Het bericht 'Kraamverzorgers zien geweld en drugs, maar melden nauwelijks bij Veilig Thuis' |
|
Harmen Krul (CDA), Etkin Armut (CDA) |
|
Bruijn , Foort van Oosten (VVD) |
|
|
|
|
Bent u bekend met het bericht «Kraamverzorgers zien geweld en drugs, maar melden nauwelijks bij Veilig Thuis»?1
Ja, ik ben bekend met het bericht.
Hoe beoordeelt u het gegeven dat van de ongeveer 130.000 meldingen per jaar bij Veilig Thuis slechts ongeveer 350 meldingen afkomstig zijn van kraamverzorgers en verloskundigen, terwijl zij juist bij gezinnen achter de voordeur komen?
Kraamverzorgers bevinden zich in een unieke positie waarin zij voor een periode dagelijks aanwezig zijn bij een gezin. Zij krijgen zicht op de thuissituatie dat andere professionals vaak niet hebben. Dat maakt hen een belangrijke schakel in de (vroeg)signalering van mogelijke problemen in een gezin waaronder huiselijk geweld en kindermishandeling.
Beide beroepsgroepen vallen onder de wet verplichte meldcode huiselijk geweld en kindermishandeling2. Dat betekent dat zij bij signalen een zorgvuldige afweging moeten maken, de stappen van de meldcode doorlopen en zo nodig advies vragen of een melding doen.
Uit het aantal meldingen vanuit de kraamverzorgers en verloskundigen kan niet geconcludeerd worden dat deze professionals niets doen als zij huiselijk geweld of kindermishandeling signaleren. Deze cijfers gaan over formele meldingen en moeten worden bezien in het licht dat veel signalen in eerste instantie intern worden besproken en opgepakt of er wordt advies gevraagd bij Veilig Thuis zonder dat dit direct leidt tot een formele melding.
Bent u het ermee eens dat de kraamtijd een kwetsbare periode is waarin onveilige situaties kunnen ontstaan, waardoor vroegsignalering van onveilige situaties essentieel is? Zo ja, hoe kunt u die signaleringsfunctie versterken?
Ja, de kraamtijd kan naast een doorgaans heel vreugdevolle periode ook een kwetsbare fase zijn. In een korte tijd vinden ingrijpende veranderingen plaats binnen een gezin. Soms kan door bijkomende stress onveiligheid ontstaan. Vroegsignalering is daarom van groot belang. Het versterken van deze signaleringsfunctie vraagt om blijvende aandacht voor het herkennen van signalen van huiselijk geweld en kindermishandeling en voor de juiste toepassing van de meldcode. Daarnaast is het van belang de samenwerking tussen betrokken professionals te versterken, bijvoorbeeld voor een warme overdracht tussen verloskundigen, kraamzorg en consultatiebureau, zodat geen signalen verloren gaan. Ik ga samen met de beroepsgroepen in gesprek over wat nodig is rondom het versterken van de meldcode en de signaleringsfunctie.
Welke rol speelt volgens u de angst voor represailles en welke maatregelen neemt u om de veiligheid van zorgprofessionals die melden, te waarborgen?
Angst voor represailles kan een rol spelen bij de terughoudendheid om een melding te doen. Kraamverzorgers en verloskundigen werken in een persoonlijke en kwetsbare setting en bouwen in een korte tijd een vertrouwensrelatie op met het gezin. De vrees om deze relatie te schaden en hierdoor geen zorg meer te kunnen leveren of om geconfronteerd te worden met negatieve reacties of represailles kan drempelverhogend werken.
Het is belangrijk om deze zorgen serieus te nemen, zonder dat dit afdoet aan de verantwoordelijkheid om te handelen bij signalen van onveiligheid. Het onderwerp neem ik mee in de gesprekken met de beroepsgroep, zodat eventuele zorgen of ervaringen uit de praktijk beter in beeld komen. De meldcode helpt professionals om de juiste stappen te zetten waar ook zorgen om hun eigen veiligheid besproken kunnen worden. Zo wordt er in stap 2 van de meldcode bijvoorbeeld geadviseerd om advies in te winnen bij Veilig Thuis, dit kan anoniem. Er wordt niet geregistreerd op naam van degene waarover de zorgen zijn. Daar kan dan ook besproken worden hoe de professional met zorgen over eigen veiligheid om kan gaan. Ook bij verdere stappen van de meldcode kan Veilig Thuis met de professional meedenken. Daarnaast zijn er verschillende trainingen over de meldcode en de dilemma’s waar tegenaan wordt gelopen die professionals kunnen gebruiken om onderling hun zorgen bespreekbaar te maken3.
Hoeveel gevallen zijn er bekend waarbij de melder te maken heeft gekregen met bedreigingen, intimidatie of geweld na contact met Veilig Thuis?
Er is geen landelijk overzicht van het aantal gevallen waarbij melders na contact met Veilig Thuis te maken hebben gekregen met bedreigingen, intimidatie of geweld. Veilig Thuis houdt bij de behandeling van een melding rekening met de mogelijke veiligheidsrisico’s voor zowel betrokkenen als professionals.
Indien sprake is van bedreiging of geweld, kan aangifte worden gedaan en kan de werkgever maatregelen nemen. Zorgverleners vallen onder het programma «Veilige Publieke dienstverlening», hierin is aandacht voor het creëren van een veilige werkomgeving, het doen van aangifte en goede begeleiding na een incident4.
Bent u van mening dat het niet anoniem kunnen doen van een melding meespeelt in de terughoudendheid van kraamverzorgers en verloskundigen?
Het niet anoniem kunnen doen van een formele melding bij Veilig Thuis kan bijdragen aan terughoudendheid aan de kant van zorgverleners. De meldcode biedt handvatten om zorgvuldig te handelen en waar mogelijk transparant te zijn richting betrokkenen, wat in de praktijk vaak helpend is in het verlenen van zorg en het opbouwen van een vertrouwensrelatie.
In uitzonderingssituaties is het mogelijk om een verzoek bij Veilig Thuis te doen om zijn/haar identiteit niet kenbaar te maken aan direct betrokkenen. Dit is mogelijk als sprake is van bedreiging voor de melder of de betrokkenen of als dit kan leiden tot een verstoring van de vertrouwensrelatie met de direct betrokkenen5.
Het is altijd mogelijk om anoniem advies te vragen bij Veilig Thuis zonder direct een melding te doen. Deze adviesfunctie is juist bedoeld om professionals te ondersteunen bij twijfel en handelingsverlegenheid te verminderen.
Bent u het met Veilig Thuis eens dat anoniem melden niet past bij professioneel handelen van de zorgverlener? Zo nee, waarom niet?
Ja, ik onderschrijf het uitgangspunt van Veilig Thuis dat anoniem melden door zorgprofessionals in beginsel niet wenselijk is binnen het professioneel handelen van een zorgverlener. Op het moment dat een hulpverlener zich zorgen maakt, is het belangrijk dat deze hulpverlener, het liefst met advies van Veilig Thuis, de zorgen bespreekbaar maakt. Als leden in een gezin open staan voor hulp, en de professional kan dit leveren is het niet altijd nodig om een melding te doen. Bij acuut of structureel gevaar is het de professionele norm om altijd een melding te doen. Een formele melding bij Veilig Thuis vormt het startpunt van een onderzoek naar de veiligheidssituatie.
Om een zorgvuldige veiligheidsbeoordeling te kunnen maken, is het van belang dat informatie herleidbaar is en dat Veilig Thuis zo nodig kan doorvragen of terugkoppelen. Ook moet Veilig Thuis voor het onderzoek aan het gezin kunnen uitleggen waar de zorgen uit bestaan en wat de aanleiding is voor betrokkenheid van Veilig Thuis. Bij een anonieme melding is dat niet mogelijk, wat de kwaliteit en zorgvuldigheid van het onderzoek kan beperken en de kansen voor effectieve vervolghulp.
In uitzonderlijke situaties is het echter mogelijk dat de melder een verzoek doet bij Veilig Thuis om zijn/haar identiteit niet kenbaar te maken aan direct betrokkenen. Dit kan als er sprake is van bedreiging voor de melder of de betrokkenen of als dit kan leiden tot een verstoring van de vertrouwensrelatie met de direct betrokkenen6. Zie ook het antwoord op vraag 6.
Is het volgens u voldoende bekend dat kraamverzorgers wel altijd anoniem kunnen bellen met Veilig Thuis voor advies, zonder dat officieel een melding hoeft te worden gemaakt? Zo nee, hoe gaat u ervoor zorgen dat die bekendheid toeneemt?
De mogelijkheid om anoniem advies te vragen bij Veilig Thuis is een waardevol instrument. Het stelt professionals in staat om twijfels en signalen te bespreken, hun observaties te toetsen en handelingsperspectief te krijgen zonder direct een melding te doen. Juist wanneer een drempel wordt ervaren, kan anoniem advies vragen een belangrijke eerste stap zijn.
Uit cijfers blijkt dat het aantal adviesvragen jaarlijks toeneemt7. Veilig Thuis werkt actief aan het versterken van de adviesfunctie. Daarnaast wordt verkend wat de meerwaarde is van het verplicht stellen van het vragen van advies bij signalen van huiselijk geweld en kindermishandeling8. Hierbij wordt nadrukkelijk ook gesproken met professionals over hun ervaringen met de adviesfunctie.
Wat kunt u doen om ervoor te zorgen dat toch sneller meldingen worden gemaakt van onveilige situaties bij gezinnen door zorgverleners, om erger te voorkomen en op tijd in te kunnen grijpen?
In Nederland is bewust gekozen voor een meldcode in plaats van een meldplicht. Uitgangspunt is dat niets doen bij signalen geen optie is maar dat professionals ruimte hebben om een zorgvuldige afweging te maken in het belang van het kind en gezin. Het uitgangspunt is en blijft dat professionals eerst zelf zorgen bespreekbaar maken. Verder geldt vanuit de meldcode dat bij signalen van acuut of structureel geweld, de norm is om een melding te doen bij Veilig Thuis.
Het is van belang dat deze afweging zorgvuldig en goed onderbouwd plaatsvindt. Daarom wordt verkend wat de toegevoegde waarde kan zijn van het verplicht stellen van het vragen van advies. Dit kan professionals ondersteunen en sterken in het handelen. Daarnaast blijft het belang dat er binnen de organisaties duidelijke afwegingskaders aanwezig zijn, dat medewerkers structureel worden geschoold in het herkennen van signalen en in het toepassen van de meldcode.
Welke rol spelen personeelstekorten en werkdruk in de kraamzorg bij het missen of niet melden van signalen van onveiligheid? En welke maatregelen kunt u nemen om dit te verbeteren?
De personeelstekorten en werkdruk kunnen invloed hebben op de werkomstandigheden van kraamverzorgenden en het proces van (vroeg)signalering en afstemming mogelijk bemoeilijken. Het is daarom van belang dat binnen organisaties ruimte is voor intervisie, overleg en reflectie.
Helaas is de krapte op de arbeidsmarkt een zorgbreed probleem, dat ook de kraamzorg raakt. In de Kamerbrief over de kraamzorg9 heeft het kabinet de Kamer, in lijn met de motie van de leden Dobbe en Van Dijk10 geïnformeerd over de maatregelen. Kraamzorgaanbieders en zorgverzekeraars hebben de afgelopen tijd belangrijke stappen gezet om de duurzame toegankelijkheid van kraamzorg te verbeteren. Hieraan werken zij samen in convenanten, de toekomstvisie en de versnellingsagenda. In het verlengde daarvan is er een transformatieplan11 opgesteld, waarvoor € 9,8 miljoen aan transformatiemiddelen beschikbaar is gesteld.
De uitdagingen in de kraamzorg maken deel uit van een breder vraagstuk. Een belangrijke sleutel om de krapte het hoofd te bieden, is het realiseren van passende zorg. Daarom is in het coalitieakkoord afgesproken dat passende zorg de norm wordt. Verder zijn er in het Aanvullend Zorg- en Welzijnsakkoord (AZWA) afspraken gemaakt om het arbeidsmarkttekort te beperken en de toegankelijkheid van de zorg te waarborgen. De daarbij ingezette instrumenten bieden ook aanknopingspunten voor de kraamzorgsector. Omdat de huidige instroom van kraamverzorgenden onvoldoende is om de structurele uitstroom te compenseren, zal het kabinet de komende maanden verkennen of verbeteringen in de opleidingsstructuur kunnen bijdragen aan meer (jonge) instroom.
Verder zal, mede op basis van het onderzoek van het Zorginstituut Nederland en het RIVM naar verschillen in kraamzorggebruik, vervolgonderzoek gedaan worden naar de zorgbehoefte van kraamgezinnen en mogelijke drempels in toegankelijkheid. Dit inzicht is namelijk essentieel om te kunnen sturen op passende kraamzorg.
Welke stappen gaat u zetten om te voorkomen dat signalen van huiselijk geweld, middelengebruik of verwaarlozing in de eerste levensfase van kinderen onopgemerkt blijven?
Om te voorkomen dat signalen van huiselijk geweld en kindermishandeling in de eerste levensfase onopgemerkt blijven, wordt onder andere ingezet op verdere versterking van de adviesfunctie bij Veilig Thuis. Zo is een digitaal platform gerealiseerd, wordt de chatfunctie uitgebreid naar een 24/7 bereikbaarheid voor advies en ondersteuning en zet Veilig Thuis in de regio ook in op bekendheid van wat Veilig Thuis aan advies en ondersteuning kan bieden. Daarnaast blijft het van belang dat de meldcode door organisaties in de praktijk goed wordt geïmplementeerd en toegepast, zodat signalen tijdig worden herkend en opgepakt. Dat zal worden meegenomen in de gesprekken met de sector. Zie ook antwoord op vraag 3 en 4.
Verder wordt ingezet op het landelijke programma Kansrijke Start, dat zich richt op de eerste 1.000 dagen van een kind. Binnen dit programma speelt vroegsignalering van risicofactoren voor huiselijk geweld en kindermishandeling een belangrijke rol. Evenals het versterken van de samenwerking tussen het medische en sociale domein en het tijdig ondersteunen van kwetsbare gezinnen12. Er wordt op dit moment in opdracht van VWS een multidisciplinaire scholing Eerste 1000 Dagen ontwikkeld. De scholing beoogt bij te dragen aan het verspreiden en verdiepen van vakkennis over de eerste 1.000 dagen en (toekomstige) ouders in kwetsbare omstandigheden voor alle professionals die werkzaam zijn met kinderen en gezinnen in de eerste 1.000 dagen. In deze scholing wordt aandacht besteed aan het belang van vroegsignalering en het versterken van de samenwerking tussen professionals uit het sociaal, medisch en informeel domein. De scholing is o.a. bedoeld voor verloskundigen en kraamzorgprofessionals. Daarnaast worden dit jaar factsheets Kansrijke Start ontwikkeld voor verschillende beroepsgroepen die werkzaam zijn met kinderen en gezinnen in de eerste 1.000 dagen, waaronder de kraamzorg en verloskundigen, waarin ook het belang van vroegsignalering en tijdig handelen naar voren komt.
