Een farmaceut die honderd medicijnen verloot onder baby’s met een dodelijke spierziekte |
|
Pia Dijkstra (D66) |
|
Bruno Bruins (minister volksgezondheid, welzijn en sport) (VVD) |
|
|
|
|
Heeft u kennisgenomen van het feit dat de Zwitserse farmaceut Novartis het middel Zolgensma via een verloting gratis wil verstrekken aan honderd baby’s met de dodelijke spierziekte Spinale musculaire atrofie (SMA)?
Ja.
Deelt u het standpunt dat het handelen van Novartis volstrekt onethisch is, tot valse hoop kan leiden bij wanhopige ouders met doodzieke kinderen en niet slechts in bewoordingen zou moeten worden veroordeeld?
Ik deel uw standpunt dat hier morele waarden uit het oog zijn verloren.
Mijn standpunt over de aanpak van Novartis heb ik in een gezamenlijke en openbare verklaring met mijn collega’s uit België, Luxemburg, Oostenrijk en Ierland aan de fabrikant medegedeeld.1 In de gezamenlijke verklaring hebben mijn collega’s en ik onze bezorgdheid uitgesproken over het feit dat Novartis en Avexis voor de vormgeving van een programma voor vroegtijdige toegang tot Zolgensma hebben gekozen voor een soort loterij voor patiënten waarvan de ouders en naasten reikhalzend uitkijken naar een mogelijke behandeling. Het getuigt niet van betrokkenheid bij de patiënten. Het zorgt alleen maar voor onzekerheid en meer leed bij de betrokken families.
Het staat fabrikanten vrij om hun producten aan patiënten ter beschikking te stellen voordat deze middelen worden vergoed. De praktische inrichting van een dergelijk programma is niet aan kaders gebonden maar moet in mijn ogen altijd in nauwe samenwerking met artsen gebeuren, op basis van objectieve medische criteria en medische noodzaak. Voor zover ik kan overzien is er in gevallen dat een fabrikant een geneesmiddel vroegtijdig beschikbaar stelt doorgaans inderdaad sprake van nauwe betrokkenheid van (behandelende) artsen. In dit geval concludeer ik dat hier niet of volstrekt onvoldoende sprake van is geweest.
In de hiervoor genoemde gezamenlijke verklaring heb ik met mijn collega’s Novartis en Avexis opgeroepen om hun systeem voor het bieden van vroegtijdige behandeling aan Europese patiënten, te herzien. Ik heb signalen opgevangen dat de bedrijven op grond van de commotie die is ontstaan, het programma overwegen aan te passen. In een persbericht heeft de fabrikant verklaard op de hoogte te zijn van het Beneluxa statement en overweegt om op basis van input van patientengroepen en behandelaren het ontwerp van de regeling aan te passen.2 Op dit moment overweeg ik geen nadere stappen.
Heeft u, naast uw gezamenlijke verklaring met collega-ministers uit de Benelux, ook contact opgenomen met alle andere Europese gezondheidsministers?
Ik heb vooralsnog geen andere collega’s benaderd over dit onderwerp. Hoewel ik de kracht zie in een EU-brede stellingname, vond ik het belangrijk om op korte termijn, voorafgaand aan de start van het programma, een krachtig signaal te geven. Daarom hebben mijn collega’s en ik ons beperkt tot een gezamenlijk Beneluxa statement. Door onze goede samenwerking was dit ook binnen de tijd mogelijk.
Zo nee, waarom niet? Zo ja, waarom is het niet gelukt om in deze kwestie in groter, EU-breed verband op te trekken?
Zie antwoord vraag 3.
Welke concrete stappen wilt u in Europees verband zetten om te voorkomen dat farmaceuten in de toekomst ongestraft kunnen blijven overgaan tot zulke onethische acties?
Inmiddels hebben patiëntenorganisaties, behandelaren, meerdere landen en ook Eurocommissaris Kyriakides zich tegen het karakter van de regeling gekeerd3. De brede maatschappelijke afkeuring van het kans-element zonder transparante, medisch inhoudelijke selectiecriteria vormt mijns inziens een duidelijk en afdoende signaal dat naar ik verwacht op zichzelf bedrijven zal ontmoedigen in toekomstige gevallen voor een dergelijke aanpak te kiezen. Zie ook mijn antwoord op vraag 2.
Welke sancties op zulk onethisch handelen door farmaceuten zijn in uw optiek mogelijk? Denkt u bijvoorbeeld dat (tijdelijke) opschorting van de toelatingsprocedure tot de Europese markt een effectief pressiemiddel kan zijn?
Zie antwoord vraag 5.
Hoe verhoudt de verloting van honderd Zolgensma-injecties per jaar zich volgens u tot de door Novartis gevraagde prijs van 1,9 miljoen euro per injectie, waarmee dit het geneesmiddel het duurste ter wereld is?
Ik vind dat de fabrikant van een dergelijk veelbelovend geneesmiddel zijn product breed en tegen een aanvaardbare prijs beschikbaar moet stellen zodra het geregistreerd is. En gezien de hoge verwachtingen die met het product gemoeid zijn, zowel bij patiënten als in de markt, zou het goed zijn als de fabrikant uit maatschappelijke verantwoordelijkheid een programma op zou zetten dat meer patiënten toegang zou bieden en waarbij behandelende artsen beter betrokken zouden worden bij de selectie van patiënten.
Samen met patiënten en artsen wacht ik op markttoelating zodat snel gesproken kan worden over de prijs en vergoeding van Zolgensma. Ik ga ervan uit dat het product aan alle patiënten geleverd kan worden zodra een positief vergoedingsbesluit is genomen. Bij een product met een zo hoge prijs verwacht ik dat de fabrikant verantwoording aflegt over de noodzaak van de hoogte ervan. Hiervoor is inzage in de prijsopbouw noodzakelijk. Ik roep de fabrikant daar dan ook toe op.
Verwacht u van Novartis enige transparantie over de prijsopbouw van het geneesmiddel?
Zie antwoord vraag 7.
Het afschermen van de gegevens van advocaten in het kadaster |
|
Maarten Groothuizen (D66) |
|
Ferdinand Grapperhaus (minister justitie en veiligheid) (CDA) |
|
|
|
|
Bent u ermee bekend dat artikel 51, derde lid, van het Handelsregisterbesluit het mogelijk maakt het adres van, onder meer, advocaten af te schermen met het oog op hun veiligheid?
Ja. Het woonadres kan op verzoek van de geregistreerde worden afgeschermd. Met de ophanden zijnde wijziging van het Handelsregisterbesluit, beoogde datum inwerkingtreding 1-1-2021, zullen de woonadressen van alle natuurlijke personen worden afgeschermd. Deze afscherming is echter niet absoluut, in die zin dat bestuursorganen, advocaten, deurwaarders, notarissen en de in artikel 28 derde lid van de Handelsregisterwet 2007 genoemde organisaties het woonadres wel kunnen inzien. Deze partijen hebben deze gegevens nodig om hun publieke taken te kunnen uitvoeren.
Een en ander betekent overigens nog altijd wel, dat wanneer iemand zijn onderneming heeft gevestigd op zijn woonadres, zijn woonadres als vestigingsadres zichtbaar blijft in het Handelsregister. De openbaarheid van het vestigingsadres is immers noodzakelijk voor het bevorderen van de rechtszekerheid van derden in het economisch verkeer. Dit laat onverlet dat een ondernemer kan overwegen om zijn bedrijf op een ander adres te vestigen dan zijn woonadres.
Bent u ermee bekend dat adresgegevens in sommige gevallen wel raadpleegbaar zijn via het kadaster?
Ja. De kadastrale registratie, de kadastrale kaart en de openbare registers van het Kadaster zijn op grond van de Kadasterwet openbaar en voor eenieder op verzoek toegankelijk. Dit is in het belang van de rechtszekerheid ten aanzien van registergoederen, de transparantie van de vastgoedmarkt en het functioneren van de overheid. Zie hierover ook de brief van de Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties van 29 juni 2018 aan de Tweede Kamer1.
Klopt het dat er weliswaar een afschermingsmogelijkheid is in het kadaster1 maar dat deze weg complex is, omdat dit slechts mogelijk is via de Nationaal Coördinator Terrorisme en Veiligheid of via het Stelsel Bewaken en Beveiligen? Zo nee, hoe zit het dan?
Afscherming van persoonsgegevens in het Kadaster is mogelijk. In artikel 37a van het Kadasterbesluit, dat op 1 juli 2019 in werking is getreden, is geregeld dat persoonsgegevens bij het Kadaster vanwege veiligheidsoverwegingen afgeschermd kunnen worden. Voorwaarde is dat personen zijn opgenomen in het stelsel bewaken en beveiligen. Dit kan gelden voor personen in het zogenoemde rijksdomein die vanwege het nationale belang van het ambt op de limitatieve lijst van het stelsel bewaken en beveiligen staan. Voor personen die vallen binnen het decentrale gedeelte van het stelsel bewaken en beveiligen geldt dat Politie en OM beoordelen of de dreiging aanleiding geeft om een persoon op te nemen in het stelsel bewaken en beveiligen.
Deelt u de mening dat het, gelet op de dreiging die kan bestaan, beter zou zijn om het voor advocaten (en eventuele andere beroepsgroepen) eenvoudiger te maken hun gegevens af te schermen in het kadaster? Zo nee, waarom niet?
Nee deze mening deel ik niet. De huidige praktijk van openbaarheid van kadasterinformatie (informatieverstrekking) van het Kadaster zal zo blijven. Ik ben van mening dat in situaties waarin een dreiging kan bestaan en afscherming in het Kadaster aan de orde is, de objectieve en zorgvuldige beoordeling of een persoon dient te worden opgenomen in het stelsel bewaken en beveiligen, de gewenste waarborgen geeft. Het Kadaster is voor eenieder toegankelijk zodat voor iedereen duidelijk is wat de rechtstoestand van onroerende zaken is. Beroepsgroepen zoals notarissen en makelaars maar juist ook burgers kunnen hierdoor nagaan wanneer zij bijvoorbeeld met een verkoper zaken doen of die persoon ook daadwerkelijk de eigenaar van een pand is. Hierdoor is er tussen burgers en professionals een gelijkspeelveld. Wel is het zo dat per opvraging een tarief verschuldigd is dan wel de informatie slechts toegankelijk is bij een abonnement. Voor raadpleging van het Kadaster geldt derhalve een ander regime dan voor het raadplegen van het Handelsregister. Over het regime ten aanzien van het raadplegen van Kadasterinformatie heeft de Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijkrelaties uw Kamer op 29 juni 2018 geïnformeerd. 3
Bent u bereid te bekijken of het niet eenvoudiger kan worden gemaakt om gegevens in het kadaster af te schermen? Zo nee, waarom niet? Zo ja, hoe gaat u dat doen en op welke termijn?
Ik verwijs naar mijn antwoord op vraag 4.
De vindbaarheid van artikel 2.82 aanbestedingen op TenderNed |
|
Eppo Bruins (CU) |
|
Mona Keijzer (staatssecretaris economische zaken en klimaat) (CDA) |
|
|
|
|
Bent u bekend met het feit dat het op TenderNed vinden van aanbestedingen, die zijn voorbehouden op basis van artikel 2.82, door (sociaal) ondernemers als ingewikkeld en complex wordt ervaren?
TenderNed heeft een klacht van een ondernemer ontvangen die het vinden van voorbehouden opdrachten (zogenaamde 2.82 opdrachten) als ingewikkeld en complex ervaart.
Deelt u de mening dat het meer herkenbaar maken van aanbestedingen, waarbij nadrukkelijk aandacht is voor meer werkgelegenheid voor mensen met afstand tot de arbeidsmarkt, wenselijk is en voor zowel aanbestedende overheidsdiensten (meer keuzemogelijkheid) als (startende) sociaal ondernemers van toegevoegde waarde kan zijn?
Ja.
Wat vindt u ervan dat opdrachten die in het kader van artikel 2.82 van de Aanbestedingswet 2012 zijn aanbesteed niet via een zoekfunctie vindbaar zijn op TenderNed? Bent u bereid om tot een dergelijke zoekfunctie te komen?
Het is op dit moment al mogelijk te zoeken binnen TenderNed, door het gebruik van bepaalde termen die vaak in opdrachtomschrijvingen van voorbehouden opdrachten staan, waaronder «voorbehouden opdracht», «2.82» of «sociale werkplaats». Dit geldt voor aanbestedingen gepubliceerd op zowel TenderNed als een privaat platform. TenderNed heeft daarnaast een attenderings/notificatiefunctie, waarbij (sociale) ondernemers via hun interesseprofiel specifieke zoektermen kunnen opnemen. Zij ontvangen dan automatisch bericht bij publicatie van een relevante aanbesteding.
Een apart zoekfilter specifiek voor voorbehouden opdrachten bestaat op dit moment niet. Aanbestedende diensten hebben op TenderNed de mogelijkheid middels een vinkje aan te geven of de aanbesteding een voorbehouden opdracht betreft. De reden dat hiervoor geen specifiek zoekfilter bestaat is dat aanbestedende diensten, naast het publieke platform TenderNed, ook gebruik maken van andere private platforms om hun aanbestedingen op te publiceren. Op TenderNed staat vervolgens alleen verwijzing naar het private platform en de aankondiging van de opdracht, waardoor TenderNed niet over alle gegevens beschikt. Ik heb geen invloed op hoe private partijen hun systemen vormgeven. Een zoekfilter specifiek voor voorbehouden opdrachten zal daarom alleen de voorbehouden opdrachten die op TenderNed worden aangemaakt weergeven en daarom zijn doel missen.
Ik vind het wel belangrijk dat sociale ondernemers makkelijk kunnen zoeken naar aanbestedingen. Voor zowel de zoek- als de notificatiefunctie is vereist dat aanbestedende diensten deze termen opnemen in titel, omschrijving, zoektermen, etc. Ik heb PIANOo gevraagd dit onder de aandacht te brengen van de aanbestedende diensten.
Bent u tevens bereid om naast een zoekfunctie zich ervoor in te spannen om ook de al in TenderNed bestaande attenderings-/notificatiefunctie met dit kenmerk uit te breiden, zodat sociaal ondernemers actief gewezen kunnen worden op een aanbesteding in het kader van artikel 2.82?
Zie antwoord vraag 3.
Welke mogelijkheden ziet u verder om de herkenbaarheid van aanbestedingen in het kader van artikel 2.82 te vergroten? Ziet u tevens mogelijkheden om aanbestedende overheidsdiensten extra te stimuleren om meer in te zetten op sociaal opdrachtgeverschap?
Op het terrein van voorlichting en stimulering van sociaal opdrachtgeverschap gebeuren verschillende dingen. PIANOo (het Expertisecentrum Aanbesteden) publiceert informatie en advies over aanbesteden voor aanbestedende diensten. PIANOo zet daarbij actief in op sociaal opdrachtgeverschap en organiseert onder andere marktontmoetingen tussen aanbestedende diensten en sociale ondernemingen.
Ook zijn er sinds kort kennisbijeenkomsten over de toepassing van voorbehouden opdrachten met publieke inkopers en (sociale) ondernemers gezamenlijk. Het gaat hierbij om sociale ondernemingen in brede zin: het is niet beperkt tot het begrip uit artikel 2.82 van de Aanbestedingswet. Iedere onderneming met sociale en/of maatschappelijke doelstellingen is welkom. In deze bijeenkomsten wordt onder andere ingegaan op de mogelijkheden die de Aanbestedingswet biedt om sociale impact te creëren binnen inkoop- en aanbestedingsbeleid, zoals:
inhuur van participanten (mensen met een arbeidsbeperking) door de rijksoverheid;
één op één gunning op basis van de percelenregeling of bij specifieke diensten door non-profit organisaties;
de voorbehouden opdrachten (artikel 2.82 van de Aanbestedingswet), waarover ik al eerder uw Kamer informeerde1; en
sociale overwegingen binnen een (reguliere) aanbestedingsprocedure. In deze categorie gaat het onder andere over sociale uitsluitingsgronden, (minimum)geschiktheidseisen, bijzondere uitvoeringsvoorwaarden en gunningscriteria.
De Vereniging van Nederlandse Gemeenten (VNG) ondersteunt daarnaast sociaal inkopen met de Handreiking social return om gemeenten te informeren over de verschillende mogelijkheden binnen de Aanbestedingswet. Gemeenten kunnen bijvoorbeeld de uitvoeringsvoorwaarde stellen dat mensen met afstand tot de arbeidsmarkt een deel van de opdracht moeten uitvoeren (SROI).
