Kamerstuk 30826-51

Verslag van een schriftelijk overleg over voortgang Besluit subsidiering sloop- en ombouwkosten pelsdierhouderij (Kamerstuk 30826-49)

Dossier: Voorstel van wet van de leden Van Gerven en Dijsselbloem houdende een verbod op de pelsdierhouderij (Wet verbod pelsdierhouderij)

Gepubliceerd: 31 januari 2018
Indiener(s): Carola Schouten (viceminister-president , minister landbouw, natuur en voedselkwaliteit) (CU)
Onderwerpen: dieren landbouw natuur- en landschapsbeheer natuur en milieu
Bron: https://zoek.officielebekendmakingen.nl/dossier/30826/kst-30826-51?resultIndex=12&sorttype=1&sortorder=4
ID: 30826-51

Nr. 51 VERSLAG VAN EEN SCHRIFTELIJK OVERLEG

Vastgesteld 31 januari 2018

De vaste commissie voor Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit heeft een aantal vragen en opmerkingen voorgelegd aan de Minister van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit over de brief van 20 oktober 2017 over voortgang Besluit subsidiering sloop- en ombouwkosten pelsdierhouderij (Kamerstuk 30 826, nr. 49).

De vragen en opmerkingen zijn op 23 november 2017 aan de Minister van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit voorgelegd. Bij brief van 30 januari 2017 zijn de vragen beantwoord.

De voorzitter van de commissie, Kuiken

Adjunct-griffier van de commissie, Konings

Inhoudsopgave

 
     

I

Vragen en opmerkingen vanuit de fracties

2

 

Vragen en opmerkingen van de leden van de VVD- en CDA-fractie

2

 

Vragen en opmerkingen van de leden van de D66-fractie

3

 

Vragen en opmerkingen van de leden van de SP-fractie

3

 

Vragen en opmerkingen van de leden van de ChristenUnie-fractie

4

 

Vragen en opmerkingen van de leden van de PvdD-fractie

5

 

Vragen en opmerkingen van de leden van de SGP-fractie

7

II

Antwoord / Reactie van de Minister

7

I Vragen en opmerkingen vanuit de fracties

Vragen en opmerkingen van de leden van de VVD- en CDA-fracties

De leden van de VVD- en CDA-fracties hebben kennisgenomen van de brief over het Besluit subsidiëring sloop- en ombouwkosten pelsdierhouderij (Kamerstuk 30 826, nr. 49). Hierover hebben deze leden nog vragen.

De leden van de VVD- en CDA-fracties stellen vast dat de initiatiefnemers van de wetgeving ter onderbouwing van hun wetsvoorstel hebben aangegeven dat de pensioenopbouw in de waarde van de bedrijven zou zitten. Met een novelle is de tijdshorizon verschoven waarbij is aangegeven dat er zo meer tijd zou zijn voor een andere oriëntatie op activiteiten op dezelfde plek. Uit de wetsgeschiedenis maken deze leden op dat verondersteld werd dat de plek zelf wel beschikbaar blijft voor vervangende economische activiteiten. Deze leden hebben bij de wetsbehandeling al aangegeven dat de verkoop van een agrarisch bedrijf belangrijk is voor de pensioenvoorziening van de betreffende ondernemer. Zij constateren echter dat de betreffende bedrijven onverkoopbaar zijn. Er treedt dus een enorme kapitaalsvernietiging op. In diverse gemeenten waar nertsenhouders zijn gevestigd is het door de herziening van bestemmingsplannen buitengebied niet meer mogelijk om bijvoorbeeld over te schakelen naar een geitenhouderij of een pluimvee- of varkensbedrijf als alternatief. Daarnaast heeft de provincie Noord-Brabant de ontwikkeling helemaal op slot gezet van agrarische bedrijven (pelsdierhouderij is daarbij bijvoorbeeld uitgesloten van de salderingsregeling) waardoor voor de pelsdierhouderij geen tot zeer weinig alternatieven zijn. Ook kennen de leden van de VVD- en CDA-fracties een praktijksituatie waar men zou willen omschakelen naar recreatie, maar waar door de PAS-regelgeving herbestemming niet mogelijk is. Kan de Minister aangeven hoe pelsdierhouders hun onroerend goed om kunnen zetten naar een vervangende economische activiteit? Wat is de Minister voornemens voor deze ondernemers te gaan doen nu zij niet in staat gesteld worden hun bedrijf af te bouwen conform hetgeen hen is voorgehouden bij de wetsbehandeling?

De leden van de VVD- en CDA-fracties vragen daarnaast of het nieuwe beleid van de provincie Noord-Brabant voor emissiearme systemen voor bedrijven gevolgen heeft voor de pelsdierhouderij. Als dit het geval is, heeft dit tot gevolg dat deze bedrijven investeringen moeten doen die niet terugverdiend kunnen worden en daarmee eigenlijk gedwongen worden om eerder te stoppen met hun bedrijf dan wat de wet voorschrijft en waarmee de wet rekening houdt?

Als deze leden kijken naar de wetsgeschiedenis valt op de maken dat de initiatiefnemers ervan uitgingen dat de sector haar investeringen terug zou verdienen. Kan de Minister aangeven of deze veronderstelling op dit moment uitkomt?

De leden van de VVD- en CDA-fracties constateren dat er op basis van rapporten van het Landbouw Economisch Instituut (LEI) een schade van € 480 miljoen (2007) en € 509 miljoen (2008) voor de Nederlandse pelsdierhouders was berekend. Daarnaast is in het PWC-rapport van 13 augustus 2015 betreffende de Wet verbod pelsdierhouderij (reactie op memorie van antwoord) vastgesteld dat de economische schade veel hoger is (meer dan € 1 miljard) dan berekend in de eerder genoemde LEI-rapportage.

Kan de Minister toelichten hoe de vergoeding voor sloop en / of ombouw in verhouding staat tot de actuele waarde van de gebouwen, vragen de leden van de VVD- en CDA-fracties. Waarop is het maximumbedrag en het maximumpercentage gebaseerd? Kan de Minister inzichtelijk maken of nertsenhouders de sloop en ombouwkosten wel kunnen betalen? Waarom heeft het aantal locaties dat er is, zoals beschreven in de LEI-rapportage «Naar een sloop- en ombouwregeling» een effect op het bepalen van een redelijke tegemoetkoming? Een redelijke tegemoetkoming zou toch niet afhankelijk moeten zijn van het aantal locaties?

Vragen en opmerkingen van de leden van de D66-fractie

De leden van de D66-fractie nemen met veel belangstelling kennis van de brief over de voortgang van het Besluit subsidiering sloop- en ombouwkosten pelsdierhouderij en hebben hierover enkele vragen.

De leden van de D66-fractie vragen in hoeverre de pelsdierhouderijen rekening hadden kunnen houden met en zich hadden kunnen voorbereiden op de inwerkingtreding van de Wet verbod pelsdierhouderij. Kan de Minister daarbij een overzicht geven van de ontwikkelingen in dit dossier, wetende dat de Kamer zich reeds in 1999 in meerderheid heeft uitgesproken tegen een verdere voortzetting van nertsenhouderijen middels de motie Swildens-Rozendaal c.s. (Kamerstuk 26 200 XIV, nr. 63)?

De leden van de D66-fractie staan al jarenlang positief tegenover de Wet verbod pelsdierhouderij. Deze leden zijn dan ook verheugd over het besluit om het besluit nu voort te zetten. Kan de Minister aangeven wanneer de procedure tot vaststelling en inwerkingtreding van het besluit naar verwachting afgerond zal zijn?

De leden van de D66-fractie wijzen erop dat de looptijd van een steunmaatregel op grond van de richtsnoeren maximaal zeven jaar mag bedragen. De flankerende maatregel betreffende de subsidiëring van pelsdierhouders die willen stoppen, eindigt daarmee in 2024. Kan de Minister de garantie geven dat de juridische verplichting ten aanzien van het flankerend beleid daadwerkelijk eindigt in 2024?

Tot slot erkennen de leden van de D66-fractie dat het verbod op de pelsdierhouderij vooral een ethische afweging is, daarbij in acht nemend het dierenwelzijn. Niet alle buitenlandse pelsdierhouders zullen de norm halen die de Nederlandse overheid stelt aan het dierenwelzijn. Is de Minister naar aanleiding van dit dossier voornemens zich in te spannen voor een Europees verbod op pelsdierhouderijen?

Vragen en opmerkingen van de leden van de SP-fractie

De leden van de SP-fractie hebben verheugd kennisgenomen van het voornemen om het Besluit subsidiëring sloop- en ombouwkosten pelsdierhouderij verder in procedure te brengen. Deze leden zijn van mening dat het ethisch onacceptabel is om miljoenen dieren te vergassen wanneer er voldoende alternatieven voor het dragen van bont aanwezig zijn. Zij hopen dat de subsidieregeling, die helaas juridisch noodzakelijk blijkt, een succesvolle bijdrage zal leveren aan het beëindigen van deze praktijk.

