De geplande wildexcursies van Staatsbosbeheer op de Veluwe zoals op hun website vermeld |
|
Laura Bromet (GL) |
|
Carola Schouten (viceminister-president , minister landbouw, visserij, voedselzekerheid en natuur) (CU) |
|
|
|
|
Bent u bekend met de aangeboden activiteiten op de website van Staatsbosbeheer?1
Ja. Op de website van Staatsbosbeheer wordt een uitgebreid en gevarieerd pakket wildexcursies op de Veluwe aangeboden. Van wildspotexcursies, vollemaanwandelingen, «Veluwe bij nacht»-wandelingen, «Muir Treks» tot «grote vijf»- excursies.
Klopt het dat deze activiteiten ook plaatsvinden in rustgebieden en na zonsondergang?
Alleen de wildspotexcursies leiden naar wildarena’s die in rustgebied staan. Bezoekers wandelen met een gids hier naartoe. Alleen de vollemaanwandelingen en «Veluwe bij nacht»-wandelingen spelen zich na zonsondergang af. Ook dit zijn wandelingen met een gids of boswachter.
Klopt het dat bij deze activiteiten gebruik wordt gemaakt van Land Rovers met onder andere geluidsoverlast tot gevolg?
Land Rovers worden slechts bij 32 van de 242 geplande excursies op de Veluwe gebruikt. Ze komen niet in rustgebieden, maar gebruiken de wegen en paden die ook voor het beheer worden gebruikt. Met zonsondergang zijn ze weer het bos uit. De Land Rovers voldoen aan de eisen van de wet. Staatsbosbeheer is bezig om de Land Rovers aangedreven door verbrandingsmotor uit te faseren en deze te vervangen voor elektrisch aangedreven exemplaren.
Hoeveel activiteiten en excursies met toeristen vinden er jaarlijks plaats in rustgebieden?
Er zijn dit jaar 28 wandelingen naar wildarena Hemellootjes gepland en 23 wandelingen naar de Witte Hoogt.
Hoe en door wie worden deze activiteiten begeleid?
Deze excursies worden begeleid door boswachters of gidsen.
Deelt u de mening dat dergelijke excursies de rust in rustgebieden ernstig kunnen verstoren en daarmee een negatieve invloed zouden kunnen hebben op de biodiversiteit van de daar levende planten en dieren?
De wandelingen worden goed voorbereid, waarbij de verstoring door bezoekers minimaal is. Bezoekers volgen een vast pad om bij een «wildarena» te komen, waar zij vanuit een beschutte plek naar wild kijken. Vooraf worden instructies gegeven zo stil mogelijk te zijn en geen parfum te dragen, hetgeen ook in het belang van de bezoeker is. De excursies vinden slechts eenmaal per twee weken plaats en het is verboden het gebied te bezoeken zonder aanwezigheid van een boswachter. Wanneer Staatsbosbeheer negatieve gevolgen waarneemt van dit soort excursies, zal zij altijd direct actie ondernemen.
Hoe garandeert u dat de door Staatsbosbeheer beheerde rustgebieden niet worden verstoord?
Boswachters van Staatsbosbeheer zien toe op veiligheid en rust in de natuur.
Het bericht ‘Brandweer ingezet voor reanimatie’ |
|
Henk van Gerven (SP) |
|
Bruno Bruins (minister volksgezondheid, welzijn en sport) (VVD) |
|
|
|
|
Wat is uw reactie op het bericht «Brandweer ingezet voor reanimatie»?1
Naar aanleiding van het bericht heb ik navraag gedaan bij de betreffende Regionale Ambulancevoorziening (RAV). De RAV heeft mij laten weten dat het zorgverleningsproces in deze levensbedreigende situatie conform het hiervoor geldende protocol is verlopen. Nadat de melding is binnengekomen op de meldkamer ambulancezorg is de dichtstbijzijnde ambulance ingezet. Hierbij is het niet van belang uit welke regio deze afkomstig is. Nadat bekend was dat het om een reanimatie ging is, conform protocol, een tweede ambulance ingezet. Beide ambulances waren binnen 15 minuten ter plaatse.
Daarnaast heeft de Meldkamer Ambulancezorg ook direct nadat bekend was dat het om een hartstilstand ging HartslagNu geactiveerd om ook de burgerhulpverlening met een AED ter plaatse te krijgen.
De specifieke overweging om dit geval ook de brandweer in te zetten lag in het gegeven dat het incident zich in dezelfde straat voordeed waar ook de Brandweerkazerne Ter Apel is gesitueerd en die deze avond was bemenst, waardoor in dit specifieke geval geborgd kon worden dat zeker een AED snel ingezet kon worden.
Hoe vaak gebeurt het dat ambulances niet beschikbaar of bezet zijn en andere diensten ter vervanging moeten worden ingezet om eerste hulp te verlenen? Kan een overzicht gegeven worden van het aantal keer dat dit is voorgekomen per maand in de afgelopen twaalf maanden, uitgesplitst naar regio? Kunt u specifiek ingaan op de situatie in deze specifieke regio, te weten de regio Ter Apel en Stadskanaal?
De meldkamer ambulancezorg kijkt bij een melding altijd naar de dichtstbijzijnde beschikbare ambulance. Hierbij is het niet van belang van welke RAV deze ambulance is. In geval van een melding waar sprake is van een reanimatie wordt altijd een tweede ambulance ingezet en alarmeert de meldkamer de burgerhulpverleners van HartslagNu.
Er is dus geen sprake van diensten die ter vervanging worden ingezet, de burgerhulpverleners van HartslagNu zijn een waardevolle aanvulling op de acute zorg.
Kunt u aangeven of er een bepaalde ontwikkeling te zien is in het aantal gevallen waarin andere diensten ingezet worden omdat een ambulance niet beschikbaar is in deze specifieke regio? Indien dit momenteel niet bekend is, bent u bereid dit te onderzoeken?
Zie het antwoord op vraag 2.
Is er een effect te verwachten van de sluiting van de Spoedeisende Hulp in Stadskanaal op het aantal keer dat een ambulance niet beschikbaar is en daarom andere diensten moeten worden opgeroepen om eerste hulp te verlenen? Heeft de sluiting van de Spoedeisende Hulp in Stadskanaal gevolgen voor een voldoende beschikbaarheid van ambulances in dergelijke situaties?
Een aantal partijen in de regio Drenthe/Zuidoost-Groningen, waaronder de ambulancediensten, heeft de handen in één geslagen voor een gezamenlijk plan voor de toekomst van de zorg in de regio.
In het kader van dit plan is de SEH in Stadskanaal is per 6 januari 2020 omgevormd tot basisspoedpost. Deze basisspoedpost is zeven dagen per week open van 8:00 tot 23:00 uur, voor niet-levensbedreigende situaties. Patiënten kunnen hier terecht voor bijvoorbeeld wonden, trombose of eenvoudige botbreuken. Voor levensbedreigende situaties kunnen patiënten uit de regio Zuidoost-Groningen terecht bij de afdelingen spoedeisende hulp in Assen, Emmen en Scheemda. Om adequaat te reageren op het sluiten van de SEH wordt er als onderdeel van het zorg-voor-de-regio plan onder andere gewerkt aan het inzetten van extra ambulances. Zo wordt er voor wat betreft de ambulances gewerkt aan een extra ambulance in Stadskanaal en komen er in Hoogeveen door de week ook nachtdiensten. Tevens wordt er een extra standplaats in Zweeloo gerealiseerd. Naar verwachting wordt deze ambulanceplaats eind februari gerealiseerd. Tot die tijd start de ambulance vanuit de post in Hoogeveen. Die rijdt een dienst van 15.00 tot 23.00 uur. Met deze plannen wordt tegemoet gekomen aan de veranderende zorgvraag. De genoemde plannen zullen gefaseerd ingevoerd worden. Wekelijks vindt er overleg plaats met de partijen van zorg-voor-de-regio om de voortgang te bespreken.
Het bericht ‘Huisartsenposten ’s nachts dicht in Voorhout en Alphen’ |
|
Henk van Gerven (SP) |
|
Bruno Bruins (minister volksgezondheid, welzijn en sport) (VVD) |
|
|
|
|
Wat is uw reactie op het bericht «Huisartsenposten ’s nachts dicht in Voorhout en Alphen»?1
Ik heb kennisgenomen van het bericht. Zoals u weet is het zorglandschap in beweging als gevolg van allerlei ontwikkelingen, zoals demografische en maatschappelijke ontwikkelingen en uitdagingen op de arbeidsmarkt. Ik heb hierover veelvuldig met uw Kamer gesproken. Deze ontwikkelingen kunnen tot gevolg hebben dat zorg anders georganiseerd wordt. Daarbij vind ik het belangrijk dat de continuïteit en kwaliteit van zorg geborgd wordt. De huisartsen zijn samen met de zorgverzekeraars primair verantwoordelijk voor de organisatie van de huisartsenzorg in de avond-, nacht- en weekenduren. De Inspectie Gezondheidszorg en Jeugd (IGJ) en de Nederlandse Zorgautoriteit (NZa) zien hierop toe. Zij hebben mij laten weten dat zij reeds contact hebben gehad met de directie van de samenwerkende huisartsenposten in de regio, bestaande uit de besturen van de Samenwerkende Huisartsendiensten Rijnland (SHR) en de huisartsenposten Duin-, en Bollenstreek (DDDB).
Naast het borgen van de continuïteit en kwaliteit van zorg vind ik het belangrijk dat besluitvormingsprocessen die raken aan de beschikbaarheid en bereikbaarheid van de (acute) zorg zorgvuldig verlopen. Daarom heb ik een concept algemene maatregel van bestuur (AMvB) «Acute Zorg» opgesteld. De concept AMvB schrijft de processtappen voor die waarborgen dat bij een voorgenomen opschorting of beëindiging van het aanbod van acute zorg op een bepaalde locatie er geen knelpunten in de acute zorg ontstaan. Voorbeelden van processtappen zijn vroegtijdige melding bij de IGJ en NZa, raadpleging van bewoners, gemeenten, zorgverzekeraars en zorgaanbieders en het opstellen van een continuïteitsplan, waarin wordt omschreven hoe, gezien de omstandigheden, op zorgvuldige wijze de continuïteit van de zorg voor cliënten wordt geborgd. De IGJ heeft mij laten weten dat zij de huisartsen hebben gewezen op de concept AMvB.
Is het waar dat het besluit om de huisartsenposten in Alphen aan den Rijn en Voorhout in de nacht te sluiten, nog niet definitief is? Kan inspraak van inwoners, zorgverzekeraars en zorgorganisaties nog leiden tot het terugdraaien van deze voorgenomen beslissing?
Van de directie van de samenwerkende huisartsenposten in de regio heb ik begrepen dat zij het plan hebben om de huisartsenposten in Alphen aan den Rijn en Voorhout in de nacht te sluiten en de huisartsenpost in Leiden te verplaatsen naar Leiderdorp. De directie heeft mij laten weten dat zij voordat zij een definitief besluit nemen, de plannen toetsen aan de regiovisie op acute zorg, die de komende maanden onder regie van het Regionaal Overleg Acute Zorg (ROAZ) ontwikkeld wordt. Ook zal de directie van de samenwerkende huisartsenposten, conform de motie van het Kamerlid van den Berg (CDA) (Kamerstukken II 2019/20, 29 247, nr. 299), het regiobeeld meenemen in het continuïteitsplan. De IGJ heeft mij – zoals in mijn antwoord op vraag 1 aangeven – laten weten dat zij de huisartsen hebben gewezen op de concept AMvB «Acute Zorg». Zoals de concept AMvB ook voorschrijft, zal de directie van de samenwerkende huisartsenposten de plannen de komende maanden bespreken met bewoners, gemeenten, zorgverzekeraars en zorgaanbieders. De reacties en adviezen worden meegenomen in het uiteindelijke voorstel; de huisartsen zullen medio juli 2020 een definitief besluit nemen.
Is enkel het onvoldoende kunnen voldoen aan de bemensing van de huisartsenposten de reden tot dit besluit? Ziet u geen andere oplossingen voor deze kwestie dan sluiting van bijna alle huisartsenposten in deze regio?
Van de directie van de samenwerkende huisartsenposten heb ik begrepen dat het plan is gebaseerd op een analyse van personele inzet, bereikbaarheid, aantal consulten, telefoontjes en visites in de regio Zuid-Holland Noord. Zoals ik bij de beantwoording van vraag 1 heb aangegeven zijn de huisartsen samen met de zorgverzekeraars in de regio primair verantwoordelijk voor de organisatie van de huisartsenzorg in de avond-, nacht- en weekenduren. Het besluit om de huisartsenposten in Alphen aan den Rijn en Voorhout in de nacht te sluiten is dus niet aan mij, maar aan hen. Hierbij hecht ik er grote waarde aan dat betrokkenen zorgvuldig handelen in lijn met de concept AMvB «Acute Zorg».
Hoe ziet het overleg met inwoners, zorgverzekeraars en zorgorganisaties de komende tijd er uit? Waarom zijn tot het moment van het openbaar maken van het voorgenomen voorlopige besluit de betreffende partijen nog niet betrokken?
Van de directie van de samenwerkende huisartsenposten heb ik begrepen dat de ketenpartners, zorgverzekeraars en cliëntenraad van de SHR en DDDB reeds betrokken zijn bij de planvorming. In de komende maanden gaat de directie van de samenwerkende huisartsenposten in gesprek met bewoners en gemeenten over de plannen. De huisartsen hebben nog geen besluit genomen; de definitieve besluitvorming vindt medio juli 2020 plaats.
Is het waar dat er voor de patiënt niet veel verandert, zoals de directeur van de Doktersdienst Duin- en Bollenstreek en de Samenwerkende Huisartsendiensten Rijnland beweert?
Bij sluiting van de huisartsenposten in Alphen aan den Rijn en Voorhout in de nacht en verplaatsing van de huisartsenpost van Leiden naar Leiderdorp, mag de kwaliteit en toegankelijkheid van zorg voor de inwoners uit de regio uiteraard niet in het geding komen. Van de IGJ heb ik begrepen dat de sluiting de kwaliteit van zorg zelfs ten goede kan komen. Door samenwerking vanuit één locatie in de nacht is het mogelijk om de nachtzorg beter te organiseren. Door vanuit één locatie (naast de Spoedeisende Hulp van het Alrijne ziekenhuis en een apotheek) met meerdere artsen en triagisten tegelijk te werken is meer afstemming mogelijk waardoor de zorg beter en veiliger wordt. Ook wordt het zo mogelijk om beter op zorgvragen in de nacht te anticiperen. Bijvoorbeeld als een patiënt vervolgzorg nodig heeft, dan kan de patiënt worden doorverwezen naar de naastgelegen Spoedeisende Hulp. Van de NZa heb ik vernomen dat zij in afwachting zijn van de bereikbaarheidsanalyse van het Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu (RIVM). Aan de hand van de bereikbaarheidsanalyse beoordeelt de NZa of aan de zorgplicht van de zorgverzekeraar wordt voldaan. De huisartsen nemen de bereikbaarheidsanalyse van het RIVM, waarin ook de invloed op de reistijd van de inwoners van de regio aan de orde komt, mee in hun overwegingen.
Wat is de invloed op de reistijd van de inwoners van de regio (uitgesplitst naar de verschillende kernen in de regio) naar de huisartsenpost indien de sluiting van de huisartsenposten in Voorhout en Alphen doorgaat?
Zie antwoord vraag 5.
Hoe kan het dat in een gebied met 560.000 inwoners het beter en veiliger is dat slechts één huisartsenpost ‘s nachts open is?
Zie antwoord vraag 5.
Hoe wordt er precies rekening gehouden met het feit dat in de dorpen Noorden en Woerdense Verlaat de norm van bereikbaarheid van de huisartsenpost binnen 30 minuten niet meer haalbaar is?
Voorop staat dat mensen de zorg krijgen die zij nodig hebben. Dat betekent in sommige gevallen dat mensen zorg ontvangen op plaatsen die verder van huis liggen, maar die wel van goede kwaliteit is. Van de directie van de samenwerkende huisartsenposten heb ik begrepen dat de toegankelijkheid van de zorg bij de nieuwe plannen niet in het geding is, en dat zij extra aandacht hebben voor mensen in de regio Zuid-Holland Noord voor wie het lastiger is om in de nacht naar de huisartsenpost in Leiderdorp te komen. Indien nodig legt de huisarts een visite af, wordt een extra arts opgeroepen of springt de regionale ambulancedienst, bij. Tot slot, zoals ik bij de beantwoording van vraag 7 heb aangegeven, heb ik van de NZa vernomen dat zij in afwachting zijn van de bereikbaarheidsanalyse van het RIVM. Aan de hand van de bereikbaarheidsanalyse beoordeelt de NZa of aan de zorgplicht van de zorgverzekeraar wordt voldaan. De huisartsen nemen de bereikbaarheidsanalyse van het RIVM, waarin ook de invloed op de reistijd van de inwoners van de regio aan de orde komt, mee in hun overwegingen. De veldnorm die door de brancheorganisatie wordt gehanteerd is dat minimaal 90% van de inwoners van het werkgebied van de huisartsenpost binnen 30 minuten per auto de huisartsenpost kan bereiken.