Het regeerakkoord en de initiatiefnota van het lid Bruins (CU) over ondernemen met een maatschappelijke missie gaan in op de verschillende mogelijkheden om de erkenning en herkenning van sociale ondernemingen te versterken.2 In mijn Kamerbrief over passende regels en ruimte voor sociale ondernemingen heb ik aangekondigd om de behoefte en het draagvlak onder sociale ondernemers voor beleidsmaatregelen in kaart te brengen.3 Tijdens het notaoverleg over de Initiatiefnota van het lid Bruins over ondernemen met een maatschappelijke missie afgelopen december, heb ik uw Kamer geïnformeerd over de huidige stand van zaken. Ik streef ernaar om voor het zomerreces de mogelijkheden voor betere erkenning en herkenning van sociale ondernemingen te delen met uw Kamer. Ik ben ook in gesprek gegaan met de sociaaleconomische Raad (SER) om de mogelijkheden voor maatschappelijke meerwaarde bij aanbesteden met de duurzame ontwikkelingsdoelstellingen (SDG’s) van de Verenigde Naties te verkennen en geef daarbij invulling aan mijn toezegging aan het lid Moorlag (PvdA) in het AO Aanbesteden van 31 oktober 2019.4 Sociale ondernemingen kunnen hun maatschappelijke impact met behulp van de SDG’s in kaart brengen en zichtbaar maken. Dit kan helpen in een aanbestedingsprocedure.
Het bericht ‘F-35 mag straks laagvliegen over oostelijk Fryslân’ |
|
Eppo Bruins (CU), Joël Voordewind (CU) |
|
Cora van Nieuwenhuizen (minister infrastructuur en waterstaat) (VVD), Ank Bijleveld (minister defensie) (CDA) |
|
|
|
|
Heeft u kennisgenomen van het bericht «F-35 mag straks laagvliegen over oostelijk Fryslân» van 28 januari 2020?1
Ja.
Klopt het dat u weer een oude laagvliegroute langs de oostelijke grens van Fryslân in gebruik wilt nemen?
Op dit moment bestaat er geen aanleiding om de Linkroute-10A (laagvliegroute door Noord en Oost Nederland die in zuidelijke richting achtereenvolgens door de provincies Friesland, Drenthe, Overijsel en Gelderland loopt) weer in gebruik te nemen.
Wat is de reden dat u deze oude laagvliegroute weer wilt heropenen?
Zie antwoord vraag 2.
Is de provincie Friesland betrokken bij de besluitvorming hieromtrent?
In 2008 is door mijn voorganger aan uw Kamer toegezegd dat voor alle militaire vliegactiviteiten, waaronder de laagvliegroutes een vergunning zal worden aangevraagd. Tijdens de eerste fase in 2012 zijn de helikopterlaagvlieggebieden inclusief de daarbinnen gelegen helikopterlandingsplaatsen in en nabij Natura 2000-gebieden vergund. In de tweede fase wordt voor de resterende activiteiten onderzocht wat de effecten zijn op de Natura 2000-gebieden. Hiervoor heeft in 2018 voor een elftal activiteiten een voortoets plaatsgevonden. Voor zeven van deze activiteiten is nader onderzoek nodig, waaronder voor de laagvliegroutes voor jachtvliegtuigen. Voor deze activiteiten wordt op dit moment een ecologische effectenanalyse opgesteld, voordat kan worden overgegaan tot een vergunningaanvraag. Ik heb u hierover eerder geïnformeerd op 31 oktober 2019 (Aanhangsel Handelingen, vergaderjaar 2019–2020, nr. 578). De Koninklijke Luchtmacht brengt op dit moment haar laagvliegbehoefte voor jachtvliegtuigen in kaart. Hierbij wordt nadrukkelijk ook naar alternatieve trainingslocaties in het buitenland gekeken. Zoals door mij verwoord in het Algemeen Overleg op 4 februari jl. was de beantwoording in de Nota van Antwoord op vragen over de «Notitie Reikwijdte en Detailniveau Luchtruimherziening» dan ook te prematuur en ongelukkig gesteld. Mocht er, gebaseerd op de behoefte van de Koninklijke Luchtmacht, redenen zijn om weer gebruik te willen maken van de Linkroute-10A dan gelden nog steeds de bezwaren waarom de route in 2002 is opgeschort. Dit betreft het veiligheidsrisico bij vliegterrein Drachten en geluidsoverlast. Omdat deze situatie sinds het opschorten van de route niet is gewijzigd acht ik de kans zeer klein dat de Linkroute-10A weer in gebruik wordt genomen. Tijdens het VAO op 18 februari heb ik uw Kamer toegezegd om voor 1 juni 2020 duidelijkheid te bieden over de toekomst van de Linkroute-10A. Uiteraard zullen eerst alle betrokken provincies en belanghebbenden worden geïnformeerd.
Klopt het dat de vergunning al is aangevraagd zonder dat de regio betrokken is? Bent u van mening dat u in dit proces hebt gewerkt aan het verkrijgen van draagvlak?
Zie antwoord vraag 4.
Wat is de reden om deze bezwaren opzij te schuiven, aangezien de provincie in het hierboven genoemde bericht stelt dat «(d)e argumenten die destijds golden om het gebruik op te schorten, (...) nog onverkort van kracht (zijn)» en in het bericht ook is te lezen dat de ligging bij vliegveld Drachten nog steeds potentieel gevaar zou opleveren, en ook het argument van geluidsoverlast er nog steeds is?
Zie antwoord vraag 4.
Is er een natuurvergunning nodig voor het heropenen van deze route, aangezien de provincie in het hierboven genoemde bericht stelt: «Bovendien maakt een F-35 meer geluid dan een F-16 en gaat de route over Natura 2000- en stiltegebieden»? Zo nee, heeft u het belang van de natuur- en stiltegebieden desalniettemin voldoende meegewogen in de besluitvorming omtrent het heropenen van de route?
Zie antwoord vraag 4.
Zijn er alternatieve laagvliegroutes onderzocht? Zo ja, wat hebben die onderzoeken opgeleverd?
Defensie is voortdurend op zoek naar mogelijkheden om te voorzien in de laagvliegbehoefte zowel in Nederland als in het buitenland. Dit laatste om zodoende de overlast in Nederland te beperken. Op dit moment wordt het grootste deel van de laagvliegtraining voor jachtvliegers uitgevoerd in de Verenigde Staten aangevuld met gebruik van Linkroute-10. Het gebruik van buitenlandse laagvlieggebieden is echter afhankelijk van toestemming van het betrokken land. Alle mogelijke alternatieven worden meegewogen in de beslissing of Linkroute-10A opnieuw in gebruik wordt genomen.
Bent u bereid af te zien van het heropenen van de oude laagvliegroute langs de oostelijke grens van Fryslân?
Tijdens het VAO van 18 februari 2020 heb ik toegezegd uw Kamer voor 1 juni 2020 te informeren over de toekomst van de Linkroute-10A. Hierbij baseer ik mij op de laagvliegbehoefte van de Luchtmacht die ik afweeg tegen de redenen voor het destijds opschorten van de route. Ik zal dit in samenhang aan uw Kamer en betrokkenen laten weten.
De belastingen voor woningcorporaties die Vestia willen helpen |
|
Renske Leijten (SP), Sandra Beckerman (SP) |
|
Wopke Hoekstra (minister financiën) (CDA), Raymond Knops (staatssecretaris binnenlandse zaken en koninkrijksrelaties) (CDA) |
|
|
|
|
Wat is uw reactie op de brandbrief van de provincies Zuid-Holland, Noord-Brabant, de woningmarktregio’s Haaglanden en Rotterdam, de Vereniging Sociale Verhuurders Haaglanden en zes Vestia-gemeenten dat bij de overname van tienduizend Vestia-woningen de hulp van de overheid nodig is?1
Vestia staat voor een grote opdracht waarin het langjarig werkt aan financieel herstel, terwijl ze haar volkshuisvestelijke taken uitvoert. Dit kan spanning opleveren met de volkshuisvestelijke wensen in de gemeenten waarin Vestia actief is. Zo zorgt ook de terugtrekkende beweging van Vestia in een aantal gemeenten conform haar verbeterplan voor uitdagingen. Voor dit complexe vraagstuk heb ik Hamit Karakus gevraagd als bestuurlijk regisseur om oplossingen aan te dragen voor de ontstane volkshuisvestelijke situatie. Ik ben Hamit Karakus zeer erkentelijk voor zijn rapport waarin hij aanbeveelt om de woningen van Vestia in deze gemeenten over te dragen aan andere lokale corporaties. Ik zie dat ook deze overdracht complex is en inzet van alle betrokken partijen vraagt.
Bent u met de Vestia-gemeenten en de bestuurlijk regisseur inzake Vestia van mening dat de sociale huurwoningen die worden verkocht, in de sociale huursector moeten blijven en het beste in handen kunnen komen van andere (lokale) woningcorporaties? Zo nee, waarom niet?2
Hamit Karakus beveelt aan om de woningen van Vestia in deze gemeenten over te dragen aan andere lokale corporaties. Ik heb hem dit najaar verzocht de verkoop van Vestiawoningen in deze gemeenten aan andere corporaties nader te onderzoeken. Naar verwachting zal Hamit Karakus hier voor de zomer 2020 over rapporteren. Verkopen van deze woningen aan andere partijen dan woningcorporaties zijn daarmee voorlopig niet aan de orde. In dit kader geldt verder dat Vestia bij de uitvoering van haar verbeterplan ook rekening moet houden met de volkshuisvestelijke consequenties van haar beleid. Verkoop van woningen aan andere partijen dan aan woningcorporaties is niet opgenomen in het herijkt verbeterplan van Vestia. Mocht Vestia dit willen, zal ze dit eerst aan de monitoringscommissie bestaande uit saneerder, Waarborgfonds Sociale Woningbouw (WSW) borger en Autoriteit woningcorporaties (Aw) moeten voorleggen, die dit voorstel mede in het licht van de volkshuisvestelijke consequenties zullen beoordelen. Ik heb voldoende vertrouwen in dit proces.
Welke maatregelen gaat u nemen om ervoor te zorgen dat de conclusie van de bestuurlijk regisseur, te weten «overname van het Vestiabezit door (een) andere lokale woningcorporatie(s) is de meest passende oplossingsrichting», wordt uitgevoerd en op welke termijn?3
Zie antwoord vraag 2.
Bent u bereid om de verhuurderheffing voor woningcorporaties af te schaffen, zodat er meer investeringsruimte ontstaat voor alle woningcorporaties, waardoor er meer ruimte komt voor andere corporaties om Vestia-bezit over te nemen en ook voor Vestia zelf (en daarmee hun huurders) om meer financiële ruimte te krijgen? Kunt u uw antwoord toelichten?
Afschaffing van de verhuurderheffing enkel voor woningcorporaties is niet aan de orde, omdat dit tot een ongelijke fiscale behandeling tussen woningcorporaties en niet-woningcorporaties kan leiden. Momenteel werk ik aan een evaluatie van de verhuurderheffing en voer ik een onderzoek uit naar de opgaven en middelen van corporaties (motie Ronnes). Beide onderzoeken verwacht ik voor de zomer 2020 af te ronden.
Waarom is er een vrijstelling van de overdrachtsbelasting mogelijk voor overname door een Wijkontwikkelingsmaatschappij (WOM) die is opgericht ter uitvoering van een specifiek herstructureringsplan (stedelijke vernieuwing)? Hoe vaak wordt daar gebruik van gemaakt?4
De afschaffing van de vrijstelling van overdrachtsbelasting voor woningcorporaties per 1 januari 2003 dreigde destijds de integrale wijkaanpak door samenwerking van verschillende partijen in wijkontwikkelingsmaatschappijen (WOM) te belemmeren, omdat partijen over de inbreng van onroerend goed in een WOM en de uiteindelijke overdracht uit de WOM overdrachtsbelasting zouden moeten afdragen. Om te voorkomen dat de voortgang van de stedelijke vernieuwing zou worden afgeremd, is op verzoek van de Tweede Kamer de WOM-regeling in het leven geroepen. Partijen die samenwerken aan de vernieuwing van een wijk of gebied en daartoe een WOM oprichten kunnen aanspraak maken op de vrijstelling. Voorwaarde daarbij is dat de wijkontwikkelingsmaatschappij (WOM) is aangewezen door het Ministerie van BZK en dat wordt voldaan aan de overige voorwaarden voor die vrijstelling, zoals bijvoorbeeld het hebben van een herstructureringsplan dat uitvoering geeft aan stedelijke vernieuwing. Uit de laatste evaluatie van de WOM-regeling komt naar voren dat in totaal sinds de instelling van de regeling (tot 2017) 24 WOM’en zijn aangewezen. De meeste WOM’en zijn opgericht in de periode 2004 tot en met 2006. Daarna is het aantal aanvragen teruggelopen.
Bent u bereid om van de genoemde mogelijkheid in de brandbrief om een specifieke uitzondering te maken in de vrijstelling van de overdrachtsbelasting bij de overname van Vestia-bezit gebruik te maken, ondanks het feit dat in de Vestia-gemeenten geen stedelijke vernieuwing plaatsvindt? Kunt u uw antwoord toelichten?
Zoals in de beantwoording op vraag 5 aangegeven was in het verleden een vrijstelling van overdrachtsbelasting van toepassing bij verkrijgingen door woningcorporaties. Deze vrijstelling is met ingang van 1 januari 2003 komen te vervallen, omdat woningcorporaties door die vrijstelling een concurrentievoordeel hadden ten opzichte van andere partijen. Ook alternatieve mogelijkheden voor vrijstellingen van overdrachtsbelasting of uitbreiding van bestaande vrijstellingen ten behoeve van woningcorporaties zijn eerder onderzocht. De uitkomsten daarvan zijn in de brief van 30 maart 2017 door de toenmalige Staatssecretaris van Financiën uitgebreid toegelicht. Het onderzoek geeft geen aanleiding om invoering van een vrijstelling voor woningcorporaties of een uitbreiding van een bestaande vrijstelling ten behoeve van woningcorporaties te heroverwegen.
Bij een overdracht van woningen door Vestia aan een andere woningcorporatie kan mogelijk nog wel worden afgezien van heffing van overdrachtsbelasting indien op de verkrijging een thans bestaande wettelijke vrijstelling van toepassing is. In de brief van o.a. de provincie Zuid-Holland wordt gewezen op de vrijstelling van overdrachtsbelasting voor de verkrijging van onroerende zaken door een WOM in het kader van stedelijke vernieuwing. Toepassing van deze vrijstelling is gebonden aan de voorwaarde dat de onroerende zaken worden verkregen door een door de Minister als zodanig aangewezen WOM die uitvoering geeft aan een herstructureringsplan voor stedelijke vernieuwing. Als er geen sprake is van stedelijke vernieuwing, zoals in de brief door de partijen zelf is aangegeven, kan deze vrijstelling reeds om die reden geen toepassing vinden.
Daarnaast kunnen woningcorporaties die over een ANBI-status beschikken (vrijwel alle woningcorporaties beschikken over een ANBI-status) onder voorwaarden mogelijk gebruik maken van de vrijstelling van overdrachtsbelasting in het kader van een taakoverdracht tussen twee of meer ANBI’s. Voor toepassing van die vrijstelling geldt een aantal voorwaarden. Er moet sprake zijn van overdracht van alle activa en passiva die betrekking hebben op de overgedragen taak en voortzetting van de daarbij behorende werkzaamheden (volkshuisvestelijke taken). Voor toepassing van de vrijstelling geldt voorts de voorwaarde dat geen koopsom wordt bedongen of indien op grond van publiekrechtelijke regelgeving toch een koopsom wordt bedongen, mag deze niet meer bedragen dan de boekwaarde van de overgedragen bestanddelen. Onder boekwaarde wordt voor de toepassing van deze regelgeving verstaan: de historische kostprijs minus de afschrijvingen. Of in het onderhavige geval wordt voldaan aan alle voor toepassing van de vrijstelling geldende voorwaarden zal aan de hand van de feiten en omstandigheden van het geval beoordeeld moeten worden door de inspecteur van de Belastingdienst. Wij streven ernaar om met betrokken partijen voor de zomer duidelijkheid te krijgen of en op welke wijze een dergelijke taakoverdracht tussen ANBI’s binnen de vrijstelling kan vallen.
Ingeval binnen de bestaande vrijstellingen geen ruimte bestaat voor een vrijstelling van overdrachtsbelasting, dan zal ik beleidsalternatieven buiten de sfeer van de overdrachtsbelasting onderzoeken en rond de zomer uw Kamer over de uitkomst informeren.