Het bericht 'Ouders in verzet tegen sluiting van enige school in nieuwbouwwijk: ‘Waar moeten onze kinderen heen?’' |
|
Etkin Armut (CDA) |
|
Judith Tielen (VVD) |
|
|
|
|
Kent u dit bericht? Zo ja, wat vindt u hiervan?1
Ja, ik ken dit bericht. Het is jammer dat onrust is ontstaan over de school. In de beantwoording op de vragen van de leden Van Asten en Rooderkerk (beiden D66) over hetzelfde onderwerp is aangegeven dat het schoolbestuur het besluit om de school te sluiten heeft teruggedraaid.
Klopt het dat er momenteel 65 kinderen op deze school zijn ingeschreven en dat er eigenlijk nu 160 kinderen op deze school moeten zijn ingeschreven om structurele financiering te ontvangen?
Volgens de laatste cijfers van DUO staan op deze school 62 leerlingen ingeschreven. Er hadden 167 leerlingen ingeschreven moeten staan om te voldoen aan de vereiste leerlingenaantallen van de stichtingsnorm voor scholen. Deze norm verschilt per gemeente en wordt vastgesteld op basis van de leerlingdichtheid in de gemeente.
In hoeverre wordt er bij de beslissing om een school wel of niet te financieren rekening gehouden met de verwachte groei van het aantal leerlingen in de komende jaren doordat er huizen gebouwd gaan worden? Waarom wel of waarom niet?
Bij de stichtingsaanvraag moet een schoolbestuur aantonen, met een belangstellingsmeting, dat de nieuwe school in het 11e jaar na de aanvraag op voldoende leerlingen kan rekenen. Deze belangstellingsmeting gebeurt 1) aan de hand van verklaringen van ouders in het voedingsgebied met kinderen in de juiste leeftijdscategorie en 2) het aantal leerlingen op het moment van de stichtingsaanvraag en 3) het geprognostiseerde aantal leerlingen in het 11e jaar na de stichtingsaanvraag. De verwachte groei van het aantal leerlingen in een gebied is dus onderdeel van de aanvraagprocedure voor een nieuwe school.
Wat zijn de voorwaarden om in aanmerking te komen voor de kleine schooltoeslag of dunbevolktheidstoeslag?
Basisscholen die op de teldatum van het aantal leerlingen minder dan 150 leerlingen hebben, ontvangen momenteel kleinescholentoeslag. De school De Binck ontvangt daarom kleinescholentoeslag. Op dit moment wordt gewerkt aan het omvormen van de kleinescholentoeslag naar dunbevolktheidstoeslag. Uw Kamer is door mijn voorganger geïnformeerd over deze wijziging.2
Komt deze school in aanmerking voor deze toeslag? Waarom wel of waarom niet?
Zie antwoord vraag 4.
Bent u het ermee eens dat kleine scholen een belangrijke functie hebben voor de leefbaarheid van een wijk en of iemand wel of niet wil gaan wonen in deze wijk?
Ja, scholen kunnen een belangrijke functie hebben voor de leefbaarheid van een wijk. Tegelijkertijd moet ook de afweging worden gemaakt waar kleine scholen hun rol het beste kunnen vervullen. Het huidige scholenlandschap is erg divers en fijnmazig. Dit is waardevol, maar het grote aantal (te kleine) scholen drukt sterk op de oplopende tekorten in het onderwijsveld. Dat is zeker het geval in stedelijke gebieden. De aangekondigde stelselwijziging zal op dit vraagstuk ingaan. Uw Kamer ontvang voor het zomerreces nog een brief met een update over de beoogde stelselwijziging.
In hoeverre wordt er bij de beslissing om een school wel of niet te financieren rekening gehouden met het aantal beschikbare plaatsen bij basisscholen in de directe omgeving?
Het aantal beschikbare plaatsen bij basisscholen in de directe omgeving is geen criterium bij het al dan niet bekostigen van een nieuwe school.
Zijn er alternatieven overwogen, zoals vergaande samenwerking met andere basisscholen, om sluiting te voorkomen?
Vergaande samenwerking met andere basisscholen, bijvoorbeeld in de vorm van een fusie, kan een mooie manier zijn om het onderwijs en de identiteit van een te kleine school te behouden. Met het oog op de stelselwijziging moedig ik schoolbesturen van te kleine scholen aan om mogelijkheden voor samenwerking of fusies in hun omgeving te onderzoeken. Het zoeken naar samenwerking blijft immers een verantwoordelijkheid van een schoolbestuur.
De keuze om leerlingen op een basisschool in te schrijven is verder aan de ouders, die vrij zijn om daar zelf een afweging in te maken.
Zou dit ertoe kunnen leiden dat leerlingen naar een andere gemeente moeten om onderwijs te krijgen?
Zie antwoord vraag 8.
Het bericht 'Voor vier op de tien scholieren uit Groningen en Drenthe komt georganiseerde criminaliteit dichtbij' |
|
Jeltje Straatman (CDA), Etkin Armut (CDA) |
|
Becking , Foort van Oosten (VVD) |
|
|
|
|
Bent u bekend met het bericht «Voor vier op de tien scholieren uit Groningen en Drenthe komt georganiseerde criminaliteit dichtbij»?1
Ja.
Deelt u de mening dat het zeer zorgwekkend en onaanvaardbaar is dat een dergelijk groot aandeel jongeren in deze regio’s in aanraking komt met georganiseerde criminaliteit?
Ja, het rekruteren van jongeren voor de georganiseerde criminaliteit is een ernstige zaak. De bestrijding hiervan neem ik zeer serieus.
Hoe duidt u deze cijfers specifiek voor Groningen en Drenthe, mede in het licht van de bredere aanpak van ondermijnende criminaliteit in Noord-Nederland?
De provincies Groningen en Drenthe worden, net als andere regio’s in Nederland, geconfronteerd met ondermijnende criminaliteit. De cijfers onderstrepen het belang van de strijd die het kabinet voert tegen ondermijnende criminaliteit in heel het land.
Het Centraal Bureau voor de Statistiek (CBS) maakt met de Landelijke jeugdmonitor2 per gemeente inzichtelijk hoeveel jongeren in aanraking komen met criminaliteit. Deze monitor laat zien dat het aandeel jeugdige verdachten (12–23 jaar) erg verschilt per gemeente. Uit de data blijkt dat in de gemeente Groningen het aantal verdachte jongeren vergelijkbaar is met de Randstad. In Drenthe is het aantal verdachte jongeren gemiddeld ten opzichte van andere delen van Nederland (Landelijke jeugdmonitor 2025). Uit een vergelijkende analyse van het dashboard «Zicht op ondermijning»3 blijkt dat respectievelijk 55% en 63% van alle gemeenten in Nederland hoger scoren op het gebied van jonge aanwas dan de gemeenten in Groningen en Drenthe (data uit 2023).
Beschikt u over vergelijkbare regionale cijfers voor andere delen van Nederland, en hoe verhouden de signalen uit Groningen en Drenthe zich tot de rest van het land?
Zie antwoord vraag 3.
Hoe verklaart u dat juist in Groningen en Drenthe dergelijke hoge percentages worden gemeten, en ziet u hier specifieke regionale risicofactoren, zoals beperkte handhavingscapaciteit en een ontstaan waterbedeffect voor ondermijnende criminaliteit in die regio’s?
Specifiek in Noord-Groningen zijn de percentages jeugdige verdachten iets hoger dan in de meeste andere gebieden in Nederland. Mogelijke oorzaken zijn de aantrekkingskracht van een omvangrijk buitengebied met enkele zeehavens, een luchthaven en een goede ontsluiting over weg, water en spoor, ook richting Duitsland en de Scandinavische landen. Er is op basis van de beschikbare data geen relatie te leggen met de beschikbare handhavingscapaciteit. Ook duiden de beschikbare data niet op een waterbedeffect.
Kunt u aangeven welke concrete resultaten de huidige landelijke aanpak van jeugdige betrokkenheid bij ondermijnende criminaliteit in Noord-Nederland de afgelopen drie jaar heeft opgeleverd?
De gemeenten Groningen en Leeuwarden nemen deel aan het Nationaal Programma Leefbaarheid en Veiligheid (NPLV) en Preventie met Gezag. De inzet van Preventie met Gezag en het Nationaal Programma Leefbaarheid en Veiligheid sluiten op elkaar aan en versterken elkaar. Binnen het Nationaal Programma Leefbaarheid en Veiligheid wordt gewerkt aan problemen op het gebied van onderwijs, armoede, gezondheid, wonen en veiligheid.
Tussen 2018 en 2024 verbeterde de leefbaarheid in de NPLV-gebieden iets sterker dan landelijk. Hierbij gaat het om verbeteringen in de fysieke omgeving, woningvoorraad, voorzieningen, sociale samenhang, overlast en onveiligheid. De bereikte resultaten zijn beschreven in de voortgangsrapportage van het NPLV4.
In hoeverre maakt de preventie van jeugdige betrokkenheid bij georganiseerde en ondermijnende criminaliteit expliciet onderdeel uit van het Nationaal Programma Leefbaarheid en Veiligheid in Groningen en welke concrete resultaten zijn tot dusver bereikt in de betrokken gebieden?
Zie antwoord vraag 6.
Acht u de politiecapaciteit, preventieve inzet en ketensamenwerking tussen gemeenten, politie en het Openbaar Ministerie in Groningen en Drenthe toereikend om ronselpraktijken onder jongeren tijdig te signaleren en effectief tegen te gaan? Hoe is de rolverdeling binnen deze samenwerking vormgegeven, hoe wordt deze gemonitord, en waarop baseert u uw oordeel over de effectiviteit daarvan?
De gemeenten, politie en het Openbaar Ministerie in Noord-Nederland werken er hard aan om ervoor te zorgen dat ronselpraktijken onder jongeren tijdig en effectief gesignaleerd worden. Zo wordt binnen de Drentse aanpak Ondermijning, de Regionale aanpak Ondermijning en binnen het RIEC Noord-Nederland aandacht besteed aan de aanpak rondom uitbuiting van jongeren. Het Openbaar Ministerie probeert daarbij de verbinding te versterken in de aanpak van jeugdgroepen. Bijvoorbeeld op gemeenteniveau, maar ook richting de verschillende basisteams van de politie over de districten heen.
In de gemeenten die deelnemen aan Preventie met Gezag wordt de inzet van politie en OM geïntensiveerd. In Groningen betekent dit dat er vanuit het OM extra capaciteit wordt ingezet en dat er prioriteit wordt gegeven aan de betreffende zaken. De politie traint de medewerkers op onderwerpen als drugs, preventie en ondermijning.
Het CBS levert jaarlijks een update van de monitor op de criminaliteitsdata in de wijken. Deze resultaten worden jaarlijks beknopt gerapporteerd in de voortgangsrapportage aanpak ondermijnende criminaliteit5.
Welke preventieve programma’s zijn in Groningen en Drenthe beschikbaar om jongeren weerbaarder te maken tegen criminele uitbuiting, en hoe wordt de effectiviteit daarvan gemeten?
Naast het Nationaal Programma Leefbaarheid en Veiligheid en de aanpak Preventie met Gezag maken de provincies Groningen en Drenthe ook gebruik van gelden uit de Regiodeals. De Regiodeal Eemsdelta richt zich onder meer op het voorkomen van jeugdcriminaliteit, het realiseren van weerbare dorpen en op meer samenwerking tussen gemeenten, scholen, politie en welzijn. Met de impuls van de Regiodeals worden de regio’s krachtiger gemaakt doordat de samenwerking tussen overheden en organisaties in de regio’s wordt versterkt.
Samen met de wetenschap wordt de effectiviteit van interventies onderzocht, waarbij landelijke trends in samenwerking met het Centraal Bureau voor de Statistiek in beeld worden gebracht. De resultaten worden beschreven in de jaarlijkse voortgangsrapportages NPLV, Preventie met Gezag en de voortgangsrapportages van de regiodeals.
Op welke wijze vindt afstemming plaats met de Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap over de rol van scholen in het signaleren en voorkomen van betrokkenheid van leerlingen bij georganiseerde criminaliteit?
Scholen hebben ook een rol in het signaleren en voorkomen van betrokkenheid bij (georganiseerde) criminaliteit, maar scholen kunnen dit niet alleen. Zij werken daarin intensief samen met onder meer de politie en het jeugdwerk. Om dat te stimuleren werkt het Ministerie van Justitie en Veiligheid nauw samen met andere departementen, waaronder het Ministerie van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap, bijvoorbeeld binnen het programma Preventie met Gezag. Veel gemeenten zetten binnen dit programma in op het versterken van een veilig leerklimaat. Al tien gemeenten hebben in het kader van Preventie met Gezag veiligheidsconvenanten afgesloten met in totaal 113 verschillende po-, vo- en mbo-scholen zodat politie, jeugdwerk en leerplicht nauw samenwerken om jongeren in beeld te hebben en te begeleiden.
Verder hebben scholen zelf ook een zorgplicht voor de veiligheid op school. Met het Wetsvoorstel «vrij en veilig onderwijs» scherpt het kabinet die zorgplicht aan. Het doel is dat scholen beter zicht krijgen op de veiligheid op school, betere begeleiding bieden bij onveiligheid, bijvoorbeeld door de aanstelling van een vertrouwenspersoon, en hun veiligheidsbeleid jaarlijks evalueren.
Bent u bereid te onderzoeken of scholen in Groningen en Drenthe extra ondersteuning nodig hebben bij burgerschapsvorming, digitale weerbaarheid en het herkennen van signalen van crimineel ronselen?
De gemeenten en scholen in Noord-Nederland hebben een eigen verantwoordelijkheid als het gaat om (het voorkomen van) jeugdproblematiek. Daarbij krijgen zij goede ondersteuning en ligt er reeds een regionale aanpak voor Noord-Nederland. Wat het kabinet betreft is een nieuwe aanpak of aanvullende ondersteuning niet noodzakelijk.
Zo krijgt Stichting School & Veiligheid een subsidie om scholen te ondersteunen bij het werken aan een veilig schoolklimaat, bijvoorbeeld met ondersteuning op het gebied van samenwerking tussen onderwijs, politie en gemeente en op het gebied van gegevensdeling. Ook kunnen scholen individueel ondersteuning krijgen via het adviespunt van Stichting School & Veiligheid.
