Kwetsbare jongeren die in Hoenderloo geconfronteerd worden met drugshandel en geweld |
|
Lisa Westerveld (GL) |
|
Mirjam Sterk (CDA) |
|
|
|
|
Bent u bekend met het bericht «Inspectie: criminelen actief op jeugdzorgterrein in Hoenderloo»?1
Ja
Herkent u het beeld dat geschetst wordt door de Inspectie Gezondheidszorg en Jeugd (IGJ), die stelt dat zij een terrein ziet «met potentieel grote risico’s voor jongeren»? Hoeveel zorgaanbieders zijn er inmiddels gevestigd op het terrein?
De IGJ beschrijft hoe een optelsom van factoren maakt dat ze een terrein met potentiële grote risico’s voor jongeren zien. Dit herken ik en dit baart mij zorgen.
De gemeente Apeldoorn geeft aan dat er op dit moment 16 unieke zorgaanbieders gevestigd zijn op het terrein. Dit verschilt van de 20 zorgaanbieders die de IGJ voor het recente toezicht heeft kunnen herleiden. Het verschil laat zich verklaren door twee factoren: een aantal aanbieders heeft het terrein in de afgelopen periode verlaten en de gehanteerde telwijze verschilt, waarbij soms wordt uitgegaan van unieke aanbieders met meerdere vestigingen en soms van de afzonderlijke vestigingen of locaties zelf.
Hoe verklaart u het dat medio 2024 soortgelijke bevindingen werden gedaan door Follow the Money en Pointer, waarover destijds al Kamervragen zijn gesteld en dat twee jaar later de situatie nog steeds zorgelijk is?
De bevindingen van de IGJ zijn zorgelijk. Tegelijkertijd is het niet zo dat er sinds 2024 niets is gebeurd. De IGJ is al langere tijd actief bij een aantal aanbieders op het Hoenderloo-terrein. Er zijn sinds 2024 meermaals meldingen opgepakt, deze worden echter niet gepubliceerd.
In antwoord op 11 juni 20242 gestelde schriftelijke vragen wordt bericht dat er een platform zou worden opgericht voor zorgaanbieders, vertegenwoordigers van bewoners, de wijkagent, De Vos Groep, de regionale welzijnsorganisatie en een inhoudelijke jeugdzorg-expert van de gemeente Apeldoorn; en dit platform erop gericht is om de lijnen tussen de verschillende partijen in het gebied kort te houden om zodoende sneller in te kunnen grijpen bij eventuele incidenten. Bestaat dit platform nog steeds? Zo ja, hoe vaak komen genoemde partijen bij elkaar, aan wie leggen zij verantwoording af en wat heeft het precies opgeleverd?
De gemeente Apeldoorn geeft aan dat het platform nog steeds actief is en eens per 6 weken samenkomt. Een afvaardiging van de zorgaanbieders op het terrein, dorpsbelangenverenigingen, De Vos Groep, gemeente Apeldoorn en de wijkagent sluiten aan bij dit overleg. Binnen het platform worden signalen, bijzonderheden en actuele ontwikkelingen in Hoenderloo gedeeld en waar nodig afgestemd. Samenwerking wordt hier gestimuleerd en er worden afspraken over communicatie gemaakt. De korte lijnen hebben bijgedragen aan begrip en een adequate afhandeling bij meldingen. Het platform heeft daarmee vooral een signalerende en verbindende functie, gericht op het delen van informatie, afstemmen tussen partijen en tijdig agenderen van relevante ontwikkelingen.
Aanvullend vindt iedere vier weken overleg plaats met de gebiedswethouder en gebiedsdirecteur. In dit overleg worden de belangrijkste signalen en actualiteiten uit het dorp besproken en, indien nodig, vertaald naar bestuurlijke aandacht of vervolgacties. Concreet gaat het onder meer om een bemiddelende rol van een gebiedsbestuurder, communicatie naar inwoners en (nieuwe) samenwerkingsafspraken.
Weten inmiddels gemeenten allemaal waar hun jongeren verblijven? Wat is er gebeurd sinds juni 2024 om dit in kaart te brengen? Wat hebben de afspraken om het aantal plaatsingen buiten de regio waarin een jongere is opgegroeid terug te brengen en concreet opgeleverd?
Gemeenten zijn verantwoordelijk voor het treffen van een voorziening op het gebied van jeugdhulp als dat nodig is. De gemeente is niet altijd inhoudelijk betrokken bij een casus. Vanuit hun toezichthoudende rol is het nodig dat gemeenten weten van welke aanbieder de jongere de zorg ontvangt. Dit is informatie waarover zij beschikken vanuit de inkooprelatie met een betreffende aanbieder. Het is echter niet altijd bekend op welke locatie de cliënt verblijft, dat is voor dit type toezicht ook niet noodzakelijk. De jeugdhulpaanbieder is zelf verantwoordelijk voor het verlenen van verantwoorde hulp. En de IGJ houdt toezicht op de kwaliteit en veiligheid van de zorg.
In de zoektocht naar passende hulp wordt, bij gebrek aan passende zorg, soms gekozen voor plaatsingen op een zorglocatie ver buiten de regio die oorspronkelijk niet door de gemeente is gecontracteerd. Dergelijke plaatsingen zijn kwetsbaarder. Zo worden er bijvoorbeeld meestal minder eisen gesteld aan plaatsingen via maatwerkcontracten. Het is daarom belangrijk dat er beter zicht komt op deze plaatsingen. Samen met de VNG en de Branches Gespecialiseerde Zorg voor Jeugd (BGZJ) zet ik daarom stappen om één-op-één plaatsingen en buitencontractuele plaatsingen buiten de regio die niet in het belang zijn van de jeugdige, in beeld te krijgen en zo veel als mogelijk tegen te gaan. Gemeenten worden daarvoor op zeer korte termijn verzocht om deze zomer deze jongeren per jeugdregio in beeld te brengen, als zijnde een nulmeting. Daarna gaan jeugdregio’s stapsgewijs toe werken naar meer zicht op de jongere en diens zorgbehoefte met als doel dat zij zoveel mogelijk in eigen regio hulp ontvangen. Ook wordt gekeken of er een verklarende analyse is, of de huidige zorg passend is én hoe toegewerkt wordt naar passende zorg voor deze jeugdige. Gemeenten kunnen hier per direct ondersteuning bij krijgen vanuit een landelijk programma vanuit het Ondersteuningsteam Zorg voor de Jeugd (OZJ). Ik volg de inspanningen van de gemeenten en verwacht uw Kamer in het najaar te kunnen informeren over de eerste bevindingen.
Vanuit de Hervormingsagenda wordt daarnaast onverminderd ingezet op het verbeteren van het (landelijk) inzicht in het stelsel en het verbeteren van datagedreven werken. Het CBS werkt nu aan een data-infrastructuur voor een centrale monitor van het jeugdstelsel (met o.a. een dashboard en statistieken) en is voornemens na de zomer een eerste versie te lanceren. Deze bevat waar mogelijk cijfers op landelijk, regionaal en gemeentelijk niveau. Daarnaast zet de VNG in op het stimuleren en verbeteren van datagedreven werken bij gemeenten, waarbij de centrale monitor ook gebruikt kan worden.
Wat is de stand van zaken van de uitvoering van de toezegging dat vanuit de Hervomingsagenda ingezet zou worden op betere (landelijke) monitoring en het versterken van datagedreven werken bij gemeenten? Hoe rijmt dat met het feit dat wederom geconstateerd werd dat gemeenten wederom onvoldoende zicht hebben op waar hun inwoners worden ondergebracht?
Zie antwoord vraag 5.
Deelt u de constatering uit het onderzoeksrapport dat de volgende factoren een rol spelen bij het ontbreken van passende hulp van voldoende kwaliteit voor jongeren in Hoenderloo: onvoldoende passende hulp in de eigen regio, het niet op orde zijn van bestuurlijke randvoorwaarden voor kwalitatief goede en veilige hulp, het onvoldoende planmatig en ontwikkelingsgericht werken door zorgverleners, het onrechtmatig inzetten van vrijheidsbeperkende maatregelen, het ontbreken van voldoende onderwijs en/of dagbesteding en het tekortschieten van de veiligheid van de leefomgeving? Zo ja, kunt u per factor aangeven welke concrete maatregelen u gaat nemen om op korte en lange termijn verbetering te realiseren? Zo nee, kunt u per factor aangeven waarom u deze mening niet deelt?
Ik herken de constateringen uit het onderzoeksrapport van de IGJ. Het organiseren en bieden van passende hulp is een gezamenlijke opgave van alle betrokken partijen (overheden/aanbieders/professionals).
Dat er voor jongeren met de meest zware problematiek nog te vaak onvoldoende passende jeugdhulp beschikbaar is, heeft verschillende oorzaken die uiteenlopen van onvoldoende goede (verklarende) analyse aan het begin van een traject tot aan het ontbreken van het benodigd aanbod. Zie daarvoor ook mijn recente brief over acties m.b.t. aanpak t.b.v. passende jeugdhulp voor jongeren met complexe problematiek.3 Het is niet eenvoudig om passende zorg te organiseren voor jongeren met complexe problematiek en onze inzet zal daarom niet in alle gevallen direct resultaat hebben.
Vrijheidsbeperking in de open residentiële jeugdhulp is volgens de Jeugdwet niet toegestaan. Er wordt volop ingezet op het voorkomen hiervan, onder meer middels het informeren van de sector met de handreiking «Omgaan met dilemma’s rond vrijheidsbeperking in de open jeugdhulp met verblijf». Deze is in opdracht van VWS opgesteld. Tegelijkertijd zullen er specifieke omstandigheden blijven bestaan waarin de inzet van vrijheidsbeperkende maatregelen nodig is om te zorgen dat een jongere passende hulp kan krijgen. Daarom werk ik, zoals mijn voorganger heeft aangekondigd, aan een wetswijziging om de toepassing van vrijheidsbeperking in specifieke omstandigheden in de open residentiële jeugdhulp mogelijk te maken.
Vanuit de transformatie van de gesloten jeugdhulp wordt gewerkt aan de realisatie van alternatieven voor gesloten jeugdhulp. Onderdeel daarvan is ook het voorkomen dat kinderen gesloten geplaatst worden. Om hier een impuls aan te geven gaan we de bestuurlijke afspraken over de transformatie gesloten jeugdhulp uit 2024 aanvullen en verder concretiseren. Tot slot treffen we vanuit de Hervormingsagenda verschillende maatregelen om de jeugdhulp te verbeteren. Zoals de Wet verbetering beschikbaarheid jeugdzorg, de verbetering van kwaliteit in de sector en de ombouw van residentiële jeugdhulpinstellingen naar kleinschaligheid.
Hoeveel incidenten hebben er plaats gevonden op het terrein in Hoenderloo sinds 1 januari 2025 waarbij er sprake was van bijvoorbeeld middelengebruik, bedreiging, geweld, nachtelijke activiteiten of vernielingen? Hoeveel incidenten hebben er sinds 1 januari 2025 plaatsgevonden op het terrein waarbij jongeren zich onveilig voelden?
Voor de beantwoording van deze vraag heb ik navraag gedaan bij de gemeente Apeldoorn en de politie. De categorieën die in de vraag beschreven zijn, worden niet als dusdanig geregistreerd. Daarom is voor de beantwoording van deze vraag aangesloten bij meldingen zoals deze worden geregistreerd bij de politie.
Sinds 1 januari 2025 heeft de politie in totaal 1.160 meldingen gehad op het Hoenderloo-terrein. Deze waren van de volgende aard:
Daarnaast zijn er in totaal 13 incidenten geweest waarbij er sprake is geweest van middelengebruik. Er zijn 5 incidenten geweest waarbij sprake was van bedreiging.
Er zijn 19 incidenten geweest waarbij er sprake was van vernieling. Er wordt niet geregistreerd of een bepaald incident een gevoel van onveiligheid bij jongeren tot gevolg heeft. Een gesprek met een politieagent kan bovendien door de ene jongere als beschermend, maar door de ander als onveilig worden ervaren.
Ik heb deze vraag eveneens voorgelegd aan de IGJ. De IGJ beschikt niet over een totaaloverzicht van het aantal incidenten dat sinds 1 januari 2025 heeft plaatsgevonden op het Hoenderloo-terrein. De IGJ heeft in het toezicht op het Hoenderloo-terrein bij de 20, destijds bij de IGJ bekende zorgaanbieders, het aantal incidenten in de jeugdhulp uitgevraagd. In de periode 2024 tot mei 2025 hebben deze zorgaanbieders 319 incidenten gerapporteerd. Ook zijn zorgaanbieders gevraagd voorbeelden van incidenten te geven. De genoemde voorbeelden heeft IGJ gecategoriseerd in «middelengebruik, bedreiging, geweld, nachtelijke activiteiten of vernielingen». De IGJ beschikt echter niet over cijfers over het aantal incidenten per hiervoor genoemde categorie of het aantal incidenten waarbij jongeren zich onveilig voelden.
Hoeveel incidenten hebben er sinds 1 januari 2025 plaatsgevonden binnen de jeugdzorg waarbij er sprake was van bijvoorbeeld middelengebruik, bedreiging, geweld, nachtelijke activiteiten of vernielingen? Hoeveel incidenten hebben er sinds 1 januari 2025 plaatsgevonden waarbij jongeren zich onveilig voelden?