Kunt u in een overzicht laten zien hoe vaak sinds 2015 gebruik wordt gemaakt van alle vrijstellingen van de overdrachtsbelasting per vrijstelling en de kosten per vrijstelling per jaar?
Momenteel wordt in een verkennend onderzoek naar de overdrachtsbelasting geprobeerd om onder meer het gebruik van de vrijstellingen in kaart te brengen. Het Ministerie van Financiën verwacht het onderzoek dit jaar af te ronden en uw Kamer hierover te informeren.
Waarom vindt u het rechtvaardig om geen overdrachtsbelasting te heffen op de koop van landgoederen, maar wel op reguliere koopwoningen en sociale huurwoningen? Kunt u uw antwoord toelichten?
Een algehele vrijstelling voor woningen heeft grote budgettaire gevolgen en past niet in het kabinetsbeleid. Ook een vrijstelling uitsluitend voor de gehele gereguleerde huursector – dus ook niet-woningcorporaties die daar actief zijn – acht het kabinet geen reëel alternatief. Een vrijstelling voor alle ondernemingen die zich met verhuur in de gereguleerde huursector bezighouden zal als selectief voordeel voor deze ondernemingen beschouwd worden en daarmee als staatssteun kunnen kwalificeren.
De vrijstelling van de overdrachtsbelasting bij verkrijging van een landgoed (Natuurschoonwet 1928) heeft onder andere het bevorderen van de instandhouding en het creëren van natuurschoon tot doel. De in die wet opgenomen voorwaardelijke vrijstelling van overdrachtsbelasting vormt een prikkel om het natuurschoon op het landgoed in stand te houden. De overdrachtsbelasting is immers alsnog verschuldigd indien binnen 25 jaar na verkrijging van het landgoed niet voldaan wordt aan de zogenoemde instandhoudingseis. Dat de Natuurschoonwet 1928 een belangrijke bijdrage levert aan het behoud van landgoederen en aan de ontwikkeldoelstelling voor nieuwe natuur en nieuw bos, wordt bevestigd door de beleidsevaluatie die onderzoeksbureau Ecorys in 2014 heeft verricht.
Klopt het dat Vestia in hoger beroep gaat tegen de bewoners van de Tweebosbuurt in Rotterdam, maar dat Vestia met de accountants van KPMG en Deloitte een schikking treft en zodoende een rechtszaak vermijdt in tegen stelling tot de eigen huurders? Hoe kunt u dit verklaren?5 6
De twee zaken houden geen direct verband met elkaar en kunnen andere afwegingsgronden kennen. De casus in de Tweebosbuurt betreft een lokale aangelegenheid, waarbij Vestia in samenspraak met de gemeente een afweging maakt. De casus met de accountants betreft een stelselaangelegenheid waarbij Vestia in samenspraak met de toezichthouder Autoriteit Woningcorporaties (Aw) een afweging maakt. In dit kader geldt dat corporaties, zo ook Vestia, zich in dienen te spannen om geleden schade te verhalen. De Aw ziet daarop toe, ook in hoeverre het meer in het volkshuisvestelijk belang is om te schikken dan wel een rechtszaak af te wachten.
Klopt het dat met de genoemde schikking 84 miljoen euro is gemoeid?
Aangezien dit het verloop met deze partijen niet ten goede komt, kan de Aw hier geen mededelingen over doen.
Wat zijn de kosten voor Vestia om een hoger beroep in te stellen, wat jaren kan duren en verloren kan worden? Kunt u verschillende scenario’s toelichten en daarbij aangeven of het voor Vestia niet goedkoper zou zijn om af te zien verder procederen tegen de Tweebosbuurt?
Het betreft hier een lokale aangelegenheid waarover Vestia in samenspraak met de gemeente een afweging moet maken. Ik meng mij niet in dergelijke lokale aangelegenheden.
Waar komt de Rijksbijdrage van 25.000 euro per sloopwoning in de Tweebosbuurt vandaan? Bent u bereid deze bijdrage niet door te laten gaan nu de deadline van april voor de sloop niet wordt gehaald? Zo nee, waarom niet?
In 2016 is door BZK in een Kamerbrief een additionele bijdrage van Rijkszijde toegezegd voor de aanpak van de kwetsbare (met name particuliere) voorraad in Rotterdam Zuid, gekoppeld aan investeringen in het sociale- en middensegment. Dit is onderdeel van het Nationaal Programma Rotterdam Zuid (NPRZ). Deze bijdrage, die in omvang gelijk is aan de inbreng van de gemeente Rotterdam, heeft zijn uitwerking gekregen in een verruiming van de voorwaarden voor de heffingsvermindering van de Verhuurderheffing (voor zowel sloopwoningen alsook voor betaalbare nieuwbouwwoningen) voor corporaties in Rotterdam Zuid. Deze regeling is op 1 juli 2018 stopgezet, hetgeen eerder was dan op voorhand gedacht. Omdat voorzien werd dat de termijnen bij een aantal projecten onder druk kwam te staan is in de woondeal van de Zuidelijke Randstad de eerdere toezegging uit 2016 verder bekrachtigd. Deze toezegging geldt nog steeds.
Op welke manieren gaat u ervoor zorgen dat de bewoners van de Tweebosbuurt in hun huizen kunnen blijven en een wooncoöperatie kunnen starten, waardoor Vestia geen kosten meer heeft en de bewoners in hun buurt kunnen blijven? Kunt u uw antwoord toelichten?
Het betreft hier een lokale aangelegenheid waarover Vestia in samenspraak met de gemeente een afweging moet maken. Ik meng mij niet in dergelijke lokale aangelegenheden.
Verontrustende berichtgeving met betrekking tot de As Soennah Moskee en de reactie van de burgemeester van Den Haag op het handhavingsverzoek van Femmes for Freedom |
|
Jasper van Dijk (SP), Bente Becker (VVD) |
|
Ferdinand Grapperhaus (minister justitie en veiligheid) (CDA), Wouter Koolmees (minister sociale zaken en werkgelegenheid, viceminister-president ) (D66) |
|
|
|
|
Bent u bekend met de berichtgeving met betrekking tot de As Soennah Moskee vanwege het aanbevelen van vrouwenbesnijdenis, geweld tegen vrouwen, het stenigen van overspelige polygamie en ook de onderdrukking van vrouwen?1
Ja.
Deelt u de mening dat met deze uitspraken onze veiligheid ondermijnd wordt en het zelfbeschikkingsrecht van vrouwen wordt aangetast?
Iedereen in deze samenleving dient de vrijheid te hebben om eigen keuzes te maken binnen de kaders van de democratische rechtsorde. Het is onacceptabel als inbreuk wordt gemaakt op het recht van vrouwen om zelf hun leven in te vullen. Het recht op zelfbeschikking is verankerd in de Nederlandse democratische rechtstaat en cultuur en ik deel de mening dat dit te allen tijden gewaarborgd moet worden.
Vrouwenbesnijdenis is in Nederland strafbaar als vorm van (zware) mishandeling. Indien sprake is van aanzetten tot geweld, kan de politie en het OM hier tegen optreden. In deze casus heeft het OM op 8 november 2019 via een persbericht laten weten dat op 8 november 2018 aangifte is gedaan in verband met een uitspraak over vrouwenbesnijdenis door een medewerker van de Haagse Stichting As Soennah. Na bestudering en juridische duiding van het filmpje op de website van de moskee (waarbij ook de vrijheid van meningsuiting en van religie in beschouwing zijn genomen) heeft het OM besloten dat de medewerker vervolgd gaat worden voor opruiing en aanzetten tot geweld tegen vrouwen. Het is aan de strafrechter om daar een oordeel over te geven.
In het algemeen geldt dat de burgemeester taken en bevoegdheden heeft om de openbare orde te handhaven en beslist over de toepasbaarheid daarvan. In deze casus is het ook aan de burgemeester om te beslissen op het handhavingsverzoek. Dit betreft een lopende procedure. Het is dan ook niet aan mij om hierover nu uitspraken te doen, noch over het bestaan van beperkingen voor het college van burgemeesters en wethouders als het gaat om handhavend optreden.
Bent u bekend met het handhavingsverzoek van Femmes for Freedom en de reactie daarop van de burgemeester van Den Haag?2
Ja.
Deelt u de mening dat uitlatingen die ingaan tegen het zelfbeschikkingsrecht van vrouwen, die aanzetten tot geweld en/of antidemocratisch zijn, bestreden moeten worden? Zo ja, over welke instrumenten beschikt een college van burgemeesters en wethouders (B&W) om handhavend op te treden tegen instellingen en individuen wanneer dergelijke uitlatingen worden gedaan? Welke beperkingen bestaan daarbij die de colleges kunnen beletten dit daadwerkelijk te doen?
Zie antwoord vraag 2.
Klopt het dat handhaving op grond van de Tijdelijke wet bestuurlijke maatregelen terrorismebestrijding (Kamerstuk 34 359) alleen aan de Minister toekomt, zoals in de reactie van het college van B&W op het handhavingsverzoek wordt aangegeven? Zo nee, hoezo niet en welke andere handhavingsmogelijkheden zijn er eventueel nog voor een gemeente c.q. het Rijk?
Het klopt dat de Minister van Justitie en Veiligheid (hierna: Minister), op grond van de Tijdelijke Wet Bestuurlijke Maatregelen (hierna: TWBMT) (een) vrijheidsbeperkende maatregel(en) op kan leggen aan een persoon die op grond van zijn gedragingen in verband kan worden gebracht met (de ondersteuning van) terroristische activiteiten indien dat noodzakelijk is met het oog op de bescherming van de nationale veiligheid.3
Voor het opleggen van een vrijheidsbeperkende maatregel op grond van de TWBMT dient aangetoond te kunnen worden dat bij genoemde personen (in overweging 4.3 van het handhavingsverzoek) sprake is van een samenspel van concrete persoonlijke gedragingen die verband houden met (de ondersteuning van) terroristische activiteiten waaruit geconcludeerd kan worden dat er een bedreiging voor de nationale veiligheid is. In deze casus is geen sprake van terroristische activiteiten.
Kunt u aangeven of u in het licht van de aan het handhavingsverzoek ten grondslag liggende feiten heeft overwogen een gebiedsverbod in te zetten tegen de genoemde Imams in overweging 4.3 van het handhavingsverzoek? Zo nee, hoezo bent u dan wel de gemeente Den Haag nog niet overgegaan tot handhaving?
Zie antwoord vraag 5.
Bent u bereid met de gemeente Den Haag in gesprek te gaan over de gezamenlijke mogelijkheden voor handhaving en de Kamer daarover op korte termijn te berichten?
Ik sta reeds in contact met de gemeente Den Haag. Waar het gaat om gezamenlijke mogelijkheden voor handhaving is het van belang het lopende onderzoek door het OM en de lopende procedure omtrent het handhavingsverzoek van Femmes for Freedom af te wachten.
Welke rol heeft de Taskforce ongewenste buitenlandse beïnvloeding tot toe gespeeld in deze casus en bent u bereid deze aan te sporen alles in het werk te stellen dat nodig is om op te treden tegen het prediken van anti-democratische, anti-integratieve en anti-rechtsstatelijke aanbevelingen? Zo ja, kunt u de Kamer op korte termijn rapporteren over de uitkomsten?
Een doel van de Taskforce is het ondersteunen van gemeenten in het aanpakken van problematisch gedrag. Na het bekend worden van deze berichten heeft de gemeente Den Haag zelf, op basis van de driesporenaanpak, herhaaldelijk gesproken met de As Soennah Moskee. Dit gaf de gemeente reeds voldoende handelingsperspectief en extra ondersteuning hierin van de Taskforce was niet nodig. Waar het in dit specifieke geval gaat om mogelijke strafbare feiten en de vervolging daarvan, is het OM aan zet.
Te pessimistische klimaatonderzoeken |
|
Alexander Kops (PVV), Geert Wilders (PVV) |
|
Eric Wiebes (minister economische zaken en klimaat) (VVD) |
|
|
|
|
Bent u bekend met de berichten «Kwart klimaatonderzoeken veel te pessimistisch over toekomst»1 en «Emissions – the «business as usual» story is misleading»?2
Ja.
Wat vindt u ervan dat er in talloze wetenschappelijke onderzoeken naar de gevolgen van klimaatverandering een «veel somberder beeld wordt geschetst dan gerechtvaardigd is», aldus de Amerikaanse klimaatwetenschappers Hausfather en Peters?
Als onderzoeken alleen resultaten zouden presenteren voor het hoogste IPCC-scenario is dat ongebalanceerd en een onjuiste presentatie van wetenschappelijke inzichten in de mogelijke effecten van klimaatverandering. De IPCC-rapporten laten daarom de risico’s en effecten van klimaatverandering bij verschillende klimaatscenario’s zien. Er worden daarbij zowel scenario’s gebruikt met sterke of minder sterke emissietoename, als scenario’s met emissie-afname, om hiermee voorbereid te zijn op alle mogelijke ontwikkelingen.
Bij sommige rapporten, zoals bijvoorbeeld bij het Oceanenrapport is in de samenvatting voor beleidsmakers gekozen voor alleen het hoogste en laagste scenario, om overzichtelijk de gehele range van mogelijke effecten weer te geven.
Bent u ervan op de hoogte dat de uitstoot van broeikasgassen al zo’n tien jaar steeds verder achterloopt op het in onderzoeken gehanteerde rampscenario? Deelt u de mening dat het dan ook ronduit misleidend is dat het rampscenario in steeds meer onderzoeken – zie de rapporten van het Intergovernmental Panel on Climate Change (IPCC) – als basisscenario is gaan gelden? Zo nee, waarom niet?
Het klopt dat de wereldwijde emissies niet zo snel stijgen als verondersteld in het hoogste scenario (RP8.5). Dit is het gevolg van emissiebeleid. Het klopt ook dat hoogste scenario niet als een «business as usual» scenario is te karakteriseren, maar eerder een «worst case» scenario.
Daarmee is niet gezegd dat het hoogste scenario ondenkbaar is geworden. Als het internationale klimaatbeleid mislukt en/of er sterkere terugkoppelingen in het klimaatsysteem zitten dan gedacht, dan kan die wereld wel degelijk opwarmen tot het in het RP8.5 veronderstelde niveau. Het blijft daarom van belang om bij het verkennen van de risico’s van klimaatverandering niet alleen te kijken naar een «business as usual scenario» en naar de klimaatdoelemissiescenario’s (2 graden of 1,5 graden), maar ook naar «worst case scenario’s». Het blijft van belang, ook voor het IPCC, om het hele palet aan emissiescenario’s te beschouwen als basis van mogelijke ontwikkelingen van een toekomstig klimaat.
Deelt u de mening dat mensen constant bang worden gemaakt met allerlei doembeelden over klimaatverandering die nooit zullen uitkomen? Deelt u de conclusie dat rampzalige voorspellingen in de afgelopen decennia over de stijging van de zeespiegel nooit zijn uitgekomen? Zo nee, waarom niet?
Nee. Er is nooit beweerd dat de zeespiegel op een termijn van decennia tot rampzalige hoogte zou kunnen stijgen. Zeespiegelstijging is een langzaam proces omdat de reacties van ijsmassa’s en zeewater zelf op een opwarmend klimaat traag verlopen en het heel lang duurt tot deze systemen in evenwicht zijn met een veranderd klimaat. De keerzijde daarvan is dat ze heel lang doorgaan en niet of nauwelijks zijn af te remmen en daarmee praktisch onomkeerbaar worden.
De snelheid van zeespiegelstijging kan daarnaast sterk toenemen wanneer kritische grenzen worden overschreden, waardoor grote ijsmassa’s – met name op Groenland en Antarctica – versneld gaan afsmelten en meerdere meters zeespiegelstijging kan optreden. Waar die kritische grenzen liggen is niet goed bekend. Op basis van het voorzorgbeginsel houdt het Nederlandse beleid ten aanzien van zeespiegelstijging al wel rekening met het risico op dergelijke toekomstige ontwikkelingen (via het Deltaprogramma).
Bent u ertoe bereid niet langer mee te doen aan deze klimaatbangmakerij, direct te stoppen met uw eigen klimaatagenda en de burgers niet langer op kosten te jagen? Wanneer stuurt u een brief naar de VN met daarin de mededeling dat Nederland uit het Klimaatakkoord van Parijs stapt?