Vanuit het netwerk School & Veiligheid binnen de aanpak Preventie met Gezag wisselen gemeenten en scholen ervaringen met elkaar uit. Daarnaast is er het Expertisepunt Burgerschap, waar scholen terecht kunnen voor actuele informatie, tips en inspiratie over het vormgeven van burgerschapsonderwijs. De bovengenoemde ondersteuning is gratis en toegankelijk voor alle scholen in Nederland. Tot slot moedigt het kabinet scholen aan om alvast aan de slag te gaan met de geactualiseerde kerndoelen met specifiek aandacht voor digitale geletterdheid en mediawijsheid wordt besteed.
De gemeenten Groningen en Leeuwarden werken met ondersteuning vanuit Preventie met Gezag en het Nationaal Programma Leefbaarheid en Veiligheid aan een geconcentreerde en intensieve aanpak ter voorkoming van jeugdcriminaliteit en een verbeterde leefomgeving. Het RIEC Noord-Nederland heeft met ondersteuning vanuit mijn ministerie een aanpak voor jonge aanwas ontwikkeld. Voor versterking van de regio maakt Noord-Nederland gebruik van Regiodeals. Hierdoor is er voldoende ondersteuning aanwezig.
Bent u bereid om te bezien of voor Noord-Nederland een gerichte, integrale en regionaal toegesneden aanpak nodig is waarin veiligheid, onderwijs en preventie nadrukkelijk worden verbonden, en de Kamer hierover te informeren?
Zie antwoord vraag 11.
Het bericht 'Extra geld voor de holocausteducatie via de CJP Cultuurkaart' |
|
Etkin Armut (CDA), Tijs van den Brink (CDA), Eveline Tijmstra (CDA) |
|
Judith Tielen (VVD) |
|
|
|
|
Hoeveel middelbare scholen maken er gebruik van de educatieprogramma’s die de verschillende herinneringscentra aanbieden?1
Er is momenteel geen landelijk overzicht van de mate waarin scholen gebruik maken van gastlessen of educatieprogramma’s van bijvoorbeeld herinneringscentra en oorlogsmusea. Reden hiervoor is dat deze activiteiten buiten het onderwijscurriculum vallen en scholen dus uit eigen beweging deze activiteiten kunnen organiseren. De herinneringscentra en oorlogsmusea beschikken zelf wel over gegevens van hun eigen bezoekers. Het Landelijk Steunpunt Gastsprekers WOII-Heden – een door VWS gesubsidieerde aanbieder van gastlessen houdt ook jaarlijks het aantal schoolbezoeken bij. In overleg met WO2NET en het Veldberaad, het samenwerkingsverband van de belangrijkste professionele partijen in de WOII-sector, wordt de jaarlijkse monitor van WO2NET zo ingericht dat in 2026 landelijke bezoekcijfers beschikbaar komen.
Vanuit het Nationaal Plan Versterking Holocausteducatie is vanaf 1 januari 2026 structureel € 750.000,– per jaar beschikbaar gesteld voor scholen in het voortgezet onderwijs. Via de CJP Cultuurkaart wordt scholen zo de mogelijkheid geboden om extra budget in te zetten voor extracurriculaire activiteiten met betrekking tot Holocausteducatie zoals bezoek aan een «authentieke» locatie. De ambitie van de ministeries van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap (OCW) en Volksgezondheid Welzijn en Sport (VWS) daarbij is dat alle scholen een bezoek brengen aan een dergelijke locatie om te leren over de Holocaust. Het CJP monitort het gebruik van de subsidie.
Door zowel de monitor van het CJP als die van WO2NET komt vanaf eind 2026 een landelijk beeld van de bezoeken van scholen aan herinneringscentra en oorlogsmusea om te leren over de Holocaust.
Kunt u aangeven hoeveel middelbare scholen op een andere manier aandacht besteden aan de holocaust, bijvoorbeeld via een gastles?
Zie antwoord vraag 1.
Is er een verschil tussen het aantal educatieprogramma’s dat door middelbare scholen is afgenomen in 2025 en 2024? Is dit aantal gedaald of gestegen? Hoe kan deze ontwikkeling verklaard worden?
Zie antwoord vraag 1.
Kunt u aangeven hoe u het Herinneringscentrum Apeldoornsche Bosch de komende jaren wilt ondersteunen?
Het Ministerie van VWS heeft vanaf 2026 structureel € 250.000 gereserveerd om het Herinneringscentrum Apeldoornsche Bosch te subsidiëren. Hiermee wordt deze instelling in staat gesteld het verhaal van het Apeldoornsche Bosch, de deportatie van en moord op Joodse psychiatrisch patiënten en hun verzorgers, aan zoveel mogelijk Nederlanders over te brengen.
Kunt u naar aanleiding van uw brief d.d. 13 mei 2025 aangeven wat de stand van zaken is naar aanleiding van de vernieuwing van Kamp Westerbork?
Het vorige kabinet heeft € 15 miljoen ter beschikking gesteld voor de vernieuwing van Kamp Westerbork met de verwachting dat ook andere financiers over de brug zullen komen. Kamp Westerbork is daarom gevraagd om gesprekken met andere mogelijke financiers aan te gaan. Kamp Westerbork heeft aangegeven dat tot op heden een totaalbedrag van ongeveer € 22 miljoen is toegezegd, onder andere door de provincie Drenthe en particuliere fondsen. Dit is inclusief de bijdrage van het Rijk. Kamp Westerbork blijft in gesprek met andere potentiële financiers.
Met deze bijdrage is een belangrijke stap gezet bij de realisatie van de vernieuwing van Kamp Westerbork. Het is nu eerst aan Kamp Westerbork om met de vernieuwing van de eerste fase van start te gaan. Het blijkt dat in 2027 wordt gestart met de daadwerkelijke realisatie en dat de voorbereidingen hiervoor in volle gang zijn. Ik blijf in gesprek met Kamp Westerbork over de vorderingen, ook naar aanleiding van de aangenomen motie van het lid van Dijk c.s., dat het ministerie oproept om bij voorjaarsnota een voorstel te doen voor aanvullende financiering voor na 2027.
Hoever staat het met de financiering van deze vernieuwing, naast de middelen die VWS in de voorjaarsnota 2025 beschikbaar heeft gesteld?
Zie antwoord vraag 5.
Bent u bij andere departementen en mogelijke financiers nagegaan hoe in gezamenlijkheid de vernieuwing van Kamp Westerbork gerealiseerd kan worden? Zo ja, wat is de huidige stand van zaken?
Zie antwoord vraag 5.
Betrekt u bij de vernieuwing van Kamp Westerbork ook de provincie en gemeenten? Zo ja, kunt u aangeven hoe dat concreet vorm krijgt?
Zie antwoord vraag 5.
Welke rol ziet u, naar aanleiding van de intensiveringen zoals beschreven in de brief van 13 mei 2025, voor provincies?
Om iedereen op een leerzame en laagdrempelige manier kennis te laten nemen van dit verhaal hebben zowel het rijk, provincies als gemeenten een eigen verantwoordelijkheid en een eigen rol. Juist dichtbij, in de buurt, op plekken waar gebeurtenissen hebben plaatsgevonden, wordt het verhaal van WOII en de Holocaust tastbaar en invoelbaar. Dit vraagt een sterke infrastructuur op landelijk, regionaal én lokaal niveau. Daarom ga ik in de komende tijd in gesprek met (een vertegenwoordiging van) provincies en gemeenten om met hen na te gaan hoe we kunnen samenwerken en elkaar kunnen versterken. Want er gebeurt al veel in provincies en gemeenten waar het gaat om bijvoorbeeld herdenkingen, educatie, erfgoed en archieven. In de beleidsbrief die het kabinet in het derde kwartaal van dit jaar naar Uw Kamer stuur, wordt verder ingaan op de stand van zaken.
Welke rol ziet u voor de gemeenten en welke ondersteuning kunt u gemeenten bieden bij het ontwikkelen van het herdenken en herinneren van het verhaal van de Tweede Wereldoorlog en de Holocaust?
Zie antwoord vraag 9.
Het ontbreken van een heldere definitie van femicide in de Nederlandse rechtspraktijk |
|
Hanneke van der Werf (D66), Etkin Armut (CDA), Songül Mutluer (PvdA), Bente Becker (VVD) |
|
David van Weel (VVD) |
|
|
|
|
Kent u het rapport «Femicide in de Nederlandse rechtspraktijk: juridische erkenning en straftoemeting»?1
Waarom ontbreekt tot op heden een eenduidige definitie van femicide binnen de Nederlandse rechtspraktijk? Wanneer kan de Kamer een definitie verwachten?
Deelt u de mening dat het van belang is om tot een landelijke en juridisch toepasbare definitie van femicide te komen zodat politie, Openbaar Ministerie (OM) en rechtspraak hetzelfde toetsingskader hanteren? Zo ja, waarom? Zo nee, waarom niet?
Klopt het dat dat internationale organisaties zoals de World Health Organization en United Nations Women een bredere en explicieter gender gerelateerde definitie van femicide hanteren dan momenteel in Nederland gebruikelijk is? Zo ja, bent u bereid de definities en aanbevelingen van deze organisaties mee te nemen bij het opstellen van een Nederlandse definitie van femicide? En zo ja, wanneer kunnen we dat tegemoet zien?
Gaat u gevolg geven aan de aanbeveling uit het genoemde onderzoek om «femicidezaken» consequenter als zodanig te laten benoemen omdat dit zorgt voor een betere registratie en monitoring van femicide en bijdraagt aan maatschappelijke bewustwording van gender gerelateerd dodelijk geweld? Zo ja, op welke wijze gaat u deze aanbeveling uitvoeren? Zo nee, waarom niet?
Deelt u de mening van respondenten uit het onderzoek die voorstander zijn «van de introductie van femicide of gender gerelateerde kenmerken als wettelijke strafverzwaringsgrond, omdat dit kan bijdragen aan het structureler (h)erkennen van gender gerelateerde kenmerken in de strafrechtspraktijk»? Zo ja, waarom en hoe gaat u hier gevolg aan geven? Zo nee, waarom niet?
Deelt u de mening van de onderzoekers dat verdere specialisatie binnen de strafrechtpraktijk en versterking van kennis over gender gerelateerd geweld van belang is? Zo ja, waarom en hoe gaat u deze specialisatie bevorderen? Zo nee, waarom niet?
Deelt u de opvatting dat rode vlaggen zoals stalking, dwingende controle, psychisch geweld, obsessief gedrag tijdens en zelfs na een relatiebreuk structureel beter moeten worden herkend? Welke concrete acties worden thans hiertoe ondernomen door de justitiële keten? Kunt u dat onderbouwen?
Bent u bereid in overleg te treden met het OM en de rechterlijke macht over het verbeteren van dossiervorming om femicide te kunnen herkennen en te erkennen?
Bent u bereid de mogelijkheid te bespreken om ook zaken waar sprake is van vrouwenmoord, maar de dader niet vervolgd kan worden omdat hij na de daad een einde aan zijn eigen leven heeft gemaakt in de toekomst ook te kunnen registreren als femicide?
Bent u bereid een kabinetsreactie inclusief voorgestelde maatregelen binnen zes weken naar de Kamer te sturen?
Bent u bekend met de berichtgeving van NOS, Trouw en Stichting School & Veiligheid over de toenemende invloed van de zogenoemde manosphere op jongens en jonge mannen, waaronder jongens en jongvolwassenen met problematisch of grensoverschrijdend gedrag, en over signalen van dit gedrag in het onderwijs?1, 2, 3
Deelt u de zorgen dat content, waarin vrouwen en meisjes als ondergeschikt en minderwaardig worden neergezet, kan bijdragen aan een klimaat waarin grensoverschrijdend gedrag en geweld tegen vrouwen en meisjes worden genormaliseerd?
In hoeverre is bij politie, Openbaar Ministerie en andere betrokken professionals bekend of de manosphere een rol speelt bij seksueel grensoverschrijdend gedrag, stalking, huiselijk geweld of ander geweld tegen vrouwen en meisjes?
Wordt binnen de aanpak van geweld tegen vrouwen, huiselijk geweld, seksueel geweld en femicide op dit moment expliciet gekeken naar online vrouwenhaat, manosphere-content en digitale beïnvloeding van vrouwonvriendelijke denkbeelden? Zo ja, op welke manier? Zo nee, bent u bereid dit alsnog te doen?
Ziet u aanleiding om, naar aanleiding van deze berichtgeving, te onderzoeken of en hoe manosphere-content een rol speelt in de aanloop naar geweld tegen vrouwen, intieme terreur, controlerend gedrag en seksueel grensoverschrijdend gedrag? Zo nee, waarom niet?
Beschikken professionals die werken met jongeren en jongvolwassenen met problematisch of grensoverschrijdend gedrag volgens u over voldoende kennis en handvatten om beïnvloeding door de manosphere te herkennen, bespreekbaar te maken en mee te wegen in de risicotaxatie en begeleiding?
Bent u van plan maatregelen te nemen naar aanleiding van het signaal dat beïnvloeding vanuit de manosphere soms leidt tot wantrouwen jegens vrouwelijke hulpverleners?
Welke conclusies trekt u uit het onderzoek van Stichting School & Veiligheid, uitgevoerd door Ipsos I&O, dat laat zien dat 78% van de onderwijsprofessionals in het voortgezet onderwijs denkt dat jongens op school in enige mate worden beïnvloed door content over mannelijkheid en omgang met vrouwen?
Wat vindt u ervan dat bijna driekwart van de professionals in het voortgezet onderwijs de afgelopen vier jaar een toename ziet van gedrag dat mogelijk samenhangt met de manosphere? Wat is volgens u daarvoor een verklaring?
Erkent u dat deze signalen raken aan de sociale veiligheid van meisjes, lhbtiq+-leerlingen en vrouwelijke onderwijsprofessionals op school?
Welke verantwoordelijkheid ziet u hier voor scholen, overheid en ouders, gezien het feit dat onderwijsprofessionals volgens Stichting School & Veiligheid zorgen hebben over de invloed van deze denkbeelden op het schoolklimaat, waaronder agressie, pestgedrag, spanningen tussen jongens en meisjes en de kwaliteit van gesprekken in de klas?
Wat betekent het volgens u dat vrouwelijke onderwijsprofessionals vaker vrouwonvriendelijke, homofobe of seksistische opmerkingen signaleren en relatief vaak ervaren dat hun autoriteit door leerlingen wordt ondermijnd?
Welke rol ziet u voor ouders bij het herkennen en bespreken van manosphere-content en bredere online beïnvloeding, en hoe kunnen scholen en ouders hierin beter samenwerken zonder dat de volledige verantwoordelijkheid bij leraren komt te liggen?
Welke ondersteuning is er op dit moment beschikbaar voor scholen en leraren om adequaat te reageren op vrouwonvriendelijke, seksistische of intimiderende uitspraken?
Vindt u deze ondersteuning voldoende, nu onderwijsprofessionals aangeven behoefte te hebben aan meer kennis, praktische tools en vaardigheden om met deze thematiek om te gaan in de klas? Zo nee, bent u bereid tegemoet te komen aan deze behoefte?