Jeugdhulpaanbieders moeten een calamiteit of geweld bij de verlening van jeugdhulp verplicht melden bij de IGJ. Aanbieders hoeven dus niet alle incidenten bij de inspectie te melden. Het is wel belangrijk dat aanbieders deze zelf registreren en analyseren. Tijdens het toezicht kan de inspectie deze incidentenregistratie inzien en meenemen in het toezicht.
In het jaarbeeld van de IGJ staat dat er in 2025 in totaal 1.240 meldingen binnen de jeugdzorg zijn gedaan, waarvan 160 meldingen over calamiteiten, 410 meldingen over geweld en 670 «andere meldingen». De IGJ registreert deze meldingen niet volgens de categorieën middelengebruik, bedreiging, geweld, nachtelijke activiteiten of vernielingen.
Kunt u aangeven hoeveel onderzoeksrapporten van de Inspectie Gezondheidszorg en Jeugd (IGJ) er sinds 1 januari 2025 tot op heden zijn verschenen over misstanden bij de jeugdzorg en jeugdzorgaanbieders? Kunt u hierbij nader toelichten wat de aard is geweest van elk van deze rapporten en welke opvolging er heeft plaatsgevonden?
De IGJ publiceert rapporten over individuele aanbieders naar aanleiding van haar toezicht op een hiertoe bestemde website4. Daarbij kan gezocht worden op sector jeugdzorg, publicatiejaar en het soort toezichtdocument. In de rapporten is te lezen wat de aard van het toezicht was en welke opvolging de IGJ hieraan heeft gegeven. Daarnaast publiceert de IGJ overkoepelende rapporten op haar website. Sinds 1 januari 2025 zijn (thematische) rapporten verschenen over de uitvoering van jeugdbescherming, gesloten jeugdhulp, gezinshuizen, pleegzorg, eetstoornissenzorg en het Hoenderloo-terrein. Dergelijke rapporten worden vanuit de IGJ gepubliceerd op haar website. De aanbevelingen uit de rapporten richten zich op de jeugdhulpverleners en landelijke partijen die hier opvolging aan moeten geven.
Vind u dat het stelsel van toezicht en controle op misstanden effectief is en naar behoren werkt? Vind u dat de IGJ en gemeenten voldoende bestuurlijke instrumenten hebben om tijdig in te grijpen bij misstanden? Zo nee, kunt u toelichten wat u gaat doen om deze instanties meer bevoegdheden te geven?
Het toezicht op de uitvoering van de Jeugdwet is belegd bij verschillende partijen die hierin vanuit hun eigen expertise een verantwoordelijkheid hebben.
Het stelsel van toezicht en controle is in ontwikkeling en er zijn recentelijk maatregelen genomen om het toezicht verder aan te scherpen. Vanaf 1 januari 2026 moeten bijvoorbeeld (bepaalde) jeugdhulpaanbieders en gecertificeerde instellingen, op grond van de wet Verbetering beschikbaarheid jeugdzorg, een interne toezichthouder hebben. Daarnaast heeft de Nederlandse Zorgautoriteit (NZa) een wettelijke toezichtstaak gekregen op het terrein van de Jeugdwet voor het toezicht op de openbare jaarverantwoording en transparantie financiële bedrijfsvoering van jeugdhulpaanbieders en gecertificeerde instellingen (inwerkingtredingsdatum 1 januari 2027).
Toezicht kan incidenten helaas nooit helemaal voorkomen. Toezichthouders kunnen ook niet overal tegelijk zijn. Daarom maken toezichthouders op grond van risicoanalyse keuzes over waar de risico’s het grootst zijn en toezicht het meest effectief is. Hierbij is het belangrijk dat toezichthouders waar mogelijk informatie met elkaar uitwisselen en goed en multidisciplinair met elkaar samenwerken, zodat zij elkaar ook kunnen aanvullen en versterken.
Inspecties en de NZa hebben diverse bestuurlijke, maar ook informele instrumenten om te zorgen dat jeugdzorgaanbieders zich aan de wet- en regelgeving houden. Ook gemeenten hebben bestuursrechtelijk instrumenten tot hun beschikking en kunnen vanuit hun rol als inkoper maatregelen nemen om te zorgen dat kwaliteitseisen worden nageleefd. Het is hierbij van belang dat bestaande bevoegdheden/instrumenten optimaal worden benut en dat multidisciplinaire samenwerking tussen partijen wordt bevorderd. Er zijn en worden nog stappen gezet om samenwerking tussen toezichthouders beter mogelijk te maken. Bijvoorbeeld door het ontwikkelen van regelgeving die toezichthoudende partijen beter in staat stelt gegevens met elkaar uit te wisselen. Voor meer informatie hierover verwijs ik u ook naar de Kamerbrief over zorgfraude die nog voor de zomer aan uw Kamer wordt toegestuurd. Daarin staat ook dat ik naast het versterken van het toezicht heb besloten een vergunningsplicht voor jeugdhulpaanbieders in te voeren. Door toelating, screening en toezicht beter met elkaar te verbinden, ontstaat een samenhangende aanpak waarbij risico’s en misstanden eerder worden gesignaleerd en aangepakt.
Ten slotte zijn er in het Aanvullend Zorg en Welzijnsakkoord afspraken gemaakt met betrokken partijen over de aanpak van zorgfraude. Deze maatregelen dragen in brede zin bij aan een effectief stelstel van toezicht en controle. Er wordt o.a. ingezet op het verder verstevigen en professionaliseren van het gemeentelijk toezicht. Ik ben voornemens om dit met een stimuleringsprogramma verder vorm te geven. Over de invulling hiervan ben ik met de VNG in overleg.
Het bericht 'Grote zorgen over afhandeling BOSA-aanvragen 2026' |
|
Inge van Dijk (CDA) |
|
Mirjam Sterk (CDA) |
|
|
|
|
Bent u bekend met het bericht «Grote zorgen over afhandeling BOSA-aanvragen 2026»?1
Ja.
Kunt u uitleggen waarom is gekozen voor een lotingssystematiek, terwijl veel verenigingen aantoonbaar tijdig hun aanvraag hebben ingediend? Waarom is deze objectieve volgorde van binnenkomst losgelaten?
Het besluit om de verdeelwijze van het budget op volgorde van binnenkomst van complete aanvragen los te laten is niet lichtzinnig genomen. Zoals aangegeven in de Verzamelbrief Sport en Bewegen april 20262 hebben aanvragers door de storing niet allemaal een eerlijke en gelijke kans gehad tot het indienen van hun subsidieaanvraag. Om iedereen een gelijke kans te geven heb ik besloten de verdeelwijze van het beschikbare budget van de BOSA aan te passen naar rangschikking van de complete aanvragen op basis van loting.
Hoe rechtvaardigt u dat verenigingen die zorgvuldig en tijdig hebben gehandeld, door een willekeurige loting alsnog worden uitgesloten? Deelt u de opvatting dat dit het vertrouwen in een voorspelbare en rechtvaardige overheid ondermijnt?
Door de storing was verdeling van het budget op volgorde van binnenkomst geen gelijke en eerlijke methodiek meer. Met loting heeft elke BOSA-aanvrager een gelijke kans om aanspraak te maken op subsidie. De loting zal voor sommigen positief uitvallen en voor anderen een mogelijke teleurstelling zijn. Ik betreur met u dat deze storing heeft plaatsgevonden en zal er alles aan doen om dit in de toekomst beter vorm te geven.
Bent u zich ervan bewust dat dit besluit leidt tot concrete en schrijnende situaties bij verenigingen die hierdoor hun plannen moeten stilleggen? Hoe weegt zij deze gevolgen in het licht van behoorlijk bestuur?
Ik ben me ervan van bewust dat dit vervelende situaties oplevert en dat betreur ik. Tegelijkertijd betekent het doen van een aanvraag nog niet dat er een recht op subsidie ontstaat. Daar komt bij dat ook bij verdeling op volgorde van binnenkomst zich schrijnende situaties hadden voorgedaan bij organisaties die vanwege de storing geen aanvraag hadden kunnen doen. Elke verdeelsystematiek sluit aanvragen in en uit.
Een wijziging van de regeling met terugwerkende kracht die nadelige gevolgen heeft voor een bepaalde groep ontvangers is niet wenselijk in het kader van het rechtszekerheidsbeginsel. Anderzijds moet ik op grond van het gelijkheidsbeginsel potentiële gegadigden gelijke kansen bieden bij de verdeling van subsidie. Op grond van de bestaande jurisprudentie weegt het gelijkheidsbeginsel zwaarder dan het rechtszekerheidsbeginsel.
Waarom is er niet gekozen voor een alternatieve verdelingssystematiek die beter aansluit bij rechtszekerheid en gelijke behandeling, zoals volgorde van binnenkomst of inhoudelijke prioritering?
Zoals ik in eerdere antwoorden heb toegelicht was een gelijke verdeelvolgorde op volgorde van binnenkomst door de storing niet meer mogelijk. Een volgorde op basis van inhoudelijke prioritering is niet wenselijk, aangezien je daarmee criteria zou toevoegen waarop aanvragers worden beoordeeld waar zij niet op hebben kunnen anticiperen. Daarom is de inschatting gemaakt dat rangschikking op basis van een loting het meest recht doet aan het bieden van een gelijke kans voor BOSA-aanvragers.
Hoe beoordeelt u de positie van verenigingen die aantoonbaar tijdig hebben ingediend en op basis daarvan gerechtvaardigde verwachtingen hadden over de behandeling van hun aanvraag?
Het wijzigen van de verdeelvolgorde is een vervelende uitkomst voor de verenigingen die het wel tijdig is gelukt om een aanvraag in te dienen en die een slechtere positie bij de loting hebben gekregen. Het doen van een tijdige aanvraag betekent echter nog niet dat er een recht op subsidie ontstaat. Er was immers ook nog een kans dat de aanvraag die tijdig was ingediend op andere gronden zou worden afgewezen, bijvoorbeeld als de activiteiten niet binnen de BOSA passen of als de aanvraag incompleet zou zijn.
Herkent u de signalen dat verenigingen tijdens technische problemen bij de aanvraagprocedure geen gehoor konden krijgen? Hoe verhoudt dit zich tot de zorgplicht van de overheid richting aanvragers?
Ik vind het vervelend voor aanvragers als zij niet altijd direct gehoor kregen met vragen over de storing. Door het grote aantal aanvragers dat gelijktijdig contact opnam konden zij niet altijd direct telefonisch geholpen worden en zijn zij soms verwezen naar het schriftelijke formulier. Ondanks de drukte en ontstane wachttijden bij de telefoonlijn van DUS-I is het klantcontactcentrum niet gesloten en operationeel gebleven. DUS-I heeft daarnaast met BOSA-alerts ingezet op het informeren van de doelgroep over de status van het portaal en de uiteindelijke sluiting van het aanvraagportaal vanwege de overvraging van het subsidieplafond.
Welke concrete stappen gaat u zetten om te voorkomen dat aanvragers in de toekomst opnieuw afhankelijk worden van een systeem dat als willekeurig wordt ervaren, en om de procedure aantoonbaar eerlijker en transparanter te maken?
Ik trek lering uit de gevolgen van deze storing en neem deze lessen mee in de vormgeving van de regeling voor komende jaren. Zowel de gebruiksvriendelijkheid van het portaal als de verdeelwijze van het beschikbare budget zal hierbij tegen het licht gehouden worden.
Herkent u de signalen dat het aanvragen van de BOSA in toenemende mate complex aan het worden is en veel sportverenigingen om die reden ervoor kiezen de aanvraagprocedure over te laten aan externe partijen? Hoe beoordeelt u in het licht van deze toenemende complexiteit het gelijke speelveld voor het aanvragen van de subsidie tussen de sportverenigingen?
Significant heeft eerder de doeltreffendheid en doelmatigheid van de BOSA onderzocht. Zo stelt Significant dat uit de interviews blijkt dat aanvragen goed te doen zijn voor de gemiddelde penningmeester en dat de administratieve lasten bij het doen van een subsidieaanvraag schappelijk zijn.3 De aanvraagprocedure is sinds dit onderzoek niet substantieel gewijzigd. Ik zie niet hoe de inzet van intermediairs het gelijke speelveld voor het aanvragen van de subsidie tussen de sportverenigingen onder druk zou zetten: de regels zijn voor iedereen hetzelfde.
Uitstroom van beleggers uit woningfondsen |
|
Inge van Dijk (CDA), Hanneke Steen (CDA) |
|
Boekholt-O’Sullivan , Eerenberg |
|
|
|
|
Bent u bekend met het bericht «Vesteda poogt massale uitstroom beleggers uit woningfonds te beperken»?1
Ja.
Hoe beoordeelt u de signalen dat (internationale) beleggers op grote schaal kapitaal terugtrekken uit Nederlandse woningfondsen?
De verwachting is dat er door de redemptieverzoeken bij Vesteda huurwoningen worden uitgepond en er waarschijnlijk minder nieuwbouw wordt gepleegd. Dit baart het kabinet zorgen omdat een gezonde voorraad aan (midden)huurwoningen bijdraagt aan een goed functionerende woningmarkt.
Kunt u in kaart brengen wat de omvang is van de (verwachte) uitstroom van kapitaal uit Nederlandse woningfondsen in de afgelopen jaren en op dit moment met daarbij een onderscheidt tussen nationaal en internationaal kapitaal?
