De bereikbaarheid van GGD-GHOR voor afspraken van vaccinaties |
|
Aukje de Vries (VVD) |
|
Hugo de Jonge (viceminister-president , minister volksgezondheid, welzijn en sport) (CDA) |
|
|
|
|
Herinnert u zich het antwoord van de GGD-GHOR tijdens de technische briefing op 15 april 2021 in de Tweede Kamer over de bereikbaarheid van de GGD vaccinatielijn en de GGD website om afspraken te maken, namelijk dat de slechte bereikbaarheid slechts een probleem was gedurende drie dagen en dat er inmiddels een oplossing was en dat er beter gepland werd bij het versturen van brieven?
Ja.
Hoe is dit te rijmen met de melding van de GGD-GHOR op sociale media op diezelfde dag, dat het «momenteel erg druk is bij de afsprakenlijn» en «we werken aan een oplossing», en alle reacties daaronder van mensen die ellenlang in de wacht staan, verbinding die wordt verbroken, maar ook de directe reacties die binnen komen? Wat was de oorzaak van het probleem op dit dag?
Laat ik voorop stellen dat het bijzonder vervelend is als, door welke oorzaak dan ook, uitgenodigde mensen niet snel een afspraak kunnen maken. De GGD maakt momenteel gebruik van drie telefoonnummers: twee 0800-nummers, welke gebruikt kunnen worden door de zorgmedewerkers langdurige zorg en de leeftijdsgroepen die volgens de vaccinatiestrategie voor vaccinatie worden uitgenodigd, en één 088-nummer. Via laatstgenoemd nummer kunnen specifieke, kleinere doelgroepen afspraken maken.
Op de 0800-nummers was de bereikbaarheid goed. De problemen op 15 april deden zich voor bij het 088-telefoonnummer. Via dit nummer kunnen op dit moment mensen met obesitas en mensen met het downsyndroom afspraken maken. Deze groep is vanaf 14 april door de huisartsen uitgenodigd om een afspraak te maken bij de GGD. Er bleek door de huisartsen echter een grotere groep mensen met een medische indicatie te zijn uitgenodigd dan verwacht. In de uitnodiging was bovendien een korte reactietermijn voor het maken van een afspraak opgenomen. Hierdoor kwamen er op 15 en 16 april respectievelijk 156.000 en 95.000 gesprekken binnen op deze lijn. Een 088-nummer is hier niet op berekend en de drukte op deze lijn heeft ook gevolgen voor de bereikbaarheid van andere bedrijven. Het gevolg is geweest dat het nummer op 15 april enige tijd geblokkeerd en beperkt bereikbaar is geweest. De problemen met de bereikbaarheid op deze twee dagen lag dus niet aan de voorbereiding en bezetting van het callcenter. Inmiddels is besloten dat het 088-nummer zal worden omgezet naar een 0800-nummer, zodat ook bij dit soort bijzondere omstandigheden problemen opgevangen kunnen worden.
Bent u het ermee eens dat voor het draagvlak voor het vaccinatiebeleid, de vaccinatiebereidheid en het vaccinatietempo het van belang is dat het relatief eenvoudig is om een afspraak te kunnen maken? Zo nee, waarom niet?
Ik deel met u de mening dat een goed lopend afsprakenproces bijdraagt aan het draagvlak voor de vaccinatiecampagne. Er wordt geanticipeerd op mogelijke verstoringen in dit proces en verbeteringen doorgevoerd. Knelpunten en problemen die zich toch voordoen worden geëvalueerd en leiden eveneens tot aanpassingen en verbeteringen. Voorts wordt nu ook uitdrukkelijk gestimuleerd om een vaccinatieafspraak te maken via het online webportaal, zodat een evenwichtige belasting van het callcenter en het webportaal wordt gerealiseerd.
Wat zijn de oorzaken van de bereikbaarheidsproblemen en wachttijden bij de telefoonlijn en de website van de GGD-GHOR?
Zie het antwoord op vraag 2.
Kan een overzicht worden gegeven van de bereikbaarheid (onder andere wachttijden) van de telefoon en de website van de GGD-GHOR in maart en april 2021, onder meer wachttijden, verbroken verbindingen, klachten, et cetera?
In de maand maart is 15,2% van de gesprekken verbroken door de beller; in april (tot en met 29 april) is dat percentage gedaald tot 6,3%. Bij het begin van het gesprek krijgt de beller het bericht dat ook online een afspraak gemaakt kan worden. Dit bericht wordt tijdens het wachten herhaald. De gemiddelde wachttijd is gedaald van 4 minuten en 37 seconden in maart tot 2 minuten en 34 seconden in april (tot en met 29 april).
Wat zijn de afgesproken normen voor de bereikbaarheid (onder andere wachttijden) voor de GGD-GHOR bij de telefoon en website? In hoeverre worden de normen gehaald? Hoe verhouden deze normen zich tot die van andere grote call centra?
Er is de afspraak dat 80% van de gesprekken binnen 20 seconden wordt opgenomen. In maart is die norm op 23 dagen gehaald. In april (tot en met 29 april) is die norm op 23 dagen gehaald. Op basis van analyses over belpatronen wordt de bezetting van het callcenter steeds geoptimaliseerd, zodat kan worden ingespeeld op verwachte piekmomenten. Inmiddels is het callcenter opgeschaald tot 9.500 medewerkers. Bovendien wordt nu gestimuleerd dat burgers zoveel als mogelijk gebruik maken van de mogelijkheid om online afspraken te maken. Hiermee wordt een evenwichtige verdeling nagestreefd tussen het gebruik van het callcenter en het webportaal.
Indien niet wordt voldaan aan de afgesproken normen, hoe wordt er dan voor gezorgd dat deze wel gehaald gaan worden en wanneer? Hoe wordt gewerkt aan het oplossen van de problemen met de bereikbaarheid (onder andere wachttijden)?
