De OIC-veroordeling van een cartoonwedstrijd in Nederland |
|
Raymond de Roon (PVV), Geert Wilders (PVV) |
|
Stef Blok (minister buitenlandse zaken) (VVD) |
|
|
|
|
Bent u bekend met de veroordeling door de Organization of Islamic Cooperation (OIC) van de in Nederland geplande Mohammed cartoonwedstrijd?1
Ja.
Vindt u het normaal dat de OIC, een organisatie die vooral bestaat uit onvrije islamitische landen waar men nog nooit gehoord heeft van het concept vrijheid van meningsuiting, zich bemoeit met de manier waarop in Nederland de vrijheid van meningsuiting wordt uitgeoefend?
De vrijheid van meningsuiting is een groot goed, dat nationaal en internationaal bescherming verdient. Een vruchtbaar maatschappelijk debat vereist dat kritiek op elkaars opvattingen mogelijk is. De vrijheid van meningsuiting geldt voor iedereen, ook voor de OIC.
Wat vindt u van artikel 22 (a) van de door de OIC aangenomen zogenaamde «Cairo Verklaring van de Mensenrechten in de Islam», waarin staat dat meningen alleen geuit mogen worden indien zij in overeenstemming zijn met de sharia?
Nederland is geen lid van de OIC en heeft de Cairo Verklaring van de Mensenrechten in de Islam niet onderschreven. De Cairo Verklaring staat op gespannen voet met delen uit de «Universele Verklaring van de Rechten van de Mens». In Nederland gelden de basiswaarden en grondprincipes van de democratische rechtsstaat, en het recht op vrijheid van meningsuiting wordt beschermd in de Nederlandse Grondwet.
Deelt u de mening dat de sharia verwerpelijk en barbaars is en haaks staat op vrijheid? Deelt u de mening dat landen die de sharia koesteren, net als organisaties die dat doen, zoals de OIC, niet serieus dienen te worden genomen en krachtig moeten worden bestreden? Zo nee, waarom niet?
Schendingen van mensenrechten zoals de vrijheid van meningsuiting keur ik af. Ik deel de mening niet dat OIC-landen niet serieus dienen te worden genomen. Nederland is voorstander van een vrij en open maatschappelijk debat, ook op internationaal niveau.
Nederland is geen lid van de OIC, maar onderhoudt wel relaties met de lidstaten van de OIC en heeft veel (wederzijdse) belangen met lidstaten van de OIC. Voor het vinden van oplossingen over vraagstukken als migratie, veiligheid en de bestrijding terrorisme is samenwerking met de OIC-landen van groot belang.
Deelt u de mening dat de vrijheid van meningsuiting, zoals wij die in Nederland kennen, nooit beperkt mag worden door de achterlijke sharia, ook en juist als dit betekent dat wij iets doen wat de sharia verbiedt? Zo nee, waarom niet?
Vrijheid van meningsuiting en de vrijheid van godsdienst behoren tot de kernwaarden van onze samenleving. Deze vrijheden worden alleen begrensd door de Nederlandse en Europese wetgeving. Wanneer sprake is van spanning tussen deze twee vrijheden, is het aan de rechter – niet aan het Kabinet – om te beoordelen of er sprake is van een overtreding van de wet. Islamitische wetgeving buiten de kaders van de Nederlandse rechtsorde is in de Nederlandse juridische context niet van toepassing.
Bent u bereid in de strengste bewoordingen duidelijk te maken aan deze sharia-club genaamd OIC en aan al haar lidstaten dat Nederland geen sharia-staat is maar een vrij land in tegenstelling tot de OIC-landen, dat Nederland de sharia ten strengste veroordeelt en dat Nederland maling heeft aan inmengende verklaringen? Zo nee, waarom niet?
Nederland is voorstander van een vrij en open maatschappelijk debat, ook op internationaal niveau. Het staat de OIC vrij om zich openbaar uit te spreken in dit debat. Ik heb de Secretaris-Generaal van de OIC, die de zorgen van zijn organisatie over de cartoon wedstrijd bij mij kenbaar maakte, geïnformeerd dat religieuze diversiteit en respect voor ieders levensovertuiging de kern is van ons beleid, dat de vrijheid van meningsuiting en de vrijheid van godsdienst tot de kernwaarden van onze samenleving behoren, dat deze alleen worden begrensd door de Nederlandse en Europese wetgeving en dat wanneer sprake is van spanning tussen deze twee vrijheden, het aan de rechter – niet de regering – is om te beoordelen of er sprake is van een overtreding van de wet. Ook heb ik hem geïnformeerd dat de Nederlandse regering geen enkele bemoeienis heeft met deze wedstrijd en dat dit een initiatief is van een individueel lid van het parlement.
Het bericht dat de sanering van tritium gelukt is |
|
Sandra Beckerman |
|
Stientje van Veldhoven (staatssecretaris infrastructuur en waterstaat) (D66) |
|
Hebt u kennisgenomen van de berichten dat het saneren van tritium in Petten het einde nadert?1 2
Ja.
Is het waar dat u het plan van aanpak hebt goedgekeurd waarin het saneren afgebouwd wordt en er in de toekomst maandelijkse en halfjaarlijkse controles zullen plaatsvinden?
Op 15 juni 2018 heb ik het nieuwe Plan van Aanpak van de Nuclear Research and consultancy Group (NRG) voor de sanering van de tritiumverontreiniging in de bodem van de Onderzoekslocatie Petten (OLP) goedgekeurd. Een nieuw Plan van Aanpak was nodig, vanwege de vorig jaar gewijzigde interventiebeschikking over de tritiumsanering, waarin een saneringsnorm van 5000 Bq/L in het grondwater is opgenomen. In het nieuwe plan wordt beschreven hoe deze saneringsnorm bereikt en gemonitord wordt.
Op dit moment is de sanering gaande en vinden er maandelijks metingen plaats. Wanneer in het grondwater gedurende een jaar uitsluitend concentraties lager dan het niveau van de operationele saneringslimiet (3000 Bq/L) worden gemeten, zal NRG de uitvoering van de sanering stopzetten. Tot 1 jaar na beëindiging van de sanering zal NRG maandelijks metingen blijven verrichten. Daarna zullen relevante meetlocaties worden toegevoegd aan het reguliere grondwatermonitoringsprogramma van NRG. NRG rapporteert deze waarden op halfjaarlijkse basis aan de Autoriteit Nucleaire Veiligheid en Stralingsbescherming. Buiten de OLP zal NRG ieder kwartaal op drie relevante locaties de tritiumconcentratie meten van nabijgelegen slootwater.
Is het waar dat verder saneren onnodig is omdat de norm van 100 tot 5.000 becquerel (x 50!) per liter drinkwater is verhoogd? Wat is daarop uw reactie?
Allereerst merk ik op dat het gaat om een aanpassing van de saneringsnorm van de concentratie tritium in grondwater en niet in drinkwater. In de omgeving van het OLP bevinden zich geen drinkwater inlaatpunten.
Zoals eerder aan de Kamer is medegedeeld, was de in 2014 gestelde saneringsnorm (100 Bq/L) gebaseerd op de toenmalige verwachting van de effectiviteit van de sanering.3 De saneringsnorm is afgeleid van richtlijn 98/83/EG, betreffende de kwaliteit van voor menselijke consumptie bestemd water (drinkwater). Dit betreft een zogenoemde signaleringswaarde. Vanaf deze signaleringswaarde dient een lidstaat na te gaan of de aanwezigheid van radioactieve stoffen in drinkwater een risico voor de gezondheid met zich meebrengt. Destijds is ervoor gekozen om deze signaleringswaarde als saneringsnorm aan te houden voor het grondwater.
De saneringsmaatregelen bleken na verloop van tijd ondanks alle inspanningen minder effectief te zijn dan verwacht. Omdat sanering wel verstoring veroorzaakt van het watersysteem in de duinen en de agrarische gebieden in de omgeving als gevolg van onttrekking van grondwater, heeft de overheid aan het Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu (RIVM) gevraagd om een saneringsnorm voor grondwater gebaseerd op een risico-inschatting. Het RIVM heeft een gedetailleerde analyse gemaakt van de eventuele radiologische risico’s voor de bevolking.4 De nieuwe saneringsnorm (5000 Bq/L) is gebaseerd op de resultaten van deze analyse van het RIVM en leidt tot een onbeduidend risico voor de bevolking.
Bent u op de hoogte van het feit dat het grondwater dan in sloten terecht zal komen en vervolgens in de akkers waarop voedsel wordt verbouwd? Wat is daarop uw reactie?
Zoals is vermeld in het antwoord op vraag 3, heeft het RIVM een analyse gemaakt van verschillende scenario’s voor verspreiding en gebruik van het verontreinigde water. In haar analyse hanteert het RIVM scenario’s waarin iemand een jaar lang gewassen of melk consumeert, uitsluitend geïrrigeerd met verontreinigd water dan wel afkomstig van koeien die uitsluitend verontreinigd gras eten. Het RIVM concludeert dat deze conservatieve/ongunstige scenario’s voor een lid van de bevolking niet leiden tot overschrijding van een stralingsdosis van 10 microsievert per jaar. Deze dosis wordt door het RIVM als onbeduidend aangemerkt. Ter vergelijking: als gevolg van blootstelling aan natuurlijke radioactiviteit en achtergrondstraling ontvangt iedereen in Nederland een dosis van 1600 microsievert per jaar.
Kunt u onderbouwd weergeven wat de gevolgen zijn voor de natuur, dieren in de omgeving en de mensen die zullen eten van de gewassen?
Zie antwoord vraag 4.
De gevolgen van de Brexit voor de Nederlandse luchtvaart |
|
Jan Paternotte (D66), Rob Jetten (D66) |
|
Cora van Nieuwenhuizen (minister infrastructuur en waterstaat) (VVD), Eric Wiebes (minister economische zaken) (VVD) |
|
|
|
|
Heeft u kennisgenomen van de uitspraken van de Britse premier Theresa May op de Farnborough International Airshow over de toekomst van de luchtvaart in het Verenigd Koninkrijk (VK)?1
Ja.
Heeft u kennisgenomen van de reactie hierop van de Chief Executive Officer (CEO) van Airbus, Tom Enders, die aankondigde dat Airbus het «noodplan» gaat activeren en zich voorbereidt op een eventueel vertrek uit het VK?2
Ja.
Hoe plaatst u de speech van premier May in de actualiteit, waarin uitgegaan wordt van een «hard-deal Brexit» of een «cliff-edge scenario» met betrekking tot de uittreding van het VK uit de Europese Unie (EU)?
De speech die premier May hield op de Farnborough International Airshow past bij de inzet van de Britse regering om een cliff edge scenario te voorkomen en daartoe de voorstellen uit het White Paper te promoten. De speech leek met name bedoeld om bij het bedrijfsleven het draagvlak te vergroten voor het voorstel voor een gezamenlijke Common Rulebook voor exportgoederen in combinatie met een Facilitated Customs Arrangement met de EU27. Hiermee beoogt premier May dat goederen uit het VK een interne marktbehandeling kunnen genieten zonder dat het VK hoeft te voldoen aan alle relevante EU-regelgeving voor goederen. Eveneens wordt hiermee beoogd dat het VK met de rest van de wereld een onafhankelijke handelspolitiek kan voeren.
Wat is de reactie van EU-onderhandelaar Barnier op de zogenaamde Brexit White Paper waar premier May naar verwijst?
Sinds de publicatie van het door de regering van het VK opgestelde beleidsdocument over de toekomstige relatie (White Paper) heeft EU-onderhandelaar Barnier zich meerdere keren publiekelijk uitgesproken over de voorstellen die hierin door het de regering van het VK worden gedaan. De heer Barnier heeft het White Paper verwelkomd, omdat hiermee de onderhandelingspositie van het VK voor de toekomstige relatie tussen de EU en het VK eindelijk is verduidelijkt. Naar het oordeel van EU-onderhandelaar Barnier bevat het White Paper een aantal positieve elementen, met name op het gebied van interne en externe veiligheid. Zijn appreciatie van de voorstellen in het White Paper over sociaaleconomische onderwerpen, zoals over luchtvaart, visserij, de financiële sector, sociale zekerheid en arbeid is wisselend. Voor sommige van deze onderwerpen biedt het White Paper aanknopingspunten, voor andere onderwerpen lopen de belangen van het VK en de EU uiteen. De kern van het White Paper gaat echter over het economisch partnerschap. Het VK doet hierin onder andere een voorstel voor een Common Rulebook op het gebied van goederen en voorstel voor een speciaal douanearrangement, het zogenoemde Facilitated Customs Arrangement. Deze voorstellen van het VK zijn naar het oordeel van EU-onderhandelaar Barnier in hun huidige vorm niet in het EU-belang omdat hiermee het gelijk speelveld wordt ondergraven en het VK een oneerlijk concurrentievoordeel zou krijgen. De voorstellen voldoen daarnaast niet aan de EU-randvoorwaarden zoals die zijn opgenomen in de ER-richtsnoeren. EU-onderhandelaar Barnier heeft de volledige steun van de 27 EU-lidstaten.
Bent u bekend met de inhoud van het noodplan van Airbus? Zo ja, acht u het denkbaar dat er bedrijfs- en/of productietakken kunnen worden verplaatst naar Nederland als er sprake is van een «cliff-edge scenario»? Zo nee, bent u bereid om de gesprekken met de directie van Airbus op te starten om te bezien of een verplaatsing van activiteiten naar Nederland tot de mogelijkheden behoort?
Het is de verantwoordelijkheid van elk individueel bedrijf om zich voor te bereiden op de mogelijke gevolgen van de terugtrekking van het VK uit de EU. Dit geldt zowel voor bedrijven in Nederland als in het VK. Voor bedrijven die nu in het VK zijn gevestigd, kan onderdeel van deze voorbereiding zijn dat zij overwegen bepaalde activiteiten te verplaatsen naar een ander land. Het is niet de rol van het kabinet, zeker niet bij individuele bedrijven, om te speculeren over de mogelijke verplaatsing van activiteiten.
In zijn algemeenheid kan wel gezegd worden dat het kabinet bedrijven verwelkomt die een alternatieve vestigingsplaats voor het VK zoeken. Het kabinet ondersteunt bedrijven en sectoren hierbij. Het Netherlands Foreign Investment Agency (NFIA) brengt bij deze bedrijven het aantrekkelijke Nederlandse vestigingsklimaat actief onder de aandacht. Op dit moment heeft de NFIA met ruim 200 buitenlandse bedrijven contact die een mogelijke overstap naar Nederland overwegen naar aanleiding van de terugtrekking van het VK uit de EU.
Kunt u een overzicht geven welke maatregelen op Europees niveau en welke maatregelen op nationaal niveau moeten worden genomen om de negatieve effecten op de Nederlandse luchtvaartsector bij een «cliff-edge scenario» zoveel mogelijk op te vangen?
Als gevolg van de terugtrekking van het VK uit de EU, zal het VK niet langer deel uitmaken van de gemeenschappelijke EU-luchtvaartruimte. Daarnaast zal het VK geen onderdeel meer uitmaken van de EU-brede One Stop Security waardoor vanuit het VK afkomstige in de EU transfererende passagiers, bagage, vracht en vliegtuigen een beveiligingsonderzoek behoeven.
Het luchtvaartbeleid dat geraakt wordt door de terugtrekking van het VK valt grotendeels onder de bevoegdheid van de EU. Zodoende is het niet alleen wenselijk om EU-maatregelen te treffen voor contingency, maar in de meeste gevallen ook noodzakelijk. Daarbij gaat het zowel om maatregelen op het gebied van luchtvervoer en luchtvaartveiligheid als om aanpassing van EU-regelgeving op het gebied van beveiliging burgerluchtvaart zodat het principe van One Stop Security met het VK ook na de na de terugtrekking van het VK uit de EU kan worden toegepast. Nederland is hierover in gesprek met de Commissie en andere EU-27 lidstaten.
Daarnaast wordt er nauw contact onderhouden met luchtvaartsectorpartijen over de voorbereidingen die zij aan het treffen zijn. Daar waar de Nederlandse overheid en de luchtvaartsector, al dan niet op grond van EU-regelgeving, een gezamenlijke opgave hebben wordt deze ook gezamenlijk opgepakt. Het gaat daarbij bijvoorbeeld om licenties op het gebied van personeel (bijv. piloten, onderhoudspersoneel) uitgegeven door de Britse autoriteit op basis van EU-regelgeving. Deze licenties zijn vanaf de terugtrekkingsdatum formeel niet meer geldig. De Inspectie Leefomgeving en Transport (ILT) inventariseert samen met luchtvaartmaatschappijen op dit moment om hoeveel licenties het gaat en of deze ook tijdig kunnen worden omgezet naar een licentie die wordt uitgegeven door de ILT op basis van EU-regelgeving. Tijdens de besloten technische briefing op 10 oktober a.s. kan verder worden ingegaan op te nemen contingency-maatregelen die passen bij het scenario waarin het VK zonder een terugtrekkingsakkoord de EU verlaat.
Kan het vliegverkeer tussen Nederland en het VK ongehinderd doorgang vinden in het geval van een «no-deal Brexit» of een «hard-deal Brexit» zonder nadere bilaterale afspraken?
Nee, op grond van het Verdrag van Chicago voor de burgerluchtvaart is voor elke lijn- of chartervlucht een vergunning vereist. De vergunningen voor lijnvluchten worden afgegeven onder een bilaterale of multilaterale overeenkomst.
Welke maatregelen gaat u nemen om ervoor te zorgen dat het luchtverkeer tussen Nederland en het VK niet wordt belemmerd op het moment dat het VK feitelijk geen deel meer uitmaakt van de EU? Hoe worden de luchtvaartmaatschappijen hierbij betrokken?
Zie antwoord op vraag 6.
Klopt het dat bij een «cliff-edge scenario» wordt teruggevallen op de Chicago Conventie uit 1944, die regelt dat landen bilaterale luchtvaartverdragen kunnen sluiten? Zo ja, wanneer denkt u dat het verstandig is om met het VK te gaan onderhandelen over aspecten als «code-sharing», veiligheid, eerlijke concurrentie, passagiersrechten en duurzaamheidsaspecten in de luchtvaart, waar nu niet in wordt voorzien?
Voor ongestoord luchtverkeer zijn enerzijds luchtverkeersrechten (waaronder code-sharing) en anderzijds afspraken met betrekking tot luchtvaartonderwerpen (zoals luchtvaartveiligheid) nodig. Daar waar luchtverkeersrechten met derde landen onder de competentie van de lidstaten vallen (Conventie van Chicago voor de burgerluchtvaart), kennen luchtvaartonderwerpen die de EU-markt betreffen een EU-competentie. Bilateraal onderhandelen met het VK is vanwege de EU-onderhandelingsrichtsnoeren niet aan de orde. Daarnaast is het ook nog eens wenselijk – en in de meeste gevallen zelfs noodzakelijk – om tot een EU-VK-oplossing te komen.
Wat is uw inzet bij EU-onderhandelaar Barnier met betrekking tot het nieuwe, nog te besluiten, Air Services Agreement tussen de EU en het VK?
Ik zet mij ervoor in om, ongeacht welk scenario uiteindelijk werkelijkheid wordt, in elk geval het huidige niveau van luchtdiensten, w.o. het aantal frequenties, luchthavens en maatschappijen, alsmede de bestaande marketing- en operationele mogelijkheden, tussen Nederland en het VK te kunnen voortzetten.
Wat is uw inschatting van een continuering van het «associated membership» van het VK van het Europees Agentschap voor de veiligheid van de luchtvaart (EASA)?
