Het bericht ‘Ziekenhuis Winterswijk verliest intensive care, kinderafdeling en verlosafdeling’ |
|
Maarten Hijink (SP), Henk van Gerven (SP) |
|
Bruno Bruins (minister volksgezondheid, welzijn en sport) (VVD) |
|
|
|
|
Wat is uw reactie op het bericht «Ziekenhuis Winterswijk verliest intensive care, kinderafdeling en verlosafdeling»?1
Ik vind het goed dat de Raad van Bestuur van Santiz (de overkoepelende organisatie van het Streekziekenhuis Koningin Beatrix in Winterswijk en het Slingeland Ziekenhuis in Doetinchem) tijdig een strategische koers heeft opgesteld. Op basis hiervan kan er een goede dialoog plaatsvinden met alle belanghebbenden. Ik betreur de onrust die hierover is ontstaan. Ik heb aan de Raad van Bestuur van Santiz aangegeven dat bij voornemens over veranderingen in het aanbod van acute zorg, de stappen die zijn beschreven in de concept amvb over de beschikbaarheid en bereikbaarheid van acute zorg (Kamerstuk 29 247, nr. 292) gevolgd moeten worden voordat er definitieve besluitvorming plaatsvindt. Ik verwacht ook dat ze dit doen voor de niet acute zorg, zoals de klinische kindergeneeskunde. Dat betekent dus dat ik van de Raad van Bestuur verwacht dat zij, vóórdat definitieve besluitvorming over sluiting of verplaatsing van zorg plaatsvindt, zeer zorgvuldig overleg voeren met andere zorgketenpartners, gemeenten (gemeenteraad en gemeentebestuur), inwoners, patiënten en het ROAZ op een manier waarbij hun inbreng echt meegenomen kan worden in het besluitvormingsproces. Dat betekent dus niet alleen informeren, maar echt tweezijdig overleg voeren. Ik vind het belangrijk dat zij hun zorgen en suggesties kunnen uiten. Ook verwacht ik van de Raad van Bestuur dat zij bij de besluiten die zij (na overleg met de zorgverzekeraars) nemen aangeven hoe zij bezwaren en voorstellen van betrokken zorgaanbieders, gemeenten en inwoners hebben meegewogen bij hun besluit. De Raad van Bestuur heeft aangegeven dat zij een zorgvuldig besluitvormingsproces zullen doorlopen. Voor de volledigheid wijs ik erop dat ik u op 3 december 2019 via een Kamerbrief (Kamerstuk 310 16, nr. 258) en vervolgens tijdens het mondelinge vragenuur ook heb geïnformeerd over het sluiten van de afdelingen acute verloskunde en kindergeneeskunde in het Streekziekenhuis Koningin Beatrix in Winterswijk. Zie hierna mijn reactie op antwoorden 7 en 8.
Wat is de directe aanleiding voor dit besluit?
De Raad van Bestuur van Santiz heeft mij laten weten dat zij een strategische koers heeft uitgewerkt. De Raad van Bestuur wil met deze strategische koers bevorderen dat er tijdig duidelijkheid komt voor de inwoners van de regio over hoe de zorg voor hen in de toekomst georganiseerd wordt. Ook kan op basis van deze strategische koers samen met zorgverzekeraars en banken bekeken worden welke investeringen er nodig zijn voor de toekomst. De regiogroep «duurzame medische specialistische zorg Achterhoek» zal dit specifieker uitwerken.
Was het voornemen tot het sluiten van deze afdelingen u al bekend? Zo ja, hoe was uw reactie hierop? Zo nee, bent u van mening dat u hierover al eerder geïnformeerd had moeten worden?
Dat was mij niet bekend. Via de nieuwsberichten ben ik hierop geattendeerd. Op 29 november 2019 hebben mijn medewerkers vervolgens contact gehad met de Raad van Bestuur van Santiz en het Regionaal Overleg Acute Zorg (ROAZ) Euregio over de plannen van het ziekenhuis in Winterswijk. Zoals ik mijn antwoord bij vraag 1 heb aangegeven heb ik de Raad van Bestuur van Santiz laten weten dat bij voornemens over veranderingen in het aanbod van acute zorg, de stappen die zijn beschreven in de concept amvb over de beschikbaarheid en bereikbaarheid van acute zorg (Kamerstuk 29 247, nr. 292) gevolgd moeten worden voordat er definitieve besluitvorming plaatsvindt.
Wat zijn de gevolgen van het verdwijnen van de afdelingen en de volwaardige status van het ziekenhuis voor de inwoners van Winterswijk? Vindt u dit acceptabel?
Volgens de gevoelige ziekenhuizenanalyse van het Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu (RIVM) is het ziekenhuis in Winterswijk een gevoelig ziekenhuis voor de afdelingen SEH en acute verloskunde voor 400 mensen in de regio. Dat betekent dat de afdeling voor acute verloskunde in Winterswijk niet kan sluiten. Het ziekenhuis in Winterswijk ontvangt een beschikbaarheidbijdrage van de Nederlandse Zorgautoriteit (NZa) om acute verloskunde 24/7-uur te kunnen blijven aanbieden. Een bereikbaarheidsanalyse van de locatie van het nieuwe ziekenhuis bij Doetinchem aan de A18, dat naar verwachting in 2025 gerealiseerd wordt, zal uit moeten wijzen of het ziekenhuis in Winterswijk dan nog steeds een gevoelig ziekenhuis is. Uitgangspunt is dat het aantal inwoners met meer dan 45 minuten ritduur om naar een SEH of ziekenhuis met acute verloskunde te kunnen worden gebracht in de nieuwe situatie niet toeneemt in vergelijking met de huidige situatie. Ik heb de Raad van Bestuur ervan op de hoogte gesteld dat het uitgesloten is dat de acute verloskunde in Winterswijk kan sluiten, zolang er niet aan deze voorwaarden voldaan is. De gevolgen voor de toegankelijkheid (SEH, acute verloskunde) moeten dus eerst nog worden onderzocht en ook de bereikbaarheid van de toekomstige situatie moet opnieuw in kaart worden gebracht. Voorts moet een regiobeeld beschikbaar zijn voordat besluiten kunnen worden genomen.
De 45 minuten-norm geldt niet voor de afdeling klinische kindergeneeskunde. Dat betekent dat het niet aan mij is om te bepalen of de afdeling klinische kindergeneeskunde in Winterswijk open moet blijven. De regiogroep «duurzame medische specialistische zorg Achterhoek» zal dit specifieker uitwerken.
Is de verwachting dat ook andere specialistische afdelingen worden overgeheveld naar Doetinchem, waardoor het voortbestaan van het ziekenhuis als geheel in gevaar komt? Hoe reëel acht u deze kans en wat gaat u doen om dit te voorkomen?
Dat is mij niet bekend. Het is aan het ziekenhuis om haar strategische koers nader uit te werken. Ik vind het belangrijk dat zij de keuzes die zij in de toekomst maken zorgvuldig afstemmen met zorgketenpartners, gemeenten (gemeenteraad en gemeentebestuur), inwoners, patiënten en het ROAZ op een manier waarbij hun inbreng meegenomen kan worden in het besluitvormingsproces. De toezichthouders (de Inspectie voor de Gezondheidszorg en de Nederlandse Zorgautoriteit) zullen hierop toezien.
Hoeveel mensen worden er getroffen door zowel de sluiting van deze afdelingen als wanneer definitieve sluiting van het gehele ziekenhuis een feit blijkt? Wat is in beide situaties het gevolg voor de reistijden?
Volgens de huidige gevoelige ziekenhuizenanalyse van het RIVM is het ziekenhuis in Winterswijk een gevoelig ziekenhuis voor de afdelingen SEH en acute verloskunde voor 400 mensen in de regio. Uitgangspunt is dat het aantal inwoners met meer dan 45 minuten ritduur om naar een SEH of ziekenhuis met acute verloskunde te kunnen worden gebracht in de nieuwe situatie niet toeneemt in vergelijking met de huidige situatie. Ik heb de Raad van Bestuur ervan op de hoogte gesteld dat het uitgesloten is dat de acute verloskunde in Winterswijk kan sluiten, zolang er niet aan deze voorwaarden voldaan is.
Begrijpt u de verontwaardiging in Winterswijk aangezien altijd is beloofd dat er een volwaardig ziekenhuis zou blijven bestaan? Waarom wordt deze belofte niet serieus genomen?
Ik begrijp de teleurstelling en de onrust die is ontstaan hierover. Op 16 december en 17 december 2019 heb ik met de ziekenhuisdirectie, zorgverzekeraars, het openbaar bestuur, zorgverleners en inwoners/patiënten vertegenwoordiging gesproken over de strategische koers van Santiz. De Raad van Bestuur van Santiz heeft mij op 16 december 2019 laten weten dat zij in februari 2020 geen besluit zullen nemen over hun plannen om de geboortezorg en klinische kindergeneeskunde te concentreren. De Raad van Bestuur heeft aangegeven dat zij in samenspraak met de zorgverzekeraars Menzis en VGZ, het voorstel heeft hernomen en een stap terug doen in het overleg en besluitvormingsproces. Er zal een regiogroep «duurzame medische specialistische zorg Achterhoek» worden ingesteld. Deze groep bestaat uit een vertegenwoordiging van de cliëntenraad, de inwoners van de Achterhoek, huisartsen, eerstelijns verloskundigen, de ambulancezorg, het openbaar bestuur, de medisch specialistisch specialisten, de zorgverzekeraars en de Raad van Bestuur van Santiz. Deze regiogroep zal zich buigen over de verschillende voorstellen voor een duurzame toekomst van de ziekenhuiszorg in de Achterhoek, waarbij ook de mogelijke concentratie van geboortezorg, klinische kindergeneeskunde en het behoud van de SEH op de locatie Winterswijk op de agenda staan. De regiogroep zal starten in januari 2020 en het proces wordt begeleid door een externe partij.
Ik heb overigens op 16 januari 2020 vernomen dat de bestuursvoorzitter van Raad van Bestuur van Santiz vertrekt.2 De Raad van Toezicht en de voorzitter van de Raad van Bestuur verschillen van mening over de aanpak die nodig is om de ontstane onrust te beteugelen. De taken van de voorzitter worden waargenomen door een ander lid van de Raad van Bestuur en de Raad van Toezicht zal op korte termijn voorzien in versterking van de Raad van Bestuur door middel van het aantrekken van een interim- bestuurder. De Raad van Toezicht geeft aan dat zij de komende periode intensief aandacht zal besteden aan de stappen die nodig zijn voor het verder borgen van goed bestuur voor Santiz en haar strategische koers.
Sluiting van de spoedeisende hulp (SEH) en spoedeisende verloskunde in het Streekziekenhuis Koningin Beatrix (SKB) is toch uit den boze omdat het SKB een gevoelig ziekenhuis gezien de bereikbaarheidsanalyse van het Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu (RIVM) voor deze afdelingen, of is dit een vergissing? Bent u het met uw ambtsvoorganger eens dat acute verloskunde en de SEH voor Winterswijk behouden moeten blijven? Kunt u dit toelichten?2
Uitgangspunt is dat het aantal inwoners met meer dan 45 minuten ritduur om naar een SEH of ziekenhuis met acute verloskunde te kunnen worden gebracht in de nieuwe situatie niet toeneemt in vergelijking met de huidige situatie. Ik heb de Raad van Bestuur ervan op de hoogte gesteld dat het uitgesloten is dat de acute verloskunde in Winterswijk kan sluiten, zolang er niet aan deze voorwaarden voldaan is. De gevolgen voor de toegankelijkheid (SEH, acute verloskunde) moeten dus eerst nog worden onderzocht en ook de bereikbaarheid van de toekomstige situatie moet opnieuw in kaart worden gebracht.
Wat gaat u ondernemen om dit besluit terug te draaien?
De Raad van Bestuur van Santiz heeft mij op 16 december 2019 laten weten dat zij in februari 2020 geen besluit zullen nemen over hun plannen om de geboortezorg en klinische kindergeneeskunde te concentreren. De Raad van Bestuur heeft aangegeven dat zij in samenspraak met de zorgverzekeraars Menzis en VGZ, het voorstel heeft hernomen en een stap terug doen in het overleg en besluitvormingsproces.
Het artikel ‘Overheid sponsort eigen verzet’ |
|
Jeroen van Wijngaarden (VVD), Wybren van Haga (Lid-Haga), Chris van Dam (CDA) |
|
Sander Dekker (minister zonder portefeuille justitie en veiligheid) (VVD) |
|
|
|
|
Bent u bekend met het artikel «Overheid sponsort eigen verzet»?1
Ja.
In hoeverre deelt u de opvatting dat een deel van de 75 ontvangende «organisaties» die vorig jaar subsidies van bijna 105.000 euro ontvingen er een bedrijfsmodel van lijken te hebben gemaakt om te procederen tegen de Staat? Is het wenselijk dat in tegenstelling tot bijvoorbeeld kleine buurtcomités ook dergelijke organisaties in aanmerking komen voor subsidie?
Op grond van de Wet op de rechtsbijstand kunnen zowel burgers als rechtspersonen, indien zij aan de gestelde voorwaarden voldoen, in aanmerking komen voor gesubsidieerde rechtsbijstand. Die rechtsbijstand kan ook zien op bestuursrechtelijke aangelegenheden. Daarmee is het een gegeven dat procedures gevoerd tegen de overheid deels ook gesubsidieerd kunnen worden door de overheid. Uit de cijfers als zodanig leid ik niet af dat er organisaties zijn die er een bedrijfsmodel van lijken te hebben gemaakt om te procederen tegen de Staat. Wel is het zo dat bij milieuzaken een stapeling van procedures kan voorkomen. Per besluit zijn er steeds verschillende processtappen mogelijk (voorlopige voorziening, bezwaar, beroep en hoger beroep) waarbij rechtsbijstand aan de orde kan zijn, en voor een voorgenomen project zijn vaak meerdere besluiten nodig. De cijfers over het kalenderjaar 2018 lijken een stapeling van procedures ook te indiceren. De bevoegdheid om te beslissen over aanvragen voor gesubsidieerde rechtsbijstand ligt bij de Raad voor Rechtsbijstand. De Raad toetst daarbij of er sprake is van een milieubelang. Als er sprake is van een serieuze zaak en de aanvraag voldoet aan de overige gestelde criteria, dan is er recht op rechtsbijstand.
In hoeverre is rechtsbijstand bedoeld voor actiegroepen als krakersgroepen die een oude scheepswerf bezetten als «culturele broedplaats»?
Gesubsidieerde rechtsbijstand is bedoeld voor alle natuurlijke en rechtspersonen wier financiële draagkracht de in de Wet op de rechtsbijstand genoemde bedragen niet overschrijdt en wordt toegekend ten behoeve van de behartiging van in de Nederlandse rechtssfeer liggende rechtsbelangen.
Klopt hetgeen in het artikel vermeld staat dat u de ontstane praktijk reeds evalueert? Zo ja, wat wordt precies bezien en wanneer verwacht u hier een beeld van te hebben? Bent u van plan of bereid deze met de Kamer te delen?
Voor natuur- en milieuorganisaties geldt een specifieke regeling. Voor 1 januari 2008 werd de rechtsbijstand aan deze organisaties gratis verleend door de toenmalige bureaus voor rechtshulp. Met ingang van deze datum is de milieurechtsbijstand ingebed in het reguliere stelsel van de gesubsidieerde rechtsbijstand. Gesubsidieerde rechtsbijstand is sindsdien mogelijk voor natuur- en milieuorganisaties die minder dan € 10.000 eigen vermogen hebben. Bij de inbedding is bepaald dat voortaan ook een eigen bijdrage per toevoeging dient te worden betaald, in lijn met de uitgangspunten van de Wet op de rechtsbijstand. Deze werd vooralsnog gesteld op 25% van de eigen bijdrage die voor overige rechtspersonen geldt. Na ommekomst van een jaar zou worden geëvalueerd of deze reductie op de eigen bijdrage voortgezet diende te worden dan wel kon vervallen (zie ook de brief van 29 oktober 2007 van de toenmalige Staatssecretaris van Justitie aan uw Kamer2). Deze evaluatie heeft evenwel nooit plaatsgevonden en wordt nu alsnog uitgevoerd. Ik streef ernaar uw Kamer in de eerste helft van 2020 over de uitkomsten daarvan te informeren.
Bent u bereid deze vragen afzonderlijk van elkaar te beantwoorden?
Ja.
