Peperdure wervingscampagnes die nauwelijks nieuwe militairen opleveren |
|
Maes van Lanschot (CDA) |
|
Gijs Tuinman (BBB) |
|
|
|
|
Heeft u kennisgenomen van het onderzoek van Follow the Money waaruit blijkt dat Defensie de afgelopen jaren miljoenen euro’s heeft uitgegeven aan wervingscampagnes, terwijl het aantal daadwerkelijk ingestroomde militairen nauwelijks stijgt?1
Ja. Ik heb het artikel gelezen, maar het geschetste beeld komt niet overeen met de werkelijkheid.
Hoeveel geld heeft Defensie sinds 2020 jaarlijks besteed aan wervingscampagnes en via welke kanalen zijn deze middelen ingezet (tv, online, social media, evenementen, etc.)?
Defensie zet sinds 2020 jaarlijks meerdere employer-branding campagnes en meer dan honderd online wervingscampagnes in. Deze campagnes vergroten de zichtbaarheid van Defensie als werkgever en richten zich op het aantrekken van sollicitanten voor een breed scala aan functies en instroomsporen, waaronder recent toegevoegde trajecten zoals het Dienjaar. De media-inzet volgt een planmatige, continu zichtbare campagnevoering en omvat onder meer tv (lineair, on-demand en streaming), radio, buitenreclame, bioscoop, dagbladen, online video, zoekadvertenties en sociale media. Daarnaast neemt Defensie deel aan arbeidsmarkt- en onderwijsbeurzen en organiseert Defensie eigen wervingsevents. Deze gecombineerde inzet leidt jaarlijks tot groei in websitebezoeken, eventinschrijvingen, unieke sollicitaties en uiteindelijk ook in het aantal aanstelbare kandidaten. De campagne is in 2025 opgeschaald om de groeiambities uit de Kamerbrief «Onze mensen, onze toekomst; meer, beter en sneller» (Kamerstuk 33 763, nr. 161, 24 maart 2025) te ondersteunen.
2020
€ 15.030.000
2021
€ 15.065.000
2022
€ 13.505.000
2023
€ 19.808.000
2024
€ 21.864.000
2025
€ 26.352.000
Kunt u per jaar sinds 2020 inzicht geven in: a) het aantal sollicitaties, en b) het aantal daadwerkelijke aanstellingen dat volgde?
Aantal sollicitaties
16.293
14.491
18.590
20.391
24.474
22.271
Instroom
3.645
3.941
3.404
3.800
4.326
4.896
In het antwoord beperken we ons tot beroepsmilitairen. De aantallen sollicitaties (bovenste rij) hebben betrekking op kandidaten die via de reguliere weg (via het dienstencentrum personeelslogistiek) hebben gesolliciteerd. De instroomcijfers (onderste rij) omvatten daarnaast ook kandidaten die direct vanuit de civiele arbeidsmarkt bij Defensie worden aangesteld zonder voorafgaande initiële militaire opleiding (zogeheten «horizontale instroom»).
NB: Tot en met 2024 is het aantal sollicitaties weergegeven, waarbij één persoon meerdere sollicitaties kan hebben ingediend. In 2025 betreft dit het aantal «unieke sollicitanten».
Hoe verklaart u het grote verschil tussen het aantal sollicitaties dat campagnes opleveren en het beperkte aantal nieuwe aanstellingen?
Er is geen een-op-een verband te leggen tussen de campagnes en het aantal aanstellingen. Tussen een sollicitatie en een aanstelling vindt een zorgvuldig selectie- en keuringsproces plaats waarin wordt vastgesteld of kandidaten psychisch en fysiek geschikt zijn.
Het grootste deel van de uitval vindt plaats in een vroege fase van het selectieproces. Kandidaten ontvangen voorafgaand aan een uitnodiging voor psychologisch onderzoek uitgebreide vragenlijsten. Wanneer hieruit blijkt dat antwoorden strijdig zijn met de militaire basiseisen, worden kandidaten niet uitgenodigd voor het verdere keuringsproces.
Van de kandidaten die door deze voorselectie komen en worden uitgenodigd voor het basispsychologisch onderzoek, wordt de een groot deel geschikt bevonden. Het percentage kandidaten dat na deze fase aanstelbaar wordt verklaard, bedraagt circa 66% voor beroepsmilitairen, 69% voor reservisten en 65% voor dienjaarmilitairen.
Een aanstelbaarverklaring leidt echter niet automatisch tot een aanstelling. De daadwerkelijke aanstelling is mede afhankelijk van beschikbare opleidingscapaciteit, startmomenten van opleidingen, veiligheidsonderzoeken en het aantal beschikbare startfuncties. Daarnaast besluit een deel van de kandidaten gedurende het proces alsnog ervan af te zien om bij Defensie in dienst te treden, bijvoorbeeld omdat zij kiezen voor een andere loopbaan of persoonlijke omstandigheden wijzigen. Deze kandidaten komen daardoor niet op en worden niet aangesteld.
Door het vergroten van de capaciteit en productiviteit van selectie- en keuring, het differentiëren in functie-eisen waar dat verantwoord kan, en het structureel versterken van opleidings- en instructiecapaciteit in combinatie met het moderniseren van het onderwijs, neemt Defensie maatregelen die ertoe moeten leiden dat meer mensen sneller kunnen worden aangesteld.
In hoeverre zijn er binnen Defensie harde prestatie-indicatoren geformuleerd voor het meten van de effectiviteit van wervingscampagnes?
Defensie hanteert verschillende prestatie-indicatoren om de effectiviteit van wervingscampagnes te meten. Wij volgen onder andere het bereik en de waardering van de campagne in de doelgroep, reclameherinnering, boodschap-overdracht, mediaperformance, het aantal bezoeken op www.werkenbijdefensie.nl, het aantal sollicitaties per instroomspoor, de conversie naar keuring en aanstelling en de ontwikkeling van de totale personele sterkte.
Voor deze indicatoren zijn geen harde streefcijfers vastgesteld. De realisatie van de aanstellingsopdracht geldt als harde KPI voor alle wervingsinspanningen; de ontwikkelingen van de overige indicatoren monitoren we en op basis daarvan sturen we continu bij om de wervingsinzet te optimaliseren.
Erkent u dat Defensie er niet in slaagt haar personeelsdoelen te halen, ondanks een groeiend budget en intensieve marketing? Zo nee, waarom niet? Zo ja, welke maatregelen neemt u om dit fundamentele probleem aan te pakken?
Defensie groeit aantoonbaar; tussen 1 januari en 1 december 2025 – dit zijn 11 maanden – is de personeelsomvang toegenomen met 5.567 voltijdsequivalenten (VTE’n) naar 79.913 VTE’n, terwijl tegelijkertijd de vrijwillige uitstroom laag blijft.
Tegelijkertijd is voor de schaalbare krijgsmacht in 2030 meer menskracht nodig dan nu beschikbaar is. Daarom neemt Defensie aanvullende maatregelen, zoals aangekondigd in de Kamerbrief «Onze mensen, onze toekomst; meer, beter en sneller». Dat doen we onder meer door het opschalen van instroomsporen (Dienjaar, VeVa, Nationale Weerbaarheidstraining, reservisten), het vergroten van de capaciteit en productiviteit van selectie- en keuring, het differentiëren in functie-eisen waar dat verantwoord kan, en het structureel versterken van opleidings- en instructiecapaciteit in combinatie met het moderniseren van het onderwijs. Op 17 november 2025 heeft Defensie een intentieverklaring gesloten met civiele opleiders om de instructie- en opleidingscapaciteit structureel uit te breiden. Deze samenwerking zorgt ervoor dat Defensie sneller kan opschalen, innovatief kan opleiden en dat operationele eenheden inzetbaar blijven.
Is er bij de recente stijging van het defensiebudget ook geïnvesteerd in versnelde opleidingstrajecten, aangepaste instroomprofielen of bredere toelatingseisen? Zo ja, met welk resultaat?
Ja. Defensie investeert gericht in de hele keten van werving, selectie en opleiding. Dit gebeurt onder meer door uitbreiding van de keuringscapaciteit en psychologische selectie, het inrichten van extra selectie- en keuringslocaties, het aantrekken van externe opleidingscapaciteit en het moderniseren van opleidingen. Daarnaast differentieert Defensie in functie-eisen en verruimt Defensie leeftijdsgrenzen waar dat verantwoord is, bijvoorbeeld voor vlootpersoneel van de Marine en grondpersoneel van de Luchtmacht. Deze maatregelen dragen bij aan de groei van opgeleid en inzetbaar personeel. We zijn niet van plan meer opleidingstrajecten of instroom instrumenten te ontwikkelen, maar juist de bestaande optimaal te benutten en te schalen.
Wat is uw reactie op de analyse uit het artikel van Follow the Money dat het merendeel van de reservistenprogramma’s zich richt op «hoger opgeleiden», dat er veel minder geld gaat naar de VeVa-opleidingen en dat de VeVa in de praktijk geen vooropleiding is en geen voorrang geeft bij Defensie?
Ik herken het geschetste beeld niet. Defensie richt zich in haar personeelsbeleid op verschillende doelgroepen, met instroomsporen voor zowel mbo-, hbo- als wo-opgeleiden. VeVa vormt een heel belangrijk mbo-spoor: van de VeVa-studenten die tussen 2010 en 2020 zijn gestart, is 43 procent doorgestroomd naar een initiële opleiding bij Defensie. Circa 19 procent van alle beroepsmilitairen heeft een VeVa-achtergrond; bij manschappen en onderofficieren jonger dan 35 jaar is dit ongeveer 38 procent. VeVa is geen vooropleiding met formele voorrangsposities, maar biedt een doorlopende leerlijn die het beroepsbeeld en de basisvaardigheden versterkt en daarmee de keuze voor Defensie vergroot.
Voor VeVa is geen afzonderlijk programmabudget inzichtelijk, omdat de uitvoering is verweven met de reguliere bedrijfsvoering van Defensie. Er is wel afzonderlijk budget beschikbaar voor de stagevergoedingen aan VeVa-leerlingen tijdens de beroepspraktijkvorming (BPV) bij de operationele commando’s. Deze uitgaven aan uitvoering van de beroepspraktijkvorming bedragen circa 7 miljoen euro per jaar. Een significant aantal medewerkers van Defensie wordt direct en specifiek ingezet voor de begeleiding, coördinatie en regievoering van VeVa. Dit betreft de militair instructeurs op de ROC’a, alle BPV-commandanten en hun medewerkers voor de BPV-begeleiding, en alle stage- en onderwijscoördinatoren vanuit de operationele commando’s en defensieonderdelen.
De analyse dat reservistenprogramma’s zich uitsluitend of voornamelijk op hoger opgeleiden zouden richten, is niet juist. Zo zet Defensie met Defensity College (hbo/wo), het Dienjaar (mbo, hbo, wo) en de Nationale Weerbaarheidstraining (hbo/wo-minor en mbo-keuzendeel) in op jongeren en studenten die anders niet snel voor een loopbaan bij Defensie zouden kiezen. Defensie ontwikkelt en benut reservistenschillen juist in de volle breedte van de krijgsmacht, met functies voor zowel mbo-profielen als hbo- en wo-opgeleiden. De groei van de reservistenschil tot 20.000 in 2030 vraagt om een divers aanbod van reservistenfuncties, variërend van operationele ondersteuning en technische inzetbaarheid tot specialistische rollen op het gebied van ICT, cyber, geneeskundige zorg en beleidsmatige ondersteuning. Daarnaast zien we ook veel jongeren met een hbo- of wo-profiel die er juist voor kiezen om als reservist praktisch in gezet te worden bij de Natres of infanterie bewaken en beveiligen. De totale reservistenschil bestaat daarmee uit een breed samengesteld personeelsbestand dat aansluit bij de behoefte van de krijgsmacht.
Welke belemmeringen in de keten (zoals capaciteit opleidingen, veiligheidsscreenings, keuringseisen) spelen volgens u voornamelijk een rol bij het feit dat vacatures bij Defensie onvoldoende ingevuld worden?
De belangrijkste belemmeringen in de keten zijn de capaciteit en doorlooptijden van selectie en keuring, de duur van veiligheidsonderzoeken, de beschikbare opleidings- en instructiecapaciteit en randvoorwaarden als huisvesting, kleding en uitrusting. Een deel hiervan volgt uit wettelijke kaders, zoals de Wet op de medische keuringen en procedures voor veiligheidsonderzoeken. Daarnaast wil Defensie in korte tijd substantieel opschalen, terwijl uitbreiding van infrastructuur, instructiecapaciteit en ondersteunende voorzieningen tijd vergt.
Deelt u de mening dat meer geïnvesteerd moet worden in het wegnemen van de belemmeringen in de keten? Zo nee, waarom niet? Zo ja, welke stappen onderneemt u daarvoor?
Ik deel de mening dat het wegnemen van belemmeringen in de keten essentieel is om de personeelsdoelen te halen. Hiertoe zijn diverse maatregelen genomen. Defensie investeert nadrukkelijk in het vergroten van selectie- en keuringscapaciteit, in het uitbreiden van opleidingscapaciteit en het moderniseren van het onderwijs, in samenwerking met civiele opleidingspartners, in het wegnemen van onnodige regels voor externe opleiders en in het verbeteren van materiële randvoorwaarden. Daarnaast werkt Defensie via de beoogde Wet op de Defensiegereedheid aan meer flexibiliteit in het keuringsproces, onder meer door keuringen eerder in het proces te kunnen uitvoeren en keuringsgegevens langer te mogen gebruiken.
Klopt het dat de uitstroom van militairen ongeveer 25 procent hoger ligt dan ingecalculeerd?
Nee, dat beeld klopt niet. In 2025 stroomden er tot en met november minder beroepsmilitairen uit dan verwacht. Daarnaast bedraagt het percentage van het personeelsbestand dat Defensie in 2025 op eigen verzoek verlaat 3,1 procent van de totale bezetting, exclusief leerlingen in initiële opleidingen. Dit percentage ligt aanzienlijk lager dan het percentage van circa 5 procent irregulier verloop waarmee de sector Rijk rekent en lager dan in het bedrijfsleven. Uiteraard kan de uitstroom per doelgroep per jaar fluctueren, maar er is geen sprake van een structurele overschrijding van de ramingen met 25 procent.
Is er bij de recente stijging van het defensiebudget ook geïnvesteerd in het beter faciliteren van zittend personeel om die te kunnen behouden? Zo ja, met welk resultaat?
Ja. Met de stijging van het defensiebudget investeert Defensie niet alleen in werving, maar juist ook in behoud van alle medewerkers. Dit gebeurt onder meer via modernisering van arbeidsvoorwaarden, leer- en ontwikkelmogelijkheden, de invoering van de continue dialoog en strategische personeelsplanning, verbeterde loopbaanbegeleiding via het Dienstencentrum Employability, investeringen in veilige en passende uitrusting (zoals scherfwerende vesten voor vrouwelijke militairen) en het verbeteren van leiderschap en organisatiecultuur. Het resultaat is onder meer een lage vrijwillige uitstroom van 3,1 procent en het feit dat ongeveer 70 procent van de dienstverlaters aangeeft (heel) tevreden te zijn over het werk bij Defensie.
Deelt u ten slotte de mening dat voor het behalen van de doelstellingen voor 2030 (en daarna) een meer verplichtend karakter in het kader van opkomstplicht noodzakelijk zal zijn? Zo nee, waarom niet? Zo ja, welke plannen heeft u hiertoe in voorbereiding?
Ik deel die mening niet. In mijn Kamerbrief «Start Defensie-enquête» (Kamerstuk 36 592, nr. 45, 22 september 2025) heb ik u daarover geïnformeerd. De belangstelling om bij Defensie te dienen neemt toe en de vrijwillige uitstroom is laag. Dat geeft ons het vertrouwen dat we de krijgsmacht met een vrijwillig dienmodel kunnen blijven vullen. In de Kamerbrief «Onze mensen, onze toekomst» heb ik uw Kamer geïnformeerd over de aanvullende maatregelen die Defensie neemt om versneld te veranderen en te groeien naar een voortdurend inzetgerede en schaalbare krijgsmacht.
We moeten ons echter op verschillende scenario’s voorbereiden. Zo kan het bijvoorbeeld zijn dat de verwachte groei achterblijft bij de prognoses, of dat de veiligheidssituatie verder verslechtert en Defensie sneller moet groeien dan nu voorzien. Om die reden ontwikkelt Defensie een dienmodel dat kan meebewegen met de dreiging. Dat betekent: in staat zijn om (snel) op te schalen in aanloop naar een conflictsituatie, en weer kunnen afschalen in een periode na een conflict.
De Defensie-enquête is een instrument om sneller zicht te krijgen op potentiële instroom en, waar nodig, gefaseerd naar een meer verplichtend karakter toe te werken. De eerste stap, de vrijwillige enquête, is in september gestart. De herinvoering van de opkomstplicht is in uiterste instantie een juridisch beschikbare optie, maar ik ben ervan overtuigd dat er effectievere en meer gerichte manieren zijn om de personele gereedheid te verhogen. Een krijgsmacht waarin mensen bewust en vrijwillig voor dienst kiezen, blijft moreel en operationeel sterker.
Het bericht 'Trollenlegers uit buitenland versterkten politieke en opruiende berichten rond verkiezingen' |
|
Jantine Zwinkels (CDA), Derk Boswijk (CDA), Tijs van den Brink (CDA) |
|
van Marum , Rijkaart |
|
|
|
|
Bent u bekend met het bericht «Trollenlegers uit buitenland versterkten politieke en opruiende berichten rond verkiezingen»?1
Ja, hiervan ben ik op de hoogte.
Kunt u reageren op het onderzoek van RTL Nieuws, waaruit blijkt dat honderden nepaccounts uit Nigeria, Ghana en andere landen op sociale media rond de Nederlandse Tweede Kamerverkiezing het debat beïnvloed hebben?
Pogingen tot beïnvloeding van onze democratie door middel van nepaccounts op sociale mediazijn ernstig en zorgelijk. Gelukkig heeft Nederland een robuuste democratie met transparante en controleerbare verkiezingen, waardoor ik de impact van de nepaccounts als beperkt beschouw. De verkiezingen zijn eerlijk en vrij verlopen. Tegelijkertijd is elke gecoördineerde campagne die het publieke debat rondom het verkiezingsproces mogelijk beïnvloedt, ongeacht de omvang, volstrekt onwenselijk. Het publieke debat is van iedereen en dient daarom niet gemanipuleerd te worden, zeker in relatie tot cruciale democratische processen zoals nationale verkiezingen. Sociale media bedrijven kunnen hiervoor misbruikt worden. Zeer grote online platformen hebben daarom de verplichting om te onderzoeken of hun diensten op deze manier misbruikt kunnen worden, en zo nodig maatregelen te treffen om dat te adresseren.
Ik vind het belangrijk dat platformen verantwoordelijkheid nemen en maatregelen treffen tegen illegale content, desinformatie en gecoördineerd niet-authentiek gedrag. Daarom blijf ik in gesprek met de platformen over hun verantwoordelijkheden voor het beschermen van het publiek debat en het verkiezingsproces, zoals toegezegd in de Kamerbrief over het contact met de platformen.2 Dit gesprek zal ook voor de komende gemeenteraadsverkiezingen plaatsvinden.
We staan er als Nederland niet alleen voor. Samen met de Europese Commissie en andere EU-lidstaten spannen we ons gezamenlijk in om de democratie te verdedigen tegen buitenlandse inmenging. Zo is recent het European Democracy Shield gepubliceerd, en zijn al verschillende onderzoeken tegen zeer grote online platformen gestart in verband met mogelijke overtredingen van de digitaledienstenverordening (DSA). Ik steun de Europese Commissie in haar toezicht en in de lopende onderzoeken, waarbij ook aandacht is voor gecoördineerd niet-authentiek gedrag en manipulatie. Ook zoeken we bilaterale samenwerking en kennisuitwisseling met partners, waaronder Duitsland, Frankrijk en Zweden op, om te leren van hun ervaringen op dit gebied.
Kunt u bevestigen dat het inderdaad ook gaat om Russische invloed?
De diensten doen onderzoek naar statelijke actoren en in welke mate zij een dreiging vormen voor de nationale veiligheid. Wanneer zij stuiten op pogingen tot beïnvloeding, manipulatie of verstoring van de verkiezingen, kunnen en zullen de diensten hun wettelijke bevoegdheden inzetten om dit tegen te gaan. In het openbaar kan ik niet ingaan op individuele gevallen. Immers, dit zou inzicht geven in het huidige kennisniveau van de diensten en daarmee de nationale veiligheid kunnen schaden.
Wel waarschuwen de diensten en de NCTV in zijn algemeenheid dat statelijke actoren onze democratie kunnen en willen ondermijnen.3 De inzet van sociale media, waarbij nepaccounts profielen en berichten proberen te versterken, past in het beeld van de wijze waarop statelijke actoren de democratische rechtsstaat proberen te ondermijnen. Er moet rekening worden gehouden dat deze vorm van heimelijke beïnvloeding veelvuldig voor kan komen, met name rondom verkiezingen.
Hoe oordeelt u over de impact van deze trollenlegers op de verkiezingen?
Ondanks dat iedere poging om het verkiezingsproces te beïnvloeden ongewenst is, betekent het niet dat iedere poging ook een daadwerkelijke invloed heeft. Door het geringe aantal nepaccounts kan worden vastgesteld dat de impact beperkt was. De verkiezingen zijn eerlijk en vrij verlopen. Ondanks dat deze specifieke casus geen grote impact heeft gehad op de afgelopen verkiezingen, kan het meermalig gebruik van nepaccounts door verschillende actoren het vertrouwen in het verkiezingsproces en het publieke debat ondermijnen. Daarom moet de samenleving weerbaar zijn en blijven tegen beïnvloedingspogingen en neemt het kabinet maatregelen om de verkiezingen eerlijk en vrij te laten verlopen. Zie hiervoor het antwoord op vraag 7.
Zijn deze trollenlegers nog steeds actief? In hoeverre is hier inzicht in?
Zie het antwoord op vraag 3.
Herinnert u zich eerdere waarschuwingen van onder andere Europol en de Europese Commissie over buitenlandse informatieoperaties gericht op EU-lidstaten?
Er is binnen de EU veel aandacht voor buitenlandse informatieoperaties gericht op de EU-lidstaten. De Europese Commissie en de Europese Dienst voor Extern Optreden (EDEO) staan hierover in nauw contact met de lidstaten. Bijvoorbeeld via de Rapid Alert System (RAS), dat in het leven is geroepen om snel met andere lidstaten te communiceren en waar nodig gezamenlijke actie te ondernemen. Nederland neemt actief deel aan de RAS. Zo heeft BZK afgelopen november een bijeenkomst georganiseerd voor de RAS-leden waar mogelijke beïnvloeding van verkiezingen onderdeel van de agenda was.
Gezien de groeiende dreiging van buiten de EU, is in het recent gepresenteerde European Democracy Shield (EUDS) aangekondigd de samenwerking te versterken. Uw Kamer wordt hierover binnenkort, via de gebruikelijke wijze, geïnformeerd.
Welke aanvullende Nederlandse maatregelen zijn sindsdien genomen en hoe verhouden die zich tot de bevindingen in dit RTL-onderzoek?
Het kabinet neemt iedere verkiezing maatregelen om risico’s op buitenlandse beïnvloeding in het verkiezingsproces tegen te gaan. Deze maatregelen worden doorlopend geëvalueerd en aangescherpt waar nodig. Hierbij kijk ik ook naar de ervaringen van andere EU-lidstaten en EU-instellingen. Dit maatregelenpakket omvat onder andere een offensieve aanpak tegen desinformatie en informatiemanipulatie. Over de genomen maatregelen is uw Kamer eerder over geïnformeerd.4
Separaat werk ik in samenwerking met andere departementen uit hoe we eerder en beter zicht kunnen krijgen op buitenlandse beïnvloedingscampagnes (FIMI) die onze Nederlandse belangen willen ondermijnen, zoals een gezonde democratie en maatschappelijke stabiliteit. Het gaat hier dus om detectie-capaciteit. Hierbij leren we van de ervaringen van EU-lidstaten, zoals Frankrijk en Zweden, hoe zij dergelijke FIMI detecteren en hierop reageren. We werken momenteel uit hoe we FIMI-detectie in de Nederlandse context kunnen vormgeven. Uw Kamer wordt hierover na het zomerreces geïnformeerd.
