Bent u bekend met het NRC-artikel «Vrouwen tussen de 31 en 40 jaar verzuimen veel en dat is écht een probleem, vindt de verzekeraar»?1
Ja, dit is mij bekend.
Herkent u het beeld van hoge uitval onder (jonge) vrouwen? Welke verklaringen ziet u voor de hoge uitval?
Dit beeld herken ik. Uit de Nationale Enquête Arbeidsomstandigheden (NEA 2023–2024)2 van het CBS en TNO blijkt dat ruim 60% van de vrouwelijke werknemers in de leeftijdscategorie 31–40 jaar aangeeft wel eens te hebben verzuimd in de afgelopen 12 maanden. Voor alle vrouwelijke werknemers is dit gemiddeld 55%3. Vrouwen van 31–40 jaar geven aan langer te hebben verzuimd (11 werkdagen ten opzichte van 9 werkdagen gemiddeld). Het ziekteverzuimpercentage (het aantal verzuimde dagen per 100 werkdagen) laat hetzelfde beeld zien. Die ligt voor vrouwen van 31–40 jaar hoger dan gemiddeld voor alle vrouwen (6,7% versus 5,7%).
Weleens verzuimd afgelopen 12 maanden
54,6
59,9
61,0
52,5
49,6
Hoe vaak verzuimd afgelopen 12 maanden
1,6
1,79
1,78
1,41
1,47
Hoeveel werkdagen verzuimd afgelopen 12 maanden
9,2
7,95
11,1
9,38
10,8
Ziekteverzuimpercentage
5,73
4,75
6,72
5.70
6,72
Bron: bewerking cijfers NEA 2023–2024
Als specifieke redenen voor het verzuim noemen vrouwelijke werknemers van 31–40 jaar vaker dan gemiddeld een te hoge werkdruk en emotioneel te zwaar werk als reden. Vrouwen van 31–40 jaar geven ook vaker dan gemiddeld aan een werk-privé disbalans te ervaren.
Kunt u beschrijven uit welke inkomensgroepen deze vrouwen afkomstig zijn, in welke sectoren zij werkzaam waren en wat voor soort banen zij hadden?
Volgens de NEA werken vrouwen in de leeftijdscategorie 31–40 het meest in de zorg, zakelijke dienstverlening, onderwijs en handel. Ze werken vaak in banen met een gemiddeld inkomen, op vaste contracten en met hoge taakeisen4.
Welk aandeel van deze groep stroomt in in de WIA of de Ziektewet?
Er zijn geen cijfers beschikbaar van het aandeel vrouwen van deze groep die verzuimt en vervolgens instroomt in de WIA of de Ziektewet.
Onderstaande tabel toont over een periode van vijf jaar (2021–2025) de totale instroom aan personen in de WIA, de instroom van het aantal vrouwen in de leeftijdsgroep 30 tot 40 jaar (30 t/m 39) in de WIA en dit aandeel uitgedrukt als percentage van de totale instroom van vrouwen.
Daarnaast is in onderstaande tabel de instroom van vrouwen in de leeftijdsgroepen 30 t/m 39 jaar ook uitgedrukt als percentage van het aantal verzekerden in dezelfde leeftijdsgroep. Per duizend verzekerde vrouwen in de groep 30 t/m 39 jaar kregen in 2025 negen vrouwen een nieuwe WIA-uitkering toegekend.
55.599
54.769
59.581
68.984
71.239
6.214
6.303
6.867
8.676
9.513
11%
12%
12%
13%
13%
0,7%
0,6%
0,7%
0,9%
0,9%
Bron: UWV
Onderstaande tabel toont over de periode 2021–2025 de totale instroom in de Ziektewet, de instroom van het aantal vrouwen in de Ziektewet in de leeftijdsgroep 30 t/m 39 jaar en dit aandeel vrouwen uitgedrukt als percentage van de totale instroom.
346.101
393.697
311.855
324.241
343.907
68.224
72.848
68.572
73.633
77.744
20%
19%
22%
23%
23%
Bron UWV
Voor de Ziektewet wordt de instroom van het aantal vrouwen niet uitgedrukt als percentage van het aantal verzekerden in dezelfde leeftijdsgroep. De instroom in de Ziektewet is namelijk niet representatief voor alle verzekerden maar beperkt zich tot specifieke groepen, waaronder vrouwen die ziek zijn als gevolg van zwangerschap of bevalling.
Kunt u uitsplitsen per leeftijdscategorie hoe vaak uitval voorkomt en hoe lang de uitval duurt bij vrouwen ten opzichte van mannen?
Uit onderstaande tabel blijkt dat in alle leeftijdscategorieën het aandeel dat heeft verzuimd, de verzuimfrequentie en het ziekteverzuimpercentage hoger ligt bij vrouwen dan bij mannen. Vooral het ziekteverzuimpercentage voor vrouwen van 31–40 jaar ligt aanmerkelijk hoger dan bij mannen. Bij mannen is het kortdurend verzuim in deze leeftijdsgroep het hoogste.
Man (21–30)
51,7
1,35
4,99
2,72
Vrouw (21–30)
59,9
1,79
7,95
4,75
Man (31–40)
54,2
1,33
7,13
3,59
Vrouw (31–40)
61,0
1,78
11,1
6,72
Man (41–50)
47,5
1,16
7,83
3,92
Vrouw (41–50)
52,5
1,41
9,38
5,70
Man (50+)
42,7
1,21
10,3
5,32
Vrouw (50+)
49,6
1,47
10,8
6,72
Bron: bewerking cijfers NEA 2023–202
Kunt u uitsplitsen vanuit welke contractvorm (vast, tijdelijk of uitzendkracht) deze vrouwen in de WIA instromen?
Onderstaande tabel toont over de periode van 2021–2025 de instroom in de WIA van vrouwen in de leeftijdsgroep 30 t/m 39 jaar naar type contractvorm.
Er is zowel een toename van vrouwen met een vast contract en een tijdelijk en oproepcontract.
2.651
2.744
3.346
4.262
4.504
2.281
2.386
2.293
3.004
3.545
603
529
534
619
531
679
644
694
791
933
6.214
6.303
6.867
8.676
9.513
Bron UWV
Kunt u aangeven welk deel van deze vrouwen een inkomen heeft dat ligt tussen de 80 en de 100% van het huidige maximumdagloon?
Onderstaande twee tabellen tonen over de periode 2021–2025 het percentuele aandeel van vrouwen in de leeftijdsgroep 30 t/m 39 jaar die zijn ingestroomd in de WIA en Ziektewet met een dagloon tussen 80–100 van het maximumdagloon. Deze instroom ligt hoger dan met een dagloon boven de 100% van het maximumdagloon.
5%
4%
5%
6%
5%
2%
2%
2%
3%
2%
5%
5%
5%
6%
6%
3%
3%
3%
3%
3%
Bron: UWV
Kunt u aangeven welk deel van de vrouwen uitvalt wegens vrouwspecifieke klachten?
Uit onderzoek5 blijkt dat vrouwspecifieke aandoeningen, zoals (1) bekkenbodemproblemen, (2) cyclusstoornissen en cyclus gerelateerde buikpijn, (3) hormonale problemen en (4) vulvaire klachten, vaak voorkomen en een grote impact hebben op de kwaliteit van leven. Gemiddeld krijgt elke vrouw minimaal een van de bovengenoemde vrouwspecifieke aandoeningen tijdens haar werkzame leven. Een groot deel van deze vrouwen ervaart zoveel hinder dat het dagelijks functioneren en werk hierdoor negatief beïnvloed wordt. Volgens cijfers van TNO6 over gezondheidsklachten bij vrouwen (gebaseerd op cijfers van de NEA 2023) gaat het om 39% van de vrouwelijke werknemers, ofwel 1,5 miljoen vrouwen. Dit leidt voor een deel van deze vrouwen ook tot verzuim. Van alle vrouwelijke respondenten heeft 56% zich het afgelopen jaar een keer ziekgemeld, tegenover 51% van de mannen. Ook geeft 66% van de vrouwen met hormoongerelateerde klachten aan dat zij minder werk gedaan krijgen bij klachten.
Kunt u aangeven welk deel van de vrouwen uitvalt wegens burn-outklachten?
Op basis van de NEA is niet vast te stellen welk deel van de vrouwen uitvalt vanwege burn-outklachten. Er wordt wel naar de soort klachten bij het laatste verzuim gevraagd, waarbij onderscheid is gemaakt naar psychische klachten, klachten in het bewegingsapparaat, griep/verkoudheid en overige klachten.
Onder psychische klachten vallen overspannenheid, burn-outklachten, vermoeidheid en concentratieproblemen. Het gaat dus om allerlei klachten die psychisch van aard zijn, waaronder ook het hebben van een burn-out of burn-outklachten. Gemiddeld verzuimt 9% van de vrouwen met psychische klachten. Bij jongere vrouwen in de leeftijdscategorieën 21–30 en 31–40 jaar komt dat iets vaker voor (respectievelijk 10% en 11,5%).
Welke stappen heeft het kabinet tot nu toe gezet om de hoge uitval onder vrouwen tegen te gaan? Welke middelen ziet u nog meer?
Met de Nationale Strategie Vrouwengezondheid zet het kabinet sinds 2025 extra in op aandacht voor vrouwengezondheid. Het gaat om meer aandacht en kennis over vrouwspecifieke aandoeningen en verbetering van diagnostiek, maar ook om meer bewustwording en bespreekbaarheid op de werkvloer van vrouwengezondheid.
Aan de hoge uitval van vrouwen op de arbeidsmarkt en daarmee ook verhoogde instroom in de WIA liggen zowel maatschappelijke, werkgerelateerde en individuele factoren ten grondslag. In lijn met de motie van het lid Neijenhuis7 brengen we samen met VWS de oorzaken en oplossingsrichtingen in kaart. Het kabinet zal de Kamer over de stand van zaken voor de volgende begrotingsbehandeling van SZW informeren.
Herkent u het in het artikel geschetste beeld dat ruimer (zorg)verlof de druk op vrouwen kan verlichten? Op welke manier neemt u de hoge uitval onder vrouwen mee bij het herzien van het verlofstelsel, zoals voorgenomen in het coalitieakkoord?
In het artikel wordt genoemd dat de zorgtaken tussen vrouwen en hun partner niet goed zijn verdeeld. Aangegeven wordt dat vrouwen hun carrière veelal moeten balanceren met de zorg voor kinderen en soms ook het verlenen van mantelzorg voor bijvoorbeeld ouders. Dit kan zorgen voor druk onder vrouwen. De verdeling van zorgtaken is in de eerste plaats een onderwerp van gesprek dat thuis plaatsvindt. De overheid faciliteert een gelijkwaardige verdeling van zorgverantwoordelijkheden tussen partners onder meer via het verlofstelsel en de Wet flexibel werken. Op dit moment wordt gewerkt aan de vereenvoudiging van het verlofstelsel met als doel het stelsel begrijpelijker en toegankelijker te maken voor zowel werknemers als werkgevers. Dit moet ervoor zorgen dat meer mensen het verlof opnemen en dit kan daarnaast bijdragen aan een betere balans tussen werk en privé.
Welke rol kan hervorming van het kinderopvangstelsel spelen? Kunt u in uw antwoord de in het artikel aangehaalde Scandinavische voorbeelden meenemen in uw antwoord?
Het nieuwe financieringsstelsel kinderopvang kent een hoge inkomensonafhankelijke vergoeding. Hierdoor wordt kinderopvang voor de midden en hoge inkomens aanzienlijk goedkoper. Bovendien wordt voor alle ouders de marginale druk lager. Meer verdienen (bijvoorbeeld door meer te gaan werken) zal namelijk niet langer voor een lager vergoedingspercentage zorgen. Omdat vrouwen nog altijd vaak de minst werkende en minstverdienende ouder zijn zal dit naar verwachting vooral voor hen positief uitpakken. Het nieuwe financieringsstelsel kinderopvang stimuleert daarmee gelijke arbeidsdeelname en een evenwichtigere werk en zorg verdeling tussen ouders.
Het kinderopvangstelsel in Scandinavische landen is wezenlijk anders dan in Nederland, maar net als daar wordt kinderopvang ook hier voor de meeste ouders veel beter betaalbaar. Daarnaast kan het nieuwe financieringsstelsel kinderopvang bijdragen aan een cultuurverandering. De nieuwe systematiek (zonder voorschotten en zonder kans op terugvorderingen) zorgt namelijk voor meer eenvoud en zekerheid voor ouders. Hierdoor kan het op termijn de norm worden om meer kinderopvang te gebruiken dan drie dagen per week. Een dergelijke normverandering is niet op voorhand te kwantificeren maar zal wel worden gemonitord.
Herkent u het in het artikel geschetste beeld dat er onvoldoende aandacht is voor overgangsklachten, terwijl er wel degelijk behandelingen zijn die helpen? Zo ja, kunt u reflecteren hierop en een breder beeld, onderbouwd met cijfers, schetsen van de problematiek rondom overgangsklachten op de werkvloer? Zo ja, wat gaat u doen om het taboe rond dit thema te doorbreken, in aanvulling op het bestaande protocol van arbo-artsen?
Ook zijn er initiatieven zoals het gratis VSA-spreekuur (Vrouwspecifieke aandoeningen) van AmsterdamUMC voor eigen medewerkers om vrouwen met hormonaal gerelateerde problemen te helpen en tijd tot diagnose te verkorten. Het blijkt dat dit spreekuur bijdraagt aan het bespreekbaar maken op de werkvloer en het doorbreken van het taboe. Op dit moment wordt onderzocht of dit initiatief landelijk kan worden ingezet.