In de ER-richtsnoeren van 23 maart 2018 met de EU-inzet voor de politieke verklaring over het kader van de toekomstige betrekkingen tussen het VK en de EU staat opgenomen dat overwogen kan worden om tot een overeenkomst te komen met betrekking tot luchtvaartveiligheid. Daaronder zouden (onder meer) zogeheten working arrangements, een bilateral aviation safety agreement of het aanmerken van het VK als associate country kunnen worden verstaan.
Het bericht ‘Schreeuwende tekorten, maar scholing van flexwerkers is voor bedrijven geen prioriteit.’ |
|
Dennis Wiersma (VVD) |
|
Wouter Koolmees (minister sociale zaken en werkgelegenheid) (D66), Ingrid van Engelshoven (minister onderwijs, cultuur en wetenschap) (D66) |
|
|
|
|
Kent u het bericht «Schreeuwende tekorten, maar scholing van flexwerkers is voor bedrijven geen prioriteit.»1?
Ja.
Wat is uw reactie op het onderzoek van het Researchcentrum voor Onderwijs en Arbeidsmarkt (ROA) dat werkgevers meer in vaste medewerkers investeren dan in flexibele krachten?
Het rapport Leren onder werkenden met een kwetsbare positie op de arbeidsmarkt laat zien dat 55 plussers, laagopgeleiden en werknemers met een tijdelijk arbeidscontract vergeleken met groepen met een sterkere arbeidsmarktpositie minder vaak deelnemen aan activiteiten in het kader van een leven lang ontwikkelen. Deze achterblijvende deelname is zorgwekkend gelet op de vergrijzing van de Nederlandse beroepsbevolking, de toenemende opleidingseisen die aan werknemers worden gesteld en de flexibilisering van de Nederlandse arbeidsmarkt.
Het rapport laat verder zien dat werkgevers minder bereid zijn om te investeren in de scholing van werknemers met een tijdelijke aanstelling, zeker indien er ook geen uitzicht is op een vaste aanstelling. De keuze om te investeren in personeel met een vast contract is vaak ingegeven door economische motieven van werkgevers. Een werkgever verwacht zijn investering in scholing terug te verdienen doordat het competentieniveau van zijn werknemers toeneemt. Als werknemers relatief kort in dienst zijn of zelfs voor het einde van het contract al weggaan, vrezen werkgevers minder profijt te hebben van een investering in scholing in tijdelijke werknemers. Terecht geven de onderzoekers aan dat werkgevers profiteren van investeringen in scholing van flexwerkers, ook als duidelijk is dat zij nooit in vaste dienst komen. Deze investeringen versterken de concurrentiepositie op de arbeidsmarkt en de flexkrachten blijven duurzaam inzetbaar.
De lagere trainingsparticipatie van deze groep is niet het gevolg van een lagere motivatie om te leren. Integendeel, uit het onderzoek komt naar voren dat flexwerkers juist gemotiveerd zijn om zich verder te ontwikkelen. Van de tijdelijke medewerkers zonder uitzicht op een vast dienstverband heeft 34% de afgelopen twee jaar een werk gerelateerde cursus gevolgd (tegenover 56% van de mensen met een vast contract). Flexwerkers die wel een cursus volgen, doen dit vooral op eigen initiatief.
Het onderzoek bevestigt de kwetsbare positie van flexwerkers, ouderen en laagopgeleiden.
Hoe duidt u het verschil tussen enerzijds flexwerkers, waarvan slechts 34% de afgelopen twee jaar een werk gerelateerde cursus heeft gevolgd, en anderzijds werknemers met een vast contract, waar dit 56% is?
Zie antwoord vraag 2.
Deelt u de analyse van het ROA dat wanneer werkenden, en in het bijzonder flexwerkers, door snelle veranderingen op de arbeidsmarkt niet over de juiste competenties beschikken, werkgevers hen niet meer kunnen inzetten en de groep die aan de zijlijn staat alleen maar groter wordt?
Ja. Het is niet goed om te wachten met scholing tot kwalificaties zijn verouderd en ontslag dreigt. Wanneer werkgevers en werkenden langdurig niet in hun ontwikkeling investeren, dan is het risico groot dat kwalificaties verouderen en een deel van hen op termijn langs de kant komt te staan door een gebrek aan actuele kennis en vaardigheden.
Bovendien verandert de arbeidsmarkt snel onder invloed van technologische ontwikkelingen en digitalisering. Tegelijkertijd zullen we langer blijven werken en daarmee is het belangrijker dan ooit tevoren om je te blijven ontwikkelen, via scholing en cursussen maar vooral ook op het werk zelf. Deelname aan formeel en informeel leren ligt in Nederland vergeleken met andere OESO landen hoog. Werkgevers en werknemers zijn primair verantwoordelijk en investeren reeds fors in scholing van werkenden, op bedrijfsniveau en via de O&O fondsen2. Gelet op de snelle veranderingen op de arbeidsmarkt is het zaak onze leercultuur verder te versterken en iedereen daarin mee te nemen. De overheid zorgt daarbij voor de noodzakelijke randvoorwaarden. Om die reden werkt het kabinet aan het omzetten van de fiscale aftrekpost voor scholingskosten in een individuele leerrekening. Met sociale partners en onderwijsinstellingen worden afspraken gemaakt over hun bijdrage hieraan.
Over het beleid om te komen tot een doorbraak bij de verdere versterking van de Nederlandse leercultuur, waaronder de vormgeving van de individuele leerrekening, wordt uw Kamer voorafgaand het algemeen overleg in oktober per brief geïnformeerd.
Deelt u de mening van hoogleraar Van Lieshout dat scholing ongeacht de contractvorm zou moeten plaatsvinden in zowel het belang van de werknemer, als van het bedrijf? Deelt u de mening van de heer Van Lieshout dat het tempo van veranderingen op de arbeidsmarkt vele malen hoger ligt dan de traagheid waarmee beleid verandert?
Scholing van werknemers is primair een gezamenlijke verantwoordelijkheid van werkgevers en werknemers. Werkgevers hebben er belang bij dat hun werknemers productief en inzetbaar aan het werk kunnen zijn. Ook werknemers hebben er belang bij om hun vaardigheden op peil te houden voor hun positie op de arbeidsmarkt. Om tot een doorbraak te komen en een sterke leercultuur tot stand te brengen is een gezamenlijke inzet nodig van alle betrokkenen – de werkenden, de werkgevers, publieke en private opleidingsinstituten, de branche organisaties, de O&O fondsen, de (georganiseerde) sociale partners, de HR afdelingen, de afdelingshoofden, de ondernemingsraden). De overheid zorgt daarbij voor de noodzakelijke randvoorwaarden en komt ter ondersteuning van die gezamenlijke inzet met een actiegericht programma om leven lang ontwikkelen voor iedereen te stimuleren, in de al genoemde Kamerbrief.
Deelt u de mening van hoogleraar De Grip dat werkgevers profiteren van investeringen in scholing van flexwerkers door een betere concurrentiepositie op de arbeidsmarkt? Zijn er belemmeringen die werkgevers signaleren, die meer investeren in scholing aan flexibele krachten in de weg zitten?
Hoogleraar De Grip wijst erop dat werkgevers profiteren van investeringen in scholing van flexwerkers, ook als duidelijk is dat de medewerker nooit in vaste dienst komt. Door te investeren in vaardigheden waar de werknemer later ook nog wat aan heeft, krijgt het bedrijf een betere concurrentiepositie op de arbeidsmarkt en krijg je betere flexkrachten. Het onderzoek laat zien dat werkgevers terughoudend zijn te investeren in scholing van tijdelijke werknemers, omdat zij vrezen dat de termijn te kort is om de investering terug te verdienen of dat de werknemers die scholing hebben ontvangen nog voor het einde van hun contract overstappen naar een andere werkgever. Maar het onderzoek bevat ook aanbevelingen aan werkgevers, zoals het laten volgen van de cursus in eigen tijd of door afspraken te maken over een terugbetalingsregeling bij voortijdig vertrek.
Deelt u de mening dat, los van de contractvorm, gezien de snelle veranderingen op de arbeidsmarkt, de deelname aan scholing fors te laag is en dat het snelle actie behoeft van zowel werkgevers, werknemers, als de overheid?
Zie antwoord vraag 4.
Wat is uw reactie op de opmerkingen in het artikel dat de kabinetsplannen voor een individuele leerrekening nog behoorlijk pril zijn?
Permanent leren en ontwikkelen is voor iedereen van groot belang. Het kabinet hecht er veel waarde aan dat werkenden meer eigen regie krijgen op hun loopbaan en hun leven, zodat ze zich kunnen blijven ontwikkelen en hun eigen keuzes kunnen maken. Daarom is het kabinet aan de slag met de uitvoering van het voornemen uit het Regeerakkoord om individuele leerrekeningen te stimuleren. Daarmee aansluitend bij de beweging die (georganiseerde) werkgevers en werknemers al langere tijd hebben ingezet: om via cao’s en O&O fondsen te bewerkstelligen dat een deel van de scholingsmiddelen worden ingezet in de vorm van individuele leer- en ontwikkelbudgetten. Zo zijn er 30 cao’s (voor 24% van de werknemers) met afspraken over een persoonlijk opleidingsbudget (CAO-rapportage 2017). In 18 cao’s bestaat het persoonlijk ontwikkelingsbudget uit een specifiek bedrag. De bedragen variëren van € 400 tot € 4.500. Een persoonlijk opleidingsbudget kan voor een jaar dan wel voor een langere periode worden vastgesteld. Tot slot zijn in zeven cao’s specifiek afspraken gemaakt over scholingsvouchers (voor 4% van de werknemers). De genoemde Kamerbrief over leven lang ontwikkelen zal uw Kamer ontvangen voor het algemeen overleg.
Deelt u de mening dat, gezien de snelle veranderingen op de arbeidsmarkt, de mogelijkheden voor een permanent proces van om- en bijscholing van een erg groot belang zijn en dat scholing voor alle werknemers los van de contractvorm, beschikbaar moet zijn? Deelt u de mening dat het hiervoor noodzakelijk is dat scholingsmiddelen ook persoonlijk en aan een individu gekoppeld dienen te zijn? Deelt u de mening dat dit nu onvoldoende gebeurt?
Zie antwoord vraag 8.
Welke belemmeringen en versnipperingen ziet u op dit moment, die het beter zichtbaar en bruikbaar maken van scholingsgeld in de weg zitten? Bent u bereid verder inzicht te geven in waar en ter waarde waarvan scholingsgeld nu wel beschikbaar is maar het niet wordt benut, bij zowel de overheid als sociale partners?
In Nederland zijn veel partijen betrokken bij leven lang ontwikkelen, vanuit verschillende verantwoordelijkheden. Samen zorgen zij ervoor dat ons land internationaal een boven gemiddelde scholingsdeelname laat zien. Toch is het goed om te kijken hoe we het nog beter kunnen doen. Zo hecht het kabinet er veel waarde aan om mensen veel meer zelf de touwtjes in handen te geven van hun ontwikkeling. Dat vraagt om een andere manier van inzetten van scholingsgeld. Maar ook moet het helder zijn welke scholingsmogelijkheden in iemands specifieke situatie beschikbaar zijn. Bovendien moeten de randvoorwaarden op orde zijn om tot een sterke leercultuur te komen. De uitwerking van deze voornemens staat centraal in de aangekondigde Kamerbrief over leven lang ontwikkelen.
In de brief van de Minister van SZW van 19 december 2017 aan uw Kamer, betreffende Toezeggingen over scholingsfondsen en individuele leerrechten, bent u geïnformeerd over de investeringen van bedrijven en O&O-fondsen in scholing. Bedrijven investeren in totaal voor € 1,7 miljard aan cursussen voor medewerkers (informele scholing is in dit onderzoek niet meegenomen).
Voor een deel vinden deze investeringen door bedrijven via O&O fondsen plaats. In 2015 waren de totale baten van deze 85 fondsen € 413,6 miljoen en de totale lasten € 401,6 miljoen. De rijksinzet op – of nauw rakend aan – een leven lang ontwikkelen zal bij de uit te brengen Kamerbrief over leven lang ontwikkelen worden meegestuurd.
Deelt u de mening dat, conform het regeerakkoord, de introductie van de persoonlijke leerrekening voor alle Nederlanders met een startkwalificatie van zo groot belang is dat haast moet worden gemaakt met de uitwerking hiervan? Bent u bereid de Kamer nog voor het algemeen overleg over leven lang leren te informeren over het tijdpad?
Zie antwoord vraag 8.
Bent u bekend met de stappen die Zweden tien jaar geleden heeft gezet, waar hoogleraar Van Lieshout naar verwijst? Zo ja, welke stappen heeft Zweden ondernomen op het gebied van scholingsfondsen?
In Zweden bestaan twee scholingsfondsen, één voor overheidspersoneel en één voor (vooral) overig personeel (private werkgevers). Deze fondsen zijn vooral bedoeld voor bij- en omscholing van werknemers die dreigen hun baan te verliezen, bijvoorbeeld door een reorganisatie.
De situatie in Nederland wordt vaak vergeleken met de Scandinavische landen. Uit een onderzoek van Ecorys uit 2016 blijkt dat deze landen het hoogst scoren op het gebied van post-initiële onderwijsdeelname. Het succes van deze landen is echter op zichzelf – nog los van definitieverschillen – niet primair de verdienste van een scholingspremie of scholingsfonds, maar hangt in belangrijke mate samen met de manier waarop hun onderwijssystemen, arbeidsmarktbeleid en instituties in sociale zekerheid zijn vormgegeven. In Denemarken, Finland, Noorwegen en Zweden is het onderwijs tot 16 jaar algemeen vormend. Beroepsvormend onderwijs zoals Nederland dat kent, hebben deze landen niet. Post-initiële scholing is dus in Scandinavië extra noodzakelijk. Het land heeft hierdoor een sterk besef van het belang van post-initiële scholing en daardoor ook een goed ontwikkelde infrastructuur.
Welke rol kan de sociale zekerheid volgens u spelen in de transitie naar leven lang ontwikkelen, om- en bijscholing en het bijhouden van gevraagde vaardigheden en competenties?
Idealiter wordt baanverlies door veroudering van kwalificaties zoveel mogelijk voorkomen door meer aandacht te besteden aan het blijvend investeren in vaardigheden en competenties. Van belang is dat ook mensen die niet aan het werk zijn zich kunnen blijven ontwikkelen om te voorkomen dat ze niet meer aan de veranderende functie-eisen kunnen voldoen en daardoor blijvend aan de kant komen te staan. Om- en bijscholing kunnen een goede rol spelen bij het bij elkaar brengen van vraag en aanbod. Dat gebeurt ook al op allerlei plekken, bijvoorbeeld door creatieve samenwerking tussen sectoren waar tekorten zijn en gemeenten en UWV.
Is de scholing van zowel de vaste- als flexibele kracht onderdeel van de gesprekken met de sociale partners? Brengt u hierbij ook de suggesties, gedaan door hoogleraar De Grip, onder de aandacht om scholing te bevorderen, zoals het experimenteren met regelingen die de binding met het bedrijf versterken?
In de gesprekken met sociale partners komt leven lang ontwikkelen in de volle breedte en voor iedereen aan de orde. De conclusies en aanbevelingen uit dit onderzoek van ROA worden daarbij betrokken.
De tekorten aan wijkverpleegkundigen in de zomer |
|
John Kerstens (PvdA) |
|
Hugo de Jonge (viceminister-president , minister volksgezondheid, welzijn en sport) (CDA) |
|
|
|
|
Bent u bekend met het artikel «Wijkzorg zet kantoorpersoneel in tegen gaten zomerroosters»1?
Ja
Kunt u bevestigen dat een op de drie wijkverplegingsorganisaties met tekorten kampt deze zomerperiode? Wat vindt u hiervan?
Dat getal kan ik niet bevestigen. Ik kan wel bevestigen dat iedere zomer blijkt dat zorgorganisaties moeite hebben met het inzetten van voldoende personeel. Dat zijn overigens niet alleen wijkverplegingsorganisaties; ook bijvoorbeeld ziekenhuizen kampen hier mee. Het tekort aan medewerkers in de zorg is één van de belangrijkste uitdagingen waarvoor we staan.
Heeft u deze tekorten onderschat ondanks de, vooraf in onder meer de media en debatten, aangehaalde signalen? Zo ja, wat had u kunnen doen om deze situatie te voorkomen? Zo nee, hoe heeft deze situatie alsnog kunnen ontstaan?
Voor geheel zorg en welzijn geldt dat er sprake is van personeelstekorten. Als gevolg van de zomerperiode kunnen organisaties tijdelijk extra moeite ondervinden om voldoende personeel in te zetten. De personeelstekorten in de wijk en breder in de gehele sector zorg en welzijn zijn niet op korte termijn opgelost. DeDaarom heb ik, samen met de Minister voor Medische Zorg en Sport en de Staatssecretaris van VWS, mede namens ministeries OCW en SZW, het Actieprogramma Werken in de Zorg gepresenteerd in maart van dit jaar. Hierin werken wij samen met landelijke en regionale partners in zorg en welzijn aan het terugdringen van de personeelstekorten in geheel zorg en welzijn. Dit gebeurt langs drie actielijnen: meer kiezen voor de zorg; beter leren in de zorg en anders werken in de zorg. Aan de hand van regionale analyses en gezamenlijke ambities zijn in elke regio regionale actieplannen aanpak tekorten (RAATs) gemaakt en worden concrete acties uitgevoerd om de personeelstekorten terug te dringen.
aanpak hiervan heeft mijn aandacht en vraagt een structurele gezamenlijke inspanning van alle betrokken partijen.
In het Hoofdlijnenakkoord Wijkverpleging 2018–2021 dat ik onlangs heb afgesloten met de partijen in de wijkverpleging, zijn daarnaast afspraken gemaakt over de arbeidsmarkt. Vanwege de stijging van de zorgvraag is er naast aandacht voor het aantrekken van meer personeel ook aandacht nodig voor het (duurzaam) behouden van het huidige personeel in de wijkverpleging. De partijen die het akkoord hebben ondertekend onderschrijven dat een integrale aanpak van het arbeidsmarktvraagstuk noodzakelijk is om werkgelegenheid te behouden en voldoende gekwalificeerd personeel in de wijkverpleging te kunnen blijven inzetten. Het akkoord betekent onder meer dat er € 435 miljoen extra beschikbaar gesteld wordt voor de wijkverpleging voor de periode 2019–2022.
Kunt u bevestigen dat alle cliënten die zorg zouden moeten ontvangen, deze zomer alsnog door bevoegde medewerkers verleende zorg ontvangen? Hoe verhoudt zich dit tot het, volgens het artikel, nog altijd openstaande aantal zorgvacatures van 277 fte?
Het is belangrijk dat zorg alleen wordt verleend door ter zake deskundige personen. Verpleegkundigen en verzorgende zijn opgeleid in het uitvoeren van verpleegkundigen en verzorgende handelingen. Er zijn echter ook handelingen of niet-zorgtaken die door ander personeel kunnen worden uitgevoerd. Ik vind het positief dat instellingen kijken naar andere mogelijkheden als zij kampen met een tekort aan personeel als gevolg van de zomerperiode. De inzet van niet voor de zorg geschoold personeel op niet-zorgtaken kan daarbij een oplossing bieden.
De instelling dient te allen tijde te voldoen aan de verplichtingen van de Wet kwaliteit klachten geschillen zorg (Wkkgz). De Wkkgz bepaalt dat de zorgaanbieder goede zorg moet leveren. De zorgaanbieder dient de zorgverlening op dusdanige wijze te organiseren, ook wat personele en materiële middelen betreft, dat een en ander redelijkerwijze moet leiden tot goede zorg.