Gaat u zich inspannen om de huisartsenposten 24/7 in stand te houden in de betreffende regio’s? Zo nee, waarom niet?
Zoals ik bij de beantwoording van vraag 3 heb aangegeven is het besluit om de huisartsenposten in Alphen aan den Rijn en Voorhout in de nacht te sluiten en de verplaatsing van de huisartsenpost van Leiden naar Leiderdorp niet aan mij, maar aan de huisartsen en zorgverzekeraars in de betreffende regio’s.
De vertraging van duurzame energieprojecten vanwege de stikstofproblematiek |
|
Laura Bromet (GL), Tom van der Lee (GL) |
|
Eric Wiebes (minister economische zaken en klimaat) (VVD), Carola Schouten (viceminister-president , minister landbouw, visserij, voedselzekerheid en natuur) (CU) |
|
|
|
|
Klopt het dat bepaalde duurzame energieprojecten vertraging oplopen als gevolg van de stikstofproblematiek, met name de waterstofprojecten in de provincie Groningen? Zo ja, kunt u een overzicht geven van duurzame energieprojecten die vertraging hebben opgelopen als gevolg van de stikstofproblematiek, zowel binnen als buiten Groningen? Deelt u de mening dat het in het licht van de gaswinningsproblematiek en het Nationaal Programma Groningen onacceptabel is dat deze projecten vertraging oplopen?
Door de stikstofproblematiek zijn er energieprojecten die vertraging oplopen of dreigen op te lopen. Dit komt omdat de vergunningverlening complexer is geworden sinds de uitspraak over het Programma Aanpak Stikstof (PAS) van de Raad van State. Dit betreft vooral de grotere energieprojecten, waarvoor tijdens de aanleg materieel moet worden ingezet waarvoor de energie- en bouwsector geen emissiearme alternatieven hebben (bijvoorbeeld kabellegschepen). De depositie van stikstof tijdens aanleg van deze projecten is daarmee niet altijd te reduceren tot 0,00 mol/ha/jaar. Daarnaast zijn er energieprojecten die ook in de gebruiksfase niet geheel tot 0,00 mol depositie terug kunnen.
De vergunningverlening voor deze energieprojecten valt terug op instrumenten als ecologische beoordeling en salderen. Voor beide instrumenten geldt nog geen standaard uitvoeringspraktijk, waardoor vergunningverlening in sommige gevallen traag op gang komt of op problemen stuit. Er is geen compleet overzicht van projecten die hiermee te maken hebben, omdat het bevoegd gezag hiervoor bij verschillende overheden (gemeenten, provincies en Rijk) ligt en initiatiefnemers zowel overheden als private partijen kunnen zijn.
Het is onwenselijk dat duurzame energieprojecten die nodig zijn voor het halen van de doelstellingen uit het Klimaatakkoord vertraging oplopen. De stikstofproblematiek heeft vooralsnog geen gevolgen voor de afbouw van de gaswinning in Groningen en het Nationaal Programma Groningen.
Wat is de status van de bouw van de stikstoffabriek nabij Zuidbroek?
De bouw van de stikstoffabriek in Zuidbroek is tijdig door Gasunie Transport Services (GTS) gestart. De vergunningen hiervoor zijn reeds verleend en zijn inmiddels onherroepelijk. De realisatie van de fabriek verloopt op dit moment volgens planning.
Deelt u het inzicht dat er een aantal verplichtingen zijn met betrekking tot duurzame energie, onder andere voortkomend uit het Urgenda-vonnis en EU-richtlijnen, waardoor het van groot belang is dat deze duurzame energieprojecten tijdig zijn voltooid?
Ja.
Deelt u de mening dat het voltooien van deze energieprojecten vele malen belangrijker is dan de bouw van snelwegen, aangezien er geen verplichtingen zijn rondom het tijdig bouwen van snelwegen?
Het kabinet zet zich in om samen met provincies en de maatschappelijke partners te komen tot een structurele aanpak van de stikstofproblematiek. Daarin worden blijvend maatregelen genomen die de stikstofuitstoot bij de bron aanpakken. Daarmee ontstaat structurele verbetering van de natuur en maakt het kabinet ruimte voor vergunningverlening voor onder andere energieprojecten. Voorts heeft het kabinet in de Kamerbrief van 13 november 2019 (Kamerstuk 35 334, nr. 1) gerichte maatregelen aangekondigd ten behoeve van de woningbouw en een aantal infrastructuurprojecten.
Welke maatregelen zijn getroffen om duurzame energieprojecten toch op tijd te voltooien?
Het kabinet heeft in de Kamerbrief van 4 oktober 2019 (Kamerstuk 32 670, nr. 167) aangegeven dat toestemming voor projecten en activiteiten – waaronder projecten voor duurzame energie – kan worden aangevraagd op basis van onder andere intern en extern salderen. Bij intern salderen vermindert een bedrijf de stikstofemissie binnen het eigen project of op de eigen locatie om een nieuwe vergunning mogelijk te maken. Bij extern salderen neemt een bedrijf de ruimte om stikstofemissie uit te stoten over van een ander bedrijf dat geheel of gedeeltelijk stopt. Ook is het mogelijk om een vergunning aan te vragen als aangetoond kan worden dat de stikstofdepositie geen negatief effect heeft op een natuurgebied (ecologische beoordeling) of als er geen alternatieven zijn, er een dwingende reden van nationaal belang is en de natuurschade gecompenseerd wordt (ADC-toets).
Via deze manieren van toestemmingverlening kunnen nu al een deel van de duurzame energieprojecten worden vergund. Initiatiefnemers kunnen de kans op toestemmingverlening vergroten door de projecten op een duurzame manier te realiseren waarbij geen of nauwelijks sprake is van stikstofdepositie.
Daarnaast is in de Kamerbrief van 7 februari 2020 (Kamerstuk 35 334, nr. 44) aangekondigd dat het de inzet van het kabinet is om verleasen van stikstofruimte mogelijk te maken. Verleasen betekent dat een ondernemer een deel van zijn niet benutte stikstofruimte in zijn vergunning op tijdelijke basis beschikbaar kan stellen aan een andere initiatiefnemer voor (tijdelijke) activiteiten waarbij stikstof vrijkomt. Het leasen van stikstofruimte kan dus een goede oplossing zijn voor projecten die een tijdelijke depositie veroorzaken, bijvoorbeeld duurzame energieprojecten.
Tot slot is conform de aankondiging in de Kamerbrief van 16 december 2019 (Kamerstuk 35 334, nr. 25) gestart met een verkenning of projecten voor duurzame energie kunnen worden gebundeld in een programma om vergunningverlening voor deze projecten te vereenvoudigen.
Kunt u aangeven welke maatregelen zijn getroffen met betrekking tot de prioritaire projecten, zoals genoemd in uw brief van 13 november 2019?1
Het kabinet heeft drie maatregelen genomen. Ten eerste voert het kabinet een snelheidsverlaging overdag op autosnelwegen in. Ten tweede wordt ingezet op ammoniakreductie via voermaatregelen in de veehouderij. En tot slot wordt de reductie van stikstofdepositie door een uitbreiding van de warme saneringsregeling voor de varkenshouderij ingezet.
Met dit pakket aan maatregelen wordt het in de woningbouwsector mogelijk om in 2020 de bouw van 75.000 woningen te realiseren. Ook is ruimte gecreëerd voor een zevental infrastructuurprojecten die onder het MIRT (Meerjarenprogramma Infrastructuur, Ruimte en Transport) vallen.
Kan de Kamer er nog steeds op rekenen, zoals eerder is toegezegd, dat het extra maatregelenpakket om de stikstofproblematiek op te lossen in januari naar de Kamer wordt gestuurd?
Op 7 februari 2020 heeft de Minister van LNV namens het kabinet een brief aan uw Kamer gestuurd waarin zij u informeert over een maatregelenpakket voor de landbouwsector. Ook in de toekomst blijft het Rijk samen met medeoverheden maatregelen nemen om de hoeveelheid stikstofdepositie terug te dringen. In het voorjaar zal ik uw Kamer hierover nader informeren.
Kunt u voor 1 februari 2020 een maatregelenpakket publiceren waarmee de voltooiing van duurzame energieprojecten tijdig wordt gerealiseerd?
Zie antwoord vraag 5.
Het bericht ‘Belastingdienst heeft geen btw-id voor starters: 'Ik zit weken op zwart zaad' |
|
Thierry Aartsen (VVD), Helma Lodders (VVD) |
|
Mona Keijzer (staatssecretaris economische zaken en klimaat) (CDA), Wopke Hoekstra (minister financiën) (CDA) |
|
|
|
|
Wat vindt u van de situatie dat startende ondernemers weken moeten wachten op een btw-identificatienummer en hierdoor hun bedrijf niet kunnen uitoefenen?1
Het is niet gewenst en niet de bedoeling dat deze startende ondernemers langer dan twee weken moeten wachten op het omzetbelastingnummer (hierna: ob-nummer) en het nieuwe btw-identificatienummer (hierna: btw-id).
De Belastingdienst hanteert als uitgangspunt een termijn van twee weken om het btw-id te verstrekken. Het unieke btw-id kan alleen door de Belastingdienst worden afgegeven, omdat derden (zoals de KVK) het btw-id niet meer kunnen afleiden van het BSN. De privacy van ondernemers is op deze manier beter beschermd.
Kunt u aangeven hoeveel startende (deeltijd)ondernemers last hebben van deze situatie?
Eenmanszaken krijgen met ingang van 1 januari 2020 twee nummers: eerst een ob-nummer voor contact met de Belastingdienst (waaronder het doen van aangifte) en daarna een nieuw btw-id voor bijvoorbeeld hun facturen en gebruik op de website van de ondernemer. Dit is gedaan omdat de privacy van de ondernemers met het unieke btw-id beter gewaarborgd is.
Begin januari had maximaal de helft van de startende ondernemers last van het probleem dat ze hun ob-nummer en btw-id niet binnen de gestelde termijn van twee weken in huis hadden. In aantallen gaat het om bijna 14.000 ondernemers die langer hebben moeten wachten.
Om de oplopende achterstanden in de eerste weken van dit jaar en specifiek de uitval, die hierna wordt benoemd, te verwerken is zo snel mogelijk extra capaciteit ingezet door intern te schuiven met personeel en door extra inhuur en inzet van uitzendkrachten. De achterstanden zijn inmiddels weggewerkt.
Vanaf 10 februari 2020 worden de inschrijvingen en aanmeldingen van ondernemers weer zonder vertraging verwerkt, zodat de betreffende ondernemers het ob-nummer en het btw-id binnen twee weken ontvangen.
Kunt u aangeven waarom ondernemers nu aanlopen tegen deze problemen terwijl de piek van het aantal startende (deeltijd)ondernemers te voorzien was?
In het vierde kwartaal van 2019 zijn aanpassingen in de processen doorgevoerd gekoppeld aan de overgang naar het nieuwe btw-id (zonder BSN) per 1 januari 2020. Daarnaast is per die datum de nieuwe kleineondernemersregeling in de omzetbelasting ingevoerd. De aanpassingen zagen mede op het proces registratie nieuwe ondernemers waarbinnen onder andere een nieuwe applicatie in gebruik is genomen.
De uitval in het proces registratie nieuwe ondernemers, die handmatig verwerkt moet worden, was hoger dan verwacht en daardoor liepen de voorraden snel op. De belangrijkste reden voor uitval in het proces is dat de benodigde gegevens voor de vaststelling van de belastingplicht en aanvullende registraties niet meteen compleet en/of volledig juist beschikbaar zijn. Binnen bovengenoemd proces worden ook de aanmeldingen van zonnepaneelhouders verwerkt, waarvan de aanmeldingen in de maand december 2019 50% hoger waren dan in december 2018. Er moesten in deze drukke periode daardoor ook 5.000 meer aanmeldingen zonnepaneelhouders dan voorzien verwerkt worden.
Deelt u de mening dat het bijzonder vervelend en onwenselijk is wanneer ondernemers zich moeten bezighouden met administratieve rompslomp en tekortkomingen bij de Belastingdienst in plaats van met ondernemen omdat ze niet beschikken over een geldig btw-id? Zo ja, waarom? Zo nee, waarom niet?
Ja, ik deel deze mening; daarom streeft de Belastingdienst ernaar dat ondernemingen niet langer dan twee weken moeten wachten op het ob-nummer en het btw-id, en zijn hiervoor ook maatregelen genomen (zie ook vraag 2).
Waarom krijgen nieuwe ondernemers hun btw-id niet mee bij hun KvK-inschrijving?
In 2018 heeft de Autoriteit Persoonsgegevens de Minister van Financiën een verwerkingsverbod opgelegd om het Burgerservicenummer (BSN) in het btw-identificatienummer te gebruiken. Het BSN was de basis van het nummer dat veel ondernemers al van de KVK namens de Belastingdienst ontvingen bij hun inschrijving. Bij de brief van 19 december 2018 heeft mijn ambtsvoorganger de Tweede Kamer geïnformeerd over de implementatie van het alternatief voor het gebruik van het btw-identificatienummer met BSN, waardoor de privacy van de ondernemers beter beschermd is. Dit alternatief is per 1 januari 2020 geïmplementeerd.2 Als gevolg hiervan is ook de procedure van het toekennen van nummers gewijzigd, nu ontvangt een (startende) ondernemer twee verschillende nummers. Na implementatie gebruikt de ondernemer/natuurlijk persoon daarom de volgende twee nummers:
Zo wordt de privacy van de ondernemer beter gewaarborgd en is het niet langer mogelijk voor derden om het BSN af te leiden uit het btw-identificatienummer.
Deze ondernemers ontvangen bij inschrijving bij de KVK vanaf 1 januari 2020 een brief van de Belastingdienst. Hierin staat uitgelegd dat zij binnen twee weken twee brieven krijgen, elk met een nummer en waarvoor zij dit nummer gebruiken. Het btw-id staat in de tweede brief vermeld.
Als gevolg van de inzet van digitalisering is bij de Belastingdienst geen extra capaciteitsinzet vereist om volgens deze nieuwe werkwijze te werken. In de eerste weken van 2020 is wel extra capaciteit ingezet om de snel oplopende voorraden te behandelen die zijn ontstaan door meer uitval voor handmatige verwerking dan begroot (zie ook vraag 2).
Kunt u aangeven waarom de werkwijze bij inschrijving bij de KvK veranderd is en hoeveel capaciteit er extra ingezet moet worden bij de Belastingdienst om volgens deze nieuwe werkwijze te werken?
Zie antwoord vraag 5.
Deelt u de mening dat de wijziging van bovengenoemde werkwijze tot meer bureaucratie leidt en dit niet in lijn is met het regeerakkoord waarin juist de afspraak is gemaakt om de regeldruk en administratieve lasten te beperken? Zo ja, welke stappen gaat u zetten om op dit punt de administratieve lasten te beperken?
Het gebruik van de eerder genoemde twee nummers waaronder het nieuwe btw-id zonder BSN is een verbetering ten opzichte van het voormalige btw-identificatienummer, waarvan het belang ook in uw Kamer meermaals naar voren is gebracht. Ik hecht eraan dat startende ondernemers niet langer dan de termijn van twee weken die daarvoor staat, moeten wachten op het ob-nummer en het btw-identificatienummer. Hierbij geldt het verwerkingsverbod om het Burgerservicenummer (BSN) in het btw-id te gebruiken als extra waarborg. Om die reden is bij brief van 19 december 2018 de Tweede Kamer geïnformeerd over de implementatie van het alternatief voor het gebruik van het btw-identificatienummer met BSN. Daarbij is enerzijds zoveel mogelijk rekening gehouden met de uitgangspunten van het Regeerakkoord om regeldruk en administratieve lasten te beperken, maar geldt anderzijds het verwerkingsverbod van de Autoriteit Persoonsgegevens.
Hoe ziet de beoordeling van een aanvraag eruit (welke handelingen worden verricht) en hoeveel tijd neemt een individuele beoordeling in beslag? Hoeveel beoordelingen zijn er vanaf de start van deze nieuwe werkwijze afgewezen en met welke reden?
