Mogelijke normalisatie van de relatie met Turkije |
|
Sadet Karabulut (SP) |
|
Stef Blok (minister buitenlandse zaken) (VVD) |
|
|
|
|
Kent u het bericht van Human Rights Watch (HRW), waarin wordt gesteld dat nu weliswaar de noodtoestand is opgeheven in Turkije maar dat dit slechts een geschreven werkelijkheid is omdat veel van de beperkingen die onder de noodtoestand golden, behouden zullen blijven wanneer een concept wetsvoorstel aangenomen wordt? Deelt u de mening van de directeur van HRW, de heer Hugh Williamson, dat dit wetsvoorstel, waarmee de president vergaande bevoegdheden zal krijgen om rechters te ontslaan, de vrijheid van beweging en vereniging te limiteren en politieke gevangen langdurig, zonder proces vast te houden, van tafel zou moeten? Zo ja, heeft u dit in uw gesprekken met de Turkse autoriteiten kenbaar gemaakt? Zo nee, bent u bereid dit alsnog te doen?1 2
Het bericht is bekend. Dit nieuws past in het bredere beeld van de achteruitgang op het gebied van rechtsstaat en mensenrechten in Turkije. Nederland stelt de zorgen over de rechtsstaat en mensenrechten in Turkije regelmatig aan de orde, onder andere binnen de Europese Unie en in het kader van de Raad van Europa (RvE). Nederland speelt hierin een voortrekkersrol en zal ook in de toekomst de zorgen over de rechtsstaat in Turkije actief blijven aankaarten in EU- en RvE-kader, net als in bilaterale contacten. Daarin zal nadrukkelijk ook aandacht zijn voor wetgeving die indruist tegen de grondbeginselen van de democratische rechtsstaat.
Deelt u de mening dat gezien bovenstaande (de teloorgang van de rechtsstaat en de gevangenschap van veel politieke leiders van de oppositie en journalisten) van normalisatie van de relatie met Turkije geen sprake kan zijn? Zo ja, hoe verhoudt dat zich tot herstel van de diplomatieke relaties?3 Zo nee, welke voorwaarden heeft u gesteld aan normalisatie van de relatie met Turkije?4
Normale diplomatieke betrekkingen zijn essentieel om met andere landen samen te werken op gebieden van gezamenlijk belang, maar ook om zorgen te bespreken.
Met Turkije is in de gesprekken die leidden tot de normalisatie expliciet besproken dat deze normalisatie van de betrekkingen niet inhoudt dat we het eens zijn over de feiten en appreciatie van wat er op 11 maart 2017 is gebeurd. Ook houdt normalisatie niet in dat we nu en in de toekomst geen zorgen hebben over wat er in Turkije gebeurt. Diplomatieke betrekkingen op het hoogste niveau bieden juist een mogelijkheid om ook deze zorgen te bespreken.
Op welke wijze heeft u uitvoering gegeven aan de motie-Karabulut cs. over onmiddellijke vrijlating van alle politieke gevangenen?5
Zoals ook vermeld in het verslag van de Raad Algemene Zaken van 26 juni jl. (Kamerstuk 21501–02 nr. 1890) heeft de Nederlandse tijdelijk zaakgelastigde in Ankara als uitvoering van deze motie contact opgenomen met de Turkse autoriteiten en op hoogambtelijk niveau aandacht gevraagd voor de oproep om HDP-leider Demirtaş en andere parlementsleden vrij te laten. Deze oproep was in lijn met eerdere uitlatingen van de Venetië Commissie van de Raad van Europa en de EU over immuniteit voor parlementariërs in Turkije. Het bleek helaas niet mogelijk om deze oproep samen met gelijkgestemde landen over te brengen.
Op 6 juni 2017 werd de voorzitter van Amnesty International Turkije, de heer Taner Kiliç, gearresteerd. De motie Karabulut/Van Ojik (Kamerstuk 37 775-V, nr. 24) verzoekt het Kabinet de oproep van mensenrechtenorganisaties tot de directe vrijlating van Taner Kiliç en het intrekken van de aanklachten tegen hem te steunen. Nederland heeft zich zowel individueel als in EU-verband ingezet voor deze zaak. Daarnaast was een vertegenwoordiger van de Nederlandse ambassade bij de rechtszittingen aanwezig. Op 15 augustus jl. is bekend gemaakt dat de heer Kiliç in afwachting van de verdere behandeling van zijn zaak is vrijgelaten. Het kabinet zal ook de komende tijd aandacht blijven houden voor de zaak van de heer Kiliç en de ontwikkelingen nauwlettend volgen. Het Kabinet beschouwt daarmee ook deze motie als uitgevoerd.
Heeft Turkije, dat zich beroept op zelfverdediging, artikel 5 van het VN-handvest, in NAVO-verband inmiddels concreet bewijs geleverd met betrekking tot de legitimering van de inval in Noord-Syrië? Zo nee, bent u dan bereid deze illegale inval te veroordelen? Zo nee, waarom niet?6
Een appreciatie van het Turkse offensief in de Afrin-regio en de Turkse onderbouwing van het beroep op het recht op zelfverdediging, is door het kabinet gedeeld in de Kamerbrief «Nederlandse inzet in Syrië» van 14 maart 2018 (referentie DEU-1502/2018). Sinds het verschijnen van deze brief zijn er volgens het kabinet geen nieuwe ontwikkelingen die de legitimiteitsvraag van het Turkse offensief in Afrin in een ander daglicht stellen.
Het bericht ‘Voeding krijgt plek in opleiding geneeskunde Amsterdam’ |
|
Léonie Sazias (50PLUS), Corrie van Brenk (PvdA) |
|
Bruno Bruins (minister volksgezondheid, welzijn en sport) (VVD) |
|
|
|
|
Bent u bekend met het bericht «Voeding krijgt plek in opleiding geneeskunde Amsterdam»?1
Ja.
Wat is uw visie op de rol van voeding binnen de gezondheidszorg?
Het belang van de rol van voeding binnen de gezondheidszorg staat voor mij buiten kijf. Voeding is een van de belangrijke leefstijlfactoren die invloed hebben op het risico op het ontstaan van met name chronische ziekten. Terecht neemt daarom de aandacht voor de rol van voeding in de gezondheidszorg toe. De afspraak in het regeerakkoord om te bevorderen dat bewezen effectieve interventies, onder andere op het gebied van voeding, een plek krijgen in medische opleidingen en richtlijnen, sluit hierbij aan.
Ik wijs ook op de bekende «Schijf van Vijf». De Schijf van Vijf is gebaseerd op de Richtlijnen goede voeding van de Gezondheidsraad en richt zich op het voorkomen van (chronische) ziekten via voeding. Op verzoek van VWS heeft ZonMw de kennissynthese «Voeding als behandeling van chronische ziekten» opgesteld. De conclusie van deze kennissynthese is dat voeding een prominentere plaats bij de behandeling van chronische ziekten verdient en in belangrijke mate kan bijdragen aan gezondheidswinst. De grootste gezondheidswinst is te behalen bij de behandeling van cardio-metabole aandoeningen (cardiovasculaire ziekten, diabetes mellitus type 2 en nierziekten) en van diverse darmaandoeningen. Voedingsmaatregelen leiden vaak tot algemene, ziekteoverstijgende gezondheidseffecten en vormen hierdoor een belangrijke therapeutische optie wanneer er sprake is van multimorbiditeit.
Hoe beoordeelt u de stelling dat de juiste voeding een grote bijdrage levert aan het voorkomen van aandoeningen, een beter herstel en/of verbetering van de levenskwaliteit? Kunt u uw antwoord toelichten?
Zie antwoord vraag 2.
Hoe beoordeelt u het bericht dat uit een onderzoek blijkt dat studenten geneeskunde tijdens hun zesjarig curriculum gemiddeld nog geen 30 uur voedingsonderwijs krijgen? Vindt u dit in verhouding staan met de invloed van voeding op de gezondheid? Kunt u uw antwoord toelichten?
De eindkwalificaties van de Nederlandse geneeskunde-opleidingen zijn vastgelegd in het Raamplan Artsopleiding 2009 (het Raamplan), dat omschrijft aan welke eisen een beginnend arts minimaal moet voldoen. Het Raamplan geeft een duidelijke beschrijving van de academische en professionele doestellingen van de opleidingen geneeskunde. Het Raamplan wordt opgesteld door de Nederlandse Federatie van Universitair Medische Centra (NFU). De eindtermen uit het Raamplan worden door de individuele medische faculteiten vertaald in het curriculum van de geneeskunde-opleidingen. De Nederlands-Vlaamse Accreditatie Organisatie (NVAO) ziet erop toe dat de opleidingen geneeskunde aan de eisen van het Raamplan voldoen. In het raamplan wordt onder preventie «voeding» en onder voedingsgerelateerde ziekten «voeding en gezondheid» genoemd. De geneeskunde-opleidingen voldoen daarmee aan de eisen die op dit punt worden gesteld. Opleidingen werken voortdurend aan het up-to-date houden van hun curriculum. Ik kan mij, gezien de toenemende aandacht voor het belang van voeding in de gezondheidszorg, voorstellen dat in de curricula van de verschillende geneeskunde-opleidingen (en andere zorgopleidingen) voeding en leefstijl een prominentere rol krijgen. Gelet op de in Nederland geldende vrijheid van onderwijs, kan de overheid echter niet voorschrijven wat in de curricula wordt opgenomen.
Daarnaast is het van belang dat artsen op de hoogte zijn van de verschillende verwijsmogelijkheden op het gebied van voeding en leefstijl zodat de patiënt zo nodig specialistische hulp krijgt. Dat kan bijvoorbeeld zijn van een diëtist en vanaf 1 januari 2019 ook de Gecombineerde Leefstijlinterventie (GLI), zoals aangekondigd in mijn brief van 1 juni jl. over het basispakket Zvw 2019.2
Deelt u de mening dat voeding als keuzevak een begin is, maar eigenlijk een vastomlijnd, substantieel deel van zorgopleidingen zou moeten uitmaken? Kunt u uw antwoord toelichten?
Zie antwoord vraag 4.
Deelt u de mening dat artsen moeten beschikken over een brede basiskennis inzake voeding om hun adviesrol goed en compleet in te kunnen vullen? Kunt u uw antwoord toelichten?
Zie antwoord vraag 4.
Bent u bereid in nader overleg te gaan met betrokken partijen en bij hen aan te dringen op een prominentere, vastomlijnde plek voor voeding in deze opleiding?
Ik ben al in overleg met de betrokken partijen. In het hoofdlijnenakkoord medisch specialistische zorg dat ik eerder dit jaar met de sector heb gesloten, is namelijk afgesproken dat de beroepsgroepen zich inspannen om preventie (waaronder voeding en leefstijl) te verankeren in de medisch-specialistische en verpleegkundige (vervolg)opleidingen en in het reguliere werkproces.
Staatssecretaris Blokhuis is in het kader van het Nationaal Preventieakkoord in overleg met partijen of en op welke wijze voeding beter geborgd kan worden in zorg en welzijn.
Ook zal VWS betrokken zijn bij de herziening van het Raamplan, die naar verwachting in 2019 van start gaat. Dit biedt de gelegenheid om aandacht te vragen voor het opnemen van bewezen effectieve interventies op onder meer het gebied van voeding, in de geneeskunde-opleiding.
Het bericht dat de sanering van tritium gelukt is |
|
Sandra Beckerman (SP) |
|
Stientje van Veldhoven (staatssecretaris infrastructuur en waterstaat) (D66) |
|
|
|
|
Hebt u kennisgenomen van de berichten dat het saneren van tritium in Petten het einde nadert?1 2
Ja.
Is het waar dat u het plan van aanpak hebt goedgekeurd waarin het saneren afgebouwd wordt en er in de toekomst maandelijkse en halfjaarlijkse controles zullen plaatsvinden?
Op 15 juni 2018 heb ik het nieuwe Plan van Aanpak van de Nuclear Research and consultancy Group (NRG) voor de sanering van de tritiumverontreiniging in de bodem van de Onderzoekslocatie Petten (OLP) goedgekeurd. Een nieuw Plan van Aanpak was nodig, vanwege de vorig jaar gewijzigde interventiebeschikking over de tritiumsanering, waarin een saneringsnorm van 5000 Bq/L in het grondwater is opgenomen. In het nieuwe plan wordt beschreven hoe deze saneringsnorm bereikt en gemonitord wordt.
Op dit moment is de sanering gaande en vinden er maandelijks metingen plaats. Wanneer in het grondwater gedurende een jaar uitsluitend concentraties lager dan het niveau van de operationele saneringslimiet (3000 Bq/L) worden gemeten, zal NRG de uitvoering van de sanering stopzetten. Tot 1 jaar na beëindiging van de sanering zal NRG maandelijks metingen blijven verrichten. Daarna zullen relevante meetlocaties worden toegevoegd aan het reguliere grondwatermonitoringsprogramma van NRG. NRG rapporteert deze waarden op halfjaarlijkse basis aan de Autoriteit Nucleaire Veiligheid en Stralingsbescherming. Buiten de OLP zal NRG ieder kwartaal op drie relevante locaties de tritiumconcentratie meten van nabijgelegen slootwater.
Is het waar dat verder saneren onnodig is omdat de norm van 100 tot 5.000 becquerel (x 50!) per liter drinkwater is verhoogd? Wat is daarop uw reactie?
Allereerst merk ik op dat het gaat om een aanpassing van de saneringsnorm van de concentratie tritium in grondwater en niet in drinkwater. In de omgeving van het OLP bevinden zich geen drinkwater inlaatpunten.
Zoals eerder aan de Kamer is medegedeeld, was de in 2014 gestelde saneringsnorm (100 Bq/L) gebaseerd op de toenmalige verwachting van de effectiviteit van de sanering.3 De saneringsnorm is afgeleid van richtlijn 98/83/EG, betreffende de kwaliteit van voor menselijke consumptie bestemd water (drinkwater). Dit betreft een zogenoemde signaleringswaarde. Vanaf deze signaleringswaarde dient een lidstaat na te gaan of de aanwezigheid van radioactieve stoffen in drinkwater een risico voor de gezondheid met zich meebrengt. Destijds is ervoor gekozen om deze signaleringswaarde als saneringsnorm aan te houden voor het grondwater.
De saneringsmaatregelen bleken na verloop van tijd ondanks alle inspanningen minder effectief te zijn dan verwacht. Omdat sanering wel verstoring veroorzaakt van het watersysteem in de duinen en de agrarische gebieden in de omgeving als gevolg van onttrekking van grondwater, heeft de overheid aan het Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu (RIVM) gevraagd om een saneringsnorm voor grondwater gebaseerd op een risico-inschatting. Het RIVM heeft een gedetailleerde analyse gemaakt van de eventuele radiologische risico’s voor de bevolking.4 De nieuwe saneringsnorm (5000 Bq/L) is gebaseerd op de resultaten van deze analyse van het RIVM en leidt tot een onbeduidend risico voor de bevolking.
Bent u op de hoogte van het feit dat het grondwater dan in sloten terecht zal komen en vervolgens in de akkers waarop voedsel wordt verbouwd? Wat is daarop uw reactie?
Zoals is vermeld in het antwoord op vraag 3, heeft het RIVM een analyse gemaakt van verschillende scenario’s voor verspreiding en gebruik van het verontreinigde water. In haar analyse hanteert het RIVM scenario’s waarin iemand een jaar lang gewassen of melk consumeert, uitsluitend geïrrigeerd met verontreinigd water dan wel afkomstig van koeien die uitsluitend verontreinigd gras eten. Het RIVM concludeert dat deze conservatieve/ongunstige scenario’s voor een lid van de bevolking niet leiden tot overschrijding van een stralingsdosis van 10 microsievert per jaar. Deze dosis wordt door het RIVM als onbeduidend aangemerkt. Ter vergelijking: als gevolg van blootstelling aan natuurlijke radioactiviteit en achtergrondstraling ontvangt iedereen in Nederland een dosis van 1600 microsievert per jaar.
Kunt u onderbouwd weergeven wat de gevolgen zijn voor de natuur, dieren in de omgeving en de mensen die zullen eten van de gewassen?
Zie antwoord vraag 4.
Het bericht dat grote groepen gehinderden geen bezwaar meer kunnen maken tegen luchtvaartherrie |
|
Cem Laçin (SP) |
|
Cora van Nieuwenhuizen (minister infrastructuur en waterstaat) (VVD) |
|
|
|
|
Kent u het bericht dat grote groepen gehinderden geen bezwaar meer kunnen maken tegen luchtvaartherrie?1 Wat is uw reactie daarop?
Ja.
De berichtgeving in de media heeft betrekking op recente besluiten van de Inspectie Leefomgeving en Transport (ILT) in de context van handhavingsverzoeken die bij de ILT zijn binnengekomen.
De ILT houdt toezicht op de naleving van veiligheid- en milieuwetten en -regels voor de luchtvaart. Indien aan de orde, zal de ILT handhavend optreden. Elk signaal met betrekking tot overschrijding van de wet- en regelgeving en elk verzoek tot handhavend optreden (handhavingsverzoek) dat de ILT binnenkrijgt, neemt zij serieus en wordt door haar bekeken.
Eenieder mag een verzoek om handhaving bij de ILT indienen en de ILT zal daarop reageren. Op grond van de Algemene wet bestuursrecht kan hiertegen alleen bezwaar worden gemaakt door personen die als belanghebbende kunnen worden gekwalificeerd.
Volgens het bestuursrecht is een zekere begrenzing van het begrip belanghebbende noodzakelijk. Het betrokken bestuursorgaan, in dit geval de ILT, moet aan de hand van bestuursrechtelijke criteria bepalen of een bezwaarmaker belanghebbende is. Het oordeel van de ILT kan ter toetsing aan de rechter worden voorgelegd.
Bij besluiten over handhaving van het Luchthavenverkeerbesluit Schiphol zijn geluidscontouren een relevant criterium. Een aanvrager die binnen de contouren woont, is belanghebbende. Of een aanvrager die buiten de contouren woont belanghebbende is, wordt per geval beoordeeld.
Vindt u het rechtvaardig dat klachten van mensen, die niet in de directe kring rondom Schiphol wonen maar wel overlast ervaren, automatisch ongegrond wordt verklaard? Zo ja, kunt u garanderen dat deze mensen geen overlast ondervinden? Kunt u uw antwoord toelichten?
Zoals ik in het antwoord op vraag 1 heb aangegeven, mag eenieder een verzoek tot handhaving indienen. Op dit verzoek wordt vervolgens gereageerd door de ILT. Hiertegen bezwaar instellen, is krachtens de Algemene wet bestuursrecht voorbehouden aan belanghebbenden.