Nee. Het kabinet doet niet aan bangmakerij, maar informeert de Nederlandse burger gebalanceerd over de risico’s van klimaatverandering op basis van informatie van het IPCC en eigen kennisinstellingen. Daarmee biedt ze een onderbouwing van haar klimaatbeleid, zowel wat betreft het tegengaan van klimaatverandering als tijdige voorbereiding op niet meer te vermijden effecten van klimaatverandering (zoals aanpassing aan zeespiegelstijging). Daaraan zijn kosten verbonden, maar die zijn geringer dan de materiële en immateriële verliezen die daarmee kunnen worden vermeden. Nederland is en blijft partij bij het Klimaatakkoord van Parijs, omdat dat de grootste kans biedt op een effectieve mondiale aanpak voor het halen van de klimaatdoelen en daarmee de bescherming van de Nederlandse burger tegen de negatieve effecten van klimaatverandering.
Het bericht Pasgeboren kuikens niet meer vergast of in de shredder in Frankrijk |
|
Frank Futselaar (SP) |
|
Carola Schouten (viceminister-president , minister landbouw, visserij, voedselzekerheid en natuur) (CU) |
|
|
|
|
Kent u het bericht «Pasgeboren kuikens niet meer vergast of in de shredder in Frankrijk»?1
Ja.
Hoe kijkt u aan tegen het besluit van het Franse ministerie om het vergassen of versnipperen van kuikens per 2021 te verbieden?
Ik ben positief over het initiatief dat de Franse en Duitse Minister hebben genomen om het ontwikkelen van alternatieven voor het doden van eendagshaantjes te bespoedigen door het opzetten van een platform met als doel om het vroegtijdig doden per eind 2021 te kunnen beëindigen. Dit is in lijn met de afspraken die ik met de pluimveesector in Nederland heb gemaakt. In de Uitvoeringsagenda Pluimveesector die in september 2019 met de brief over de toekomst van de veehouderij naar uw Kamer is toegestuurd (Kamerstuk 28 973, nr. 218) committeert de Nederlandse sector zich ook aan het toewerken naar maatschappelijk geaccepteerde oplossingen voor de eendagshaantjes. Zodra er technieken zijn die goed werken in de praktijk, zullen deze breed worden ingevoerd. De ervaringen in internationaal verband zal ik gebruiken om met de sector verder het gesprek aan te gaan over de mogelijkheden om het doden van haantjes uit te faseren. Op welk moment het volledig stoppen met vroegtijdig doden realistisch haalbaar is gezien beschikbaarheid van breed toepasbare technieken zal ik bij dat gesprek betrekken.
Kunt u de Kamer op de hoogte brengen van de voortgang van de samenwerking tussen het Ministerie van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit, het pluimveebedrijfsleven en de Dierenbescherming aangaande het project «gender screening in Ovo», waarbij in een vroegtijdig stadium kan worden geselecteerd op eieren met vrouwelijke embryo’s?2
De Nederlandse pluimveesector heeft sinds 2014 contact met het bedrijf In Ovo dat werkt aan een techniek om het geslacht van de kuikens in het ei te bepalen. Ook de Universiteit Leiden, de Dierenbescherming en mijn ministerie zijn bij de precompetitieve fase van de ontwikkeling betrokken geweest. Er is nog regelmatig contact tussen deze partijen. De verwachting is dat de methode dit jaar op commerciële basis kan worden toegepast.
Kunt u bevestigen dat er jaarlijks nog steeds 40 miljoen kuikens in Nederland vroegtijdig worden gedood omdat deze dieren omwille van hun geslacht worden beschouwd als nutteloos bijproduct in de voedingsindustrie?
De pluimveesector geeft aan dat er in Nederland inderdaad circa 40 miljoen eendagshaantjes per jaar worden gedood. Deze kuikens worden gebruikt als diervoeding. Hierbij kan worden gedacht aan afzet naar dierentuinen maar ook naar particuliere houders van exotische dieren zoals reptielen, en vogelparken.
Zijn er nog Nederlandse bedrijven bekend die gebruikmaken van vernietiging van kuikens door shredders en zijn er nog Nederlandse bedrijven die pluimveekuikens exporteren naar landen waar dit gebruikelijk is?
Er zijn mij geen Nederlandse bedrijven bekend die gebruik maken van de shredder als dodingsmethode. Er wordt gebruikgemaakt van gasdoding. Er worden geen levende haantjes geëxporteerd om elders te worden gedood.
Wat vindt u van de ontwikkeling dat eier-producent Kipster en supermarktketen Lidl er gezamenlijk voor hebben gekozen om het op de markt brengen van producten met hanenvlees te laten prevaleren boven het vroegtijdig doden van de hanenkuikens?3
Het afmesten van de haantjes uit de legsector is één van de mogelijke oplossingen om het doden van de dieren te voorkomen. Daarnaast kan er gekozen worden voor het gebruik van dubbeldoelkippen en/of geslachtsbepaling in het ei. Voor alle opties is het van belang dat er voldoende afzetmarkt bestaat.
Deelt u de mening dat Nederland, gezien de beschikbare alternatieven, in navolging van Frankrijk moet kiezen voor een verbod op het vroegtijdig vernietigen van kuikens? Zo ja, bent u bereid om hier wetgeving voor te ontwikkelen? Zo nee, waarom niet?
Ik ben bij de huidige stand van zaken niet voornemens een verbod op het doden van eendagshaantjes in te stellen. Ik verwijs uw Kamer hiervoor ook naar het antwoord op de vragen 2 en 6.
Bent u bereid om in EU-verband te pleiten voor een algeheel verbod op het vroegtijdig vernietigen van hanenkuikens? Zo nee, waarom niet?
Ik ben van mening dat het noodzakelijk is dat er meer commercieel toepasbare oplossingen voorhanden moeten zijn voordat een eventueel verbod op het doden van eendagshaantjes kan worden ingesteld. Ik zal de ontwikkelingen nauw blijven volgen en in overleg blijven met de sector en omringende landen.
Het Oxfam rapport The EU Trust Fund for Africa |
|
Mahir Alkaya (SP), Jasper van Dijk (SP) |
|
Sigrid Kaag (minister zonder portefeuille buitenlandse zaken) (D66) |
|
|
|
|
Wat is uw oordeel over het Oxfam rapport «The EU Trust Fund for Africa: trapped between aid policy and migration politics»?1
Het Oxfam rapport illustreert dat het Emergency Trust Fund for Africa (EUTF) is gebruikt, waarvoor het en marge van de Valletta migratietop in november 2015 werd opgericht, namelijk om snel en flexibel in te kunnen spelen op (de grondoorzaken van) destabilisering, gedwongen ontheemding en irreguliere migratie en om te werken aan een verbeterd migratiemanagement. Het instrument diende ertoe om situaties het hoofd te bieden waar reguliere externe financieringsinstrumenten, zoals het Europees Ontwikkelingsfonds (EOF) en het Europees Nabuurschapsinstrument (ENI), ontoereikend voor waren. Het EUTF diende complementair te zijn aan de reguliere externe financieringsinstrumenten en is daar volgens het kabinet grotendeels in geslaagd.
Wat is uw reactie op de onthulling in het rapport dat ontwikkelingsgeld via het EU Trust Fund for Africa (EUTF) in toenemende mate wordt gebruikt om druk te zetten op landen om migranten tegen te houden? Is dit een legitieme besteding van ontwikkelingsgeld?
De EU werkt nauw samen met Afrikaanse landen aan brede partnerschappen op het gebied van migratie. Deze samenwerking omvat onder meer de aanpak van grondoorzaken van irreguliere migratie, ondersteuning van opvang in de regio, het verbeteren van grensbeheer en het bevorderen van terugkeer. Het beeld dat hierbij oneigenlijke druk op derde landen zou worden uitgevoerd herkent het kabinet niet. Het kabinet verwacht dat de Europese Commissie bij besteding van EUTF-fondsen de OESO-DAC criteria voor de besteding van ODA-middelen naleeft.
Bent u het eens met de vaststelling dat er nog altijd geen duidelijk en coherent beleid wordt gevoerd, ondanks de kritiek van onder andere de Europese Rekenkamer in 2018? Kunt u uw antwoord toelichten?
Nee, die vaststelling deelt het kabinet niet. De Europese Rekenkamer (ERK) constateerde in december 20182 dat het EUTF een flexibel instrument is, maar dat het gezien het brede palet aan doelstellingen en de geografische spreiding gerichter had kunnen worden ingezet. De Europese Commissie aanvaardde in haar reactie destijds goeddeels de aanbevelingen van de ERK. Ook het kabinet onderschreef de ERK conclusies en aanbevelingen. Nederland heeft in EUTF besluitvormingsorganen gepleit voor een meer migratie-gerelateerde focus, o.a. meer aanpak mensenhandel- en smokkel, terugkeer, opvang in de regio en grensbeheer. In 2019 is een externe evaluatie van het instrument EUTF gestart. Naar verwachting zal deze medio 2020 uitkomen. Het kabinet vindt het van belang dat geleerde lessen daaruit worden meegenomen voor het volgende Meerjarige Financiële Kader (2021–2027).
Deelt u de mening dat ontwikkelingsgeld (ODA-gelden) primair bedoeld is voor armoede- en ongelijkheidsbestrijding en niet voorwaardelijk moet worden gemaakt aan migratiedoelen?
Activiteiten die primair ontwikkelingsgericht zijn kunnen worden aangemerkt als ODA. Het kabinet is van mening dat ODA-gelden gebruikt moeten worden voor een brede agenda ten behoeve van het behalen van de Duurzame Ontwikkelingsdoelen (SDG’s). De OESO/DAC-criteria voor officiële ontwikkelingshulp zijn daarbij kaderstellend.
Wat is uw reactie op de mensenrechtenschendingen als gevolg van dit beleid, zoals in Eritrea en Libië? Welke consequenties zou dit uw inziens moeten hebben voor de toekomst van EUTF?2 3
Het kabinet is het niet eens met de suggestie dat mensenrechtenschendingen in Eritrea en Libië het gevolg zijn van EU-beleid. De EU zet zich in voor de aanpak en het voorkomen van mensenrechtenschendingen, conflict en instabiliteit in derde landen. Voor wat betreft uw verwijzing naar Eritrea verwijst het kabinet onder meer naar beantwoording van de Kamervragen van het lid Diks d.d. 4 april 2019.5 Voor wat betreft Libië ondersteunt de EU de Libische autoriteiten in het uitvoeren van haar wettelijke taak om drenkelingen op zee te redden. Het respecteren van mensenrechten maakt onderdeel uit van het trainingsprogramma van de Kustwacht. Daarnaast steunt de EU ook UNHCR en IOM om de situatie van vluchtelingen en irreguliere migranten in Libië te verbeteren. Ten aanzien van het aangehaalde artikel over Libië in de The Guardian van d.d. 21 januari 2019, wijst het kabinet er voorts op dat zich sindsdien enkele ontwikkelingen hebben voorgedaan. Het aantal migranten dat gevangen wordt gehouden in officiële detentiecentra neemt verder af. Volgens laatste berichtgeving bevinden zich nu minder dan 2000 personen in de 11 officiële detentiecentra. Nederland blijft zich inzetten voor het verbeteren van de erbarmelijke situatie van betrokkenen in de Libische detentiecentra met als doel de uiteindelijke sluiting van alle detentiecentra. Daarom steunt Nederland UNHCR in het realiseren van alternatieve vormen van opvang, waaronder de mogelijkheid voor irreguliere migranten en vluchtelingen om ondergebracht te worden in stedelijke gebieden. Daar krijgen ze ondersteuning in de vorm van geld, voedselpakketten en medische assistentie. Het kabinet draagt hieraan bij (zie ook de beantwoording van de Kamervragen van de leden Van Dijk en Voordewind d.d. 21 januari 2020).
Wat is de looptijd van EUTF? Wordt EUTF in zijn huidige vorm opgenomen in de nieuwe meerjarenbegroting van de EU?
De looptijd van het EUTF is tot 31 december 2020. In de voorstellen van de Europese Commissie voor de volgende meerjarenbegroting is niet voorzien dat het EUTF in zijn huidige vorm wordt voortgezet.
Wat is uw positie binnen de Raad van Ministers over de vorm van EUTF in de volgende meerjarenbegroting? Kunt u een schets geven van de huidige stand van zaken over de onderhandelingen?
Sinds de zomer van 2018 tot eind november 2019 is er binnen de Raad onderhandeld over de concept-verordening voor het instrument voor het Nabuurschap, Ontwikkeling en Internationale Samenwerking (NDICI), zoals in juni 2018 voorgesteld door de Europese Commissie.6 Het NDICI maakt deel uit van het Meerjarig Financieel Kader (MFK) voor de periode 2021–2027. Eind november bereikte de Raad een positie (partial general approach) over de inhoud van de verordening.7 Met name preambule 29 en 30 en artikel 8.7 van de NDICI-verordening hebben betrekking op migratiesamenwerking met derde landen. Over de tekst van de verordening is de triloog met het Europees parlement nog gaande.
In het BNC-fiche over het NDICI pleit het kabinet voor specifieke fondsen voor migratie binnen het NDICI. De Nederlandse inzet in de onderhandelingen over het NDICI was hiermee in lijn. Doel is dat er ook gedurende de loop van het volgende MFK flexibel kan worden ingespeeld op nieuwe situaties en ontwikkelingen.
Welke aanbevelingen van het Oxfam-rapport neemt u over?
Het kabinet vindt dat het rapport een aantal relevante aanbevelingen bevat, zoals die op het gebied van monitoring en evaluatie en het leren van migratie-gerelateerde interventies. Het kabinet kijkt in dit licht uit naar de uitkomsten van de EUTF evaluatie en vindt het belangrijk dat de lessen daaruit worden meegenomen bij de vormgeving van migratie-gerelateerde programma’s onder het volgende Meerjarige Financiële Kader.
De verbeteringen voorgesteld door de Vereniging Advocatenbelangen |
|
Michiel van Nispen (SP) |
|
Sander Dekker (minister zonder portefeuille justitie en veiligheid) (VVD) |
|
|
|
|
Heeft u kennisgenomen van de brief van Vereniging Advocatenbelangen van 27 januari 2020?1 Wat is daarop uw reactie?
Ja, ik heb daar kennis van genomen. Voor de reactie vanuit mijn Ministerie verwijs ik naar de brief aan de Vereniging Advocatenbelangen die als bijlage bij deze antwoorden is gevoegd. 2
In hoeverre gaat u tegemoet komen aan de verbeteringen die de Vereniging in haar brief voorstelt?
Voor het antwoord op deze vraag verwijs ik naar de in antwoord 1 genoemde brief aan de Vereniging Advocatenbelangen die als bijlage bij deze antwoorden is gevoegd.
Deelt u de mening dat het aantal punten dat sociaaladvocaten ontvangen nog altijd ontoereikend is voor het werk dat zij verrichten?
Ik deel de mening dat het vergoedingensysteem van het Besluit vergoedingen rechtsbijstand niet mee ontwikkeld is met de maatschappelijke ontwikkelingen en veranderingen in de procespraktijk. Hierdoor is er een scheefgroei ontstaan tussen punttarief en de gemiddelde tijdsbesteding en ontbreekt op sommige rechtsgebieden het forfaitaire karakter. Die scheefgroei en gebrek aan forfait is niet op te lossen met extra geld en behoeft een herinrichting van het stelsel zodat we in de toekomst eerder kunnen anticiperen op ontwikkelingen.
Wanneer kan de Vereniging uw reactie tegemoet zien?
De Vereniging Advocatenbelangen is per eerder genoemde brief van 28 februari 2020 op de hoogte gesteld.
Het AO ‘Vliegen over Conflictgebieden’ |
|
Wim-Jan Renkema (GL), Suzanne Kröger (GL) |
|
Paul Blokhuis (staatssecretaris volksgezondheid, welzijn en sport) (CU), Cora van Nieuwenhuizen (minister infrastructuur en waterstaat) (VVD) |
|
|
|
|
Bij wie ligt de afweging en het besluit om vluchten naar China op te schorten? Klopt de uitspraak van de Minister van Buitenlandse Zaken in het RTL nieuws d.d. 29 januari dat dit een afweging van de luchtvaartmaatschappijen zelf is?
Zie het antwoord op vraag 2.
In hoeverre vindt u het wenselijk dat een commerciële partij deze afweging zelf maakt, terwijl de veiligheid van Nederland of Nederlandse burgers in het geding is?
Luchtvaartmaatschappijen zijn verantwoordelijk voor aanpassingen in het vluchtschema om de gezondheid van personeel en passagiers te waarborgen. Luchtvaartmaatschappijen gebruiken informatie van nationale en internationale gezondheids- en luchtvaartinstanties, waaronder het RIVM, de WHO en de Internationale Burgerluchtvaartorganisatie ICAO, die dagelijks informatie verschaft via een speciaal programma, het Collaborative Arrangement for the Prevention and management of public health events in Civil Aviation (CAPSCA). De EU geeft via het Healthy Gateways programma, waarin het RIVM participeert, operationele adviezen aan luchtvaartmaatschappijen met betrekking tot het Coronavirus.