Daarnaast vind ik het van belang dat organisaties die zich inzetten om informatiecampagnes en desinformatie bloot te leggen, zoals factcheckers en onderzoeksjournalisten, hun werk kunnen doen en het publiek blijven informeren.
Ik heb van de ACM vernomen dat zij de Europese Commissie op de hoogte heeft gebracht van het onderzoek van Trollrensics, waarop de berichtgeving is gebaseerd. Verder ga ik, zoals omschreven in het antwoord op vraag 2, wederom in gesprek met de sociale media platformen, over hun verantwoordelijkheden voor het beschermen van het publiek debat en het verkiezingsproces. Dit gesprek zal voor de komende gemeenteraadsverkiezingen plaatsvinden. Tot slot kan het Ministerie van BZK tijdens verkiezingen in contact treden met de platformen X, Meta, TikTok, Google, of Snapchat, indien er signalen zijn over berichten met feitelijk onjuiste informatie over het verkiezingsproces. Met die platformen bestaat de afspraak dat zij deze meldingen van BZK gedurende de verkiezingsperiode met prioriteit behandelen. Dit noemt BZK de «verkiezingen flagger status». Het ministerie heeft geen bevoegdheid om bepaalde content te laten verwijderen. Gedane meldingen worden achteraf wel openbaar gemaakt in de evaluatie van de desbetreffende verkiezing.5 Ik wil verkennen of deze status verder uitgebreid kan worden, om zo ook niet-authentieke campagnes onder de aandacht te brengen van platformen.
Zijn er bij u signalen bekend dat buitenlandse netwerken gericht hebben geprobeerd invloed uit te oefenen op de Nederlandse verkiezingen? Zo ja, in hoeverre is hiervan sprake geweest?
Zoals gezegd in antwoord op vraag 3, passen het gebruik van nepaccounts die profielen en berichten proberen te versterken in het beeld van de wijze waarop statelijke actoren de democratische rechtsstaat proberen te ondermijnen. Daarom neem ik iedere verkiezing maatregelen om de effecten van deze heimelijke beïnvloedingspogingen te mitigeren en is het van belang dat platformen hun verantwoordelijkheid nemen in het beschermen van het publieke debat.
Is het denkbaar dat er nog meer trollenlegers actief zijn geweest rond de verkiezingen dan bekend is dankzij dit onderzoek. Zo ja, hoeveel? Op welke manier is dat volgens u in de toekomst te voorkomen?
Zie antwoord vraag 8.
Deelt u de mening dat platforms die zich niet aan de regels houden gestraft moeten worden en dat websites en platforms bij herhaalde en grove schending (tijdelijk) uit de lucht moeten worden gehaald? In hoeverre hebben de socialemediaplatformen volgens u de verantwoordelijkheid om buitenlandse nepaccounts die zich mengen in maatschappelijke discussies in Nederland te weren en offline te halen; op basis van welk beleid of wetgeving kunt u hen hier ook verantwoordelijk voor houden? Hoe zou de aanstaande wetgeving (denk aan de Digitaledienstenverordening, de Verordening artificiële intelligentie en Digital Fairness Act) en handhaving hierop een rol van betekenis in kunnen spelen?
Het kabinet acht het van belang dat sociale media platformen hun verantwoordelijkheid nemen in het beschermen van de integriteit van het verkiezingsproces. Zo verplicht de digitaledienstenverordening DSA zeer grote online platformen en zoekmachines (VLOPs en VLOSEs) om systeemrisico’s in kaart te brengen en hier maatregelen tegen te nemen. Dit betreft ook risico’s rond verkiezingsprocessen, zoals de verspreiding van desinformatie of opzettelijke manipulatie van de dienst, onder meer door niet-authentiek gebruik (zoals nepaccounts).
Voor het toezicht op en handhaving van de verplichtingen uit de DSA op VLOPs en VLOSEs is de Europese Commissie exclusief bevoegd. Tot op heden heeft de Europese Commissie 9 formele procedures geopend tegen VLOPs, waaronder 4 socialemediabedrijven: Facebook, Instagram, TikTok en X. De overige 5 VLOPs zijn Aliexpress, Temu, Pornhub, XNXX en XVideos. Het kabinet volgt deze en andere lopende onderzoeken met grote interesse en staat samen met andere lidstaten achter de Europese Commissie en de proactieve handhaving van de DSA-verplichtingen.
Tegelijkertijd acht het kabinet het van belang dat platformen ook proactief maatregelen te nemen om onze democratische processen te beschermen, en daarbij niet de onderzoeken van de Commissie afwachten. Daarom zijn er tijdens de afgelopen verkiezing op verschillende manieren gesprekken geweest met de platformen en ga ik, zoals vermeld in antwoord 2, in gesprek met de platformen over platformen over hun verantwoordelijkheden voor het beschermen van het publiek debat en het verkiezingsproces.
Zijn er socialemediaplatformen aangesproken vanwege de buitenlandse nepaccounts die verkiezingen proberen te beïnvloeden. Zo ja, welke maatregelen zijn vervolgens genomen?
In Nederland zijn er door de rijksoverheid geen platformen specifiek aangesproken vanwege buitenlandse nepaccounts. Wel heb ik van de ACM vernomen dat zij de Europese Commissie op de hoogte gebracht van het onderzoek van Trollrensics, waarop de berichtgeving is gebaseerd. Daarnaast heeft het Ministerie van BZK contact gehad met Meta en X over berichten met onjuiste informatie hoe te stemmen. Uw Kamer wordt in de evaluatie van de Tweede Kamerverkiezing hierover geïnformeerd.
Het kabinet moedigt onderzoekers, burgers en maatschappelijke organisaties aan om ook zelf melding te doen bij het desbetreffende platform, als zij stuiten op nepaccounts en content dat ingaat tegen wet- en regelgeving, of het beleid van het platform zelf. Indien een platform niet reageert, dan kan daarover een melding worden gedaan bij de ACM.
Welke concrete maatregelen kunt u nemen om buitenlandse inmenging via sociale media bij verkiezingen te voorkomen en beperken? Zijn deze maatregelen volgens u voldoende?
Voor de maatregelen die wij nemen, verwijs ik naar het antwoord op vraag 7.
Welke maatregelen gaat u nemen om ervoor te zorgen dat kiezers tijdens toekomstige verkiezingen beschermd worden tegen buitenlandse beïnvloeding via sociale media?
Zie het antwoord op vraag 7.
Bent u bereid om deze zorgen bij Europese collega’s onder de aandacht te brengen en ervaringen uit te wisselen om buitenlandse inmenging te voorkomen?
Ja, Nederland neemt actief deel aan verschillende samenwerkingsverbanden, zoals de Rapid Alert System (RAS) en de European Cooperation Network on Elections (ECNE) en de Europese Raadswerkgroep voor het vergroten van weerbaarheid en tegengaan van hybride dreigingen (HWP ERCHT). Ook zet Nederland zich er voor in dat binnen de Raad van Europa wordt samengewerkt om de dreiging van FIMI voor onze democratie tegen te gaan in het kader van het New Democratic Pact.
Het slopen van het dorp en de gemeenschap Moerdijk |
|
Ranjith Clemminck (JA21), Daniël van den Berg (JA21) |
|
Sophie Hermans (minister klimaat en groene groei, minister infrastructuur en waterstaat) (VVD), Rijkaart |
|
|
|
|
In hoeverre deelt u de analyse dat ruimtegebruik van de energietransitie oorzaak is voor het mogelijk verdwijnen van Moerdijk?
Het kabinet en de regio hebben nog geen besluit genomen over het mogelijk verdwijnen van het dorp Moerdijk. Het kabinet en de regio zijn voornemens om in juni 2026 een gezamenlijke voorkeur uit te spreken voor waar de ontwikkelingen van het haven- en industriecluster Moerdijk gerealiseerd gaan worden. Een definitief besluit over waar de ontwikkelingen gaan plaatsvinden wordt pas genomen na vaststelling van een gebiedsplan. Bij het Bestuurlijk Overleg Leefomgeving1 (BOL) van 2025 hebben het kabinet en de regio afgesproken om ruimte te bieden aan de energietransitie (installaties en tracés voor kabels en leidingen) en autonome groei van bedrijvigheid, waaronder verduurzaming en circulair maken van de bestaande industrie. Hiervoor wordt (deels) gekeken naar ruimte buiten het haven- en industriecluster Moerdijk en het Amercentrale-terrein in Geertruidenberg. Op basis van de verrichte technische studies (fase 2B2) hanteren het kabinet en de regio voor de voornoemde onderdelen een indicatieve ruimtevraag van 700 hectare voor de gehele Powerport regio. De concrete invulling van de ruimtevraag wordt nader uitgewerkt.
Kunt u aangeven hoeveel extra ruimtegebruik de energietransitie vraagt in Nederland tot aan 2040?
De energietransitie vraagt extra ruimte overal in Nederland. Dit is nodig om netcongestie op te lossen en onze onafhankelijkheid te waarborgen. Deze ruimtevraag wordt vooral gebundeld in en rondom de haven- en industrieclusters, zoals aangegeven in de ontwerp-Nota Ruimte3. Het precieze extra ruimtegebruik tot aan 2040 in deze clusters is afhankelijk van de economische ontwikkeling en de keuzes in het energiesysteem. Met het Programma Energiehoofdstructuur4 (PEH) is de verwachte ruimtevraag in kaart gebracht voor de energietransitie in de haven- en industrieclusters tot en met 2050.
In hoeverre heeft u in kaart waar deze extra ruimtevraag in Nederland nodig is, en kunt u deze delen? Zo ja, welke daar nu bestaande functies zoals wonen, bedrijven, landbouw moeten daardoor verdwijnen?
Zie het antwoord op vraag 2. Binnen de haven- en industrieclusters en andere NOVEX-gebieden worden verschillende functies (waaronder wonen, bedrijven, landbouw en energie) integraal afgewogen. Per gebied wordt daarin gekeken wat, alles overwegend, de beste manier is om nieuwe ruimtevragers in te passen. Deze aanpak volgen we ook in het haven- en industriecluster Moerdijk.
Op welke manier neemt u de extra ruimtevraag en het verdwijnen van hele gemeenschappen mee in de veelgeprezen versterking van de «brede welvaart» afweging?
Het kabinet en de regio hebben bij het BOL van 2025 afgesproken dat een strategische uitbreiding alleen kan als de brede welvaart en leefbaarheid gelijktijdig, geloofwaardig en structureel versterkt worden. Brede welvaart is een expliciet onderdeel van het nog op te stellen gebiedsplan.
In hoeverre deelt u de mening dat kernenergie per eenheid opgewekte elektriciteit aanzienlijk minder ruimte vergt dan een energietransitie die primair is gebaseerd op wind- en zonne-energie, mede gelet op internationale studies waaruit blijkt dat kernenergie per eenheid elektriciteit 18 tot 27 maal minder land vereist dan zonne-energie1?
Het kabinet deelt de opvatting over dat kernenergie minder ruimte vergt per eenheid opgewekte elektriciteit, in relatie tot andere energiebronnen zoals wind- en zonne-energie. Het verschil tussen het ruimtegebruik op land van kernenergie en windenergie geproduceerd op zee is echter klein. Converterstations voor aanlandingen van wind op zee hebben een relatief klein ruimtegebruik op land. Voor een robuust, duurzaam en betaalbaar energiesysteem is een diverse energiemix essentieel, met daarin voldoende ruimte voor wind, zon en kernenergie. Per onderdeel van het energiesysteem worden de best geschikte locaties gezocht, waarin de overkoepelende ruimtelijke keuzes voor het energiesysteem gemaakt worden via het PEH.
Kunt u daarbij aangeven of bij de ruimtelijke beoordeling een scenario met substantiële kernenergieproductie is onderzocht, wat dit zou betekenen in termen van hectares ruimtebesparing voor de regio Moerdijk en voor Nederland, en – indien dat niet het geval is – of u bereid bent dit alsnog te (laten) berekenen en met de Kamer te delen?
In het eerste PEH en het Nationaal Plan Energiesysteem (NPE) zijn ook scenario's met substantiële hoeveelheden kernenergie onderzocht. Ook wanneer er relatief veel kernenergie ontwikkeld wordt, blijft het een aanvulling op zon en windenergie en blijft er dus ruimte nodig voor o.a. de aanlanding van wind op zee. Nederland heeft een verzameling aan energiebronnen nodig om energieonafhankelijkheid, leveringszekerheid en verduurzaming te borgen. Het kabinet zet daarom in op een verdere opschaling van wind op zee en kernenergie.
Welke rol speelt ruimtegebruik bij uw afweging voor de energietransitie?
Het energiesysteem en de transitie van fossiele naar duurzame bronnen zijn complexe vraagstukken met veel verschillende onderdelen die afhankelijk zijn van elkaar. Middels het NPE worden keuzes over de energiemix van het toekomstige energiesysteem gemaakt, via het PEH worden keuzes gemaakt over het ruimtegebruik en de locaties van de onderdelen van het energiesysteem. Ruimtegebruik is een van de factoren die meeweegt in het maken van keuzes voor het energiesysteem van de toekomst, net als verschillende andere publieke belangen zoals betaalbaarheid, duurzaamheid en leveringszekerheid.
Ziet u mogelijkheden om de inwoners van de kern Moerdijk opnieuw te vestigen binnen de gemeente Moerdijk in één van de andere woonkernen? Zo ja, wat gaat u doen om dit mogelijk te maken?
Het kabinet en de regio werken een transitiestrategie uit met én voor de inwoners in het gebied, passend bij het principebesluit waarvan het voornemen is dit in juni 2026 te nemen. Hierin is oog voor de verschillende wensen van de betrokken inwoners en het behouden van de leefbaarheid en voorzieningenniveau in het dorp. Binnen deze transitiestrategie kan ook worden onderzocht of het mogelijk is om inwoners van de kern Moerdijk elders in de regio te huisvesten.
Hoe wordt geborgd dat basisvoorzieningen zoals de basisschool, sportverenigingen, zorgpost en supermarkt tot het einde openblijven?
Zie het antwoord op vraag 8.
Hoe verhoudt het besluit om de dorpskern Moerdijk te schrappen zich tot de vastgestelde zoekgebieden in het Programma Energiehoofdstructuur (PEH) en het Nationaal Plan Energiesysteem (NPE)?
Zie het antwoord op vraag 1, er is geen besluit genomen om de dorpskern Moerdijk te schrappen. Het PEH is de ruimtelijke doorvertaling van het NPE. De ruimtevraag die in kaart is gebracht in het PEH is onderdeel van de bredere opgave voor de Powerport regio Moerdijk. In de bredere opgave voor Powerport Regio Moerdijk valt ook de ruimtevraag voor de groei van bedrijvigheid, het verduurzamen en circulair maken van de industrie.
Wat is het totale ruimtebeslag van de Powerportopgave per onderdeel (stations, kabels, opslag, waterstof- en CO2-leidingen, havenlogistiek) en hoe verklaart u het verschil tussen de 28 hectare (ha) voor het 380/150/20 kV-station2 en de 400–500 ha die de gemeente noemt voor de totale opgave?
Zie het antwoord op vraag 1. De verdeling is te vinden in de technische studie7 van de Ontwerptafel Powerport regio Moerdijk. Het kabinet en de regio hanteren daarin een indicatieve ruimtevraag van 700 ha, nodig voor de verduurzaming en het circulair maken van bedrijvigheid en de energietransitie. De 28 ha die benodigd is voor het hoogspanningsstation dat gebouwd moet worden is onderdeel van die totaalopgave.
In hoeverre is de sloop van het dorp nodig voor de logistieke uitbreiding (PowerPort) in plaats van alleen voor energie-infrastructuur?
Powerport is de benaming voor de gehele ontwikkeling in de regio Moerdijk. Een groot deel van de ruimtevraag komt voort uit de autonome groei van bedrijvigheid (waaronder het circulair maken van de industrie) en logistiek. In de technische studie genoemd bij het antwoord op vraag 11 is een nadere uitwerking van de ruimtevraag te vinden.
Wat zijn de geraamde totale kosten van het opheffen van Moerdijk, uitgesplitst naar (a) verwerving en taxatie van 1.100 woningen/bedrijven en compensatie voor immateriële schade, (b) verplaatsing van publieke voorzieningen zoals school, sport en begraafplaats, (c) aanleg van de nieuwe energie-infrastructuur en (d) leefbaarheids- en gebiedsfonds? Hoe wordt dit gefinancierd (Rijk, provincie, havenbedrijf, TenneT/Enexis) en zijn hiervoor middelen gereserveerd in de Rijksbegroting?
Hier moet nader onderzoek naar worden gedaan. Als onderdeel van de besluitvorming op 1 december jl. heet het kabinet een eenmalige bijdrage toegekend van € 17 miljoen om de garantiewaarde van de Moerdijkregeling te verhogen van 95% tot 100%. Een verdere verkenning naar de totale kosten en de verdeling hiervan over partijen moet nog worden uitgevoerd en wordt onderdeel van het te nemen principebesluit in juni 2026.
Hoe worden de kosten van onteigening, verplaatsing en leefbaarheidsmaatregelen op project- en systeemniveau bijgehouden en betrokken bij de nationale kosten-batenanalyse? Bent u bereid een openbaar register in te richten waarin alle ruimtelijke kosten (grondaankoop, onteigening, waardedaling, leefbaarheidsfondsen, juridisch verweer) worden vastgelegd?
Dit is onderdeel van de nog uit te werken transitiestrategie en financiële afspraken. Een openbaar register is geen onderdeel van deze financiële afspraken.
Wie heeft de regie in dit project? Het participatieplan vermeldt dat TenneT en Enexis initiatiefnemer zijn en dat het Ministerie van Klimaat en Groene Groei het bevoegd gezag is3. Wat is de rol van de Minister van Binnenlandse Zaken, de Minister van Infrastructuur en Waterstaat, de provincie Noord-Brabant en de gemeente Moerdijk? Wie beslist uiteindelijk over de opheffing van het dorp en wie over de inrichting van het gebied?
Uitwerking van de uitbreiding van Powerport Moerdijk vindt plaats onder regie van alle betrokken overheden: Rijksoverheid (KGG, IenW en VRO), provincie Noord-Brabant, Gemeenten Moerdijk, Drimmelen en Geertruidenberg en waterschap Brabantse Delta. Deze partijen beslissen ook gezamenlijk over de toekomst van het dorp Moerdijk.
Het participatieplan waar naar verwezen wordt heeft betrekking op de realisatie van een nieuw hoogspanningsstation waarvoor Enexis en TenneT de initiatiefnemers zijn. De Minister van KGG is in afstemming met de Minister van VRO het bevoegd gezag voor het Projectbesluit van dit hoogspanningsstation. Het hoogspanningsstation is slechts een klein onderdeel van de gehele uitbreiding binnen de Powerport regio Moerdijk.
Acht u het maatschappelijk en juridisch wenselijk dat de energietransitie gepaard gaat met het verwijderen van dorpen? Welke precedenten bestaan er in Nederland of elders en wat zijn de belangrijkste lessen?
Nederland is druk en de opgaven zijn groot. Om ook voor de toekomst voldoende ruimte te kunnen bieden aan groeiende economie en bevolking is uitbreiding van het energienet noodzakelijk. Dat is nodig om woningen en bedrijven van stroom te kunnen voorzien. Er zullen moeilijke keuzes gemaakt moeten worden, waarbij lokale, regionale en landelijke belangen met elkaar afgewogen worden. Soms betekent dit dat bepaalde functies zullen verdwijnen om plaats te maken voor andere. Het opheffen van een dorp of dorpskern is daarbij een heel zwaar besluit dat niet vaak genomen zal worden. Dat kan alleen indien uit een integrale afweging blijkt dat er geen redelijke alternatieven zijn en er voldoende compenserende maatregelen genomen worden.
Er is in Nederland geen precedent waarbij op deze schaal een dorp of dorpskern is verplaatst voor energie-infrastructuur, maar het komt wel degelijk voor dat woningen of andere functies soms plaats moeten maken voor infrastructuur of andere ontwikkelingen. Daarbij zijn naast goed overleg tussen alle betrokken overheden, inwoners en andere partijen ook een goede afweging van alternatieven, maatschappelijke kosten en baten en compenserende maatregelen van belang.
Acht u dat de grote ruimtelijke claim van een 100% hernieuwbaar energiescenario aanleiding is om, conform het NPE dat wind, zon en kernenergie als mix benoemt4 en een opschaling naar 70 GW wind op zee en 3,5–7 GW kernenergie voorziet, het energiesysteem te herijken en extra kernenergie of andere compacte bronnen toe te voegen?
Het NPE wordt op dit moment geactualiseerd. Het kabinet verwacht dit te publiceren met Prinsjesdag 2026. Onderdeel van de actualisatie is ook een herijking van de verwachte benodigde capaciteiten aan wind, zon en kernenergie, waarin ook de verhouding tussen productie in Nederland en import een rol speelt. Het ruimtebeslag van energiebronnen is een van de factoren op basis waarvan besluiten worden genomen over de toekomst van het energiesysteem en de samenstelling van de energiemix.
Kunt u deze vragen een voor een beantwoorden?
Ja, de vragen zijn één voor één beantwoord.
Kunt u deze vragen beantwoorden vóór het nog in te plannen plenaire debat over Moerdijk?
Ja.
Het bericht 'Italië erkent femicide als misdrijf en bestraft het met levenslang' |
|
Bente Becker (VVD) |
|
Nicki Pouw-Verweij (BBB), Arno Rutte (VVD) |
|
|
|
|
Bent u bekend met het bericht «Italië erkent femicide als misdrijf en bestraft het met levenslang»?1
Ja.
Bent u bekend met de Italiaanse wet waarin femicide officieel wordt erkend als misdrijf en wordt bestraft met een levenslange gevangenisstraf?
Ja.
Welke juridische criteria worden gebruikt om femicide te onderscheiden van andere vormen van moord in de Italiaanse wet? Hoe verhoudt zich dit tot de bewijslast dat moet worden kunnen bewezen dat het slachtoffer is vermoord omdat zij vrouw is?
Artikel 577bis van het Italiaanse Wetboek van Strafrecht bevat een aparte strafbaarstelling van femicide. Deze bepaling stelt levenslange gevangenisstraf op het doden van een vrouw gepleegd als een daad van haat, discriminatie, onderdrukking, controle, bezit of dominantie vanwege het feit dat zij een vrouw is, omdat zij weigert een affectieve relatie aan te gaan of te behouden, of om haar individuele vrijheden te beperken. Als deze omstandigheden niet kunnen worden bewezen, dan kan de pleger worden veroordeeld voor de bestaande vormen moord of doodslag.
De wet is recent in werking getreden, en er is nog geen jurisprudentie bekend over de vraag hoe de hiervoor genoemde omstandigheden kunnen worden bewezen. De Italiaanse strafrechtspraktijk zal dat in de komende periode moeten uitwijzen.
Op basis van welke motivatie wordt aan femicide een strafverzwarend kenmerk toegevoegd in de Italiaanse wet?
In de Italiaanse wet is femicide onder de hiervoor genoemde omstandigheden als een apart misdrijf aangemerkt, omdat Italië – mede ingegeven door een aantal bekende zaken – strenger wil optreden tegen gendergerelateerd geweld. Op dit misdrijf is een levenslange gevangenisstraf gesteld, waarmee een afschrikwekkende werking wordt beoogd.2
Is de redenering in de Italiaanse wet ook toepasbaar op de Nederlandse situatie?
Ook in Nederland is sprake van een toenemend bewustzijn over de aard en ernst van femicide en het (psychisch) geweld dat daaraan voorafgaat. Ook groeit de kennis over het fenomeen femicide gestaag. Verder is er veel steun om de aanpak van geweld tegen vrouwen en huiselijk geweld verder te intensiveren.
Bovenstaande heeft er onder meer toe geleid dat het Wetenschappelijk Onderzoeks- en Datacentrum (hierna: WODC) in opdracht van mijn ministerie onderzoek doet naar de juridische erkenning van femicide in de Nederlandse rechtspraktijk en de straffen die in dat verband worden opgelegd. In dat onderzoek is ook een rechtsvergelijkend deel opgenomen, waarin (onder meer) Italië wordt uitgelicht. Mede op grond van de resultaten van dit onderzoek zal nader worden bezien welke verdere maatregelen in Nederland kunnen worden genomen om femicide te voorkomen en te bestrijden. De resultaten van dit onderzoek worden binnen enkele maanden verwacht.