Het bericht dat een Chinese geneticus van het Erasmus MC werkt voor de Chinese politie |
|
Martijn van Helvert (CDA), Harry van der Molen (CDA) |
|
Stef Blok (minister buitenlandse zaken) (VVD), Ingrid van Engelshoven (minister onderwijs, cultuur en wetenschap) (D66), Raymond Knops (staatssecretaris binnenlandse zaken en koninkrijksrelaties) (CDA) |
|
|
|
|
Kent u de berichten in het Algemeen Dagblad van 4 december jl. en in de Volkskrant van 3 december jl. waarin wordt vermeld dat een Chinese geneticus van het Erasmus MC werkt voor de Chinese politie?1 2
Ja.
In hoeverre kunt u deze berichtgeving bevestigen of ontkrachten?
Het gewraakte onderzoek, het onderzoek naar gezichtsvorm, staat los van het onderzoek naar voorspelbaarheid van lichaamslengte dat de genoemde onderzoeker in Rotterdam deed. Ook heeft het Erasmus MC het eerstgenoemde onderzoek niet gefinancierd.
Is er vanuit de Nederlandse overheid contact geweest met de Chinese overheid over deze zaak? Zo ja, wat waren de resultaten van dit gesprek? Zo nee, waarom niet en wat gaat u ondernemen om dit zo snel mogelijk te bespreken met de Chinese overheid?
Door het Ministerie van Buitenlandse Zaken is over deze casus gesproken met de Chinese ambassade. Het resultaat van dat gesprek is dat de Chinese overheid is gewezen op zorgen die er in Nederland bestaan over ongewenste toepassingen van kennis die via de weg van (academisch) onderwijs en onderzoek wordt opgedaan, en op het belang van ethische normstelling in de wetenschap.
Bent u het ermee eens dat het volstrekt onwenselijk is dat Chinese onderzoekers Nederlandse universiteiten gebruiken voor (genetisch) onderzoek en dat de resultaten daarvan vervolgens worden gedeeld met de Chinese overheid ten behoeve van het opsporen en volgen van dissidenten? Zo ja, welke stappen gaat u nu ondernemen?
Onderzoek dat niet past binnen de in ons land gehanteerde medisch-ethische normen wijs ik strikt af. Voor de Nederlandse instellingen voor hoger onderwijs is het belangrijk aangehaakt te blijven bij de wetenschappelijke ontwikkelingen in China. In lijn met de beleidsnotitie «Nederland-China: een nieuwe balans»3 zetten zij in op nauwe samenwerking, gericht op het vergroten van de opbrengsten voor Nederland, waarbij zij ook voldoende aandacht moeten hebben voor mogelijke risico’s, zoals die zich kunnen voordoen waar het onderzoek met medisch-ethische aspecten betreft. Juist vanwege de in Nederland zo gekoesterde open cultuur binnen kennisinstellingen is het zaak voldoende oog te hebben voor de risico’s van het beschikbaar stellen van kennis en faciliteiten, zoals ongewenste kennisoverdracht. Ik heb daarom zowel bij de Vereniging van Universiteiten (VSNU) als rechtstreeks bij onderwijsinstellingen aangedrongen op bewustwording en alertheid. Daar heb ik meermaals met hen over gesproken. Ook onderzoekt het kabinet momenteel in hoeverre aanvullende maatregelen gewenst zijn met betrekking tot de risico’s van ongewenste kennis- en technologieoverdracht in brede zin via de weg van (academisch) onderwijs en onderzoek (zie ook het antwoord op vraag 8).
Kunt u uiteenzetten wat deze financiering inhield, zowel qua bedragen als wat er gefinancierd is, en wie daarbij betrokken zijn? Bent u het ermee eens dat het ongewenst is dat Chinese wetenschappers die werkzaam zijn in Nederland gefinancierd worden door het Chinese Ministerie van Publieke Veiligheid? Zo ja, hoe kan dit vanuit de overheid en universiteit voorkomen worden?
Het onderzoek naar voorspelbaarheid van lichaamslengte van het Erasmus MC werd gefinancierd door de EU. Het onderzoek naar gezichtsvormen, waar de vragen over gaan, werd in China uitgevoerd. Naar verluidt ontving de onderzoeker voor dit onderzoek een persoonlijke subsidie van het Chinese ministerie voor Openbare Veiligheid. Dit onderzoek werd niet gefinancierd door Erasmus MC of de EU. Sponsoring van onderzoekers en studenten door buitenlandse overheden is niet ongebruikelijk en betekent niet automatisch dat er sprake is van ongewenste kennis- of technologieoverdracht, maar zou voor onderwijs- en kennisinstellingen wel aanleiding kunnen zijn voor extra waakzaamheid.
Gebeurt het vaker dat het Chinese Ministerie van Publieke Veiligheid Nederlands onderzoek in Nederland (mede)financiert?
Zie antwoord vraag 5.
Deelt u de mening dat het volstrekt onwenselijk is dat het Chinese Ministerie van Publieke Veiligheid onderzoek aan Nederlandse kennisinstituten (mede)financiert?3 Bent u bereid hiertegen op te treden?
Zie antwoord vraag 5.
In hoeverre worden naar aanleiding van de passage in de beleidsnotitie «Nederland – China: Een Nieuwe Balans», waarin wordt vermeld dat de Nederlandse inlichtingendiensten hebben geconstateerd dat China’s spionageprogramma zich ook richt op buitenlandse universiteiten, Chinese werknemers aan Nederlandse universiteiten gescreend? Wat houdt deze screening in? Bevat deze screening ook het inzetten van het netwerk van deze Chinese werknemers voor de Chinese inlichtingendienst?
Internationale sancties die de overdracht van specifieke kennis en vaardigheden verbieden, kunnen een grondslag bieden voor een toetsing van studenten en onderzoekers. Zo zijn er sancties jegens Noord-Korea en Iran van kracht, die in het geval van Noord-Korea betrekking hebben op o.a. de overdracht van kennis die kan bijdragen aan proliferatiegevoelige activiteiten van Noord-Korea of aan de ontwikkeling van systemen voor de overbrenging van kernwapens, en in het geval van Iran op de overdracht van technologie die kan bijdragen aan de ontwikkeling van het ballistische raketprogramma en het verlenen van technische bijstand met betrekking tot deze technologie.
Daarnaast onderzoekt het kabinet momenteel in hoeverre aanvullende maatregelen gewenst zijn met betrekking tot de risico’s van ongewenste kennis- en technologieoverdracht in brede zin via de weg van (academisch) onderwijs en onderzoek. In dit traject wordt onderzocht op welke manier er een brede kennisregeling kan worden opgezet. De mogelijkheid en wenselijkheid van het toetsen van studenten en onderzoekers wordt in dit traject ook nader bekeken.
Op welke wijze worden universiteiten actief ingelicht over de risico’s van Chinese spionageactiviteiten bij het toelaten van Chinese studenten, medewerkers en onderzoekers, zulks naar aanleiding van de constatering in de beleidsnotitie «Nederland – China: Een Nieuwe Balans» dat Nederlandse kennisinstellingen zich niet altijd voldoende bewust zijn van de risico’s die het beschikbaar stellen van kennis en faciliteiten met zich kan meebrengen?
Zie het antwoord op vraag 4.
Is deze gebeurtenis een aanleiding om de beleidsnotitie «Nederland – China: Een Nieuwe Balans» aan te passen?
In de beleidsnotitie is het risico van ongewenste technologieoverdracht via de weg van (academisch) onderwijs en onderzoek reeds benoemd, en is reeds aangekondigd dat het kabinet opties verkent om ongewenste kennis- en technologieoverdracht in de brede zin te voorkomen. Het kabinet geeft daar thans opvolging aan, en zal de Kamer bij relevante ontwikkelingen nader informeren.
Hoe gaan andere EU-landen om met Chinese spionageactiviteiten op universiteitsinstellingen? Hoe zit dat met andere westerse landen, zoals de Verenigde Staten, Canada en Australië? Worden verdenkingen van Chinese spionageactiviteiten op universiteiten actief gedeeld met Nederlandse bondgenoten? Zo nee, waarom niet?
Ik kan geen uitspraken doen over hoe Europese of andere westerse inlichtingen- en veiligheidsdiensten omgaan met spionageactiviteiten op universiteitsinstellingen. Hetzelfde geldt voor eventuele informatie-uitwisseling tussen Nederlandse en buitenlandse inlichtingen- en veiligheidsdiensten, omdat dit inzicht verschaft in de werkwijze van en samenwerking tussen deze diensten.
In hoeverre wordt de Nederlandse wetenschappelijke integriteit aangetast op het moment dat de Chinese overheid op een dergelijke wijze bezig is op Nederlands grondgebied?
Zoals hiervoor is aangegeven, is sponsoring van onderzoekers door buitenlandse overheden niet ongebruikelijk. Van belang hierbij is dat de context waarin de werkzaamheden worden verricht, moet passen bij de rol van de wetenschapper. Bij deze werkzaamheden genieten onderzoekers academische vrijheid (artikel 1.6. van de Wet op het hoger onderwijs en wetenschappelijk onderzoek). Die academische vrijheid is een hoog goed dat gekoesterd moet worden maar ook verplichtingen met zich meebrengt. Van onderzoekers mag worden verwacht dat zij varen op een sterk moreel kompas. Dit geldt ook voor de financiering van het onderzoek.
Welke gevolgen heeft deze gebeurtenis, indien bevestigd, voor de diplomatieke relatie met China?
De diplomatieke betrekkingen met China vormen de basis voor overheidscontacten tussen Nederland en China. Die relatie maakt het ook mogelijk om zorgen of ongenoegen over te brengen wanneer daar aanleiding toe is.
Wat is, met in het achterhoofd het bericht van de Chinese geneticus die voor de Chinese politie werkte, uw reactie op het rapport «Kennis in het vizier» van het Rathenau Instituut, waarin wordt gesteld dat «veiligheidsbelangen verder reiken dan de individuele onderzoeker of kennisinstellingen – het zijn nationale belangen» en waarin het Rathenau Instituut aangeeft dat er ook op politiek niveau gehandeld moet worden, onder andere door het opstellen van kaders?
Ik verwijs graag naar de Beleidssreactie op het Rathenau Instituut rapport «Kennis in het vizier» die uw Kamer op 20 december jl. is toegegaan.4
Kunt u een overzicht geven van het aantal spionagegevallen van Chinese studenten en medewerkers bij universiteiten en hogescholen? In hoeverre is dit in de tijd toegenomen?
De AIVD heeft in het jaarverslag 2018 het volgende geconstateerd: «Ook vindt binnen legitieme samenwerkingsverbanden tussen academische en kennisinstellingen diefstal van onderzoeksbevindingen plaats.» Ik kan geen gedetailleerde uitspraken doen over welke informatie al dan niet bekend is bij de inlichtingen- en veiligheidsdiensten omdat dit inzicht geeft in het actuele kennisniveau, de modus operandi en/of bronnen van de diensten.
Kunt u deze vragen beantwoorden vóór het AO Mensenrechten China?
Ja.
Erdogan die dreigt politieke tegenstanders in Europa te kidnappen of vermoorden |
|
Geert Wilders (PVV), Gidi Markuszower (PVV), Raymond de Roon (PVV) |
|
Stef Blok (minister buitenlandse zaken) (VVD), Ferdinand Grapperhaus (minister justitie en veiligheid) (CDA) |
|
|
|
|
Bent u op de hoogte van het interview waarin de Turkse president Erdogan aangeeft duizenden politieke tegenstanders te willen kidnappen in Europa?1
Het kabinet is bekend met berichten over het terughalen van Turkse onderdanen uit derde landen. Het kabinet is daarnaast bekend met de uitspraken van president Erdogan in relatie tot een Gülenaanhanger die door de Turkse overheid wordt gezocht. President Erdogan heeft hierbij voor zover bekend niet aangegeven dat Turkije voornemens is om duizenden politieke tegenstanders in Europa te kidnappen.
Weet u dat de Turkse inlichtingendienst MIT reeds 80 Turken (politieke tegenstanders) uit 18 landen heeft ontvoerd?2
Zie antwoord vraag 1.
Sinds wanneer bent u ermee bekend dat Turkije het aantal kidnappings en moorden wil opschalen, omdat Europese landen vaak niet voldoen aan Turkse uitleveringsverzoeken?
Zie antwoord vraag 1.
Kunt u aangeven hoeveel uitleveringsverzoeken Turkije sinds de «coup» in 2016 aan Nederland heeft gericht?
Turkije richt jaarlijks enkele tientallen uitleveringsverzoeken aan Nederland. Deze verzoeken worden beoordeeld aan de hand van de Uitleveringswet. Turkije heeft ook enkele verzoeken aan Nederland gericht waarbij werd verzocht om uitlevering van leden van de door hen als terroristisch bestempelde Gülenbeweging. Indien de gezochte personen zich in Nederland bevonden, zijn deze verzoeken afgewezen omdat het aanhangen van Gülen of lidmaatschap van de Gülenbeweging in Nederland niet strafbaar is.
Kunt u tevens aangeven hoeveel verzoeken zijn afgewezen/gehonoreerd en op welke gronden?
Zie antwoord vraag 4.
Deelt u de opvatting van Erdogan dat de verzoeken betrekking hebben op terroristen, of zijn het voornamelijk politieke tegenstanders en journalisten zoals Can Dündar?
Zie antwoord vraag 4.
Hoe waarschijnlijk acht u het dat Erdogan het dreigement dat hij politieke tegenstanders wil kidnappen of vermoorden gaat waarmaken in Europa in het algemeen, en in Nederland in het bijzonder?
Het kabinet heeft op dit moment geen aanwijzing dat er in Nederland Turkse ontvoeringsteams actief zijn. Het kabinet beschikt ook niet over informatie dat er een specifiek ontvoeringsgevaar is voor politieke tegenstanders van president Erdogan in Nederland.
Richt Erdogan’s jachtpartij zich alleen op burgers met een Turks paspoort of moet iedereen die Erdogan bekritiseert oppassen niet plots in een Turkenbusje gesleurd te worden voor een enkeltje Turkije?
Zie antwoord vraag 7.
Welke maatregelen neemt u om Turkse kidnappers en moordteams van Nederlandse bodem te weren? En bent u bereid Erdogan openlijk te veroordelen voor zijn plannen?
Iedereen die zich op het Nederlandse grondgebied bevindt, heeft recht op bescherming. De Nederlandse politie zorgt voor veiligheid voor iedereen die zich in Nederland bevindt. De politie en het Openbaar Ministerie zijn extra alert op zaken die voortvloeien uit de spanningen in de Turks-Nederlandse gemeenschap. Personen die menen het slachtoffer te zijn van bedreiging of geweld worden nadrukkelijk opgeroepen om aangifte te doen.
Het bericht ‘Dutch minister urges EU action to fight child pornography online’ |
|
Kees Verhoeven (D66) |
|
Ferdinand Grapperhaus (minister justitie en veiligheid) (CDA) |
|
|
|
|
Bent u bekend met het bericht «Dutch Minister urges EU action to fight child pornography online»?1
Ja.
Wat is de reden dat u, in strijd met het kabinetsstandpunt en antwoorden op eerdere schriftelijke vragen, internationaal een pleidooi houdt voor het verzwakken van encryptie, wat evident niet binnen de kaders van het kabinetsstandpunt past?
Zoals ik heb gemeld in antwoorden op Kamervragen van het lid Verhoeven op 15 november jl. zijn mijn zorgen niet in strijd met het kabinetsstandpunt over encryptie uit 2016.2 Ik streef naar oplossingen die binnen de kaders van het kabinetsstandpunt recht doen aan de belangen van de opsporing en de nationale veiligheid. Daarbij acht ik het onder meer van belang te bezien of een internationale oplossing mogelijk is.
Het breder gebruik van encryptie, onder meer door het instellen als standaard bij communicatie tussen personen, maakt het opsporen van strafbare feiten lastiger en soms onmogelijk. Zoals gemeld in mijn brief van 22 november jl. over de aanpak van online seksueel kindermisbruik ben ik bezorgd over de toekomstige effectiviteit van opsporing naar het vervaardigen, verspreiden of bezitten van kinderporno, zware criminaliteit en terrorisme.3
De integrale aanpak van online seksueel kindermisbruik is een belangrijk speerpunt voor mij, dit misbruik is mensonterend en één van de meest verwoestende vormen van criminaliteit. Vanaf het begin van deze kabinetsperiode wil ik deze spiraal doorbreken, slachtoffers verdienen dat.
