen de bestaande Europese regelgeving, om cryptobetalingen die verband houden met online seksueel kindermisbruik sneller te detecteren, te blokkeren en strafrechtelijk te onderzoeken?
De betrokkenheid van de tabaksindustrie bij het Nederlandse cannabisexperiment |
|
Mirjam Bikker (CU) |
|
Sophie Hermans (VVD), David van Weel (VVD) |
|
|
|
|
Heeft u kennisgenomen van het bericht «Van Marlboro naar marihuana: tabaksreus stapt in legale Nederlandse wiet»?1
Gaat u ingrijpen of is dit een «markteffect» dat u niet kunt veranderen?
Hoe kijkt u naar het feit dat een internationale tabaksgigant, die decennialang heeft verdiend aan nicotineverslaving, betrokken is geraakt bij één van de grootste telers binnen het Nederlandse cannabisexperiment?
In de afgelopen jaren hebben de commerciële strategieën van de tabaksindustrie jarenlang ernstige schade toegebracht aan de volksgezondheid door nieuwe gebruikers aan zich te binden, is dat voor u een doel bij het wietexperiment?
Bestaan er momenteel specifieke waarborgen binnen het wietexperiment om te voorkomen dat partijen met een achtergrond in de tabaksindustrie invloed uitoefenen op productie, marketing, prijsstelling of productontwikkeling? Zo ja, welke zijn dat en acht u deze voldoende? Zo nee, waarom niet?
Wilt u normalisering van wietgebruik? Zo ja, waarom? Zo nee, waarom staat u dan toe dat een commerciële partij met een negatieve voorgeschiedenis daar wel aan bij gaat dragen?
Vindt u het verantwoord dat bedrijven uit een industrie waarvan uit recent onderzoek blijkt dat jeugdverslaving geen onbedoeld neveneffect, maar een expliciet onderdeel van het verdienmodel is, mogen deelnemen aan een experiment waarbij volksgezondheid expliciet een van de toetsingscriteria is? Zo ja, hoe rechtvaardigt u dit?2
Ziet u naast juridische-, gezondheids- en veiligheidsoverwegingen ook morele overwegingen bij het in stand houden van een wietexperiment? Zo ja, hoe verhouden die zich tot deze ontwikkeling?
Bent u van mening dat het onverantwoord is om het gebruik van cannabis verder te normaliseren, terwijl uit cijfers blijkt dat 42,6% van de 18-jarigen ooit cannabis heeft gebruikt en 23,7% dit in de afgelopen maand deed?3 Zo ja, hoe rechtvaardigt u dit beleid vanuit het oogpunt van volksgezondheid en de bescherming van jongeren?
Moet het cannabisgebruik afnemen van u en welk effect beoogt u met het wietexperiment?
Kunt u met de huidige wetgeving tabaksproducenten weren of zijn aanvullende wettelijke beperkingen noodzakelijk om te voorkomen dat producenten van tabaksproducten ook actief worden op de Nederlandse cannabismarkt?
Deelt u de opvatting dat het wrang en zorgwekkend is dat bedrijven die jarenlang hebben geprofiteerd van nicotineverslaving nu hun verdienmodel verleggen naar cannabis, terwijl de overheid tegelijkertijd inzet op preventie en het terugdringen van middelengebruik? Zo ja, wordt het geen tijd om het wietexperiment in rook te laten opgaan en er een punt achter te zetten?
Het artikel ‘Kabinet trekt enkele tonnen uit voor Joodse studenten’ |
|
Mona Keijzer |
|
Letschert |
|
Bent u bekend met bovenstaand artikel?1
Welke «centrale Joodse studentenorganisatie» heeft formeel om financiële middelen gevraagd bij het Ministerie van OCW en welke persoon/personen heeft/hebben dit verzoek namens deze centrale Joodse studentenorganisatie gedaan?
Wanneer is dit verzoek precies gedaan?
Welke specifieke Joodse studentenorganisaties, stichtingen en/of verenigingen zijn aangesloten bij deze centrale Joodse studentenorganisatie?
Welk schriftelijk plan, activiteitenvoorstel of projectvoorstel lag aan de financiering ten grondslag?
Welke concrete activiteiten, doelstellingen en beoogde resultaten waren in dit plan opgenomen en/of welke concrete problemen moesten volgens het plan worden aangepakt?
Welk bedrag is uiteindelijk beschikbaar gesteld, aan welke rechtspersoon of persoon zijn deze middelen toegekend en op grond van welke subsidieregeling, wettelijke bevoegdheid of andere financieringsconstructie is dit gebeurd?
Op basis van welke criteria heeft het ministerie vastgesteld dat de indiener(s) van het voorstel voldoende representatief waren voor de doelgroep waarvoor de middelen bedoeld zijn?
In hoeverre valt deze subsidieverstrekking onder de aanbestedingsplicht?
Bent u het ermee eens dat de Kamer voor een goede controle van de besteding van publieke middelen volledig moet kunnen vaststellen wie het initiatief heeft genomen, wie het plan heeft opgesteld, wie als gesprekspartner van het ministerie heeft opgetreden en aan wie de middelen uiteindelijk zijn toegekend?
Indien dat niet zo is, waarom niet? Indien dat wel zo is, waarom is dat niet gedaan?
Bent u zodoende bereid de volledige subsidieaanvraag, het projectplan, de begroting, de beoordelingsstukken, de subsidiebeschikking, de verantwoordingsvoorwaarden en een chronologisch overzicht van alle relevante contacten en besluiten te doen toekomen aan de Kamer?
Ben u ervan op de hoogte dat er in Nederland meerdere Joodse studentenorganisaties zijn en bent u het met mij eens dat deze organisaties evengoed aanspraak zouden moeten kunnen maken op publieke middelen?
Op welke wijze dienen deze organisaties hun plan/initiatief bij u onder de aandacht te brengen?
Bent u bereid alsnog een tender uit te schrijven of een gangbare en transparante subsidieprocedure in te richten waarop alle Joodse studentenorganisaties, die dat wensen, kunnen reageren?