Hoe ziet u een Nederlandse versie van de Italiaanse wet? Welke voordelen en nadelen ziet u? Welke implicaties heeft het erkennen van femicide als apart misdrijf voor de opsporing en vervolging van de dader, de hulp en bescherming van de slachtoffers en prioritering bij het Openbaar Ministerie?
Voor een antwoord op de eerste vraag verwijs ik naar het antwoord op vraag 8. Wat de implicaties voor Nederland zouden zijn van het erkennen van femicide als apart misdrijf, zal nader worden verkend met behulp van de resultaten uit het eerdergenoemde WODC-onderzoek naar femicide in de Nederlandse rechtspraktijk.
Zijn de rode vlaggen van femicide zoals onder andere stalking, (poging tot) verwurging, huiselijk geweld en dwingende controle opgenomen in deze Italiaanse wet? Zo ja, op welke manier is dit gebeurd en is dit ook toepasbaar op de Nederlandse situatie?
In de Italiaanse strafbaarstelling van femicide staat het doel of de motivatie waarmee de dader het feit pleegt centraal. Het gaat daarbij om daden van haat, discriminatie, onderdrukking, controle, bezit of dominantie vanwege het feit dat zij een vrouw is, omdat zij weigert een affectieve relatie aan te gaan of te behouden, of om haar individuele vrijheden te beperken. Dat kunnen ook rode vlaggen voor femicide zijn, maar deze gedragingen hoeven niet te zijn voorafgegaan aan de doodslag.
Voor beantwoording van de vraag naar de toepasbaarheid van een dergelijke strafbaarstelling binnen de Nederlandse strafwet verwijs ik kortheidshalve naar het antwoord op de vragen 5, 6 en 8.
Welke elementen uit de Italiaanse wet zouden wel en niet toepasbaar zijn binnen de Nederlandse kaders?
Nederland kent op dit moment geen aparte strafbaarstelling van femicide. Wel is het gevangenisstrafmaximum dat geldt voor doodslag met de inwerkingtreding van de Wet Hümeyra per 1 juli 2023 verhoogd van 15 naar 25 jaar. Er zijn inmiddels ook voorbeelden uit de praktijk waarin rechters hogere straffen dan vijftien jaar opleggen in zaken waarin sprake is van doodslag (vgl. ECLI:NL:RBGEL:2025:9048 en ECLI:NL:RBOBR:2025:7174). Daarnaast is een wetsvoorstel in voorbereiding dat ertoe strekt psychisch geweld strafbaar te stellen. In dit wetsvoorstel wordt – zoals eerder aan Uw Kamer is gecommuniceerd – een afzonderlijke bepaling in het Wetboek van Strafrecht opgenomen die dwingende controle – een belangrijke rode vlag voor femicide – strafbaar stelt en wordt artikel 300, vierde lid, van het Wetboek van Strafrecht (mishandeling) aangepast, zodat duidelijk wordt dat ook psychische mishandeling (niet zijnde dwingende controle) onder de strafbaarstelling van mishandeling valt. Daarnaast is van belang dat in de aangenomen motie Timmermans en Mutluer (Groenlinks-PvdA) over aanvullende maatregelen tegen femicide (KS 36 658, nr. 12) is verzocht tot het invoeren van strafverzwarende omstandigheden bij partner- en familiedoding. Deze motie zal worden betrokken bij de verdere uitwerking van voornoemd wetsvoorstel. In dat verband zal ook worden gekeken naar vergelijkbare strafbaarstellingen in het buitenland, waaronder Italië.
Bent u op de hoogte of er andere landen zijn die vergelijkbare wetgeving hebben ingevoerd of voornemens zijn dit te doen? Zo ja, zou u per land kunnen aangeven welke mogelijkheden u ziet om hun wetgeving toe te passen op Nederland? Heeft u bijvoorbeeld over dit onderwerp al eens contact gehad met uw Belgische counterpart over hun «femicinide wet»? Bent u bereid deze vragen één voor één en voor het kerstreces te beantwoorden?
In, het in mijn antwoord op vraag 5, genoemde WODC-onderzoek wordt zoals gezegd ook een rechtsvergelijkend deel opgenomen waarin zeven verschillende Europese landen en hun strafrechtelijke aanpak van femicide onder de loep zijn genomen. Ik verzoek u de resultaten van dit onderzoek, die binnen enkele maanden aan uw Kamer worden aangeboden, af te wachten.
Daarnaast kan ik meegeven dat medio 2023, voorafgaand aan de inwerkingtreding van de Belgische feminicidewet, contact is geweest met België over het Belgische wetsvoorstel. Daaruit bleek dat de Belgische feminicidewet een algemeen wettelijk kader beoogt te bieden ter preventie en bestrijding van femicide en gendergerelateerde dodingen, evenals het geweld dat daaraan voorafgaat. In dat verband is bestaand beleid omgezet in wetgeving. De wet introduceert geen afzonderlijke strafbaarstelling van femicide of gendergerelateerde doding, maar bevat wel concrete handvatten en instrumenten ter preventie en bestrijding van femicide.
De inhoud van de Belgische wet vertoont overeenkomsten met zowel de Spaanse wetgeving tegen geweld tegen vrouwen, zoals recent in een voortgangsbrief met uw Kamer is gedeeld, als het Nederlandse beleid en wet- en regelgeving3.
Een bericht van vicepremier Keijzer over de NOS. |
|
Mohammed Mohandis (GroenLinks-PvdA), Ouafa Oualhadj (D66) |
|
Moes |
|
|
|
|
Heeft u kennisgenomen van het X-bericht van de vicepremier Keijzer?1
Ja.
Is dit een standpunt van het kabinet?
Het kabinet onderschrijft het belang van een sterke en onafhankelijke publieke omroep en de noodzaak tot afstand tussen media en politiek volledig.
Hoe beoordeelt u deze uitlatingen in het licht van de wettelijke waarborg dat de publieke omroep onafhankelijk dient te zijn van politieke beïnvloeding?
In, onder meer, de Grondwet en het Europees Verdrag voor de Rechten van de Mens zijn de vrijheid van meningsuiting en persvrijheid verankerd. Onder deze vrijheden valt in ieder geval bescherming tegen ongeoorloofde overheidsinmenging. Het is belangrijk dat media zich vrij weten van politieke beïnvloeding. De Mediawet 2008 bevat aanvullende, specifieke waarborgen voor de redactionele onafhankelijkheid van de publieke omroep. Deze normen vormen essentiële onderdelen van het constitutionele en wettelijke kader waarbinnen onafhankelijke journalistiek functioneert. Het is een groot goed dat we in Nederland persvrijheid hebben. Alleen als de publieke omroep onafhankelijk kan opereren, kan zij haar essentiële taak binnen de democratische rechtsstaat vervullen.
Dit alles wil overigens uiteraard niet zeggen dat omroepen zich in het huidige bestel niet hoeven te verantwoorden over hun redactionele keuzes, of dat daar geen debat over zou mogen ontstaan. Ook dat hoort bij de journalistieke praktijk. Bij opmerkingen of klachten over de journalistieke handelwijze kan iedereen contact opnemen met de desbetreffende omroep of redactie. Wanneer iemand niet tevreden is met de reactie van de omroep of redactie is er de mogelijkheid om een melding te maken bij de Ombudsman voor de publieke omroepen. De Ombudsman kan naar aanleiding van klachten nader onderzoek doen naar het journalistiek handelen van de omroep of redactie. Ook de Raad voor de Journalistiek kan om een oordeel gevraagd worden. Dit stelsel van zelfregulering, en ieders verantwoordelijkheid voor de wet, moet ervoor zorgen dat publieke omroepen zich verantwoorden over de journalistieke keuzes die zij maken. In het kader van de hervorming van de landelijke publieke omroep worden voorstellen voorbereid om deze zelfregulering verder te versterken.2
Hoe verhoudt een dergelijke publieke uitlating van een vicepremier zich tot de ministeriële verantwoordelijkheid voor een betrouwbare en onafhankelijke nieuwsvoorziening in Nederland?
Als Minister van OCW ben ik verantwoordelijk voor het mediabeleid en stelselverantwoordelijk voor de publieke omroep en de journalistiek. Ik zie het als mijn verantwoordelijkheid om te staan voor een betrouwbare en onafhankelijke nieuwsvoorziening. Zie verder mijn antwoord op vraag 3.
Is er binnen het kabinet gesproken over de mogelijke impact van dit soort uitspraken op het vertrouwen in journalistiek en publieke instituties? Zo ja, wat was de conclusie?
Het kabinet onderschrijft het belang van een sterke en onafhankelijke publieke omroep en de noodzaak tot afstand tussen media en politiek volledig.
Acht u dat een lid van het kabinet door dergelijke uitlatingen de indruk kan wekken zich te mengen in de inhoudelijke berichtgeving van de publieke omroep?
Zie mijn antwoord op vraag 3.
Hoe waarborgt het kabinet dat er geen sprake is van (de schijn van) politieke druk op redacties van publieke media?
In de Grondwet, het Europees Verdrag voor de Rechten van de Mens (EVRM) en de Mediawet 2008 zijn verschillende bepalingen opgenomen die de onafhankelijkheid van media beschermen. In de eerste plaats garanderen de Grondwet en het EVRM de persvrijheid. Artikel 7 van de Grondwet verbiedt daarbij expliciet voorafgaand toezicht op radio en televisie-uitzendingen. Op grond van artikel 2.1 van de Mediawet 2008 zijn publieke omroepen gehouden media-aanbod te verzorgen dat vrij is van overheidsinvloeden. Bovendien schrijft de Mediawet 2008 voor dat publieke omroepen redactionele autonomie hebben en zelf verantwoordelijk zijn voor de vorm en inhoud van hun programma’s.
Kunt u reflecteren op de mogelijke effecten van dit soort publieke uitspraken op journalisten, redacties en de mate waarin zij vrij en onbelemmerd hun werk kunnen doen?
Zoals ik in mijn antwoord op vraag 3 al schreef, is het van belang dat media zich vrij moeten weten van politieke beïnvloeding. Het wettelijk kader zoals ik dat omschrijf in het antwoord op vraag 3 en vraag 7 moet dit waarborgen.
Bent u bereid om Minister Keijzer hierop aan te spreken en is volgens u de eenheid van het kabinetsbeleid in het geding?
Zie mijn antwoord op vraag 5.
Kunt u deze vragen vóór het wetgevingsoverleg Media op 8 december 2025 beantwoorden?
Het wetgevingsoverleg Media is inmiddels verplaatst naar 26 januari 2026. Ik heb uw vragen beantwoord voordat dit wetgevingsoverleg plaatsvindt.
Het door de Kamer geëiste verbod op stroomstootapparatuur in de veehouderij, dat de minister nog altijd niet heeft ondertekend, waardoor tijdige inwerkingtreding in gevaar komt. |
|
Laurens Dassen (Volt), Sandra Beckerman (SP), Dion Graus (PVV), Esther Ouwehand (PvdD), Joost Eerdmans (JA21), Laura Bromet (GL), Anne-Marijke Podt (D66), Pieter Grinwis (CU) |
|
Femke Wiersma (minister landbouw, visserij, voedselzekerheid en natuur) (BBB) |
|
|
|
|
Klopt het dat u het verbod op stroomstootapparatuur in de veehouderij nog altijd niet hebt ondertekend, zoals gemeld door RTL, waardoor het onzeker is of het verbod per 1 januari 2026 in werking zal treden, terwijl dit eerder wel is toegezegd?1
De stukken zijn gereed voor de laatste stappen in de besluitvorming. Omdat het kabinet demissionair is, is het standaard gebruik dat het nader rapport en het ontwerpbesluit aan de ministerraad worden voorgelegd waarna deze zullen worden aangeboden aan het Kabinet van de Koning. Binnen het kabinetsbeleid over de vaste verandermomenten zie ik ruimte om gebruik te maken van een uitzonderingsgrond op de vaste invoeringstermijn van twee maanden, waardoor inwerkingtreding op 1 januari 2026 een mogelijkheid blijft.
Gaat u alsnog uitvoering geven aan de heldere opdracht van de Kamer en ervoor zorgen dat het verbod per 1 januari 2026 in werking kan treden? Zo ja, wanneer gaat u het verbod tekenen?
Zoals ik in mijn brief aan de TK van 27 november 2025 heb geschreven (Kamerstuk 2025D48643), is het streven dat inwerkingtreding op 1 januari 2026 zal plaatsvinden. Hiervoor heb ik voortdurend de benodigde stappen gezet.
Kunt u deze vragen uiterlijk maandag 1 december 2025 beantwoorden?
Ja.
De bezetting van het Academiegebouw in Leiden door gemaskerde pro-Palestijnse activisten |
|
Maikel Boon (PVV), Annette Raijer (PVV) |
|
Moes |
|
|
|
|
Heeft u kennisgenomen van de bezetting van het Academiegebouw in Leiden door gemaskerde pro-Palestijnse activisten, waarbij demonstranten het gebouw binnendrongen, afsloten en bezoekers actief de toegang belemmerden?1
Ja.
Wat vindt u ervan dat universiteitsbesturen in gesprek gaan met bezetters die een academisch evenement fysiek blokkeren?
De instellingsbesturen hebben de belangrijke maar ook ingewikkelde taak om zowel de academische vrijheid, de vrijheid van meningsuiting en het demonstratierecht als ook de veiligheid op de campus te waarborgen. Natuurlijk moet er ruimte zijn en blijven voor demonstraties op de onderwijsinstellingen. Maar wel binnen de grenzen van de wet en de huis- en gedragsregels van de instelling. Geweld, vernielingen, discriminatie, en haatzaaien zijn strafbare feiten en hebben geen plek bij protesten. Universiteitsbesturen gaan zelf over welke interventie zij op welk moment passend vinden, waaronder of zij in gesprek gaan met demonstranten. Het is belangrijk dat keuzes voor het borgen van veiligheid zoveel mogelijk lokaal wordt genomen door de instellingsbestuurders in nauwe samenspraak met de lokale driehoek van burgemeester, OM en politie. Ter plekke kan de situatie het beste worden ingeschat en hoe hiermee moet worden omgegaan.
Vindt u dat de Universiteit Leiden verplicht is aangifte te doen tegen deze bezetting, aangezien universiteiten in hun eigen richtlijnen vastleggen dat bezettingen verboden zijn en strafbare feiten niet zonder gevolgen mogen blijven? Zo nee, waarom niet?
Instellingen hebben met elkaar afgesproken dat zij bij (vermoedens van) strafbare feiten altijd aangifte doen. Ik heb begrepen dat het College van Bestuur van de Universiteit Leiden aangifte heeft gedaan bij de politie van lokaalvredebreuk en de bezetters heeft gevorderd het gebouw te verlaten. De politie is uiteindelijk overgegaan tot ontruiming.2 Ik hecht eraan te benoemen dat ik als Minister niet kan treden in opvolging door het OM noch bemoeienis kan hebben met de rechtsgang.
Hoe beoordeelt u het feit dat juist de Cleveringa-lezing, die is ingesteld ter herdenking van antisemitische maatregelen tegen Joodse academici, moest worden verplaatst door deze actie, en bent u bereid dit optreden expliciet als antisemitisch te kwalificeren? Zo nee, waarom niet?
Universiteiten en hogescholen zijn een plek voor debat en dialoog. Binnen de instelling moet men hier dan ook zoveel mogelijk de ruimte toe krijgen, bijvoorbeeld door een lezing te organiseren. Ik vind het onacceptabel wanneer studenten en/of medewerkers hierin worden belemmerd. Ik betreur het daarom zeer dat de geplande Cleveringa-lezing verplaatst moest worden. Tegelijkertijd zie ik dat de Universiteit Leiden adequaat heeft gehandeld, want door de lezing te verplaatsen kon deze toch doorgang vinden.
Het is niet aan mij als Minister van OCW om te beoordelen wanneer er sprake is van antisemitisme. Bij vermoedens van antisemitisme kan aangifte worden gedaan. Vervolgens is het aan het OM en, indien vervolging wordt ingesteld, aan de rechter om te bepalen of er in concrete gevallen sprake is geweest van antisemitisme.
Wettelijke bescherming van immaterieel erfgoed |
|
Peter van Duijvenvoorde (FVD) |
|
Moes |
|
|
|
|
Kunt u bevestigen dat Nederland momenteel geen wettelijke bescherming kent voor immaterieel cultureel erfgoed en hierdoor – anders dan in andere landen – geen beschermingsmechanisme bevat voor tradities, geluiden, rituelen, ambachten of culturele praktijken?
Nee, dat kan ik niet. Het klopt weliswaar dat de Erfgoedwet geen specifiek beschermingsregime voor immaterieel erfgoed bevat, maar dat wil niet zeggen dat er geen beschermingsmechanisme is.
Nederland heeft bij het beschermen van immaterieel erfgoed bewust gekozen voor een beleidsmatige benadering, omdat dit past bij de aard van dit erfgoed en bij de Nederlandse context. Immaterieel erfgoedgemeenschappen zijn zelf verantwoordelijk voor hun tradities, bepalen zelf wat hun erfgoed is en hoe zij het beoefenen, ontwikkelen en doorgeven. Dit is niet aan de overheid, en dat moet ook zo blijven.
De basis voor de beleidsmatige benadering vormt het Unesco-verdrag inzake de bescherming van het immaterieel cultureel erfgoed (hierna: Unesco-verdrag) uit 2003, dat het Koninkrijk der Nederlanden in 2012 heeft geratificeerd. De structuren die in Nederland de borging en overdracht van immaterieel erfgoed faciliteren, zijn op dit verdrag gestoeld. Dit omvat o.a. het Kenniscentrum Immaterieel Erfgoed Nederland (KIEN), het programma Faro van de Rijksdienst voor het Cultureel Erfgoed (RCE), het Fonds voor Cultuurparticipatie (via de Wet op het specifiek cultuurbeleid) en de provinciale erfgoedhuizen. Ter nadere toelichting wordt verwezen naar bijlage 1 van de Kamerbrief immaterieel erfgoed van, voor, door en met iedereen uit 2024, met een beschrijving van de kernonderdelen van het Nederlandse beleid rond immaterieel erfgoed.1 Het belang dat overheden hechten aan immaterieel erfgoed komt ook tot uitdrukking in de Bestuurlijke Afspraken Cultuurbeoefening 2025–2028 die Rijk, VNG en IPO daarover maakten en de mogelijkheden in de Omgevingswet, zoals beschreven in vraag 7.2
Anders dan bij materiële vormen van erfgoed wordt in Nederland bij immaterieel erfgoed niet de term «beschermen», maar «borgen» of «overdracht» gebruikt. «Beschermen» impliceert dat immaterieel erfgoed in een bepaalde vorm kan worden bewaard. Immaterieel erfgoed is echter levende cultuur die door gemeenschappen wordt beoefend en meebeweegt met de tijd en omstandigheden.
Ik vind het belangrijk om te benadrukken dat de overheid de belangen van immaterieel erfgoedgemeenschappen goed meeneemt bij het voorbereiden of aanpassen van wetgeving die effect heeft op immaterieel erfgoed. In de praktijk gebeurt dat ook.
KIEN heeft richting gemeenschappen een rol als wet- of regelgeving wordt aangepast. Zo heeft KIEN bijvoorbeeld een brochure uitgebracht voor immaterieel erfgoedgemeenschappen en gemeenten over de waarde, context en wetgeving rond vuurtradities (paasvuren, carbidschieten en vreugdevuren). Ook organiseert KIEN daarover workshops en gesprekken tussen burgemeesters, wethouders en gemeenschappen zoals carbidschieters.
Naar aanleiding van de motie van Oostenbrink (BBB) ben ik in gesprek met de VNG, met als doel te komen tot een handreiking voor vergunningverleningen voor streekevenementen.
Kunt u toelichten hoe u de positie van Nederlands immaterieel erfgoed beoordeelt in het huidige, niet-wettelijke systeem en of u van mening bent dat dit systeem voldoende is om immaterieel erfgoed op lange termijn te beschermen?
Het beleid voor immaterieel erfgoed in Nederland heeft zich sinds de ratificatie van het Unesco-verdrag in 2012 sterk ontwikkeld. Het immaterieel erfgoedveld is uitgegroeid tot een volwaardig beleidsterrein, dat een duurzaam en integraal onderdeel vormt van landelijk, provinciaal en gemeentelijk cultuurbeleid. De kracht van het Nederlandse systeem ligt in de centrale rol die erfgoedgemeenschappen zelf spelen. Want alleen gemeenschappen kunnen zorgen voor borging op de lange termijn. De Nederlandse bottom-up benadering sluit aan bij het gedachtengoed van het Unesco-verdrag, de Nederlandse maatschappelijke context en zorgt ervoor dat de ondersteuning aansluit bij de behoeften van de gemeenschappen.
In Nederland is gekozen om de coördinatie van het Unesco-verdrag bij een NGO (KIEN) te beleggen, zodat de uitvoering van het verdrag niet direct verbonden is aan de politiek en overheid. KIEN draagt bij aan borging van immaterieel erfgoed op de lange termijn door o.a. ondersteuning en deskundigheidsbevordering aan gemeenschappen te bieden en zorgt voor begrip en kennisontwikkeling over immaterieel erfgoed. Daarnaast coördineert KIEN de Inventaris Immaterieel Erfgoed Nederland met ruim 400 bijgeschreven tradities, ambachten en gebruiken.
Voor het versterken van het immaterieel erfgoedbeleid op de langere termijn is ook het huidige ratificatietraject van het Verdrag van Faro relevant.3 In 2024 heeft Nederland het verdrag ondertekend, waarmee Nederland zich verbindt aan de drie Faro-kerndoelen; meedoen en meebeslissen over erfgoed, erfgoed verbinden aan sociaal-maatschappelijke doelen en openstaan voor andere erfgoedopvattingen. Dit verdrag en de implementatie via o.a. RCE en KIEN draagt bij aan de versterking van zeggenschap en eigenaarschap van erfgoedgemeenschappen bij de borging op de lange termijn.
Hoe denkt u over de opvatting dat het ontbreken van wettelijke bescherming van immaterieel erfgoed betekent dat Nederlandse immateriële tradities, waaronder het luiden van kerkklokken als concreet voorbeeld, volledig afhankelijk zijn van beleid en vrijwillige borging, en dat dit op lange termijn kan leiden tot verlies van cultureel erfgoed?
De rol van de overheden bij immaterieel erfgoed is faciliterend, om een kader te scheppen waarin immaterieel erfgoed kan gedijen. Een wettelijke plicht tot bescherming zou leiden tot ongewenste overheidsbemoeienis met de inhoud van tradities. Dat gaat direct in tegen het centrale uitgangspunt van het Unesco-verdrag dat gemeenschappen zelf bepalen wat hun erfgoed is.
Het is inherent aan immaterieel erfgoed dat het wordt gedragen door mensen en gemeenschappen. Zonder actieve beoefening door mensen houdt immaterieel erfgoed op te bestaan. Daarmee verschilt het fundamenteel van alle andere vormen van erfgoed.
Hoe beoordeelt u het wettelijk kader dat andere landen wel hebben ontwikkeld voor immaterieel erfgoed, zoals Zuid-Korea met de Act on the Safeguarding and Promotion of Intangible Cultural Heritage, waarin onder meer een nationale lijst met immaterieel erfgoed, erkende erfgoeddragers en een wettelijke staatsplicht tot bescherming en overdracht zijn opgenomen?1
Het Unesco-verdrag geeft landen veel vrijheid om structuren passend bij de eigen context in te richten. De Zuid-Koreaanse casus is ontstaan in een specifieke historische context na de Japanse bezetting en de Koreaanse oorlog. Dit leidde tot top-down systeem met wettelijke erkenning en een sterk hiërarchisch onderscheid tussen «erkend» en «niet erkend» immaterieel erfgoed.
In Nederland is -passend bij het sterke Nederlandse maatschappelijk middenveld- het uitgangspunt geweest om bij het ontwikkelen van het immaterieel erfgoedbeleid uit te gaan van een bottom-up benadering waarbij gemeenschappen zelf hun erfgoed aanmelden, borgen en overdragen en waarin geen hiërarchie wordt aangebracht tussen vormen van immaterieel erfgoed.