Bent u bereid te stoppen met pleiten voor het verzwakken van encryptiesoftware?
Ik heb niet gepleit voor het verzwakken van encryptiesoftware. Zie verder het antwoord op vraag 4.
Deelt u de mening dat u niet enerzijds «het belang van encryptie voor de veilige communicatie tussen burger, bedrijf en overheid, de bescherming van de persoonlijke levenssfeer en de toegevoegde waarde voor de digitale economie in Nederland» kunt onderschrijven en anderzijds kunt pleiten voor het afzwakken dan wel terugdraaien van encryptie van communicatie?
Het kabinetsstandpunt uit 2016 benoemt diverse betrokken belangen, waaronder het belang van encryptie voor de veilige communicatie tussen burger, bedrijf en overheid, de bescherming van de persoonlijke levenssfeer en de toegevoegde waarde voor de digitale economie in Nederland. Daarnaast wijst het kabinetsstandpunt op het belang van het (tijdig) verkrijgen van inzicht in de communicatie ten behoeve van de bescherming van de nationale veiligheid en de opsporing van strafbare feiten. In de antwoorden op Kamervragen van het lid Verhoeven van 15 november jl. heb ik erop gewezen dat de mogelijkheid om gegevens in onversleutelde vorm te vorderen bij een dienstverlener minder vaak beschikbaar is. In toenemende mate worden bij moderne toepassingen van encryptie de gegevens nog slechts in versleutelde vorm door dienstverleners verwerkt.
De diverse betrokken belangen staan in bepaalde gevallen met elkaar op gespannen voet. Voor dergelijke gevallen is het nodig oplossingen te vinden die recht doen aan deze belangen en/of waarbij deze belangen zorgvuldig zijn gewogen. Daarvoor heb ik aandacht gevraagd. Zoals gemeld in het antwoord op vraag 2 streef ik naar oplossingen binnen de kaders van het kabinetsstandpunt uit 2016.
Bent u bereid deze vragen nog deze week te beantwoorden?
Verzending binnen twee werkdagen bleek helaas niet haalbaar. De vragen zijn wel met spoed beantwoord.
Migrantenschepen die mogen aanmeren in Italië |
|
Vicky Maeijer (PVV), Emiel van Dijk (PVV) |
|
Ankie Broekers-Knol (staatssecretaris justitie en veiligheid) (VVD) |
|
|
|
|
Bent u bekend met het bericht «Schepen Ocean Viking en Alan Kurdi mogen aanmeren in Italië met 121 migranten»?1
Ja.
Kunt u garanderen dat Nederland geen van deze migranten overneemt, onderdak zal bieden of in de asielprocedure zal toelaten?
Zoals vermeld in de Kamerbrief van 14 januari 2019, zal Nederland, zonder een concreet perspectief op een structurele oplossing, niet meer deelnemen aan ad hoc maatregelen in het kader van ontscheping.2 Daaruit volgt dat Nederland in principe geen migranten meer zal overnemen van dergelijke schepen, in dit geval de Ocean Viking en de Alan Kurdi.
Kunt u aangeven wat u ervan vindt dat de ongekozen Europese Commissie de beslissing heeft genomen om weer bootladingen vol gelukszoekers en potentiële terroristen de Schengenzone binnen te halen en te gaan herverdelen? Welke rol heeft de Europese Commissie gespeeld in het faciliteren van deze mensensmokkel en was u hiervan op de hoogte?
De Europese Commissie coördineert op verzoek van de betreffende lidstaat van eerste aankomst de herplaatsing van ontscheepte migranten naar lidstaten die zich hiertoe bereid verklaren. Middels de Kamerbrief «Voortgang integrale migratieagenda» bent u geïnformeerd over de stappen die zijn gezet om mensensmokkel en -handel, zowel binnen de EU als daarbuiten, te bestrijden.3
Hoe gaat u ervoor zorgen dat niet één van deze asielzoekers (nu niet en in de toekomst niet) voet op Nederlandse bodem zet?
Zie antwoord vraag 2.
Wat gaat u eraan doen om een einde te maken aan deze door de Europese Unie gefaciliteerde mensensmokkel?
Zie antwoord vraag 3.
Het bericht ‘Tientallen camera's houden klanten van filiaal Jumbo in de gaten: 'Willen we dit?'’ |
|
Kees Verhoeven (D66) |
|
Sander Dekker (minister zonder portefeuille justitie en veiligheid) (VVD) |
|
|
|
|
Bent u bekend met het bericht «Tientallen camera's houden klanten van filiaal Jumbo in de gaten: «Willen we dit?'»?1
Ja.
Kunt u een overzicht geven van het wettelijke kader aangaande het gebruik van gezichtsherkenning door bedrijven, inclusief relevante artikelen in de Algemene verordening gegevensbescherming (AVG)?
In de AVG worden aan het gebruik van gezichtsherkenning eisen gesteld, omdat de verwerking bijzondere (biometrische) persoonsgegevens betreft. Op grond van artikel 9, eerste lid, AVG is de verwerking van biometrische gegevens met het oog op de unieke identificatie van een persoon in beginsel verboden. Het verbod geldt niet indien de verwerkingsverantwoordelijke zich baseert op een van de uitzonderingen van artikel 9, tweede lid, AVG. Van deze uitzonderingen zijn die onder a en g relevant in relatie tot gezichtsherkenning. De onder a bedoelde uitzondering betreft het geval waarin betrokkene uitdrukkelijk toestemming voor toepassing van gezichtsherkenning voor een of meer welbepaalde doeleinden heeft gegeven. De onder g bedoelde uitzondering heeft betrekking op gezichtsherkenning die noodzakelijk is om redenen van zwaarwegend algemeen belang, door de nationale wetgever is toegestaan en aan bepaalde onder g genoemde voorwaarden voldoet. Op basis daarvan stelt artikel 29 Uitvoeringswet Algemene Verordening Gegevensbescherming (UAVG) dat het verbod om biometrische gegevens te verwerken niet van toepassing is, indien de verwerking noodzakelijk is voor authenticatie of beveiligingsdoeleinden. In mijn brief «Voornemens met betrekking tot de UAVG en AVG» van 31 oktober 20192 heb ik uw Kamer meegedeeld het voornemen te hebben de UAVG te wijzigen en in artikel 29 UAVG expliciet het belang te benoemen dat in de rechtspraktijk noodzakelijk kan maken om biometrische gegevens te verwerken voor authenticatie en beveiligingsdoeleinden. Verder moet de betrokkene in het geval van een expliciete toestemming altijd de optie hebben om te weigeren, maar niettemin gebruik kunnen blijven maken van de dienst.
Ter uitvoering van de recente motie van de leden Verhoeven (D66) en Van Dam (CDA) over gezichtsherkenning3 zal ik de Tweede Kamer een brief doen toekomen waarin ik verder in ga op het juridisch kader rond het gebruik van gezichtsherkenningstechnologie en zal ik daarbij ook stilstaan bij andere wet- en regelgeving dan de AVG en UAVG die voor toepassing van gezichtsherkenning relevant is, zoals de Richtlijn gegevensbescherming bij opsporing en vervolging en de Wet politiegegevens. In deze brief wordt ook uitgebreid ingegaan op het gebruik van gezichtsherkenning door bedrijven.
Deelt u de mening dat dit praktijkvoorbeeld van de Jumbowinkel evident in strijd is met de AVG?
Toezicht op de naleving van de AVG is belegd bij de Autoriteit Persoonsgegevens (AP). Het is daarom niet aan mij als Minister voor Rechtsbescherming, maar aan AP om te beoordelen of dit praktijkvoorbeeld binnen de grenzen van de AVG past.
Zijn er praktijkvoorbeelden van gezichtsherkenning die zijn goedgekeurd door de rechter of de Autoriteit Persoonsgegevens en dus «AVG-proof» zijn?
Alleen als er een aanleiding is om de rechtmatigheid van een verwerking te beoordelen zal de AP of een rechter hierover een oordeel vellen. Een dergelijke rechtmatigheidsbeoordeling is echter breder dan een toetsing op basis van de AVG en bevat ook een toetsing op basis van andere wetten.
De AP heeft normenkaders en beleidsregels opgesteld voor specifieke toepassingen van gezichtsherkenningstechnologie, zoals het normenkader digitale billboards. Hier geeft de AP aan onder welke omstandigheden het gebruik van gezichtsherkenningstechnologie eventueel legitiem zou kunnen zijn. Daarnaast heeft het Hof van Justitie van de Europese Unie in een recente uitspraak in een Nederlandse zaak4, met betrekking tot de afname en verwerking van biometrische gegevens (in dit geval een gezichtsopname en vingerafdrukken) van vreemdelingen, geoordeeld dat het voorkomen en bestrijden van identiteits- en documentfraude een goede reden kan zijn om het afnemen van biometrische gegevens verplicht te stellen. De betreffende inbreuk mag echter niet verder gaan dan nodig is om het nagestreefde doel te bereiken en mag geen onevenredige inbreuk vormen op het recht op de persoonlijke levenssfeer bij de verwerking van persoonsgegevens. Het Hof van Justitie van de Europese Unie heeft geoordeeld dat in dit geval aan deze voorwaarden is voldaan.
Bent u bereid om bedrijven te informeren over het wettelijk kader omtrent gezichtsherkenning?
Bedrijven moeten zich primair zelf op de hoogte stellen van toepasselijke regels, en die toepassen op hun eigen situaties, zoals bij de (in het antwoord op vraag5 vermelde toets of binnen de grenzen van de privacywetgeving wordt gehandeld. De AP heeft verder een Informatie- en Meldpunt privacy, waar ook vragen over de AVG kunnen worden gesteld. Verder ben ik voornemens om, wanneer de in het antwoord op vraag 2 genoemde brief aan de Kamer is toegezonden, deze onder de aandacht te brengen van de bij het Nationaal Platform Criminaliteitsbeheersing aangesloten leden.
De aflevering van Zondag met Lubach ‘de slacht & NVWA’ |
|
Jan Paternotte (D66), Tjeerd de Groot (D66) |
|
Ingrid van Engelshoven (minister onderwijs, cultuur en wetenschap) (D66), Carola Schouten (viceminister-president , minister landbouw, visserij, voedselzekerheid en natuur) (CU) |
|
|
|
|
Wat zijn de consequenties van het tekort aan dierenartsen werkzaam voor de Nederlandse Voedsel- en Warenautoriteit (NVWA) die het slachtproces binnen slachthuizen in de gaten houden?1
Het genoemde tekort aan dierenartsen heeft geen directe consequenties voor de uitvoering van de keuringen die worden uitgevoerd op het slachtproces. De bedrijven vragen de keuringen aan bij de NVWA en de dierenartsen worden ingezet voor de uitvoering van deze keuringen. De dierenartsen leggen op basis van hun deskundigheid keuringsbeslissingen vast. Hierbij gaat het zowel over dierenwelzijn als voedselveiligheid.
Ten algemene leidt het tekort aan dierenartsen wel tot een hogere werkdruk. Dit heeft als gevolg dat er minder ruimte is voor opleidingen, werkoverleg en andere vormen van afstemming tussen dierenartsen. Dit wordt opgepakt in het kader van de maatregelen die worden ondernomen naar aanleiding van het 2Solve onderzoek (Kamerstuk 28 286 en 26 991, nr. 1065). Binnenkort wordt uw Kamer daar nader over geïnformeerd.
Tevens worden er door de NVWA (mede in het kader van de Brexit) goede stappen gezet om de vacatures van toezichthoudende dierenartsen te vullen, onder andere door het werven van dierenartsen uit andere EU-lidstaten (Kamerstuk 23 987, nr. 370).
Hoeveel studenten starten ieder jaar met de opleiding diergeneeskunde en kunt u dit cijfer uitsplitsen naar de verschillende richtingen die gekozen kunnen worden?
Er zijn ieder jaar 225 plaatsen in de bachelor diergeneeskunde die gevuld worden. Na succesvolle beëindiging van de bachelor stroomt men door naar de master diergeneeskunde. Aan het begin van de master wordt de keuze voor een afstudeerrichting gemaakt. De faculteit Diergeneeskunde biedt drie masterprogramma’s aan: Geneeskunde van gezelschapsdieren (GD), Gezondheidszorg landbouwhuisdieren en veterinaire volksgezondheid (LHD) en Gezondheidszorg paard (P). Tussen 2014 en 2018 zijn er gemiddeld 158 diploma’s per jaar uitgereikt aan studenten die hun diergeneeskunde master hebben afgerond. De verhouding binnen deze groep afgestudeerden is 55% GD, 30% LHD en 15% P.
Klopt het dat de verhouding tussen het aantal afgestudeerde landbouwhuisdierenartsen en gezelschapsdierenartsen nu scheef loopt en wat zijn de toekomstige verwachtingen?
In de periode voor 2017 werden studenten met een affiniteit met landbouwhuisdieren door middel van een decentrale selectie geselecteerd voor de opleiding diergeneeskunde. Daarbij werd vastgelegd dat de student, na het succesvol afronden van de bachelor, de master LHD ging volgen. In het nieuwe systeem van decentrale selectie worden studenten niet op deze specifieke affiniteit getoetst en toegelaten. Het gevolg hiervan is momenteel nog niet met zekerheid vast te stellen, aangezien decentrale selectie pas vanaf studiejaar 2017/2018 is ingevoerd. De algemene verwachting is echter dat deze nieuwe wijze van selectie leidt tot een kleiner aantal studenten met een voorkeur voor het master programma LHD.
In Nederland studeren momenteel meer dierenartsen af in de richting van GD dan LHD. Het succesvol beëindigen van de masteropleiding leidt tot het verkrijgen van het diploma «algemeen bevoegd dierenarts». Dierenartsen afgestudeerd in andere richtingen dan LHD kunnen ook werkzaam zijn als NVWA-controleur in het slachthuis.
Wat was het gevolg van het afschaffen van de decentrale selectie voor de opleiding diergeneeskunde waarbij studenten met een voorkeur voor landbouwhuisdieren en veterinaire volksgezondheid voorkeur genoten?
Zie antwoord vraag 3.
Ziet u mogelijkheden om de toestroom van studenten tot de landbouwhuisdieren richting de maatschappelijke vraag te verhogen en welke activiteiten nemen de onderwijsinstellingen daartoe?
Een goede studiekeuze begint met goede voorlichting, waaronder voorlichting over de arbeidsmarktvraag. De faculteit diergeneeskunde informeert (bachelor)studenten voor en tijdens hun opleiding over de mogelijkheden van de master LHD en probeert studenten op deze manier te motiveren voor deze master te kiezen.
Tegelijkertijd is het van belang te benadrukken dat elke afgestudeerde dierenarts algemeen bevoegd is en om die reden kan voldoen aan de maatschappelijke vraag om als NVWA-controleur aan het werk te gaan.
Klopt het dat er circa 70 Nederlandse dierartsen afstuderen in Vlaanderen? Zo ja, welke motieven hebben zij om de studie in België en niet in Nederland te volgen?
Het klopt dat er Nederlandse studenten afstuderen van de opleiding diergeneeskunde in Vlaanderen. Dit zijn voor een deel studenten die uitgeloot of niet toegelaten zijn in Utrecht en graag de opleiding diergeneeskunde willen doen. Andere motieven kunnen zijn de hoogte van het collegegeld of de inhoud van het curriculum. In België is geen toelatingsexamen en geen numerus fixus.
Klopt het dat de Vlaamse overheid strenger wil gaan selecteren en minder buitenlandse studenten wil toelaten tot deze studie? Zo ja, wat is daarbij het gevolg voor de Nederlandse studenten en het aantal dierenartsen dat in de toekomt zal afstuderen?
De nieuwgevormde Vlaamse regering is voornemens het aandeel buitenlandse studenten voor de opleiding Diergeneeskunde te beperken via een numerus clausus of fixus. Hierdoor zullen er mogelijk minder Nederlandse studenten diergeneeskunde kunnen studeren in Vlaanderen. Mijn inschatting is dat dit Vlaamse voornemen volgens Europese regels niet mogelijk is. EER-studenten mogen niet anders behandeld worden dan Belgische studenten.
Kan worden gesteld dat het aantal dieren die in Nederland wordt geslacht te hoog is om de voedselveiligheid nog te garanderen daar er een tekort is aan controleurs en dierenartsen?