Na inschrijving in het Handelsregister worden de gegevens automatisch aan de Belastingdienst verstrekt. De Belastingdienst toetst de gegevens van de ondernemer administratief en met een geautomatiseerd risicomodel, om mogelijke fraude te voorkomen. De administratieve toets betreft onder andere de indeling van de bedrijfsactiviteiten en het bepalen van de branchecode van de ondernemer. Als dat niet meteen duidelijk is dan wordt er contact met de ondernemer opgenomen. De administratieve beoordeling (vaststelling) en de aanvullende registratie van een nieuwe ondernemer kost gemiddeld 10 minuten. Dit is echter slechts een onderdeel binnen het gehele proces van de registratie van nieuwe ondernemers. Voordat de ondernemer zijn ob-nummer en btw-id in huis heeft vinden er nog meer geautomatiseerde en handmatige verwerkingen en handelingen plaats. Uiteindelijk ontvangt de ondernemer de twee nummers binnen de genoemde twee weken, tenzij uit de geautomatiseerde beoordeling blijkt dat een extra toetsing moet plaatsvinden.
Voor de afgifte van de nummers worden opvolgend twee brieven aangemaakt, geprint en verzonden. Indien van toepassing wordt bij de eerste brief een aangifte omzetbelasting over verstreken tijdvakken meegestuurd.
De eventuele extra toetsing bestaat uit het raadplegen van de systemen en, indien nodig, een aanvullend onderzoek naar het ondernemerschap door de Belastingdienst. Indien hierbij nadere informatie nodig is, zoekt de Belastingdienst telefonisch of schriftelijk contact met belanghebbende. Ook behoort een bedrijfsbezoek tot de mogelijkheden. De uitkomst van het proces kan een toekenning van de nummers zijn maar ook een afwijzing. Bij een afwijzing wordt de reden van afwijzing gecommuniceerd richting de aanvrager. Afwijzing vindt plaats als de Belastingdienst het ondernemerschap voor de omzetbelasting niet vaststelt of kan vaststellen. De aanvrager kan een verzoek doen tot heroverweging.
De bovenstaande processtappen worden ook uitgevoerd ingeval de belanghebbende zich niet moet (en kan) inschrijven bij KVK, maar zich dient aan te melden bij de Belastingdienst omdat hij wel ondernemer is voor de omzetbelasting en/of inkomstenbelasting. In dat geval registreert de Belastingdienst de algemene gegevens handmatig.
De aangepaste werkwijze is eind 2019 ingevoerd. Tegelijkertijd is een verbeterd en geautomatiseerd systeem van risicoselectie ingevoerd. Er is nog geen gevalideerde bestuurlijke informatie beschikbaar over het aantal extra toetsingen en afwijzingen.
Hoeveel aanvragen voor een btw-id liggen nog op de plank en hebben nog geen check gehad?
Zie antwoord vraag 2.
Wat is de oorzaak van de achterstanden met de verwerking van de aanvragen voor een nieuwe btw-id, mede gezien het feit dat u op de hoogte bent van het jaarlijkse piekmoment aan het begin van het nieuwe jaar?
Zie antwoord vraag 3.
Klopt het dat de Belastingtelefoon de bezorgde ondernemers zonder btw-id onvoldoende telefonisch kan helpen en dat er binnen de dienst soms zelfs aanvragen kwijtraken? Welke acties heeft u in gang gezet om het kwijtraken van dossiers per direct te stoppen?
De eerdergenoemde oorzaken van de vertraging hebben ervoor gezorgd dat ondernemers in de eerste twee weken van dit jaar beperkt geholpen konden worden, hier had de Belastingtelefoon zelf geen invloed op. Het proces bij de Belastingtelefoon is vervolgens aangepast. Medio januari is er een spoedproces ingericht voor ondernemers die aangaven in de problemen te komen door het niet kunnen beschikken over het btw-id binnen de gestelde twee weken. Voor deze ondernemers gold dat hun registratie door deze telefonische melding versneld werd opgepakt en dat zij binnen enkele werkdagen hun brief met btw-id kregen. Er zijn op dit moment geen aanwijzingen dat er aanvragen of dossiers kwijtraken. Daarnaast zijn de achterstanden inmiddels ingelopen en is het spoedproces niet langer noodzakelijk.
Heeft u contact met vertegenwoordigers van ondernemers om de problemen waar ondernemers tegenaan lopen te inventariseren en samen te zoeken naar oplossingen? Zo nee, waarom niet?
De Belastingdienst heeft zowel in de voorbereiding van de implementatie van het nieuwe btw-id via de gebruikelijke kanalen van afstemming met ondernemers en koepelorganisaties van fiscaal dienstverleners informatie en updates verstrekt. Op de website van de Belastingdienst zijn in januari 2020 updates over de langere behandeltermijn geplaatst. Ook is er contact geweest met VNO/NCW en MKB Nederland over deze problematiek. Inmiddels zijn de achterstanden ingelopen en kan de ondernemer zijn ob-nummer en btw-id binnen twee weken verwachten.
Wat gaat u doen om de achterstanden weg te werken? Wanneer is de verwachting dat de achterstanden zijn weggewerkt? Wat gaat u doen om deze getroffen ondernemers te ondersteunen?
Zie antwoord vraag 2.
Kunt u aangeven of alle ondernemers inmiddels beschikken over een btw-id nummer op basis van de tussenoplossing (de factuurvariant), waarvoor de Belastingdienst heeft gekozen, omdat het niet mogelijk was per 1 januari 2020 op een geheel nieuw systeem over te gaan, dat nodig was, omdat het oude btw-nummer (op basis van het BSN) niet meer gebruikt mocht worden? Kunt u aangeven wanneer het geheel nieuwe systeem (zoals aangekondigd in de brief van 19 december 20182geïmplementeerd gaat worden?
De Belastingdienst heeft in het najaar van 2019 alle ondernemers (meest eenmanszaken) die beschikten over een btw-(identificatie)nummer waarin hun BSN was verwerkt, een nieuw btw-id uitgereikt waarin geen BSN is verwerkt. In de periode van 1 oktober tot en met 31 december 2019 zijn 1,47 miljoen nieuwe btw-id’s verstuurd, waarvan ruim 1,3 miljoen aan ondernemers die al per 1 oktober 2019 bij de Belastingdienst geregistreerd stonden. Daarnaast is in deze periode aan bijna 170.000 nieuwe ondernemers een nieuw btw-id uitgereikt (inclusief particuliere zonnepaneelhouders).
Er is op dit moment nog geen exacte datum aan te geven wanneer het geheel nieuwe systeem gebouwd en geïmplementeerd gaat worden. Het beschrijven, inkaderen, begroten, plannen en prioriteren van deze werkzaamheden vindt plaats in een meerjarig portfolioproces.
Kunt u de vragen voor het algemeen overleg over de Belastingdienst van 4 maart 2020 beantwoorden?
Ja.
Het bericht 'Ladingen afgekeurd wegens inklimmers' |
|
Remco Dijkstra (VVD), Bente Becker (VVD) |
|
Cora van Nieuwenhuizen (minister infrastructuur en waterstaat) (VVD), Ankie Broekers-Knol (staatssecretaris justitie en veiligheid) (VVD) |
|
|
|
|
Bent u bekend met het artikel getiteld «Ladingen afgekeurd wegens inklimmers»?1
Ja.
Is er een indicatie van de schade die wordt geleden door de transportsector door de afgekeurde ladingen vanwege inklimmers? Wie is er aansprakelijk voor de geleden schade?
De overheid heeft geen inzicht in de omvang van de schade die wordt geleden in de transportsector door het afkeuren van ladingen vanwege inklimmers. Ook Transport en Logistiek Nederland (TLN) heeft geen inzicht in de exacte omvang hiervan. De aansprakelijkheid van partijen is geregeld in hun vervoersovereenkomst. De vraag wie aansprakelijk is, kan daarom niet in algemene zin worden beantwoord. Dit hangt af van de omstandigheden van het geval.
Hoeveel afgekeurde ladingen zijn er bekend bij de Koninklijke Marechaussee? Hoeveel personen zijn er in 2019 aangetroffen in ladingen van Nederlandse transporteurs?
De Koninklijke Marechaussee (KMar) heeft geen inzicht in het aantal afgekeurde ladingen van Nederlandse Transporteurs. Daarnaast houdt de KMar niet bij hoeveel inklimmers in ladingen van Nederlandse transporteurs worden aangetroffen.
Kunt u aangeven hoeveel inklimmers in de afgelopen drie jaar zijn aangetroffen, wat hun land van herkomst was, wat er gebeurt met de aangetroffen inklimmers en in hoeverre het per geval is gelukt om hen uit te zetten naar het land van herkomst?
De KMar heeft in 2019 ongeveer 910 personen aangetroffen die via een Nederlandse haven illegaal het Verenigd Koninkrijk probeerden te bereiken. In heel 2018 ging het om ongeveer 860 personen. In 2017 zijn er 910 personen aangetroffen. De top drie nationaliteiten in de afgelopen drie jaar door de KMar zijn aangetroffen zijn Albanezen, Afghanen en Vietnamezen.
In 2019 zijn circa 570 mensen aangetroffen door de Zeehavenpolitie (ZHP). De top drie aan nationaliteiten over 2019 die door de ZHP zijn aangetroffen bestaat uit Albanezen, Afghanen en Syriërs. Begin 2019 is de ZHP begonnen met het mogelijk maken van het bijhouden van registraties van inklimincidenten in het kader van het vreemdelingentoezicht. Deze registraties worden nog kwalitatief verbeterd.
Wanneer personen worden aangetroffen als zij illegaal het land proberen uit te reizen dan moeten ze Nederland onmiddellijk verlaten. Als deze personen niet vrijwillig vertrekken worden ze gedwongen uitgezet. Deze personen zullen als regel in bewaring worden geplaatst tenzij betrokkenen onmiddellijk het land kunnen verlaten. Zij krijgen ook een inreisverbod voor de Europese Unie opgelegd. Daarnaast wordt er opgetreden als er sprake is van strafbare feiten zoals het in bezit zijn van een vals paspoort, vernieling of het illegaal verblijven in andermans voertuig of op andermans terrein.
Wanneer personen met verblijfsrecht tijdens hun visumvrije termijn het land illegaal proberen uit te reizen dan eindigt daarmee hun visumvrije periode en moeten betrokkenen Nederland onmiddellijk verlaten. Als deze personen niet vrijwillig vertrekken worden zij gedwongen uitgezet. Zij zullen als regel in bewaring worden geplaatst tenzij ze onmiddellijk het land kunnen verlaten. Deze personen krijgen ook een inreisverbod opgelegd.
Wat wordt er met afgekeurde ladingen gedaan, aangezien met name voedsel en kleding worden afgekeurd na het aantreffen van inklimmers?
Dit hangt af van de omstandigheden van het geval. Een lading kan in verband met mogelijke gezondheidsrisico’s vernietigd worden.
Wat vindt u van het advies van Transport en Logistiek Nederland aan chauffeurs die onderweg naar de haven zijn om zo min mogelijk te stoppen? Is het wenselijk dat chauffeurs minder stoppen? Komt hiermee de verkeersveiligheid niet in het geding?
Chauffeurs dienen zich, ook volgens TLN, te houden aan de regels omtrent rij- en rusttijden voor chauffeurs, zoals neergelegd in de Europese verordening met betrekking tot rij- en rusttijden en het Arbeidstijdenbesluit vervoer. Deze regels zijn opgesteld mede met het oog op de verkeersveiligheid. Het advies heeft in die zin dan ook geen gevolgen voor de verkeersveiligheid.
Is iedere chauffeur in het bezit van de voertuigenchecklist van de Border Force van het Verenigd Koninkrijk, een zogeheten Code of Practice, met eisen voor chauffeurs die naar het Verenigd Koninkrijk afreizen? Is het verplicht om deze checklist ingevuld te overhandigen bij binnenkomst in het Verenigd Koninkrijk?
De Code of Practice is voor werkgevers en chauffeurs beschikbaar op de website van de Britse Border Force. Werkgevers en chauffeurs hebben hier (online) toegang toe. Het overhandigen van de checklist is geen formele voorwaarde bij binnenkomst in het Verenigd Koninkrijk. Wanneer echter inklimmers gevonden worden, heeft het niet invullen van de checklist invloed op (de hoogte van) de bestuurlijke boete die kan worden opgelegd door de Britse autoriteiten.
Welke maatregelen zijn er in 2016 genomen toen de grenscontroles werden aangescherpt door het toenemende aantal inklimmers? Zijn er in de tussentijd maatregelen bij gekomen gezien het feit dat de aantallen weer beginnen te stijgen? Bent u van plan meer maatregelen in te gaan voeren?
Naar aanleiding van de piek in 2016 zijn de controles op het detecteren van inklimmers die de oversteek naar het Verenigd Koninkrijk willen maken verscherpt. In dat verband zijn er extra migratiehonden ingezet die de KMar en de Zeehavenpolitie bij de controles ondersteunen. Daarnaast wordt bij de grenscontroles meer gebruik gemaakt van technologische instrumenten zoals CO2-meters (zgn. warmtedetectie meters) en de inzet van een helikopter.
Verder zijn voor de uitvoeringsorganisaties (KMar, ZHP en AVIM) verschillende handelingskaders opgesteld op het terrein van de handhaving van de vreemdelingenwet alsmede een handhaving van de strafwetgeving.
Ook wordt nauw samengewerkt met de rederijen en de exploitanten van de maritieme grensdoorlaatposten en is de infrastructuur op sommige locatie aangepast, zoals het verhogen van het hekwerk in Hoek van Holland.
Voor de aanpak van het inklimmersvraagstuk heeft Nederland met België en het VK specifieke Memorandum of Understanding (MoU) afgesloten waarin verschillende activiteiten zijn benoemd om de inklimmersproblematiek tegen te gaan. Het betreft onder andere maatregelen voor het kunnen delen van informatie over mogelijke modus operandi, trends, gebruik van technologische detectiemateriaal en best practices.
Verder wordt dit moment samen met de uitvoeringsorganisaties verkend welke extra maatregelen ingevoerd moeten worden, zoals bijvoorbeeld de inzet van nog meer migratiehonden.
Kunt u aangeven welke gegevens u heeft over de mate waarin mensensmokkelnetwerken schuil gaan achter het probleem van de inklimmers en wat u er, ook in samenwerking met andere landen, aan doet om deze (ook via de gegevens van de aangetroffen inklimmers) op te rollen en te straffen?
Voor de beantwoording van deze vraag wordt uitgegaan van de definitie van «inklimmer»: een persoon die een transportmiddel gebruikt om heimelijk en wederrechtelijk Nederland in, uit of door te reizen. Er wordt geen registratie bijgehouden van het aantal mensensmokkelonderzoeken waarbij specifiek door middel van «inklimmen» wederrechtelijk de grens is over gegaan. Wel worden in Nederland jaarlijks (enkele) tientallen onderzoeken naar mensensmokkel verricht n.a.v. het aantreffen van illegale vreemdelingen in voertuigen. In deze onderzoeken vindt regelmatig samenwerking plaats met andere Europese landen, onder meer gericht op de ontmanteling van criminele samenwerkingsverbanden die zich bezighouden met mensensmokkel.
Indien bij het aantreffen van inklimmers concrete signalen van mensensmokkel aanwezig zijn, zoals bijvoorbeeld het ontbreken van beschadigingen, wordt een opsporingsinspanning verricht. Deze strafrechtelijke aanpak van de inklimproblematiek is gericht op het verbeteren van de informatiepositie en is bedoeld om zicht te krijgen op eventuele mensensmokkelaars en/of mensensmokkelnetwerken die het inklimmen hebben gefaciliteerd en om die reden strafrechtelijk aansprakelijk zijn. Daarnaast leiden (gezamenlijke) controleacties niet alleen tot operationele resultaten, maar gaat daarvan ook een preventieve werking uit.
Kunt u de vragen één voor één beantwoorden?
Ja.
Rechtswetenschappelijke onderzoek naar de Habitatrichtlijn en Vogelrichtlijn |
|
Maarten Groothuizen (D66), Tjeerd de Groot (D66) |
|
Ferdinand Grapperhaus (minister justitie en veiligheid) (CDA), Carola Schouten (viceminister-president , minister landbouw, visserij, voedselzekerheid en natuur) (CU) |
|
|
|
|
Heeft u het rechtswetenschappelijke onderzoek «Domestic cats (Felis catus) and European nature conservation law» bestudeerd?1
Ja.