De leden van de SP-fractie hebben voorts nog enkele vragen aan de Minister. Op welke termijn kan de Kamer het definitieve besluit tegemoet zien? Hoeveel bedrijven hebben gebruik gemaakt van de overgangsregeling? Hoe vaak hebben de Nederlandse Voedsel- en Warenautoriteit (NVWA) en het Openbaar Ministerie (OM) de afgelopen jaren controles uitgevoerd bij pelsdierhouderijen en hoe vaak zijn er sancties opgelegd voor overtredingen van de Wet verbod pelsdierhouderij?

Kan de Minister inzichtelijk maken hoeveel nieuwe stallen er sinds het ingaan van de overgangsregeling in januari 2013 (al dan niet illegaal) zijn aangevraagd, gebouwd of uitgebreid, vragen de leden van de SP-fractie. Deze leden zijn daarnaast benieuwd of er gevallen bekend zijn waarbij bedrijven meer dieren houden dan in hun administratie is verwerkt. Kan de Minister toezeggen dat bedrijven die de regels overtreden worden uitgesloten van de subsidieregeling? Kan de Minister bevestigen dat voor bedrijfsuitbreiding van na 2013 sowieso geen sloop- en ombouwkosten kunnen worden vergoed?

Tot slot spreken deze leden de wens uit dat tot het definitieve verbod in 2024 strikt wordt gehandhaafd ten aanzien van het welzijn van de dieren in de bontindustrie, indien nodig met behulp van cameratoezicht.

Vragen en opmerkingen van de leden van de ChristenUnie-fractie

De leden van de fractie van de ChristenUnie hebben kennisgenomen van de kabinetsbrief over de voortgang van het Besluit subsidiering sloop- en ombouwkosten pelsdierhouderij. Deze leden hechten aan een goed toekomstperspectief voor de familie- en gezinsbedrijven die moeten omschakelen naar een andere bedrijfstak en een eerlijke regeling voor ondernemers die hun bedrijf moeten beëindigen.

De leden van de fractie van de ChristenUnie wijzen op de lastige positie van pelsdierhouders, vanwege de onzekere internationale markt en de zeer krappe marges. Zij zijn vaak niet in staat om sloop of ombouw van hun bedrijf te kunnen financieren. Deze leden vragen waarom de sloopregeling niet de reguliere financiële normbedragen voor sloop hanteert, maar slechts de helft. Klopt het dat de besluitvorming is gebaseerd op de zeven goede jaren van productie en niet van het gemiddelde? Bovendien laten eerder onderzoek van het LEI en recenter onderzoek van PWC zien dat de gemiddelde schadebedragen per bedrijf hoger zijn dan de schadebedragen in de sloopregeling. Wat is de reactie van de Minister op deze onderzoeken? Leidt dit tot nieuwe inzichten inzake de hoogte van de schadevergoeding?

De leden van de fractie van de ChristenUnie zien dat de periode van omschakeling naar een andere bedrijfssector een belangrijk knelpunt is voor ondernemers, omdat zij in deze periode inkomsten missen. Erkent de Minister dat hier een knelpunt is? Ziet de Minister een oplossing voor dit probleem?

Wat moeten nertsenhouders doen die voor de keuze staan om reguliere investeringen in hun bedrijf te doen, bijvoorbeeld de vervanging van een deel van de kooien, vragen de leden van de fractie van de ChristenUnie. Geen investering betekent dat een deel van het bedrijf wordt gesloten en er minder inkomsten zijn voor het gezinsbedrijf. Wel investeren betekent dat het bedrijf langs de bank moet en de investering moet zien terug te verdienen in het perspectief van sluiting per 2024. Is de Minister bereid in overleg te gaan met banken, nu die terughoudender worden in financiering? Welke rol kunnen banken spelen in omvorming van de bedrijfsvoering?

De leden van de ChristenUnie-fractie vragen of de Minister mogelijkheden ziet om nertsenhouders tegemoet te komen die door minder deelnemers aanlopen tegen hogere kosten voor hun coöperatieve voerfabriek en (buitenlandse) vaccinfabriek.

Tevens vragen deze leden of de Minister bekend is met de problemen op de arbeidsmarkt. Signaleert de Minister ook dat het moeilijker is om personeel te behouden en te werven met een verbod in 2024 in zicht? Zo ja, is zij bereid om met de sector in overleg te gaan over oplossingen?

De leden van de ChristenUnie-fractie vragen of het klopt dat er grote verschillen zijn tussen gemeenten in het meedenken en begeleiden van nertsenhouders over de toekomst van een nieuwe bedrijfsvoering op de huidige of nieuwe locatie. Is zij bereid om in overleg te gaan met de sector en de Vereniging Nederlandse Gemeenten over de rol van de gemeente bij het toekomstperspectief van de betrokken bedrijven?

Tevens vragen deze leden of de Minister bereid is om in gesprek te gaan met de sector over het toekomstperspectief voor individuele ondernemers. Wat vindt de Minister van de volgende uitspraak van een nertsenhouder: «Ik hoef geen zak met geld, maar wil een eerlijke kans»? Wat vindt de Minister van de suggestie om samen met de sector een adviseur aan te stellen voor de betreffende ondernemers?

Vragen en opmerkingen van de leden van de PvdD-fractie

De leden van de Partij voor de Dieren-fractie hebben kennisgenomen van de brief over het besluit tot voortzetting van de procedure tot vaststelling en inwerkingtreding van het Besluit subsidiering sloop- en ombouwkosten pelsdierhouderij.

Zoals bekend willen de leden van de Partij voor de Dieren-fractie dat er zo snel mogelijk een einde komt aan de nertsenfokkerij. Daarbij is iedere verdere vertraging zeer onwenselijk. Het is dus goed dat dit onderdeel van de wet die de pelsdierhouderij in Nederland per 1 januari 2024 verbiedt, wordt uitgevoerd.

De leden van de Partij voor de Dieren-fractie hebben vernomen dat op vrijdag 17 november jongstleden bleek dat ook de allerlaatste rechter tot wie de nertsenfokkers zich hadden gewend, het Europese Hof, van mening is dat de nertsenhouders voldoende rechtsbescherming hebben gehad. Het door de Eerste en Tweede Kamer aangenomen verbod op de pelsdierhouderij in Nederland, per 1 januari 2024, is dus onherroepelijk en definitief. Deze leden zijn daar zeer verheugd over en roepen het kabinet op werk te maken van de afbouw van de nertsenfokkerij in Nederland.

De leden van de Partij voor de Dieren-fractie maken zich grote zorgen over illegale uitbreidingen van pelsdierbedrijven en vinden dat strikt moet worden gehandhaafd. Deelt u deze mening? De Minister schreef eerder dat bij een inspectieronde door de NVWA in 2016 bleek dat bij bijna een derde van de onderzochte bedrijven sprake was van een overschrijding van het aantal toegestane nertsen. Wat was de omvang van deze illegale uitbreidingen? Met hoeveel fokteven waren de onderzochte bedrijven uitgebreid? Heeft het OM strafvervolging ingesteld tegen de 20 overtreders of gaat het OM dit nog doen? Zo niet, waarom niet? Zo ja, wat is de stand van vervolging? Op welke manier zijn de processen-verbaal die destijds zijn opgemaakt, gebruikt bij het vervolgtoezicht? Deelt de Minister de mening dat deze bedrijven sowieso in overtreding waren en bestraft dienen te worden, ook als bij de hercontrole is gebleken dat het aantal nertsen weer is teruggebracht? Zo nee, dan ontvangen deze leden graag een toelichting. Zijn de overige (circa 85) bedrijven inmiddels ook geïnspecteerd? Zo nee, is de Minister bereid hier alsnog opdracht voor te geven? Hoe staat het met het beloofde wetsvoorstel dat het mogelijk maakt om met bestuursrechtelijke herstelsancties naleving van het verbod af te dwingen?

De leden van de Partij voor de Dieren-fractie vragen of de Minister inzicht kan geven in de nulmeting van het aantal nertsen per bedrijf die is uitgevoerd vóór het nertsenfokverbod van kracht werd. Kan de Minister per bedrijf de toegestane aantallen nertsen uit de nulmeting weergeven, met daarbij per bedrijf het aantal nertsen dat zij voor deze winter hebben opgegeven op het «Meldformulier doden van nertsen»?

Is de Minister bereid om in overleg te treden met decentrale overheden om gezamenlijk op te treden tegen illegale uitbreidingen, ook wanneer deze onder het mom van verhuizingen zijn? Zo nee, dan ontvangen de leden van de Partij voor de Dieren-fractie graag een toelichting.