Kunt u nader toelichten welke behandelingsmogelijkheden er reeds bestaan voor overgangsklachten en wat hierin de mogelijkheden voor vergoeding zijn? Kunt u tevens reflecteren op de bekendheid en toegankelijkheid van dergelijke behandelingen? Op welke concrete manier gaat u ervoor zorgen dat deze behandelingen breder bekend en toegankelijker worden?
Overgangsklachten kunnen op verschillende manieren behandeld worden. Wat het beste werkt, verschilt per vrouw en hangt van de ernst van de klachten af. Ook is het belangrijk dat onderliggende oorzaken en eventuele andere problemen worden uitgesloten. De belangrijkste behandelmogelijkheden zijn in grote lijnen:
De meeste van bovengenoemde behandelmethoden kunnen worden vergoed uit de basisverzekering als zij worden verricht door een huisarts of – na verwijzing – door een medisch specialist. Het eigen risico is niet van toepassing voor behandelingen bij de huisarts; wel bij de medisch specialist. Ook is voor medicatie soms een eigen bijdrage nodig. Overgangsconsulten en -behandelingen en alternatieve behandelingen worden vaak vergoed via een aanvullende verzekering.
Voor een grotere bekendheid en toegankelijkheid van dergelijke behandelingen is er Thuisarts.nl. Hier staan de mogelijkheden voor behandelingen, de richtlijnen8 en wordt in begrijpelijke taal informatie gegeven. Dit geldt eveneens voor de richtlijn overgang van de NVOG9. Daarnaast zijn er specifieke organisaties die vrouwen voorlichting geven rondom de overgang.
Zoals eerder in de Kamerbrief over het doorbreken van het taboe rondom de overgang en werk10 is aangegeven zijn er ook diverse maatregelen in gang gezet om het taboe rondom de overgang te doorbreken. Daarvoor verwijs ik naar het antwoord op vraag 13.
Wat vindt u van de oproep om vrouwengezondheid meer centraal te stellen? Hoe gaat u hier concreet uitvoering aangeven?
De werkconferentie Vrouwengezondheid op 4 februari jl. is een belangrijke stap geweest in de uitwerking van de Nationale Strategie Vrouwengezondheid 2025–203011. Met de Nationale Werkagenda Vrouwengezondheid zet het kabinet in op duidelijke ambities en concrete acties die bijdragen aan een langer leven in goede gezondheid voor alle meisjes en vrouwen in Nederland. De conferentie kenmerkte zich door een sterke betrokkenheid en duidelijke bereidheid tot samenwerking op het terrein van de vrouwengezondheid. Met de ondertekening van het convenant «Samen in actie voor betere vrouwengezondheid12» hebben twaalf partijen het belang van een gezamenlijke inzet op dit terrein benadrukt. Met het convenant spreken partijen verder af om ook zelf vrouwengezondheid blijvend op de agenda te zetten, eigen initiatieven te versterken, kennis en data te delen en samen nieuwe acties te starten. Dit doen zij onder andere door:
Op de site van ZonMw staat beschreven hoe organisaties ook zelf bij kunnen dragen aan de beweging naar een betere vrouwgezondheid. Het is een positieve ontwikkeling dat partijen ook daadwerkelijk samen in actie komen. Er zijn inmiddels 30 pledges13 ingediend. Het kabinet kijkt ernaar uit om verder samen te werken aan een Nationale Werkagenda Vrouwengezondheid. Met de werkagenda vrouwengezondheid, die op 25 juni 2026 wordt gelanceerd, zet het kabinet in op duidelijke ambities en concrete acties die bijdragen aan een langer leven in goede gezondheid voor alle meisjes en vrouwen in Nederland. Ook is het kabinet positief over de manier waarop verschillende initiatiefnemers elkaars initiatieven verder willen brengen, bijvoorbeeld op het gebied van het verminderen van ziekteverzuim. Voor de zomer wordt uw Kamer verder geïnformeerd over de uitwerking van de werkagenda, de monitoring en de overige ontwikkelingen op het gebied van vrouwengezondheid.
Kunt u de vragen afzonderlijk beantwoorden?
Ja.
Het artikel 'Ook Grieken overstag, regering wil verbod op sociale media voor kinderen' |
|
Jantine Zwinkels (CDA) |
|
Aerdts , David van Weel (VVD) |
|
|
|
|
Bent u bekend met het bericht «Ook Grieken overstag, regering wil verbod op sociale media voor kinderen»?1
Ja.
Hoe beoordeelt u het voornemen van Griekenland om kinderen tot 15 jaar de toegang tot sociale media te verbieden, mede in het licht van het coalitieakkoord waarin is opgenomen dat wordt gewerkt aan een handhaafbare Europese minimumleeftijd van 15 jaar voor sociale media met privacyvriendelijke leeftijdsverificatie?
Verschillende Europese lidstaten hebben wetsvoorstellen aangekondigd om een minimumleeftijd in te stellen voor sociale media. Lidstaten hebben de bevoegdheid om een minimumleeftijd voor te schrijven voor toegang tot bepaalde producten of online diensten, met inbegrip van sociale mediadiensten.
In het coalitieakkoord is het voornemen geuit voor een Europese minimumleeftijd van 15 jaar voor sociale media, zolang sociale media onvoldoende veilig zijn. Een minimumleeftijd op Europees niveau heeft mijn voorkeur, omdat sociale mediabedrijven grensoverschrijdend opereren. Het is daarom efficiënter om te kiezen voor een gezamenlijke oplossing en uniforme Europese regels, omdat dit versnippering tussen lidstaten voorkomt.
Welke concrete stappen zet het kabinet op dit moment in Europees verband om te komen tot die handhaafbare Europese minimumleeftijd van 15 jaar voor sociale media?
Nederland heeft tijdens de Informele Telecomraad van 29 en 30 april 2026 het belang uitgedragen van een Europese minimumleeftijd van 15 jaar voor sociale media met privacyvriendelijke leeftijdsverificatie, zolang sociale media onvoldoende veilig zijn. De Kamer zal hier op korte termijn via een verslag nader over worden geïnformeerd.
Daarnaast ga ik de komende periode mogelijkheden voor samenwerking verder verkennen door met verschillende lidstaten in gesprek te gaan. Ik heb onder meer een bijeenkomst op initiatief van Frankrijk bijgewoond, waar ik met andere Europese leiders en de Europese Commissie sprak over een Europese minimumleeftijd voor sociale media.
Tot slot voert de Universiteit van Amsterdam (UvA) momenteel een onderzoek uit naar de juridische inrichting van een Europese minimumleeftijd voor sociale media. Ik zal de resultaten van dit onderzoek uiterlijk voor het zomerreces publiceren.
Erkent het kabinet dat, in het licht van de ontwikkeling dat steeds meer landen overgaan tot een verbod, nu het moment is om tot een gezamenlijke aanpak te komen?
Het is belangrijk om tot een gezamenlijke Europese aanpak te komen, zoals ik heb aangegeven in de beantwoording van de vragen 2 en 3.
Trekt Nederland hierbij actief op met andere Europese lidstaten die eveneens willen komen tot strengere regels voor kinderen op sociale media, zoals Griekenland, Frankrijk, en Spanje? Zo ja, op welke wijze?
Zoals aangegeven in het antwoord op vraag 3, zal ik met verschillende lidstaten in gesprek gaan om te verkennen wat de mogelijkheden zijn voor samenwerking. Na deze gesprekken en de resultaten van het onderzoek van de UvA zal ik nagaan wat de meest geschikte vorm van samenwerking is.
Hoe wil het kabinet een Europese minimumleeftijd juridisch en technisch handhaafbaar vormgeven, in het bijzonder in relatie tot de Digital Services Act (DSA) en de door de Europese Commissie ontwikkelde leeftijdsverificatie-aanpak?
Zoals aangegeven in het antwoord op vraag 3 voert de UvA momenteel een onderzoek uit naar de juridische inrichting van een Europese minimumleeftijd voor sociale media. Daarbij wordt uiteraard ook ingegaan op de relatie tot de DSA als hoeksteen van het Europese platformrecht. De uitkomsten van dit onderzoek worden meegenomen bij de uitvoering van het coalitieakkoord.
Voor wat betreft de technische handhaafbaarheid, geldt dat online leeftijdsverificatie een belangrijk instrument kan zijn, mits fundamentele rechten en grondrechten zoals privacy, gegevensbescherming, non-discriminatie en digitale toegankelijkheid worden gewaarborgd. De toepassing moet proportioneel zijn en steeds per context worden afgewogen; er is geen one size fits all-oplossing. Om de ontwikkeling van privacyvriendelijke leeftijdsverificatie te ondersteunen, heeft de Europese Commissie een blauwdruk voor een Europese white-label leeftijdsverificatie-app gepubliceerd. Het kabinet verkent momenteel of de EU-blauwdruk app in Nederland geïmplementeerd kan worden of dat er ook andere mogelijkheden zijn voor implementatie van leeftijdsverificatie.
Bent u bekend met het bericht «Rattenplaag in horeca, explosieve stijging overtredingen: «Niet normaal, man!»»1 en het bericht «Muizen maken de dienst uit op ministeries, maar daar komt mogelijk verandering in: «Verbod op gif heroverwegen»»?2
Ja.
Wat is uw reflectie op deze berichten?
Beide artikelen benadrukken terecht dat ratten en muizen gevaar, schade of hinder kunnen veroorzaken en dat een effectieve en duurzame knaagdierbeheersing vakmanschap vereist. De titel van het artikel in De Telegraaf kan onjuist worden geïnterpreteerd, maar dat beeld wordt elders in het artikel genuanceerd. Van een «verbod op gif» is namelijk geen sprake: een deskundig bedrijf mag rodenticiden (biociden tegen ratten en muizen) toepassen, voor zover dat onvermijdelijk is.
Sinds enkele jaren is de toepassing van een effectieve en duurzame methode voor knaagdierbeheersing voorgeschreven, gebaseerd op integraal plaag management (ook wel «integrated pest management» of IPM genoemd).
Integraal plaag management gaat uit van een voorkeursvolgorde. Beheersing begint met preventieve maatregelen, zoals het opruimen van eetbaar afval en het verwijderen van schuilmogelijkheden voor knaagdieren. Voor zover die maatregelen onvoldoende toereikend zijn, worden niet-chemische maatregelen en methoden getroffen, zoals vallen, klemmen of het gebruik van een PCP-buks. Bij alle maatregelen is samenwerking tussen knaagdierbeheerser en opdrachtgever noodzakelijk.
Als de maatregelen onvoldoende blijken, mag een deskundig bedrijf als laatste redmiddel rodenticiden inzetten.
In het verleden werden soms direct rodenticiden toegepast, zonder aanpak van de oorzaken van het probleem. Dit was niet effectief, had zeer negatieve gevolgen voor mens, dier en het milieu. Het blijkt dat tientallen procenten van de muizen en ratten resistent zijn voor rodenticiden. Doorvergiftiging naar andere dieren blijft daarbij wel een reëel risico.
Bent u bekend met het feit dat ondernemers duizenden euro’s per jaar kwijt zijn aan ongediertebestrijding, maar dat dit volgens hen nauwelijks effect heeft op het daadwerkelijk terugdringen van het ongedierte?
Ratten en muizen komen voor in geheel Nederland, maar vooral op locaties met een ruim voedselaanbod en veel schuilmogelijkheden. De effectiviteit van knaagdierbeheersing wordt onder meer bepaald door de bereidheid en de mogelijkheden om de in antwoord 2 bedoelde preventieve maatregelen uit te voeren.
De kosten en de effectiviteit van knaagdierbeheersing zijn dan ook niet voor alle ondernemingen vergelijkbaar.
Hoe kijkt u aan tegen het feit dat de Nederlandse Voedsel- en Warenautoriteit (NVWA) steeds meer bedrijven moet sluiten vanwege ongedierteoverlast en dat diverse sectoren melden dat het uit de hand loopt, terwijl er volgens de overheid weinig tot geen extra maatregelen nodig zijn?
Verordening (EG) nr. 852/2004 inzake levensmiddelenhygiëne verplicht horeca-ondernemers en ambachtelijke ondernemers tot de uitvoering van maatregelen. Het gaat, naast de algemene verplichting om hygiënisch te werken, om het voorkomen van toegang voor muizen en ratten door het dichten van gaten en kieren, het voorkomen van schuilplekken door goed opruimen, het opbergen van voedsel zodat dit niet toegankelijk is voor ongedierte en het zorgen voor afvalbeheer zodat afval geen plaagdieren aantrekt.
Ondernemers die deze acties uitvoeren, behoeven volgens de NVWA geen structureel probleem te hebben met plaagdieren. Extra of nieuwe wetgeving is niet nodig.
Wat is dan uw reflectie op het bericht dat nu het ministerie last heeft van ongedierte, er wordt overwogen om gif te herintroduceren?
Het bericht is onjuist. Er is geen sprake van een gebruiksverbod voor rodenticiden, dus evenmin van een «herintroductie van gif». Zie het antwoord op vraag 2.
Deelt u de mening dat er voor ondernemers een gelijke aanpak mogelijk moet zijn als voor onze overheid?
Ja, en dat is ook het geval. De beginselen van integraal plaag management zijn voor ondernemers en overheden gelijk.
Hoe kijkt u aan tegen de kernadviezen van de NVWA voor ongediertebestrijding nu het ministerie hier zelf last van heeft? Deelt u de mening dat dit op papier een goed verhaal is, maar dat dit in de praktijk niet werkt? Zo nee, waarom niet?
Niet duidelijk is welke adviezen worden bedoeld.