Dit geldt in principe voor alle voor bezwaar en beroep vatbare beslissingen die overheden nemen: de mogelijkheid tot het instellen van bezwaar en beroep is beperkt tot belanghebbenden.
Verder kan iedereen die last heeft van geluid van de luchthaven Schiphol of van vliegtuigen die gebruik maken van de luchthaven, dit melden, bijvoorbeeld bij het Bewoners Aanspreekpunt Schiphol (BAS). Medewerkers van BAS geven uitleg over luchtvaart, registreren alle meldingen en klachten en analyseren deze gegevens. BAS streeft ernaar om vragen en klachten binnen 7 werkdagen te beantwoorden. Voor meer informatie over BAS zie www.bezoekbas.nl.
Klopt het dat een grote groep mensen, die inmiddels heeft aangetoond dat vliegtuigen die in de toekomst mogelijk van Lelystad Airport zullen vertrekken grote overlast zullen gaan veroorzaken waardoor de opening van dit vliegveld uitgesteld is, straks niet meer in staat is om hun klachten behandeld te krijgen? Vindt u dat daarmee het vertrouwen van deze mensen in de overheid hersteld wordt?
Zie de antwoorden op de vragen 1 en 2.
In aanvulling op de wettelijke handhaving wordt voor Lelystad Airport een meldpunt ingesteld waar men terecht kan met klachten, net als bij het in het vorige antwoord genoemde Bewoners Aanspreekpunt Schiphol (BAS) bij Schiphol. Bij het Lelystad-meldpunt zullen alle klachten over vliegtuigen van en naar Lelystad Airport worden behandeld.
Hoe wordt in de bepaling welke gemeenten wel en niet binnen de directe kring liggen omgegaan met afwijkingen in het vliegpad vanwege bijvoorbeeld weersomstandigheden of werkzaamheden aan start- en landingsbanen? Kunt u garanderen dat hierdoor nooit een overschrijding van de 48dB-contour plaatsvindt?
Een 48 dB(A) Lden contour begrenst het gebied waarbinnen de bewoners gedurende een jaar een geluidsbelasting van 48 dB(A) Lden of meer hebben ontvangen.
Voor Schiphol wordt bij de berekening van die contour rekening gehouden met het werkelijk opgetreden weer en het werkelijk baangebruik in het betreffende jaar. Omdat het weer per jaar verschilt en het baangebruik als gevolg van onderhoud per jaar kan verschillen, zal ook de 48 dB(A) Lden contour per jaar verschillen. Het is bij Schiphol dus niet zo dat er sprake is van één en dezelfde contour die altijd op dezelfde plaats ligt en altijd hetzelfde gebied begrenst. Daardoor kunnen er ook geen overschrijdingen plaatsvinden van een dergelijke contour. De afgelopen jaren is gebleken dat de jaarlijkse 48 dB(A) Lden contour niet tot nauwelijks tot veranderingen heeft geleid in gemeenten die wel of niet binnen de directe kring liggen.
Voor regionale luchthavens van nationale betekenis, zoals Lelystad Airport, wordt bij het bepalen van de 48 dB(A) Lden contour rekening gehouden met een meteomarge. Deze Lden contour wordt vastgelegd in het luchthavenbesluit.
Voor de betekenis die de ligging van de 48 dB(A) Lden contour heeft voor beantwoording van de vraag wie als belanghebbende wordt aangemerkt, verwijs ik naar mijn antwoord op vraag 1.
Bent u bereid om ervoor te zorgen dat alle klachten over vliegtuiglawaai en gerelateerde overlast serieus genomen worden, ongeacht of de klagers wel of niet binnen de directe kring van gemeenten rondom een luchthaven wonen?
Uiteraard vind ik het ook belangrijk dat alle klachten over vliegtuiglawaai en daaraan gerelateerde overlast serieus worden genomen. Daarom heb ik in de antwoorden op de vragen 2 en 3 aangegeven dat iedereen, dus ook mensen die niet in de directe kring van gemeenten rondom een luchthaven wonen, een klacht kan indienen bij bestaande en in voorbereiding zijnde meldpunten.
De tekorten aan wijkverpleegkundigen in de zomer |
|
John Kerstens (PvdA) |
|
Hugo de Jonge (viceminister-president , minister volksgezondheid, welzijn en sport) (CDA) |
|
|
|
|
Bent u bekend met het artikel «Wijkzorg zet kantoorpersoneel in tegen gaten zomerroosters»1?
Ja
Kunt u bevestigen dat een op de drie wijkverplegingsorganisaties met tekorten kampt deze zomerperiode? Wat vindt u hiervan?
Dat getal kan ik niet bevestigen. Ik kan wel bevestigen dat iedere zomer blijkt dat zorgorganisaties moeite hebben met het inzetten van voldoende personeel. Dat zijn overigens niet alleen wijkverplegingsorganisaties; ook bijvoorbeeld ziekenhuizen kampen hier mee. Het tekort aan medewerkers in de zorg is één van de belangrijkste uitdagingen waarvoor we staan.
Heeft u deze tekorten onderschat ondanks de, vooraf in onder meer de media en debatten, aangehaalde signalen? Zo ja, wat had u kunnen doen om deze situatie te voorkomen? Zo nee, hoe heeft deze situatie alsnog kunnen ontstaan?
Voor geheel zorg en welzijn geldt dat er sprake is van personeelstekorten. Als gevolg van de zomerperiode kunnen organisaties tijdelijk extra moeite ondervinden om voldoende personeel in te zetten. De personeelstekorten in de wijk en breder in de gehele sector zorg en welzijn zijn niet op korte termijn opgelost. DeDaarom heb ik, samen met de Minister voor Medische Zorg en Sport en de Staatssecretaris van VWS, mede namens ministeries OCW en SZW, het Actieprogramma Werken in de Zorg gepresenteerd in maart van dit jaar. Hierin werken wij samen met landelijke en regionale partners in zorg en welzijn aan het terugdringen van de personeelstekorten in geheel zorg en welzijn. Dit gebeurt langs drie actielijnen: meer kiezen voor de zorg; beter leren in de zorg en anders werken in de zorg. Aan de hand van regionale analyses en gezamenlijke ambities zijn in elke regio regionale actieplannen aanpak tekorten (RAATs) gemaakt en worden concrete acties uitgevoerd om de personeelstekorten terug te dringen.
aanpak hiervan heeft mijn aandacht en vraagt een structurele gezamenlijke inspanning van alle betrokken partijen.
In het Hoofdlijnenakkoord Wijkverpleging 2018–2021 dat ik onlangs heb afgesloten met de partijen in de wijkverpleging, zijn daarnaast afspraken gemaakt over de arbeidsmarkt. Vanwege de stijging van de zorgvraag is er naast aandacht voor het aantrekken van meer personeel ook aandacht nodig voor het (duurzaam) behouden van het huidige personeel in de wijkverpleging. De partijen die het akkoord hebben ondertekend onderschrijven dat een integrale aanpak van het arbeidsmarktvraagstuk noodzakelijk is om werkgelegenheid te behouden en voldoende gekwalificeerd personeel in de wijkverpleging te kunnen blijven inzetten. Het akkoord betekent onder meer dat er € 435 miljoen extra beschikbaar gesteld wordt voor de wijkverpleging voor de periode 2019–2022.
Kunt u bevestigen dat alle cliënten die zorg zouden moeten ontvangen, deze zomer alsnog door bevoegde medewerkers verleende zorg ontvangen? Hoe verhoudt zich dit tot het, volgens het artikel, nog altijd openstaande aantal zorgvacatures van 277 fte?
Het is belangrijk dat zorg alleen wordt verleend door ter zake deskundige personen. Verpleegkundigen en verzorgende zijn opgeleid in het uitvoeren van verpleegkundigen en verzorgende handelingen. Er zijn echter ook handelingen of niet-zorgtaken die door ander personeel kunnen worden uitgevoerd. Ik vind het positief dat instellingen kijken naar andere mogelijkheden als zij kampen met een tekort aan personeel als gevolg van de zomerperiode. De inzet van niet voor de zorg geschoold personeel op niet-zorgtaken kan daarbij een oplossing bieden.
De instelling dient te allen tijde te voldoen aan de verplichtingen van de Wet kwaliteit klachten geschillen zorg (Wkkgz). De Wkkgz bepaalt dat de zorgaanbieder goede zorg moet leveren. De zorgaanbieder dient de zorgverlening op dusdanige wijze te organiseren, ook wat personele en materiële middelen betreft, dat een en ander redelijkerwijze moet leiden tot goede zorg.
Het in het artikel genoemde aantal openstaande zorgvacatures kan ik niet bevestigen. Wel is bekend dat de arbeidsmarkt voor verpleegkundigen (en ook specifiek die voor wijkverpleegkundigen) zeer krap is momenteel2 en dat naar verwachting veel van de vacatures moeilijk vervulbaar zijn.
Cliënten moeten er op kunnen rekenen dat zij zorg ontvangen van deskundig personeel. Goede zorg, zoals omschreven in de Wkkgz, is immers zorg van goede kwaliteit en van goed niveau. Dit is ook een belangrijk uitgangspunt in het Kwaliteitskader Wijkverpleging waar ActiZ, Branchebelang Thuiszorg Nederland (BTN), Patiëntenfederatie Nederland (PN), V&VN en Zorgverzekeraars Nederland (ZN) zich aan hebben gecommitteerd. Indien mensen signalen hebben over de geleverde zorg, kunnen zij zich bij het Landelijk Meldpunt Zorg melden. De Inspectie Gezondheidszorg en Jeugd (IGJ) kan naar aanleiding van deze signalen onderzoek (laten) doen en/of de signalen in haar risicogestuurde toezicht meenemen. De IGJ heeft deze zomer geen meldingen over de inzet van kantoorpersoneel in de thuiszorg ontvangen. Incidenteel krijgt zij meldingen over ondeskundig personeel, maar zij ziet hierin momenteel geen opvallende stijging.
Kunt u bevestigen dat kantoorpersoneel, dat wordt ingezet gedurende de zomerperiode om tekorten op te vangen, geen zorgtaken gaat verlenen waar zij niet voor is opgeleid? Op welke wijze wordt hierop toegezien?
Zie antwoord vraag 4.
Wat gaat u doen om het aantal mensen dat wil werken in de wijkverpleging te vergroten, zodat gedurende het hele jaar, maar zeker gedurende prangende hete zomerperiodes, er voldoende gekwalificeerde zorgverleners zijn?
Zie antwoord vraag 3.
Wanneer wilt u inzichtelijk hebben of aangekondigde acties daadwerkelijk het tekort afdoende terugdringen? Bent u, indien het tekort blijft bestaan, bereid alternatieve maatregelen en/of extra financiële middelen in te zetten?
Met het Actieprogramma Werken in de Zorg werken landelijke en regionale partners in zorg en welzijn samen aan het terugdringen van de personeelstekorten in zorg en welzijn. Hiervoor stelt het Ministerie van VWS 350 miljoen euro beschikbaar voor scholing van nieuw personeel, loopbaanoriëntatie en
– begeleiding voor mensen die een stap naar of binnen zorg overwegen, waarbinnen 320 miljoen voor de scholingsimpuls SectorplanPlus. Daarnaast gaat dit najaar een landelijke wervingscampagne dit jaar van start die met het veld is ontwikkeld om ervoor te zorgen dat meer mensen (weer) kiezen voor de zorg. Dit naast tal van andere maatregelen die in het kader van het Actieprogramma worden ingezet om de aantrekkelijkheid van het werken in de zorg te vergroten en de arbeidsmarktsituatie te verbeteren.
Tussentijds informeer ik de Tweede Kamer tweemaal per jaar over de voortgang van het Actieprogramma.
Het bericht dat de NPO gaat experimenteren met nasynchronisatie van buitenlandse series |
|
Joost Sneller (D66), Paul van Meenen (D66) |
|
Arie Slob (minister onderwijs, cultuur en wetenschap) (CU) |
|
|
|
|
Kent u de berichten «NPO gaat experimenteren met nasynchronisatie»1 en «Nasynchronisatie: niet aan beginnen, zeggen taalexperts»?2
Ja.
Wat is uw betrokkenheid geweest bij de totstandkoming van dit experiment?
Ik ben niet betrokken bij dit experiment.
Hoe beoordeelt u het feit dat de Nederlandse Publieke Omroep (NPO) gaat experimenteren met het nasynchroniseren van een Duitse serie?
De publieke omroep is onafhankelijk in de uitvoering van de publieke mediaopdracht en besluit zelf over vorm en inhoud van de programma’s. Volgens artikel 2, eerste lid, onderdeel c, van de Mediawet 2008 is onderdeel van de publieke mediaopdracht het stimuleren van innovatie ten aanzien van media-aanbod, het volgen en stimuleren van technologische ontwikkelingen en het benutten van de mogelijkheden om media-aanbod aan het publiek aan te bieden via nieuwe media- en verspreidingstechnieken. Overigens is nasynchronisatie bij de Nederlands publieke omroep niet helemaal nieuw. Er zijn kinderprogramma’s die al nagesynchroniseerd worden.
Klopt het dat de NPO van plan is meer buitenlandse series te voorzien van nasynchronisatie? Kunt u toelichten wat de omvang van deze experimenten zal zijn?
Met het experiment wil de NPO kijken hoe het publiek reageert en of een publiek bereikt kan worden dat vanwege gebrekkige taalbeheersing niet zo snel buitenlandse series kijkt die ondertiteld zijn. Afhankelijk van de uitkomsten van het experiment besluit de NPO of meer series worden nagesynchroniseerd. Zie ook mijn antwoord bij vraag 5 en 8.
Kunt u toelichten wat de meerwaarde van nasynchronisatie van series in andere talen zou zijn?
Er zijn in Nederland 1,9 miljoen mensen van 16 jaar en ouder die onvoldoende taalvaardigheid hebben. Deze groep kan daarom moeite hebben met het volgen van ondertiteling. Met dit experiment wil de NPO onderzoeken hoe groot de groep is die het soms lastig vindt om ondertiteling te volgen bij buitenlandse series en of nasynchronisatie voor die groep wellicht een oplossing biedt. Aan de hand van een Nederlands ingesproken versie van de serie Bad Banks wil de NPO bekijken of zo een ander publiek bereikt kan worden. Als het experiment aanslaat, wil de NPO in de toekomst vaker kiezen voor een nagesynchroniseerde versie, naast uitzending van de oorspronkelijke versie.
Wat is uw reactie op de kritiek van taal- en onderwijsdeskundigen op de experimenten, die stellen dat nasynchronisatie een negatief effect kan hebben op begrip van onbekende talen en haaks staat op de huidige ontwikkelingen in het onderwijs, waar kinderen juist zoveel mogelijk in aanraking gebracht worden met de te leren taal? In hoeverre bent u het eens met de stelling dat nasynchronisatie niet bijdraagt aan de kennis van buurtalen Frans en Duits?
De NPO biedt zowel de nagesynchroniseerde als de oorspronkelijke versie aan. De Nederlands ingesproken versie is te zien op NPO 1. Wie toch liever het ondertitelde origineel wil zien, kan terecht op het digitale kanaal NPO 1 Extra. Via de on-demand-dienst NPO Start worden beide varianten aangeboden. Hierdoor zie ik niet direct een nadeel in de zin van taalverarming bij buitenlandse talen.
In Europa worden in Duitsland, Oostenrijk, Zwitserland, Liechtenstein, Italië, Frankrijk, Spanje, Tsjechië en Hongarije programma’s volledig nagesynchroniseerd. In onder meer Portugal, Ierland, het Verenigd Koninkrijk, Griekenland, Noorwegen, Zweden, Finland, IJsland, Bulgarije worden vooral kinderprogramma’s nagesynchroniseerd. Ook in Nederland bij de NPO is dit laatste het geval. Voor de voor- en nadelen van ondertiteling en nasynchronisatie verwijs ik naar een artikel van Cees Koolstra, Allerd Peeters en Herman Spinhof, «Argumenten voor en tegen ondertitelen en nasynchroniseren van televisieprogramma's», in het Tijdschrift voor Taalbeheersing, 23e jaargang, nr. 2, p. 84 e.v. Wat betreft taalontwikkeling stellen zij het volgende:
Welke effecten op het aanleren van andere talen zijn u bekend uit landen waar nasynchronisatie op grotere schaal wordt toegepast?
Zie antwoord vraag 6.
Kunt u nader uitleggen op basis van welke methode(s) en criteria dit experiment zal worden geëvalueerd, en wat uw betrokkenheid bij die evaluatie en de beslissing over een eventueel vervolg zal zijn?
De NPO wil ten eerste in algemene zin weten hoe groot de groep is die het soms lastig vindt om ondertiteling te volgen bij buitenlandse series. Ten tweede zal worden onderzocht of nasynchronisatie voor hen een passende oplossing biedt. Ten derde zal de NPO, in de context van Bad Banks, nagaan of er überhaupt behoefte is aan nasynchronisatie onder Nederlanders van 13 jaar en ouder. Onder de kijkers van Bad Banks zal aanvullend worden bekeken met welk kijkmotief zij de serie hebben gevolgd en hoe zij de nasynchronisatie ervaren hebben. Het experiment bevat bovendien een doelgroepanalyse en een vergelijking tussen lineair en online kijkgedrag.
Ik ben niet betrokken bij de evaluatie en beslissingen over een eventueel vervolg. Het experiment behoort tot de programma-autonomie van de NPO.
De voortdurende onduidelijkheid voor examenleerlingen van het VMBO Maastricht |
|
Kirsten van den Hul (PvdA) |
|
Ingrid van Engelshoven (minister onderwijs, cultuur en wetenschap) (D66) |
|
|
|
|
Kent u het artikel «De chaos op het VMBO Maastricht blijft voortduren»1?
Ja.
Hoe kijkt u aan tegen de huidige manier van communiceren van de school richting ouders en leerlingen? Kunt u de in dit artikel geuite ontevredenheid hierover begrijpen? Zo ja, wat moet er volgens u beter? Zo nee, waarom niet?
Ik begrijp dat deze situatie bij leerlingen en ouders de afgelopen weken onduidelijkheid en onvrede heeft opgeroepen. Met de brief die de school in de week van 23 juli naar de leerlingen heeft gestuurd, hebben zij een totaalbeeld gekregen van hoe zij er per vak voor staan, en wat zij nog moeten inhalen. Ik ben blij dat de school voor nog resterende vragen op basis van deze brief een helpdesk heeft ingericht. Ik heb van de school begrepen dat deze hulplijn goed heeft gewerkt en vragen van ouders en leerlingen snel en adequaat zijn beantwoord.