Zie antwoord vraag 6.
Het bericht 'Minister Schouten komt met hilarisch antwoord op Kamervragen over kritische depositiewaarden' |
|
Edgar Mulder (PVV) |
|
Carola Schouten (viceminister-president , minister landbouw, visserij, voedselzekerheid en natuur) (CU) |
|
|
|
|
Bent u bekend met het bericht «Minister Schouten komt met hilarisch antwoord op Kamervragen over kritische depositiewaarden»?1
Ja.
Blijft u bij uw standpunt, ook na kennis te hebben genomen van het hierboven genoemde artikel, dat het artikel van Banin e.a. niet ten grondslag ligt aan de in Europa en in Nederland gebruikte kritische depositiewaarden (en evenmin aan de daarbij gebruikte methoden om onzekerheden mee te bepalen) en dat dit blijkt uit het feit dat de Europese resultaten in 2011 zijn gepubliceerd en de Nederlandse in 2012, dus ruim voor de analyse van Banin e.a.?2
Ja.
Bent u het eens met de constatering van onderzoeker Jaap Hanekamp dat de literatuur die ten grondslag ligt aan «Banin» (2014), ongeveer dezelfde literatuur betreft (uit 2011/2012) waarnaar u verwijst en dat de kennisbasis in «Banin 2014» dus relevant is voor de in Nederland gebruikte kritische depositiewaarden?3
De twaalf studies die worden genoemd, liggen inderdaad ten grondslag aan de onderbouwing van de empirische KDW van 5–10 kg N/ha/j voor hoogveenlandschappen (EUNIS-klasse D1) en die van 10–15 kg N/ha/j voor heideveentjes, moerasheiden en veenmosrietlanden (EUNIS-klasse D2) in het Europese KDW-rapport (Bobbink & Hettelingh 2011). Indirect liggen ze daarom ook ten grondslag aan de Nederlandse KDW's voor de habitattypen H7110A en H7120, respectievelijk H4010B, H7110B en H7140B in Van Dobben e.a. (2012).
De KDW-vaststelling in 2010 (gepubliceerd in 2011) is echter – logischerwijs – niet gebaseerd op het artikel uit 2014 van Banin e.a. en de daarin gebruikte methode om onzekerheden te kwantificeren. In dat artikel zijn, voor alle duidelijkheid, geen KDW's voorgesteld – er is alleen gepoogd een methode te ontwikkelen om onzekerheden te kunnen kwantificeren. Daarbij is gebruik gemaakt van de twaalf studies die in 2010 besproken zijn om tot KDW-ranges te komen. Daarom concludeerde ik in mijn antwoord van 13 april 2021 dat het artikel van Banin e.a. niet ten grondslag ligt aan de in Europa en in Nederland gebruikte kritische depositiewaarden en evenmin aan de daarbij gebruikte methoden om onzekerheden mee te bepalen.
Het artikel van Banin e.a. is overigens als zodanig ook niet geschikt om KDW's mee te bepalen. In het artikel wordt er melding van gemaakt dat in vrijwel alle studies al bij de laagste toevoeging van stikstof een negatief effect werd geconstateerd (dat laagste niveau was wel zeer verschillend per experiment). Dat bemoeilijkt het precies kunnen bepalen – via logistische regressie – van het niveau waarop géén significant negatief effect optreedt. Dat is dan ook te verwachten bij habitats die zeer gevoelig zijn voor stikstof, waarbij reeds een vrij beperkte toename van depositie boven de natuurlijke achtergronddepositie al tot negatieve effecten leidt. In vergelijkende veldstudies kan dat alleen nog maar aangetoond worden in de meest schone gebieden binnen Europa, zie bijvoorbeeld de studie over Noorse hoogvenen (M. Jokerud 2012: Impact of Nitrogen Deposition on Species Richness and Species Composition of Ombrotrophic Mires in Western Norway).
Bent u bekend met het bericht «Stikstof best te overleven: «Laten we ons niet blindstaren op modellen»»?
Ja.
Hoe beoordeelt u de uitspraken: «De stikstofbelasting is wel twee keer zo hoog als bepaalde stikstofgevoelige fauna officieel kunnen verdragen, en toch zijn deze soorten stabiel» en «Met bijzondere stikstofgevoelige soorten als de waterbies, wijdbloeiende rus, heidekartelblad en moerashertshooi gaat het goed» van ecoloog en stikstofdeskundige Bart Smeets?4
Deze uitspraak moet in de context worden gezien van de door de heer Smeets opgestelde notitie met de titel «Het Korenburgerveen, een onmogelijke natuurparel?», waar het interview op aansluit. Daarin staan de geciteerde uitspraken niet. Daarentegen staat er in die notitie wel: «Op basis van oude gegevens en de onderzoeken van Berglinde uit 2007 en 2019 kunnen we concluderen dat er in totaal 27 plantensoorten die ooit in het Korenburgerveen groeiden verdwenen zijn. Van deze verdwenen soorten zijn er 12 na het jaar 2000 verdwenen.» En ten slotte wordt geconcludeerd: «De laatste tijd wordt steeds weer de discussie gevoerd over het negatieve effect van depositie van stikstof in Natura 2000 gebieden op de aanwezige natuurwaarden. Ongetwijfeld is een overmaat aan stikstof ongunstig voor kwetsbare planten die een voorkeur hebben voor voedselarme omstandigheden. Maar het is duidelijk dat door het treffen van gerichte maatregelen het effect van de enorme depositie van stikstof (en andere knelfactoren) in het Korenburgerveen geminimaliseerd wordt». De heer Smeets concludeert dus dat herstelmaatregelen voor een deel van de soorten hebben geleid tot een stabilisering, maar dat desondanks alleen al na 2000 twaalf soorten zijn verdwenen.