De voorschriften, bedoeld in de antwoorden 2 en 4, zijn gebaseerd op praktijkkennis en -ervaring van (brancheorganisaties van) knaagdierbeheersingsbedrijven, toezichthouders, wetenschappelijke instellingen, opleidingsinstituten en anderen. Uitvoering gebeurt door probleemeigenaren en deskundige (knaagdierbeheersings)bedrijven.
Ik heb vertrouwen in deze aanpak.
Bent u bekend met de risico’s voor de volksgezondheid die optreden bij situaties waar muizen en ratten (en ander ongedierte) vrij spel hebben door het ontbreken van een goed maatregelenpakket en/of goede ongediertebestrijding?
Die risico’s zijn bekend. Op de website van het RIVM zijn publicaties over die risico’s beschikbaar. Probleemeigenaren en knaagdierbeheersingsbedrijven hebben voldoende instrumenten voor een effectieve en duurzame plaagbeheersing.
Welke bewindspersoon is daadwerkelijk verantwoordelijk voor de ongediertebestrijding in Nederland? Wie gaat de regie pakken op deze plagen die uit de hand lopen?
«Ongediertebestrijding» (plaagbeheersing) is primair een taak voor de eigenaar of gebruiker van een locatie. Plaagbeheersing is geen onderwerp voor één ministerie; meerdere ministeries hebben ermee te maken, door hun taken en bevoegdheden op beleidsterreinen als volksgezondheid, woningbouw, dierenwelzijn of milieubescherming. Vanwege deze gezamenlijke betrokkenheid hebben de Ministeries van BZK, LVVN, VWS en IenW een coördinatiestructuur opgezet, bedoeld voor het afwegen van een nationale rol, het delen van beschikbare kennis en afstemmen van mogelijke maatregelen.
Deelt u de mening dat ondernemers in deze tijd al met veel hoge kosten te maken hebben en dat euro’s die zij moeten inzetten voor ongediertebestrijding dus ook daadwerkelijk wat moeten opleveren?
Een ondernemer kan eerst zelf tal van preventieve en niet-chemische maatregelen en methoden inzetten om de aanwezigheid van knaagdieren te beheersen. Het gebruik van «middelen» (rodenticiden) is vervolgens echter voorbehouden aan deskundige (knaagdierbeheersings)bedrijven, vanwege de zeer gevaarlijke aard en eigenschappen van die middelen en de onaanvaardbare risico’s van ondeskundig gebruik. Om het perspectief op efficiënte en effectieve knaagdierbeheersing te vergroten zal ik best practices ophalen van juist gebruik van rodenticiden als laatste redmiddel.
Welke kansen ziet u om de kosten voor ondernemers te verlagen, bijvoorbeeld door het inzetten van middelen ter bestrijding van ongedierte toe te staan die wél werken?
Zie antwoord vraag 10.
Kwetsbare jongeren die in Hoenderloo geconfronteerd worden met drugshandel en geweld |
|
Lisa Westerveld (GL) |
|
Mirjam Sterk (CDA) |
|
|
|
|
Bent u bekend met het bericht «Inspectie: criminelen actief op jeugdzorgterrein in Hoenderloo»?1
Ja
Herkent u het beeld dat geschetst wordt door de Inspectie Gezondheidszorg en Jeugd (IGJ), die stelt dat zij een terrein ziet «met potentieel grote risico’s voor jongeren»? Hoeveel zorgaanbieders zijn er inmiddels gevestigd op het terrein?
De IGJ beschrijft hoe een optelsom van factoren maakt dat ze een terrein met potentiële grote risico’s voor jongeren zien. Dit herken ik en dit baart mij zorgen.
De gemeente Apeldoorn geeft aan dat er op dit moment 16 unieke zorgaanbieders gevestigd zijn op het terrein. Dit verschilt van de 20 zorgaanbieders die de IGJ voor het recente toezicht heeft kunnen herleiden. Het verschil laat zich verklaren door twee factoren: een aantal aanbieders heeft het terrein in de afgelopen periode verlaten en de gehanteerde telwijze verschilt, waarbij soms wordt uitgegaan van unieke aanbieders met meerdere vestigingen en soms van de afzonderlijke vestigingen of locaties zelf.
Hoe verklaart u het dat medio 2024 soortgelijke bevindingen werden gedaan door Follow the Money en Pointer, waarover destijds al Kamervragen zijn gesteld en dat twee jaar later de situatie nog steeds zorgelijk is?
De bevindingen van de IGJ zijn zorgelijk. Tegelijkertijd is het niet zo dat er sinds 2024 niets is gebeurd. De IGJ is al langere tijd actief bij een aantal aanbieders op het Hoenderloo-terrein. Er zijn sinds 2024 meermaals meldingen opgepakt, deze worden echter niet gepubliceerd.
In antwoord op 11 juni 20242 gestelde schriftelijke vragen wordt bericht dat er een platform zou worden opgericht voor zorgaanbieders, vertegenwoordigers van bewoners, de wijkagent, De Vos Groep, de regionale welzijnsorganisatie en een inhoudelijke jeugdzorg-expert van de gemeente Apeldoorn; en dit platform erop gericht is om de lijnen tussen de verschillende partijen in het gebied kort te houden om zodoende sneller in te kunnen grijpen bij eventuele incidenten. Bestaat dit platform nog steeds? Zo ja, hoe vaak komen genoemde partijen bij elkaar, aan wie leggen zij verantwoording af en wat heeft het precies opgeleverd?
De gemeente Apeldoorn geeft aan dat het platform nog steeds actief is en eens per 6 weken samenkomt. Een afvaardiging van de zorgaanbieders op het terrein, dorpsbelangenverenigingen, De Vos Groep, gemeente Apeldoorn en de wijkagent sluiten aan bij dit overleg. Binnen het platform worden signalen, bijzonderheden en actuele ontwikkelingen in Hoenderloo gedeeld en waar nodig afgestemd. Samenwerking wordt hier gestimuleerd en er worden afspraken over communicatie gemaakt. De korte lijnen hebben bijgedragen aan begrip en een adequate afhandeling bij meldingen. Het platform heeft daarmee vooral een signalerende en verbindende functie, gericht op het delen van informatie, afstemmen tussen partijen en tijdig agenderen van relevante ontwikkelingen.
Aanvullend vindt iedere vier weken overleg plaats met de gebiedswethouder en gebiedsdirecteur. In dit overleg worden de belangrijkste signalen en actualiteiten uit het dorp besproken en, indien nodig, vertaald naar bestuurlijke aandacht of vervolgacties. Concreet gaat het onder meer om een bemiddelende rol van een gebiedsbestuurder, communicatie naar inwoners en (nieuwe) samenwerkingsafspraken.
Weten inmiddels gemeenten allemaal waar hun jongeren verblijven? Wat is er gebeurd sinds juni 2024 om dit in kaart te brengen? Wat hebben de afspraken om het aantal plaatsingen buiten de regio waarin een jongere is opgegroeid terug te brengen en concreet opgeleverd?
Gemeenten zijn verantwoordelijk voor het treffen van een voorziening op het gebied van jeugdhulp als dat nodig is. De gemeente is niet altijd inhoudelijk betrokken bij een casus. Vanuit hun toezichthoudende rol is het nodig dat gemeenten weten van welke aanbieder de jongere de zorg ontvangt. Dit is informatie waarover zij beschikken vanuit de inkooprelatie met een betreffende aanbieder. Het is echter niet altijd bekend op welke locatie de cliënt verblijft, dat is voor dit type toezicht ook niet noodzakelijk. De jeugdhulpaanbieder is zelf verantwoordelijk voor het verlenen van verantwoorde hulp. En de IGJ houdt toezicht op de kwaliteit en veiligheid van de zorg.
In de zoektocht naar passende hulp wordt, bij gebrek aan passende zorg, soms gekozen voor plaatsingen op een zorglocatie ver buiten de regio die oorspronkelijk niet door de gemeente is gecontracteerd. Dergelijke plaatsingen zijn kwetsbaarder. Zo worden er bijvoorbeeld meestal minder eisen gesteld aan plaatsingen via maatwerkcontracten. Het is daarom belangrijk dat er beter zicht komt op deze plaatsingen. Samen met de VNG en de Branches Gespecialiseerde Zorg voor Jeugd (BGZJ) zet ik daarom stappen om één-op-één plaatsingen en buitencontractuele plaatsingen buiten de regio die niet in het belang zijn van de jeugdige, in beeld te krijgen en zo veel als mogelijk tegen te gaan. Gemeenten worden daarvoor op zeer korte termijn verzocht om deze zomer deze jongeren per jeugdregio in beeld te brengen, als zijnde een nulmeting. Daarna gaan jeugdregio’s stapsgewijs toe werken naar meer zicht op de jongere en diens zorgbehoefte met als doel dat zij zoveel mogelijk in eigen regio hulp ontvangen. Ook wordt gekeken of er een verklarende analyse is, of de huidige zorg passend is én hoe toegewerkt wordt naar passende zorg voor deze jeugdige. Gemeenten kunnen hier per direct ondersteuning bij krijgen vanuit een landelijk programma vanuit het Ondersteuningsteam Zorg voor de Jeugd (OZJ). Ik volg de inspanningen van de gemeenten en verwacht uw Kamer in het najaar te kunnen informeren over de eerste bevindingen.
Vanuit de Hervormingsagenda wordt daarnaast onverminderd ingezet op het verbeteren van het (landelijk) inzicht in het stelsel en het verbeteren van datagedreven werken. Het CBS werkt nu aan een data-infrastructuur voor een centrale monitor van het jeugdstelsel (met o.a. een dashboard en statistieken) en is voornemens na de zomer een eerste versie te lanceren. Deze bevat waar mogelijk cijfers op landelijk, regionaal en gemeentelijk niveau. Daarnaast zet de VNG in op het stimuleren en verbeteren van datagedreven werken bij gemeenten, waarbij de centrale monitor ook gebruikt kan worden.
Wat is de stand van zaken van de uitvoering van de toezegging dat vanuit de Hervomingsagenda ingezet zou worden op betere (landelijke) monitoring en het versterken van datagedreven werken bij gemeenten? Hoe rijmt dat met het feit dat wederom geconstateerd werd dat gemeenten wederom onvoldoende zicht hebben op waar hun inwoners worden ondergebracht?
Zie antwoord vraag 5.
Deelt u de constatering uit het onderzoeksrapport dat de volgende factoren een rol spelen bij het ontbreken van passende hulp van voldoende kwaliteit voor jongeren in Hoenderloo: onvoldoende passende hulp in de eigen regio, het niet op orde zijn van bestuurlijke randvoorwaarden voor kwalitatief goede en veilige hulp, het onvoldoende planmatig en ontwikkelingsgericht werken door zorgverleners, het onrechtmatig inzetten van vrijheidsbeperkende maatregelen, het ontbreken van voldoende onderwijs en/of dagbesteding en het tekortschieten van de veiligheid van de leefomgeving? Zo ja, kunt u per factor aangeven welke concrete maatregelen u gaat nemen om op korte en lange termijn verbetering te realiseren? Zo nee, kunt u per factor aangeven waarom u deze mening niet deelt?
Ik herken de constateringen uit het onderzoeksrapport van de IGJ. Het organiseren en bieden van passende hulp is een gezamenlijke opgave van alle betrokken partijen (overheden/aanbieders/professionals).
Dat er voor jongeren met de meest zware problematiek nog te vaak onvoldoende passende jeugdhulp beschikbaar is, heeft verschillende oorzaken die uiteenlopen van onvoldoende goede (verklarende) analyse aan het begin van een traject tot aan het ontbreken van het benodigd aanbod. Zie daarvoor ook mijn recente brief over acties m.b.t. aanpak t.b.v. passende jeugdhulp voor jongeren met complexe problematiek.3 Het is niet eenvoudig om passende zorg te organiseren voor jongeren met complexe problematiek en onze inzet zal daarom niet in alle gevallen direct resultaat hebben.
Vrijheidsbeperking in de open residentiële jeugdhulp is volgens de Jeugdwet niet toegestaan. Er wordt volop ingezet op het voorkomen hiervan, onder meer middels het informeren van de sector met de handreiking «Omgaan met dilemma’s rond vrijheidsbeperking in de open jeugdhulp met verblijf». Deze is in opdracht van VWS opgesteld. Tegelijkertijd zullen er specifieke omstandigheden blijven bestaan waarin de inzet van vrijheidsbeperkende maatregelen nodig is om te zorgen dat een jongere passende hulp kan krijgen. Daarom werk ik, zoals mijn voorganger heeft aangekondigd, aan een wetswijziging om de toepassing van vrijheidsbeperking in specifieke omstandigheden in de open residentiële jeugdhulp mogelijk te maken.
Vanuit de transformatie van de gesloten jeugdhulp wordt gewerkt aan de realisatie van alternatieven voor gesloten jeugdhulp. Onderdeel daarvan is ook het voorkomen dat kinderen gesloten geplaatst worden. Om hier een impuls aan te geven gaan we de bestuurlijke afspraken over de transformatie gesloten jeugdhulp uit 2024 aanvullen en verder concretiseren. Tot slot treffen we vanuit de Hervormingsagenda verschillende maatregelen om de jeugdhulp te verbeteren. Zoals de Wet verbetering beschikbaarheid jeugdzorg, de verbetering van kwaliteit in de sector en de ombouw van residentiële jeugdhulpinstellingen naar kleinschaligheid.
Hoeveel incidenten hebben er plaats gevonden op het terrein in Hoenderloo sinds 1 januari 2025 waarbij er sprake was van bijvoorbeeld middelengebruik, bedreiging, geweld, nachtelijke activiteiten of vernielingen? Hoeveel incidenten hebben er sinds 1 januari 2025 plaatsgevonden op het terrein waarbij jongeren zich onveilig voelden?