Er kan niet puur op basis van aantallen geslachte dieren gesteld worden dat een capaciteitstekort in het toezicht leidt tot risico’s voor de voedselveiligheid.
Vanuit de wetgeving is dwingend voorgeschreven dat elk dier vóór en na het slachten beoordeeld wordt op risico’s voor de voedselveiligheid. Deze keuringen worden door de NVWA uitgevoerd ondanks het bestaande capaciteitstekort.
De NVWA richt haar toezicht, daar waar mogelijk, steeds risicogerichter in en de meeste capaciteit wordt gericht op de hoogste risico’s. Bepaalde diercategorieën vragen meer aandacht en tijd bij de keuringen vanwege de hogere risico’s voor de voedselveiligheid. De NVWA houdt rekening met deze diercategorieën bij de keuring en past ook haar toezichtregime daarop aan.
Alleen vlees van dieren dat als veilig wordt beoordeeld, komt in aanmerking voor humane consumptie. Het is belangrijk om hierbij te benadrukken dat het de primaire verantwoordelijkheid van het bedrijfsleven is om de voedselveiligheid te borgen. De NVWA houdt toezicht op de naleving van de wettelijke regels, die aan de producenten van levensmiddelen gesteld zijn om de voedselveiligheid te waarborgen.
De Giessenbrug |
|
Remco Dijkstra (VVD) |
|
Cora van Nieuwenhuizen (minister infrastructuur en waterstaat) (VVD) |
|
|
|
|
Klopt het dat de Giessenbrug bij renovatie in 2026 in totaal tien jaar onbedienbaar is geweest?
Op 26 januari 2017 is er voor de Giessenbrug een stremming ingesteld voor het hoge vaarwegverkeer. Als de stremming in 2026 nog ingesteld is zal de brug dan een kleine 10 jaar niet zijn bediend.
Door wie is de stremming van de vaarweg voor schepen van 5,40 meter en hoger ingesteld? Is dat door de Provincie Zuid-Holland of door Rijkswaterstaat afgekondigd?
De beheerder van de brug, Rijkswaterstaat, heeft de beslissing genomen om deze niet langer te bedienen. Hierdoor werd het onmogelijk voor schepen hoger dan 5,40 meter om gebruik te maken van de vaarweg. Hiervan is melding gedaan aan de Waterkamer, die de scheepvaart heeft geïnformeerd. De beheerder van de vaarweg, de provincie Zuid-Holland, heeft dus niet een besluit tot stremming genomen zoals abusievelijk vermeld in het antwoord op vraag 2 van november 2019.
Is het zo dat feitelijk de vaarweg van een CEMT-klasse 3 naar een -klasse 2 afgewaardeerd is? Kunt u aangeven of dit soort schepen op deze route varen?
Formeel voldoet de vaarweg weliswaar nog steeds aan de CEMT klasse III uit 1992, maar feitelijk is de vaarweg inderdaad afgewaardeerd van onbeperkte hoogte naar maximaal 5,40m. Materieel gezien is er slechts beperkt sprake van een afwaardering aangezien, op enkele schepen na, alle binnenvaartschepen de brug kunnen passeren door ballast te zetten.
Bent u bekend met het feit dat er een scheepswerf is gelegen achter de Giessenbrug die, door het feit dat de brug niet meer geopend wordt, geschaad wordt in zijn bedrijfsuitoefening?
Ik ben bekend met het feit dat er een scheepswerf is gelegen achter de Giessenbrug. In het antwoord op vraag 6, van de vragen die u mij op 15 oktober 2019 heeft gesteld, heb ik geantwoord dat ik bekend ben met het feit dat deze scheepswerf aangegeven heeft klanten mis te lopen en dat uitbreidingsplannen mogelijk niet door kunnen gaan vanwege de situatie bij de Giessenbrug. Ik vind dit een vervelende situatie en blijf daarom in gesprek met betrokken partijen over mogelijke oplossingen.
Is er informatie binnen Rijkswaterstaat bekend die kan leiden tot een oplossing om de brug weer te kunnen gebruiken voor 2026?
Zie het antwoord op vraag 6.
Bent u bereid om met de provincie Zuid-Holland en andere betrokken partijen te zoeken naar een mogelijkheid om tot een versnelde oplossing te komen voor de Giessenbrug?
Sinds mijn brief van 11 november 2019 hebben zich geen nieuwe ontwikkelingen voorgedaan. Op dit moment zie ik geen mogelijkheden tot versnelling van de renovatie van de brug. Ik blijf echter alert op mogelijkheden – als deze zich aandienen – om de uitvoering van de renovatie te versnellen. Ook blijf ik, mede in het kader van de gestarte planstudie, met de betrokken partijen, zoals de provincie Zuid-Holland, in gesprek over mogelijke oplossingen.
De dreigende claim tegen de Nederlandse staat van de energiereuzen Uniper en RWE, mogelijk op basis van de ISDS-clausule in het Energy Charter Treaty |
|
Esther Ouwehand (PvdD) |
|
Eric Wiebes (minister economische zaken en klimaat) (VVD), Sigrid Kaag (minister zonder portefeuille buitenlandse zaken) (D66) |
|
|
|
|
Bent u bekend met de artikelen «Claim om kolenverbod voor Staat»1, «Kolenboer Uniper wil burgers laten opdraaien voor zijn slechte investering»2, «Energiereus RWE dreigt overheid en wil geld zien voor Eemshavencentrale»3, «Elektriciteitscentrale verruilt steenkool voor hout, maar is dat wel zo duurzaam?»4 en «Pakistan moet mijnbouwers miljarden schadevergoeding betalen»?5
Ja.
Kunt u bevestigen dat de mogelijkheid bestaat dat de Nederlandse staat via de Investor-State Dispute Settlement (ISDS)-clausule in het Energy Charter Treaty door buitenlandse investeerders kan worden aangeklaagd?
Ja, deze mogelijkheid bestaat. Het Energy Charter Treaty (verder: ECT) bevat een mogelijkheid voor buitenlandse, niet in de EU geregistreerde, investeerders om eventuele geschillen met de Nederlandse Staat via arbitrage te beslechten.
Kunt u bevestigen dat het Energy Charter Treaty stamt uit 1994 en toentertijd in dienst stond van transitie van landen die ooit onderdeel uitmaakten van de Sovjet-Unie?
Ja. Het ECT is na de val van de Berlijnse muur in de jaren negentig opgesteld met als doel om de integratie van energiemarkten in West- en Oost-Europa te bevorderen en energiedoorvoer en investeringen te stimuleren.
Realiseert u zich dat dit verdrag dus stamt uit de tijd voordat het Kyotoprotocol werd ondertekend en dat het werd ondertekend ruim 20 jaar voordat het Klimaatakkoord van Parijs tot stand is gekomen?
Ja.
Wat is voor u op dit moment reden om nog steeds vast te houden aan dit gedateerde verdrag?
Nederland hecht veel waarde aan een efficiënte werking van energiemarkten, bevordering van energiehandel en samenwerking in beleidsontwikkeling op energiegebied tussen de partijen bij het ECT. Er zijn op dit moment 55 landen lid van dit Verdrag waaronder ook landen zoals Zwitserland of Noorwegen.
De verdragspartijen worden verplicht om energiedoorvoer en investeringen onder non-discriminerende voorwaarden te faciliteren en te beschermen. Als Nederland het Energiehandvestverdrag zou opzeggen, verliezen Nederlandse investeerders in het buitenland de minimale rechtsbescherming op grond van dit verdrag. Dit neemt niet weg dat sommige verdragsbepalingen verouderd zijn en moeten worden gemoderniseerd. De formele moderniseringsonderhandelingen zullen in april 2020 van start gaan. De inbreng van de bij het Energy Charter aangesloten EU-landen wordt in dit proces gecoördineerd door de Europese Commissie.
Op 15 juli 2019 zijn hiervoor de EU-onderhandelingsrichtsnoeren door de Raad Buitenlandse Zaken aangenomen. Onderdeel van de EU-inzet bij de modernisering van het Energiehandsvestverdrag is om het recht van overheden om in het publiek belang te reguleren te expliciteren, verdere focus op de modernisering van investeringsbescherming en de geschillenbeslechtingprocedure en aandacht voor energietransitie en decarbonisatie in lijn met het Parijsakkoord.
Kunt u een overzicht geven van de claims die via de ISDS-clausule in het Energy Charter Treaty door investeerders bij staten zijn ingediend?
Een overzicht van de claims die zijn ingediend via de ISDS-clausule in het Energy Charter Treaty is te vinden op de website van de Energy Charter Treaty (ECT), zie https://www.energycharter.org/what-we-do/dispute-settlement/all-investment-dispute-settlement-cases/.
Het is geen vereiste voor partijen om geschillen bij het ECT secretariaat te notificeren. Deze lijst bevat informatie over zaken die openbaar zijn gemaakt. Daarnaast heeft UNCTAD een database van investeringsgeschillen, zie https://investmentpolicy.unctad.org/investment-dispute-settlement.
Ook voor deze lijst geldt dat openbaarmaking van claims niet vereist is onder het ECT.
Kunt u bevestigen dat Uniper via een dreigende juridische claim een hogere schadevergoeding probeert af te dwingen wanneer de Eerste Kamer besluit om de wet aan te nemen die ervoor zorgt dat de kolencentrales moeten sluiten, getuige de woorden van Hans Schoenmakers, directeur van Uniper Benelux, die heeft gezegd dat hij vindt dat dat Uniper de facto wordt onteigend zonder dat Uniper daarvoor wordt gecompenseerd, die heeft gezegd dat de dagvaarding op de mat zal vallen wanneer de wet definitief is aangenomen en die heeft gezegd dat Uniper toch nog enige hoop heeft dat er toch een redelijke compensatieregeling komt?6
De Nederlandse regering is door Uniper in kennis gesteld van een mogelijke claim op basis van het Energiehandvest. Het kabinet kan niet ingaan op de motieven van deze mogelijke claim.
Kunt u bevestigen dat de mogelijkheid bestaat dat de Duitse energiereus Uniper de Nederlandse staat via de ISDS-clausule in het Energy Charter Treaty zal aanklagen?
Zoals gesteld in de Verklaring van vertegenwoordigers van de regeringen van lidstaten van de Europese Unie van 15 januari 2019 over de juridische gevolgen van de Achmea-zaak7, is Nederland van mening dat het gezien de uitspraak van het Hof van Justitie van de Europese Unie niet mogelijk is voor een investeerder gevestigd in een EU-lidstaat, om gebruik te maken van de ISDS-clausule van het ECT in een zaak jegens een andere EU-lidstaat.
Kunt u bevestigen dat de Uniper bij het nemen van de investeringsbeslissing voor de bouw van een kolencentrale op de Tweede Maasvlakte uit is gegaan van een voorspelling van de ontwikkeling van de energieprijs die veel te optimistisch bleek te zijn, en dat Uniper bovendien heeft nagelaten scenario’s te maken die uitgingen van een lagere energieprijs? Zo nee, hoe zit het dan?
Het kabinet is niet bekend met de aannames van Uniper ten aanzien van de (ontwikkeling van) de energieprijs. De beslissing om te investeren betreft een keuze van het bedrijf dat daarvoor zijn eigen afwegingen maakt.
Kunt u bevestigen dat het al dan niet juist voorspellen van prijsontwikkelingen tot het ondernemersrisico behoort en dat de staat derhalve niet dient op te draaien voor verliezen van bedrijven die te wijten zijn aan dit soort verkeerde inschattingen?
Bedrijfseconomische afwegingen die een ondernemer maakt, komen doorgaans voor rekening en risico van de ondernemer.
Kunt u bevestigen dat ook de energiereus RWE een miljardenclaim tegen de Nederlandse staat voorbereidt, die mogelijk ingediend wordt als de Nederlandse staat het verbod op het gebruik van kolen bij energieopwekking invoert?7 Zo nee, hoe zit het dan, denkt u?
Er is op dit moment geen formele claim tegen de Nederlandse staat.
Kunt u bevestigen dat de mogelijkheid bestaat dat de RWE de Nederlandse staat via de ISDS-clausule in het Energy Charter Treaty zal aanklagen?
Zoals gesteld in de Verklaring van vertegenwoordigers van de regeringen van lidstaten van de Europese Unie van 15 januari 2019 over de juridische gevolgen van de Achmea-zaak, is Nederland van mening dat het gezien de uitspraak van het Hof van Justitie van de Europese Unie niet mogelijk is voor een investeerder gevestigd in een EU-lidstaat, om gebruik te maken van de ISDS-clausule van het ECT in een zaak jegens een andere EU-lidstaat.
Kunt u bevestigen dat de compensatie die RWE en Uniper geboden wordt in het kader van de Wet verbod op kolen bij elektriciteitsproductie een overgangsperiode betreft, waarin deze bedrijven de tijd hebben om over te schakelen naar andere brandstoffen, waaronder houtstook? Zo nee, hoe zit het dan?
Dat klopt. Aan de drie nieuwste kolencentrales, waaronder een centrale van RWE en Uniper, wordt een overgangsperiode van 10 jaar geboden. Deze overgangsperiode betreft nadeelcompensatie in natura.
Kunt u bevestigen dat zonder een overgangsperiode met als doel om over te schakelen naar andere brandstoffen het risico op een succesvolle claim van deze bedrijven vergroot wordt? Zo nee, hoe zit het dan?
Ja, zonder overgangsperiode wordt geen nadeelcompensatie geboden aan de exploitanten van de kolencentrale. De overgangsperiode biedt exploitanten de mogelijkheid om nog gedurende 10 jaren met behulp van kolen elektriciteit op te wekken waarmee zij een groot deel van de investeringen in hun centrale kunnen terugverdienen. Daarnaast biedt de overgangsperiode hen de mogelijkheid de centrale geschikt te maken voor andere brandstoffen dan kolen, zodat de exploitatie van de elektriciteitscentrale kan worden voortgezet.
Heeft u in het kader van de Wet verbod op kolen bij elektriciteitsproductie een risico-inschatting gemaakt over de claims die energiebedrijven naar aanleiding van deze wet kunnen indienen? Zo ja, kunt u deze risico-inschatting met de Kamer delen? Zo nee, waarom niet?
Er is door het kabinet rekening gehouden met de mogelijkheid dat de exploitanten van de kolencentrales juridische procedures zouden kunnen starten naar aanleiding van het verbod op kolen. Om die reden is ook gekozen om de exploitanten nadeelcompensatie te bieden in de vorm van een ruime overgangsperiode.
Kunt u bevestigen dat de Pakistaanse staat op basis van een uitspraak van een ISDS-tribunaal gedwongen is tot het betalen van een astronomisch schadebedrag van bijna zes miljard Amerikaanse dollar aan Antofagasta PLC uit Chili en de Barrick Gold Corporation uit Canada?
In de zaak Tethyan Copper v Pakistan werd Pakistan veroordeeld tot de betaling van een schadevergoeding van 4 087 miljoen USD, en de betaling van proceskosten van 61,9 miljoen USD, en de rente op deze bedragen. Tethyan Copper Company Pty Limited is een Joint Venture tussen Antofagasta PLC en Barrick Gold Corporation.9
Kunt u bevestigen dat niet alleen de investeringen die deze bedrijven hebben gedaan moeten worden gecompenseerd, maar dat mogelijk misgelopen winsten van deze bedrijven eveneens moeten worden gecompenseerd?
Ik ga ervan uit dat u met deze vraag de kolencentrales bedoelt. Met de «Wet verbod op kolen» is er sprake van regulering van eigendom. De Staat mag hiertoe overgaan bij een gerechtvaardigd belang, in dit geval het klimaat, maar moet zorgen dat sprake is van een «fair balance» tussen de belangen die hij zelf nastreeft en de belangen van degenen die worden geraakt door het ingrijpen van de staat. Om die reden wordt een ruime overgangsperiode van 10 jaar geboden en de mogelijkheid om de exploitatie van de centrale op andere brandstoffen dan kolen voort te zetten.
Kunt u uitsluiten dat toekomstige ISDS-claims tegen Nederland betrekking kunnen hebben op zowel gedane investeringen als op misgelopen winsten? Zo nee, waarom niet?
Nee, het is niet uit te sluiten dat een investeerder compensatie eist voor geleden schade en daarbij een beroep doet op misgelopen winsten indien zij menen dat zij in hun rechten geschonden zijn. Of een dergelijke claim ook zal slagen, is nog maar de vraag. Een investeringsverdrag biedt bescherming tegen onbehoorlijk bestuur, maar geeft geenszins aan een investeerder de garantie dat bestaande wet- en regelgeving niet zal veranderen.