Het is onbekend hoeveel kapitaal er exact is uitgestroomd bij woningfondsen en welke investeerders redempties hebben aangevraagd. De nationaliteit van deze investeerders betreft geen openbare informatie. Het kabinet is niet bekend met vergelijkbare situaties als bij Vesteda. Aangezien Vesteda de grootste woningbelegger van Nederland is en investeerders hier slechts eens in de zeven jaar een dergelijke redemptie kunnen aanvragen, valt deze casus het meest op.
Naast dat (buitenlandse) investeerders via een woningfonds investeren, kunnen ze dit ook direct doen. De omvang van de woningfondsen geeft dus een beperkt beeld van het geïnvesteerde volume. Zo is de voorraad huurwoningen in bezit van internationale beleggers – zonder tussenkomst van een woningfonds – in 2025 gedaald tot ruim 72.500, terwijl dit in 2024 ruim 80.000 huurwoningen betrof.2
De afname van buitenlandse investeerders in nieuwbouw huurwoningen is een recente ontwikkeling. In 2022 kwam 32% van alle investeringen in nieuwbouw door private investeerders – dus exclusief de investeringen van woningbouwcorporaties – nog uit het buitenland. Dit is in 2025 gedaald naar 1%.3 Het vertrek van buitenlandse investeerders uit de Nederlandse woningmarkt is een zorgelijke ontwikkeling, omdat Nederland voor een grote nieuwbouwopgave staat in de huursector, waar veel investeringen voor nodig zijn. Nederlandse investeerders, private partijen en woningcorporaties gezamenlijk, hebben onvoldoende kapitaal om deze opgave in te vullen en dus zijn buitenlandse investeringen essentieel.
Welke gevolgen heeft deze uitstroom voor investeringen in de Nederlandse woningmarkt, in het bijzonder voor de bouw van (midden)huurwoningen en het aantal beschikbare huurwoningen?
In zijn algemeenheid leidt uitstroom van investeringen, indien deze niet gecompenseerd wordt door investeringen die instromen, tot uitponding van bestaande (midden)huurwoningen en in veel gevallen leidt het tot de bouw van minder nieuwbouw huurwoningen. Dit heeft uiteindelijk tot gevolg dat het tekort aan (betaalbare) huurwoningen oploopt.
Het kabinet blijft de voorraad huurwoningen monitoren, en werkt ondertussen door aan afspraken uit het Coalitieakkoord op dit belangrijke dossier. Namelijk door de wet- en regelgeving alsmede het fiscale klimaat op de huurmarkt zodanig vorm te geven dat het investeringsklimaat verbetert en het aanbod van huurwoningen weer kan toenemen. De eerste resultaten op dit vlak zijn inmiddels geboekt (zie ook het antwoord op vraag 15). Het kabinet gaat hier via de Ministeriële Taskforce Versnelling Woningbouw verder invulling aan geven. Na de zomer volgt het actieplan met daarin meer maatregelen en verdere uitwerkingen.
Kunt u daarnaast in kaart brengen wat het effect is van de uitstroom van institutioneel kapitaal op het behalen van de 70% voorverkoopeis bij gemengde woningbouwprojecten en hoeveel woningen hierdoor geraakt worden?
Institutionele beleggers nemen doorgaans een groot deel van een nieuwbouwproject op zich. Als een institutionele belegger instapt, wordt de eis van 70 procent voorverkoop vaak sneller gehaald. Het is niet mogelijk om exact in kaart te brengen wat het effect is van de uitstroom van institutioneel kapitaal op het behalen van de 70 procent voorverkoopeis bij gemengde woningbouwprojecten. Dit komt omdat er geen openbare data beschikbaar is over de mate waarin institutionele beleggers per project deelnemen en wat de exacte timing van hun betrokkenheid is.
Kunt u in kaart brengen hoe breed de problematiek van redemptieverzoeken speelt onder (internationale) pensioenfondsen en andere institutionele beleggers, en wat dit betekent voor de investeringscapaciteit in de Nederlandse woningmarkt?
Zoals in vraag 3 beantwoord is het kabinet niet bekend vergelijkbare situaties zoals die van Vesteda, maar blijft het kabinet de situatie monitoren en werkt het verder aan beleid om het investeringsklimaat te verbeteren. Indien grootschalige redemptie plaatsvindt, zonder dat genoeg investeerders instromen, leidt dit tot uitponding van bestaande (midden)huurwoningen en in veel gevallen leidt het tot de bouw van minder nieuwbouw huurwoningen. Dit zal ertoe leiden dat het tekort aan (betaalbare) huurwoningen oploopt.
Welke rol speelt de fiscale behandeling van buitenlandse pensioenfondsen bij hun bereidheid om in Nederland te investeren in woningbouw?
De mate waarin buitenlandse partijen – waaronder ook pensioenfondsen – bereid zijn om in de Nederlandse woningmarkt te investeren is afhankelijk van verschillende factoren. In de praktijk is het de optelsom van factoren die investeerders doet besluiten wel of niet in Nederland te investeren in Nederland. Uit cijfers van Capital Value blijkt dat het aandeel buitenlandse investeerders in nieuwbouw sinds een aantal jaren is afgenomen.4 Deze verschillende factoren en de verscheidenheid aan investeerders maken het niet mogelijk het precieze effect van de fiscale behandeling op het investeringsgedrag van pensioenfondsen aan te geven. Wel heeft het kabinet SEO Economisch Onderzoek onderzoek laten doen naar het investeringsklimaat voor middenhuur. SEO concludeert dat het investeringsklimaat sinds 2022 voornamelijk is verslechterd door een stijging van de rente, de regulering van de middenhuur en minder voorspelbaar overheidsbeleid door de hoge frequentie van beleidswijzigingen. SEO geeft daarbij aan dat de maatregel met de meeste impact op het investeringsklimaat in brede zin de regulering van de middenhuursector is. SEO heeft niet specifiek de situatie van buitenlandse pensioenfondsen onderzocht. Wel doet SEO de aanbeveling om de toepassing van de pensioenfondsvrijstelling in de vennootschapsbelasting bij buitenlandse pensioenfondsen nader te onderzoeken naar aanleiding van signalen hierover uit de praktijk.
De Nederlandse vennootschapsbelasting maakt geen onderscheid tussen binnenlandse en buitenlandse pensioenfondsen. Naast Nederlandse pensioenfondsen kunnen in het buitenland gevestigde pensioenfondsen (als zij vergelijkbaar zijn met Nederlandse pensioenfondsen) zich beroepen op de vrijstelling in de vennootschapsbelasting. Deze vrijstelling werkt ook door naar de dividendbelasting.5 In het buitenland gevestigde pensioenfondsen kunnen zich beroepen op de subjectieve vrijstelling in de vennootschapsbelasting als zij zich (nagenoeg) uitsluitend bezighouden met het uitvoeren van pensioenregelingen die naar aard en strekking overeenkomen met een Nederlandse pensioenregeling. Met het beleidsbesluit subjectieve vrijstelling Vpb is ingevuld wanneer sprake is van een pensioenregeling die naar aard en strekking overeenkomt met een Nederlandse pensioenregeling.6 De voorwaarden in het beleidsbesluit zijn gebaseerd op de Nederlandse Pensioenwet. Zoals ik heb toegelicht in de kabinetsreactie op het SEO onderzoek bekijkt de Belastingdienst momenteel zorgvuldig of en zo ja welke voorwaarden in het beleidsbesluit modernisering behoeven. Voor zover de knelpunten binnen het huidig rechtskader kunnen worden weggenomen kan dit gebeuren door middel van kennisgroepstandpunten die worden gepubliceerd op de website van de Belastingdienst en/of door aanpassing van het beleidsbesluit. Ter illustratie, onlangs is een tweetal kennisgroepstandpunten gepubliceerd om duidelijkheid te creëren over de toepasselijkheid van de pensioenfondsvrijstelling.7 Recent is het kabinet uitgebreider ingegaan op dit onderwerp naar aanleiding van vragen van andere leden van uw Kamer.8
Deelt u de opvatting dat ongunstige fiscale behandeling van buitenlandse pensioenfondsen ertoe kan leiden dat Nederland investeringen in de woningmarkt misloopt? Zo ja, hoe groot acht u dit effect?
Zie antwoord vraag 7.
Bent u bereid in kaart te brengen welke fiscale knelpunten buitenlandse pensioenfondsen ervaren bij investeringen in de Nederlandse woningmarkt en welke mogelijkheden er zijn om deze knelpunten weg te nemen?
Zoals in het vorige antwoord naar voren komt, is de aantrekkelijkheid van het investeringsklimaat een complex samenspel van factoren, zoals huur- en fiscaal beleid en macro-economische omstandigheden. In het nieuwsartikel en de bovengenoemde vragen worden enkele punten naar voren gebracht waaraan het kabinet werkt met als doel verbetering van het investeringsklimaat voor woningbouw. Zo is het kabinet voornemens het tarief van de overdrachtsbelasting voor investeerders te verlagen naar 7%. Daarnaast is het kabinet voornemens om voorafgaand aan de evaluatie de Wet betaalbare huur te optimaliseren om het aanbod van huurwoningen op peil te houden. Daarnaast is door het vorige kabinet – vanuit de wens om het investeringsklimaat te verbeteren – een versoepeling van de earningsstrippingmaatregel ingevoerd waarmee het maximale renteaftrekpercentage is verhoogd van 20% naar 24,5% van de gecorrigeerde winst.
Ten aanzien van de pensioenfondsvrijstelling gaat de Belastingdienst kijken in hoeverre de huidige voorwaarden in het beleidsbesluit subjectieve vrijstelling Vpb9 nog actueel zijn en modernisering behoeven. De voorwaarden in het beleidsbesluit zijn gebaseerd op de Nederlandse Pensioenwet en er wordt derhalve geen onderscheid gemaakt tussen binnenlandse en buitenlandse pensioenfondsen. Het toetsen aan de voorwaarden voor buitenlandse pensioenfondsen kan bewerkelijk zijn, bijvoorbeeld omdat buitenlandse pensioenregelingen vaak niet exact overeenkomen met Nederlandse pensioenregelingen.
Verder is het kabinet bekend met het signaal dat de wijziging van het fbi-regime een pijnpunt kan zijn voor vastgoedbeleggingen. Het terugdraaien van de aanpassing van het fbi-regime zou echter betekenen dat in bepaalde gevallen buitenlandse investeerders al dan niet onbedoeld opnieuw Nederlandse belastingheffing zouden kunnen ontlopen. Dit acht het kabinet geen evenwichtige situatie. Een andere mogelijkheid zou zijn om een zogenoemd REIT-regime te introduceren. Het introduceren van zo’n nieuw fiscaal regime is ook niet eenvoudig. In een Kamerbrief van 7 juni 2024 heeft het destijds zittende kabinet een aantal belangrijke aandachtspunten ten aanzien van een REIT-regime genoemd.10 Recent is het kabinet uitgebreider ingegaan op dit onderwerp naar aanleiding van vragen van andere leden van uw Kamer.11 Wat betreft de earningsstrippingmaatregel zal het kabinet – in navolging van de aanbeveling uit het SEO-rapport – verder verkennen of, en zo ja in hoeverre, de effecten van deze maatregel voor vastgoedbedrijven beter in beeld kunnen worden gebracht aan de hand van de bij de Belastingdienst beschikbare gegevens. Voor private verhuurders die investeren in de bouw van nieuwe middenhuurwoningen zoekt het kabinet in de Taskforce Versnelling Woningbouw naar aanvullende oplossingen om het investeringsklimaat te verbeteren. In het Actieplan van deze Taskforce zal het kabinet met een integraal plan komen ter verbetering van het investeringsklimaat voor het creëren van nieuwe, betaalbare huurwoningen. Het kabinet is direct aan de slag gegaan met de Taskforce en de eerste resultaten zijn geboekt.12
Zou u in de hiervoor genoemde verkenning naar fiscale knelpunten de in het nieuwsartikel genoemde afschaffing van de fiscale beleggingsinstelling (FBI)-status en de renteaftrekbeperking en de pensioenfondsvrijstelling willen meenemen?
Zie antwoord vraag 9.
Bent u hierover in gesprek met (internationale) beleggers en pensioenfondsen, en zo ja, wat zijn de belangrijkste signalen die u uit deze gesprekken ontvangt?
Het Ministerie van BZK/VRO is regelmatig in gesprek met investeerders over het investeringsklimaat en ook specifiek met verschillende investeerders en pensioenfondsen over de recente ontwikkelingen. In deze gesprekken komen verschillende signalen naar boven die verklaren waarom de investeringen zijn afgenomen. Een aantal Nederlandse pensioenfondsen geeft aan dat zij tegen de grenzen aanloopt van hoeveel zij kunnen investeren in de Nederlandse woningmarkt. Vanwege risico- en spreidingsoverwegingen is dat gelimiteerd. Door het verslechterde investeringsklimaat zijn met name buitenlandse investeerders minder bereid om in Nederlandse woningen te investeren. Nederlandse institutionele investeerders die wel nog investeringsruimte hebben, hebben ook moeite met het vinden van projecten die aan de rendementseisen voldoen.