Voor de beantwoording van deze vraag heb ik navraag gedaan bij de gemeente Apeldoorn en de politie. De categorieën die in de vraag beschreven zijn, worden niet als dusdanig geregistreerd. Daarom is voor de beantwoording van deze vraag aangesloten bij meldingen zoals deze worden geregistreerd bij de politie.
Sinds 1 januari 2025 heeft de politie in totaal 1.160 meldingen gehad op het Hoenderloo-terrein. Deze waren van de volgende aard:
Daarnaast zijn er in totaal 13 incidenten geweest waarbij er sprake is geweest van middelengebruik. Er zijn 5 incidenten geweest waarbij sprake was van bedreiging.
Er zijn 19 incidenten geweest waarbij er sprake was van vernieling. Er wordt niet geregistreerd of een bepaald incident een gevoel van onveiligheid bij jongeren tot gevolg heeft. Een gesprek met een politieagent kan bovendien door de ene jongere als beschermend, maar door de ander als onveilig worden ervaren.
Ik heb deze vraag eveneens voorgelegd aan de IGJ. De IGJ beschikt niet over een totaaloverzicht van het aantal incidenten dat sinds 1 januari 2025 heeft plaatsgevonden op het Hoenderloo-terrein. De IGJ heeft in het toezicht op het Hoenderloo-terrein bij de 20, destijds bij de IGJ bekende zorgaanbieders, het aantal incidenten in de jeugdhulp uitgevraagd. In de periode 2024 tot mei 2025 hebben deze zorgaanbieders 319 incidenten gerapporteerd. Ook zijn zorgaanbieders gevraagd voorbeelden van incidenten te geven. De genoemde voorbeelden heeft IGJ gecategoriseerd in «middelengebruik, bedreiging, geweld, nachtelijke activiteiten of vernielingen». De IGJ beschikt echter niet over cijfers over het aantal incidenten per hiervoor genoemde categorie of het aantal incidenten waarbij jongeren zich onveilig voelden.
Hoeveel incidenten hebben er sinds 1 januari 2025 plaatsgevonden binnen de jeugdzorg waarbij er sprake was van bijvoorbeeld middelengebruik, bedreiging, geweld, nachtelijke activiteiten of vernielingen? Hoeveel incidenten hebben er sinds 1 januari 2025 plaatsgevonden waarbij jongeren zich onveilig voelden?
Jeugdhulpaanbieders moeten een calamiteit of geweld bij de verlening van jeugdhulp verplicht melden bij de IGJ. Aanbieders hoeven dus niet alle incidenten bij de inspectie te melden. Het is wel belangrijk dat aanbieders deze zelf registreren en analyseren. Tijdens het toezicht kan de inspectie deze incidentenregistratie inzien en meenemen in het toezicht.
In het jaarbeeld van de IGJ staat dat er in 2025 in totaal 1.240 meldingen binnen de jeugdzorg zijn gedaan, waarvan 160 meldingen over calamiteiten, 410 meldingen over geweld en 670 «andere meldingen». De IGJ registreert deze meldingen niet volgens de categorieën middelengebruik, bedreiging, geweld, nachtelijke activiteiten of vernielingen.
Kunt u aangeven hoeveel onderzoeksrapporten van de Inspectie Gezondheidszorg en Jeugd (IGJ) er sinds 1 januari 2025 tot op heden zijn verschenen over misstanden bij de jeugdzorg en jeugdzorgaanbieders? Kunt u hierbij nader toelichten wat de aard is geweest van elk van deze rapporten en welke opvolging er heeft plaatsgevonden?
De IGJ publiceert rapporten over individuele aanbieders naar aanleiding van haar toezicht op een hiertoe bestemde website4. Daarbij kan gezocht worden op sector jeugdzorg, publicatiejaar en het soort toezichtdocument. In de rapporten is te lezen wat de aard van het toezicht was en welke opvolging de IGJ hieraan heeft gegeven. Daarnaast publiceert de IGJ overkoepelende rapporten op haar website. Sinds 1 januari 2025 zijn (thematische) rapporten verschenen over de uitvoering van jeugdbescherming, gesloten jeugdhulp, gezinshuizen, pleegzorg, eetstoornissenzorg en het Hoenderloo-terrein. Dergelijke rapporten worden vanuit de IGJ gepubliceerd op haar website. De aanbevelingen uit de rapporten richten zich op de jeugdhulpverleners en landelijke partijen die hier opvolging aan moeten geven.
Vind u dat het stelsel van toezicht en controle op misstanden effectief is en naar behoren werkt? Vind u dat de IGJ en gemeenten voldoende bestuurlijke instrumenten hebben om tijdig in te grijpen bij misstanden? Zo nee, kunt u toelichten wat u gaat doen om deze instanties meer bevoegdheden te geven?
Het toezicht op de uitvoering van de Jeugdwet is belegd bij verschillende partijen die hierin vanuit hun eigen expertise een verantwoordelijkheid hebben.
Het stelsel van toezicht en controle is in ontwikkeling en er zijn recentelijk maatregelen genomen om het toezicht verder aan te scherpen. Vanaf 1 januari 2026 moeten bijvoorbeeld (bepaalde) jeugdhulpaanbieders en gecertificeerde instellingen, op grond van de wet Verbetering beschikbaarheid jeugdzorg, een interne toezichthouder hebben. Daarnaast heeft de Nederlandse Zorgautoriteit (NZa) een wettelijke toezichtstaak gekregen op het terrein van de Jeugdwet voor het toezicht op de openbare jaarverantwoording en transparantie financiële bedrijfsvoering van jeugdhulpaanbieders en gecertificeerde instellingen (inwerkingtredingsdatum 1 januari 2027).
Toezicht kan incidenten helaas nooit helemaal voorkomen. Toezichthouders kunnen ook niet overal tegelijk zijn. Daarom maken toezichthouders op grond van risicoanalyse keuzes over waar de risico’s het grootst zijn en toezicht het meest effectief is. Hierbij is het belangrijk dat toezichthouders waar mogelijk informatie met elkaar uitwisselen en goed en multidisciplinair met elkaar samenwerken, zodat zij elkaar ook kunnen aanvullen en versterken.
Inspecties en de NZa hebben diverse bestuurlijke, maar ook informele instrumenten om te zorgen dat jeugdzorgaanbieders zich aan de wet- en regelgeving houden. Ook gemeenten hebben bestuursrechtelijk instrumenten tot hun beschikking en kunnen vanuit hun rol als inkoper maatregelen nemen om te zorgen dat kwaliteitseisen worden nageleefd. Het is hierbij van belang dat bestaande bevoegdheden/instrumenten optimaal worden benut en dat multidisciplinaire samenwerking tussen partijen wordt bevorderd. Er zijn en worden nog stappen gezet om samenwerking tussen toezichthouders beter mogelijk te maken. Bijvoorbeeld door het ontwikkelen van regelgeving die toezichthoudende partijen beter in staat stelt gegevens met elkaar uit te wisselen. Voor meer informatie hierover verwijs ik u ook naar de Kamerbrief over zorgfraude die nog voor de zomer aan uw Kamer wordt toegestuurd. Daarin staat ook dat ik naast het versterken van het toezicht heb besloten een vergunningsplicht voor jeugdhulpaanbieders in te voeren. Door toelating, screening en toezicht beter met elkaar te verbinden, ontstaat een samenhangende aanpak waarbij risico’s en misstanden eerder worden gesignaleerd en aangepakt.
Ten slotte zijn er in het Aanvullend Zorg en Welzijnsakkoord afspraken gemaakt met betrokken partijen over de aanpak van zorgfraude. Deze maatregelen dragen in brede zin bij aan een effectief stelstel van toezicht en controle. Er wordt o.a. ingezet op het verder verstevigen en professionaliseren van het gemeentelijk toezicht. Ik ben voornemens om dit met een stimuleringsprogramma verder vorm te geven. Over de invulling hiervan ben ik met de VNG in overleg.
Het bericht 'Vrouw valt van trap in gebouw waar liften maanden stuk zijn en moet via raam naar buiten, bewoners klagen over onveilige situaties' |
|
Sandra Beckerman (SP) |
|
Boekholt-O’Sullivan |
|
|
|
|
Bent u bekend met het bericht «Vrouw valt van trap in gebouw waar liften maanden stuk zijn en moet via raam naar buiten, bewoners klagen over onveilige situaties»?1
Is het u bekend dat Holland2Stay landelijk op grote schaal woningen verhuurt en beheert, en dat in meerdere steden vergelijkbare klachten bestaan over kapotte liften, defecte toegangssystemen, gebrekkig onderhoud en veiligheidsproblemen?
Acht u het aanvaardbaar dat bewoners maandenlang in een aantoonbaar onveilige situatie verkeren voordat een verhuurder tot een structurele oplossing overgaat, en welke termijn acht u bij een veiligheidsgebrek van deze aard nog acceptabel?
Hoe beoordeelt u het dat de huren worden verhoogd terwijl een basisvoorziening als een werkende lift al maanden niet toegankelijk is, en acht u de mogelijkheden voor huurders om hier iets aan te doen toereikend en toegankelijk?
Herkent u het bredere signaal dat juist kwetsbare of minder mondige huurdersgroepen, zoals expats, extra risico lopen op uitbuiting door grote verhuurders, en welke stappen zet u om ook deze groep effectief te beschermen?
Hoe beoordeelt u het dat de oprichter en een directeur van Holland2Stay in 2021 ieder een taakstraf hebben aanvaard wegens het manipuleren van tijdelijke huurcontracten, en welke consequenties verbindt de overheid aan zo'n veroordeling voor een partij die vervolgens op grote schaal actief blijft op de gereguleerde woningmarkt?
Hoe verhoudt het door Sikkom bevestigde feit dat Holland2Stay meer dan 280 huurders in Groningen tussen € 150 en € 200 aan verboden bemiddelingskosten heeft gerekend en weigerde proactief terug te betalen, zich tot het wettelijke verbod op bemiddelingskosten, en welke mogelijkheden hebben gedupeerde huurders om hun geld terug te krijgen?2
Deelt u, gelet op signalen dat Holland2Stay gebruikmaakt van een vennootschapsstructuur waarbij het bedrijf zich in juridische procedures op het standpunt stelt slechts «beheerder» en niet «verhuurder» te zijn met als gevolg dat huurders bij de rechter bot vangen, de zorg dat ondoorzichtige vennootschapsstructuren huurders het effectief uitoefenen van hun rechten kunnen ontnemen, en welke mogelijkheden ziet u om de werkelijke verhuurder voor huurders kenbaar en aanspreekbaar te maken?
Hoe beoordeelt u het dat Holland2Stay een voormalig student van de Technische Universiteit Eindhoven na een bedwantsenplaag aanvankelijk ruim € 12.000 in rekening bracht, een bedrag dat na protest stapsgewijs werd verlaagd tot € 5.083,21, terwijl een onafhankelijk kenniscentrum aangeeft dat de kosten van een dergelijke bestrijding doorgaans veel lager liggen? Deelt u de zorg dat grote verhuurders onderhouds- en bestrijdingskosten op ondoorzichtige wijze en mogelijk bovenmatig op individuele huurders afwentelen?3
Acht u, mede gelet op de oproep van meerdere partijen in de Groningse gemeenteraad in februari 2025 om de verhuurdersvergunning van Holland2Stay te heroverwegen wegens veiligheidsovertredingen en aanhoudend wangedrag, de instrumenten die gemeenten met de Wet goed verhuurderschap hebben gekregen toereikend om landelijk opererende verhuurders met een aantoonbaar patroon van misstanden aan te pakken, en op welke wijze faciliteert het Rijk de uitwisseling van handhavingsinformatie over zulke verhuurders tussen gemeenten?4
Deelt u de opvatting dat een verhuurder die in de ene stad misstanden begaat of een vergunning verliest, niet ongehinderd in een andere stad zou moeten kunnen doorgaan, en bent u bereid te onderzoeken of een landelijk register van verhuurders met herhaalde overtredingen wenselijk en mogelijk is?
Bent u, gelet op dit incident en het bredere patroon van fraude, illegale kosten, gebrekkig onderhoud en het ontwijken van aansprakelijkheid, bereid de handelwijze van Holland2Stay te onderzoeken en de Kamer over de uitkomsten te informeren?
Welke concrete stappen bent u bereid te zetten om huurders beter te beschermen tegen grote, landelijk opererende verhuurders die een structureel patroon van misstanden laten zien?
De blokkade van de Betuweroute op 19 juni jl. |
|
Björn Schutz (VVD) |
|
Bertram |
|
|
|
|
Bent u bekend met het bericht «Na nieuwe blokkade is goederenvervoer er klaar mee: «machinisten vast in snikhete locomotief»»?1
Klopt het dat als gevolg van deze blokkade gedurende ongeveer vijf uur geen goederenvervoer over de Betuweroute mogelijk was? Welke factoren hebben ertoe geleid dat het circa vijf uur duurde voordat het spoor werd vrijgemaakt en weer kon worden vrijgegeven voor treinverkeer?
Klopt het dat ProRail tijdens de blokkade de bovenleidingen heeft uitgeschakeld, waardoor de klimaatbeheersing in de locomotieven uitviel, met als gevolg dat machinisten te maken kregen met temperaturen tot wel 42 graden?
Hoe beoordeelt u het feit dat machinisten en ander treinpersoneel met deze omstandigheden te maken kregen op een dag waarop het Nationaal Hitteplan van kracht was?