Kunt u bevestigen dat Italië op 1 januari 2016 formeel uit het Energy Charter Treaty is gestapt?
Ja.
Kunt u bevestigen dat wanneer een land uit het Energy Charter Treaty stapt de investeringen die dan reeds gedaan zijn nog twintig jaar onder de ISDS-bescherming uit dit verdrag zullen vallen?
Ja, dit ligt besloten in artikel 47 van het Energiehandvestverdrag.
Kunt u aangeven welke stappen Nederland zal moeten nemen om uit het Energy Charter Treaty te kunnen stappen?
De beëindiging van het lidmaatschap wordt geregeld in artikel 47 van het Energiehandvestverdrag. Als Nederland het Energiehandvestverdrag zou opzeggen, verliezen Nederlandse investeerders in het buitenland de minimale rechtsbescherming op grond van dit verdrag. De verdragspartijen worden verplicht om energie investeringen onder non-discriminerende voorwaarden te faciliteren en te beschermen. Nederland overweegt op grond daarvan niet om uit het Energiehandvestverdrag te stappen en zet de komende tijd in op de modernisering van dit verdrag. Op 15 juli 2019 zijn de EU-onderhandelingsrichtsnoeren voor het moderniseringsproces door de Raad Buitenlandse Zaken aangenomen.
Kunt u deze vragen een voor een en binnen de gebruikelijke termijn beantwoorden?
De vragen zijn een voor een binnen de kortst mogelijke termijn beantwoord.
Apen als proefdieren |
|
William Moorlag (PvdA) |
|
Carola Schouten (viceminister-president , minister landbouw, visserij, voedselzekerheid en natuur) (CU) |
|
|
|
|
Kent u het bericht «Politie inval in berucht horrorlaboratorium LPT»?1
Ja.
Is het waar dat het genoemde Nederlandse bedrijf apen uit een Duits proefdierbedrijf heeft geïmporteerd dat verdacht wordt van dierenmishandeling en fraude? Zo ja, om hoeveel apen gaat het?
Vanuit een bedrijf in Duitsland zijn meerdere zendingen met apen naar Nederland geëxporteerd. Op grond van de bescherming van bedrijfs- en fabricagegegevens kan ik de informatie over het aantal apen niet verstrekken. De transporten zijn toegestaan door de Duitse autoriteiten en zijn aangemeld in het TRACES-systeem.
Heeft de Nederlandse Voedsel- en Warenautoriteit (NVWA) de herkomst van deze apen gecontroleerd?
Ja, de NVWA heeft de herkomst van deze apen gecontroleerd. De transportdocumenten, CITES-documenten en levensloopdossiers van de dieren waren aanwezig en op orde.
Is de legale herkomst uit een legale fokinstelling van deze apen met zekerheid vast te stellen? Zo ja, wat is de uitkomst van die controle? Zo nee, gaat die herkomst alsnog vastgesteld worden?
De NVWA heeft de begeleidende documenten bij de verschillende zendingen gecontroleerd. Daaruit blijkt dat de apen een legale herkomst hebben.
Wanneer heeft de NVWA het genoemde Tilburgse bedrijf voor het laatst gecontroleerd en wat waren de uitkomsten van die controle?
Naar aanleiding van de zendingen apen vanuit Duitsland heeft de NVWA op 28 november 2019 een bestemmingscontrole uitgevoerd. Daarnaast heeft de NVWA op 27 november 2019 en 8 januari 2020 inspecties uitgevoerd op de naleving van vereisten voor huisvesting en dierenwelzijn. Er zijn bij deze inspecties geen onregelmatigheden geconstateerd. De dieren zijn gehuisvest en worden verzorgd volgens de regels gesteld in de Wet op de dierproeven.
Deelt u de mening dat om het risico dat, ondanks het verbod daarop, in het wild gevangen apen als proefdier worden gebruikt of worden verhandeld, alleen proefdieren uit gereguleerde fokprogramma’s zouden moeten worden gebruikt? Zo ja, hoe gaat u hier zorg voor dragen? Zo nee, waarom deelt u die mening niet?
Het is in Europa verboden om niet-humane primaten uit wildvang te gebruiken in dierproeven. De dieren moeten afkomstig zijn van een fokinstelling. Bij de invoer van niet-humane primaten is de CITES-overeenkomst van toepassing. Het CITES-certificaat geldt als bewijs voor legale herkomst uit een fokinstelling, afgegeven door de bevoegde autoriteiten in het land van herkomst. De invoer wordt niet toegestaan indien er gerede twijfel bestaat over de fokstatus van de dieren.
Deelt u de mening dat de handel in apen als proefdier met name vanwege het dierenwelzijn in het algemeen en in het kader van het terugbrengen van het aantal proefdieren ongewenst is en tenminste teruggebracht of beter nog verboden zou moeten worden? Zo ja, hoe gaat u hier verder gevolg aan geven? Wilt u dit in EU-verband gaan bepleiten? Zo nee, waarom niet?
Niet-humane primaten voor de inzet in dierproeven mogen in Europa worden geïmporteerd en verhandeld. Om het welzijn van deze dieren te waarborgen zijn hiervoor Europese regels opgesteld waar bedrijven zich aan moeten houden en waar in Nederland de NVWA op toeziet.
Wel ben ik van mening dat lange afstandstransporten voor dieren belastend kunnen zijn. Ik ben daarom blij dat de Nederlandse dierproefinstellingen zich in 2014 ervoor hebben uitgesproken om alleen nog apen te willen betrekken die in Nederland zijn gefokt (Kamerstuk 32 336, nr. 44). De herkomst van de niet-humane primaten in dierproeven in Nederland wordt jaarlijks gepubliceerd in het registratierapport «Zo doende» van de NVWA.
Het dreigend verlies bij Postnned Stadskanaal |
|
William Moorlag (PvdA) |
|
Mona Keijzer (staatssecretaris economische zaken en klimaat) (CDA) |
|
|
|
|
Bent u bekend met het bericht «Tientallen banen bij Postnned Stadskanaal op de tocht door fusie PostNL en Sandd»?1
Ja.
Deelt u de mening dat de fusie tussen PostNL en Sandd met behoud van zoveel mogelijk banen gepaard moet gaan? Zo nee, waarom niet?
Deze mening deel ik. Eén van de redenen voor het verlenen van een vergunning voor de overname van Sandd was dat door de overname een geleidelijke afbouw van het aantal postbezorgers kan worden gefaciliteerd, in samenhang met de krimp van het postvolume, en schokeffecten zoveel mogelijk te voorkomen. Bij Sandd werken circa 11.000 postbezorgers en bij PostNL circa 21.000. Tegelijkertijd is van belang dat door het samenvoegen van volumes van Sandd en PostNL efficiëntievoordelen kunnen worden behaald, waardoor ook in een sterk krimpende markt een kwalitatief hoogwaardige en betaalbare postdienstverlening geborgd kan worden. Een deel van deze efficiëntievoordelen zal noodzakelijkerwijs bestaan uit besparingen op arbeidsinzet.
Heeft u bij de toestemming voor de fusie als voorwaarde gesteld dat alle bezorgers van Sandd zouden meegaan in de fusie of andere voorwaarden ten aanzien van baanbehoud?
PostNL biedt medewerkers van Sandd die werkzaam zijn in de bezorging van post de mogelijkheid om op basis van een arbeidsovereenkomst in dienst te treden als postbezorger, ook wanneer zij op basis van een overeenkomst van opdracht voor Sandd werken. Voor overige werknemers van Sandd geldt dat zij voorrang hebben bij sollicitaties bij PostNL. Aan de vergunning voor de overname heb ik een voorschrift verbonden dat PostNL zich moet houden aan toezeggingen aan de ondernemingsraden van Sandd op het gebied van de bescherming van werkenden. Mensen die werken bij de franchisenemers van Sandd vallen echter niet onder de afspraken (met name de sociale regelingen) die gemaakt zijn met de ondernemingsraad van Sandd en waar PostNL zich aan moet houden.
Deelt u de mening dat ook bezorgers die niet in juridische zin maar wel de facto bezorgers van Sandd zijn ook na de fusie in dienst zouden moeten blijven van de rechtsopvolger van Sandd, te weten het gefuseerde PostNL en Sandd? Zo ja, hoe gaat u hier in de richting van dit bedrijf op reageren? Bent u bereid een pleidooi te houden voor het in dienst houden van de genoemde bezorgers? Zo nee, waarom niet?
PostNL heeft aangegeven graag met de individuele franchisenemers in gesprek te gaan om te kijken op welke manier er voor postbezorgers die bij deze bedrijven werken vervangend werk kan worden gevonden binnen PostNL of daarbuiten. Dit kan per persoon en per regio verschillen, onder andere omdat PostNL niet in alle regio’s evenveel vacatures open heeft staan. Ik steun de inzet van PostNL om ook postbezorgers van franchisenemers zo mogelijk aan werk te helpen en moedig PostNL en franchisenemers aan om deze gesprekken daadwerkelijk op korte termijn en op constructieve wijze te voeren in het belang van de mensen die bij deze franchiseorganisaties werken.
Zijn er nog meer franchisenemers van Sandd of PostNL waarbij ten gevolge van de fusie banen verloren dreigen te gaan? Zo ja, om hoeveel arbeidsplaatsen gaat het en wat kunt u doen om banenverlies te voorkomen?
Er zijn mij in totaal 9 franchisenemers van Sandd bekend. Dit zijn: FRL Post, Meren Post, Postnned, Meco Distributie, Herling Strijdhorst, Mail DMB, Post Service, Postedd, Reli Groep. Sandd heeft aangegeven dat er als gevolg van de overname door PostNL vanaf een moment in het eerste kwartaal van 2020 geen volume meer beschikbaar zal zijn voor de Sandd franchiseformule omdat het Sandd-netwerk wordt geïntegreerd in het netwerk van PostNL en daarmee ophoudt te bestaan. Sommige franchisenemers hebben aangegeven dat dit betekent dat het werk op het gebied van postbezorging bij hen stopt. Deze acties van franchisenemers zijn gedaan vooruitlopend op de uitkomst van het aanbod van PostNL om te bezien of postbezorgers vervangend werk kan worden geboden.
In een rapport opgesteld door Ecorys (dat bij de aanvraag voor een vergunning op basis van artikel 47 van de Mededingingswet is gevoegd) is onder meer aangegeven dat er in totaal circa 4000 mensen bij deze franchisenemers werkzaam zijn. Deze bedrijven verrichten ook andere werkzaamheden dan alleen postbezorging voor Sandd. Het aantal mensen dat zich bij deze bedrijven bezighoudt met postbezorging (al dan niet voor Sandd) ligt derhalve lager, maar het exacte aantal is mij niet precies bekend. In een eerder artikel in het Financiële Dagblad wordt door de Vereniging Francisnemers Sandd aangegeven dat bij deze bedrijven 3000 postbezorgers werken en 450 medewerkers in dienst zijn. Dit bevestigt het geschetste beeld ten tijde van de vergunningsaanvraag. Ik treed met de Vereniging Franchisenemers Sandd in contact om te bezien of zij nadere gegevens kan en wil verschaffen over de mensen die bij de franchisenemers werken.
Daarbij dient te worden aangetekend dat in de situatie waarin Sandd zelfstandig was blijven bestaan, het ook onzeker was of er voor mensen die bij deze franchisenemers werken (als werknemer of als zzp’er) een baan bij deze bedrijven zou zijn geweest, vanwege de voortdurende krimp van het postvolume. In het rapport van Ecorys is aangegeven dat Sandd verwachtte per 1 januari 2022 geen gebruik meer te maken van franchisenemers en dat het ook in dat scenario nog onzeker was of een positief bedrijfsresultaat kon worden behaald door Sandd.
Zoals aangegeven in het antwoord op vraag 4 vind ik het belangrijk om te bezien of er voor mensen die bij deze franchisenemers werken vervangend werk kan worden gevonden bij PostNL of daarbuiten. Daarom moedig ik partijen aan op korte termijn en op constructieve wijze het gesprek hierover met elkaar aan te gaan, in het belang van de mensen die deze franchiseorganisaties werken.
Het bericht dat het COA asielzoekers, die slachtoffer zijn van een zedendelict, afraadt aangifte te doen |
|
Jasper van Dijk (SP), Attje Kuiken (PvdA) |
|
Ankie Broekers-Knol (staatssecretaris justitie en veiligheid) (VVD) |
|
|
|
|
Kent u het bericht ««COA ontraadt aangifte na verkrachting», Staatssecretaris eist onderzoek naar verhaal Elya uit Dronten»?1
Ja.
Deelt u de mening dat het Centrum Opvang Asielzoekers (COA), asielzoekers die slachtoffer zijn van een ernstig misdrijf zoals aanranding of verkrachting, niet moet ontraden daarvan aangifte te doen maar die slachtoffers juist zou moeten helpen bij het doen van aangifte? Zo ja, kunt u dit aan het COA laten weten? Zo nee, waarom niet?
Ik deel de mening dat het van belang is dat asielzoekers die slachtoffer zijn van een ernstig misdrijf gestimuleerd worden tot het doen van aangifte en dat zij daarbij gesteund en begeleid worden. Het COA stimuleert bewoners om aangifte te doen en biedt waar nodig ondersteuning. Ook in de onderhavige zaak hebben COA medewerkers de bewoner geadviseerd om aangifte te doen en is er voorts geregeld navraag gedaan naar het doen van aangifte. COA-medewerkers zijn verplicht van incidenten waarbij sprake is van geweld, bedreigingen of andere vermoedelijk strafbare feiten een melding te doen bij de politie. Een COA-medewerker kan ook aangifte doen wanneer hij/zij getuige is van een incident. Dit maatregelenbeleid is schriftelijk vastgelegd en alle medewerkers van het COA zijn erover geïnformeerd. Tijdens de verplichte trainingen over incidenten en maatregelen wordt hier voorts aandacht aan besteed. Het COA handelt derhalve al volgens de door uw Kamer gevraagde werkwijze.
Beschikt u over meer signalen dan de in het bericht genoemde, dat homoseksuele slachtoffers van een zedendelict door het COA geadviseerd zouden worden daarvan geen aangifte te doen? Zo ja, waaruit bestaan die signalen? Zo nee, gaat het door u aan het COA opgelegde intern onderzoek ook na hoe vaak homoseksuele asielzoekers slachtoffer worden en in welke gevallen er geadviseerd wordt geen aangifte te doen?
Nee, ik beschik niet over andere signalen dat aan homoseksuele slachtoffers van een zedendelict geadviseerd zou worden om geen aangifte te doen. Er is overigens, anders dan in de media vermeld staat, geen sprake van een aan het COA opgelegd intern onderzoek. Het COA heeft wel op mijn verzoek de feiten op een rij gezet.
Hoe vaak doen homoseksuele asielzoekers die in de opvang slachtoffer zijn geworden van een zedendelict daar wel aangifte van? Beschikt u over gegevens over de aard en de omvang van deze problematiek? Zo ja, wat zijn die gegevens? Zo nee, wilt u dit laten onderzoeken?
De politie heeft hierover geen centraal geregistreerde cijfers beschikbaar. Deze vraag zou enkel te beantwoorden zijn door een arbeidsintensieve combinatie van registraties waarbij dossiers één voor één moeten worden doorgelezen om te kunnen vaststellen of het slachtoffer homoseksueel en/of asielzoeker is. Het COA registreert niet of een slachtoffer lhbti is.
In hoeverre is een intern onderzoek door het COA naar haar eigen medewerkers onafhankelijk genoeg om betrouwbare onderzoeksresultaten mee te bereiken? Overweegt u een onafhankelijk onderzoek door een derde? Zo nee, waarom niet en acht u een dergelijk onderzoek na afronding van het intern onderzoek wel mogelijk?
Er is geen sprake van een intern onderzoek. Gezien de antwoorden op de vragen 2 en 3 acht ik dit ook niet nodig, evenmin als een onafhankelijk onderzoek door een derde.
Wat moet er gebeuren om homoseksuele asielzoekers die in een asielzoekerscentrum zitten beter te beschermen? Hoe gaat u hier voor zorgen?
Het COA heeft aandacht voor de kwetsbare positie van lhbti’s in de opvang. Er zijn diverse maatregelen om daders te straffen en slachtoffers te beschermen. Het COA geeft voorts actief voorlichting aan bewoners dat discriminatie niet is toegestaan en treedt altijd op tegen discriminatie.