Klopt het dat de school enkel per e-mail bereikbaar is voor vragen van leerlingen en ouders? Hoe verhoudt dit zich tot de ingestelde helpdesk?
Dit klopt niet. De school heeft aangegeven dat leerlingen en ouders bij specifieke vragen over het nieuwe cijferbeeld de school kunnen e-mailen. De school belde vervolgens de leerlingen terug met de relevante gegevens bij de hand. Iedere e-mail is zeker dezelfde dag, bijna steeds binnen een half uur en in veel gevallen zelfs binnen vijf minuten beantwoord, doordat ouders en leerlingen werden terug gebeld. Er zijn in die week 70 vragen beantwoord.
Deelt u de mening dat omwille van de tijd, nog amper een maand tot het nieuwe schooljaar, de school alles in het werk moet stellen vragen zo snel mogelijk te beantwoorden? Zo ja, bent u bereid de school hier per direct (nogmaals) toe aan te sporen? Zo nee, waarom niet?
Net als u hecht ik sterk aan een duidelijke communicatie richting ouders en leerlingen. Hierover heb ik, en bij mijn afwezigheid mijn collega van Engelshoven, de afgelopen weken veelvuldig contact gehad met de school. Zoals in het antwoord hierboven aangegeven beantwoordt de school de vragen van de ouders en leerlingen zo snel en goed mogelijk. Ik zal bij de school waar nodig blijven aandringen op goede en snelle communicatie met ouders en leerlingen.
Herkent u het beeld dat sommige leerlingen voortdurende onduidelijkheid ervaren over de lesstof die zij voor (inhaal)toetsen, bijvoorbeeld bij het vak economie, moeten leren? Zo ja, wat gaat u eraan doen deze duidelijkheid zo snel mogelijk te geven? Zo nee, waarom niet?
Ik herken het beeld dat er de afgelopen tijd bij een aantal leerlingen en ouders onduidelijkheid ervaren is over wat zij moeten inhalen. Omdat dit specifieke vragen van individuele leerlingen betreft ligt de verantwoordelijkheid voor de beantwoording hiervan bij de school. De school heeft mij verzekerd dat aan ouders en leerlingen duidelijk is gemaakt welke inhaaltoetsen moeten worden gemaakt en welke lesstof daarbij hoort. Dit is zowel in persoonlijke mails als via berichten op de website gecommuniceerd. Zoals ik in mijn antwoord hierboven heb aangegeven vertrouw ik er verder op dat door de helpdesk van de school de eventueel nog bestaande vragen zo snel en volledig als mogelijk zijn beantwoord.
Klopt het dat de in het artikel aangehaalde zomerschool voor het vak Frans meermaals niet doorging? Zo ja, hoe verklaart u dit?
De school heeft mij laten weten dat één leerling inderdaad tevergeefs naar school is gekomen voor lessen Frans op de zomerschool. De desbetreffende docent was zonder overleg vertrokken, nadat andere leerlingen niet waren verschenen voor de voorafgaande lessen. De school heeft bij navraag laten weten dat de docent, vanwege verdrietige privéomstandigheden, later niet meer beschikbaar was. De school heeft op die korte termijn geen vervanging kunnen vinden. De leerling heeft in de tweede periode van de zomerschool (13–17 augustus) opnieuw de kans gekregen om de lessen Frans te volgen en heeft daar ook gebruik van gemaakt.
Het bericht dat in Nederland steeds vaker zware pijnstillers worden voorgeschreven. |
|
Pia Dijkstra (D66) |
|
Bruno Bruins (minister volksgezondheid, welzijn en sport) (VVD) |
|
|
|
|
Bent u bekend met het bericht «De dokter als dealer: «In Nederland is allang sprake van een stille opioïde-epidemie»»? Wat is uw reactie op dit bericht?1
Ja, ik ken dit bericht. Het sluit aan bij een artikel over opioïden dat eerder is verschenen in Medisch Contact, en de discussie die naar aanleiding daarvan onder voorschrijvers wordt gevoerd. Het is goed dat de risico’s van het gebruik van opioïden ook via de media bij het grote publiek onder de aandacht komen.
Herkent u het beeld dat het aantal patiënten dat oxycodon krijgt voorgeschreven in zes jaar tijd is verdrievoudigd? Wat vindt u van deze ontwikkeling? Kunt u aangeven hoe het totale gebruik van opioïden zich in dezelfde periode heeft ontwikkeld? Wat is uw waardering van deze ontwikkeling?
Het klopt dat het gebruik van opioïden de afgelopen jaren is toegenomen. Hieronder geef ik een overzicht, gebaseerd op cijfers van de Stichting Farmaceutische Kengetallen (SFK).
Het voorschrijven van geneesmiddelen is in principe aan medische professionals. Zij moeten afwegen wanneer men opioïden voorschrijft en in welke hoeveelheid.
Vanuit het Nederlands Huisartsen Genootschap (NHG) zijn richtlijnen opgesteld voor de behandeling van pijnbestrijding met opioïden. De NHG-Standaard «Pijn» is dit voorjaar aangepast, met nieuwe aanbevelingen om onnodig gebruik van opioïden te voorkomen. De aanbevelingen over opioïden zijn aangescherpt om te helpen voorkomen dat patiënten door gewenning en afhankelijkheid overmatig gaan gebruiken. Er is hierbij aandacht voor het restrictief en zo kortdurend mogelijk voorschrijven van opiaten.
Klopt het dat ziekenhuizen een betere score krijgen wanneer patiënten minder pijn ervaren? Bent u van mening dat dit een prikkel creëert om sterkere pijnstillers voor te schrijven? Zo ja, hoe gaat u deze prikkel wegnemen?
Neen, dit klopt niet. De score geeft aan of ziekenhuizen een pijnmeting uitvoeren. Welke pijnstillers worden voorgeschreven is een andere kwestie, evenals welke pijnscore gemiddeld wordt gemeten.
Wat vindt u ervan dat meerdere ziekenhuizen op hun website in de folder «Feiten en fabels over morfine en andere opioïden» stellen dat de kans op verslaving bij gebruik van opioïden zeer klein is?2
Ik vind het in principe een goede zaak als ziekenhuizen actuele informatie verschaffen over aspecten van ziekenhuiszorg. De informatie in de folder bevat ook meer context en nuancering dan alleen dat de kans op verslaving bij het gebruik van opioïden zeer klein is. Opiaten worden vaak voorgeschreven na een operatieve ingreep om adequate pijnbestrijding te geven, maar dan kortdurend. Bij gebruik van hooguit twee of drie dagen na een operatie, is de kans op een verslaving inderdaad gering. Bij langer of ander gebruik van opiaten bestaat inderdaad dit risico en het is terecht dat patiënten daarop gewezen worden. Daarin hebben alle zorgverleners die de patiënt begeleiden een verantwoordelijkheid
Herkent u het beeld zoals geschetst in het Volkskrant-artikel dat 1,3 miljoen mensen in Nederland jaarlijks opioïden gebruikt? Herkent u het beeld dat 10 tot 20 procent van de patiënten die opioïden gebruikt, verslaafd raakt?
Het getal van 1,3 miljoen gebruikers is mij niet bekend. Het is echter wel bekend dat er naast het door het SFK geregistreerde medische gebruik, ook gebruikers zijn die via andere kanalen zoals internet aan opioïden komen. De omvang daarvan is echter niet bekend.
Het Trimbos Instituut geeft aan dat in het algemeen van middelen met een verslavingsrisico bekend is dat van de mensen die zelfstandig gaan gebruiken 10 tot 20% in de problemen kan komen. Echter, dit betreft gebruik van middelen buiten de bescherming van de medische context.
Kunt u aangeven hoe het aantal patiënten met een opioïden-verslaving zich de afgelopen tien jaren heeft ontwikkeld? Kunt u aangeven hoeveel patiënten in dezelfde periode jaarlijks in Nederland zijn overleden als gevolg van gebruik van opioïden? Wat gaat u doen om deze trend te kenteren?
Volgens informatie van het Nederlands Vergiftigingen Informatiecentrum (NVIC) werden in 2017 280 mogelijke vergiftigingen met oxycodon gemeld. Dit is 6,5 maal zoveel als in 2008. Deze stijging komt overeen met de toename in het gebruik zoals vermeld in de tabel 2. In de eerste helft van 2018 zijn 215 overdoseringen gemeld. Op kleinere schaal ziet het NVIC ook een toename in overdoseringen met de opioïde pijnstiller fentanyl. Binnenkort zal het NVIC zijn jaaroverzicht 2017 uitbrengen.
Het is lastig een schatting te maken hoe vaak een opioïdenverslaving voorkomt, omdat patiënten zich tot 2016 niet of nauwelijks bij gespecialiseerde verslavingsinstellingen hebben gemeld. Het artikel in de Volkskrant suggereert dat er soms lichtvaardig opioïden worden voorgeschreven en verstrekt. LHV en NVZ geven aan zich niet in dat beeld te herkennen. Het blijft zaak dat voorschrijvers zich bewust zijn van de risico’s en hun patiënten goed voorlichten.
Bij het Trimbos is niet bekend hoeveel patiënten verslaafd zijn geraakt. Het is van belang om de ontwikkelingen met betrekking tot gebruik van opioïden te blijven monitoren.
De opleiding sportgeneeskunde |
|
Maarten Hijink (SP) |
|
Bruno Bruins (minister volksgezondheid, welzijn en sport) (VVD) |
|
|
|
|
Kunt u uitleggen op welke wijze bij de Stichting Beroepsopleiding tot Sportarts (SBOS) een financieel tekort is ontstaan door niet nagekomen afspraken van het Ministerie van Volksgezondheid, Welzijn en Sport?1
Er is geen sprake van niet nagekomen afspraken van het Ministerie van VWS.
Wat is de reden dat de SBOS een bedrag per opleidingsplaats ontvangt, dat eenderde lager is dan het bedrag per opleidingsplaats van alle andere medisch specialisten? Kunt u uw antwoord toelichten?
Met de SBOS is in goed overleg een kostendekkende vergoeding vastgesteld per opleidingsplaats op basis van een begrotingsvoorstel van SBOS met het oog op de bekostiging vanaf 2016 via de beschikbaarheidbijdrage. De SBOS is in staat om de opleiding tot sportarts tegen lagere kosten te realiseren dan de kosten die ziekenhuizen dragen voor andere medisch specialistische vervolgopleidingen.
Deelt u de mening dat bij een besluit om de sportgeneeskunde als medisch specialisme te erkennen, ook de financiering van de opleiding op orde moet zijn? Waarom is hier destijds niet voor gekozen? Kunt u dat nader toelichten?
Ik deel de mening dat de bekostiging van medische vervolgopleidingen op orde moet zijn. De bekostiging van het opleiden is steeds op orde geweest. Eerst (tot 2016) via de meerjarige VWS subsidie en vanaf 2016 via de beschikbaarheidbijdrage. De hoogte van de kostendekkende vergoeding per opleidingsplaats is in goed overleg met de SBOS vastgesteld. Zie ook mijn antwoord op vraag 2. Overigens speelt, bij de mogelijke erkenning van een specialisme, de bekostiging van de opleiding tot dat specialisme geen rol.
Deelt u de mening dat vier jaar geleden, toen sportartsen werden erkend als medisch specialisten, het beginsel «gelijke monniken, gelijke kappen» had moeten worden gehanteerd om te voorkomen dat de SBOS in de financiële problemen zou komen? Kunt u uw antwoord toelichten?
Het beginsel is gehanteerd in die zin dat zowel voor de opleiding tot sportarts als overige medische specialistische opleidingen die beschikbaarheidbijdragen ontvangen, deze kostendekkend moet zijn. Als voor de opleiding tot sportarts de vergoedingsbedragen zouden zijn gehanteerd, die voor overige medische specialistische opleidingen gelden, dan zou er sprake zijn geweest van een meer dan kostendekkende vergoeding. De bijdrage mag in verband met de Europese staatssteunregels niet meer vergoeden dan nodig is om de betreffende activiteit beschikbaar te houden en een normale exploitatie mogelijk te maken.
Deelt u de mening dat het model dat de SBOS hanteert om sportartsen op te leiden, goedkoper is dan het model dat gehanteerd wordt voor de opleiding van andere medisch specialisten? Kunt u uw visie hierop gegeven?
Niet alle elementen van de opleiding tot sportarts dienen in de ziekenhuisomgeving plaats te vinden. Dat is veel vaker wel het geval voor overige medisch specialistische vervolgopleidingen, die specifiek voor ziekenhuiszorg opleiden. Door andere kostencomponenten is de opleiding tot sportarts niet vergelijkbaar met de bedoelde andere medisch specialistische vervolgopleidingen.
Bent u bereid om onderzoek te doen naar de kosten per opleidingsplaats bij Sportgeneeskunde en per opleidingsplaats bij andere medisch specialismen? Zo nee, waarom niet?
De Nederlandse Zorgautoriteit is van plan in 2019 onderzoek te doen naar de kosten van opleidingen in de medisch specialistische zorg.
Kunt u uitgebreid aangeven wat de handelwijze van het Ministerie van Volksgezondheid, Welzijn en Sport is geweest toen de financiële problemen werden aangekaart door de SBOS bij het ministerie? Kunt u een overzicht geven hoe het ministerie, stap voor stap, heeft gehandeld in deze kwestie? Zo nee, waarom niet?
Voor VWS is het borgen van de continuïteit van het opleiden leidend (geweest). Daarom en daartoe is de afgelopen maanden met alle betrokkenen intensief overleg gevoerd om tot een oplossing te komen.
Met genoegen heb ik geconstateerd dat het dreigende faillissement van de SBOS is afgewend. Een lening van de stichting SBOH, werkgever van zo’n 2.500 artsen in opleiding tot huisarts, specialist ouderengeneeskunde of arts verstandelijk gehandicaptenzorg en financier van hun opleiding, heeft dit mogelijk gemaakt. Aan de verstrekte lening is een aantal voorwaarden verbonden dat gericht is op het waarborgen van de continuïteit en kwaliteit van de opleiding sportgeneeskunde.
Vindt u het wenselijk dat op initiatief van een tweetal ziekenhuizen, ondersteund door de Nederlandse Vereniging van Ziekenhuizen, het faillissement van de SBOS zal worden aangevraagd? Deelt u de mening dat dit in het nadeel is van ziekenhuizen die een vordering op de stichting hebben, omdat zij een afbetalingsregeling met de stichting zijn overeengekomen?
Zie antwoord vraag 7.
Bent u bereid om het dreigende faillissement af te wenden, te komen tot goede afspraken met de SBOS en andere betrokken partijen, zodat het model dat de SBOS hanteert haar vervolg kan krijgen en hiermee de opleiding Sportgeneeskunde gewaarborgd kan blijven? Zo nee, waarom niet?
Zie antwoord vraag 7.
De belofte dat mensen uit batch 1588 voor 19 juli duidelijkheid zouden hebben en de gevolgen voor de stressbeleving van mensen wanneer dit niet gebeurt |
|
Sandra Beckerman (SP) |
|
Eric Wiebes (minister economische zaken en klimaat) (VVD), Hugo de Jonge (viceminister-president , minister volksgezondheid, welzijn en sport) (CDA) |
|
|
|
|
Hebben alle bewoners van de woningen in batch 1588 de brief ontvangen die u in het debat van 5 juli 2018 heeft beloofd?
Ja, de betreffende brief is in de eerste helft van juli verstuurd aan alle adressen in deze groep.
Bent u op de hoogte dat in de brief gemeld wordt dat mensen (weer) moeten wachten op het zorgvuldig in kaart brengen van welke woningen zo snel mogelijk moeten worden versterkt en dat er dus pas in september duidelijkheid lijkt te komen? Kunt u dit toelichten?
Zoals aangegeven in mijn brief aan uw Kamer op 3 juli jl. (Kamerstuk 33 529, nr. 502) hebben de Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties (BZK), de regiobestuurders en ik afgesproken dat de aanpak van de woningen in de groep van 1.588 door kan gaan op basis van de voorbereide versterkingsadviezen, ook als deze woningen volgens de laatste inzichten voldoen aan de veiligheidsnorm. Daarmee is de gewenste duidelijkheid voor deze bewoners gegeven. Hoe vervolgens het uitvoeringsproces eruit ziet, zal per woning verschillen, bijvoorbeeld afhankelijk van of het om corporatiebezit of een particuliere woning gaat, en vraagt daarom meer aandacht.
Deelt u de mening dat er dus nog steeds geen duidelijkheid bestaat? Kunt u dit toelichten?
Zie antwoord vraag 2.
Bent u op de hoogte dat er mensen zijn die van verschillende mensen bij de Nationaal Coördinator Groningen (NCG) hebben gehoord dat ze bij de batch 1588 horen, ineens niet meer bij deze batch blijken te horen en de beloofde brief niet hebben ontvangen en maar weer moeten wachten tot september, terwijl zij al wel een versterkingsadvies hebben ontvangen? Wat is hierop uw reactie?
Aan alle adressen die behoren tot de groep van 1.588 is, zoals eerder aangegeven, een brief verstuurd over het vervolg van de versterking, in navolging van eerdere schriftelijke communicatie over het verloop van het versterkingsproces voor deze groep. De samenstelling van deze groep is tussentijds niet gewijzigd. Bewoners met vragen over hun specifieke situatie kunnen hierover navraag doen bij de NCG.
Herinnert u zich dat u in februari 2018 in antwoord op Kamervragen schreef dat «het wegnemen van de oorzaken van stress en onzekerheid» de hoogste prioriteit had?1 Staat u daar nog achter?
Ja. Met het besluit om de gaswinning op een zo kort mogelijke termijn volledig te beëindigen heeft het kabinet er bewust voor gekozen om de aardbevingenproblematiek in Groningen bij de oorzaak aan te pakken.
Kunt u bevestigen dat op deze manier het wantrouwen steeds groter wordt en er van herstel van vertrouwen absoluut geen sprake is? Deelt u de mening dat het vergroten van wantrouwen leidt tot stress en daarmee tot grote gezondheidsrisico’s met mogelijk de dood tot gevolg? Wat gaat u doen om dat toch het vertrouwen te herstellen?