Hoeveel dieren (in duizendtallen) zijn er de afgelopen drie jaren in Nederland door katten gedood en welke diersoorten betreft dat?
Het is niet bekend hoeveel dieren in Nederland door katten worden gedood. De prooidieren van katten kunnen zowel kleine zoogdieren als vogels zijn.
Welke impact heeft dat op de (wild)stand van die diersoorten in de natuur en is er reden tot zorg? Zo nee, waarom niet? Zo ja, wat gaat u hieraan doen?
Met de zes-jaarlijkse rapportage op grond van de Vogelrichtlijn en de Habitatrichtlijn wordt gerapporteerd over maatregelen en effecten ten aanzien van vogels en ten aanzien van de landelijke staat van instandhouding van habitattypen en soorten. Voor de staat van instandhouding wordt een oordeel gegeven over de populatiegrootte van elke soort en de waargenomen trend daarbij. De eisen ten behoeve van verslaglegging zijn tussen de Vogelrichtlijn en de Habitatrichtlijn vergelijkbaar gemaakt.
Er is geen één soort waarbij achteruitgang alleen aan predatie door katten kan worden toegeschreven. In duingebieden bij grote steden kunnen grond-broedende vogels slachtoffer worden van katten. Dit gebeurt niet alleen door katten, maar ook door roofvogels, vossen, kleine roofdieren of zelfs egels. Bij weidevogels is predatie een groter probleem. Ook daar is de kat daarbij slechts één van de vele predatoren. Het voorkomen van predatie bij weidevogels heeft in toenemende mate prioriteit bij beschermingsmaatregelen van het Agrarisch Natuur- en Landschapsbeheer. Van de tuinvogels is de merel regelmatig slachtoffer van katten maar de recente achteruitgang van de populatie van de merel is echter primair toe te schrijven aan een ziekte (het Usutuvirus). Ook hierbij speelt dat de landelijke status geen reden geeft tot ingrijpen.
Beschouwt u de kat als inheems in de zin van de Richtlijn 92/43/EEG (Habitatrichtlijn)? Zo ja, waarom? Zo nee, waarom niet?
De Habitatrichtlijn beoogt onder meer wilde diersoorten van communautair belang in een gunstige staat van instandhouding te behouden of te herstellen. Deze wilde diersoorten zijn soorten die bedreigd, kwetsbaar of zeldzaam zijn. De huiskat (Felis catus) is geen inheemse wilde diersoort van communautair belang.
De in Nederland zeldzaam voorkomende wilde kat (Felis Silvestris) valt wel onder het beschermingsregime van de Habitatrichtlijn (bijlage IV).
Op welke manier heeft u in de praktijk uitvoering gegeven aan artikel 22, sub b, en artikel 12, vierde lid, van de Habitatrichtlijn? Kunt u daarbij in het bijzonder bij beide artikelen ingaan op de uitwerking daarvan met betrekking tot katten? Vindt u een dergelijke uitvoering voldoende? Zo ja, waarom?
In artikel 22, sub b, van de Habitatrichtlijn is bepaald dat lidstaten er op toe zien dat de opzettelijke introductie in de vrije natuur van een niet-inheemse soort aan voorschriften wordt gebonden. In artikel 3.34 van de Wet natuurbescherming is ter implementatie hiervan een algemeen verbod opgenomen om dieren uit te zetten. Huiskatten zijn gehouden dieren en leven niet in het wild/de vrije natuur. Het houden van huisdieren, en deze buiten laten lopen, is niet te scharen onder het opzettelijk introduceren of uitzetten in de vrije natuur.
De monitoring als bedoeld in artikel 12, vierde lid, van de Habitatrichtlijn ziet op dieren van beschermde soorten van communautair belang die bij toeval worden gedood. Als het bij toeval doden van dieren van deze soorten een significante weerslag heeft op de betrokken soort, kan dat aanleiding zijn om instandhoudingsmaatregelen te treffen. Het is niet mogelijk om vast te stellen dat het incidenteel doden van dieren door katten een significante weerslag heeft op beschermde soorten, waardoor er geen aanleiding is om maatregelen te treffen.
Hoe legt u de term «opzettelijk» uit, gebruikt in artikel 12, eerste lid van de Habitatrichtlijn, en in artikel 5 van de Vogelrichtlijn?
Het Europese Hof van Justitie heeft in zijn jurisprudentie bepaald dat aan de in artikel 12, lid 1, sub a, van de richtlijn voorkomende voorwaarde inzake opzet slechts is voldaan indien degene die de handeling heeft verricht de vangst of de dood van een specimen van een beschermde diersoort heeft gewild, althans de mogelijkheid van die vangst of dood heeft aanvaard. De Europese Commissie geeft op basis van die jurisprudentie van het Hof van Justitie de volgende definitie: «opzettelijke» handelingen zijn handelingen van een persoon die weet, in het licht van de relevante wetgeving dat van toepassing op de betreffende soort, en de algemene informatie die de overheid geeft, dat zijn handeling hoogstwaarschijnlijk leidt tot een overtreding tegen een soort, en hij die overtreding heeft gewild, of, indien dat laatste niet het geval is, hij bewust de voorzienbare gevolgen van zijn handeling aanvaardt. In dit laatste geval is er sprake van voorwaardelijk opzet.
Welke diersoorten, genoemd in bijlage IV, onder a, van de Habitatrichtlijn lopen in het bijzonder een risico op het bij toeval vangen of doden door katten en hoe heeft u het toezichtsysteem dat de Habitatrichtlijn vereist zodanig ingericht dat juist deze diersoorten adequaat worden beschermd tegen dergelijk vangen en doden?
Uit onderzoek op Schiermonnikoog naar het gedrag en de predatie door verwilderde katten is gebleken dat met name kleine zoogdieren (haas, konijn) door een kat worden gepredeerd. Deze soorten worden niet genoemd in bijlage IV bij de Habitatrichtlijn. De diersoorten genoemd in bijlage IV, onder a, van de Habitatrichtlijn lopen slechts een sporadisch risico om door een kat te worden gevangen of gedood. Verder verwijs ik u naar mijn antwoord bij 5.
Op welke manier heeft u in de praktijk uitvoering gegeven aan artikel 2 en artikel 5 van de Richtlijn 2009/147/EG (Vogelrichtlijn)? Kunt u daarbij in het bijzonder ingaan op de uitwerking daarvan met betrekking tot katten? Vindt u een dergelijke uitvoering voldoende? Zo ja, waarom?
Artikel 2 van de Vogelrichtlijn verplicht lidstaten tot het nemen van alle nodige maatregelen om de populatie van alle natuurlijk in het wild levende vogelsoorten op een niveau te houden of te brengen dat met name beantwoordt aan de ecologische, wetenschappelijke en culturele eisen, waarbij zij tevens rekening houden met economische en recreatieve eisen. Artikel 5 van de Vogelrichtlijn en artikel 12, eerste lid, van de Habitatrichtlijn verplichten lidstaten tot het treffen van de nodige maatregelen voor de instelling van een systeem van strikte bescherming van alle natuurlijk in het wild levende vogelsoorten (Vogelrichtlijn) en de in bijlage IV, letter a) van de Habitatrichtlijn, vermelde diersoorten in hun natuurlijke verspreidingsgebied. Ter implementatie van deze bepalingen bepaalt artikel 1.12 van de Wet natuurbescherming dat de provincies tezamen zorgdragen voor het nemen van de nodige natuurmaatregelen, onder meer in de vorm van de realisatie van het Natura 2000-netwerk en het Natuurnetwerk Nederland en het voeren van actief soortenbeleid. Het is daarbij in beginsel aan provincies om – indien zij dat nodig achten – in hun beleid rekening te houden met het vangen en doden van dieren door katten.
Er zijn geen onderzoeken die aantonen dat (predatie door) loslopende huiskatten en verwilderde katten van invloed zijn op de gunstige staat van instandhouding van soorten die op grond van Habitat- en Vogelrichtlijn dienen te worden beschermd. Ik ben daarom van mening dat de uitvoering voldoet.
Op welke wijze geeft u gehoor aan de resultaatverplichting, zoals verwoord in verschillende uitspraken van het Hof van Justitie van de Europese Unie (HvJEU), om soorten waarvoor een of meer Natura 2000-gebieden zijn aangewezen te beschermen of te herstellen? In hoeverre houdt u daarbij rekening met het vangen en doden van diersoorten door katten?2
Zie antwoord vraag 8.
Maakt u bij de bescherming van inheemse diersoorten onderscheid tussen de huiskat (met eigenaar) en de verwilderde huiskat? Zo ja, waaruit blijkt dat onderscheid? Zo nee, waarom niet?
Nee. Voor de goede orde zij opgemerkt dat de (verwilderde) huiskat geen beschermde soort is (zie ook mijn antwoord op vraag 4). Voor wat betreft de bescherming van andere soorten maakt het in beginsel niet uit of deze soorten negatieve effecten ervaren van huiskatten of verwilderde katten. Bij het eventueel nemen van maatregelen kunnen de verschillen tussen huiskatten en verwilderde katten uiteraard wel een rol van betekenis spelen.
Hoe is in Nederland de (landelijke) ontheffing van Trap-Neuter-Return-programma’s geregeld? Op welke manier verhoudt die ontheffing zich tot de juiste uitvoering van de relevante bepalingen in de Habitat- en Vogelrichtlijn?
Bij Trap-Neuter-Return methode worden verwilderde katten gevangen, gesteriliseerd en weer terug geplaatst op de plek waar ze zijn gevangen. Voor het terugplaatsen is een ontheffing nodig op grond van artikel 3.34 van de Wet natuurbescherming (dit is de implementatie van art 22 sub b van de Habitatrichtlijn – zie mijn antwoord op vraag 5). Dit is een bevoegdheid van de provincies. Er is geen landelijke ontheffing.
Afhankelijk van de specifieke lokale problematiek wordt er door sommige provincies ontheffing verleend voor afschot van verwilderde katten, als andere alternatieven geen oplossing bieden.
Deelt u de mening van het Nederlandse kantoor van de Europese Commissie dat tegen het laten loslopen van katten niet hoeft te worden opgetreden? Zo ja, waarom en welke alternatieven ziet u dan om aan de Europese verplichtingen te voldoen? Zo nee, welke mening bent u dan wel toegedaan?3
Ja, die mening deel ik. Er zijn geen onderzoeken die aantonen dat (predatie door) loslopende huiskatten en verwilderde katten van invloed zijn op de gunstige staat van instandhouding van soorten die op grond van Habitat- en Vogelrichtlijn dienen te worden beschermd. Een verbod op het laten loslopen van huiskatten acht ik derhalve niet nodig.
Kunt u deze vragen afzonderlijk en uitgebreid beantwoorden?
Voor zover mogelijk heb ik dat hierboven gedaan.
Het bericht ‘European Banking Authority plans overhaul of EU bank stress test' |
|
Aukje de Vries (VVD) |
|
Wopke Hoekstra (minister financiën) (CDA) |
|
|
|
|
Bent u bekend met het bericht «European Banking Authority plans overhaul of EU bank stress test»?1
Ja.
Bent u bekend met de extra speelruimte die banken krijgen om zichzelf te controleren onder de geplande voorstellen van de Europese Bankenautoriteit?
Het discussiepaper van de Europese Bankenautoriteit (EBA) waar het artikel over gaat, consulteert mogelijke aanpassingen van de stresstest.2 Eén van de ideeën is dat de stresstest voortaan uit twee componenten bestaat:
De toezichtcomponent («supervisory leg») die dient als startpunt voor toezichtbeslissingen en het vaststellen van kapitaaleisen. De toezichthouder is «eigenaar» van deze stresstest. De toezichthouder controleert projecties op basis van toezichtmodellen en horizontale vergelijkingen tijdens een intensief proces van kwaliteitsborging.
De bankcomponent («bank leg») bevat minder restricties en geeft meer ruimte om met eigen modellen de projecties te berekenen. De gedachte is dat hiermee beter kan worden aangesloten bij de specifieke risico’s die een bank loopt. De bank is «eigenaar» van deze stresstest.
Dit idee van twee «componenten» betekent niet dat banken een geheel eigen methodologie mogen volgen. Een gemeenschappelijke methodologie en scenario blijven het uitgangspunt voor beide componenten. De bankcomponent kan wel «flexibeler» worden beschouwd omdat banken meer mogelijkheid krijgen om op bepaalde punten af te wijken van de voorgeschreven gemeenschappelijke methodologie. De toezichtcomponent biedt daarentegen meer mogelijkheid om de projecties van banken aan te passen of te vervangen. Indien de uitkomst van de stresstest van de bankcomponent verschilt van die van de toezichthouder, dient de bank een verklaring te geven voor dat verschil in uitkomst. De toezichtcomponent («supervisory leg») dient nog steeds als startpunt voor toezichtbeslissingen en het vaststellen van kapitaaleisen.
Voorts bevat het discussiepaper een aantal andere ideeën, waaronder ook extra openbaarmaking. Zo doet de EBA onder andere de suggestie om bepaalde bankspecifieke verwachtingen openbaar te maken («Pillar 2 Guidance»). Daarbij wil ik benadrukken dat het discussiepaper enkel nog een publieke consultatie is. Door EBA is aangegeven dat, mocht na de consultatie blijken dat de voorgestelde aanpassingen van het huidige raamwerk weinig voordelen of zelfs nadelen meebrengen, ze niet zullen worden uitgevoerd. De nieuwe benadering zal op zijn vroegst vanaf 2022 worden toegepast. De eerstvolgende stresstest vindt dit jaar plaats, waarvoor EBA onlangs scenario’s presenteerde met forse schokken op onder meer bbp, werkloosheid, aandelen en vastgoed.3
Kunt u een appreciatie geven van de herziening zoals hier in dit artikel beschreven?
Zie antwoord vraag 2.
Hoe verhoudt zich dit tot uw antwoorden op Kamervragen van 18 december 2018, waarin u aangeeft dat u goed toezicht belangrijk vindt?2
In de antwoorden op de Kamervragen van 18 december 2018 schreef ik dat ik «goed toezicht» op de bankensector in alle gevallen belangrijk vind.5 Dit standpunt geldt nog steeds.
Stresstesten geven inzicht in de weerbaarheid van een bank tegen financiële en economische schokken. Daarmee vormen stresstesten een waardevolle informatiebron voor de markt. Ook zijn stresstesten een belangrijk onderdeel voor de jaarlijkse kapitaalbeoordeling van individuele banken door de toezichthouder (ook wel de «Supervisory Review and Evaluation Process», SREP).6
De effectiviteit en geloofwaardigheid van de uitkomst van een stresstest hangen sterk af van de stevigheid van schokken en van de groep banken. Mijns inziens is het belangrijk dat specifieke risico’s en eventuele kwetsbaarheiden van banken zo goed mogelijk worden geïdentificeerd. Daarom is het van belang dat stresstesten zo dicht mogelijk aansluiten bij de daadwerkelijke risico’s. Dit, tezamen met meer transparantie en controle door toezichthouders, zie ik als een mogelijkheid om te komen tot betere stresstesten.
Welke mogelijkheden ziet u om te komen tot betere stresstests?
Zie antwoord vraag 4.
Deelt u de mening dat extra speelruimte en daarmee verzwakking van de stresstest niet wenselijk is en dat juist verscherping van de stresstest noodzakelijk is? Zo nee, waarom niet?
Het nieuwe kader dat EBA consulteert zou er op gericht zijn om de EU-stresstest informatiever, flexibeler en kosteneffectiever te maken. Zoals in mijn antwoord op vragen 2, 3 en 8 is aangegeven, krijgen banken weliswaar de mogelijkheid om op bepaalde punten van de gemeenschappelijke methodologie af te wijken, maar krijgen toezichthouders tegelijkertijd meer mogelijkheden om de projecties van banken aan te passen indien zij dat nodig achten. Dit laatste leidt naar verwachting tot beter vergelijkbare uitkomsten tussen banken bij de toezichtcomponent. Daarnaast kan het loslaten van bepaalde methodologische aannames in de bankcomponent mogelijk een realistischer beeld van de weerbaarheid van individuele banken geven. Ook bij dit idee van twee «componenten» geldt nog steeds dat de toezichtcomponent («supervisory leg») dient als startpunt voor toezichtbeslissingen en het vaststellen van kapitaaleisen. Daarom is het niet mijn beeld dat de stresstest als instrument wordt verzwakt.
Deelt u de mening dat geloofwaardige en realistische stresstests van uitermate groot belang zijn voor de financiële stabiliteit en een geloofwaardig toezicht op de Europese bankensector? Zo nee, waarom niet?