Bent u bereid te onderzoeken wat de toepasbaarheid is van het Koreaanse model voor Nederland, specifiek met betrekking tot een wettelijke definitie van immaterieel erfgoed, een bindende nationale inventaris en een wettelijke erkenning van gemeenschappen of dragers die een traditie onderhouden?
Nee, er is geen aanleiding om een onderzoek naar de toepasbaarheid van het Koreaanse model voor Nederland te starten.
De Erfgoedwet kent een definitie van cultureel erfgoed die is ontleend aan het Verdrag van Faro en die aansluit bij de Unesco-definitie van immaterieel erfgoed. Mijn ambtsvoorganger heeft eind 2024 aangekondigd deze begripsbepaling te willen aanscherpen om te verduidelijken dat -passend bij het Unesco-verdrag- overheden, erfgoedinstellingen en erfgoedgemeenschappen allemaal de ruimte hebben om in een voortdurend maatschappelijk gesprek te bepalen wat cultureel erfgoed is.
Daarnaast bestaat er een nationale inventaris; de Inventaris Immaterieel Erfgoed Nederland. Deze inventaris is niet «bindend» in juridische zin, omdat dit zou impliceren dat de overheid bepaalt wat wel en niet erkend immaterieel erfgoed is. De inventaris is een instrument ten behoeve van zichtbaarheid en toekomst geven. Gemeenschappen krijgen hierin ondersteuning vanuit KIEN.
Hoe beoordeelt u de Franse Wet nr. 2021-85 van 29 januari 2021, waarin het sensorisch erfgoed van rurale gebieden – waaronder kenmerkende geluiden zoals kerkklokken, maar ook geuren vallen – juridisch wordt verankerd in het Franse milieuwetboek als onderdeel van het nationale erfgoed?2
De Franse wet over het patrimoine sensoriel des campagnes is een reactie op het Frans fenomeen van rechtszaken van nieuwkomers in landelijke gebieden tegen geluiden en geuren zoals hanengekraai, kerkklokken en mest. De wet heeft geen direct afdwingbare rechten gecreëerd, maar wordt wel bij rechtelijke beoordelingen tijdens burengeschillen meegewogen.
Kunt u uiteenzetten in hoeverre deze Franse benadering, waarbij immateriële en sensorische uitingen wettelijk worden beschermd, inspiratie kan bieden voor de Nederlandse praktijk rond immaterieel cultureel erfgoed en de bescherming van tradities, landschappelijke kenmerken en omgevingsgeluiden zoals kerkklokken?
De Franse benadering biedt in beperkte mate inspiratie voor Nederland. In Nederland houden rechters al rekening met de context van een burengeschil.
Relevant voor de Nederlandse praktijk is de Omgevingswet. Deze wet biedt mogelijkheden om immaterieel erfgoed te verankeren in omgevingsvisies en -plannen. Gemeenten kunnen bij het opstellen van het omgevingsvisie en -plan rekening houden met bijvoorbeeld jaarlijks terugkerende evenementen zoals processies, corso’s of carnaval, met bouwplaatsen voor wagens, met kermisterreinen of molenbiotopen en andere streekgebonden kenmerken die verbonden zijn aan de fysieke leefomgeving. De Omgevingswet biedt zodoende verankering van immaterieel erfgoed zonder dat een aparte wet nodig is.
KIEN heeft samen met de Rijksdienst voor het Cultureel Erfgoed (RCE) de publicatie Ruimte voor immaterieel erfgoed uitgebracht.6 Deze biedt gemeenten en gemeenschappen handvatten om immaterieel erfgoed te integreren in het omgevingsbeleid. Dit is een voorbeeld van een wijze van borging die beter past bij het Nederlandse gedecentraliseerde bestel dan een nationale wet.
De Wet versterking participatie op decentraal niveau vraagt overheden een participatieverordening op te stellen waarin wordt aangegeven hoe inwoners invloed kunnen uitoefenen op het beleid, van beleidsvorming, tot uitvoering en evaluatie. In de praktijk zorgt deze wet voor deelname van o.a. immaterieel erfgoedgemeenschappen aan beleidsvorming van overheden.
Acht u het wenselijk dat ook Nederland een vorm van wettelijke verankering van immaterieel erfgoed ontwikkelt, bijvoorbeeld via een wijziging van de Erfgoedwet, of een andere wet naar voorbeeld van Frankrijk?
Nee, een wijziging van de Erfgoedwet specifiek voor immaterieel erfgoed is niet wenselijk. Het in de Erfgoedwet gehanteerde begrip «cultureel erfgoed» omvat roerend, onroerend en immaterieel erfgoed. Voor wat betreft roerend en onroerend cultureel erfgoed richt de Erfgoedwet zich primair op de aanwijzing, het gebruik en de bescherming daarvan. Immaterieel erfgoed heeft een fundamenteel ander karakter, zoals hierboven reeds verduidelijkt. Het wordt gedragen door mensen en kan niet als zodanig niet worden «beschermd». Borging van immaterieel erfgoed vindt plaats door onder antwoord 1 genoemde beleidsmatige benadering.
Bent u bereid te verkennen hoe het Nederlandse systeem voor immaterieel erfgoed versterkt kan worden door internationale best practices, en in dat kader specifiek te kijken naar wettelijke borging van immaterieel erfgoed die generaties lang zijn doorgegeven?
Nederland blijft doorlopend op de hoogte van internationale best practices via verschillende routes. Nederland wisselt bijvoorbeeld actief kennis uit via o.a. de Intergouvernementele Comité Meetings en de General Assembly van het Unesco-verdrag en via bilaterale contacten. Deze internationale uitwisseling levert inspiratie voor Nederlands beleid en de praktijk.
KIEN onderhoudt als geaccrediteerde NGO bij het Unesco-verdrag structureel internationale contacten en kijkt hoe andere landen het Unesco-verdrag implementeren. In de Kennisagenda 2021–2024 van KIEN is bijvoorbeeld internationaal vergelijkend onderzoek naar inventarisatiemethodieken opgenomen. Hieruit blijkt dat landen zeer verschillende benaderingen hanteren, passend bij hun eigen context.
Bent u bereid een verkenning uit te voeren naar mogelijke juridische instrumenten om immaterieel erfgoed te beschermen, waarin zowel het Koreaanse model (met wettelijke dragers en nationale Intangible Cultural Heritage Committee (ICH-commissie)) als het Franse model (wettelijke status voor immateriële erfgoed) worden meegenomen?
Nee, gezien voorgaande antwoorden is een verkenning van het Koreaanse en Franse modellen niet opportuun.
Kunt u aangeven welke stappen nodig zouden zijn om in Nederland tot een wettelijke erkenning en bescherming van immaterieel erfgoed te komen, én of u bereid bent deze stappen in gang te zetten?
Nee, gezien voorgaande antwoorden ben ik niet bereid om tot een wettelijke erkenning en bescherming van immaterieel erfgoed te komen.
De aanhoudende ICT-problematiek bij het Openbaar Ministerie (OM) |
|
Songül Mutluer (PvdA), Barbara Kathmann (PvdA) |
|
Foort van Oosten (VVD), van Marum |
|
|
|
|
Kent u de brief van de Nederlandse Vereniging voor Rechtspraak (NVvR) van 11 november 2025 aan het College van Procureurs-Generaal (het College), kent u de reactie van het College op die brief1 en kent u de brandbrief van 20 november 2025 uit naam van 2.850 OM-medewerkers van het «Comité OM onder druk» aan het College?2 En kent u de eerdere frustraties van OM-medewerkers over de hardnekkige ICT-problemen (toespraak voorzitter van het College van 13 mei 2024)3
Ja.
Herinnert u zich de eerdere berichten «Misdaadregistratie loopt vast door gammele ICT bij OM»4, het bericht «Openbaar Ministerie heeft problemen op zittingen door «ernstige computerstoring»»5 en het bericht «Een op de vier werknemers van OM kan niet werken door ICT-problemen»?6
Ja.
Herinnert u zich de mondelinge vragen van het lid Lahlah over ICT-problemen bij het OM (mondeling vragenuur 23 april 2024) en andere antwoorden op vragen vanuit de Tweede Kamer over eerdere ICT-problemen bij het Openbaar Ministerie (OM) waaronder uw antwoorden op de schriftelijke vragen van het lid Mutluer over de blijvende ICT-problemen bij het Openbaar Ministerie?7
Ja.
Deelt u de mening dat uit bovenstaande berichten blijkt dat er bij het OM al veel te lang sprake is van structurele problemen met de ICT waardoor het werk door OM-medewerkers ook al te lang belemmerd wordt en tot frustratie en gevoelens van onbegrip leidt? Zo ja, waarom? Zo nee, waarom niet?
Ja, ik vind dat de medewerkers van het OM in hun werk al te lang worden gehinderd door slecht functionerende ICT en betreur dit zeer.
Deelt u de mening dat er ondanks de al jaren durende problemen met de ICT bij het OM geen of nauwelijks verbetering is opgetreden? Zo ja, hoe komt dat? Zo nee, waarom deelt u die mening niet en waaruit blijkt dan het tegendeel? En zo nee, hoe komt het dan dat de laatste maanden er sprake is van snel groeiende ontevredenheid bij OM-medewerkers en ze uitgeput en gefrustreerd raken omdat concrete maatregelen om de ICT duurzaam op orde te krijgen uitblijven en de werkdruk onverminderd hoog blijft?
Ja, ik deel de mening dat er voor de medewerkers in ieder geval niet genoeg zichtbare verbetering heeft plaatsgevonden. De ICT-inbreuk in juli 20258 heeft de problemen – in ieder geval tijdelijk – nog eens vergroot. De snel gegroeide ontevredenheid is daarmee goed verklaarbaar en terecht.
Schrikt u ook als u moet lezen dat een zeer groot en representatief deel van de OM-medewerkers constateert dat zij niet langer op een verantwoorde wijze hun werk kan doen en dat de staat van de rechtsstaat in het geding is? Zo ja, waarom? Zo nee, waarom niet?
Hoewel de ICT-problemen bij mij bekend zijn, vind ik het erg vervelend en betreur ik dat zo veel medewerkers hier zo veel hinder van ondervinden.
Wat is er gebeurd na uw toezegging om het OM te vragen om voor het zomerreces van 2024 te komen met een plan met concrete maatregelen om de werkdruk bij het OM te verminderen, zowel door investeringen in het personeel als door het bieden van technologische oplossingen die specifiek gericht zijn op het stroomlijnen van werkprocessen?
De implementatie van het nieuwe wetboek vraagt inderdaad aanpassingen van de ICT. De ICT-opgave van het OM is in relatie tot het nieuwe wetboek groot. Op dit moment wordt door alle ketenorganisaties uitgegaan van inwerkingtreding van het nieuwe wetboek op 1 april 2029. Ook de planning van het OM is daarop gericht. Het OM kan op dit moment voor de ICT echter geen garanties geven ten aanzien van de haalbaarheid van deze planning. Het OM inventariseert momenteel de effecten van de recente ICT-problemen. Verwacht wordt dat de eventuele effecten daarvan, waaronder die met betrekking tot de implementatie van het nieuwe wetboek, in het voorjaar van 2026 bekend zijn.
Erkent u dat de stress en druk bij het OM-personeel leidt tot achterstanden en onvolkomenheden in dossiers? Zo ja, kunt u concreet beschrijven hoe dit de problematiek het functioneren van de strafrechtketen aantast? Zo nee, hoe kunt u dit uitsluiten en hoe verhoudt zich dat tot de genoemde brieven van de NVvR en het Comité OM onder druk?
De dagelijkse ICT-problemen hinderen het werk en leiden daarmee tot een hogere werkdruk. Dit zou, hoewel dit niet in kwantitatief opzicht inzichtelijk is te maken, een negatief effect kunnen hebben op de prestaties van het OM. De ICT-inbreuk heeft geleid tot het ontstaan van nieuwe voorraden en zal daarmee waarschijnlijk een tijdelijk negatief effect hebben op de doorlooptijden. De mate waarin de kwantitatieve ketendoelstellingen hierdoor worden beïnvloed is nog niet bekend. Het College van procureurs-generaal herkent de zorgen en is daarover met de Ondernemingsraad, het Comité, de leiding van de OM-onderdelen en de medewerkers in gesprek.
Kunt u inzichtelijk maken welke primaire processen momenteel niet naar behoren functioneren binnen het OM als gevolg van de door medewerkers aangekaarte problematiek? Kunt u bij de beantwoording van deze vraag nadrukkelijk ook informatie vanuit OM-medewerkers betrekken die dagelijks geconfronteerd worden met de ICT-problemen?
Op dit moment hebben de OM-medewerkers in alle (primaire) processen geregeld te maken met ICT-verstoringen. Er zijn inmiddels verschillende concrete maatregelen genomen die moeten helpen de werkdruk bij het OM te verlichten en het werkplezier te vergroten. Het College is hierover in gesprek met de Ondernemingsraad en met de leiding van de OM-onderdelen. Er is uitgebreidere monitoring ingericht om de prestaties van de systemen nauwlettend in de gaten te houden. Verdere vernieuwing en verzwaring van de onderliggende infrastructuur is gepland. Vanuit het College en de ICT-organisatie zijn bezoeken gebracht aan alle OM-onderdelen, met als doel om meer inzicht te krijgen in de directe en urgente ICT-problematiek en de specifieke behoeften van de collega’s op de OM-onderdelen. Op basis daarvan zijn diverse verbeteracties doorgevoerd die de werkprocessen ten goede komen.
Tegelijkertijd blijven zich in de bestaande, verouderde ICT-omgeving van het OM met enige regelmaat nieuwe ICT-incidenten aandienen. Daarom zet het OM naast genoemde kortetermijnmaatregelen ook heel stevig in op structurele oplossingen die weliswaar veel minder snel zijn te realiseren, maar voor het functioneren van de informatievoorziening (IV) en de werkprocessen bij het OM uiteindelijk van fundamenteel belang zijn. Daartoe is een meerjarenplanning in voorbereiding, die als basis zal dienen voor de onderbouwing van de meerjarige financieringsbehoefte van het OM vanwege de noodzakelijke investeringen in de ICT.
Bent u bereid om met de NVvR in overleg te treden om te horen welke gevolgen de ICT-problemen voor de dagelijkse praktijk van het OM, waaronder Officieren van Justitie, hebben? Zo ja, wilt u de Kamer op de hoogte stellen van de uitkomst van dit overleg? Zo nee, waarom niet?
De NVvR heeft haar brief aan het College van procureurs-generaal gericht en hierop heeft het College gereageerd. Het College en de NVVR zijn regelmatig met elkaar in gesprek en het is ook in de eerste plaats aan het College om dat gesprek te voeren.
In hoeveel zaken is er sprake van vertraging of veroudering als gevolg van de aanhoudende problematiek? Kunt u dit uiteenzetten per type zaak?
De mate waarin vertraging optreedt in zaken wordt gemeten in doorlooptijden. De ontwikkeling van de doorlooptijden wordt duidelijk bij de publicatie van de cijfers over 2025. Er kan geen causaal verband worden gelegd tussen de doorlooptijd van zaken en de algemene ICT-problematiek. Wel zal de impact van de ICT-verstoring die deze zomer plaatsvond en de nasleep daarvan waarschijnlijk zichtbaar worden in deze cijfers. Als gevolg van de ICT-verstoring en het offline gaan van de OM-systemen, konden nieuwe zaken in de periode van 17 juli tot eind augustus niet vanuit de opsporingsdiensten naar het OM worden overgedragen. Dit had vooral impact op de eenvoudige zaken. Tijdens de ICT-verstoring zijn zwaardere onderzoeks- en ondermijningsmisdrijven handmatig verwerkt en zijn vertragingen in de behandeling van deze zwaardere misdrijven beperkt gebleven.
Kunt u nader uiteenzetten of er afdelingen binnen het OM onevenredig hard worden geraakt door de problematiek en welke dat zijn? Heeft dit als gevolg dat sommige soorten zaken meer vertraging en veroudering oplopen dan andere soort zaken?
Zoals hiervoor aangegeven hebben alle medewerkers te maken gehad met de ICT-problematiek. De ICT-inbreuk heeft effect gehad op de voorraden en doorlooptijden. Uit het landelijk zaakvolgsysteem blijkt dat de omvang van de voorraden («voorraadbak intake OM») vanaf de datum van de ICT-inbreuk sterk is toegenomen. Deze voorraden zijn in het vierde kwartaal van 2025 aangepakt; het OM verwacht dat deze extra voorraad in het eerste kwartaal van 2026 is weggewerkt.
In hoeverre komt de door het College zelf opgelegde taakstelling om de benodigde ICT-investeringen te kunnen doen ten koste van andere taken van het OM en het welzijn de OM-medewerkers?
Om de ICT structureel te verbeteren, zijn de komende jaren investeringen nodig. Daarnaast nemen de instroom en productie af, lopen tijdelijk beschikbaar gestelde middelen af en nemen structurele kosten van het OM toe. Kortom: het OM staat voor de opgave om de financiële positie structureel te versterken.
Alle OM-onderdelen moeten dus in hun begroting voor 2026 rekening houden met minder geld. Hen is door het College daarom gevraagd aan te geven welke maatregelen nodig zijn en welke consequenties dit heeft. Voor 2026 ligt de nadruk op bewuster, slimmer en efficiënt omgaan met middelen, zowel financieel als in de verdeling van het werk. Samen met de OM-onderdelen is gezocht naar effectieve aanpak om het OM financieel robuuster te maken en te houden. Het is aan de leiding van de OM-onderdelen om binnen die financiële kaders voor 2026 verstandige keuzes te maken: wat wel kan worden gedaan en wat niet. Intussen blijf het College in goed in contact met de OM-onderdelen en wordt het welzijn van de OM-medewerkers goed in de gaten gehouden.
Deelt u de mening dat deze taakstelling niet zal bijdragen aan het verlagen van de werkdruk bij het OM of het beter functioneren van het OM als organisatie? Zo ja, hoe en wanneer gaat u dan zorgen voor meer financiële armslag voor het OM? Zo nee, waarom niet?
Het College heeft geoordeeld dat het noodzakelijk en verantwoord is om de taakstelling op te leggen. Het College heeft samen met de leiding van de OM-onderdelen gezocht naar manieren om het OM financieel robuuster te maken en te houden. Hiermee maakt het OM financiële middelen vrij om zelf bij te dragen aan de noodzakelijke investeringen in het versterken van de ICT. Beter functionerende IV zal op langere termijn onder andere een positief effect hebben op de werkdruk. Het College blijft in goed contact staan met de OM-onderdelen. Waar de OM-onderdelen vastlopen, zal het College bezien of er financiële ruimte kan worden vrijgemaakt gedurende het jaar. Voor wat betreft de ICT-problematiek maakt het College inzichtelijk welke investeringen de komende jaren nodig zijn. Hierover ga ik het gesprek aan met het OM. Ik kan nog niet vooruitlopen op mogelijke oplossingsrichtingen.
Zorgen de ICT problemen er voor dat slachtofferrechten bij strafzaken in geding komen? Kunt u onderbouwen, en kan het OM bevestigen, dat deze rechten momenteel niet in het geding zijn? Kunnen het OM en u waarborgen dat alle slachtoffers van strafzaken hun bestaande rechten ten volle kunnen uitoefenen? Zo nee, kunt u in overleg met het OM specifieke verbeteringen doorvoeren zodat hier zo spoedig mogelijk wél sprake van is?
Zoals hiervoor aangegeven heeft de offlinegang en stapsgewijze onlinegang van het OM geleid tot vertragingen en werken het OM en partners in en rondom de strafrechtketen hard om deze in te lopen. Er is momenteel sprake van een verhoogde werkvoorraad, waardoor het uitsturen van het wensen- en het schadevergoedingsformulier aan slachtoffers langer op zich laat wachten. Er zijn op dit moment echter geen signalen bij het OM bekend dat de slachtofferrechten in het geding komen. Zo wel dan zal het OM hier voortvarend mee aan de slag gaan.
Ondervinden het OM-personeel of andere partners in de strafrechtketen op dit moment nog de gevolgen van de in de afgelopen zomer ontstane verstoring van het ICT-systeem van het OM? Zo ja, welke concrete gevolgen betreft dit?
Zie mijn antwoorden op de voorgaande vragen; er zijn door de ICT-inbreuk onder meer voorraden ontstaan die deels nog moeten worden weggewerkt.
Deelt u de mening dat de overgang en implementatie van het nieuwe wetboek van Strafvordering ook aanpassingen van de ICT systeem van het OM vergt? Acht u het OM in staat om tijdig voor een goed functionerende overgang en implementatie te zorgen? Zo ja, welke stappen zijn en worden daarvoor gezet en hoe is de voortgang daarvan? Zo nee, waarom niet en wat is er dan nog meer nodig?
Hoe gaat u de «vinger aan de pols» van het OM houden8 en wat gaat u doen op het moment dat u moet constateren dat de ICT-problemen nog altijd niet afdoende en tijdig worden opgelost?
Ik bespreek de ICT-problematiek zeer regelmatig met onder meer het College van procureurs-generaal en ik acht het College voldoende in staat om de problemen op te lossen. Ik laat mij niet uit over eventuele in de toekomst door mij te nemen maatregelen.
Bent u nog steeds van mening u geen rol zou hebben bij het oplossen van de problemen bij het OM?9 Zo ja, waarom en waaruit leidt u af dat dat de OM leiding nu wel zelf in staat zou zijn om de langdurige structurele ICT problemen op te lossen? Zo nee, welke rol gaat u dan wel spelen? En zo nee, bent u bereid daar desnoods uw algemene aanwijzingsbevoegdheid jegens het OM voor te gebruiken?10
Het is in de eerste plaats aan het College van procureurs-generaal om de problemen met de ICT op te lossen. Uiteraard word ik van de voortgang op de hoogte gebracht en wordt er vanuit mijn departement meegedacht en ondersteuning geleverd. Ik acht het College voldoende in staat om de problemen op te lossen en laat mij niet uit over eventuele in de toekomst te nemen maatregelen.
Kunt u deze vragen afzonderlijk van elkaar beantwoorden?
Ja.
Het bericht dat de Franse rechter van het Internationaal Strafhof, Nicolas Guillou, op de Amerikaanse sanctielijst staat |
|
Sarah Dobbe (SP) |
|
David van Weel (minister justitie en veiligheid, minister asiel en migratie) (VVD) |
|
|
|
|
Bent u bekend met het artikel «Nicolas Guillou, French ICC judge sanctioned by the US: «You are effectively blacklisted by much of the world’s banking system»»?1
Ja.
Was u al bekend dat, naast de hoofdaanklager, ook rechters van het internationaal strafhof op de Amerikaanse sanctielijst staan?
Ja. Als gastland van het Internationaal Strafhof (ISH) staat Nederland in nauw contact met het Hof en er vinden zeer regelmatig gesprekken plaats met de meest relevante functionarissen over de (mogelijke) gevolgen van de sancties. Nederland heeft in die hoedanigheid ook alle rechters die in het afgelopen jaar zijn gesanctioneerd uitgenodigd voor een gesprek.
Bent u bekend met de totale schaal en aard van Amerikaanse sancties jegens het internationaal strafhof? Zo ja, wilt u deze met de Kamer delen? Zo nee, waarom niet?
Sinds februari 2025 zijn er door de Verenigde Staten sancties opgelegd tegen de hoofdaanklager van het ISH. In de loop van het jaar zijn vervolgens ook sancties opgelegd tegen de beide plaatsvervangend aanklagers, acht rechters, een aantal non-gouvernementele organisaties en een Speciaal Rapporteur van de Verenigde Naties. Er zijn geen sancties opgelegd tegen het ISH zelf.
Deelt u de mening dat Nederland, als gastland van het strafhof, een speciale verantwoordelijkheid heeft om de goede werking van het strafhof te garanderen? Zo ja, hoe draagt u hier momenteel aan bij? Zo nee, waarom niet?