Het bericht 'Is de toename van het aantal besneden vrouwen nog te stoppen? – zomervakantie is risicoperiode' |
|
Etkin Armut (CDA), Bente Becker (VVD) |
|
David van Weel (VVD), Sophie Hermans (VVD) |
|
|
|
|
Bent u bekend met het bericht «Is de toename van het aantal besneden vrouwen nog te stoppen? – zomervakantie is risicoperiode»?1
Wat is uw reactie op de constatering dat er in Nederland duizenden vrouwen en meisjes slachtoffer zijn van vrouwelijke genitale verminking?
Hoe wordt vrouwelijke genitale verminking momenteel geregistreerd in Nederland, en acht u deze registratie volledig en betrouwbaar?
In hoeverre heeft u zicht op het aantal meisjes en vrouwen dat het risico loopt op vrouwelijke genitale verminking, in het bijzonder in relatie tot (gedwongen) uitreizen naar het buitenland?
Deelt u de opvatting dat de periode voorafgaand aan de zomervakantie een verhoogd risico met zich meebrengt en daarom een cruciaal moment is voor preventieve maatregelen in de aanpak van vrouwelijke genitale verminking? Zo ja, hoe wordt hierop ingezet?
Welke concrete preventieve maatregelen worden ingezet om vrouwelijke genitale verminking te voorkomen, potentiële slachtoffers te beschermen en risicovol uitreizen tegen te gaan?
Welke concrete resultaten zijn sinds de strafbaarstelling van vrouwelijke genitale verminking van 30 jaar geleden geboekt in de preventie en strafrechtelijke aanpak van deze praktijk?
Acht u de huidige strafbaarstelling voldoende effectief? Hoe vaak heeft dit in de afgelopen 5 jaar geleid tot vervolging en veroordeling?
In hoeverre is het herkennen en signaleren van vrouwelijke genitale verminking onderdeel van de opleiding en nascholing van huisartsen en andere zorgprofessionals? Ziet u ruimte om deze deskundigheid en bewustwording te versterken en zo ja, hoe?
Op welke manier en binnen welke termijn gaat u het mogelijk maken om een uitreisverbod op te kunnen leggen bij het risico op genitale verminking?
Welke aanvullende maatregelen kunnen worden genomen om (potentiële) slachtoffers beter in beeld te krijgen en hun bescherming te versterken?
Bent u bereid de inzet van sleutelpersonen en gemeenschapsgerichte aanpakken te intensiveren, zodat (potentiële) slachtoffers beter worden bereikt en hulp laagdrempeliger beschikbaar komt?
Wat is er concreet verbeterd in de aanpak van vrouwelijke genitale verminking sinds de beleidsreactie op het WODC-onderzoek «Over Grenzen» (over preventieve beschermingsbevelen bij onder andere vrouwelijke genitale verminking)?2
In hoeverre wordt de meldcode huiselijk geweld en kindermishandeling toegepast bij signalen van vrouwelijke genitale verminking?
Het bericht 'Verkrachtingsacademie’ waar mannen hun vrouwen drogeren en aanranden: CNN legt wereldwijd netwerk van misbruik bloot' |
|
Etkin Armut (CDA), Jantine Zwinkels (CDA) |
|
David van Weel (VVD) |
|
|
|
|
Bent u bekend met het bericht ««Verkrachtingsacademie» waar mannen hun vrouwen drogeren en aanranden: CNN legt wereldwijd netwerk van misbruik bloot»?1
Deelt u de mening dat het verwerpelijk en onacceptabel is dat er wereldwijde netwerken bestaan van mannen die elkaar aanmoedigen om vrouwen te misbruiken en drogeren, en hier veelvuldig tips over delen?
Welke strafrechtelijke mogelijkheden bestaan er om beheerders en Nederlandse gebruikers van dit soort platforms op te sporen en te vervolgen?
Kunt u in kaart brengen hoeveel van dit materiaal op Nederlandse servers staan en in hoeverre soortgelijke «verkrachtingsacademies» in Nederland aan de orde zijn?
Hoeveel Nederlandse vrouwen zijn naar verwachting slachtoffer van drogering en verkrachting door hun partner en waar kunnen deze slachtoffers zich melden?
In hoeverre is het strafbaar om in groepchats tips te delen om vrouwen te drogeren met slaapmedicatie? Kan hier specifiek op gehandhaafd worden en zo nee, welke belemmeringen zijn er?
Bent u van mening dat het wenselijk is om deelnemen aan of faciliteren van dergelijke online omgevingen explicieter strafbaar te stellen?
Hoe kunt u voorkomen dat anonimiteit op het internet ertoe leidt dat daders zich gemakkelijk kunnen verschuilen bij het plegen van seksueel geweld en delen van livestreams van seksueel misbruik, en welke ruimte biedt de Digital Services Act (DSA) om dit tegen te gaan?
Op welke manier werkt Nederland samen met andere Europese lidstaten bij de bestrijding van dit soort grensoverschrijdende online seksuele criminaliteit?
Kunt u in kaart brengen wat Nederland als individuele lidstaat kan doen om dit aan te pakken, en wat nodig is in Europees verband?
Heeft u in beeld hoeveel meldingen worden gedaan bij de online platforms over dergelijke «verkrachtingsacademies» en op welke manier wordt hierop geacteerd door de platforms?
Vindt u dat Telegram de verantwoordelijkheid om slachtoffers te beschermen en schadelijke content te verwijderen naleeft, nu veelvuldig in groepchats concreet advies wordt gedeeld over het drogeren van vrouwen, middelen worden verkocht om vrouwen in slaap te houden en livestreams worden gemaakt van seksueel misbruik?
Bent u bereid om te onderzoeken of aanvullende wetgeving of bevoegdheden nodig zijn om sneller in te grijpen bij websites die seksueel geweld faciliteren?
Bent u bereid om, in samenwerking met Europese lidstaten, zich actief in te zetten voor het zo snel mogelijk offline halen van platforms zoals Motherless die seksueel geweld faciliteren of verheerlijken, en welke concrete stappen kunt u daartoe nemen?
Het bericht 'Meer meldingen van geweld uit naam van familie-eer, vaak Syriërs' |
|
Jeltje Straatman (CDA), Etkin Armut (CDA) |
|
David van Weel (VVD), Bart van den Brink (CDA) |
|
|
|
|
Bent u bekend met het bericht «Meer meldingen van geweld uit naam van familie-eer, vaak Syriërs»?1
Hoe duidt u de stijging van het aantal meldingen van eergerelateerd geweld, van 673 gevallen in 2024 naar 757 in 2025?
In hoeverre is volgens u sprake van een daadwerkelijke toename van eergerelateerd geweld, los van een toename aan meldingen?
Klopt het dat in een aanzienlijk deel van de gemelde zaken personen met een Syrische achtergrond betrokken zijn, zoals gemeld in het artikel? Zo ja, hoe duidt u die cijfers?
Klopt het dat een deel van deze zaken voorkomt bij personen die nog maar relatief kort in Nederland verblijven? Zo ja, wat betekent dit volgens u voor het asiel- en integratieproces?
Wordt in de asielopvang en bij gemeenten actief gesignaleerd op risico’s of verdenkingen van eergerelateerd geweld? Zo ja, welke instrumenten en protocollen worden hiervoor gebruikt en hoe wordt expertise gedeeld met politie, Veilig Thuis en andere betrokken instanties?
Hoe is de samenwerking georganiseerd tussen politie, Veilig Thuis, gemeenten, de Immigratie- en Naturalisatiedienst (IND) en andere betrokken organisaties wanneer signalen van eergerelateerd geweld ontstaan binnen migrantengemeenschappen of in de asielopvang?
Welke maatregelen worden genomen om potentiële slachtoffers van eergerelateerd geweld, waaronder vrouwen, minderjarigen en LHBTI-personen, tijdig te beschermen?
Deelt u de opvatting dat eergerelateerd geweld een ernstige aantasting vormt van de Nederlandse rechtsorde en fundamentele vrijheden?
Welke gevolgen kan betrokkenheid bij eergerelateerd geweld hebben voor het verkrijgen of behouden van een verblijfsvergunning, ook wat betreft verblijfsvergunningen voor onbepaalde tijd?
In hoeverre kan een verdenking, vervolging of veroordeling voor eergerelateerd geweld aanleiding zijn om een verblijfsvergunning te weigeren of in te trekken?
Hoe vaak is in de afgelopen vijf jaar een verblijfsvergunning geweigerd of ingetrokken vanwege betrokkenheid bij geweld binnen de familie- of eersfeer?
Acht u het huidige instrumentarium binnen het vreemdelingenrecht voldoende om op te treden tegen personen die zich schuldig maken aan eergerelateerd geweld, of ziet u aanleiding om dit aan te scherpen?
Het bericht 'Ouders in verzet tegen sluiting van enige school in nieuwbouwwijk: ‘Waar moeten onze kinderen heen?’' |
|
Etkin Armut (CDA) |
|
Judith Tielen (VVD) |
|
|
|
|
Kent u dit bericht? Zo ja, wat vindt u hiervan?1
Ja, ik ken dit bericht. Het is jammer dat onrust is ontstaan over de school. In de beantwoording op de vragen van de leden Van Asten en Rooderkerk (beiden D66) over hetzelfde onderwerp is aangegeven dat het schoolbestuur het besluit om de school te sluiten heeft teruggedraaid.
Klopt het dat er momenteel 65 kinderen op deze school zijn ingeschreven en dat er eigenlijk nu 160 kinderen op deze school moeten zijn ingeschreven om structurele financiering te ontvangen?
Volgens de laatste cijfers van DUO staan op deze school 62 leerlingen ingeschreven. Er hadden 167 leerlingen ingeschreven moeten staan om te voldoen aan de vereiste leerlingenaantallen van de stichtingsnorm voor scholen. Deze norm verschilt per gemeente en wordt vastgesteld op basis van de leerlingdichtheid in de gemeente.
In hoeverre wordt er bij de beslissing om een school wel of niet te financieren rekening gehouden met de verwachte groei van het aantal leerlingen in de komende jaren doordat er huizen gebouwd gaan worden? Waarom wel of waarom niet?
Bij de stichtingsaanvraag moet een schoolbestuur aantonen, met een belangstellingsmeting, dat de nieuwe school in het 11e jaar na de aanvraag op voldoende leerlingen kan rekenen. Deze belangstellingsmeting gebeurt 1) aan de hand van verklaringen van ouders in het voedingsgebied met kinderen in de juiste leeftijdscategorie en 2) het aantal leerlingen op het moment van de stichtingsaanvraag en 3) het geprognostiseerde aantal leerlingen in het 11e jaar na de stichtingsaanvraag. De verwachte groei van het aantal leerlingen in een gebied is dus onderdeel van de aanvraagprocedure voor een nieuwe school.
Wat zijn de voorwaarden om in aanmerking te komen voor de kleine schooltoeslag of dunbevolktheidstoeslag?
Basisscholen die op de teldatum van het aantal leerlingen minder dan 150 leerlingen hebben, ontvangen momenteel kleinescholentoeslag. De school De Binck ontvangt daarom kleinescholentoeslag. Op dit moment wordt gewerkt aan het omvormen van de kleinescholentoeslag naar dunbevolktheidstoeslag. Uw Kamer is door mijn voorganger geïnformeerd over deze wijziging.2
Komt deze school in aanmerking voor deze toeslag? Waarom wel of waarom niet?
Zie antwoord vraag 4.
Bent u het ermee eens dat kleine scholen een belangrijke functie hebben voor de leefbaarheid van een wijk en of iemand wel of niet wil gaan wonen in deze wijk?
Ja, scholen kunnen een belangrijke functie hebben voor de leefbaarheid van een wijk. Tegelijkertijd moet ook de afweging worden gemaakt waar kleine scholen hun rol het beste kunnen vervullen. Het huidige scholenlandschap is erg divers en fijnmazig. Dit is waardevol, maar het grote aantal (te kleine) scholen drukt sterk op de oplopende tekorten in het onderwijsveld. Dat is zeker het geval in stedelijke gebieden. De aangekondigde stelselwijziging zal op dit vraagstuk ingaan. Uw Kamer ontvang voor het zomerreces nog een brief met een update over de beoogde stelselwijziging.
In hoeverre wordt er bij de beslissing om een school wel of niet te financieren rekening gehouden met het aantal beschikbare plaatsen bij basisscholen in de directe omgeving?
Het aantal beschikbare plaatsen bij basisscholen in de directe omgeving is geen criterium bij het al dan niet bekostigen van een nieuwe school.
Zijn er alternatieven overwogen, zoals vergaande samenwerking met andere basisscholen, om sluiting te voorkomen?
Vergaande samenwerking met andere basisscholen, bijvoorbeeld in de vorm van een fusie, kan een mooie manier zijn om het onderwijs en de identiteit van een te kleine school te behouden. Met het oog op de stelselwijziging moedig ik schoolbesturen van te kleine scholen aan om mogelijkheden voor samenwerking of fusies in hun omgeving te onderzoeken. Het zoeken naar samenwerking blijft immers een verantwoordelijkheid van een schoolbestuur.
De keuze om leerlingen op een basisschool in te schrijven is verder aan de ouders, die vrij zijn om daar zelf een afweging in te maken.
Zou dit ertoe kunnen leiden dat leerlingen naar een andere gemeente moeten om onderwijs te krijgen?
Zie antwoord vraag 8.
Het bericht 'Voor vier op de tien scholieren uit Groningen en Drenthe komt georganiseerde criminaliteit dichtbij' |
|
Jeltje Straatman (CDA), Etkin Armut (CDA) |
|
Becking , Foort van Oosten (VVD) |
|
|
|
|
Bent u bekend met het bericht «Voor vier op de tien scholieren uit Groningen en Drenthe komt georganiseerde criminaliteit dichtbij»?1
Ja.
Deelt u de mening dat het zeer zorgwekkend en onaanvaardbaar is dat een dergelijk groot aandeel jongeren in deze regio’s in aanraking komt met georganiseerde criminaliteit?
Ja, het rekruteren van jongeren voor de georganiseerde criminaliteit is een ernstige zaak. De bestrijding hiervan neem ik zeer serieus.
Hoe duidt u deze cijfers specifiek voor Groningen en Drenthe, mede in het licht van de bredere aanpak van ondermijnende criminaliteit in Noord-Nederland?
De provincies Groningen en Drenthe worden, net als andere regio’s in Nederland, geconfronteerd met ondermijnende criminaliteit. De cijfers onderstrepen het belang van de strijd die het kabinet voert tegen ondermijnende criminaliteit in heel het land.