Het in het artikel genoemde aantal openstaande zorgvacatures kan ik niet bevestigen. Wel is bekend dat de arbeidsmarkt voor verpleegkundigen (en ook specifiek die voor wijkverpleegkundigen) zeer krap is momenteel2 en dat naar verwachting veel van de vacatures moeilijk vervulbaar zijn.
Cliënten moeten er op kunnen rekenen dat zij zorg ontvangen van deskundig personeel. Goede zorg, zoals omschreven in de Wkkgz, is immers zorg van goede kwaliteit en van goed niveau. Dit is ook een belangrijk uitgangspunt in het Kwaliteitskader Wijkverpleging waar ActiZ, Branchebelang Thuiszorg Nederland (BTN), Patiëntenfederatie Nederland (PN), V&VN en Zorgverzekeraars Nederland (ZN) zich aan hebben gecommitteerd. Indien mensen signalen hebben over de geleverde zorg, kunnen zij zich bij het Landelijk Meldpunt Zorg melden. De Inspectie Gezondheidszorg en Jeugd (IGJ) kan naar aanleiding van deze signalen onderzoek (laten) doen en/of de signalen in haar risicogestuurde toezicht meenemen. De IGJ heeft deze zomer geen meldingen over de inzet van kantoorpersoneel in de thuiszorg ontvangen. Incidenteel krijgt zij meldingen over ondeskundig personeel, maar zij ziet hierin momenteel geen opvallende stijging.
Kunt u bevestigen dat kantoorpersoneel, dat wordt ingezet gedurende de zomerperiode om tekorten op te vangen, geen zorgtaken gaat verlenen waar zij niet voor is opgeleid? Op welke wijze wordt hierop toegezien?
Zie antwoord vraag 4.
Wat gaat u doen om het aantal mensen dat wil werken in de wijkverpleging te vergroten, zodat gedurende het hele jaar, maar zeker gedurende prangende hete zomerperiodes, er voldoende gekwalificeerde zorgverleners zijn?
Zie antwoord vraag 3.
Wanneer wilt u inzichtelijk hebben of aangekondigde acties daadwerkelijk het tekort afdoende terugdringen? Bent u, indien het tekort blijft bestaan, bereid alternatieve maatregelen en/of extra financiële middelen in te zetten?
Met het Actieprogramma Werken in de Zorg werken landelijke en regionale partners in zorg en welzijn samen aan het terugdringen van de personeelstekorten in zorg en welzijn. Hiervoor stelt het Ministerie van VWS 350 miljoen euro beschikbaar voor scholing van nieuw personeel, loopbaanoriëntatie en
– begeleiding voor mensen die een stap naar of binnen zorg overwegen, waarbinnen 320 miljoen voor de scholingsimpuls SectorplanPlus. Daarnaast gaat dit najaar een landelijke wervingscampagne dit jaar van start die met het veld is ontwikkeld om ervoor te zorgen dat meer mensen (weer) kiezen voor de zorg. Dit naast tal van andere maatregelen die in het kader van het Actieprogramma worden ingezet om de aantrekkelijkheid van het werken in de zorg te vergroten en de arbeidsmarktsituatie te verbeteren.
Tussentijds informeer ik de Tweede Kamer tweemaal per jaar over de voortgang van het Actieprogramma.
Het bericht ‘Voeding krijgt plek in opleiding geneeskunde Amsterdam’ |
|
Léonie Sazias (50PLUS), Corrie van Brenk (PvdA) |
|
Bruno Bruins (minister volksgezondheid, welzijn en sport) (VVD) |
|
|
|
|
Bent u bekend met het bericht «Voeding krijgt plek in opleiding geneeskunde Amsterdam»?1
Ja.
Wat is uw visie op de rol van voeding binnen de gezondheidszorg?
Het belang van de rol van voeding binnen de gezondheidszorg staat voor mij buiten kijf. Voeding is een van de belangrijke leefstijlfactoren die invloed hebben op het risico op het ontstaan van met name chronische ziekten. Terecht neemt daarom de aandacht voor de rol van voeding in de gezondheidszorg toe. De afspraak in het regeerakkoord om te bevorderen dat bewezen effectieve interventies, onder andere op het gebied van voeding, een plek krijgen in medische opleidingen en richtlijnen, sluit hierbij aan.
Ik wijs ook op de bekende «Schijf van Vijf». De Schijf van Vijf is gebaseerd op de Richtlijnen goede voeding van de Gezondheidsraad en richt zich op het voorkomen van (chronische) ziekten via voeding. Op verzoek van VWS heeft ZonMw de kennissynthese «Voeding als behandeling van chronische ziekten» opgesteld. De conclusie van deze kennissynthese is dat voeding een prominentere plaats bij de behandeling van chronische ziekten verdient en in belangrijke mate kan bijdragen aan gezondheidswinst. De grootste gezondheidswinst is te behalen bij de behandeling van cardio-metabole aandoeningen (cardiovasculaire ziekten, diabetes mellitus type 2 en nierziekten) en van diverse darmaandoeningen. Voedingsmaatregelen leiden vaak tot algemene, ziekteoverstijgende gezondheidseffecten en vormen hierdoor een belangrijke therapeutische optie wanneer er sprake is van multimorbiditeit.
Hoe beoordeelt u de stelling dat de juiste voeding een grote bijdrage levert aan het voorkomen van aandoeningen, een beter herstel en/of verbetering van de levenskwaliteit? Kunt u uw antwoord toelichten?
Zie antwoord vraag 2.
Hoe beoordeelt u het bericht dat uit een onderzoek blijkt dat studenten geneeskunde tijdens hun zesjarig curriculum gemiddeld nog geen 30 uur voedingsonderwijs krijgen? Vindt u dit in verhouding staan met de invloed van voeding op de gezondheid? Kunt u uw antwoord toelichten?
De eindkwalificaties van de Nederlandse geneeskunde-opleidingen zijn vastgelegd in het Raamplan Artsopleiding 2009 (het Raamplan), dat omschrijft aan welke eisen een beginnend arts minimaal moet voldoen. Het Raamplan geeft een duidelijke beschrijving van de academische en professionele doestellingen van de opleidingen geneeskunde. Het Raamplan wordt opgesteld door de Nederlandse Federatie van Universitair Medische Centra (NFU). De eindtermen uit het Raamplan worden door de individuele medische faculteiten vertaald in het curriculum van de geneeskunde-opleidingen. De Nederlands-Vlaamse Accreditatie Organisatie (NVAO) ziet erop toe dat de opleidingen geneeskunde aan de eisen van het Raamplan voldoen. In het raamplan wordt onder preventie «voeding» en onder voedingsgerelateerde ziekten «voeding en gezondheid» genoemd. De geneeskunde-opleidingen voldoen daarmee aan de eisen die op dit punt worden gesteld. Opleidingen werken voortdurend aan het up-to-date houden van hun curriculum. Ik kan mij, gezien de toenemende aandacht voor het belang van voeding in de gezondheidszorg, voorstellen dat in de curricula van de verschillende geneeskunde-opleidingen (en andere zorgopleidingen) voeding en leefstijl een prominentere rol krijgen. Gelet op de in Nederland geldende vrijheid van onderwijs, kan de overheid echter niet voorschrijven wat in de curricula wordt opgenomen.
Daarnaast is het van belang dat artsen op de hoogte zijn van de verschillende verwijsmogelijkheden op het gebied van voeding en leefstijl zodat de patiënt zo nodig specialistische hulp krijgt. Dat kan bijvoorbeeld zijn van een diëtist en vanaf 1 januari 2019 ook de Gecombineerde Leefstijlinterventie (GLI), zoals aangekondigd in mijn brief van 1 juni jl. over het basispakket Zvw 2019.2
Deelt u de mening dat voeding als keuzevak een begin is, maar eigenlijk een vastomlijnd, substantieel deel van zorgopleidingen zou moeten uitmaken? Kunt u uw antwoord toelichten?
Zie antwoord vraag 4.
Deelt u de mening dat artsen moeten beschikken over een brede basiskennis inzake voeding om hun adviesrol goed en compleet in te kunnen vullen? Kunt u uw antwoord toelichten?
Zie antwoord vraag 4.
Bent u bereid in nader overleg te gaan met betrokken partijen en bij hen aan te dringen op een prominentere, vastomlijnde plek voor voeding in deze opleiding?
Ik ben al in overleg met de betrokken partijen. In het hoofdlijnenakkoord medisch specialistische zorg dat ik eerder dit jaar met de sector heb gesloten, is namelijk afgesproken dat de beroepsgroepen zich inspannen om preventie (waaronder voeding en leefstijl) te verankeren in de medisch-specialistische en verpleegkundige (vervolg)opleidingen en in het reguliere werkproces.
Staatssecretaris Blokhuis is in het kader van het Nationaal Preventieakkoord in overleg met partijen of en op welke wijze voeding beter geborgd kan worden in zorg en welzijn.
Ook zal VWS betrokken zijn bij de herziening van het Raamplan, die naar verwachting in 2019 van start gaat. Dit biedt de gelegenheid om aandacht te vragen voor het opnemen van bewezen effectieve interventies op onder meer het gebied van voeding, in de geneeskunde-opleiding.
Het bericht dat grote groepen gehinderden geen bezwaar meer kunnen maken tegen luchtvaartherrie |
|
Cem Laçin |
|
Cora van Nieuwenhuizen (minister infrastructuur en waterstaat) (VVD) |
|
Kent u het bericht dat grote groepen gehinderden geen bezwaar meer kunnen maken tegen luchtvaartherrie?1 Wat is uw reactie daarop?
Ja.
De berichtgeving in de media heeft betrekking op recente besluiten van de Inspectie Leefomgeving en Transport (ILT) in de context van handhavingsverzoeken die bij de ILT zijn binnengekomen.
De ILT houdt toezicht op de naleving van veiligheid- en milieuwetten en -regels voor de luchtvaart. Indien aan de orde, zal de ILT handhavend optreden. Elk signaal met betrekking tot overschrijding van de wet- en regelgeving en elk verzoek tot handhavend optreden (handhavingsverzoek) dat de ILT binnenkrijgt, neemt zij serieus en wordt door haar bekeken.
Eenieder mag een verzoek om handhaving bij de ILT indienen en de ILT zal daarop reageren. Op grond van de Algemene wet bestuursrecht kan hiertegen alleen bezwaar worden gemaakt door personen die als belanghebbende kunnen worden gekwalificeerd.
Volgens het bestuursrecht is een zekere begrenzing van het begrip belanghebbende noodzakelijk. Het betrokken bestuursorgaan, in dit geval de ILT, moet aan de hand van bestuursrechtelijke criteria bepalen of een bezwaarmaker belanghebbende is. Het oordeel van de ILT kan ter toetsing aan de rechter worden voorgelegd.
Bij besluiten over handhaving van het Luchthavenverkeerbesluit Schiphol zijn geluidscontouren een relevant criterium. Een aanvrager die binnen de contouren woont, is belanghebbende. Of een aanvrager die buiten de contouren woont belanghebbende is, wordt per geval beoordeeld.
Vindt u het rechtvaardig dat klachten van mensen, die niet in de directe kring rondom Schiphol wonen maar wel overlast ervaren, automatisch ongegrond wordt verklaard? Zo ja, kunt u garanderen dat deze mensen geen overlast ondervinden? Kunt u uw antwoord toelichten?
Zoals ik in het antwoord op vraag 1 heb aangegeven, mag eenieder een verzoek tot handhaving indienen. Op dit verzoek wordt vervolgens gereageerd door de ILT. Hiertegen bezwaar instellen, is krachtens de Algemene wet bestuursrecht voorbehouden aan belanghebbenden.
Dit geldt in principe voor alle voor bezwaar en beroep vatbare beslissingen die overheden nemen: de mogelijkheid tot het instellen van bezwaar en beroep is beperkt tot belanghebbenden.
Verder kan iedereen die last heeft van geluid van de luchthaven Schiphol of van vliegtuigen die gebruik maken van de luchthaven, dit melden, bijvoorbeeld bij het Bewoners Aanspreekpunt Schiphol (BAS). Medewerkers van BAS geven uitleg over luchtvaart, registreren alle meldingen en klachten en analyseren deze gegevens. BAS streeft ernaar om vragen en klachten binnen 7 werkdagen te beantwoorden. Voor meer informatie over BAS zie www.bezoekbas.nl.
Klopt het dat een grote groep mensen, die inmiddels heeft aangetoond dat vliegtuigen die in de toekomst mogelijk van Lelystad Airport zullen vertrekken grote overlast zullen gaan veroorzaken waardoor de opening van dit vliegveld uitgesteld is, straks niet meer in staat is om hun klachten behandeld te krijgen? Vindt u dat daarmee het vertrouwen van deze mensen in de overheid hersteld wordt?
Zie de antwoorden op de vragen 1 en 2.
In aanvulling op de wettelijke handhaving wordt voor Lelystad Airport een meldpunt ingesteld waar men terecht kan met klachten, net als bij het in het vorige antwoord genoemde Bewoners Aanspreekpunt Schiphol (BAS) bij Schiphol. Bij het Lelystad-meldpunt zullen alle klachten over vliegtuigen van en naar Lelystad Airport worden behandeld.
Hoe wordt in de bepaling welke gemeenten wel en niet binnen de directe kring liggen omgegaan met afwijkingen in het vliegpad vanwege bijvoorbeeld weersomstandigheden of werkzaamheden aan start- en landingsbanen? Kunt u garanderen dat hierdoor nooit een overschrijding van de 48dB-contour plaatsvindt?
Een 48 dB(A) Lden contour begrenst het gebied waarbinnen de bewoners gedurende een jaar een geluidsbelasting van 48 dB(A) Lden of meer hebben ontvangen.
Voor Schiphol wordt bij de berekening van die contour rekening gehouden met het werkelijk opgetreden weer en het werkelijk baangebruik in het betreffende jaar. Omdat het weer per jaar verschilt en het baangebruik als gevolg van onderhoud per jaar kan verschillen, zal ook de 48 dB(A) Lden contour per jaar verschillen. Het is bij Schiphol dus niet zo dat er sprake is van één en dezelfde contour die altijd op dezelfde plaats ligt en altijd hetzelfde gebied begrenst. Daardoor kunnen er ook geen overschrijdingen plaatsvinden van een dergelijke contour. De afgelopen jaren is gebleken dat de jaarlijkse 48 dB(A) Lden contour niet tot nauwelijks tot veranderingen heeft geleid in gemeenten die wel of niet binnen de directe kring liggen.
Voor regionale luchthavens van nationale betekenis, zoals Lelystad Airport, wordt bij het bepalen van de 48 dB(A) Lden contour rekening gehouden met een meteomarge. Deze Lden contour wordt vastgelegd in het luchthavenbesluit.
Voor de betekenis die de ligging van de 48 dB(A) Lden contour heeft voor beantwoording van de vraag wie als belanghebbende wordt aangemerkt, verwijs ik naar mijn antwoord op vraag 1.
Bent u bereid om ervoor te zorgen dat alle klachten over vliegtuiglawaai en gerelateerde overlast serieus genomen worden, ongeacht of de klagers wel of niet binnen de directe kring van gemeenten rondom een luchthaven wonen?
Uiteraard vind ik het ook belangrijk dat alle klachten over vliegtuiglawaai en daaraan gerelateerde overlast serieus worden genomen. Daarom heb ik in de antwoorden op de vragen 2 en 3 aangegeven dat iedereen, dus ook mensen die niet in de directe kring van gemeenten rondom een luchthaven wonen, een klacht kan indienen bij bestaande en in voorbereiding zijnde meldpunten.
Mogelijke normalisatie van de relatie met Turkije |
|
Sadet Karabulut |
|
Stef Blok (minister buitenlandse zaken) (VVD) |
|
Kent u het bericht van Human Rights Watch (HRW), waarin wordt gesteld dat nu weliswaar de noodtoestand is opgeheven in Turkije maar dat dit slechts een geschreven werkelijkheid is omdat veel van de beperkingen die onder de noodtoestand golden, behouden zullen blijven wanneer een concept wetsvoorstel aangenomen wordt? Deelt u de mening van de directeur van HRW, de heer Hugh Williamson, dat dit wetsvoorstel, waarmee de president vergaande bevoegdheden zal krijgen om rechters te ontslaan, de vrijheid van beweging en vereniging te limiteren en politieke gevangen langdurig, zonder proces vast te houden, van tafel zou moeten? Zo ja, heeft u dit in uw gesprekken met de Turkse autoriteiten kenbaar gemaakt? Zo nee, bent u bereid dit alsnog te doen?1 2
Het bericht is bekend. Dit nieuws past in het bredere beeld van de achteruitgang op het gebied van rechtsstaat en mensenrechten in Turkije. Nederland stelt de zorgen over de rechtsstaat en mensenrechten in Turkije regelmatig aan de orde, onder andere binnen de Europese Unie en in het kader van de Raad van Europa (RvE). Nederland speelt hierin een voortrekkersrol en zal ook in de toekomst de zorgen over de rechtsstaat in Turkije actief blijven aankaarten in EU- en RvE-kader, net als in bilaterale contacten. Daarin zal nadrukkelijk ook aandacht zijn voor wetgeving die indruist tegen de grondbeginselen van de democratische rechtsstaat.
Deelt u de mening dat gezien bovenstaande (de teloorgang van de rechtsstaat en de gevangenschap van veel politieke leiders van de oppositie en journalisten) van normalisatie van de relatie met Turkije geen sprake kan zijn? Zo ja, hoe verhoudt dat zich tot herstel van de diplomatieke relaties?3 Zo nee, welke voorwaarden heeft u gesteld aan normalisatie van de relatie met Turkije?4
Normale diplomatieke betrekkingen zijn essentieel om met andere landen samen te werken op gebieden van gezamenlijk belang, maar ook om zorgen te bespreken.
Met Turkije is in de gesprekken die leidden tot de normalisatie expliciet besproken dat deze normalisatie van de betrekkingen niet inhoudt dat we het eens zijn over de feiten en appreciatie van wat er op 11 maart 2017 is gebeurd. Ook houdt normalisatie niet in dat we nu en in de toekomst geen zorgen hebben over wat er in Turkije gebeurt. Diplomatieke betrekkingen op het hoogste niveau bieden juist een mogelijkheid om ook deze zorgen te bespreken.
Op welke wijze heeft u uitvoering gegeven aan de motie-Karabulut cs. over onmiddellijke vrijlating van alle politieke gevangenen?5
Zoals ook vermeld in het verslag van de Raad Algemene Zaken van 26 juni jl. (Kamerstuk 21501–02 nr. 1890) heeft de Nederlandse tijdelijk zaakgelastigde in Ankara als uitvoering van deze motie contact opgenomen met de Turkse autoriteiten en op hoogambtelijk niveau aandacht gevraagd voor de oproep om HDP-leider Demirtaş en andere parlementsleden vrij te laten. Deze oproep was in lijn met eerdere uitlatingen van de Venetië Commissie van de Raad van Europa en de EU over immuniteit voor parlementariërs in Turkije. Het bleek helaas niet mogelijk om deze oproep samen met gelijkgestemde landen over te brengen.
Op 6 juni 2017 werd de voorzitter van Amnesty International Turkije, de heer Taner Kiliç, gearresteerd. De motie Karabulut/Van Ojik (Kamerstuk 37 775-V, nr. 24) verzoekt het Kabinet de oproep van mensenrechtenorganisaties tot de directe vrijlating van Taner Kiliç en het intrekken van de aanklachten tegen hem te steunen. Nederland heeft zich zowel individueel als in EU-verband ingezet voor deze zaak. Daarnaast was een vertegenwoordiger van de Nederlandse ambassade bij de rechtszittingen aanwezig. Op 15 augustus jl. is bekend gemaakt dat de heer Kiliç in afwachting van de verdere behandeling van zijn zaak is vrijgelaten. Het kabinet zal ook de komende tijd aandacht blijven houden voor de zaak van de heer Kiliç en de ontwikkelingen nauwlettend volgen. Het Kabinet beschouwt daarmee ook deze motie als uitgevoerd.