Het kabinet krijgt signalen vanuit de markt dat de snel opeenvolgende wijzigingen in het huurbeleid en fiscale beleid hebben gezorgd voor instabiliteit en onvoorspelbaarheid en dus een minder aantrekkelijk investeringsklimaat. Ook hoort het kabinet in gesprekken met de sector dat indien de rente en/of bouwkosten stijgen, dat het dan nog lastiger wordt om investeringen in woningen rond te rekenen.
Waarom is er nog geen kabinetsreactie op het onderzoek naar het Investeringsklimaat middenhuur dat SEO Economisch Onderzoek heeft verricht in opdracht van het Ministerie van Volkshuisvesting en Ruimtelijke Ordening en het Ministerie van Financiën, terwijl dit samenhangt met belangrijke trajecten rondom middenhuur, investeringsklimaat en versnellen van de woningbouwproductie, en een belangrijke basis moet vormen voor realisatie van de afspraken uit de Woontop en concrete afspraken met investeerders?
Op 20 april jl. heeft het kabinet uw Kamer de kabinetsreactie op het onderzoek Investeringsklimaat middenhuur van SEO Economisch Onderzoek gestuurd. Vanwege de demissionaire status van het vorig kabinet tijdens publicatie van het onderzoek was dit nog niet gedaan.
Zou u in kaart willen brengen welke impact deze vertraging van de kabinetsreactie heeft op trajecten rondom middenhuur, investeringsklimaat en versnellen van de woningbouwproductie, maar ook voor realisatie van de afspraken uit de Woontop en concrete afspraken met investeerders?
Vertraging van de kabinetsreactie heeft op zichzelf geen impact op het investeringsklimaat en de woningbouw. Wel is het natuurlijk goed dat een nieuw kabinet is aangetreden en missionair het woningtekort kan aanpakken. Dit kabinet heeft hiervoor onder andere een Ministeriële Taskforce Versnelling Woningbouw ingesteld met als doel binnen zes maanden een integraal programma op te stellen dat de koers uitzet hoe zo snel als mogelijk de jaarlijkse realisatie van de gewenste 100.000 woningen per jaar bereikt kan worden. Eén van de opdrachten van de Taskforce is het verbeteren van het investeringsklimaat via stabiele fiscale kaders en stimulerende regelgeving.
Wat is de stand van zaken van het plan van aanpak om de verruimde staatssteunruimte voor middenhuur te benutten, zoals verzocht in de motie-Vedder c.s. (Kamerstuk 36 600-XXII, nr. 35)?
Het is goed nieuws dat de Europese Commissie op 16 december 2025 mogelijk heeft gemaakt om staatssteun in te kunnen zetten voor middenhuur. Op dit moment brengt het kabinet de verschillende mogelijkheden voor de implementatie in kaart, ook voor provincies en gemeenten. Er zijn verschillende opties denkbaar binnen de door de Europese Commissie gestelde kaders. Zoals Uw Kamer is toegezegd, wordt u vóór de zomer een plan van aanpak gepresenteerd. De gekozen optie zal worden uitgewerkt in een wijziging van de Woningwet.
Welke kansen ziet u om via publiek-private samenwerking (PPE-constructies), garantstellingen of andere instrumenten de investeringsbereidheid van (institutionele) beleggers in de middenhuur te vergroten, en hoe gaat u deze kansen concreet benutten?
In het coalitieakkoord is opgenomen dat de wet- en regelgeving alsmede het fiscale klimaat op de huurmarkt zodanig worden vormgegeven dat het investeringsklimaat verbetert en het aanbod van (midden)huurwoningen weer kan toenemen. In dat kader heeft het kabinet een Ministeriële Taskforce Versnelling Woningbouw ingesteld. Één van de opdrachten van de Taskforce is het verbeteren van het investeringsklimaat via stabiele fiscale kaders en stimulerende regelgeving.
Het kabinet is direct aan de slag gegaan met de Taskforce en de eerste resultaten zijn geboekt. Het kabinet zet een stap in de optimalisatie van de Wet betaalbare huur en de tijdelijke contracten voor alle studenten, zoals bedoeld in het coalitieakkoord. Concreet betekent dit: 1) het invoeren van een WOZ-opslag, 2) het afschaffen van minpunten bij het geheel ontbreken van buitenruimte, 3) een betere locatiewaardering kleine rijksmonumenten en 4) het mogelijk maken van een tijdelijk contract voor alle studenten. Naast deze maatregelen zal ik de tijdelijke nieuwbouwopslag voor middenhuurwoningen voor vier jaar verlengen, waardoor investeerders voor een langere periode extra ruimte krijgen voor de bouw van nieuwe middenhuurwoningen. En om het investeringsklimaat voor private verhuurders te verbeteren is in het coalitieakkoord reeds afgesproken dat de overdrachtsbelasting voor verhuurders wordt verlaagd naar 7%. In het integrale programma dat in september gepresenteerd wordt, zal er nader worden ingegaan ingaan op hoe het kabinet aan deze opdracht invulling geeft.
Bent u bekend met het bericht «Rattenplaag in horeca, explosieve stijging overtredingen: «Niet normaal, man!»»1 en het bericht «Muizen maken de dienst uit op ministeries, maar daar komt mogelijk verandering in: «Verbod op gif heroverwegen»»?2
Ja.
Wat is uw reflectie op deze berichten?
Beide artikelen benadrukken terecht dat ratten en muizen gevaar, schade of hinder kunnen veroorzaken en dat een effectieve en duurzame knaagdierbeheersing vakmanschap vereist. De titel van het artikel in De Telegraaf kan onjuist worden geïnterpreteerd, maar dat beeld wordt elders in het artikel genuanceerd. Van een «verbod op gif» is namelijk geen sprake: een deskundig bedrijf mag rodenticiden (biociden tegen ratten en muizen) toepassen, voor zover dat onvermijdelijk is.
Sinds enkele jaren is de toepassing van een effectieve en duurzame methode voor knaagdierbeheersing voorgeschreven, gebaseerd op integraal plaag management (ook wel «integrated pest management» of IPM genoemd).
Integraal plaag management gaat uit van een voorkeursvolgorde. Beheersing begint met preventieve maatregelen, zoals het opruimen van eetbaar afval en het verwijderen van schuilmogelijkheden voor knaagdieren. Voor zover die maatregelen onvoldoende toereikend zijn, worden niet-chemische maatregelen en methoden getroffen, zoals vallen, klemmen of het gebruik van een PCP-buks. Bij alle maatregelen is samenwerking tussen knaagdierbeheerser en opdrachtgever noodzakelijk.
Als de maatregelen onvoldoende blijken, mag een deskundig bedrijf als laatste redmiddel rodenticiden inzetten.
In het verleden werden soms direct rodenticiden toegepast, zonder aanpak van de oorzaken van het probleem. Dit was niet effectief, had zeer negatieve gevolgen voor mens, dier en het milieu. Het blijkt dat tientallen procenten van de muizen en ratten resistent zijn voor rodenticiden. Doorvergiftiging naar andere dieren blijft daarbij wel een reëel risico.
Bent u bekend met het feit dat ondernemers duizenden euro’s per jaar kwijt zijn aan ongediertebestrijding, maar dat dit volgens hen nauwelijks effect heeft op het daadwerkelijk terugdringen van het ongedierte?
Ratten en muizen komen voor in geheel Nederland, maar vooral op locaties met een ruim voedselaanbod en veel schuilmogelijkheden. De effectiviteit van knaagdierbeheersing wordt onder meer bepaald door de bereidheid en de mogelijkheden om de in antwoord 2 bedoelde preventieve maatregelen uit te voeren.
De kosten en de effectiviteit van knaagdierbeheersing zijn dan ook niet voor alle ondernemingen vergelijkbaar.
Hoe kijkt u aan tegen het feit dat de Nederlandse Voedsel- en Warenautoriteit (NVWA) steeds meer bedrijven moet sluiten vanwege ongedierteoverlast en dat diverse sectoren melden dat het uit de hand loopt, terwijl er volgens de overheid weinig tot geen extra maatregelen nodig zijn?
Verordening (EG) nr. 852/2004 inzake levensmiddelenhygiëne verplicht horeca-ondernemers en ambachtelijke ondernemers tot de uitvoering van maatregelen. Het gaat, naast de algemene verplichting om hygiënisch te werken, om het voorkomen van toegang voor muizen en ratten door het dichten van gaten en kieren, het voorkomen van schuilplekken door goed opruimen, het opbergen van voedsel zodat dit niet toegankelijk is voor ongedierte en het zorgen voor afvalbeheer zodat afval geen plaagdieren aantrekt.
Ondernemers die deze acties uitvoeren, behoeven volgens de NVWA geen structureel probleem te hebben met plaagdieren. Extra of nieuwe wetgeving is niet nodig.
Wat is dan uw reflectie op het bericht dat nu het ministerie last heeft van ongedierte, er wordt overwogen om gif te herintroduceren?
Het bericht is onjuist. Er is geen sprake van een gebruiksverbod voor rodenticiden, dus evenmin van een «herintroductie van gif». Zie het antwoord op vraag 2.
Deelt u de mening dat er voor ondernemers een gelijke aanpak mogelijk moet zijn als voor onze overheid?
Ja, en dat is ook het geval. De beginselen van integraal plaag management zijn voor ondernemers en overheden gelijk.
Hoe kijkt u aan tegen de kernadviezen van de NVWA voor ongediertebestrijding nu het ministerie hier zelf last van heeft? Deelt u de mening dat dit op papier een goed verhaal is, maar dat dit in de praktijk niet werkt? Zo nee, waarom niet?
Niet duidelijk is welke adviezen worden bedoeld.
De voorschriften, bedoeld in de antwoorden 2 en 4, zijn gebaseerd op praktijkkennis en -ervaring van (brancheorganisaties van) knaagdierbeheersingsbedrijven, toezichthouders, wetenschappelijke instellingen, opleidingsinstituten en anderen. Uitvoering gebeurt door probleemeigenaren en deskundige (knaagdierbeheersings)bedrijven.
Ik heb vertrouwen in deze aanpak.
Bent u bekend met de risico’s voor de volksgezondheid die optreden bij situaties waar muizen en ratten (en ander ongedierte) vrij spel hebben door het ontbreken van een goed maatregelenpakket en/of goede ongediertebestrijding?
Die risico’s zijn bekend. Op de website van het RIVM zijn publicaties over die risico’s beschikbaar. Probleemeigenaren en knaagdierbeheersingsbedrijven hebben voldoende instrumenten voor een effectieve en duurzame plaagbeheersing.
Welke bewindspersoon is daadwerkelijk verantwoordelijk voor de ongediertebestrijding in Nederland? Wie gaat de regie pakken op deze plagen die uit de hand lopen?
«Ongediertebestrijding» (plaagbeheersing) is primair een taak voor de eigenaar of gebruiker van een locatie. Plaagbeheersing is geen onderwerp voor één ministerie; meerdere ministeries hebben ermee te maken, door hun taken en bevoegdheden op beleidsterreinen als volksgezondheid, woningbouw, dierenwelzijn of milieubescherming. Vanwege deze gezamenlijke betrokkenheid hebben de Ministeries van BZK, LVVN, VWS en IenW een coördinatiestructuur opgezet, bedoeld voor het afwegen van een nationale rol, het delen van beschikbare kennis en afstemmen van mogelijke maatregelen.
Deelt u de mening dat ondernemers in deze tijd al met veel hoge kosten te maken hebben en dat euro’s die zij moeten inzetten voor ongediertebestrijding dus ook daadwerkelijk wat moeten opleveren?
Een ondernemer kan eerst zelf tal van preventieve en niet-chemische maatregelen en methoden inzetten om de aanwezigheid van knaagdieren te beheersen. Het gebruik van «middelen» (rodenticiden) is vervolgens echter voorbehouden aan deskundige (knaagdierbeheersings)bedrijven, vanwege de zeer gevaarlijke aard en eigenschappen van die middelen en de onaanvaardbare risico’s van ondeskundig gebruik. Om het perspectief op efficiënte en effectieve knaagdierbeheersing te vergroten zal ik best practices ophalen van juist gebruik van rodenticiden als laatste redmiddel.
Welke kansen ziet u om de kosten voor ondernemers te verlagen, bijvoorbeeld door het inzetten van middelen ter bestrijding van ongedierte toe te staan die wél werken?
Zie antwoord vraag 10.
Heeft u kennisgenomen van de uitspraak van de rechtbank in Den Haag waarbij door de rechtbank is bevestigd dat u niet heeft voldaan aan de uitspraak van de Afdeling Bestuursrecht van de Raad van State en het arrest CF en DN van het Hof van Justitie van de Europese Unie?1
Hoe rijmt u de conclusie dat bepaalde provincies in Jemen (zoals Al Mahra en Hadramaut) «veilig» zijn met de informatie van hulporganisaties, United Nations en VluchtelingenWerk dat het geweld en de instabiliteit zich over het hele land verspreiden en dat de situatie onvoorspelbaar blijft?
Kunt u specifiek aangeven welke bronnen, naast het ambtsbericht, zijn gebruikt om de afwezigheid van willekeurig geweld in deze gebieden aan te tonen?
Waarom blijft u vasthouden aan het beleid waarbij humanitaire factoren slechts globaal worden meegenomen, terwijl de rechter en de Raad van State oordelen dat onvoldoende in kaart is gebracht hoe humanitaire omstandigheden (zoals hongersnood en gebrek aan water) het directe of indirecte gevolg zijn van het handelen van strijdende partijen en het Europese Hof (arrest CF en DN) een «allesomvattende beoordeling» eist?