Zoals eerder aangegeven2, heeft Nederland als gastland van het ISH een aantal bijzondere verplichtingen om ervoor te zorgen dat het Hof zo onbelemmerd mogelijk kan functioneren. Deze verplichtingen zijn vastgelegd in het Zetelverdrag tussen het Internationaal Strafhof en het Gastland.3 Daarnaast is het Koninkrijk der Nederlanden één van de momenteel 125 partijen bij het Statuut van Rome. In het afgelopen jaar is het kabinet in beide hoedanigheden op verschillende terreinen betrokken geweest bij de mitigatie van de gevolgen van de sancties en de inzet op de preventie van verdere sancties. Voor een nadere toelichting op deze inzet verwijst het kabinet graag naar de reactie op de moties Dobbe en Paternotte in de Kamerbrief van 1 december 2025 inzake de inzet tijdens de jaarlijkse Vergadering van verdragspartijen.4
Staat u nog steeds achter het antwoord dat Minister Brekelmans namens u gaf op mondelinge vragen op 20 mei 2025, namelijk: «Er wordt een beeld geschetst alsof het Strafhof volledig stil zou liggen en niet meer zou functioneren. Dat is niet het beeld dat wij krijgen in ons contact met het Strafhof. Er worden wel degelijk activiteiten voortgezet.»? Zo ja, welke activiteiten vinden nu nog volledig doorgang? Zo nee, waarom niet?
Hoewel de sancties de gesanctioneerde ambtsdragers van het ISH in hun persoonlijke leven treffen, is het Hof vooralsnog in staat geweest om de meeste werkzaamheden ongehinderd voort te zetten, zowel in Nederland als in de verschillende landen waar het Hof actief is. Zo is in maart jl. de voormalige Filipijnse president Duterte door het ISH in hechtenis genomen en voorgeleid aan de rechters.5 In juli jl. is de strafzaak in eerste aanleg tegen twee verdachten uit de Centraal-Afrikaanse Republiek afgerond.6 In september jl. heeft het Hof voor het eerst bij verstek een hoorzitting inzake de bevestiging van de tenlastelegging gevoerd tegen de oprichter van de Oegandese Lord's Resistance Army, Joseph Kony.7 In oktober jl. is de strafzaak in eerste aanleg tegen een verdachte uit Soedan afgerond.8 Begin december heeft het ISH de Libische verdachte El Hishri in hechtenis genomen en voorgeleid aan de rechters.9 Voor een meer volledig overzicht verwijst het kabinet graag naar het jaarverslag van het ISH en het jaarverslag van het Parket van de Aanklager.10
Bent u bereid slachtoffers van Amerikaanse sancties, werkzaam bij het Internationaal strafhof, die momenteel grote moeite hebben met financiële diensten, te ondersteunen om alternatieve financiële faciliteiten te vinden? Zo ja, op welke manier? Zo nee, waarom niet?
Zowel het kabinet als het Hof houden de gevolgen van de sancties nauwlettend in de gaten. Met de doorlopende steun van de verdragspartijen bij het Statuut van Rome, waaronder gastland Nederland, worden de gevolgen hiervan door het Hof zo goed als mogelijk gemitigeerd. Zo staat Nederland bijvoorbeeld in contact met het Nederlandse bedrijfsleven, onder meer om zogenaamde overcompliance te voorkomen. Wegens de vertrouwelijkheid kan er niet in detail worden getreden over de inhoud van deze gesprekken.
Bent u bereid om het strafhof, door sancties gehinderd in haar ICT-mogelijkheden, alternatieve ICT-faciliteiten aan te bieden, eventueel binnen de systemen van de Nederlandse rijksoverheid? Zo nee, waarom niet?
Zoals aangegeven in de reactie op de moties Dobbe en Paternotte in de Kamerbrief van 1 december 2025, ligt er momenteel geen verzoek van het Hof aan Nederland om alternatieve ICT-diensten aan te bieden.11 Voor een nadere toelichting verwijst het kabinet graag naar deze Kamerbrief.
Welke diplomatieke contacten zijn er, Europees en bilateraal, met de Amerikanen geweest sinds de instelling van de sancties en wat hebben deze opgeleverd?
Sinds de instelling van de sancties hebben Nederland en andere verdragspartijen doorlopend contact gehad met de Verenigde Staten. Zo zijn de Nederlandse zorgen over de sancties onder de aandacht gebracht bij Amerikaanse gesprekspartners, waaronder de Amerikaanse Secretary of State Rubio. Ook op hoogambtelijk niveau is Nederland terzake in gesprek met de Verenigde Staten en ook andere EU-lidstaten brengen het belang van het ISH op in de bilaterale contacten met de Verenigde Staten. Aangezien het van groot belang is dat de 125 verdragspartijen er samen voor zorgen dat het Hof zo onbelemmerd mogelijk kan blijven functioneren, verwelkomt het kabinet het feit dat de Vergadering van verdragspartijen begin december jl. alle verdragspartijen heeft aangemoedigd om de dialoog met de VS voort te zetten.
Zijn er op dit moment nog diplomatieke inspanningen om sanctieverlichting te bereiken?
Zie het antwoord op vraag 8. Vanwege het vertrouwelijke karakter van deze gesprekken kan het kabinet hier verder niet op ingaan.
Deelt u de mening dat de VS zich momenteel positioneert als vijand van de internationale rechtsorde? Zo ja, welke consequenties heeft dit voor het bondgenootschap met de VS? Zo nee, hoe duidt u dit dan?
De trans-Atlantische relatie is cruciaal voor de Europese veiligheid en welvaart. Ondanks uitdagingen, zoals de sancties die zijn opgelegd tegen ambtsdragers van het ISH, is het belangrijk een positieve relatie met de VS te onderhouden en in te zetten op een diplomatieke oplossing.
Het bericht ‘3000 medewerkers Openbaar Ministerie sturen brandbrief over ICT-problemen’ |
|
Ingrid Coenradie (PVV) |
|
Foort van Oosten (VVD) |
|
|
|
|
Kunt u aangeven hoe dit probleem rondom de ICT zo uit de hand heeft kunnen lopen? Waar heeft men het de afgelopen jaren laten liggen?1
Zoals mijn ambtsvoorganger al eerder aan uw Kamer heeft toegelicht,2 kampt het OM met verouderde systemen. Hiernaast heeft het OM onder meer te maken gehad met de ICT-inbreuk3 in juli 2025 en slecht functionerende kantoorautomatisering. De combinatie van onder meer deze factoren heeft geleid tot de huidige situatie.
Heeft het Openbaar Ministerie (OM) inzichtelijk hoeveel procent van de tijd medewerkers van het OM bezig zijn met ICT-gerelateerde zaken in plaats van het werk waarvoor zij eigenlijk zijn ingehuurd? Zo ja, kunt u dit met ons delen?
Nee, dit wordt niet geregistreerd.
Op welke wijze werkt het OM aan het herstellen en verbeteren van de ICT-infrastructuur?
Door het OM wordt onafgebroken gewerkt aan het herstellen en verbeteren van de ICT-infrastructuur. Dit is een meerjarig traject, ingestoken langs de lijn van vijf thema’s: betrouwbare IV-dienstverlening, digitale weerbaarheid, modern en flexibel IT-landschap, toegankelijke en betekenisvolle informatie, volwassen IV-organisatie.
Het herstel van de ICT-infrastructuur naar aanleiding van de ICT-inbreuk is in een afrondende fase. Het herstel van de thuiswerkfunctionaliteit en de mobiele toegang tot mail en agenda zijn afgerond en de meeste medewerkers zijn inmiddels in staat om thuis te werken. In het kader van het verder verbeteren van de bestaande IV-dienstverlening aan de medewerkers volgt het OM twee sporen. Namelijk het spoor voor de korte termijn, waarbij beschikbaarheid en continuïteit de hoogste prioriteit heeft. Het tweede spoor ziet op meerjarige fundamentele verbeteringen. De komende jaren wil het OM een forse inhaalslag maken op onder meer de kantoorautomatisering en de infrastructuur voor de IV. Het OM maakt inzichtelijk welke financiële structurele middelen hiervoor nodig zijn.
Hoe verhoudt dit zich tot de brandbrief waarin gesteld wordt dat er investeringen nodig zijn voor de ICT-infrastructuur?
Het College van procureurs-generaal maakt inzichtelijk welke investeringen nodig zijn om de ICT op orde te brengen. Zoals de Staatssecretaris van JenV tijdens het vragenuur op 25 november 2025 heeft toegezegd wordt u hiervan voor de behandeling van de begroting van JenV op de hoogte gebracht.
Deelt u de mening van de indieners van de brandbrief dat er investeringen nodig zijn in de ICT-infrastructuur? Zo ja, welke investeringen zijn er nodig om op zo kort mogelijke termijn de ICT-infrastructuur op orde te krijgen en hoe valt dit te rijmen met de eerder gealloceerde middelen?
Voorgaande kabinetten hebben al de nodige middelen aan het OM verstrekt ten behoeve van investeringen in de ICT. Het OM maakt nog inzichtelijk welke investeringen op termijn nodig zijn en u wordt hierover nog schriftelijk geïnformeerd.
Heeft de verhoogde werkdruk binnen het OM ook effect op de verzuimcijfers? Zo ja, hoe ziet deze ontwikkeling eruit? En wat doet het OM concreet om dit te mitigeren?
Het verzuimcijfer van het OM was in de jaren 2020–2024 stabiel op circa 5%. In 2025 is het verzuimcijfer bij het OM opgelopen, met name in de maanden van de ICT-inbreuk. Het is aannemelijk dat dat komt door de verhoogde werkdruk als gevolg van de ICT-verstoringen, mede omdat de verzuimcijfers van de maanden juli tot oktober 2025 hoger zijn dan dezelfde periode uit voorgaande jaren. Kanttekening hierbij is dat het algemene verzuimcijfer in Nederland volgens CBS-analyses ook een lichte verhoging laat zien in 2025. Het voortschrijdend inzicht laat zien dat het verzuim in 2025 hoger gaat uitkomen dan de eerdergenoemde 5%. De verzuimcijfers laten nu een verwacht gemiddeld verzuim zien van rond de 6%.
In hoeverre hebben de problemen rondom de ICT consequenties voor de strafbeschikkingen die bij het OM lopen?
De problemen met de ICT hebben geen consequenties voor de toepassing van de strafbeschikking.
Welke maatregelen worden er getroffen om fouten te voorkomen? En in hoeverre wordt er gekeken naar extra maatregelen om het risico op fouten zoveel mogelijk in te dammen? Zo ja, welke?
Het OM werkt op alle niveaus en in alle geledingen doelbewust en doelgericht aan verbeteringen in de betrouwbaarheid van de processen en systemen. Er zijn verschillende programma’s, projecten en initiatieven die daar een directe of indirecte bijdrage aan leveren. Soms is de verandering direct heel zichtbaar, door een aanpassing in de organisatiestructuur, een andere werkwijze in het werkproces of de vervanging van een systeem. Ook worden er bijvoorbeeld maatregelen genomen om de werkdruk te verminderen en wordt gewerkt aan maatregelen die het risico op fouten moet doen verminderen op het niveau van de IT-infrastructuur (zie ook het antwoord op de vraag 3).
Hoe kijkt u aan tegen het verwijt van de indieners van de brandbrief dat er een «krachtig geluid» en «zichtbaar leiderschap» ontbreekt vanuit de top van het OM?
De brandbrief van de medewerkers is gericht aan het College van procureurs-generaal. Het College herkent de zorgen en is daarover met de Ondernemingsraad, de leiding van de OM-onderdelen en de medewerkers in gesprek. Het is aan het College om hierop te reageren. Ik acht het College voldoende in staat om de problemen op te lossen en zal het College daar waar nodig bij ondersteunen.
Ziet u voor zichzelf een rol om een «krachtig geluid» en «zichtbaar leiderschap» te laten horen richting de medewerkers van het OM? Zo ja, hoe wilt u dit invullen? Zo nee, waarom niet?
Ik wil vooropstellen dat ik het ontzettend vervelend vind dat de medewerkers van het OM in hun werk gehinderd worden door slecht functionerende ICT. Het is echter primair aan het College om de zorgen van de medewerkers te adresseren. Het College is daarover met de Ondernemingsraad, de leiding van de OM-onderdelen en de medewerkers in gesprek. Ik zie op dit moment geen aanleiding om dit zelf te doen, mede omdat ik het College voldoende in staat acht om de problemen op te lossen.
Het NOS-artikel 'Brandbrief media: techgiganten bedreigen democratie in Nederland' |
|
Laurens Dassen (Volt) |
|
van Marum |
|
|
|
|
Bent u bekend met het bericht dat Nederlandse nieuwsmedia alarm slaan over de invloed van grote internationale techbedrijven?1
Ja.
Hoe duidt u de in de brandbrief geschetste risico’s voor de democratische rechtsorde, de kwaliteit van de publieke informatievoorziening en de positie van onafhankelijke journalistiek?
De zorgen worden door het kabinet geadresseerd in de beleidsreactie op het WRR-rapport Aandacht voor Media.2 De aanbevelingen worden momenteel nader uitgewerkt in samenwerking met andere departementen en sectorpartijen.
Zo is het voor het kabinet cruciaal om in te blijven zetten op het daadkrachtig uitvoeren en handhaven van (bestaande) Europese wet- en regelgeving (zie het antwoord op vraag 9). Ook maakt het kabinet zich hard voor het weerbaar maken van de gebruiker tegen de gevolgen van desinformatie, bijvoorbeeld door het blijvend investeren in mediawijsheid.
Daarnaast werkt het kabinet aan een sterkere journalistieke functie van de publieke omroepen, zowel door het versterken en professionaliseren van de lokale publieke omroepen, als door het hervormen van de landelijke publieke omroep. De Kamer is over de laatste stand van zaken geïnformeerd bij de Mediabegrotingsbrief.3
Hoe beoordeelt u de in de brandbrief genoemde problematiek van scraping en hergebruik van journalistieke content door aanbieders van kunstmatige intelligentie (AI)?
Artikel 15o van de Auteurswet bevat een op artikel 4 van de Europese richtlijn auteursrecht in de digitale eengemaakte markt gebaseerde uitzondering op het auteursrecht op grond waarvan het trainen van generatieve artificiële intelligentie met werken van letterkunde, wetenschap of kunst uit een legale bron voor niet-wetenschappelijke doeleinden is toegestaan. Voor het maken van de daarvoor benodigde kopieën van werken is dus geen voorafgaande toestemming van makers of hun rechtverkrijgenden vereist. Dit is anders als de rechthebbenden op uitdrukkelijke en passende wijze een voorbehoud hebben gemaakt dat hun werken niet mogen worden gekopieerd om generatieve artificiële intelligentie te trainen. In de brandbrief wordt aandacht gevraagd voor het probleem van illegale «scraping». Daarvan is sprake als de werken niet uit een legale bron, maar uit een illegale bron van het internet worden gekopieerd. Daarvan is ook sprake als door rechthebbenden gemaakte voorbehouden dat hun werken en andere materialen niet mogen worden gebruikt om generatieve artificiële intelligentie te trainen, niet worden gerespecteerd.
Op grond van artikel 53 van de AI-verordening zullen de ontwikkelaars van generatieve artificiële intelligentie een voldoende gedetailleerde samenvatting moeten maken van de werken waarmee hun algoritme is getraind. Geheel in lijn met de AI-verordening heeft de Europese Commissie daarvoor inmiddels ook een sjabloon ontwikkeld. De transparantie die daarvan het gevolg zal zijn, moet rechthebbenden beter in staat stellen te controleren of de voorwaarden die aan de inroepbaarheid van voornoemde uitzondering op het auteursrecht correct zijn nageleefd. In de brief wordt daarom terecht gepleit voor een snelle en strikte uitvoering van de AI-verordening zodat de mediasector kan optreden tegen illegale «scraping».
Welke stappen worden gezet om het auteursrecht en eerlijke vergoedingsmechanismen te waarborgen? Bent u bijvoorbeeld voornemens wetgeving te introduceren ten aanzien van auteursrecht en AI?
Als makers of hun rechtverkrijgenden voorbehouden hebben gemaakt dat hun werken niet mogen worden gebruikt om generatieve artificiële intelligentie te trainen, is voor het gebruik van die werken voorafgaande toestemming van de rechthebbenden vereist. Aan het verlenen van toestemming kunnen voorwaarden worden verbonden, zoals het betalen van een vergoeding. De Europese richtlijn auteursrecht in de digitale eengemaakte markt, waarop die regeling is gebaseerd, wordt in 2026 door de Europese Unie geëvalueerd.
Uit het antwoord op de vorige vraag kan worden afgeleid dat er al wetgeving bestaat op het gebied van het auteursrecht en artificiële intelligentie. Die wetgeving is gebaseerd op Europese regelgeving. Het beleidsvoortouw is daarmee ook verschoven naar de Europese Unie. Het demissionaire kabinet is niet voornemens om op zuiver nationale leest geschoeide wetgeving te introduceren op de doorsnede van het auteursrecht en artificiële intelligentie (los van de vraag of daarvoor nog ruimte bestaat).
In hoeverre deelt u de zorgen van mediabedrijven dat grote techplatforms, mede door de inzet van AI-functionaliteiten, de zichtbaarheid, vindbaarheid en inkomstenbasis van Nederlandse nieuwsmedia verder onder druk zetten?
Media-aanbod moet zo makkelijk mogelijk vindbaar en zichtbaar zijn. Daarmee bereikt deze inhoud de Nederlanders en kunnen mediabedrijven inkomsten genereren. Het kabinet, onder aanvoerderschap van de Minister van OCW, is bezig met het nader verkennen van prominentiebeleid, op grond van de AVMD-richtlijn. Een eventuele aankomende herziening van de richtlijn kan de reikwijdte van het prominentiebeleid mogelijk uitbreiden naar videoplatformdiensten, het kabinet zal daarin een positieve grondhouding aannemen.
Deelt u de zorgen over strategische afhankelijkheden van een beperkt aantal buitenlandse technologieaanbieders voor de Nederlandse informatievoorziening? Welke beleidsopties worden overwogen om deze afhankelijkheden te verkleinen?
In algemene zin herkent het kabinet de zorgen ten aanzien van de platformisering en de afhankelijkheden. Het kabinet heeft hier in de beleidsreactie op het WRR-rapport Aandacht voor Media ook aandacht voor.
Het kabinet zoekt samen met de sector naar manieren om de afhankelijkheden te verkleinen. Prominentiebeleid zou zo’n middel kunnen zijn. Hiervoor kijkt het kabinet ook naar best practices uit andere Europese landen. Daar waar mogelijk zal het kabinet het gesprek over het verkleinen van de afhankelijkheden faciliteren.
Bent u van mening dat de Nationale Digitaliseringsstrategie in voldoende mate bijdraagt aan de bescherming van de doelen genoemd in de brandbrief?
De Nederlandse Digitaliseringsstrategie (NDS), onder coördinatie van BZK, richt zich primair op de digitale overheid met als doel om de digitale basis van de overheid – en daarmee ons land – te versterken. De kracht van de NDS is om als rijksoverheid samen op te trekken met provincies, gemeenten, waterschappen en publieke dienstverleners. De NDS versterkt o.a. de transparantie, veiligheid en democratische controle van algoritmes die gebruikt worden door de overheid, Onderdeel van de NDS is het samenwerken aan de implementatie van digitale wetgeving en het wegnemen van juridische knelpunten. De NDS richt zich echter niet op specifieke sectoren, zoals de mediasector.
Hoe beoordeelt u het idee om te komen tot één coördinerend bewindspersoon voor zowel media- als technologiebeleid? Ziet u aanleiding om de huidige bestuurlijke inrichting op dit terrein te heroverwegen?
Het wijzigen van de departementale indeling is een politiek besluit dat aan de formatietafel wordt genomen. De secretarissen-generaal hebben zich er in hun brief aan de informateur wel over uitgelaten.4
Wat is de stand van zaken van de implementatie van relevante Europese regelgeving, zoals de Verordening digitale markten en de Verordening artificiële intelligentie, voor zover deze betrekking heeft op de machtspositie van grote technologiebedrijven en de positie van mediabedrijven?
Diverse uitvoeringswetten in het digitale acquis zijn reeds gepubliceerd in het Staatsblad en in werking getreden. Het gaat bijvoorbeeld om de uitvoeringswetten van de platform-to-business verordening, data governance verordening, digitale diensten verordening, digitale markten verordening en dataverordening. De uitvoeringswet voor de Verordening Artificiële Intelligentie is momenteel in voorbereiding. Deze zal naar verwachting in het eerste kwartaal van 2026 in internetconsultatie gaan. Parallel daaraan zullen de diverse (vereiste) toetsen worden uitgevoerd. Na verwerking van alle resultaten van consultaties en toetsen, zal deze uitvoeringswet naar de Raad van State gaan voor advies en na verwerking daarvan naar het parlement.
Bent u bereid periodiek aan de Kamer te rapporteren over de staat van de Nederlandse informatievoorziening in relatie tot de rol van grote technologiebedrijven en de effecten van AI op mediapluriformiteit?
Het Commissariaat voor de Media betrekt deze aspecten reeds in de jaarlijkse Mediamonitor en het Digital News Report.5 Deze informatie is beschikbaar via de website van het Commissariaat en is laagdrempelig toegankelijk. Deze rapporten worden veelvuldig aangehaald in Kamerbrieven en vormen daarmee een belangrijke informatiebron om beleid op te baseren.
Het artikel 'Een illegale fatbike blijkt 'verontrustend' makkelijk gekocht: politie baalt' |
|
Hidde Heutink (PVV) |
|
Tieman |
|
|
|
|
Hoe kan het dat mensen voor enkele honderden euro’s, binnen zes dagen geleverd aan huis, een illegale fatbike met gashendel inclusief illegale opvoerinstructie uit China kunnen kopen?1
De regering maakt zich vanuit verkeersveiligheidsoogpunt zorgen over de import van illegale fatbikes. Hoewel we met de Nederlandse e-commerce platforms (zoals Marktplaats en Bol) goede afspraken hebben kunnen maken, is dat moeilijker met e-commerce platforms buiten de Europese Unie (EU). Verschillende partijen houden vanuit hun eigen rol toezicht hierop:
De import van producten via e-commerce platforms buiten de Europese Unie (EU) die niet voldoen aan Europese regels voor productveiligheid zijn een groot probleem. In 2024 kwamen meer dan 1 miljard producten via Nederland de EU binnen. Hier zitten bijvoorbeeld producten tussen die schadelijk kunnen zijn voor de volksgezondheid, zoals slecht speelgoed. Ook zitten daar fatbikes tussen die niet voldoen aan de eisen van een elektrische fiets of van een bromfiets. Bovengenoemde autoriteiten kunnen niet al deze producten controleren aan de grens of bij verkoop. Dit vraagt om het maken van keuzes, bijvoorbeeld via steekproeven. Zie daarvoor het antwoord op vraag 2. Daarnaast zijn er meer zaken die markttoezicht bemoeilijken:
Welke acties heeft u ondernomen om deze praktijken te stoppen en welke acties gaat u nog ondernemen om te voorkomen dat mensen een illegale fiets in huis halen die niet toegestaan is op de weg?
Elektrische fietsen met trapondersteuning moeten bij binnenkomst in de EU aangegeven worden onder de goederencode voor dit product. Hierover moeten invoerrechten en (indien van toepassing) antidumpheffingen worden betaald. De elektrische fietsen moeten voldoen aan de Machinerichtlijn. De douane voert in het algemeen controles uit op douaneaangiften en de bijbehorende goederen, waarbij vooral wordt gekeken naar meldingen die op basis van actuele risico-informatie als risicovol worden aangemerkt. Daarnaast voert de douane willekeurige steekproefcontroles uit. Als producten zoals illegale fatbikes via andere lidstaten Nederland binnenkomen om in Nederland in het vrije verkeer te worden gebracht, kan de douane van deze producten informatie verstrekken aan markttoezichthouders; de «papertrail» van de verzending. Aan de hand van «backtracking» kunnen handhavende instanties optreden tegen illegale producten als deze bij verkoop niet voldoen aan de gestelde eisen voor een elektrische fiets of bomfiets.