Heeft Turkije, dat zich beroept op zelfverdediging, artikel 5 van het VN-handvest, in NAVO-verband inmiddels concreet bewijs geleverd met betrekking tot de legitimering van de inval in Noord-Syrië? Zo nee, bent u dan bereid deze illegale inval te veroordelen? Zo nee, waarom niet?6
Een appreciatie van het Turkse offensief in de Afrin-regio en de Turkse onderbouwing van het beroep op het recht op zelfverdediging, is door het kabinet gedeeld in de Kamerbrief «Nederlandse inzet in Syrië» van 14 maart 2018 (referentie DEU-1502/2018). Sinds het verschijnen van deze brief zijn er volgens het kabinet geen nieuwe ontwikkelingen die de legitimiteitsvraag van het Turkse offensief in Afrin in een ander daglicht stellen.
De bescherming van dieren tegen de hitte |
|
Esther Ouwehand (PvdD) |
|
Carola Schouten (viceminister-president , minister landbouw, visserij, voedselzekerheid en natuur) (CU) |
|
|
|
|
Deelt u de mening dat veel van de maatregelen uit het Nationaal Hitteplan van het Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu (RIVM), zoals voldoende drinken, het opzoeken van de schaduw en het koel houden van de leefomgeving niet alleen voor mensen, maar ook voor dieren moeten gelden? Zo nee, kunt u dit toelichten?1
Vanzelfsprekend moeten ook voor dieren de nodige maatregelen worden genomen. De houder heeft de verplichting de dieren de nodige bescherming te bieden, ook bij bijzondere weeromstandigheden. Daarnaast heeft de houder de verplichting om voor goede ventilatie te zorgen bij dieren die in een stal verblijven, zoals vastgelegd in artikel 2.5 van het Besluit houders van dieren.
Kunt u helder uiteenzetten welke mogelijkheden de Nederlandse Voedsel- en Warenautoriteit (NVWA) heeft om op te treden en maatregelen te treffen wanneer zij dieren aantreffen die lijden door hittestress? Wat zijn de ervaringen van de inspecteurs met de wettelijke mogelijkheden, kunnen zij daadwerkelijk handhaven of betreft het open normen die het in de praktijk lastig maken om op te treden?
Als de NVWA bij inspecties welzijnsovertredingen aantreft in verband met onnodig lijden door hittestress, kan ze krachtens de Wet Dieren passende herstelmaatregelen opleggen. Bijvoorbeeld het laten bieden van beschutting of de dieren langs de kortst mogelijke weg laten verplaatsen naar een plek waar zij beschermd zijn tegen extreme weersomstandigheden, zoals hitte. Daarnaast kan de NVWA bestuursrechtelijke of strafrechtelijke sancties opleggen als de houder en/of de vervoerder in gebreke is gebleven.
Open normen in de regelgeving bieden de houder en/of vervoerder van de dieren ruimte voor flexibele maar onderbouwde invulling. Op grond van wetenschappelijke inzichten en feitelijke waarnemingen handhaven de inspecteurs van de NVWA deze open normen. Ter ondersteuning kunnen zij hun waarnemingen vastleggen op foto of video. Indien nodig kunnen inspecteurs advies van een dierenarts inwinnen.
Hoe vaak is in de afgelopen vijf jaar door de NVWA gecontroleerd op hittestress en wat waren de bevindingen van die controles? Hoe vaak is de afgelopen vijf jaar daadwerkelijk handhavend opgetreden tegen hittestress, op welke gronden is dat gebeurd en waar bestond de sanctie uit?
Er zijn geen gegevens beschikbaar over het aantal controles in de afgelopen 5 jaar bij extreme warme weersomstandigheden. Zoals aangegeven moeten houders bescherming bieden tegen extreme weersomstandigheden en, als de dieren in een stal verblijven, voor goede ventilatie zorgen.
In de onderstaande tabel is een overzicht gegeven van de maatregelen in relatie tot handhaving op onnodig lijden door extreme warme omstandigheden op veehouderijbedrijven en tijdens transporten. Deze controles kunnen ook uitgevoerd zijn naar aanleiding van meldingen.
Schapen niet geschoren met 30 graden
Mondelinge correctie
Schapen zonder beschutting bij 31 graden
Mondelinge correctie
Hijgende schapen in de zon zonder beschutting
Mondelinge correctie
Ongeschoren schapen zonder beschutting en water bij 35 graden
Bestuurlijke maatregel
Transport beëindigd en dieren opgevangen
Bestuurlijke maatregel
Veel dieren dood bij aankomst slachthuis
Bestuurlijke maatregel
Schapen sinds 2013 niet geschoren
Bestuurlijke maatregel en Proces verbaal
Kreupel rund in volle zon bij 25 graden
Ter plekke hersteld
Ram hijgend in de zon zonder beschutting
Ter plekke hersteld
Diertransport welzijn hitte
Rapport van bevindingen
Diertransporten welzijn hitte
7 maal een rapport van bevindingen aangezegd
Deelt u de mening dat dieren in weilanden beschutting moeten kunnen vinden tegen de zon? Zo nee, waarom niet en hoe verhoudt uw opvatting zich tot de uitgangspunten van de Wet dieren? Zo ja, bent u bereid om maatregelen te treffen om meer beschutting in en rond weilanden te realiseren, zoals bomen en houtwallen voor koeien?
Zoals vastgelegd in artikel 1.6 lid 3 van het Besluit houders van dieren moet een dier, indien het niet in een gebouw wordt gehouden, bescherming worden geboden tegen slechte weersomstandigheden. (Permanente) beschutting aanbieden in weilanden is niet altijd mogelijk volgens de vigerende bestemmingsplannen van het gebied. De veehouder zal dan andere passende maatregelen moeten nemen om de dieren te beschermen, zoals het overdag opstallen van het vee. Daarnaast is er een toenemende belangstelling voor de toepassing van agroforestry, waarbij meer mogelijkheden ontstaan voor natuurlijke beschutting.
Is het u bekend dat mensen die hun (niet-commercieel gehouden) dieren buiten laten lopen, nogal eens worden tegengewerkt door hun gemeente als zij willen zorgen voor beschutting in hun weiland? Wat vindt u daarvan?
In Nederland is de bevoegdheid voor het opstellen van bestemmingsplannen bij gemeenten belegd, omdat zij meer zicht hebben op de lokale situatie dan de rijksoverheid. Een landelijk beleid ten aanzien van schuilstallen zou hiermee conflicteren. In bestemmingsplannen kunnen gemeenten de mogelijkheid opnemen om bebouwing toe te staan of om een ontheffing te verlenen voor het realiseren van een schuilstal. Om houder en gemeenten behulpzaam te zijn is er door de rijksoverheid ondersteuning verleend aan de brochure «Schuilstallen in het buitengebied» gepubliceerd door Stichting Levende Have. Hierin staan tips en handvatten hoe om te gaan met het houden van dieren in het buitengebied voor zowel de houder van dieren als gemeenten. Voor meer informatie verwijs ik u graag naar deze brochure: http://edepot.wur.nl/12687.
Hoeveel en welke gemeenten weigeren toestemming te geven voor het plaatsen van schuilgelegenheden of andere vormen van beschutting in de wei? Bent u bereid om, bijvoorbeeld via de Vereniging van Nederlandse Gemeenten (VNG), met deze gemeenten hierover in gesprek te gaan? Bent u bereid deze gemeenten te wijzen op het feit dat zij houders van dieren belemmeren bij het voldoen van de wettelijke plicht om dieren te vrijwaren van fysiek en fysiologisch ongerief? Zo nee, waarom niet?2
Ik heb geen inzicht in het aantal gemeenten dat weigert toestemming te geven voor het plaatsen van schuilgelegenheden of andere vormen van beschutting in de wei. Ik zal dit onderwerp met de Vereniging van Nederlandse Gemeenten bespreken. Ik kan gemeenten echter niet dwingend voorschrijven om over te gaan tot het geven van toestemming voor schuilgelegenheden.
Hoe heet wordt het in varkensstallen en in pluimveestallen, gemiddeld en maximaal? Welke temperaturen worden gedurende deze hitte bereikt in de stallen?
De NVWA houdt hier geen gegevens over bij. Wel moet de ventilatie zodanig zijn dat de luchtcirculatie, het stofgehalte van de lucht, de temperatuur, de relatieve luchtvochtigheid en de gasconcentraties in de omgeving van het dier niet schadelijk zijn voor het dier.
Kunt u bevestigen dat bij varkens al bij 27 graden celsius hittestress optreedt, met een versnelde hartslag, stijgende bloeddruk en versnelde oppervlakkige ademhaling als gevolg?
Of een varken hittestress krijgt bij een bepaalde temperatuur is afhankelijk van meerdere factoren, zoals leeftijd van het dier en dracht. Voor net geboren biggen is de comforttemperatuur in het biggennest op bighoogte op de eerste dag 33 – 35 graden Celsius. Pas gespeende biggen worden in stallen gehuisvest met 26 graden Celsius. Voor (drachtige) zeugen en vleesvarkens ligt de comforttemperatuur lager. Wageningen University & Research (WUR) heeft richtlijnen voor klimaatinstellingen opgesteld3. De Gezondheidsdienst voor Dieren (GD) geeft «diergezondheidstips bij warm weer» bij varkens4 en andere diersoorten.
Bij hoeveel varkensstallen komt de temperatuur boven de 27 graden celsius uit? Bij hoeveel (procent van de) varkensstallen worden adequate maatregelen genomen om te voorkomen dat de temperatuur in een varkensstal oploopt tot boven de 27 graden celsius?
Ik heb geen inzicht in het percentage stallen waar de temperatuur voor bepaalde dieren niet optimaal is.
Kunt u bevestigen dat bij kippen al bij 28 graden celsius hittestress kan optreden, wat kan leiden tot een afwijkende zuurgraad in het bloed en mogelijk zelfs tot de dood?3
Of pluimvee hittestress krijgt bij 28 graden Celsius is afhankelijk van meerdere factoren. Onder andere in combinatie met een relatieve hoge luchtvochtigheid heeft pluimvee sneller last van warmte, met alle consequenties van dien. Pluimvee heeft geen zweetklieren en kan dus slechts via uitademing lichaamswarmte kwijtraken. Pluimveehouders kunnen en moeten maatregelen nemen, zij hebben immers een zorgplicht. Bij warme dagen passen ze de bedrijfsvoering aan om hittestress en de gevolgen daarvan te voorkomen, zoals zorgen voor voldoende ventilatiecapaciteit en vers drinkwater.
Hoe houdt de NVWA toezicht op de temperatuur en de ventilatie in stallen en welke middelen zijn er om het nemen van adequate maatregelen af te dwingen?
De NVWA controleert tijdens inspecties op de volgende algemene aspecten: de luchtcirculatie, het stofgehalte van de lucht, de temperatuur, de relatieve luchtvochtigheid en de gasconcentraties in de omgeving van het dier. Als de gezondheid en het welzijn van een dier afhankelijk zijn van een kunstmatig ventilatiesysteem, dan moet dat voorzien zijn van een passende noodvoorziening, waarmee voldoende verse lucht kan worden aangevoerd om de gezondheid en het welzijn van het dier te waarborgen als het hoofdsysteem uitvalt. Handhaving vindt plaats middels het vigerende interventiebeleid van de NVWA. Houders kunnen een waarschuwing, bestuurlijke boete of proces-verbaal krijgen, al dan niet in combinatie met een last onder bestuursdwang of een last onder dwangsom.
Hoe vaak heeft de NVWA de afgelopen vijf jaar gecontroleerd op temperatuur en ventilatie in stallen en wat waren de bevindingen van die controles? Hoe vaak is de NVWA de afgelopen vijf jaar overgegaan tot daadwerkelijke handhaving, op grond waarvan is dat gebeurd en welke sancties zijn er opgelegd?
De NVWA heeft in de jaren 2014 – 2017 in de zomerperiode (maanden mei tot en met september) 3.224 reguliere welzijnsinspecties uitgevoerd op primaire bedrijven. Het gaat om inspecties van zowel dieren die in de stal worden gehuisvest (zoals varkens, pluimvee, kalveren) als dieren die ook gedeeltelijk buiten zijn gehuisvest (bijvoorbeeld melkvee en schapen). Voor 2018 heeft de NVWA nog geen definitieve cijfers, omdat de zomerperiode (maanden mei tot en met september) nog loopt.
Jaar
Aantal inspecties
2014
562
2015
1.181
2016
803
2017
678
De NVWA controleert tijdens welzijnsinspecties de naleving van de Wet dieren en het Besluit houders van dieren. De volgende overtredingen zijn tijdens deze 3.224 inspecties vastgesteld met betrekking tot temperatuur en ventilatie. In de jaren 2014 en 2016 is geen maatregel opgelegd naar aanleiding van deze inspecties.
Te hoge concentratie CO2 in twee vleeskuikenstallen
Rapport van Bevindingen
Niet hebben alarmsysteem varkens
Mondelinge correctie
Geen noodvoorziening ventilatiesysteem varkens
Bestuurlijke maatregel en Bestuurlijk boete
Geen alarm op de ventilatie aanwezig, de onderhoudstoestand van de ventilatie is zeer slecht in de varkensstal
Bestuurlijke maatregel
Kunt u bevestigen dat kalveren al vanaf 20 graden celsius last kunnen hebben van hittestress?4 Kunt u bevestigen dat de iglo’s waarin piepjonge kalfjes in de melkveehouderij in hun eentje in worden gestopt, snel benauwd kunnen worden?5
Net als andere diersoorten kunnen ook kalveren last krijgen van hittestress. Dit is niet alleen afhankelijk van de temperatuur maar ook van andere factoren zoals de luchtvochtigheid. Rundveehouders kunnen en moeten maatregelen nemen om negatieve gevolgen van hoge temperaturen tegen te gaan. De Gezondheidsdienst voor Dieren heeft hiervoor een «draaiboek hittestress» voor runderen opgesteld.
Hoe vaak is de afgelopen vijf jaar door de NVWA gecontroleerd op hittestress bij kalfjes die na de geboorte bij hun moeder zijn weggehaald en alleen zijn gezet en wat waren de bevindingen van die controles? Hoe vaak is de NVWA de afgelopen vijf jaar overgegaan tot daadwerkelijke handhaving, op grond waarvan is dat gebeurd en welke sancties zijn er opgelegd?
De NVWA heeft in de jaren 2014 – 2017 in de zomerperiode (maanden mei t/m september) 248 reguliere welzijnsinspecties uitgevoerd op bedrijven met kalveren. Dit kunnen zowel kalveren op het melkveebedrijf zijn als vleeskalveren, het merendeel betreft inspecties op melkveebedrijven. De NVWA registreert niet of de kalveren met of zonder het moederdier zijn gehuisvest. Er zijn in die periode geen overtredingen geconstateerd met betrekking tot hittestress bij kalveren. Voor 2018 heeft de NVWA nog geen definitieve cijfers, omdat de zomerperiode (maanden mei tot en met september) nog loopt.
Jaar
Aantal inspecties
2014
50
2015
53
2016
55
2017
90
248
Erkent u dat varkens modder nodig hebben om hun temperatuur te reguleren? Bent u zich er van bewust dat varkens in hun eigen uitwerpselen gaan rollen om af te koelen, terwijl het zindelijke dieren zijn die een afkeer hebben van hun eigen poep? Zo ja, op welke wijze wilt u een adequate regulering van de temperatuur verplicht stellen? Zo nee, kunt u dit toelichten?
Meerdere factoren spelen een rol bij de thermoregulatie van varkens. In het Besluit houders van dieren wordt een aantal wettelijke eisen gesteld. De luchtcirculatie, het stofgehalte van de lucht, de temperatuur, de relatieve luchtvochtigheid en de gasconcentraties in de omgeving van het dier mogen niet schadelijk zijn voor het dier. Indien de gezondheid en het welzijn van een dier afhankelijk zijn van een kunstmatig ventilatiesysteem, is dat voorzien van een passende noodvoorziening waarmee voldoende verse lucht kan worden aangevoerd om de gezondheid en het welzijn van het dier te waarborgen als het hoofdsysteem uitvalt. Indien het ventilatiesysteem uitvalt moet er een alarmsysteem in werking treden. Dit moet regelmatig getest worden.
Erkent u dat vrije uitloop, met beschutting en gelegenheid voor modderbaden, de meest effectieve manier is om hittestress bij varkens te voorkomen, aan hun behoefte aan het vertonen van hun natuurlijke gedrag tegemoet te komen en (daarmee) hun welzijn te dienen? Zo nee, waarom niet? Bent u bereid deze vorm van huisvesting tot doel te stellen en een transitieplan op te stellen waarin de varkenshouderij binnen een bepaalde termijn moet voldoen aan deze huisvestingsnormen? Zo nee, waarom niet?
Nee. Op basis van goede klimaatsturing in veestallen en voldoende vers drinkwater kan hittestress bij varkens worden voorkomen. Ik verwijs u verder naar het antwoord op vraag 15.
Erkent u dat vrije uitloop, met beschutting en gelegenheid voor stofbaden, de meest effectieve manier is om hittestress bij kippen te voorkomen, aan hun behoefte aan het vertonen van hun natuurlijke gedrag tegemoet te komen en (daarmee) hun welzijn te dienen? Zo nee, waarom niet? Bent u bereid deze vorm van huisvesting tot doel te stellen en een transitieplan op te stellen waarin de pluimveehouderij binnen een bepaalde termijn moet voldoen aan deze huisvestingsnormen? Zo nee, waarom niet?
Nee, dit is afhankelijk van de (weers)omstandigheden. Bij hoge buitentemperaturen is het binnenklimaat in stallen, dat voldoet aan de wettelijke eisen, doorgaans beter voor de dieren dan het buitenklimaat.
Kunt u bevestigen dat het verlagen van de hokbezetting, waar de veehouderij door de sectororganisaties toe wordt opgeroepen, neerkomt op het vervroegd afvoeren van dieren naar de slacht? Zo nee, hoe zit het dan?
Ik ben niet bekend met een dergelijke oproep van de sectororganisaties.
Bent u bereid om preventief te zorgen voor een lagere hokbezetting om hittestress te voorkomen door af te kondigen dat in de zomer minder dieren in de Nederlandse stallen mogen staan en dat daartoe vóór de zomer beperkingen worden gesteld aan de fok van het aantal dieren? Zo nee, erkent u dat u door het achterwege laten van preventieve regels de dieren in de Nederlandse veehouderij welbewust extra risico laat lopen op hittestress en/of een vervroegde slacht?
Ik zie geen aanleiding voor dergelijke maatregelen. Een optimale klimaatsturing in stallen is van belang. Dit is onderdeel van de normale bedrijfsvoering van een veehouderijbedrijf. Ik verwijs u verder naar het antwoord op vraag 15.
Op welke wijze wordt gecontroleerd of de extra maatregelen bij extreme temperaturen, die worden beschreven in de standaard werkwijzen voor slachthuizen, daadwerkelijk worden uitgevoerd?
Tijdens de controles van de NVWA-toezichthouder bij de aanvoer van dieren op het slachthuis is dierenwelzijn een belangrijk punt van aandacht. In de beoordeling van het welzijn van de dieren wordt onder andere aandacht besteed aan verschijnselen van hitte – of koudestress. Indien de exploitant zijn standaardwerkwijze niet op een zodanige manier heeft ingevuld dat de dieren elke vorm van vermijdbare pijn, spanning of lijden wordt bespaard, wordt hiervan door de NVWA-toezichthouder een rapport van bevindingen opgesteld. Daarnaast voert de NVWA periodiek inspecties uit waarin de standaardwerkwijzen inhoudelijk beoordeeld worden.