Deze mening deel ik niet. De problematiek die als gevolg van de gaswinning in de omgeving van het Groningenveld is ontstaan, is complex en heeft de afgelopen jaren veel losgemaakt in Groningen. Het herstel van het vertrouwen van de inwoners van Groningen zal begrijpelijkerwijs tijd nodig hebben, en ontstane psychische en andere gezondheidsproblemen die verband houden met de aardbevingenproblematiek vragen aandacht – zie hiervoor ook mijn antwoord op vraag 8.
Dit laat onverlet dat in relatief korte tijd significante stappen zijn gezet: het kabinetsbesluit om de gaswinning versneld en volledig af te bouwen betekent een koerswijziging. De deskundigen stellen dat dit grote positieve impact zal hebben op de veiligheid in Groningen en dat hierdoor minder omvangrijke en ingrijpende versterking van woningen nodig zal zijn (Kamerstuk 33 529, nr. 498). Daarnaast is de afhandeling van schade inmiddels onafhankelijk van NAM georganiseerd en is een wetsvoorstel voor de verankering van de publieke schadeafhandeling onlangs in consultatie geweest. Samen met de Minister van BZK ben ik in overleg met de bestuurders in de regio over het vervolg van de versterkingsoperatie en over investeringen in een nieuw toekomstperspectief voor Groningen.
Hoeveel van de 50 mensen uit de groep «Heft in eigen hand» hebben inmiddels een veilig huis? Hoe gaat het met deze mensen? Ondervinden zij stressklachten? Hoe gaat het met de mensen die zich hebben aangemeld bij het vervolg »Eigen initiatief»? Wat is de stand van zaken op dit moment?
Op dit moment zijn er zes woningen uit de groep Heft in Eigen Hand opgeleverd en zijn er vier woningen opgekocht. Negen projecten zijn in uitvoering, waarvan er twee bestaan uit meerdere woningen. Voor de overige woningen zullen de werkzaamheden op korte termijn starten. De NCG laat weten dat de deelnemers aan Heft in Eigen Hand het proces over het algemeen als intensief ervaren, maar blij zijn met de mogelijkheden die het programma biedt.
Voor de woningen in het programma Eigen Initiatief geldt dat de versterking van de woningen waarvoor voor 24 april 2018 een versterkingsadvies was opgeleverd volgens dit advies wordt voortgezet. De versterking van de overige woningen wordt betrokken bij de implementatie van het Mijnraadadvies (Kamerstuk 33 529, nr. 502), waarover in september nadere besluitvorming plaatsvindt.
Bent u er van op de hoogte dat het door u in februari 2018 aangekondigde «plan van aanpak gezondheidsgevolgen» van het RIVM en de GGD er nog steeds niet is?2 Wat is daarop uw reactie? Bent u bereid te zorgen dat dit plan van aanpak zo snel mogelijk gereed is en in gebruik wordt genomen? Kunt u dat toelichten?
GGD Groningen heeft in opdracht van de NCG een plan van aanpak opgesteld. Dit plan is in juni geaccordeerd door de NCG en is in te zien via de website van GGD Groningen.3 GGD Groningen kiest met dit plan, in overleg met NCG, voor een nadere verkenning van al ontwikkelde of in ontwikkeling zijnde lokale initiatieven.
Het is zaak voor GGD Groningen om de uiteenlopende behoeften voor extra ondersteuning van gemeenten en andere regionale partners zodanig te expliciteren, dat zij hun expertise op gezondheidsbescherming en -bevordering kunnen omzetten in concrete activiteiten. In gesprekken tussen GGD Groningen en de verschillende gemeenten, professionals en burgerinitiatieven worden de wensen voor extra ondersteuning steeds helderder. Daardoor kunnen gerichte activiteiten op wijk- en dorpsniveau desgewenst worden ondersteund en waar nodig aangevuld. Het RIVM ondersteunt GGD en NCG met haar expertise en netwerk wanneer daar behoefte aan is.
Overigens kan ik berichten dat ik inmiddels, conform de motie-Dik-Faber c.s. (Kamerstuk 34 957, nr. 38), een bedrag van € 100.000,– op jaarbasis beschikbaar heb gesteld voor de uitvoering van het in deze motie genoemde interlevensbeschouwelijk team van geestelijk verzorgers.
Het afkeuren van gezonde groente en fruit door supermarkten |
|
Esther Ouwehand (PvdD) |
|
Carola Schouten (viceminister-president , minister landbouw, visserij, voedselzekerheid en natuur) (CU) |
|
|
|
|
Heeft u gezien dat er weer eens een hele oogst fruit is afgekeurd voor verkoop, 60.000 kilo pruimen dit keer, omdat de pruimen niet voldeden aan de uiterlijke eisen die de supermarkten stellen aan groente en fruit?1
Het bericht hierover op NOS.nl heb ik gelezen.
Kunt u bevestigen dat de afkeuring in dit geval het gevolg is van de eisen die supermarkten zelf stellen, maar dat ook Europese handelsnormen de verkoop van goede producten in de weg kunnen staan en regelmatig zelfs verbieden?
In dit geval is de afkeuring inderdaad het gevolg van de eisen die supermarkten zelf aan pruimen stellen; er bestaan voor pruimen namelijk geen EU-handelsnormen. Ik vind de handelwijze van supermarkten in deze betreurenswaardig, omdat zo goede en gezonde producten verspild worden
De EU-handelsnormen voor groenten en fruit zijn bedoeld om kwaliteitsgaranties aan consumenten te bieden. Daarnaast zijn zij waardevol in het handelsverkeer en bij het optimaliseren van onder meer logistieke processen. De EU-handelsnormen verbieden de verkoop van voor menselijke consumptie geschikte producten niet.
Het is echter aan marktpartijen, zoals supermarkten, om te beslissen in welke kwaliteitsklasse zij producten te koop willen aanbieden.
Deelt u de mening dat groente en fruit dat geschikt is voor menselijke consumptie gewoon als zodanig moeten kunnen worden verkocht, en dat afkeuring om andere redenen een geval vormen van onnodige en zeer laakbare voedselverspilling?
Ja, met u ben ik van mening dat deze vorm van voedselverspilling laakbaar is, zoals ik eigenlijk iedere vorm van voedselverspilling laakbaar vind; het tegengaan van voedselverspilling is dan ook één van mijn prioriteiten.
Hoe staat het met de gesprekken die u met de supermarkten zou voeren over het aanpassen van verkoopnormen die niets te maken hebben met de geschiktheid van groente en fruit voor menselijke consumptie? Bent u bereid de supermarkten aan de hand van deze casus indringend tot de orde te roepen?
Tijdens het recente AO Voedsel (19 april 2018 en 15 juni 2018) heb ik uw Kamer toegezegd met supermarkten in gesprek te gaan over het hanteren van (aanvullende) cosmetische eisen aan groenten en fruit, waarbij ik mij gesteund weet door de motie die uw Kamer heeft aangenomen2.
De directies van diverse supermarkten zijn inmiddels uitgenodigd voor een persoonlijk gesprek met mij en zij hebben deze uitnodiging aanvaard. Ik vind deze gesprekken van groot belang, omdat supermarkten, als schakel in de Nederlandse voedselketen een belangrijke rol en verantwoordelijkheid hebben bij het tegengaan van voedselverspilling.
Bent u bereid ten aanzien van de opvolging van de EU-handelsnormen een gedoogbeleid in te stellen dat erop neerkomt dat de Nederlandse Voedsel- en Warenautoriteit (NVWA) niet handhavend zal optreden als groente en fruit dat geschikt is voor menselijke consumptie, maar slechts een afwijkend uiterlijk heeft of om andere redenen worden afgekeurd, toch gewoon te koop wordt aangeboden?
Het Kwaliteits-Controle-Bureau (KCB) en de NVWA zien als onafhankelijke toezichthouders toe op de naleving van de EU-handelsnormen en niet op het al dan niet te koop aanbieden van groente en fruit met een afwijkend uiterlijk. Het instellen van een gedoogbeleid is dan ook niet nodig. Bovendien heb ik in het debat met uw Kamer al aangegeven geen voorstander te zijn van een gedoogbeleid vanwege de precedentwerking die hiervan kan uitgaan voor andere dossiers.
Deelt u de mening dat de aankondiging van een gedoogbeleid door Nederland, voor gezond groente en fruit met een iets afwijkend uiterlijk, de Europese discussie over de handelsnormen een flinke en positieve impuls zou kunnen geven?
Ten aanzien van de EU-handelsnormen heb ik u tijdens het Algemeen Overleg Voedsel toegezegd te onderzoeken of en op welke punten er binnen de EU-handelsnormen sprake is van puur cosmetische eisen en welke actie ik kan ondernemen. Op basis van de uitkomsten zal ik dit bij de Europese Commissie in Brussel aan de orde stellen met als inzet het schrappen van cosmetische eisen in handelsnormen.
De bescherming van dieren tegen de hitte |
|
Esther Ouwehand (PvdD) |
|
Carola Schouten (viceminister-president , minister landbouw, visserij, voedselzekerheid en natuur) (CU) |
|
|
|
|
Deelt u de mening dat veel van de maatregelen uit het Nationaal Hitteplan van het Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu (RIVM), zoals voldoende drinken, het opzoeken van de schaduw en het koel houden van de leefomgeving niet alleen voor mensen, maar ook voor dieren moeten gelden? Zo nee, kunt u dit toelichten?1
Vanzelfsprekend moeten ook voor dieren de nodige maatregelen worden genomen. De houder heeft de verplichting de dieren de nodige bescherming te bieden, ook bij bijzondere weeromstandigheden. Daarnaast heeft de houder de verplichting om voor goede ventilatie te zorgen bij dieren die in een stal verblijven, zoals vastgelegd in artikel 2.5 van het Besluit houders van dieren.
Kunt u helder uiteenzetten welke mogelijkheden de Nederlandse Voedsel- en Warenautoriteit (NVWA) heeft om op te treden en maatregelen te treffen wanneer zij dieren aantreffen die lijden door hittestress? Wat zijn de ervaringen van de inspecteurs met de wettelijke mogelijkheden, kunnen zij daadwerkelijk handhaven of betreft het open normen die het in de praktijk lastig maken om op te treden?
Als de NVWA bij inspecties welzijnsovertredingen aantreft in verband met onnodig lijden door hittestress, kan ze krachtens de Wet Dieren passende herstelmaatregelen opleggen. Bijvoorbeeld het laten bieden van beschutting of de dieren langs de kortst mogelijke weg laten verplaatsen naar een plek waar zij beschermd zijn tegen extreme weersomstandigheden, zoals hitte. Daarnaast kan de NVWA bestuursrechtelijke of strafrechtelijke sancties opleggen als de houder en/of de vervoerder in gebreke is gebleven.
Open normen in de regelgeving bieden de houder en/of vervoerder van de dieren ruimte voor flexibele maar onderbouwde invulling. Op grond van wetenschappelijke inzichten en feitelijke waarnemingen handhaven de inspecteurs van de NVWA deze open normen. Ter ondersteuning kunnen zij hun waarnemingen vastleggen op foto of video. Indien nodig kunnen inspecteurs advies van een dierenarts inwinnen.
Hoe vaak is in de afgelopen vijf jaar door de NVWA gecontroleerd op hittestress en wat waren de bevindingen van die controles? Hoe vaak is de afgelopen vijf jaar daadwerkelijk handhavend opgetreden tegen hittestress, op welke gronden is dat gebeurd en waar bestond de sanctie uit?
Er zijn geen gegevens beschikbaar over het aantal controles in de afgelopen 5 jaar bij extreme warme weersomstandigheden. Zoals aangegeven moeten houders bescherming bieden tegen extreme weersomstandigheden en, als de dieren in een stal verblijven, voor goede ventilatie zorgen.
In de onderstaande tabel is een overzicht gegeven van de maatregelen in relatie tot handhaving op onnodig lijden door extreme warme omstandigheden op veehouderijbedrijven en tijdens transporten. Deze controles kunnen ook uitgevoerd zijn naar aanleiding van meldingen.
Schapen niet geschoren met 30 graden
Mondelinge correctie
Schapen zonder beschutting bij 31 graden
Mondelinge correctie
Hijgende schapen in de zon zonder beschutting
Mondelinge correctie
Ongeschoren schapen zonder beschutting en water bij 35 graden
Bestuurlijke maatregel
Transport beëindigd en dieren opgevangen
Bestuurlijke maatregel
Veel dieren dood bij aankomst slachthuis
Bestuurlijke maatregel
Schapen sinds 2013 niet geschoren
Bestuurlijke maatregel en Proces verbaal
Kreupel rund in volle zon bij 25 graden
Ter plekke hersteld
Ram hijgend in de zon zonder beschutting
Ter plekke hersteld
Diertransport welzijn hitte
Rapport van bevindingen
Diertransporten welzijn hitte
7 maal een rapport van bevindingen aangezegd
Deelt u de mening dat dieren in weilanden beschutting moeten kunnen vinden tegen de zon? Zo nee, waarom niet en hoe verhoudt uw opvatting zich tot de uitgangspunten van de Wet dieren? Zo ja, bent u bereid om maatregelen te treffen om meer beschutting in en rond weilanden te realiseren, zoals bomen en houtwallen voor koeien?
Zoals vastgelegd in artikel 1.6 lid 3 van het Besluit houders van dieren moet een dier, indien het niet in een gebouw wordt gehouden, bescherming worden geboden tegen slechte weersomstandigheden. (Permanente) beschutting aanbieden in weilanden is niet altijd mogelijk volgens de vigerende bestemmingsplannen van het gebied. De veehouder zal dan andere passende maatregelen moeten nemen om de dieren te beschermen, zoals het overdag opstallen van het vee. Daarnaast is er een toenemende belangstelling voor de toepassing van agroforestry, waarbij meer mogelijkheden ontstaan voor natuurlijke beschutting.
Is het u bekend dat mensen die hun (niet-commercieel gehouden) dieren buiten laten lopen, nogal eens worden tegengewerkt door hun gemeente als zij willen zorgen voor beschutting in hun weiland? Wat vindt u daarvan?
In Nederland is de bevoegdheid voor het opstellen van bestemmingsplannen bij gemeenten belegd, omdat zij meer zicht hebben op de lokale situatie dan de rijksoverheid. Een landelijk beleid ten aanzien van schuilstallen zou hiermee conflicteren. In bestemmingsplannen kunnen gemeenten de mogelijkheid opnemen om bebouwing toe te staan of om een ontheffing te verlenen voor het realiseren van een schuilstal. Om houder en gemeenten behulpzaam te zijn is er door de rijksoverheid ondersteuning verleend aan de brochure «Schuilstallen in het buitengebied» gepubliceerd door Stichting Levende Have. Hierin staan tips en handvatten hoe om te gaan met het houden van dieren in het buitengebied voor zowel de houder van dieren als gemeenten. Voor meer informatie verwijs ik u graag naar deze brochure: http://edepot.wur.nl/12687.
Hoeveel en welke gemeenten weigeren toestemming te geven voor het plaatsen van schuilgelegenheden of andere vormen van beschutting in de wei? Bent u bereid om, bijvoorbeeld via de Vereniging van Nederlandse Gemeenten (VNG), met deze gemeenten hierover in gesprek te gaan? Bent u bereid deze gemeenten te wijzen op het feit dat zij houders van dieren belemmeren bij het voldoen van de wettelijke plicht om dieren te vrijwaren van fysiek en fysiologisch ongerief? Zo nee, waarom niet?2
Ik heb geen inzicht in het aantal gemeenten dat weigert toestemming te geven voor het plaatsen van schuilgelegenheden of andere vormen van beschutting in de wei. Ik zal dit onderwerp met de Vereniging van Nederlandse Gemeenten bespreken. Ik kan gemeenten echter niet dwingend voorschrijven om over te gaan tot het geven van toestemming voor schuilgelegenheden.
Hoe heet wordt het in varkensstallen en in pluimveestallen, gemiddeld en maximaal? Welke temperaturen worden gedurende deze hitte bereikt in de stallen?
De NVWA houdt hier geen gegevens over bij. Wel moet de ventilatie zodanig zijn dat de luchtcirculatie, het stofgehalte van de lucht, de temperatuur, de relatieve luchtvochtigheid en de gasconcentraties in de omgeving van het dier niet schadelijk zijn voor het dier.
Kunt u bevestigen dat bij varkens al bij 27 graden celsius hittestress optreedt, met een versnelde hartslag, stijgende bloeddruk en versnelde oppervlakkige ademhaling als gevolg?
Of een varken hittestress krijgt bij een bepaalde temperatuur is afhankelijk van meerdere factoren, zoals leeftijd van het dier en dracht. Voor net geboren biggen is de comforttemperatuur in het biggennest op bighoogte op de eerste dag 33 – 35 graden Celsius. Pas gespeende biggen worden in stallen gehuisvest met 26 graden Celsius. Voor (drachtige) zeugen en vleesvarkens ligt de comforttemperatuur lager. Wageningen University & Research (WUR) heeft richtlijnen voor klimaatinstellingen opgesteld3. De Gezondheidsdienst voor Dieren (GD) geeft «diergezondheidstips bij warm weer» bij varkens4 en andere diersoorten.
Bij hoeveel varkensstallen komt de temperatuur boven de 27 graden celsius uit? Bij hoeveel (procent van de) varkensstallen worden adequate maatregelen genomen om te voorkomen dat de temperatuur in een varkensstal oploopt tot boven de 27 graden celsius?
Ik heb geen inzicht in het percentage stallen waar de temperatuur voor bepaalde dieren niet optimaal is.
Kunt u bevestigen dat bij kippen al bij 28 graden celsius hittestress kan optreden, wat kan leiden tot een afwijkende zuurgraad in het bloed en mogelijk zelfs tot de dood?3
Of pluimvee hittestress krijgt bij 28 graden Celsius is afhankelijk van meerdere factoren. Onder andere in combinatie met een relatieve hoge luchtvochtigheid heeft pluimvee sneller last van warmte, met alle consequenties van dien. Pluimvee heeft geen zweetklieren en kan dus slechts via uitademing lichaamswarmte kwijtraken. Pluimveehouders kunnen en moeten maatregelen nemen, zij hebben immers een zorgplicht. Bij warme dagen passen ze de bedrijfsvoering aan om hittestress en de gevolgen daarvan te voorkomen, zoals zorgen voor voldoende ventilatiecapaciteit en vers drinkwater.
Hoe houdt de NVWA toezicht op de temperatuur en de ventilatie in stallen en welke middelen zijn er om het nemen van adequate maatregelen af te dwingen?