De leden van de Partij voor de Dieren-fractie zijn van mening dat illegale uitbreidingen zwaar moeten worden bestraft. Het kan en mag niet zo zijn dat nertsenfokkers de komende zes jaar met illegale trucs nog zoveel mogelijk geld verdienen met de verkoop van de extra pelzen en vervolgens met subsidie stoppen met hun bedrijf. Is de Minister bereid er zorg voor te dragen dat bij gevallen van dierenmishandeling en illegale uitbreidingen een bedrijf direct kan worden gesloten? Zo nee, dan ontvangen deze leden graag een toelichting.

De leden van de Partij voor de Dieren-fractie maken zich in bredere zin ernstige zorgen over het toezicht op deze sector. Er zijn nog zo’n 150 nertsenfokkerijen in Nederland, waar jaarlijks bijna zes miljoen nertsen worden vergast. Er zijn alarmerende signalen dat er sprake is van misstanden en van dierenmishandeling, zowel bij de huisvesting van nertsen als bij het doden van de nertsen. Het bewijs hiervoor werd geleverd door undercoverbeelden. Dat dit aan het licht is gekomen, is te danken aan dierenbeschermingsorganisaties en niet aan de toezichthouder. Waar sprake is van dermate veel dierenleed, zijn streng toezicht en hoge straffen geboden. Deze leden hebben hierover dan ook enkele vragen.

Deelt de Minister de mening dat een boete van € 2.500,- zoals is opgelegd aan een nertsenfokker in Alphen a/d Rijn wegens dierenmishandeling onbegrijpelijk laag is, gezien de grootte van de omzet van dergelijke bedrijven?

De leden van de Partij voor de Dieren-fractie vragen hoeveel controles de NVWA in 2017 heeft uitgevoerd bij deze 150 nertsenfokkers. Hoeveel overtredingen zijn hierbij geconstateerd, wat is de aard hiervan en wat zijn de opgelegde maatregelen hierbij geweest? Hoe zal het toezicht de komende jaren worden vormgegeven, in het bijzonder tijdens de maanden november en december waarin de vergassingen plaatsvinden? Zal de uitbreiding van de capaciteit bij de NVWA ook worden ingezet in deze sector?

Nertsenfokkerijen zijn feitelijk slachthuizen, vanwege de vergassing door de fokkers zelf op de fokkerijen. Is de Minister bereid om ook op deze slachtplekken camera's te plaatsen, zodat elk bedrijf nauwgezet gecontroleerd kan worden? Zo nee, waarom niet?

Tot slot merken de leden van de Partij voor de Dieren op dat het van groot belang is zo snel mogelijk te komen tot een algeheel Europees verbod op de pelsdierhouderij en de productie van bont. Deze leden wijzen op de motie van het lid Ouwehand (Kamerstuk 30 826, nr. 21) die in 2009 al is aangenomen. Kan de Minister toezeggen dat zij zich conform de motie sterk maakt voor een Europees verbod op de nertsenfokkerij en wat de stand van zaken is met betrekking tot de uitvoering van deze motie?

Vragen en opmerkingen van de leden van de SGP-fractie

De leden van de SGP-fractie hebben enkele vragen over het in procedure brengen van het Besluit subsidiëring sloop- en ombouwkosten pelsdierhouderij.

De leden van de SGP-fractie constateren dat de voorliggende regeling alleen een gedeeltelijke compensatie bevat van kosten voor sloop en ombouw van stallen. Een vergoeding voor vermogensverlies en inkomstenderving blijft achterwege. Bedrijven die door omstandigheden verkocht moeten worden, zijn onverkoopbaar, waardoor schrijnende situaties ontstaan. Daarbij komt dat de prijzen voor nertsenhuiden sterk zijn gedaald en investeringen veel minder snel terugverdiend kunnen worden. Is de veronderstelling juist dat de verwachte financiële schade door de gekelderde omzet groter is dan vooraf ingeschat en dat investeringen niet terugverdiend kunnen worden? Is de veronderstelling juist dat de subsidie voor sloop en ombouw bij lange na niet de investeringskosten dekt?

Veel medewerkers in de pelsdierhouderij zoeken werk in andere sectoren, omdat hier door het goede economische tijd relatief veel vacatures zijn, zo hebben de leden van de SGP-fractie vernomen. Dat maakt het voor pelsdierhouders lastig om hun bedrijf op een goede manier voor te zetten. Het blijkt in de praktijk ook lastig te zijn om over te schakelen naar een andere bedrijfstak. De kosten zijn hoog en de mogelijkheden beperkt. Is de veronderstelling juist dat bedrijven door het vertrek van personeel en het afhaken van toeleveranciers gedwongen zullen zijn om eerder de deuren te sluiten dan de overgangstermijn toelaat? Deelt de Minister de mening dat het voor pelsdierhouders steeds lastiger wordt om hier op een goede manier uit te komen?

De leden van de SGP-fractie horen graag of de Minister, gelet op het voorgaande, bereid is in overleg met de sector het voorgelegde Besluit te heroverwegen voor een meer adequate tegemoetkoming te zorgen dan wel de invoering van het verbod op te schorten.

II Antwoord / Reactie van de Minister

Inleiding

In 2006 is het initiatiefwetsvoorstel verbod pelsdierhouderij ingediend.

Op 15 januari 2013 is de Wet verbod pelsdierhouderij in werking getreden met een overgangstermijn voor de bestaande pelsdierhouderijen tot 1 januari 2024. Deze overgangstermijn is ingesteld om de pelsdierhouders de gelegenheid te geven investeringen terug te verdienen, het bedrijf af te bouwen of om te schakelen naar een andere bedrijfsactiviteit.

De in artikel 7 van de Wet verbod pelsdierhouderij beoogde subsidieregeling wordt uitgevoerd door middel van het Besluit subsidiëring sloop- en ombouwkosten pelsdierhouderij (hierna: het besluit) en de daarop gebaseerde uitvoeringsregelgeving. In maart 2015 is het ontwerpbesluit voorgehangen bij uw Kamer, gevolgd door een schriftelijk overleg. In juni 2016 is na de staatssteunprocedure een wijziging van het ontwerpbesluit opnieuw voorgehangen bij uw Kamer, en ook hierover is een schriftelijk overleg gevoerd.

Op 7 november jl. is de vaste commissie EZ expliciet akkoord gegaan met voortzetting van de procedure tot vaststelling van het besluit. Op 23 november jl. heeft de vaste commissie LNV in een nieuw schriftelijk overleg wederom vragen gesteld over het besluit. Het besluit is in de tussenliggende periode – in navolging van het akkoord van de vaste commissie EZ – vastgesteld door de Koning. Het besluit kan alleen nog worden gewijzigd door middel van een nieuwe algemene maatregel van bestuur.

In het licht van een adequate uitvoering van de Wet verbod pelsdierhouderij en het arrest van de Hoge Raad (16 december 2016, ECLI:NL:2016:2888) is het van belang dat het besluit snel in werking treedt omdat een pelsdierhouder, die stopt vóórdat het besluit in werking is getreden, op grond van de EU-staatssteunregels geen aanspraak kan maken op subsidie voor sloop- en ombouw. Een aantal pelsdierhouders heeft al kenbaar gemaakt hun bedrijf te willen beëindigen en gebruik te willen maken van de subsidieregeling.

Na het verzenden van de antwoorden op deze Kamervragen zal ik tot publicatie van het besluit in het Staatsblad overgaan. De subsidieregeling sloop- en ombouwkosten pelsdierhouderij zal ik in februari 2018 in werking stellen.

Vragen en opmerkingen van de leden van de VVD- en CDA-fracties

De leden van de VVD- en CDA-fracties hebben kennisgenomen van de brief over het Besluit subsidiëring sloop- en ombouwkosten pelsdierhouderij (Kamerstuk 30 826, nr. 49). Hierover hebben deze leden nog vragen.

De leden van de VVD- en CDA-fracties stellen vast dat de initiatiefnemers van de wetgeving ter onderbouwing van hun wetsvoorstel hebben aangegeven dat de pensioenopbouw in de waarde van de bedrijven zou zitten. Met een novelle is de tijdshorizon verschoven waarbij is aangegeven dat er zo meer tijd zou zijn voor een andere oriëntatie op activiteiten op dezelfde plek. Uit de wetsgeschiedenis maken deze leden op dat verondersteld werd dat de plek zelf wel beschikbaar blijft voor vervangende economische activiteiten. Deze leden hebben bij de wetsbehandeling al aangegeven dat de verkoop van een agrarisch bedrijf belangrijk is voor de pensioenvoorziening van de betreffende ondernemer. Zij constateren echter dat de betreffende bedrijven onverkoopbaar zijn. Er treedt dus een enorme kapitaalsvernietiging op. In diverse gemeenten waar nertsenhouders zijn gevestigd is het door de herziening van bestemmingsplannen buitengebied niet meer mogelijk om bijvoorbeeld over te schakelen naar een geitenhouderij of een pluimvee- of varkensbedrijf als alternatief. Daarnaast heeft de provincie Noord-Brabant de ontwikkeling helemaal op slot gezet van agrarische bedrijven (pelsdierhouderij is daarbij bijvoorbeeld uitgesloten van de salderingsregeling) waardoor voor de pelsdierhouderij geen tot zeer weinig alternatieven zijn. Ook kennen de leden van de VVD- en CDA-fracties een praktijksituatie waar men zou willen omschakelen naar recreatie, maar waar door de PAS-regelgeving herbestemming niet mogelijk is. Kan de Minister aangeven hoe pelsdierhouders hun onroerend goed om kunnen zetten naar een vervangende economische activiteit?