Hoe is het volgens u mogelijk dat het Korenburgerveen, een «parel van een natuurgebied», floreert terwijl het omringd wordt door talloze intensieve veebedrijven, als er sprake zou zijn van een enorm stikstofprobleem?
Als een gebied van twee problemen last heeft, in dit geval verdroging en stikstof, en je pakt vooral één probleem grondig aan, dan mag je gedeeltelijke verbetering verwachten. Terecht zijn degenen die die verbetering hebben geconstateerd, optimistisch gestemd.
Dit soort verbeteringen zijn dan ook de reden dat waterhuishoudkundige maatregelen onderdeel uitmaakten van de maatregelen die zijn uitgevoerd binnen het Programma Aanpak Stikstof, hoewel dat type maatregelen als zodanig het stikstofprobleem niet oplossen. En ook onder het Programma Natuur worden maatregelen ingezet die bijvoorbeeld verruiging en bodemverzuring kunnen tegengaan. Beide problemen kunnen worden veroorzaakt door stikstof maar ook door verdroging. Door de verdroging aan te pakken, wordt een verbetering bewerkstelligd ten aanzien van de kwaliteit die mede door stikstof was aangetast. Dat laat onverlet dat stikstof nog steeds tot die verruiging en bodemverzuring leidt. Het opgetelde effect van verdroging en stikstof is echter veel minder geworden door de waterhuishoudkundige maatregelen.
Wilt u stoppen met het wegtreiteren van boeren en het verkwisten van miljarden euro's aan een verzonnen stikstofprobleem?
Ik draag de boeren een warm hart toe; van het wegtreiteren van boeren was en is geen sprake.
Het stikstofprobleem is niet verzonnen, maar een realiteit. De financiën die voor het oplossen ervan zijn uitgegeven en begroot, zijn noodzakelijk, zowel voor de natuur als voor de maatschappij.
Het bericht dat de natuur in het Korenburgerveen bij Winterswijk zich beter ontwikkelt dan voorspeld op basis van theoretische stikstofmodellen |
|
Thom van Campen (VVD) |
|
Carola Schouten (viceminister-president , minister landbouw, visserij, voedselzekerheid en natuur) (CU) |
|
|
|
|
Bent u bekend met het onderzoek van ECONU, waaruit blijkt dat de natuur zich beter ontwikkelt dan verwacht op basis van theoretische stikstofmodellen?1
Ja.
Is er van andere Natura 2000-gebieden een soortgelijke inventarisatie beschikbaar en is hierbij ook inzicht in de waterhuishouding van dit betreffende gebied, zowel natuurlijke waterstromen als onttrekking ten behoeve van de drinkwatervoorziening?
Ja, dit is en wordt per gebied geïnventariseerd in het kader van de bestaande cyclus van beheerplannen en het wordt nader geïnventariseerd voor het programmeren van herstelmaatregelen (Uitvoeringsprogramma Natuur).
Wat is uw reactie op de oproep van de onderzoekers die pleiten om niet alleen te kijken naar de theoretische kritische depositiewaarden (KDW) maar bijvoorbeeld ook naar gerichte herstelmaatregelen in de praktijk, zoals hydrologische maatregelen?
Die oproep sluit naadloos aan bij het door mij en mijn voorgangers gevoerde beleid.
Bent u bereid deze maatregelen op andere plekken toe te passen? Zo ja, waar en op welke manier? Zo nee, kunt u toelichten waarom niet?
Deze maatregelen worden in hoogvenen al sinds circa 1950 genomen en zijn met name de laatste decennia sterk geïntensiveerd. er valt op dit vlak echter nog veel winst te behalen. De noodzaak tot het nemen van deze maatregelen is heel duidelijk, niet alleen vanwege stikstof maar ook vanwege de klimaatproblematiek. Daarom vormen ze een prominent onderdeel van het Programma Natuur, waarvoor provincies momenteel plannen indienen.
Deelt u de mening dat ieder natuurgebied zijn eigen verschillende, bijzondere en karakteristieke soorten en habitattypen bevat en dat ieder gebied dus een eigen gebiedsgerichte aanpak vraagt en dat alleen kijken naar KDWs en stikstof te beperkt is en beperkend werkt? Zo ja, op welke wijze gaat u ruimte bieden voor dit gebiedsgerichte maatwerk in de structurele aanpak stikstof? Zo nee, kunt u toelichten waarom niet?
Inderdaad vraagt ieder gebied een eigen gebiedsgerichte, integrale aanpak. Daarom is het Programma Natuur, naast maatregelen gericht op het reduceren van stikstofdepositie, onderdeel van de uitwerking van de Wsn. In de Wsn is daarom in artikel 1.12af opgenomen dat gedeputeerde staten een gebiedsplan opstellen met een gebiedsgerichte uitwerking van de landelijke omgevingswaarde en het programma stikstofreductie en natuurverbetering.
Dit betekent echter niet dat het ene probleem (stikstofeffecten) weggestreept kan worden tegen het andere (verdroging). Het betekent wel dat de oplossing van het verdrogingsprobleem ons de tijd geeft om ook het stikstofprobleem op te lossen, voor zover het waterafhankelijke natuur betreft.
Bent u bereid om een reactie te geven op de conclusies en aanbevelingen van het rapport van ECONU en deze aan de Kamer te doen toekomen?
Uit het antwoord op vraag 3 blijkt dat ik de aanbeveling van de heer Smeets onderschrijf. Ook de conclusies uit de notitie kan ik op hoofdlijnen onderschrijven: ze vormen in zijn algemeenheid een goede samenvatting van de evaluatierapporten van de provincie Gelderland en van de beheerders van het gebied.