Deelt u de opvatting dat het onacceptabel is dat machinisten en ander spoorpersoneel als gevolg van een blokkade gedurende langere tijd worden blootgesteld aan dergelijke temperaturen?
Hoe zijn de belangen van de machinisten en het andere spoorpersoneel meegewogen in de besluitvorming van ProRail om de bovenleiding uit te schakelen vanwege de blokkade?
Welke maatregelen zijn tijdens de blokkade genomen om de gezondheid en veiligheid van de machinisten en het andere spoorpersoneel te waarborgen?
Neemt u de gevolgen van spoorblokkades voor machinisten, spoorvervoerders en de continuïteit van het spoorgoederenvervoer mee in uw overleg met andere ministeries en betrokken organisaties?
Deelt u de opvatting dat het blokkeren van vitale infrastructuur, zoals de Betuweroute, niet alleen gevolgen heeft voor de openbare orde maar ook voor de betrouwbaarheid van de Nederlandse logistieke keten en het vestigingsklimaat?
Bent u bekend met signalen dat dezelfde actiegroep die nu de Betuweroute blokkeerde, voornemens is om op 27 juni de spoorwegen van de haven van Rotterdam te blokkeren?
Welke maatregelen neemt het kabinet om dergelijke toekomstige blokkades te voorkomen?
Acht u het wenselijk dat een relatief kleine groep actievoerders gedurende vijf uren een vitale goederenverbinding kan stilleggen? Zo nee, welke lessen trekt u uit deze gebeurtenis?
Welke maatregelen worden genomen om ervoor te zorgen dat het spoor bij toekomstige blokkades sneller kan worden vrijgemaakt voor het treinverkeer?
Welke gevolgen hebben herhaalde spoorblokkades volgens u voor de betrouwbaarheid en aantrekkelijkheid van het spoorgoederenvervoer en voor de door het kabinet nagestreefde modal shift van weg naar spoor?
Deelt u de zorg dat herhaalde blokkades de concurrentiepositie van het spoorgoederenvervoer verslechteren en ertoe kunnen leiden dat goederenstromen terugkeren naar de weg?
Welke maatregelen treft het kabinet om de continuïteit van het spoorgoederenvervoer te waarborgen?
Ziet u aanleiding om aanvullende maatregelen te treffen of procedures aan te passen om sneller en effectiever op te treden bij spoorblokkades? Zo ja, welke?
Het bericht dat de Defensie investeert in Spaanse en Chinese 3D Machines |
|
Maes van Lanschot (CDA) |
|
Derk Boswijk (CDA) |
|
|
|
|
Klopt het dat Defensie voor ruim € 6 miljoen metaal-3D-printsystemen van Chinese makelij aanschaft, terwijl er ook Nederlandse producenten zijn die systemen van dezelfde of hogere kwaliteit aanbieden?1
Hoe verhoudt deze aanschaf zich tot de kabinetsambitie om verhoogde defensiebestedingen te laten neerslaan in de Nederlandse maakindustrie?
Is bij de voorbereiding van deze aanbesteding onderzocht of en onder welke voorwaarden Nederlandse fabrikanten aan de gestelde eisen konden voldoen, en zo ja, wat was de uitkomst daarvan?
Hoe beoordeelt u het dat het eisenpakket in de praktijk zo uitpakte dat een Nederlandse partij alleen via een constructie met een buitenlandse distributeur van Chinese systemen kon inschrijven?
Deelt u de opvatting dat een dergelijk traject, met een uitvoerig eisenpakket en een langdurig proces, voor relatief kleinschalige investeringen in productietechnologie onevenredig zwaar is? Zo niet, waarom niet? Zo ja, bent u bereid te onderzoeken of vereenvoudiging mogelijk is zodat kansen voor Nederlandse leveranciers beter benut kunnen worden?
In hoeverre wordt bij aanbestedingen voor strategische productietechnologie de herkomst van leveranciers, Nederlands, Europees of van buiten de EU, meegewogen, en acht u de huidige weging afdoende om te voorkomen dat Nederlandse en Europese bedrijven structureel worden gemist?
Acht u het wenselijk dat de Koninklijke Landmacht en de Koninklijke Marine ervaring met metaal-3D-printen opdoen op Chinese machines, gelet op de ambitie de strategische afhankelijkheden van een land als China af te bouwen?
Hoe wordt geborgd dat de data veilig blijft op een systeem van Chinese makelij, en dat de kennis en kunde, zoals certificeringen, die Defensie opbouwt op deze systemen niet verloren gaan bij een eventuele overstap naar een ander systeem?
Hoe schat u het risico in dat Defensie zich met deze aanschaf afhankelijk maakt van een Chinese fabrikant die op elk moment, door exportrestricties of geopolitieke ontwikkelingen, de levering van vervangende systemen, service en reserveonderdelen kan staken?
Welke maatregelen heeft u genomen om deze afhankelijkheid te beperken, bijvoorbeeld ten aanzien van de beschikbaarheid van reserveonderdelen, software-updates en technische ondersteuning bij een eventuele verstoring van de handelsrelatie met China?
Bent u bereid te onderzoeken hoe bij toekomstige aanbestedingen van strategische productietechnologie Nederlandse en Europese leveranciers beter in beeld komen, en de Kamer over de uitkomsten te informeren?
Het afhuren van (meerdere) strandtenten in Scheveningen door het Ministerie van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties. |
|
Shanna Schilder (PVV) |
|
Enneüs Heerma (CDA) |
|
|
|
|
Klopt het dat op moment van schrijven, 25 juni 2026, het Ministerie van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties (BZK) één of meerdere Beach bars in Scheveningen heeft afgehuurd voor eigen festiviteiten?1
Kunt u aangeven welke kosten hiermee gemaakt worden, wie er onder de genodigden vallen en voor hoeveel personen deze bijeenkomst bedoeld is?
Kunt u aangeven wanneer en op welk ambtelijk niveau het besluit is genomen deze Beach bar(s) af te huren?
Kunt u aangeven welke publieke belangen er gediend worden door met publiek geld Beach bars in Scheveningen af te huren en hoe dit zich verhoudt tot de steeds verder oplopende lasten van belastingbetalende hardwerkende burgers?
Kunt u aangeven hoe vaak per jaar dergelijke activiteiten ondernomen worden door het Ministerie van BZK en welke kosten hiervoor gemaakt en gereserveerd worden?
Kunt u aangeven wat er exact begint met verbinden?2
Kunt u aangeven hoe dergelijke activiteiten zich verhouden tot het eerder aangekondigde beleid waarbij bezuinigd zou worden op onder andere borrels?3
Kunt u, als Minister van het moederdepartement, aangeven hoe bovenstaande vragen gestalte vinden op andere departementen en hoe dit zich verhoudt tot uw ministerie?
Het bericht ‘Strenger handhaven bij brug kanaal Roosteren’ |
|
Luciënne Boelsma-Hoekstra (CDA), Judith Buhler (CDA) |
|
Vincent Karremans (VVD) |
|
|
|
|
Bent u bekend met de berichten over de verslechterde staat van de brug over het Julianakanaal bij Roosteren en de zorgen van inwoners, ondernemers en agrariërs over de gevolgen van de ingestelde gewichtsbeperkingen?1
Klopt het dat nieuwe informatie wijst op ernstigere veiligheidsrisico’s van de brug bij Roosteren dan eerder bekend was? Zo ja, wat houden deze risico’s precies in en welke gevolgen heeft dit voor de veiligheid van weg- en vaarweggebruikers?
Deelt u de opvatting dat de huidige situatie voor Roosteren uitzonderlijk is, nu vrachtverkeer en landbouwvoertuigen zwaarder dan 3,5 ton geen gebruik meer kunnen maken van de brug en een deel van de omgeving feitelijk alleen nog via België bereikbaar is? Welke gevolgen ziet u hiervan voor inwoners, ondernemers en agrarische bedrijven?
Waarom vindt de fysieke inspectie van de brug volgens de huidige planning pas eind november plaats, terwijl sprake is van ernstige veiligheidsrisico’s en grote gevolgen voor de bereikbaarheid van de regio? Ziet u mogelijkheden om dit onderzoek te versnellen?
Welke afstemming heeft plaatsgevonden met de provincie Limburg, de betrokken gemeenten en belangenorganisaties van ondernemers en landbouwers over de gevolgen van de beperkingen en de mogelijke oplossingsrichtingen? Wat zijn de uitkomsten van deze gesprekken?
Ziet u mogelijkheden om samen met Rijkswaterstaat te bezien welke tijdelijke of structurele maatregelen mogelijk zijn om de bereikbaarheid van Roosteren en omgeving te verbeteren en om het onderzoek naar de staat van de brug te versnellen? Zo ja, welke stappen bent u bereid hiervoor te zetten en op welke termijn kunnen betrokkenen hierover duidelijkheid verwachten?
Het rapport ‘Geldzaken in de praktijk (2026)’ van het Nibud. |
|
Sarath Hamstra (CDA) |
|
Hans Vijlbrief (D66) |
|
|
|
|
Heeft u kennisgenomen van het onderzoek Geldzaken in de praktijk van het Nibud?1
Constaterende dat uit het Nibud-rapport blijkt dat de financiële situatie van jongvolwassenen het meest verslechterd is ten opzichte van 2024, en dat op dit moment 54% van de jongvolwassenen aangeeft moeite te hebben met rondkomen, welke verklaring ziet u hiervoor en welke gerichte maatregelen neemt u om te voorkomen dat jongvolwassenen in de schulden belanden?
Constaterende dat uit het Nibud-rapport blijkt dat inmiddels meer dan de helft van de huishoudens ten minste één betalingsprobleem heeft gehad en dat betalingsproblemen zich opstapele, en dat de financiële problemen vaak al groot zijn voordat huishoudens geholpen kunnen worden door gemeenten of schuldhulp, en dat de moties Hamstra2 door de Kamer zijn aangenomen en dat deze de regering oproepen te onderzoeken of banken hun klanten en werkgevers hun werknemers kunnen doorverwijzen naar schuldhulpverlening bij signalen van geldzorgen, welke aanvullende maatregelen neemt u om mensen eerder in beeld te krijgen voordat betalingsachterstanden uitgroeien tot problematische schulden?
Constaterende dat uit het rapport van het Nibud blijkt dat inkomenszekerheid ministens zo belangrijk is als de inkomstenhoogte, en dat mensen met weinig grip op hun inkomen in 80% van de gevallen moeite hebben met rondkomen, en dat in het coalitieakkoord staat het streven naar één vaste betaaldag, welke stappen heeft u al genomen om dit te bereiken en welke stappen bent u nog voornemens om te nemen om dit te bereiken? Welke andere maatregelen neemt u om de voorspelbaarheid en beheersbaarheid van inkomen te bevorderen?
Constaterende dat huishoudens met wisselende inkomens en jongvolwassenen vaak niet weten op welke inkomensondersteuning zij recht hebben en waar zij informatie kunnen vinden over toeslagen, terwijl deze doelgroep juist vaak recht heeft op inkomensondersteuning, en dat de Wet proactieve dienstverlening een stap in de goede richting is om niet-gebruik tegen te gaan, bent u het eens dat verregaandere stappen vereist zijn om toe te werken naar automatisch uitkeren? Welke stappen bent u voornemens om te nemen en op welk termijn?
Constaterende dat uit het Nibud-rapport blijkt dat de meeste huishoudens bij geldproblemen hun vaste lasten zo lang mogelijk proberen te betalen en als eerste bezuinigen op voeding, kleding, hobby’s, sociale activiteiten en zorg, hoe voorkomt u dat huishoudens, in het bijzonder huishoudens met kinderen, niet in staat zijn om deel te nemen aan het sociale leven omdat zij anders hun vaste lasten niet kunnen betalen?
Constaterende dat uit het Nibud-rapport volgt dat 25% van de huishoudens aankopen via creditcard of achteraf betalen niet betalen wanneer zij in geldproblemen zitten, en dat hierdoor een grote kans bestaat dat schulden ontstaan of verergeren, en met name jongvolwassenen zijn kwetsbaar hiervoor, bent u het eens dat deze doelgroep daartegen beschermd moet worden en op welke wijze is de Minister van plan om dit te doen?
Hoewel op papier de koopkracht de afgelopen jaren is verbeterd, constateert het Nibud dat huishoudens een duidelijke verslechtering ervaren in hun financiële situatie, hoe verklaart u dit verschil?
Het bericht ‘Zorgverzekeraars: premieopslag bij betalingsachterstand voor laagste inkomens naar 0%’ |
|
Mirjam Bikker (CU), Don Ceder (CU) |
|
Sophie Hermans (VVD) |
|
|
|
|
Hoe beoordeelt u de wens van Zorgverzekeraars Nederland om de premieopslag in de wanbetalersregeling in de Zorgverzekeringswet te verlagen van 10% naar 0%? Wat is volgens u het effect van de huidige premieopslag in de wanbetalersregeling?1 Heeft de premieopslag volgens u het effect wat ermee is beoogd? Deelt u de conclusie van Zorgverzekeraars Nederland dat de huidige premieopslag een extra belasting is voor kwetsbare verzekerden?
Wat zegt het u dat zowel de uitvoerder van de wanbetalersregeling2 (het CAK) als de zorgverzekeraars het standpunt hebben dat de premieopslag verlaagd moet worden naar 0%?
Bent u bereid deze verlaging te gaan realiseren door een wetsvoorstel aanhangig te maken? Zo nee, wat houdt u tegen?
Zijn er (relevante) (advies)organen voorstander van het behouden van de premieopslag van 10%? Zo ja, welke en met welke argumentatie?