De NVWA controleert tijdens inspecties op de volgende algemene aspecten: de luchtcirculatie, het stofgehalte van de lucht, de temperatuur, de relatieve luchtvochtigheid en de gasconcentraties in de omgeving van het dier. Als de gezondheid en het welzijn van een dier afhankelijk zijn van een kunstmatig ventilatiesysteem, dan moet dat voorzien zijn van een passende noodvoorziening, waarmee voldoende verse lucht kan worden aangevoerd om de gezondheid en het welzijn van het dier te waarborgen als het hoofdsysteem uitvalt. Handhaving vindt plaats middels het vigerende interventiebeleid van de NVWA. Houders kunnen een waarschuwing, bestuurlijke boete of proces-verbaal krijgen, al dan niet in combinatie met een last onder bestuursdwang of een last onder dwangsom.
Hoe vaak heeft de NVWA de afgelopen vijf jaar gecontroleerd op temperatuur en ventilatie in stallen en wat waren de bevindingen van die controles? Hoe vaak is de NVWA de afgelopen vijf jaar overgegaan tot daadwerkelijke handhaving, op grond waarvan is dat gebeurd en welke sancties zijn er opgelegd?
De NVWA heeft in de jaren 2014 – 2017 in de zomerperiode (maanden mei tot en met september) 3.224 reguliere welzijnsinspecties uitgevoerd op primaire bedrijven. Het gaat om inspecties van zowel dieren die in de stal worden gehuisvest (zoals varkens, pluimvee, kalveren) als dieren die ook gedeeltelijk buiten zijn gehuisvest (bijvoorbeeld melkvee en schapen). Voor 2018 heeft de NVWA nog geen definitieve cijfers, omdat de zomerperiode (maanden mei tot en met september) nog loopt.
Jaar
Aantal inspecties
2014
562
2015
1.181
2016
803
2017
678
De NVWA controleert tijdens welzijnsinspecties de naleving van de Wet dieren en het Besluit houders van dieren. De volgende overtredingen zijn tijdens deze 3.224 inspecties vastgesteld met betrekking tot temperatuur en ventilatie. In de jaren 2014 en 2016 is geen maatregel opgelegd naar aanleiding van deze inspecties.
Te hoge concentratie CO2 in twee vleeskuikenstallen
Rapport van Bevindingen
Niet hebben alarmsysteem varkens
Mondelinge correctie
Geen noodvoorziening ventilatiesysteem varkens
Bestuurlijke maatregel en Bestuurlijk boete
Geen alarm op de ventilatie aanwezig, de onderhoudstoestand van de ventilatie is zeer slecht in de varkensstal
Bestuurlijke maatregel
Kunt u bevestigen dat kalveren al vanaf 20 graden celsius last kunnen hebben van hittestress?4 Kunt u bevestigen dat de iglo’s waarin piepjonge kalfjes in de melkveehouderij in hun eentje in worden gestopt, snel benauwd kunnen worden?5
Net als andere diersoorten kunnen ook kalveren last krijgen van hittestress. Dit is niet alleen afhankelijk van de temperatuur maar ook van andere factoren zoals de luchtvochtigheid. Rundveehouders kunnen en moeten maatregelen nemen om negatieve gevolgen van hoge temperaturen tegen te gaan. De Gezondheidsdienst voor Dieren heeft hiervoor een «draaiboek hittestress» voor runderen opgesteld.
Hoe vaak is de afgelopen vijf jaar door de NVWA gecontroleerd op hittestress bij kalfjes die na de geboorte bij hun moeder zijn weggehaald en alleen zijn gezet en wat waren de bevindingen van die controles? Hoe vaak is de NVWA de afgelopen vijf jaar overgegaan tot daadwerkelijke handhaving, op grond waarvan is dat gebeurd en welke sancties zijn er opgelegd?
De NVWA heeft in de jaren 2014 – 2017 in de zomerperiode (maanden mei t/m september) 248 reguliere welzijnsinspecties uitgevoerd op bedrijven met kalveren. Dit kunnen zowel kalveren op het melkveebedrijf zijn als vleeskalveren, het merendeel betreft inspecties op melkveebedrijven. De NVWA registreert niet of de kalveren met of zonder het moederdier zijn gehuisvest. Er zijn in die periode geen overtredingen geconstateerd met betrekking tot hittestress bij kalveren. Voor 2018 heeft de NVWA nog geen definitieve cijfers, omdat de zomerperiode (maanden mei tot en met september) nog loopt.
Jaar
Aantal inspecties
2014
50
2015
53
2016
55
2017
90
248
Erkent u dat varkens modder nodig hebben om hun temperatuur te reguleren? Bent u zich er van bewust dat varkens in hun eigen uitwerpselen gaan rollen om af te koelen, terwijl het zindelijke dieren zijn die een afkeer hebben van hun eigen poep? Zo ja, op welke wijze wilt u een adequate regulering van de temperatuur verplicht stellen? Zo nee, kunt u dit toelichten?
Meerdere factoren spelen een rol bij de thermoregulatie van varkens. In het Besluit houders van dieren wordt een aantal wettelijke eisen gesteld. De luchtcirculatie, het stofgehalte van de lucht, de temperatuur, de relatieve luchtvochtigheid en de gasconcentraties in de omgeving van het dier mogen niet schadelijk zijn voor het dier. Indien de gezondheid en het welzijn van een dier afhankelijk zijn van een kunstmatig ventilatiesysteem, is dat voorzien van een passende noodvoorziening waarmee voldoende verse lucht kan worden aangevoerd om de gezondheid en het welzijn van het dier te waarborgen als het hoofdsysteem uitvalt. Indien het ventilatiesysteem uitvalt moet er een alarmsysteem in werking treden. Dit moet regelmatig getest worden.
Erkent u dat vrije uitloop, met beschutting en gelegenheid voor modderbaden, de meest effectieve manier is om hittestress bij varkens te voorkomen, aan hun behoefte aan het vertonen van hun natuurlijke gedrag tegemoet te komen en (daarmee) hun welzijn te dienen? Zo nee, waarom niet? Bent u bereid deze vorm van huisvesting tot doel te stellen en een transitieplan op te stellen waarin de varkenshouderij binnen een bepaalde termijn moet voldoen aan deze huisvestingsnormen? Zo nee, waarom niet?
Nee. Op basis van goede klimaatsturing in veestallen en voldoende vers drinkwater kan hittestress bij varkens worden voorkomen. Ik verwijs u verder naar het antwoord op vraag 15.
Erkent u dat vrije uitloop, met beschutting en gelegenheid voor stofbaden, de meest effectieve manier is om hittestress bij kippen te voorkomen, aan hun behoefte aan het vertonen van hun natuurlijke gedrag tegemoet te komen en (daarmee) hun welzijn te dienen? Zo nee, waarom niet? Bent u bereid deze vorm van huisvesting tot doel te stellen en een transitieplan op te stellen waarin de pluimveehouderij binnen een bepaalde termijn moet voldoen aan deze huisvestingsnormen? Zo nee, waarom niet?
Nee, dit is afhankelijk van de (weers)omstandigheden. Bij hoge buitentemperaturen is het binnenklimaat in stallen, dat voldoet aan de wettelijke eisen, doorgaans beter voor de dieren dan het buitenklimaat.
Kunt u bevestigen dat het verlagen van de hokbezetting, waar de veehouderij door de sectororganisaties toe wordt opgeroepen, neerkomt op het vervroegd afvoeren van dieren naar de slacht? Zo nee, hoe zit het dan?
Ik ben niet bekend met een dergelijke oproep van de sectororganisaties.
Bent u bereid om preventief te zorgen voor een lagere hokbezetting om hittestress te voorkomen door af te kondigen dat in de zomer minder dieren in de Nederlandse stallen mogen staan en dat daartoe vóór de zomer beperkingen worden gesteld aan de fok van het aantal dieren? Zo nee, erkent u dat u door het achterwege laten van preventieve regels de dieren in de Nederlandse veehouderij welbewust extra risico laat lopen op hittestress en/of een vervroegde slacht?
Ik zie geen aanleiding voor dergelijke maatregelen. Een optimale klimaatsturing in stallen is van belang. Dit is onderdeel van de normale bedrijfsvoering van een veehouderijbedrijf. Ik verwijs u verder naar het antwoord op vraag 15.
Op welke wijze wordt gecontroleerd of de extra maatregelen bij extreme temperaturen, die worden beschreven in de standaard werkwijzen voor slachthuizen, daadwerkelijk worden uitgevoerd?
Tijdens de controles van de NVWA-toezichthouder bij de aanvoer van dieren op het slachthuis is dierenwelzijn een belangrijk punt van aandacht. In de beoordeling van het welzijn van de dieren wordt onder andere aandacht besteed aan verschijnselen van hitte – of koudestress. Indien de exploitant zijn standaardwerkwijze niet op een zodanige manier heeft ingevuld dat de dieren elke vorm van vermijdbare pijn, spanning of lijden wordt bespaard, wordt hiervan door de NVWA-toezichthouder een rapport van bevindingen opgesteld. Daarnaast voert de NVWA periodiek inspecties uit waarin de standaardwerkwijzen inhoudelijk beoordeeld worden.
Kunt u bevestigen dat door een storing of andere problemen in het slachtproces, dieren soms extra lang moeten wachten, of dat juist wordt gekozen voor het doorgaan met het slachtproces, terwijl dit vanuit dierenwelzijnsoogpunt eigenlijk stil zou moeten worden gelegd, vanwege de dieren die in de hitte staan te wachten? Hoeveel gevallen zijn hiervan bij u bekend?
Storingen kunnen zich voordoen en het is de verantwoordelijkheid van het bedrijfsleven om de wachttijden tot een minimum beperken. In het protocol van de slachthuizen in het Nationaal plan voor veetransport bij extreme temperaturen is expliciet opgenomen dat er bij hitte optimaal moet worden gepland, zodat er zo min mogelijk wachttijd is. Ook worden door de slachthuizen maatregelen getroffen om de problemen met hitte tijdens wachttijd tegen te gaan, bijvoorbeeld door extra ventilatie, schaduw en waterkoeling.
De NVWA-toezichthouder ziet er op toe dat de maatregelen afdoende zijn. Indien dit niet het geval is wordt er een rapport van bevindingen opgesteld. Tot nu toe zijn deze zomerperiode 4 rapporten opgemaakt in de slachthuizen in verband met hittestress. Op 10 augustus jl. heeft er een evaluatiegesprek plaatsgevonden met grote varkensslachterijen die in ploegendienst werken. Afgesproken is dat er varianten worden uitgewerkt om bij een volgende periode met hitte sneller te kunnen inspelen op de wens om met de slachturen te schuiven.
Bent u bereid het aantal dieren dat wordt vervoerd naar slachthuizen bij hoge temperaturen te beperken, om dergelijke situaties te voorkomen?
De Transportverordening stelt de eis dat bij de belading rekening gehouden moet worden met de weersomstandigheden. De veehouders, transporteurs en slachthuizen hebben daarnaast het Nationaal plan voor veetransport bij extreme temperaturen opgesteld, met onderliggende sectorprotocollen. Hierbij worden maatregelen genomen zoals het beperken van het aantal dieren per transportmiddel, vervoer tijdens de koelere uren van de dag, kortere wachttijden bij slachthuizen en geen vervoer bij een buitentemperatuur van 35 graden of meer. Een extra door de overheid opgelegde beperking van vervoer acht ik niet nodig bij goede naleving van deze protocollen door de sector.
De aantallen dieren die onbedwelmd worden geslacht |
|
Esther Ouwehand (PvdD) |
|
Carola Schouten (viceminister-president , minister landbouw, visserij, voedselzekerheid en natuur) (CU) |
|
|
|
|
Kunt u het aantal onbedwelmd aangesneden dieren uit het eerste kwartaal van 20181 uitsplitsen naar het aantal dieren dat direct na het aansnijden een bedwelming kreeg, het aantal dieren dat kort voor het verstrijken van de 40 seconden een bedwelming kreeg en het aantal dieren dat geen bedwelming kreeg omdat ze binnen 40 seconden na het aansnijden het bewustzijn hadden verloren? Kunt u bij deze drie categorieën onderscheid maken tussen de verschillende diersoorten?
Nee, ik kan deze nadere uitsplitsing niet maken. De NVWA houdt hier geen registratie van bij.
Kunt u uiteenzetten hoeveel slachterijen direct bedwelming toepassen bij het aansnijden, hoeveel slachterijen kort na het aansnijden bedwelming toepassen, hoeveel slachterijen alle dieren kort voor het verstrijken van de 40 seconden alsnog bedwelmen en hoeveel slachterijen alleen de dieren bedwelmen die kort voor het verstrijken van de 40 seconden nog tekenen van bewustzijn vertonen? Kunt u bij deze vier categorieën onderscheid maken tussen slachterijen die dieren slachten voor de halal of koosjere markt?
Nee, ik kan deze nadere uitsplitsing niet maken.
Bekend is wel dat ingeval onbedwelmd geslacht wordt ten behoeve van joods rituele slacht (koosjer) altijd gewacht wordt met het geven van een eventuele bedwelming tot kort voor het verstrijken van 40 seconden na aansnijden. In het geval van islamitisch rituele slacht (halal) kan dit variëren naar gelang de wensen van de afnemer/halal-certificerende instelling en het slachthuis.
Klopt het dat het Nederlands Israëlitisch Kerkgenootschap (NIK) heeft bevestigd dat dieren die (alsnog) een bedwelming krijgen na het aansnijden niet om die reden worden afgekeurd voor afzet als koosjer vlees?
Hiervoor verwijs ik naar het antwoord in mijn brief van 28 juni jongstleden (Kamerstuk 31 571, nr. 32).
Hoeveel dieren zijn sinds 1 januari 2018 onbedwelmd aangesneden in de koosjere slacht en vervolgens afgekeurd voor afzet als koosjer vlees? Wat zijn hiervoor de redenen geweest? Wat is er vervolgens met het vlees van deze dieren gebeurd?
Hoeveel en op welke gronden onbedwelmd aangesneden dieren ten behoeve van koosjere slacht afgekeurd worden als koosjerwaardig is mij niet bekend. Hierop houdt de NVWA geen toezicht. Zoals ik schreef in mijn brief van 28 juni jongstleden is mij vanuit de slachterijen verzekerd dat vlees afkomstig van als koosjer onbedwelmd aangesneden dieren dat niet als koosjer afgezet wordt, als halal afgezet kan worden. Ik heb er geen zicht op of dit ook daadwerkelijk als halal afgezet wordt.
Kunt u bevestigen dat wanneer een dier onbedwelmd wordt aangesneden, maar waarvan het vlees vervolgens wordt afgekeurd voor afzet op de koosjere markt, er een nieuw dier onbedwelmd wordt aangesneden om te voorzien in de vraag naar koosjer vlees? Zo nee, kunt u dit toelichten?
Nee, dat kan ik niet bevestigen. De NVWA houdt uitsluitend toezicht op de onbedwelmde slacht en niet op de criteria die organisaties, die de koosjer- dan wel halalwaardigheid beoordelen, hanteren.
Hoeveel dieren zijn sinds 1 januari 2018 onbedwelmd aangesneden in de halal slacht en vervolgens afgekeurd voor afzet als halal vlees? Wat zijn hiervoor de redenen geweest? Wat is er vervolgens met het vlees van deze dieren gebeurd?
De aantallen onbedwelmd aangesneden dieren, zoals gerapporteerd in mijn brief van 28 juni jongstleden, betreft het totale aantal voor joods én islamitisch rituele slacht. Het toezicht van en de registratie door de NVWA maakt geen onderscheid voor welke ritus dit geschiedt. Het is mij niet bekend of, en zo ja op welke gronden onbedwelmd aangesneden dieren ten behoeve van halalslacht afgekeurd zijn voor afzet als halalvlees.
Kunt u bevestigen dat wanneer een dier onbewelmd wordt aangesneden, maar waarvan het vlees vervolgens wordt afgekeurd voor afzet als halal vlees, er een nieuw dier onbedwelmd wordt aangesneden om te voorzien in de vraag naar halal vlees? Zo nee, kunt u dit toelichten?
Zie antwoord vraag 5.
Is het waar dat slachterijen u hebben verzekerd dat wanneer een dier als koosjer wordt aangesneden, maar het vlees vervolgens wordt afgekeurd voor afzet op de koosjere markt, het vlees wel als halal vlees wordt geaccepteerd door de islamitische gemeenschap? Is het tevens waar dat er geen toezicht wordt gehouden op deze afzetstromen door de NVWA of een andere instantie? Zo nee, kunt u dit toelichten?
Hiervoor verwijs ik naar het antwoord in mijn brief van 28 juni jongstleden.
Wordt afgekeurd koosjer vlees dat vervolgens als halal wordt afgezet als zodanig geëtiketteerd? Zo ja, wie draagt daar zorg voor en hoe vindt de controle daarop plaats?
Het is mij niet bekend óf, en zo ja hoe vlees dat niet als koosjerwaardig wordt beschouwd, als halalwaardig wordt geëtiketteerd. Er is geen wettelijke verplichting tot etikettering; een eventuele etikettering is een private aangelegenheid.
Kunt u bevestigen dat standaard niet alle onderdelen van onbedwelmd aangesneden dieren in de koosjere slacht ook daadwerkelijk als koosjer kunnen worden aangemerkt, en dat de andere onderdelen in reguliere (of halal-)kanalen worden afgezet? Zo ja, kunt u duidelijk maken hoeveel van het hier bedoelde vlees in Nederland buiten de koosjere kanalen wordt verkocht? Kunt u bevestigen dat dit vlees niet als zodanig is geëtiketteerd waardoor consumenten die vlees kopen mogelijk producten kopen die afkomstig zijn van onbedwelmd geslachte dieren uit de koosjere slacht, zonder dat te weten?
Hiervoor verwijs ik naar hetgeen Staatssecretaris Van Dam hierover geschreven heeft in zijn brief d.d. 9 juni 2017 (Kamerstuk 31 571, nr. 29). «Circa 65% van de runderen wordt, na volgens de shechita te zijn aangesneden, op basis van de beoordeling van interne organen tóch als niet-koosjer beoordeeld door de joods-religieuze autoriteit. Daarnaast wordt de «achterhand» van karkassen altijd als niet-koosjer beschouwd. De VSV heeft mij laten weten dat ook het vlees afkomstig van deze dieren, en deze karkasdelen, een bestemming als onbedwelmd aangesneden halal kan krijgen.»
Erkent u dat u er, als er überhaupt geen toezicht plaatsvindt op de afzet van vlees van onbedwelmde slacht en etikettering ontbreekt, voor zorgt dat vlees van onbedwelmd geslachte dieren, afkomstig uit ofwel de koosjere slacht ofwel de halal slacht, als regulier vlees aan nietsvermoedende consumenten wordt verkocht? Zo nee, kunt u uitsluiten dat dit gebeurt?