Ik plaats daarbij wel een kanttekening. Dat sprake is van een «minimalisering» van het effect van stikstofdepositie is niet juist; zo blijkt bijvoorbeeld dat het habitattype Actieve hoogvenen zich heeft uitgebreid, maar dat wel degelijk effecten van stikstof zichtbaar zijn in dat habitattype, zoals een grotere bedekking van grassen dan van nature het geval is. Bij de Blauwgraslanden is dat nog veel duidelijker, omdat hier het positieve effect van de maatregelen nog onvoldoende is. En het positieve effect van waterhuishoudkundige maatregelen is eindig, wat betekent dat de negatieve effecten van stikstof op termijn niet meer opgevangen zullen worden door de verbetering als gevolg van de genomen waterhuishoudkundige maatregelen.
Het bericht 'Kloosters vragen om compensatie, want ook broeders bijten in coronatijd op houtje' |
|
René Peters (CDA), Hilde Palland (CDA), Mustafa Amhaouch (CDA) |
|
Wouter Koolmees (minister sociale zaken en werkgelegenheid, viceminister-president ) (D66), Bas van 't Wout (VVD) |
|
|
|
|
Heeft u kennis genomen van de brief van de koepelorganisatie van religieuze gemeenschappen en instituten, de Konferentie Nederlandse Religieuzen, met een verzoek om een compensatieregeling vanwege het wegvallen van inkomsten als gevolg van corona?1
Ja. Op 10 mei 2021 heeft het Ministerie van Economische Zaken en Klimaat naar aanleiding van de brief een telefonisch gesprek gehad met de koepelorganisatie van religieuze gemeenschappen en instituten.
Bent u ervan op de hoogte dat de inkomsten van kloosterlingen voor een groot deel bestaan uit het verkopen van abdijproducten in de abdijwinkel en uit het bieden van overnachtingen in zogenaamde gasthuizen?
Ja, daar ben ik van op de hoogte.
Van welke steunmaatregelen kunnen abdijwinkels en religieuze gasthuizen gebruik maken?
De COVID-19-regelingen en -subsidies gelden voor een uiteenlopende groep werkgevers en ondernemers en zijn vanwege de omvang en gewenste tijdigheid generiek van aard. Abdijwinkels en religieuze gasthuizen kunnen – net als andere ondernemers – afhankelijk van hun specifieke situaties en wanneer zij voldoen aan de voorwaarden – een beroep doen op de bestaande regelingen zoals de Noodmaatregel Overbrugging Werkgelegenheid (NOW), Tijdelijke overbruggingsregeling zelfstandig ondernemers (Tozo) en de Tegemoetkoming Vaste Lasten (TVL). Daarnaast zijn er financieringsmogelijkheden waarbij de overheid garant staat, zoals Qredits, GO-C en KKC. Ook hier zijn er uiteraard bepaalde voorwaarden waaraan ondernemers moeten voldoen.
Waarom hebben deze organisaties geen toegang tot de Tegemoetkoming Vaste Lasten (TVL)?
De bovenstaande organisaties hebben net zoals andere ondernemers toegang tot TVL, mits ze aan de voorwaarden van de TVL voldoen. We zien in de TVL-aanvragen dat een aantal kloosters de TVL hebben aangevraagd en deze aanvraag ook toegekend hebben gekregen.
Deelt u de mening dat deze abdijwinkels en gasthuizeneen gelijke behandeling verdienen als alle andere winkels en horecagelegenheden die vanwege corona hun deuren hebben moeten sluiten? Zo ja, bent u bereid om voor de kloosterlingen die afhankelijk zijn van inkomsten uit abdijwinkels en gasthuizen, eenzelfde regeling te treffen als die getroffen is voor horecagelegenheden en winkels? Zo nee, waarom niet en hoe gaat u er dan voor zorgen dat deze kloosterlingen gecompenseerd worden voor hun inkomstenverlies vanwege corona?
Ja, ik deel de mening dat abdijwinkels en gasthuizen een gelijke behandeling verdienen als alle andere winkels en horecagelegenheden die vanwege corona hun deuren hebben moeten sluiten. Vandaar dat abdijwinkels en gasthuizen net als alle andere winkels en horecagelegenheden toegang hebben tot TVL, mits ze aan de voorwaarden voldoen.
De coronacrisis hakt er bij iedereen in en dat is voelbaar in alle sectoren, bij werkenden, burgers en bij alle ondernemingen waaronder de abdijwinkels en gasthuizen. Het kabinet spant zich daarom in om zo goed als kan baanbehoud en bedrijvigheid te ondersteunen. Het kabinet zet zich hier vanaf de start van de crisis voor in door middel van de omvangrijke steun- en herstelpakketten, waaronder de eerder genoemde NOW, Tozo en TVL. Het generieke steun- en herstelpakket beweegt mee en leidt daarmee automatisch tot meer steun voor ondernemers die langer dicht moeten of meer omzetverlies hebben. Daarnaast roept het kabinet ondernemers zelf ook op om zo goed als kan zelf omzet te genereren, via bijvoorbeeld andere kanalen zoals afhaal of online verkoop.
Zie vraag 3 voor een overzicht van steunmaatregelen waar abdijwinkels en gasthuizen voor in aanmerking kunnen komen. Het kabinet is vooralsnog niet voornemens om, naast de bestaande diverse generieke steunmaatregelen, aanvullende ondersteuningsmaatregelen te treffen specifiek voor deze groep.