De discussie over een verbod op het houden van pelsdieren voor de productie van bont wordt al lang gevoerd. In 1999 heeft de Tweede Kamer zich uitgesproken voor een verbod. In 2006 is het initiatiefwetsvoorstel voor een verbod op de pelsdierhouderij aangeboden aan de Kamer. Een verbod op de pelsdierhouderij is al langere tijd en in ieder geval sinds 2006 in die mate voorzienbaar, dat de nertsenhouders reeds geruime tijd voor de invoering van de Wet aanleiding hadden om zich op een mogelijk verbod in te stellen. In de wet is een overgangsperiode van 10 jaar opgenomen om nertsenhouders in staat te stellen de investeringen terug te verdienen en hun bedrijf af te bouwen of om te schakelen naar een andere bedrijfsactiviteit. Om nertsenhouders te ondersteunen is een pakket aan flankerende maatregelen getroffen.

Het is de keuze van de nertsenhouder of en op welke wijze hij omschakelt naar een landbouw- of niet-landbouwonderneming. De voorwaarden voor omschakeling naar een andere onderneming worden bepaald door het gemeentelijk bestemmingsplan en het ruimtelijke beleid van de provincies. Voor nertsenhouders gelden in het algemeen dezelfde mogelijkheden in het kader van de ruimtelijke ordening voor omschakeling naar andere veehouderijsectoren of andere bedrijfsactiviteiten als voor andere veehouders in Noord-Brabant. Teneinde een regionale concentratie van de veestapel tegen te gaan, heeft de provincie Noord-Brabant in 2017 in Midden- en Oost Brabant het zogenaamde stalderen ingevoerd. Staldering geldt niet voor melkvee, schapen en pelsdieren, waardoor gesloopte staloppervlakte van deze diercategorieën niet voor staldering kan worden ingezet.

Wat is de Minister voornemens voor deze ondernemers te gaan doen nu zij niet in staat gesteld worden hun bedrijf af te bouwen conform hetgeen hen is voorgehouden bij de wetsbehandeling?

Naar aanleiding van een amendement bij de Kamerbehandeling van het initiatiefwetsvoorstel wordt in de periode tussen 2011 en 2024 € 28 miljoen gereserveerd op de LNV-begroting voor een pakket flankerende maatregelen.

Bij de Kamerbehandeling heeft de Tweede Kamer destijds de kaders voor het flankerend beleid vastgesteld. Het flankerend beleid bestaat, naast de overgangstermijn tot 1 januari 2024, uit drie maatregelen:

  • 1) Een subsidieregeling waarmee een tegemoetkoming wordt gegeven voor sloop- en ombouwkosten van nertsenhouderijen. De Tweede Kamer heeft destijds aangegeven dat het geen schadeloosstelling of vergoeding voor gederfde inkomsten betreft.

  • 2) Een fiscale voorziening voor nertsenhouders die omschakelen naar een andere bedrijfsactiviteit.

  • 3) Een hardheidsclausule waarmee een tegemoetkoming kan worden gegeven aan nertsenhouders die als gevolg van de wet niet in staat zijn geweest een pensioenvoorziening op te bouwen.

Het flankerend beleid is opgesteld in lijn met hetgeen hierover in het parlementaire debat over de wet is besproken. Binnen deze kaders is het aan de ondernemers om binnen de overgangstermijn investeringen terug te verdienen, hun bedrijf in die periode bedrijfseconomisch af te bouwen en kapitaalvernietiging zoveel mogelijk te voorkomen. Bij die afweging horen ook het doen van eventuele herinvesteringen of het eerder dan het einde van de overgangsperiode geheel of gedeeltelijk stoppen met het bedrijf. De subsidieregeling sloop- en ombouwkosten pelsdierhouderij draagt bij aan een nuttige herbestemming van percelen waarop nertsenhouderij wordt uitgeoefend en voor een eventuele doorstart naar de toekomstige uitoefening van nieuwe bedrijfsactiviteiten. Genoemde voorzieningen bepalen binnen de door de Kamer vastgestelde kaders de mogelijkheden voor een adequate en bedrijfseconomisch verantwoorde afbouw van de nertsenhouderijen. Op dit moment zie ik geen aanleiding om naast de in het kader van de Wet verbod pelsdierhouderij vastgestelde flankerende maatregelen aanvullende voorzieningen te treffen. Ik blijf echter de ontwikkelingen volgen.

De leden van de VVD- en CDA-fracties vragen daarnaast of het nieuwe beleid van de provincie Noord-Brabant voor emissiearme systemen voor bedrijven gevolgen heeft voor de pelsdierhouderij.

In de Verordening natuurbescherming van de provincie Noord-Brabant zijn regels opgenomen ter vermindering van de stikstofuitstoot op Natura 2000-gebieden in Noord-Brabant. Veehouders die een nieuwe stal willen bouwen of een bestaande stal geheel of gedeeltelijk willen renoveren moeten (behoudens overgangsrecht) aan de verordening voldoen. Provinciale staten van Noord-Brabant hebben op

10 juli 2017 ingestemd met een aanscherping van de verordening om de ammoniakuitstoot door de veehouderij sneller en vergaand terug te dringen.

De emissie-eisen voor nieuwe stallen worden stapsgewijs aangescherpt per 2020, 2024 en 2028. Verouderde stalsystemen (15 jaar of ouder) die nu niet voldoen aan het Besluit emissiearme huisvesting moeten op 1 januari 2020 voldoen aan de emissiereducerende eisen in bijlage 2 van de Verordening. Overige verouderde stalsystemen moeten op 1 januari 2022 voldoen aan bijlage 2 van de verordening. Voorwaarde is dat hiervoor op 1 januari 2020 een ontvankelijke en vergunbare aanvraag is ingediend. Van de gehouden nertsen wordt 98% volgens vergunning gehouden in een huisvestingssysteem dat voldoet aan de eisen uit de Verordening. De overige 2% gehouden nertsen (zes bedrijven) wordt in een huisvestingssysteem gehouden dat niet voldoet aan de eisen uit de Verordening natuurbescherming. Afhankelijk van de ouderdom van de huisvestingssystemen is op deze zes bedrijven een aanpassing in 2022 nodig.

Als dit het geval is, heeft dit tot gevolg dat deze bedrijven investeringen moeten doen die niet terugverdiend kunnen worden en daarmee eigenlijk gedwongen worden om eerder te stoppen met hun bedrijf dan wat de wet voorschrijft en waarmee de wet rekening houdt?

De Wet verbod pelsdierenhouderij is op 15 januari 2013 in werking getreden met een overgangstermijn voor bestaande nertsenhouderijen tot 1 januari 2024. De provincie Noord-Brabant heeft op 10 juli 2017 in de provinciale Verordening natuurbescherming de ammoniakemissie-eisen voor onder andere nertsenhouderijen aangescherpt. Het is aan de provincie Noord-Brabant om nader te bezien of in verband met de Wet verbod pelsdierenhouderij de aanscherping van de ammoniakeisen voor de nertsenhouderijen in lijn kan worden gebracht met de overgangstermijn van de wet.

Als deze leden kijken naar de wetsgeschiedenis valt op de maken dat de initiatiefnemers ervan uitgingen dat de sector haar investeringen terug zou verdienen. Kan de Minister aangeven of deze veronderstelling op dit moment uitkomt?

Voor het antwoord op deze vraag wordt verwezen naar bovenstaande antwoorden op vragen van de VVD-fractie en de CDA-fractie.

De leden van de VVD- en CDA-fracties constateren dat er op basis van rapporten van het Landbouw Economisch Instituut (LEI) een schade van € 480 miljoen (2007) en € 509 miljoen (2008) voor de Nederlandse pelsdierhouders was berekend. Daarnaast is in het PWC-rapport van 13 augustus 2015 betreffende de Wet verbod pelsdierhouderij (reactie op memorie van antwoord) vastgesteld dat de economische schade veel hoger is (meer dan € 1 miljard) dan berekend in de eerdergenoemde LEI-rapportage. Kan de Minister toelichten hoe de vergoeding voor sloop en/of ombouw in verhouding staat tot de actuele waarde van de gebouwen, vragen de leden van de VVD- en CDA-fracties.