Op grond van de luchtvaartovereenkomsten tussen staten geldt dat luchtvaartmaatschappijen onder andere moeten voldoen aan alle nationale voorschriften voor de toelating, verblijf en vertrek van passagiers en vracht. Dit betreft onder andere verplichtingen aan vervoersexploitanten op grond van de Wet Publieke Gezondheid. Ook is het is de verantwoordelijkheid van transportondernemingen om de reizigersadviezen van Buitenlandse Zaken te betrekken bij hun operationele afwegingen.
Voor de gezondheid en veiligheid van Nederlandse burgers volgen wij de adviezen van Wereldgezondheidsorganisatie (WHO) en het Europees Centrum voor ziektepreventie en -bestrijding (ECDC). De WHO roept expliciet op om geen disproportionele maatregelen te nemen. Restricties op reizen of handel moeten aan de WHO gemeld worden met een onderbouwing en de WHO kan de lidstaat, als zij de onderbouwing onvoldoende vinden, vragen deze maatregelen terug te draaien.
Op basis van welke informatie wordt de afweging door een luchtvaartmaatschappij gemaakt? Is het reisadvies vanuit Buitenlandse Zaken hierin leidend? Welke rol speelt het Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu (RIVM) en de adviezen van de Wereldgezondheidsorganisatie (World Health Organization – WHO) hierbij?
Zoals in het antwoord op vraag 2 aangegeven gebruiken luchtvaartmaatschappijen informatie van nationale en internationale gezondheids- en luchtvaartinstanties, waaronder het RIVM, de EU, de WHO en ICAO. Het RIVM adviseert, op basis van de adviezen van de WHO en het ECDC, toegespitst op de Nederlandse situatie, ook over maatregelen t.a.v. reizigers. Luchtvaartmaatschappijen nemen ook het reisadvies van het Ministerie van Buitenlandse Zaken mee in hun overweging.
Welke rol speelde de Britse en Duitse overheid in het besluit van British Airways en Lufthansa, om alle vluchten naar China te staken?
In zijn algemeenheid geldt dat luchtvaartmaatschappijen, ook in het Verenigd Koninkrijk en Duitsland, hun eigen afweging maken.
Onder welke omstandigheden heeft Nederland wel de mogelijkheid om het vliegverkeer naar China op te schorten? Bij welke overheidsinstantie of bewindspersoon ligt deze afweging?
In het, zeer onwaarschijnlijke, geval dat de WHO of het ECDC zou adviseren om het vliegverkeer naar een land of regio op te schorten, kan hiervoor noodwetgeving in het leven geroepen worden.
Op basis van de Wet publieke gezondheid (Wpg) heeft de Minister voor Medische Zorg en Sport, omdat hier sprake is van een A-ziekte, de bevoegdheid om, via de voorzitter van de veiligheidsregio, voor het nieuwe coronavirus in specifieke gevallen verplichtingen op te leggen aan de gezagvoerder van een vliegtuig of aan een vervoersexploitant. Het gaat dan niet om algemene maatregelen ten aanzien van de luchtvaart, maar om specifiek op de situatie toegeschreven maatregelen, zoals het informeren van de verkeerstoren over ziektegevallen, het omleiden van een vliegtuig naar een aangewezen vliegveld, het verstrekken van informatie aan passagiers of het nemen van quarantainemaatregelen.
Vervoerstoestemmingen die luchtvaartmaatschappijen op grond van de luchtvaartverdragen hebben, kunnen alleen worden ingetrokken wanneer exploitanten de nationale voorschriften voor de toelating, verblijf en vertrek van passagiers en vracht niet opvolgen. Dit vereist overleg met het andere verdragsland. Gelet op het bovenstaande vergen de gezondheidsvoorschriften op dit moment geen intrekking van vervoerstoestemmingen.
Klopt het, dat KLM uit eigen overweging vooral die vluchten heeft geschrapt waarvoor ze toch al geen tickets meer konden verkopen of lag hier een maatschappelijke overweging aan ten grondslag?
Zoals toegelicht in het antwoord op vraag 2 gebruiken luchtvaartmaatschappijen informatie van diverse nationale en internationale gezondheids- en luchtvaartinstanties om te komen tot een overweging, daarnaast spelen commerciële redenen een rol. Op 29 januari gaf de KLM aan op dat moment nog geen aanleiding te zien om de gehele operatie naar China op te schorten maar wel het netwerk aan te passen aan de terugloop van de boekingen. Op 30 januari kondigde de KLM aan na het weekend tot 9 februari ook de vluchten naar Beijing en Shanghai op te schorten.
Welke mogelijkheid heeft Nederland om arriverende passagiers uit risicogebieden bij aankomst medisch te screenen? Ligt hier een plan voor klaar? Wie neemt een dergelijk besluit en wie voert dit uit?
Experts zijn van mening dat het bij aankomst medisch screenen van arriverende passagiers uit risicogebieden geen effectieve maatregel is. Als op dit moment reizigers op Nederlandse luchthavens gecontroleerd worden op koorts, zullen vooral mensen met griep of een verkoudheid worden opgespoord. Epidemieën in het verleden hebben laten zien dat dit niet werkt. Ter illustratie: ten tijde van de SARS-uitbraak van 2002–2003 zijn er geen gevallen vastgesteld bij entry screening van 2.963.286 vliegpassagiers. Ook in deze epidemie blijkt de entry-screening het optreden van gevallen in bijvoorbeeld het Verenigd Koninkrijk, Canada en de VS niet te hebben voorkomen.
Kunt u de beantwoording van deze vragen meenemen in de bij het algemeen overleg Vliegen over Conflictgebieden (d.d. 29 januari 2020) toegezegde brief of in elk geval beantwoorden voor 6 februari 2020?
Ja.
De huidige betrekkingen tussen Nederland en Taiwan |
|
Wybren van Haga (Lid-Haga) |
|
Sigrid Kaag (minister zonder portefeuille buitenlandse zaken) (D66) |
|
|
|
|
Klopt het dat Nederland momenteel de grootste buitenlandse investeerder is in Taiwan, met een investering van totaal circa 35,3 miljard Amerikaanse dollars en in het jaar 2016 een investeringsaandeel van 60%?1
De in het artikel genoemde 35,3 miljard USD (ruim 31,2 miljard euro) betreft het totaalbedrag van alle door Nederland gedane investeringen in Taiwan sinds het moment dat er buitenlandse investeringen in Taiwan zijn gedaan t/m oktober 2019. De 35,3 miljard USD is dus een cumulatief cijfer voor de periode 1952 t/m oktober 2019. Volgens de meest recente cijfers van de Investment Commission van Taiwan was Nederland van 1952 t/m december 2019 inderdaad de grootste buitenlandse investeerder in Taiwan met 35,4 miljard USD (ruim 31,3 miljard euro), met een aandeel van bijna 20% in het over die periode cumulatieve FDI in Taiwan.
Van 2016–2018 was Nederland drie jaar op rij de grootste buitenlandse investeerder op jaarbasis in Taiwan. In 2016 was het bedrag ruim 6,7 miljard USD (ruim 6 miljard euro, circa 60,8% van de totale buitenlandse investeringen in Taiwan), in 2017 investeerde Nederland circa 1,9 miljard USD (circa 1,7 miljard euro, aandeel circa 25,3%) en in 2018 circa 3,5 miljard USD (circa 3 miljard euro, aandeel circa 30,6%). In 2019 investeerde Nederland circa 2,3 miljard USD (ruim 2 miljard euro, aandeel circa 20,5%), waarmee het de tweede grootste buitenlandse investeerder was in Taiwan, na de British Overseas Territories in the Caribbean.
Kunt u aangeven hoe dit investeringsbedrag is verdeeld over de verschillende sectoren?
In de periode 2016–2019 vielen de meeste investeringen in de categorie «Electronic Parts and Components Manufacturing», met een gewogen gemiddeld aandeel van circa 72% van de totale Nederlandse investeringen in Taiwan in deze vier jaar, gevolgd door «Financial and Insurance», met een gewogen gemiddeld aandeel van ruim 2%.
Bent u het ermee eens dat de (handels)relatie met Taiwan belangrijk is voor Nederland en – mede gelet op de rijke wederzijdse geschiedenis van beide landen – Taiwan de expliciete steun van Nederland verdient? Zo ja, op welke manieren zou Nederland de steun aan Taiwan kunnen vormgeven?
Nederland heeft goede economische, culturele en wetenschappelijke betrekkingen met Taiwan. Net als alle andere landen die diplomatieke betrekkingen onderhouden met China voert Nederland een «één-Chinabeleid» waarbij het de regering van de Volksrepubliek China (in Peking) als enige wettige regering van China erkent. Dit betekent dat Nederland geen diplomatieke betrekkingen met Taiwan onderhoudt. Binnen deze kaders blijft het kabinet waakzaam voor pogingen van China om de ruimte voor samenwerking en goede relaties met Taiwan in te perken. Dit kabinet is daarnaast voorstander van betekenisvolle deelname van Taiwan aan internationale bijeenkomsten wanneer dit in het belang van de internationale gemeenschap is.
Kunt u meer duidelijkheid verschaffen over de inhoud van de Bilateral Investment Agreement tussen de EU en Taiwan in de huidige vorm? Wat is de precieze insteek van dit handelsakkoord?2
Er is geen bilaterale investeringsovereenkomst tussen de EU en Taiwan en er wordt ook niet onderhandeld over een dergelijke overeenkomst. De Commissie heeft geen mandaat van de Raad om te onderhandelen en heeft hier ook geen voorstel toe gedaan.
Bent u op de hoogte van het feit dat de Chinese militaire dreiging en de druk op andere landen om economisch en politiek met Taiwan te breken, is toegenomen na de verkiezing van de president Tsai-Ingwen? Zijn er aanwijzingen dat voornoemde feiten zullen leiden tot een afname van de Nederlandse investeringen in Taiwan of een verslechtering van de handelsrelatie tussen Nederland en Taiwan?
De regering in Peking stelt zich harder op richting Taiwan sinds de Democratic Progressive Party er in 2016 de verkiezingen won. Peking probeert Taiwan internationaal verder te isoleren en sluit militair ingrijpen niet uit om die hereniging te bewerkstelligen. Na de herverkiezing van Tsai Ing-wen riep een woordvoerder van het Chinese Ministerie van Buitenlandse Zaken de internationale gemeenschap op zich te houden aan het één-China beleid en zich te keren tegen activiteiten die de Taiwanese onafhankelijkheid beogen. Zoals eerder aangegeven blijft het kabinet waakzaam voor pogingen van China om de ruimte voor samenwerking en goede relaties met Taiwan in te perken. Er zijn momenteel geen aanwijzingen dat eventuele toegenomen Chinese druk als reactie op de herverkiezing van Tsai Ing-wen negatieve gevolgen zal hebben voor de handelsrelatie tussen Nederland en Taiwan.
Ziet u in het traject van het afsluiten van een handelsverdrag tussen de EU en Taiwan risico’s met betrekking tot de handelsrelatie met China?
Zoals aangegeven vinden er geen onderhandelingen plaats over een investeringsovereenkomst of handelsverdrag tussen de EU en Taiwan.
Waarom besteedt u in uw Handelsagenda geen separate aandacht aan Taiwan?
De Handelsagenda licht toe hoe het kabinet de ambitie uit de BHOS-nota «Investeren in perspectief» uitvoert om het internationale verdienvermogen van Nederland te versterken. De Handelsagenda noemt een indeling in vier marktgroepen, waaronder de Top-25 markten (waartoe Taiwan behoort), en omschrijft in algemene zin de acties bij de verschillende groepen doelmarkten. De Handelsagenda gaat niet in op individuele markten en besteedt derhalve ook geen separate aandacht aan Taiwan.
Het bericht ‘Exclusief: Interview Citrix CISO, Fermín Sera, waar ging het mis?' |
|
Harry van der Molen (CDA), Chris van Dam (CDA), Joba van den Berg-Jansen (CDA) |
|
Ferdinand Grapperhaus (minister justitie en veiligheid) (CDA) |
|
|
|
|
Heeft u kennisgenomen van het bericht op Techzine.be van 27 januari 2020 «Exclusief: Interview Citrix CISO, Fermín Sera, waar ging het mis?»?1
Ja.
Klopt het dat er op 17 december 2019 een tijdelijke oplossing van het beveiligingslek beschikbaar werd gesteld door Citrix en dat met deze oplossing, mits goed doorgevoerd, gebruikers van Citrix beschermd waren geweest tegen het beveiligingslek?
Citrix heeft op 17 december 2019 de kwetsbaarheid bekend gemaakt en tussentijdse mitigerende maatregelen beschikbaar gesteld voor de kwetsbare Citrix-producten. Of bij goed doorvoeren gebruikers beschermd waren tegen de kwetsbaarheid, hangt af van meer factoren dan alleen het al dan niet juist doorvoeren van deze maatregelen. Na de bekendmaking van de kwetsbaarheid door Citrix, heeft het Nationaal Cyber Security Centrum (NCSC) op 18 december 2019 in een beveiligingsadvies geadviseerd om de door Citrix beschikbaar gestelde tussentijdse mitigerende maatregelen door te voeren. In januari 2020, heeft het NCSC op basis van de toen beschikbare informatie geconcludeerd dat niet alleen als de tussentijdse mitigerende maatregelen niet of niet goed waren doorgevoerd, maar ook als deze niet vóór 9 januari 2020 op de juiste wijze waren doorgevoerd, organisaties ervan moesten uitgaan dat hun systemen niet beschermd waren. Daarnaast heeft Citrix 16 januari 2020 aan het NCSC gemeld dat de tijdelijke beschikbaar gestelde oplossing bij één softwareversie mogelijk niet effectief is geweest. Dit was ten tijde van bekendmaking van de kwetsbaarheid door Citrix nog niet bekend. Het NCSC heeft steeds zijn adviezen afgestemd op de laatst beschikbare informatie. Voor een overzicht hiervan verwijs ik u naar de brieven aan uw Kamer over dit onderwerp van 20 en 23 januari 2020.2
Indien het klopt wat de CISO van Citrix beschrijft ten aanzien van de tijdelijke oplossing, waarom is deze oplossing dan niet doorgevoerd bij de overheidsdiensten die gebruik maken van Citrix?
Het beveiligingsadvies van het NCSC van 18 december 2019 is op 24 december 2019 verhoogd naar het hoogste niveau (high/high: hoge kans op misbruik én hoge schade aan systemen bij misbruik). De overheid hanteert de Baseline Informatiebeveiliging Overheid (BIO) als basisnormenkader voor haar informatiebeveiliging. Ten aanzien van kwetsbaarheden met een hoge kans op misbruik en een hoge schade aan systemen bij misbruik (high/high) schrijft de BIO voor kwetsbaarheden binnen één week op te lossen en in de tussentijd mitigerende maatregelen te treffen op basis van een risicoafweging.
Er zijn bij het NCSC en CIO-Rijk geen aanwijzingen dat Rijksoverheidsdiensten de tussentijdse mitigerende maatregelen van Citrix van 17 december 2019 onjuist hebben doorgevoerd. Wel is bij het NCSC bekend dat er binnen de rijksoverheid nog organisaties waren die deze oplossing niet of niet tijdig hebben doorgevoerd. Informatie van semipublieke organisaties is niet beschikbaar.
Ten aanzien van medeoverheden (provincies, gemeenten en waterschappen) zijn er geen aanwijzingen bij het Ministerie van BZK dat de tussentijdse mitigerende maatregelen van Citrix van 17 december 2019 onjuist zijn doorgevoerd. Overheden zijn autonome bestuursorganen en zijn zelf verantwoordelijk voor hun informatieveiligheidsbeleid, inbegrepen de risicoafweging die zij maken en de maatregelen die zij treffen.
Deze casus wordt geëvalueerd in opdracht van de Minister van Justitie en Veiligheid. De daaruit geleerde lessen worden samen met de kabinetsreactie op het WRR-rapport «Voorbereiden op digitale ontwrichting» met uw Kamer gedeeld.
Is er sprake geweest van overheidsdiensten of semipublieke organisaties die de tijdelijke patch die op 17 december 2019 werd gepubliceerd door Citrix onjuist hebben doorgevoerd? Doet u daar onderzoek naar?