De antwoorden op eerdere schriftelijke vragen over het onderzoek naar stikstofdepositie en kritische depositiewaarden |
|
Roelof Bisschop (SGP) |
|
Carola Schouten (viceminister-president , minister landbouw, visserij, voedselzekerheid en natuur) (CU) |
|
|
|
|
Kunt u in een separate brief alsnog aangeven welke experimenten zijn gedaan in Nederlandse Natura 2000-gebieden om vast te stellen wat lokale kritische depositieniveaus zijn en in hoeverre onderzoek is gedaan om te bepalen hoe lokale habitats met lokale plantengemeenschappen zich verhouden tot de nationaal vastgestelde kritische depositiewaarden voor de betreffende habitattypen?1
Experimenten in Nederlandse Natura 2000-gebieden hebben niet als zodanig geleid tot het vaststellen van «lokale kritische depositieniveaus». Veldexperimenten leiden wel tot inzicht in de reactie van de natuur (soortensamenstelling en vegetatie) op verschillende niveaus van stikstofdepositie. De resultaten van verschillende veldstudies worden (samen met bijvoorbeeld laboratoriumexperimenten) gecombineerd tot internationaal vastgestelde empirische kritische depositiewaarden. Theoretisch is het mogelijk om «lokale kritische depositieniveaus» vast te stellen op basis van experimenten, maar dat is nog niet gebeurd (voor zover bekend ook niet in andere landen). Zoals in mijn antwoord van 13 april 2021 (zie voetnoot 1) is vermeld, kan op korte termijn geen overzicht worden gemaakt van alle experimenten die in de loop van decennia hebben plaatsgevonden om bij te dragen aan het vaststellen van de internationale KDW's. Dat vergt een grondige analyse van de literatuur waarin deze experimenten zijn beschreven.
Datzelfde geldt voor alle onderzoeken die zijn gedaan om te bepalen hoe de lokale habitats met de lokale plantengemeenschappen zich verhouden tot de nationaal vastgestelde kritische depositiewaarden voor de betreffende habitattypen. Meer in het algemeen is echter duidelijk dat in situaties waar een overschrijding van de KDW wordt berekend, door natuurbeheerders en bevoegde instanties ook daadwerkelijk is geconcludeerd dat er (in meer of mindere mate) sprake is van ongewenste stikstofeffecten, waardoor herstelmaatregelen noodzakelijk zijn.
Is de veronderstelling juist dat de wetenschappelijke experimenten waaraan gerefereerd wordt in de artikelen van Banin e.a. (2014) en Briggs/Hanekamp (2021) ook ten grondslag liggen aan de vaststelling van de kritische depositiewaarden in Europees verband en door Dobben e.a.?2, 3, 4
De twaalf studies die worden genoemd, liggen inderdaad ten grondslag aan de onderbouwing van de empirische KDW van 5–10 kg N/ha/j voor hoogveenlandschappen (EUNIS-klasse D1) en die van 10–15 kg N/ha/j voor heideveentjes, moerasheiden en veenmosrietlanden (EUNIS-klasse D2) in het Europese KDW-rapport (Bobbink & Hettelingh 2011). Indirect liggen ze daarom ook ten grondslag aan de Nederlandse KDW's voor de habitattypen H7110A en H7120, respectievelijk H4010B, H7110B en H7140B in Van Dobben e.a. (2012).
De KDW-vaststelling in 2010 (gepubliceerd in 2011) is echter – logischerwijs – niet gebaseerd op het artikel uit 2014 van Banin e.a. en de daarin gebruikte methode om onzekerheden te kwantificeren. In dat artikel zijn, voor alle duidelijkheid, geen KDW's voorgesteld – er is alleen gepoogd een methode te ontwikkelen om onzekerheden te kunnen kwantificeren. Daarbij is gebruik gemaakt van de twaalf studies die in 2010 besproken zijn om tot KDW-ranges te komen. Daarom concludeerde ik in mijn antwoord van 13 april 2021 dat het artikel van Banin e.a. niet ten grondslag ligt aan de in Europa en in Nederland gebruikte kritische depositiewaarden en evenmin aan de daarbij gebruikte methoden om onzekerheden mee te bepalen.
Het artikel van Banin e.a. is overigens als zodanig ook niet geschikt om KDW's mee te bepalen. In het artikel wordt er melding van gemaakt dat in vrijwel alle studies al bij de laagste toevoeging van stikstof een negatief effect werd geconstateerd (dat laagste niveau was wel zeer verschillend per experiment). Dat bemoeilijkt het precies kunnen bepalen – via logistische regressie – van het niveau waarop géén significant negatief effect optreedt. Dat is dan ook te verwachten bij habitats die zeer gevoelig zijn voor stikstof, waarbij reeds een vrij beperkte toename van depositie boven de natuurlijke achtergronddepositie al tot negatieve effecten leidt. In vergelijkende veldstudies kan dat alleen nog maar aangetoond worden in de meest schone gebieden binnen Europa, zie bijvoorbeeld de studie over Noorse hoogvenen (M. Jokerud 2012: Impact of Nitrogen Deposition on Species Richness and Species Composition of Ombrotrophic Mires in Western Norway).
Deelt u de mening dat de analyses van Banin e.a. en Briggs/Hanekamp in ieder geval illustreren dat de vaststelling van kritische depositiewaarden gepaard gaat met enorme wetenschappelijke onzekerheden?
Nee, van «enorme» wetenschappelijke onzekerheden is geen sprake. Want dat zou betekenen dat er in natuurgebieden weinig relatie is vast te stellen tussen KDW-overschrijdingen en daadwerkelijke negatieve stikstofeffecten. De op grote schaal en al vele decennia lang optredende negatieve effecten laten er geen twijfel over bestaan dat er bij overschrijding van de KDW's een reëel probleem ontstaat.
Op welke wijze houdt u bij de vaststelling van het beleid, waarin nu gekoerst wordt op absolute kritische depositiewaarden, rekening met deze grote onzekerheden?
Omdat er geen sprake is van grote onzekerheden, wordt daar ook geen rekening mee gehouden.
Deelt u de mening dat deze aan het onderwerp inherente onzekerheden zouden moeten betekenen dat terughoudend omgegaan wordt met absolute uitspraken over het al dan niet overbelast zijn van concrete hexagonen en lokale habitats?
