Het bericht ‘Dreigend tekort voor laboratoria die coronatests moeten onderzoeken’ |
|
Hayke Veldman (VVD) |
|
Hugo de Jonge (viceminister-president , minister volksgezondheid, welzijn en sport) (CDA) |
|
|
|
|
Bent u bekend met het bericht «Dreigend tekort voor laboratoria die coronatests moeten onderzoeken»?1
Ja.
Kunt u aangeven aan welke wet- en regelgeving en noodzakelijke afspraken diagnostische laboratoria moeten voldoen voor covid-diagnostiek in Nederland? Klopt het dat arts-microbiologen verplicht lid moeten zijn van Nederlandse Vereniging voor Medische Microbiologie (NVMM)? Zo ja, waarom?
Het RIVM heeft een lijst opgemaakt van laboratoria die in aanmerking komen voor het uitvoeren van COVID-19 diagnostiek (momenteel 64 laboratoria). Om op deze lijst te komen moet voldaan worden aan een aantal kwaliteitseisen die opgesteld zijn door de Nederlandse Vereniging voor Medische Microbiologie (NVMM). In alle gevallen moeten de laboratoria de kwaliteitstoets voor COVID-19 validatie en verificatie doorstaan en schriftelijk toestemming hebben van het landelijk expertise centrum voor de infectieziektebestrijding van het RIVM.
Arts microbiologen hoeven geen lid te zijn van de NVMM.
Kunt u aangeven hoeveel Nederlandse diagnostische laboratoria op dit moment geaccrediteerd zijn voor het doen van covid-diagnostiek? Kunt u daarbij tevens benoemen hoeveel Nederlandse laboratoria wel een accreditatie-aanvraag hebben gedaan, maar deze accreditatie niet hebben gekregen?
Een van de kwaliteitseisen die zijn opgesteld door de NVMM is het bezitten van de benodigde competenties om covid-19 diagnostiek te kunnen uitvoeren. Een accreditatie toont de competentie van een laboratorium aan. Het type accreditatie verschilt ook per type laboratorium:
Klopt het dat Internationale Organisatie voor Standaardisatie (ISO)-gecertificeerde laboratoria ten behoeven van een accreditatie een aparte kwaliteitslijst vanuit de Inspectie Gezondheidszorg en Jeugd (IGJ) moeten doorlopen? Zo ja, waarom moet een laboratorium dat al werkzaam zijn voor de reguliere zorg, ISO-gecertificeerd is, alsnog een nieuwe, aparte kwaliteitscheck ondergaan?
Het is onjuist om te stellen dat ISO gecertificeerde laboratoria ten behoeve van een accreditatie een aparte kwaliteitslijst vanuit de Inspectie Gezondheidszorg en Jeugd (IGJ) moeten doorlopen. Een accreditatie wordt verstrekt door de Raad van Accreditatie. Een certificaat wordt verstrekt door een geaccrediteerde instelling. Accreditatie en certificatie zijn niet hetzelfde.
Laboratoria moeten wel met een ISO normering aan aanvullende kwaliteitseisen van het RIVM moeten voldoen met betrekking tot validatie en verificatie op het gebied van covid-19 diagnostiek. Overigens zijn er geen laboratoria die de kwaliteitstoets van het RIVM niet hebben doorstaan. Wel is er een aantal laboratoria die hun technieken hebben moeten optimaliseren om aan de kwaliteitseis te voldoen. Dit is niet ongewoon bij de introductie van een nieuw pathogeen en nieuwe diagnostiek.
Kunt u aangeven wat de gemiddelde tijdsduur is voordat de contractafspraken rond zijn?
De gemiddelde tijdsduur van het afronden van contractafspraken is enkele weken.
Worden aan de Duitse laboratoria, waar contracten mee gesloten worden, dezelfde eisen gesteld als aan Nederlandse laboratoria?
Ja, aan Duitse laboratoria worden dezelfde eisen gesteld.
Kunt u benoemen hoe het bovenstaande bericht zich verhoudt tot het bericht op 3 juli in Trouw «Laboratoria eisen bij de rechter dat ze ook coronatests mogen analyseren»?2
De rechter heeft uitspraak gedaan in de zaak die de in dit artikel genoemde laboratoria hebben aangespannen tegen de Staat. Daarbij heeft de rechter geconcludeerd dat de bezwaren onterecht waren. Inmiddels is er een principeovereenkomst afgesloten met de betreffende laboratoria.
Kunt u aangeven hoe de inkoop, het voorraadbeheer en de distributie vanuit het Landelijk Coördinatieteam Diagnostische Keten (LCDK) is aangesloten cq. afgestemd met de capaciteitsvraag vanuit laboratoria in hun contacten en contracten met de GGD’en?
Het LCDK is op de hoogte van de bestaande afspraken tussen GGD-en en laboratoria en houdt bij het verleggen van teststromen zo veel mogelijke rekening hiermee.
Kunt u toelichten waarom speciaal coronagezant Feike Sijbesma, die namens Nederland onder andere testen regelde, juist nu zijn werkzaamheden beëindigd, juist nu de testcapaciteit onvoldoende dreigt te worden? Is er voorzien in opvolging?
Allereerst wil het kabinet Feike Sijbesma hartelijk danken voor zijn enorme bijdrage de afgelopen maanden. De heer Sijbesma heeft zich al bijna 6 maanden geheel belangeloos en geheel onbezoldigd ingezet voor het bestrijden van de coronacrisis in Nederland. Hij heeft zich met name gericht op het vergroten van de testcapaciteit.
Mede dankzij de heer Sijbesma is mogelijk geworden dat sinds juni alle Nederlanders met klachten zich kunnen laten testen. Dit betreft de beoogde opschaling van minder dan 2.000 testen per dag eind maart naar 30.000 testen per dag in de zomer (en beoogd circa 70.000 testen per dag in de winter). In juli bedroeg de testvraag slechts de helft van onze testcapaciteit. Daarmee waren in feite de werkzaamheden van de gezant afgerond. Echter, is de vraag naar testen in de tweede helft van augustus, toen de heer Sijbesma zijn werkzaamheden afrondde, enorm is toegenomen, o.a. door het asymptomatisch testen. De Minister heeft de heer Sijbesma gevraagd om nog tot in september te ondersteunen bij het vergroten van de testcapaciteit. Zijn werkzaamheden hebben er de afgelopen weken voor gezorgd dat de testcapaciteit verhoogd kan worden om te kunnen voldoen aan de verwachte en verhoogde test vraag vanaf oktober.
Daarnaast heeft het ministerie en het LCT met hulp van de heer Sijbesma een breed en divers netwerk aan leveranciers van testmaterialen en laboratoria kunnen optuigen. In de komende maanden maakt dat netwerk mogelijk dat wij verder kunnen blijven opschalen qua testen. Daarmee zijn in feite zijn werkzaamheden afgerond. De heer Sijbesma heeft aangegeven dat het kabinet in de toekomst, indien gewenst en mogelijk, een beroep op hem kan blijven doen mocht dat nodig zijn. In dat kader is besloten om voor de heer Sijbesma vooralsnog geen opvolger te benoemen.
Ook begrijpt het ministerie dat de heer Sijbesma ook weer wat balans wil aanbrengen ten aanzien van zijn andere persoonlijke activiteiten en boards, die zich in het bijzonder richten op klimaat en voeding in Afrika.
Het bericht dat zorgsectoren bakkeleien over opleidingsplaatsen gz-psychologen |
|
Maarten Hijink (SP) |
|
Hugo de Jonge (viceminister-president , minister volksgezondheid, welzijn en sport) (CDA), Paul Blokhuis (staatssecretaris volksgezondheid, welzijn en sport) (CU) |
|
|
|
|
Hoe reageert u op de berichtgeving dat er meer vraag is naar gz-psychologen dan er opleidingsplaatsen worden toegewezen, terwijl de druk op de zorg toeneemt vanwege complexere zorgvragen op het gebied van gedragsdeskundigheid?1
Sinds 2007 is voor enkele medische vervolgopleidingen, waaronder die tot gz-psycholoog, een systeem van landelijke publieke financiering ingevoerd om de beschikbaarheid van zorg te borgen. Om op de opleidingscapaciteit te kunnen sturen baseert VWS zich bij het beschikbaar stellen van de aantallen subsidiabele opleidingsplaatsen op de (voorkeurs)-ramingen van het Capaciteitsorgaan. VWS houdt daarbij rekening met de beschikbare financiële ruimte voor opleiden.
Om de 3 jaar brengt het Capaciteitsorgaan een ramingsadvies uit voor onder meer de ggz-opleidingen. Het gaat om langdurige meerjarige opleidingen. Het veld hecht voor de opleidingsinfrastructuur aan stabiliteit en rust in de opleidingscapaciteit en in het verlengde daarvan aan een meerjarig geldende raming.
De laatste integrale capaciteitsraming van het Capaciteitsorgaan is van december 2019. Voor de instroom voor 2021 volgt VWS het maximumadvies van deze raming. De volgende raming wordt in 2022 verwacht. Het Capaciteitsorgaan komt evenwel naar verwachting medio november a.s. met een tussentijdse raming op verzoek van de HLA partijen.
In de afgelopen jaren zijn boven het maximumadvies incidenteel extra plekken toegekend, omdat dat de uitdrukkelijke wens van het veld en de Tweede Kamer2 was en er toen geld voor beschikbaar was. Dat geld is er nu niet. De extra plaatsen zijn geen verworven recht en passen niet goed bij de reguliere VWS beleidslijn om de capaciteitsramingen te volgen, mits de budgettaire ruimte dat toelaat.
De extra opleidingsinzet gaat zich in de komende twee jaar uitbetalen: er stromen in totaal naar verwachting ruim 2.000 gz-psychologen uit de opleiding. Dit kan dankzij de inspanningen van diverse veldpartijen. Het effect daarvan zouden we moeten gaan zien.
Voor het bepalen van de instroom in de medische vervolgopleidingen zijn voor VWS de capaciteitsramingen leidend. Ik wacht de tussentijdse raming van medio november af en wil daar niet op vooruitlopen.
Waarom wilt u niet meer structurele opleidingsplaatsen voor gz-psychologen regelen?
Zie antwoord vraag 1.
Waarom krijgen praktijkopleidingsinstellingen met meer opleidingsuren meer recht op de toewijzing van nieuwe opleidingsplaatsen dan kleinere instellingen?
De toewijzingssystematiek is de verantwoordelijkheid van de stichting Toewijzend Overleg opleidingsPlaatsen (TOP), waarin veldpartijen (brancheorganisaties van opleidende zorginstellingen en beroepsorganisaties met een onafhankelijke voorzitter) bestuurlijk participeren. TOP hanteert een verdeelsystematiek, die deze uitkomst tot gevolg heeft. Veldpartijen kunnen de systematiek zelf veranderen, als ze daartoe aanleiding zien en daartoe bereid zijn.
Kunt u inzicht geven in het aantal opleidingsplaatsen dat het Capaciteitsorgaan heeft geadviseerd in vergelijking met het aantal opleidingsplaatsen dat de stichting Toewijzend Orgaan opleidingsPlaatsen (TOP-opleidingsplaatsen) daadwerkelijk heeft aangewezen? Bent u van mening dat de capaciteitsramingen adequaat gevolgd zijn?
De subsidiabele instroom gz-psycholoog voor 2021 bedraagt 787 opleidingsplaatsen conform het maximumadvies van het Capaciteitsorgaan. TOP heeft dit aantal ook daadwerkelijk toegewezen. Daarmee is de raming adequaat gevolgd.
Is het correct dat dit een probleem is dat al meerdere jaren speelt? Zo ja, waarom is hier nog niets aan gedaan? Bent u van plan de structuur van toekennen van gesubsidieerde opleidingsplaatsen voor gz-psychologen te vereenvoudigen?
Het is correct dat veldpartijen al langer aangeven meer behoefte te hebben aan opleidingsplaatsen gz-psycholoog dan het Capaciteitsorgaan adviseert. Dit is opmerkelijk, omdat zij via hun participatie in de Kamer Beroepen GGZ en het Algemeen Bestuur van het Capaciteitsorgaan medeverantwoordelijk zijn voor en meebeslissen over de ramingsadviezen. De veldpartijen hebben ingestemd met het laatste ramingsadvies.
Het Capaciteitsorgaan maakt voor de ramingen voor de circa 50 andere zorgberoepen gebruik van hetzelfde rekenmodel en daar sluiten de ramingen juist goed aan bij de praktijk. Het draagvlak voor het komende tussentijdse ramingsadvies in november a.s. heeft dan ook uitdrukkelijk de aandacht van het Capaciteitsorgaan.
Het ramen van de benodigde instroom heeft geen relatie met de systematiek van toekennen van opleidingsplaatsen voor gz-psychologen. Ik ben dan ook niet van plan om daarin wijzigingen aan te brengen.
Wilt u de Kamer op de hoogte houden van zowel het gesprek dat met de branchevereniging van zorgorganisaties, ActiZ, en de Vereniging Gehandicaptenzorg Nederland (VGN) gaat plaatsvinden over de tekorten aan gz-psychologen, als van de uitkomsten van de evaluatie van Top Opleidingsplaatsen over de indeling voor volgend jaar?
Ja, daar ben ik toe bereid.
Het bericht ‘Vergunningsvrij bouwen gaat tijd opleveren’ |
|
Julius Terpstra (CDA) |
|
Kajsa Ollongren (viceminister-president , minister binnenlandse zaken en koninkrijksrelaties) (D66) |
|
|
|
|
Kent u het bericht «Vergunningsvrij bouwen in Rotterdam gecertificeerd»?1
Ja.
Wat vindt u van het initiatief Architect aan Zet (AZZ)?
Het initiatief Architect aan Zet is een experiment op grond van het Besluit uitvoering Crisis- en herstelwet (CHW). Ik denk dat de resultaten van dit experiment en andere experimenten onder de CHW en de pilots rond de Wet kwaliteitsborging voor het bouwen, kunnen bijdragen aan een versnelling van de procedures in de bouw én een goede bouwkwaliteit. Ik kijk vol verwachting uit naar de resultaten van deze experimenten.
Zijn er andere gemeenten die al eerder dezelfde soort pilots hebben gedaan? Zo ja, welke zijn dat en kunt u de ervaringen en onderzoeksresultaten delen? In hoeverre biedt de Crisis- en Herstelwet ruimte om deze pilot ook landelijk mogelijk te maken?
Onder het stelsel van de Omgevingswet zullen de mogelijkheden voor vergunningvrij bouwen verder verruimd gaan worden. De huidige bouwactiviteit wordt gesplitst in een technische bouwactiviteit en een omgevingsplanactiviteit voor het bouwen. Aan de technische kant kunnen meer activiteiten vergunningvrij worden omdat ruimtelijke randvoorwaarden geen rol meer spelen. De afbakening van deze activiteiten wordt gezien het belang van de veiligheid en gezondheid uniform landelijk bepaald. Aan de ruimtelijke kant krijgen gemeenten de ruimte om te bepalen in welke gevallen een vergunning nog noodzakelijk is. De verwachting is dat het aantal vergunningplichten hierdoor zal afnemen en bouwactiviteiten sneller gerealiseerd kunnen worden.
Vooruitlopend hierop is op basis van de CHW in gemeenten die dit wensten geexperimenteerd met een verruiming van het vergunningvrij bouwen. Over de ervaringen met de CHW wordt jaarlijks gerapporteerd.2
De experimenten op grond van de CHW gelden voor gemeenten die zich daarvoor aangemeld hebben. Op dit moment ligt het, gezien de beoogde inwerkingtreding van de Omgevingswet en de Wet kwaliteitsborging (Wkb) per 1 januari 2022, niet in de rede dat deze experimenten nog uitgebreid zullen worden. Vanaf inwerkingtreding van de Wkb geldt een vergelijkbaar stelsel in heel Nederland. Experimenten als Architect aan Zet onder de Crisis- en herstelwet blijven mogelijk tot inwerkingtreding van de Wkb. Daarna kan voor dergelijke projecten gebruik worden gemaakt van de generieke mogelijkheden van de Omgevingswet en de Wkb.
Daarnaast kunnen gemeenten ook proefprojecten starten in het kader van de Wkb. In de afgelopen jaren is ter voorbereiding op de door uw Kamer aangenomen Wkb al een groot aantal proefprojecten uitgevoerd. Op 30 november 2018 heb ik uw Kamer in een evaluatie van de in de periode 2015–2018 uitgevoerde proefprojecten aangeboden. Tot aan inwerkingtreding van de Wkb zijn en worden er door gemeenten en andere stakeholders (integrale) proefprojecten uitgevoerd. In deze proefprojecten wordt, door alle partijen gewerkt volgens de nieuwe rol- en taakverdeling. De komende maanden zullen er naar verwachting nog een groot aantal nieuwe proefprojecten starten.
Wat zijn de mogelijk verwachte nadelige effecten van vergunningsvrij bouwen?
Bouwwerken die vergunningvrij worden gebouwd moeten gewoon aan de eisen van de bouwregelgeving voldoen. Vergunningvrij betekent daarmee dus nooit regelvrij bouwen. Wanneer het bouwen vergunningvrij is, wordt niet vooraf preventief door de gemeente getoetst of het bouwplan (op papier), aan de regels voldoet. Er bestaat dus een risico dat er in afwijking van één of meerdere eisen gebouwd gaat worden. Afhankelijk van de ernst van deze afwijking zal deze bij latere ontdekking, bijvoorbeeld via een handhavingstraject, hersteld moeten worden of zal het bouwwerk moeten worden afgebroken.
Bij de afbakening van de categorie vergunningvrije bouwwerken in het Besluit omgevingsrecht is gekeken welke gebouwen, gezien hun aard en omvang en met het oog op de veiligheid, zonder een te groot risico vergunningvrij gebouwd kunnen worden. Zoals in het antwoord op vraag 3 aangegeven wordt het vergunningvrij bouwen onder de Omgevingswet aan de technische kant verder uitgebreid. Daarbij is ook bezien welke bouwactiviteiten zich ervoor lenen om zonder vergunning gebouwd te worden.