Zie antwoord vraag 3.
Kunt u lering trekken uit de wijze waarop andere landen om zijn gegaan met dit beveiligingslek? Kunt u verklaren waarom met name in Nederland dit beveiligingslek tot grote problemen heeft geleid?
Elk land maakt eigen afwegingen met betrekking tot kwetsbaarheden in informatie- en netwerksystemen. Internationaal heeft Nederland snel, maar niet als enige gehandeld als het gaat om advisering over hoe om te gaan met deze kwetsbaarheid. Door het NCSC is meerdere malen contact en afstemming geweest met collega-organisaties in het buitenland.
Hoe beoordeelt u de ongeschreven regel in de industrie die zegt dat er binnen 90 dagen nadat een beveiligingslek wordt gemeld, deze niet publiekelijk wordt gemaakt, zodat een bedrijf het lek kan dichten? Acht u het wenselijk dat een dergelijke periode formeel wordt vastgelegd, al dan niet op Europees niveau?
Zodra een kwetsbaarheid publiek bekend wordt gemaakt, stellen veel leveranciers in beginsel zo snel mogelijk een sluitende oplossing beschikbaar, zodat de kans op misbruik kan worden beperkt. In de Leidraad Coordinated Vulnerability Disclosure3 van het NCSC zijn bouwstenen opgenomen die organisaties kunnen gebruiken voor het maken van een eigen beleid t.a.v. het verhelpen van kwetsbaarheden. In deze leidraad wordt een richtlijn meegegeven van 60 dagen voor het kunnen verhelpen van kwetsbaarheden in software voordat deze publiekelijk worden gemaakt, zodat de leverancier voldoende tijd heeft om bij bekendmaking ook een oplossing beschikbaar te hebben. In het geval van de Citrix kwetsbaarheid zijn er ten tijde van bekendmaking van de kwetsbaarheid alleen tussentijdse mitigerende maatregelen beschikbaar gesteld. Elke kwetsbaarheid is anders en elke leverancier kan eigen richtlijnen hanteren voor het tijdig verhelpen van een kwetsbaarheid. Per leverancier, maar ook rekening houdend met het type systemen, zal maatwerk nodig zijn. Ik hecht er wel waarde aan dat bedrijven omwille van veiligheid van ICT-systemen een duidelijk beleid hanteren voor het zo snel mogelijk verhelpen van kwetsbaarheden.
Het bericht in Noord-Hollands Dagblad over de slechte staat van de bruggen op de A44 |
|
Remco Dijkstra (VVD) |
|
Cora van Nieuwenhuizen (minister infrastructuur en waterstaat) (VVD) |
|
|
|
|
Bent u bekend met het bericht «Bruggen A44 te zwak voor zwaar verkeer: inhaalverbod»?1
Ja.
Klopt het dat er een beperking is opgelegd voor bussen en vrachtverkeer op meerdere bruggen en het spoorviaduct op de A44?
Er is een breedtebeperking opgelegd voor bus- en vrachtverkeer op de linkerrijstrook bij vier kunstwerken in de A44. Het gaat om drie bruggen en één viaduct: Lisserweg, Hoofdvaart, Kaagbruggen en Spoorviaduct. Dit betekent dat vrachtverkeer en bussen hier niet op de linkerrijstrook mogen rijden en er dus niet mogen inhalen. Hiermee wil ik voorkomen dat er twee zware voertuigen tegelijkertijd over de bruggen of het viaduct rijden.
Klopt het dat exceptioneel zwaar vrachtverkeer helemaal verboden wordt?
Zwaar transport van boven de 100 ton mag geen gebruik meer maken van dit deel van de A44 om de belasting van de kunstwerken te verminderen. Dit betekent dat de vergunning die transportbedrijven bij de RDW moeten aanvragen voor zwaar transport boven de 100 ton niet meer zal worden verleend. Het gaat om gemiddeld circa 2 transporten per maand. De omleidingsroute loopt via de A4 en de N14.
Bent u het ermee eens dat het onwenselijk is dat deze bruggen voor een deel van het verkeer moeten worden afgesloten vanwege achterstallig onderhoud?
Ja, uiteraard vind ik dat onwenselijk en wil ik dergelijke situaties zoveel mogelijk voorkomen. De beperkingen die in de antwoorden op vragen 2 en 3 zijn beschreven verlengen echter de levensduur van de vier kunstwerken. Voor het bus- en vrachtverkeer is een beperking op het gebruik van de A44 vervelend, maar deze maatregelen verlengen de beschikbaarheid van de A44 voor het verkeer als geheel.
Hoe wordt gecommuniceerd richting transporteurs die te maken hebben met deze overlast?
Op 9 januari 2020 heb ik vertegenwoordigers van TLN, Evofenedex en de ANWB op de hoogte gesteld van de voorgenomen maatregelen. De website van Rijkswaterstaat geeft ook nadere informatie over de maatregelen. De breedtebeperking en de gewichtsbeperking zullen met een verkeersbesluit worden bekrachtigd. Dit verkeersbesluit zal worden gepubliceerd in de Staatscourant.
Wat is er nodig om deze overlast op te heffen en de bruggen weer normaal in gebruik te kunnen nemen?
De vier kunstwerken zijn aan vervanging of renovatie toe. Dit is uit inspecties en berekeningen gebleken. Tot aan vervanging of renovatie blijven de breedtebeperking en de gewichtsbeperking van kracht. Hiermee wil ik de levensduur optimaliseren en voorkomen dat voorafgaand aan de renovatie of vervanging van de kunstwerken zwaardere maatregelen zoals verdergaande gewichtsbeperkingen nodig zijn.
Wanneer wordt het aangepakt en wat heeft u nodig om dit te versnellen?
Vervanging of renovatie biedt de structurele oplossing voor de vier kunstwerken in de A44 (zie het antwoord op vraag 6). Deze maatregelen zijn onderdeel van het programma Vervanging en Renovatie waarover ik medio 2019 heb besloten.
Rijkswaterstaat doorloopt voorafgaand aan de vervanging of renovatie een planfase. De voorbereiding hiervan is inmiddels gestart. Het beeld is nu dat de vervanging of renovatie rond 2025 kan worden uitgevoerd. Rijkswaterstaat heeft deze tijd nodig om de aanpak van de uitvoering en de marktbenadering voor te bereiden. Het project zal bovendien afgestemd moeten worden op de planning van de overige projecten in het gebied.
De uiteindelijke planning is mede afhankelijk van de uitkomsten van deze planfase, de prioritering van dit project binnen de totale VenR-opgave van Rijkswaterstaat en de hinderplanning.
Het bericht dat KPMG en Deloitte schikken met Vestia |
|
Daniel Koerhuis (VVD) |
|
Raymond Knops (staatssecretaris binnenlandse zaken en koninkrijksrelaties) (CDA) |
|
|
|
|
Bent u bekend met het bericht «KPMG en Deloitte schikken met Vestia»?1
Ja.
Klopt het dat Deloitte en KPMG op het punt staan om voor 84 miljoen euro te schikken met Vestia? Zo ja, hoe kijkt u aan tegen het feit dat de totale schade van Vestia 2,7 miljard euro bedraagt en Vestia nu heeft geschikt met Deloitte en KPMG voor 84 miljoen euro?
Aangezien dit het verloop van de onderhandelingen tussen deze partijen niet ten goede komt, geeft de Autoriteit woningcorporaties (Aw) aan dat hier geen mededelingen over gedaan kunnen worden.
Kunt u inmiddels wel inzicht geven in de status van de open vorderingen bij de banken (met uitzondering van de Deutsche Bank) die meededen in het derivatencircus, waaronder de Amerikaanse CitiBank en JPMorgan Chase, de Franse banken BNP Paribas en Société Générale, het Britse Barclays en het Japanse Nomura?
Zie antwoord vraag 2.
Hoe staat het met de uitvoering van de motie-Koerhuis c.s., waarin is verzocht te onderzoeken of, hoe en op welke termijn Vestia de 675 miljoen euro publiek geld terug kan betalen?2
De gecontroleerde jaarcijfers over 2019 zijn nog niet beschikbaar. Deze jaarcijfers worden conform de wettelijke indiendingsdatum uiterlijk voor 1 juli verwacht. De jaarverslagen van corporaties zijn openbaar.
Deelt u de mening dat Vestia het gekregen geld moet terug betalen aan de andere woningcorporaties, zodat zij dit geld kunnen gebruiken om bijvoorbeeld goedkope sociale huurwoningen te bouwen?
Bij de kamerbrief met kenmerk 2018–0000744685 heeft de Minister van BZK u gemeld dat een terugbetalingsregeling reeds onderdeel uitmaakt van het saneringsbesluit voor Vestia (besluit nr. 79). In dit besluit is opgenomen dat de saneringssteun is verstrekt in de vorm van een renteloze lening en dat uiterlijk in 2022 vastgesteld dient te worden welk deel van de verstrekte saneringssteun aan Vestia wordt omgezet in een gift. De beoordeling voor het omzetten van de verstrekte lening in een gift wordt uitgevoerd door de gemandateerd saneerder, het WSW, en dient gebaseerd te worden op de voorwaarden die gesteld zijn in het saneringsbesluit (besluit nr. 79). Op grond van dit kader kan van een corporatie die saneringssteun heeft ontvangen uiterlijk aan het eind van de saneringsperiode verlangd worden de ontvangen steun terug te betalen indien op dat moment sprake is van een verantwoorde vermogenspositie.
Het artikel ‘Verdachte in ‘tattookillers’-zaak knipt enkelband door en vlucht’. |
|
Madeleine van Toorenburg (CDA), Jeroen van Wijngaarden (VVD) |
|
Sander Dekker (minister zonder portefeuille justitie en veiligheid) (VVD) |
|
|
|
|
Bent u bekend met het artikel «Verdachte in tattookillers-zaak knipt enkelband door en vlucht»?1
Ja.
Zijn er gevallen bekend waarbij verdachten of veroordeelden gedurende detentie in verband worden gebracht met strafbare feiten en/of mogelijke pogingen tot ontvluchting en na enige tijd voorwaardelijk in vrijheid worden gesteld?
Bij de beoordeling of moet worden afgezien van de voorwaardelijke invrijheidstelling (v.i.) speelt een rol of na aanvang van de celstraf sprake is geweest van ernstig wangedrag, blijkende uit een verdenking of veroordeling ter zake van een strafbaar feit of een (poging tot) ontvluchting. De rechter oordeelt op aangeven van het OM of een v.i., om deze reden, wordt uitgesteld of geheel achterwege wordt gelaten. Het OM laat weten geen specifieke cijfers voorhanden te hebben ten aanzien van het voorwaardelijk vrijkomen van gedetineerden die tijdens detentie in verband zijn gebracht met een misdrijf en/of ontvluchting.
Hoeveel keren per jaar wordt voorwaardelijke invrijheidstelling achterwege gelaten op grond van de aanwijzing voorwaardelijke invrijheidstelling wegens ernstige bezwaren of een veroordeling ter zake van een misdrijf?2 Hoe vaak wegens onttrekking aan tenuitvoerlegging straf al dan niet met (dreiging met) geweld of een poging daartoe? Hoe vaak omdat gestelde bijzondere voorwaarden het recidiverisico onvoldoende inperken of veroordeelde niet bereid is de voorwaarden na te leven? Kunt u bij de beantwoording van deze vraag een uitsplitsing maken naar het aantal verdachten en naar het aantal veroordeelden?
Ook hier geldt dat de centraal door het OM geregistreerde gegevens niet kunnen voorzien in de gevraagde specificatie. Wel blijkt dat het OM in 2019 circa 60 vorderingen tot afstel van de v.i. indiende. Daar kende de rechter er 45 (gedeeltelijk) van toe. De cijfers zien op veroordeelden, omdat de v.i. alleen van toepassing is op een onvoorwaardelijke celstraf van meer dan een jaar.
De in de Eerste Kamer aanhangige Wet straffen en beschermen brengt verandering aan in de wijze waarop de v.i. wordt verleend. Het OM beslist daarin zelf of v.i. wordt toegestaan, aan de hand van het gedrag van de gedetineerde gedurende de gehele detentie, maatschappelijke risico’s en slachtofferbelangen. Dit maakt het vorderen van afstel van de v.i. gebaseerd op bovenstaande gronden overbodig.
Wat waren de overwegingen die ten grondslag hebben gelegen aan het besluit om geen vordering in te stellen tot het achterwege laten van de voorwaardelijke invrijheidsstelling van deze verdachte?
Ten tijde van de beoordeling zag het OM geen ernstige bezwaren op grond waarvan verzocht kan worden om van een v.i. af te zien. Naar het oordeel van de adviserende instanties kon het recidiverisico voldoende worden ingeperkt door het stellen van bijzondere voorwaarden. De omstandigheid dat de veroordeelde in een andere strafzaak verdachte was, valt in dit geval buiten de reikwijdte van de (nog) geldende gronden voor afstel van een v.i., omdat de verdenking betrekking had op feiten die zijn gepleegd vóór de aanvang van de celstraf waarop de v.i. zag.
Aangezien het een zaak betreft van zeer langlopende duur, bent u bereid de Kamer van een overzicht te voorzien van de ontwikkelingen gedurende de jaren met betrekking tot deze verdachte?
Het OM stelde hoger beroep in tegen de vrijspraak van de rechter op 6 februari 2020, waardoor deze specifieke zaak nog onder de rechter is. Dit maakt dat ik niet inhoudelijk op de zaak in kan gaan. Voor processuele informatie verwijs ik naar mijn brief die ik gelijktijdig met deze beantwoording heb verzonden.
Bent u bereid deze vragen afzonderlijk van elkaar en voor het debat over «het bericht dat een rechter iemand bij wie levenslang is geëist, toch uit voorarrest heeft vrijgelaten» te beantwoorden?
Ja.
De schadelijke effecten van SHDI-pesticiden op planten, dieren en mensen |
|
Frank Wassenberg (PvdD) |
|
Carola Schouten (viceminister-president , minister landbouw, visserij, voedselzekerheid en natuur) (CU) |
|
|
|
|
Kent u het artikel «Evolutionarily conserved susceptibility of the mitochondrial respiratory chain to SDHI pesticides and its consequence on the impact of SDHIs on human cultured cells»?1
Ja.
Kunt u bevestigen dat dit onderzoek aantoont dat Succinate Dehydrogenase Inhibitors (SDHI’s) niet alleen schade toebrengen aan doelsoorten (schimmels) maar ook aan regenwormen, bijen en zelfs mensen, doordat deze inhibitors een onderdeel van de cellulaire ademhaling (de Krebscyclus) verstoren?
Ik heb het College voor de toelating van gewasbeschermingsmiddelen en biociden (Ctgb), als Nederlandse toelatingsautoriteit, gevraagd om de studie van Bénit (2019) te beoordelen. Het Ctgb geeft aan dat het betreffende onderzoek een in vitro studie betreft met uit dode schimmels, bijen en regenwormen geïsoleerde mitochondriën en met menselijke cellen. Daarin worden bij directe blootstelling aan bepaalde concentraties van SDHI-stoffen effecten op de mitochondriën gevonden. Aangezien de mitochondriale ademhalingsketen voorkomt in veel verschillende organismen, is dit niet onverwacht.
De resultaten van deze in vitro studie kunnen echter niet direct vertaald worden naar effecten op mens of dier. Daarvoor is verder onderzoek nodig. De studie toont volgens het Ctgb niet aan dat de aangetroffen effecten ook daadwerkelijk optreden als gevolg van het gebruik van gewasbeschermingsmiddelen op basis van SDHI-stoffen. Dit is afhankelijk van de blootstelling in de praktijk en het gedrag van een stof in een mens of dier. Een mens kan een veel hogere blootstelling hebben dan een schimmel, honingbij of regenworm voordat schadelijke effecten optreden, vanwege de verschillen in volume en gewicht. Daarnaast is het zo dat de toegelaten SDHI-stoffen over het algemeen een snelle afbraak en uitscheiding uit het lichaam laten zien waardoor lage systemische concentraties te verwachten zijn. In proefdierstudies zijn verder geen onacceptabele negatieve effecten van SDHI-stoffen aangetroffen.