Nee, die mening deel ik niet, omdat het, vanwege de verplichtingen van de Habitatrichtlijn, belangrijk is een zo goed mogelijke risico-inschatting te maken van het effect van stikstofdepositie. De daarvoor best beschikbare wetenschappelijke kennis bestaat uit de berekeningen in AERIUS in combinatie met de (internationaal gereviewde) KDW's, uitmondend in de conclusie of sprake is van overbelasting door stikstofdepositie.
De mogelijkheid bestaat om in een passende beoordeling aan te tonen dat significante effecten zijn uitgesloten ondanks overschrijding van de KDW. Dat vergt wel een grondige beoordeling, waarbij aangetoond wordt waarom in dat specifieke geval een verwacht effect van een KDW-overschrijding niet zal optreden. Zulke specifieke beoordelingen kunnen echter niet generiek worden toegepast via AERIUS.
Heeft u kennisgenomen van de ecologische analyse voor Natura 2000-gebied Korenburgerveen waarin wordt aangegeven dat de habitats in dit gebied zich veel beter ontwikkelen dan op basis van de depositieberekeningen verwacht werd?5
Ja.
Hoe waardeert u deze analyse in het licht van de centrale rol van de absolute kritische depositiewaarden in het huidige beleid?
Deze analyse leidt niet tot de conclusies dat KDW's een andere rol zouden moeten krijgen in het huidige beleid. Als een gebied van twee problemen last heeft, in dit geval verdroging en stikstof, en je pakt vooral één probleem grondig aan, dan mag je gedeeltelijke verbetering verwachten. Terecht zijn degenen die die verbetering hebben geconstateerd, optimistisch gestemd.
Dit soort verbeteringen zijn dan ook de reden dat waterhuishoudkundige maatregelen onderdeel uitmaakten van de maatregelen die zijn uitgevoerd binnen het Programma Aanpak Stikstof, hoewel dat type maatregelen als zodanig het stikstofprobleem niet oplossen. En ook onder het Programma Natuur worden maatregelen ingezet die bijvoorbeeld verruiging en bodemverzuring kunnen tegengaan. Beide problemen kunnen worden veroorzaakt door stikstof maar ook door verdroging. Door de verdroging aan te pakken, wordt een verbetering bewerkstelligd ten aanzien van de kwaliteit die mede door stikstof was aangetast. Dat laat onverlet dat stikstof nog steeds tot die verruiging en bodemverzuring leidt. Het opgetelde effect van verdroging en stikstof is echter veel minder geworden door de waterhuishoudkundige maatregelen.
Oplossing van de verdroging leidt niet tot het bijstellen of minder relevant verklaren van de KDW, want de KDW is vastgesteld voor niet-verdroogde omstandigheden.
Is mogelijk sprake van overschatting van de depositie, aangezien de gemiddelde ammoniakconcentratie bij de drie meetpunten van het Meetnet Ammoniak in Natuurgebieden (MAN) in Korenburgerveen in 2019 6,7 μg/m3 bedroeg (6,3–7,4 μg/m3), terwijl de gemiddelde, berekende concentratie op exact dezelfde locaties volgens de Grootschalige Concentratiekaarten Nederland (GCN) voor 2019 neerkomt op 8,9 μg/m3 -(8,3–9,8 μg/m3)?
De totale stikstofdepositie wordt in AERIUS op een hoog detailniveau (op hexagonen van een hectare) uitgerekend. Voor de Grootschalige Depositiekaart van Nederland (GDN) wordt op een lagere resolutie (van 1x1 km = 100 hectare) een landelijk beeld van de stikstofdepositie gemaakt. Hierbij wordt gebruik gemaakt van de berekeningen die in het kader van de Grootschalige Concentratiekaarten van Nederland (GCN) op 1x1 km voor ammoniak en stikstofoxiden worden gedaan.
De berekende concentraties en deposities worden geijkt aan de meetwaarden in heel Nederland. De vraag heeft betrekking op de GCN-kaart voor ammoniak. Voor deze kaart was abusievelijk de versie op de website https://www.rivm.nl/gcn-gdn-kaarten geplaatst met de niet-geijkte, «ruwe» gegevens. Het RIVM heeft inmiddels, naar aanleiding van deze vraag, deze vergissing hersteld en de goede kaart (met de berekeningen die zijn geijkt aan de metingen) op de website geplaatst. Voor de landelijke depositiekaart (GDN) en voor de depositieberekeningen in AERIUS had de vergissing overigens geen gevolgen, omdat voor die berekeningen geen gebruik wordt gemaakt van GCN-kaarten.
Door het herstellen van de vergissing, is de discrepantie in het Korenburgerveen vrijwel verdwenen: de berekende concentraties van de geijkte GCN-kaart zijn respectievelijk 6.6, 6.3 en 7.4 μg/m3 gemiddeld over de km-gridcellen (van 100 ha) waarin de MAN-meetpunten Korenburgerveen-1, -2 en -3 staan, met als gemeten waarden respectievelijk 6.3, 6.4 en 7.4.
De discrepantie in de Bennekomse Meent is verminderd: de berekende concentratie van de geijkte GCN-kaart is 15.0 gemiddeld over de km-gridcel (van 100 ha) waarin alledrie de MAN-meetpunten staan, met als gemeten waarden 12.9, 13.9 en 12.9 (gemiddeld over de drie meetpunten 13.2). De verklaring hiervoor is dat de gemiddelde concentratie in de gehele gridcel (van 100 ha) hoger is dan de gemiddelde concentratie in het natuurgebied (dat hier slechts een deel van is), omdat er in de noordoosthoek van de gridcel, net buiten het natuurgebied, stallen staan die meegewogen worden in het berekende gemiddelde.