Uit de memorie van toelichting van de Wet verbod pelsdierhouderij (Kamerstuk 30 826, nr. 8) blijkt dat niet een volledige vergoeding van alle kosten is bedoeld, maar een tegemoetkoming. De genoemde schadebedragen zijn andere grootheden dan de waarde van gebouwen en de inrichting. De waarde van gebouwen en inrichting ligt aanzienlijk lager, bovendien wordt daarop ook tijdens de overgangsperiode afgeschreven. Voorts is de hoogte van de sloopsubsidie niet gebaseerd op de actuele waarde van de gebouwen, maar op de te verwachten kosten voor het slopen van de gebouwen. De te verwachten kosten zijn in kaart gebracht in de genoemde LEI-rapportage (thans Wageningen Economic Research).

Waarop is het maximumbedrag en het maximumpercentage gebaseerd?

Zoals eerder aangegeven (Kamerstuk 30 826, nr. 40) is het percentage van 40% voor ombouw gebaseerd op de bepaling in de Richtsnoeren van 1 juli 2014 van de Europese Unie voor staatssteun in de landbouw- en bosbouwsector en in plattelandsgebieden 2014–2020 (PbEU C 204) dat ten aanzien van investeringskosten een maximumvergoeding van 40% is toegestaan. Ten aanzien van de sloopkosten wordt een percentage vergoed van 50% van de gemaakte subsidiabele sloopkosten, omdat er geen aanleiding is om een groot verschil te maken tussen de subsidiepercentages voor sloop en ombouw.

De subsidie voor sloop bedraagt maximaal 50% van de gemaakte subsidiabele

sloopkosten, met een maximum bedrag per vierkante meter, waarbij het bedrag voor verschillende omstandigheden verschillend is vastgesteld. Er is gekozen voor een systematiek met een maximumbedrag per vierkante meter omdat de sloopoffertes nogal uiteen kunnen lopen. De hoogte van de bedragen per vierkante meter is gebaseerd op de eerdergenoemde LEI-rapportage. Daarnaast is er voor de sloop- en ombouwsubsidie een maximumbedrag van € 95.000 per locatie vastgesteld. Indien er asbest wordt aangetroffen dan wordt dat bedrag opgehoogd tot maximaal € 120.000 per locatie.

Kan de Minister inzichtelijk maken of nertsenhouders de sloop- en ombouwkosten wel kunnen betalen?

De financiële situatie verschilt van bedrijf tot bedrijf. Ik heb geen inzicht in de economische situatie van individuele nertsenhouderijen. Het is een ondernemerskeuze of een nertsenhouder de stallen sloopt of omschakelt naar een nieuwe onderneming. Hij is hiertoe niet verplicht. In het geval een nertsenhouder besluit tot sloop en ombouw kan hij een tegemoetkoming krijgen uit deze subsidieregeling.

Waarom heeft het aantal locaties dat er is, zoals beschreven in de LEI-rapportage «Naar een sloop- en ombouwregeling» een effect op het bepalen van een redelijke tegemoetkoming? Een redelijke tegemoetkoming zou toch niet afhankelijk moeten zijn van het aantal locaties?

De subsidie wordt verstrekt als een tegemoetkoming voor de kosten van de sloop of ombouw van een pelsdierhouderij. De hoogte van de sloopsubsidie per vierkante meter is gebaseerd op de eerdergenoemde LEI-rapportage en andere vergelijkbare decentrale regelingen. Meerdere bedrijven houden pelsdieren op verschillende locaties. Indien een pelsdierhouder meerdere locaties heeft, dan kan voor alle locaties afzonderlijk subsidie worden aangevraagd voor de sloop- en/of ombouwkosten.

Vragen en opmerkingen van de leden van de D66-fractie

De leden van de D66-fractie nemen met veel belangstelling kennis van de brief over de voortgang van het Besluit subsidiering sloop- en ombouwkosten pelsdierhouderij en hebben hierover enkele vragen.

De leden van de D66-fractie vragen in hoeverre de pelsdierhouderijen rekening hadden kunnen houden met en zich hadden kunnen voorbereiden op de inwerkingtreding van de Wet verbod pelsdierhouderij.

Blijkens het arrest van het Gerechtshof Den Haag van 10 november 2015 en het arrest van de Hoge Raad van 16 december 2016 hadden pelsdierhouders vanaf de motie Swilders-Rozendaal c.s. (Kamerstuk 26 200 XIV, nr. 63), die op 1 juli 1999 is aangenomen, of vanaf de indiening van het wetsvoorstel bij de Tweede Kamer in 2006, rekening kunnen houden met en zich kunnen voorbereiden op een mogelijk verbod op het houden en doden van pelsdieren voor de productie van bont.

Kan de Minister daarbij een overzicht geven van de ontwikkelingen in dit dossier, wetende dat de Kamer zich reeds in 1999 in meerderheid heeft uitgesproken tegen een verdere voortzetting van nertsenhouderijen middels de motie Swildens-Rozendaal c.s. (Kamerstuk 26 200 XIV, nr. 63 )?

Voor het antwoord op deze vraag wordt verwezen naar de inleiding van deze brief.

De leden van de D66-fractie staan al jarenlang positief tegenover de Wet verbod pelsdierhouderij. Deze leden zijn dan ook verheugd over het besluit om het besluit nu voort te zetten. Kan de Minister aangeven wanneer de procedure tot vaststelling en inwerkingtreding van het besluit naar verwachting afgerond zal zijn?

Het besluit is inmiddels vastgesteld door de Koning en zal na de beantwoording van deze vragen worden gepubliceerd in het Staatsblad. De vaste commissie voor EZ is in de procedurevergadering van 7 november 2017 akkoord gegaan met de voortzetting van de procedure tot vaststelling van het Besluit. Ik streef ernaar het Besluit en de hierop gebaseerde uitvoeringsregeling in februari 2018 in werking te laten treden.

De leden van de D66-fractie wijzen erop dat de looptijd van een steunmaatregel op grond van de richtsnoeren maximaal zeven jaar mag bedragen. De flankerende maatregel betreffende de subsidiëring van pelsdierhouders die willen stoppen, eindigt daarmee in 2024. Kan de Minister de garantie geven dat de juridische verplichting ten aanzien van het flankerend beleid daadwerkelijk eindigt in 2024?

Vanaf 1 januari 2024 zal geen subsidie voor sloop- of ombouwkosten meer worden verleend.

Tot slot erkennen de leden van de D66-fractie dat het verbod op de pelsdierhouderij vooral een ethische afweging is, daarbij in acht nemend het dierenwelzijn. Niet alle buitenlandse pelsdierhouders zullen de norm halen die de Nederlandse overheid stelt aan het dierenwelzijn. Is de Minister naar aanleiding van dit dossier voornemens zich in te spannen voor een Europees verbod op pelsdierhouderijen?

Nederland heeft in 2009 bij de Europese Commissaris voor Gezondheid en Consumentenbescherming (SANCO) gepleit voor een verbod op EU-niveau voor de houderij van dieren voor bont, zoals vossen en chinchilla’s. De Europese Commissie heeft aangegeven zich bij een dergelijk onderwerp rekenschap te geven van subsidiariteit en proportionaliteit.

Vragen en opmerkingen van de leden van de SP-fractie

De leden van de SP-fractie hebben verheugd kennisgenomen van het voornemen om het Besluit subsidiëring sloop- en ombouwkosten pelsdierhouderij verder in procedure te brengen. Deze leden zijn van mening dat het ethisch onacceptabel is om miljoenen dieren te vergassen wanneer er voldoende alternatieven voor het dragen van bont aanwezig zijn. Zij hopen dat de subsidieregeling, die helaas juridisch noodzakelijk blijkt, een succesvolle bijdrage zal leveren aan het beëindigen van deze praktijk. De leden van de SP-fractie hebben voorts nog enkele vragen aan de Minister. Op welke termijn kan de Kamer het definitieve besluit tegemoet zien?

Het Besluit subsidiëring sloop- en ombouwkosten pelsdierhouderij is inmiddels vastgesteld en wordt gepubliceerd in het Staatsblad na de beantwoording van deze Kamervragen.

Hoeveel bedrijven hebben gebruikgemaakt van de overgangsregeling?

Er hebben 167 nertsenhouderijen met 213 locaties gebruikgemaakt van de overgangsregeling. Deze bedrijven zijn geregistreerd bij RVO Nederland.

Hoe vaak hebben de Nederlandse Voedsel- en Warenautoriteit (NVWA) en het Openbaar Ministerie (OM) de afgelopen jaren controles uitgevoerd bij pelsdierhouderijen en hoe vaak zijn er sancties opgelegd voor overtredingen van de Wet verbod pelsdierhouderij?