Opgemerkt wordt dat binnen de kaders van het experiment Architect aan Zet er wel sprake is van controle. De gemeente toetst de plannen niet en er is ook geen sprake van een vergunning, maar er is in tegenstelling tot vergunningvrij bouwen wel controle op de uitvoering. De architect kijkt namelijk voor en tijdens het bouwproces mee of het bouwen in overeenstemming met de regels plaatsvindt en doet een check op het gereed gekomen bouwwerk. Dit resulteert naar verwachting dus juist in het positieve effect dat het gerede bouwwerk zal voldoen aan de bouwregelgeving.
Kunt u het onderzoek dat wethouder Kurvers van Rotterdam heeft uitgevoerd of de verantwoordelijkheid voor de toetsing en het toezicht op de bouwregels aan marktpartijen overgelaten kan worden delen met de Kamer?
Het project Architect aan Zet is in 2014 gestart. De Afdeling Bouw- en Woningtoezicht van gemeente Rotterdam heeft in de periode 2014–2017 onderzocht hoe de aanpak van het experiment in praktijk werkt. Met het onderzoek dat wethouder Kurvers van de gemeente Rotterdam heeft uitgevoerd over de verantwoordelijkheid voor de toetsing en het toezicht op de bouwregels wordt gerefereerd naar de evaluatie van het project Architect aan Zet tussen 2014 en 2018. Deze evaluatie van vijf proefprojecten is in de vorm van een brochure beschikbaar via de website van gemeente Rotterdam.3
Deelt u de mening dat in tijden van wooncrisis naar onorthodoxe maatregelen gekeken moet worden? Zo ja, bent u bereid actief met andere gemeenten, de VNG en provincies in gesprek te gaan om vergunningsvrije bouwpilots op te starten? Zo nee, waarom niet?
Ik heb diverse maatregelen genomen om het woningtekort te verkleinen. Dat betekent vooral doorgaan met bouwen en excessen wegnemen. De maatregelen betreffen onder meer het naar voren halen van financiële middelen uit de Woningbouwimpuls, het aanpakken van knelpunten bij gemeenten en woningcorporaties, in te zetten op de transformatie van winkels en/of kantoorpanden naar woningen en extra geld voor flexpools. Met middelen om de stikstofproblematiek aan te pakken, versnelling van besluitvorming op grootschalige woningbouwlocaties, onderzoek naar de mogelijkheden van een actief grondbeleid door het Rijk en concretere afspraken met gemeenten en provincies over plancapaciteit en woningbouw wordt de productie voor een langere termijn verhoogd.
Versnelling van de procedures rond het bouwen maak ik mogelijk met genoemde uitbreiding van het (technisch) vergunningvrij bouwen en door invoering van de Wkb. In dat geval maakt vergunningverlening in gevolgklasse 1 plaats voor een bouwmelding en wordt het bouwproces gecontroleerd door een onafhankelijk kwaliteitsborger. De ervaringen van deelnemers uit eerdere proefprojecten (zie het antwoord op vraag4 laten zien dat deze manier van werken tijdwinst oplevert, zeker naarmate partijen vaker volgens de nieuwe werkwijze bouwen. Ik verwacht dan ook dat de lopende proefprojecten en de invoering van het nieuwe stelsel voor kwaliteitsborging zullen bijdragen aan versnelling van de bouwproductie. In voorbereiding op de invoering van de Wkb kunnen gemeenten tevens nieuwe proefprojecten starten volgens deze versnelde werkwijze.
Welke maatregelen neemt u op dit moment om de procedures rondom vergunningverlening te versnellen zodat de woningbouwbouw versneld doorgang kan vinden? Kijkt u daarbij ook naar innovatieve oplossingen?
Zie de diverse maatregelen genoemd in het antwoord op vraag 6.
Waar dit verantwoord is worden de mogelijkheden rond vergunningvrij bouwen verder uitgebreid onder de Omgevingswet. Dit zorgt voor besparing in tijd en lasten. De Wkb levert ook een bijdrage aan het versnellen van de vergunningverlening in de woningbouw. Met de invoering van het stelsel van kwaliteitsborging voor het bouwen en de Omgevingswet wordt de preventieve toets en vergunningverlening door het bevoegd gezag in gevolgklasse 1 vervangen door een bouwmelding door de initiatiefnemer. De reguliere proceduretijd van 8 weken voor een vergunningaanvraag wordt door de vervanging van een bouwmelding verkort naar 4 weken.
Daarnaast wordt gekeken naar de mogelijkheden voor innovatieve oplossingen zoals conceptueel bouwen. Dergelijke oplossingen kunnen bijdragen aan het versneld doorlopen van het bouwproces, door een meer gestandaardiseerde werkwijze te hanteren. Bekeken wordt of innovatieve oplossingen zoals conceptueel bouwen in proefprojecten voor de Wkb kunnen worden meegenomen.
Kunt u deze vragen één voor één beantwoorden?
Ja.
Een afgeschermde mailinglist voor pedoseksuelen |
|
Attje Kuiken (PvdA) |
|
Ankie Broekers-Knol (staatssecretaris justitie en veiligheid) (VVD) |
|
|
|
|
Kent u het bericht «Hengelose bestuurder verboden pedoclub Martijn weer actief»?1
Ja.
Acht u het mogelijk dat achter een besloten mailinglijst strafbare feiten kunnen worden gepleegd of voorbereid ten aanzien van het hebben van seks met minderjarigen? Zo ja, waarom? Zo nee, waarom niet?
Zie het antwoord op vraag 4.
In hoeverre kan de vrijheid van meningsuiting of van vergadering worden doorbroken indien er een ernstig vermoeden bestaat dat besloten websites, mailinglists en dergelijke gebruikt worden voor het begaan of voorbereiden van strafbare feiten?
De hoofdregel is dat alle gedragingen die door de formele wetgever strafbaar zijn gesteld, ook strafbaar zijn tijdens het uitoefenen van de vrijheid van meningsuiting of van vergadering. Zo volgt uit artikel 7 lid 1 Grondwet, waarin staat dat het recht tot vrijheid van meningsuiting wordt erkend, behoudens ieders verantwoordelijkheid volgens de wet. Een persoon die in het Wetboek van Strafrecht (Sr) strafbaar gestelde uitingen doet – te denken valt aan opruiing (artikel 131 Sr), belediging (266 Sr), bedreiging (artikel 285 Sr) etc., pleegt derhalve een strafbaar feit. De vraag of hier in het onderhavige geval sprake van is, maakt onderdeel uit van het strafrechtelijk onderzoek dat het OM momenteel uitvoert.
Acht u het denkbaar dat justitiële autoriteiten kennis gaan nemen van hetgeen op de genoemde mailinglist besproken wordt? Zo ja, waarom? Zo nee, waarom niet?
Het bestaan van de mailinglist is bekend. Op dit moment voert het OM een strafrechtelijk onderzoek uit. Over lopende onderzoeken van het OM worden geen inhoudelijke mededelingen gedaan.
DDoS-aanvallen op internetproviders |
|
Arne Weverling (VVD) |
|
Mona Keijzer (staatssecretaris economische zaken en klimaat) (CDA) |
|
|
|
|
Bent u bekend met het bericht «Netwerk Caiway opnieuw getroffen door DDoS-aanval»?1
Ja
Kunt u aangeven, door middel van een overzicht, hoeveel DDoS-aanvallen op internetproviders of andere bedrijven in de vitale digitale infrastructuur er over de afgelopen jaren hebben plaatsgevonden? Hoeveel DD0S-aanvallen hebben er op het brede midden- en klienbedrijg (mkb) plaatsgevonden over de afgelopen jaren?
De meest gestructureerde statistieken die beschikbaar zijn over DDoS-aanvallen zijn afkomstig van de Nationale Beheersorganisatie voor Internet Providers (NBIP). NBIP rapport jaarlijks over de DDoS-aanvallen die gemeten zijn door hun Nationale DDoS Wasstraat (NaWas).2 De NaWas is een privaat non-profit initiatief om DDoS-aanvallen te mitigeren. De NaWas heeft 90 deelnemers en beschermt 2,5 miljoen.nl domeinen, ongeveer 42,5% procent van het Nederlandse internet. In 2019 zijn 919 aanvallen geregistreerd door de NaWas, gemiddeld twee tot 3 per dag. Dit is een lichte daling ten opzichte van het aantal aanvallen in 2018, terwijl het aantal deelnemers groeide in dezelfde periode. De intensiteit van DDoS-aanvallen neemt al jaren gestaag toe. Daarin is geen uitsplitsing te maken naar sectoren.
Welke impact hebben dergelijke DDoS-aanvallen op internetgebruikers en het bedrijfsleven? Is een inschatting te maken van de economische schade als gevolg van de verstoring van het internet die DDoS-aanvallen veroorzaken?
DDoS-aanvallen zijn dagelijks aan de orde in het digitale domein. Om de impact te beperken nemen organisaties mitigerende maatregelen. Dat kan in eigen beheer, via commerciële partijen en men kan zich aansluiten bij de NaWas. Voor internetproviders geldt dat zij een zorgplicht hebben om maatregelen te nemen ten behoeve van de continuïteit van hun dienstverlening op basis van de Telecommunicatiewet. Aanbieders van essentiële diensten hebben een plicht om passende technische en organisatorische beveiligingsmaatregelen te nemen op basis van de Wet bescherming netwerk- en informatiesystemen (Wbni). Succesvol gemitigeerde aanvallen hebben niet of nauwelijks impact op de continuïteit van de dienstverlening van een bedrijf of voor internetgebruikers. Een inschatting van de economische schade als gevolg van een verstoring van het internet als gevolg van een DDoS-aanval is niet te maken omdat het afhangt van een groot aantal factoren zoals de omvang van de verstoring, de duur van de verstoring en welke diensten worden getroffen.
Welke rol speelt het Digital Trust Center (DTC) in het voorkomen van DDOS-aanvallen en het beperken van de gevolgen van DDOS aanvallen voor het brede mkb? In hoeverre helpt het NCSC het brede mkb hierbij? Welke mogelijkheden bestaan er om het brede mkb hier bij te helpen?
DDoS-aanvallen zijn niet te voorkomen, het is wel mogelijk om de kwetsbaarheid voor en de impact van DDoS-aanvallen te verkleinen. Het DTC en het NCSC maken deel uit van het zogenaamde Landelijk Dekkend Stelsel van schakelorganisaties op het gebied van cybersecurity. Binnen dit stelsel kan, met inachtneming van de hiervoor geldende wettelijke kaders, informatie over bijvoorbeeld digitale kwetsbaarheden en DDoS-aanvallen worden gedeeld tussen publieke en private partijen, met als doel de slagkracht van de partijen te vergroten.
Het DTC informeert niet-vitale bedrijven via haar website over wat te doen voor, tijdens en na een DDoS-aanval, zoals het maken van afspraken met hun ICT-leveranciers.3 Ook informeert het DTC bedrijven welke beschermingsmaatregelen zij kunnen nemen om minder kwetsbaar te zijn voor misbruik van digitale systemen.
Het NCSC heeft primair tot taak de rijksoverheid en vitale bedrijven te informeren en adviseren over voor hen relevante digitale dreigingen en incidenten. Daarnaast verstrekt het NCSC ook, binnen de daarvoor geldende wettelijke kaders, aan andere organisaties voor die organisaties of hun doelgroepen relevante dreigingsinformatie, die in het kader van de primaire taakuitoefening beschikbaar is gekomen. Verder draagt het NCSC bijvoorbeeld ook met haar kennis en expertise bij aan de publiek-private anti-DDoS coalitie en faciliteert het de Information Sharing and Analysis Centers (ISACs). Binnen de ISACs wisselen aanbieders onderling kennis en informatie uit over onder andere DDoS-aanvallen. Naar aanleiding van de recente toename van het aantal en de intensiteit van DDoS-aanvallen, heeft het NCSC gewaarschuwd om extra waakzaam te zijn. Op haar beurt heeft het DTC de aangesloten samenwerkingsverbanden van bedrijven hierover geïnformeerd.
Hoe duidt u het feit dat, volgens cijfers van onder andere de nationale anti-DDoS-coalitie, de complexiteit en intensiteit van DDoS-aanvallen toeneemt? Welke consequenties voor de manier waarop er wordt samengewerkt om DDoS-aanvallen af te slaan dient deze observatie volgens u te hebben?
Op basis van de gegevens van NBIP neemt de intensiteit van DDoS-aanvallen al een aantal jaren toe. In het Cyber Security Beeld Nederland 2020 kwam naar voren dat een toename van de complexiteit van DDoS-aanvallen volgens experts is uitgebleven. Met een toename van de intensiteit van DDoS-aanvallen neemt de noodzaak om samen te werken door kennis en technische mogelijkheden bij elkaar te brengen ook toe. De publiek-private anti-DDoS coalitie is hier een goed voorbeeld van. De anti-DDoS coalitie bestaat uit ongeveer vijfentwintig deelnemers vanuit overheidsorganisaties zoals het NCSC en Agentschap Telecom, internetproviders, internet exchanges, non-profit organisaties en universiteiten. De anti-DDoS coalitie is in 2018 gestart om Nederlandse organisaties beter te beschermen tegen DDoS-aanvallen door middel van kennisdeling, gezamenlijke oefeningen, het promoten van maatregelen tegen aanvallen en het ontwikkelen van technische oplossingen. Elk van deze onderdelen wordt ingevuld door een werkgroep van de coalitie waarin deelnemers kunnen plaatsnemen. De coalitie stelt zich ook tot doel om in brede zin organisaties te informeren over de ontwikkelingen en resultaten via hun website.4
Kunt u aangeven of de wijze waarop er op dit moment tussen providers kennis gedeeld wordt over het afslaan van DDoS-aanvallen naar behoren functioneert?
Het delen van kennis en informatie tussen bedrijven vindt onder meer plaats in de ISACs en in de anti-DDoS coalitie. Mijn beeld is dat deze vormen van kennisdeling en samenwerking concreet bijdragen aan de aanpak van DDoS-aanvallen in Nederland. Een voorbeeld is dat in de anti-DDoS coalitie een zogenoemde clearing house wordt ontwikkeld waarbij in een technisch systeem de karakteristieken van een DDoS-aanval worden uitgewisseld tussen clearing house deelnemers. Dit project draagt ook bij aan de ontwikkelingen van clearing houses in Europa via het EU-project CONCORDIA. Tijdens de recente toename aan DDoS-aanvallen is ook informatie uitgewisseld tussen deelnemers in de coalitie om de kenmerken van de aanvallen scherper te kunnen duiden.
Op welke wijze zijn overheidsinstellingen, zoals het NCSC, betrokken bij het tegengaan van DDoS-aanvallen? Welke instrumenten heeft het NCSC om DDoS-aanvallen te voorkomen en de gevolgen te verkleinen? Welke verbeterpunten signaleert u hierbij?
Zoals aangegeven bij de beantwoording van de voorgaande vragen verrichten verschillende overheidsinstellingen activiteiten ten behoeve van het bevorderen van de weerbaarheid met betrekking tot het tegengaan van DDoS-aanvallen via kennis, informatie en samenwerking. Het NCSC heeft krachtens de Wbni bijvoorbeeld NBIP aangewezen als organisatie waaraan in het kader van bovenvermelde taakuitoefening dreigingsinformatie kan worden verstrekt. Ook de Politie zet in het kader van haar taakuitoefening in op preventie, verstoring, opsporing en vervolging van daders en het uit de lucht halen van botnets die voor onder meer DDoS-aanvallen worden ingezet. Daarnaast wordt door Logius en CIO-Rijk afgestemd met internetproviders hoe directe koppelingen (peering) voor overheidsorganisaties behulpzaam kunnen zijn om de impact van DDoS-aanvallen te minimaliseren.
Deelt u de mening dat samenwerkingsverbanden gericht op het tegengaan van DDoS-aanvallen een belangrijke rol hebben in het versterken van onze digitale weerbaarheid? Op welke wijze neemt u deel aan dergelijke samenwerkingsverbanden?
Ik deel de mening dat samenwerking cruciaal is om de digitale weerbaarheid in Nederland te versterken. Het bundelen van kennis en krachten is een hoeksteen van de Nederlandse cybersecurity aanpak in de Nederlandse Cyber Security Agenda. De anti-DDoS coalitie is een goed voorbeeld van samenwerking op een specifiek gebied waarbij kennis vanuit publiek, privaat en wetenschap bij elkaar komt om de weerbaarheid in Nederland te verhogen tegen DDoS-aanvallen.
Deelt u de mening dat het wenselijk is als, naast internetproviders met een landelijk netwerk, ook regionale providers, zoals Caiway of Delta, toetreden tot (publiek-private) samenwerkingsverbanden gericht op het afslaan van DDoS-aanvallen? Zo ja, bent u bereid deze providers hiertoe aan te sporen?
Op basis van de Telecommunicatiewet hebben aanbieders van openbare elektronische communicatienetwerken of -diensten de plicht om passende technische of organisatorische maatregelen te nemen om de continuïteit van hun dienstverlening te waarborgen. Ik vind het van belang dat internetaanbieders een oplossing kiezen die het beste aansluit bij hun bedrijfsvoering om de continuïteit te waarborgen. Zoals aangegeven in het antwoord op vraag 3 kunnen mitigerende maatregelen voor DDoS-aanvallen op verschillende manieren worden geïmplementeerd, namelijk in eigen beheer, via een commerciële partij of door zich aan te sluiten bij de NaWas.
Wordt er, bijvoorbeeld in het kader van de stresstest digitale ontwrichting, geoefend op scenario’s van (grootschalige) verstoring van het internetverkeer als gevolg van DDoS-aanvallen? Op welke wijze komen de lessen die uit deze oefeningen getrokken worden terecht bij de providers?