Hoe waardeert u de inhoudelijke kritiek van Stichting Agri Facts op het negeren van het aspect waterhuishouding in de analyse van Van den Burg e.a. van de resultaten van het Wageningen Gassland Experiment in het Binnenveld in hun rapport over de ecologisch noodzakelijke reductiedoelstelling?6, 7
De stichting meent het geconstateerde herstel op de proefvelden van de Ossekampen toe te moeten schrijven aan een stijging van de grondwaterstand waardoor soorten van vochtige bodems weer zouden zijn toegenomen. De grondwaterstanden zijn ter plekke van het Wageningen Grassland Experiment echter niet gestegen. Deze locatie bevindt zich namelijk op de overgang van het Binnenveld naar de hogere gronden van Wageningen. De grondwaterstanden op deze locatie zijn na 1990 juist enigszins gedaald. Van oorsprong kwamen hier overigens geen vegetaties voor van uitgesproken vochtige omstandigheden. Daardoor kan de waterhuishouding geen verklarende factor zijn voor de geconstateerde veranderingen in soortensamenstelling. Dat is anders in de iets noordelijker in het Binnenveld gelegen Veenkampen, waar de voormalige blauwgraslanden mede door de verdroging zijn verdwenen, maar waar de grondwaterstanden inmiddels sterk zijn verbeterd.
Stichting Agri Facts legt overigens een relatie met grondwaterstanden via de indicatiewaarde van plantensoorten. Het is uit de publicatie niet duidelijk hoe dit is gebeurd en de resultaten kunnen dus niet worden geverifieerd. Wel is duidelijk dat de soorten die zijn toegenomen toen de depositie daalde, gemiddeld genomen ook een voorkeur hebben voor minder droge omstandigheden. Dat ze zijn toegenomen, kan echter niet liggen aan een verbeterde waterstand, want die heeft niet plaatsgevonden.
Is mogelijk sprake van overschatting van de depositie in het Binnenveld, aangezien de gemiddelde ammoniakconcentratie bij de drie MAN-meetpunten in 2019 13,2 μg/m3 bedroeg, terwijl de gemiddelde, berekende concentratie op exact dezelfde locaties volgens de GCN voor 2019 neerkomt op 17,8 μg/m3?
Bij de depositieberekening in AERIUS wordt ook rekening gehouden met de afstanden tot bronnen en met de terreinruwheid. Daarbij worden de resultaten berekend voor elk hectarehexagoon afzonderlijk, dus niet gemiddeld voor de gridcel van 100 ha. Uit het antwoord op vraag 8 blijkt dat er in het Binnenveld geen sprake is van «exact dezelfde locatie», omdat de meetpunten alleen in het natuurgebied staan en de gemiddelde concentratie op de GCN-kaart is berekend voor de hele gridcel, waarin ook stallen staan (met een hogere concentratie ammoniak rond de stal dan in de naastliggende Bennekomse Meent). De berekende depositie voor totaal stikstof (inclusief stikstofoxiden) in de hexagonen van het natuurgebied is naar verwachting niet overschat. Overigens maken de geconstateerde concentratieverschillen niet uit voor de vraag of er sprake is van overbelasting door stikstof: de depositie op de habitattypen in de Bennekomse Meent varieert tussen de 1.223 en 1.676 mol/ha/j (cijfers 2018), wat veel hoger is dan de KDW van 1.071 voor het in deze hexagonen aanwezige habitattype Blauwgraslanden.
Deelt u de mening dat het van belang is om, gelet op onder meer de analyses zoals genoemd in de vragen 6 en 9, ten aanzien van de keuzes voor het in een gunstige staat van instandhouding brengen van habitattypen, het bepalen van de staat van instandhouding, het beoordelen van de invloed van bepaalde factoren en van het doen van uitspraken hierover, verder te kijken dan de berekende stikstofdepositie en ook de belangrijke rol van de waterhuishouding mee te wegen? Hoe zorgt u ervoor dat blikvernauwing voorkomen wordt?
Bij waterafhankelijke natuur wordt inderdaad altijd ook de rol van de waterhuishouding meegenomen bij de genoemde aspecten. Daar bestaat geen verschil van mening over.
Dit betekent echter niet dat het ene probleem (stikstofeffecten) weggestreept kan worden tegen het andere (verdroging). Het betekent wel dat de oplossing van het verdrogingsprobleem ons de tijd geeft om ook het stikstofprobleem op te lossen, voor zover het waterafhankelijke natuur betreft.
Negatieve publieke uitlatingen van een hoge ambtenaar van de NCTV over Pieter Omtzigt |
|
Michiel van Nispen , Renske Leijten |
|
Ferdinand Grapperhaus (minister justitie en veiligheid) (CDA), Kajsa Ollongren (viceminister-president , minister binnenlandse zaken en koninkrijksrelaties) (D66) |
|
Wat is uw reactie op het bericht dat een topambtenaar van de NCTV op Twitter jarenlang negatieve uitlatingen over Pieter Omtzigt op Twitter heeft geplaatst?1
Zie antwoord op vraag 3.
Deelt u de mening dat het ongepast is dat een topambtenaar van de NCTV dit soort negatieve commentaren over een politicus plaatst, juist omdat van de organisatie die analyses maakt over bedreigingen en de noodzaak van beveiligingsmaatregelen bij politici verwacht mag worden dat deze volstrekt onafhankelijk en objectief te werk gaat?
Zie antwoord op vraag 3.
Hoe ver strekt de vrijheid van meningsuiting van ambtenaren in een geval als deze, waar ligt de grens?
Onderstaand vindt u de wegingscriteria die relevant zijn bij het bepalen in hoeverre de vrijheid van meningsuiting van ambtenaren beperkt kan worden.