Bent u bereid om, naar aanleiding van de recente rechterlijke uitspraak dat het beleid niet voldoet aan de eisen van de Raad van State en het Europese Hof, de uitvoering van het nieuwe beleid (en daarmee de afwijzingen van asielaanvragen) per direct op te schorten totdat er een deugdelijke, allesomvattende analyse van de humanitaire situatie ligt?
Komt er een nieuwe wijziging in het landenbeleid voor Jemen naar aanleiding van bovengenoemde uitspraken? Zo ja, hoe wordt daarin recht gedaan aan de uitspraken? Zo nee, waarom niet?
Op welke feitelijke informatie baseert u de aanname dat vluchtelingen uit onveilige gebieden zich duurzaam en veilig kunnen vestigen in de zogenaamd veilige provincies, gezien de enorme druk op de lokale infrastructuur door de miljoenen interne ontheemden in Jemen?
Hoe wordt gegarandeerd dat deze mensen daar niet alsnog in een levensbedreigende humanitaire situatie terechtkomen?
Erkent u dat het huidige beleid, waarbij zaken worden aangehouden of afgewezen op basis van een juridisch wankel fundament, ertoe leidt dat een grote groep Jemenieten in Nederland in onzekerheid leeft en hun integratie en persoonlijke ontwikkeling ernstig worden belemmerd?
Hoe kunt u de Jemenieten in Nederland ondersteunen en faciliteren in hun ontwikkeling en integratie gedurende deze onzekere tijden?
Kunt u bovenstaande vragen één voor één beantwoorden?
De documentaire Nachtkinderen en de normalisering van drugsgebruik onder jongeren |
|
Nicole Moinat (PVV) |
|
Mirjam Sterk (CDA) |
|
|
|
|
Heeft u kennisgenomen van de documentaire «Nachtkinderen» en deelt u de zorg dat drugsgebruik onder jongeren en jongvolwassenen steeds vaker als normaal wordt gezien?
Hoe hebben de cijfers over drugsgebruik onder jongeren van 12 tot 21 jaar zich de afgelopen vijf jaar ontwikkeld, uitgesplitst naar leeftijdsgroep en type middel?
Welke gevolgen ziet u van drugsgebruik voor de fysieke gezondheid, mentale gezondheid en ontwikkeling van jongeren?
Hoeveel jongeren onder de 21 jaar zijn de afgelopen vijf jaar in aanraking gekomen met de verslavingszorg, geestelijke gezondheidszorg of spoedeisende hulp als gevolg van drugsgebruik?
Acht u het huidige preventiebeleid voldoende effectief om het gebruik van drugs onder jongeren terug te dringen? Kunt u uw antwoord onderbouwen met concrete resultaten?
Deelt u de mening dat overheidsvoorlichting niet alleen gericht moet zijn op het beperken van risico’s, maar ook duidelijk moet uitdragen dat drugsgebruik schadelijk is en ontmoedigd moet worden? Zo nee, waarom niet?
Welke specifieke maatregelen neemt het kabinet om de normalisering van drugsgebruik onder jongeren tegen te gaan?
Bent u bereid te onderzoeken of de huidige preventiecampagnes daadwerkelijk leiden tot minder drugsgebruik onder jongeren en de Kamer hierover te informeren?
Hoe beoordeelt u de invloed van sociale media, influencers en online platforms op de beeldvorming rondom drugsgebruik onder jongeren en welke rol ziet u voor preventiebeleid op dit terrein?
Welke aanvullende maatregelen bent u bereid te nemen indien uit onderzoek blijkt dat de normalisering van drugsgebruik onder jongeren verder toeneemt?
Het bericht 'Vijf moeders eisen onderzoek JB Noord na inzet berispte jeugdbeschermer' |
|
Ráchel van Meetelen (PVV) |
|
Mirjam Sterk (CDA) |
|
|
|
|
Bent u bekend met het bericht «Vijf moeders eisen onderzoek JB Noord na inzet berispte jeugdbeschermer»?1
Kunt u bevestigen dat bij Jeugdbescherming Noord een jeugdbeschermer is ingezet in kwetsbare gezinnen, terwijl sprake was van een eerdere tuchtrechtelijke berisping en Jeugdbescherming Noord niet wist waarvoor deze medewerker precies was berispt? Zo ja, hoe heeft dit kunnen gebeuren?
Deelt u de mening dat het onacceptabel is dat een gecertificeerde instelling een berispte jeugdbeschermer kan inzetten in gezinnen waar diep wordt ingegrepen in het gezinsleven, zonder dat de instelling de inhoud en ernst van die berisping kent? Zo nee, waarom niet?
Welke wettelijke, professionele of organisatorische verplichtingen gelden voor gecertificeerde instellingen om vooraf te controleren of een jeugdbeschermer tuchtrechtelijk is berispt, geschorst of anderszins onderwerp is geweest van ernstige professionele tekortkomingen? Acht u die verplichtingen voldoende?
Bent u bereid de Inspectie Gezondheidszorg en Jeugd, zo nodig samen met de Inspectie Justitie en Veiligheid, te verzoeken onderzoek te doen naar de wijze waarop Jeugdbescherming Noord deze medewerker heeft aangenomen, ingezet, begeleid en gecontroleerd, en naar de dossiers waarin deze medewerker betrokken was?
Bent u bereid te laten onderzoeken of in de betreffende dossiers sprake is geweest van onvoldoende onderbouwde, onzorgvuldige of disproportionele kinderbeschermingsmaatregelen, waaronder uithuisplaatsingen, en of ouders en kinderen daardoor schade hebben geleden?
Deelt u de opvatting dat kinderbeschermingsmaatregelen altijd zorgvuldig moeten worden onderbouwd, omdat anders het recht op gezinsleven in het geding kan komen? Welke maatregelen neemt u om te voorkomen dat ouders jarenlang moeten procederen om fouten in zulke maatregelen boven tafel te krijgen?
Het artikel 'Verbijstering over webshop gouden helm-dief vanuit bajes: ’Een hele dikke middelvinger naar justitie’' |
|
Joost Eerdmans (EénNL) |
|
David van Weel (VVD) |
|
|
|
|
In hoeverre is het mogelijk om een verbod op te leggen aan gedetineerden die online een webshop runnen waarbij zij hun delict romantiseren?1
Wordt het adres van het Justitieel Centrum Schiphol daadwerkelijk gebruikt als postadres voor de webshop die handelt in «merchandise» van de Roemeense kunstroof? In hoeverre kan hiertegen worden opgetreden en in hoeverre gebeurt dit al in deze zaak?
In hoeverre is het mogelijk om opbrengsten van deze webshop te verhalen en in te zetten om een deel van de gemaakte kosten (zoals in het strafproces, het onderzoek, etc.) te dekken? Kan er worden ingegaan op hoe dat in deze specifieke zaak is gebeurd?
Bent u voornemens om zo snel mogelijk een einde te maken aan deze webshop? Zo niet, waarom niet?
Het bericht ‘Winkelsluiting op zondag verder onder vuur: 'Een aanslag op privélevens van duizenden medewerkers'' |
|
André Flach (SGP), Jimmy Dijk (SP) |
|
Herbert |
|
|
|
|
Heeft u kennisgenomen van het bericht «Winkelsluiting op zondag verder onder vuur: «Een aanslag op privélevens van duizenden medewerkers»»?1
Herinnert u zich de toezegging van de Minister-President in de richting van de fractie van de SGP tijdens het debat over de regeringsverklaring dat «deze regering de gemeentelijke vrijheid erkent voor zover in de Winkeltijdenwet is vastgelegd»?
Welke consequenties heeft dit standpunt van de regering voor de eventuele uitkomsten van de evaluatie van de Winkeltijdenwet?
Kunt u hierbij toezeggen dat naar aanleiding van de evaluatie van de Winkeltijdenwet de mogelijkheden voor zondagsopenstelling voor winkeliers op geen enkele wijze zullen worden verruimd, vanwege het belang van zondagsrust voor onder meer kleine werkgevers, werknemers en de samenleving als geheel?
Bent u bereid, in aanvulling op de reeds geschetste opties in een eerdere Kamerbrief over verruiming van de zondagsopenstelling2, in de kabinetsreactie over de uitkomsten van de evaluatie ook opties voor verdere bescherming van de zondagsrust op te nemen, zodat er een compleet beeld ontstaat van de mogelijkheden voor aanpassing van de Winkeltijdenwet ten aanzien van winkeltijden op zondag?
Hoe reageert u op de oproep van de FNV aan het kabinet om «het weekend niet af te schaffen»?3
Bent u bereid uw reactie op de brief van FNV Handel te delen met de Kamer?
Erkent u dat met een verdere openstelling van de winkeltijden op zondag de bescherming van werknemers onder druk kan komen te staan?
Kunt u uitgebreid aangeven in hoeverre en op welke wijze de positie van werknemers expliciet wordt meegenomen in de evaluatie van de Winkeltijdenwet?
Klopt het dat «een grootschalig onderzoek naar de ervaringen van medewerkers in de sector is uitgebleven», zoals beschreven in genoemde brief? Zo ja, bent u bereid hier alsnog onderzoek naar te doen en dit te betrekken bij de uitkomsten van de evaluatie van de Winkeltijdenwet?
Hoe wordt in het evaluatieonderzoek invulling gegeven aan de toezegging van voormalig Minister van Economische Zaken Karremans in de richting van het lid Flach (SGP) dat ook de belangen van ondernemers die hechten aan zondagsrust hierin zullen worden meegenomen?
UN special rapporteurs |
|
Raymond de Roon (PVV) |
|
Berendsen |
|
|
|
|
Heeft u kennisgenomen van het vernietigend onderzoeksrapport (1) inzake de objectiviteit van UN special rapporteurs?1
Wilt u puntsgewijs en gedocumenteerd aangeven in hoeverre u de kritiekpunten uit het rapport herkent en beoordeelt?
Wilt u puntsgewijs en onderbouwd aangeven wat u vindt van alle aanbevelingen van het rapport?
Wat is, gespecificeerd per rapport van de genoemde UN special rapporteurs, uw oordeel over de waarde van elk van die rapporten? Welke reserves heeft u over ieder individueel rapport?
Welke acties gaat u ondernemen naar aanleiding van het rapport van UNWatch?
Het artikel 'NADI dreigt vast te lopen door gebrek aan relevant budget' |
|
Tom van der Lee (GL) |
|
Herbert |
|
|
|
|
Bent u bekend met het artikel van het Instituut voor Publieke Economie (IPE) over het Nationaal Agentschap voor Disruptieve Innovatie (NADI)?1
Kunt u bevestigen dat het NADI-ontwerpvoorstel dat op 9 februari jl. met de Kamer is gedeeld, het huidige ontwerp betreft dat verder wordt uitgewerkt, inclusief doelen, werkwijze en besluitvorming?
Deelt u de lezing van het IPE dat het ontwerp en het beoogde doel van NADI alleen kunnen worden gerealiseerd indien het agentschap beschikt over risicodragend kapitaal zonder minimumrendementseisen? Zo nee, waarom niet?
Kunt u uiteenzetten of de voorgenomen kapitaalstorting van 500 miljoen euro in NADI naar verwachting leidt tot een toename van de EMU-schuld, en zo nee, op basis van welke beoordeling u tot die conclusie komt?
Kunt u uiteenzetten wat het gevolg is van een niet-EMU-saldorelevante kapitaalstorting voor het ontwerp, het beoogde doel en de effectiviteit van NADI?
Kunt u aangeven welke concrete dekkingsopties op dit moment door het kabinet worden overwogen voor de kapitaalstorting in NADI?
Bent u bereid alternatieve dekkingsopties te onderzoeken indien blijkt dat de doelen van het NADI-ontwerpvoorstel niet haalbaar zijn met de huidige voorgenomen financieringsopties?
Hoe beoordeelt u het voorstel van IPE om de Innovatiebox te versoberen om NADI te financieren, mede in het licht van de beperkte effectiviteit en doelmatigheid van deze regeling?
Het IPE stelt dat voor een EMU-relevante dekking circa 150 miljoen euro per jaar nodig is; herkent u dit bedrag en kunt u dit toelichten?
Hoe beoordeelt u de conclusie van het IPE dat deze dekking cruciaal is om NADI zodanig vorm te geven dat het daadwerkelijk kan functioneren conform het beoogde doel?
Kunt u deze vragen beantwoorden voor het geplande commissiedebat Innovatie op 25 juni 2026?
Het bericht ‘Politie vertelt waarom zo lang is gewacht met tonen video van schokkende aanval in Albert Heijn’ |
|
Annelotte Lammers (PVV) |
|
David van Weel (VVD) |
|
|
|
|
Bent u bekend met de brute mishandeling van een 19-jarige jongen door Syrische terreurgroepen in de Albert Heijn Groningen op 21 januari 2026, waarbij circa tien mannen hem achtervolgden, tegen de grond werkten en bleven schoppen en slaan, ook nadat hij bewusteloos was?1
Waarom heeft de politie de herkenbare beelden van de daders pas na een half jaar vrijgegeven via Opsporing Verzocht, terwijl twee verdachten al vroeg waren aangehouden en de overige daders maandenlang vrij rondliepen?