Binnen de anti-DDoS coalitie worden publiek-private oefeningen georganiseerd waar in een gecontroleerde omgeving een aantal partijen een DDoS-aanval inzet en aantal partijen de DDoS-aanval mitigeert. De lessen uit deze oefeningen worden gedeeld met de verschillende partners zodat zij verbetering door kunnen voeren in hun netwerken. De anti-DDoS coalitie wil deze lessen in de toekomst via hun site delen zodat meer partijen de opgedane lessen kunnen benutten. Deze oefeningen sluiten aan op de inzet van het kabinet voor een structureel oefen- en testprogramma conform de motie Weverling. 5
Worden «normale» internetgebruikers op dit moment voldoende voorgelicht over de noodzaak beschermingsmaatregelen te nemen om daarmee te voorkomen dat hun apparaten misbruikt worden voor het uitvoeren van een DDoS-aanval?
Voor vergroten van de bewustwording van burgers op het gebied van digitale veiligheidsmaatregelen is informatie en handelingsperspectief beschikbaar op veiliginternetten.nl en er vinden campagnes plaats, zoals «Doe je updates». Door apparaten te updaten beschermen eindgebruikers niet alleen zichzelf. Ze zorgen er ook voor dat apparaten minder kwetsbaar zijn om onderdeel te worden van een botnet waarmee onder meer DDoS-aanvallen worden uitgevoerd.
Het bericht 'Boeren weten raad met Stikstof' |
|
Jaco Geurts (CDA), Mark Harbers (VVD) |
|
Carola Schouten (viceminister-president , minister landbouw, visserij, voedselzekerheid en natuur) (CU) |
|
|
|
|
Bent u bekend met het artikel «Boeren weten raad met stikstof»?1
Ja.
Hoe beoordeelt u het plan dat de in het artikel genoemde initiatiefnemers samen met LTO Noord hebben ontwikkeld? Erkent u dat het plan elementen bevat die zowel een lagere uitstoot van ammoniak in de landbouw, ontwikkelingsruimte voor de landbouw en andere sectoren alsmede verminderde stikstofbelasting voor de natuur realiseren?
Ik heb waardering voor de initiatiefnemers die het plan hebben ontwikkeld. Ik bekijk samen met de initiatiefnemers en de betrokken provincies of de mogelijkheden die zij zien inderdaad kunnen leiden tot een lagere uitstoot van ammoniak in de landbouw, ontwikkelingsruimte voor de landbouw en andere sectoren en verminderde stikstofbelasting voor de natuur. Het plan dient daarvoor verder te worden uitgewerkt. Ik heb daarover een gesprek gehad met de vertegenwoordigers van deze boeren. Ik ben bereid om de initiatiefnemers daarbij te helpen, bijvoorbeeld door de voorgestelde emissiereductiemaatregelen door te laten rekenen of te onderzoeken of deze maatregelen juridisch geborgd kunnen worden.
Ziet u in het plan van de initiatiefnemers een realistische mogelijkheid voor boeren om het niet-subsidiabele gedeelte van de investeringskosten voor innovatie in stallen te financieren?
Ik zie in het plan van de initiatiefnemers een veelbelovende mogelijkheid om feitelijk gerealiseerde stikstofruimte te verleasen, en door het verleasen voor de initiatiefnemers de inkomsten te genereren die nodig zijn om de noodzakelijke innovatie in stallen te financieren. Een aandachtspunt is of er voldoende vraag naar leaseruimte zal zijn. Het verleasen van stikstofruimte wordt, onder randvoorwaarden, dit najaar door verschillende provincies mogelijk gemaakt middels aanpassing van de provinciale beleidsregels voor intern en extern salderen. Daarmee wordt een belangrijke drempel voor dit initiatief weggenomen.
Welke mogelijkheden ziet u voor het plan voor het verhuren van een gedeelte van de vrijkomende stikstofruimte, gekoppeld aan het financieren van innovatie voor de agrarische sector, als onderdeel van het intern en extern salderen en op welke termijn is dat de realiseren?
Zie antwoord vraag 3.
Welke mogelijkheden ziet u voor de provincies om deze plannen onderdeel te laten uitmaken van de gebiedsgerichte aanpak en/of de beleidsregels voor intern en extern salderen? Bent u bereid hierover met de provincies het gesprek aan te gaan, omdat juist daar een groot deel van de uitvoering van de stikstofmaatregelen ligt?
Ik zal samen met de betrokken provincies de initiatiefnemers helpen om het plan nader uit te werken. Daaruit moet blijken of het plan geschikt is om het onderdeel te laten zijn van de gebiedsgerichte aanpak en/of de beleidsregels voor intern en extern salderen. Een andere mogelijkheid is om met de betrokken boeren een pilottraject te starten. Ik ga hierover in gesprek met de betrokken provincies.
Bent u bereid met de initiatiefnemers in gesprek te gaan over de mogelijkheden die zij zien om een bijdrage te leveren aan het oplossen van de stikstofproblematiek?
Ja, inmiddels heb ik ook een gesprek met de initiatiefnemers gehad.
Bent u tevens bereid de aannames en uitkomsten in het plan van de in het krantenartikel genoemde initiatiefnemers door te laten rekenen en in samenspraak met de sector tot een goede uitwerking hiervan te komen?
Zie voor de beantwoording van deze vraag het antwoord op vraag 2.
De oproep om al het zorgpersoneel een bonus te geven. |
|
John Kerstens (PvdA) |
|
Tamara van Ark (minister zonder portefeuille volksgezondheid, welzijn en sport) (VVD), Hugo de Jonge (viceminister-president , minister volksgezondheid, welzijn en sport) (CDA) |
|
|
|
|
Bent u bekend met het artikel «Ziekenhuisbestuurder schrijft brief aan Minister: geef iedereen coronabonus»?1
Ja.
Bent u ook van mening dat de inzet van medische technici, ICT’ers, kantoorpersoneel en roostermakers in de zorg ook bij heeft gedragen aan de continuïteit van de zorg in tijden van corona? Vindt u het daarom eveneens ongewenst dat op dit moment een derde van het zorgpersoneel – waaronder deze mensen – niet onder de bonusregeling valt?
De bonus kent als oorsprong de motie van mevrouw Van Kooten-Arissen. De bedoeling van deze motie is om een bonus toe te kennen aan alle professionals in de sector zorg en welzijn die zicht tussen 1 maart en 1 september extra hebben in gezet bij de bestrijding van COVID-19.
Het staat buiten kijf staat iedereen in zorg en welzijn belangrijk werk verricht. Maar de bonus is nadrukkelijk bedoeld voor zorgprofessionals die zich extra hebben ingezet en hebben bijgedragen aan de strijd tegen COVID-19. Dat geldt natuurlijk niet voor alle 1,2 miljoen professionals in de sector. Er is namelijk ook veel zorg en dienstverlening stil komen te liggen, of dienstverlening heeft op aangepaste wijze doorgang gevonden, waardoor er niet altijd sprake is van extra inzet. Daar komt bij dat de uitgaven aan de bonus uiteindelijk ook door belastingbetaler betaald zal moeten worden.
Bent u het met de bestuursvoorzitter eens dat het belangrijk is om niemand van de bonus uit te sluiten en zo te laten zien dat iedereen evenveel wordt gewaardeerd voor de geleverde topprestaties? Bent u bereid de bonusregeling daarom aan te passen?
De bonusregeling is zo opgesteld dat, behoudens zorgprofessionals die meer dan twee maal modaal verdienen, niemand op voorhand wordt uitgesloten. Ook voor zorgprofessionals, die een functie uitoefenen waarvan op voorhand door VWS is ingeschat dat in deze functies vaak geen extra inspanningen gericht op de bestrijding van COVID-19 zijn verricht, kan een bonus worden aangevraagd wanneer deze professional naar de inschatting van de werkgever wel voldoet aan de criteria om voor een bonus in aanmerking te komen. Een aanpassing van de bonusregeling acht ik dan ook niet nodig.
Wilt u bevestigen dat ook de medewerkers in de gehandicaptenzorg voor de bonus in aanmerking komen, aangezien er geluiden zijn dat de bonus bijvoorbeeld niet voor deze medewerkers zou zijn bedoeld?
Zorgaanbieders uit de gehandicaptenzorg worden nadrukkelijk uitgenodigd om, voor de zorgprofessionals werkzaam in hun organisaties die aan de voorwaarden uit de subsidieregeling voldoen, een bonus aan te vragen.
Kan u garanderen dat de bonus nog dit kalenderjaar zal worden uitgekeerd aan het zorgpersoneel?
Per 1 oktober 2020 kunnen zorgaanbieders de bonus aanvragen voor hun zorgpersoneel. Indien de aanvraag tijdig en volledig wordt gedaan, kan spoedig worden overgegaan tot uitbetaling aan de zorgaanbieder, maar uiterlijk 13 weken na ontvangst van de aanvraag. De zorgaanbieder keert vervolgens de bonus aan de zorgprofessional uit. Op de zorgaanbieder rust de verplichting om dit binnen vijf maanden te doen. Wanneer de zorgaanbieder de bonus daadwerkelijk aan de zorgprofessional uitkeert ligt buiten mijn invloedssfeer. De garantie dat de bonus nog dit jaar bij de zorgprofessional terecht komt, kan ik daardoor niet geven.
De uitspraak van de Rechtbank Noord-Nederland inzake de e-screener. |
|
Chris van Dam (CDA) |
|
Ferdinand Grapperhaus (minister justitie en veiligheid) (CDA) |
|
|
|
|
Bent u bekend met de uitspraak van de Voorzieningenrechter van de Rechtbank Noord-Nederland d.d. 13 augustus 2020 inzake de toepassing van de e-screener?1
Ja.
Kunt u duiden wat het voorlopige oordeel van de Voorzieningenrechter – namelijk dat niet zonder meer vaststaat dat de e-screener een voldoende geschikt, objectief instrument is ter beoordeling van de psychische gesteldheid van een persoon – voor betekenis heeft voor het huidige, landelijke gebruik van de e-screener? Is daarmee niet de volledige bodem onder de toepasbaarheid van de e-screener weggevallen?
Allereerst acht ik het van belang te benadrukken dat dit een uitspraak is over een individuele casus. Hieraan kunnen geen algemene uitspraken over de werking van de e-screener worden ontleend.
De voorzieningenrechter heeft geen oordeel kunnen vormen over de wijze waarop de testresultaten in dit specifieke geval zijn verkregen, omdat onvoldoende inzicht is verkregen in de werking van het instrument. Dat zegt dus primair iets over de (niet) aan voorzieningenrechter geleverde informatie. Om belanghebbenden meer inzicht te verschaffen in de werking van de e-screener heb ik TNO reeds in een eerder stadium gevraagd, een rapport op te stellen over de wijze waarop de e-screener werkt en waar het toe dient. Het betreffende rapport – dat in deze zaak helaas niet aan de voorzieningenrechter is vertrekt – voeg ik als bijlage2 bij deze antwoorden.
Om omissies, zoals in voornoemd kort geding in de toekomst te voorkomen heb ik de te betrachten zorgvuldigheid andermaal onder de aandacht van de korpschef gebracht en hem gevraagd om het hiervoor bedoelde TNO rapport voortaan in juridische procedures aangaande de e-screener in te brengen.
Nu de voorzieningenrechter, in de door u aangehaalde casus, de e-screener niet inhoudelijk heeft beoordeeld en het een voorlopig oordeel betreft, heeft de uitspraak geen gevolgen voor de toepassing van de e-screener bij andere aanvragers van een wapenverlof of jachtakte.
Overigens wordt de e-screener, zoals voorzien was, dit najaar geëvalueerd met de politie en TNO. Hierbij betrek ik ook de KNSA en KNJV, waarmee medewerkers van mijn departement doorlopend overleg hebben. Indien de evaluatie aanleiding geeft tot aanpassing van het instrument informeer ik uw Kamer hier uiterlijk in het voorjaar van 2021 over.
Kunt u de Kamer informeren over de plaats en de betekenis van de contra-expertise in de meest recente procedure rond het aanvragen van een jachtakte of -verlof?
Behalve het TNO-rapport voeg ik ook de door mij gegeven instructie aan de politie inzake de beoordeling van e-screener uitslagen als bijlage3 bij deze antwoorden. Waar het de contra-expertise betreft bepaalt de instructie dat – indien aan de voorwaarden is voldaan waaraan de contra-expertise dient te voldoen – de e-screener uitslag van betreffende aanvrager terzijde wordt geschoven en doorslaggevende waarde wordt toegekend aan de contra-expertise (i.c. een psychologisch rapport). Indien de opsteller van het contra-expertiserapport tot een negatief oordeel ten aanzien van de aanvrager komt, dan weegt dit, mogelijk met andere factoren waardoor twijfel is ontstaan, mee in het voornemen tot weigering van de aanvraag. Indien het rapport niet aan eisen van de contra-expertise voldoet, wordt de uitslag van de e-screener geacht leidend voor de beoordeling te zijn.
Kunt u – zo nodig als bijlage – de geldende regeling op dit punt aan de Kamer bekend maken?
Zie antwoord vraag 3.
Klopt het dat er maar één instituut in Nederland is dat deze contra-expertise kan verzorgen en bent u bereid een lijst te publiceren waarop meerdere instituten worden genoemd waar mensen een contra-expertise kunnen aanvragen?
Nee, dat klopt niet. Als voorwaarde geldt dat het psychologisch rapport opgesteld en ondertekend moet zijn door een BIG-geregistreerd psycholoog dan wel psychiater. Het is aan de aanvrager om zelf een deskundige aan te zoeken.
Kunt u bevestigen dat een contra-expertise ongeveer € 1.500 kost en bent u van mening dat dit bedrag in verhouding staat tot de draagkracht van aanvragers van een jachtakte of -verlof?
Ik heb geen zicht op de precieze kosten van een contra-expertise rapport. Ik heb ook geen zicht op de financiële draagkracht van aanvragers van een jachtakte of wapenverlof. Maar er van uitgaande dat zij een redelijke dwarsdoorsnede van de Nederlandse samenleving vormen, zal de financiering van de contra-expertise voor een deel van de aanvragers een behoorlijke last betekenen, waarbij door hen zelf de afweging moet worden gemaakt of deze last opweegt tegen het mogelijke resultaat.
Deelt u de mening dat de onvolkomenheid van het functioneren van de e-screener niet rechtvaardigt dat individuele burgers € 1.500 kosten moeten maken om zich tegen dit instrument te verweren?
Ik deel het oordeel dat de e-screener niet naar behoren functioneert niet en derhalve ook niet uw gevolgtrekking daaruit.
Wie draagt de kosten van de contra-expertise indien deze in het voordeel van de verzoeker/aanvrager uitvalt?
De kosten voor het laten uitvoeren van de contra-expertise zijn voor degene die deze aanvraagt.
In hoeverre is de e-screener geschikt voor mensen met dyslexie en is dit wetenschappelijk onderzocht? Kunt u bij de beantwoording van deze vraag onderscheid maken tussen aanvragen vóór en aanvragen na aanpassingen die verricht zijn naar aanleiding van implementatieproblemen rond de e-screener?
Er is geen onderzoek gedaan naar de mate waarin de e-screener door mensen met dyslexie een belemmering vormt. Maar om de groep van dyslectische aanvragers beter van dienst te zijn is een voorleesfunctie in het systeem gebouwd. Ook kan lettergrootte worden aangepast. Bovendien wordt in de informatievoorziening voorafgaand aan de afname van de e-screener, richting de aanvrager, aandacht aan mogelijke belemmeringen, zoals dyslexie, belemmeringen besteed.
Welke mogelijkheden zijn er voor mensen met dyslexie om een tweede kans te krijgen om de e-screener af te leggen en is het wettelijk verboden om de e-screener twee keer af te leggen?
Ik heb in mijn instructie aan de politie bepaald dat na weigering of intrekking te allen tijde een nieuwe aanvraag kan worden ingediend. Als tijdelijke maatregel heb ik tevens bepaald dat als het resultaat van de e-screener laat zien dat deze onbetrouwbaar is ingevuld – voorafgaand aan besluitvorming – een aanvrager ook gebruik kan maken van een herkansing. Hierbij wordt aan de aanvrager wel medegedeeld dat, in verband met de betrouwbaarheid van de uitslag van de tweede poging, tussen twee testen een periode van ten minste één maand dient te liggen.
In welke mate is de e-screener geschikt voor met name bestaande aktehouders met een (relatief) hogere leeftijd die binnenkort aan de beurt komen om hun verlof te verlengen en in dat kader de e-screener moeten afleggen?
Ik ben mij er van bewust dat oudere aanvragers mogelijk minder vaardig zijn met computers, het middel waarmee de e-screener wordt afgenomen. Om daaraan tegemoet te komen zijn verschillende maatregelen genomen, zoals duidelijke voorlichting vooraf, de voorleesoptie en de mogelijkheid het lettertype te vergroten. Overigens zie ik ook een kans voor belangenorganisaties om de achterban op de afname van de e-screener voor te bereiden. Hier ben ik ook met ze over in gesprek.
Kunt u zich voorstellen dat een groot deel van deze groep met angst en beven deze test tegemoet ziet?
Ik ben mij er terdege van bewust dat een deel van aanvragers opziet tegen het vooruitzicht de e-screener te moeten afleggen. De brochure die voorafgaand aan de afname van de e-screener aan aanvragers wordt uitgereikt heeft mede tot doel (een deel van) de angst weg te nemen. Ook belangenorganisaties zouden hier een rol in spelen door de eigen achterban bijvoorbeeld te informeren over ervaringen met de afname van de e-screener, en aanvragers, voor zover mogelijk op de afname zelf voor te bereiden.
Deelt u de mening dat ook voor mensen met een afstand tot digitale vaardigheden, maar ook laaggeletterden de e-screener een relatief zwaardere test is?
Ja, daar ben ik mij van bewust. Het taalgebruik in de informatiebrochure, die voorafgaand aan de afname van de e-screenertest aan de aanvrager wordt uitgereikt, is hierop afgestemd. Om interpretatieproblemen te voorkomen zijn de vragen van de e-screener zo zorgvuldig, eenvoudig en eenduidig mogelijk geformuleerd.