Het Centraal Bureau voor de Statistiek (CBS) maakt met de Landelijke jeugdmonitor2 per gemeente inzichtelijk hoeveel jongeren in aanraking komen met criminaliteit. Deze monitor laat zien dat het aandeel jeugdige verdachten (12–23 jaar) erg verschilt per gemeente. Uit de data blijkt dat in de gemeente Groningen het aantal verdachte jongeren vergelijkbaar is met de Randstad. In Drenthe is het aantal verdachte jongeren gemiddeld ten opzichte van andere delen van Nederland (Landelijke jeugdmonitor 2025). Uit een vergelijkende analyse van het dashboard «Zicht op ondermijning»3 blijkt dat respectievelijk 55% en 63% van alle gemeenten in Nederland hoger scoren op het gebied van jonge aanwas dan de gemeenten in Groningen en Drenthe (data uit 2023).
Beschikt u over vergelijkbare regionale cijfers voor andere delen van Nederland, en hoe verhouden de signalen uit Groningen en Drenthe zich tot de rest van het land?
Zie antwoord vraag 3.
Hoe verklaart u dat juist in Groningen en Drenthe dergelijke hoge percentages worden gemeten, en ziet u hier specifieke regionale risicofactoren, zoals beperkte handhavingscapaciteit en een ontstaan waterbedeffect voor ondermijnende criminaliteit in die regio’s?
Specifiek in Noord-Groningen zijn de percentages jeugdige verdachten iets hoger dan in de meeste andere gebieden in Nederland. Mogelijke oorzaken zijn de aantrekkingskracht van een omvangrijk buitengebied met enkele zeehavens, een luchthaven en een goede ontsluiting over weg, water en spoor, ook richting Duitsland en de Scandinavische landen. Er is op basis van de beschikbare data geen relatie te leggen met de beschikbare handhavingscapaciteit. Ook duiden de beschikbare data niet op een waterbedeffect.
Kunt u aangeven welke concrete resultaten de huidige landelijke aanpak van jeugdige betrokkenheid bij ondermijnende criminaliteit in Noord-Nederland de afgelopen drie jaar heeft opgeleverd?
De gemeenten Groningen en Leeuwarden nemen deel aan het Nationaal Programma Leefbaarheid en Veiligheid (NPLV) en Preventie met Gezag. De inzet van Preventie met Gezag en het Nationaal Programma Leefbaarheid en Veiligheid sluiten op elkaar aan en versterken elkaar. Binnen het Nationaal Programma Leefbaarheid en Veiligheid wordt gewerkt aan problemen op het gebied van onderwijs, armoede, gezondheid, wonen en veiligheid.
Tussen 2018 en 2024 verbeterde de leefbaarheid in de NPLV-gebieden iets sterker dan landelijk. Hierbij gaat het om verbeteringen in de fysieke omgeving, woningvoorraad, voorzieningen, sociale samenhang, overlast en onveiligheid. De bereikte resultaten zijn beschreven in de voortgangsrapportage van het NPLV4.
In hoeverre maakt de preventie van jeugdige betrokkenheid bij georganiseerde en ondermijnende criminaliteit expliciet onderdeel uit van het Nationaal Programma Leefbaarheid en Veiligheid in Groningen en welke concrete resultaten zijn tot dusver bereikt in de betrokken gebieden?
Zie antwoord vraag 6.
Acht u de politiecapaciteit, preventieve inzet en ketensamenwerking tussen gemeenten, politie en het Openbaar Ministerie in Groningen en Drenthe toereikend om ronselpraktijken onder jongeren tijdig te signaleren en effectief tegen te gaan? Hoe is de rolverdeling binnen deze samenwerking vormgegeven, hoe wordt deze gemonitord, en waarop baseert u uw oordeel over de effectiviteit daarvan?
De gemeenten, politie en het Openbaar Ministerie in Noord-Nederland werken er hard aan om ervoor te zorgen dat ronselpraktijken onder jongeren tijdig en effectief gesignaleerd worden. Zo wordt binnen de Drentse aanpak Ondermijning, de Regionale aanpak Ondermijning en binnen het RIEC Noord-Nederland aandacht besteed aan de aanpak rondom uitbuiting van jongeren. Het Openbaar Ministerie probeert daarbij de verbinding te versterken in de aanpak van jeugdgroepen. Bijvoorbeeld op gemeenteniveau, maar ook richting de verschillende basisteams van de politie over de districten heen.
In de gemeenten die deelnemen aan Preventie met Gezag wordt de inzet van politie en OM geïntensiveerd. In Groningen betekent dit dat er vanuit het OM extra capaciteit wordt ingezet en dat er prioriteit wordt gegeven aan de betreffende zaken. De politie traint de medewerkers op onderwerpen als drugs, preventie en ondermijning.
Het CBS levert jaarlijks een update van de monitor op de criminaliteitsdata in de wijken. Deze resultaten worden jaarlijks beknopt gerapporteerd in de voortgangsrapportage aanpak ondermijnende criminaliteit5.
Welke preventieve programma’s zijn in Groningen en Drenthe beschikbaar om jongeren weerbaarder te maken tegen criminele uitbuiting, en hoe wordt de effectiviteit daarvan gemeten?
Naast het Nationaal Programma Leefbaarheid en Veiligheid en de aanpak Preventie met Gezag maken de provincies Groningen en Drenthe ook gebruik van gelden uit de Regiodeals. De Regiodeal Eemsdelta richt zich onder meer op het voorkomen van jeugdcriminaliteit, het realiseren van weerbare dorpen en op meer samenwerking tussen gemeenten, scholen, politie en welzijn. Met de impuls van de Regiodeals worden de regio’s krachtiger gemaakt doordat de samenwerking tussen overheden en organisaties in de regio’s wordt versterkt.
Samen met de wetenschap wordt de effectiviteit van interventies onderzocht, waarbij landelijke trends in samenwerking met het Centraal Bureau voor de Statistiek in beeld worden gebracht. De resultaten worden beschreven in de jaarlijkse voortgangsrapportages NPLV, Preventie met Gezag en de voortgangsrapportages van de regiodeals.
Op welke wijze vindt afstemming plaats met de Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap over de rol van scholen in het signaleren en voorkomen van betrokkenheid van leerlingen bij georganiseerde criminaliteit?
Scholen hebben ook een rol in het signaleren en voorkomen van betrokkenheid bij (georganiseerde) criminaliteit, maar scholen kunnen dit niet alleen. Zij werken daarin intensief samen met onder meer de politie en het jeugdwerk. Om dat te stimuleren werkt het Ministerie van Justitie en Veiligheid nauw samen met andere departementen, waaronder het Ministerie van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap, bijvoorbeeld binnen het programma Preventie met Gezag. Veel gemeenten zetten binnen dit programma in op het versterken van een veilig leerklimaat. Al tien gemeenten hebben in het kader van Preventie met Gezag veiligheidsconvenanten afgesloten met in totaal 113 verschillende po-, vo- en mbo-scholen zodat politie, jeugdwerk en leerplicht nauw samenwerken om jongeren in beeld te hebben en te begeleiden.
Verder hebben scholen zelf ook een zorgplicht voor de veiligheid op school. Met het Wetsvoorstel «vrij en veilig onderwijs» scherpt het kabinet die zorgplicht aan. Het doel is dat scholen beter zicht krijgen op de veiligheid op school, betere begeleiding bieden bij onveiligheid, bijvoorbeeld door de aanstelling van een vertrouwenspersoon, en hun veiligheidsbeleid jaarlijks evalueren.
Bent u bereid te onderzoeken of scholen in Groningen en Drenthe extra ondersteuning nodig hebben bij burgerschapsvorming, digitale weerbaarheid en het herkennen van signalen van crimineel ronselen?
De gemeenten en scholen in Noord-Nederland hebben een eigen verantwoordelijkheid als het gaat om (het voorkomen van) jeugdproblematiek. Daarbij krijgen zij goede ondersteuning en ligt er reeds een regionale aanpak voor Noord-Nederland. Wat het kabinet betreft is een nieuwe aanpak of aanvullende ondersteuning niet noodzakelijk.
Zo krijgt Stichting School & Veiligheid een subsidie om scholen te ondersteunen bij het werken aan een veilig schoolklimaat, bijvoorbeeld met ondersteuning op het gebied van samenwerking tussen onderwijs, politie en gemeente en op het gebied van gegevensdeling. Ook kunnen scholen individueel ondersteuning krijgen via het adviespunt van Stichting School & Veiligheid.
Vanuit het netwerk School & Veiligheid binnen de aanpak Preventie met Gezag wisselen gemeenten en scholen ervaringen met elkaar uit. Daarnaast is er het Expertisepunt Burgerschap, waar scholen terecht kunnen voor actuele informatie, tips en inspiratie over het vormgeven van burgerschapsonderwijs. De bovengenoemde ondersteuning is gratis en toegankelijk voor alle scholen in Nederland. Tot slot moedigt het kabinet scholen aan om alvast aan de slag te gaan met de geactualiseerde kerndoelen met specifiek aandacht voor digitale geletterdheid en mediawijsheid wordt besteed.
De gemeenten Groningen en Leeuwarden werken met ondersteuning vanuit Preventie met Gezag en het Nationaal Programma Leefbaarheid en Veiligheid aan een geconcentreerde en intensieve aanpak ter voorkoming van jeugdcriminaliteit en een verbeterde leefomgeving. Het RIEC Noord-Nederland heeft met ondersteuning vanuit mijn ministerie een aanpak voor jonge aanwas ontwikkeld. Voor versterking van de regio maakt Noord-Nederland gebruik van Regiodeals. Hierdoor is er voldoende ondersteuning aanwezig.
Bent u bereid om te bezien of voor Noord-Nederland een gerichte, integrale en regionaal toegesneden aanpak nodig is waarin veiligheid, onderwijs en preventie nadrukkelijk worden verbonden, en de Kamer hierover te informeren?
Zie antwoord vraag 11.
Het bericht 'Seksueel wangedrag op school: 'Ik denk dat we niet half weten hoeveel het voorkomt'' |
|
Etkin Armut (CDA) |
|
Becking |
|
|
|
|
Bent u bekend met het bericht «Seksueel wangedrag op school: «Ik denk dat we niet half weten hoeveel het voorkomt»»?1
Ja.
Hoe verklaart u dat het aantal meldingen bij de vertrouwensinspecteurs over seksueel grensoverschrijdend gedrag al meerdere jaren toeneemt?
Al langer zien we een stijging in het aantal dossiers bij de vertrouwensinspecteurs.2 Ook in het schooljaar 2024–2025 nam het aantal dossiers over seksueel misbruik en seksuele intimidatie toe. Het is niet bekend of de toename van het aantal dossiers één op één veroorzaakt wordt doordat het aantal incidenten toeneemt. Mogelijke andere verklaringen voor de toename in het aantal meldingen zijn dat melders de vertrouwensinspecteurs beter weten te vinden, dat er een groter vertrouwen is om te melden, dat seksueel grensoverschrijdend gedrag meer aandacht krijgt of dat de meld- overleg- en aangifteplicht bij een vermoeden van seksueel misbruik of mishandeling meer bekendheid krijgt. Los van de precieze verklaring van de stijging neemt het kabinet het tegengaan van seksueel grensoverschrijdend gedrag uiteraard zeer serieus.
Kunt u de betreffende cijfers over de afgelopen vijf jaar verstrekken, uitgesplitst naar primair onderwijs, voortgezet onderwijs en mbo en kunt u daarbij tevens aangeven hoeveel meldingen betrekking hebben op het gedrag van (a) leerlingen onderling en (b) medewerkers richting leerlingen?
In de onderstaande tabel is een overzicht te vinden van het aantal dossiers bij de vertrouwensinspecteurs met tussen haakjes (x) het aantal dossiers waarbij het ging om een met taken belast persoon.3 De cijfers zijn per sector (primair onderwijs, voortgezet onderwijs, gespecialiseerd onderwijs en middelbaar beroepsonderwijs) uitgesplitst naar schooljaar en het soort grensoverschrijdend gedrag.4, 5
Seksueel misbruik
Seksuele intimidatie
Seksueel misbruik
Seksuele intimidatie
Seksueel misbruik
Seksuele intimidatie
Seksueel misbruik
Seksuele intimidatie
25 (17)
87 (33)
50 (40)
72 (49)
9 (5)
7 (4)
4 (3)
8 (6)
39 (22)
69 (33)
79 (47)
140 (99)
9 (1)
27 (12)
10 (7)
23 (20)
52 (31)
113 (45)
72 (41)
150 (104)
14 (10)
33 (13)
8 (5)
15 (13)
31 (21)
134 (52)
42 (28)
111 (80)
12 (4)
24 (11)
5 (5)
15 (10)
51 (36)
157 (56)
99 (52)
113 (77)
14 (4)
31 (17)
9 (6)
13 (12)
Bent u het ermee eens dat het zorgwekkend en onaanvaardbaar is dat jongeren die te maken krijgen met seksueel overschrijdend gedrag geen melding doen omdat ze denken dat het niet erg genoeg was, zich schamen, of geen vertrouwen hebben in de opvolging van de melding?
Ja, daar is het kabinet het mee eens. Het is al afschuwelijk dat jongeren te maken krijgen met seksueel grensoverschrijdend gedrag en nog erger als ze daar vervolgens geen melding van durven te doen. Deze jongeren moeten de juiste ondersteuning krijgen en er op kunnen vertrouwen dat meldingen zorgvuldig worden opgevolgd.
Hoe beoordeelt u het functioneren van het huidige meld- en opvolgingssysteem?
Het huidige meld- en opvolgingssysteem functioneert onvoldoende. Uit eerdere onderzoeken in opdracht van het Ministerie van OCW uit 2020 en 2023 bleek dat het aandeel leerlingen dat géén melding maakte van seksueel grensoverschrijdend gedrag daalde. Toch maken veel leerlingen nog steeds geen melding wanneer zij seksueel grensoverschrijdend gedrag ervaren. 20% van de leerlingen in het primair onderwijs dat aangaf seksueel grensoverschrijdend gedrag te ervaren, meldde dit niet. In het voortgezet onderwijs betrof dit 38% van de leerlingen.6 Daarbij gaf 61% van de leerlingen in het voortgezet onderwijs die een melding hadden gemaakt, aan dat daar niets mee was gedaan. 15% van de studenten in het mbo dat aangaf het slachtoffer te zijn geweest van seksuele intimidatie, maakte een melding. In de helft van deze gevallen heeft de mbo-instelling iets met de melding gedaan, melden de slachtoffers. Uit deze onderzoeken kwam ook naar voren dat seksualiteit vaak nog een beladen onderwerp is op school en leerlingen en studenten zich niet altijd bewust zijn van de grens tussen geaccepteerd en grensoverschrijdend gedrag.
Welke concrete maatregelen bent u bereid te nemen om de meldbereidheid onder jongeren te vergroten en het vertrouwen in opvolging te versterken en kunt u daarbij aangeven op welke termijn deze maatregelen effect moeten hebben?