Het is niet uitgesloten dat vlees, afkomstig van onbedwelmd aangesneden dieren, niet als herkenbaar «halal» of «koosjer» verkocht wordt.
Wat is volgens u de onderliggende verklaring voor het afgenomen aantal onbedwelmde slachtingen sinds 1 januari 2018?
Er zijn geen gegevens bekend die het afgenomen aantal onbedwelmde slachtingen sinds 1 januari 2018 in vergelijking met 2017 verklaren.
Welke tekortkomingen, zoals door u worden genoemd in uw brief van 28 juni jongstleden, zijn er sinds 1 januari 2018 geconstateerd bij de onbedwelmde slacht?
Zoals genoemd in mijn brief van 28 juni 2018 betreffen de geconstateerde tekortkomingen veelal een niet correct uitgevoerde fixatie van het dier bij het onbedwelmd aansnijden. Daarnaast is geconstateerd dat de fixatie opgeheven werd vóór het intreden van bewusteloosheid werd vastgesteld, of dat geen controle op bewustzijnsverlies werd uitgevoerd. Ook is geconstateerd dat de halssnede niet correct in één vloeiende beweging werd uitgevoerd. In totaal zijn in het eerste kwartaal 80 overtredingen geconstateerd, waarop 41 keer aanwijzingen voor corrigerende maatregelen zijn gegeven en 3 rapporten van bevindingen zijn aangezegd. In het tweede kwartaal is de uitvoering al verbeterd; in het tweede kwartaal zijn 21 overtredingen geconstateerd, resulterend in 15 aanwijzingen voor corrigerende maatregelen, en zijn geen rapporten van bevindingen aangezegd.
Hoeveel en welke overtredingen zijn er geconstateerd sinds 1 januari 2018? Welke maatregelen zijn hierop genomen?
Zie antwoord vraag 13.
De bijdrage van 8 miljoen euro aan de nertsenhouderij |
|
Esther Ouwehand (PvdD), Frank Futselaar (SP) |
|
Carola Schouten (viceminister-president , minister landbouw, visserij, voedselzekerheid en natuur) (CU) |
|
|
|
|
Wat is de reden voor uw besluit om 8 miljoen euro van het budget dat zou zijn bestemd voor de warme sanering van de varkenshouderij, te reserveren voor de flankerende maatregelen in het kader van de Wet verbod pelsdierhouderij1? Op welke wijze draagt dit bij aan het doel van de «transitie naar een vitale, robuuste, toekomstbestendige en duurzame varkenshouderijketen»?
In mijn brief van 7 juli 2018 heb ik aangekondigd dat 8 miljoen euro gereserveerd zal worden voor de verschillende flankerende maatregelen in het kader van de Wet verbod pelsdierhouderij, bovenop de al eerder gereserveerde middelen. Ten behoeve van deze reservering wordt het beschikbare bedrag voor de transitie naar een duurzame varkenshouderijketen met 8 miljoen euro verlaagd.
Op grond van het Besluit en de Regeling is het maximumbedrag voor sloop- en ombouwkosten, per locatie, inderdaad 95.000 euro of, indien bij het slopen of ombouwen asbest wordt verwijderd, 120.000 euro. In de komende periode zal ik onderzoeken hoe dit extra bedrag, in overeenstemming met de toepasselijke staatssteunrechtelijke randvoorwaarden, kan worden aangewend. Als dit leidt tot een wijziging van het Besluit subsidiëring sloop- en ombouwkosten pelsdierhouderij, zal ik uw Kamer daarover informeren.
Hoe verhoudt dit besluit zich tot uw eerdere uitspraak: «(o)p dit moment zie ik geen aanleiding om naast de in het kader van de Wet verbod pelsdierhouderij vastgestelde flankerende maatregelen aanvullende voorzieningen te treffen»?2
Zie antwoord vraag 1.
Wat gaat dit bedrag van 8 miljoen euro voor ingezet worden? Hoe staat dit in verhouding tot de eerder gereserveerde middelen van 28 miljoen euro?3
Zie antwoord vraag 1.
Kunt u bevestigen dat er nog 146 nertsenfokkerijen zijn in Nederland?4 Zo nee, wat is dan het correcte aantal?
Er zijn momenteel in Nederland 145 bedrijven waar edelpelsdieren worden gehouden. Uit gegevens van het CBS (2018) blijkt dat in alle jaren na 2013 sprake was van een lager aantal gehouden edelpelsdieren dan in 2013. In de link treft u de aantallen gehouden dieren per jaar aan6.
Kunt u bevestigen dat uit de Regeling en het Besluit subsidiering sloop- en ombouwkosten pelsdierhouderij voortvloeit dat het maximum bedrag voor de sloop- en ombouwkosten per locatie 95.000 euro bedraagt of 120.000 euro wanneer asbestsanering nodig is?5 Zo ja, waar gaat het resterende bedrag van 22,13 miljoen euro voor ingezet worden? Wordt de Kamer in de mogelijkheid gesteld hierover mee te beslissen?
Zie antwoord vraag 1.
Hoe kan de Kamer controleren of dit geld niet gaat naar frauderende bedrijven, zoals bedrijven die illegaal hebben uitgebreid de afgelopen jaren? Deelt u de mening dat dit zeer onwenselijk zou zijn? Zo nee, waarom niet?
Bij brief van 20 januari 2017 (Kamerstuk 30 826, nr. 51) heb ik op een vergelijkbare vraag van de PvdD-fractie geantwoord dat, op grond van het Besluit, de Regeling, en het Kaderbesluit nationale EZ-subsidies, subsidie kan worden geweigerd indien deze is aangevraagd voor sloop of ombouw van stallen die zijn gebouwd en gebruikt in strijd met de Wet verbod pelsdierhouderij. Als Minister voer ik deze regelgeving uit en houd ik toezicht op de naleving ervan. De Tweede Kamer kan mij hierop controleren.
Wat zou het kosten als de overgangstermijn van het verbod op de pelsdierhouderij met een jaar zou worden ingekort? Deelt u de mening dat dit het risico op staatssteun zou verminderen?
De overgangstermijn is vastgelegd in de Wet verbod pelsdierhouderij. Een schatting van de kosten die verkorting van de overgangstermijn met zich mee zou brengen, is niet te maken. Bij de totstandkoming van de Nederlandse subsidieregeling voor sloop- en ombouwkosten van pelsdierhouderijen is aangesloten bij hetgeen daarover tijdens de parlementaire behandeling van de Wet verbod pelsdierhouderij is gewisseld en hetgeen door initiatiefnemers is beoogd. Het Besluit subsidiëring sloop- en ombouwkosten is een staatssteunmaatregel, die is aangemeld bij en goedgekeurd door de Europese Commissie. De duur van de overgangstermijn heeft als zodanig geen invloed op de kwalificatie van de subsidieregeling als staatssteun. Ik acht het onwenselijk en zie geen mogelijkheden om in de Nederlandse subsidieregeling een afnemende vergoeding toe te passen, omdat ondernemers anticiperen en besluiten hebben genomen op basis van de in deze vanaf 1 maart jongstleden opengestelde regeling.
Hoe kijkt u naar de aanpak van Vlaanderen, waar de hoogte van de compensatievergoeding voor nertsenhouders wordt gekoppeld aan het tijdstip dat zij stoppen met de nertsenfokkerij: hoe eerder zij stoppen, hoe hoger de compensatie?6 Welke mogelijkheden ziet u voor een dergelijke aanpak in Nederland, gelet op de extra investering van 8 miljoen voor de pelsdierhouderij?
Zie antwoord vraag 7.
Kunt u bevestigen dat het aantal nertsenfokkerijen sinds 2012 is afgenomen, terwijl het aantal nertsen, in ieder geval tussen 2012 en 2015, nagenoeg gelijk is gebleven? Zo ja, hoe verhoudt dit zich tot het uitbreidingsverbod dat deel uitmaakt van het verbod op de pelsdierhouderij? Zo nee, wat zijn dan de correcte aantallen?
Zie antwoord vraag 4.
Hoe beoordeelt u het feit dat de NVWA zeer regelmatig niet tijdig beslist op verzoeken van niet-gouvernementele organisaties? Bent u bereid hierover met de NVWA in gesprek te gaan? Hoeveel geld heeft de NVWA de afgelopen tien jaar moeten betalen aan dwangsommen wegens niet tijdig beslissen? Hoeveel extra menskracht zou dit hebben opgeleverd, in fte omgerekend?
De NVWA moet binnen de haar beschikbare middelen werken, en net als bij andere werkzaamheden heb ik het vertrouwen dat bij handhavingsverzoeken de zorgvuldigheid voorop staat. Op de meeste handhavingsverzoeken wordt tijdig beslist. Vanaf 2016 is een toename van het aantal ingediende handhavingsverzoeken te zien. In 2012 werden twee verzoeken ingediend, in 2013 één verzoek, in 2014 twee verzoeken waarvan één niet tijdig afgehandeld (1.260 euro dwangsom), in 2015 drie verzoeken waarvan één niet tijdig afgehandeld (1.260 euro dwangsom), in 2016 zes verzoeken waarvan twee niet tijdig afgehandeld (1.260 euro dwangsom), in 2017 dertien verzoeken waarvan twee niet tijdig afgehandeld (1.340 euro dwangsom) en in 2018 tot nu toe negentien verzoeken waarvan vier niet tijdig afgehandeld (4.020 euro dwangsom). Voor zover kon worden nagegaan zijn in de jaren 2009 tot en met 2011 geen handhavingsverzoeken ingediend en zijn in 2012 en 2013 geen dwangsommen betaald wegens niet-tijdig beslissen. Uitgaande van kosten op jaarbasis van 100.000 euro voor 1 fte zouden de betaalde dwangsommen in de afgelopen jaren tussen de 0,01 en 0,04 extra menskracht in fte kunnen hebben opgeleverd.
Hoe gaat de NVWA om met het toezicht op de nertsenfokkerij tot 2024? Hoeveel capaciteit is hiervoor beschikbaar? Op basis van welke gegevens wordt het risicogericht toezicht in deze sector ingericht?
De afgelopen jaren heeft de NVWA geïnspecteerd op de Wet verbod pelsdierhouderij. De NVWA zet in de komende jaren de capaciteit die beschikbaar is voor toezicht, waaronder op de nertsenfokkerij, zo efficiënt mogelijk in en bepaalt jaarlijks risicogericht de prioriteiten bij het toezicht op de naleving. Bij de prioritering speelt het toezichtbeeld dat de NVWA van een sector heeft over de afgelopen jaren een belangrijke rol. In 2017 heeft de NVWA bij 40 nertsenfokkerijen een inspectie uitgevoerd. In 39 gevallen werden er geen overtredingen geconstateerd. In een geval werd geconstateerd dat er meer dieren werden gehouden dan toegestaan volgens de vergunning. Daarvoor is een proces-verbaal opgemaakt.
Waarom heeft de Centrale Commissie Dierproeven op 1 januari 2018 een vergunning voor vijf jaar verleend voor dierproeven op 300 nertsen en 36.100 muizen ten behoeve van vaccins in de nertsenhouderij? Bent u ervan op de hoogte dat deze dierproeven matig tot ernstig ongerief bij de proefdieren veroorzaken waaronder algehele verlammingsverschijnselen?7
De vergunning is verleend, rekening houdend met het gestelde in artikel 10, 10a en 10a2 van de Wet op de dierproeven. De CCD heeft een ethische afweging gemaakt of het matige tot ernstige ongerief van de proefdieren opweegt tegen de opbrengsten van het onderzoek, te weten veilige en werkzame vaccins voor pelsdieren. Op 1 april 2017 werden bijna 919.000 moederdieren gehouden bij nertsenfokkers (bron: CBS). Het totale aantal nertsen is tussen de werptijd in het voorjaar en de slacht in december 5–6x zo hoog (bron: CBS). De vaccins die getest worden onder de genoemde vergunning zijn dan ook vaccins tegen ernstige ziektes waar veel pelsdieren aan overlijden. Dat er nu nog veel pelsdieren worden gehouden, die zonder deze vaccins ernstig ziek kunnen worden, en dat het in Nederland houden van pelsdieren vanaf 1 januari 2024 niet meer is toegestaan, heeft de CCD meegewogen in haar besluit.
Vindt u het ethisch verantwoord om dierproeven in te zetten voor een commerciële dierhouderij die op 1 januari 2024 vanwege ethische redenen niet meer toegestaan zal zijn in Nederland?
Zie antwoord vraag 12.
Wie voert de proeven uit en wie draagt de kosten voor deze dierproeven?
Er wordt geen informatie verschaft over de partij die deze proeven uitvoert en wie de kosten voor deze dierproeven draagt. Wel worden over dierproeven niet-technische samenvattingen gepubliceerd om ervoor te zorgen dat het publiek wordt geïnformeerd9.
Er mag echter geen intellectuele eigendomsrecht worden geschonden noch vertrouwelijke informatie worden prijsgegeven. Dit staat vermeld in de memorie van toelichting bij de Wet op de dierproeven en volgt uit Artikel 43, eerste lid van de Europese richtlijn 2010/63/EU en Artikel 4, tweede lid van de Dierproevenregeling 2014.
Het bericht dat de president van het Venezolaanse Hooggerechtshof in Nederland was |
|
Sjoerd Sjoerdsma (D66) |
|
Stef Blok (minister buitenlandse zaken) (VVD) |
|
|
|
|
Kent u het bericht «Moreno en La Haya: El reto es una justicia imparcial»?1
Ja.
Klopt het dat Maikel Moreno, president van het Venezolaanse Hooggerechtshof, onlangs in Nederland was voor de viering van het twintigjarig bestaan van het Statuut van Rome inzake het Internationaal Strafhof in Den Haag?
Ja, dit klopt.
Met welk doel was de heer Moreno uitgenodigd om bij deze viering te spreken?
De heer Moreno was aanwezig bij de viering van 20 jaar Statuut van Rome op het Internationaal Strafhof. Dit was formeel een bijeenkomst van de Assembly of States Partieswaarvoor alle verdragspartijen van het Internationaal Strafhof waren uitgenodigd. Iedere verdragspartij bepaalt zelf wie het als vertegenwoordiger naar een dergelijke bijeenkomst stuurt. De heer Moreno was dan ook niet persoonlijk uitgenodigd, maar door Venezuela aangewezen als vertegenwoordiger bij deze gelegenheid. Het Strafhof heeft vervolgens aan Nederland als gastland van het Internationaal Strafhof gevraagd een uitzondering te maken wegens de viering van 20 jaar Statuut.
Welke boodschap is door de heer Moreno uitgedragen tijdens deze viering en hoe verhoudt zich dit tot de huidige ontwikkelingen in Venezuela?
De heer Moreno heeft, net als andere aanwezige hoogwaardigheidsbekleders, gesproken tijdens de viering. Hierin heeft hij onder andere gemeld dat het Statuut van Rome niet gebruikt dient te worden voor binnenlandse aangelegenheden. Hiermee lijkt hij te doelen op het vooronderzoek dat gestart is door de aanklager van het Internationaal Strafhof naar de situatie in Venezuela. De beslissing om al dan niet een formeel onderzoek te openen naar de situatie in Venezuela wordt genomen door de Aanklager en getoetst door het Hof.
De heer Moreno sprak ook over de Venezolaanse Grondwet, waarin democratie, gelijkheid en mensenrechten gewaarborgd zijn. Het kabinet is echter van mening dat de democratie hersteld moet worden. Het Venezolaanse parlement is buitenspel gezet, de meest recente verkiezingen zijn niet vrij en eerlijk verlopen en mensenrechten staan zwaar onder druk.
Klopt het dat Nederland de aanwezigheid van de heer Moreno bij de betreffende viering van het Internationaal Strafhof gefaciliteerd heeft?
De Europese Unie heeft een sanctielijst opgesteld vanwege de ondermijning van de democratie en schending van mensenrechten in Venezuela. Op deze lijst staan achttien Venezolaanse hoogwaardigheidsbekleders, waaronder de heer Moreno. De lidstaten van de Europese Unie zijn overeengekomen dat reisbeperkingen een onderdeel zijn van het sanctiebeleid tegen deze Venezolaanse hoogwaardigheidsbekleders. In beginsel is Nederland daarmee gehouden aan het ontzeggen van toegang tot het grondgebied van Nederland, tenzij een van de uitzonderingen van toepassing is zoals genoemd in artikel 6 lid 3, lid 4 en lid 6 van Besluit (GBVB) 2017/2074 van de Raad van 13 november 2017 betreffende beperkende maatregelen in het licht van de situatie in Venezuela.
Het Strafhof heeft aan het Ministerie van Buitenlandse Zaken gevraagd om een uitzondering te maken wegens de viering van 20 jaar Statuut.
Op grond van het Zetelverdrag tussen het Internationaal Strafhof en het Koninkrijk der Nederlanden, was Nederland als gastland verplicht om de heer Moreno toegang te verlenen tot Nederlands grondgebied. Deze uitzondering op grond van het internationaal recht is voorzien in artikel 6 lid 3 onder a van Besluit (GBVB) 2017/2074. De Europese Unie is over het besluit tot vrijstelling van de inreisbeperkingen van de betreffende persoon geïnformeerd.
Het Ministerie van Buitenlandse Zaken heeft in contact met de Venezolaanse autoriteiten uitdrukkelijk aangegeven de sancties te zullen handhaven en dat de heer Moreno alleen kon deelnemen aan activiteiten die door het Strafhof werden georganiseerd.
Klopt het dat de heer Moreno momenteel op de Europese sanctielijst staat? Zo ja, waarom staat hij op deze lijst? Waarom is zijn aanwezigheid door Nederland toegestaan dan wel gefaciliteerd?
Zie antwoord vraag 5.
De gevolgen van arbeidsmigratie |
|
Jasper van Dijk (SP) |
|
Wouter Koolmees (minister sociale zaken en werkgelegenheid) (D66) |
|
|
|
|
Kent u de uitzending van Nieuwsuur «Genoeg werk, maar geen slaapplaatsen voor arbeidsmigranten»?1 Wat is uw oordeel daarover?
Ja. Door de economische groei neemt de werkgelegenheid toe en in bepaalde sectoren leidt dit tot krapte op de arbeidsmarkt. De toename van arbeidsmigranten hangt hier mee samen. Tegelijkertijd is er een spanning op de woningmarkt. Deze groep arbeidsmigranten, die van belang zijn voor het functioneren van onze economie en maatschappij, hebben een goede plek nodig om te wonen.