Een rapport over mensenrechtenschendingen in het noorden van Syrië |
|
Sadet Karabulut (SP), Raymond de Roon (PVV), Sjoerd Sjoerdsma (D66), Joël Voordewind (CU), Martijn van Helvert (CDA) |
|
Stef Blok (minister buitenlandse zaken) (VVD) |
|
|
|
|
Kent u het rapport «Syria: Civilians Abused in «Safe Zones»» van Human Rights Watch?1
Ja
Wat is uw reactie op de bevindingen in het rapport dat de door Turkije gesteunde Syrian National Army zich in het noorden van Syrië schuldig maakt aan mensenrechtenschendingen en oorlogsmisdaden, waaronder executies, plunderingen en het tegenhouden van vluchtelingen?
Alle berichten over mensenrechtenschendingen en oorlogsmisdaden zijn zeer zorgelijk, dus ook deze laatste over Noord-Syrië. Er mag wat Nederland betreft geen straffeloosheid bestaan en daarom ondersteunt het kabinet ook meerdere initiatieven die dat bestrijden. Zo steunt Nederland bijvoorbeeld organisaties die gespecialiseerd zijn in het vergaren van bewijsmateriaal en het International Impartial Independent Mechanism(IIIM).
Deelt u de analyse dat Turkije hier een verantwoordelijkheid heeft, namelijk dat het deze schendingen moet onderzoeken, schuldigen moet straffen en ervoor moet zorgen dat het stopt?
Er mag wat Nederland betreft geen straffeloosheid bestaan en daarom ondersteunt het kabinet ook meerdere initiatieven die dat bestrijden. Zo steunt Nederland bijvoorbeeld organisaties die gespecialiseerd zijn in het vergaren van bewijsmateriaal en het International Impartial Independent Mechanism(IIIM). Turkije heeft wat betreft het kabinet een duidelijke verantwoordelijkheid om maatregelen te nemen om schendingen van mensenrechten en het humanitair oorlogsrecht te stoppen, en meldingen daarover te onderzoeken. Nederland roept Turkije hier ook voortdurend toe op, ook in bilaterale contacten op politiek niveau. De Turkse Minister van Buitenlandse Zaken Çavuşoğlu zegde publiekelijk toe dat Turkije meldingen van mensenrechtenschendingen zal onderzoeken.
Deelt u de analyse dat Turkije bevindingen zoals beschreven in het rapport van Human Rights Watchniet serieus neemt? Zo nee, waaruit blijkt dan het tegendeel?
Zie antwoord vraag 3.
Hoe dringt u er bij Turkije op aan dat mensenrechtenschendingen en oorlogsmisdaden in het noorden van Syrië worden beëindigd en vluchtelingen veilig terug kunnen keren? Welke gevolgen bepleit u als Turkije dit niet doet?
Zie antwoord vraag 3.
Kunt u aangeven of en in welke mate de Syrian National Army bestaat uit (strijders van) groepen die eerder van Nederland zogenaamde niet-letale steun ontvingen? Wat vindt u hiervan?
In verband met herleidbaarheid naar de namen van de gematigde gewapende groepen die voorheen door Nederland gesteund zijn kan hier in het openbaar niet op in worden gegaan. Uw Kamer is hier vertrouwelijk over geïnformeerd.
Van hoeveel strijders, strijdgroepen en/of rebellengroepen die door Nederland voorzien zijn van niet-letale steun is bekend dat zij meestrijden met Turkije?
Zie antwoord vraag 6.
Wanneer heeft u voor het laatst contact gehad met strijders, strijdgroepen en/of rebellengroepen die niet-letale steun hebben ontvangen?
Als onderdeel van het onderzoek naar de betrokkenheid van eerder door Nederland gesteunde gematigde gewapende groepen bij deze militaire operatie is op 7 december voor het laatst contact gehad met een van deze strijdgroepen.
In hoeverre acht u het problematisch dat met Nederlandse steunmaterialen gevochten wordt tegen de Syrische Koerden, een NAVO-bondgenoot?
De Syrische Koerden als bevolkingsgroep kennen vele verschillende partijen en groeperingen, waaronder het aan de PKK gelieerde PYD, maar ook bijvoorbeeld de Kurdish National Council. Geen van deze groepen kan echter aangemerkt worden als NAVO-bondgenoot.
Ten aanzien van operatie Peace Spring kan gesteld worden dat er geen indicatie is gevonden dat door Nederland geleverde goederen zijn ingezet in de strijd. Tegelijkertijd kan het kabinet ook niet uitsluiten dat dat wel is gebeurd. In het algemeen kan worden gesteld dat de door Nederland geleverde goederen aan gebruik onderhevig waren. In eerdere beantwoording van Kamervragen is aangegeven dat goederen als voedselpakketten en medicijnen al grotendeels geconsumeerd zijn en de gemiddelde levensduur van een geleverd voertuig in de Syrische context naar schatting zes tot acht maanden was (kamerstuk 32623–229). Maar het is ook mogelijk dat sommige (onderdelen van) voertuigen die Nederland leverde wel zijn ingezet (zie ook Kamerbrief onderzoek betrokkenheid NLA-groepen bij operatie Peace Spring d.d. 17 december).
Het bericht 'EU diplomat ordered to leave Malawi after protesting police rape allegations’ |
|
Lilianne Ploumen (PvdA) |
|
Stef Blok (minister buitenlandse zaken) (VVD) |
|
|
|
|
Heeft u kennis genomen van het bericht »EU diplomat ordered to leave Malawi after protesting police rape allegations» d.d. 2 december jl.?1
Ja.
Heeft u in bilateraal of EU-verband contact opgenomen of laten nemen met de Malawiaanse overheid over de grond voor de uitzetting van de EU-ambassadeur? En zo ja, wat was de reactie? En zo nee, waarom niet?
Navraag bij de Europese Dienst voor Extern Optreden (EDEO) leert dat de berichten in de pers onjuist zijn, en dat er geen sprake is van een uitzetting.
Heeft u contact opgenomen met uw Europese collega’s over deze uitzetting en de mogelijke gevolgen? En zo ja, wat is het resultaat? En zo nee, waarom niet?
Zie antwoord vraag 2.
Heeft u in reactie op dit bericht namens Nederland uw afkeuring over de uitzetting van de EU-ambassadeur uitgesproken of heeft u zich in EU-verband ingezet om een gezamenlijke afkeuring uit te spreken? Zo nee, waarom niet? Bent u bereid dit alsnog te doen?
Zie antwoord vraag 2.
Heeft u contact opgenomen met uw Malawiaanse ambtsgenoot om de zorgen over het geweld tegen vrouwen door de politie over te brengen? En zo nee, waarom niet?
De berichtgeving over meldingen van aanrandingen en verkrachtingen door de Malawiaanse politie na afloop van de verkiezingen is zeer verontrustend. De Nederlandse ambassade in Harare (Zimbabwe) volgt de ontwikkelingen in Malawi op afstand. De bilaterale betrekkingen zijn beperkt, en Nederland heeft geen ambassade in Malawi. Mede daarom is de EU voor Nederland een belangrijk kanaal in de relatie met Malawi.
De EU-delegatie volgt de ontwikkelingen met betrekking tot vrijheid van meningsuiting en geweld tegen vrouwen in Malawi op de voet, en onderhoudt daartoe contacten met relevante actoren, zoals vrouwenorganisaties. De EU voert, in samenwerking met de VN en Malawi, specifieke programma’s uit gericht op het bestrijden van geweld tegen vrouwen. De EU-ambassadeur heeft daarnaast het geweld tegen vrouwen publiekelijk veroordeeld en opgeroepen tot een onderzoek. Het geweld tegen vrouwen, en het optreden van de Malawiaanse politie bij demonstraties in bredere zin, zijn expliciet besproken tijdens de laatste formele politieke dialoog met de Malawiaanse regering in november 2019.
Nederland zal de dialoog tussen de EU en Malawi met aandacht blijven volgen, en de EU vragen het geweld tegen vrouwen en de vrijheid van meningsuiting in de politieke dialoog op te blijven brengen. Deze thema’s zullen ook aan bod komen bij een eerstvolgend bezoek vanuit de Nederlandse ambassade in Harare aan Malawi.
Heeft u in bilateraal of EU-verband contact opgenomen of laten nemen met de Malawiaanse overheid om te wijzen op het recht van demonstratie en de vrijheid van meningsuiting? En zo nee, waarom niet?
Zie antwoord vraag 5.
Bent u geïnformeerd over de klacht van de Malawiaanse regering bij de EU over de deelname van de EU-ambassadeur aan een demonstratie? En zo ja, is er een reactie geweest van de EU op deze klacht? En zo nee, waarom niet?
Er is navraag gedaan bij de EDEO. Volgens de EDEO is er geen sprake van een officiële klacht.
Is er in EU-verband overleg geweest met de Britse hoge commissaris voor Malawi over een gezamenlijke inzet op het onderzoek naar geweldsmisbruik van de Malawiaanse politie?
De EU-delegatie in Lilongwe voert nauw overleg met de Britse hoge commissaris, ook over mensenrechtenkwesties en over de noodzaak tot – en effectiviteit van -een eventuele gezamenlijke inzet.
Heeft u contact opgenomen of laten nemen met de Niet-Gouvernementele Organisatie (NGO) Gender Coördinatie netwerk over de meldingen die zij hebben verzameld en over het onderzoek dat nu door de Malawiaanse overheid is ingesteld? En zo nee, waarom niet? En zo ja, wat was hun reactie op de recent ingestelde commissie die nu onderzoek gaat doen naar de beschuldigingen?
Zie antwoord vraag 5.
Tekortschietende hulp in woonzorgcentrum Het Schild |
|
John Kerstens (PvdA) |
|
Hugo de Jonge (viceminister-president , minister volksgezondheid, welzijn en sport) (CDA) |
|
|
|
|
Heeft u kennisgenomen van het bericht «Zorgcentrum Het Schild in de problemen: kwaliteit schiet tekort»?1
Ja.
Wat brengt de Inspectie Gezondheidszorg en Jeugd (IGJ) tot de conclusie dat ze eraan twijfelt of het Het Schild «gaat lukken» om de noodzakelijke zorg te leveren? Welke aanwijzingen heeft de IGJ daarvoor?
Uit het inspectieonderzoek blijkt dat er nog steeds tekortkomingen zijn in de zorgverlening. De inspectie heeft in oktober 2019 kwaliteitsverbeteringen geconstateerd, maar het resultaat acht de inspectie nog niet voldoende en niet voldoende stabiel. De beperkte en wisselende verbeterresultaten zetten het vertrouwen van de inspectie onder druk. De inspectie heeft daarom geoordeeld dat het instellen van verscherpt toezicht noodzakelijk is geworden.
Waarom is klaarblijkelijk meer dan een jaar verstreken tussen het vorige onderzoek en het huidige? Is dat standaard in gevallen als hier aan de orde? Zou het gelet op de hierboven bedoelde twijfel van de IGJ niet voor de hand hebben gelegen eerder een heronderzoek te verrichten?
Het Schild stond in 2018 voor een grote verbeteropdracht over alle getoetste thema’s heen. De bewaking en het herstel van de kwaliteit is primair de taak en de verantwoordelijkheid van de zorgaanbieder. Het Schild kreeg een verbetertermijn van 9 maanden om aan de normen te voldoen. De inspectie voerde na deze verbetertermijn een hertoetsbezoek uit in oktober 2019.
Is nu in de ogen van de IGJ sprake van een laatste kans voor Het Schild om de zorg op orde te brengen?
De inspectie heeft verscherpt toezicht ingesteld om de situatie binnen Het Schild nauwlettend te kunnen volgen. Als de termijn van het verscherpt toezicht afloopt, zal de inspectie de stand van zaken binnen Het Schild nogmaals beoordelen en zo nodig aanvullende maatregelen treffen.
Vindt u het redelijk dat bewoners al minimaal een jaar zorg ontvangen die blijkbaar niet goed genoeg is?
Uiteraard moet het zorgaanbod in Het Schild voldoen aan geldende normen. Als dat niet het geval is, kunnen er immers risico’s voor de cliënten ontstaan. Mede hierom geldt nu een situatie van verscherpt toezicht.
Welke alternatieven zijn er voor de tot een zeer specifieke doelgroep behorende bewoners als Het Schild gesloten zou moeten worden? Hoe kunt u verzekeren dat de continuïteit van zorg wordt gewaarborgd?
Van iedere zorgaanbieder wordt verwacht dat deze zorg biedt die passend is bij de cliëntgroep. De inspectie betrekt de continuïteit van zorg bij haar toezicht en bij door haar te nemen maatregelen.
Bent u bereid Het Schild in aanmerking te laten komen voor extra vrijgemaakte verpleeghuismiddelen om de gewenste en noodzakelijke omslag te maken? Zo nee, waarom niet en welke andere maatregelen gaat u dan treffen om de zorg voor deze kwetsbare ouderen te waarborgen?
Ik heb naar aanleiding van de problematiek bij Het Schild contact opgenomen met het zorgkantoor. Het zorgkantoor is in gesprek met Het Schild om te bezien welke maatregelen er nodig zijn om de bedrijfsvoering en de kwaliteit van zorg op orde te krijgen, zodat wordt voldaan aan de vereisten van de IGJ en de continuïteit van zorg voor deze kwetsbare ouderen kan worden geborgd. Het zorgkantoor kijkt daarbij ook naar de mogelijkheden voor ondersteuning vanuit het kwaliteitsbudget verpleeghuiszorg. Voorts ontvangt Het Schild inmiddels vanuit het programma «Waardigheid en trots op locatie» ondersteuning op het gebied van bedrijfsvoering en zorg.
Het bericht ‘Vliegers Lelystad slaan alarm’ |
|
Suzanne Kröger (GL), Jan Paternotte (D66), Eppo Bruins (CU) |
|
Cora van Nieuwenhuizen (minister infrastructuur en waterstaat) (VVD) |
|
|
|
|
Kent u het bericht «Vliegers Lelystad slaan alarm»?1
Ja.
Klopt het dat er op Lelystad Airport driehonderd banen op de tocht staan?
Nee, dat klopt niet. Tijdens het Alderstraject is veel aandacht besteed aan de toekomst van General Aviation (GA) verkeer op Lelystad Airport. Geconstateerd werd dat dat in de beginjaren goed samen kan gaan met de geleidelijke komst van handelsverkeer en in veel latere jaren het GA verkeer zal moeten afnemen. Recentelijk onderzoek van Luchtverkeersleiding Nederland en de luchthaven heeft dit herbevestigd, hetgeen aan de luchthavengebruikers gecommuniceerd is vanaf 16 mei jl. Op 28 oktober 2019 heb ik u als reactie op vragen hierover daarom aangegeven dat in de situatie tot 10.000 vliegtuigbewegingen handelsverkeer, de capaciteit toereikend is voor de huidige vraag naar GA bewegingen. Het gecontroleerd zijn van de luchthaven en de internationale veiligheidsregels die daarbij horen leiden wel tot een maximum aantal bewegingen per uur. Dat betekent dat op de drukste momenten de vraag het aanbod (capaciteit) kan overstijgen. Hiertoe is spreiding over de dag nodig en ontwikkelt de luchthaven een planningstool. Er vindt thans in onderling overleg afstemming plaats om tot een evenwichtige balans te komen. Zie verder het antwoord op vraag 4.
Voor de situatie ná 10.000 bewegingen handelsverkeer wordt door de luchthaven in samenwerking met LVNL onderzocht welke aantallen GA bewegingen ook op deze langere termijn kunnen worden geaccommodeerd. Hier zal de GA sector bij betrokken worden. Er zal in ieder geval ruimte blijven voor GA. Het onderzoek kan gebruik maken van de ervaringen die tijdens de inregelperiode worden opgedaan.
Klopt het dat vliegscholen, onderhouds- en andere luchtvaartbedrijven worden gedwongen de helft van hun vluchten te schrappen?
Zie antwoord vraag 2.
Zijn de banen die verloren gaan als gevolg van de uitbreiding van Lelystad Airport naar groot commercieel luchtverkeer meegenomen in de MKBA Lelystad Airport? Zo ja, hoe is dit geschat en wat is het aantal? Zo nee, waarom niet?