Het kabinet zich met een breed pakket van maatregelen in om seksueel grensoverschrijdend gedrag in het onderwijs te voorkomen en aan te pakken. Dit gebeurt op verschillende niveaus.
Allereerst zet het kabinet in op preventie. De VO-raad werkt vanuit de Alliantie tegen seksueel grensoverschrijdend gedrag aan een doorvertaling van de handreiking «Cultuurverandering op de werkvloer» van regeringscommissaris Hamer.7 Daarmee wordt ingezet op het ondersteunen van scholen bij het beleid tegen seksueel grensoverschrijdend gedrag en het werken aan een veilige cultuur. Ook versterken we het bewustzijn over grenzen en seksueel grensoverschrijdend gedrag met de nieuwe conceptkerndoelen voor het primair en voortgezet onderwijs. Daarin is aandacht voor het bespreekbaar maken van wensen en grenzen, voor relationele en seksuele ontwikkeling en het stimuleren van veilige sociale omgang, weerbaarheid, samenwerking en conflicthantering. In het voortgezet onderwijs is daarbij in het bijzonder ook aandacht voor het belang van consent, respect voor wensen en grenzen van zichzelf en de ander en wat te doen bij grensoverschrijding, geweld en misbruik.
Ten tweede versterkt het kabinet het zicht dat scholen hebben op seksueel grensoverschrijdend gedrag. Met het Wetsvoorstel vrij en veilig onderwijs worden scholen in het funderend onderwijs verplicht seksueel grensoverschrijdend gedrag te registreren en in het voortgezet (speciaal) onderwijs te monitoren. Deze signalen moet de school betrekken in de evaluatie van het veiligheidsbeleid.8 Ook moet elke school een interne en externe vertrouwenspersoon hebben, die leerlingen ondersteunen bij het maken van een melding. Ten slotte wordt de reeds bestaande meld- en overlegplicht bij seksuele misdrijven voor het hele onderwijs uitgebreid naar seksuele intimidatie en naar meerderjarige leerlingen en studenten. Daarmee zorgen we ervoor dat scholen sneller zicht krijgen op seksueel grensoverschrijdend gedrag en signalen daarvan opvolgen. In het vervolgonderwijs wordt gewerkt aan een soortgelijk wetsvoorstel, dat de plicht om te zorgen voor een veilige omgeving voor iedereen die studeert, onderzoekt of werkt op een Nederlandse onderwijsinstelling wettelijk verankert en expliciteert. Naast deze wettelijke plichten kunnen scholen nu ook al gebruik maken van het vlaggensysteem van Movisie dat bijdraagt aan het voorkomen en terugdringen van seksueel grensoverschrijdend gedrag onder leerlingen. Stichting School & Veiligheid werkt met Movisie aan een doorvertaling van dit systeem om signalen van seksueel grensoverschrijdend gedrag van onderwijspersoneel richting leerlingen of studenten eerder te duiden en op te pakken. Deze ondersteuning is beschikbaar voor het funderend onderwijs en het mbo.
Ten slotte zet regeringscommissaris Hamer zich samen met de MBO Raad, VO-raad en PO-Raad in voor een doorlopende en samenhangende aanpak om bestuurders in het funderend onderwijs en mbo bewuster te maken van de ervaringen van hun leerlingen en studenten met seksueel grensoverschrijdend gedrag.
Herkent u het beeld dat jongeren niet goed herkennen wat seksueel grensoverschrijdend gedrag is en daardoor geen melding doen terwijl er mogelijk wel sprake is van seksueel overschrijdend gedrag?
Zie antwoord vraag 5.
Bent u bereid om maatregelen te nemen, zowel voor leerlingen in het primair onderwijs, voortgezet onderwijs als het mbo, om ervoor te zorgen dat de bewustwording bij jongeren over seksueel overschrijdend gedrag wordt vergroot? Zo ja, welke concrete maatregelen gaat u voor beide groepen nemen?
Zie antwoord vraag 6.
Herkent u signalen dat scholen in sommige gevallen terughoudend zijn met het melden van seksueel grensoverschrijdend gedrag bij de vertrouwensinspecteur?
Ja, wij herkennen dat dit een lastig en ingewikkeld onderwerp is en dat scholen soms terughoudend zijn om in overleg te treden met de vertrouwensinspecteurs.
Tegelijkertijd mag van onderwijspersoneel als professionals die werken met leerlingen en studenten in een afhankelijkheidssituatie, verwacht worden dat zij altijd melding doen wanneer zij kennis of vermoedens van seksueel grensoverschrijdend gedrag hebben. Het is van het grootste belang dat leerkrachten, schoolleiders en schoolbesturenverantwoordelijkheid nemen en niet wegkijken. In dat kader wordt de meld- en overlegplicht seksuele misdrijven uitgebreid naar seksuele intimidatie en meerderjarige leerlingen en studenten. Het is de taak van schoolleiders en schoolbesturen om zorg te dragen voor een omgeving waarbinnen leerkrachten een dergelijke melding ook veilig kúnnen doen.
Bij de implementatie van het Wetsvoorstel vrij en veilig onderwijs zal door Stichting School & Veiligheid ondersteuning geboden worden aan scholen om seksueel grensoverschrijdend gedrag te herkennen, te bespreken en daar adequaat op te reageren.
Het bericht 'Kraamverzorgers zien geweld en drugs, maar melden nauwelijks bij Veilig Thuis' |
|
Harmen Krul (CDA), Etkin Armut (CDA) |
|
Bruijn , Foort van Oosten (VVD) |
|
|
|
|
Bent u bekend met het bericht «Kraamverzorgers zien geweld en drugs, maar melden nauwelijks bij Veilig Thuis»?1
Ja, ik ben bekend met het bericht.
Hoe beoordeelt u het gegeven dat van de ongeveer 130.000 meldingen per jaar bij Veilig Thuis slechts ongeveer 350 meldingen afkomstig zijn van kraamverzorgers en verloskundigen, terwijl zij juist bij gezinnen achter de voordeur komen?
Kraamverzorgers bevinden zich in een unieke positie waarin zij voor een periode dagelijks aanwezig zijn bij een gezin. Zij krijgen zicht op de thuissituatie dat andere professionals vaak niet hebben. Dat maakt hen een belangrijke schakel in de (vroeg)signalering van mogelijke problemen in een gezin waaronder huiselijk geweld en kindermishandeling.
Beide beroepsgroepen vallen onder de wet verplichte meldcode huiselijk geweld en kindermishandeling2. Dat betekent dat zij bij signalen een zorgvuldige afweging moeten maken, de stappen van de meldcode doorlopen en zo nodig advies vragen of een melding doen.
Uit het aantal meldingen vanuit de kraamverzorgers en verloskundigen kan niet geconcludeerd worden dat deze professionals niets doen als zij huiselijk geweld of kindermishandeling signaleren. Deze cijfers gaan over formele meldingen en moeten worden bezien in het licht dat veel signalen in eerste instantie intern worden besproken en opgepakt of er wordt advies gevraagd bij Veilig Thuis zonder dat dit direct leidt tot een formele melding.
Bent u het ermee eens dat de kraamtijd een kwetsbare periode is waarin onveilige situaties kunnen ontstaan, waardoor vroegsignalering van onveilige situaties essentieel is? Zo ja, hoe kunt u die signaleringsfunctie versterken?
Ja, de kraamtijd kan naast een doorgaans heel vreugdevolle periode ook een kwetsbare fase zijn. In een korte tijd vinden ingrijpende veranderingen plaats binnen een gezin. Soms kan door bijkomende stress onveiligheid ontstaan. Vroegsignalering is daarom van groot belang. Het versterken van deze signaleringsfunctie vraagt om blijvende aandacht voor het herkennen van signalen van huiselijk geweld en kindermishandeling en voor de juiste toepassing van de meldcode. Daarnaast is het van belang de samenwerking tussen betrokken professionals te versterken, bijvoorbeeld voor een warme overdracht tussen verloskundigen, kraamzorg en consultatiebureau, zodat geen signalen verloren gaan. Ik ga samen met de beroepsgroepen in gesprek over wat nodig is rondom het versterken van de meldcode en de signaleringsfunctie.
Welke rol speelt volgens u de angst voor represailles en welke maatregelen neemt u om de veiligheid van zorgprofessionals die melden, te waarborgen?
Angst voor represailles kan een rol spelen bij de terughoudendheid om een melding te doen. Kraamverzorgers en verloskundigen werken in een persoonlijke en kwetsbare setting en bouwen in een korte tijd een vertrouwensrelatie op met het gezin. De vrees om deze relatie te schaden en hierdoor geen zorg meer te kunnen leveren of om geconfronteerd te worden met negatieve reacties of represailles kan drempelverhogend werken.
Het is belangrijk om deze zorgen serieus te nemen, zonder dat dit afdoet aan de verantwoordelijkheid om te handelen bij signalen van onveiligheid. Het onderwerp neem ik mee in de gesprekken met de beroepsgroep, zodat eventuele zorgen of ervaringen uit de praktijk beter in beeld komen. De meldcode helpt professionals om de juiste stappen te zetten waar ook zorgen om hun eigen veiligheid besproken kunnen worden. Zo wordt er in stap 2 van de meldcode bijvoorbeeld geadviseerd om advies in te winnen bij Veilig Thuis, dit kan anoniem. Er wordt niet geregistreerd op naam van degene waarover de zorgen zijn. Daar kan dan ook besproken worden hoe de professional met zorgen over eigen veiligheid om kan gaan. Ook bij verdere stappen van de meldcode kan Veilig Thuis met de professional meedenken. Daarnaast zijn er verschillende trainingen over de meldcode en de dilemma’s waar tegenaan wordt gelopen die professionals kunnen gebruiken om onderling hun zorgen bespreekbaar te maken3.
Hoeveel gevallen zijn er bekend waarbij de melder te maken heeft gekregen met bedreigingen, intimidatie of geweld na contact met Veilig Thuis?
Er is geen landelijk overzicht van het aantal gevallen waarbij melders na contact met Veilig Thuis te maken hebben gekregen met bedreigingen, intimidatie of geweld. Veilig Thuis houdt bij de behandeling van een melding rekening met de mogelijke veiligheidsrisico’s voor zowel betrokkenen als professionals.
Indien sprake is van bedreiging of geweld, kan aangifte worden gedaan en kan de werkgever maatregelen nemen. Zorgverleners vallen onder het programma «Veilige Publieke dienstverlening», hierin is aandacht voor het creëren van een veilige werkomgeving, het doen van aangifte en goede begeleiding na een incident4.
Bent u van mening dat het niet anoniem kunnen doen van een melding meespeelt in de terughoudendheid van kraamverzorgers en verloskundigen?
Het niet anoniem kunnen doen van een formele melding bij Veilig Thuis kan bijdragen aan terughoudendheid aan de kant van zorgverleners. De meldcode biedt handvatten om zorgvuldig te handelen en waar mogelijk transparant te zijn richting betrokkenen, wat in de praktijk vaak helpend is in het verlenen van zorg en het opbouwen van een vertrouwensrelatie.
In uitzonderingssituaties is het mogelijk om een verzoek bij Veilig Thuis te doen om zijn/haar identiteit niet kenbaar te maken aan direct betrokkenen. Dit is mogelijk als sprake is van bedreiging voor de melder of de betrokkenen of als dit kan leiden tot een verstoring van de vertrouwensrelatie met de direct betrokkenen5.
Het is altijd mogelijk om anoniem advies te vragen bij Veilig Thuis zonder direct een melding te doen. Deze adviesfunctie is juist bedoeld om professionals te ondersteunen bij twijfel en handelingsverlegenheid te verminderen.
Bent u het met Veilig Thuis eens dat anoniem melden niet past bij professioneel handelen van de zorgverlener? Zo nee, waarom niet?
Ja, ik onderschrijf het uitgangspunt van Veilig Thuis dat anoniem melden door zorgprofessionals in beginsel niet wenselijk is binnen het professioneel handelen van een zorgverlener. Op het moment dat een hulpverlener zich zorgen maakt, is het belangrijk dat deze hulpverlener, het liefst met advies van Veilig Thuis, de zorgen bespreekbaar maakt. Als leden in een gezin open staan voor hulp, en de professional kan dit leveren is het niet altijd nodig om een melding te doen. Bij acuut of structureel gevaar is het de professionele norm om altijd een melding te doen. Een formele melding bij Veilig Thuis vormt het startpunt van een onderzoek naar de veiligheidssituatie.
Om een zorgvuldige veiligheidsbeoordeling te kunnen maken, is het van belang dat informatie herleidbaar is en dat Veilig Thuis zo nodig kan doorvragen of terugkoppelen. Ook moet Veilig Thuis voor het onderzoek aan het gezin kunnen uitleggen waar de zorgen uit bestaan en wat de aanleiding is voor betrokkenheid van Veilig Thuis. Bij een anonieme melding is dat niet mogelijk, wat de kwaliteit en zorgvuldigheid van het onderzoek kan beperken en de kansen voor effectieve vervolghulp.
In uitzonderlijke situaties is het echter mogelijk dat de melder een verzoek doet bij Veilig Thuis om zijn/haar identiteit niet kenbaar te maken aan direct betrokkenen. Dit kan als er sprake is van bedreiging voor de melder of de betrokkenen of als dit kan leiden tot een verstoring van de vertrouwensrelatie met de direct betrokkenen6. Zie ook het antwoord op vraag 6.
Is het volgens u voldoende bekend dat kraamverzorgers wel altijd anoniem kunnen bellen met Veilig Thuis voor advies, zonder dat officieel een melding hoeft te worden gemaakt? Zo nee, hoe gaat u ervoor zorgen dat die bekendheid toeneemt?
De mogelijkheid om anoniem advies te vragen bij Veilig Thuis is een waardevol instrument. Het stelt professionals in staat om twijfels en signalen te bespreken, hun observaties te toetsen en handelingsperspectief te krijgen zonder direct een melding te doen. Juist wanneer een drempel wordt ervaren, kan anoniem advies vragen een belangrijke eerste stap zijn.
Uit cijfers blijkt dat het aantal adviesvragen jaarlijks toeneemt7. Veilig Thuis werkt actief aan het versterken van de adviesfunctie. Daarnaast wordt verkend wat de meerwaarde is van het verplicht stellen van het vragen van advies bij signalen van huiselijk geweld en kindermishandeling8. Hierbij wordt nadrukkelijk ook gesproken met professionals over hun ervaringen met de adviesfunctie.
Wat kunt u doen om ervoor te zorgen dat toch sneller meldingen worden gemaakt van onveilige situaties bij gezinnen door zorgverleners, om erger te voorkomen en op tijd in te kunnen grijpen?