Daarnaast wordt het aanbod op e-commerce websites aangepakt door de Inspectie Leefomgeving en Transport (ILT) en de Nederlandse Voedsel- en Warenautoriteit (NVWA). Aanbieders op e-commerce platforms die een product op de Europese markt willen verkopen, moeten kunnen aantonen dat het product effectief, veilig en duurzaam is en geen risico’s oplevert voor de gezondheid. Ook moet een vertegenwoordiger binnen Europa aanwezig zijn die aanspreekbaar is op het naleven van de Europese normen voor dat product. Sinds 17 februari 2024 vormt de Digital Services Act (DSA) het bindende juridisch kader voor het melden en verwijderen van illegale content, zoals illegale fatbikes op AliExpress. Platforms moeten een effectief «notice-and-action»-mechanisme bieden waarmee gebruikers illegale inhoud kunnen melden. Markttoezichthouders zoals de ILT en NVWA doen ook meldingen van illegaal aanbod als autoriteit aan een platform. Platforms zijn verplicht meldingen van autoriteiten tijdig, zorgvuldig en objectief te behandelen door de illegale content te verwijderen of ontoegankelijk te maken. De doorloop van advertenties met kleine wijzigingen is echter hoog. Vaak staat er na een melding snel een nagenoeg identieke advertentie online. Voor zeer grote online platforms (VLOPS), zoals AliExpress, gelden wel strengere zorgvuldigheidsverplichtingen, waaronder jaarlijkse risicobeoordelingen gericht op het verminderen van illegale contentverspreiding.
De rijksoverheid en de Europese Commissie nemen verschillende aanvullende maatregelen om te voorkomen dat mensen een illegale elektrische fiets in huis halen die niet toegestaan is op de weg. Er loopt momenteel een onderzoek bij de Europese Commissie naar AliExpress naar onder andere haar risicobeoordeling en handhaving, en interne klachten- en meldsysteem. Deze moeten verbeterd worden. De Commissie heeft bindende toezeggingen van AliExpress geaccepteerd om deze tekortkomingen te verhelpen, inclusief betere detectie van illegale goederen zoals illegale fatbikes, transparantie over de handelaren en verbeterde contentmoderatie. Niet-naleving kan leiden tot boetes tot 6% van de wereldwijde omzet.
Daarnaast worden op initiatief van de ILT samenwerkingsafspraken gemaakt over de intensivering van handhaving en markttoezicht op gemotoriseerde tweewielers. Politie, NVWA, douane en ILT zijn ieder vanuit hun eigen bevoegdheid hierbij betrokken. Eind december zijn de samenwerkingsafspraken door de betrokken instanties bekrachtigd.2 Hiermee is ook invulling gegeven aan de toezegging van het Lid Pierik (BBB).3
Hoeveel fatbikes waarvan we weten dat het vermogen de norm uit de Nederlandse wetgeving overschrijdt en die op te voeren zijn, zijn het afgelopen jaar uit China (of andere landen) vanuit Nederland gekocht en hoeveel daarvan zijn er door de overheid onderschept?
Voor de douane is het lastig te zeggen hoeveel fatbikes er ingevoerd zijn. Fatbikes kunnen ingevoerd worden als elektrische fiets met trapondersteuning of als brommervariant. Zoals beantwoord bij vraag 1, indien een fatbike in dit stadium nog niet volledig aan alle geldige regelgeving voor de openbare weg voldoet hoeft dit geen belemmering te zijn voor de invoer.
Op dit moment ziet de douane toe op invoereisen, de markttoezichthouders op markttoelatingseisen. Hiertussen bevindt zich een fase waarin wijzigingen kunnen worden aangebracht aan het product. Hierdoor kan het zijn dat een product bij invoer nog niet aan de regels voor weggebruik voldoet. Zolang er voldaan wordt aan de invoereisen is er voor de douane geen reden om de invoer niet toe te staan. De ILT en NVWA richten zich op de voorkant van het proces zodat fabrikanten en verkopers de fietsen volgens de regels aanbieden.
Voor zover bekend zijn er het afgelopen jaar geen fatbikes onderschept (tegen gehouden) die direct vanuit het buitenland (zoals uit China) naar een consument in Nederland zijn geleverd.
Zijn er ook Nederlandse bedrijven die dit soort fietsen (fatbikes met een gashendel en/of opvoerinstructie) verkopen? Zo ja, wat heeft u gedaan om dit te stoppen?
De ILT en NVWA kunnen nooit volledig garanderen dat er geen illegale fatbikes worden aangeboden door Nederlandse bedrijven. (Online) platforms zijn dynamisch: nieuwe aanbieders verschijnen en accounts kunnen snel worden aangemaakt of verplaatst. Markttoezichthouders kunnen wel risico’s verkleinen. Het aantal aangeboden fatbikes als illegale bromfiets via grote Nederlandse websites zoals Marktplaats en Bol, is door inzet van de ILT sterk verminderd. Met Nederlandse marktpartijen zoals Marktplaats en Bol wordt structureel gesproken. In die gesprekken kunnen zij vragen stellen, bijvoorbeeld over de vereisten waaraan producten moeten voldoen. Zo kunnen Marktplaats en Bol het aanbod op hun websites beter controleren en zijn op basis daarvan veel advertenties verwijderd.
Tegelijkertijd is er een verschuiving van het aanbod geweest naar platforms als Snapchat en TikTok. Het is onbekend hoe groot deze markt is en het invullen van het toezicht op dit soort platforms is lastig. Wel heeft de ILT gezorgd voor een groeiende bewustwording bij de branche, toezichthouders én bij consumenten. Het is namelijk een gedeelde verantwoordelijkheid. Allereerst ligt deze verantwoordelijkheid bij fabrikanten, importeurs en distributeurs. Maar óók bij kopers en gebruikers. Vervolgens is het aan toezichthouders om te controleren of de markt zich aan de regels houdt. Hierbij kan ook gebruik gemaakt worden van de meldmogelijkheid conform de DSA zoals beschreven in de beantwoording van vraag 2.
Kunt u een lijst doen toekomen over alle keren dat de Inspectie Leefomgeving en Transport (ILT) (succesvol) heeft ingegrepen, wanneer de ILT een illegale advertentie heeft gespot, en hoeveel illegale fatbikes hiermee van de markt zijn gehaald? Zo nee, waarom niet?
Door ILT toezicht heeft Marktplaats in het eerste kwartaal van 2025 1150 advertenties offline gehaald waarin fatbikes werden aangeboden die niet voldeden aan de regels. Voor overige handelsplatforms zijn er geen cijfers.
De ILT haalt zelf geen advertenties offline, dat doen de platformen. Hoeveel advertenties er verwijderd worden, wordt door de platformen niet standaard doorgegeven aan toezichthouders. De toezichthouder kijkt wél of dergelijke advertenties niet meer voorkomen. Het is onbekend hoeveel fatbikes er hierdoor niet op de markt gekomen zijn, het betreft namelijk een onvervuld potentieel aan verkoop.
Deelt u de mening dat een algehele helmplicht voor jongeren op e-bikes eigenlijk impliceert dat de overheid heeft gefaald in het adequaat handhaven van de problematiek rondom fatbikes? Zo nee, waarom niet?
Nee, die mening wordt niet gedeeld. Het Ministerie van IenW zet in op een helmplicht voor gebruikers van elektrische fietsen en andere lichte elektrische voertuigen tot 18 jaar door de grote stijging (verzesvoudiging) van het aantal ongevallen met hersenletsel op de elektrische fiets in de leeftijdsgroep van 12 tot 18 jaar tussen 2020 en 2024. De stijging in het aantal ongevallen met hersenletsel is voor jongeren van 12 tot 18 jaar die elektrisch fietsen maar
ten dele te verklaren door het feit dat zij meer kilometers elektrisch gereden
hebben.
Op welke wijze gaat u zorgdragen dat ouders van kinderen met opgevoerde, fatbikes op de hoogte zijn van de gevolgen van de overlast met fatbikes, maar ook van het risico dat men niet verzekerd is bij een ongeval?
In september 2024 heeft het Ministerie van IenW de campagne «»t kan hard gaan» gelanceerd en deze is afgelopen zomer herhaald. Met de campagne worden jongeren en hun ouders/verzorgers gewezen op de regels en risico’s van het gebruiken van opgevoerde fietsen op de openbare weg. Aansprakelijkheid en onverzekerd zijn is één van de uitgelichte risico’s in de campagne. Hier wordt uitgelegd dat wanneer je met een opgevoerde fiets op de openbare weg rijdt en je krijgt een ongeluk, dat de gebruikelijke bescherming voor fietsers niet geldt. Als bestuurder kun je opdraaien voor bijvoorbeeld letselschade (zoals medische kosten en gemiste inkomsten) en voertuigschade, van jezelf en van de ander.
Naast de campagne voert TeamAlert projecten uit op middelbare scholen, gericht op de risico’s in het verkeer voor elektrische fietsen, waarbij de fatbike ook specifiek wordt meegenomen. Daarnaast is het ministerie momenteel aan het onderzoeken hoe de gedragsaanpak kan worden uitgebreid. Samen met stakeholders uit het veiligheidsdomein en de jongerendoelgroep wordt gezocht naar de gedragsbepalers van het ongewenste gedrag dat leidt tot de overlast, die wordt ervaren veroorzaakt door gebruikers van lichte gemotoriseerd voertuigen, zoals fatbikes. Vervolgens is het doel om samen met stakeholders in het voorjaar van 2026 toe te werken naar mogelijke aanscherping van de huidige gedragsmaatregelen of een aanvulling hierop.
Bent u bereid om géén helmplicht voor álle e-bikes in te voeren, maar alleen voor de fatbike? En als dat niet lukt, bent u dan bereid om alleen in te zetten op forse handhaving op de aankoop, onderschepping en gebruik van opgevoerde fatbikes en/of fatbikes met een gashendel? Zo nee, waarom niet?
Nee. Drie onafhankelijke onderzoeken hebben aangetoond dat aparte regels voor fatbikes niet uitvoerbaar zijn. Het is een «heilloze weg» om onderscheid te maken tussen fatbikes en elektrische fietsen, zoals uiteengezet in de Kamerbrief van 28 augustus 2025.4
De huidige aanpak tegen het opvoeren van elektrische fietsen bestaat in de kern uit handhaving, marktoezicht en gedrag. Zie voor verdere toelichting op de aanpak de Verzamelbrief verkeersveiligheid van 4 december 2025 en Kamerbrief verkeersveiligheid elektrische fietsen en lichte elektrische voertuigen van 9 december 2025.5
Het uitblijven van een verbod op stroomstootapparatuur in de veehouderij |
|
Renate den Hollander (VVD), Anne-Marijke Podt (D66) |
|
Femke Wiersma (minister landbouw, visserij, voedselzekerheid en natuur) (BBB) |
|
|
|
|
Kunt u toelichten waarom u tegen de wens van de Kamer in gaat door niet het verbod op de toegezegde datum naar de Kamer te sturen?1
Begin dit jaar is het ontwerpbesluit voor een verbod op het gebruik elektrische veedrijfmiddelen bij dieren in de veehouderij ter notificatie aan de Europese Commissie voorgelegd. Gedurende de stand-still van 3 maanden heb ik geen opmerkingen van de Europese Commissie ontvangen, daarmee is de standstill-periode geëindigd.
Ik heb daarna advies bij de Afdeling advisering van Raad van State aangevraagd. De streefdatum van inwerkingtreding op 1 juli 2025 is helaas niet gehaald, omdat ik nog het advies van de Afdeling advisering van Raad van State afwachtte. Op 28 juli 205 is het advies van de Afdeling advisering openbaar gemaakt2.
Naar aanleiding van het ontvangen advies van de Raad van State heb ik vervolgens nog wijzigingen verwerkt in het ontwerpbesluit en de bijbehorende nota van toelichting. Dit proces heeft enige tijd in beslag genomen.
Omdat het kabinet demissionair is, is het standaard gebruik dat het nader rapport en het ontwerpbesluit aan de ministerraad voor akkoord worden voorgelegd waarna deze zullen worden aangeboden aan het Kabinet van de Koning. Binnen het kabinetsbeleid over de vaste verandermomenten zie ik ruimte om gebruik te maken van een uitzonderingsgrond op de vaste invoeringstermijn van twee maanden, waardoor inwerkingtreding op 1 januari 2026 een mogelijkheid blijft.
Kunt u toelichten waarom er nog steeds geen wetsvoorstel naar de Kamer is gestuurd, ondanks de lang verstreken termijn van 1 juli 2025?
Er is geen wetsvoorstel dat naar de Kamer zal worden verstuurd. Het verbod wordt door middel van een algemene maatregel van bestuur vormgegeven. Het ontwerp van die AMvB is in het kader van de voorhang aan de Kamers voorgelegd. Voor de stappen die daarna hebben plaatsgevonden verwijs ik u naar mijn antwoord op vraag 1.
Zijn er op dit moment juridische bezwaren of beperkingen, bijvoorbeeld door de Europese Commissie of andere instanties die de publicatie vertragen? Zo ja, welke? Zo nee, kunt u toelichten op welke manier het verbod technisch of financieel niet uitvoerbaar is, gezien er verder geen reden is om de wens van de Kamer niet te honoreren?
Er zijn op dit moment geen juridische bezwaren of beperkingen die in de weg staan aan de bekendmaking van het verbod.
Kunt u de Kamer volledig informeren over de stand van zaken met betrekking tot het verbod?
Zie mijn antwoord op vraag 1.
Welke rol zal de Nederlandse Voedsel- en Warenautoriteit (NVWA) hebben bij toezicht op de naleving van het verbod zodra het van kracht is?
De NVWA is de bevoegde autoriteit voor het toezicht op het gebruik van elektrische veedrijfmiddelen.
Tegelijkertijd ligt de verantwoordelijkheid voor het naleven van wet- en regelgeving in de eerste plaats bij de bedrijven zelf. Voor het welzijn van de dieren is het cruciaal dat medewerkers die met dieren omgaan goed opgeleid zijn en zich bewust zijn van hoe menselijk handelen het dierenwelzijn kan beïnvloeden. Ik verwacht van de sectorpartijen dat zij in deze voorwaarden voorzien.
Hoe gaat u ervoor zorgen dat overtredingen effectief kunnen worden bestraft en dat herhaling wordt voorkomen?
Omdat overtredingen op dit verbod fysiek en op heterdaad vastgesteld moeten worden, heeft de NVWA in haar handhaafbaarheid-, uitvoerbaarheid- en fraudebestendigheidstoets aangegeven dat dit verbod slechts beperkt handhaafbaar is. Daarbij komt dat bij het laden en lossen van dieren bij nationale transporten (waar deze wetswijziging betrekking op heeft), geen toezichthouder van de NVWA aanwezig is, omdat bedrijven niet verplicht zijn deze transporten aan de NVWA te melden. De NVWA heeft daardoor geen zicht op wanneer deze transporten plaatsvinden.
Welke alternatieven voor het gebruik voor stroomstoten, zoals diervriendelijke methoden, ondersteunt uw ministerie en hoe stimuleert u de sector om die alternatieven te implementeren?
Alternatieven voor het voortdrijven van dieren zijn onder meer opdrijframmelaars, drijfschotten, plastic zakken, vlaggen en stokken met plastic linten. Onderzoek van de Amerikaanse professor Temple Grandin heeft aangetoond dat ongewenst stilvallen van dieren zoveel mogelijk kan worden voorkomen, door logische looplijnen en het creëren van een rustige omgeving tijdens het laden. Dit omvat bijvoorbeeld ook het vermijden van afleidingen zoals reflecties, en het voorkomen van geluidsoverlast. Deze hulpmiddelen worden in de praktijk al gebruikt, naast het gangbare elektrische veedrijfmiddel en zijn binnen de sector reeds bekend.
Welke concrete afspraken zijn er gemaakt met transporteurs, veehouders en andere betrokkenen over de overgang naar alternatieven vóór de inwerkingtreding van het verbod?
Sinds 2021 hebben gesprekken met de sector plaatsgevonden over alternatieven voor het elektrisch veedrijfmiddel. Deze gesprekken hebben niet kunnen voorkomen dat nieuwe incidenten met onjuist gebruik van de elektrische veedrijfmiddel geconstateerd werden, die ook het nieuws haalden. Om die reden heeft mijn voorganger het verbod aangekondigd3. De totstandkoming van dit verbod, en het feit dat hieraan gewerkt werd, is al geruime tijd bekend binnen de sector en dit is ook meermaals in gesprekken met de sector langsgekomen. Van de sector verwacht ik dat zij zich actief zullen blijft inzetten om het gebruik van de eerder beschreven alternatieven te stimuleren.
Kunt u uiterlijk binnen drie weken het wetsvoorstel naar de Kamer sturen voor behandeling?
Zie mijn antwoord op vraag 2.
Kunt u uiterlijk binnen drie weken deze vragen beantwoorden?
Ja.
Het onderzoek van de Inspectie van het Onderwijs over de schrijf- en rekenvaardigheid op het vmbo. |
|
Peter van Duijvenvoorde (FVD) |
|
Moes |
|
|
|
|
Bent u bekend met het onderzoek van de Inspectie van het Onderwijs waaruit blijkt dat 40 procent van de leerlingen vmbo basis en kader onder het basisniveau schrijf- en rekenvaardigheid zitten?1
Ik ben bekend met dit onderzoek van de Inspectie van het Onderwijs.
Laaggeletterdheid in Nederland neemt ieder jaar toe, welke oorzaken ziet u voor deze trend?
De gemiddelde taalvaardigheid van Nederlandse volwassenen is al dertig jaar relatief stabiel en ook in de afgelopen tien jaar niet significant afgenomen. Het percentage Nederlanders dat als laaggeletterd kan worden getypeerd is dus niet toegenomen. Wel is het zo dat laaggeletterde Nederlanders in 2023 een lager taalvaardigheidsniveau hadden dan tien jaar eerder. De afwezigheid van een toename in het percentage laaggeletterden betekent dus niet dat we tevreden zijn: het verbeteren van de taalvaardigheid van deze groep is en blijft een prioriteit.
Hoe verklaart u dat de taal- en rekenprestaties, ondanks jaren van basisvaardighedenbeleid, blijven dalen?
De taal- en rekenprestaties van leerlingen blijven gelukkig niet over de hele linie dalen. Dat kunt u ook lezen in mijn brief van 4 december 2025 over het Masterplan basisvaardigheden en de Monitor basisvaardigheden 2025 met de meest actuele data over de leerprestaties.2 Inmiddels zien we dat de prestaties van leerlingen in het primair onderwijs zich na de coronapandemie goed hersteld hebben. Groep 3-leerlingen doen het zelfs iets beter dan voor corona, met name bij begrijpend lezen en spelling. Het beeld in het vo is helaas in de onderbouw minder positief, maar ook daar zien we soms tekenen van stabilisatie en herstel en lijken leerlingen tijd het eindexamen stabieler te presteren over de jaren heen. De verschillende onderzoeken in het kader van het Masterplan basisvaardigheden bevestigen dat we op de goede weg zijn, maar ook hoe belangrijk het is om nu door te zetten. Om de focus op de basisvaardigheden vast te houden, scholen te ondersteunen evidence-informed onderwijs te geven en te helpen bij de invoering van een actueel en kennisrijk curriculum.
Volgens het onderzoek beginnen veel kinderen aan groep 1 met taalachterstand, hoe bent u van plan om dit probleem aan te pakken?
Alle kinderen verdienen het om een goede start te maken in het basisonderwijs. Vaak is dit ook het geval, maar helaas niet altijd. Daarom hebben we in 2024 een onderzoek laten uitvoeren naar kansrijke beleidsmaatregelen om jonge kinderen goed te laten starten in het basisonderwijs.3 Het gaat hierbij onder andere over de verlaging van de leerplicht en de verhoging van de kwaliteit en het bereik van voorschoolse educatie. In de beleidsreactie van 24 juni jl. worden hiervoor verschillende maatregelen aangedragen.4 Het Ministerie van VWS stelt daarnaast vanuit de aanpak Kansrijke Start subsidie beschikbaar voor het project Taalschatten. Vanuit Taalschatten is een aanpak ontwikkeld die als doel heeft om kinderen taalvaardig aan de basisschool te laten beginnen. Zo heeft Taalschatten praktische tools en voorbeelden ontwikkeld voor ouders, zorgprofessionals, en gemeenten die willen werken aan de taalontwikkeling van kinderen.
Hoe verklaart u dat vooral leerlingen vmbo basis en kader ver onder het gewenste niveau voor taal en rekenen zitten in tegenstelling tot leerlingen op vmbo-t, havo, en vwo?
Het is van groot belang dat óók deze leerlingen de basisvaardigheden voldoende beheersen om mee te doen in de samenleving en arbeidsmarkt. Zo zien we dat in het vmbo sprake is van een hardere daling van de leerprestaties sinds corona. Daarom geven we binnen de aanpak basisvaardigheden het vmbo op verschillende manieren prioriteit. Leerlingen uit vmbo basis en kader hebben over het algemeen wat meer tijd nodig dan leerlingen in de tl, havo of het vwo om het gewenste niveau 2F te halen. Hierbij geldt wel dat 2F het gewenste eindniveau voor leerlingen is die het voortgezet onderwijs verlaten. Dit onderzoek heeft in klas 2 plaatsgevonden en dat betekent dat deze leerlingen in het vmbo nog twee jaar de tijd hebben om dit niveau te bereiken. Hierbij geldt bovendien dat het vmbo geen eindonderwijs is, deze leerlingen vervolgen hun onderwijs in het mbo, om daar hun startkwalificatie te halen.
Hoe beoordeelt u de risico’s voor de arbeidsmarkt wanneer mbo-studenten hun opleidingen afronden met onvoldoende taal- en rekenvaardigheden?
Het mbo leidt studenten op zodat zij onder andere goed kunnen functioneren op de arbeidsmarkt. De generieke taal- en rekeneisen voor het behalen van een mbo-diploma zijn daarop afgestemd. Voor specifieke beroepen waarvoor een hoger taal- en/of rekenniveau nodig is, is dit opgenomen als eis in een beroepsgericht vak. Studenten die niet aan deze diploma-eisen voldoen, kunnen niet gediplomeerd uitstromen naar de arbeidsmarkt.
Volgens het Ministerie van OCW wordt er sinds 2000 elk jaar structureel meer geïnvesteerd in het onderwijs, zowel door de overheid als door bedrijven en huishoudens. Hoe verklaart de Minister dat we in 2025 dan toch kampen met dalende onderwijskwaliteit en leerlingen die moeite hebben met basisvaardigheden zoals schrijven en rekenen?
Er zijn in deze periode verschillende investeringen gedaan. Zo is de loonkloof tussen onderwijspersoneel in het po en het vo gedicht en zijn er, om het beroep van leraar aantrekkelijker te maken, werkdrukmiddelen toegevoegd aan de bekostiging. Vanaf 2021 is tijdelijk geïnvesteerd met het Nationaal Programma Onderwijs en vanaf 2022 is specifiek structureel geïnvesteerd om leerprestaties van leerlingen op de basisvaardigheden te herstellen en te verbeteren met het Masterplan basisvaardigheden. Scholen zijn positief over de resultaten die zij behalen met de extra middelen voor basisvaardigheden, maar we zijn er nog niet.
Kunt u aangeven welke concrete maatregelen genomen zullen worden om deze neerwaartse trend te keren?
Het Masterplan basisvaardigheden dat in 2022 van start is gegaan is een integrale en langjarige aanpak dat bestaat uit een breed pakket aan maatregelen. De dalende trend in de leerprestaties, met name bij lezen, was de directe aanleiding. Vanaf het eerste jaar van het Masterplan is ieder jaar een deel van de scholen in staat gesteld, om met subsidie en ondersteuning, evidence-informed in te zetten op de verbetering van de basisvaardigheden. Vanaf 1 januari 2027 kunnen alle scholen rekenen op structurele middelen voor verbetering van de basisvaardigheden.
Naast deze snelle start op scholen omvat het Masterplan een meerjarig pakket van maatregelen om de randvoorwaarden voor goed onderwijs voor de lage termijn te verbeteren. Het gaat daarbij om zaken als de curriculumherziening, de Bibliotheek op School, de kwaliteit van leermiddelen, het bevorderen van evidence-informed onderwijs en de professionalisering van leraren. Al deze maatregelen dragen bij aan een structurele verbetering van de onderwijskwaliteit in de klas. En ook met de lerarenstrategie, school en omgeving en de schoolmaaltijden wordt een bijdrage geleverd aan de verbetering van basisvaardigheden. In mijn brief van 4 december jl. kunt u meer lezen over het Masterplan basisvaardigheden.5
Kunt u inzichtelijk maken hoeveel geld de afgelopen vijf jaar is besteed aan programma’s die schijnbaar weinig tot geen aantoonbare verbetering in basisvaardigheden hebben opgeleverd?