Deelt u de mening dat deze onacceptabele vertraging de daders de kans heeft gegeven om te vluchten of opnieuw geweld te plegen, en dat een directe publicatie van de beelden veel eerder tot arrestaties had geleid?
Waarom weigert de politie standaard bij geweld direct herkenbare beelden openbaar te maken, in plaats van de privacy van gewelddadige daders boven de veiligheid van burgers en winkelpersoneel te stellen?
Deelt u de mening dat beelden van geweldsincidenten onmiddellijk, het liefst dezelfde dag nog, vrijgegeven moeten worden?
Bent u bereid dit naar de politie te communiceren?
Wat gaat u doen tegen de groep Syriërs die al jaren Groningen en andere steden terroriseert?
Bent u bereid om ongenadig hard op te treden tegen deze mensen, in plaats van de in het verleden opgelegde gebiedsverboden? Zo ja, waar laat u dat uit blijken?
Deelt u de mening dat Syriërs in Syrië horen, helemaal nu, gezien het feit dat Syrië veilig is, en dat zij terug moeten naar hun eigen land in plaats van de veiligheid van Nederlanders te verzieken?
Hoeveel Syriërs heeft u reeds begeleid naar de terugkeervliegtuigen in de eerste 100 dagen van dit kabinet?
Het artikel 'In Hengelo liggen ze niet wakker van mogelijke Russische aanval' |
|
Pepijn van Houwelingen (FVD) |
|
Dilan Yeşilgöz-Zegerius (VVD) |
|
|
|
|
Bent u bekend met het artikel «In Hengelo liggen ze niet wakker van mogelijke Russische aanval»?1
Is het correct dat Medvedev, vicevoorzitter van de Russische veiligheidsraad, een lijst met potentiële doelwitten in Europa heeft gepubliceerd?
Is het correct dat op deze lijst ook «dronefabriek Destinus» in Hengelo staat?
Staat deze dronefabriek in Hengelo? Produceert deze fabriek drones voor Oekraïne?
Kan Rusland, bijvoorbeeld met de Oreshnik, deze dronefabriek uitschakelen?
Heeft Nederland de militaire capaciteit om een Oreshnik die wordt afgeschoten vanuit Rusland op deze dronefabriek te onderscheppen?
Is het correct dat de (woon)wijk De Nijverheid, op slechts anderhalve kilometer van deze dronefabriek ligt?
Wat is de verwachte nevenschade – het aantal gewonden en doden – mocht een (conventioneel bewapende) Oreshnik deze dronefabriek vernietigen?
Wat is de verwachte nevenschade – het aantal gewonden en doden – specifiek in de (woon)wijk De Nijverheid, mocht een (conventioneel bewapende) Oreshnik deze dronefabriek vernietigen?
Wat is de verwachte tijd – en dus de maximale waarschuwingstijd voor bewoners in de omgeving – tussen het moment waarop de Oreshnik wordt gelanceerd en het moment waarop de raket de dronefabriek treft?
Is het, wat u betreft, wenselijk en redelijk, dat de Nederlandse bevolking in het algemeen en de burgers van Hengelo en de bewoners van De Nijverheid in het bijzonder aan deze risico’s worden blootgesteld omdat er een dronefabriek gevestigd is in Hengelo die drones produceert voor een oorlog die, in ieder geval wat Forum voor Democratie betreft, niet onze oorlog is?
Kunt u deze vragen binnen de gebruikelijke termijn en afzonderlijk beantwoorden?
Het bericht dat de praktijkondersteuner geestelijke gezondheidszorg veel minder effectief is dan jarenlang werd aangenomen. |
|
Tamara ten Hove (PVV) |
|
Sophie Hermans (VVD) |
|
|
|
|
Heeft u kennisgenomen van het artikel «De ggz-specialist in de huisartsenpraktijk is veel minder nuttig dan gedacht, ziet deze onderzoeker» en van het daarin besproken onderzoek1?
Hoe beoordeelt u de conclusie dat de inzet van de POH-GGZ niet aantoonbaar leidt tot betere mentale gezondheidsuitkomsten op de middellange termijn en evenmin zorgt voor een afname van het gebruik van specialistische ggz-zorg? Deelt u de opvatting dat hiermee een belangrijke beleidsmatige rechtvaardiging voor de grootschalige inzet van POH-GGZ onder druk komt te staan?
Klopt het dat het aantal gebruikers van de POH-GGZ is gestegen van circa 100.000 naar circa 600.000 personen per jaar, terwijl het aantal patiënten in de basis- en specialistische ggz in dezelfde periode ongeveer gelijk is gebleven? Hoe beoordeelt u de conclusie dat de POH-GGZ hierdoor vooral een nieuwe groep zorggebruikers heeft gecreëerd in plaats van de druk op de gespecialiseerde ggz te verlichten?
Hoeveel publieke middelen zijn sinds de invoering van de POH-GGZ besteed aan deze voorziening en hoeveel bedraagt de jaarlijkse uitgave momenteel? Acht u het verantwoord dat jaarlijks honderden miljoenen euro’s worden besteed aan een interventie waarvan de gezondheidswinst volgens dit onderzoek beperkt of afwezig is?
Op basis van welke wetenschappelijke evaluaties heeft het kabinet de afgelopen jaren het beleid rondom de POH-GGZ verder uitgebreid? Kunt u een overzicht geven van onderzoeken waarin daadwerkelijk is aangetoond dat de inzet van POH-GGZ leidt tot kortere wachtlijsten, lagere zorgkosten of betere gezondheidsuitkomsten?
Hoe verklaart u dat de wachttijden in de gespecialiseerde ggz nog altijd ruim boven de Treeknorm liggen, terwijl de POH-GGZ juist werd gepresenteerd als instrument om de druk op de geestelijke gezondheidszorg te verminderen?
Bent u bereid een onafhankelijke evaluatie uit te laten voeren naar de doelmatigheid, effectiviteit en kosten-batenverhouding van de POH-GGZ, inclusief de vraag of middelen effectiever kunnen worden ingezet voor uitbreiding van behandelcapaciteit in de gespecialiseerde ggz? Zo nee, waarom niet?
Welke lessen trekt u uit de mogelijkheid dat jarenlang is geïnvesteerd in een voorziening die volgens recent onderzoek vooral heeft geleid tot extra zorgconsumptie, zonder aantoonbare verbetering van gezondheidsuitkomsten of vermindering van de druk op de gespecialiseerde ggz? Kunt u uw antwoord uitgebreid toelichten?
Gemeenten die de Spreidingswet moeten uitvoeren |
|
Lisa Westerveld (GL) |
|
Bart van den Brink (CDA) |
|
|
|
|
Kent u het bericht «Burgemeester van Maassluis steunt voornemen van eigen gemeente om «nul» asielzoekers op te nemen niet en pleit voor solidariteit» en de brief van de burgemeester van Maassluis «Reflectie coalitieakkoord»?1, 2
Deelt u de mening van de burgemeester dat ten aanzien van het asielbeleid «het van belang [is] om als gemeenten onderling solidair te zijn. Dat betekent dus gevolg geven aan de spreidingswet»? Zo ja, waarom? Zo nee, waarom niet?
Deelt u de mening dat gemeenten uitvoering moeten geven aan de Spreidingswet en dat het voornemen om geen opvangplekken voor asielzoekers te zullen gaan aanbieden in strijd is met het doel van die wet? Zo ja, waarom? Zo nee, waarom niet?
Kent u meer signalen van gemeenten die in nieuwe coalitieakkoorden het voornemen hebben opgenomen om geen opvangplekken voor asielzoekers te zullen gaan aanbieden? Zo ja, hoeveel gemeenten zijn dit en om hoeveel potentieel niet te realiseren opvangplekken gaat het?
Deelt u de mening dat het voor het lokale draagvlak ten aanzien van het opnemen van asielzoekers uiteindelijk beter is als gemeenten het aan de provinciale regietafels onderling eens worden over de verdeling van provinciale opvangopgaven in plaats van dat u die moet vaststellen of aanvullen? Zo ja, waarom? Zo nee, waarom niet?
Wat doet u om lokale bestuurders ten aanzien van het uitvoeren van de Spreidingswet te ondersteunen?
De beschikbaarheid van bouwgrondstoffen voor woningbouw, infrastructuur en waterveiligheid |
|
Dieke van Groningen (VVD) |
|
Bertram |
|
|
|
|
Bent u ermee bekend dat de provincie Gelderland haar ontgrondingenbeleid aanscherpt en daarbij meer beperkingen stelt aan de winning van primaire bouwgrondstoffen, zoals zand, grind en klei?1
In hoeverre heeft u inzicht in de gevolgen die deze provinciale beleidswijzigingen kunnen hebben voor de toekomstige beschikbaarheid van bouwgrondstoffen ten behoeve van woningbouw, infrastructuur, waterveiligheid en de energietransitie?
Kunt u aangeven hoe de nationale behoefte aan primaire bouwgrondstoffen zich de afgelopen jaren heeft ontwikkeld en hoe deze zich naar verwachting gaat ontwikkelen richting 2030, 2040 en 2050? Zo nee, waarom niet?
Beschikt het kabinet over actuele ramingen van de benodigde hoeveelheden zand, grind en klei voor de woningbouwopgave, infrastructuurprojecten, waterveiligheidsmaatregelen en de energietransitie? Zo ja, kunt u deze met de Kamer delen?
Heeft het Rijk inzicht in de cumulatieve effecten van provinciale beleidskeuzes op de nationale beschikbaarheid van bouwgrondstoffen? Zo ja, wat zijn daarvan de belangrijkste bevindingen?
In hoeverre acht u de huidige en vergunde winningscapaciteit voldoende om in de toekomstige nationale behoefte aan bouwgrondstoffen te voorzien?
Kunt u aangeven welk percentage zand, grind en andere primaire bouwgrondstoffen momenteel uit Nederland afkomstig is en welk percentage geïmporteerd wordt van buiten Nederland?
Verwacht u dat deze afhankelijkheid de komende jaren zal toenemen, indien de binnenlandse winningscapaciteit verder onder druk komt te staan? Zo ja, waarom?
Op welke manier waarborgt u dat geïmporteerde materialen niet vervuild zijn met bijvoorbeeld PFAS?
Welke risico’s ziet u voor de woningbouwopgave, infrastructuurprojecten en waterveiligheidsmaatregelen, wanneer de binnenlandse winning van bouwgrondstoffen verder afneemt?
Deelt u de opvatting dat de beschikbaarheid van primaire bouwgrondstoffen een nationaal strategisch belang is, gelet op de grote maatschappelijke opgaven waarvoor Nederland staat?
Hoe beziet u de verhouding tussen provinciale bevoegdheden ten aanzien van ontgrondingen enerzijds en de nationale belangen op het gebied van woningbouw, infrastructuur, waterveiligheid en economische ontwikkeling anderzijds?
Deelt u de opvatting dat provincies met winbare voorraden van bouwgrondstoffen, binnen de randvoorwaarden van natuur- en omgevingsbeleid, een verantwoordelijkheid hebben om bij te dragen aan de nationale grondstoffenvoorziening?
Bent u bereid om samen met provincies in kaart te brengen of de toekomstige beschikbaarheid van bouwgrondstoffen voldoende is om de nationale opgaven op het gebied van woningbouw, infrastructuur, energietransitie en waterveiligheid te realiseren?
Bent u, indien blijkt dat we door provinciale beleidskeuzes te weinig beschikking hebben over bouwgrondstoffen, bereid hier het gesprek over te voeren en in te grijpen?
Bent u bereid de Kamer te informeren over eventuele knelpunten in de toekomstige beschikbaarheid van bouwgrondstoffen en mogelijke maatregelen om deze te voorkomen?
Het bericht ‘Gedoodverfd opvolger van DigiD is niet te gebruiken zonder Gmail-account of Apple-ID’ |
|
Barbara Kathmann (PvdA) |
|
Aerdts , Pieter Heerma (CDA) |
|
|
|
|
Bent u bekend met het bericht «Gedoodverfd opvolger van DigiD is niet te gebruiken zonder Gmail-account of Apple-ID»?1
Deelt u de mening dat apps en oplossingen die ontwikkeld worden door de Rijksoverheid altijd zo toegankelijk mogelijk zouden moeten zijn voor elke Nederlander? Zo ja, hoe beoordeelt u dan de keuze tot verplichting van een Google-account of Apple-ID voor het gebruik van NL Wallet?
Deelt u de mening dat ook mensen die geen gebruik maken van telefoons met Google of van telefoons met Apple-ID in staat zouden moeten zijn om gebruik te maken van NL Wallet? Zijn deze mogelijkheden bij de ontwikkeling van NL Wallet verkend? Zo ja, waarom is dan gekozen om alsnog voor deze technische voorwaarden te gaan voor NL Wallet? Zo nee, waarom niet?
Deelt u de mening dat in het kader van toegankelijkheid ook mensen die geen gebruik willen of kunnen maken van een smartphone de app NL Wallet zouden moeten kunnen gebruiken? Zo nee, waarom niet?
Kunt u uitleggen waarom DigiD wel te gebruiken is voor mensen zonder iOS-telefoon of Google-account of zonder smartphone? Waarin verschilt DigiD van NL Wallet waardoor dit voor NL Wallet niet mogelijk zou zijn?