Van de halvering van het aantal vliegtuigbewegingen of 300 banen die op de tocht zouden staan is geen sprake. Er is ten tijde van het opstellen van de MKBA2 op basis van onder andere de werkgelegenheidsstudie van bureau Stratagem3 geconcludeerd dat als er al sprake zou zijn van verplaatsing van GA bedrijfsactiviteiten, dat tot een maximaal verlies aan 30 arbeidsplaatsen op de luchthaven zou leiden. Dit valt binnen de onzekerheidsmarges van de werkgelegenheidsschatting als gevolg van de toename van het handelsverkeer. Hierbij is het belangrijk te vermelden dat de MKBA is uitgevoerd vanuit nationaal perspectief. Dit betekent dat verschuivingseffecten tussen regio’s niet meetellen in het MKBA-saldo. Indien opening van Lelystad Airport voor handelsverkeer op termijn zou leiden tot verplaatsing van GA bedrijfsactiviteiten naar andere luchthavens in Nederland, dan betekent dit dat ook een verschuiving van werkgelegenheid binnen regio’s in Nederland, en geen verlies van werkgelegenheid. Om die reden komt dit niet tot uitdrukking in het MKBA-saldo.
In de MKBA is beschreven dat de directe luchthavengerelateerde werkgelegenheid bij een scenario van 45.000 vliegtuigbewegingen circa 4.000 arbeidsplaatsen in totaal voor Nederland is, waarvan ongeveer de helft op Lelystad Airport. Dit is exclusief indirecte werkgelegenheid bij toeleveranciers. Ik vind dit een belangrijk economisch effect voor de regio Lelystad. In totaal voor Nederland (dus ook buiten Flevoland) wordt het werkgelegenheidseffect geschat op circa 10.000 arbeidsplaatsen (luchthavengerelateerd plus indirect bij toeleveranciers).
Hoeveel banen komen er volgens de MKBA naar schatting bij als gevolg van de uitbreiding van Lelystad Airport? En hoe verhoudt dat aantal zich tot de banen die dreigen verloren te gaan?
Zie antwoord vraag 4.
Wanneer de banen die verloren dreigen te gaan als gevolg van de uitbreiding van Lelystad Airport worden meegenomen in de MKBA, valt de MKBA dan nog positief uit?
Zie antwoord vraag 4.
Alle plussen en minnen tegen elkaar wegstrepend en verdringing meegerekend, hoeveel extra directe arbeidsplaatsen zal Lelystad Airport naar verwachting gaan opleveren binnen de gemeente Lelystad? Kunt u deze berekening post voor post toelichten?
De werkgelegenheidsstudie van Stratagem die is opgesteld gaat uit van een direct werkgelegenheidseffect van 2.500 banen op Lelystad Airport. Er is in de MKBA geen werkgelegenheidsanalyse uitgevoerd op gemeenteniveau. In de MKBA is de directe luchthavengerelateerde werkgelegenheid op het luchthavenareaal Lelystad Airport geschat op circa 2.000, exclusief indirecte werkgelegenheid bij toeleveranciers. Dit is werkgelegenheid die gecreëerd wordt op de luchthaven als deze 45.000 vluchten handelsverkeer afhandelt. Er wordt hierbij in de MKBA toegelicht dat deze werkgelegenheid niet geheel als additionele werkgelegenheid gezien wordt, door de werking van de arbeidsmarkt waarop verschuivingen plaatsvinden. Hiermee is rekening gehouden in het bepalen van het MKBA-saldo.
Het bericht ‘DSW wil fusie Reinier de Graaf en Haga terugdraaien’ |
|
Henk van Gerven (SP) |
|
Bruno Bruins (minister volksgezondheid, welzijn en sport) (VVD) |
|
|
|
|
Wat is uw reactie op het bericht «DSW wil fusie Reinier de Graaf en Haga terugdraaien»?1
Allereerst vind ik het goed dat de zorgverzekeraar zich bekommert over het reilen en zeilen bij deze belangrijke zorgaanbieder en de dialoog aangaat met het ziekenhuisbestuur. De zorgverzekeraar heeft immers in het kader van zorginkoop en zorgplicht een belangrijke rol om te zorgen voor goede, betaalbare en toegankelijke zorg. De zorg in de regio is naar mijn mening gebaat bij goede samenwerking tussen ziekenhuizen. De meest vergaande vorm van samenwerking is een fusie, maar ook minder vergaande samenwerkingsvormen zijn mogelijk. Ik kan niet beoordelen of een ontvlechting of juist een juridische fusie een grotere bijdrage zou leveren aan goede zorg. Ik acht het hierbij wel van belang dat een besluit tot een juridische fusie zorgvuldig wordt voorbereid, en op voldoende draagvlak kan rekenen van de verschillende stakeholders, waaronder zorgverzekeraars en de medische staf.
Bent u met DSW van mening dat de drie ziekenhuizen weer zelfstandig moeten worden? Zo nee, waarom niet?
Zie antwoord vraag 1.
Deelt u de mening van DSW dat de fusie tussen de ziekenhuizen tot nu toe (ook zorginhoudelijk) niets heeft opgeleverd?
Zie antwoord vraag 1.
Vindt u een dergelijke fusie tussen de ziekenhuizen nog nodig, nu de Autoriteit Consument en Markt (ACM) recentelijk de regelgeving zo heeft geduid dat samenwerking tussen ziekenhuizen mogelijk is zonder te fuseren?
De ACM geeft al geruime tijd voorlichting over de mogelijkheden om samen te werken en de wijze waarop zij het toezicht op dergelijke samenwerkingen invult. De beleidsregel Juiste Zorg op de Juiste Plek is hier het meest recente voorbeeld van. De ACM levert hiermee een belangrijke bijdrage aan verdere bewustwording over de mogelijkheden tot samenwerking. Aangezien fusies doorgaans intensieve trajecten zijn die blijvende gevolgen hebben, ben ik er in principe voorstander van om te bekijken of dezelfde voordelen voor de zorg ook bereikt kunnen worden met minder vergaande vormen van samenwerking. Dit neemt niet weg dat fusies tussen zorgaanbieders in het veranderende zorglandschap in de toekomst nuttig of zelfs nodig kunnen zijn.
Wat is uw oordeel over het feit dat een zorgverzekeraar zich zo uitdrukkelijk mengt in een fusievoornemen tussen ziekenhuizen? Wat was het standpunt van zorgverzekeraar DSW toen 6 á 7 jaar geleden werd gestart met het fuseringsproces? Is dit standpunt veranderd? Zo ja, waarom?
Zoals reeds gesteld in het antwoord op vraag 1, 2 en 3, denk ik dat het goed is dat een zorgverzekeraar een visie heeft op de inrichting van de zorg in een bepaalde regio en hierover de dialoog zoekt met de betreffende zorgaanbieders. DSW heeft eerder twijfels geuit over de nut en noodzaak van de fusie. DSW heeft bij de aanvankelijke fusie tussen het HagaZiekenhuis en het Reinier de Graaf aangegeven weliswaar geen nadelen te zien bij de fusie, maar ook getwijfeld aan de noodzaak van een fusie om voordelen te behalen.2 Bij de toetreding van het LangeLand ziekenhuis tot de groep heeft DSW bij de ACM aangegeven dat de aanvankelijke fusie tot prijsstijgingen heeft geleid en het vermoeden uitgesproken dat ook deze concentratie zou leiden tot hogere prijzen bij het LangeLand ziekenhuis en dat de prikkel tot het leveren van betere en/of goedkopere diensten verdwijnt.3
Deelt u de mening van DSW dat deze voorgenomen fusie alleen maar leidt tot «problemen, gedoe en spanningen» en dat «die problemen en spanningen ten koste kunnen gaan van de patiëntenzorg»? Zo ja, wat gaat u ondernemen om deze problemen te voorkomen? Zo nee, waarom deelt u die mening niet?
De drie ziekenhuizen zijn al enkele jaren bestuurlijk gefuseerd. De Reinier Haga Groep heeft desgevraagd aangegeven begin 2019 een onderzoek te zijn gestart naar de voor- en nadelen van juridische fusie. Gedurende dit proces heeft de medische staf van Reinier de Graaf in Delft het vertrouwen in de raad van toezicht van de Reinier Haga Groep opgezegd. De raad van bestuur heeft inmiddels met de raad van toezicht geconcludeerd dat er geen vruchtbare bodem is voor het voortzetten van een dergelijk onderzoek naar een juridische fusie. Deze juridische fusie komt er dus niet. Hoewel dit aangeeft dat de verkenning tot spanningen leidt, zou een dergelijke verkenning mijns inziens nooit mogen leiden tot een achteruitgang van de patiëntenzorg.
Kan DSW in principe een dergelijke (juridische) fusie tegenhouden? Zo ja, wat betekent dat voor de betrokken ziekenhuizen?
Een verzekeraar heeft geen directe zeggenschap over de Reinier Haga Groep en kan een dergelijke fusie formeel dan ook niet tegenhouden. Dit neemt echter niet weg dat een zorgverzekeraar een zeer belangrijke stakeholder en onderhandelingspartner is van de ziekenhuisgroep. Zoals reeds toegelicht acht ik het van belang dat dergelijke stakeholders goed en tijdig betrokken worden in een voornemen tot fuseren.
Wat is uw reactie op het feit dat specialisten hebben aangegeven tegen een tweede stap in de fusie (de juridische fusie) te zijn? Begrijpt u dat de medische staf het vertrouwen in de raad van toezicht heeft opgezegd? Vindt u dat er geluisterd moet worden naar de mening van de medische staf? Zo nee, waarom niet?
Het opzeggen van vertrouwen in de raad van toezicht is een fors signaal. Ik vind dat goed geluisterd moet worden naar de mening van stakeholders, niet in de laatste plaats die van de medische staf. Dat is nu ook gebeurd, doordat de raad van bestuur van de Reinier Haga Groep heeft besloten het vervolgonderzoek naar de juridische fusie niet voort te zetten.
Wat zijn de gevolgen als een volledige fusie tussen het Reinier de Graaf ziekenhuis, het Hagaziekenhuis en het Langelandziekenhuis toch doorgaat? Wat zijn de gevolgen van het terugdraaien van de reeds in gang gezette fusie? Wat zijn de gevolgen van het terugdraaien van de in gang gezette fusie specifiek voor het LangeLand Ziekenhuis? Zijn deze gevolgen wenselijk?
De Reinier Haga Groep geeft desgevraagd aan, dat in juridische zin de stap van een bestuurlijk fusie naar een juridische fusie zou betekenen dat de huidige vier stichtingen (LangeLand ziekenhuis, Reinier de Graaf ziekenhuis, HagaZiekenhuis en Reinier Haga Groep) opgaan in één stichting: RHG. Dit zou ook betekenen dat er één begroting en één jaarrekening komt. Ook zou bij een juridische fusie sprake zijn van één werkgeverschap waarbij de werknemers in dienst komen van de stichting RHG. Het onderzoek naar de precieze gevolgen op medisch, financieel en organisatorisch is niet afgerond. De gevolgen van het opheffen van de bestuurlijke fusie zijn niet onderzocht. Bij een eventuele ontvlechting zouden in ieder geval sluitende afspraken moeten worden gemaakt over de gezamenlijke projecten in het algemeen en het LangeLand ziekenhuis en het Orthopedisch Centrum in het bijzonder. Hierbij spelen ook bestaande financiële verplichtingen een rol.
Wanneer wordt een definitief besluit met betrekking tot de fusering tussen de drie ziekenhuizen verwacht?
De Reinier Haga Groep is het onderzoek gestopt naar de voor- en nadelen van een juridische fusie. De raad van bestuur heeft geconstateerd dat van een vruchtbaar onderzoek geen sprake meer kan zijn. De raad van bestuur heeft mij laten weten zich nu te beraden op de vraag of en zo ja op welke terreinen en op welke wijze samenwerking verder moet worden vormgegeven. Een besluit tot een juridische fusie komt er dus niet.
Het bericht ‘Een extra kliko voor plastic: meer scheiden is niet beter’ |
|
Erik Ziengs (VVD) |
|
Stientje van Veldhoven (staatssecretaris infrastructuur en waterstaat, minister zonder portefeuille infrastructuur en waterstaat) (D66) |
|
|
|
|
Bent u bekend met het bericht «Een extra kliko voor plastic: meer scheiden is niet beter»?1
Ja.
Herkent u het beeld dat uit dit artikel naar voren komt?
Ik herken een aantal zaken die in dit opiniestuk genoemd worden zoals de betrokkenheid van de burgers bij het scheiden van afval en dat het niet altijd makkelijk is om dit scheiden goed te doen. Daarnaast herken ik ook het beeld dat er werk gemaakt moet worden van kwaliteit van de afvalstromen en dat grondstoffen in de EU beter verwerkt moeten worden.
Bent u bekend met onderzoeken van onder andere Wageningen University & Research (WUR) die aangeven dat het daadwerkelijk zinnig hergebruik van huishoudelijke kunststof afval uit plastic verpakkingen, metalen verpakkingen en drinkpakken (PMD) blijft steken rond de 20 procent (bladzijde 60)?2 Bent u bekend met het voorstel «Raamovereenkomst Verpakkingen» zoals afgelopen vrijdag, 29 november 2019, aangenomen door de ledenvergadering van de Vereniging Nederlandse Gemeenten (VNG)? Is het ministerie partij bij dit nieuwe voorstel?
Ja, ik ben bekend met de onderzoeken van Wageningen University & Research (WUR).
Nederlands kunststof verpakkingsafval wordt op verschillende manieren ingezameld en gerecycled. De voorkomende routes zijn: bronscheiding van huishoudelijk verpakkingsafval, nascheiding van huishoudelijk verpakkingsafval, statiegeld en de inzameling van bedrijfsmatig verpakkingsafval. Volgens de WUR werd in 2014 25% van alle kunststofverpakkingen bij huishoudens gescheiden ingezameld. Daarvan werd 89% voor recycling aangeboden.3 Deze route zorgde daarmee in 2014 voor de recycling van 20 procentpunt van de totale hoeveelheid verpakkingen die op de markt kwam. In 2016 is dit aandeel volgens WUR gestegen naar 26 procentpunt. Deze stijging is volgens de WUR het gevolg van de brede PMD-inzameling.4 Samen met de andere inzamelroutes (nascheiding, statiegeld en bedrijfsafval) leidt dit opgeteld tot het totaalpercentage aan verpakkingen dat gerecycled wordt.
Wel wordt ook door de WUR geconstateerd dat in de periode 2014–2016 met de toegenomen PMD-inzameling ook de vervuiling in dit PMD is toegenomen. Dit zorgpunt wordt door de Raamovereenkomstpartijen (VNG, Stichting Afvalfonds Verpakkingen en Ministerie van Infrastructuur en Waterstaat) onderkend. De nieuwe afspraken hebben als doel dit op te lossen.
Is het ministerie betrokken geweest bij de ontwikkeling van dit voorstel? Zo nee, waarom niet? Zo ja, op welke wijze?
Ja, ik ben bekend met de afspraken die gemaakt zijn tussen het verpakkend bedrijfsleven en de VNG.
De juridische en beleidsmatige basis voor het verpakkingenbeleid is vastgelegd in het Besluit beheer verpakkingen 2014 (hierna: Besluit). Dit Besluit stelt producenten van verpakte producten er verantwoordelijk voor zorg te dragen voor de gescheiden inname of de inname en nascheiding van de door hen in Nederland in de handel gebrachte verpakkingen. Daarnaast dienen producenten ervoor te zorgen dat de in het Besluit gestelde doelstellingen t.a.v. recycling worden gehaald. Stichting Afvalfonds Verpakkingen voert als collectief namens producenten de verantwoordelijkheden uit het Besluit uit.
In december 2018 is naar aanleiding van de tussenevaluatie van de Raamovereenkomst Verpakkingen het platform ketenoptimalisatie (PKO) opgericht. Binnen het PKO is door de VNG en het Afvalfonds gewerkt aan de inrichting van het regiemodel voor de inzameling, sortering en recycling van PMD- verpakkingsafval. Met de afspraken die nu tussen de VNG en het verpakkend bedrijfsleven zijn gemaakt geven de producenten uitwerking aan de producentenverantwoordelijkheid die zij hebben. Het ministerie is op regelmatige basis geïnformeerd over de voortgang en de inhoud van de afspraken. Het ministerie is geen partij bij dit nieuwe voorstel.
Acht u het wenselijk dat gemeenten aan autonomie verliezen op de zeer zichtbare gemeentelijke taak van het inzamelen van afval?
Zie antwoord vraag 4.