Heeft u informatie over hoeveel verzekerden in de wanbetalersregeling terechtgekomen zijn vanwege hun problematische schuldensituatie? Zo ja, wat zeggen deze cijfers u over de effectiviteit en het doel van de wanbetalersregeling met premieopslag?
Bent u bereid om met het CAK en Zorgverzekeraars Nederland in gesprek te gaan over hoe een wanbetalersregeling (waarbij verzekerden wel verzekerd blijven ondanks hun betalingsachterstand) eruit kan zien zonder premieopslag? Zo nee, waarom niet? Op welke termijn zou dit uitvoeringstechnisch haalbaar zijn?
Hoeveel levert de premieopslag nu aan inkomsten op, na verrekening van incasso- en deurwaarderskosten? Hoeveel van de opgelegde premieopslag wordt daadwerkelijk geïnd? Hoeveel incasso- en deurwaarderskosten worden hiervoor gemaakt?
Welke financiële gevolgen heeft het verlagen van de premieopslag naar 0% voor de Rijksbegroting?
Sluit u zich aan bij de Kamerbrede uitspraak (motie Ceder, Kamerstukken 36 800 XV, nr. 80) dat de premieopslag in de wanbetalersregeling moet verdwijnen? Zo nee, op welke wijze geeft u dan navolging aan de aangenomen motie? Zo ja, wanneer kan de Kamer een wetsvoorstel verwachten?
Kunt u de Kamer (alsnog) informeren over de in motie Ceder (Kamerstukken 36 800 XV, nr. 80) gevraagde informatie over wat er nodig is om de premieopslag uit de wanbetalersregeling te schrappen?
Het bericht ‘Werknemers vallen volgens de vakbond bijna flauw op de werkvloer’ |
|
Jimmy Dijk (SP) |
|
Hans Vijlbrief (D66) |
|
|
|
|
Bent u bekend met het bericht «Werknemers vallen volgens de FNV bijna flauw op de werkvloer. Welke rechten hebben ze?»?1
Bent u het met de FNV eens dat het een slechte zaak is dat er in het Arbobesluit alleen staat dat de temperatuur op de werkplek «niet nadelig» mag zijn voor de gezondheid van de werknemer? Zo nee, waarom niet? Zo ja, waar vindt u dat de wetgeving tekortschiet?
Welke misstanden heeft de Nederlandse Arbeidsinspectie de afgelopen vijf jaar geconstateerd rond werken in de hitte?
Hoeveel bedrijven komt de Nederlandse Arbeidsinspectie tegen waar helemaal geen hitteplan is geformuleerd?
Hoe handhaaft de Nederlandse Arbeidsinspectie op werken in de hitte?
Vindt u de huidige wetgeving op dit moment toereikend genoeg om te voorkomen dat mensen in extreme warmte moeten werken? Zo ja, waarom? Zo nee, waar vindt u dat de wetgeving tekortschiet?
Bent u het ermee eens dat de huidige wetgeving moet worden aangepast om duidelijkere normen en maatregelen rond werken in de hitte te verankeren? Zo nee, waarom niet? Zo ja, wat gaat u hieraan doen?
Hoe staat u tegenover het idee van de FNV om een norm voor hittestress op te nemen in de Arbowet waarbij de kerntemperatuur van het lichaam niet boven de 38 graden mag komen?
Bent u van plan een norm voor hittestress op te nemen in de Arbowet? Zo nee, waarom niet?
Kunt u deze vragen één voor één beantwoorden?
Verspreide berichten van burgerwachten in verschillende gemeenten. |
|
Lisa Westerveld (GL), Barbara Kathmann (PvdA) |
|
Aerdts , Bart van den Brink (CDA) |
|
|
|
|
Bent u bekend met de burgerwachten die zijn opgezet in verschillende gemeenten in navolging van de protesten over de komst van noodopvang voor asielzoekers of statushouders, zoals bijvoorbeeld wordt beschreven in het artikel «Nagestaard, gefotografeerd en gewantrouwd»?1
In hoeveel gemeenten zijn er inmiddels soortgelijke burgerwachten opgericht?
Wanneer gaat dit gedrag van intimidatie over in bedreiging, stalking, laster of doxing en gaat het dus over strafbare feiten?
Is er al aangifte gedaan van dergelijke strafbare feiten door dit soort burgerwachten door vrijwilligers, buurtbewoners of opvangbewoners?
Bent u van mening dat opvangbewoners weten wanneer er sprake is van strafbare feiten? Zo nee, hoe gaat u ervoor zorgen dat zij weten wanneer er strafbare feiten tegen hen worden gepleegd? Zo ja, waarom denkt u dat?
Bent u van mening dat opvangbewoners de weg naar de politie kennen wanneer er sprake is van strafbare feiten? Zo nee, hoe gaat u ervoor zorgen dat zij weten dat zij en waar zij aangifte kunnen doen van strafbare feiten?
Bent u bekend met het incidentenbericht in Apeldoorn waarin werd gewaarschuwd voor een man die bij een basisschool stond en onterecht in verband werd gebracht met een noodopvanglocatie, die uiteindelijk een ouder bleek te zijn die zijn kind van school kwam halen?
Was hier mogelijk sprake van een strafbaar feit?
Wat vindt u ervan dat er op deze manier op mensen wordt «gejaagd»?
Zijn gemeenten voldoende op de hoogte wanneer zij kunnen ingrijpen en zijn zij voldoende in staat dit te toen?
Hebben er gesprekken plaatsgevonden tussen uw ministerie en de gemeenten waar dit voorkomt om hen te ondersteunen? Zo nee, waarom niet? Zo ja, wat kwam er uit deze gesprekken?
Bent u op de hoogte van het feit dat ook vrijwilligers van asielzoekerscentra in sommige gemeenten geïntimideerd worden en zich niet veilig voelen om naar een opvanglocatie te gaan om te helpen? Hoe bent u van plan hen veilig te houden?
Wat is volgens u de rol van sociale media wanneer foutieve berichten over vermeende opvangbewoners online worden verspreid?
Vindt u dat sociale media ervoor zouden moeten zorgen dat foutieve lasterberichten over mensen gefilterd moeten worden?
Hoe zorgt u ervoor dat sociale media hier hun verantwoordelijkheid nemen?
De toename van explosies in woonwijken |
|
Mahjoub Mathlouti (D66) |
|
David van Weel (VVD) |
|
|
|
|
Bent u bekend met de berichtgeving over de recente explosies in Amsterdam, Breda, Poortugaal, Eindhoven en Spijkenisse en het beeld dat explosies in woonwijken steeds vaker voorkomen en zich op sommige locaties herhalen?
Hoeveel explosies en pogingen daartoe hebben in de afgelopen tien jaar plaatsgevonden in woonwijken? Kunt u deze cijfers uitsplitsen per jaar, politieregio en naar (vermoedelijk) motief?
Hoe heeft het aantal explosies en pogingen daartoe in woonwijken zich in de afgelopen tien jaar ontwikkeld en welke mogelijke trend ziet u daarin voor de komende jaren? Kunt u daarbij aangeven welke factoren volgens politie, het Openbaar Ministerie en andere betrokken instanties bijdragen aan deze ontwikkeling?
Hoe beoordeelt u de maatschappelijke impact van deze ontwikkeling op bewoners, in het bijzonder in buurten waar herhaaldelijk explosies plaatsvinden en gevoelens van onveiligheid langdurig aanwezig blijven?
Hoe verklaart u dat in meerdere gevallen in korte tijd opnieuw explosies konden plaatsvinden in dezelfde straat of directe omgeving, zoals recent in Breda, Poortugaal en Spijkenisse?
Beschikken gemeenten, politie en het Openbaar Ministerie momenteel over een eenduidige werkwijze voor risicobeoordeling en opvolging na een eerste explosie om herhaling te voorkomen? Zo ja, hoe ziet die eruit en hoe wordt de effectiviteit daarvan gemeten?
Welke concrete maatregelen worden direct ingezet nadat sprake is van een explosie bij een woning, bijvoorbeeld op het gebied van beveiliging, toezicht, informatievoorziening en bescherming van bewoners en omwonenden?
Welke juridische, bestuurlijke en operationele instrumenten hebben burgemeesters op dit moment om op te treden na een explosie en acht u dat instrumentarium toereikend?
Hoeveel explosiezaken zijn in de afgelopen tien jaar opgehelderd? Dat wil zeggen: hoe veel verdachten zijn aangehouden en in hoeveel zaken is het daadwerkelijk gekomen tot een veroordeling?
Acht u de huidige opsporings- en vervolgingscapaciteit binnen politie, forensische opsporing en het Openbaar Ministerie voldoende om explosiezaken snel en zichtbaar af te handelen? En zo ja, waar blijkt dat uit?
Hoe vaak waren in de afgelopen tien jaar minderjarigen of jongvolwassenen betrokken bij explosiezaken en welke inzichten bestaan over de rekrutering van jongeren voor dit type geweld?
Welke interventies worden ingezet om te voorkomen dat jongeren worden ingezet voor intimidatie, geweld en explosies en hoe wordt de effectiviteit van die aanpak beoordeeld?
Heeft u voldoende zicht op de herkomst, handel en verspreiding van de explosieve middelen die worden gebruikt bij deze incidenten?
Herhaalde aanvallen van het Israëlische leger op medisch personeel in Libanon |
|
Hanneke van der Werf (D66), Mpanzu Bamenga (D66) |
|
Berendsen , Sjoerd Sjoerdsma (D66) |
|
|
|
|
Bent u bekend met het bericht «De eerste ambulance werd geraakt; toen de tweede, derde en vierde. Hoe Israël medisch personeel aanvalt in Libanon»?1
Herkent u het beeld dat het Israëlische leger in Libanon zogenoemde double-tap-aanvallen uitvoert, waarbij hulpverleners die na een eerste aanval te hulp schieten herhaaldelijk opnieuw worden beschoten? Zo nee, waarom niet?
Deelt u de conclusie van de door NRC geraadpleegde experts dat deze aanvallen in strijd zijn met het humanitair oorlogsrecht, in het bijzonder met de bescherming van medisch personeel en ambulances? Zo nee, waarom niet?
Hoe beoordeelt u deze aanvallen op medisch personeel en ambulances in het licht van de verplichtingen van Israël onder artikel 2 van de EU-Israël Associatieovereenkomst?
Is het kabinet bereid deze aanvallen scherp en publiekelijk te veroordelen, en dit ook rechtstreeks over te brengen aan de Israëlische regering? Zo nee, waarom niet?
Hebben eerdere gesprekken met Israëlische Ministers en andere diplomatieke contacten geleid tot aantoonbare verandering in het optreden van het Israëlische leger? Zo nee, welke conclusie trekt het kabinet daaruit over de effectiviteit van diplomatieke waarschuwingen?
Is het kabinet bereid deze praktijken aan te grijpen om in Europees verband opnieuw en blijvend te pleiten voor spoedige politieke en handelsmaatregelen tegen Israël, zolang het Israëlische leger burgers, hulpverleners en medisch personeel blijft aanvallen? Zo nee, waarom niet?
Welke concrete gevolgen verbindt het kabinet aan de relatie met Israël nu het Israëlische leger, na meerdere waarschuwingen, opnieuw hulpverleners, ambulances en medische voorzieningen blijkt aan te vallen?
De obstakels bij integratie voor de buitenlandse partners van Nederlanders |
|
Wimar Bolhuis (PvdA) |
|
Thierry Aartsen (VVD) |
|
|
|
|
Deelt u de mening dat Nederlanders die een liefdesrelatie hebben met een niet-EU-inwoner en aan de inkomenseisen voldoen, de mogelijkheid zouden moeten hebben om samen met hun geliefde een leven op te bouwen in Nederland, waarbij de niet-Nederlandse partner zo snel mogelijk zou moeten kunnen inburgeren?
Deelt u de mening dat praktische obstakels die de vlotte inburgering van deze liefdespartners in de weg staan, zo veel mogelijk vermeden en opgeheven moeten worden?
Acht u het wenselijk dat liefdespartners van Nederlanders honderden euro’s kwijt zijn louter en alleen aan de reiskosten om het basisexamen inburgering in het buitenland te kunnen afleggen?
Is het mogelijk om buitenlandse partners van Nederlanders het basisexamen inburgering in het buitenland digitaal van op afstand te laten afleggen wanneer er geen examenfaciliteit in hun stad of dorp beschikbaar is? Zo nee, wat is ervoor nodig om dat wel mogelijk te maken?
Wat is de gemiddelde doorlooptijd van het basisexamen inburgering in het buitenland? En wat is de gemiddelde doorlooptijd van de procedure voor een machtiging tot voorlopig verblijf?
Kan de termijn van acht weken waarover DUO beschikt om de examenuitslag bekend te maken, ingekort worden? Zo ja, met hoeveel weken? Zo nee, wat precies staat een inkorting in de weg?
Hoe verhoudt de lange duurtijd van de combinatie van het basisexamen inburgering in het buitenland plus de procedure voor een machtiging tot voorlopig verblijf zich tot het recht op gezinsleven uit artikel 8 van het Europees Verdrag voor de Rechten van de Mens (EVRM), wanneer aan alle inkomens- en huisvestingseisen wordt voldaan, en wanneer de wachttijd in de praktijk samenvalt met perioden waarin echtgenoten elkaar door visumtellingen niet eens fysiek mogen ontmoeten?
Is het mogelijk bij het inplannen van het basisexamen inburgering in het buitenland al het proces voor een machtiging tot voorlopig verblijf op te starten, zodat deze processen parallel lopen en mensen dus niet onnodig lang hoeven te wachten? Zo nee, wat concreet staat dat in de weg?