Hoe complex is het om de NL Wallet zo om te bouwen dat het hebben van een Apple Account of Google Account niet voorwaardelijk is?
Kunt u garanderen dat NL Wallet niet de rol van DigiD in de toekomst zal overnemen, zo lang voor het gebruik van NL Wallet een Apple-ID of Google-account voorwaardelijk is? Zo ja, hoe? Zo nee, waarom niet?
Kunt u garanderen dat organisaties die op dit moment DigiD ondersteunen en die NL Wallet willen ondersteunen, in de toekomst DigiD ook blijven ondersteunen naast NL Wallet? Zo nee, deelt u de mening dat dat betekent dat Nederlanders tot het gebruik van een Google-account of Apple-ID worden gedwongen?
Kunnen gebruikers van NL Wallet van wie het Google-account of de Apple-ID om wat voor reden dan ook door Google of Apple wordt geblokkeerd gebruik blijven maken van NL Wallet? Zo nee, kunt u dan garanderen dat Nederlanders die gebruik maken van NL Wallet niet in de problemen komen? Zo ja, kunt u aangeven waarom dit acceptabel is?
Hoe kijkt u vanuit het oogpunt van digitale soevereiniteit naar de keuze om een Google-account of Apple-ID voor een NL Wallet voorwaardelijk te maken?
Hoe bent u van plan om in het vervolg, bij ontwikkeling van apps door de overheid, het gemak van de ontwikkeling af te wegen tegen digitale soevereiniteit en toegankelijkheid?
Kunt u deze vragen afzonderlijk van elkaar en binnen de gestelde termijn beantwoorden?
Spoorgoederenvervoer |
|
Björn Schutz (VVD) |
|
Bertram |
|
|
|
|
Bent u bekend met het artikel «Investigation confirms: Dutch rail freight costs far exceed those of neighbouring countries»?1
Herkent en onderschrijft u de analyse van spoorgoederenkosten/infraheffingen die ProRail en Havenbedrijf Rotterdam hebben gemaakt?
Erkent u dat de Nederlandse economie is gebaat bij een (goederen)vervoerssysteem verspreid over de diverse modaliteiten?
In hoeverre onderschrijft u de stelling dat er de afgelopen jaren sprake is van een «reverse modal shift», waarbij goederen die voorheen per spoor of binnenvaart werden vervoerd, steeds vaker via de weg worden vervoerd? Kunt u uw antwoord toelichten?
Bent u – zoals uit het artikel blijkt – van mening dat de hoge kosten waar spoorgoederenvervoer bedrijven zich in Nederland voor gesteld zien, bijdragen aan deze «reverse modal shift»? Zo nee, waarom niet?
Waarom heeft Nederland geen gelijk speelveld met de met ons omringende landen?
Worden de infraheffingen voor het rijden van goederentreinen en die voor het opstellen en rangeren van goederentreinen taakstellend bepaald of vastgesteld? Zo ja, door wie?
Wie neemt het besluit en wat is de basis voor de infraheffingstarieven?
Wordt bij de vaststelling van de infraheffingen gestuurd op een optimaal evenwicht tussen opbrengsten uit infraheffingen en het behoud of de groei van het goederenvervoer per spoor? Daarbij rekening houdend met de prijsgevoeligheid van verladers bij de keuze tussen vervoerwijzen. Kunt u dit toelichten?
Welke factoren bepalen de hoogte van de infraheffingstarieven? Kunt u toelichten hoe deze factoren worden meegewogen?
Wordt er daarbij rekening gehouden met tarieven in het buitenland?
Welke mogelijkheden ziet u om het spoorgoederenvervoer in Nederland een «level playing field» te bieden met het buitenland?
Is er een relatie tussen de hoogte van de infraheffing en de geleverde kwaliteit van de dienstverlening van de nationale spoorbeheerder? Zo nee, waarom niet?
Is het niet zaak nu het vervoer per spoor Europees (zowel personen- als goederenvervoer) meer wordt geüniformeerd (bijv. qua stelsel, marktordening, spoorveiligheid, etc.) om ook de publieke lastendruk van de spoorgoederensector (meer) te harmoniseren?
Zijn de infraheffingen voor het opstellen van goederentreinen op de emplacementen in de havens, bij de inland terminals en in de industriegebieden, in lijn met die van het wegtransport? Kunt u dit toelichten?
Welke mogelijkheden ziet u verder om van overheidswege de «reverse modal shift» te keren?
Bent u bereid deze schriftelijke vragen te beantwoorden voor het commissiedebat Spoorgoederenvervoer van woensdag 17 juni 2026?
Kunt u toelichten waarom de voor DigiD benodigde digitale infrastructuur en diensten niet rijksbreed zijn georganiseerd, maar via afzonderlijke aanbestedingen en contracten worden ingekocht? Welke afwegingen liggen hieraan ten grondslag?
Wanneer gaat het kabinet kritieke digitale overheidsvoorzieningen, zoals DigiD, MijnOverheid, Digipoort en vergelijkbare voorzieningen, wél rijksbreed organiseren of ten minste rijksbreed normeren?
Hoe en wanneer geeft het kabinet uitvoering aan de aangenomen motie-Van den Berg c.s. over een rijksbreed dataclassificatie- en datalocatiebeleid (Kamerstuk 26 643, nr. 1482)?
Welke concrete stappen zijn sinds aanneming van deze motie gezet, welke bewindspersoon is eerstverantwoordelijk en wanneer ontvangt de Kamer een voortgangsrapportage?
Welke voorzieningen kwalificeert het kabinet, naast DigiD, als kritieke digitale overheidsinfrastructuur?
Bestaat er inmiddels een rijksbreed overzicht van kritieke digitale overheidsvoorzieningen en de daarbij betrokken niet-Nederlandse of niet-Europese leveranciers? Zo nee, waarom niet?
Wanneer komt er een dergelijk overzicht, inclusief inzicht in cloud, hosting, beheer, datatoegang, encryptiesleutels, operationele zeggenschap, onderaannemers, ketenafhankelijkheden en exittermijnen?
Wat is het doel van het kabinet ten aanzien van de toekomstige inrichting van DigiD? Is het streven gericht op andere technologie, een andere leverancier, Europese of Nederlandse zeggenschap, publiek beheer of een combinatie daarvan?
Welke rol speelt digitale soevereiniteit precies bij de toekomstige inrichting van DigiD? Welke concrete risico’s worden hiermee beoogd te verminderen?
Hoe verhoudt het Nederlandse beleid zich tot landen die eveneens streven naar digitale autonomie, maar daarbij gebruikmaken van technologie van niet-Europese aanbieders?
In de kabinetsreactie van 23 mei 2025 op de motie-Koekkoek (Kamerstuk 26 643, nr. 1338) werd gesteld dat er kwalitatief hoogwaardige Europese clouddiensten beschikbaar zijn. Op welke concrete marktverkenning, technische toets of aanbestedingservaring was die conclusie gebaseerd? Zag die conclusie bovendien op generieke clouddiensten, of ook op kritieke digitale identiteitsinfrastructuur zoals DigiD, MijnOverheid en Digipoort?
Welke concrete stappen zijn tussen 23 mei 2025 en 2 juni 2026 gezet om Nederlandse of Europese alternatieven daadwerkelijk geschikt te maken voor het beheer van DigiD of vergelijkbare kritieke voorzieningen?
In eerdere beantwoording heeft u gesteld dat sprake is van gelijkwaardige technologieën van Europese en Nederlandse aanbieders. Wat verstaat het kabinet precies onder een «gelijkwaardig alternatief» voor de huidige DigiD-dienstverlening?
Welke criteria worden gehanteerd om vast te stellen of een alternatief gelijkwaardig is? Wordt daarbij gekeken naar functionaliteit, schaalbaarheid, beveiliging, beschikbaarheid, betrouwbaarheid, certificeringen, prestaties, migratierisico’s, operationele ervaring, continuïteit en bewezen beheer van kritieke digitale infrastructuur op nationale schaal?
Deelt u de opvatting dat DigiD vanwege zijn unieke en kritieke rol moeilijk één-op-één vergelijkbaar is met generieke cloud-, hosting- of authenticatiediensten? Zo nee, waarom niet? Zo ja, kunt u toelichten hoe deze unieke rol van DigiD zich verhoudt tot de conclusie van de ACM dat er voldoende concurrentie overblijft omdat er andere IT-dienstverleners zijn die soortgelijke diensten leveren?
Wat verstaat het kabinet in dit verband onder «soortgelijke diensten»? Gaat het daarbij om algemene IT-dienstverlening, of specifiek om bewezen beheer van kritieke digitale identiteitsinfrastructuur op nationale schaal?
Welke minimale eisen gelden voor cloud, hosting, beheer, encryptiesleutels, toegangsbeheer, logging, monitoring, incidentrespons, onderaannemers en operationele zeggenschap bij DigiD?
Hoe wordt geborgd dat encryptiesleutels, beheerrechten en operationele toegang tot DigiD niet onder zeggenschap vallen van niet-Europese moederbedrijven of buitenlandse wettelijke bevoegdheden?
Heeft iedere kritieke digitale overheidsvoorziening een actueel exitplan? Zo ja, hoe vaak worden deze exitplannen getest?
Welke kritieke digitale voorzieningen hebben een verwachte migratietermijn van meer dan zes maanden, en welke continuïteitsrisico’s levert dat op?
Welke onderdelen van de TFEV- of BTI-analyse rond Solvinity/Kyndryl kunnen openbaar met de Kamer worden gedeeld, en welke onderdelen kunnen vertrouwelijk worden verstrekt?
Kunt u de vragen afzonderlijk en voor het commissiedebat inzake Bescherming persoonsgegevens en grote datalekken van 25 juni aanstaande beantwoorden?
Het bericht 'VS wil meer NAVO-landen kernwapens laten huisvesten, Oost-Europa dringt aan' |
|
Sarah Dobbe (SP) |
|
Berendsen , Dilan Yeşilgöz-Zegerius (VVD) |
|
|
|
|
Wat is uw reactie op het bericht dat de VS onderzoekt om meer NAVO-landen Amerikaanse kernwapens te laten stationeren?1
Met welke landen is de VS hierover in overleg?
Klopt het dat President Trump in zijn eentje kan besluiten tot inzet van deze kernwapens? Zo ja, wat is de reactie van het kabinet daarop?
Kunt u bevestigen dat tactische kernwapens bedoeld zijn voor inzet in Europa? Zo ja, wat voor gevolgen heeft dat van eventuele offensieve en defensieve inzet in Europa? Zo nee, welk doel hebben deze kernwapens dan?
In hoeverre is dit in lijn met het Non-Proliferatie Verdrag?
Wat is de positie van het kabinet op dit mogelijke voorstel? Hoe verhoudt dit zich tot het nucleaire samenwerkingsprogramma met Frankrijk?
Is het stationeren van extra kernwapens in Europese landen een bilaterale aangelegenheid of NAVO-beleid?
Wat is uw perspectief op het scenario waarin meer Europese landen Amerikaanse kernwapens stationeren, terwijl de ambitie is om militair minder afhankelijk te worden van Amerika?
Welke tegenmaatregelen verwacht het kabinet vanuit Rusland als de VS hiertoe over gaat? Wat betekent dit voor de veiligheid van Europa?
Denkt u dat het stationeren van kernwapens dicht bij de Russische grens bijdraagt aan de-escalatie en een diplomatieke oplossing voor de oorlog in Oekraïne? Zo nee, wat gaat u daaraan doen? Zo ja, waarom?
Bent u bereid dit onderwerp te agenderen voor de aanstaande NAVO-top? Zo nee, waarom niet?
Wilt u deze vragen beantwoorden voorafgaand aan Debat over de Europese top op 16 juni?
De financiële onzekerheid van Iraanse studenten in Nederland |
|
Fatihya Abdi (PvdA) |
|
Bart van den Brink (CDA), Letschert |
|
|
|
|
Kent u het bericht dat Iraanse studenten in Nederland op dit moment in betalingsproblemen komen en mogelijk moeten terugkeren naar Iran als zij, bijvoorbeeld, hun collegegeld niet kunnen betalen? Zo ja, klopt dit bericht?1
Wat is precies bekend over de omstandigheden waaronder Iraanse studenten in Nederland verblijven? Zijn u coulanceregelingen bekend voor het treffen van een betalingsregeling als Iraanse studenten in financiële problemen geraken? Zo ja, welke onderwijsinstellingen bieden financiële ondersteuning en waaruit bestaan deze regelingen precies voor wat betreft ondersteuning bij de kosten voor levensonderhoud, studiekosten en dergelijke?
Klopt het dat bij het niet voldoen van het collegegeld automatische uitschrijving bij de onderwijsinstelling volgt en dat dan ook het verblijfsrecht in Nederland vervalt? Zijn u gevallen bekend waarin Iraanse studenten door financiële problematiek hun verblijfsrecht in Nederland dreigen te verliezen? Zo ja, om hoeveel studenten gaat het hier?
Bent u bereid om te onderzoeken hoe Iraanse studenten in Nederland financieel kunnen worden ondersteund bij de studiekosten en kosten van het levensonderhoud? Zo nee, waarom niet?
Bent u bereid om met onderwijsinstellingen in gesprek te gaan om te voorkomen dat betalingsproblemen leiden tot uitschrijving bij de betreffende onderwijsinstelling? Zo nee, waarom niet?