De NVWA heeft in 2016 risicogericht 64 locaties geïnspecteerd op de Wet verbod pelsdierhouderij en in 20 gevallen is door de NVWA een proces-verbaal van bevindingen opgemaakt, welke informatie als nulmeting heeft gediend. In 2017 heeft de NVWA 39 inspecties uitgevoerd op de Wet verbod pelsdierhouderij bij nertsenhouders. Daarbij is op één bedrijf een overschrijding vastgesteld van het maximaal aantal te houden nertsen (fokdieren). Hiervoor is een proces-verbaal opgemaakt, dat is overgedragen aan het OM. Het OM heeft recent een srafbeschikking opgelegd aan het betreffende bedrijf.

Kan de Minister inzichtelijk maken hoeveel nieuwe stallen er sinds het ingaan van de overgangsregeling in januari 2013 (al dan niet illegaal) zijn aangevraagd, gebouwd of uitgebreid, vragen de leden van de SP-fractie.

Ik heb geen overzicht van de verstrekte omgevingsvergunningen door gemeenten aan pelsdierhouders.

Deze leden zijn daarnaast benieuwd of er gevallen bekend zijn waarbij bedrijven meer dieren houden dan in hun administratie is verwerkt.

Voor het antwoord op deze vraag wordt verwezen naar het antwoord op de eerdere vraag van de SP-fractie over de NVWA-controles en -sancties.

Kan de Minister toezeggen dat bedrijven die de regels overtreden worden uitgesloten van de subsidieregeling? Kan de Minister bevestigen dat voor bedrijfsuitbreiding van na 2013 sowieso geen sloop- en ombouwkosten kunnen worden vergoed?

Op grond van het besluit, de uitvoeringsregeling, en het Kaderbesluit nationale EZ-subsidies, kan subsidie worden geweigerd indien deze is aangevraagd voor sloop of ombouw van stallen die zijn gebouwd en gebruikt in strijd met de Wet verbod pelsdierhouderij. Of een aanvraag in een specifiek geval wordt afgewezen, hangt af van de aard en omvang van de overtreding.

Tot slot spreken deze leden de wens uit dat tot het definitieve verbod in 2024 strikt wordt gehandhaafd ten aanzien van het welzijn van de dieren in de bontindustrie, indien nodig met behulp van cameratoezicht.

Voor cameratoezicht is nu geen wettelijke basis, de NVWA houdt toezicht door middel van inspecties. Deze inspecties kunnen a-select of risicogebaseerd zijn. Bij geconstateerde overtredingen van de Wet verbod pelsdierhouderij vindt handhaving plaats volgens het huidige wettelijke kader. Het plaatsen van een camera op een nertsenhouderij is aan te merken als cameratoezicht op de werkplek. Het is thans niet mogelijk om de werkgever te verplichten om webcams op te hangen en de opnamen vervolgens af te staan aan de overheid in het kader van handhaving. De nertsenhouder kan hiertoe wel vrijwillig besluiten, mits hij daarbij rekening houdt met zijn werkgeversrol. Als een werkgever wil overgaan tot cameratoezicht moet hij kenbaar maken dat camera's aanwezig zijn en het personeel vooraf informeren. De beeldopnamen kunnen alleen voor de handhaving worden gebruikt als de werkgever ze zelf verstrekt aan de overheid.

Vragen en opmerkingen van de leden van de ChristenUnie-fractie

De leden van de fractie van de ChristenUnie hebben kennisgenomen van de kabinetsbrief over de voortgang van het Besluit subsidiering sloop- en ombouwkosten pelsdierhouderij. Deze leden hechten aan een goed toekomstperspectief voor de familie- en gezinsbedrijven die moeten omschakelen naar een andere bedrijfstak en een eerlijke regeling voor ondernemers die hun bedrijf moeten beëindigen.

De leden van de fractie van de ChristenUnie wijzen op de lastige positie van pelsdierhouders, vanwege de onzekere internationale markt en de zeer krappe marges. Zij zijn vaak niet in staat om sloop of ombouw van hun bedrijf te kunnen financieren. Deze leden vragen waarom de sloopregeling niet de reguliere financiële normbedragen voor sloop hanteert, maar slechts de helft.

Artikel 7 van de Wet verbod pelsdierhouderij biedt een grondslag voor een tegemoetkoming in de kosten van sloop of ombouw van gebouwen, waarin nertsen beroepsmatig gehouden worden, die als gevolg van de wet hun functie verliezen. Uit de memorie van toelichting van de Wet verbod pelsdierhouderij blijkt dat hiermee niet een volledige vergoeding van alle kosten is bedoeld maar een tegemoetkoming.

Klopt het dat de besluitvorming is gebaseerd op de zeven goede jaren van productie en niet van het gemiddelde?

Nee. De hoogte van de sloop- en of ombouwkosten houdt geen enkel verband met de financiële opbrengsten van een bedrijf.

Bovendien laten eerder onderzoek van het LEI en recenter onderzoek van PWC zien dat de gemiddelde schadebedragen per bedrijf hoger zijn dan de schadebedragen in de sloopregeling. Wat is de reactie van de Minister op deze onderzoeken? Leidt dit tot nieuwe inzichten inzake de hoogte van de schadevergoeding?

Zoals eerder aangegeven (Kamerstuk 30 826, nr. 40, p. 9) is het percentage van 40% voor ombouw gebaseerd op de bepaling in de Richtsnoeren van 1 juli 2014 van de Europese Unie voor staatssteun in de landbouw- en bosbouwsector en in plattelandsgebieden 2014–2020 (PbEU C 204) dat ten aanzien van investeringskosten een maximumvergoeding van 40% is toegestaan. Ten aanzien van de sloopkosten wordt een percentage vergoed van 50% van de gemaakte subsidiabele sloopkosten, omdat er geen aanleiding is om een groot verschil te maken tussen de subsidiepercentages voor sloop en ombouw.

De leden van de fractie van de ChristenUnie zien dat de periode van omschakeling naar een andere bedrijfssector een belangrijk knelpunt is voor ondernemers, omdat zij in deze periode inkomsten missen. Erkent de Minister dat hier een knelpunt is? Ziet de Minister een oplossing voor dit probleem?

Het gesignaleerde punt van het omschakelen naar een andere bedrijfsactiviteit is niet uniek voor nertsenhouders. Ook wanneer andere veehouders omschakelen naar een andere veehouderijcategorie of stallen renoveren hebben ze te maken met een periode van lagere of geen inkomsten. De omschakeling naar een nieuwe onderneming en de wijze van omschakeling staat geheel ter keuze van de ondernemer.

Wat moeten nertsenhouders doen die voor de keuze staan om reguliere investeringen in hun bedrijf te doen, bijvoorbeeld de vervanging van een deel van de kooien, vragen de leden van de fractie van de ChristenUnie. Geen investering betekent dat een deel van het bedrijf wordt gesloten en er minder inkomsten zijn voor het gezinsbedrijf. Wel investeren betekent dat het bedrijf langs de bank moet en de investering moet zien terug te verdienen in het perspectief van sluiting per 2024. Is de Minister bereid in overleg te gaan met banken, nu die terughoudender worden in financiering? Welke rol kunnen banken spelen in omvorming van de bedrijfsvoering?

De noodzaak tot het doen van vervangingsinvesteringen of het eerder geheel of gedeeltelijk stoppen met het bedrijf en de daarmee gepaard gaande kosten en inkomensgevolgen zijn voor ieder bedrijf verschillend. Het betreft besluiten die iedere ondernemer individueel moet nemen in overleg met zijn adviseurs en banken. Hierbij spelen naast de bedrijfseconomische aspecten ook factoren zoals de leeftijd van de ondernemer een belangrijke rol.

De leden van de ChristenUnie-fractie vragen of de Minister mogelijkheden ziet om nertsenhouders tegemoet te komen die door minder deelnemers aanlopen tegen hogere kosten voor hun coöperatieve voerfabriek en (buitenlandse) vaccinfabriek.

Zoals aangegeven in het antwoord op een vraag van de VVD- en CDA-fracties heeft de Tweede Kamer bij de Kamerbehandeling van het initiatiefwetsvoorstel de kaders voor het flankerend beleid vastgesteld. Het flankerend beleid is opgesteld in lijn met hetgeen hierover in het parlementaire debat over de wet is besproken. Een tegemoetkoming voor nertsenhouders vanwege hogere kosten voor veevoer en vaccins maakt hier geen onderdeel van uit. Momenteel zie ik geen aanleiding om aanvullende voorzieningen te treffen.