Neemt de verwarring onder consumenten niet toe door ook niet-recyclebare verpakkingen bij het PMD te voegen? En wat is volgens u het hoofddoel van gescheiden inzameling bij de bron; de producentverantwoordelijkheid of circulariteit?
Gemeenten hebben een zorgplicht voor de inzameling van huishoudelijke afvalstoffen. Met deze afspraken verandert er niets aan de gemeentelijke autonomie bij het inzamelen van afval.
De producentenverantwoordelijkheid maakt producenten verantwoordelijk voor de inzameling en recycling van verpakkingen en producenten betalen hiervoor de kosten. In de Raamovereenkomst is tussen gemeenten, het bedrijfsleven en het Rijk afgesproken dat gemeenten de ketenregie voeren over het kunststofverpakkingsafval. Dit betekent dat gemeenten naast inzameling sinds 2015 ook verantwoordelijk waren voor het sorteren en recyclen van kunststofverpakkingsafval. Hiervoor ontvingen zijn een ketenvergoeding van het verpakkend bedrijfsleven.
Naar aanleiding van de tussenevaluatie van de Raamovereenkomst bleek dat de kunststofverpakkingsketen niet effectief en efficiënt georganiseerd was en dat dit ook te maken had met de rolverdeling in de keten en de betaalde vergoedingen. Ik heb uw Kamer over de uitkomsten van de tussenevaluatie geïnformeerd op 10 maart 2018 (Kamerstuk 28 694, nr. 135). De VNG heeft n.a.v. de tussenevaluatie een peiling gehouden onder haar leden en daaruit bleek dat ongeveer 50% van de gemeenten de integrale ketenregie van inzameling, sortering en recycling, niet meer kon of wilde uitvoeren. De uitkomsten van de peiling zijn medebepalend geweest voor de afspraken die nu gemaakt zijn.
In de nieuwe afspraken wordt gemeenten een mogelijkheid geboden hun taak te beperken tot inzameling. De sortering en recycling van kunststofverpakkingsafval valt dan onder de regie van de producenten, die dit samen met andere ketenspelers organiseert. Om recht te doen aan de afspraken van de Raamovereenkomst wordt tot het einde van de overeenkomst gemeenten wel de mogelijkheid geboden om de regie te houden als ze dat willen.
Op de buitengewone ALV van de VNG op 29 november jl. hebben gemeenten in zeer ruime meerderheid (98,1%) ingestemd met de nieuwe afspraken.
Klopt het dat naast de 30 procent van het PMD dat direct naar de verbrandingsoven gaat nog eens zo’n 38 procent van het PMD als «mix plastics» naar Duitsland wordt geëxporteerd? En dat dit als uitval wordt beschouwd, maar wel meegeteld wordt als gerecycled? En klopt het dat deze uitval met het nieuwe voorstel nog toe zal nemen?
Belangrijk uitgangspunt bij de nieuwe afspraken is geweest dat stoorstromen, zijnde (plastic) afval dat echt leidt tot een problemen bij de sortering of leidt tot slechte kwaliteit recycling, buiten de ingezamelde stroom worden gehouden. Naast dit uitgangpunt moeten consumenten bediend worden met een begrijpelijk en eenduidig inzamelsysteem. Daarmee wordt ook voorkomen dat de verantwoordelijkheid om goed- en slecht-recyclebare verpakkingen tot in detail van elkaar te onderscheiden, bij goedwillende consumenten wordt neergelegd.
Het hoofddoel van beleid is een circulaire verpakkingsketen. De gescheiden inzameling en de producentenverantwoordelijkheid zijn daarvoor instrumenten. Door het verpakkend bedrijfsleven verantwoordelijk te maken de verpakkingenstroom breed in te zamelen, ontstaat een stimulans om voor alle verpakkingen in te zetten op recycling en het op de markt brengen van niet-recyclebare verpakkingen te minimaliseren. Het verpakkend bedrijfsleven stuurt op beter recyclebare verpakkingen door tariefdifferentiatie toe te passen.
Kunt u toelichten waarom PMD uitgangpunt moet worden, gelet op de cijfers genoemd bij vraag 8? Waar zit de milieuwinst, gelet op gepresenteerde analyse in bovengenoemd bericht?
Al het ingezamelde PMD wordt naar de sorteerders gebracht. Zoals aangegeven in het antwoord op vraag 6 wordt circa 89% van het ingezameld plastic gerecycled. De overige 11% betreft vocht en vuil en niet recyclebaar sorteerresidu. De recycling vindt plaats in Nederland en in omringende EU-lidstaten.
Een deel van de recyclebare stroom, de zogenoemde mix-fractie, vindt zijn toepassing in diverse, vaak volumineuze objecten als pallets, verkeersbordvoetjes, wegbaanscheidingselementen, geluidswallen, tuin-palissades, etc. Hierbij wordt tropisch hardhout en/of cement vervangen. Verder hebben deze objecten levensduren die vaak de 40 jaar overschrijden, zonder behoefte aan onderhoud. Deze toepassing heeft daarom doorgaans een positief milieueffect en voldoet aan de geldende definitie van recycling. Ik zie geen reden deze stromen als verloren te beschouwen.
Wel hebben de nieuwe afspraken mede als doel te sturen op betere kwaliteit van recycling. o.a. door betere sortering mogelijk te maken waardoor de hoeveelheid mixed-plastic daalt en er meer mono-stromen (PE, PP en PET) overblijven.
Was het rapport Berenschot «Routekaart materiaalverduurzaming kunststof verpakking» van juli 20183, waarin onder andere wordt verwezen naar toenemende kosten voor inzamelen en sorteren alsmede afnemende kwaliteit door de invoering van PMD, bij u bekend op het moment dat een positief advies uitgebracht werd over het VNG-voorstel «Raamovereenkomst Verpakkingen» waarin PMD als uitgangspunt wordt voorgesteld?
Zoals in dit opiniestuk ook wordt aangehaald bestaat er bij de burger soms verwarring over welke verpakking in welke bak hoort. Ik streef ernaar dat afvalscheiding voor de burger eenvoudig en begrijpelijk wordt. In ongeveer 80% van de gemeenten met bronscheiding wordt verpakkingsafval nu via PMD ingezameld en dit heeft geleid tot een forse toename van de hoeveelheid ingezameld verpakkingsafval. Gemeenten hebben hier zelf voor gekozen. Bij het opstellen van de nieuwe afspraken was het ook de inzet van de gemeenten om PMD als uitgangpunt te nemen. Nu PMD-inzameling de standaard is, ontstaat eenduidigheid en hoeven consumenten ook niet uitgebreid geïnstrueerd te worden. Alle verpakkingen horen dan in de PMD-bak/zak. De enige uitzonderingen hierop zijn glas en oud-papier, stromen waarvan de consument al decennia gewend is ze te scheiden.
Bent u bekend met de analyse in dit rapport dat de doelstelling van het programma Van Afval Naar Grondstof (VANG) in combinatie met hogere tarieven voor de restfractie leidt tot «afwijkend gedrag» (blz. 30) waarbij meer restafval in PMD terechtkomt?
Ja, ik ben bekend met het rapport.
Bent u bekend met het rapport «Verbeteropties voor de recycling van kunststof verpakkingen» van de WUR waarin gesteld wordt dat de industrie een negatieve prikkel zal ondervinden bij inspanningen om sortering te verbeteren met het oog op circulariteit? Zo ja, waarom toont u zich alsnog voorstander van de overheveling van de regie van gemeenten naar de industrie, gelet op deze negatieve prikkel?
Zoals in mijn Kamerbrief van 9 oktober 2019 betreffende de voortgang van diverse initiatieven circulaire economie (Kamerstuk 32 852, nr. 96) gemeld, is mijn inzet voor huishoudelijk afval erop gericht om naast het verhogen van de afvalscheiding en het verminderen van de hoeveelheid restafval, de kwaliteit van de deelstromen verder te verbeteren.
PMD wordt op kosten van de producenten ingezameld en daarmee is de inzameling voor gemeenten en burger in principe gratis. Indien gemeenten de hoeveelheid restafval proberen af te remmen voor burgers kan dit een prikkel zijn om restafval bij het PMD te stoppen. Onderzoek van het Learning Centre Kunststof Verpakkingen6 heeft naar voren gebracht dat vervuiling in het PMD niet het gevolg is van de keuze voor PMD, maar het gevolg van de andere karakteristieken van het afvalinzamelsysteem: zoals de inzamelfrequentie, de hoogte van tarieven voor restafval of het al dan niet toepassen van omgekeerd inzamelen.
De nieuwe afspraken scheppen dan ook duidelijkheid tussen gemeenten en de overige ketenspelers over de toegestane vervuiling in het PMD. Indien een gemeente er niet in slaagt PMD volgens de afgesproken kwaliteit in te zamelen, is het aan deze gemeente ervoor te zorgen dat deze kwaliteit verbetert. Ook wordt door de Raamovereenkomstpartijen voor PMD ingezet op eenduidige inzameling en communicatie richting de consument.
De collectieve zorgverzekering van Zilveren Kruis met Milli Görüs |
|
Hayke Veldman (VVD), Bente Becker (VVD) |
|
Bruno Bruins (minister volksgezondheid, welzijn en sport) (VVD), Wouter Koolmees (minister sociale zaken en werkgelegenheid, viceminister-president ) (D66) |
|
|
|
|
Bent u bekend met de collectieve zorgverzekering die Zilveren Kruis aanbiedt samen met de stichting Milli Görüs?
Ja.
Is het waar dat Milli Gorus een moskeeorganisatie is waarvan banden met de AK-partij van president Erdogan zeer waarschijnlijk zijn?
De Milli Görüs beweging vindt haar oorsprong in Turkije. In Nederland is Milli Görüs actief onder de naam Nederlandse Islamitische Federatie (NIF). In 2017 heeft RadarAdvies in opdracht van het Ministerie van Sociale Zaken en Werkgelegenheid als uitvoering van de motie Karabulut/Potters praktijkonderzoek gedaan naar Turkse organisaties en stromingen in Nederland (TRSO’s).
Het Radaronderzoek uit 2017 liet geen direct bewijs zien van buitenlandse aansturing vanuit de Turkse overheid op het handelen van de TRSO’s. Dit betekent overigens niet dat er geen banden zijn tussen Milli Görus en de AK-partij, maar dat op basis van dit onderzoek niet zichtbaar wordt dat dit daadwerkelijk effect heeft op de betrokken organisatie.
Is het waar dat Milli Gorus een actieve rol speelt in de diasporapolitiek van de Turkse regering in Nederland, onder andere door studiereizen naar Turkije te organiseren en een eigen imamopleiding in Nederland te financieren, en nu dus ook een eigen collectieve zorgverzekering?
Het staat maatschappelijke en religieuze organisaties vrij om buitenlandse reizen te organiseren. Hierop wordt door de overheid geen toezicht gehouden, dit zou schuren met de terughoudendheid die de overheid betracht als het om de vrijheid van godsdienst gaat.
Naar aanleiding van de schriftelijke vragen van Kamerleden Becker (VVD) op 20 augustus 2018 en Jasper van Dijk (SP) op 21 augustus 2018 heeft een gesprek plaatsgevonden met Milli Görüs.1 Milli Görüs heeft aangegeven van 2014 tot 2016 reizen te hebben georganiseerd voor jongeren van 16 tot 22 jaar naar Turkije. Inmiddels vinden deze studiereizen voor zover bekend niet meer plaats.
Milli Görüs Noord is de initiatiefnemer van de islamitische theologische faculteit Amsterdam (IUA). Dit betreft een privaat opleidingsinitiatief. Dit initiatief maakt geen onderdeel uit van het bestel van erkend hoger onderwijs en ontvangt daarmee geen bekostiging vanuit het Ministerie van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap.
Het kabinet beschikt niet over informatie die aantoont dat er in deze gevallen sprake is van een vorm van ongewenste buitenlandse inmenging.
Vindt u het wenselijk dat zorgverzekeraars afspraken maken met organisaties gelieerd aan de AK-partij van president Erdogan die een rol spelen in actieve diaspora-politiek? Zo ja, waarom? Zo nee, wat onderneemt u hier tegen?
Verzekeraars hebben acceptatieplicht voor de basisverzekering en mogen niemand weigeren, niet op basis van leeftijd, inkomen of gezondheid en net zo min op basis van geloof, ras of welk kenmerk dan ook. Verzekeraars mogen voor een specifieke groep collectieve afspraken maken en een collectiviteitskorting geven, maar zijn hiertoe niet verplicht. Hiervoor kunnen groepen geselecteerd worden en het staat verzekeraars vrij welke afspraken er gemaakt worden, mits de korting het wettelijk maximum maar niet te boven gaat.
Zorgverzekeraar Zilveren Kruis heeft naast werkgeverscollectiviteiten ook collectiviteiten van patiënten- en thuiszorgorganisaties, ouderenbonden en gemeentecollectiviteiten. Zilveren Kruis heeft aangegeven bij collectiviteitsafspraken geen onderscheid te maken naar godsdienst, levensovertuiging, politieke gezindheid, ras, geslacht of seksuele geaardheid. Uiteraard moet elke organisatie voldoen aan wettelijke regels.
In hoeverre acht u een collectiviteit met een dergelijke organisatie passend bij de oorspronkelijke doelstelling van de wet, waarin een verzekeraar specifieke brancheafspraken kan maken met werkgevers voor werknemers met vergelijkbare gezondheidsrisico’s?
Het staat verzekeraars vrij om met groepen verzekerden collectieve zorgafspraken te maken. Dat geldt niet alleen voor werkgevers, maar ook voor bijvoorbeeld bonden, patiëntenverenigingen en gemeenten.
Wel ben ik kritisch ten aanzien van collectieve verzekeringen die géén specifieke aanvullende zorgafspraken maken voor de doelgroep, waardoor de korting niet wordt gelegitimeerd vanuit de zorg. Dan is die verzekering feitelijk een kopie van de basispolis, waarbij de een wel korting krijgt en de ander niet. Daar zie ik geen meerwaarde in.
Zilveren Kruis heeft aangegeven afscheid te nemen van collectiviteiten waar zorginhoudelijke afspraken niet mogelijk zijn of geen meerwaarde hebben. In het kader van de afbouw van collectiviteiten zonder zorginhoudelijke meerwaarde toetst Zilveren Kruis of collectiviteiten een waardevolle bijdrage leveren aan preventie, gezondheidswinst, zelfredzaamheid en/of duurzame inzetbaarheid.
Kunt u aangeven welke zorginhoudelijke winst de collectiviteit van Zilveren Kruis met Milli Görüs heeft?
Zilveren Kruis geeft aan dat er voor verzekerden met een migratieachtergrond meer dan gemiddeld leefstijlgerelateerde aandoeningen voorkomen, zoals hart- en vaatziekten; maagklachten en suikerziekte. Betere communicatie, bewustwording en activatie op leefstijl kan via een collectiviteit versterkt worden via diverse communicatiekanalen.
Ik begrijp dat Zilveren Kruis in gesprek is met Milli Görus om te kijken of verdere zorginhoudelijke afspraken mogelijk zijn en of er op termijn voldoende zorginhoudelijke meerwaarde kan worden gecreëerd op het gebied van gezondheidswinst, preventie en zelfredzaamheid om een korting te rechtvaardigen.
Kunt u aangeven welke bijzondere vergoedingen er onderdeel zijn van deze collectiviteit die niet via een andere verzekering verkregen kan worden?
Zilveren Kruis geeft aan dat met de collectiviteit wordt ingezet op het realiseren van gezondheidswinst door het bieden van effectieve communicatie met de doelgroep en activatie van de doelgroep op leefstijl. Extra aanvullende vergoedingen zijn nu geen onderdeel van de collectiviteit.
Bent u bereid in de uitvoering van de motie Becker c.s. voor een contrastrategie tegen de actieve diasporapolitiek uit Turkije ook specifieke maatregelen te overwegen die voorkomen dat Nederlanders met een Turkse achtergrond zelfs via de zorgverzekering beïnvloed worden vanuit Turkije? Zo ja, op welke wijze? Zo nee, waarom niet?1
Het kabinet beschikt niet over informatie die aantoont dat er via de keuze voor deze collectiviteitskorting van de zorgverzekering sprake is van een vorm van ongewenste buitenlandse inmenging. Als gevolg hiervan zie ik géen toegevoegde waarde in het nemen van de door u gevraagde specifieke maatregelen.