In Nederland is bewust gekozen voor een meldcode in plaats van een meldplicht. Uitgangspunt is dat niets doen bij signalen geen optie is maar dat professionals ruimte hebben om een zorgvuldige afweging te maken in het belang van het kind en gezin. Het uitgangspunt is en blijft dat professionals eerst zelf zorgen bespreekbaar maken. Verder geldt vanuit de meldcode dat bij signalen van acuut of structureel geweld, de norm is om een melding te doen bij Veilig Thuis.
Het is van belang dat deze afweging zorgvuldig en goed onderbouwd plaatsvindt. Daarom wordt verkend wat de toegevoegde waarde kan zijn van het verplicht stellen van het vragen van advies. Dit kan professionals ondersteunen en sterken in het handelen. Daarnaast blijft het belang dat er binnen de organisaties duidelijke afwegingskaders aanwezig zijn, dat medewerkers structureel worden geschoold in het herkennen van signalen en in het toepassen van de meldcode.
Welke rol spelen personeelstekorten en werkdruk in de kraamzorg bij het missen of niet melden van signalen van onveiligheid? En welke maatregelen kunt u nemen om dit te verbeteren?
De personeelstekorten en werkdruk kunnen invloed hebben op de werkomstandigheden van kraamverzorgenden en het proces van (vroeg)signalering en afstemming mogelijk bemoeilijken. Het is daarom van belang dat binnen organisaties ruimte is voor intervisie, overleg en reflectie.
Helaas is de krapte op de arbeidsmarkt een zorgbreed probleem, dat ook de kraamzorg raakt. In de Kamerbrief over de kraamzorg9 heeft het kabinet de Kamer, in lijn met de motie van de leden Dobbe en Van Dijk10 geïnformeerd over de maatregelen. Kraamzorgaanbieders en zorgverzekeraars hebben de afgelopen tijd belangrijke stappen gezet om de duurzame toegankelijkheid van kraamzorg te verbeteren. Hieraan werken zij samen in convenanten, de toekomstvisie en de versnellingsagenda. In het verlengde daarvan is er een transformatieplan11 opgesteld, waarvoor € 9,8 miljoen aan transformatiemiddelen beschikbaar is gesteld.
De uitdagingen in de kraamzorg maken deel uit van een breder vraagstuk. Een belangrijke sleutel om de krapte het hoofd te bieden, is het realiseren van passende zorg. Daarom is in het coalitieakkoord afgesproken dat passende zorg de norm wordt. Verder zijn er in het Aanvullend Zorg- en Welzijnsakkoord (AZWA) afspraken gemaakt om het arbeidsmarkttekort te beperken en de toegankelijkheid van de zorg te waarborgen. De daarbij ingezette instrumenten bieden ook aanknopingspunten voor de kraamzorgsector. Omdat de huidige instroom van kraamverzorgenden onvoldoende is om de structurele uitstroom te compenseren, zal het kabinet de komende maanden verkennen of verbeteringen in de opleidingsstructuur kunnen bijdragen aan meer (jonge) instroom.
Verder zal, mede op basis van het onderzoek van het Zorginstituut Nederland en het RIVM naar verschillen in kraamzorggebruik, vervolgonderzoek gedaan worden naar de zorgbehoefte van kraamgezinnen en mogelijke drempels in toegankelijkheid. Dit inzicht is namelijk essentieel om te kunnen sturen op passende kraamzorg.
Welke stappen gaat u zetten om te voorkomen dat signalen van huiselijk geweld, middelengebruik of verwaarlozing in de eerste levensfase van kinderen onopgemerkt blijven?
Om te voorkomen dat signalen van huiselijk geweld en kindermishandeling in de eerste levensfase onopgemerkt blijven, wordt onder andere ingezet op verdere versterking van de adviesfunctie bij Veilig Thuis. Zo is een digitaal platform gerealiseerd, wordt de chatfunctie uitgebreid naar een 24/7 bereikbaarheid voor advies en ondersteuning en zet Veilig Thuis in de regio ook in op bekendheid van wat Veilig Thuis aan advies en ondersteuning kan bieden. Daarnaast blijft het van belang dat de meldcode door organisaties in de praktijk goed wordt geïmplementeerd en toegepast, zodat signalen tijdig worden herkend en opgepakt. Dat zal worden meegenomen in de gesprekken met de sector. Zie ook antwoord op vraag 3 en 4.
Verder wordt ingezet op het landelijke programma Kansrijke Start, dat zich richt op de eerste 1.000 dagen van een kind. Binnen dit programma speelt vroegsignalering van risicofactoren voor huiselijk geweld en kindermishandeling een belangrijke rol. Evenals het versterken van de samenwerking tussen het medische en sociale domein en het tijdig ondersteunen van kwetsbare gezinnen12. Er wordt op dit moment in opdracht van VWS een multidisciplinaire scholing Eerste 1000 Dagen ontwikkeld. De scholing beoogt bij te dragen aan het verspreiden en verdiepen van vakkennis over de eerste 1.000 dagen en (toekomstige) ouders in kwetsbare omstandigheden voor alle professionals die werkzaam zijn met kinderen en gezinnen in de eerste 1.000 dagen. In deze scholing wordt aandacht besteed aan het belang van vroegsignalering en het versterken van de samenwerking tussen professionals uit het sociaal, medisch en informeel domein. De scholing is o.a. bedoeld voor verloskundigen en kraamzorgprofessionals. Daarnaast worden dit jaar factsheets Kansrijke Start ontwikkeld voor verschillende beroepsgroepen die werkzaam zijn met kinderen en gezinnen in de eerste 1.000 dagen, waaronder de kraamzorg en verloskundigen, waarin ook het belang van vroegsignalering en tijdig handelen naar voren komt.
Het bericht 'Extra geld voor de holocausteducatie via de CJP Cultuurkaart' |
|
Etkin Armut (CDA), Tijs van den Brink (CDA), Eveline Tijmstra (CDA) |
|
Judith Tielen (VVD) |
|
|
|
|
Hoeveel middelbare scholen maken er gebruik van de educatieprogramma’s die de verschillende herinneringscentra aanbieden?1
Er is momenteel geen landelijk overzicht van de mate waarin scholen gebruik maken van gastlessen of educatieprogramma’s van bijvoorbeeld herinneringscentra en oorlogsmusea. Reden hiervoor is dat deze activiteiten buiten het onderwijscurriculum vallen en scholen dus uit eigen beweging deze activiteiten kunnen organiseren. De herinneringscentra en oorlogsmusea beschikken zelf wel over gegevens van hun eigen bezoekers. Het Landelijk Steunpunt Gastsprekers WOII-Heden – een door VWS gesubsidieerde aanbieder van gastlessen houdt ook jaarlijks het aantal schoolbezoeken bij. In overleg met WO2NET en het Veldberaad, het samenwerkingsverband van de belangrijkste professionele partijen in de WOII-sector, wordt de jaarlijkse monitor van WO2NET zo ingericht dat in 2026 landelijke bezoekcijfers beschikbaar komen.
Vanuit het Nationaal Plan Versterking Holocausteducatie is vanaf 1 januari 2026 structureel € 750.000,– per jaar beschikbaar gesteld voor scholen in het voortgezet onderwijs. Via de CJP Cultuurkaart wordt scholen zo de mogelijkheid geboden om extra budget in te zetten voor extracurriculaire activiteiten met betrekking tot Holocausteducatie zoals bezoek aan een «authentieke» locatie. De ambitie van de ministeries van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap (OCW) en Volksgezondheid Welzijn en Sport (VWS) daarbij is dat alle scholen een bezoek brengen aan een dergelijke locatie om te leren over de Holocaust. Het CJP monitort het gebruik van de subsidie.
Door zowel de monitor van het CJP als die van WO2NET komt vanaf eind 2026 een landelijk beeld van de bezoeken van scholen aan herinneringscentra en oorlogsmusea om te leren over de Holocaust.
Kunt u aangeven hoeveel middelbare scholen op een andere manier aandacht besteden aan de holocaust, bijvoorbeeld via een gastles?
Zie antwoord vraag 1.
Is er een verschil tussen het aantal educatieprogramma’s dat door middelbare scholen is afgenomen in 2025 en 2024? Is dit aantal gedaald of gestegen? Hoe kan deze ontwikkeling verklaard worden?
Zie antwoord vraag 1.
Kunt u aangeven hoe u het Herinneringscentrum Apeldoornsche Bosch de komende jaren wilt ondersteunen?
Het Ministerie van VWS heeft vanaf 2026 structureel € 250.000 gereserveerd om het Herinneringscentrum Apeldoornsche Bosch te subsidiëren. Hiermee wordt deze instelling in staat gesteld het verhaal van het Apeldoornsche Bosch, de deportatie van en moord op Joodse psychiatrisch patiënten en hun verzorgers, aan zoveel mogelijk Nederlanders over te brengen.
Kunt u naar aanleiding van uw brief d.d. 13 mei 2025 aangeven wat de stand van zaken is naar aanleiding van de vernieuwing van Kamp Westerbork?
Het vorige kabinet heeft € 15 miljoen ter beschikking gesteld voor de vernieuwing van Kamp Westerbork met de verwachting dat ook andere financiers over de brug zullen komen. Kamp Westerbork is daarom gevraagd om gesprekken met andere mogelijke financiers aan te gaan. Kamp Westerbork heeft aangegeven dat tot op heden een totaalbedrag van ongeveer € 22 miljoen is toegezegd, onder andere door de provincie Drenthe en particuliere fondsen. Dit is inclusief de bijdrage van het Rijk. Kamp Westerbork blijft in gesprek met andere potentiële financiers.
Met deze bijdrage is een belangrijke stap gezet bij de realisatie van de vernieuwing van Kamp Westerbork. Het is nu eerst aan Kamp Westerbork om met de vernieuwing van de eerste fase van start te gaan. Het blijkt dat in 2027 wordt gestart met de daadwerkelijke realisatie en dat de voorbereidingen hiervoor in volle gang zijn. Ik blijf in gesprek met Kamp Westerbork over de vorderingen, ook naar aanleiding van de aangenomen motie van het lid van Dijk c.s., dat het ministerie oproept om bij voorjaarsnota een voorstel te doen voor aanvullende financiering voor na 2027.
Hoever staat het met de financiering van deze vernieuwing, naast de middelen die VWS in de voorjaarsnota 2025 beschikbaar heeft gesteld?
Zie antwoord vraag 5.
Bent u bij andere departementen en mogelijke financiers nagegaan hoe in gezamenlijkheid de vernieuwing van Kamp Westerbork gerealiseerd kan worden? Zo ja, wat is de huidige stand van zaken?
Zie antwoord vraag 5.
Betrekt u bij de vernieuwing van Kamp Westerbork ook de provincie en gemeenten? Zo ja, kunt u aangeven hoe dat concreet vorm krijgt?
Zie antwoord vraag 5.
Welke rol ziet u, naar aanleiding van de intensiveringen zoals beschreven in de brief van 13 mei 2025, voor provincies?
Om iedereen op een leerzame en laagdrempelige manier kennis te laten nemen van dit verhaal hebben zowel het rijk, provincies als gemeenten een eigen verantwoordelijkheid en een eigen rol. Juist dichtbij, in de buurt, op plekken waar gebeurtenissen hebben plaatsgevonden, wordt het verhaal van WOII en de Holocaust tastbaar en invoelbaar. Dit vraagt een sterke infrastructuur op landelijk, regionaal én lokaal niveau. Daarom ga ik in de komende tijd in gesprek met (een vertegenwoordiging van) provincies en gemeenten om met hen na te gaan hoe we kunnen samenwerken en elkaar kunnen versterken. Want er gebeurt al veel in provincies en gemeenten waar het gaat om bijvoorbeeld herdenkingen, educatie, erfgoed en archieven. In de beleidsbrief die het kabinet in het derde kwartaal van dit jaar naar Uw Kamer stuur, wordt verder ingaan op de stand van zaken.
Welke rol ziet u voor de gemeenten en welke ondersteuning kunt u gemeenten bieden bij het ontwikkelen van het herdenken en herinneren van het verhaal van de Tweede Wereldoorlog en de Holocaust?
Zie antwoord vraag 9.
Het artikel 'Ouders die schreeuwen of duwen: leraren geconfronteerd met onaanvaardbaar gedrag' |
|
Etkin Armut (CDA) |
|
Becking |
|
|
|
|
Bent u bekend met het recente bericht van RTL Nieuws over grensoverschrijdend gedrag van ouders richting leraren?1
Ja.
Wat is uw reactie op de bevinding dat zeker 300 basisscholen de afgelopen vijf jaar te maken hebben gehad met grensoverschrijdend gedrag van ouders richting leraren?
Het is onacceptabel dat sommige ouders grensoverschrijdend gedrag vertonen richting onderwijspersoneel. Scholen hebben een zorgplicht voor de veiligheid en de school hoort een veilige plek te zijn voor medewerkers. Scholen hebben daarnaast een taak om te investeren in een goede relatie tussen school en ouders.
Bovenal roep ik ouders op om respectvol met onderwijspersoneel om te gaan. Het is volkomen begrijpelijk dat je als ouder soms zorgen hebt, en die moet je te allen tijde kunnen bespreken met de school. Maar dat is nooit een reden voor grensoverschrijdend gedrag. Bij ernstige incidenten kan de school ouders de toegang tot de school ontzeggen en overgaan tot aangifte.
Is er structureel onderzoek gedaan naar de toename van grensoverschrijdend gedrag van ouders richting docenten? Of wordt hier momenteel onderzoek naar gedaan?
Het Ministerie van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap gebruikt de Landelijke Veiligheidsmonitor2 om de veiligheidsbeleving van leerlingen en personeel in het funderend onderwijs te meten en zicht te hebben op de (sociale) veiligheid op scholen. Momenteel wordt gewerkt aan de herziening en wettelijke verankering van de Landelijke Veiligheidsmonitor. Het wetsvoorstel wordt in het eerste kwartaal van dit jaar aan uw Kamer aan geboden. De eerstvolgende editie van de Landelijke Veiligheidsmonitor wordt naar verwachting in het schooljaar 2027–2028 uitgevoerd.
Uit de laatste editie van de Landelijke Veiligheidsmonitor blijkt dat er in de periode 2021–2022 een lichte toename in het aantal geweldsincidenten onder leerlingen en personeel was, waarbij verbaal geweld het vaakst voorkwam. Hierbij geeft 17% van personeel primair onderwijs (po) en 28% personeel voortgezet onderwijs (vo) aan eenmaal per maand soms of vaker geconfronteerd te worden met een incident. Dit percentage was bij zowel po- als vo-personeel zes procentpunt gestegen ten opzichte van 2020–2021.3
Bovendien is bekend dat bij zowel po- als vo-personeel, als zij slachtoffer worden van grensoverschrijdend gedrag, de dader van het incident in iets minder dan twintig procent van de gevallen een familielid van een leerling was. Er was een significante stijging van het aantal vo-docenten dat gepest werd door familieleden van leerlingen zichtbaar: van 10 procent in 2021 naar 23 procent in 2022. In het po waren geen significante verschillen hierin te zien.4
Herkent u het beeld dat het gedrag van ouders zorgt voor minder werkplezier en een toename van de werkdruk voor docenten?