De Franse toelatingsautoriteit Anses geeft in een rapport van januari 2019 aan dat er geen gevallen bekend zijn van schadelijke effecten bij de mens als gevolg van toepassing van SDHI-gewasbeschermingsmiddelen. Verder ziet Anses geen reden voor onmiddellijke terugtrekking van alle SDHI-stoffen. Anses raadt wel aan om betere detectiemethoden te ontwikkelen voor het optreden van negatieve effecten van SDHI-stoffen op mitochondriën (mitotoxiciteit), omdat de huidige proefdierstudies niet altijd de mogelijke effecten voldoende kunnen aantonen. Anses is op dit moment nog bezig met een vervolgonderzoek waarvan de eerste resultaten in de eerste helft van 2020 gepubliceerd zullen worden. Het Ctgb sluit zich aan bij de bevindingen uit het Anses-rapport en wacht de resultaten van het vervolgonderzoek af.
Welke SDHI’s zijn toegestaan in de EU? Kunt u een overzicht geven, per stof, wanneer deze voor het laatst door de European Food Safety Authority (EFSA) beoordeeld is en tot wanneer de toelating geldt?
In onderstaande tabel staan de in de EU goedgekeurde stoffen weergegeven met een SDHI-werkingsmechanisme en de vervaldatum van de EU-goedkeuring2.
In Nederland zijn verschillende gewasbeschermingsmiddelen op basis van SDHI-fungiciden toegelaten. Het aantal toelatingen is weergegeven in onderstaande tabel3.
Flutolanil
Ja
28-02-2021
2
10.065
Isofetamid
Ja
15-09-2026
geen
Fluopyram
Ja
31-01-2024
9
19.008
Carboxin
Ja
31-05-2021
geen
Benzovindiflupyr
Ja
02-03-2023
2
0
Bixafen
Ja
30-09-2023
4
3.888
Fluxapyroxad
Ja
31-12-2022
11
9.100
Isopyrazam
Ja
31-03-2023
6
2.928
Penflufen
Ja
31-01-2024
4
2.434
Penthiopyrad
Ja
30-04-2024
3
108
Sedaxane
Ja
31-01-2024
4
930
Boscalid
Ja
31-07-2020
7
19.601
Kunt u bevestigen dat er pesticiden op de Nederlandse markt zijn waarin SDHI’s voorkomen? Zo ja, om welke middelen gaat het en welke stoffen komen daarin voor?
Zie mijn antwoord op vraag 3.
Voor welke toepassingen worden middelen met SDHI’s in Nederland gebruikt en wat zijn daar de jaarlijkse verkoopvolumes van?
Middelen op basis van SDHI-fungiciden worden gebruikt ter bestrijding van schimmelziekten in verschillende akkerbouw- en sierteeltgewassen. Voor meer informatie over de toelatingen, de toepassingen en de beoordelingen van het Ctgb, verwijs ik u naar de toelatingendatabank op de Ctgb-website https://toelatingen.ctgb.nl/nl/authorisations
De afzetgegevens van 2018 (meest recente jaar beschikbaar) zijn opgenomen in de tabel in het antwoord op vraag 3.
Kunt u een overzicht geven, per middel, wanneer deze voor het laatst door het College voor de toelating van gewasbeschermingsmiddelen en biociden (Ctgb) beoordeeld is en tot wanneer de toelating geldt?
In principe is een middel toegelaten tot de expiratiedatum van de werkzame stof plus 1 jaar. Dat jaar is nodig voor het uitvoeren van de herbeoordeling van het middel, volgend op de herbeoordeling van de werkzame stof. Voor informatie over de beoordeling van middelen verwijs ik naar de toelatingendatabank op de Ctgb-website https://toelatingen.ctgb.nl/nl/authorisations
Is bij de laatste beoordeling van SDHI’s het effect op mitochondriën in menselijke cellen meegenomen in het toetsingskader? Zo ja, wat waren de bevindingen? Zo nee, waarom niet?
Ja. De meest recente beoordeling van een werkzame stof met het SDHI-werkingsmechanisme betreft de EFSA-conclusie voor pydiflumetofen in september 2019. Hierbij concludeert EFSA dat relevantie van dit effect voor de mens niet uitgesloten kan worden, maar ziet dit echter niet als een kritiek zorgpunt. De Europese besluitvormingsprocedure van deze werkzame stof is nog niet afgerond.
Zijn er in de dossiers die het Ctgb bekeken heeft met betrekking tot SDHI-pesticiden aanwijzingen gevonden voor neurologische effecten of aandoeningen? Zo ja, welke?
Het Ctgb heeft bij de overgrote meerderheid van de in Nederland toegelaten SDHI-gewasbeschermingsmiddelen geen neurotoxische eigenschappen geconstateerd. Alleen bij de werkzame stof benzovindiflupyr werden enkele aanwijzingen gevonden van milde, tijdelijke neurologische effecten na acute blootstelling. Een vergelijkbaar effect werd niet waargenomen na herhaalde blootstelling bij een gelijk blootstellingsniveau. De effecten na acute blootstelling aan benzovindiflupyr zijn meegenomen bij het bepalen van de veilige grenswaarden voor deze stof. Bij gebruik volgens het wettelijk gebruiksvoorschrift zijn er dan ook geen neurologische effecten te verwachten bij consumenten, toepassers, werkers, omstanders en omwonenden.
Kunt u bevestigen dat een groep van 460 internationale wetenschappers oproept om SDHI’s niet langer toe te laten als landbouwgif en wat is uw reactie daarop?2
Ik ben bekend met deze oproep. Ik vind het van groot belang dat nieuwe wetenschappelijke inzichten worden bekeken en heb het Ctgb dan ook, als Nederlandse toelatingsautoriteit, gevraagd om deze informatie te beoordelen. Het Ctgb ziet, net als de Franse toelatingsautoriteit Anses, geen aanleiding om direct in te grijpen op bestaande toelatingen en wacht eerst verder onderzoek af.
De wijziging van salmonellabestrijding bij pluimvee |
|
Jaco Geurts (CDA) |
|
Carola Schouten (viceminister-president , minister landbouw, visserij, voedselzekerheid en natuur) (CU) |
|
|
|
|
Deelt u de mening dat het onwenselijk is dat dieren van pluimveehouders onnodig vervroegd worden geslacht nadat deze in eerste instantie positief zijn getest, maar waar bij second opinion blijkt dat er geen sprake is van salmonellabesmetting?
Ja. Echter, op dit moment is nog een twistpunt met de Europese Commissie met welke zekerheid gesteld mag worden dat er geen sprake is van salmonellabesmetting na een negatieve hertest.
In hoeverre is het vervroegd slachten van dieren, al voordat met zekerheid is te zeggen dat er sprake is van salmonellabesmetting, proportioneel te noemen?
Nederland heeft tot nu toe verdedigd dat onze aanpak effectief is, de voedselveiligheid waarborgt en voorkomt dat gezonde dieren onnodig vroegtijdig gedood worden en daarmee dat onze aanpak proportioneel is. De EU-regelgeving laat echter geen ruimte voor de routinematige hertest die Nederland bij elke eerste positieve testuitslag op salmonella bij vermeerderingsdieren uitvoert. De EU-regelgeving schrijft voor dat vermeerderingsdieren bij een geconstateerde besmetting meteen uit productie genomen moeten worden. Dat is zo overeengekomen bij de totstandkoming van de uitvoeringsverordening voor vermeerderingsdieren in 2010. Er was toen niet voldoende vertrouwen dat het hertesten goed in staat is om een salmonellabesmetting in een koppel altijd accuraat aan te tonen. Dat is een risico voor de voedselveiligheid.
Het is nu aan Nederland om de Europese Commissie en andere lidstaten te overtuigen, vooral door te laten zien dat het met hertesten wel goed mogelijk is om besmette koppels te herkennen en dat het huidige strenge EU-voorschrift niet nodig is. Dat biedt de mogelijkheid om de Europese regelgeving ter discussie te stellen, die nu geen ruimte laat voor een routinematige hertest bij alle eerste positieve testuitslagen.
Het Ministerie van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit heeft eind 2019 aan Wageningen University and Research (WUR) gevraagd om de verschillende bestrijdingsaanpakken te vergelijken en een wetenschappelijk onderbouwde evaluatie te maken van de mate waarin het hertesten een salmonellabesmetting in een koppel, accuraat kan aantonen. Ik heb gevraagd om de eerste resultaten uiterlijk april te mogen ontvangen.
Op welke wijze heeft u zich ingezet om binnen de Europese regelgeving op dit vlak ruimte te behouden voor de Nederlandse werkwijze en te voorkomen dat dit besluit genomen moest worden?
Nederland heeft meermalen aan de Europese Commissie uitgelegd dat onze aanpak tot doel heeft om zowel de voedselveiligheid te waarborgen als ook te voorkomen dat gezonde dieren onnodig geslacht moeten worden en dat Nederland daarmee volledig handelt in de geest van de Europese regelgeving. Er was verder geen speelruimte omdat de hertest, die NL standaard in alle gevallen toepast, op grond van Europese regelgeving slechts in «uitzonderingsgevallen waarin de bevoegde autoriteit reden heeft om te twijfelen aan de juistheid van het resultaat» mag worden toegepast.
Kunt u van de afgelopen jaren per jaar aangeven bij hoeveel bedrijven en stallen in de eerste controlemonsters besmet bleken te zijn met salmonella? In hoeveel van deze gevallen is bij second-opinion door de Nederlandse Voedsel- en Warenautoriteit (NVWA) gebleken dat er toch geen sprake was salmonella?
In 2016 waren er 24 stallen verdacht op 8 bedrijven. Bij het onderzoek door de NVWA is in 15 stallen op 7 bedrijven geen besmetting met salmonella aangetoond. In 2017 waren er 2 stallen op 2 bedrijven verdacht. In beide gevallen heeft de NVWA geen salmonella kunnen aantonen. In 2018 waren er 5 stallen op 5 bedrijven verdacht. In geen van deze stallen is salmonella aangetroffen door de NVWA. In 2019 waren er 16 stallen verdacht op 8 bedrijven. In 7 stallen op 4 bedrijven is geen salmonella aangetoond door de NVWA.
Hoe groot is de kans dat de eerste testuitslag onjuist is?
Deze vraag is onderdeel van het aan WUR gevraagde vergelijkend onderzoek en ik hoop dat het hierover uitsluitsel zal geven. Tot dusverre is niet precies bekend hoe groot de kans is op een onjuiste eerste testuitslag. De cijfers in antwoord nr. 4 en ook de voortgaande monitoring van bedrijven die een (negatieve) hertest ondergingen, lijken erop te wijzen dat dat percentage aanzienlijk is. Echter, daarbij moet ook rekening worden gehouden met de mogelijkheid dat de tweede testuitslag misschien onjuist is.
In essentie is het de vraag in hoeverre salmonella in het eerste monster betekent dat de stal waaruit dat monster afkomstig is, daadwerkelijk besmet is. Het kan namelijk voorkomen dat het monster wèl besmet is maar de stal niet. Die situatie kan zijn ontstaan doordat bijvoorbeeld een mengmonster van verschillende stallen is onderzocht, nabesmetting, «onzorgvuldige» monstername, etc. De hertest beoogt daarover uitsluitsel te geven.
Bedrijven die in tweede instantie negatief blijken worden nadien gevolgd om zekerheid te bieden dat dat koppel niet onverhoopt toch nog besmet blijkt (dus vals negatief).
Kan er gezien deze kans op een onjuiste eerste uitslag gesproken worden van gerede twijfel bij de uitslag van de eerste tests? Hoe kan deze foutmarge worden verklaard?
Zie antwoord vraag 5.
Welke mogelijkheden zijn er om de foutmarge van de eerste testuitslag substantieel te verkleinen en daarmee het onnodig vervroegd slachten te voorkomen?
Het vergelijkend onderzoek door WUR moet daarvoor aanknopingspunten bieden.
Worden er later in de pluimveevleesketen ook nog testen gedaan op salmonellabesmetting en als daar dan sprake van blijkt, welke stappen worden dan genomen?
Ja, de Europese regelgeving schrijft gedetailleerd voor wanneer welke testen gedaan moeten worden in de gehele pluimveevleesketen in de slachtfase en welke gevolgen verbonden moeten worden aan gevonden besmettingen.
Is er voor pluimveehouders sprake van gederfde inkomsten als zij hun dieren vervroegd moeten slachten? Zo ja, hoe hoog zijn de gederfde inkomsten en hoe verhouden deze zich tot de bestrijdingskosten en de Europese cofinanciering aan het Nederlandse salmonellaprogramma?
Er is inderdaad sprake van inkomstenderving voor pluimveehouders indien zij de dieren vervroegd moeten slachten. Hoe hoog die is, is moeilijk te zeggen omdat dit mede afhankelijk is van het moment in de productiecyclus waarop de besmetting wordt geconstateerd. In mijn brief van 27 januari jl. vermelde ik de verwachte Europese cofinanciering. Inmiddels heeft de Europese Commissie een bedrag van € 2.255.000 toegekend waarvan € 208.000 voor de bestrijdingskosten. Nederland zal komend najaar voor die laatste kosten aanvullend budget kunnen aanvragen omdat die kosten naar verwachting hoger zullen zijn dan bij de aanvraag in 2019 begroot.
Ik wil er overigens op wijzen dat in een Europese context ook de kosten die verbonden zijn aan voedselveiligheid en volksgezondheid aandacht krijgen, met name in de lidstaten die er niet bij voorbaat van uitgaan dat het standaard hertesten zoals Nederland deed de voedselveiligheid afdoende waarborgt.
Op dit moment is het ‘t meest belangrijk dat Nederland zich zoals de Europese Commissie eist, houdt aan de Europese regelgeving en zo laat zien dat het een betrouwbare handelspartner is. Dat biedt Nederland de kans om de Europese Commissie en ander lidstaten ervan te overtuigen dat een andere bestrijdingsvoorschift wenselijk is.
Wat bent u voornemens te gaan doen om de Nederlandse werkwijze, met second opinion door de NVWA alvorens dieren worden geslacht, alsnog weer mogelijk te maken?
Voor het antwoord op deze vragen wil ik u verwijzen naar mijn antwoorden op vraag 2 en 5/6.
Indien dit niet mogelijk is, welke andere aanpakken zijn er mogelijk die vergelijkbare waarborgen biedt voor de voedselveiligheid en tegelijkertijd de kans dat dieren onnodig voortijdig afgevoerd moeten worden zo klein mogelijk maakt?
Zie antwoord vraag 10.
Kunt u aangeven hoe andere lidstaten omgaan met de EU-voorschriften voor salmonellabestrijding?
Ik ga ervan uit dat ook de andere lidstaten zich houden aan de Europese voorschriften.
Geldt in andere lidstaten een doormeldplicht in het geval van positieve monsters?
De veehouder moet de positieve uitslag op het formulier voor VoedselKeteninformatie formulier vermelden dat meegaat naar de slachterij. Wanneer pluimvee dat in een andere lidstaat is grootgebracht, in Nederland wordt geslacht geldt dat alleen voor de belangrijkste typen salmonella, namelijk salmonella enteritidis (Se) en salmonella typhimurium (St).
In de fase na de slachterij geldt een «doormeldplicht» bij overschrijding van de norm voor Se en St voor vers pluimveevlees, en voor alle salmonellatypen voor al het andere pluimveevlees. Daarbij wordt ook verwezen naar de informatieplicht en recall verplichting op grond van artikel 19 van de General Food Law. Deze verplichtingen gelden voor alle lidstaten. Voor zover bekend houden alle lidstaten die zich daar ook aan.
Het bericht ‘Geschiedenisles over de holocaust op een diverse school: ‘soms lastige vragen’ |
|
Rudmer Heerema (VVD), Dilan Yeşilgöz-Zegerius (VVD) |
|
Arie Slob (minister onderwijs, cultuur en wetenschap) (CU) |
|
|
|
|
Bent u bekend met het nieuwsitem «Geschiedenisles over de holocaust op een diverse school: «soms lastige vragen»?1
Ja.
In hoeverre herkent u het beeld van de geïnterviewde leraar Stefan Kras, leraar aan een islamitisch college in Rotterdam, dat er een verschil is in de reactie op de Jodenvervolging tussen autochtone en allochtone jongeren? Zo ja, hoe verklaart u dit?
In het door u aangehaalde nieuwsitem merkt een docent op dat leerlingen met een migratieachtergrond bij onderwijs over de Tweede Wereldoorlog en over de Holocaust met andere vragen kunnen komen dan leerlingen met een Nederlandse achtergrond. Docenten geven aan dat verschillende leerlingen soms andere perspectieven aandragen. Dat is op zich begrijpelijk en het is aan docenten om hier goed op in te spelen, ook al kan dat lastig zijn.