Tevens vragen de leden van de ChristenUnie-fractie of de Minister bekend is met de problemen op de arbeidsmarkt. Signaleert de Minister ook dat het moeilijker is om personeel te behouden en te werven met een verbod in 2024 in zicht? Zo ja, is zij bereid om met de sector in overleg te gaan over oplossingen?

Ten algemene is mij bekend dat door de aangetrokken economie de vraag naar arbeidskrachten in Nederland is toegenomen. Dit zou ertoe kunnen leiden dat medewerkers van nertsenbedrijven elders een baan gaan zoeken en dat dit mogelijk tot knelpunten in de arbeidsvoorziening kan leiden. Dit treedt ook in andere sectoren op, zowel binnen als buiten de landbouw.

De leden van de ChristenUnie-fractie vragen of het klopt dat er grote verschillen zijn tussen gemeenten in het meedenken en begeleiden van nertsenhouders over de toekomst van een nieuwe bedrijfsvoering op de huidige of nieuwe locatie. Is zij bereid om in overleg te gaan met de sector en de Vereniging Nederlandse Gemeenten over de rol van de gemeente bij het toekomstperspectief van de betrokken bedrijven?

Het is primair de verantwoordelijkheid van de sector zelf en de betrokken brancheorganisaties om bij de betreffende gemeenten knelpunten te signaleren en oplossingen aan te dragen. Indien nodig, ben ik bereid om de Vereniging van Nederlandse Gemeenten van advies te dienen.

Tevens vragen deze leden of de Minister bereid is om in gesprek te gaan met de sector over het toekomstperspectief voor individuele ondernemers. Wat vindt de Minister van de volgende uitspraak van een nertsenhouder: «Ik hoef geen zak met geld, maar wil een eerlijke kans»? Wat vindt de Minister van de suggestie om samen met de sector een adviseur aan te stellen voor de betreffende ondernemers?

Elke ondernemer moet zelf zijn toekomststrategie bepalen. Primair is het de rol van de in de sector actieve brancheorganisaties om ondernemers hierbij te ondersteunen. Tevens kunnen accountantskantoren, banken, de Kamer van Koophandel en RVO Nederland ondernemers adviseren over de afbouw of omschakeling van hun bedrijven. Ik zie op dit moment geen aanleiding een aanvullende voorziening te treffen.

Vragen en opmerkingen van de leden van de PvdD-fractie

De leden van de Partij voor de Dieren-fractie hebben kennisgenomen van de brief over het besluit tot voortzetting van de procedure tot vaststelling en inwerkingtreding van het Besluit subsidiering sloop- en ombouwkosten pelsdierhouderij. Zoals bekend willen de leden van de Partij voor de Dieren-fractie dat er zo snel mogelijk een einde komt aan de nertsenfokkerij. Daarbij is iedere verdere vertraging zeer onwenselijk. Het is dus goed dat dit onderdeel van de wet die de pelsdierhouderij in Nederland per 1 januari 2024 verbiedt, wordt uitgevoerd. De leden van de Partij voor de Dieren-fractie hebben vernomen dat op vrijdag 17 november jongstleden bleek dat ook de allerlaatste rechter tot wie de nertsenfokkers zich hadden gewend, het Europese Hof, van mening is dat de nertsenhouders voldoende rechtsbescherming hebben gehad. Het door de Eerste en Tweede Kamer aangenomen verbod op de pelsdierhouderij in Nederland,

per 1 januari 2024, is dus onherroepelijk en definitief. Deze leden zijn daar zeer verheugd over en roepen het kabinet op werk te maken van de afbouw van de nertsenfokkerij in Nederland.

De leden van de Partij voor de Dieren-fractie maken zich grote zorgen over illegale uitbreidingen van pelsdierbedrijven en vinden dat strikt moet worden gehandhaafd. Deelt u deze mening?

Ja. Evenals in 2016 en 2017 zullen ook de komende jaren inspecties worden uitgevoerd gericht op de handhaving van de overgangsregeling. Hiervoor wordt ook verwezen naar het antwoord op de vragen van de SP-fractie.

De Minister schreef eerder dat bij een inspectieronde door de NVWA in 2016 bleek dat bij bijna een derde van de onderzochte bedrijven sprake was van een overschrijding van het aantal toegestane nertsen. Wat was de omvang van deze illegale uitbreidingen? Met hoeveel fokteven waren de onderzochte bedrijven uitgebreid? Heeft het OM strafvervolging ingesteld tegen de 20 overtreders of gaat het OM dit nog doen? Zo niet, waarom niet? Zo ja, wat is de stand van vervolging? Op welke manier zijn de processen-verbaal die destijds zijn opgemaakt, gebruikt bij het vervolgtoezicht?

De NVWA en het OM hebben ervoor gekozen om ten tijde van de controles in 2016 – in verband met een eerdere uitspraak van de civiele rechter en hangende de uitspraak van de Hoge Raad strekkende de al dan niet buitenwerkingstelling van de Wet verbod pelsdierhouderij – geen strafvorderlijke bevoegdheden in te zetten en dus geen vervolging in te stellen. In plaats daarvan is een proces-verbaal van bevindingen opgemaakt welke als nulmeting heeft gediend. Na het arrest van de Hoge Raad in 2016 zijn de betreffende bedrijven in 2017 nogmaals gecontroleerd en zijn bij deze bedrijven geen overtredingen meer geconstateerd.

Deelt de Minister de mening dat deze bedrijven sowieso in overtreding waren en bestraft dienen te worden, ook als bij de hercontrole is gebleken dat het aantal nertsen weer is teruggebracht? Zo nee, dan ontvangen deze leden graag een toelichting.

Voor het antwoord op deze vraag wordt verwezen naar het antwoord op een vraag van de leden van de fractie van de Partij voor de Dieren.

Zijn de overige (circa 85) bedrijven inmiddels ook geïnspecteerd? Zo nee, is de Minister bereid hier alsnog opdracht voor te geven?

Niet alle bedrijven in Nederland worden in hetzelfde jaar geïnspecteerd op de Wet verbod pelsdierhouderij. De NVWA inspecteert risicogericht. Voor het antwoord op deze vraag wordt tevens verwezen naar het antwoord op de vraag over de NVWA-controles en sancties van de leden van de SP-fractie.

Hoe staat het met het beloofde wetsvoorstel dat het mogelijk maakt om met bestuursrechtelijke herstelsancties naleving van het verbod af te dwingen?

De internetconsultatie over de wijziging van de Wet verbod pelsdierhouderij in verband met het opnemen van bestuursrechtelijke handhavingsbevoegdheden is gestart op 22 december 2017 en eindigt op 2 februari 2018.

De leden van de Partij voor de Dieren-fractie vragen of de Minister inzicht kan geven in de nulmeting van het aantal nertsen per bedrijf die is uitgevoerd vóór het nertsenfokverbod van kracht werd. Kan de Minister per bedrijf de toegestane aantallen nertsen uit de nulmeting weergeven, met daarbij per bedrijf het aantal nertsen dat zij voor deze winter hebben opgegeven op het «Meldformulier doden van nertsen»?

Om privacy-redenen kan ik de gevraagde gegevens per bedrijf niet verstrekken.

Is de Minister bereid om in overleg te treden met decentrale overheden om gezamenlijk op te treden tegen illegale uitbreidingen, ook wanneer deze onder het mom van verhuizingen zijn? Zo nee, dan ontvangen de leden van de Partij voor de Dieren-fractie graag een toelichting.

Nee. Decentrale overheden zijn verantwoordelijk voor het toezicht op de omgevingsvergunningen. Zij hebben geen bevoegdheid om op te treden bij overtredingen van de Wet verbod pelsdierhouderij. De NVWA voert risicogericht toezicht uit op de nertsenbedrijven. Hiervoor wordt verder verwezen naar het antwoord op de vraag van de leden van de SP-fractie over de NVWA-controles en sancties.

De leden van de Partij voor de Dieren-fractie zijn van mening dat illegale uitbreidingen zwaar moeten worden bestraft. Het kan en mag niet zo zijn dat nertsenfokkers de komende zes jaar met illegale trucs nog zoveel mogelijk geld verdienen met de verkoop van de extra pelzen en vervolgens met subsidie stoppen met hun bedrijf. Is de Minister bereid er zorg voor te dragen dat bij gevallen van dierenmishandeling en illegale uitbreidingen een bedrijf direct kan worden gesloten? Zo nee, dan ontvangen deze leden graag een toelichting.

Op grond van de Wet op de economische delicten is het mogelijk een onderneming geheel of gedeeltelijk stil te leggen als overtredingen worden begaan van regels met betrekking tot het dierenwelzijn of de Wet verbod pelsdierhouderij. Een dergelijke straf kan door de rechter worden opgelegd als bijkomende straf, maar ook afzonderlijk, voor maximaal een jaar. In zeer ernstige gevallen kan het stilleggen van de onderneming ook onmiddellijk worden opgelegd vóór de behandeling ter terechtzitting. Omdat de stillegging van een onderneming een zeer ingrijpende straf is, zal de oplegging ervan altijd worden gerelateerd aan de ernst van de overtreding en aan de overige omstandigheden van het geval.