Deelt u de verwachting van de uitzendbureaus, dat er op korte termijn onderdak moet komen voor ongeveer 100.000 arbeidsmigranten? Zo ja, deelt u de mening dat hun komst nogal onverantwoord is als er onvoldoende woningen beschikbaar zijn om fatsoenlijk onderdak te kunnen bieden?
De 100.000 huisvestingsplekken komen voort uit een onderzoek op eigen initiatief van het expertisecentrum Flexwonen. Voor dit onderzoek hebben zij gesprekken gevoerd met 40 uitzendbureaus en huisvesters. Dit cijfer is een grove schatting van het expertisecentrum Flexwonen. Dit cijfer geeft echter geen harde onderbouwing voor het precieze aantal benodigde plekken in Nederland en waar de huisvestingsplekken nodig zijn. Het geeft wel weer dat er een behoefte is aan passende huisvesting voor arbeidsmigranten en dat die behoefte gekoppeld is aan de groeiende economie.
De link tussen de komst van nieuwe structurele werkgelegenheid en huisvesting voor de werknemers die buiten Nederland worden aangetrokken zou automatisch gelegd moeten worden om te zorgen voor een goede landing van deze werknemers. Bij de komst van het EMA in Amsterdam is direct ook gekeken en gevraagd om mogelijkheden voor het huisvesten van de hoogopgeleide kenniswerkers. Ook bij de komst van een distributiecentrum of fruitkas, zou het logisch zijn dat deze link wordt gelegd. Deze werknemers spelen een belangrijke rol in onze huidige economie en maatschappij en hebben daarom – net als hoogopgeleide kenniswerkers – een goede plek nodig om te wonen.
Wat is de status van het onderzoek van de Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties hoe deze groep beter in beeld kan komen en meegenomen kan worden in rapportages over het woningtekort?2
De nieuwe benadering van het woningtekort zal onderdeel zijn van de jaarlijks rapportage «Staat van de Woningmarkt», die dit najaar door de Minister van BZK aan uw Kamer zal worden verstuurd.
Wat is de status van de handreiking die de Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties voor de zomer van 2018 zou opstellen voor gemeenten en hun partners om het gesprek aan te gaan over kwalitatieve huisvesting van arbeidsmigranten en de leefbaarheid in wijken?
U verwijst naar de ontwikkeling van het instrument voor gemeenten en hun partners om het gesprek over de huisvesting van arbeidsmigranten en andere specifieke doelgroepen te starten en te bespoedigen. Dit instrument is in concept gereed en zal de komende maanden in de praktijk getest en aangescherpt worden. De Minister van BZK verwacht dat het instrument aan het einde van het jaar voor alle gemeenten beschikbaar zal zijn.
Hoe vaak heeft de Inspectie SZW gecontroleerd op de rechtmatigheid van inhoudingen op het loon voor huisvesting en in hoeveel gevallen is een overtreding geconstateerd?
De Inspectie handhaaft de inhoudingen op het loon voor huisvesting mede op basis van de in oktober 2017 in werking getreden Beleidsregel bestuursrechtelijke handhaving Wet minimumloon en minimumvakantiebijslag 2017. In verband met deze recente inwerkingtreding is er op dit moment in de interne bestanden van de Inspectie geen informatie beschikbaar over afgeronde zaken. In het kader van de reguliere rapportage als bijvoorbeeld het jaarverslag informeer ik u nader.
Deelt u de mening dat huisvesting van een hoge concentratie van arbeidsmigranten in bijvoorbeeld portacabins ongewenst is? Zo ja, wat onderneemt u hiertegen?
Ik vind het van belang dat deze mensen goed worden gehuisvest met voldoende privacy en kwaliteit.
Het is aan gemeenten, uitzendbureaus, werkgevers en huisvesters om gezamenlijk hun verantwoordelijkheid te pakken en het gesprek aan te gaan over kwalitatieve huisvesting van arbeidsmigranten. Daarbij moeten zij ook oog hebben voor de leefbaarheid in wijken. Om de druk op reguliere woonwijken behapbaar te houden, heeft de gemeente instrumentarium tot haar beschikking om deze ongewenste situaties tegen te gaan. Daarbij kan gedacht worden aan het instellen van een splitsingsvergunning of een omzettingsvergunning bij kamergewijze bewoning in de huisvestingsverordening. Hoe zij dat doet is aan de gemeente zelf. Het woonbeleid is immers een lokale aangelegenheid.
Daarnaast kan er op onwenselijke en ongeoorloofde situaties worden gehandhaafd. De gemeente heeft daarin een rol wanneer het gaat om bouw- en woningtoezicht en ruimtelijke ordening. De Inspectie SZW controleert op de arbeidsomstandigheden en op de rechtmatigheid van de inhoudingen op het minimumloon. Verhuurders die een keurmerk hebben, bijvoorbeeld Stichting Normering Flexwonen (SNF), worden regelmatig gekeurd in het kader van de normenset voor het keurmerk.
Door het kabinet wordt verder breed ingezet op kwalitatief goede huisvesting voor arbeidsmigranten. Sinds 1 januari 2017 geldt het verbod op inhoudingen en verrekeningen op het Wettelijk minimumloon. Huisvesting vormt daar één van de uitzonderingen op. Er mag voor huisvesting maximaal 25% ingehouden worden op het wettelijk minimumloon onder strikte voorwaarden. Eén van de voorwaarden voor inhoudingen voor huisvesting is dat de huisvesting moet voldoen aan de kwaliteitseisen die zijn overeengekomen in de cao tussen sociale partners. Daarnaast dienen deze kwaliteitseisen te zijn gecontroleerd door een geaccrediteerde instelling. Een voorbeeld van een dergelijke normenset met geaccrediteerde controlerende instellingen is het keurmerk van de SNF.
Deelt u de mening dat huisvesting van werknemers op het bedrijventerrein van de werkgever kan leiden tot een ongewenste afhankelijkheidsrelatie tussen werkgever (tevens huurbaas) en werknemer, die verder strekt dan de afhankelijkheid van huisvesting?
Ik ben van mening dat het wenselijk is dat er een zekere afstand bestaat tussen de huisvesting van de arbeidsmigrant en het werk. Arbeidsmigranten komen vaak zonder netwerk naar Nederland op verzoek van de werkgever. Ik zie daarom wel een rol voor de werkgever om de werknemer te helpen bij het zoeken naar woonruimte of het faciliteren van deze woonruimte. Het faciliteren van deze huisvesting mag echter geen verdienmodel vormen voor de werkgever. Daarom is om onwenselijke situaties met betrekking tot inhoudingen te voorkomen per 1 januari 2017 een verbod op inhoudingen en verrekeningen op het Wettelijk minimumloon ingesteld. Huisvesting vormt daar één van de uitzonderingen op onder strikte voorwaarden over onder meer de hoogte van de inhouding en de kwaliteitseisen voor de huisvesting
Hoe wordt gecontroleerd of iedereen die langer dan vier maanden per half jaar in Nederland verblijft, zich ingeschreven heeft in de Basisregistratie Personen (BRP)?
Gemeenten controleren zelf niet specifiek of iemand langer dan vier maanden in Nederland verblijft. Om de kwaliteit van de BRP zo hoog mogelijk te houden worden wel veel adresonderzoeken uitgevoerd, zowel op eigen initiatief als onder de paraplu van de Landelijke Aanpak Adreskwaliteit. Bij deze onderzoeken zal de gemeente ook personen tegenkomen die langer dan vier maanden in Nederland zijn en nog als niet-ingezetene geregistreerd zijn. De gemeente kan deze persoon dan wijzen op hun plicht om aangifte te doen of de persoon ambtshalve als ingezetene inschrijven op het Nederlandse adres.
Deelt u de mening dat de plaatselijke bevolking niet beter wordt van de ongebreidelde groei van het aantal kassen, maar juist geconfronteerd wordt met steeds minder groen en steeds meer arbeidsmigranten waar zij niet of nauwelijks mee kunnen communiceren, waardoor de leefbaarheid afneemt?
De gemeenteraad stelt ten behoeve van een goede ruimtelijke ordening voor het gehele grondgebied van de gemeente een of meer structuurvisies vast waarin de hoofdzaken van het door de gemeente te voeren ruimtelijk beleid zijn vastgelegd. Dit beleid wordt vervolgens nader geconcretiseerd in één of meer bestemmingsplannen. De gemeente betrekt haar inwoners bij de totstandkoming van structuurvisie en bestemmingsplan.
Bij het opstellen van de bestemmingplannen dient de gemeente ook rekening te houden met de provinciale verordening. Als gemeenten dit niet doen, kan de provincie het bestemmingsplan via een «reactieve aanwijzing» geheel of gedeeltelijk buiten werking stellen.
Provincies hebben daarnaast de taak om te zorgen voor voldoende groene ruimte om en in de steden.
Het is aan gemeenten en provincies om de juiste balans te vinden tussen voldoende groen, een sterke regionale economie en een goede en prettige leefomgeving.
Wat is uw oordeel over de opmerking dat inwoners zich weggejaagd voelen als ze meer Pools dan Nederlands horen in hun buurt?
Het kabinet acht het van belang dat nieuwkomers en mensen die hier komen werken en wonen de Nederlandse taal leren, ter bevordering van hun participatie en zelfredzaamheid in de samenleving en op de arbeidsmarkt. Taalvaardigheid bevordert ook de oriëntatie op Nederland en contact met Nederlanders. Voor migranten van buiten de EU geldt een inburgeringsplicht, waaronder de verplichting om de taal te leren. Vanwege Europese regelgeving met betrekking tot vrij verkeer is het echter niet toegestaan om een taalverplichting op te leggen aan inwoners van de EU. Het is daarom uiteindelijk de eigen verantwoordelijkheid van de arbeidsmigrant om de Nederlandse taal en gebruiken te leren. Dit kan door vrijwillig deel te nemen aan een inburgeringscursus of een taalcursus te volgen.
Het Rijk attendeert Europese migranten op de verschillende mogelijkheden om de Nederlandse taal te leren in de brochure Nieuw in Nederland. EU-migranten die zich als niet-ingezetene bij een gemeente inschrijven worden gewezen op genoemde brochure. Er zijn vele mogelijkheden om de Nederlandse taal op vrijwillige wijze te leren. In het kader van het programma Tel mee met Taal is er een infrastructuur van taalhuizen en taalpunten ontwikkeld die laaggeletterden (laaggeletterd in de Nederlandse taal) helpt met het vinden van een geschikt taalaanbod. Het kabinet heeft met ingang van 2018 het budget voor de aanpak van laaggeletterdheid met € 5 miljoen per jaar verhoogd en de subsidieregeling Taal op de werkvloer – onderdeel van het programma Tel mee met Taal – verlengd. Ook zijn er verschillende gratis mogelijkheden online beschikbaar om de Nederlandse taal te leren. Voorbeelden hiervan zijn NT2taalmenu.nl of Oefenen.nl. Van deze laatste is bij ons bekend dat een groot gedeelte van de deelnemers hieraan van Poolse afkomst is.
Wat is uw oordeel over de uitspraak dat «we de landbouwindustrie niet in Nederland kunnen houden met de handjes die wij nog over hebben en met wat we willen betalen» en dat «Nederlanders te duur zijn»? Erkent u dat de lonen blijkbaar te laag zijn en dat dit precies de neerwaartse spiraal is waar u tegen moet optreden?
Er is door de groeiende economie op het moment sprake van krapte op de arbeidsmarkt in Nederland. De huidige economische conjunctuur zorgt voor veel kansen voor werkzoekenden. Bepaalde sectoren worstelen echter op het moment met het opvullen van vacatures en kijken daarom over de grenzen om arbeidsmigranten aan te trekken.
Er is in de Europese Unie een vrij verkeer van werknemers dus het staat werkgevers vrij om Oost-Europese arbeidskrachten aan te trekken. Deze hebben, net als Nederlandse werknemers, recht op in ieder geval het minimumloon of het cao-loon. Het vrij verkeer van werknemers zorgt ervoor dat een systeem van tewerkstellingsvergunningen voor Europese arbeidsmigranten niet mogelijk is.
Uit een onderzoek dat SEO Economisch Onderzoek in 2014 naar verdringing door arbeidsmigratie over de periode 2001–2011, volgt dat in veel sectoren het aantal Nederlandse werknemers is afgenomen terwijl het aantal arbeidsmigranten is toegenomen. Dit kan op individueel niveau effect hebben, maar op macroniveau is er geen sprake van verdringing geconstateerd. Op het moment lopen er twee onderzoeken3 naar verdringing en de positie van arbeidsmigranten in Nederland, die een actueler beeld kunnen geven.
Hoe kan het dat er in Nederland honderdduizenden werklozen zijn, maar dat er tegelijk (honderd)duizenden arbeidsmigranten naar Nederland worden gehaald?
Zie antwoord vraag 11.
Wat onderneemt u tegen verdringing, aangezien de instroom van Oost-Europese arbeidsmigranten ongebreideld is? Bent u bereid een systeem van werkvergunningen te overwegen, zodat Nederland alleen arbeidsmigranten toelaat voor functies waar beslist geen Nederlander voor te vinden is?
Zie antwoord vraag 11.
Deelt u de mening dat inburgering ook verplicht zou moeten worden voor Europese arbeidsmigranten, waarbij kennis van de taal de hoogste prioriteit heeft? Zo nee, wat onderneemt u tegen de vervreemding in buurten waar honderden Oost-Europese arbeidsmigranten komen wonen, terwijl zij geen woord Nederlands spreken?
Zie antwoord vraag 10.
Twee Nederlanders die om politieke redenen de toegang tot Israël geweigerd zijn |
|
Sadet Karabulut (SP) |
|
Stef Blok (minister buitenlandse zaken) (VVD) |
|
|
|
|
Bent u ervan op de hoogte dat twee Nederlanders op het vliegveld in Tel Aviv om politieke redenen de toegang tot Israël geweigerd zijn? Wat zijn de precieze feiten?
Ja. Op vrijdag 20 juli 2018 werd twee Nederlanders toegang tot Israël ontzegd, nadat zij separaat van elkaar aankwamen op de luchthaven van Tel Aviv. Zij werden bij de douanecontrole terzijde genomen, waarna ze zijn ondervraagd. Gedurende de ondervraging hadden zij niet altijd toegang tot hun bagage, inclusief mobiele telefoon. Uiteindelijk zijn beiden uitgewezen en op een terugvlucht gezet naar de plaats van vertrek (Amsterdam en Londen). Eén van hen moest ongeveer 24 uur wachten op de terugvlucht.
Wat is de formele grond waarop zij zijn geweigerd?
De Nederlandse vrouwen zijn geweigerd op grond van de Entry into Israel-wet omdat ze zich in het verleden op persoonlijke titel positief zouden hebben uitgelaten over de internationale oproep tot Boycot, Desinvesteringen & Sancties (BDS) jegens Israël.
Kunt u bevestigen dat de Israëlische autoriteiten de Nederlanders toegang tot consulaire bijstand en contact met een advocaat hebben onthouden?
Op basis van de informatie die het kabinet heeft kan niet worden bevestigd dat consulaire bijstand expliciet is ontzegd. Wel kan worden vastgesteld dat er geen rechtstreeks contact is geweest tussen de ambassade in Tel Aviv en de twee vrouwen in kwestie. De ambassade heeft contact gehad met de bevoegde Israëlische autoriteiten, nadat via collega’s van de betrokkenen in Nederland melding was gemaakt van de weigering. De ambassade heeft daarbij vastgesteld wat er gaande was, waar de vrouwen zich bevonden en geïnformeerd naar de vervolgacties.
Hoe vaak komt het voor dat burgers uit landen van de Europese Unie Israël niet in komen om politieke redenen? Is dat het afgelopen jaar toegenomen?
Er zijn tot nu toe weinig gevallen bekend van burgers uit andere EU-landen die door Israël zijn geweigerd. Op 24 juli zou een Spaanse BDS-activiste zijn geweerd. Deze weigeringen zouden te maken kunnen hebben met de relatief recente wetgeving die het mogelijk maakt om toegang tot Israël te ontzeggen in verband met BDS. Voor zover bekend is dit de eerste keer dat Nederlandse staatsburgers toegang tot Israël is geweigerd op basis van hun vermeende BDS-standpunten.
Deelt u de mening dat het weigeren van toegang voor de Nederlanders veroordeeld dient te worden? Bent u bereid met de Israëlische autoriteiten contact op te nemen om dit te veroordelen en erop aan te dringen dat zij alsnog het land in kunnen? Zo nee, waarom niet?
Het is betreurenswaardig dat deze twee Nederlanders de toegang tot Israël is ontzegd. Nederland is het gesprek met de Israëlische autoriteiten over deze kwestie aangegaan. Tijdens dat gesprek zijn zorgen geuit over de berichten dat de betrokkenen niet goed zouden zijn behandeld, en werd onderstreept dat Nederland van Israël verwacht dat internationale regels omtrent consulaire bijstand worden nageleefd.
Het kabinet is tegen een boycot van Israël en streeft naar versterking van de economische relaties met Israël binnen de grenzen van 1967. Het kabinet hanteert de strikte lijn dat Nederland geen activiteiten financiert die BDS tegen Israël propageren. Dat laat onverlet dat uitlatingen of bijeenkomsten van de beweging worden beschermd door de vrijheid van meningsuiting en de vrijheid van vergadering, zoals onder meer vervat in de Nederlandse Grondwet en het Europees Verdrag voor de Rechten van de Mens. Het blijft echter een Israëlisch prerogatief om mensen de toegang tot het land te onthouden: zoals elk ander land, gaat Israël over het eigen toelatingsbeleid.
De verklaring (nr. 2) van het bestuur van de Stichting Vliegramp MH17 inzake meldingen en publiciteit over lichamelijke resten op MH17-crashsite |
|
Stieneke van der Graaf (CU), Foort van Oosten (VVD), Chris van Dam (CDA) |
|
Stef Blok (minister buitenlandse zaken) (VVD), Ferdinand Grapperhaus (minister justitie en veiligheid) (CDA) |
|
|
|
|
Hebt u kennisgenomen van de verklaring (nr. 2) van het bestuur van de Stichting Vliegramp MH17 van 19 juli 2018, alsmede van twee op 18 en 19 juli 2018 geplaatste berichten op het YouTube-kanaal van de heer Patrick Lancaster?1 2
Ja, er is vanuit het Ministerie van JenV naar aanleiding van de verklaring van het bestuur van de Stichting Vliegramp MH17 een bericht op de IVC-site geplaats. De IVC-site is een besloten website die wordt gebruikt om met nabestaanden te communiceren.