Ja.
Kunt u aangeven wat wordt bedoeld met flexibeler maken van de EU-brede stresstest, aldus het citaat van José Manuel Campa in het artikel?
Zie antwoord vraag 2.
Worden de opmerkingen van José Manuel Campa nog ergens besproken in een Europees gremium? Zo nee, waarom niet? Zo ja, waar dan? Worden de onderliggende gesignaleerde problemen en kwesties ergens besproken?
Het discussie paper wordt openbaar geconsulteerd zodat een ieder kan reageren. De stresstesten van EBA worden besproken in verschillende Europese gremia, onder andere in comités onder de Raad. Daarnaast wordt op verschillende niveaus binnen EBA gewerkt aan de voorbereiding en uitvoering van stresstesten. De Nederlandsche Bank (DNB) is binnen EBA aangesloten bij dit werk.
De Rotterdamse klimaatplannen |
|
Alexander Kops (PVV) |
|
Eric Wiebes (minister economische zaken en klimaat) (VVD), Raymond Knops (staatssecretaris binnenlandse zaken en koninkrijksrelaties) (CDA) |
|
|
|
|
Bent u bekend met de Nieuwsuur-uitzending van 21 januari 2020, waarin GroenLinks-wethouder Bonte zegt dat Rotterdam over tien jaar 100.000 woningen van het gas af en de CO2-uitstoot gehalveerd wil hebben?1
Ja.
Deelt u de mening dat dit onmogelijk, onzinnig en onbetaalbaar is? Zo nee, waarom niet?
Nee, deze mening deel ik niet.
In het Klimaatakkoord is afgesproken dat de gemeente, met betrokkenheid van stakeholders, uiterlijk in 2021 het tijdspad vastlegt en benoemt in welke wijken de gemeente voor 2030 aan de slag gaat met de energietransitie in de gebouwde omgeving. Ook het planmatig isoleren van woningen en andere gebouwen kan onderdeel uitmaken van deze aanpak. Inzet is dat de plannen van gemeenten in de Transitievisies Warmte optellen tot het doel van 1,5 miljoen woningen en andere gebouwen die tot en met 2030 verduurzaamd worden. Daarmee wordt een belangrijke stap gezet om richting 2050 alle gebouwen de overgang te laten maken van aardgas naar duurzame warmtebronnen.
Rotterdam bereidt zich voor op deze stappen. Navraag bij de gemeente Rotterdam leert dat Rotterdam voor 2030 85.000 gebouwen wil verduurzamen. De 12 verkenningen die de gemeente dit jaar gaat uitvoeren moeten inzicht geven in wat daarvoor nodig is. Op basis daarvan stelt de gemeente in 2021 een Transitievisie Warmte op. Deze toont de wijken waar voor 2030 een aanpak start om de gebouwde omgeving te verduurzamen. Naast het verduurzamen van de gebouwde omgeving zet Rotterdam in op verduurzaming van de haven, de mobiliteit en op de opwek van duurzame energie.
Bent u bekend met het eerder door de Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties gegeven schriftelijke antwoord dat «gemeenten [...] geen wettelijke grondslag [hebben] om huiseigenaren te dwingen van het aardgas af te gaan»?2 Op grond waarvan worden in stadsdeel IJsselmonde momenteel koopwoningen van het gas afgehaald? Hebben de huiseigenaren hiermee ingestemd? Hebben zij dit kunnen weigeren?
Ja, daar ben ik mee bekend.
Navraag bij de gemeente Rotterdam leert dat in IJsselmonde gebouweigenaren kunnen kiezen uit verschillende opties: ze kunnen overstappen op stadsverwarming en/of elektrisch koken, zelf aan de slag gaan met een alternatief voor aardgas in hun woning of ervoor kiezen om voorlopig aardgas te blijven gebruiken. Niemand wordt gedwongen mee te doen.
Hoeveel «klimaateffect» behalen de Rotterdamse klimaatplannen? Wat is daarvan het effect op de temperatuur van de aarde? Kunt u een onderbouwde berekening verstrekken? Zo nee, waar is deze klimaatonzin naar uw mening dan feitelijk goed voor?
De DCMR Milieudienst Rijnmond heeft het Rotterdamse klimaatakkoord doorgerekend.3 Uit de doorrekening blijkt dat de in het Rotterdams Klimaatakkoord opgenomen maatregelen in de gebouwde omgeving in 2030 een verwachte CO2-reductie opleveren van 0,15 megaton. DCMR heeft niet het effect van de maatregelen op de temperatuur van de aarde berekend.
De gebouwde omgeving is verantwoordelijk voor 32% van het totale energiegebruik in Nederland en hiervoor wordt in circa 90% van de gevallen nog aardgas gebruikt. De voorstellen in het Klimaatakkoord voor de gebouwde omgeving moeten bijdragen aan een reductie van de CO2-uitstoot van 3,4 Mton in 2030 ten opzichte van het basispad. Dit is een aanzienlijke reductie voor de gebouwde omgeving, waar ook Rotterdam aan wil bijdragen. Het is duidelijk dat de bijdrage van een individuele gemeente zoals Rotterdam op wereldniveau niet groot is. Door in alle gemeenten en sectoren maatregelen te nemen kan Nederland haar deel van de opgave realiseren en bijdragen aan het halen van de doelstellingen van het Klimaatakkoord van Parijs. Bovendien kan de transitie naar aardgasvrij leiden tot een duidelijke verbetering van het wooncomfort en de directe leefomgeving van bewoners.
Bent u bekend met de studie «Onder de pannen zonder gas» van het Sociaal en Cultureel Planbureau?3 Deelt u de conclusie van het SCP «dat er onder burgers het gevoel leeft dat aardgasvrij wonen iets is wat zij opgelegd krijgen – wat feitelijk ook het geval is – zonder dat zij daarover iets te zeggen hebben gehad»? Zo nee, waarom niet?
Ik ben bekend met deze studie van het Sociaal en Cultureel Planbureau. Ik heb hierover eerder Kamervragen beantwoord (Kamerstukken 2019/2020, aanhangsel 345), waarnaar ik kortheidshalve verwijs.
Bent u bereid het Klimaatakkoord en alle andere (gemeentelijke) klimaatplannen onmiddellijk door de shredder te trekken? Zo nee, waarom niet?
Nee, daartoe ben ik niet bereid. Samen met betrokken partijen ga ik door met de uitwerking van het Klimaatakkoord voor de gebouwde omgeving. Gemeenten spelen een belangrijke rol bij de realisatie van de klimaatdoelstellingen. Gemeenten geven samen met bewoners en andere stakeholders invulling aan de wijze van verduurzaming van de gebouwde omgeving. Het debat hierover vindt plaats in de gemeenteraad.
Gedetineerde asielzoekers in hongerstaking op Curaçao |
|
Nevin Özütok (GL) |
|
Raymond Knops (staatssecretaris binnenlandse zaken en koninkrijksrelaties) (CDA) |
|
|
|
|
Kent u het bericht dat een groep van twaalf Venezolaanse asielzoekers die op Curaçao in vreemdelingenbewaring verblijven in hongerstaking zijn gegaan?1 Zo ja, wat is op dit moment hun toestand en weet u of zij de medische zorg krijgen die nodig is?
Ik ken het bericht. Het is van belang om te benadrukken dat Curaçao geen asielprocedure kent, maar dat individuen een verzoek tot bescherming kunnen doen, op grond van artikel 3 EVRM. De autoriteiten van Curaçao hebben aangegeven dat de betreffende groep de benodigde medische zorg reeds heeft ontvangen, ook in lijn met de protocollen die Curaçao bij hongerstakingen in de vreemdelingenbewaring hanteert. De autoriteiten van Curaçao hebben mij verzekerd dat de medische toestand van deze personen goed is.
De autoriteiten van Curaçao hebben mij verder laten weten in gesprek te zijn met non-gouvernementele organisaties om voor een aantal van de betreffende personen opvang elders te organiseren. Bij deze gesprekken vormt volgens de autoriteiten van Curaçao medische zorg een belangrijk aandachtspunt.
Klopt het dat zij al meer dan acht maanden onder barre omstandigheden en soms tussen veroordeelde gedetineerden in het strafgedeelte van de Curaçaose gevangenis zitten? Zo ja, deelt u de mening dat dit in strijd is met internationaal erkende mensenrechten en zo snel mogelijk moet worden aangepakt?
Het Ministerie van Justitie van Curaçao heeft het doel gesteld om vreemdelingen zo kort mogelijk in de bewaring te laten verblijven. De autoriteiten van Curaçao hebben mij wel gemeld dat de betreffende personen langer dan 8 maanden in de vreemdelingenbewaring in en bij het SDKK verbleven. De autoriteiten van Curaçao hebben tevens gemeld dat een aantal vrouwen in een apart blok binnen de SDKK zijn ondergebracht. Dit blok is inmiddels door Curaçao aangewezen als een cellenblok voor vreemdelingenbewaring. De autoriteiten van Curaçao hebben mij verzekerd dat deze vrouwen, die een verzoek tot bescherming hebben gedaan of door Curaçao gereed gehouden worden voor terugkeer, niet in contact komen met gedetineerden. De autoriteiten van Curaçao stellen daarnaast dat de mannen die deel uitmaken van de betreffende groep, alleen zijn ondergebracht in de vreemdelingenbewaring bij het SDKK.
Het is aan de autoriteiten en de rechterlijke macht van Curaçao om in eventueel voorkomende gevallen te beoordelen in hoeverre de omstandigheden van vreemdelingen in bewaring op gespannen voet staan met nationale en/of internationale verplichtingen.
Bent u bereid om de Curaçaose autoriteiten aan te spreken op de omstandigheden waaronder Venezolaanse asielzoekers worden behandeld? En bent u bereid om een concreet hulpaanbod te doen, om te voorkomen dat vluchtelingen onterecht worden gedetineerd en uitgezet? Zo nee, waarom niet?
Op verzoek (kenmerk: 2020Z00291) van leden van de vaste commissie Koninkrijksrelaties uit de Tweede Kamer die begin januari 2020 deel uitmaakten van de Nederlandse delegatie bij het IPKO, sprak ik al met de Minister van Justitie van Curaçao over langdurig verblijf in de vreemdelingbewaring bij het SDKK. Hierover heb ik uw Kamer per brief geïnformeerd.2 Het is aan de autoriteiten van Curaçao en aan de rechterlijke macht in Curaçao om te beoordelen in hoeverre vreemdelingen onterecht in vreemdelingenbewaring worden gesteld of terecht worden uitgezet. Nederland levert ondersteuning aan Curaçao bij het optimaliseren van de vreemdelingenketen en bij het verbeteren van materiële en immateriële condities in de vreemdelingenbewaring.
Het rapport van WOinActie ‘Inventarisatie omvang en gevolgen van structureel overwerk aan de Nederlandse universiteiten’ |
|
Lisa Westerveld (GL), Wim-Jan Renkema (GL), Frank Futselaar (SP) |
|
Tamara van Ark (staatssecretaris sociale zaken en werkgelegenheid) (VVD), Ingrid van Engelshoven (minister onderwijs, cultuur en wetenschap) (D66) |
|
|
|
|
Heeft u kennisgenomen van het feit dat ruim 700 universiteitsmedewerkers collectief melding hebben gemaakt van de werkomstandigheden bij de Inspectie SZW?
Ja.
Heeft u kennisgenomen van het feit dat de desbetreffende medewerkers structureel ruim één derde boven hun reguliere contractomvang onbetaald overwerken?
Ik heb begrepen dat de desbetreffende medewerkers melding hebben gemaakt van structureel overwerk boven hun reguliere contractomvang. Het is aan de Inspectie SZW om te onderzoeken of dit inderdaad het geval is.
Wat is de huidige wet- en regelgeving omtrent onbetaald overwerk? Is het wettelijk toegestaan om structureel gemiddeld 12 tot 15 uur per week extra onbetaald over te werken en dit tevens niet te kunnen compenseren met verlofdagen?
Als het gaat om de uitbetaling van gewerkte (over-)uren door werknemers, is de Wet minimumloon en vakantiebijslag (Wml) van toepassing. Op grond van deze wet is de werkgever verplicht voor ieder gewerkt uur gemiddeld minstens het wettelijk minimumloon te betalen. Indien daarover in de van toepassing zijnde cao en arbeidsovereenkomst afspraken zijn opgenomen bestaat de mogelijkheid om overwerk te compenseren in betaalde vrije tijd. Boven de verplichting uit de Wml wordt de definiëring en betaling en/of compensatie van overuren overgelaten aan het (cao-)overleg tussen werkgevers en werknemers. Een werkgever mag dus niet in strijd komen met de Wml, met de cao, of met hetgeen hij met de werknemer is overeengekomen. Daarnaast kan een medewerker die structureel meer uren werkt dan in zijn of haar arbeidsovereenkomst is overeengekomen een verzoek doen voor een verhoging van zijn of haar arbeidsomvang. In het Burgerlijk Wetboek is namelijk het rechtsvermoeden opgenomen dat deze overuren tot je arbeidsomvang behoren als je langer dan 3 maanden zoveel werkt.
Als het gaat om het maximaal te werken aantal uren geldt in beginsel de Arbeidstijdenwet (Atw). Daarin staan de gebruikelijke normen, zoals maximaal 12 uur arbeid per dienst en een gemiddelde arbeidsduur per week van maximaal 48 uur. Het is aan de Inspectie SZW om te beoordelen of deze normen worden nageleefd. Hieraan dient nog wel te worden toegevoegd dat de normen van de Atw niet van toepassing zijn op werknemers, wier jaarlijks in geld vastgesteld loon driemaal het wettelijk minimumloon of meer bedraagt.
Dit alles laat onverlet dat een werkgever op grond van de Arbowet de verplichting heeft om maatregelen te treffen om psychosociale arbeidsbelasting te voorkomen of in ieder geval te beperken. Daarnaast dient de werkgever zich als goed werkgever te gedragen. Ook dit begrip dient een belangrijke rol te spelen, juist in gevallen dat er in het arbeidscontract of in de cao geen duidelijke afspraken zijn vastgelegd over overwerk en de wijze van compensatie daarvan. Overigens dient in een dergelijke situatie ook de medewerker zich als goed werknemer te gedragen, bijvoorbeeld door ook zelf zijn grenzen goed in de gaten te houden en tijdig aan te geven wanneer die in zicht beginnen te komen. Ook de medezeggenschap heeft hierbij een taak.
Deelt u de mening dat de overheid een voorbeeldfunctie heeft rondom het naleven van arbeidsvoorwaarden en acceptabele werkdruk? Zo ja, wat vindt u ervan dat universiteitsmedewerkers dusdanig op hun tandvlees lopen? Zo nee, waarom niet?
Iedere werkgever moet maatregelen treffen om psychosociale arbeidsbelasting te voorkomen of in ieder geval te beperken, zo ook de overheid. Universiteiten zijn overigens geen overheid, maar zelfstandige instellingen die door de overheid bekostigd worden. Er wordt door steeds meer partijen aandacht besteed aan werk- en prestatiedruk.
Wat is volgens u de oorzaak van de hoge werkdruk onder universiteitsmedewerkers en een navenante cultuur van structureel overwerk?
In de Strategische agenda hoger onderwijs en onderzoek «Houdbaar voor de toekomst» (Kamerstuk 31 288, nr. 797) ben ik ingegaan op een aantal van de oorzaken waaronder hoge aanvraagdruk, meer onderwijstaken door de stijgende studentenaantallen en een dominante onderzoekscultuur.
Bent u het met de indieners eens dat de hoge werkdruk onder universiteitsmedewerkers een structureel probleem betreft? Zo ja, welke nieuwe acties gaat u als stelselverantwoordelijke concreet ondernemen om de werkdruk in het wetenschappelijk onderwijs en onderzoek te verlagen? Zo nee, waarom blijven nieuwere concrete acties uit?
In de Strategische Agenda hoger onderwijs en onderzoek heb ik aangegeven dat ik zie dat het systeem van het hoger onderwijs en onderzoek onder druk staat.
Meer samenwerking zal leiden tot minder overlap, meer synergie en minder onnodige onderlinge competitie en verdringing. Dat moet meer rust brengen in het hoger onderwijs en onderzoek. Ik ga de samenwerking in onderwijs en onderzoek onder andere langs de volgende lijnen stimuleren:
Het aanpassen van de onderwijs- en onderzoeksbekostiging (meer balans tussen vaste en variabele deel);
Het krachtig doorzetten van sectorplannen;
Beleid om de aanvraagdruk omlaag te brengen;
Meer vaste contracten en meer waardering voor onderwijs, impact en teamscience.