Kunt u bevestigen dat door een storing of andere problemen in het slachtproces, dieren soms extra lang moeten wachten, of dat juist wordt gekozen voor het doorgaan met het slachtproces, terwijl dit vanuit dierenwelzijnsoogpunt eigenlijk stil zou moeten worden gelegd, vanwege de dieren die in de hitte staan te wachten? Hoeveel gevallen zijn hiervan bij u bekend?
Storingen kunnen zich voordoen en het is de verantwoordelijkheid van het bedrijfsleven om de wachttijden tot een minimum beperken. In het protocol van de slachthuizen in het Nationaal plan voor veetransport bij extreme temperaturen is expliciet opgenomen dat er bij hitte optimaal moet worden gepland, zodat er zo min mogelijk wachttijd is. Ook worden door de slachthuizen maatregelen getroffen om de problemen met hitte tijdens wachttijd tegen te gaan, bijvoorbeeld door extra ventilatie, schaduw en waterkoeling.
De NVWA-toezichthouder ziet er op toe dat de maatregelen afdoende zijn. Indien dit niet het geval is wordt er een rapport van bevindingen opgesteld. Tot nu toe zijn deze zomerperiode 4 rapporten opgemaakt in de slachthuizen in verband met hittestress. Op 10 augustus jl. heeft er een evaluatiegesprek plaatsgevonden met grote varkensslachterijen die in ploegendienst werken. Afgesproken is dat er varianten worden uitgewerkt om bij een volgende periode met hitte sneller te kunnen inspelen op de wens om met de slachturen te schuiven.
Bent u bereid het aantal dieren dat wordt vervoerd naar slachthuizen bij hoge temperaturen te beperken, om dergelijke situaties te voorkomen?
De Transportverordening stelt de eis dat bij de belading rekening gehouden moet worden met de weersomstandigheden. De veehouders, transporteurs en slachthuizen hebben daarnaast het Nationaal plan voor veetransport bij extreme temperaturen opgesteld, met onderliggende sectorprotocollen. Hierbij worden maatregelen genomen zoals het beperken van het aantal dieren per transportmiddel, vervoer tijdens de koelere uren van de dag, kortere wachttijden bij slachthuizen en geen vervoer bij een buitentemperatuur van 35 graden of meer. Een extra door de overheid opgelegde beperking van vervoer acht ik niet nodig bij goede naleving van deze protocollen door de sector.
Het bericht dat de president van het Venezolaanse Hooggerechtshof in Nederland was |
|
Sjoerd Sjoerdsma (D66) |
|
Stef Blok (minister buitenlandse zaken) (VVD) |
|
|
|
|
Kent u het bericht «Moreno en La Haya: El reto es una justicia imparcial»?1
Ja.
Klopt het dat Maikel Moreno, president van het Venezolaanse Hooggerechtshof, onlangs in Nederland was voor de viering van het twintigjarig bestaan van het Statuut van Rome inzake het Internationaal Strafhof in Den Haag?
Ja, dit klopt.
Met welk doel was de heer Moreno uitgenodigd om bij deze viering te spreken?
De heer Moreno was aanwezig bij de viering van 20 jaar Statuut van Rome op het Internationaal Strafhof. Dit was formeel een bijeenkomst van de Assembly of States Partieswaarvoor alle verdragspartijen van het Internationaal Strafhof waren uitgenodigd. Iedere verdragspartij bepaalt zelf wie het als vertegenwoordiger naar een dergelijke bijeenkomst stuurt. De heer Moreno was dan ook niet persoonlijk uitgenodigd, maar door Venezuela aangewezen als vertegenwoordiger bij deze gelegenheid. Het Strafhof heeft vervolgens aan Nederland als gastland van het Internationaal Strafhof gevraagd een uitzondering te maken wegens de viering van 20 jaar Statuut.
Welke boodschap is door de heer Moreno uitgedragen tijdens deze viering en hoe verhoudt zich dit tot de huidige ontwikkelingen in Venezuela?
De heer Moreno heeft, net als andere aanwezige hoogwaardigheidsbekleders, gesproken tijdens de viering. Hierin heeft hij onder andere gemeld dat het Statuut van Rome niet gebruikt dient te worden voor binnenlandse aangelegenheden. Hiermee lijkt hij te doelen op het vooronderzoek dat gestart is door de aanklager van het Internationaal Strafhof naar de situatie in Venezuela. De beslissing om al dan niet een formeel onderzoek te openen naar de situatie in Venezuela wordt genomen door de Aanklager en getoetst door het Hof.
De heer Moreno sprak ook over de Venezolaanse Grondwet, waarin democratie, gelijkheid en mensenrechten gewaarborgd zijn. Het kabinet is echter van mening dat de democratie hersteld moet worden. Het Venezolaanse parlement is buitenspel gezet, de meest recente verkiezingen zijn niet vrij en eerlijk verlopen en mensenrechten staan zwaar onder druk.
Klopt het dat Nederland de aanwezigheid van de heer Moreno bij de betreffende viering van het Internationaal Strafhof gefaciliteerd heeft?
De Europese Unie heeft een sanctielijst opgesteld vanwege de ondermijning van de democratie en schending van mensenrechten in Venezuela. Op deze lijst staan achttien Venezolaanse hoogwaardigheidsbekleders, waaronder de heer Moreno. De lidstaten van de Europese Unie zijn overeengekomen dat reisbeperkingen een onderdeel zijn van het sanctiebeleid tegen deze Venezolaanse hoogwaardigheidsbekleders. In beginsel is Nederland daarmee gehouden aan het ontzeggen van toegang tot het grondgebied van Nederland, tenzij een van de uitzonderingen van toepassing is zoals genoemd in artikel 6 lid 3, lid 4 en lid 6 van Besluit (GBVB) 2017/2074 van de Raad van 13 november 2017 betreffende beperkende maatregelen in het licht van de situatie in Venezuela.
Het Strafhof heeft aan het Ministerie van Buitenlandse Zaken gevraagd om een uitzondering te maken wegens de viering van 20 jaar Statuut.
Op grond van het Zetelverdrag tussen het Internationaal Strafhof en het Koninkrijk der Nederlanden, was Nederland als gastland verplicht om de heer Moreno toegang te verlenen tot Nederlands grondgebied. Deze uitzondering op grond van het internationaal recht is voorzien in artikel 6 lid 3 onder a van Besluit (GBVB) 2017/2074. De Europese Unie is over het besluit tot vrijstelling van de inreisbeperkingen van de betreffende persoon geïnformeerd.
Het Ministerie van Buitenlandse Zaken heeft in contact met de Venezolaanse autoriteiten uitdrukkelijk aangegeven de sancties te zullen handhaven en dat de heer Moreno alleen kon deelnemen aan activiteiten die door het Strafhof werden georganiseerd.
Klopt het dat de heer Moreno momenteel op de Europese sanctielijst staat? Zo ja, waarom staat hij op deze lijst? Waarom is zijn aanwezigheid door Nederland toegestaan dan wel gefaciliteerd?
Zie antwoord vraag 5.
De bijdrage van 8 miljoen euro aan de nertsenhouderij |
|
Frank Futselaar , Esther Ouwehand (PvdD) |
|
Carola Schouten (viceminister-president , minister landbouw, visserij, voedselzekerheid en natuur) (CU) |
|
|
|
|
Wat is de reden voor uw besluit om 8 miljoen euro van het budget dat zou zijn bestemd voor de warme sanering van de varkenshouderij, te reserveren voor de flankerende maatregelen in het kader van de Wet verbod pelsdierhouderij1? Op welke wijze draagt dit bij aan het doel van de «transitie naar een vitale, robuuste, toekomstbestendige en duurzame varkenshouderijketen»?
In mijn brief van 7 juli 2018 heb ik aangekondigd dat 8 miljoen euro gereserveerd zal worden voor de verschillende flankerende maatregelen in het kader van de Wet verbod pelsdierhouderij, bovenop de al eerder gereserveerde middelen. Ten behoeve van deze reservering wordt het beschikbare bedrag voor de transitie naar een duurzame varkenshouderijketen met 8 miljoen euro verlaagd.
Op grond van het Besluit en de Regeling is het maximumbedrag voor sloop- en ombouwkosten, per locatie, inderdaad 95.000 euro of, indien bij het slopen of ombouwen asbest wordt verwijderd, 120.000 euro. In de komende periode zal ik onderzoeken hoe dit extra bedrag, in overeenstemming met de toepasselijke staatssteunrechtelijke randvoorwaarden, kan worden aangewend. Als dit leidt tot een wijziging van het Besluit subsidiëring sloop- en ombouwkosten pelsdierhouderij, zal ik uw Kamer daarover informeren.
Hoe verhoudt dit besluit zich tot uw eerdere uitspraak: «(o)p dit moment zie ik geen aanleiding om naast de in het kader van de Wet verbod pelsdierhouderij vastgestelde flankerende maatregelen aanvullende voorzieningen te treffen»?2
Zie antwoord vraag 1.
Wat gaat dit bedrag van 8 miljoen euro voor ingezet worden? Hoe staat dit in verhouding tot de eerder gereserveerde middelen van 28 miljoen euro?3
Zie antwoord vraag 1.
Kunt u bevestigen dat er nog 146 nertsenfokkerijen zijn in Nederland?4 Zo nee, wat is dan het correcte aantal?
Er zijn momenteel in Nederland 145 bedrijven waar edelpelsdieren worden gehouden. Uit gegevens van het CBS (2018) blijkt dat in alle jaren na 2013 sprake was van een lager aantal gehouden edelpelsdieren dan in 2013. In de link treft u de aantallen gehouden dieren per jaar aan6.
Kunt u bevestigen dat uit de Regeling en het Besluit subsidiering sloop- en ombouwkosten pelsdierhouderij voortvloeit dat het maximum bedrag voor de sloop- en ombouwkosten per locatie 95.000 euro bedraagt of 120.000 euro wanneer asbestsanering nodig is?5 Zo ja, waar gaat het resterende bedrag van 22,13 miljoen euro voor ingezet worden? Wordt de Kamer in de mogelijkheid gesteld hierover mee te beslissen?
Zie antwoord vraag 1.
Hoe kan de Kamer controleren of dit geld niet gaat naar frauderende bedrijven, zoals bedrijven die illegaal hebben uitgebreid de afgelopen jaren? Deelt u de mening dat dit zeer onwenselijk zou zijn? Zo nee, waarom niet?
Bij brief van 20 januari 2017 (Kamerstuk 30 826, nr. 51) heb ik op een vergelijkbare vraag van de PvdD-fractie geantwoord dat, op grond van het Besluit, de Regeling, en het Kaderbesluit nationale EZ-subsidies, subsidie kan worden geweigerd indien deze is aangevraagd voor sloop of ombouw van stallen die zijn gebouwd en gebruikt in strijd met de Wet verbod pelsdierhouderij. Als Minister voer ik deze regelgeving uit en houd ik toezicht op de naleving ervan. De Tweede Kamer kan mij hierop controleren.
Wat zou het kosten als de overgangstermijn van het verbod op de pelsdierhouderij met een jaar zou worden ingekort? Deelt u de mening dat dit het risico op staatssteun zou verminderen?
De overgangstermijn is vastgelegd in de Wet verbod pelsdierhouderij. Een schatting van de kosten die verkorting van de overgangstermijn met zich mee zou brengen, is niet te maken. Bij de totstandkoming van de Nederlandse subsidieregeling voor sloop- en ombouwkosten van pelsdierhouderijen is aangesloten bij hetgeen daarover tijdens de parlementaire behandeling van de Wet verbod pelsdierhouderij is gewisseld en hetgeen door initiatiefnemers is beoogd. Het Besluit subsidiëring sloop- en ombouwkosten is een staatssteunmaatregel, die is aangemeld bij en goedgekeurd door de Europese Commissie. De duur van de overgangstermijn heeft als zodanig geen invloed op de kwalificatie van de subsidieregeling als staatssteun. Ik acht het onwenselijk en zie geen mogelijkheden om in de Nederlandse subsidieregeling een afnemende vergoeding toe te passen, omdat ondernemers anticiperen en besluiten hebben genomen op basis van de in deze vanaf 1 maart jongstleden opengestelde regeling.
Hoe kijkt u naar de aanpak van Vlaanderen, waar de hoogte van de compensatievergoeding voor nertsenhouders wordt gekoppeld aan het tijdstip dat zij stoppen met de nertsenfokkerij: hoe eerder zij stoppen, hoe hoger de compensatie?6 Welke mogelijkheden ziet u voor een dergelijke aanpak in Nederland, gelet op de extra investering van 8 miljoen voor de pelsdierhouderij?
Zie antwoord vraag 7.
Kunt u bevestigen dat het aantal nertsenfokkerijen sinds 2012 is afgenomen, terwijl het aantal nertsen, in ieder geval tussen 2012 en 2015, nagenoeg gelijk is gebleven? Zo ja, hoe verhoudt dit zich tot het uitbreidingsverbod dat deel uitmaakt van het verbod op de pelsdierhouderij? Zo nee, wat zijn dan de correcte aantallen?
Zie antwoord vraag 4.
Hoe beoordeelt u het feit dat de NVWA zeer regelmatig niet tijdig beslist op verzoeken van niet-gouvernementele organisaties? Bent u bereid hierover met de NVWA in gesprek te gaan? Hoeveel geld heeft de NVWA de afgelopen tien jaar moeten betalen aan dwangsommen wegens niet tijdig beslissen? Hoeveel extra menskracht zou dit hebben opgeleverd, in fte omgerekend?
De NVWA moet binnen de haar beschikbare middelen werken, en net als bij andere werkzaamheden heb ik het vertrouwen dat bij handhavingsverzoeken de zorgvuldigheid voorop staat. Op de meeste handhavingsverzoeken wordt tijdig beslist. Vanaf 2016 is een toename van het aantal ingediende handhavingsverzoeken te zien. In 2012 werden twee verzoeken ingediend, in 2013 één verzoek, in 2014 twee verzoeken waarvan één niet tijdig afgehandeld (1.260 euro dwangsom), in 2015 drie verzoeken waarvan één niet tijdig afgehandeld (1.260 euro dwangsom), in 2016 zes verzoeken waarvan twee niet tijdig afgehandeld (1.260 euro dwangsom), in 2017 dertien verzoeken waarvan twee niet tijdig afgehandeld (1.340 euro dwangsom) en in 2018 tot nu toe negentien verzoeken waarvan vier niet tijdig afgehandeld (4.020 euro dwangsom). Voor zover kon worden nagegaan zijn in de jaren 2009 tot en met 2011 geen handhavingsverzoeken ingediend en zijn in 2012 en 2013 geen dwangsommen betaald wegens niet-tijdig beslissen. Uitgaande van kosten op jaarbasis van 100.000 euro voor 1 fte zouden de betaalde dwangsommen in de afgelopen jaren tussen de 0,01 en 0,04 extra menskracht in fte kunnen hebben opgeleverd.
Hoe gaat de NVWA om met het toezicht op de nertsenfokkerij tot 2024? Hoeveel capaciteit is hiervoor beschikbaar? Op basis van welke gegevens wordt het risicogericht toezicht in deze sector ingericht?
De afgelopen jaren heeft de NVWA geïnspecteerd op de Wet verbod pelsdierhouderij. De NVWA zet in de komende jaren de capaciteit die beschikbaar is voor toezicht, waaronder op de nertsenfokkerij, zo efficiënt mogelijk in en bepaalt jaarlijks risicogericht de prioriteiten bij het toezicht op de naleving. Bij de prioritering speelt het toezichtbeeld dat de NVWA van een sector heeft over de afgelopen jaren een belangrijke rol. In 2017 heeft de NVWA bij 40 nertsenfokkerijen een inspectie uitgevoerd. In 39 gevallen werden er geen overtredingen geconstateerd. In een geval werd geconstateerd dat er meer dieren werden gehouden dan toegestaan volgens de vergunning. Daarvoor is een proces-verbaal opgemaakt.
Waarom heeft de Centrale Commissie Dierproeven op 1 januari 2018 een vergunning voor vijf jaar verleend voor dierproeven op 300 nertsen en 36.100 muizen ten behoeve van vaccins in de nertsenhouderij? Bent u ervan op de hoogte dat deze dierproeven matig tot ernstig ongerief bij de proefdieren veroorzaken waaronder algehele verlammingsverschijnselen?7
De vergunning is verleend, rekening houdend met het gestelde in artikel 10, 10a en 10a2 van de Wet op de dierproeven. De CCD heeft een ethische afweging gemaakt of het matige tot ernstige ongerief van de proefdieren opweegt tegen de opbrengsten van het onderzoek, te weten veilige en werkzame vaccins voor pelsdieren. Op 1 april 2017 werden bijna 919.000 moederdieren gehouden bij nertsenfokkers (bron: CBS). Het totale aantal nertsen is tussen de werptijd in het voorjaar en de slacht in december 5–6x zo hoog (bron: CBS). De vaccins die getest worden onder de genoemde vergunning zijn dan ook vaccins tegen ernstige ziektes waar veel pelsdieren aan overlijden. Dat er nu nog veel pelsdieren worden gehouden, die zonder deze vaccins ernstig ziek kunnen worden, en dat het in Nederland houden van pelsdieren vanaf 1 januari 2024 niet meer is toegestaan, heeft de CCD meegewogen in haar besluit.
Vindt u het ethisch verantwoord om dierproeven in te zetten voor een commerciële dierhouderij die op 1 januari 2024 vanwege ethische redenen niet meer toegestaan zal zijn in Nederland?
Zie antwoord vraag 12.
Wie voert de proeven uit en wie draagt de kosten voor deze dierproeven?
Er wordt geen informatie verschaft over de partij die deze proeven uitvoert en wie de kosten voor deze dierproeven draagt. Wel worden over dierproeven niet-technische samenvattingen gepubliceerd om ervoor te zorgen dat het publiek wordt geïnformeerd9.
Er mag echter geen intellectuele eigendomsrecht worden geschonden noch vertrouwelijke informatie worden prijsgegeven. Dit staat vermeld in de memorie van toelichting bij de Wet op de dierproeven en volgt uit Artikel 43, eerste lid van de Europese richtlijn 2010/63/EU en Artikel 4, tweede lid van de Dierproevenregeling 2014.
De aantallen dieren die onbedwelmd worden geslacht |
|
Esther Ouwehand (PvdD) |
|
Carola Schouten (viceminister-president , minister landbouw, visserij, voedselzekerheid en natuur) (CU) |
|
|
|
|
Kunt u het aantal onbedwelmd aangesneden dieren uit het eerste kwartaal van 20181 uitsplitsen naar het aantal dieren dat direct na het aansnijden een bedwelming kreeg, het aantal dieren dat kort voor het verstrijken van de 40 seconden een bedwelming kreeg en het aantal dieren dat geen bedwelming kreeg omdat ze binnen 40 seconden na het aansnijden het bewustzijn hadden verloren? Kunt u bij deze drie categorieën onderscheid maken tussen de verschillende diersoorten?
Nee, ik kan deze nadere uitsplitsing niet maken. De NVWA houdt hier geen registratie van bij.