Ik heb geen aanwijzingen om aan te nemen dat er in de afgelopen vijf jaar geld is besteed aan programma’s die schijnbaar weinig tot geen aantoonbare verbetering in de basisvaardigheden hebben opgeleverd.
Hoe kijkt u naar de inzet van zogeheten «brede brugklassen» en de invloed die gemengde klassen hebben op de taal- en rekenvaardigheden?
Uit onderzoek weten we dat onderwijs in een brede(re) brugklas (bijv. in een dakpanklas voor vmbo-t/havo) voor de meeste leerlingen positieve effecten heeft op leerprestaties: de cognitief minder sterke leerlingen kunnen zich optrekken aan de cognitief sterkere leerlingen (het zogenoemde «peereffect»). Dit positieve effect op de leerprestaties zien we voor leerlingen met een vmbo tot en met havo/vwo-advies. Het effect van brede(re) brugklassen op de leerprestaties van leerlingen met een vwo-advies is niet eenduidig uit onderzoek op te maken. Uit een recente meta-analyse blijkt dat vroege selectie niet leidt tot hogere onderwijsprestaties, maar wel de ongelijkheid in het onderwijssysteem vergroot. Om dit te onderzoeken loopt er onder andere via het NRO een leertraject «Van breder naar beter: De effecten van verschillende inrichtingsvarianten van heterogene brugklassen op niveaubewustzijn, zelfvertrouwen, motivatie en leerprestaties van leerlingen.» Dit leertraject zal nader ingaan op het effect van verschillende brugklasvarianten op cognitief sterkere leerlingen.
Hoe beoordeelt u het risico dat toenemende instroom van kinderen met een leerachterstand ertoe leidt dat reguliere scholen minder tijd en aandacht hebben voor overige leerlingen?
Er zijn bij mij geen cijfers bekend die een toenemende instroom van kinderen met een leerachterstand bij aanvang van hun schoolloopbaan bevestigen. Er zijn wel indicaties dat er meer leerlingen met extra ondersteuningsbehoefte de reguliere klassen binnenkomen. Een enquête van de Academie en Vakvereniging voor Schoolleiders wees bijvoorbeeld uit dat 80 procent van de schooldirecteuren aangeeft dat de instroom van kinderen die eigenlijk voorschool nodig hadden, maar niet zijn geweest, voor extra uitdagingen zorgt op school.6 Een leerkracht kan zijn of haar aandacht maar één keer verdelen, dus het is voorstelbaar dat dit betekent dat leerkrachten minder tijd en aandacht over hebben voor de overige leerlingen.
Die signalen neem ik serieus, en dit bevestigt opnieuw het belang van voorschoolse educatie. Uit onder andere het pre-COOL-cohortonderzoek blijkt dat voorschoolse educatie helpt om achterstanden terug te dringen, mits de kwaliteit goed is.7 Tegelijkertijd zien we dat het bereik van voorschoolse educatie de laatste jaren lijkt te dalen.8 In de beleidsreactie op het onderzoek «Kansen op een goede start» worden verschillende maatregelen aangedragen om het bereik van voorschoolse educatie te verhogen.9
Daarnaast wijs ik graag op het Nationaal Programma Leefbaarheid en Veiligheid, dat wordt uitgevoerd in de 20 meest kwetsbare focusgebieden in Nederland. De focusgebieden ontvangen onder andere extra middelen om extra te investeren in de voor- en vroegschoolse periode. Die worden bijvoorbeeld besteed aan extra professionalisering van jonge kind professionals, of aan de inzet van een extra beroepskracht in groep 1 en 2.
Hoe ziet u een mogelijk verband tussen de toename aan inzet van digitale leermethoden – zoals tablets, notebooks, computers – voor het verwerken van opdrachten en de dalende trend in schrijfvaardigheid?
De achteruitgang van basisvaardigheden kent veel verschillende mogelijke oorzaken, zoals het toenemende aantal taken voor scholen, het tekort aan leraren en schoolleiders en een verouderd en overladen curriculum. Bredere maatschappelijke trends zoals niet-educatieve schermtijd dragen hier eveneens aan bij.
Om het tij te keren zet het Ministerie van OCW sinds 2022 volop in op ondersteuning van scholen bij een effectieve inzet van leermiddelen om de basisvaardigheden van leerlingen te verbeteren. Via het Masterplan Basisvaardigheden en het Groeifondsprogramma Impuls Open Leermateriaal, onderzoekt het Ministerie van OCW welke leermiddelen – zowel digitaal als papier – effectief zijn voor specifieke lesdoelen en leerlingen. Zo is het Kwaliteitskader Taal ontwikkeld door een werkgroep van onderwijsprofessionals, experts en wetenschappers. Dit kader is in juni van dit jaar gelanceerd. Met dit kader kunnen scholen en educatieve uitgevers de kwaliteit van leermiddelen en aangeboden teksten beoordelen. Daarnaast onderzoekt het Groeifondsprogramma Nationaal Onderwijslab AI momenteel de mogelijkheden die digitale media bieden om verhalen op nieuwe, interactieve manieren te presenteren en kinderen beter te ondersteunen bij het lezen. Tegelijkertijd worden maatregelen getroffen om te voorkomen dat kinderen enkel korte, oppervlakkige teksten online lezen, wat ten koste kan gaan van diep lezen. Het nieuwe curriculum legt de focus op lezen, schrijven en rekenen. Het verplicht scholen om rijke, kwalitatief hoogstaande teksten aan te bieden, zoals originele artikelen uit kranten, tijdschriften en passages uit literatuur.
Om een sociale en geconcentreerde leeromgeving te bevorderen heeft OCW met een brede vertegenwoordiging uit het onderwijs afgesproken dat niet-educatief gebruik van mobiele telefoons en andere persoonlijke devices niet langer is toegestaan in de klas. Deze afspraak werpt zijn vruchten af. Docenten en leerlingen voelen zich veiliger, werken geconcentreerder en zijn socialer blijkt uit landelijk onderzoek.
Deelt u de mening dat (de gevolgen van de) massale immigratie niet bevorderlijk is voor het algemene taal- en rekenniveau?
Het funderend onderwijs in Nederland is erop gericht dat alle leerlingen het benodigde taal- en rekenniveau halen.
Kunt u aangeven welk percentage van de leerlingen met ernstige taalachterstanden bestaat uit kinderen die geen Nederlands spreken bij aanvang van de schoolloopbaan?
Nee, dat kan ik niet. Ik heb geen cijfers van kinderen die bij aanvang van hun schoolloopbaan ernstige taalachterstanden hebben. Zoals ik bij vraag 11 heb aangegeven zijn er wel indicaties dat er meer leerlingen met extra ondersteuningsbehoefte de reguliere klassen binnenkomen. Daarnaast blijkt uit de Kansrijke Start monitor 2024 van het RIVM uit de gegevens van Jeugdgezondheidsorganisaties dat het aantal kinderen met een spraak-taalontwikkelingsachterstand op tweejarige leeftijd toeneemt.10
In de data wordt geen onderscheid gemaakt tussen de verschillende oorzaken van deze taalachterstand. Het is dus niet mogelijk om hier conclusies uit te trekken over het percentage kinderen dat geen Nederlands spreekt.
Wel blijkt hieruit dat er des te meer reden is om al op jonge leeftijd in te zetten op extra ondersteuning, zoals ook in de beleidsreactie op het onderzoek Kansen op een goede start is aangehaald.11
Bent u bereid onafhankelijk onderzoek te laten doen naar de relatie tussen immigratie en taal- en rekenachterstanden in het onderwijs?
Nee, ik ben niet voornemens een separaat onderzoek te laten doen naar de relatie tussen immigratie en taal- en rekenachterstanden in het onderwijs. Met onder meer het Masterplan Basisvaardigheden zet het kabinet in op een verbetering van de basisvaardigheden van alle leerlingen in het onderwijs. Het Masterplan is een integrale en langjarige aanpak met het doel de onderwijskwaliteit duurzaam te verbeteren, met nadruk op de lees-, schrijf- en -rekenprestaties van leerlingen in het funderend onderwijs. In de monitoring van het Masterplan wordt via het Nationaal Cohortonderzoek ook gekeken naar de achtergrondkenmerken van leerlingen, waaronder een eventuele migratieachtergrond. Daarnaast investeert het kabinet al extra in kinderen met een groter risico op een achterstand door middel van voorschoolse educatie en extra financiering van scholen met een relatief grote populatie leerlingen met een groter risico op een achterstand.
De overname van Solvinity door Kyndryl |
|
Frederik Jansen (FVD) |
|
Vincent Karremans (VVD) |
|
|
|
|
Kunt u uitsluiten dat buitenlandse mogendheden met de overname van Solvinity door Kyndryl toegang krijgen tot vertrouwelijke en gevoelige informatie van Nederlandse staatsburgers, constaterende dat DigiD en MijnOverheid beheerd worden door de servers van Solvinity en overwegende dat de Verenigde Staten via de ClOUD Act, data bij Amerikaanse bedrijven kan vorderen, ook als deze in het buitenland zijn opgeslagen? Zo ja, kunt u uitleggen hoe u tot dit antwoord gekomen bent? Zo nee, ziet u dit als een probleem?
Onder meer de CLOUD Act (Clarifying Lawful Overseas Use of Data Act), de Foreign Intelligence Surveillance Act (FISA) en Executive Order 12333 maken het, in ieder geval in theorie, mogelijk dat autoriteiten in de VS onder de in deze wetgeving genoemde voorwaarden toegang kunnen krijgen tot de gegevens waarover een onderneming in de VS beschikt, óók wanneer de gegevens zich bevinden onder een dochtervennootschap en op servers buiten de VS. Als Solvinity wordt overgenomen door een onderneming met moedermaatschappij in de VS brengt dit Solvinity onder de reikwijdte van deze wetgeving. Het gevolg daarvan kan, in ieder geval in theorie, zijn dat autoriteiten in de VS in voorkomend geval toegang krijgen tot de gegevens die door Solvinity in opdracht van de Staat worden verwerkt.
Momenteel worden gesprekken gevoerd met Solvinity en Kyndryl over het treffen van maatregelen die er, mede, op zijn gericht om het risico op toegang door een buitenlandse autoriteit tot de gegevens die Solvinity verwerkt ten behoeve van de Nederlandse overheid zoveel mogelijk te mitigeren. Over de resultaten van deze gesprekken verwacht ik te kunnen berichten nadat deze gesprekken zijn afgerond. Op dit moment valt nog niet in te schatten wanneer dat zal zijn.
Had u deze overname aan kunnen zien komen? Zo nee, waarom niet? Zo ja, waarom heeft u er niet tijdig voor gezorgd om gevoelige overheidsprojecten onder te brengen bij een ander Nederlands bedrijf?
In maart 2025 heeft Solvinity onder embargo de directeur van Logius medegedeeld dat de eigenaar van Solvinity op zoek was naar een overnamekandidaat. Hierbij is de naam van de overnamekandidaat niet door Solvinity gedeeld. Op verzoek van de directeur Logius is dit embargo deels opgeheven, zodat hij dit bericht met een beperkt aantal personen van het kerndepartement van het Ministerie van BZK kon delen in mei 2025. Het Ministerie van BZK heeft de naam van de overnamekandidaat vernomen op de dag van de bekendmaking van de overname in de media (5 november jl.).
Voor een aantal organisaties geldt dat het verplaatsen van de huidige diensten naar een andere provider op korte termijn niet haalbaar is vanwege de complexiteit en afhankelijkheid van de huidige infrastructuur.
Bent u alsnog in staat om op korte termijn gevoelige overheidsprojecten die thans in beheer zijn van Solvinity onder te brengen bij een ander Nederlands bedrijf?
Met Solvinity worden gesprekken gevoerd over verschillende maatregelen om de veiligheid van gegevens en applicaties te bewerkstelligen.
Het op korte termijn onderbrengen van gevoelige overheidsprojecten bij andere partijen vraagt het doorlopen van aanzienlijke procedures, juridisch, technisch en financieel.
Hebben u of uw ambtenaren op enige wijze betrokkenheid gehad in de onderhandelingen omtrent de overname, aangezien het Ministerie van Economische Zaken een grote opdrachtgever van Solvinity is?
Nee. Daarnaast heeft het Ministerie van EZ geen contracten met Solvinity en/of Kyndryl.
Kunt u deze vragen elk afzonderlijk en zo spoedig mogelijk beantwoorden?
Ja, hierbij zijn uw vragen afzonderlijk van elkaar en zo spoedig beantwoord.
De transparantie van besteding van budget door een aspirant-omroeporganisatie |
|
Mohammed Mohandis (GroenLinks-PvdA) |
|
Moes |
|
|
|
|
Kent u het bericht dat in het strafproces tegen een presentator van een aspirant-omroep de betreffende omroep de juridische kosten grotendeels voor haar rekening heeft genomen, dat zou zijn afgesproken om deze kosten «weg te schrijven» in het jaarverslag en dat deze presentator een crowdfunding startte om de juridische kosten te financieren? Zo ja, wat vindt u van dit bericht?1
Ik ken het bericht. Het Commissariaat voor de Media, als onafhankelijk toezichthouder, heeft mij laten weten nader onderzoek te doen naar de rechtmatigheid van bestedingen in deze kwestie. Omdat deze zaak onderwerp van lopend onderzoek van de toezichthouder is, past het mij niet hier verdere uitspraken over te doen.
Kunt u uiteenzetten hoe in algemene zin toezicht wordt gehouden op de naleving van het uitgangspunt dat de financiering die publieke omroepen ontvangen alleen mogen worden besteed aan de uitvoering van de publieke mediaopdracht?
Hoofdregel van de wet is dat alle inkomsten van een omroepvereniging bestemd zijn voor de uitvoering van de publieke media-opdracht, tenzij daar door de wet een uitzondering op is gemaakt (artikel 2.135 Mediawet 2008). Het Commissariaat voor de Media (Commissariaat) is verantwoordelijk voor het financiële toezicht op publieke omroepen (artikel 2.171 van de Mediawet 2008). Dit toezicht richt zich onder meer op de rechtmatigheid van de besteding van de middelen die bestemd zijn voor de uitvoering van de publieke media-opdracht. Het toezicht gebeurt onder meer aan de hand van de jaarrekeningen die de (aspirant-)omroepen met een controleverklaring van de accountant jaarlijks bij het Commissariaat moeten aanleveren. Als daar aanleiding toe bestaat, zal het Commissariaat de financiële rechtmatigheid van bestedingen nader onderzoeken.2 Wanneer (aspirant-)omroepen zich niet houden aan de wettelijke verplichtingen kan het Commissariaat handhavend optreden. Middelen die onrechtmatig besteed zijn vordert het Commissariaat terug.
Welke sancties kunnen worden opgelegd aan (aspirant-)omroepen die zich niet houden aan de geldende juridische verplichtingen?
In algemene zin geldt dat bij overtreding van geldende juridische verplichtingen door (aspirant-)omroepen het Commissariaat per casus kijkt welk handhavingsinstrument het meest effectief is om herstel te bereiken of herhaling te voorkomen. Dit kan variëren van het voeren van een normoverdragend gesprek en het opleggen van een waarschuwing, tot formele handhavingsinstrumenten zoals een last onder dwangsom of een boete. Bij onrechtmatige besteding van middelen vordert het Commissariaat deze terug. Ook kan het Commissariaat een aanwijzing geven als sprake is van wanbeheer of als een deugdelijke inrichting, sturing en beheersing van bedrijfsprocessen of het voeren van een deugdelijke administratie onvoldoende gewaarborgd zijn. Bij deze keuze baseert de toezichthouder zich op feiten die zijn verzameld en een beoordeling van de aard en de ernst van de overtreding en de omstandigheden waaronder de overtreding is begaan.
Wie legt volgens u sancties op conform de mediawet en hoe effectief is het wetsartikel 2.33 van de mediawet volgens u? Kunt u dit toelichten?
Het Commissariaat voor de Media is verantwoordelijk voor het toezicht op de naleving van de Mediawet 2008, en kan bij overtredingen sanctioneren. Dat is onder meer het geval als sprake is van onrechtmatige besteding van gelden. Artikel 2.33 van de Mediawet 2008 ziet op het intrekken van een (voorlopige) erkenning. Dat is een zeer verstrekkende bevoegdheid van de Minister die alleen als ultimum remedium moet worden ingezet.
Kunt u zich het Kamerdebat herinneren over de rolduidelijkheid aangaande sanctioneren van (aspirant-)omroepen door de NPO, het Commissariaat voor de Media en het kabinet en de aangenomen motie van het lid Mohandis c.s. om de rollen en het sanctiebeleid in den brede aan te scherpen en te verduidelijken, zodat duidelijker wordt na hoeveel overtredingen de licentie in het geding komt? Zo ja, hoe verhoudt dit geval zich tot deze rolduidelijkheid?2
Ja. In de reactie op deze motie heeft mijn ambtsvoorganger aangegeven dat dit onderwerp wordt meegenomen in het wetsvoorstel voor de hervorming van de landelijke publieke omroep. Die toezegging staat. In het onderhavige geval is er overigens geen rolonduidelijkheid. Volgens de wet is het Commissariaat belast met het toezicht op de rechtmatige besteding van publieke omroepmiddelen. Daar hebben de NPO noch het kabinet een rol.
Betrekt u de uitvoering van deze motie bij de komende wetsbehandeling conform uw toezegging tijdens het notaoverleg Media van 14 april 2025? Zo nee, waarom niet?
Ja.
Deelt u de mening dat, met het oog op het belang van betrouwbare en transparante journalistiek, herhaald overtreden van de uit de mediawet conform artikel 2.33 voortvloeiende verplichtingen moet worden gesanctioneerd en de omroeplicentie in het geding kan komen? Zo nee, waarom niet?
Alle omroepen, geen enkele uitgezonderd, dienen zich aan de voor hen geldende wettelijke verplichtingen te houden. Als men dat nalaat geldt het handhavingsregime zoals dat in de Mediawet is vastgelegd en zoals ik heb toegelicht in mijn antwoorden op vraag 2 tot en met 4. De mogelijkheid van artikel 2.33 van de Mediawet 2008 om een (voorlopige) erkenning in te trekken, kan pas aan de orde komen als het Commissariaat minstens twee sancties in een jaar heeft opgelegd of wanneer daar een tweede negatief oordeel van de evaluatiecommissie aan ten grondslag ligt. Dat is overigens geen automatisme, er dient altijd een zorgvuldige afweging gemaakt te worden
Verbod op religieuze uitingen boa’s |
|
Marjolein Faber (PVV), Annelotte Lammers (PVV) |
|
Foort van Oosten (VVD), Rijkaart |
|
|
|
|
Is de Minister eens met de stelling dat boa’s neutraliteit dienen uit te stralen? Zo nee, waarom niet?
Het vorige kabinet had een traject in gang gezet om de neutrale uitstraling van de geüniformeerde boa’s per AMvB te regelen. De Afdeling advisering van de Raad van State heeft daar een negatief advies over uitgebracht en aangegeven dat artikel 6 van de Grondwet een wet in formele zin vereist.1 Dit advies is voor het kabinet reden om af te zien van regeling bij AMvB. Dat geldt ook voor een tijdelijke regeling bij AMvB vooruitlopend op formele wetgeving.
In het coalitieakkoord zijn geen afspraken over de neutrale uitstraling van de geüniformeerde boa’s gemaakt. In het Commissiedebat BOA-stelsel van 12 maart 2026 heb ik met uw Kamer over dit onderwerp gesproken. Daarbij heeft het lid Martens-America (VVD) aangekondigd hierover een initiatiefwetsvoorstel voor te bereiden. Dat betekent dat uw Kamer nu aan zet is. Nadat het initiatiefwetsvoorstel bij uw Kamer aanhangig is gemaakt en de Afdeling advisering van de Raad van State daarover advies heeft uitgebracht, zal het kabinet zijn standpunt over het initiatiefwetsvoorstel bepalen.
Waarom treedt de algemene maatregel van bestuur (AMvB) niet in werking (betreffende een verbod op religieuze uitingen voor buitengewoon opsporingsambtenaren (boa’s))? Zo nodig tot de beoogde wet die ditzelfde behelst in werking is getreden? Zo nee, waarom niet?
Zie antwoord vraag 1.
Bent u bekend met het linkedin bericht geplaatst door de Arnhemse burgemeester Ahmed Marcouch waarin hij aangeeft dat het wel mogelijk moet zijn dat een boa een hoofddoek draagt bij het uniform?1
Ja.
Is het niet gewenst dat een burgemeester ook neutraal is, om maar eens de woorden van de burgemeester zelf aan te halen, in gedrag en integriteit?
Ja, daarbij wijzen de Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties en ik op een essay over de neutrale positie van de burgemeester, dat recent tot stand is gekomen ten behoeve van de ontwikkeling van een leerlijn in het opleidingsprogramma van het Nederlands Genootschap van Burgemeesters.3 De auteurs geven aan dat neutraliteit daarin een «ruimte» is, waarbinnen het juiste midden gezocht wordt tussen institutionele kaders, persoonlijke overtuiging, en politieke werkelijkheid.
In hoeverre kan deze burgemeester neutraal zijn gezien hij zelf aangeeft dat hij geïnspireerd wordt door Said Qutb de oprichter van de fundamentalistische Moslimbroederschap. Zo ja waarom?
Iedere burgemeester heeft eigen inspiratiebronnen, zoals levensovertuigingen, politieke ideologie of godsdienstige overtuigingen. In lijn met voornoemd essay kan – afhankelijk van de institutionele kaders en politieke context -voor een burgemeester meer of minder ruimte aanwezig zijn voor het expliciteren van persoonlijke overtuigingen. De benodigde neutraliteit is daarmee ook tijds- en situatieafhankelijk. Burgemeesters maken daarin telkens een eigen afweging. Het is primair aan de gemeenteraden om te beoordelen in hoeverre de eigen burgemeester daarin de juiste afwegingen maakt.
Het bericht ‘Ouderen wonen in gouden kooi: ‘Onaantrekkelijk om te verhuizen’’ |
|
Inge van Dijk (CDA), Hanneke Steen (CDA) |
|
Mona Keijzer (minister volkshuisvesting en ruimtelijke ordening) (BBB), Eelco Heinen (minister financiën, minister economische zaken en klimaat) (VVD) |
|
|
|
|
Bent u bekend met de problematiek omtrent doorstroming in relatie tot hypotheekverstrekking bij senioren, zoals beschreven in het artikel «Ouderen wonen in gouden kooi: «Onaantrekkelijk om te verhuizen»»?1
Ja. Ik ben bekend met de problematiek die in het artikel wordt geschetst. Ik herken dat veel ouderen beschikken over overwaarde maar ervaren dat verhuizen naar een passende woning financieel moeilijk haalbaar kan zijn.
Bent u bekend met de eerder gestelde schriftelijke vragen d.d. 2 april 2025: «Senioren geweigerd voor tijdelijke lening ondanks overwaarde».
Ja. De Kamervragen van 2 april 2025 naar aanleiding van de Radar-uitzending zijn op 12 mei 2025 beantwoord door de Minister van Financiën en mij. In die beantwoording ben ik onder andere ingegaan op knelpunten bij tijdelijke en overbruggingsfinanciering voor ouderen, de vervolgstappen via het convenant Ouderen & Toekomstbestendig Wonen2 en gesprekken die ik hierover met de sector voer.
Hoe staat het met de uitvoering van het convenant «Ouderen & Toekomstbestendig Wonen»2, ondertekend door diverse kredietverstrekkers, waarin is afgesproken dat de ondertekenaars de mogelijkheden van (hypotheek)financiering voor ouderen naar een hoger niveau willen tillen, onder andere door in kaart te brengen aan welke aanvullende financieringsmogelijkheden bij ouderen behoefte is, gezien hun woonwensen?
Het convenant Ouderen & Toekomstbestendig Wonen wordt uitgevoerd in samenwerking met kredietaanbieders, financieel adviseurs en belangenorganisaties. Doel is dat ouderen tijdig inzicht krijgen in hun woon- en financieringsmogelijkheden. Het convenant wordt uitgevoerd door de ondertekenaars. In de periodieke bijeenkomsten worden voortgang en knelpunten besproken en worden ervaringen gedeeld. Met de ondertekenaars is afgesproken dat het convenant na twee jaar integraal wordt geëvalueerd. Deze evaluatie zal zien op de uitvoering van de gemaakte afspraken en de zichtbare effecten daarvan. Ik verwacht uw Kamer rond de zomer van 2026 over de uitkomsten van deze evaluatie te informeren.