Wat vindt u van de oplossingsrichting van WOinActie om meer personeel aan te stellen en meer uren toe te kennen aan onderwijsactiviteiten?
Van instellingen mag verwacht worden dat zij omstandigheden creëren waarin signalen over verkeerde inschatting van onderwijsuren tijdig herkend worden en serieus worden genomen. De personeelsgeleding van de medezeggenschap en het lokale vakbondoverleg kunnen hier een belangrijke bijdrage aan leveren. In het onderzoek van het Ministerie van OCW naar de toereikendheid van het macrobudget zal tevens aandacht worden besteed aan de vraag of de gewenste kwaliteit te verzorgen is onder acceptabele omstandigheden. Zie ook het antwoord op vraag 5 en 6.
Bent u ervan op de hoogte dat ruim 40% van het wetenschappelijke personeel in Nederland werkt op basis van tijdelijke contracten? Vindt u dat wenselijk en zo ja, waarom? Zo nee, wat is uw streefcijfer en binnen welk tijdspad moet dit aandeel omlaag worden gebracht? Wat is uw rol als bewindspersoon in het omlaag brengen van het aantal tijdelijke contracten?
Dat is ons bekend. Dit percentage van ruim 40% gaat over het gehele personeel bij de universiteiten, dus met inbegrip van OBP, post-docs en de promovendi. Hoewel het Ministerie van OCW niet de werkgever is, proberen we wel deze trend te keren, door minder concurrentie en meer samenwerking te stimuleren. Meer stabiliteit in de bekostiging zal bijdragen aan minder flexibele contracten. Daarvoor is dit jaar een eerste stap gezet door de vaste voet in de bekostiging te vergroten.
En zoals aangekondigd in de strategische agenda «houdbaar voor de toekomst», gaat de Minister van OCW met de instellingen in gesprek over meer vaste dienstverbanden en wordt er bij instellingen op aangedrongen dat zij hier werk van maken. De Minister van OCW wil met de VSNU in bestuurlijk overleg afspraken maken over het verminderen van de flexibele contracten.
Ook gaat de Minister van OCW de VSNU en haar leden vragen zich te verdiepen in de vraag waarom de ene Nederlandse universiteit het zoveel beter doet dan de andere universiteit op het gebied van flexibele contracten.
Omdat de arbeidsvoorwaarden gedecentraliseerd geregeld zijn is dit een onderwerp voor sociale partners in het cao overleg. In de cao-Nederlandse universiteiten is in 2015 een afspraak gemaakt om het percentage tijdelijke dienstverbanden bij het WP terug te brengen. De universiteiten hebben het percentage binnen de WP-categorieën hoogleraren, universitair hoofddocenten, universitair docenten en docenten terug gebracht naar 22% in 2016 conform cao-afspraak en naar 18% in 2018. Hierbij zijn promovendi en post-docs buiten beschouwing gelaten omdat deze functies per definitie tijdelijk zijn.
Kunt u een overzicht met de Kamer delen over het aandeel vaste- en flex-contracten binnen universiteiten van de afgelopen twintig jaar?
jaar
percentage
17
17
21
22
21
21
21
22
23
24
jaar
percentage
26
26
25
26
27
28
28
28
27
27
Bron: WOPI (VSNU)
Bent u bereid om de Inspectie SZW opdracht te geven een onderzoek in te stellen naar de werkomstandigheden waarin onder meer de normurensystematiek en «grijs verzuim» onderzocht wordt?
De inspectie SZW heeft de melding van WO in Actie in behandeling genomen. De inspectie SZW zal deze in volle omvang betrekken bij de reeds geplande inspecties bij de 14 Nederlandse universiteiten (naar aanleiding van een eerdere rapportage van het Landelijk Netwerk Vrouwelijke Hoogleraren waarin onder meer melding werd gemaakt van structurele ongewenste omgangsvormen richting vrouwelijke hoogleraren). In de inspecties zal ook de in de melding genoemde normurensystematiek en het grijs verzuim aan de orde zijn.
Kunt u bovenstaande vragen één voor één uitgebreid beantwoorden?
Een rechterlijke uitspraak over het Haga Lyceum |
|
Jasper van Dijk (SP) |
|
Arie Slob (minister onderwijs, cultuur en wetenschap) (CU) |
|
|
|
|
Wat is uw oordeel over het bericht «Rechter begrenst overheid opnieuw»?1
In de casus Cornelius Haga Lyceum ben ik in hoger beroep gegaan. Ik wil lopende het beroep niet inhoudelijk op de zaak ingaan. Dat een onafhankelijke rechter oordeelt over de rechtmatigheid van overheidshandelen is een groot goed, dat we moeten koesteren.
Erkent u dat het door u geliefde artikel 23 van de Grondwet daadkrachtig optreden tegen het bestuur van het Haga Lyceum onmogelijk maakt? Zo ja, wat gaat u daartegen ondernemen?
U veronderstelt ten onrechte dat artikel 23 Grondwet ten grondslag ligt aan het gewezen vonnis. Dat is grotendeels onjuist. Het gaat in deze zaak onder andere om de wetgeving met betrekking tot burgerschapsonderwijs, die de opdracht aan scholen om burgerschap te bevorderen bevat. Zoals u weet is de regering van mening dat die wetgeving moet worden verduidelijkt. Het desbetreffende wetsvoorstel heb ik reeds aan uw Kamer gezonden, zoals ook is afgesproken in het regeerakkoord.
Deelt u de mening dat de (Grond)wet moet worden aangescherpt? Op welke manier en op welke termijn gaat u dit doen?
Zie antwoord vraag 2.
Deelt u de mening dat antidemocratisch onderwijs ontoelaatbaar is? Op welke manier gaat u voorkomen dat dit soort onderwijs aan de orde kan zijn?
Onderwijs in strijd met de basiswaarden van de democratische rechtsstaat, zijn in strijd met een wettelijk voorschrift en kan als zodanig gesanctioneerd worden door de bekostiging op te schorten of in te houden. Zoals in mijn antwoorden op de vragen 2 en 3 is aangegeven, is de regering van mening dat de burgerschapsopdracht moet worden verduidelijkt. Ik heb uw Kamer eerder ook geïnformeerd over mijn voornemens met het wetsvoorstel bestuurlijk instrumentarium (Kamerstuk 33 905, nr. 14). Daarnaast is ook het Wetsvoorstel ter verruiming van de mogelijkheden tot het verbieden van rechtspersonen bij uw Kamer ingediend (Kamerstuk 35 366).
Deelt u de mening dat bestuurders sneller ontslagen moeten kunnen worden, conform de aangenomen motie?2Wanneer voert u deze motie uit?
Zie antwoord vraag 4.
Het niet verstrekken van een volmacht door de Nationaal Coördinator Groningen (NCG) voor betalingen van versterkingsprojecten |
|
Sandra Beckerman (SP) |
|
Raymond Knops (staatssecretaris binnenlandse zaken en koninkrijksrelaties) (CDA), Eric Wiebes (minister economische zaken en klimaat) (VVD) |
|
|
|
|
Bent u op de hoogte van het feit dat mensen in Groningen niet kunnen starten met de versterking doordat er geen depotovereenkomsten getekend kunnen worden?1
Nee. Er was geen sprake van het niet kunnen starten van de versterking. Zie verder bij antwoord 3.
Wie heeft de volmacht om depotovereenkomsten te tekenen in het aardbevingsgebied?
Het BZK mandaatbesluit heeft dezelfde mandaten, volmachten en machtigingen overgenomen als die de NCG ook bij EZK had. Dat betekent dat de NCG bevoegd is ten aanzien van de aangelegenheden die dat dienstonderdeel betreffen, waaronder het sluiten van depotovereenkomsten.
Wat is er precies veranderd sinds 1 januari 2020 bij het sluiten van depotovereenkomsten?
Tot 1 januari 2020 was NAM – als opdrachtgever van het Centrum Veilig Wonen – in principe de partij die depotovereenkomsten aanging met bewoners voor de versterking van hun woning. Per 1 januari 2020 is de Nationaal Coördinator Groningen de uitvoeringsorganisatie voor de versterkingsoperatie in Groningen en daarmee is een einde gekomen aan de directe betrokkenheid van NAM. Dit is in lijn met de inspanningen om NAM op afstand te zetten van het schadeherstel en de versterkingsopgave.
Het gevolg van die handeling is dat sinds 1 januari 2020 niet NAM maar de NCG de depotovereenkomsten voor de versterking aangaat met de bewoners. Momenteel wordt de laatste hand gelegd aan het publiek maken van dit instrument. Totdat het zo ver is gaf de NCG de voorkeur aan een voorschotbetaling.
In een aantal gevallen hebben bewoners die al in een vergevorderd stadium waren gevraagd of er toch geen mogelijkheid zou zijn om vooruitlopend op de definitieve inrichting met een depot te werken. Dat is alsnog mogelijk gemaakt. Ik hecht eraan om te benadrukken dat er geen sprake is geweest van het niet kunnen starten van de versterking.
Wie heeft bepaald dat de NCG niet meer bevoegd is depotovereenkomsten te sluiten? Wat is daar de reden van?
De lopende trajecten worden onder auspiciën van de NCG voortgezet. Zoals bij antwoord 3 aangegeven is de NCG bevoegd om depotovereenkomsten met bewoners aan te gaan.
Wat geldt er voor de gevallen die voor 1 januari 2020 een depotovereenkomsttoezegging hadden, maar deze nog niet voor deze datum gesloten hebben?
Zie antwoord vraag 4.
Hoe gaat u ervoor zorgen dat mensen die hiermee te maken hebben toch al in januari kunnen starten met de versterking van hun huis?
Zie het antwoord op vraag 3.
Kunt u de vragen voor het algemeen overleg Mijnbouw/Groningen op 6 februari 2020 beantwoorden?
Ja.
Het bericht ‘Sorry, alle IP-adressen zijn al vergeven’ |
|
Kees Verhoeven (D66) |
|
Mona Keijzer (staatssecretaris economische zaken en klimaat) (CDA) |
|
|
|
|
Bent u bekend met het artikel «Sorry, alle IP-adressen zijn al vergeven»?1
Ja.
Bent u bekend met het probleem rondom het opraken van IPv4 IP-adressen? Welke kortetermijnoplossingen ziet u?
Ja, het opraken van IPv4-adressen is al geruime tijd een bekend onderwerp.
De Europese organisatie die IP-adressen beschikbaar stelt, RIPE NCC, heeft in november 2019 bekend gemaakt dat alle voor Europa gereserveerde IPv4-adressen gebruikt zijn en dat er voor organisaties in Europa alleen nog de mogelijkheid is om op de wachtlijst te komen als adressen weer vrijkomen.
Er zijn geen goede korte termijn oplossingen. Er is echter een markt ontstaan waar niet gebruikte adressen verhandeld worden voor vaak hoge bedragen.
Daarnaast is een technische workaround bedacht (zoals een hulpmiddel bekend als Network Address Translation) dat het mogelijk maakt een IPv4-adres te gebruiken voor meerdere toepassingen, gebruikers of componenten in plaats van de oorspronkelijk bedoelde enkele toepassing, gebruiker of component. Een dergelijke workaround heeft mogelijk enig voordeel zolang IPv6-adressen nog niet veel gebruikt worden, maar beperkt bij verdere digitalisering (Internet of Things, AI) de mogelijkheden op gebied van veiligheid en dienstverlening die IPv6-adressen wel bieden.
Klopt het dat (semi-)overheidsinstellingen grote hoeveelheden ongebruikte IPv4-adressen bezitten? Ziet u het vrijgeven van dergelijke IPv4-adressen als mogelijke oplossing om de nood op de korte termijn te verlichten?
De overheid heeft in het verleden IPv4-adressen aangevraagd en toegewezen gekregen. In theorie zou de overheid IPv4-adressen die niet meer nodig zijn kunnen verkopen aan andere partijen. Dit is echter onwenselijk en gebeurt dus ook niet, omdat dit zou bijdragen aan het in gebruik blijven van IPv4-adressen en de overgang naar IPv6-adressen belemmert. Deze overgang is dringend gewenst vanwege de verwachte toename van op internet aangesloten apparatuur en programmatuur. Al deze apparatuur en programmatuur moet van een internetadres kunnen worden voorzien.
Deelt u de mening dat de echte oplossing zit in de overgang naar IPv6? Waar zit nu de belemmering in de overgang naar IPv6? Welke stappen neemt u, in overleg met de sector, om de overgang naar IPv6 te bevorderen? Bent u bereid om hiervoor een deadline af te dwingen?
Ja, de echte oplossing zit in de overgang door alle partijen en gebruikers naar IPv6.
De overgang naar IPv6 vergt investeringen door enerzijds alle leveranciers die de technische componenten ontwikkelen (zoals emailsoftware, netwerkapparatuur voor routering of interconnectie, enz.) en anderzijds de internetgebruikers -zowel organisaties, bedrijven als particulieren- die componenten moeten aanschaffen en installeren. Een bijkomend aspect hierbij is dat een zeer groot deel van de leveranciers buiten Nederland of zelfs de EU gevestigd zijn.
Met andere woorden, aan de overgang naar IPv6 zijn kosten verbonden, terwijl de voordelen, die op het gebied van veiligheid en dienstverlening liggen, pas duidelijk worden naarmate meer partijen overgaan op IPv6. Het dilemma hierbij is wie als eerste start met aanpassen en dus moet investeren. Een toepassing die alle partijen noodzaakt over te gaan op IPv6 adressering, is er niet of nog niet. Dit draagt ook bij aan de situatie dat IPv4 en IPv6-adresseringen lange tijd naast elkaar zullen blijven bestaan.
Gezien het zeer grote aantal private en publieke partijen dat een investering moet doen en deze investering moet inpassen in hun eigen investeringsplannen, laat de overheid het initiatief voor overgang naar IPv6 primair aan deze partijen. Wel stimuleert de overheid al geruime tijd de overgang naar IPv6 door voorlichting via het Platform Internetstandaarden waaraan marktpartijen, bedrijven en overheden deelnemen. Het Platform biedt onder andere kennis aan partijen ter ondersteuning bij de overgang naar IPv6 en daarnaast heeft het Platform de website Internet.nl ontwikkeld waar iedereen de door hem of haar gebruikte website of email voorziening kan laten testen op daadwerkelijk gebruik van onder meer IPv6. De overheid zelf hanteert bij inkopen de «pas toe of leg uit» lijst van standaarden en let er bij aanschaf van telecom en ICT-componenten op dat deze componenten IPv6 gebruiken.
Daarnaast zal op korte termijn een overheidsbrede afspraak gemaakt worden met het Forum Standaardisatie over de inspanningsverplichting om eind 2021 alle overheidswebsites en emailvoorzieningen bereikbaar te maken via IPv6 adressering. De overheid heeft hierin dus een stimulerende rol, geen afdwingende.
Tientallen illegale slaapplekken voor arbeidsmigranten |
|
Jasper van Dijk (SP) |
|
Wouter Koolmees (minister sociale zaken en werkgelegenheid, viceminister-president ) (D66) |
|
|
|
|
Wat is uw reactie op het bericht «Pandbrigade ontdekt 44 armetierige illegale slaapplekken in theresiakerk»?1
Arbeidsmigranten zijn een belangrijk onderdeel van onze economie en maatschappij. Het is daarom belangrijk dat zij op een goede manier gehuisvest en behandeld worden. Slechte woonomstandigheden voor arbeidsmigranten vind ik dan ook zeer onwenselijk. Van de gemeente Den Haag heb ik vernomen dat het na telling om 48 slaapplekken gaat en dat het gaat om de kerk en de bijbehorende parochiewoning waar arbeidsmigranten gehuisvest waren.
Klopt het dat er sprake was van een levensgevaarlijke situatie, omdat tientallen arbeidsmigranten waren gehuisvest in provisorische kamertjes met groot risico op brandgevaar?
Uit informatie van de Haagse Pandbrigade van de gemeente Den Haag die onderzoek heeft verricht, blijkt dat er inderdaad sprake was van een gevaarlijke situatie. De brandveiligheid en de vluchtwegen waren onvoldoende. Daar kwam bij dat de elektrische installatie werd overbelast door de aanwezigheid van een grote hoeveelheid elektrische kachels en andere elektrische apparaten.
Hoe lang heeft deze situatie kunnen voortduren?
De kerk en bijbehorende pastoriewoning zijn op dezelfde dag dat de melding is binnengekomen, volgens informatie van de gemeente Den Haag gecontroleerd door de Haagse Pandbrigade en de politie. Vooralsnog lijkt het er volgens de gemeente Den Haag op dat de situatie pas na de laatste jaarwisseling is uitgegroeid tot de omvang zoals die op de dag van de controle werd geconstateerd.