Is het een doel van het beleid om door middel van de inzet van de e-screener het aantal verlofhouders in Nederland fors te decimeren?
Nee, er bestaat geen specifieke beleidsdoelstelling ten aanzien van het aantal verlof- of jachtaktehouders. Uitgangspunt van de wet en doel van beleid is – mede aangespoord door uw Kamer, de Inspectie van Justitie en Veiligheid en Europese regelgeving – de samenleving zo goed mogelijk te beschermen tegen mogelijk misbruik van vuurwapens.
Bent u bekend met het informatieblad van het Ministerie van Justitie en Veiligheid en de Politie inzake de e-screener en met het tekstvak waarin te lezen staat: «Heeft u wel eens gelogen? Het lijkt dan niet handig om ja te antwoorden als u wilt overkomen als een betrouwbaar persoon. Algemeen bekend is dat iedereen wel eens een leugentje om bestwil vertelt of dit als kind wel een heeft gedaan. Dus op deze vraag is het verwachte antwoord «ja»?»
Ja.
Kunt u zich voorstellen dat er een grote groep Nederlanders is – zeker onder verlofhouders – die daadwerkelijk nooit liegt en zonder de geringste twijfel «nee» antwoordt op bovenstaande vraag?
Iedereen met enige zelfkennis weet dat hij of zij op enig moment in zijn of haar leven weleens een leugen (om bestwil) verteld heeft. Ik kan mij wel de gedachtegang voorstellen dat de aanvrager meent de betreffende vraag met «nee» te moeten beantwoorden om een positieve uitslag van de e-screener te krijgen. Het doel van het door u aangehaalde informatieblad (brochure) is onder andere om deze misvatting te corrigeren. Dit informatieblad is afgestemd met alle belanghebbenden, inclusief verenigingen als KNSA en KNJV, om zo goed mogelijk aan te sluiten op de belevingswereld van de aanvrager.
Is het niet vreemd dat mensen bij het invullen van de e-screener tactisch in plaats van naar waarheid moeten gaan antwoorden?
De e-screener moet louter naar waarheid worden ingevuld. Hier wordt voorafgaand aan de afname van de e-screener ook op gewezen. Tevens is hier bij het opstellen van de vragen in de e-screener, die toetsen op sociaal wenselijke beantwoording, rekening mee gehouden.
In welke mate zijn de door de Corona-maatregelen opgelopen achterstanden – bij het behandelen van aanvragen en verzoeken die door de bureau Korpschefstaken worden verricht in het kader van de Wet Wapens en Munitie – per 1 september 2020 ingelopen en is het mogelijk hier per politie-eenheid op de verschillende soorten aanvragen een overzicht van te verstrekken?
De politie is met ingang van 28 mei jl. begonnen met het in behandeling nemen van nieuwe aanvragen en daarmee ook de mogelijkheid voor de aanvragers om deel te nemen aan de e-screener. Rekening houdende met ook de verminderde beschikbare capaciteit tijdens de zomervakantieperiode is de verwachting dat de achterstand voor het eind van het jaar is ingelopen. Het is technisch mogelijk om per politie-eenheid de verschillende soorten aanvragen in een overzicht te laten zetten. Dat kost echter politiecapaciteit die effectiever ingezet kan worden op het inlopen van de achterstand.
Worden verlof-aanvragers al weer op het politiebureau ontvangen, of verlopen alle contacten nog op afstand?
De bureaus zijn op beperkte schaal aangepast om zoveel mogelijk Covid-19-proof te kunnen werken. Vanwege de beperkte hoeveelheid beschikbare loketten worden tot nader order in principe alleen nieuwe aanvragers en bestaande verlofhouders die tussentijds een nieuw wapen willen aanschaffen op de bureaus ontvangen. Bestaande verlof- en jachtaktehouders ontvangen – gegeven de uitzonderlijke situatie – voorafgaand aan het verlopen van hun wapenvergunning en na controle in de politiesystemen of geen bezwaar tegen afgifte bestaat – eenmalig een schriftelijk verlengingsbesluit en hoeven zich om die reden niet op het bureau te melden.
Wat is de voortgang van het onderzoek van de Inspectie Justitie en Veiligheid inzake het takenpakket van de bureaus Korpscheftaken en worden ook andere belanghebbenden dan de Politie betrokken bij dit onderzoek?
De Inspectie van Justitie en Veiligheid (IJenV) heeft zowel betrokkenen bij de politie als bij het departement gesproken. Op basis van gesprekken heeft de IJenV besloten meer tijd te nemen voor het onderzoek.
Ziet u mogelijkheden om de verlening van vergunningen en verloven van de Politie over te dragen naar de dienst Justis en op welke termijn kunt u hier een beslissing over nemen?
Momenteel verkennen de politie en dienst Justis onder welke voorwaarden een dergelijke taakoverdracht mogelijk is. Verdere besluitvorming op dit vraagstuk vindt plaats zodra de businesscase – waar naast de Wet wapens en munitie, ook de eventuele overdracht van de bestuursrechtelijke taken van de politie ten aanzien van de Wet natuurbeheer, de Wet explosieven civiel gebruik en de Wet particuliere beveiligingsorganisaties en recherchebureaus in worden meegenomen – gereed is. Dit zal aan het einde van 2020 zijn of aan het begin van 2021.
Wat is de voortgang van het deactiveren van vuurwapens?
In Nederland dienen vuurwapens conform de technische specificaties van de EU-uitvoeringsverordening gedeactiveerd te worden. De politie is in Nederland, conform artikel 43 van de Wet wapen en munitie, aangewezen als controlerende en certificerende instantie. Als de vraag is of vuurwapens conform de EU-uitvoeringsverordening gedeactiveerd en in Nederland gecontroleerd en gecertificeerd kunnen worden, is het antwoord ja.
In hoeverre is er na mijn werkbezoek begin juli 2020 voortgang geboekt in het laten groeien van het innemen en het controleren van gedeactiveerde vuurwapens?
Momenteel zijn 146 wapens aangeboden en behandeld (t.o.v. de 106 medio juli).
Er zijn daarnaast nog 25 wapens aangeboden waarvan de behandeling ingepland wordt. Om belanghebbenden beter van dienst te zijn heeft de politie op zijn website informatie over de procedure van de keuring van onklaargemaakte wapens opgenomen. De politie heeft mij voorts gemeld dat, zodra de verbouwing en inrichting van de beoogde werkplaats zijn afgerond, alle erkenninghouders zullen worden uitgenodigd voor een informatieve bijeenkomst, waarbij nog bekeken moet worden of dat pas op een moment zal zijn als de Coronacrisis voorbij is. Gezocht wordt naar een tijdschrift waarin een artikel kan worden geplaatst over het functioneren van de bij de politie ondergebrachte controlerende autoriteit van onklaargemaakte wapens.
Deelt u de mening dat de stand toen (106 aangeleverde gedeactiveerde vuurwapens, afkeuringspercentage 40%) niet zal leiden tot een jaarlijkse productie van minstens 2.500 wapens en op welke wijze bent u voornemens actief te zorgen voor het op gang krijgen van het deactiverings-proces in Nederland?
Er is geen kwantitatieve doelstelling geformuleerd voor de controle op en certificering van gedeactiveerde vuurwapens, anders dan dat dat van het aanbod afhangt. Voor de berekening van het legesbedrag is van de, door de politie en enkele erkenninghouders (=wapenhandelaren) bevestigde, aanname uitgegaan dat jaarlijks 2400 van dergelijke voorwerpen aan de controlerende autoriteit voor onklaargemaakte wapens zouden worden voorgelegd. Ik stel nu vast dat die inschatting die ten tijde van het opstellen van het wetsvoorstel ter implementatie van de EU vuurwapenrichtlijn gemaakt is, sterk afwijkt van het huidige, werkelijke aanbod.
De verblijfstitel voor personen tijdens de coronatijd in Nederland zonder visumplicht |
|
Attje Kuiken (PvdA) |
|
Ankie Broekers-Knol (staatssecretaris justitie en veiligheid) (VVD) |
|
|
|
|
Kent u de websites «Reizen en vervoer tijdens de coronapandemie» en «Coronavirus (COVID-19): gevolgen voor aanvraag of verblijf» en met name de passages over een verblijf in Nederland zonder visum (niet-visumplichtig)?1 2
Ja, die zijn mij bekend.
Wat wordt op de eerstgenoemde site bedoeld met «legaliseren» in de zinssnede «Als u als niet EU-burger geen visum nodig had, maar gedwongen bent langer dan 90/180 dagen te blijven, moeten de bevoegde nationale instanties uw visum verlengen, een nieuw visum afgeven, of uw verblijf op andere wijze legaliseren»? Op welke wijze kan de visumverlening of legalisatie van het verblijf plaatsvinden?
De informatie op de website van de Europese Commissie betreft slechts een advies van de Europese Commissie voor alle lidstaten. Lidstaten zijn bevoegd om hier op nationaal niveau invulling aan te geven. Op de tweede website, die van de IND is de nationale handelwijze weergegeven.
Visumvrije derdelanders hebben een vrije termijn van 90 dagen. Deze termijn kan onder normale omstandigheden eenmalig en enkel in zeer bijzondere situaties, met nog maximaal 90 dagen verlengd worden bij een IND-loket. Dit gebeurt door het plaatsen van een sticker «verblijfsaantekening algemeen» in het geldig document voor grensoverschrijding. De maximale verblijfperiode is dan 180 dagen. Wegens Covid-19 is echter de beleidskeuze gemaakt om het verblijf niet meer middels het afgeven van een sticker verblijfsaantekening te verlengen, noch een verblijfsvergunning te verlenen. Besloten is de «overstay» toe te staan, enkel wanneer de vreemdeling aantoonbaar niet de mogelijkheid heeft om tijdig terug te keren. Wanneer deze visumvrije vreemdeling contact opneemt met de IND, wordt aangegeven dat het de verantwoordelijkheid van de vreemdeling is om te bezien hoe hij kan terugkeren, hij dit zo snel mogelijk dient te doen en dat hij hierover contact kan opnemen met zijn eigen diplomatieke vertegenwoordiging. Wanneer de vreemdeling wél in de mogelijkheid is om tijdig Nederland te verlaten maar desondanks buiten de vrije termijn in Nederland verblijft (overstay), kan de vreemdeling bij uitreis door de KMar een inreisverbod worden opgelegd.
Is de in bovengenoemde passage genoemde nationale instantie voor Nederland de Immigratie- en Naturalisatiedienst (IND)?
Dat is juist.
Hoe verhoudt de genoemde visumverlening of legalisatie van een verblijf van langer dan 180 dagen zich tot hetgeen op de tweede genoemde website wordt gezegd over een verblijf na 180 dagen, namelijk dat de overheid er begrip voor heeft als iemand vanwege corona niet kan vertrekken en dat er «minder streng» gecontroleerd wordt op personen die langer blijven dan toegestaan?
Die zijn in overeenstemming met elkaar, zie ook de beantwoording van vraag 5.
Daarbij wordt opgemerkt dat in normale omstandigheden enkel in zeer bijzondere situaties een eenmalige verlenging van 90 dagen buiten de vrije termijn mogelijk is. Daarna staan er geen middelen meer open om het verblijf te verlengen. De vreemdeling wordt erop gewezen dat, zodra mogelijk, hij tijdig dient te vertrekken, zowel na de overschrijding van de vrije termijn van 90 dagen als na 180 dagen.
Wanneer de vreemdeling wél in de mogelijkheid is tijdig Nederland te verlaten maar desondanks buiten de vrije termijn in Nederland verblijft (overstay), kan de KMar hem of haar bij uitreis een inreisverbod opleggen.
Deelt u de mening dat hetgeen op beide sites staat onduidelijkheid kan veroorzaken bij degenen die zonder visumplicht langer dan 180 dagen in Nederland moeten verblijven? Zo ja, waarom? Zo nee, waarom niet?
De informatie op de website van de Europese Commissie betreft slechts een advies van de Europese Commissie voor alle lidstaten. Lidstaten zijn bevoegd om hier op nationaal niveau invulling aan te geven. Op de website van de Europese Commissie wordt voor verdere informatie ook verwezen naar de informatie op de websites van de nationale autoriteiten. Nederland heeft gekozen voor een invulling waarbij de vreemdeling langer kan blijven dan diens vrije termijn zonder dat hiervoor een document wordt afgegeven. Deze informatie is te vinden op de IND-website.
Wat moeten personen die niet-visumplichtig zijn en door corona gedwongen zijn langer dan 180 dagen in Nederland te verblijven doen na die 180 dagen? Moeten zij hun verblijf laten legaliseren of mogelijk een visum aanvragen zoals de eerstgenoemde site stelt? Zo ja, hoe dan? Of geldt wat de tweede site meldt, namelijk dat zij zich niet bij de IND hoeven te melden en dat hun langere verblijf als het ware tijdelijk gedoogd wordt?
Voor zowel deze vraag als vraag 2 – overschrijding van de 90 uit 180 dagentermijn – geldt dat de beleidskeuze is gemaakt om deze categorie vreemdelingen geen verblijfsvergunning aan te laten vragen of het verblijf anderszins te laten verlengen. Enkel de vreemdelingen die aantoonbaar in overmacht verkeren waardoor zij niet tijdig Nederland kunnen verlaten, kunnen zonder een verlenging van hun vrije termijn in Nederland verblijven. Omdat het vliegverkeer is hervat zijn de meeste vreemdelingen die bij het begin van de Covid-19 crisis in Nederland vast zaten, weer in de gelegenheid om terug te keren naar hun land van verblijf.
De ontvoering van Insiya naar India |
|
Attje Kuiken (PvdA), Lilianne Ploumen (PvdA) |
|
Stef Blok (minister buitenlandse zaken) (VVD), Sander Dekker (minister zonder portefeuille justitie en veiligheid) (VVD) |
|
|
|
|
Kent u het bericht «Vader van ontvoerde Insiya krijgt ouderlijk gezag niet terug» en herinnert u zich uw antwoorden op eerdere vragen van het lid Kuiken over dit onderwerp?1, 2
Ja.
Deelt u de mening dat het zeer onbevredigend is dat Insiya ondanks rechterlijke uitspraken met betrekking tot kinderontvoering, teruggeleiding en het ouderlijk gezag, nog steeds niet terug bij haar moeder is? Zo nee, waarom niet?
Ja, ik deel deze mening.
Wat is er door Nederland gedaan om de rechterlijke uitspraken over de teruggeleiding van Insiya en het ouderlijk gezag te effectueren, welke Nederlandse autoriteiten zijn daarbij betrokken en met welk resultaat?
Wanneer het land waar een kind naar toe is overgebracht niet is aangesloten bij het Haags Kinderontvoeringsverdrag, wordt het verzoek tot teruggeleiding van de achtergebleven ouder langs diplomatieke weg aangeboden aan de autoriteiten van dat land. Uitspraken van de Nederlandse rechter over de betreffende zaak worden langs dezelfde weg onder de aandacht gebracht bij de buitenlandse autoriteiten. Effectuering van de Nederlandse uitspraken kan in India door Nederland echter niet worden afgedwongen.
Wat is de stand van zaken met betrekking tot juridische procedures die in India lopen ten aanzien van deze zaak en in hoeverre belemmeren die de terugkeer van Insiya naar Nederland?
Over in India aanhangige procedures tussen partijen kan en mag ik u alleen met toestemming van betrokken partijen informeren.
Heeft u contact met uw Indiase ambtsgenoot over Insiya? Zo ja, wat is de aard van dat contact en welk resultaat heeft dit opgeleverd of verwacht u? Zo nee, waarom niet en gaat u alsnog contact opnemen?
Ja, in de ambtelijke en politieke gesprekken die het Ministerie van Buitenlandse Zaken voert met India is deze zaak steeds onderwerp van gesprek, ook in de gesprekken die de Minister van Buitenlandse Zaken heeft met zijn ambtgenoot. Daarbij wordt aangedrongen op een snelle en goede oplossing voor moeder en kind. In reactie op het teruggeleidingsverzoek verwijst India naar de lopende rechtsgang in dat land. Nederland blijft bij India aandringen op het belang van een spoedige uitspraak in de diverse zaken en op naleving van het door de Indiase rechter bevolen contactherstel tussen moeder en kind.
Het bericht dat het maximum aantal ontwikkeladviezen is bereikt |
|
Paul Smeulders (GL) |
|
Wouter Koolmees (minister sociale zaken en werkgelegenheid, viceminister-president ) (D66) |
|
|
|
|
Bent u bekend met de berichten «Maximum aantal ontwikkeladviezen bereikt» en «Nederland bereidt zich voor op andere tijden: scholingspot in recordtijd leeg»?1 2
Ja.
Hoe kan het dat het maximum aantal inschrijvingen zoveel sneller dan verwacht is bereikt? Waar waren eerdere verwachtingen op gebaseerd? Waarom is de behoefte aan deze vorm van ondersteuning zo onderschat?
Op 1 augustus is de regeling NL leert door met inzet van ontwikkeladvies in werking getreden en is het ontwikkeladviesportaal opengesteld. Vanaf die datum konden loopbaanadviseurs ontwikkeladviestrajecten registreren voor deelnemers die bij hen een traject gaan volgen. Er was in totaal plaats voor 22.000 registraties, zoals ook voorafgaand is gecommuniceerd. Op 31 augustus is sneller dan verwacht het maximale aantal trajecten bereikt. In een vroeg stadium was duidelijk hoe de regeling voor ontwikkeladviezen er in hoofdlijnen uit zou komen te zien en is hier ook over gecommuniceerd, bijvoorbeeld met de brief aan uw Kamer van 2 juli 2020 over de hoofdlijnen van NL leert door. Hierdoor konden loopbaanadviseurs al voordat de regeling in werking was getreden mensen werven. Zo konden vanaf het moment dat het ontwikkeladviesportaal vanaf 1 augustus open ging in korte tijd veel deelnemers worden geregistreerd.