Bent u bereid om bij deze groep Iraanse studenten in Nederland af te zien van het intrekken van studievisa? Zo nee, waarom niet?
Bent u bereid om samen met onderwijsinstellingen te bezien hoe onder de huidige omstandigheden materiële en mentale steun aan de groep Iraanse studenten in Nederland geboden kan worden? Zo nee, waarom niet?
Bent u bereid om, met het oog op de naderende deadline voor de inschrijving aan onderwijsinstellingen, deze schriftelijke vragen zo snel als mogelijk te beantwoorden?
De grootschalige handel in designerdrugs |
|
Mirjam Bikker (CU) |
|
David van Weel (VVD) |
|
|
|
|
Bent u bekend met het bericht dat Nederlandse bedrijven voor bijna twee miljard euro aan gevaarlijke designerdrugs uit India hebben geïmporteerd?1, 2
Deelt u de ernstige zorgen over de omvang van deze handel, waarbij circa 153.000 kilo aan middelen is ingevoerd en met zeer hoge winstmarges wordt doorverkocht?
Hoe beoordeelt u het morele aspect van deze handel, waarbij willens en wetens middelen worden verhandeld die in verband worden gebracht met verslaving, hersenschade en sterfte? Kunt u toezeggen dat u er van uw kant alles aan doet om politie en justitie in staat te stellen dit krachtig te bestrijden? Zo ja, wat bent u van plan om aanvullend te doen?
Deelt u de zorg dat de handel in designerdrugs mede wordt gefaciliteerd door het gebruik van bv-constructies die persoonlijke aansprakelijkheid afschermen, en welke mogelijkheden ziet u om natuurlijke personen achter deze constructies directer aansprakelijk te stellen en hun crimineel verkregen vermogen af te pakken?
In hoeverre acht u het huidige instrumentarium toereikend om te voorkomen dat producenten via kleine chemische aanpassingen de Opiumwet blijven omzeilen? Kunt u reflecteren op de effectiviteit van het per 1 juli 2025 ingevoerde groepenverbod en in hoeverre dit het «kat-en-muisspel» daadwerkelijk heeft doorbroken?
Deelt u de zorg dat nog altijd risicovolle middelen buiten het bereik van het groepenverbod vallen? Welke aanvullende aanscherpingen zijn wat u betreft nodig, en bent u bereid hier met spoed werk van te maken?
Hoe beoordeelt u het dat na het sluiten van 43 websites de handel grotendeels doorgaat via buitenlandse websites en besloten kanalen, en welke aanvullende maatregelen zijn nodig om dat een halt toe stoppen?
Welke inzet pleegt u om deze handel internationaal, met name richting India, bij de bron aan te pakken? Wat gaan u en uw collega van Buitenlandse Zaken aanvullend doen om dit aan te pakken?
Deelt u de opvatting dat naast repressie ook een krachtige norm nodig is tegen drugsgebruik, en welke concrete maatregelen neemt u om het gebruik van designerdrugs actief te ontmoedigen, met name onder jongeren?
Het bericht 'Baanbrekende en miljoenenbesparende zorginnovaties sneuvelen door starre regels rond financiering: 'Dit is niet uit te leggen'' |
|
René Claassen (PVV) |
|
Herbert , Sophie Hermans (VVD) |
|
|
|
|
Bent u bekend met het bericht «Baanbrekende en miljoenenbesparende zorginnovaties sneuvelen door starre regels rond financiering»?1
Deelt u de constatering dat veel veelbelovende zorginnovaties niet verder komen dan de pilotfase en dat dit vooral te wijten is aan de complexe bekostiging? Zo nee, op basis van welke cijfers?
Hoeveel zorginnovaties die in een pilot- of proeftuinfase aantoonbaar kosteneffectief zijn gebleken, zijn de afgelopen vijf jaar daadwerkelijk opgeschaald naar reguliere, structureel bekostigde zorg? Kunt u dit per jaar uitsplitsen?
Bent u bereid de Kamer per brief een overzicht te sturen van de gemiddelde kosten die medtech-bedrijven maken van concept tot markttoelating en vergoeding (R&D, klinische validatie, CE-markering/MDR, markttoegang), en die kosten zowel economisch als gezondheidseconomisch te duiden?
Bent u bereid in diezelfde brief dezelfde uitsplitsing op te nemen voor biotech-bedrijven, met onderscheid tussen diagnostiek en farmaceutische ontwikkeling, en die ook economisch en gezondheidseconomisch te duiden?
Beschikt u (of het Zorginstituut, de NZa en Invest-NL) überhaupt over een integraal beeld van deze kosten per subsector? Zo nee, hoe kan het kabinet dan gericht innovatie- en bekostigingsbeleid voeren?
Welk deel van deze kosten komt voort uit regeldruk en bekostigingseisen die de overheid zelf oplegt (MDR/IVDR, pakketbeoordeling, schotten in de bekostiging), en welke maatregelen neemt u om juist dat deel te verlagen?
Welk percentage van de medtech- en biotech-startups dat seed funding ontvangt, haalt een vervolgronde (Serie A en verder) en bereikt de markt? Kunt u dit uitsplitsen naar (a) medtech, (b) biotech-diagnostiek en (c) biotech-farma?
Kunt u deze slagingskansen ook uitsplitsen per regio of life-sciences-cluster (onder meer Leiden, Oss/Brabant, Eindhoven, Nijmegen, Groningen, Amsterdam, Utrecht en Limburg)? Welke regio’s blijven achter, en waarom?
Klopt het dat de meeste Nederlandse zorginnovaties sneuvelen in de fase na seed funding, de zogenoemde «valley of death»? Welk maatschappelijk en economisch rendement gaat hierdoor naar uw schatting jaarlijks verloren?
Hoeveel van de bedrijven die via het Nationaal Groeifonds zijn ondersteund (volgens recente analyses circa 1,3 miljard euro voor life sciences, waaronder 246 miljoen euro via het programma Biotech Booster) zijn inmiddels doorgegroeid naar de opschalings- of marktfase, en hoe verhoudt zich dat tot de gestelde doelen?2
Hoe verhouden de slagingskansen, doorlooptijden en kosten om zorginnovaties naar de markt te brengen zich tot die in België en Duitsland? Kunt u dit kwantitatief onderbouwen?
Op welke punten presteren België (onder meer Vlaanderen) en Duitsland aantoonbaar beter in het opschalen en vergoeden van bewezen zorginnovaties, en welke concrete lessen trekt u daaruit?
Deelt u de zorg dat Nederlandse zorginnovatoren en investeringen weglekken naar het buitenland wanneer opschaling en vergoeding hier trager en duurder verlopen dan over de grens? Zo nee, waarom niet?
Bent u of is uw ministerie de afgelopen kabinetsperiode met uw Belgische en Duitse ambtsgenoten in gesprek geweest over grensregionale samenwerking bij de financiering, validatie en opschaling van zorginnovaties? Zo ja, met welk resultaat? Zo nee, waarom niet?
Ziet u kansen om voor een grensregio als Limburg een gezamenlijke, grensoverschrijdende proeftuin voor zorginnovatie met gedeelde financiering op te zetten, samen met kennisinstellingen als Maastricht University, UHasselt en RWTH Aachen en de ROM LIOF (en de ROM-equivalenten België en Duitsland)? Zo nee, waarom niet?
Bent u bereid de Interreg-structuren (Euregio Maas-Rijn en Vlaanderen–Nederland) gerichter in te zetten om financierings- en regelgevingsbarrières voor zorginnovaties in de grensregio weg te nemen?
Bent u bereid gezamenlijk te komen tot een concreet plan van aanpak om de «valley of death» voor bewezen, kostenbesparende zorginnovaties te overbruggen, inclusief meetbare doelen en een tijdpad waarop de Kamer de voortgang kan toetsen?
Bent u bereid de in de vragen 4 en 5 genoemde Kamerbrief uiterlijk voor de aanstaande begrotingsbehandeling te sturen en daarin ook (a) de slagingskansen na seed funding per regio en (b) een vergelijking met België en Duitsland op te nemen?
Kunt u inzichtelijk maken hoeveel medtech- en biotech-bedrijven zich de afgelopen vijf jaar uit kansarme of krimpregio’s hebben teruggetrokken of zijn vertrokken naar de Randstad of het buitenland, welk verlies dat opleverde, en hoe de ROM-investeringen (e.g. LIOF, BOM, Oost NL, etc.) in zorginnovatie over de regio’s zijn verdeeld?
Welke formele eisen aan eigen inbreng of cofinanciering stellen publieke fondsen en de ROM’s (waaronder LIOF en BOM) bij seedfinanciering aan startups, en zijn deze publiek kenbaar?
In hoeverre hanteren individuele investment managers en investeringscommissies van deze fondsen daarbovenop informele, niet-gecodificeerde verwachtingen over eigen inbreng van oprichters (bijvoorbeeld een bedrag in de orde van 50.000 euro of een co-investeringseis), en in hoeveel gevallen is zo’n verwachting een drempel of afwijzingsgrond gebleken?
Welk deel van de ontwikkelkosten van veelbelovende medtech- en diagnostiekstartups gaat op aan het voldoen aan de MDR en IVDR (klinische evaluatie, technische documentatie, beoordeling door een aangemelde instantie), en hoeveel startups komen hierdoor in financiële problemen of haken af?
In hoeverre hanteren publieke fondsen en ROM’s bij seedfinanciering voorwaarden die een redelijk ondernemerssalaris voor oprichters beperken of ontmoedigen, en hoeveel oprichters stoppen mede daardoor?
In hoeverre leiden de rendements- en revolverendheidseisen aan de ROM’s ertoe dat publiek kapitaal vooral naar veilige, latere-fase- en Randstad-investeringen vloeit, ten koste van vroege-fase-zorginnovatie in kansarme regio’s?
Bent u bereid, als kansarme regio’s structureel blijken achter te blijven, gezamenlijk geoormerkt extra kapitaal vrij te maken voor de ROM’s in die regio’s, gericht op behoud en opschaling van zorginnovatie?
Bent u bereid de seedfinanciering voor zorgtechstartups (incl. biotech en medtech) te verhogen en de eis van een directe, substantiële eigen inbreng te schrappen of te versoepelen?
Bent u bereid een subsidieregeling in te richten die voor kansrijke medtech- en diagnostiekstartups een groot deel van de MDR- en IVDR-nalevingskosten vergoedt?
Bent u bereid de ROM’s en publieke fondsen ertoe aan te zetten oprichters tijdens de seedfase een redelijk salaris toe te staan, in plaats van te verlangen dat zij zonder inkomen ondernemen?
Bent u bereid de opdracht en rendementseisen van de ROM’s zo bij te stellen dat vroege-fase-zorginnovatie in kansarme regio’s wordt aangemoedigd, en de Kamer met meetbare doelen en periodieke rapportage te tonen of het extra kapitaal daadwerkelijk in die regio’s en die vroege fase terechtkomt?
De discrepantie tussen de gestegen AOW-leeftijd en huidige berekening van seniorendagen |
|
Henk Vermeer (BBB) |
|
Hans Vijlbrief (D66) |
|
|
|
|
Hoe rijmt u het feit dat in diverse cao’s (waaronder Metaal en Techniek) de automatische berekening van seniorendagen (rekentool) stopt bij 65 jaar, terwijl de wettelijke AOW-leeftijd inmiddels 67 jaar of hoger is, en werknemers dus feitelijk twee jaar langer moeten doorwerken zonder deze extra verlofdagen?
Bent u van mening dat het laten vervallen van seniorendagen op 65-jarige leeftijd, terwijl de wettelijke pensioenleeftijd stijgt, in strijd is met het kabinetsdoel om mensen langer gezond aan het werk te houden?
Op welke wijze kunnen cao-partijen (werkgevers en vakbonden) worden gestimuleerd om de rekentools en de bepalingen in de cao direct in lijn te brengen met de actuele AOW-leeftijd, om onduidelijkheid en onrechtvaardigheid op de werkvloer te voorkomen?
Ziet het kabinet een risico op leeftijdsdiscriminatie (Wet gelijke behandeling op grond van leeftijd bij de arbeid (WGBL)) wanneer seniorendagen stoppen bij 65 jaar, maar de pensioenleeftijd voor iedereen gelijk is?
Wat is de stand van zaken ten aanzien van het meebewegen van (cao-)rekentools met de levensverwachting, zoals afgesproken in het pensioenakkoord?
Op welke termijn kunnen werknemers verwachten dat de berekening van extra vakantierechten voor oudere werknemers (zoals in artikel 51 cao’s) automatisch wordt aangepast aan de AOW-gerechtigde leeftijd?
Hoe rijmt u het verdwijnen van seniorendagen vanaf 65 jaar met de noodzaak om fysiek of mentaal zware beroepen werkbaar te houden tot de verhoogde pensioenleeftijd?
Hoewel arbeidsvoorwaarden primair een zaak zijn van sociale partners, draagt u systeemverantwoordelijkheid voor de arbeidsmarkt en volksgezondheid. Bent u daarom bereid om op zeer korte termijn in gesprek te gaan met de Stichting van de Arbeid om een landelijke richtlijn of handreiking op te stellen, die garandeert dat seniorendagen in cao’s organisch doorlopen tot aan de feitelijke, individuele AOW-datum van de werknemer? Zo nee, waarom niet?