In 2023 is onderzoek gedaan naar de vertrekredenen van leraren in het po, vo en mbo. Ongewenst gedrag van ouders werd niet genoemd als reden om te stoppen met het werken in het onderwijs.5
Is u bekend of dit gedrag een van de redenen is dat docenten stoppen met werken in het onderwijs? Zo ja, hoe groot is deze groep docenten die vanwege grensoverschrijdend gedrag van ouders stopt?
Zie antwoord vraag 4.
Is de toename van grensoverschrijdend gedrag van ouders meer zichtbaar in het primair onderwijs of in het voortgezet onderwijs?
Zie het antwoord op vraag 3.
Is bekend of docenten zich voldoende gesteund voelen door schoolbesturen en schoolleiders in situaties van grensoverschrijdend gedrag door ouders? Welke ruimte ziet u om docenten te ondersteunen bij het omgaan met agressief of grensoverschrijdend gedrag van ouders?
Schoolbesturen en schoolleiders moeten achter hun medewerkers gaan staan als er grensoverschrijdend gedrag plaatsvindt. Daarnaast roept het kabinet scholen altijd op om aangifte te doen als er een vermoeden is van een strafbaar feit. Hierbij ondersteunt het ministerie de PO-Raad en de VO-raad met een projectsubsidie om te investeren in de relatie tussen ouders en school. Daarnaast is Stichting School & Veiligheid er om scholen te ondersteunen bij het bevorderen van een sociaal veilig schoolklimaat.
Met het Wetsvoorstel vrij en veilig onderwijs worden de eisen aan het veiligheidsbeleid van scholen versterkt. Daarmee wordt onder meer geregeld dat er interne en externe vertrouwenspersonen op scholen komen, veiligheidsincidenten worden geregistreerd en dat er een jaarlijkse evaluatieverplichting van het veiligheidsbeleid moet plaatsvinden. Ook moeten scholen een veiligheidscoördinator aanstellen die het veiligheidsbeleid coördineert. Hiermee wordt gezorgd voor beter zicht op de veiligheid, betere ondersteuning en begeleiding en goede evaluatie.
De beoogde inwerkingtreding van dit wetsvoorstel is opgeschoven naar 1 augustus 2027. De eerder beoogde inwerkingtredingsdatum van 1 augustus 2026 is niet langer haalbaar. Het moment van plenaire behandeling, in combinatie met de tijd die scholen nodig hebben om de wet zorgvuldig te implementeren en de onderlinge samenhang tussen de verschillende maatregelen, maakt dat een implementatie op z’n vroegst per 1 augustus 2027 mogelijk is. Het schooljaar 2026–2027 benutten we daarom om scholen goed voor te bereiden op de komst van de wet. Ik roep scholen dan ook op om niet te wachten met het aan de slag gaan met de maatregelen uit het wetsvoorstel.
Is bekend hoeveel scholen een protocol hebben opgesteld gericht op het omgaan met grensoverschrijdend gedrag van ouders? Hoe beoordeelt u het feit dat scholen protocollen voor de omgang met dit gedrag hebben?
Het opstellen van zulke protocollen zou eigenlijk niet nodig hoeven zijn, maar het kan desondanks goed zijn om met elkaar regels af te spreken om zo te weten wat je van elkaar verwacht. Dit helpt de relatie tussen ouders en leraren. In 2022 gaf ongeveer 90% van de schoolleiders aan dat de school een veiligheidsplan had. Personeelsleden die aangaven dat er expliciete gedragsregels voor personeel zijn, gaven onder andere aan dat omgang met ouders/verzorgers van leerlingen (po: 65%, vo: 64%) een onderwerp is waarover gedragsregels zijn opgesteld.6
De gezondheid van scholieren in Groningen na één van de zwaarste aardbevingen in Groningen |
|
Julian Bushoff (PvdA), Etkin Armut (CDA), Sandra Beckerman (SP) |
|
van Marum |
|
|
|
|
Kunt u uw reactie geven op het door Gronings Perspectief gepresenteerde rapport over de diepe sporen die de ellende die samenhangt met de aardbevingen nalaat bij scholieren?1
Het is belangrijk dat we blijven luisteren naar jongeren in Groningen. Hun verhalen helpen ons beter begrijpen wat herstel echt betekent. Daarom vind ik projecten zoals «Lang verhaal kort» van het IMG belangrijk. Daarom praat ik ook met jongeren en stimuleer ik hun betrokkenheid. En daarom is het goed dat onderzoekers van het Gronings Perspectief naar de effecten bij jongeren hebben gekeken. Dit onderzoek bevestigt wat ik vaker hoor van jongeren uit de regio: de stress die ouders ervaren raakt ook hen. Dit onderstreept het belang van een voortvarende uitvoering van Nij Begun, en in het bijzonder de Sociale Agenda, waarbij we voor de komende 30 jaar investeren in het mentaal welzijn van jongeren. Denk hierbij aan maatregelen op scholen, laagdrempelige inloop bij de huisarts en het vergroten van de mentale weerbaarheid van jongeren.
Het zijn volgens de wetenschappers niet de bevingen zelf, maar de scheuren en het trage herstel daarvan waardoor scholieren meer gezondheidsproblemen krijgen die zorgen voor stress, schoolverzuim en depressieve klachten. Welke stappen gaat u zetten om het herstel te versnellen en daarmee gezondheidsproblemen te voorkomen?
Ik begrijp dat jongeren stress ervaren als de versterking lang voortsleept. Om die reden heeft NCG de afgelopen jaren intensief ingezet op het scholenprogramma en momenteel worden de laatste twee scholen versterkt. Daarmee hoop ik dat jongeren in ieder geval minder stress ervaren op school. Voor de totale versterkingsoperatie begrijp ik goed dat bewoners – en jongeren in het bijzonder – evenals uw Kamer verlangen naar meer voortgang, zeker na een aardbeving als die van 14 november jl.
Tegelijkertijd vraagt de versterking om koersvastheid en stabiliteit; de parlementaire enquête heeft laten zien dat ingrijpende wijzigingen in de aanpak juist tot nieuwe vertraging kunnen leiden. Daarom blijf ik gericht werken aan het opschalen van het tempo, binnen realistische en haalbare kaders en zonder de kwaliteit voor bewoners uit het oog te verliezen. Met de jaarlijkse actualisaties van de diepteanalyse informeer ik uw Kamer transparant over de maatregelen die ik met alle betrokken partijen daartoe tref en het verwachte verloop van de versterkingsoperatie.
Ook de aanwezigheid van schade in een woning kan een groot effect hebben op jongeren. Het IMG stuurt actief op de voortgang van langlopende schademeldingen. Deze gerichte aanpak heeft al tot de afronding van veel oude zaken geleid. Voor de complexere dossiers, die door uiteenlopende redenen niet binnen de reguliere termijnen kunnen worden afgehandeld, heeft het IMG het Team op Maat ingericht. Dit team is specifiek bedoeld om complexe schadeafhandelingen die vertraging hebben opgelopen sneller af te ronden.
Herkent u zich in de woorden van de voorzitter van Jong Noord, Cody Rozema, die zegt: «We hebben in Groningen een hele generatie jongeren die denkt: de overheid staat niet naast mijn ouders, mijn broertjes en zusjes en mijzelf, maar tegenover ons.»? Welke extra stappen wilt u zetten om het vertrouwen van deze generatie te herstellen?2
Ja, ik herken de woorden van de voorzitter van Jong Noord dat het vertrouwen van meerdere generaties zwaar beschadigd is. Ik heb hem hier een aantal keer over gesproken. Ook spreek ik met jongeren buiten de georganiseerde jongerenorganisaties, om een beeld te krijgen van de ervaringen van jongeren die niet uit zichzelf naar voren stappen. Het herstellen van dat vertrouwen is niet van de ene op de andere dag geregeld, maar vergt naast schadeherstel en versterking ook een generatielange inzet op de sociale en economische omstandigheden.
Woensdag 12 november j.l. was ik bij de presentatie van het jongerenproject lang verhaal kort, georganiseerd door het IMG. Jongeren presenteerden daar hun video's met daarin hun persoonlijke verhaal. De stress die ouders ervaren raakte in sommige gevallen het hele gezin. Om het vertrouwen van deze jongeren te herstellen hebben rijk en regio gezamenlijk de sociale en economische agenda opgesteld. Jaarlijks is voor beide agenda's, dertig jaar lang, 100 miljoen beschikbaar met als doel het vertrouwen in de overheid te herstellen en brede welvaart in de regio te bevorderen.
Welke stappen zijn gezet en gaat u zetten om het aanbod van psychosociale hulp, waarvan uit eerder onderzoek bleek dat dat beperkt vindbaar en vaak ontoereikend is, te verbeteren?3
In de Sociale Agenda zijn verschillende maatregelen gekozen die écht het verschil maken om het mentaal welzijn van jongeren te verbeteren. Denk daarbij aan brugfunctionarissen op scholen, laagdrempelige inloop bij de huisarts en het voorkomen van vroegtijdig schoolverlaten. Gemeenten hebben daarnaast 55,8 miljoen ontvangen voor het verbeteren van psychosociale hulp, bijvoorbeeld voor aardbevingscoaches. Aardbevingscoaches ondersteunen ook jongeren. Zij bieden inwoners een luisterend oor en praktische ondersteuning. Zij kijken met kinderen wat zij nodig hebben of organiseren activiteiten voor kinderen in de buurt. Over de uitvoering van de Sociale Agenda wordt voor eind januari 2026 een Kamerbrief gestuurd.
Is er volgens u momenteel voldoende erkenning vanuit de overheid voor het leed dat kinderen en jongeren ervaren? Welke mogelijkheden tot verbetering ziet u?
We erkennen het leed dat jongeren en kinderen ervaren en zetten de eerste stappen om dit te herstellen en het vertrouwen te vergroten. De Sociale en Economische Agenda gaan over hen en zijn tot stand gekomen met de input van jongeren. De uitvoering is al deels gestart en zal volgend jaar verder gaan. Deze maatregelen zijn nog niet direct voelbaar voor jongeren, maar moeten op termijn bijdragen aan een regio waar het fijn wonen, werken, opgroeien, oud worden en waar het fijn leven is.
Ook heeft het IMG in 2023 de vergoedingen voor immateriële schade binnen huishoudens gelijkgetrokken. Dit betekent dat kinderen en jongeren in het aardbevingsgebied voortaan evenveel compensatie voor immateriële schade krijgen als hun ouders/verzorgers. Deze verruiming is met terugwerkende kracht ingegaan. Met deze gelijktrekking wordt onderkend dat het leed van jongeren niet onderdoet voor dat van volwassenen.
De mogelijkheden voor verbetering die ik zie gaan met name over de betrokkenheid van jongeren. Daarvoor zetten we nu de eerste stappen, zie voor een uitgebreide toelichting vraag 6. Jaarlijks zullen naar aanleiding van de publicatie van de Staat van Groningen en Noord-Drenthe ook gesprekken plaatsvinden met jongeren uit de regio.
Welke stappen wilt u zetten om te zorgen dat jongeren meer mee mogen praten en zeggenschap krijgen over het beleid rondom schadeherstel, versterking en herstel van Groningen?
De betrokkenheid van jongeren is van groot belang voor het verbeteren van beleid en uitvoering voor het herstel van Groningen. Jongeren moeten een actieve rol kunnen spelen en hun zorgen en ideeën moeten worden gehoord, zodat zij invloed kunnen hebben op de toekomst van Groningen en Noord-Drenthe.
Het organiseren van deze betrokkenheid bij het herstel van Groningen gaat verder dan het opzetten van een traditionele jongerenraad, omdat ook jongeren die niet uit zichzelf naar voren stappen bereikt dienen te worden. Door jongeren op een creatieve en laagdrempelige manier te betrekken wordt een bredere doelgroep bereikt.
De Rijksuniversiteit Groningen (RUG) voert in samenwerking met bureau Jimmy's het participatieve actieonderzoek Opgeschud uit met subsidie van het Ministerie van BZK. Het onderzoek heeft als doel organisaties te stimuleren en te ondersteunen bij het opbouwen van een duurzame samenwerking met jongeren, zodat het kindperspectief een vast onderdeel wordt van hun werkzaamheden en een vanzelfsprekende afweging in beleid en besluitvorming. Op deze manier wordt gestreefd naar duurzame participatie en wordt schijnparticipatie voorkomen. Dit draagt bij om het vertrouwen van jongeren in instanties, de overheid en de politiek te vergroten. Een kernteam jongeren werkt in een netwerk aan inspraak van jongeren op verschillende beleidsterreinen. Jongeren hebben een bepalende rol met betrekking tot de onderzoeksonderwerpen en werken mee in het uitvoeren van het onderzoek.
De verschillende onderwerpen zijn ondergebracht in zogenaamde proeftuinen. Eén van de proeftuinen wordt uitgevoerd in samenwerking met NCG, waar jongeren worden betrokken bij het beleid rondom wisselwoningen. In het onderzoek door jongeren wordt voor een periode van 3 jaar gekeken hoe kinderen en jongeren de parken met tijdelijke huisvesting ervaren. De (tussen)resultaten bieden NCG handvatten om de parken te verbeteren.
Het IMG deelt mijn inzet om jongeren actief te betrekken bij het schadeherstel. In 2024 organiseerde het IMG het symposium «Herstel en versterk de Groninger jeugd, nu!», waarin ook het belang van jongeren binnen de Sociale Agenda werd onderstreept. Daarnaast werkt het IMG samen met jongeren aan videoportretten over hoe zij het ervaren om te leven in een aardbevingsgebied.
De wetenschappers wijzen erop dat opgroeien met schade-ervaringen en onzekerheid ook op langere termijn invloed kan hebben op de gezondheid. Welke maatregelen neemt u om dat te volgen en deze mensen te steunen?
De RUG voert naast het bovengenoemde actie-onderzoek een langlopend onderzoek in opdracht van het Ministerie van BZK. Het onderzoek Gegrond volgt hoe het psychosociaal welzijn van jongeren zich ontwikkelt wanneer zij zijn blootgesteld aan de gevolgen van gaswinning. Dit onderzoek geeft mogelijk meer inzicht in hoe jongeren gesteund kunnen worden. Daarnaast worden al concrete maatregelen genomen met de sociale agenda, zoals beschreven in vraag 4.
Kunt u deze vragen los van elkaar beantwoorden vóór het volgende commissiedebat Herstel Groningen?
Ja.