Het aantal van 22.000 adviestrajecten, waarmee een bedrag van ruim € 14 miljoen gemoeid is, was gebaseerd op de ervaringen bij de regeling Ontwikkeladvies 45+. Voor die regeling was in eerste instantie weinig animo, waarna uiteindelijk in het laatste jaar in totaal 30.000 ontwikkeladviezen zijn uitgevoerd.
Bent u bereid het budget te verhogen, conform eerder amendement van het lid Smeulders, zodat het loket weer open kan en nog meer mensen zich kunnen aanmelden?3
De kosteloze ontwikkeladviezen die het kabinet beschikbaar stelt via de regeling NL leert door voorzien in een grote behoefte. In de brief aan uw Kamer van 28 augustus over het steun- en herstelpakket, is daarom reeds aangegeven dat het kabinet volgend jaar extra middelen beschikbaar stelt voor onder andere 40.000 ontwikkeladviezen. Met de aangenomen motie Smeulders/Tielen4 wordt het kabinet verzocht om 50.000 ontwikkeladviezen beschikbaar te stellen. Dit betekent dat er in totaal door het kabinet € 37 miljoen beschikbaar worden gesteld, waarmee we ruim 50.000 mensen kunnen helpen met een ontwikkeladvies. Zoals ik in het debat over de steunmaatregelen van 24 september jl. heb aangegeven, kan het ontwikkeladviesportaal vanaf 1 december dit jaar weer opengesteld worden voor nieuwe registraties.
Bent u ervan op de hoogte dat loopbaancoaches, in de korte tijd sinds de regeling open was gesteld, zich hebben voorbereid op de regeling en daarvoor investeringen hebben gedaan (met name in de verplichte arbeidsmarktscan)? Bent u ervan op de hoogte dat er, door de korte verstreken periode sinds 1 augustus, mensen zich al wel bij een loopbaancoach hebben aangemeld, maar dat zij nog niet bij het Ministerie van Sociale Zaken en Werkgelegenheid zijn geregistreerd, en dat door het onverwachte sluiten van de regeling die mensen nu teleurgesteld moeten worden? Als u niet bereid bent het loket opnieuw open te stellen, bent u dan wel bereid het budget voor de ontwikkeladviezen in ieder geval te verruimen voor mensen die nu al zijn aangemeld en anders alsnog teleurgesteld moeten worden?
Ik ben blij dat we dit najaar al ruim 20.000 mensen kunnen helpen bij het in beeld brengen van hun mogelijkheden op de huidige, veranderende arbeidsmarkt. Tegelijkertijd begrijp ik heel goed dat er nu mensen teleurgesteld moeten worden vanwege het feit dat het maximum aantal trajecten al zo snel bereikt is. Daarom heeft het kabinet besloten om voor 2021 extra middelen beschikbaar te stellen voor ontwikkeladviezen. Er komt in totaal € 37 miljoen beschikbaar, waarmee ruim 50.000 mensen weer een ontwikkeladvies kunnen volgen. Daar komt bij dat het ontwikkeladviesportaal op 1 december weer opengesteld kan worden. Mensen die nu geen ontwikkeladvies kunnen volgen, kunnen zich vanaf 1 december weer via een loopbaanadviseur laten registreren voor een ontwikkeladviestraject.
Klopt het dat er nu vier maanden lang geen ondersteuning is voor mensen die zich willen omscholen? Vindt u dat niet een heel onwenselijke situatie? Moeten we niet juist de komende maanden hierin investeren?
De investering voor ontwikkeladviezen vanuit de overheid is aanvullend op dat wat privaat al geregeld wordt. Het is niet juist dat er de komende maanden niets mogelijk is. Er zijn voor burgers een aantal alternatieve routes om ontwikkeladviezen te volgen en te investeren in ontwikkeling en scholing. Zo bieden werkgevers en O&O-fondsen vaak de mogelijkheid om dit soort gesprekken te volgen, maar bieden ook vakbonden ondersteuning op dit gebied. En ook kunnen mensen bij leerwerkloketten in hun regio terecht met vragen over ontwikkeling.
Dat het maximum aantal inschrijvingen voor ontwikkeladviestrajecten in een korte tijd bereikt is betekent overigens ook niet dat deze trajecten allemaal al plaats hebben gevonden. De registratie in het portaal is slechts een administratieve handeling. De adviestrajecten zullen in het najaar door de loopbaanadviseurs verder worden uitgevoerd.
Daarnaast is op 4 september jl. de regeling NL leert door met inzet van scholing in werking getreden. Vanaf oktober kunnen opleiders een subsidieaanvraag indienen om kosteloos scholingsactiviteiten beschikbaar te stellen aan burgers. De verwachting is dat deze kosteloze scholing eind van het jaar voor deelnemers beschikbaar zal zijn. Verder biedt de SLIM-regeling, waarvoor in september subsidie kan worden aangevraagd, nog de mogelijkheid voor werkgevers in het mkb om subsidie aan te vragen voor ontwikkel- en loopbaanadviezen voor hun werknemers.
Kunt u nader toelichten wat de problemen zijn met betrekking tot de uitvoeringscapaciteit en hoe deze zo snel mogelijk opgelost kunnen worden?
De uitvoeringsorganisatie van mijn ministerie, Uitvoering van Beleid, heeft de uitvoering van de regeling NL leert door met inzet van ontwikkeladvies op zich genomen. UVB heeft de afgelopen maanden daarnaast ook nog de taak gekregen om de SLIM-regeling (voor het versterken van een leercultuur in het mkb) en de regeling NL leert door met inzet van scholing uit te voeren en heeft een belangrijke rol in de eindverantwoording van aanvragen op grond van de NOW-regeling.
Deze nieuwe regelingen komen bovenop de werkzaamheden die UVB al uitvoert. Dit alles betekent dat de taak van UVB de afgelopen periode in omvang sterk is toegenomen. Ik ben erg blij dat UVB deze extra taken kan uitvoeren, maar tegelijkertijd besef ik dat er een grens zit aan de capaciteit die op deze termijn ingezet kan worden. Op dit moment hebben we een punt bereikt waarop UVB geen direct beschikbare capaciteit heeft om op korte termijn meer trajecten te beoordelen. Zoals ik in het debat van 24 september jl. over het derde steun- en herstelpakket ook heb aangegeven kan ik melden dat, in goed overleg met UVB, het ontwikkeladviesportaal op 1 december weer opengesteld kan worden voor nieuwe registraties.
Is er daadwerkelijk sprake van een aanjaagfunctie, waar u in eerdere debatten op doelde? Komt er al meer geld vrij uit de sectorspecifieke fondsen?
De aanjaagfunctie van het crisispakket NL leert door komt vooral tot uiting in de regeling NL leert door met inzet van scholing. Deze regeling is op 4 september 2020 in werking getreden. In deze regeling is via de samenwerkingsverbanden een verplichte vorm van cofinanciering geregeld. Daarmee stimuleren we private partijen om door middel van een financiële bijdrage juist ook de zwaardere en duurdere (om)scholingstrajecten te kunnen aanbieden. Daarnaast kan de regeling NL leert door met inzet van ontwikkeladvies als vliegwiel dienen voor meer private investeringen op dit gebied. In zeer snel tempo hebben 22.000 mensen zich gemeld om een ontwikkeladvies te volgen. En er zijn nog meer mensen die graag een ontwikkeladvies willen volgen. Deze mensen worden er nu op gewezen dat zij ook via andere kanalen een adviestraject kunnen volgen, bijvoorbeeld via hun werkgever, O&O-fonds of vakbond.
De aanhoudende schade van neonicotinoïden in het milieu en voor dieren |
|
Frank Wassenberg (PvdD) |
|
Carola Schouten (viceminister-president , minister landbouw, visserij, voedselzekerheid en natuur) (CU), Stientje van Veldhoven (staatssecretaris infrastructuur en waterstaat) (D66) |
|
|
|
|
Kent u de berichten «Bijengif imidacloprid vergiftigt het slootwater tussen de kassen» en «Neonicotinoids and decline in bird biodiversity in the United States»?1 2
Ja.
Kunt u bevestigen dat het bijengif imidacloprid, dat alleen nog is toegestaan in gesloten kassystemen en als biocide, in 2019 op alle meetpunten van het waterschap Delfland boven de toegestane norm werd aangetroffen?
Het Hoogheemraadschap van Delfland heeft in 2019 op 54 locaties metingen verricht op de aanwezigheid van gewasbeschermingsmiddelen. Op 9 van deze locaties is de werkzame stof imidacloprid aangetroffen boven de toegestane ecologische waterkwaliteitsnorm.
Kunt u bevestigen dat imidacloprid (alsmede thiamethoxam en clothianidine) verboden zijn voor open teelten vanwege de ernstige schadelijkheid voor insecten?
De goedkeuring van de drie genoemde stoffen is in 2018 beperkt tot gebruik in bedekte teelten vanwege de risico’s voor bijen bij toepassingen in de onbedekte teelt van verschillende gewassen. Inmiddels zijn thiamethoxam en clothianidine binnen de EU niet meer goedgekeurd en zal de goedkeuring van imidacloprid binnen afzienbare tijd vervallen omdat de aanvraag voor verlenging van de goedkeuring door de aanvrager is ingetrokken.
Kunt u bevestigen dat insecten en andere dieren nu alsnog blootgesteld worden aan deze neonicotinoïden, aangezien deze gifstoffen in het slootwater aanwezig zijn?
Gewasbeschermingsmiddelen, die in de glastuinbouw worden toegepast, kunnen via verschillende emissieroutes (denk bijvoorbeeld aan percolatiewater, condenswater en schrobputjes) in het oppervlaktewater terecht komen. Dit kan ertoe leiden dat insecten en andere dieren aan deze middelen worden blootgesteld. Er zijn verschillende acties om de lozingen van gewasbeschermingsmiddelen naar het oppervlaktewater te voorkomen of zoveel mogelijk te beperken, zoals:
Hoewel alle partijen zich ervan bewust zijn, dat er een gezamenlijke opgave is om te komen tot een goede waterkwaliteit door het voorkomen van emissies van gewasbeschermingsmiddelen naar het milieu, zal dit punt met nadruk aandacht krijgen in gesprekken die komen met agrarische belangenorganisaties en het bevoegd gezag.
Op welke manier kan landbouwgif uit gesloten kassystemen toch in het oppervlaktewater terecht komen en op welke wijze kan dit voorkomen worden?
Zie antwoord vraag 4.
Worden glastuinbouwers gecontroleerd op de vervuiling die zij mogelijk veroorzaken door het gebruik van imidacloprid, thiamethoxam en clothianidine? Zo ja, op welke manier? Zo nee, waarom niet?
Ja, via gebiedsgericht monitoren en handhaven door verschillende waterschappen en via bedrijfsbezoeken door de verschillende omgevingsdiensten en waterschappen en de NVWA.
Kunt u bevestigen dat recent onderzoek aantoont dat het toenemende gebruik van neonicotinoïde landbouwgif in de VS afnames in vogelpopulaties veroorzaakt, waarbij vooral weidevogels hard geraakt worden?3
In het betreffende onderzoek concluderen de onderzoekers op basis van een statistische analyse dat de toename van het gebruik van neonicotinoïden in de VS gepaard gaat met de afname van de vogelbiodiversiteit, met name die van weidevogels.
Kunt u bevestigen dat neonicotinoïden toxischer zijn voor insecten en langer in de natuur achterblijven dan andere insecticiden?
Neonicotinoïden zijn een klasse van insecticiden, maar er is variatie binnen de klasse wat betreft de toxiciteit van de individuele stoffen voor verschillende insecten en de persistentie in het milieu. Dat geldt ook voor andere klassen insecticiden. Zoals ik uw Kamer heb geïnformeerd (Kamerstuk 27 858, nr. 421) leidde de toepassing van de neonicotinoiden imidacloprid, thiamethoxam en clothianidine tot risico’s voor bijen. Daarom werd de toepassing destijds beperkt tot alleen gebruik in bedekte teelten. De toxiciteit voor bijen en de persistentie van deze stoffen was relatief hoog in vergelijking met andere neonicotinoiden (acetamiprid en thiacloprid) en andere insecticiden. Zo is de acute toxiciteit voor honingbijen van thiacloprid meer dan 4.500 keer lager en de persistentie bijna 57 keer lager in vergelijking met clothianidine. Dat verschillende stoffen tot dezelfde klasse behoren, wil dus niet zeggen dat deze ook dezelfde eigenschappen hebben. Vanwege variatie in eigenschappen tussen werkzame stoffen en de toepassing ervan wordt in de Europese goedkeuringsprocedure per stof bezien of het gebruik veilig is voor mens, dier en milieu. Bij de middeltoelating wordt dat opnieuw per middel getoetst.
Kunt u bevestigen dat de neonicotinoïden acetamiprid en sulfoxaflor in Nederland nog steeds toegelaten zijn voor open teelten?
Ja. Ik wil hierbij, zoals eerder aan uw Kamer gemeld (Kamerstuk 2020D26901), aangeven dat de werkzame stof sulfloxaflor niet behoort tot de neonicotinoiden, maar is ingedeeld in de klasse van de sulfoximines.
Hoe rijmt u de bescherming van (weide)vogels onder de Vogel- en Habitatrichtlijnen met de schade die deze dieren ondervinden door blootstelling aan neonicotinoïden op open teelten en in het oppervlaktewater?
Voor de Europese stofgoedkeuring wordt een risicobeoordeling uitgevoerd voor vogels, conform het betreffende Europese richtsnoer. Het richtsnoer gaat uit van gevoelige vogelsoorten die in landbouwgebieden voorkomen, zodat andere minder gevoelige soorten ook door de risicobeoordeling worden afgedekt.
Wordt in de Europese toelatingsprocedure voor landbouwgif getoetst op het effect van de stof op beschermde vogelsoorten?
Volgens de Vogelrichtlijn zijn alle vogels beschermd. Momenteel wordt het huidige Europese richtsnoer voor vogels en zoogdieren herzien onder leiding van EFSA. Nederland levert een actieve bijdrage aan deze herziening waarbij er ook specifieke aandacht voor kwetsbare vogelsoorten is.
Zo nee, kunt u bij de Europese Commissie pleiten voor een herziening van de toelatingsprocedure voor landbouwgif, zodat de effecten op beschermde diersoorten meegenomen worden?
Zie antwoord vraag 11.
De vernietigde dossiers |
|
Bart Snels (GL) |
|
Alexandra van Huffelen (staatssecretaris financiën) (D66) |
|
|
|
|
Klopt het dat het grootste deel van de 9.000 vernietigde dossiers (namelijk 7.087 dossiers) is vernietigd na 29 november 2019, namelijk in 2020?
Ja dat klopt 7.087 beroepsdossiers zijn in 2020 vernietigd. Ik betreur het dat deze documenten vernietigd zijn. Zoals al in de tweede Voortgangsrapportage toegezegd zullen de ouders die het betreft hier geen negatieve gevolgen van mogen ondervinden.1 In de gelijk met deze antwoorden verstuurde derde Voortgangsrapportage kinderopvangtoeslag wordt tevens aangegeven dat er nog veel documenten wel beschikbaar zijn, we onderzoek doen naar van wie precies de beroepsdossiers vernietigd zijn en we met de Raad voor de Rechtspraak kijken of de betreffende beroepsdossiers nog op een andere manier beschikbaar zijn.
Klopt het dat diverse Wob-verzoeken uit 2019 en 2020 door deze vernietiging op een onvolledige manier openbaar zijn gemaakt?
Nee dat klopt niet. De betreffende beroepsdossiers bevatten informatie over individuele procedures van toeslaggerechtigden, bovendien bevatten deze dossiers privéinformatie van burgers. Individuele beroepsdossiers worden als zodanig niet openbaar gemaakt naar aanleiding van een Wob-verzoek.
Wanneer zijn de overige 1.913 dossiers precies vernietigd? Over welke jaren gaat het hier?
In totaal zijn er 8.938 dossiers vernietigd.2 In onderstaande tabel treft u een totaaloverzicht aan. Hierin is per aanleverjaar van het beroepsdossier voor toeslagen aangegeven hoeveel dossiers in welk jaar vernietigd zijn. Niet bekend is op welke data de vernietiging van 2014 heeft plaatsgevonden. In 2019 heeft de vernietiging plaatsgevonden tussen 1 januari en 14 maart, de vernietiging in 2020 heeft plaatsgevonden tussen 1 januari en 29 april. Nog niet bekend is op welke toeslaggerechtigden en welke jaren de vernietigde beroepsdossiers betrekking hebben. Dit wordt nog uitgezocht en daar zal ik u in een volgende Voortgangsrapportage kinderopvangtoeslag over informeren.
1.049
910
2019
797
2019
770
2020
1.121
2020
102
2014
3.757
2020
32
42
2014
1.439
2020
Dit betreft het door Doc-Direckt geregistreerde aanleverjaar.
Daarnaast zijn er 23 dossiers administratief bekend in het beheerssysteem van Doc-Direkt, maar niet fysiek.
Klopt het dat er in 2014 ook 144 dossiers zijn vernietigd en dat er toen niet is voldaan aan de 7-jaarstermijn? Van welk Combiteam Aanpak Facilitators (CAF)-zaken waren deze dossiers onderdeel?
Ja, dat klopt. Deze dossiers zijn in 2013 en 2014 bij het archief aangeleverd door Toeslagen. Door de vermenging in de administratie en het magazijn zijn deze dozen niet opgemerkt en is daarbij ook niet voldaan aan de 7-jaarstermijn. Momenteel wordt gekeken of te achterhalen is van welke personen de vernietigde dossiers zijn, dan is ook te achterhalen of deze betrokken waren bij een CAF-zaak. Hiervoor geldt ook dat ouders die het betreft hier geen negatieve gevolgen van mogen ondervinden.