Het artikel sluit daarmee aan op bevindingen van een onderzoek dat het Instituut voor Toegepaste Sociologie van de Radboud Universiteit Nijmegen in opdracht van de toenmalige Staatssecretaris van OCW in 2015 uitbracht naar de ervaringen van leraren bij het voeren van gesprekken over maatschappelijk thema’s in de klas.2 Uit het onderzoek kwam naar voren dat 80 tot 90%van de leraren (de percentages verschillen per thema) geen problemen ervaart bij het bespreken van gevoelige thema’s. 10–20% van de leraren gaf aan het lastig te vinden het gesprek te voeren over zulke onderwerpen, maar dit desondanks wel te doen. Een kleine groep van 1% van de leraren gaf aan het gesprek over deze onderwerpen te mijden. Antisemitisme en de Holocaust werden genoemd als onderwerpen die op gemengde scholen lastiger te bespreken zijn. Uit het onderzoek bleek ook dat beginnende leraren vaker aangeven het lastig te vinden om maatschappelijk gevoelige thema’s te behandelen.
Wordt er op elke school in het funderend onderwijs lesgegeven over de verplichte lesstof Jodenvervolging? Zo nee, waarom niet en kunt u een overzicht geven welke scholen niet in staat zijn les te geven over deze verplichte lesstof? Zo nee, waarom kunt u dit overzicht niet geven?
Op grond van de kerndoelen moeten alle scholen voor primair en voortgezet onderwijs aandacht besteden aan de Holocaust. Ook moeten alle leerlingen leren de relatie te leggen tussen de gebeurtenissen en ontwikkelingen in de twintigste eeuw (waaronder de Wereldoorlogen en de Holocaust) en hedendaagse ontwikkelingen (kerndoelen onderbouw voortgezet onderwijs). Hoe scholen en leraren dit vormgeven bepalen zij zelf. Daarbij kunnen zij putten uit een ruim aanbod van onderwijsmaterialen (leermiddelen, lesmethoden), waarin in de regel – juist ook omdat het een verplicht onderwerp is – de nodige aandacht is voor deze thematiek. De inspectie heeft niet precies in beeld welke scholen en leraren niet in staat zouden zijn les te geven over specifieke onderwerpen die worden genoemd in de kerndoelen, aangezien het ondoenlijk is om precies erop toe te zien hoe alle leraren op alle scholen hun lessen invullen. Daarom kan ik hier geen overzicht van geven. Gezien het in vraag 2 aangehaalde onderzoek is het duidelijk dat sommige leraren moeite ervaren bij het lesgeven over deze onderwerpen. Het is in de eerste plaats aan leraren en schoolleiders zelf om vorm te geven aan onderwijs rond deze thema’s en collega’s die hier moeite mee hebben te ondersteunen.
Herkent u het beeld, ook beschreven in de initiatiefnota over een effectievere aanpak van antisemitisme van de leden Yesilgöz-Zegerius en Segers2, dat docenten beoordelen dat lesgeven over de Jodenvervolging een gevoelig thema is? Bent u het daarmee eens? Welke ondersteuning krijgen docenten om ervoor te zorgen dat dit belangrijke thema wel besproken wordt?
Zie voor het eerste deel van uw vraag mijn antwoord op vraag 2.
Scholen die het lastig vinden om deze thema’s op een goede manier te behandelen in hun klas kunnen onder andere terecht bij Stichting School en Veiligheid (SSV). Zij hebben een trainingsaanbod op dit onderwerp waarvan scholen kosteloos gebruik kunnen maken. Zo is er voor het primair onderwijs de training «Samenleven op school met ruimte voor verschil», en voor het voortgezet en het middelbaar beroepsonderwijs de training «Dialoog onder druk». In deze trainingen leren docenten(teams) om te gaan met heftige discussies, om wederzijds begrip te stimuleren, maar ook om waar nodig te begrenzen. Op de website van SSV is daarnaast een uitgebreide kennisbank te vinden met materiaal en handreikingen. Deels zijn die algemener van aard over het bespreken van moeilijke thema’s in de klas, deels zijn ze specifiek gericht op het omgaan met antisemitisme en de Holocaust.
Kent u het onderzoek uit 2015 waaruit blijkt dat 6% van de geschiedenisleraren in het voortgezet onderwijs antisemitisme nooit bespreken en 12% van de leraren geeft aan dat ze de holocaust nooit bespreken?3 Is hier de afgelopen vijf jaar verbetering in gekomen? Deelt u de mening dat het belangrijk is dat de verplichte lesstof over de Jodenvervolging ook daadwerkelijk wordt gegeven?
Zie het antwoord op vraag 2. De genoemde percentages zijn afkomstig uit het in die vraag genoemde onderzoek, en betreffen de percentages leraren geschiedenis en maatschappijleer/maatschappijwetenschappen die aangeven hoe vaak de genoemde onderwerpen aan bod komen in hun les. Als we iets scherper kijken naar de resultaten blijkt vooral sprake van een verdeling van onderwerpen in het curriculum: deze onderwerpen worden met name in de geschiedenislessen behandeld en minder in de lessen maatschappijleer. Van de geschiedenisleraren geeft 2% aan nooit de onderwerpen Holocaust of antisemitisme te behandelen. Er zijn geen nieuwere gegevens bekend. Uiteraard deel ik de mening dat het belangrijk is dat verplichte lesstof daadwerkelijk wordt behandeld, en de inspectie ziet daar ook op toe Het is van belang dat elke leerling leert over de verschrikkingen die in de Tweede Wereldoorlog hebben plaatsgevonden.
In hoeverre ziet u de verplichte lesstof over Jodenvervolging als onderdeel van de burgerschapsopdracht? Zorgt het wetsvoorstel inzake de wijziging van een aantal onderwijswetten in verband met verduidelijking van de burgerschapsopdracht aan scholen in het funderend onderwijs4 ervoor dat er extra aandacht komt voor de verplichte lesstof van Jodenvervolging? Zo nee, ziet u mogelijkheden om het thema Jodenvervolging binnen deze opdracht aan scholen in het funderend onderwijs alsnog te onderstrepen?
Kennis van en gedachtevorming over de Holocaust wordt meestal overgebracht als onderdeel van het geschiedenisonderwijs. Het genoemde wetsvoorstel heeft tot doel de algemene burgerschapsopdracht te verduidelijken en de gemeenschappelijke kern van burgerschap te verplichten, maar regelt niet de nadere onderwijsinhoudelijke invulling ervan. Scholen zijn uiteraard vrij om deze burgerschapsopdracht (mede) in te vullen in lessen rond de Jodenvervolging. Met de integrale vernieuwing van het curriculum zal de onderwijsinhoud van burgerschap bovendien nader vorm krijgen in kerndoelen en eindtermen en wordt zorg gedragen voor de aansluiting ervan op de in de wet geformuleerde algemene burgerschapsopdracht. Gewaarborgd zal worden dat in het (in het kader van curriculum.nu) te vernieuwen curriculum voor het funderend onderwijs op een goede manier aandacht aan het onderwerp Holocaust besteed zal blijven worden.
Het artikel ‘Nederland zal veel eerder en veel meer gas moeten importeren dan tot nu werd gedacht’ |
|
Matthijs Sienot (D66) |
|
Eric Wiebes (minister economische zaken en klimaat) (VVD) |
|
|
|
|
Bent u bekend met het artikel «Nederland zal veel eerder en veel meer gas moeten importeren dan tot nu werd gedacht»?1
Ja. Het artikel heeft betrekking op een recente studie van The Hague Centre for Strategic Studies over verslechterende vooruitzichten voor gaswinning uit de kleine velden.
Herkent u de conclusie van de onderzoekers dat de opbrengsten van de kleine gasvelden lager zijn dan geraamd? Zo nee, waarom niet?
De studie beschrijft verschillende scenario’s voor het tempo waarmee gasproductie uit de kleine velden kan afnemen.2 Volgens de onderzoekers zijn de voornaamste invloedfactoren niet het technisch of geologisch potentieel, maar het investeringsklimaat voor gaswinning in Nederland en de gasprijs. Op 30 mei 2018 heb ik de Tweede Kamer per brief geïnformeerd over de prognose van gasproductie uit de kleine velden.3 Bij deze inschatting is middels een bandbreedte rekening gehouden met het investeringsklimaat, welke deels samenhangt met de gasprijs, en daarom herken ik de conclusie van de onderzoekers dat toekomstige gasproductie mogelijk lager kan uitvallen dan voorheen verwacht. Voor aanvullende informatie over gasproductie uit de kleine velden verwijs ik u naar het jaarverslag «Delfstoffen en aardwarmte in Nederland» van TNO.4
Deelt u de mening dat de stijgende vraag naar gas uit kleine gasvelden niet mag leiden tot concessies in het beschermen van omliggende natuur en de veiligheid van de omwonenden? Zo nee, waarom niet?
Voor opsporing en winning van delfstoffen is een vergunning vereist krachtens de Mijnbouwwet. In de procedure van verlening wordt een zorgvuldige afweging gemaakt over de veiligheid en risico’s voor omwonenden, gebouwen en infrastructuur, en de nadelige effecten voor milieu en natuur. Alleen wanneer deze risico’s en nadelige effecten aanvaardbaar zijn, wordt een vergunning verleend. De gasvraag heeft geen invloed op de hierboven geschetste afwegingen.
Een groot deel van het primaire energieverbruik in Nederland is aardgas. De sluiting van het Groningengasveld en de gestage daling van gaswinning uit de kleine velden heeft tot gevolg dat de import van aardgas snel toeneemt. Het PBL5 verwacht voor het jaar 2030 een binnenlandse gasvraag van 30 miljard Nm3 waarvan mogelijk 11 miljard Nm3 uit eigen land komt. Tot 2050 blijft aardgas een onderdeel van de Nederlandse energiemix. Tegelijkertijd neemt het kabinet maatregelen om het verbruik van aardgas terug te dringen. In het Klimaatakkoord is bijvoorbeeld de ambitie gesteld om 1,5 miljoen bestaande woningen aardgasvrij te maken. In totaal verbruiken deze huishoudens ongeveer 2 miljard Nm3 aardgas per jaar.6 Dit staat wat betreft de hoeveelheid energie gelijk aan de productie van zes windparken zo groot als Borssele 1 en 2. Vervanging van aardgas is een ingewikkelde en omvangrijke opgave.
Tijdens de transitie naar duurzame energiebronnen geeft het kabinet de voorkeur aan gaswinning in eigen land (boven import van aardgas), wanneer dit veilig kan. Dit is namelijk beter voor klimaat, werkgelegenheid, economie, behoud van kennis van de diepe ondergrond en aanwezige gasinfrastructuur, en leidt tevens tot minder afhankelijkheid van import uit andere landen. Ook in het Onderhandelaarsakkoord voor de Noordzee onderschrijven de betrokken partijen het belang van de winning van eigen aardgas.7 Daarmee kom ik tot de slotsom dat de gasproductie uit kleine velden ook de komende jaren moet worden gestimuleerd, teneinde de daling af te remmen.8 Dit wil ik onder meer bereiken via een voorstel tot wijziging van de Mijnbouwwet waarin de generieke investeringsaftrek op de Noordzee wordt vastgelegd, teneinde economisch perspectief voor gaswinning op de Noordzee te behouden.
Hoe garandeert u dat de groeiende vraag naar gaswinning uit kleine gasvelden, niet leidt tot onzorgvuldige procedures voor natuur, leefomgeving en draagvlak?
Zie antwoord vraag 3.
Indien de vijf kuub gas in 2030 klopt, wat betekent dit voor de verwachte CO2-uitstoot in Nederland in 2030?
Er is geen invloed op de verwachte CO2-uitstoot in Nederland om dat de emissie van de verbranding van aardgas wordt toegerekend aan het land waar die verbranding plaatsvindt, namelijk Nederland. Het maakt vanuit die invalshoek niet uit of het gas in Nederland gewonnen is of niet. Wel leidt de import van aardgas, mede als gevolg van het noodzakelijke transport, tot een hogere CO2-uitstoot mondiaal. Deze extra CO2-uitstoot is 20–30% hoger dan bij gasproductie in eigen land.
Bent u bereid om in gesprek te gaan met Noorwegen over de mogelijkheden tot de import van Noors gas?
Het is aan marktpartijen om aardgas in te kopen. De overheid sluit hiervoor geen contracten met landen en kan bedrijven ook geen aanwijzingen geven over waar zij hun gas vandaan moeten halen. De Nederlandse markt staat open voor eenieder die hier gas wil verkopen. Dit is geheel in lijn met de regels van de Europese interne markt.
Wel is geregeld contact met Noorwegen over de ontwikkelingen op energiegebied. Afgelopen zomer is een delegatie van mijn ministerie op bezoek geweest om de (middel)lange termijn ontwikkelingen, wat betreft gaswinning, te bespreken. Tijdens dit bezoek bleek dat de Noorse gasproductie de komende jaren constant blijft. Bovendien zal de concurrentie om het aanwezige Noorse gas toenemen met de aanleg en ingebruikname van de Baltic Pipe, de nieuwe pijpleiding van Noorwegen naar Denemarken en Polen. Deze pijpleiding is naar verwachting in 2022 operationeel.
Hoe voorkomt u dat Nederland na 2030 voor een belangrijk deel in haar energiebehoefte afhankelijk blijft van (geïmporteerd) gas?
Op korte en middellange termijn, en zeker tot 2030, zal de Nederlandse en ook de Europese import van aardgas stijgen. Voor Nederland komt dit door de uitfasering van het Groningengas en de gestage daling in gaswinning uit de kleine velden, alsmede door de afnemende winning in andere landen in Noordwest-Europa. De winning daalt sneller dan de vraag, zelfs bij de afspraken uit het Klimaatakkoord voor de reductie van CO2-emissies. Aangezien het besluit genomen is om de gasproductie uit het Groningenveld te stoppen, heb ik verder geen mogelijkheden om te voorkomen dat Nederland in 2030 voor een groot deel van de energievoorziening afhankelijk zal zijn van geïmporteerd gas. Daarbij voer ik voorwaardenscheppend beleid zodat gas, ook in de vorm van LNG, vanuit meerdere bronnen kan worden aangevoerd. Over dit beleid heb ik u vorig jaar geïnformeerd in de Kamerbrief van 20 mei 2019.9 Uiteindelijk is het aan marktpartijen om gas in te kopen.
Voor de periode na 2030 geldt dat (koolstofarm)gas een rol zal spelen voor het energiesysteem en de industrie. Duurzame moleculen zijn efficiënter, en bovendien goedkoper grootschalig te transporteren en op te slaan dan elektronen (elektriciteit).10 Ik erken wel de noodzaak om, ook in Europees verband, de CO2-uitstoot van het gassysteem te verminderen. Dit doe ik onder meer door de inzet op groengas en waterstof. In de kabinetsvisie waterstof, welke ik dit voorjaar aan de Tweede Kamer zal versturen, ga ik hier nader op in. Daarbij volgt het kabinet de ontwikkelingen rond de opkomende wereldhandel voor duurzame waterstof nauwlettend. Dit gebeurt zowel via bilaterale contacten met belangrijke spelers als via multilaterale organisaties, zoals de EU, de Verenigde Naties, het Internationaal Energie Agentschap (IEA), het Internationale Hernieuwbare Energie Agentschap (IRENA), de International Partnership for Hydrogen and Fuel Cells in the Economy (IPHE), de Fuel Cells and Hydrogen Joint Undertaking (FCHJU), en de Hydrogen Energy Ministerial. Hierbij gaat het om ontwikkelingen in verschillende delen van de wereld, momenteel met name in Australië, Japan, Zuid-Korea, de VS maar ook in Europese landen, zoals Portugal en Spanje.
Op welke wijze draagt u er zorg voor dat het Klimaatakkoord spoedig wordt uitgevoerd, zodat met stijging van duurzame energieopwekking in Nederland, de afhankelijkheid van gaswinning in Nederlandse gasvelden en import van gas kan worden verminderd?
In het Klimaatakkoord gaat het naast het terugdringen van CO2-emissies ook om de betrouwbaarheid en betaalbaarheid van de energievoorziening. Tegen die achtergrond is te snel afscheid nemen van aardgas een onverstandige keuze. Ik ben dus niet voornemens om de binnenlandse gasvraag sneller terug te brengen dan nu in het Klimaatakkoord voorzien. Daarbij is het kabinet voortvarend aan de slag met de uitvoering van het Klimaatakkoord waardoor in de gehele samenleving het gebruik van aardgas zal afnemen, zowel bij huishoudens als bij bedrijven.
Zijn de uitkomsten van dit onderzoek aanleiding voor u om bij de uitvoering van het Klimaatakkoord de afhankelijkheid van gas in de industrie sneller terug te brengen? Zo nee, waarom niet?
Zie antwoord vraag 8.