Hieronder vindt u nog het bericht dat vrijdag 20 juli zowel in het Nederlands als in het Engels op de IVC-site is geplaatst:
«Deze week is wederom een filmpje op YouTube geplaatst door een journalist met beelden van mogelijke botfragmenten van slachtoffers van vlucht MH17. Het gaat om een journalist die al twee keer eerder een filmpje online heeft geplaatst met mogelijke botresten. Ook dit filmpje toont beelden die voor nabestaanden schokkend kunnen zijn. Wij betreuren dit. Mocht u het filmpje desondanks willen bekijken, dan kan dat via de link onderaan dit bericht.
Eerder heeft de journalist de mogelijke botfragmenten waarvan hij zegt deze op de crashsite te hebben gevonden, overgedragen aan de lokale autoriteiten. De vondst kon vervolgens dankzij een faciliterende rol van de Organisatie voor Veiligheid en Samenwerking in Europa (OVSE) naar Nederland worden overgebracht voor nader onderzoek en identificatie door het NFI. In het nieuwe filmpje laat de journalist de botfragmenten echter liggen.
Conform resolutie 2166 van de VN Veiligheidsraad dient een ieder die stoffelijke resten heeft gevonden en/of in bezit heeft op een waardige wijze over te dragen aan de Nederlandse autoriteiten. Er zal contact met de journalist worden opgenomen met het dringende verzoek alle botfragmenten aan de autoriteiten over te dragen. De overheid zal vervolgens de botfragmenten naar Nederland halen voor forensisch onderzoek. Dit proces zal evenals voorgaande keren de nodige tijd in beslag nemen omdat het gebied gevaarlijk is en daardoor niet vrij toegankelijk is.»
Klopt het dat de crashsite van vlucht MH17 door het recovery team (destijds) minutieus is onderzocht? Is het voorstelbaar dat nu nog in substantiële mate stoffelijke resten van slachtoffers van deze vliegramp kunnen worden aangetroffen? Welke verklaring kunt u geven voor het (nu nog) daar vinden van stoffelijke resten van mogelijke slachtoffers?
Er is altijd erkend dat niet valt uit te sluiten dat in de toekomst nog stoffelijke resten of persoonlijke eigendommen kunnen worden gevonden. Het gebied waarin het toestel, de inzittenden en hun persoonlijke eigendommen terecht zijn gekomen is ongeveer 50 vierkante kilometer groot. Er is alles aan gedaan om de stoffelijke resten en persoonlijke eigendommen van de slachtoffers zo zorgvuldig mogelijk te bergen, onder vaak moeilijke omstandigheden.
Met meerdere missies zijn stoffelijke resten en persoonlijke eigendommen zoveel mogelijk geborgen, met behulp van lokale autoriteiten, bewoners en hulpdiensten. Bij de repatriëringsmissie van april 2015 is daartoe een deel van de grond afgegraven en gezeefd. Voor zover te beoordelen aan de hand van de YouTube filmpjes, wordt beweerd dat de botfragmenten in het gebied zijn gevonden dat juist is afgegraven en gezeefd.
Het valt niet uit te sluiten dat er nog stoffelijke resten aanwezig kunnen zijn in het hele crashgebied, maar de mate waarin deze journalist zegt botfragmenten te kunnen vinden op deze specifieke locatie, wordt niet waarschijnlijk geacht.
De procedure om stoffelijke resten van MH17-slachtoffers naar Nederland te halen en te onderzoeken is lastig en tijdrovend. Om een beter beeld te krijgen van wat hierbij komt kijken, zal ik uw Kamer in een separate brief nader toelichting geven op het proces rondom de repatriëring.
Hebben zich het afgelopen jaar, in het bijzonder de afgelopen dagen, mensen gemeld bij de Nederlandse dan wel de Oekraïense autoriteiten of bij enige andere autoriteit waarmee de Nederlandse overheid in verbinding staat, die melding maakten van het aantreffen van stoffelijke resten op de crashsite? Is het u bekend of de heer Lancaster contact heeft gezocht?
Om zorg te dragen voor de repatriëring van nieuwe vondsten zijn in 2015 afspraken met contactpersonen in de regio rondom de crashsite gemaakt. Bij hen kunnen vondsten worden ingeleverd. Deze worden vervolgens, via de Nederlandse ambassade in Kiev, naar Nederland overgebracht voor onderzoek.
Er is nog regelmatig contact met personen in de regio, zij hebben geen melding gemaakt van andere gevonden stoffelijke resten. Er zijn wel recent enkele persoonlijke eigendommen door bewoners bij een contactpersoon ingeleverd. Daaruit blijkt dat bewoners nog alert zijn op vondsten die gerelateerd kunnen worden aan de crash met vlucht MH17.
Zijn er aanwijzingen dat op de crashsite stoffelijke resten zijn neergelegd met de kennelijke bedoeling het onderzoek van het Joint Investigation Team (JIT) in diskrediet te brengen? Zo ja, is bekend wie hiervoor verantwoordelijk moet(en) worden gehouden? Hoe waardeert u in dit verband berichtgeving via het twitter-account @GlasnostGone waar gesteld wordt dat er stoffelijke resten zijn geplaatst na het officieel vrijgeven van de crashsite?
Het JIT is bekend met de berichten en video’s van zowel Patrick Lancaster als de berichten en video’s van @GlasnostGone. Het JIT heeft altijd gecommuniceerd dat het voorstelbaar is dat ondanks de grondige zoektochten tijdens eerdere missies nog stoffelijke resten gevonden zouden kunnen worden. Het JIT onderstreept dat mensen die mogelijke stoffelijke resten vinden, daar uiterst respectvol mee om zouden moeten gaan en deze zouden moeten inleveren bij de lokaal aangewezen contactpersonen.
Indien daadwerkelijk reeds in 2014 of 2015 veilig gestelde botresten op de crashsite zouden zijn neergelegd, zou dat bijzonder respectloos en uiterst pijnlijk zijn voor de nabestaanden. Het JIT is niet bekend met concrete aanwijzingen dat hiervan sprake zou zijn, maar kan ook niet uitsluiten dat dit wel gebeurt.
Welke acties heeft u ondernomen of gaat u ondernemen om de feitelijke autoriteiten rond de crashsite in Oekraïne (zelfverklaarde Volksrepubliek Donetsk) zorg te laten dragen dat conform resolutie 2166 van de VN Veiligheidsraad stoffelijke resten, waar deze zich ook bevinden in het gebied, verzameld worden en op een waardige wijze worden overgedragen aan de Nederlandse autoriteiten?
Nederland heeft na de publicatie op YouTube direct contact gezocht met de Organisatie voor Veiligheid en Samenwerking in Europa (OVSE) en gevraagd de de-facto autoriteiten te wijzen op het feit dat een ieder is gebonden aan resolutie 2166 van de VN Veiligheidsraad, waarin wordt gesteld dat iedereen die stoffelijke resten heeft gevonden en/of in bezit heeft deze op een waardige wijze dient over te dragen aan de Nederlandse autoriteiten.
Daarnaast is de Engelstalige verklaring van het bestuur van de stichting onder de aandacht gebracht van alle Grieving Nations met het verzoek in relevante gremia aandacht voor dit punt te vragen.
Kent u het bericht in de krant Novaya Gazeta d.d. 17 juli 2018 waarin gesteld wordt dat het officiële onderzoek naar de ramp dit najaar zal worden afgerond? Klopt dit bericht?3
Ja dit bericht is bekend en nee, de inhoud van het bericht klopt niet.
De weigering van Israël om parlementariërs toe te laten tot Gaza |
|
Sadet Karabulut (SP) |
|
Stef Blok (minister buitenlandse zaken) (VVD) |
|
|
|
|
Bent u ermee bekend dat mij, om politieke redenen, de toegang tot Gaza is geweigerd door Israël?1
Het is het Ministerie van Buitenlandse Zaken bekend dat u geen toestemming is verleend om Gaza in te reizen via de grensovergangen met Israël.
Wat is het precieze Israëlische beleid wat betreft toegang van parlementariërs tot Gaza? Klopt het dat deze toegang categorisch geweigerd wordt?
Israël staat slechts bij zeer hoge uitzondering toe dat parlementariërs Gaza bezoeken. Parlementariërs worden in de regel niet toegelaten omdat Israël wil voorkomen dat – bewust of niet – legitimiteit wordt gegeven aan de de facto autoriteiten in Gaza. Vertegenwoordigers van regeringen, die meestal een strikte no contact policy hanteren, journalisten en humanitaire werkers worden normaal gesproken wel toegelaten, afhankelijk van de specifieke omstandigheden en de veiligheidssituatie.
Deelt u de mening dat het zeer onwenselijk is dat parlementariërs Gaza niet in mogen om met eigen ogen kennis te nemen van de ernst van de humanitaire crisis in dat deel van de bezette Palestijnse gebieden, die grotendeels het gevolg is van de illegale blokkade door Israël?
Het is onwenselijk dat parlementariërs moeilijk Gaza in komen om kennis te nemen van de situatie ter plekke, en om projecten te bezoeken die Nederland en andere donoren financieren met als doel de omstandigheden in Gaza te verbeteren.
Bent u bereid hierover contact op te nemen met de Israëlische autoriteiten, er op aan te dringen dat parlementariërs in de toekomst wel toegelaten zullen worden en de Kamer te informeren over het resultaat? Zo nee, waarom niet?
De ambassade in Tel Aviv en de Vertegenwoordiging in Ramallah dringen bij de Israëlische autoriteiten aan op de toegang van Nederlanders tot Gaza, inclusief de verzoeken van parlementariërs om naar Gaza te gaan. Ook in onderhavig geval hebben de posten Tel Aviv en Ramallah dat gedaan. Toegang tot Gaza blijft echter afhankelijk van de toestemming van de Israëlische autoriteiten.
De Primarkpremie |
|
Jasper van Dijk (SP) |
|
Tamara van Ark (staatssecretaris sociale zaken en werkgelegenheid) (VVD) |
|
|
|
|
Wat is uw reactie op het bericht «FNV wil strengere regels voor lage-inkomensvoordeel»?1
Ik heb nog geen signalen ontvangen die de stelling van de FNV onderschrijven dat het LIV een loonsverhoging in de weg zou staan. In het eerste halfjaar van 2018 zijn de cao-lonen2 met 1,8 procent toegenomen. De cao-loonontwikkeling van de eerste maand in het derde kwartaal bedraagt 2,2 procent3. Bovendien stijgen de uurloongrenzen van het LIV elk jaar mee met de gemiddelde contractloonstijging van het minimumloon. Dus bij een dergelijke loonstijging blijft het recht op LIV bestaan. Aan de andere kant is de regeling pas recent ingevoerd en er zijn daarom nog geen harde cijfers bekend over de effecten op de loonvorming. Gedragseffecten rondom de uurloongrenzen zijn bovendien niet helemaal uit te sluiten. Voor mij staat het stimuleren van werkgelegenheid aan de onderkant van de arbeidsmarkt voorop.
Herkent u de signalen die de vakbond krijgt, dat bedrijven de lonen met opzet laag houden om van de lage-inkomensvoordeel (LIV)-regeling te kunnen blijven profiteren?
Zie antwoord vraag 1.
Is er sprake van afname van werkgelegenheid in de loongroepen vlak boven de LIV-grens?
De werkgelegenheid neemt over de hele linie toe. In het tweede kwartaal van 2018 hadden ruim 8,7 miljoen mensen betaald werk. Ten opzichte van het eerste kwartaal van 2018 is het aantal werkenden met 51 duizend toegenomen4. Hoe de werkgelegenheidseffecten zijn verdeeld over de loongroepen kan worden betrokken bij de geplande evaluatie. De regeling is immers net nieuw en er zijn daarom nog geen harde cijfers beschikbaar over de werkgelegenheidseffecten.
Bent u bereid bijvoorbeeld het Centraal Planbureau (CPB) te laten onderzoeken of het LIV de loonontwikkeling aan de onderkant van de arbeidsmarkt afremt?
Een onderzoek door het CPB lijkt mij prematuur. Het LIV is pas afgelopen maand voor het eerst uitbetaald. Bovendien is in de vormgeving van het LIV al rekening gehouden met grenseffecten. Zo stijgen de uurloongrenzen van het LIV elk jaar mee met de gemiddelde contractloonstijging van het minimumloon, zodat bij een dergelijke loonstijging het recht op LIV blijft bestaan. Daarnaast is er, om grenseffecten te beperken, in de vormgeving voor gekozen om het LIV geleidelijk af te bouwen van € 2.000 voor lonen tussen 100% en 110% van het WML naar
€ 1.000 voor lonen tussen 110% en 125% van het WML.
Hoeveel LIV-subsidie kreeg Primark over het jaar 2017? Kunt u dit uitsplitsen naar jeugd-LIV en regulier LIV?
Eerder dit jaar heb ik uw Kamer onderstaand overzicht verstrekt van de verdeling van de LIV-gelden op sectorniveau.
33
Horeca algemeen
13%
17
Detailhandel en ambachten
12%
52
Uitzendbedrijven
7%
12
Metaal- en technische bedrijfstakken
6%
66
Overheid, overige instellingen
6%
42
Groothandel II
5%
45
Zakelijke dienstverlening III
5%
1
Agrarisch bedrijf
5%
35
Gezondheid
4%
20
Havenbedrijven
4%
19
Grootwinkelbedrijf
4%
18
Reiniging
3%
44
Zakelijke dienstverlening II
3%
51
Algemene industrie
3%
32
Overig goederenvervoer
2%
41
Groothandel I
2%
64
Overheid, provincies en gemeenten
2%
10
Metaalindustrie
1%
13
Bakkerijen
1%
16
Slagers overig
1%
43
Zakelijke dienstverlening I
1%
50
Voedingsindustrie
1%
55
Overige takken van bedrijf en beroep
1%
Overige sectoren
8%
100%
Voor de sectorindeling is aangesloten bij de sectorcode WGA.
Afgerond op een heel getal.
Uit dit overzicht blijkt dat de horeca en de detailhandel de grootste ontvangers zijn. Ik acht het, vanuit privacy overwegingen, niet wenselijk om dit soort bedrijfsvertrouwelijke informatie op werkgeversniveau te verstrekken.
Wilt u dit ook voor McDonalds, H&M, Zara, Jumbo en Albert Heijn aangeven?
Zie antwoord vraag 5.
Wat zijn de tien grootste ontvangers van een LIV-subsidie?
Zie antwoord vraag 5.
Hoe biedt u transparantie over wat met het belastinggeld via het LIV gebeurt?
Het LIV wordt verstrekt op basis van objectieve voorwaarden die in de wet zijn vastgelegd. Hiermee is de basis gelegd voor een rechtmatige uitvoering. Daarnaast worden de middelen die gemoeid zijn met het LIV via de begroting SZW verantwoord. Ik ben graag bereid met uw Kamer daarover in debat te gaan tijdens de begrotingsbehandeling.
In welke mate wordt het LIV ingezet voor subsidiëring van werknemers die vanuit andere Europese landen in Nederland aan het werk gaan?
In mijn brief van 18 februari jl. met daarin een overzicht van de verdeling van de LIV-gelden over de sectoren (zie ook vraag5, heb ik aangegeven dat dit naar verwachting een geringe fractie is van het totaal. Zoals ik in het AO Arbeidsmarktbeleid van 14 februari jl. heb toegezegd zal ik de vinger aan de pols houden met betrekking tot samenloop van LIV en de ET-regeling en uw Kamer daarover voor het einde van dit jaar informeren. UWV is bezig met de voorbereiding van een analyse op de beschikbare data in de polisadministratie. Ik verwacht u nog voor de begrotingsbehandeling over de uitkomsten te kunnen informeren.
Hoeveel procent van de LIV-subsidie wordt uitgekeerd voor personen voor wie ook gebruik wordt gemaakt van de extraterritoriale kostenvergoeding (ET-regeling), die dient voor aftrek van extra (huisvestings)kosten voor mensen van buiten Nederland die hier komen werken? Indien dit niet bekend is; bent u bereid dit te laten uitzoeken?
Zie antwoord vraag 9.
Hoeveel procent van het LIV wordt besteed aan mensen uit het doelgroepenregister?
De mensen met een arbeidsbeperking van de banenafspraak die geregistreerd zijn in het doelgroepregister, komen over het algemeen niet in aanmerking voor het LIV, omdat er specifiek voor deze groep een LKV doelgroep banenafspraak is
gekomen met ingang van 1 januari 2018. Daarbij wordt aangetekend dat het LIV en LKV niet kunnen samenlopen (alleen het hoogste bedrag van de twee regelingen wordt uitbetaald). Na afloop van het LKV, voor nieuwe gevallen voor het eerst vanaf 2021, kunnen deze mensen wel onder het LIV-regime vallen, omdat het LKV gemaximeerd is op drie jaar.
Is het midden- en kleinbedrijf (MKB) representatief vertegenwoordigd bij de uitkering van LIV-subsidies?
De grootte van het bedrijf is geen criterium voor toekenning van het LIV. In dit licht is het moeilijk cijfermatig te onderbouwen hoe groot het aandeel van het MKB is.
Onderkent u dat het feit dat toeslagen voor werknemers meegeteld worden bij het vaststellen van het totale loon, een perverse prikkel vormt voor werkgevers om zo min mogelijk toeslagen af te spreken in de CAO?
Het afsluiten van een CAO valt onder de verantwoordelijkheid van sociale partners. Beide partijen onderhandelen hierover om te komen tot een fatsoenlijke beloning. Dat hierbij rekening wordt gehouden met bestaande fiscale regelingen is onderdeel van het onderhandelingsproces.
Vindt u deze subsidie voor grote winstgevende bedrijven zoals Primark en Jumbo gerechtvaardigd? Zo ja, kunt u dat onderbouwen?
De grootte en/of de winstgevendheid van een bedrijf is geen criterium voor het recht op LIV. Het LIV beoogt met een gerichte lastenverlichting aan de onderkant van de arbeidsmarkt het voor werkgevers financieel aantrekkelijker te maken om mensen met een loon tussen 100% en 125% van het minimumloon in dienst te nemen en te houden. Op deze manier worden de lasten op arbeid lager en nemen de kansen op werk aan de onderkant van de arbeidsmarkt toe zonder dat dit ten koste gaat van de inkomenszekerheid van werknemers. Dit geldt ook voor supermarkten en modeketens.