Klopt het dat er in 2019 ook nog eens 1.707 dossiers zijn vernietigd? Klopt het dat niet bekend is op welke toeslagjaren de in 2014, 2019 en 2020 vernietigde dossiers exact zien, aangezien dit niet is opgenomen in het archiefbeheersysteem?
Ja dat klopt, zie hiervoor ook de tabel bij het antwoord op vraag 3. Zoals aangegeven wordt nog onderzocht of te achterhalen is op welke toeslaggerechtigden en welke jaren de vernietigde beroepsdossiers betrekking hebben.
Is de Landsadvocaat, die sinds oktober 2018 is betrokken in de toeslagenaffaire vanwege het bepalen van de volledigheid van dossiers, geïnformeerd over deze vernietiging van dossiers? Beschikte de Landsadvocaat dan wel over alle stukken? Hoe reageerde de Landsadvocaat op het bericht dat er dossiers waren vernietigd?
De vernietiging van de beroepsdossiers ziet op beroepszaken die reeds in eerdere jaren zijn afgerond en die onherroepelijk zijn komen vast te staan. In het geval de Landsadvocaat in een dergelijke beroepszaak betrokken is geweest, heeft hij destijds over de stukken kunnen beschikken. De Landsadvocaat is over het bericht van de dossiervernietiging niet apart geïnformeerd en heeft hierop niet gereageerd.
Heeft u geprobeerd een reconstructie te maken van de ten onrechte vernietigde dossiers zodat deze teruggevonden kunnen worden?
Zoals ook in antwoord 3 aangekondigd wordt gekeken of achterhaald kan worden op welke toeslaggerechtigden en welke jaren de vernietigde beroepsdossiers betrekking hebben. Met de Raad voor de Rechtspraak is overleg om te kijken of de betreffende beroepsdossiers nog op een andere manier beschikbaar zijn.
Op welke wijze is gegarandeerd dat het onderzoek naar de vernietiging van deze dossiers onafhankelijk is?
De Inspectie Overheidsinformatie en Erfgoed (hierna: IO&E) neemt de vroegtijdige vernietiging van dossiers mee in haar onderzoek naar het informatie- en archiefbeheer bij de Belastingdienst welke inmiddels gestart is. De IO&E is een zelfstandige inspectie die losstaat van de Belastingdienst. Afronding van het onderzoek is voorzien voor het eerste kwartaal van 2021.
Kunt u de hele mail- en briefwisseling betreffende het besluit over de beroepszaken van de Belastingdienst/Toeslagen in 2019 en 2020 aan de Kamer doen toekomen?
Bijgevoegd treft u een notitie van 10 juli jl. met daarbij een eerdere notitie van 29 juni jl. en een memo van 25 juni jl. rondom de vernietigde dossiers. De namen van medewerkers zijn hierbij niet zichtbaar gemaakt.
Heeft er iemand gewaarschuwd om deze dossiers niet te vernietigen? Zo ja, wie? Wat is er met het signaal gebeurd?
Er zijn geen documenten of signalen gevonden waaruit een dergelijke waarschuwing blijkt.
Kunt u alle stukken over de vernietiging van deze 9.000 dossiers aan de Kamer doen toekomen?
Zie antwoord vraag 9.
Kunt u deze vragen een voor een beantwoorden?
Ja, behoudens vragen 9 en 11 die zijn gebundeld.
Premieshoppen |
|
Jasper van Dijk (SP) |
|
Wouter Koolmees (minister sociale zaken en werkgelegenheid, viceminister-president ) (D66) |
|
|
|
|
Wat is uw oordeel over het bericht «Arbeidsmigrant nog goedkoper gemaakt door detachering»?1
Het artikel geeft aan dat er uitzendbedrijven zijn die op zoek zijn naar manieren om arbeidsmigranten goedkoper naar Nederland te halen, waarbij ook de zogenoemde A1-route onderzocht wordt. Zoals ook aangegeven bij de beantwoording van de vragen van het lid Palland keur ik het fingeren van situaties om premievoordelen te bereiken (premieshoppen) af. Dergelijke praktijken leiden tot oneerlijke concurrentie en moeten daarom tegengegaan worden.
Tegelijkertijd wil ik ervoor waken dat de A1-verklaring of de socialezekerheidsregels over grensoverschrijdende detachering gelijk zouden komen te staan aan premieshoppen. De mogelijkheid om bij detachering voor enige tijd verzekerd te blijven in de zendende lidstaat, beschermt werknemers tegen een verbrokkelde opbouw van socialezekerheidsrechten. In mijn brief van 7 juli2 over A1-verklaringen voorzie ik de Kamer van een update over mijn inzet om het oneigenlijk gebruik van deze regelgeving te voorkomen.
Klopt de analyse van ABN Amro («Goedkope arbeidsmigrant komt van steeds verder») dat uitzendbureaus voortdurend onderzoeken of arbeidsmigranten goedkoper in Nederland kunnen werken, en arbeidsmigranten bijvoorbeeld (ondanks de herziene detacheringsrichtlijn) via de A1-route voor minder loonkosten in Nederland kunnen werken? Wat is uw oordeel hierover?
Zoals hiervoor aangegeven zijn er uitzendbedrijven die op zoek zijn naar manieren om arbeidsmigranten goedkoper naar Nederland te halen. Het klopt inderdaad dat loonkostenverschillen tussen werkgevers uit het buitenland en Nederlandse werkgevers, bijvoorbeeld in verband met de afdracht van premies voor sociale zekerheiden pensioenpremies, daarbij een rol kunnen spelen. Loonkostenverschillen zijn echter niet de enige factor hierbij: zo spelen ook extra kosten voor het verblijf in Nederland een rol, zoals huisvesting, vervoer en compensatie voor de hogere kosten van levensonderhoud.
In mijn brief aan de Tweede Kamer van 12 december 2019 betreffende de implementatiewet nieuwe detacheringsrichtlijn heb ik, naar aanleiding van onderzoek dat in 2017 is uitgevoerd door Regioplan, aangegeven dat verschillen in loonkosten voor werkgevers moeilijk inzichtelijk te maken zijn, door de vele verschillende factoren die relevant zijn voor de beloning van een gedetacheerde werknemer en het feit dat er specifieke regelingen bestaan voor elk van deze onderdelen, waarbij sommige EU-wijd worden toegepast en andere per EU-lidstaat verschillen.3
Derdelanders die legaal werken en verblijven binnen een EU-lidstaat kunnen op basis van de Dienstenrichtlijn en de Detacheringsrichtlijn in andere EU-lidstaten te werk worden gesteld.4 Als werknemers van buiten de Europese Unie legaal in Europa verblijven en werken, kunnen zij ook onder de coördinatieverordening voor de sociale zekerheid vallen (Verordening (EG) 883/2004).5 Deze verordening maakt het mogelijk dat een gedetacheerde werknemer, onder voorwaarden, voor maximaal 24 maanden verzekerd blijft in de zendende lidstaat. Dat gebruik gemaakt wordt van de mogelijkheden die de EU-regelgeving en de nationale wetgeving op dit punt bieden is op zich niet ongeoorloofd. Maar als er via bijvoorbeeld schijnconstructies misbruik wordt gemaakt van deze regelgeving is dit zeer onwenselijk. Dit geldt zowel voor premieshoppen voor werknemers met de nationaliteit van een derde land, als voor premieshoppen voor werknemers met de nationaliteit van een EU-lidstaat.
Is de conclusie van ABN Amro juist dat door deze A1-route ook inwoners van landen buiten de Europese Unie via werkvergunningen in Oost-Europese landen in Nederland komen te werken? Acht u dit wenselijk?
Zie antwoord vraag 2.
Heeft u hierover overleg met (door)zendlanden als bijvoorbeeld Polen, dat in 2017 zo'n 600.000 werkvergunningen en 1,8 miljoen 6-maanden werkvergunningen aan buurlanden verstrekte?2
Ja, ik heb met bijvoorbeeld Polen gesproken over het toelatingsbeleid van Polen voor werknemers afkomstig uit landen zoals Oekraïne. Daarbij gaf men van Poolse zijde aan dat het overgrote deel van deze werknemers op Pools grondgebied wordt ingezet. Ik wijs er op dat het inzetten van derdelanders bij tekorten op de eigen arbeidsmarkt een nationale competentie is van de lidstaten.
Heeft u er zicht op hoeveel mensen nu al via deze route werken in Nederland? En vanuit welke landen komen deze mensen overwegend? Kunt de cijfers van de afgelopen vijf jaar overleggen?
Sinds 1 maart 2020 is de meldplicht op grond van de Wet arbeidsvoorwaarden gedetacheerde werknemers in de Europese Unie (WagwEU) van kracht. Op dit moment zijn er nog geen jaarcijfers over 2020 beschikbaar.
Tot 1 maart 2020 gold op grond van het toenmalige artikel 1e van het BuWav (vrij verkeer van diensten) en de Regeling melding Wet arbeid Vreemdelingen een notificatieplicht bij het UWV, voor de detachering van werknemers uit derde landen die rechtmatig in een andere lidstaat verblijven en werken. Onderaan treft u een bijlage aan, met daarin een overzicht van de aantallen gemelde werknemers die op grond van deze notificatieplicht gemeld zijn bij UWV, van de jaren 2015 tot en met 2019. Daarbij is – in lijn met de daarover verschenen persberichten – vooral de relatieve groei van het aantal werknemers uit Oekraïne opvallend. Het gebruik van A1-verklaringen maakte geen onderdeel uit van de UWV notificatieplicht en is uit deze cijfers niet af te leiden. Deze cijfers zien dan ook niet op A1-verloning.
Daarnaast beschikken wij over cijfers over de A1-verklaringen. Het gaat dan om cijfers over het aantal ontvangen A1-verklaringen per zendend land. Wel is het zo dat die cijfers niet gesorteerd kunnen worden op nationaliteit. Wij kunnen wel zien hoeveel A1-verklaringen er bijvoorbeeld door Polen worden afgegeven voor tewerkstelling in Nederland, maar niet of het dan gaat om een Unieburger of een derdelander. Deze cijfers zijn openbaar en hier heb ik recentelijk in de brief van 7 juli over premieshoppen naar verwezen7.
Hoe ziet u de relatie tot derdelanders die niet alleen voor loon- en huisvesting, maar ook voor verblijfsstatus afhankelijk zijn van hun werkgever, aangezien het in de praktijk al niet mogelijk is om burgers uit de Europese Unie te beschermen tegen uitbuiting?
De positie van werknemers afkomstig van buiten de EU is, net als de positie van mobiele EU-werknemers, kwetsbaar, zo niet kwetsbaarder. Het kabinet is zich daar terdege van bewust en de inzet van het kabinet is dan ook gericht op het bevorderen van fatsoenlijke woon- en werkomstandigheden voor alle werknemers in Nederland, ongeacht hun herkomst. Ik wijs in dit verband ook op het Aanjaagteam Bescherming Arbeidsmigranten dat is ingesteld om voorstellen te doen om de werk- en leefomstandigheden van arbeidsmigranten te verbeteren
Deelt u de mening dat uitzendbureaus hiermee premieshoppen en loondump faciliteren, aangezien werkgevers veel minder kosten maken?
Ja, voor zover het uitzendbureaus betreft die constructies opzetten en misbruik maken van A1-verklaringen om zo minder kosten te maken. Dit is zowel voor de gedetacheerde werknemer als uit het oogpunt van een gelijk speelveld zeer onwenselijk.
Wat vindt u ervan dat bedrijven – ondanks de wettelijke aanscherping rond flexwerk in de Wet arbeidsmarkt in balans (WAB) – opnieuw op zoek gaan naar goedkope arbeid door middel van A1-verloning?
Zoals aangegeven bij de beantwoording van de vragen van het lid Palland heb ik op dit moment geen helder beeld van dit effect van de WAB. In mijn brief van 5 juni 2020 inzake de quickscan naar de effecten van de WAB Monitoring en evaluatie WAB, heb ik al opgemerkt dat het lastig de effecten van de WAB los te bezien van de ingrijpende arbeidsmarkteffecten van de coronacrisis, het overheidsbeleid ter zake en de economische gevolgen. Niettemin worden aan de hand van diverse onderzoeken op dit moment verschillende aspecten van de impact van de WAB in beeld gebracht. Wanneer de resultaten daarvan bekend zijn zal uw Kamer hierover nader worden geïnformeerd.
Op welke manier gaat u dit soort vormen van premieshoppen tegen? Bent u van mening dat de detacheringsrichtlijn verder moet worden aangescherpt?
De detacheringsrichtlijn gaat niet over sociale zekerheid. De coördinatie van sociale zekerheid binnen de Europese Unie is geregeld in Verordening (EG) 883/2004. Een aanscherping van de detacheringsrichtlijn zou dan ook geen uitkomst bieden.
In mijn brief van 7 juli over A1-verklaringen voorzie ik de Kamer van een update over mijn inzet om het oneigenlijk gebruik van deze regelgeving te voorkomen. De SVB heeft sinds enige tijd een handhavingsteam dat zich specifiek richt op de handhaving op A1-verklaringen. De SVB en ketenpartners werken daarnaast intensiever samen om feiten te achterhalen en signalen en kennis te delen. Ik verwacht daarnaast dat de Europese Arbeidsautoriteit een rol kan spelen in het tegengaan van premieshoppen.
Ook wordt Verordening (EG) 883/2004 momenteel herzien. Nederland zet zich ervoor in om de regels over detacheringen en A1-verklaringen te verbeteren en zo de fraude en misbruik met A1-verklaringen en premieshoppen te bestrijden. Op dit front zijn al belangrijke maatregelen voorgenomen. Zowel in de Raad als in het Europees parlement was bijvoorbeeld voldoende steun voor de verplichting voor de uitgevende instelling om een A1-verklaring met terugwerkende kracht in te trekken bij fraude. De mogelijkheid voor het werkland tot weigering van een A1-verklaring als die niet helemaal is ingevuld en het opnemen van een verplichte voorafgaande verzekering van drie maanden voor detachering zijn stappen in de goede richting.
Daarbij is het wel van belang om te onderstrepen dat er op dit moment geen akkoord kan worden bereikt op dit dossier omdat partijen het niet eens kunnen worden over de aanpassingen in twee hoofdstukken, namelijk het hoofdstuk toepasselijke wetgeving (met daarin de regels over detachering en A1-verklaringen) en het hoofdstuk werkloosheid. Nederland heeft ook zwaarwegende belangen op het werkloosheidshoofdstuk. Of Nederland kan instemmen met een akkoord hangt af van het bereikte resultaat op beide hoofdstukken. Ik informeer uw Kamer als er voortgang is.
2019
2018
2017
2016
2015
De maatschappelijke kosten en baten van zonne-energieprojecten |
|
William Moorlag (PvdA) |
|
Eric Wiebes (minister economische zaken en klimaat) (VVD) |
|
|
|
|
Bent u bekend met het onderzoek «Maatschappelijke kosten-batenanalyse naar toekomstige inpassing van drie alternatieven voor opwek van zonne-energie» van Berenschot en Kalavasta?1
Ja.
Hoe beoordeelt u de conclusie van de onderzoekers dat, vanuit maatschappelijk oogpunt, zon op bedrijfsdaken sterker gestimuleerd zou moeten worden?
Deze conclusie is in lijn met het kabinetsbeleid op dit terrein. Zoals aangegeven in mijn brief van 23 augustus 2019 (Kamerstuk 34 682, nr. 29) in reactie op de moties van het lid Dik-Faber c.s. (Kamerstuk 32 813, nr. 204 en Kamerstuk 34 682, nr. 25) zet het kabinet erop in om met zon-PV daken en onbenutte terreinen zoveel mogelijk te benutten en landbouw en natuur zoveel mogelijk te ontzien. Met de inzet op zon-op-dak-projecten, die over het algemeen een hoger percentage eigen verbruik hebben, wordt bovendien het elektriciteitsnet zoveel mogelijk ontlast.
Het kabinet is met het Interprovinciaal Overleg (IPO), de Vereniging Nederlandse Gemeenten (VNG) en maatschappelijke organisaties een voorkeursvolgorde overeengekomen, die voorziet in het ontzien van landbouw- en natuurgronden en het stimuleren van zon op daken. De voorkeursvolgorde is opgenomen in de Nationale Omgevingsvisie (NOVI), die provincies en gemeenten kunnen benutten om af te wegen waar zon-PV het beste kan worden ingepast. Omdat voor de realisatie van grootschalige zon-PV-projecten een vergunning nodig is, is het beleid voor ruimtelijke ordening op deze wijze sturend bij de realisatie van zon-PV-projecten.
In dit licht werkt het kabinet tevens aan wijziging van het Besluit bouwwerken leefomgeving (Bbl). Daarin krijgen gemeenten de bevoegdheid om via een zogenoemde maatwerkregel in het omgevingsplan te eisen dat nieuwe gebouwen die niet al onder de voorgenomen BENG-eisen vallen, zoals onverwarmde industriehallen, hun dak gebruiken voor opwek van duurzame energie of klimaatadaptatie.
Deelt u de mening dat zonne-energieprojecten met een hogere maatschappelijke waarde (inclusief indirecte en externe kosten) ook een betere businesscase dienen te hebben? Zo nee, waarom niet?
Deze stelling deel ik niet. In het geval dat projecten met een hoge maatschappelijke waarde door private partijen dienen te worden uitgevoerd, is het nodig dat de uitvoering hiervan ook rendabel is. Daarbij is het niet nodig dat deze projecten een betere businesscase hebben. Het instrumentarium dat door de verschillende overheden beschikbaar wordt gesteld, levert hieraan een bijdrage.
Deelt u de mening dat het van belang is om middels subsidies ervoor te zorgen dat zonne-energieprojecten met een hogere maatschappelijke waarde een betere businesscase hebben? Zo nee, waarom niet?