Op welke objectieve gronden zijn partners uit Australië, Canada, Japan, Monaco, Nieuw-Zeeland, Vaticaanstad, Verenigd Koninkrijk, de Verenigde Staten van Amerika, Zuid-Korea of Zwitserland vrijgesteld van het basisexamen buitenland, terwijl partners uit andere landen deze eis wel krijgen opgelegd? Is dit onderscheid nog te rechtvaardigen?
Overweegt u de vrijstelling van het basisexamen inburgering in het buitenland uit te breiden naar andere landen wanneer het gaat om de liefdespartners van Nederlanders? Zo ja, welke? Zo nee, waarom niet?
Is het kabinet bereid te onderzoeken of inburgering in Nederland zelf, onder begeleiding van de Nederlandse echtgenoot en familie, een gelijkwaardig of beter alternatief kan zijn voor het examen in het buitenland? Zo nee, waarom niet?
Hoe weegt het kabinet de mentale en relationele schade van maandenlange gedwongen scheiding mee in de proportionaliteitstoets? Welke maatregelen zal het kabinet nemen om een vlottere inreis en integratie van liefdespartners van Nederlanders te garanderen om dit soort mentale en relationele schade te voorkomen?
Kunt u iedere vraag afzonderlijk beantwoorden?
Het bericht dat VUmc in 2040 stopt als ziekenhuis en de zorgtaken naar locatie AMC gaan |
|
Vicky Maeijer (PVV) |
|
Sophie Hermans (VVD) |
|
|
|
|
Heeft u kennisgenomen van het bericht «VUmc stopt in 2040 als ziekenhuis, zorgtaken gaan naar locatie AMC»1 en van de strategische huisvestingsroute van Amsterdam UMC richting 2040?2
Wat betekent dit voorgenomen besluit concreet voor patiënten die momenteel gebruikmaken van de zorg op locatie VUmc?
Begrijpt u dat patiënten, ouderen, chronisch zieken en mensen met een beperking zich zorgen kunnen maken als een ziekenhuislocatie in hun buurt op termijn verdwijnt?
Wat betekent het verdwijnen van de ziekenhuisfunctie op locatie VUmc voor de bereikbaarheid van ziekenhuiszorg voor inwoners van Amsterdam-Zuid, Amstelveen en omliggende gemeenten?
Is onderzocht hoeveel langer patiënten straks onderweg zijn naar het ziekenhuis, zowel met de auto, het openbaar vervoer als de ambulance?
Kunt u uitsluiten dat deze concentratie van ziekenhuiszorg leidt tot langere reistijden, langere wachttijden of minder toegankelijke zorg voor patiënten?
Klopt het dat financiële redenen, zoals te veel vierkante meters en hoge huisvestingskosten, een belangrijke rol spelen bij dit voorgenomen besluit?
Hoe voorkomt u dat betaalbaarheid, vastgoed en efficiency zwaarder gaan wegen dan goede en bereikbare zorg voor patiënten?
Hoe kijkt u terug op het eerdere verdwijnen van de spoedeisende hulp en de huisartsenpost op locatie VUmc, juist omdat toen al zorgen bestonden over werkdruk en toegankelijkheid van zorg?
Hoe beoordeelt u de waarschuwing dat het door dit besluit moeilijker kan worden om de geneeskundeopleiding van de Vrije Universiteit in stand te houden?
Welke gevolgen heeft dit voorgenomen besluit volgens u voor de opleidingscapaciteit van artsen en medisch specialisten in Amsterdam?
Deelt u de zorg dat het verminderen van ziekenhuiscapaciteit onverstandig kan zijn met het oog op de vergrijzing, waarbij de zorgvraag juist verder zal toenemen?
Deelt u de zorg dat met het verdwijnen van ziekenhuiscapaciteit ook de beschikbare capaciteit voor rampen, calamiteiten, infectie-uitbraken of oorlogssituaties verder afneemt?
Welke gevolgen heeft dit voorgenomen besluit voor het zorgpersoneel op beide locaties, en hoe wordt voorkomen dat medewerkers door onzekerheid over hun werkplek of toekomst afhaken?
Heeft de cliëntenraad Amsterdam UMC al advies uitgebracht over dit voorgenomen besluit en zo ja, kunt u dit advies met de Kamer delen? Zo nee, waarom is de cliëntenraad nog niet om advies gevraagd?
Bent u bereid de Kamer voor het definitieve besluit te informeren over de gevolgen voor patiënten, bereikbaarheid, acute zorg, wachttijden, personeel, opleidingscapaciteit, rampenopvang en de toegankelijkheid van ziekenhuiszorg in de regio? Zo nee, waarom niet?
Klopt het dat het eerder genoemde plan voor een volledig nieuwe gezamenlijke ziekenhuislocatie voor Amsterdam UMC, waarover in 2025 werd bericht, niet langer aan de orde is? Zo nee, welke onderdelen van dat plan spelen nog wel een rol bij de huidige strategische huisvestingsroute?3
Het bericht 'Palestijnen uit Gaza na maanden toch met Nederlandse hulp geland op Schiphol' |
|
Martin de Beer (VVD), Ulysse Ellian (VVD) |
|
Berendsen , Bart van den Brink (CDA), Letschert |
|
|
|
|
Bent u bekend met het bericht «Palestijnen uit Gaza na maanden toch met Nederlandse hulp geland op Schiphol»?1
Welke ondersteuning hebben verschillende ministeries geboden aan de 42 Gazanen om van Gaza naar Jordanië te reizen?
Hoe verhoudt deze ondersteuning zich tot de uitspraak van de Raad van State van 19 maart 2026 waarin de Minister slechts verplicht wordt om een geringe inspanning te verrichten?
Waarom is er niet gewacht met het bieden van ondersteuning aan de rest van de groep van 42 Gazanen totdat er een uitspraak in de bodemprocedure ligt?
Welke ondersteuning hebben verschillende ministeries geboden aan de 42 Gazanen om van Jordanië naar Nederland te reizen?
Hoe verklaart u dat er naast 21 Gazaanse studenten ook 18 meereizende gezinsleden naar Nederland zijn gekomen? Op grond van welke rechterlijke uitspraak heeft Nederland de plicht om deze meereizende gezinsleden ondersteuning te bieden?
Hoe verklaart u dat de verhouding studenten versus meereizende gezinsleden bijna 1 op 1 is? Hoe verhoudt zich dit tot het gemiddelde aantal gezinsleden dat meereist met migranten met een studievisum?
Klopt het dat Gazaanse studenten tijdens het verblijf de meereizende gezinsleden financieel moeten onderhouden? In hoeverre is dit mogelijk gezien de levensstandaard in Gaza en het feit dat deze Gazanen naar Nederland komen om te studeren?
Klopt het dat deze meereizende gezinsleden geen zelfstandig verblijfsrecht hebben en Nederland dus moeten verlaten zodra de gezinsband wordt verbroken?
Hoe groot schat u de kans in dat deze meereizende gezinsleden daadwerkelijk Nederland zullen verlaten en zullen terugkeren naar Gaza indien de gezinsband wordt verbroken?
Op basis waarvan bepalen universiteiten welke buitenlandse studenten zij toelaten tot hun universiteit?
Welke ondersteuning hebben universiteiten geboden om deze studenten van Jordanië naar Nederland te laten reizen? Hebben zij bijvoorbeeld één of meerdere overnachtingen in Jordanië en de vliegtickets betaald?
Hoe komen de Nederlandse universiteiten aan het geld om deze Gazaanse studenten te ondersteunen?
Welke ondersteuning bieden universiteiten aan deze studenten tijdens hun verblijf in Nederland? Valt onder deze ondersteuning ook huisvesting?
Hoe verhoudt deze ondersteuning zich tot de ondersteuning die Nederlandse studenten krijgen van universiteiten in hun zoektocht naar een studentenkamer, indien universiteiten inderdaad huisvesting aan deze groep bieden?
Hoe verhoudt het toelaten van deze Gazaanse studenten zich tot het kabinetsvoornemen om het aantrekken van internationale studenten zo veel als kan te beperken tot internationaal toptalent? Is daar hier sprake van?
Hoe verhoudt het toelaten van deze Gazaanse studenten zich voorts tot de ambitie uit het regeerakkoord om te zorgen voor genoeg vakmensen in de sectoren waar de uitdagingen het grootst zijn? Is daar hier sprake van?
Hoe past het toelaten van deze Gazaanse studenten in de huidige bestuurlijke afspraken met onderwijsinstellingen over de capaciteit van anderstalige opleidingen dan wel de regionale draagkracht?
Welke ondersteuning bieden universiteiten aan de meereizende gezinsleden?
Wat zijn de totale kosten voor de universiteiten om deze Gazaanse studenten in Nederland te laten studeren?
Deelt u de mening dat het volstrekt onwenselijk is dat universiteiten actief ondersteuning bieden bij het naar Nederland halen van studenten en hun gezinsleden uit oorlogsgebieden?
Gesprekken die zijn gevoerd met de Taliban |
|
Kati Piri (PvdA), Lisa Westerveld (GL) |
|
Berendsen , Rob Jetten (D66), Bart van den Brink (CDA) |
|
|
|
|
Bent u bekend met het bericht «Gesprek Taliban en EU afgelopen, ook Nederland zat aan tafel»?1
Erkent u dat er ook Nederlandse ambtenaren bij de gesprekken zaten die zijn gevoerd met de Taliban in Brussel?
Zo ja, hoe kan het dat u tijdens het commissiedebat JBZ-Raad van 27 mei beweerde dat Nederlandse ambtenaren niet betrokken zijn bij de gesprekken?
Wanneer is het besluit genomen om ambtenaren van Nederland te laten deelnemen aan de gesprekken met de Taliban in Brussel? Wie waren er betrokken bij dit besluit?
Waarom is de Kamer hier niet over geïnformeerd?
Is er over de deelname van een ambtenaar van het Ministerie van Asiel en Migratie aan het overleg advies ingewonnen bij het Ministerie van Buitenlandse Zaken? Zo nee, waarom niet? Zo ja, hoe luidde het advies?
Erkent u dat deze gesprekken een stap zijn richting de normalisering van het Taliban-regime en dat zij met deze gesprekken een podium hebben gekregen in het hart van onze Europese democratie? Zo nee, waarom niet?
Waarom zorgt u ervoor dat Nederland door Nederlandse ambtenaren te sturen bijdraagt aan het normaliseren van het wrede Taliban-regime?
Bent u het eens met Europarlementariër Raquel García Hermida-van der Walle, wiens instagrampost hierover een like van premier Jetten kreeg, dat het gesprek met de Taliban in Brussel «waanzin» is? Zo nee, waarom niet?
Bent u het eens met Europarlementariër Raquel García Hermida-van der Walle, wiens Instagrampost hierover een like van premier Jetten kreeg, dat we onze geloofwaardigheid over mensenrechten volledig verliezen als we de Taliban voor een kopje thee in Brussel uitnodigen? Zo nee, waarom niet?
Is er sprake van eenheid van kabinetsbeleid, als ambtenaren van één ministerie deelnemen aan het gesprek met de Taliban, terwijl de premier zich op Instagram in felle bewoordingen uitlaat tegen het gesprek met de Taliban?
Vertegenwoordigt de Taliban volgens u het Afghaanse volk? Zo nee, waarom kiest u ervoor om ambtenaren wel met hen in gesprek te laten gaan en hen samen met vertegenwoordigers van de Europese Commissie en 14 andere EU-landen te verwelkomen in Brussel?
Erkent u dat de gesprekken die zijn gevoerd met de delegatie van de Taliban een meerwaarde hadden voor het regime? Zo nee, waarom niet? Zo ja, wat is deze precies en vindt u dat de mogelijkheid om Afghanen misschien terug te kunnen sturen waard?
Wat is er precies besproken tijdens de gesprekken? Kunt u op korte termijn een verslag aan de Kamer doen toekomen?
Sluit Nederland uit dat officiële vertegenwoordigers van het Taliban-regime in Nederland geaccrediteerd worden? Zo nee, waarom niet?
Wat zijn de eisen die de Taliban hebben neergelegd in ruil voor het terugsturen van uitgeprocedeerde Afghanen?
Is er gesproken over de veiligheid van deze mensen? Zo ja, wat is hierover besproken? Zo nee, waarom niet?
Is er gesproken over de mensenrechtensituatie in Afghanistan, en met name de situatie van vrouwen en meisjes die in Afghanistan onderdrukt worden? Zo ja, wat is er besproken, zo nee, waarom niet?
Kunt u deze vragen afzonderlijk en voor de start van het zomerreces beantwoorden?
Het bericht ‘Renaissanceschool van Forum voor Democratie gaat weer open in Almere’ |
|
Arend Kisteman (VVD) |
|
Judith Tielen (VVD) |
|
|
|
|
Bent u bekend met het bericht «Renaissanceschool van Forum voor Democratie gaat weer open in Almere»?1
Hoe verhoudt de oprichting van scholen die zich nadrukkelijk richten op een specifieke levensbeschouwelijke of politieke gemeenschap zich volgens u tot de ambitie uit uw beleidsbrief om onderwijs te laten bijdragen aan verbinding in de samenleving, het tegengaan van segregatie en een sterke democratische rechtsstaat?
Deelt u de mening dat scholen niet alleen een onderwijsfunctie hebben, maar ook een belangrijke maatschappelijke functie vervullen doordat kinderen met verschillende achtergronden elkaar daar ontmoeten?
Hoe beoordeelt u in dat licht de ontwikkeling dat steeds meer nieuwe scholen zich richten op specifieke levensbeschouwelijke, religieuze en zelfs ideologische doelgroepen?