Kunt u uiteenzetten hoeveel slachterijen direct bedwelming toepassen bij het aansnijden, hoeveel slachterijen kort na het aansnijden bedwelming toepassen, hoeveel slachterijen alle dieren kort voor het verstrijken van de 40 seconden alsnog bedwelmen en hoeveel slachterijen alleen de dieren bedwelmen die kort voor het verstrijken van de 40 seconden nog tekenen van bewustzijn vertonen? Kunt u bij deze vier categorieën onderscheid maken tussen slachterijen die dieren slachten voor de halal of koosjere markt?
Nee, ik kan deze nadere uitsplitsing niet maken.
Bekend is wel dat ingeval onbedwelmd geslacht wordt ten behoeve van joods rituele slacht (koosjer) altijd gewacht wordt met het geven van een eventuele bedwelming tot kort voor het verstrijken van 40 seconden na aansnijden. In het geval van islamitisch rituele slacht (halal) kan dit variëren naar gelang de wensen van de afnemer/halal-certificerende instelling en het slachthuis.
Klopt het dat het Nederlands Israëlitisch Kerkgenootschap (NIK) heeft bevestigd dat dieren die (alsnog) een bedwelming krijgen na het aansnijden niet om die reden worden afgekeurd voor afzet als koosjer vlees?
Hiervoor verwijs ik naar het antwoord in mijn brief van 28 juni jongstleden (Kamerstuk 31 571, nr. 32).
Hoeveel dieren zijn sinds 1 januari 2018 onbedwelmd aangesneden in de koosjere slacht en vervolgens afgekeurd voor afzet als koosjer vlees? Wat zijn hiervoor de redenen geweest? Wat is er vervolgens met het vlees van deze dieren gebeurd?
Hoeveel en op welke gronden onbedwelmd aangesneden dieren ten behoeve van koosjere slacht afgekeurd worden als koosjerwaardig is mij niet bekend. Hierop houdt de NVWA geen toezicht. Zoals ik schreef in mijn brief van 28 juni jongstleden is mij vanuit de slachterijen verzekerd dat vlees afkomstig van als koosjer onbedwelmd aangesneden dieren dat niet als koosjer afgezet wordt, als halal afgezet kan worden. Ik heb er geen zicht op of dit ook daadwerkelijk als halal afgezet wordt.
Kunt u bevestigen dat wanneer een dier onbedwelmd wordt aangesneden, maar waarvan het vlees vervolgens wordt afgekeurd voor afzet op de koosjere markt, er een nieuw dier onbedwelmd wordt aangesneden om te voorzien in de vraag naar koosjer vlees? Zo nee, kunt u dit toelichten?
Nee, dat kan ik niet bevestigen. De NVWA houdt uitsluitend toezicht op de onbedwelmde slacht en niet op de criteria die organisaties, die de koosjer- dan wel halalwaardigheid beoordelen, hanteren.
Hoeveel dieren zijn sinds 1 januari 2018 onbedwelmd aangesneden in de halal slacht en vervolgens afgekeurd voor afzet als halal vlees? Wat zijn hiervoor de redenen geweest? Wat is er vervolgens met het vlees van deze dieren gebeurd?
De aantallen onbedwelmd aangesneden dieren, zoals gerapporteerd in mijn brief van 28 juni jongstleden, betreft het totale aantal voor joods én islamitisch rituele slacht. Het toezicht van en de registratie door de NVWA maakt geen onderscheid voor welke ritus dit geschiedt. Het is mij niet bekend of, en zo ja op welke gronden onbedwelmd aangesneden dieren ten behoeve van halalslacht afgekeurd zijn voor afzet als halalvlees.
Kunt u bevestigen dat wanneer een dier onbewelmd wordt aangesneden, maar waarvan het vlees vervolgens wordt afgekeurd voor afzet als halal vlees, er een nieuw dier onbedwelmd wordt aangesneden om te voorzien in de vraag naar halal vlees? Zo nee, kunt u dit toelichten?
Zie antwoord vraag 5.
Is het waar dat slachterijen u hebben verzekerd dat wanneer een dier als koosjer wordt aangesneden, maar het vlees vervolgens wordt afgekeurd voor afzet op de koosjere markt, het vlees wel als halal vlees wordt geaccepteerd door de islamitische gemeenschap? Is het tevens waar dat er geen toezicht wordt gehouden op deze afzetstromen door de NVWA of een andere instantie? Zo nee, kunt u dit toelichten?
Hiervoor verwijs ik naar het antwoord in mijn brief van 28 juni jongstleden.
Wordt afgekeurd koosjer vlees dat vervolgens als halal wordt afgezet als zodanig geëtiketteerd? Zo ja, wie draagt daar zorg voor en hoe vindt de controle daarop plaats?
Het is mij niet bekend óf, en zo ja hoe vlees dat niet als koosjerwaardig wordt beschouwd, als halalwaardig wordt geëtiketteerd. Er is geen wettelijke verplichting tot etikettering; een eventuele etikettering is een private aangelegenheid.
Kunt u bevestigen dat standaard niet alle onderdelen van onbedwelmd aangesneden dieren in de koosjere slacht ook daadwerkelijk als koosjer kunnen worden aangemerkt, en dat de andere onderdelen in reguliere (of halal-)kanalen worden afgezet? Zo ja, kunt u duidelijk maken hoeveel van het hier bedoelde vlees in Nederland buiten de koosjere kanalen wordt verkocht? Kunt u bevestigen dat dit vlees niet als zodanig is geëtiketteerd waardoor consumenten die vlees kopen mogelijk producten kopen die afkomstig zijn van onbedwelmd geslachte dieren uit de koosjere slacht, zonder dat te weten?
Hiervoor verwijs ik naar hetgeen Staatssecretaris Van Dam hierover geschreven heeft in zijn brief d.d. 9 juni 2017 (Kamerstuk 31 571, nr. 29). «Circa 65% van de runderen wordt, na volgens de shechita te zijn aangesneden, op basis van de beoordeling van interne organen tóch als niet-koosjer beoordeeld door de joods-religieuze autoriteit. Daarnaast wordt de «achterhand» van karkassen altijd als niet-koosjer beschouwd. De VSV heeft mij laten weten dat ook het vlees afkomstig van deze dieren, en deze karkasdelen, een bestemming als onbedwelmd aangesneden halal kan krijgen.»
Erkent u dat u er, als er überhaupt geen toezicht plaatsvindt op de afzet van vlees van onbedwelmde slacht en etikettering ontbreekt, voor zorgt dat vlees van onbedwelmd geslachte dieren, afkomstig uit ofwel de koosjere slacht ofwel de halal slacht, als regulier vlees aan nietsvermoedende consumenten wordt verkocht? Zo nee, kunt u uitsluiten dat dit gebeurt?
Het is niet uitgesloten dat vlees, afkomstig van onbedwelmd aangesneden dieren, niet als herkenbaar «halal» of «koosjer» verkocht wordt.
Wat is volgens u de onderliggende verklaring voor het afgenomen aantal onbedwelmde slachtingen sinds 1 januari 2018?
Er zijn geen gegevens bekend die het afgenomen aantal onbedwelmde slachtingen sinds 1 januari 2018 in vergelijking met 2017 verklaren.
Welke tekortkomingen, zoals door u worden genoemd in uw brief van 28 juni jongstleden, zijn er sinds 1 januari 2018 geconstateerd bij de onbedwelmde slacht?
Zoals genoemd in mijn brief van 28 juni 2018 betreffen de geconstateerde tekortkomingen veelal een niet correct uitgevoerde fixatie van het dier bij het onbedwelmd aansnijden. Daarnaast is geconstateerd dat de fixatie opgeheven werd vóór het intreden van bewusteloosheid werd vastgesteld, of dat geen controle op bewustzijnsverlies werd uitgevoerd. Ook is geconstateerd dat de halssnede niet correct in één vloeiende beweging werd uitgevoerd. In totaal zijn in het eerste kwartaal 80 overtredingen geconstateerd, waarop 41 keer aanwijzingen voor corrigerende maatregelen zijn gegeven en 3 rapporten van bevindingen zijn aangezegd. In het tweede kwartaal is de uitvoering al verbeterd; in het tweede kwartaal zijn 21 overtredingen geconstateerd, resulterend in 15 aanwijzingen voor corrigerende maatregelen, en zijn geen rapporten van bevindingen aangezegd.
Hoeveel en welke overtredingen zijn er geconstateerd sinds 1 januari 2018? Welke maatregelen zijn hierop genomen?
Zie antwoord vraag 13.
Het afkeuren van gezonde groente en fruit door supermarkten |
|
Esther Ouwehand (PvdD) |
|
Carola Schouten (viceminister-president , minister landbouw, visserij, voedselzekerheid en natuur) (CU) |
|
|
|
|
Heeft u gezien dat er weer eens een hele oogst fruit is afgekeurd voor verkoop, 60.000 kilo pruimen dit keer, omdat de pruimen niet voldeden aan de uiterlijke eisen die de supermarkten stellen aan groente en fruit?1
Het bericht hierover op NOS.nl heb ik gelezen.
Kunt u bevestigen dat de afkeuring in dit geval het gevolg is van de eisen die supermarkten zelf stellen, maar dat ook Europese handelsnormen de verkoop van goede producten in de weg kunnen staan en regelmatig zelfs verbieden?
In dit geval is de afkeuring inderdaad het gevolg van de eisen die supermarkten zelf aan pruimen stellen; er bestaan voor pruimen namelijk geen EU-handelsnormen. Ik vind de handelwijze van supermarkten in deze betreurenswaardig, omdat zo goede en gezonde producten verspild worden
De EU-handelsnormen voor groenten en fruit zijn bedoeld om kwaliteitsgaranties aan consumenten te bieden. Daarnaast zijn zij waardevol in het handelsverkeer en bij het optimaliseren van onder meer logistieke processen. De EU-handelsnormen verbieden de verkoop van voor menselijke consumptie geschikte producten niet.
Het is echter aan marktpartijen, zoals supermarkten, om te beslissen in welke kwaliteitsklasse zij producten te koop willen aanbieden.
Deelt u de mening dat groente en fruit dat geschikt is voor menselijke consumptie gewoon als zodanig moeten kunnen worden verkocht, en dat afkeuring om andere redenen een geval vormen van onnodige en zeer laakbare voedselverspilling?
Ja, met u ben ik van mening dat deze vorm van voedselverspilling laakbaar is, zoals ik eigenlijk iedere vorm van voedselverspilling laakbaar vind; het tegengaan van voedselverspilling is dan ook één van mijn prioriteiten.
Hoe staat het met de gesprekken die u met de supermarkten zou voeren over het aanpassen van verkoopnormen die niets te maken hebben met de geschiktheid van groente en fruit voor menselijke consumptie? Bent u bereid de supermarkten aan de hand van deze casus indringend tot de orde te roepen?
Tijdens het recente AO Voedsel (19 april 2018 en 15 juni 2018) heb ik uw Kamer toegezegd met supermarkten in gesprek te gaan over het hanteren van (aanvullende) cosmetische eisen aan groenten en fruit, waarbij ik mij gesteund weet door de motie die uw Kamer heeft aangenomen2.
De directies van diverse supermarkten zijn inmiddels uitgenodigd voor een persoonlijk gesprek met mij en zij hebben deze uitnodiging aanvaard. Ik vind deze gesprekken van groot belang, omdat supermarkten, als schakel in de Nederlandse voedselketen een belangrijke rol en verantwoordelijkheid hebben bij het tegengaan van voedselverspilling.
Bent u bereid ten aanzien van de opvolging van de EU-handelsnormen een gedoogbeleid in te stellen dat erop neerkomt dat de Nederlandse Voedsel- en Warenautoriteit (NVWA) niet handhavend zal optreden als groente en fruit dat geschikt is voor menselijke consumptie, maar slechts een afwijkend uiterlijk heeft of om andere redenen worden afgekeurd, toch gewoon te koop wordt aangeboden?
Het Kwaliteits-Controle-Bureau (KCB) en de NVWA zien als onafhankelijke toezichthouders toe op de naleving van de EU-handelsnormen en niet op het al dan niet te koop aanbieden van groente en fruit met een afwijkend uiterlijk. Het instellen van een gedoogbeleid is dan ook niet nodig. Bovendien heb ik in het debat met uw Kamer al aangegeven geen voorstander te zijn van een gedoogbeleid vanwege de precedentwerking die hiervan kan uitgaan voor andere dossiers.
Deelt u de mening dat de aankondiging van een gedoogbeleid door Nederland, voor gezond groente en fruit met een iets afwijkend uiterlijk, de Europese discussie over de handelsnormen een flinke en positieve impuls zou kunnen geven?
Ten aanzien van de EU-handelsnormen heb ik u tijdens het Algemeen Overleg Voedsel toegezegd te onderzoeken of en op welke punten er binnen de EU-handelsnormen sprake is van puur cosmetische eisen en welke actie ik kan ondernemen. Op basis van de uitkomsten zal ik dit bij de Europese Commissie in Brussel aan de orde stellen met als inzet het schrappen van cosmetische eisen in handelsnormen.
De belofte dat mensen uit batch 1588 voor 19 juli duidelijkheid zouden hebben en de gevolgen voor de stressbeleving van mensen wanneer dit niet gebeurt |
|
Sandra Beckerman |
|
Eric Wiebes (minister economische zaken) (VVD), Hugo de Jonge (viceminister-president , minister volksgezondheid, welzijn en sport) (CDA) |
|
Hebben alle bewoners van de woningen in batch 1588 de brief ontvangen die u in het debat van 5 juli 2018 heeft beloofd?
Ja, de betreffende brief is in de eerste helft van juli verstuurd aan alle adressen in deze groep.
Bent u op de hoogte dat in de brief gemeld wordt dat mensen (weer) moeten wachten op het zorgvuldig in kaart brengen van welke woningen zo snel mogelijk moeten worden versterkt en dat er dus pas in september duidelijkheid lijkt te komen? Kunt u dit toelichten?
Zoals aangegeven in mijn brief aan uw Kamer op 3 juli jl. (Kamerstuk 33 529, nr. 502) hebben de Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties (BZK), de regiobestuurders en ik afgesproken dat de aanpak van de woningen in de groep van 1.588 door kan gaan op basis van de voorbereide versterkingsadviezen, ook als deze woningen volgens de laatste inzichten voldoen aan de veiligheidsnorm. Daarmee is de gewenste duidelijkheid voor deze bewoners gegeven. Hoe vervolgens het uitvoeringsproces eruit ziet, zal per woning verschillen, bijvoorbeeld afhankelijk van of het om corporatiebezit of een particuliere woning gaat, en vraagt daarom meer aandacht.
Deelt u de mening dat er dus nog steeds geen duidelijkheid bestaat? Kunt u dit toelichten?
Zie antwoord vraag 2.
Bent u op de hoogte dat er mensen zijn die van verschillende mensen bij de Nationaal Coördinator Groningen (NCG) hebben gehoord dat ze bij de batch 1588 horen, ineens niet meer bij deze batch blijken te horen en de beloofde brief niet hebben ontvangen en maar weer moeten wachten tot september, terwijl zij al wel een versterkingsadvies hebben ontvangen? Wat is hierop uw reactie?
Aan alle adressen die behoren tot de groep van 1.588 is, zoals eerder aangegeven, een brief verstuurd over het vervolg van de versterking, in navolging van eerdere schriftelijke communicatie over het verloop van het versterkingsproces voor deze groep. De samenstelling van deze groep is tussentijds niet gewijzigd. Bewoners met vragen over hun specifieke situatie kunnen hierover navraag doen bij de NCG.
Herinnert u zich dat u in februari 2018 in antwoord op Kamervragen schreef dat «het wegnemen van de oorzaken van stress en onzekerheid» de hoogste prioriteit had?1 Staat u daar nog achter?
Ja. Met het besluit om de gaswinning op een zo kort mogelijke termijn volledig te beëindigen heeft het kabinet er bewust voor gekozen om de aardbevingenproblematiek in Groningen bij de oorzaak aan te pakken.
Kunt u bevestigen dat op deze manier het wantrouwen steeds groter wordt en er van herstel van vertrouwen absoluut geen sprake is? Deelt u de mening dat het vergroten van wantrouwen leidt tot stress en daarmee tot grote gezondheidsrisico’s met mogelijk de dood tot gevolg? Wat gaat u doen om dat toch het vertrouwen te herstellen?
Deze mening deel ik niet. De problematiek die als gevolg van de gaswinning in de omgeving van het Groningenveld is ontstaan, is complex en heeft de afgelopen jaren veel losgemaakt in Groningen. Het herstel van het vertrouwen van de inwoners van Groningen zal begrijpelijkerwijs tijd nodig hebben, en ontstane psychische en andere gezondheidsproblemen die verband houden met de aardbevingenproblematiek vragen aandacht – zie hiervoor ook mijn antwoord op vraag 8.
Dit laat onverlet dat in relatief korte tijd significante stappen zijn gezet: het kabinetsbesluit om de gaswinning versneld en volledig af te bouwen betekent een koerswijziging. De deskundigen stellen dat dit grote positieve impact zal hebben op de veiligheid in Groningen en dat hierdoor minder omvangrijke en ingrijpende versterking van woningen nodig zal zijn (Kamerstuk 33 529, nr. 498). Daarnaast is de afhandeling van schade inmiddels onafhankelijk van NAM georganiseerd en is een wetsvoorstel voor de verankering van de publieke schadeafhandeling onlangs in consultatie geweest. Samen met de Minister van BZK ben ik in overleg met de bestuurders in de regio over het vervolg van de versterkingsoperatie en over investeringen in een nieuw toekomstperspectief voor Groningen.
Hoeveel van de 50 mensen uit de groep «Heft in eigen hand» hebben inmiddels een veilig huis? Hoe gaat het met deze mensen? Ondervinden zij stressklachten? Hoe gaat het met de mensen die zich hebben aangemeld bij het vervolg »Eigen initiatief»? Wat is de stand van zaken op dit moment?
Op dit moment zijn er zes woningen uit de groep Heft in Eigen Hand opgeleverd en zijn er vier woningen opgekocht. Negen projecten zijn in uitvoering, waarvan er twee bestaan uit meerdere woningen. Voor de overige woningen zullen de werkzaamheden op korte termijn starten. De NCG laat weten dat de deelnemers aan Heft in Eigen Hand het proces over het algemeen als intensief ervaren, maar blij zijn met de mogelijkheden die het programma biedt.
Voor de woningen in het programma Eigen Initiatief geldt dat de versterking van de woningen waarvoor voor 24 april 2018 een versterkingsadvies was opgeleverd volgens dit advies wordt voortgezet. De versterking van de overige woningen wordt betrokken bij de implementatie van het Mijnraadadvies (Kamerstuk 33 529, nr. 502), waarover in september nadere besluitvorming plaatsvindt.
Bent u er van op de hoogte dat het door u in februari 2018 aangekondigde «plan van aanpak gezondheidsgevolgen» van het RIVM en de GGD er nog steeds niet is?2 Wat is daarop uw reactie? Bent u bereid te zorgen dat dit plan van aanpak zo snel mogelijk gereed is en in gebruik wordt genomen? Kunt u dat toelichten?
GGD Groningen heeft in opdracht van de NCG een plan van aanpak opgesteld. Dit plan is in juni geaccordeerd door de NCG en is in te zien via de website van GGD Groningen.3 GGD Groningen kiest met dit plan, in overleg met NCG, voor een nadere verkenning van al ontwikkelde of in ontwikkeling zijnde lokale initiatieven.
Het is zaak voor GGD Groningen om de uiteenlopende behoeften voor extra ondersteuning van gemeenten en andere regionale partners zodanig te expliciteren, dat zij hun expertise op gezondheidsbescherming en -bevordering kunnen omzetten in concrete activiteiten. In gesprekken tussen GGD Groningen en de verschillende gemeenten, professionals en burgerinitiatieven worden de wensen voor extra ondersteuning steeds helderder. Daardoor kunnen gerichte activiteiten op wijk- en dorpsniveau desgewenst worden ondersteund en waar nodig aangevuld. Het RIVM ondersteunt GGD en NCG met haar expertise en netwerk wanneer daar behoefte aan is.