Is het waar dat er al brandjes waren ontstaan?2
In één van de kamertjes waren volgens de gemeente Den Haag sporen van een kleine beginnende brand te zien. Het is echter onbekend wanneer deze sporen precies zijn ontstaan.
Is het waar dat ook minderjarigen in het pand verbleven?
Ja, volgens informatie van de gemeente Den Haag verbleef in de parochiewoning van de Theresiakerk een gezin waarvan één van de twee kinderen minderjarig was. Verder zijn er bij het onderzoek geen minderjarigen aangetroffen.
Klopt het dat mensen 100 euro per bed per week moesten betalen om in deze tikkende tijdbom te verblijven?
Ja, volgens de gemeente Den Haag klopt dit.
Wie is verantwoordelijk voor deze onaanvaardbare situatie?
Op de dag van de melding hebben politie, Inspectie SZW en de gemeente Den Haag onderzoek verricht. Onder de huurders waren geen illegaal in Nederland verblijvende personen aanwezig en er waren geen aanwijzingen dat er sprake was van arbeidsuitbuiting. Het zwaartepunt van de handhaving ligt nu bij de gemeente Den Haag. De gemeente heeft laten weten de rol en de verantwoordelijkheden van de verschillende partijen te onderzoeken. De huidige stand van zaken van dit onderzoek is dat er vooral sancties aan de overtreders zullen worden opgelegd die zijn gericht op het herstel van de rechtmatige situatie.
Bent u bereid betrokkenheid en aansprakelijkheid te onderzoeken van de pandeigenaar, de leegstandbeheerder, de werkgevers en het uitzendbureau? Zo nee, blijven de verantwoordelijken volledig ongestraft?
Zie antwoord vraag 7.
Welke sanctie treft u tegen het uitzendbureau? Deelt u de mening dat een vergunningstelsel nuttig was geweest, aangezien u de vergunning per ommegaande had kunnen intrekken?
Zoals ook in de brief van 20 december 2019 over de integrale aanpak misstanden is toegelicht, ben ik vooralsnog geen voorstander van een vergunningstelsel. Wel wil ik samen met sociale partners verkennen welke aanvullende eisen te stellen aan uitzendbureaus. Los daarvan loopt nog het onderzoek door de gemeente Den Haag wie verantwoordelijk is voor de woonsituatie van de arbeidsmigranten. Uit het onderzoek is in ieder geval al gebleken dat verschillende huurders inderdaad bij een aantal uitzendbureaus werkzaam waren, maar dat deze uitzendbureaus geen directe rol speelden bij de huisvesting.
Waar worden de tientallen arbeidsmigranten nu gehuisvest? Voldoet deze huisvesting aan de wettelijke eisen? Wat onderneemt u om dat te achterhalen?
De gemeente Den Haag heeft laten weten dat onbekend is waar en onder welke omstandigheden de huurders nu verblijven. Arbeidsmigranten staan over het algemeen niet met een binnenlands adres ingeschreven in de BRP vanwege het ontbreken van de verplichting daartoe als zij niet voornemens zijn om langer dan 4 maanden (uit 6 maanden) in Nederland te verblijven. Arbeidsmigranten schrijven zich ook als zij voornemens zijn langer dan 4 maanden (uit 6 maanden) te blijven toch vaak niet in als ingezetene in het BRP. Niet duidelijk is dan waar ze verblijven. Dit is een knelpunt voor zowel gemeenten, UWV als de Inspectie SZW. Ik heb met de Minister van Milieu en Wonen en sociale partners zoals aangegeven in de brief van 20 december 2019 over de integrale aanpak misstanden, afspraken gemaakt om in te zetten op acties om ervoor te zorgen dat meer arbeidsmigranten zich ook daadwerkelijk laten inschrijven als ingezetene in het BRP als dit aan de orde is.
Wat is er gedaan om met deze arbeidsmigranten in contact te treden? Hebben zij een verklaring kunnen afleggen aan de gemeente en politie?
Ja, volgens de gemeente Den Haag zijn de aanwezige arbeidsmigranten in samenwerking door de Inspectie SZW, gemeente en de politie gehoord over de situatie.
Erkent u dat het enkel aan een oplettende buurman te danken is dat deze mensen aan een afschuwelijk drama zijn ontsnapt?
De situatie is volgens informatie van de gemeente Den Haag inderdaad mede naar aanleiding van een melding van een buurman ontdekt.
Erkent u dat deze toestand wederom aantoont in wat voor een enorm kwetsbare positie arbeidsmigranten zich bevinden?
Zoals in de brief van 20 december 2019 over de integrale aanpak misstanden aangegeven zijn veel arbeidsmigranten kwetsbaar en komen misstanden met onder meer huisvesting, arbeidsvoorwaarden en arbeidsomstandigheden voor. Deze knelpunten wil ik ook samen met sociale partners, gemeenten en provincies aanpakken.
Bent u het eens met wethouder Martijn Balster dat uitzendbureaus en werkgevers die hier verantwoordelijk voor zijn, stevig moeten worden aangepakt? Zo ja, wat gaat u ondernemen?
Daar ben ik het mee eens. Zoals eerder aangegeven hebben de uitzendbureaus waar sommige arbeidsmigranten werkten geen rol bij de huisvesting. In de brief van 20 december 2019 over de integrale aanpak misstanden arbeidsmigranten ga ik ook in op het opwerpen van drempels om kwaadwillende uitzendbureaus zoveel mogelijk te weren van de markt. De uitwerking wordt samen met sociale partners nu opgepakt.
Waarom krijgen uitzendbureaus en werkgevers de gelegenheid om arbeidsmigranten in dienst te nemen terwijl er helemaal geen huisvesting beschikbaar is?
Door de economische groei is het aantal arbeidsmigranten toegenomen. Tegelijkertijd is er krapte op de woningmarkt, waardoor het lastig is om geschikte woonruimte te vinden. Gemeenten, werkgevers en huisvesters moeten samen zoeken naar passende en goede oplossingen voor de huisvesting van arbeidsmigranten. Situaties zoals in het artikel geschetst moeten worden voorkomen. Voldoende en kwalitatief goede huisvesting voor arbeidsmigranten is ook één van de actiepunten uit de brief van 20 december 2019, waarover de Minister van Milieu en Wonen en ik in gesprek gaan met sociale partners, gemeenten, provincies en huisvesters.
Erkent u dat dit soort problemen al voorzien waren door de Commissie Koopmans in 2011 en dat het dus hoog tijd wordt voor maatregelen?3
De commissie Koopmans heeft inderdaad ook op het terrein van de huisvesting van arbeidsmigranten knelpunten gesignaleerd. Er zijn in navolging van de commissie LURA ook zeker stappen gezet. Om de «sense of urgency» bij betrokken partijen te vergroten, heeft de toenmalige Minister van BZK het initiatief genomen om met vertegenwoordigers van alle betrokken partijen, waaronder sociale partners, gemeenten en huisvesters, te komen tot een «Nationale Verklaring (tijdelijke) huisvesting arbeidsmigranten». Hierin zijn afspraken gemaakt over te realiseren huisvesting en over de ontwikkeling van een kwaliteitskeurmerk. Deze huisvesting is grotendeels gerealiseerd en het kwaliteitskeurmerk SNF is ontwikkeld. Met de economische groei is het aantal arbeidsmigranten toegenomen, terwijl er tegelijkertijd krapte is op de woningmarkt. Dit leidt ook tot tekorten aan voldoende kwalitatieve huisvesting voor arbeidsmigranten en in een aantal gevallen tot misstanden. Dit moet worden aangepakt.
Deelt u de mening dat het Actieplan Arbeidsmigratie van de SP en ChristenUnie een oplossing biedt voor genoemde problemen?4
Ik zal op verzoek van de Vaste Kamercommissie voor Sociale Zaken zo spoedig mogelijk, naar verwachting begin maart, op dit actieplan reageren.
Bent u het eens dat de aanpak van misstanden en uitbuiting van arbeidsmigranten prioriteit moet krijgen? Wanneer komt u met een reactie op het Actieplan Arbeidsmigratie, zodat er aan de slag gegaan kan worden met maatregelen?
Zie antwoord vraag 17.
De Kraanwatercrisis door loden leidingen |
|
Henk Nijboer (PvdA) |
|
Stientje van Veldhoven (staatssecretaris infrastructuur en waterstaat, minister zonder portefeuille infrastructuur en waterstaat) (D66) |
|
|
|
|
Heeft u kennisgenomen van het bericht «Lood in waterleidingen aangetroffen bij drie kinderdagverblijven»1 en van het bericht «Meerdere scholen laten kinderen geen kraanwater meer drinken uit angst voor lood»?2
Ja.
Gaat u met spoed een onderzoek gelasten naar de aanwezigheid van loden leidingen in alle openbare gebouwen in Nederland, met prioriteit voor locaties waar veel kinderen komen, zoals kinderdagverblijven, scholen en ziekenhuizen? Zo nee, waarom niet?
Ik vind het belangrijk dat van alle gebouwen en woningen met een bouwjaar voor 1960 wordt vastgesteld of er nog loden leidingen aanwezig zijn.
Als het gaat om gemeentelijke gebouwen, dan verwacht ik dat gemeenten zich, net als de gemeente Amsterdam, ervoor inzetten dat zo snel mogelijk duidelijk wordt of deze nog loden leidingen bevatten en zo ja, dat deze zo snel mogelijk loodvrij worden gemaakt. Waar het gaat om kindlocaties verwacht ik dat de GGD’s hier een rol in spelen. Indien nodig kan de samenwerking worden gezocht met handhavende instanties zoals de ILT. In de verdere uitwerking van het plan van aanpak naar aanleiding van het Gezondheidsraadadvies wordt hierop teruggekomen.
Zolang loden leidingen niet zijn vervangen of zolang niet duidelijk is of er in een gebouw nog loden leidingen aanwezig zijn is het advies ander water te drinken.
Welke maatregelen gaat u treffen om te voorkomen dat kinderen langer worden blootgesteld aan de gevaarlijke gevolgen van loden leidingen? Gaat u ingrijpen en eigenaren van openbare gebouwen verplichten de leidingen met spoed te vervangen? Zo nee, waarom niet?
Zie antwoord vraag 2.
Welke maatregelen gaat u treffen om huurders en aspirant-kopers te beschermen, nu blijkt dat verhuurders jarenlang weigeren om loden leidingen te vervangen, ondanks aandringen van huurders? Waarom overweegt u daarbij geen verbod op het verhuren van woningen met loden leidingen?
Huurders kunnen hun verhuurder al aanspreken op het verhelpen van gebreken, of verlagen van de huurprijs in afwachting daarvan, indien nodig via huurcommissie of rechter.
Ik vind het belangrijk dat aspirant-kopers zich vergewissen van de staat van de woning die zij van plan zijn om te kopen. Huizenkopers hebben ten aanzien van het kopen van een woning een eigen verantwoordelijkheid om inzicht te krijgen in de technisch staat van de woning. Dit betekent niet dat huizenkopers zichzelf dienen te bekwamen in technische facetten omtrent woningbouw. Wel meen ik dat van hen verwacht mag worden dat zij informatie inwinnen of advies vragen, bijvoorbeeld door een bouwtechnische keuring uit te laten voeren. In het model voorlopige koopcontract dat door de sector gehanteerd wordt, is het voorbehoud van een bouwtechnische keuring standaard opgenomen. Ik heb reeds eerder aangeven dit belangrijk te vinden omdat het zo voor kopers een bewuste keuze wordt als zij afzien van de bouwkundige keuring. Indien blijkt dat er gebreken zijn die qua kosten meer omvatten dan het in het koopcontract afgesproken bedrag, bijvoorbeeld een omvangrijke verbouwing omdat er sprake is van loden leidingen, kan het koopcontract zonder boete ontbonden worden.
Het is belangrijk dat huurders en kopers ervan op de hoogte zijn dat zich in hun woning van voor 1960 loden leidingen kunnen bevinden, dat het hen duidelijk is hoe dit kan worden onderzocht en aangepakt en welke maatregelen in de tussentijd genomen moeten worden. Daar wil ik met name op inzetten.
In dat kader heb ik eerder aangekondigd de mogelijkheid van een meldingsplicht bij verkoop of verhuur te willen onderzoeken. Verder onderzoek ik de mogelijkheid van een verbod op loden leidingen voor bestaande bouw.
De vertraging van de wet Versterken |
|
Henk Nijboer (PvdA) |
|
Raymond Knops (staatssecretaris binnenlandse zaken en koninkrijksrelaties) (CDA), Eric Wiebes (minister economische zaken en klimaat) (VVD) |
|
|
|
|
Kent u het stuk «Wanneer komt de wet Versterken?»1
Ja.
Klopt het dat de wet op 5 november 2019 in consultatie ging?
Het wetsvoorstel is op 6 november in consultatie gegaan.
Klopt het dat er voor betrokkenen slechts twee weken de tijd was om inbreng te leveren? Wat was hiervan de oorzaak?
Dit klopt. Wij zetten alles op alles om de wet versterken zo snel mogelijk bij uw Kamer in te dienen. Om het wetgevingsproces zo voortvarend mogelijk te doorlopen, heeft de internetconsultatie om die reden twee weken geduurd. Er heeft voorafgaand aan de consultatie veelvuldig afstemming plaatsgevonden met verschillende partijen waaronder regionale overheden, maatschappelijk organisaties en de NCG. Deze partijen waren op de hoogte van de conceptteksten en konden zich daardoor voorbereiden op de consultatie. De opmerkingen van deze partijen zijn voorafgaand aan de consultatie verwerkt in het wetsvoorstel.
Waarom duurt het zo lang voordat de wet naar de Raad van State wordt gestuurd?
Het publiekrechtelijk vastleggen van het versterkingsproces is een ingewikkeld proces, waarbij de belangen van bewoners en ondernemers goed moeten worden geborgd. We doen dit zorgvuldig en in nauwe afstemming met de betrokken partijen.
In de consultatie zijn door een aantal partijen – waaronder het Gasberaad en de Groninger Bodem Beweging – kritische opmerkingen gemaakt en vragen gesteld.
Deze reacties zijn – net als de opmerkingen van andere partijen – zorgvuldig gewogen en waar mogelijk verwerkt van het wetsvoorstel. Ook in deze fase is gekozen om waar nodig overleg te zoeken met de betrokken partijen. Zo was goede afstemming nodig om ook de maatregelen uit het versnellingspakket, die op het Bestuurlijk Overleg Groningen op 23 januari jl. zijn vastgesteld, op een juiste manier in de wet in te passen.
Het streven is om het wetsvoorstel nog deze maand ter advisering voor te leggen aan de Raad van State.
Waarom laat de wet zo lang op zich wachten?
Zie antwoord vraag 4.
Snapt u dat Groningers zitten te smachten naar duidelijkheid over de toekomst van hun woning, hun onderneming en hun cultureel historisch erfgoed?
We zijn doordrongen van de urgentie van de versterkingsopgave. Met het oog daarop is samen met de regio op 23 januari jl. een pakket aan maatregelen vastgesteld waarmee we gezamenlijk de versterking versnellen. De versterkingsopgave hoeft niet te wachten op het wetsvoorstel. Op dit moment wordt al samen de regio en de NCG hard aan de versterkingsopgave gewerkt.
Waarom duurt het dan toch zo lang voordat de wet wordt ingediend?
Zie antwoord vraag 4.
Kunt u de zorg wegnemen dat van uitstel afstel komt?
Die zorg kunnen wij wegnemen: ook wij hechten aan snelle inwerkingtreding van het wetsvoorstel. Zoals in antwoord op de eerdere vragen is opgemerkt, wordt het wetsvoorstel nog deze maand aangeboden aan de Afdeling advisering van de Raad van State. Er is geen sprake van afstel van het wetsvoorstel.
Wilt u er zorg voor dragen dat de Kamer voldoende tijd heeft om een schriftelijke inbreng te leveren en niet onder tijdsdruk wordt gezet onder het mom van als jullie er weken over doen, zijn er eerst verkiezingen?
Wij zetten alles op alles om het wetsvoorstel zo snel mogelijk aan te bieden aan uw Kamer. Zoals in antwoord op de voorgaande vragen is opgemerkt, verwachten wij het wetsvoorstel nog deze maand aan te bieden aan de Afdeling advisering van de Raad van State.