Heeft het gesprek met ouderenorganisaties, de Nederlandse Vereniging van Banken, de banken en de toezichthouders over de verbetering van de financieringsmogelijkheden voor senioren voor het sluiten van een overbruggingshypotheek zoals aangegeven in de beantwoording op eerdergenoemde schriftelijke vragen, plaatsgevonden? Zo ja, kan de Kamer een afschrift van het gespreksverslag ontvangen? Zo nee, waarom niet?
Het onderwerp woningfinanciering voor ouderen wordt meegenomen in de periodieke gesprekken binnen het convenant. Hierbij zijn kredietaanbieders, ouderenorganisaties en consumentenorganisaties betrokken. In het laatste gesprek is het onderwerp overbruggingshypotheken ook, mede op verzoek van uw Kamer, besproken. Hieruit is naar voren gekomen dat losse overbruggingshypotheken voor veel kredietaanbieders relatief duur zijn om aan te bieden en dat het verstrekken van een losse overbruggingslening in hun huidige systemen op dit moment niet of slechts beperkt kan worden ingepast. Daarbij is gesignaleerd dat de infrastructuur van het Hypotheken Data Netwerk het niet faciliteert om een losse overbruggingshypotheek aan te vragen.
Tegen deze achtergrond wordt in de praktijk in sommige gevallen door een aantal kredietaanbieders door middel van een combinatie van een (kleine) reguliere hypotheek en overbruggingsfinanciering de behoefte aan financiering ingevuld. Ook biedt een beperkt aantal kredietaanbieders voor bestaande klanten een losse overbruggingshypotheek aan. Deze routes bieden voor een deel van de ouderen een oplossing, maar niet voor de hele doelgroep.
In de gesprekken hebben de deelnemers daarnaast verschillende mogelijke oplossingsrichtingen benoemd om de toegankelijkheid van overbruggingsfinanciering voor ouderen te verbeteren. Deze variëren van verdere specialisatie door individuele of gezamenlijke aanbieders tot vormen van risicodeling, waaronder, een gezamenlijk of publiek georganiseerd fonds. Dit betreft suggesties vanuit de sector die zich nadrukkelijk in de verkennende fase bevinden. Hierover zijn nog geen keuzes gemaakt.
Ook is besproken welke procesverbeteringen in de adviespraktijk kunnen bijdragen aan betere ondersteuning van ouderen, zoals verbeterde informatievoorziening en duidelijkere hulpmiddelen voor adviseurs. Dit geldt ook zeker voor het aanvragen van overbruggingshypotheken. Deze inzichten worden meegenomen in de lopende verkenning naar verbetering van de financieringsmogelijkheden voor ouderen. De uitkomsten hiervan worden bij het evaluatiemoment van het convenant in de zomer van 2026 met uw Kamer gedeeld.
Ben u van mening dat er voldoende voortgang op dit dossier zit? Zo niet, wat gaat u doen om dit te versnellen?
Ik ben van mening dat er duidelijke inspanningen worden geleverd binnen dit dossier, al kost de uitwerking van oplossingen tijd. Binnen het convenant werken ondertekenaars onder andere aan verbeteringen in de informatievoorziening richting ouderen en adviseurs, zodat financieel adviseurs beter worden toegerust bij vragen over doorstroming. Dit heeft geleid tot concrete resultaten, zoals extra opleidingen en ondersteuning voor financieel adviseurs en aanpassingen in het productaanbod voor ouderen door enkele kredietaanbieders.
Daarnaast wordt binnen het convenant verkend hoe de kosten van overbruggingsfinanciering voor ouderen kunnen worden verlaagd, waarbij onder andere wordt gekeken naar de hoogte van advies-, taxatie- en notariskosten, zodat producten voor ouderen aantrekkelijker geprijsd kunnen worden. Tegelijkertijd is zichtbaar dat de problematiek voor ouderen nog niet is opgelost. De komende periode wordt verder gewerkt aan deze verkenningen en worden de gemaakte afspraken betrokken bij de evaluatie van het convenant in 2026.
Zou u in kaart willen brengen hoe het gebrek aan financieringsmogelijkheden voor senioren doorwerkt op de doorstroming op de woningmarkt en welke groepen hierdoor het meest worden geraakt?
Daar ben ik toe bereid. Uit onderzoek blijkt dat slechts een beperkte groep ouderen een concrete verhuiswens heeft. Ouderen zijn minder geneigd om te verhuizen dan jongere huishoudens, en hechten vaker aan hun woning en woonomgeving.4 Uit het WoON-onderzoek 2024 komt naar voren dat ouderen de afgelopen twee jaar minder vaak zijn verhuisd dan in de periode voorafgaand aan WoON 2021 (een afname van ongeveer 10%).5
Dit onderstreept dat de beperkte verhuisbereidheid bij ouderen een belangrijke factor is voor de doorstroming. Financieringsbelemmeringen kunnen voor een deel van de ouderen een rol spelen bij een verhuizing, maar het is lastig om exact vast te stellen welk deel van de beperkte doorstroming hiermee samenhangt. Een verhuizing is immers een grote beslissing die met meerdere factoren samenhangt. Samen met kennisinstellingen en de sector, vergaar ik daarom meer informatie over dit onderwerp.
Zou u in overleg willen treden met hypotheekverstrekkers en ouderenorganisaties, waaronder de Algemene Nederlandse Bond voor Ouderen, over welke knelpunten senioren het vaakst ervaren bij het aanvragen van een overbruggingshypotheek of verhuishypotheek, en de Kamer informeren over de uitkomsten?
Ja, deze gesprekken zijn al gaande. Hierbij is naast de ANBO ook onder andere Vereniging Eigen Huis (VEH) uitgenodigd. De Kamer zal over de uitkomsten hiervan rond de zomer van 2026 worden geïnformeerd.
Hoe beziet u de huidige toetsingsnormen voor senioren, zoals de inkomens- en leencapaciteitscriteria van de Nationale Hypotheek Garantie en de richtlijnen van de toezichthouder, tegen de achtergrond van de toegenomen overwaarde en relatief lage risico’s bij deze doelgroep?
Samen met de Minister van Financiën stel ik jaarlijks de leennormen voor hypothecair krediet vast. De leennormen voor hypothecair krediet zorgen ervoor dat huishoudens op verantwoorde wijze een hypothecair krediet aangaan bij het kopen van een woning. Kredietaanbieders kunnen via maatwerk gemotiveerd afwijken van de leennormen wanneer een huishouden niet door de standaard krediettoets komt. De Autoriteit Financiële Markten (AFM) kan via leidraden en de Nationale Hypotheek Garantie (NHG) via haar Voorwaarden & Normen nadere invulling geven aan de wettelijke leennormen.
Mijn indruk is dat bij zowel de wettelijke leennormen zelf als bij de nadere invulling hiervan door de AFM en NHG geen belemmeringen zitten die ervoor zorgen dat senioren moeite hebben met doorstromen. Kredietaanbieders mogen in beginsel de lopende verplichtingen onder een hypotheek voor de financiering van een nog niet verkochte woning, inclusief de kosten die verband houden met het afsluiten van een overbruggingslening, buiten beschouwing laten bij de kredietbeoordeling voor de financiering van de nieuw gekochte woning. NHG heeft speciaal voor senioren een tweetal regelingen, de seniorenverhuisregeling en de tijdelijke tekortregeling bij verschillende aow leeftijden. Daarnaast heeft de AFM in 2017 verduidelijkt hoe kredietaanbieders verantwoord maatwerk kunnen bieden aan senioren. SEO concludeerde dit jaar in haar evaluatie van de leennormen dat kredietaanbieders en adviseurs hierdoor geen problemen ervaren bij het toepassen van maatwerk voor senioren.
Uit de gesprekken met marktpartijen komen andere factoren naar voren die verklaren waarom een overbruggingshypotheek voor senioren relatief beperkt beschikbaar en duur is. Vooral het feit dat een overbruggingshypotheek vaak relatief kort loopt is een belemmering voor het aanbod. Kredietaanbieders moeten dan immers in een korte tijd de gemaakte kosten terugverdienen. Dat kan leiden tot een hogere prijs (bijv. hypotheekrente) voor dergelijke producten. Het is nog niet duidelijk of ouderen bereid zijn een hogere prijs te betalen voor dit product dan voor een reguliere hypotheek. Zoals gezegd: ik ben met de partijen in gesprek en wil hier graag met ze tot een oplossing komen. Ik vind het namelijk van groot belang dat senioren makkelijker toegang krijgen tot een overbruggingslening. Mochten er toch belemmeringen zitten in de leennormen, dan ben ik uiteraard bereid om hiernaar te kijken. Uitgangspunt blijft daarbij wel dat een (overbruggings)hypotheek altijd financieel verantwoord moet zijn.
Zou u willen onderzoeken welke internationale voorbeelden bestaan van hypotheek- of financieringsconstructies die bijdragen aan doorstroming onder senioren, en of dergelijke modellen toepasbaar zijn in Nederland?
Een eerste verkenning bij beleidsmakers in andere Europese landen heeft het beeld opgeleverd dat veel landen weliswaar de problematiek van onderbenutting van de bestaande voorraad en gebrek aan doorstroming van senioren erkennen, maar dat de beleidsinspanningen veelal nog gericht zijn op het langer laten thuis wonen van ouderen door middel van aanpassingen aan de woning en levering van zorg aan huis. De regelingen die er zijn om onderbenutting tegen te gaan zijn vooral gericht op de sociale huursector en de huurtoeslag. Zo kunnen Vlaamse sociale huisvesters kleine huishoudens in grote woningen laten doorverhuizen naar meer passende woningen, hoewel men hier bij ouderen terughoudend mee omgaat. In het Verenigd Koninkrijk kunnen kleine huishoudens in grote sociale huurwoningen gekort worden op de huurtoeslag. Ouderen zijn hiervan echter nadrukkelijk uitgezonderd.
Vooralsnog verwacht ik niet dat nader internationaal vergelijkend onderzoek wel bruikbare casussen gericht op hypotheek- of financieringsconstructies zal opleveren. Dit vanwege de grote verschillen tussen lidstaten op het gebied van woningfinanciering. Passende innovatieve vormen die ontwikkeld worden, moeten toegesneden zijn op de Nederlandse context.
Wat gaat u doen met het gegeven dat veel senioren aangeven te willen verhuizen naar een passende woning, maar door financieringsbelemmeringen niet in staat zijn deze stap te zetten?
Zoals aangegeven bij vraag 6 heeft slechts een beperkt deel van de ouderen een concrete verhuiswens. Financieringsbelemmeringen kunnen echter voor een deel van de ouderen die wel willen verhuizen een rol spelen. Binnen het convenant Ouderen & Toekomstbestendig Wonen en het Platform Hypotheken wordt daarom gewerkt aan het verbeteren van de informatievoorziening en aan het verder in beeld brengen en verminderen van financieringsknelpunten bij overbruggingshypotheken. Ook wordt verkend hoe deze producten beter toegankelijk en betaalbaar kunnen worden gemaakt. Daarnaast wordt binnen het Programma Wonen en Zorg voor Ouderen ingezet op het vergroten van het aanbod van passende ouderenwoningen, wat essentieel is voor doorstroming. Ik blijf in gesprek met ouderenorganisaties, kredietaanbieders en toezichthouders om knelpunten te adresseren.
Deelt u de opvatting dat het tekort aan geschikte en betaalbare seniorenwoningen een belangrijke factor is in het uitblijven van doorstroming, en zou u op een rij willen zetten welke aanvullende maatregelen op korte en langere termijn mogelijk zijn om dit aanbod te vergroten?
Ik ben het met u eens dat beschikbaarheid een belangrijke voorwaarde is voor ouderen om te kunnen verhuizen naar een passende woning, waarmee doorstroming op de woningmarkt ontstaat. Samen met het Ministerie van VWS zet ik sterk in op realisatie van voldoende passende woningen voor ouderen, waarbij we nauw samenwerken met medeoverheden en de verschillende partners uit het woon- en zorgdomein. Zo hebben we op de Woontop van december 2024 afspraken gemaakt over de schaalvergroting en versnelling in de realisatie van de opgave van de circa 290.000 woningen geschikt voor ouderen tot en met 2030. Ook zetten we in op maatregelen die eraan bijdragen dat ouderen die dat willen, een verhuisstap kunnen maken om passend te wonen.
In de voortgangsbrief ouderenhuisvesting van april jl.6 staan de acties die ik samen met het Ministerie van VWS in gang heb gezet om de realisatie van voldoende woningen, en het passend wonen van ouderen te stimuleren. Op 8 december is de Staat van de Volkshuisvesting naar uw Kamer gestuurd, waarin is ingegaan op de realisatie van het woningaanbod voor ouderen en het aandeel verhuisde ouderen. In de loop van 2026 informeren de Staatssecretaris van Langdurige en Maatschappelijke Zorg en ik uw Kamer weer over de voortgang op de opgave ouderenhuisvesting, waaronder de maatregelen op passend wonen en doorstroming.
Op welke wijze worden de inspanningen binnen het convenant Ouderen & Toekomstbestendig Wonen afgestemd met de bredere ambities binnen het Programma Wonen en Zorg voor Ouderen?
Het convenant Ouderen en Toekomstbestendig Wonen komt voort uit een samenwerkingsverband tussen het Ministerie van VRO en de hypothecaire sector, het Platform Hypotheken. Het convenant heeft als doel oplossingen te ontwikkelen voor knelpunten in de hypotheekadvisering en -verstrekking. Daarnaast worden tijdens de tussentijdse bijeenkomsten vanuit VRO ook relevante ontwikkelingen uit het Programma Wonen en Zorg voor Ouderen gedeeld met de ondertekenaars, zodat zij deze kunnen meenemen in hun eigen beleidsvorming en verdere uitwerking van de samenwerking.
De ondertekenaars van het convenant gaan periodiek met elkaar en het Ministerie van VRO in gesprek om de ontwikkelingen omtrent woningfinanciering voor ouderen te bespreken en te onderzoeken of er meer mogelijkheden kunnen worden gecreëerd voor woningfinanciering voor ouderen. Dit heeft als doel om te stimuleren dat ouderen passend kunnen wonen, en te stimuleren dat ouderen die dat willen een verhuisstap kunnen maken. Daarmee sluiten de inspanningen vanuit het convenant aan bij de bredere ambities binnen de opgave ouderenhuisvesting en de inspanningen binnen het convenant worden ook gedeeld met de werkgroep en stuurgroep Wonen en zorg voor ouderen
Hoe betrekt u senioren bij de beleidsvorming rondom financieringsmogelijkheden en doorstroming, en op welke wijze worden hun ervaringen structureel benut bij het opstellen en evalueren van maatregelen?
Ik vind het belangrijk dat ouderen vertegenwoordigd zijn in het beleidsvormingsproces rondom financieringsmogelijkheden en passend wonen en doorstroming. De ANBO-PCOB is betrokken bij het periodiek overleg met de hypotheeksector dat voortkomt uit het convenant Ouderen en Toekomstbestendig Wonen, zoals beschreven bij antwoord 12. Ook is de ANBO-PCOB onderdeel van de werkgroep en stuurgroep Wonen en zorg voor ouderen. In deze werkgroep werken Ministerie van VRO en het Ministerie van VWS samen met medeoverheden en partners uit het woon- en zorgdomein aan de opgave ouderenhuisvesting. Daarnaast worden de ervaringen van ouderen meegenomen via verschillende onderzoeken, zoals het WoOn-onderzoek.7
De interpretatie van de Europese jurisprudentie inzake het additionaliteitsvereiste bij de Habitatrichtlijn |
|
André Flach (SGP) |
|
Femke Wiersma (minister landbouw, visserij, voedselzekerheid en natuur) (BBB) |
|
|
|
|
Heeft u kennisgenomen van de juridische analyses waarin aangegeven wordt dat het aangescherpte additionaliteitsvereiste waarschijnlijk niet automatisch voortvloeit uit arresten van het Hof van Justitie van de Europese Unie (HvJ-EU)?1, 2
Ja, daar heb ik kennis van genomen. Ik wil benadrukken dat het gaat om een juridisch-wetenschappelijke discussie van verschillende auteurs. Ik volg deze discussie met interesse. Daarom heb ik een aantal standpunten in enkele lopende hoger beroepsprocedures bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (hierna: Afdeling) ingediend. Tegelijkertijd zijn de uitspraken van de Afdeling uiteraard leidend voor zowel de overheid als initiatiefnemers. Hieronder ga ik specifieker in op de standpunten die worden genoemd.
Deelt u de analyse van de auteurs dat het Programma Aanpak Stikstof (PAS)-arrest weliswaar duidelijk maakte dat bij vergunningverlening geen beroep kan worden gedaan op de positieve effecten van (bestaande) instandhoudingsmaatregelen en passende maatregelen, maar dat daaruit niet is af te leiden dat hetzelfde geldt voor een maatregel die het bevoegd gezag uitdrukkelijk beoogt in te zetten als mitigerende maatregel en niet als instandhoudings- of passende maatregel?
Zoals hiervoor aangegeven, volg ik deze lijn met interesse en zie ik aanknopingspunten in deze analyse. Een vergelijkbaar standpunt is naar voren gebracht namens de Staatssecretaris als bevoegd gezag in enkele lopende hoger beroepsprocedures bij de Afdeling.
Deelt u de analyse van de auteurs dat noch in arresten van het HvJ-EU noch in richtsnoeren van de Europese Commissie wordt aangegeven dat een mitigerende maatregel slechts kan worden ingezet ten behoeve van een plan of project in een passende beoordeling als die naar zijn aard niet ook nodig is als een instandhoudings- of passende maatregel?
Ik ben van mening dat mitigerende maatregelen die niet al door de beheerder van het betrokken Natura 2000-gebied, de provincie of het Rijk, zijn aangewezen als instandhoudings- of passende maatregel naar hun aard niet als zodanig zijn aan te merken. Dat standpunt is naar voren gebracht in de hoger beroepsprocedures, bedoeld in het antwoord op vraag 2.
Deelt u de analyse van de auteurs dat een strikte interpretatie van het additionaliteitsvereiste voorbij gaat aan het feit dat via het nemen van passende maatregelen op grond van artikel zes, tweede lid, van de Habitatrichtlijn alsnog kan worden ingegrepen in bestaande, vergunde situaties mocht dat nodig zijn om verslechtering te voorkomen?
Ik zie aanknopingspunten in deze analyse. Dat doet niet af aan het feit dat ik me, zoals aangegeven in het antwoord op vraag 1, houd aan de geldende jurisprudentie.
Deelt u de mening van de auteurs dat het aangescherpte additionaliteitsvereiste op gespannen voet staat met het «nuttig effect» van het Unierecht, omdat het ervoor zorgt dat op dit moment ook vergunningen die uiteindelijk juist zorgen voor uitstootreductie nauwelijks meer kunnen worden afgegeven?
Die mening kan ik op zichzelf volgen. Ik krijg signalen dat op dit moment vergunningen die zorgen voor emissiereductie beperkt worden afgegeven naar aanleiding van de recente jurisprudentie. Ook een aangescherpt additionaliteitsvereiste zou wat mij betreft niet tot gevolg moeten hebben dat verduurzaming onmogelijk wordt. Ik wacht de jurisprudentie op dit punt af.
Deelt u de mening van de auteurs wat betreft de inzet van de gehele referentiesituatie van een bestaande activiteit bij de additionaliteitstoets dat dit niet in alle gevallen maatregelen betreffen die naar hun aard kunnen worden ingezet als instandhoudings- of passende maatregel?
Die analyse kan ik volgen. In de procedures aangehaald in het antwoord op vraag 2 wordt namens de Staatssecretaris naar voren gebracht dat projecten die grote sociaaleconomische belangen dienen niet zouden moeten worden ingetrokken als passende maatregel. Een intrekking zou immers niet in overeenstemming zijn met de vereisten uit artikel 2, derde lid, Habitatrichtlijn. Daaruit volgt dat instandhoudings- en passende maatregelen in overeenstemming moeten zijn met sociaaleconomische vereisten en lokale en regionale bijzonderheden.
Op welke wijze zou ten aanzien van de genoemde referentiesituatie van bestaande activiteiten kunnen worden voorkomen dat deze onnodig ingezet worden bij de additionaliteitstoets?
Uit de recente jurisprudentie van de Afdeling wordt duidelijk dat op het moment dat aantoonbaar voldoende andere passende maatregelen worden genomen die leiden tot een voor de betrokken Natura 2000-gebieden noodzakelijke daling van stikstofdepositie binnen afzienbare termijn, het niet langer nodig zal zijn om de referentiesituatie van bestaande activiteiten te beëindigen om te voldoen aan de verplichting van artikel 6, tweede lid, om verslechtering van de kwaliteit van habitat te voorkomen. In die situatie zal in z’n algemeenheid kunnen worden aangetoond dat mitigerende maatregelen aanvullend zijn op hetgeen nodig is voor de natuur (additionaliteitsvereiste). Dit vereist wel dat op gebiedsniveau op dit punt een analyse is gemaakt en een plan of programma kan worden overgelegd waaruit blijkt welke maatregelen wanneer worden genomen en wanneer daarvan welke effecten kunnen worden verwacht, en dat aannemelijk kan worden gemaakt dat daarmee verslechtering in het Natura 2000-gebied wordt voorkomen en perspectief blijft bestaan op de realisatie van eventuele verbeter- of uitbreidingsdoelstellingen. Met het startpakket en vervolgpakket heeft het kabinet onder de Ministeriële Commissie voor Economie en Natuurherstel een aanpak neergezet om de natuur te herstellen en vergunningverlening weer mogelijk te gaan maken. Daarbij zijn middelen vrijgemaakt voor de landbouwsector (doelsturing, extensivering, beëindiging, mest), die deels al in uitvoering zijn of gaan. En daarnaast voor een gebiedsgerichte aanpak en voor gericht natuurherstel. Het vervolgpakket zet in aanvulling daarop in op verdere emissiereductie en natuurherstel, in combinatie met een verbeterde borging van de aanpak.
Deelt u de mening van de auteurs wat betreft de stellingname van de Raad van State dat de omvang van de in te zetten referentiesituatie geen rol mag spelen bij de toets aan het additionaliteitsvereiste en dat verschil zou moeten worden gemaakt tussen het al dan niet sprake zijn van significante gevolgen bij mogelijke passende maatregelen ten aanzien van bestaande activiteiten?
Ik verwijs naar mijn antwoord op vraag 6.
Deelt u de analyse van de auteurs dat de jurisprudentie bij plannen ruimte laat voor toepassing van intern salderen zonder additionaliteitstoets als maatregelen met positieve gevolgen, zoals het niet langer bemesten van agrarische gronden in verband met woningbouw, onlosmakelijk onderdeel van het plan zijn?
Die analyse kan ik volgen. Ik verwacht dat de Afdeling binnen afzienbare tijd een richtinggevende uitspraak zal doen over intern salderen bij plannen in de zin van artikel 6, derde lid, van de Habitatrichtlijn. Aan die lijn hebben overheden zich vervolgens te houden. Ik wacht de verdere jurisprudentie op dit punt af.
Welke mogelijkheden ziet u voor adequate toepassing van het additionaliteitsvereiste binnen de kaders van de bestaande jurisprudentie, zodanig dat plannen en projecten niet onnodig belemmerd worden?
Ik verwijs naar mijn antwoord op vraag 7.
Bent u bereid advies te vragen aan de Raad van State en/of de Europese Commissie over de reikwijdte van het additionaliteitsvereiste?
Zoals eerder gezegd heeft de Staatssecretaris een aantal standpunten in enkele lopende hoger beroepsprocedures bij de Afdeling ingediend. Ik ben daarnaast bereid om de Afdeling in voorkomende passende zaken het voorstel te doen om prejudiciële vragen voor te leggen aan het Europese Hof van Justitie om te toetsen of de huidige jurisprudentie in overeenstemming is met de Habitatrichtlijn. Het Europese Hof is de hoogste instantie die beslist over de uitleg van het Europees recht (de Habitatrichtlijn). De Afdeling beslist zelf of daartoe wordt overgegaan en welke vragen er vervolgens aan het Hof worden gesteld.