Overigens kan ik berichten dat ik inmiddels, conform de motie-Dik-Faber c.s. (Kamerstuk 34 957, nr. 38), een bedrag van € 100.000,– op jaarbasis beschikbaar heb gesteld voor de uitvoering van het in deze motie genoemde interlevensbeschouwelijk team van geestelijk verzorgers.
De Primarkpremie |
|
Jasper van Dijk (SP) |
|
Tamara van Ark (staatssecretaris sociale zaken en werkgelegenheid) (VVD) |
|
|
|
|
Wat is uw reactie op het bericht «FNV wil strengere regels voor lage-inkomensvoordeel»?1
Ik heb nog geen signalen ontvangen die de stelling van de FNV onderschrijven dat het LIV een loonsverhoging in de weg zou staan. In het eerste halfjaar van 2018 zijn de cao-lonen2 met 1,8 procent toegenomen. De cao-loonontwikkeling van de eerste maand in het derde kwartaal bedraagt 2,2 procent3. Bovendien stijgen de uurloongrenzen van het LIV elk jaar mee met de gemiddelde contractloonstijging van het minimumloon. Dus bij een dergelijke loonstijging blijft het recht op LIV bestaan. Aan de andere kant is de regeling pas recent ingevoerd en er zijn daarom nog geen harde cijfers bekend over de effecten op de loonvorming. Gedragseffecten rondom de uurloongrenzen zijn bovendien niet helemaal uit te sluiten. Voor mij staat het stimuleren van werkgelegenheid aan de onderkant van de arbeidsmarkt voorop.
Herkent u de signalen die de vakbond krijgt, dat bedrijven de lonen met opzet laag houden om van de lage-inkomensvoordeel (LIV)-regeling te kunnen blijven profiteren?
Zie antwoord vraag 1.
Is er sprake van afname van werkgelegenheid in de loongroepen vlak boven de LIV-grens?
De werkgelegenheid neemt over de hele linie toe. In het tweede kwartaal van 2018 hadden ruim 8,7 miljoen mensen betaald werk. Ten opzichte van het eerste kwartaal van 2018 is het aantal werkenden met 51 duizend toegenomen4. Hoe de werkgelegenheidseffecten zijn verdeeld over de loongroepen kan worden betrokken bij de geplande evaluatie. De regeling is immers net nieuw en er zijn daarom nog geen harde cijfers beschikbaar over de werkgelegenheidseffecten.
Bent u bereid bijvoorbeeld het Centraal Planbureau (CPB) te laten onderzoeken of het LIV de loonontwikkeling aan de onderkant van de arbeidsmarkt afremt?
Een onderzoek door het CPB lijkt mij prematuur. Het LIV is pas afgelopen maand voor het eerst uitbetaald. Bovendien is in de vormgeving van het LIV al rekening gehouden met grenseffecten. Zo stijgen de uurloongrenzen van het LIV elk jaar mee met de gemiddelde contractloonstijging van het minimumloon, zodat bij een dergelijke loonstijging het recht op LIV blijft bestaan. Daarnaast is er, om grenseffecten te beperken, in de vormgeving voor gekozen om het LIV geleidelijk af te bouwen van € 2.000 voor lonen tussen 100% en 110% van het WML naar
€ 1.000 voor lonen tussen 110% en 125% van het WML.
Hoeveel LIV-subsidie kreeg Primark over het jaar 2017? Kunt u dit uitsplitsen naar jeugd-LIV en regulier LIV?
Eerder dit jaar heb ik uw Kamer onderstaand overzicht verstrekt van de verdeling van de LIV-gelden op sectorniveau.
33
Horeca algemeen
13%
17
Detailhandel en ambachten
12%
52
Uitzendbedrijven
7%
12
Metaal- en technische bedrijfstakken
6%
66
Overheid, overige instellingen
6%
42
Groothandel II
5%
45
Zakelijke dienstverlening III
5%
1
Agrarisch bedrijf
5%
35
Gezondheid
4%
20
Havenbedrijven
4%
19
Grootwinkelbedrijf
4%
18
Reiniging
3%
44
Zakelijke dienstverlening II
3%
51
Algemene industrie
3%
32
Overig goederenvervoer
2%
41
Groothandel I
2%
64
Overheid, provincies en gemeenten
2%
10
Metaalindustrie
1%
13
Bakkerijen
1%
16
Slagers overig
1%
43
Zakelijke dienstverlening I
1%
50
Voedingsindustrie
1%
55
Overige takken van bedrijf en beroep
1%
Overige sectoren
8%
100%
Voor de sectorindeling is aangesloten bij de sectorcode WGA.
Afgerond op een heel getal.
Uit dit overzicht blijkt dat de horeca en de detailhandel de grootste ontvangers zijn. Ik acht het, vanuit privacy overwegingen, niet wenselijk om dit soort bedrijfsvertrouwelijke informatie op werkgeversniveau te verstrekken.
Wilt u dit ook voor McDonalds, H&M, Zara, Jumbo en Albert Heijn aangeven?
Zie antwoord vraag 5.
Wat zijn de tien grootste ontvangers van een LIV-subsidie?
Zie antwoord vraag 5.
Hoe biedt u transparantie over wat met het belastinggeld via het LIV gebeurt?
Het LIV wordt verstrekt op basis van objectieve voorwaarden die in de wet zijn vastgelegd. Hiermee is de basis gelegd voor een rechtmatige uitvoering. Daarnaast worden de middelen die gemoeid zijn met het LIV via de begroting SZW verantwoord. Ik ben graag bereid met uw Kamer daarover in debat te gaan tijdens de begrotingsbehandeling.
In welke mate wordt het LIV ingezet voor subsidiëring van werknemers die vanuit andere Europese landen in Nederland aan het werk gaan?
In mijn brief van 18 februari jl. met daarin een overzicht van de verdeling van de LIV-gelden over de sectoren (zie ook vraag5, heb ik aangegeven dat dit naar verwachting een geringe fractie is van het totaal. Zoals ik in het AO Arbeidsmarktbeleid van 14 februari jl. heb toegezegd zal ik de vinger aan de pols houden met betrekking tot samenloop van LIV en de ET-regeling en uw Kamer daarover voor het einde van dit jaar informeren. UWV is bezig met de voorbereiding van een analyse op de beschikbare data in de polisadministratie. Ik verwacht u nog voor de begrotingsbehandeling over de uitkomsten te kunnen informeren.
Hoeveel procent van de LIV-subsidie wordt uitgekeerd voor personen voor wie ook gebruik wordt gemaakt van de extraterritoriale kostenvergoeding (ET-regeling), die dient voor aftrek van extra (huisvestings)kosten voor mensen van buiten Nederland die hier komen werken? Indien dit niet bekend is; bent u bereid dit te laten uitzoeken?
Zie antwoord vraag 9.
Hoeveel procent van het LIV wordt besteed aan mensen uit het doelgroepenregister?
De mensen met een arbeidsbeperking van de banenafspraak die geregistreerd zijn in het doelgroepregister, komen over het algemeen niet in aanmerking voor het LIV, omdat er specifiek voor deze groep een LKV doelgroep banenafspraak is
gekomen met ingang van 1 januari 2018. Daarbij wordt aangetekend dat het LIV en LKV niet kunnen samenlopen (alleen het hoogste bedrag van de twee regelingen wordt uitbetaald). Na afloop van het LKV, voor nieuwe gevallen voor het eerst vanaf 2021, kunnen deze mensen wel onder het LIV-regime vallen, omdat het LKV gemaximeerd is op drie jaar.
Is het midden- en kleinbedrijf (MKB) representatief vertegenwoordigd bij de uitkering van LIV-subsidies?
De grootte van het bedrijf is geen criterium voor toekenning van het LIV. In dit licht is het moeilijk cijfermatig te onderbouwen hoe groot het aandeel van het MKB is.
Onderkent u dat het feit dat toeslagen voor werknemers meegeteld worden bij het vaststellen van het totale loon, een perverse prikkel vormt voor werkgevers om zo min mogelijk toeslagen af te spreken in de CAO?
Het afsluiten van een CAO valt onder de verantwoordelijkheid van sociale partners. Beide partijen onderhandelen hierover om te komen tot een fatsoenlijke beloning. Dat hierbij rekening wordt gehouden met bestaande fiscale regelingen is onderdeel van het onderhandelingsproces.
Vindt u deze subsidie voor grote winstgevende bedrijven zoals Primark en Jumbo gerechtvaardigd? Zo ja, kunt u dat onderbouwen?
De grootte en/of de winstgevendheid van een bedrijf is geen criterium voor het recht op LIV. Het LIV beoogt met een gerichte lastenverlichting aan de onderkant van de arbeidsmarkt het voor werkgevers financieel aantrekkelijker te maken om mensen met een loon tussen 100% en 125% van het minimumloon in dienst te nemen en te houden. Op deze manier worden de lasten op arbeid lager en nemen de kansen op werk aan de onderkant van de arbeidsmarkt toe zonder dat dit ten koste gaat van de inkomenszekerheid van werknemers. Dit geldt ook voor supermarkten en modeketens.
Het bericht dat de nieuwe ontslagwet slecht is voor werknemers |
|
Jasper van Dijk , Bart van Kent (SP) |
|
Wouter Koolmees (minister sociale zaken en werkgelegenheid) (D66) |
|
|
|
|
Wat is uw oordeel over het bericht dat de nieuwe ontslagwet slecht voor werknemers is?1
Ik heb kennisgenomen van het bericht in dagblad Trouw van 19 juli 2018. Het is opgesteld naar aanleiding van het rapport van de Inspectie SZW «Ontslag aangevraagd en dan?», dat ik begin juli heb aangeboden aan uw Kamer1.
De Inspectie SZW heeft onderzocht hoe UWV de ontslagtoets op bedrijfseconomische gronden uitvoert, hoe deze toets wordt ervaren door werknemers en of er risico’s bestaan bij de uitvoering van die toets. Naast positieve bevindingen over de werkwijze van UWV is de Inspectie SZW op onderdelen ook kritisch. In het bericht worden de kritiekpunten besproken; het bericht dat de nieuwe (sedert 1 juli 2015) geldende wetgeving op het gebied van ontslag «slecht» zou zijn voor werknemers, deel ik niet.
Deelt u de mening van de Inspectie SZW dat het risico groot is dat werknemers met een vast dienstverband worden vervangen door goedkopere flexwerkers, terwijl dit niet is toegestaan?
Ik hecht er in zijn algemeenheid sterk aan te voorkomen dat (goedkopere) flexwerkers de plaats innemen van ontslagen werknemers.
Voorop staat dat het wettelijk verboden is om werknemers te ontslaan met als doel hen te vervangen door goedkopere (al dan niet flexibele) arbeidskrachten.
UWV toetst daar ook op en geeft geen toestemming voor ontslag wanneer aannemelijk is dat de werkgever de werkzaamheden wil uitbesteden met als enige doel om deze te laten verrichten door goedkopere (al dan niet flexibele) arbeidskrachten.
Als een werkgever binnen 26 weken na het ontslag vacatureruimte krijgt voor dezelfde werkzaamheden als de werkzaamheden die de ontslagen werknemer verrichtte, dan is hij verplicht de ontslagen werknemer aan te bieden het werk te hervatten. Wanneer de werkgever dat niet doet kan de werknemer de werkgever daarop aanspreken en via de civiele rechter afdwingen dat hij zijn oude functie terugkrijgt.
De Inspectie SZW heeft 711 werknemers voor wie een ontslagvergunning is aangevraagd ongeveer 1,5 jaar daarna gevraagd naar hun ervaring met de ontslagprocedure. Een deel van hen heeft aangegeven dat zij het gevoel hebben te zijn vervangen door flexwerkers. Het enkele vermoeden dat zij daarover hadden kan dus afwijken van de werkelijkheid. Dat is door de Inspectie SZW niet nader feitelijk onderzocht. In het rapport van de Inspectie SZW wordt daarom ook uitdrukkelijk gezegd dat deze conclusie is gebaseerd op «de perceptie van een deel van de ondervraagde werknemers».
Het is voor mij van groot belang dat zowel werkgevers als werknemers op de hoogte zijn en blijven van deze (wederindiensttredings-)voorwaarde en van de gevolgen die overtreding ervan met zich brengt. De voorwaarde zal daarom onveranderd worden opgenomen in de beschikking van het UWV.
Om werknemers beter te informeren over de wederindiensttredingsvoorwaarde heeft UWV de website werk.nl inmiddels op dit onderdeel uitgebreid. Voorts zal nader worden bezien hoe de digitale informatieverstrekking vanuit UWV nog verder kan worden verbeterd en geoptimaliseerd. Ook zal door de adviseurs van UWV tijdens klantencontacten in het kader van de WW (meer) aandacht worden besteed aan de wederindiensttredingsvoorwaarde. Zij zullen de ontslagen werknemers attenderen op eventuele vacatures bij hun voormalig werkgever.
Deelt u de mening dat het UWV niet in hoge mate mag afgaan op informatie van het bedrijf, zonder de werknemer te horen? Zo ja, wat is uw oordeel over de huidige werkwijze van het UWV bij de behandeling van ontslagaanvragen?
In iedere ontslagprocedure geldt het beginsel van hoor en wederhoor. Dat houdt in dat beide partijen zich over en weer moeten kunnen uitlaten over elkaars standpunten. Dat is ook wat in de praktijk gebeurt. Naar mijn oordeel is er een evenwichtige en zorgvuldige procedure ingericht die door het UWV wordt uitgevoerd. De Inspectie SZW oordeelt in haar rapport positief over de uitvoering door UWV van de wet- en regelgeving inzake het bedrijfseconomische ontslag. Dat oordeel deel ik.
Bij een ontslag wegens bedrijfseconomische redenen is het de werkgever die (schriftelijk) aannemelijk moet maken dat het voorgenomen ontslag een rechtsgeldig bedrijfseconomisch ontslag is. De werknemer krijgt op zijn beurt de gelegenheid zich (schriftelijk) tegen de ontslagaanvraag te verweren. Hij krijgt daartoe inzicht in alle door de werkgever aangeleverde informatie. Het UWV toetst of wat door de werkgever is aangevoerd het verzoek om toestemming voor het ontslag voldoende ondersteunt en of en in hoeverre het gevoerde verweer van de werknemer daar een ander licht op werpt en/of nadere vragen oproept. Dat leidt in sommige gevallen tot een of meer extra rondes van hoor en wederhoor. Mondeling horen van partijen, zoals in het bericht wordt aangegeven, is mogelijk. Als dit naar het oordeel van het UWV nodig is, gaat het UWV hiertoe over. Dat komt een enkele keer voor. De procedure bij UWV is een kortdurende procedure met streeftermijnen die variëren van vier tot acht weken. Daarbij teken ik aan dat altijd is benadrukt dat de beoogde korte doorlooptijd niet ten koste mag gaan van de zorgvuldigheid waarmee de procedure moet worden uitgevoerd. Het standaard toevoegen van een mondelinge ronde van hoor en wederhoor in deze procedure gaat ten koste van de snelheid ervan.
Wat is uw mening over de suggestie van arbeidsrechtadvocaten, dat een mondelinge ontslagprocedure waarbij de werknemer wordt gehoord, een oplossing kan bieden?
Zie antwoord vraag 3.
Deelt u de mening dat het UWV behoorlijk tekortschiet door het waarheidsgehalte van de informatie van de werkgever bij een ontslagaanvraag niet of nauwelijks te controleren?
Nee, deze mening in het bericht deel ik niet. Het UWV handelt zorgvuldig door de door de werkgever aangeleverde informatie te controleren op volledigheid en consistentie. Als de informatie onduidelijk is of als UWV twijfelt aan de juistheid van de informatie, worden door UWV nadere vragen gesteld aan de werkgever. In zijn verweer kan de werknemer de door de werkgever aangevoerde feiten en argumenten ter discussie stellen. Dat kan voor UWV aanleiding zijn om nadere vragen te stellen of gegevens uit te vragen in een tweede ronde van hoor en wederhoor. Blijft ook dan twijfel bestaan, dan geeft UWV geen toestemming voor ontslag.
Evenals de civiele rechter, baseert het UWV zich op de gegevens die door partijen in de procedure naar voren worden gebracht. Deze worden niet uit eigen hoofde geverifieerd.
De werkgever dient aan het UWV méér financiële gegevens aan te leveren dan het UWV elders zelf, bij bijvoorbeeld de Kamer van Koophandel, kan verifiëren. Ook een eventuele check in de polisadministratie van UWV, zoals de Inspectie SZW in haar rapport suggereert, levert niet méér informatie op dan de werkgever zelf aanlevert, aangezien de polisadministratie juist is gebaseerd op gegevens die van de werkgever afkomstig zijn. Eventuele verificatie uit eigen hoofde is dan ook niet zinvol en zou de procedure aanzienlijk en onnodig vertragen.
Deelt u de mening dat het schokkend is dat eenderde van de werknemers aangeeft dat hun werkgever feitelijk onjuiste bedrijfsinformatie verstrekte voor het ontslag? Zo ja, welke maatregelen gaat u nemen tegen werkgevers die zich hier schuldig aan maken? Zo nee, waarom niet?
Het verstrekken van onjuiste informatie aan UWV kan niet worden getolereerd en moet in voorkomende gevallen worden gesanctioneerd. De wet voorziet reeds in maatregelen. Als tijdens de procedure bij UWV aan het licht komt dat de werkgever onjuiste informatie verschaft, verkrijgt hij geen toestemming voor ontslag. Als achteraf mocht blijken dat de werkgever onder valse of voorgewende redenen toestemming heeft gekregen voor ontslag dan kan de werknemer zich tot de rechter wenden om herstel van de arbeidsovereenkomst te vorderen.
Echter, evenals bij de beantwoording van uw vragen 2 en 7, wil ik ook bij de beantwoording van deze vraag niet onvermeld laten dat het krantenbericht waarnaar wordt verwezen weliswaar stellig beweert dat een derde van de ontslagen werknemers die meededen aan het onderzoek aangeeft dat hun werkgever feitelijk onjuiste bedrijfsinformatie verstrekte voor het ontslag, maar dat de Inspectie SZW zelf in haar rapport uitdrukkelijk opmerkt dat het gaat om «percepties van werknemers, die kunnen afwijken van de werkelijkheid».
Deelt u de mening dat het schandalig is dat werkgevers ermee wegkomen wanneer ze werknemers ontslaan en even later flexwerkers inhuren voor dezelfde klus? Zo nee, welke kwalificatie geeft u aan het niet naleven van de wet? Zo ja, welke maatregelen gaat u nemen om de nalevering van de wet te garanderen?
Zie antwoord vraag 2.
Wat doet u met de mededeling van de Inspectie SZW dat zij de wet «ter discussie stelt»?
Met de kanttekening dat het gaat om niet nader onderzochte percepties van een beperkte groep, en dat werkgevers niet afzonderlijk in het onderzoek zijn betrokken, neem ik het signaal dat met het rapport is afgegeven serieus. De Inspectie SZW heeft zich, naast positieve bevindingen, op onderdelen kritisch getoond. Het UWV heeft dan ook een aantal maatregelen genomen waardoor werknemers nog beter zullen worden voorzien van de benodigde informatie om hun rechten goed te kunnen uitoefenen, met name op het gebied van de wederindiensttredingsvoorwaarde en de mogelijkheid van een beroep op de rechter (als men het met de beslissing van UWV niet eens is). In aanvulling op de informatie op de website werk.nl en in klantbrieven tijdens de procedure, heeft UWV aangegeven nader te bezien of nog beter ingespeeld kan worden op de door de Inspectie SZW kenbaar gemaakte behoefte.