Bij alle partijen leeft het besef dat dit wetsvoorstel zowel zorgvuldig als voortvarend tot stand moet komen. Daarbij hechten we uiteraard aan een zorgvuldige behandeling van het wetsvoorstel door het parlement. Tegelijkertijd is het belangrijk dat het wetsvoorstel in een goede samenwerking en afstemming met de regio tot stand komt. Zeker omdat de gemeenten een prominente rol spelen in de versterkingsoperatie. Dit kost tijd. De verwachting is dat deze afstemming uiteindelijk bijdraagt aan een goede implementatie van dit wetsvoorstel en een goede praktische uitvoerbaarheid voor de NCG en gemeentes.
Wat is het precieze tijdspad van de wet, ook met het oog op de wens om nu eindelijk eens te starten met de parlementaire enquête?
Zie antwoord vraag 9.
Op welke wijze draagt het door u gekozen tijdspad bij aan een zorgvuldige behandeling van de wet door de Kamer? Hoe wordt voorkomen dat straks niet alles toch weer onder stoom en kokend water moet worden afgedaan?
Zie antwoord vraag 9.
Kunt u deze vragen beantwoorden voor het algemeen overleg op 6 februari 2020?
Ja.
Het artikel ‘Nieuwe ROC-topman heeft grote plannen: “Waarom zou een bakker Engels moeten leren?”' |
|
Bart Smals (VVD) |
|
Ingrid van Engelshoven (minister onderwijs, cultuur en wetenschap) (D66) |
|
|
|
|
Bent u bekend met het artikel in het AD waarin de directeur van ROC Midden Nederland stelt dat Engels niet nodig zou zijn voor de opleiding van bijvoorbeeld een bakker?1
Ja.
Deelt u de mening dat de algemeen vormende vakken zoals Nederlands Engels en rekenen een essentieel onderdeel zijn van de drieledige opdracht in het mbo? Zo ja, hoe geeft u hier uiting aan binnen het mbo onderwijs? Zo nee, waarom niet?
Ja, de drievoudige kwalificatie van het mbo vormt de kern van het mbo-onderwijs. Opleidingen bereiden studenten dus voor op een beroep, op deelname aan de samenleving en op doorstroom naar vervolgonderwijs. Beheersing van taal en rekenen hebben onze mbo-studenten daarbij hard nodig. Daarom maken taal- en rekeneisen onderdeel uit van elke opleiding in het mbo, en kan het diploma niet worden behaald zonder dat aan deze eisen wordt voldaan. Contact met de bestuurder van ROC Midden Nederland wijst uit dat hij de drievoudige kwalificatie niet ter discussie stelt.
Deelt u de mening dat een opleiding moet bijdragen aan een breed fundament voor een leven lang ontwikkelen waarbij de algemeen vormende vakken zoals Nederlands Engels en rekenen van groot belang zijn voor een goed toekomst perspectief? Zo ja, hoe komt dit overeen met de geschetste situatie bij ROC Midden Nederland, waar uit de antwoorden van de bestuurder blijkt dat ze niet meer in standaard beroepen denken en van mening zijn dat «wat je nu leert morgen weer verouderd kan zijn»?
Ja, ik deel de mening dat een opleiding moet bijdragen aan een breed fundament voor een leven lang ontwikkelen, en dat de algemeen vormende onderdelen daarbij belangrijk zijn.
Ik ben het eens met de bestuurder van ROC Midden Nederland dat de samenleving en beroepen in een hoog tempo veranderen.2 Taal- en rekenvaardigheden zijn en blijven echter essentiële vaardigheden die belangrijk zijn op de arbeidsmarkt, ongeacht voor welk beroep iemand wordt opgeleid. Ze zijn bijvoorbeeld belangrijk in de omgang met collega’s, cliënten, klanten of gasten, maar ook om nieuwe informatie tot je te kunnen nemen. Daarom is het belangrijk dat deze vaardigheden in het onderwijs worden aangeleerd en daarna worden onderhouden.
Zoals aangegeven is er contact geweest met de betreffende bestuurder. Hij onderschrijft het belang van taal en rekenen in het mbo, in elk geval voor wat betreft het initiële beroepsonderwijs. Het artikel geeft zijn opvattingen niet juist weer.
Hoe waarborgt u dat bij mbo instellingen er voldoende aandacht is voor algemeen vormend onderwijs binnen het mbo en dat deze niet ten koste gaan van de curriculum-grillen van bestuurders?
Via de kwalificatiestructuur – die de basis vormt van het mbo-onderwijs – is vastgelegd dat studenten moeten voldoen aan de generieke kwalificatie-eisen op het gebied van taal en rekenen om het mbo-diploma te kunnen behalen. Deze eisen maken, zoals bij het antwoord op uw tweede vraag genoemd, van elke mbo-opleiding onderdeel uit. Individuele bestuurders hebben hierop geen invloed. De Inspectie van het Onderwijs ziet erop toe dat overal voldoende werk wordt gemaakt van taal- en rekenonderwijs. Indien daarbij geconstateerd wordt dat hieraan onvoldoende aandacht wordt besteed, dan wordt de instelling daarop aangesproken en kan dit leiden tot sancties.
Het bericht dat ‘Jeugdzorginstelling eist dat ouders video van uit huis halen dochtertje van internet verwijderen’. |
|
Martin Wörsdörfer (VVD) |
|
Sander Dekker (minister zonder portefeuille justitie en veiligheid) (VVD), Hugo de Jonge (viceminister-president , minister volksgezondheid, welzijn en sport) (CDA) |
|
|
|
|
Bent u bekend met het krantenbericht dat «Jeugdzorginstelling eist dat ouders video van uit huis halen dochtertje van internet verwijderen» en het daaraan ten grondslag liggend geschil?1
Ja, ik ben bekend met het krantenbericht.
Kunt u de bestaande protocollen over de uitvoering van de feitelijke uithuisplaatsingen uiteenzetten? Welke instantie controleert of aan deze protocollen wordt voldaan?
Het is de verantwoordelijkheid van de betrokken instelling om de noodzaak van een uithuisplaatsing zorgvuldig af te wegen. Op initiatief van het Nederlands Instituut van Psychologen (NIP), de Nederlandse vereniging van pedagogen en onderwijskundigen (NVO) en de Beroepsvereniging van Professionals in Sociaal Werk (BPSW) is binnen het Programma Richtlijnen jeugdhulp en jeugdbescherming de Richtlijn Uithuisplaatsing ontwikkeld. De Richtlijn geeft onderbouwde aanbevelingen op basis van wetenschap, praktijkkennis van professionals en ervaringskennis van cliënten. De Richtlijn gaat over jeugdigen die gedwongen of vrijwillig uit huis worden geplaatst en is bedoeld om jeugdprofessionals houvast te geven als zij in hun werk met een uithuisplaatsing te maken krijgen.
De Inspectie Gezondheidszorg en Jeugd houdt toezicht op de Jeugdwet en is verantwoordelijk voor het bewaken van de kwaliteit en de veiligheid van de jeugdbescherming. Zij doen dit aan de hand van het toetsingskader verantwoorde Jeugdhulp.
Mocht een conflict ontstaan over het verloop van uithuisplaatsingen of het wel of niet voldoen aan bepaalde eisen dan wel protocollen, op welke plek(ken) kan een ouder terecht met zijn of haar klacht? Kunt u daarbij aangeven hoe een gegronde klacht wordt opgevolgd en of en hoe er in wordt voorzien dat een organisatie daarvan leert voor de toekomst?
Bij klachten over bijvoorbeeld het verloop van de uithuisplaatsing kan hierover een klachtgesprek met de betrokken medewerker of diens leidinggevende plaatsvinden. Daarnaast heeft de ouder de mogelijkheid om een klacht in te dienen bij de klachtencommissie van de instelling. Als de klachtencommissie een oordeel heeft gegeven over de gegrondheid van de klacht, zal de organisatie aan de ouder en de klachtencommissie moeten laten weten of dit oordeel leidt tot het nemen van maatregelen en zo ja welke. Welke maatregelen bij een gegronde klacht worden genomen, zal afhangen van de inhoud van de klacht en het oordeel van de klachtencommissie over de klacht.
Als de ouder niet tevreden is met de afhandeling van de klacht, kan hierover een klacht worden ingediend bij de Nationale ombudsman. Indien een ouder van mening is dat een betrokken professional zich niet heeft gehouden aan zijn beroepscode en professionele richtlijnen, dan kan een klacht worden ingediend bij het tuchtcollege van Stichting Kwaliteitsregister Jeugd (SKJ) of een andere beroepsvereniging.
Is er een overzicht over ingediende klachten, uitgesplitst naar Gecertificeerde Instellingen dan wel organisaties binnen de jeugdbeschermingsketen waarover de klacht gaat? Zo nee, waarom niet?
Een dergelijk overzicht is niet beschikbaar. Iedere instelling heeft een eigen wettelijke verplichting om jaarlijks een verslag op te stellen over de afhandeling van de klachten over dat jaar en welk gevolg zij hebben gegeven aan klachten.
Door het Advies- en klachtenbureau Jeugdzorg (AKJ) wordt in hun jaarverslag wel per zorgvorm of type instantie, het aantal jeugdigen en volwassen cliënten per type instantie of zorgvorm dat een klacht heeft ingediend benoemd.2 Ook wordt in dit verslag per zorgvorm een top drie van de soort klacht weergegeven.
Onder welke omstandigheden kan een gezag beëindigende maatregel worden toegewezen?
De rechtbank kan op verzoek van de Raad voor de Kinderbescherming of het Openbaar Ministerie het gezag van een ouder op twee gronden beëindigen:
De rechtbank zal op basis van de feiten en omstandigheden toetsen of aan één van deze voorwaarden is voldaan. Als dat het geval is, kan het verzoek om beëindiging van het gezag worden toegewezen.
Deelt u de mening dat een gezag beëindigende maatregel alleen moet worden opgelegd wanneer de veiligheid van het kind in het gedrang is? Zo ja, hoe verhoudt dit zich tot het bericht waarbij een conflict tussen de ouder(s) en de Gecertificeerde Instelling kan leiden tot het aanvragen van een gezag beëindigende maatregel? Zo nee, waarom niet?2
Een gezag beëindigende maatregel is een ingrijpende maatregel en kan alleen aan de orde zijn als de rechtbank van oordeel is dat aan het wettelijke criterium voor deze maatregel is voldaan. Voorafgaand aan de beslissing van de rechtbank wordt de Raad van de Kinderbescherming verzocht om onderzoek te doen. In dit onderzoek worden de gronden voor gezag beëindiging getoetst. Dit verzoek om beëindiging van het gezag zal dan ook goed onderbouwd moeten zijn. Het conflict tussen de ouder(s) en de gecertificeerde instelling waar deze vragen betrekking op hebben, spitste zich toe op het willens en weten schenden van de privacy en veiligheid van de betrokken jeugdbeschermers. Dit conflict heeft geen relatie met het verzoek tot een gezag beëindigende maatregel.
Deelt u de mening dat een conflict tussen ouder(s) en een Gecertificeerde Instelling dan wel een organisatie binnen de jeugdbeschermingsketen beslecht moet worden bij een mediator of rechter? Zo nee, waarom niet?
De beste manier om een conflict te beslechten, is om hierover met elkaar in gesprek te gaan. Als dat niet mogelijk is of het via deze weg niet lukt om er met elkaar uit te komen, kan de inzet van een mediator of rechterlijke procedure nodig zijn. Bij een geschil zoals over het wel of niet verwijderen van een filmpje op het internet is het aan de betrokkenen om te beslissen of ze een mediator willen inzetten of het geschil aan de rechter willen voorleggen. De weg naar de rechter kan een ouder ook rechtsbescherming bieden tegen beslissingen die door een Gecertificeerde Instelling worden genomen. Zo is het bijvoorbeeld bij een ondertoezichtstelling wettelijk geregeld dat een geschil over de uitvoering hiervan aan de kinderrechter kan worden voorgelegd.
Deelt u de mening dat ouder(s) de ruimte moeten hebben om kritiek te uiten op een Gecertificeerde Instelling dan wel organisatie binnen de Jeugdbeschermingsketen maar dat individuele hulpverleners het recht op privacy hebben, waarbij stalking, bedreiging of geweld op reguliere wijze bestraft moeten worden? Bent u bereid om het gesprek met Gecertificeerde Instellingen dan wel organisaties binnen de Jeugdbeschermingsketen en ervaringsdeskundigen aan te gaan om te werken aan een kader waarbij recht wordt gedaan aan al deze partijen?
Ja, ik deel de mening dat ouders de ruimte moeten hebben om kritiek te uiten op een instelling, ook in het openbaar. In de Jeugdbeschermingsketen worden voor zowel ouders als kinderen ingrijpende beslissingen genomen die heftige gevoelens bij ouders kunnen oproepen en door ouders niet altijd op prijs worden gesteld. Medewerkers van de instellingen zijn zich hiervan bewust. De vrijheid van meningsuiting van ouders om hun kritiek te uiten in het openbaar is echter niet onbeperkt. Het kan niet zo zijn dat medewerkers niet meer veilig hun werk kunnen doen en hun recht op eerbiediging van hun persoonlijke levenssfeer waaronder een recht op bescherming van hun goede naam en reputatie, wordt geschonden. Als dit recht wordt geschonden hebben zij net als iedereen, recht op bescherming en het recht om het geschil aan de rechter voor te leggen. De rechter zal een afweging moeten maken tussen de verschillende belangen en rechten. In de zaak waar deze Kamervragen betrekking hebben heeft de rechter geoordeeld dat het belang van de instelling en haar medewerkers prevaleert boven het belang van de ouders en dat door de publicatie van de video en de brief de ouders onrechtmatig hebben gehandeld.
Ik zal met de Gecertificeerde Instellingen in gesprek gaan om te bekijken of ik hen ondersteuning kan bieden bij het ontwikkelen van een kader als daar behoefte aan is.
Hoeveel gevallen zijn bij u bekend waarbij een gezag beëindigende maatregel door een organisatie binnen de jeugdbeschermingsketen is aangevraagd naar aanleiding van een conflict tussen ouder(s) en een organisatie binnen de jeugdbeschermingsketen zoals een Gecertificeerde Instelling?
Deze gevallen zijn bij mij niet bekend.
De voornemens aangaande de verhuizing van de marinierskazerne naar Vlissingen |
|
Chris Stoffer (SGP) |
|
Barbara Visser (staatssecretaris defensie) (VVD) |
|
|
|
|
Kent u het bericht «Zeeland eist opheldering over marinierskazerne»?1
Ja.
Klopt de bewering van vertegenwoordigers van de provincie Zeeland, per brief van 22 januari 2020, dat in de ministerraad van 17 januari 2020 een voorstel zou zijn geagendeerd over vestiging van de marinierskazerne in (omgeving) Apeldoorn? Zo nee, kunt u op korte termijn gedetailleerd inzicht geven in uw concrete plannen aangaande de voorgenomen verhuizing van de marinierskazerne naar Vlissingen, inclusief tijdpad? Zo ja, kunt u zich voorstellen dat de vertegenwoordigers van de provincie Zeeland «zeer verrast» zijn over deze gang van zaken? Wat is in dat geval het (economische) perspectief voor de regio Zeeland waar de komst van de kazerne, met het oog op de creatie van werkgelegenheid en extra bestedingen, «van eminent belang» genoemd wordt?
In de brief van 24 januari jl. (Kamerstuk 2020D02504) heb ik het dilemma van het kabinet inzake de verhuizing van het Korps Mariniers geschetst. Deze situatie heeft veel onduidelijkheid opgeleverd.
Ik realiseer mij daarmee dat het proces tot nu toe niet goed is verlopen en dit betreur ik. Het vertrouwen van Zeeland in het kabinet is hierdoor geschaad en wij beseffen dat dit moet worden hersteld. Duidelijkheid is voor alle partijen van groot belang, zoals ook naar voren kwam in de gesprekken die inmiddels met Zeeland zijn gevoerd. Het kabinet neemt inzake de verhuizing daarom twee voorgenomen besluiten. Enerzijds het voorgenomen besluit om de marinierskazerne niet in Vlissingen te bouwen en anderzijds het voorgenomen besluit om gezamenlijk te werken aan een voor zowel Zeeland als het kabinet aanvaardbaar compensatiepakket, dat recht doet aan de geleden directe schade en perspectief biedt op duurzame sociaaleconomische effecten voor de regio vergelijkbaar met wat de beoogde komst van de marinierskazerne de regio zou hebben gebracht. In deze brief licht ik beide voornemens verder toe.
Voor de verdere inhoud verwijs ik u naar mijn brief «voorgenomen besluiten inzake verhuizing Korps Mariniers en compensatie Zeeland» die op 14 februari aan uw Kamer is verzonden.