De SDE++ subsidieert de onrendabele top van zonne-energieprojecten. Daarmee krijgen deze projecten een voldoende aantrekkelijke businesscase. Het verder verbeteren van de businesscase zou leiden tot overstimulering en hogere kosten voor de energietransitie. Het Rijk en medeoverheden hebben verschillende andere instrumenten tot hun beschikking die er gezamenlijk toe moeten leiden dat de investeringen van onder andere private partijen leiden tot maatschappelijk gewenste uitkomsten. Zo worden veel beslissingen die van invloed zijn op de omgeving, zoals de inpassing van zonne-energie, beïnvloed door het ruimtelijke instrumentarium.
Bent u ook van mening dat zonneweides doorgaans een betere businesscase hebben dan zonprojecten op bedrijfsdaken, terwijl zonneweides maatschappelijk gezien minder wenselijk zijn? Zo ja, op welke wijze wilt u het voor investeerders en ontwikkelaars aantrekkelijker maken om zon op daken te realiseren in plaats van op land? Bent u bereid hiervoor de Stimulering Duurzame Energietransitie (SDE++)-regeling verder aan te passen? Zo nee, waarom niet?
Het doel van de SDE+(+) is CO2-reducerende projecten te stimuleren door de onrendabele top van deze projecten af te dekken. Daarbij is de SDE++ techniekneutraal: technieken met een gelijk risicoprofiel ontvangen een gelijk financieel rendement. Wel was het in het verleden zo dat in de SDE+ gestuurd werd op de laagste kostprijs. Projecten met een lagere kostprijs kwamen hierdoor eerder aan bod dan projecten met een hogere kostprijs. Dit betekende onder andere dat zonneweides eerder aan bod kwamen dan zon-PV op daken.
In de SDE++ concurreren projecten niet langer op basis van kostprijs maar op basis van subsidiebedrag (basisbedrag – verwacht correctiebedrag). Dit betekent dat in de SDE++ de relatieve rangschikking van systemen met eigen verbruik zal verbeteren ten opzichte van systemen zonder eigen verbruik. Zon-op-dak-projecten gebruiken doorgaans een groot deel van de opgewekte energie zelf, in tegenstelling tot veldsystemen. Hierdoor zullen zon-op-dak-projecten eerder voor subsidie in aanmerking komen.
In het rapport dat wordt aangehaald, wordt uitgegaan van een vrij laag aandeel eigen gebruik bij zon op dak (namelijk 30%), waardoor zon op dak niet eerder aan bod zou komen dan grondgeboden systemen. Het Planbureau voor de Leefomgeving (PBL) gaat uit van 60% gemiddeld eigen verbruik over het gehele vermogensspectrum, waardoor dit wel het geval is. Ik ben daarom niet van mening dat zonneweides een betere businesscase hebben dan zonprojecten op daken. Daarom ben ik ook niet voornemens om de SDE++-regeling op dit punt verder aan te passen.
Zou u bovenstaande vragen voor het algemeen overleg Klimaat en energie dat op 24 september 2020 gepland is willen beantwoorden?
Het algemeen overleg Klimaat en Energie, dat op 24 september 2020 gepland stond, is vervallen. Ik heb de vragen zo spoedig mogelijk beantwoord.
Het bericht 'Kopzorgen KNVB om duel Jong Oranje in Belarus: ‘Veiligheid boven alles’' |
|
Lilianne Ploumen (PvdA), John Kerstens (PvdA) |
|
Hugo de Jonge (viceminister-president , minister volksgezondheid, welzijn en sport) (CDA), Stef Blok (minister buitenlandse zaken) (VVD) |
|
|
|
|
Heeft u kennisgenomen van het bericht «Kopzorgen KNVB om duel Jong Oranje in Belarus: Veiligheid boven alles»?1
Ja.
Wat is uw oordeel over de uitspraak van de KNVB die ondanks de situatie in Belarus op het standpunt staat «Als er gevoetbald kan worden, dan spelen wij»?
Deze uitspraak komt voor rekening van de KNVB, niet het kabinet. Het ligt niet op de weg van het kabinet hierover een oordeel te vellen.
Geldt voor de internationals van Jong Oranje een uitzonderingspositie betreffende de quarantainemaatregelen voor voetballers? En zo ja, waarom? En zo nee, heeft u dit al aan de KNVB laten weten?
Voor topsporters die internationaal op het hoogste niveau actief zijn (waaronder Jong Oranje) geldt dat zij de thuisquarantaine mogen onderbreken voor het reisdoel topsport. Bij activiteiten buiten dit reisdoel geldt het dringende advies van 10 dagen in thuisquarantaine. Om de internationale topsport weer te laten opstarten is het voor professionele topsporters noodzakelijk dat zij zich optimaal kunnen voorbereiden en kunnen deelnemen aan internationale wedstrijden op het hoogste niveau. Mede gelet op de strikte maatregelen die reeds gelden voor deze specifieke groep topsporters rondom hygiëne, vervoer, sociale isolatie en de continue medische begeleiding, is hiertoe besloten. Hierover is de KNVB geïnformeerd.
Deelt u de mening dat ook van internationale sportorganisaties zoals de UEFA verwacht mag worden dat zij in een geval als deze een wedstrijd in een land waar zowel grote gezondheidsrisico’s zijn als een politiek instabiele situatie schrappen?
Het kabinet is van mening dat het niet aan de overheid, maar aan de UEFA en aangesloten bonden zelf is om te bepalen of het wenselijk is in een land als Wit-Rusland te voetballen. Vanuit dit oogpunt is geen contact opgenomen met de UEFA. Wel is op verzoek van de KNVB geadviseerd over de lokale gezondheids- en veiligheidssituatie.
Welke verantwoordelijkheid heeft een internationale opererende en invloedrijke organisatie als de UEFA met betrekking tot mensenrechtenschendingen? Zouden de maatstaven die opgelegd worden aan internationaal opererende NGO’s niet ook moeten gelden voor andere organisaties die een maatschappelijke verantwoordelijkheid hebben en een voorbeeldfunctie vervullen?
Het kabinet moedigt aan dat er een publiek debat plaatsvindt over het in uw vraag opgeworpen vraagstuk, maar het is uiteindelijk de verantwoordelijkheid van de UEFA zelf, om in samenspraak met de leden, te bepalen welke rol mensenrechten en bredere maatschappelijke vraagstukken innemen in het werk van de organisatie.
Welk signaal geeft de UEFA naar uw mening af wanneer zij een wedstrijd in een land waar op dit moment onschuldige burgers opgepakt en gemarteld worden en protesten met harde hand onderdrukt worden gewoon door laat gaan?
Het is niet aan het kabinet om de signaalwerking van een beslissing van de UEFA te duiden. Over de eigenstandige opvatting van het kabinet kan vanzelfsprekend geen misverstand bestaan. Nederland speelt in EU, VN, OVSE en Raad van Europa verband een actieve rol om de autoriteiten ter verantwoording te roepen, externe bemiddeling te bevorderen en onafhankelijk onderzoek in te stellen met het oog op gerechtigheid.
Heeft u contact opgenomen met de UEFA over het door laten gaan van deze wedstrijd gezien de omstandigheden in Belarus en heeft u daarbij uw zorgen over het door laten gaan van deze wedstrijd uitgesproken? En zo ja, wat is de reactie? En zo nee, waarom niet?
Nee, er is geen contact opgenomen met de UEFA. Zie de beantwoording van vraag 4.
Acht u het opportuun dat deze wedstrijd alle omstandigheden in overweging nemende doorgang vindt? En zo ja, waarom? En zo nee, welke maatregelen kunt u nemen om vergelijkbare toekomstige situaties te voorkomen?
Zie de beantwoording van vraag 4.
Kunt u deze vragen op de kortst mogelijke termijn beantwoorden?
Ja.
Het bericht ‘Farmalobby wil dekking tegen claims over vaccins’ |
|
Henk van Gerven (SP) |
|
Tamara van Ark (minister zonder portefeuille volksgezondheid, welzijn en sport) (VVD) |
|
|
|
|
Wat is uw reactie op het artikel «Farmalobby wil dekking tegen claims over vaccins»?1
In het artikel bevestigt de woordvoerder van de Europese Commissie dat de regels over aansprakelijkheid niet zullen veranderen. Dat beeld deel ik. Tegelijkertijd geeft de woordvoerder aan dat het een andere vraag is of regeringen van landen farmaceutische bedrijven op de een of andere manier zullen vrijwaren van toekomstige claims. Daarmee bedoelt de woordvoerder, zo blijkt uit uitlatingen van de Commissie, dat lidstaten bijvoorbeeld onder bepaalde voorwaarden financiële compensatie kunnen bieden bij claims die zien op een verborgen gebrek van een vaccin dat niet bekend was op het moment van toelating. De vermeende suggestie uit het artikel dat de Europese Commissie in de contracten een vrijstelling van de wettelijke productaansprakelijkheid voor farmaceuten zou hebben geregeld, is niet aan de orde.
Deelt u de mening dat deze lobby de ware intenties van big farma blootlegt, te weten cashen op de crisis in plaats van de pandemie uit te roeien?
De farmaceutische bedrijven waarmee de Commissie in gesprek is, zijn bedrijven die erkennen dat de wereld op dit moment in een crisis verkeert. Zij tonen hun commitment door veel geld en energie te stoppen in het ontwikkelen van een veilig vaccin dat een einde zal brengen aan de pandemie. Van sommige van de vaccins tegen Covid-19 die zij ontwikkelen, zijn er hoge verwachtingen. Tegelijkertijd kent het ontwikkelen van vaccins veel onzekerheden. De farmaceutische bedrijven werken er hard aan om te voldoen aan de strenge eisen die binnen de Europese Unie gelden voor de veiligheid, werkzaamheid en kwaliteit van de vaccins, zoals ook blijkt uit het gezamenlijke persbericht dat negen grote farmaceutische bedrijven op 8 september 2020 hebben uitgebracht.3 Ik herken het beeld niet dat farmaceutische bedrijven vooral geld willen verdienen in plaats van de pandemie te willen bestrijden.
Kunt u garanderen dat de Europese regels over aansprakelijkheid van toepassing zijn en blijven op farmabedrijven die zich bezighouden met de ontwikkeling van coronavaccins?
De Europese Commissie heeft ook tijdens een bijeenkomst van de commissie voor volksgezondheid op 7 september 2020 in het Europees parlement verklaard dat alle wetgeving van de EU inzake productaansprakelijkheid volledig wordt gerespecteerd en dat de rechten van burgers onaangetast blijven.
Deelt u de mening dat het niet mogelijk moet zijn farmabedrijven te beschermen tegen rechtszaken?
Ja. In de Geneesmiddelenrichtlijn is opgenomen dat het toekennen van een handelsvergunning niets afdoet aan de aansprakelijkheid van een fabrikant en vergunninghouder. In Nederland is dat geregeld in het Burgerlijk Wetboek; dat is onverkort van toepassing. Als een geneesmiddel wordt gebruikt in lijn met de goedgekeurde indicaties, ligt de aansprakelijkheid bij de fabrikant of vergunninghouder.
Welk precedent is er voor het vrijstellen van de farmaceutische industrie van aansprakelijkheid, zowel binnen als buiten de EU?
Een aantal jaren geleden is voor de behandeling van een Ebola patiënt Favipiravir toegediend. Dit product was op dat moment alleen in Japan geregistreerd voor de indicatie ernstige influenza en de fabrikant was toen gevrijwaard van aansprakelijkheid, omdat het product op dat moment geen registratie voor de indicatie Ebola had. Een ander geval betrof het behandelen van een Lassakoorts patiënt met Ribavirine, een product dat geregistreerd is voor de behandeling van patiënten met chronische hepatitis B. Ook in dit geval was de fabrikant gevrijwaard omdat het product niet voor de indicatie Lassakoorts was geregistreerd.
Welke afspraken zijn er in bestaande contracten met farmabedrijven met betrekking tot bescherming voor eventuele rechtszaken?
In algemene zin geldt dat de contracten die getekend worden door de Europese Commissie voorzien in een geheimhoudingsverklaring voor alle betrokken partijen inclusief de vertegenwoordigers van de 27 lidstaten. Hierdoor kan niet ingegaan worden op specifiek gemaakte afspraken in die contracten.
De Europese wetgeving inzake productaansprakelijkheid wordt volledig gerespecteerd en blijft op het bedrijf rusten. De rechten van burgers blijven volledig onaangetast. In zoverre bieden de overeenkomsten de bedrijven dus geen bescherming voor eventuele rechtszaken.
Wel worden in de overeenkomsten afspraken gemaakt over een vrijwaring door de Lidstaten van de farmaceutische bedrijven ten aanzien van claims van derden. Voor deze vrijwaringssituatie gelden specifieke en strikte voorwaarden.
Wat is uw reactie op de uitspraak van AstraZeneca bestuurder Dobber: «Dit is een unieke situatie waarin wij als bedrijf simpelweg het risico niet kunnen nemen. Wij vragen in onze contracten om vrijstelling. Voor de meeste landen is het acceptabel om deze risico's zelf te dragen, omdat dat in het nationale belang is.»?
Zie antwoord 3.
Hoeveel zou zo’n dekking de staat mogelijkerwijs kunnen kosten?
Omdat er in de Europese Unie geen sprake is van vrijstelling van productaansprakelijkheid, is een dekking daarvoor ook niet aan de orde. Eventuele zeldzame bijwerkingen van een vaccin, komen soms pas na registratie bij toepassing op grote schaal aan het licht. Vooraf is een dekking daarom moeilijk in te schatten.
Wat is uw reactie op de rechtvaardiging die lobbyorganisatie the European Federation of Pharmaceutical Industries and Associations (EFPIA) aanhaalt met betrekking tot de extra risico’s die ontstaan met het zo snel mogelijk ontwikkelen van een vaccin?
In het statement van negen grote farmaceutische bedrijven zie ik bevestiging van het feit dat deze bedrijven alles op alles zetten om een veilig vaccin tegen COVID-19 op de markt te brengen. Het is belangrijk om te benadrukken, dat hoewel bepaalde procedures in de vaccinontwikkeling versneld / parallel uitgevoerd worden, de eventuele toelating van de vaccins tot de markt (registratie) net zo kritisch en zorgvuldig door de EMA zal worden beoordeeld.
Wat vindt u ervan dat farmabedrijven stellen dat er onvermijdelijk risico’s ontstaan bij de snelheid waarmee de vaccins tot stand komen? Hoe kan dit het geval zijn terwijl vaccins, net als in normale tijden, alle vereiste goedkeuringen moeten verkrijgen en alle gebruikelijke procedures moeten doorlopen?
We willen natuurlijk zo snel mogelijk een vaccin tegen het coronavirus, maar dit mag niet ten koste gaan van de kwaliteit en veiligheid. De COVID-19 vaccins die worden ontwikkeld moeten aan de hoogste zorgvuldigheids- en veiligheidseisen voldoen. Er zijn verschillende stappen in de ontwikkeling die versneld kunnen worden door bijvoorbeeld klinische studies parallel te laten verlopen en de productie vast te starten, zoals ik ook bij het antwoord op vraag 9 heb aangegeven. Ik wil nogmaals benadrukken dat bij de zoektocht naar een vaccin de snelheid nooit boven zorgvuldigheid mag gaan. COVID-19 vaccins zullen bij toelating tot de markt aan dezelfde eisen moeten voldoen als elk ander vaccin. Medicijnautoriteiten zoals de EMA en het CBG zien hier streng op toe.
Als, zoals beweerd wordt, de snelheid niet ten koste gaat van de nauwkeurigheid, en vaccinontwikkeling aan alle gebruikelijke checks en balances onderworpen wordt, wat zou dan de rechtvaardiging zijn voor een uitzonderingspositie met betrekking tot claims, waarvan wordt verwacht dat zij een gevolg zullen zijn van de snelheid van vaccinontwikkeling?
Zoals ik in de beantwoording op eerdere vragen heb aangegeven staan de veiligheid en werkzaamheid van een vaccin voorop. De medicijnautoriteiten zullen niet anders beoordelen dan bij andere vaccins en ook na het beoordelingsproces blijft het belangrijk de werkzaamheid en veiligheid van het vaccin te monitoren. Net als bij andere medicijnen bestaat de mogelijkheid dat na toelating onbekende of zeldzame bijwerkingen naar voren komen, die tijdens het onderzoek niet zichtbaar waren.
Vaccinproducenten maken hoge kosten om zo snel als mogelijk een vaccin beschikbaar te stellen. Er worden daarom afspraken gemaakt om een stuk van het financiële risico af te dekken voor producenten om tijdig een veilig vaccin op de markt te brengen. In de afspraken die met vaccinproducenten worden gemaakt gaat het onder andere over het vrijwaren/compenseren voor bepaalde aansprakelijkheden onder strikte condities. Deze afspraken staan helemaal los van de toelatingsprocedure.
Deelt u de mening dat de snelheid waarmee vaccins nu tot stand komen juist in het teken moet staan van werkzaamheid en veiligheid van het vaccin? Kunt u uw antwoord toelichten?
Ja, een vaccin moet ten alle tijden zo veilig mogelijk zijn. Dit is niet alleen belangrijk voor het effectief bestrijden van deze pandemie, maar is ook essentieel om het draagvlak voor vaccinaties in het algemeen hoog te houden.
Het bericht ‘Tekort aan jeugdzorgers steeds nijpender’ |
|
Martin Wörsdörfer (VVD) |
|
Hugo de Jonge (viceminister-president , minister volksgezondheid, welzijn en sport) (CDA) |
|
|
|
|
Bent u bekend met het bericht «Tekort aan jeugdzorgers steeds nijpender»?1
Ja.
Klopt het dat de instroom in de jeugdzorg in het eerste kwartaal van 2020 is afgenomen met 30 procent? Zo ja, welke verklaringen heeft u voor deze afname?
CBS heeft onlangs een kwartaalupdate met gegevens over het eerste kwartaal 2020 met betrekking tot de arbeidsmarkt zorg en welzijn op AZW StatLine gepubliceerd en hierbij een nieuwsbericht uitgebracht waarin deze afname van 30% wordt gemeld. Echter, de in het nieuwsbericht gebruikte gegevens betreffen enkel de instroom van nieuwe medewerkers in de Jeugdzorg die voorheen buiten Zorg en Welzijn werkzaam waren en bieden daarmee geen volledig beeld van de ontwikkeling van de instroom van medewerkers in de jeugdzorg. Er is ook instroom vanuit andere branches binnen Zorg en Welzijn naar de jeugdbranche.