Klopt het dat uit de evaluatie van de Wet Meer Ruimte voor Nieuwe Scholen blijkt dat nieuwe scholen gemiddeld een homogenere leerlingenpopulatie hebben dan scholen in hun omgeving en dat effecten op onderwijssegregatie zichtbaar zijn op lokaal niveau?
Hoe beoordeelt u deze uitkomsten in het licht van de ambitie van het kabinet om burgerschap en integratie te versterken?
Klopt het dat uit dezelfde evaluatie blijkt dat het aantal nieuwe basisscholen sinds de invoering van de wet aanzienlijk is gestegen en dat islamitische scholen inmiddels de grootste categorie nieuw gestichte basisscholen vormen?
Welke lessen heeft u uit deze ontwikkeling getrokken voor de verdere uitvoering van de Wet Meer Ruimte voor Nieuwe Scholen?
Op welke wijze wordt bij aanvragen voor nieuwe scholen momenteel beoordeeld wat de gevolgen zijn voor segregatie en de ontmoeting tussen verschillende groepen leerlingen?
Acht u het wenselijk dat publiek bekostigd onderwijs zich steeds verder organiseert langs ideologische of zelfs politieke scheidslijnen?
Klopt het dat in het regeerakkoord is aangekondigd dat het kabinet de uitkomsten van de evaluatie van de Wet Meer Ruimte voor Nieuwe Scholen zal betrekken bij een herziening van de wet? Wat is de actuele stand van zaken van deze herziening?
Deelt u de opvatting dat de huidige wet sterk uitgaat van aangetoonde ouderbelangstelling maar onvoldoende rekening houdt met bredere belangen zoals huisvesting, arbeidsmarkt, segregatie en een evenwichtig onderwijsaanbod?
Welke mogelijkheden ziet u om in de wet een explicietere afweging op te nemen tussen oudervoorkeuren enerzijds en deze belangen, zoals segregatie, anderzijds?
Deelt u de mening dat gemeenten momenteel onvoldoende instrumenten hebben om ongewenste versnippering van het onderwijsaanbod tegen te gaan?
Bent u bereid te verkennen of gemeenten een zwaardere rol moeten krijgen bij nieuwe schoolstichtingen, bijvoorbeeld door hun oordeel over segregatie-effecten of de gevolgen voor het lokale onderwijsaanbod zwaarder te laten meewegen?
Het opheffen van het gespecialiseerde IGJ-team voor de aanpak van zorgfraude |
|
Corrie van Brenk (PvdA) |
|
Mirjam Sterk (CDA) |
|
|
|
|
Heeft u kennisgenomen van het artikel «Team dat zorgfraude onderzoekt opgeheven bij Inspectie, terwijl regulier toezicht signalen niet oppakt: «Inspecteurs worden misleid door malafide zorgaanbieders»»1
Bent u ervan op de hoogte dat het speciale team Integere Bedrijfsvoering en Zorgverwaarlozing (IBZ) wordt opgeheven?
Wat is volgens u de verklaring voor het opheffen van dit team?
Hebben overwegingen rond de veiligheid van de zorg invloed gehad op dit besluit? Zo ja, op welke manier?
Deelt u de zorg dat de aanpak van zorgfraude in de praktijk nog altijd tekortschiet en dat juist daarom specialistische expertise binnen de Inspectie Gezondheidszorg en Jeugd (IGJ) noodzakelijk blijft?
Acht u het uitlegbaar dat juist dit gespecialiseerde team voor de aanpak van zorgfraude wordt opgeheven, terwijl u in juni nog een plan presenteerde waarin wordt ingezet op multidisciplinaire teams om zorgfraude beter te bestrijden? Kunt u hier een toelichting op geven?
Was u op de hoogte van de interne spanningen binnen de IGJ over de aanpak van zorgfraude en het verschil van inzicht tussen het reguliere toezicht en het gespecialiseerde IBZ-team?
Is er volgens u een verband tussen deze spanningen binnen de IGJ en het opheffen van het IBZ-team?
Klopt het dat er binnen de IGJ zorgen zijn geuit over verlies van expertise over de aanpak van zorgfraude door het verdwijnen van dit gespecialiseerde team?
Hoe bent u van plan deze kennis over zorgfraude te borgen binnen de IGJ? Kunt u dat toelichten?
Wat bent u concreet van plan met de in uw plan aangekondigde multidisciplinaire teams voor de aanpak van zorgfraude?
Bent u bereid de Kamer op korte termijn en voor de opheffing van het IBZ-team te informeren over hoe de specialistische kennis wordt geborgd?
Het met hulp van de Nederlandse overheid overbrengen van Palestijnen uit Gaza naar Nederland |
|
Marina Vondeling (PVV), Geert Wilders (PVV) |
|
Berendsen , Bart van den Brink (CDA) |
|
|
|
|
Bent u bekend met het bericht dat 42 Palestijnen uit Gaza met actieve hulp van de Nederlandse overheid naar Nederland zijn overgebracht1?
Waarom acht u het uw taak om Palestijnen uit Gaza naar Nederland te halen, terwijl Nederland al kampt met een ongekende asiel- en migratiecrisis?
Wie heeft aangedrongen op het overbrengen van Palestijnen uit Gaza naar Nederland? Welke non-gouvernementele organisaties (ngo), universiteiten, actiegroepen, ambtenaren, internationale organisaties en andere belanghebbenden hebben hierbij een rol gespeeld en welke kosten zijn er gemaakt?
Waarom staat u het toe dat complete gezinnen meekomen terwijl de verleende visa bedoeld zijn voor studie of werk van individuele personen?
Binnen welke termijn moeten de eerste Palestijnen Nederland weer verlaten? Welke concrete maatregelen worden genomen als zij weigeren terug te keren?
Welke harde garanties bestaan er dat alle 42 Palestijnen Nederland daadwerkelijk verlaten zodra hun visum eindigt?
Kunt u garanderen dat geen van deze Palestijnen na afloop van hun visum een asielaanvraag zal indienen om alsnog permanent verblijf in Nederland af te dwingen? Zo nee, waarom niet?
Erkent u dat het binnenhalen van personen uit een door Hamas bestuurd gebied enorme veiligheidsrisico’s met zich kan brengen? Zo ja, waarom brengt u Nederlanders bewust in gevaar door onze grens open te zetten voor personen uit Gaza?
Zijn alle Palestijnen individueel en uitgebreid gescreend op veiligheidsrisico’s, radicalisering, banden met terroristische organisaties, extremistische activiteiten en identiteitsfraude? Hoeveel van deze personen beschikken niet over volledige of verifieerbare identiteitsdocumenten?
Bent u bereid per direct te stoppen met het actief faciliteren van de komst van Palestijnen naar Nederland en ook geen nieuwe visa meer te verstrekken aan personen uit Gaza? Zo nee, waarom niet?
Wilt u al deze Palestijnen samen met alle andere Palestijnen die in Nederland verblijven direct naar Jordanië sturen, de enige echte legitieme Palestijnse Staat en het verzet vanuit het Hashemitische Koninkrijk de prullenbak in gooien? Zo nee, waarom niet?
Misstanden bij You-Zorg Nederland en misbruik van mensen met een verstandelijke beperking |
|
Lisa Westerveld (GL) |
|
Mirjam Sterk (CDA) |
|
|
|
|
Bent u bekend met het bericht «Zorginstelling in Assen moet zorg deels staken. Eigenaar verdacht van verkrachting cliënt, zijn vrouw verzweeg geen diploma te hebben»?1
Deelt u de mening dat het feit dat opnieuw cliënten in een kwetsbare positie, mishandeld zijn door hun zorgaanbieder, laat zien dat het te makkelijk is om misbruik te maken van ons zorgsysteem?
Heeft de Inspectie Gezondheidszorg en Jeugd (IGJ) of uw ministerie eerder signalen ontvangen over onveiligheid en gebrekkige zorg bij You-Zorg Noord? Zo ja, wanneer zijn deze signalen binnengekomen, wat was de aard van deze signalen en welke vervolgacties zijn ondernomen? Zijn er elders signalen binnengekomen? Zo ja, waar, wanneer en hoe zijn die opgepakt?
Hoe wordt geborgd dat alle cliënten van You-Zorg Noord zo snel mogelijk bij een andere zorgaanbieder terecht kunnen en hier ook passende zorg ontvangen?
Is er direct passende nazorg en ondersteuning geregeld voor de cliënten en de familieleden van deze cliënten?
Is er ooit door de Inspectie, vertrouwenspersonen of een andere onafhankelijke instantie gesproken met de cliënten van You-Zorg in het kader van een reguliere kwaliteitscontrole of specifiek ter preventie van ongewenst en grensoverschrijdend gedrag?
Bent u van mening dat er momenteel voldoende waarborgen zijn om te voorkomen dat zorgverleners zonder voldoende deskundigheid of met verkeerde bedoelingen (langdurig) toegang hebben tot kwetsbare cliënten? Zo ja, kunt u dit onderbouwen aan de hand van concrete data en argumenten? Zo nee, welke concrete maatregelen gaat u op korte en lange termijn nemen om dit te verbeteren?
Welke concrete verbeteringen zijn er geweest na eerdere misstanden bij pgb-gefinancierde initiatieven, zoals bijvoorbeeld Aurora Borealis?
Kunt u aangeven wat de stand van zaken is van de beloften die zijn gedaan in antwoord op mijn vragen uit oktober 20242 om het risico op misbruik in bij pgb-gefinancierde wooninitiatieven te verminderen?
Hoe vaak voert de IGJ momenteel risicogericht toezicht uit bij kleinschalige wooninitiatieven en zorgaanbieders waarbij de zorg grotendeels vanuit pgb’s wordt gefinancierd?
Waarom wordt er niet voor gekozen om onze moties uit te voeren die vragen om meer inspecteurs voor specifiek deze doelgroep en gespecialiseerde vertrouwenspersonen die proactief instellingen en wooninitiatieven voor mensen met een (meervoudige) en/of psychische problematiek beperking te bezoeken?
Bent u van mening dat ons zorgstelsel voldoende waarborgen bevat om mensen met een (meervoudige) beperking die vaak niet zelf kunnen melden en afhankelijk zijn van hun zorgverleners, te beschermen? Zo nee, welke lessen trekt u uit deze afschuwelijke situatie?
De aanpak van seksueel kindermisbruik in Nederland |
|
Mahjoub Mathlouti (D66) |
|
David van Weel (VVD) |
|
|
|
|
Bent u bekend met de berichtgeving over de verdenkingen van seksueel misbruik van minderjarige kinderen op een basisschool in Zoetermeer? Deelt u de opvatting dat deze zaak opnieuw duidelijk maakt welke verstrekkende gevolgen seksueel misbruik heeft voor slachtoffers, hun ouders en de betrokken gemeenschap?
Kunt u aangeven hoeveel minderjarige slachtoffers van seksueel misbruik jaarlijks naar schatting buiten beeld blijven van politie en hulpinstanties, en welke concrete maatregelen u neemt om deze groep beter te bereiken?
Kunt u een overzicht geven van het aantal meldingen, aangiften, vervolgingen en veroordelingen wegens seksueel misbruik van minderjarigen in de afgelopen vijf jaar? Hoe beoordeelt u deze cijfers in verhouding tot de door experts en onderzoeksinstanties geschetste omvang van de problematiek?
Hoe reflecteert u op de bevinding van het Wetenschappelijk Onderzoek- en Datacentrum (WODC) dat jaarlijks ten minste 20.000 Nederlandse mannen seksueel kindermisbruik plegen in het buitenland? Welke conclusies trekt u uit deze bevinding over de omvang van seksuele interesse in kinderen en het risico op seksueel misbruik door Nederlandse daders, zowel binnen als buiten Nederland?
Welke preventieve voorzieningen zijn momenteel beschikbaar voor personen die seksuele gevoelens richting minderjarigen ervaren en daarvoor hulp zoeken voordat zij strafbare feiten plegen? Is bekend hoeveel personen jaarlijks gebruik van deze voorzieningen en acht u het bereik hiervan voldoende gelet op de omvang van de problematiek die onder meer uit WODC-onderzoek naar voren komt?
Kunt u reflecteren op de conclusies van de Nationaal Rapporteur op het belang van vroegsignalering? In hoeverre zijn scholen, kinderopvangorganisaties, sportverenigingen en andere instellingen die met kinderen werken verplicht om medewerkers te scholen in het herkennen van signalen van seksueel misbruik? Kunt u een overzicht geven van alle bij u bekende preventieve maatregelen, en acht u deze voldoende?
Kunt u aangeven hoeveel meldingen van mogelijk seksueel grensoverschrijdend gedrag jegens minderjarigen de afgelopen vijf jaar bij Veilig Thuis zijn binnengekomen en welk percentage daarvan heeft geleid tot nader onderzoek, hulpverlening of strafrechtelijke vervolging?
Kunt u reflecteren op de bevinding van de Nationaal Rapporteur dat slachtoffers van seksueel geweld vaak pas jaren na het misbruik melding maken? Welke aanvullende maatregelen neemt u om ervoor te zorgen dat kinderen eerder hulp kunnen zoeken en misbruik sneller wordt gesignaleerd en gestopt?
Beschikken de politie en gespecialiseerde zedenteams volgens u over voldoende capaciteit en expertise om meldingen van seksueel misbruik van kinderen tijdig te onderzoeken? Kunt u inzicht geven in de huidige wachttijden, achterstanden en personele capaciteit binnen de zedenketen?
Kunt u uiteenzetten welke concrete en meetbare doelstellingen het kabinet hanteert voor het terugdringen van seksueel kindermisbruik in Nederland? Welke indicatoren gebruikt u om vast te stellen of het beleid daadwerkelijk leidt tot minder slachtoffers?