Mijn voorgangers hebben toegezegd het handhavingsinstrumentarium van de Wet verbod pelsdierhouderij aan te vullen met de bevoegdheid tot het opleggen van bestuursrechtelijke herstelsancties, als aanvulling op de mogelijkheden tot strafrechtelijke handhaving. Dit wetsvoorstel wordt momenteel geconsulteerd op www.internetconsultatie.nl. Met een combinatie van bestuursrechtelijke en strafrechtelijke handhaving kan er enerzijds voor worden gezorgd dat overtredingen snel en daadwerkelijk worden beëindigd, en dat de gevolgen van de overtreding worden weggenomen of beperkt.

De leden van de Partij voor de Dieren-fractie maken zich in bredere zin ernstige zorgen over het toezicht op deze sector. Er zijn nog zo’n 150 nertsenfokkerijen in Nederland, waar jaarlijks bijna zes miljoen nertsen worden vergast. Er zijn alarmerende signalen dat er sprake is van misstanden en van dierenmishandeling, zowel bij de huisvesting van nertsen als bij het doden van de nertsen. Het bewijs hiervoor werd geleverd door undercoverbeelden. Dat dit aan het licht is gekomen, is te danken aan dierenbeschermingsorganisaties en niet aan de toezichthouder. Waar sprake is van dermate veel dierenleed, zijn streng toezicht en hoge straffen geboden. Deze leden hebben hierover dan ook enkele vragen.

Deelt de Minister de mening dat een boete van € 2.500,- zoals is opgelegd aan een nertsenfokker in Alphen a/d Rijn wegens dierenmishandeling onbegrijpelijk laag is, gezien de grootte van de omzet van dergelijke bedrijven?

De hoogte van de boetebedragen staat vast in wet- en regelgeving. Ook in navolging van eerdere vergelijkbare gevallen is een bestuurlijke boete opgelegd.

De leden van de Partij voor de Dieren-fractie vragen hoeveel controles de NVWA in 2017 heeft uitgevoerd bij deze 150 nertsenfokkers. Hoeveel overtredingen zijn hierbij geconstateerd, wat is de aard hiervan en wat zijn de opgelegde maatregelen hierbij geweest?

Hiervoor wordt verwezen naar het antwoord op de vraag van de leden van de SP-fractie over de NVWA-controles en sancties.

Hoe zal het toezicht de komende jaren worden vormgegeven, in het bijzonder tijdens de maanden november en december waarin de vergassingen plaatsvinden?

De NVWA houdt bij nertsenhouders onder andere toezicht op: de Wet verbod pelsdierhouderij, op de bepalingen die van toepassing zijn op nertsen uit het Besluit houders van dieren, op de voorwaarden die van toepassing zijn op het doden van nertsen (vergassen) uit Verordening (EG) nr. 1099/2009, maar ook op het pelzen, op diervoeder en op afvoer van kadavers.

Zal de uitbreiding van de capaciteit bij de NVWA ook worden ingezet in deze sector?

In het regeerakkoord is structureel een intensivering van € 20 miljoen opgenomen voor de kwalitatieve versterking van het toezicht door de NVWA op onder andere dierenwelzijn. Hiermee wordt echter de voorgenomen krimp van 300 fte op de formatie van de NVWA verminderd. Er blijft per saldo sprake van een krimp. Dit leidt ertoe dat er niet meer inspecteurs zullen kunnen worden ingezet.

Nertsenfokkerijen zijn feitelijk slachthuizen, vanwege de vergassing door de fokkers zelf op de fokkerijen. Is de Minister bereid om ook op deze slachtplekken camera's te plaatsen, zodat elk bedrijf nauwgezet gecontroleerd kan worden? Zo nee, waarom niet?

Voor het antwoord op deze vraag verwijs ik naar het antwoord op eenzelfde vraag van de leden van de D66-fractie.

Tot slot merken de leden van de Partij voor de Dieren op dat het van groot belang is zo snel mogelijk te komen tot een algeheel Europees verbod op de pelsdierhouderij en de productie van bont. Deze leden wijzen op de motie van het lid Ouwehand (Kamerstuk 30 826, nr. 21 ) die in 2009 al is aangenomen. Kan de Minister toezeggen dat zij zich conform de motie sterk maakt voor een Europees verbod op de nertsenfokkerij en wat de stand van zaken is met betrekking tot de uitvoering van deze motie?

Voor het antwoord op de vraag over een Europees verbod op pelsdierhouderijen verwijs ik naar het antwoord op de vraag van de leden van de D66-fractie.

Vragen en opmerkingen van de leden van de SGP-fractie

De leden van de SGP-fractie hebben enkele vragen over het in procedure brengen van het Besluit subsidiëring sloop- en ombouwkosten pelsdierhouderij.

De leden van de SGP-fractie constateren dat de voorliggende regeling alleen een gedeeltelijke compensatie bevat van kosten voor sloop en ombouw van stallen. Een vergoeding voor vermogensverlies en inkomstenderving blijft achterwege. Bedrijven die door omstandigheden verkocht moeten worden, zijn onverkoopbaar, waardoor schrijnende situaties ontstaan. Daarbij komt dat de prijzen voor nertsenhuiden sterk zijn gedaald en investeringen veel minder snel terugverdiend kunnen worden. Is de veronderstelling juist dat de verwachte financiële schade door de gekelderde omzet groter is dan vooraf ingeschat en dat investeringen niet terugverdiend kunnen worden?

Bij de parlementaire behandeling van het initiatiefwetsvoorstel is de afweging gemaakt dat met een overgangsperiode van 10 jaar de nertsenhouders in staat worden gesteld de investeringen terug te verdienen en hun bedrijf af te bouwen of om te schakelen naar een andere bedrijfsactiviteit. Evenals vele andere sectoren die in een open markt opereren wordt de nertsenhouderij gekenmerkt door jaarlijkse opbrengstprijsfluctuaties. De gevolgen zullen per bedrijf verschillend uitwerken.

Is de veronderstelling juist dat de subsidie voor sloop- en ombouw bij lange na niet de investeringskosten dekt?

Voor het antwoord op deze vraag wordt verwezen naar het antwoord op vraag hierover van de leden van de VVD- en CDA-fracties.

Veel medewerkers in de pelsdierhouderij zoeken werk in andere sectoren, omdat hier door het goede economische tijd relatief veel vacatures zijn, zo hebben de leden van de SGP-fractie vernomen. Dat maakt het voor pelsdierhouders lastig om hun bedrijf op een goede manier voor te zetten. Het blijkt in de praktijk ook lastig te zijn om over te schakelen naar een andere bedrijfstak. De kosten zijn hoog en de mogelijkheden beperkt. Is de veronderstelling juist dat bedrijven door het vertrek van personeel en het afhaken van toeleveranciers gedwongen zullen zijn om eerder de deuren te sluiten dan de overgangstermijn toelaat? Deelt de Minister de mening dat het voor pelsdierhouders steeds lastiger wordt om hier op een goede manier uit te komen?

De arbeidsmarkt trekt aan, waardoor de vraag naar en mobiliteit van personeel toeneemt. Dit is een ontwikkeling die geldt voor alle sectoren in Nederland. De noodzaak tot het eerder geheel of gedeeltelijk stoppen met het bedrijf en de daarmee gepaard gaande kosten en inkomensgevolgen zijn voor ieder bedrijf verschillend. Hierbij spelen naast de bedrijfseconomische aspecten ook factoren, zoals de leeftijd van de ondernemer een belangrijke rol. Het betreft geen gemakkelijke besluiten die iedere ondernemer individueel moet nemen in overleg met zijn adviseurs en banken.

De leden van de SGP-fractie horen graag of de Minister, gelet op het voorgaande, bereid is in overleg met de sector het voorgelegde Besluit te heroverwegen voor een meer adequate tegemoetkoming te zorgen dan wel de invoering van het verbod op te schorten.

De wet is op 15 januari 2013 in werking getreden. Een meerderheid van uw Kamer is voorstander van deze wet. Zoals de Kamer bij de behandeling van het wetsvoorstel heeft vastgesteld, voorziet het besluit niet in een volledige vergoeding van alle kosten, maar in een gedeeltelijke tegemoetkoming. In het kader van de voorhangprocedure is het besluit tweemaal voorgelegd aan uw Kamer. Op 9 november 2017 is de vaste commissie EZ akkoord gegaan met voortzetting van de procedure tot vaststelling van het besluit. Daarnaast is het besluit inmiddels vastgesteld door de Koning. Gelet hierop zie ik geen aanleiding het besluit te heroverwegen.