Daarnaast moeten ook de volgende aspecten worden meegewogen:
Rekening houdend met deze aspecten en als gekeken wordt naar de gegevens over de in- en uitstroom dan is vanaf 2015 een oplopend aantal mensen dat instroomt te zien. De instroomgegevens over de afgelopen jaren laten zien dat de instroom afneemt en dat is zorgwekkend. Maar deze afname is beduidend kleiner dan de 30% die in het nieuwsbericht van CBS wordt genoemd. De 30% heeft enkel betrekking op de instroom van medewerkers in jeugdzorg van buiten de sector Zorg en Welzijn en zonder dat is gecorrigeerd voor administratieve mobiliteit. Als gekeken wordt naar alle instroom in de branche jeugdzorg (van buiten de sector Zorg en Welzijn en van andere branches binnen Zorg en Welzijn) en daarnaast gecorrigeerd wordt voor administratieve mobiliteit, dan zien we een daling in de instroom van medewerkers in de jeugdzorg van 13% (van ca. 6.400 in Q1 2019 naar ca. 5.600 medewerkers in Q1 2020).
Onbekend is of de covid-19 pandemie een rol heeft gespeeld bij de instroom in het eerste kwartaal 2020.
VWS heeft geen gegevens over de motieven van mensen om niet te kiezen voor een baan in de jeugdzorg. Momenteel wordt in het kader van het onderzoeksprogramma Arbeidsmarkt Zorg en Welzijn (AZW) een onderzoek uitgevoerd naar mobiliteit in het sociaal domein. Onderzoeksvragen hierin zijn onder meer wat nieuwe werknemers motiveert om (wel of niet) in het sociaal domein te gaan werken, en welke goede voorbeelden er zijn van behoud van werknemers in het sociaal domein. Ik verwacht hiermee meer zicht te krijgen op de motieven die een rol spelen bij de keuze voor het sociaal domein. De resultaten van het onderzoek komen nog in 2020 beschikbaar. VWS gaat de uitkomsten van dit onderzoek bespreken met de veldpartijen en de Arbeidsmarkttafel Jeugd en bezien welke aanvullende acties eventueel nodig zijn gericht op het vergroten van de instroom.
Deelt u de mening, ook van de FNV, dat het verminderen van de administratieve lasten in de jeugdzorg een deel van de oplossing zou kunnen zijn om personeelsverloop- en ziekteverzuim tegen te gaan?
Ja.
Wanneer en op welke wijze voert u de unaniem door de Kamer aangenomen motie-Wörsdörfer c.s. uit waarin u opdracht krijgt bij ministeriële regeling regels te stellen met als doel het aanzienlijk verminderen van de uitvoeringskosten en het stroomlijnen van de verantwoordingseisen en administratieve processen binnen de jeugdhulpsector?2
De afspraak uit het convenant «stoppen met tijdschrijven in de jeugdzorg» is «dat VNG en VWS een project zullen starten om te komen tot een vereenvoudiging van productcodes met normen voor cliëntgebonden tijd, niet-cliëntgebonden tijd en reistijd.» Indien deze normen worden afgesproken zal dit als gevolg hebben dat bijvoorbeeld het bijhouden van een (digitale) agenda voor professionals voldoende is. Ik ben voornemens om de vereenvoudiging van de productcodes vast te leggen in een ministeriele regeling, streefdatum is 1 januari 2022.
Wat is de uitkomst van de gesprekken tussen de regering en gemeenten om lokale en regionale verantwoordingseisen zo veel mogelijk te beperken dan wel te stroomlijnen met als doel een minimale uniformiteit tussen en binnen de 42 zorgregio’s zoals verzocht in de motie van 18 november 2019?3
De uitwerking om lokale en regionale verantwoordingseisen zo veel mogelijk te beperken dan wel te stroomlijnen zit op meerdere vlakken. Zo richt de Norm van Opdrachtgeverschap van de VNG zich op zorgvuldigheidseisen bij inkoop, de verplichting tot het beperken van administratieve lasten en het gebruik van de i-standaarden. In het wetsvoorstel «Wet verbetering beschikbaarheid zorg voor jeugdigen» worden eisen gesteld aan de regionale samenwerking. Mijn wens om verantwoordingseisen voor de jeugdhulp op regionaal niveau te stroomlijnen, is verwerkt in dat wetsvoorstel.
Heeft u gesprekken gevoerd met branchepartijen over het verminderen van administratieve lasten van hun kant, zoals door de VVD-fractie gevraagd tijdens het wetgevingsoverleg Onderdeel Jeugd en aanverwante zaken van de begrotingen VWS en J&V 2020 van 18 november 2019?4 Wat waren de uitkomsten van deze gesprekken? In hoeverre monitort u de daadwerkelijke resultaten van deze gesprekken in de praktijk voor jeugdzorgmedewerkers? In hoeverre zullen nog meer van dit soort gesprekken plaatsvinden?
VWS heeft vanuit het programma Ontregel de Zorg en onder leiding van Rita Verdonk als speciaal adviseur voor de jeugdzorg, diverse gesprekken gevoerd met betrokken partijen over het verminderen van administratieve lasten en regeldruk, waaronder het stoppen met tijdschrijven. Dit heeft o.a. geresulteerd in de ondertekening van het convenant «Stoppen met tijdschrijven» door VWS, VNG, Jeugdzorg Nederland en FNV (mede namens CNV) op 11 juni 2020. Zo gaan werknemers en werkgevers in de CAO vastleggen dat er geen vermijdbaar tijdschrijven meer plaatsvindt. Gemeenten en jeugdhulpaanbieders hebben afgesproken geen vermijdbaar tijdschrijven meer op te nemen in de contracten inspannings- en output gericht. VWS, VNG, Jeugdzorg Nederland en FNV (mede namens CNV) hebben regelmatig overleg over de voortgang en monitoring van de afspraken uit het convenant.
Heeft u signalen ontvangen dat jeugdzorgmedewerkers graag meer inspraak in hun werkzaamheden willen hebben? Zo ja, welke stappen bent u bereid te zetten om de inspraak van jeugdzorgpersoneel te vergroten?
VWS is bekend met de wens van professionals om meer inspraak te hebben. Inspraak van professionals is wenselijk en helpend. Krachtige organisaties betrekken hun professionals bij het beleid van de organisatie en gaan met hen in gesprek over professionele autonomie en wat nodig is om hun vak goed te kunnen doen. Inspraak is een onderwerp dat geregeld zal moeten worden tussen werkgever en werknemer. Ik wil en kan hier niet in treden.
Het bericht ‘Nieuwe studie: elektrische auto gaat langer mee dan gedacht’ |
|
Rutger Schonis (D66), Matthijs Sienot (D66) |
|
Stientje van Veldhoven (staatssecretaris infrastructuur en waterstaat) (D66), Eric Wiebes (minister economische zaken en klimaat) (VVD) |
|
|
|
|
Bent u bekend met het bericht «Nieuwe studie: elektrische auto gaat langer mee dan gedacht»?1
Ja.
Herkent en onderschrijft u de resultaten uit het recente onderzoek van de TU Eindhoven?2 Zo nee, waarom niet?
Ik herken en onderschrijf de resultaten van het onderzoek van de TU Eindhoven. In deze studie wordt geconcludeerd, op basis van nieuwe onderzoeken, dat een elektrische auto / batterij veel langer mee gaat dan tot nu toe werd gedacht. Ook blijkt dat de productie van de batterij tot minder CO2-uitstoot leidt dan werd aangenomen. Ik ben verheugd te zien dat het onderzoek naar elektrische voertuigen niet stilstaat en dat belangrijke parameters – zoals CO2-reductie, levensduur van de auto en batterij, en verantwoorde productie van batterijen – zich positief blijven ontwikkelen. Ik heb het Planbureau voor de leefomgeving (hierna: PBL) en andere instanties zoals de Algemene Rekenkamer gewezen op de bevindingen van het rapport.
Deelt u de conclusie uit het onderzoek dat de milieuprestaties van elektrische personenauto’s tot op heden worden onderschat?
Indien de bevindingen van het rapport zoals de langere levensduur van de elektrische auto’s in de komende tijd op grote schaal empirisch bevestigd worden heeft dat positieve effecten op de kosteneffectiviteit van een elektrische auto. De positieve effecten van een emissievrije auto gaan dan immers langer mee. Sommige studies zoals van de Algemene Rekenkamer gaan bijvoorbeeld nog uit van een levensduur van slechts 5 jaar van een elektrische auto. De ontwikkelingen en innovaties bij de productie van volledig elektrische auto’s gaan snel en de stroommix wordt steeds groener.
Los van de klimaatwinst heeft volledige elektrische automobiliteit ook nog andere voordelen voor de consument en de samenleving: elektrische automobiliteit draagt bij aan de energietransitie, omdat de elektromotor een veel hoger rendement (ca 90%) heeft dan de fossiele brandstofmotor (35%) en daarom energie bespaart. Daarnaast draagt het bij aan doelstellingen van het Schone Lucht Akkoord3. Voorts draagt elektrische automobiliteit volgens studies bij aan extra werkgelegenheid4. Tot nu toe behoort Nederland tot één van de wereldwijde koplopers op het gebied van elektrisch vervoer, aldus RVO. De positieve effecten op werkgelegenheid, innovatie en export zijn eerder door hen in kaart gebracht. 5
Deelt u de mening dat het voor het monitoren van de voortgang van de afspraken uit het Klimaatakkoord van belang is dat de meest recente inzichten worden gebruikt, ook ten aanzien van het mobiliteitsdeel? Zo nee, waarom niet?
Ja, die mening deel ik.
Met welke kosten per ton CO2-reductie is bij de totstandkoming van het Klimaatakkoord gerekend voor wat betreft het onderdeel automobiliteit en waar is dat op gebaseerd?
Voor de bepaling van de effecten van het Nederlandse Klimaatakkoord worden volgens internationale afspraken voor automobiliteit alleen de directe («tank-to-wheel») emissies op Nederlands grondgebied meegenomen. De indirecte emissies bij de productie en distributie van auto’s, brandstoffen of elektriciteit worden in andere sectoren meegenomen of vallen buiten de afbakening van Nederlands grondgebied. In het onderzoek van de TUe staat de technische levensduur en levenscyclus van elektrische auto’s centraal. In 2015 heeft TNO een vergelijkbare «life cycle analysis» uitgevoerd om naast de CO2-uitstoot en vervuilende emissies als gevolg van het gebruik van het voertuig ook de CO2- en vervuilende emissies die worden uitgestoten bij de productie van het voertuig, de accu’s én de elektriciteit en brandstoffen inzichtelijk te maken. Een emissievrije auto met accupakket die volledig op groene stroom wordt gereden, stoot gemiddeld 70% minder CO2-uit dan een vergelijkbare auto op benzine. Rijdt men de emissievrije auto op grijze stroom, dan is de CO2-uitstoot bij gebruik van de elektrische auto 30% minder dan bij gebruik van een conventionele auto. Ook een recente studie van Transport & Environment6 van april 2020 toont aan dat een gemiddelde elektrische auto in Europa al 3 keer schoner is dan een conventionele auto. Bij de kosteneffectiviteitsanalyses van het Nederlandse stimuleringsbeleid staan vooral de directe emissies van autogebruik en de verwachte verblijfsduur van auto’s binnen Nederland centraal.
In het rapport «kosteneffectiviteit stimuleringsbeleid EV» (Revnext, 2020) worden de kosten per vermeden ton CO2 beschreven van het stimuleringsbeleid voor nul-emissie auto’s in het Klimaatakkoord. De totale overheidskosten van het beleid in 2020–2025 liggen voor de zakelijke rijder op circa 500 euro per ton en voor de particuliere rijder op 600 euro per ton. Deze totale overheidskosten bestaan voor circa 50% uit indirecte kosten zoals accijnsderving en minder inkomsten uit BPM. Dat zijn kosten die bij elke verduurzamingsmaatregel optreden, die geen stimuleringseffect hebben en vergelijkbaar zijn met bijvoorbeeld de accijnsdervingen bij alcohol of sigaretten die optreden als maatregelen worden genomen om dit gebruik te ontmoedigen. Conform de huidige begrotingssystematiek moeten ook deze indirecte kosten worden meegenomen in de berekening van de totale overheidskosten. Als deze indirecte effecten echter buiten beschouwing worden gelaten en alleen gekeken wordt naar de directe kosten, dan bedragen deze voor particulieren 190–262 euro per ton voor particulieren en 220–311 euro per ton voor de zakelijke rijders. Hierbij is nog uitgegaan van een conservatieve inschatting voor de verblijfsduur en afschrijvingstermijn van een elektrische auto, namelijk van 10 jaar met een autogebruik van 140.000 tot 205.000 km. Binnen de totale kosteneffectiviteit betreft circa 200 tot 300 euro per ton de directe stimuleringskosten, zoals de BPM-vrijstelling, MRB-vrijstelling, bijtellingskorting en subsidies voor elektrische auto’s. De overige kosten betreffen indirecte effecten in het belastingstelsel zoals lagere BPM en accijnsopbrengsten doordat elektrische auto’s in de plaats komen van conventionele auto’s.
Naast het overheidskostenperspectief is voor de maatschappij als geheel het nationale kostenperspectief van belang. In Kansrijk mobiliteitsbeleid 20207 staat beschreven dat de nationale kosten van het Klimaatakkoord voor elektrisch rijden reeds in 2025 lager zijn dan 0 euro per ton CO2. Het stimuleringsbeleid is maatschappelijk gezien kosteneffectief.
Ondanks dat er nog geen grootschalige ervaringscijfers zijn met elektrische auto’s van ouder dan 10 jaar en het onzeker is in welke mate en op welke leeftijd elektrische auto’s in de toekomst naar het buitenland geëxporteerd worden, is een technische levensduur en verblijfsduur van langer dan 10 jaar aannemelijk voor een volwassen markt. Zo hebben benzineauto’s in Nederland een gemiddelde leeftijd van 12 jaar en de gemiddelde leeftijd bij export is 16 jaar. Ik heb daarom een gevoeligheidsanalyse met 15 jaar en een autogebruik van 190.000 tot 255.000 km laten uitvoeren. De totale overheidskosten van het beleid in 2020–2025 liggen in dat geval op circa 300 (zakelijke rijder) tot 500 (particulier) euro per ton CO2. Binnen de totale overheidskosten bedragen de directe stimuleringskosten dan circa 100 tot 250 euro per ton CO2.
Zijn de resultaten van het onderzoek aanleiding om de kosten per ton CO2-reductie in het onderdeel automobiliteit uit het Klimaatakkoord te herijken? Zo ja, binnen welke termijn kunt u deze herijking gereed hebben? Zo nee, waarom niet?
Veel kenmerken van auto’s en gedragsontwikkelingen in de Nederlandse automarkt hebben invloed op de kosteneffectiviteitsberekeningen. De belangrijkste kenmerken en ontwikkelingen worden zo goed mogelijk meegenomen in de rekenmodellen. Op basis van monitoring van deze kenmerken en ontwikkelingen worden de rekenmodellen up-to-date gehouden en ramingen periodiek geactualiseerd. De overheidskosteneffectiviteit en de nationale kosteneffectiviteit (CPB en PBL 2020) geven het meest actuele inzicht in de kosteneffectiviteit. Het onderzoek van de TUe heeft op onderdelen een andere afbakening en berekeningswijze dan de wijze waarop overheidsbeleid op kosteneffectiviteit beoordeeld moet worden. De belangrijkste uitgangspunten en aannames achter de kosteneffectiviteitsberekeningen komen goed overeen. Het ministerie blijft deze ontwikkelingen monitoren. Op basis van deze monitoring kunnen de uitgangspunten van de methodiek van effectiviteitsberekeningen in de toekomst eventueel worden geactualiseerd. Het blijft daarbij van belang om bij de overheidskosten nadrukkelijk onderscheid te maken tussen directe stimuleringskosten en afgeleide indirecte kosten zoals accijnsderving en gederfde BPM die bij elke vorm van verminderd gebruik van fossiele brandstoffen optreden.
Deelt u de mening dat de consument beter geïnformeerd moet worden over de levensduur van elektrische occasions? Zo ja, wat gaat u daartoe ondernemen? Zo nee, waarom niet?
Ik deel de opvatting dat de consument goed geïnformeerd moet worden over elektrische occasions, inclusief levensduur van elektrische occasions. In het kader van het Klimaatakkoord heb ik daarom ook met de partners van het formule E-team8 afspraken gemaakt over scholing van personeel als ook aanvullende informatieverstrekking/communicatie.
De markt van elektrische occasions is nog pril en in ontwikkeling. Steeds meer consumenten en marktpartijen oriënteren zich op de mogelijkheden van elektrische occasions. Vanuit de rijksoverheid heb ik elektrische occasions geïncludeerd in de Subsidieregeling Elektrische Personenauto's Particulieren (SEPP), zodat elektrisch rijden ook toegankelijk wordt voor consumenten die een elektrische occasion wensen aan te schaffen.
Kunt u deze vragen afzonderlijk beantwoorden?
Ja.
De polymerase chain reaction-test (PCR-test) |
|
Wybren van Haga (Lid-Haga) |
|
Hugo de Jonge (viceminister-president , minister volksgezondheid, welzijn en sport) (CDA) |
|
|
|
|
Kunt u – gelet op het feit dat uw summiere reactie in uw schrijven aan de Kamer d.d. 28 augustus 2020 onvoldoende inhoudelijk en specifiek is waar het gaat om de polymerase chain reaction-test (PCR-test) – alsnog antwoord geven op de door vragensteller ingediende 14 vragen van 18 augustus 2020 inzake de PCR-test? Indien nee, waarom niet?1 2