De weigering van Israël om parlementariërs toe te laten tot Gaza |
|
Sadet Karabulut |
|
Stef Blok (minister buitenlandse zaken) (VVD) |
|
Bent u ermee bekend dat mij, om politieke redenen, de toegang tot Gaza is geweigerd door Israël?1
Het is het Ministerie van Buitenlandse Zaken bekend dat u geen toestemming is verleend om Gaza in te reizen via de grensovergangen met Israël.
Wat is het precieze Israëlische beleid wat betreft toegang van parlementariërs tot Gaza? Klopt het dat deze toegang categorisch geweigerd wordt?
Israël staat slechts bij zeer hoge uitzondering toe dat parlementariërs Gaza bezoeken. Parlementariërs worden in de regel niet toegelaten omdat Israël wil voorkomen dat – bewust of niet – legitimiteit wordt gegeven aan de de facto autoriteiten in Gaza. Vertegenwoordigers van regeringen, die meestal een strikte no contact policy hanteren, journalisten en humanitaire werkers worden normaal gesproken wel toegelaten, afhankelijk van de specifieke omstandigheden en de veiligheidssituatie.
Deelt u de mening dat het zeer onwenselijk is dat parlementariërs Gaza niet in mogen om met eigen ogen kennis te nemen van de ernst van de humanitaire crisis in dat deel van de bezette Palestijnse gebieden, die grotendeels het gevolg is van de illegale blokkade door Israël?
Het is onwenselijk dat parlementariërs moeilijk Gaza in komen om kennis te nemen van de situatie ter plekke, en om projecten te bezoeken die Nederland en andere donoren financieren met als doel de omstandigheden in Gaza te verbeteren.
Bent u bereid hierover contact op te nemen met de Israëlische autoriteiten, er op aan te dringen dat parlementariërs in de toekomst wel toegelaten zullen worden en de Kamer te informeren over het resultaat? Zo nee, waarom niet?
De ambassade in Tel Aviv en de Vertegenwoordiging in Ramallah dringen bij de Israëlische autoriteiten aan op de toegang van Nederlanders tot Gaza, inclusief de verzoeken van parlementariërs om naar Gaza te gaan. Ook in onderhavig geval hebben de posten Tel Aviv en Ramallah dat gedaan. Toegang tot Gaza blijft echter afhankelijk van de toestemming van de Israëlische autoriteiten.
Het achterblijven van verhoogde thuiszorgtarieven |
|
John Kerstens (PvdA) |
|
Hugo de Jonge (viceminister-president , minister volksgezondheid, welzijn en sport) (CDA) |
|
|
|
|
Bent u bekend met het artikel van Zorgvisie «BNT: gemeenten blijven achter met tariefverhoging HHT»1?
Ja.
Klopt het dat het gros van de gemeenten nog geen plannen heeft om de zorgtarieven te verhogen conform de nieuwe CAO voor de Verpleging, Verzorging en Thuiszorg (VVT)?
Het is nog te vroeg om landelijk vast te stellen op welke wijze gemeenten de cao-afspraken, die dit jaar voor de verpleging, verzorging en thuiszorg zijn gemaakt, hebben vertaald naar de gemeentelijke zorgtarieven.
Sociale partners hebben dit jaar op verschillende momenten nieuwe afspraken gemaakt over de arbeidsvoorwaarden in de verpleging, verzorging en thuiszorg:
Op 29 maart is een cao-afspraak over de invoering van een nieuwe loonschaal voor huishoudelijke hulpen bij het Ministerie van Sociale zaken aangemeld. Bij de aanmelding van deze cao-afspraak is tevens een verzoek tot algemeen verbindend verklaring ingediend bij het Ministerie van Sociale Zaken en Werkgelegenheid. De cao-afspraak over de nieuwe loonschaal is op 7 mei jl. algemeen verbindend verklaard. Dat betekent dat de nieuwe loonschaal op basis van de cao-afspraken per 1 april jl. toegepast dient te worden door leden van de bij de cao betrokken werkgeversorganisaties en per 7 mei jl. ook dient te worden toegepast door overige aanbieders van huishoudelijke hulp in het kader van de Wet maatschappelijke ondersteuning.
In juni 2018 is door sociale partners een onderhandelingsakkoord bereikt over een nieuwe cao Verpleging, Verzorging en Thuiszorg (VVT) met een looptijd van 1 april 2018 tot en met 30 juni 2019. In dit onderhandelingsakkoord is onder andere een algemene salarisverhoging van 4% per 1 oktober 2018 afgesproken. De nieuwe cao is vervolgens bij het Ministerie van Sociale Zaken en Werkgelegenheid aangemeld en daarbij is een verzoek tot algemeen verbindend verklaring ingediend. Over dit verzoek is op het moment van schrijven nog geen besluit genomen. De nieuwe cao dient door leden van de betrokken sociale partners met terugwerkende kracht te worden toegepast vanaf 1 april 2018. Voor overige (niet-gebonden) aanbieders op het terrein van verpleging, verzorging en thuiszorg dient de cao te worden toegepast vanaf het moment dat deze algemeen verbindend wordt verklaard.
Op grond van de Wet maatschappelijke ondersteuning en het Besluit reële prijs dienen gemeenten rekening te houden met bovenstaande cao-afspraken bij de vaststelling van hun tarieven. Het vaststellen van lokale tarieven vergt telkens zorgvuldig onderzoek naar de kostenopbouw voor de specifiek gecontracteerde diensten en overleg tussen gemeenten en betrokken aanbieders. Dit onderzoek en het overleg tussen gemeenten en betrokken aanbieders kost tijd. Het is van belang dat gemeenten en aanbieders goede afspraken maken over het proces van tariefvaststelling en de gesprekken hierover tijdig aangaan en transparant voeren.
Over de omgang met jaarlijkse loon- en prijsstijgingen (waarvan de afgesproken algemene salarisverhoging van 4% een voorbeeld vormt) worden doorgaans jaarlijkse of meerjaarlijkse afspraken tussen gemeenten en aanbieders gemaakt. In deze afspraken wordt dan bepaald op welke wijze tarieven worden aangepast ten behoeve van jaarlijkse loon- en prijsstijgingen. De invoering van de nieuwe loonschaal voor huishoudelijke hulpen betreft een grotere wijziging in de arbeidsvoorwaarden en vergt derhalve in de meeste gevallen dat de tarieven voor huishoudelijke hulp opnieuw tegen het licht worden gehouden. Doordat de cao-afspraak over de invoering van de nieuwe loonschaal eerst op 29 maart jl. is aangemeld bij het Ministerie van Sociale Zaken en Werkgelegenheid en het besluit over de algemeen verbindend verklaring eerst op 7 mei jl. is genomen, kon van gemeenten niet verwacht worden dat zij voor 1 april de tarieven hadden aangepast.
Sociale partners hebben dit bij het afsluiten van de cao-afspraak over de nieuwe loonschaal voor huishoudelijke hulpen reeds voorzien en in verband hiermee een uitgebreide inwerkingtredingbepaling opgenomen. Deze inwerkingtredingbepaling komt er op neer dat aanbieders de uitbetaling conform de nieuwe loonschaal kunnen opschorten tot (a) 1 januari 2019 of (b) tot het moment dat er met de gemeente overeenstemming over de doorvertaling van de nieuwe loonschaal naar de gemeentelijke tarieven is bereikt (als dit moment voor 1 januari 2019 ligt).
Op grond van deze afspraak hebben gemeenten en aanbieders nog tot 1 januari 2019 de tijd om in goed overleg tot nieuwe tarieven te komen waarin de nieuwe loonschaal voor huishoudelijke hulpen is meegewogen. Het Besluit reële prijs vormt hiertoe het kader.
Herkent u het geschetste beeld dat gemeenten achterblijven als het gaat om het hanteren van reële tarieven voor thuiszorg?
Zie antwoord vraag 2.
Deelt u de zorg dat als gemeenten tarieven (blijven) hanteren die onder de kostprijs liggen, dit niet houdbaar is voor thuiszorgorganisaties (met faillissementen en dus ontslagen als gevolg), als ook dat langer thuiswonen daardoor «fictie» wordt?
Ik deel het belang van reële tarieven voor kwalitatief goede en duurzame zorg. Vanwege dit belang is in de Wet maatschappelijke ondersteuning 2015 de verplichting opgenomen een reële prijs te hanteren. Deze verplichting is nader uitgewerkt in het Besluit reële prijs. Op grond van dit Besluit dienen gemeenten lokaal in kaart te brengen met welke kosten aanbieders op grond van de gestelde gemeentelijke kwaliteitseisen te maken hebben en daar hun tarief op te baseren.
Bent u het eens met de in het artikel verkondigde stelling, dat gemeenten die tarieven onder een reëel niveau hanteren uiteindelijk in hun eigen voet schieten omdat thuiszorg de goedkoopste vorm van zorg is?
Zie antwoord vraag 4.
Wat gaat u doen om ervoor te zorgen dat gemeenten reële tarieven voor thuiszorg gaan hanteren, zodat thuiszorgorganisaties toekomst hebben, hun medewerkers een fatsoenlijk cao-loon kunnen krijgen en cliënten thuiszorg krijgen?
De Wet maatschappelijke ondersteuning en het Besluit reële prijs bevatten waarborgen om te komen tot reële tarieven voor Wmo dienstverlening. Het is aan gemeenten en aanbieders om het Besluit op een goede manier toe te passen in hun overleg en afspraken over tarieven.
Het Besluit reële prijs is op 1 juni 2017 in werking getreden en is derhalve nog relatief nieuw. Om gemeenten en aanbieders te ondersteunen bij de implementatie van het Besluit reële prijs is in 2017 de regiegroep monitoring reële prijs ingesteld. In deze regiegroep zijn Actiz, Btn, FNV, CNV, de VNG en het Netwerk van Directeuren Sociaal Domein (NDSD) vertegenwoordigd. De regiegroep wordt voorgezeten door het Ministerie van Volksgezondheid, Welzijn en Sport. Door de regiegroep zijn tot op heden diverse producten vervaardigd en verspreid om gemeenten en lokale partijen te ondersteunen bij de invoering van het Besluit reële prijs.2 Daarnaast heeft de regiegroep de taak op zich genomen om door gemeenten of aanbieders ingebrachte signalen over een (mogelijk) onjuiste toepassing van het Besluit reële prijs te onderzoeken. Hiertoe is een zorgvuldige onderzoeksprocedure afgesproken en is een onafhankelijk deskundige verzocht om de regiegroep te ondersteunen.
Aanvankelijk was afgesproken dat de werkzaamheden van de regiegroep per 1 april 2018 zouden worden beëindigd. De sociale partners hebben dit voorjaar, mede met het oog op de invoering van de nieuwe loonschaal voor huishoudelijke hulpen, voorgesteld om de regiegroep nog langer in stand te houden. Ik heb gevolg gegeven aan dit verzoek. Daarom heb ik in overleg met de deelnemende partijen procesafspraken gemaakt zodat de regiegroep de werkzaamheden kan voortzetten tot 1 januari 2019. Sociale partners en VNG hebben het plan om dit najaar nog regionale werksessies voor gemeenten en aanbieders te organiseren. Idee hierbij is dat algemene geleerde lessen vanuit de reeds plaatsgevonden regiegroeponderzoeken tijdens deze werksessies kunnen worden gedeeld met aanbieders en gemeenten, waarmee wordt geïnvesteerd in een lerende praktijk en een goede implementatie van het Besluit reële prijs. Ik juich dit initiatief toe en ben bereid dit te faciliteren.
Naast de werkzaamheden van de regiegroep is recent ook gestart met het in het Besluit reële prijs voorziene evaluatieonderzoek. In dit onderzoek wordt over meerdere jaren breed onderzocht hoe gemeenten en aanbieders invulling geven aan het Besluit reële prijs. De eerste meting vanuit het onderzoek vindt in november 2018 plaats. Bij deze meting zal onder andere breed in kaart worden gebracht (1) of gemeenten de invoering van de nieuwe loonschaal hebben vertaald naar de gemeentelijke tarieven en (2) tot welke tariefwijzigingen dit heeft geleid. De resultaten uit deze meting zijn naar verwachting begin 2019 beschikbaar.
Buiten de regiegroep en het evaluatieonderzoek om hebben de sociale partners recent een tarievenkaart gepubliceerd. Aan deze kaart wordt ook gerefereerd in het artikel dat door u wordt genoemd in vraag 1. Op de tarievenkaart wordt voor individuele gemeenten met vlaggen aangegeven of er volgens de initiatiefnemers van de kaart een reëel tarief wordt gehanteerd. Uit de kaart en de uitspraken die sociale partners op basis van de kaart doen, ontstaat het beeld dat het merendeel van de gemeenten in Nederland achterblijft met de verhoging van de tarieven. Ik kan dit beeld niet rijmen met de afspraken die sociale partners hebben gemaakt ten behoeve van de invoering van de nieuwe loonschaal. Men heeft immers afgesproken dat gemeenten en aanbieders tot 1 januari 2019 de tijd hebben om tot een nieuw tarief te komen. Van achterblijvende gemeenten kan derhalve op dit moment nog geen sprake zijn. Daarnaast strookt het geschetste beeld niet met het beeld dat ik tot op heden heb vanuit de onderzoeken die vanuit de regiegroep zijn uitgevoerd.3
Bent u van mening dat overstijgende afspraken tussen gemeenten en zorgverzekeraars bij kunnen dragen aan het hanteren van reële tarieven voor de thuiszorg? Zo ja, bent u bereid zich hiervoor in te zetten? Zo nee, waarom niet?
Ik acht overstijgende afspraken tussen gemeenten en zorgverzekeraars vooral nuttig voor een betere samenwerking in de uitvoeringspraktijk. Een direct verband tussen overstijgende afspraken en het betalen van reële tarieven zie ik niet. Gemeenten en zorgverzekeraars zijn vanuit de geldende wetgeving reeds beiden verplicht bij het contracteren van dienstverlening rekening te houden met de geldende wettelijke kaders en reële tarieven te hanteren.
Een onbeantwoorde brief over Palestijnse kinderen in Israëlische detentie |
|
Sadet Karabulut |
|
Stef Blok (minister buitenlandse zaken) (VVD) |
|
Is het u bekend dat de organisatie Military Court Watch in december 2015 een brief heeft gestuurd naar onder andere de Nederlandse ambassade in Tel Aviv, waarin wordt aangedrongen op het nemen van stappen opdat Israël stopt met het overbrengen van Palestijnen naar gevangenissen in Israël, wat in strijd is met het internationaal recht?1
Klopt het dat deze brief, ondanks herhaaldelijk aandringen, nog steeds niet is beantwoord? Zo ja, waarom is dat het geval? Bent u bereid ervoor te zorgen dat deze brief alsnog beantwoord wordt en de Kamer van het antwoord op de hoogte wordt gebracht?
Een vacaturesite die mogelijk discriminatie in de hand werkt |
|
Jasper van Dijk |
|
Wouter Koolmees (minister sociale zaken en werkgelegenheid) (D66) |
|
Kent u het bericht «Vacaturesite biedt mogelijkheid te filteren op geloof en uiterlijk»?1 Wat is uw oordeel daarover?
Ja. Het kabinet zet stevig in op het tegengaan van arbeidsmarktdiscriminatie, onder andere door te stimuleren dat bedrijven en organisaties selecteren zonder vooroordelen en op basis van objectieve criteria. Dit om te bewerkstelligen dat kenmerken als culturele achtergrond, geslacht en geloof geen grond vormen voor uitsluiting. Dit is een prominent onderdeel van het vernieuwde Actieplan Arbeidsmarktdiscriminatie 2018–2021. De wijze van matching als beschreven in het bericht staat hier haaks op.
Deelt u de mening dat bij vacatures het gebruik van zoekfilters zoals onder andere uiterlijk, geloofsovertuiging en politieke voorkeur, neerkomt op discriminatie? Zo nee, waarom niet?
Arbeidsmarktdiscriminatie is niet toegestaan. We vragen alle Nederlanders om zoveel mogelijk duurzaam te participeren op de arbeidsmarkt, daartoe moeten zij dan ook gelijke kansen krijgen. Niet ter zake doende persoonskenmerken mogen niet gebruikt worden om mensen te weren uit de sollicitatieprocedure. Onderscheid maken tussen kandidaten op basis van bijvoorbeeld geloof of politieke voorkeur is niet in alle gevallen discriminatie. Zo kan het voor een instelling op bijvoorbeeld godsdienstige of politieke grondslag noodzakelijk zijn dat een sollicitant een bepaalde godsdienst of politieke gezindheid heeft om goed invulling te geven aan de functie. De godsdienst of de politieke gezindheid kan in die gevallen een wezenlijke, legitieme en gerechtvaardigde beroepsvereiste zijn. Ook mag in bepaalde situaties onderscheid gemaakt worden tussen kandidaten in sollicitatieprocedures, bijvoorbeeld wanneer vrouwen onvoldoende zijn vertegenwoordigd of als een kandidaat aan bepaalde zeer specifieke eisen moet voldoen om de functie goed uit te kunnen voeren. Dit onder voorwaarden, welke zijn vastgelegd in de gelijkebehandelingswetgeving.
Deelt u de mening dat een werkgever pas tijdens een sollicitatiegesprek kan bepalen of een kandidate voldoet aan de functie-eisen, of ze nu een hoofddoek draagt of niet?
Of iemand geschikt is voor een functie hangt af van de kennis en vaardigheden van de sollicitant en niet van persoonskenmerken die niet relevant zijn voor de uitvoering van de functie.
Bent u bereid onderzoek te doen naar mogelijk strafbaar handelen, wanneer sprake is van het selecteren van personeel op afkomst, huidskleur, geslacht, geloofsovertuiging of politieke voorkeur? Zo nee, waarom niet?
Op grond van de Algemene wet gelijke behandeling is arbeidsdiscriminatie in vacatures ontoelaatbaar. De beoordeling of er in een concreet geval sprake is geweest van verboden onderscheid, is aan de rechter of het College voor de Rechten van de Mens. De oordelen van het College zijn niet bindend, maar worden wel op zijn website gepubliceerd en worden in de meeste gevallen opgevolgd. Daarnaast hechten rechters in civiele procedures doorgaans grote waarde aan een uitspraak van het College. Arbeidsdiscriminatie is strafbaar gesteld in het Wetboek van Strafrecht, vervat in de artikelen 137g Sr en 429quater Sr. Het is aan het Openbaar Ministerie om in eerste instantie te bepalen of mogelijk sprake is van een strafbaar feit dat aan de rechter kan worden voorgelegd.
Momenteel wordt een verkenning uitgevoerd naar onder meer de mogelijkheden om de handhavende rol van de Inspectie SZW, met betrekking tot toezicht op discriminatie bij werving en selectie te versterken.
Deelt u de mening dat deze selectiemethode zeer ongewenst is? Zo ja, bent u bereid met deze onderneming in gesprek te gaan om deze werkwijze te schrappen? Zo nee, waarom niet?
Dit kabinet zet zich in voor een eerlijke en inclusieve arbeidsmarkt waar bedrijven en organisaties selecteren zonder vooroordelen en op basis van objectieve criteria. De invloed van algoritmen en geautomatiseerde systemen om werkgevers en sollicitanten te matchen zal groter worden in de aankomende jaren. Ik ben voornemens hier onderzoek naar te doen om te bezien wat de impact kan zijn wat betreft discriminatie en hoe hier op geanticipeerd moet worden in de toekomst. Deze casus neem ik hierin mee.