Het recht op de (bescherming van de) vrijheid van meningsuiting is vastgelegd in onder andere artikel 7 Grondwet en artikel 10 Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (EVRM). Deze vrijheid geldt ook voor ambtenaren. In haar rol van werkgever dient de overheid de grondrechten van haar ambtenaren te respecteren, maar daarop mag de overheid als werkgever wel beperkingen aanbrengen. Ambtenaren vallen bij het uitoefenen van hun functie onder de ministeriële verantwoordelijkheid. Uitlatingen die zij in het kader van hun functievervulling doen, kunnen de desbetreffende verantwoordelijke Minister worden aangerekend. Onder de ministeriële verantwoordelijkheid valt ook het contact dat mogelijk is tussen ambtenaren en Kamerleden ten behoeve van hun controlerende taken. Op deze contacten zijn voor ambtenaren verder de Aanwijzingen voor de externe contacten van rijksambtenaren van toepassing. Deze Aanwijzingen zijn onlangs herzien, wat per brief aan de Kamer is meegedeeld.2 Met de herziening is er meer ruimte gekomen voor contact tussen ambtenaren en Kamerleden.
Voor de openbaring van persoonlijke opvattingen en gevoelens van een rijksambtenaar geldt een zogeheten «functioneringsnorm». Deze norm is vastgelegd in artikel 10 van de nieuwe Ambtenarenwet en houdt in dat de ambtenaar zich dient te onthouden van het openbaren van gedachten of gevoelens als daardoor de goede vervulling van zijn functie of de goede functionering van de openbare dienst, voor zover deze in verband staat met zijn functievervulling, niet in redelijkheid zou zijn verzekerd. Uitgangspunt bij de toepassing van de norm is dat ambtenaren vrijheid van meningsuiting hebben en dat voorzichtigheid geboden is bij het inperken daarvan. Waar in een concreet geval precies de grens ligt, hangt af van de omstandigheden van het geval. Voor de beoordeling daarvan zijn de volgende criteria of wegingsfactoren relevant.
In de eerste plaats kan van belang zijn in welke (kenbare) hoedanigheid een ambtenaar zijn uitspraken doet. Uitlatingen die de ambtenaar overeenkomstig de opdracht van diens bevoegd gezag of overheidswerkgever doet, vallen niet onder de voormelde functioneringsnorm. Het zal echter niet altijd duidelijk zijn of de ambtenaar zijn uitlatingen heeft gedaan binnen diens functievervulling, dan wel daarbuiten, bijvoorbeeld in het kader van de wetenschapsbeoefening. Indien de ambtenaar hierover zelf onduidelijkheid laat bestaan, kan dit een factor zijn die meeweegt bij de beoordeling of de functioneringsnorm is overschreden.
Voorts gaat het om de positie van de ambtenaar binnen de organisatie; hoe hoger diens functie, hoe meer behoedzaamheid geboden is. Daarnaast speelt een rol welke afstand zij of hij heeft tot het onderwerp waar het over gaat; hoe dichter de ambtenaar bij het betreffende inhoudelijke beleidsterrein staat, hoe meer behoedzaamheid geboden is.
Ook zijn de maatschappelijke en politieke gevoeligheid van het onderwerp van belang. Dit geldt vooral bij onderwerpen die in het nieuws zijn, of waarvoor bij belangengroepen (lobbyisten) bijzondere belangstelling bestaat. Het moment en de manier waarop de opvattingen kenbaar worden gemaakt zijn van betekenis. Ook is de voorzienbaarheid van de schadelijkheid ten tijde van de uitspraken van belang. En tot slot is de ernst en duur van de door de uitspraken ontstane problemen voor de functievervulling van de ambtenaar of het functioneren van de openbare dienst, voor zover dit in verband staat met de functievervulling van de ambtenaar, van betekenis. Het bevoegd gezag kan de nodige disciplinaire maatregelen nemen. Daarbij wordt gelet op de ernst van de normovertreding en de persoon van betrokkene. Alvorens daartoe over te gaan, wordt advies ingewonnen van de Adviescommissie Grondrechten en functie-uitoefening Ambtenaren (AGFA).3
In dit specifieke geval vinden er twee feitenonderzoeken plaats waarna het bevoegd gezag een oordeel zal geven of en in hoeverre de genoemde functioneringsnorm is overschreden en/of welke maatregelen daarbij dan passend zijn. Lopende deze onderzoeken kunnen en willen wij niet vooruitlopen op die conclusies, mede gelet op de eisen van zorgvuldigheid die als werkgever in acht zijn te nemen. In datzelfde licht is het ook niet passend om in het openbaar uitspraken over de conclusies of de maatregelen te doen.
Waarom zou hier de vrijheid van meningsuiting van een ambtenaar prevaleren, terwijl er bij allerlei andere ambtenaren strenge restricties zijn opgelegd, waardoor bijvoorbeeld contact tussen ambtenaren en Kamerleden ten behoeve van hun controlerende taken erg moeilijk is gemaakt waardoor de vrijheid van meningsuiting van ambtenaren juist erg is beperkt?
Zie antwoord op vraag 3.
Deelt u de mening van de heer Voermans dat de uitlatingen van deze NCTV-ambtenaar niet te rijmen zijn met zijn functie en verantwoordelijkheden? Hoe verhouden de uitingen van deze ambtenaar zich tot artikel 10 van de Ambtenarenwet waarin staat dat een ambtenaar zich onthoudt van het openbaren van gedachten of gevoelens indien hierdoor de uitoefening van de goede vervulling van zijn functie of de goede functionering van de openbare dienst niet in redelijkheid zou zijn verzekerd?2
Zie antwoord op vraag 3.
Wat voor disciplinair onderzoek loopt er precies naar deze NCTV-ambtenaar, wat is de reikwijdte hiervan? Kunnen wij er vanuit gaan dat deze uitspraken worden betrokken bij het disciplinaire onderzoek?
Zie antwoord op vraag 3.
Is in het verleden door deze NCTV-ambtenaar op de een of andere manier, direct of indirect, bemoeienis geweest met een dreigingsanalyse over of een beoordeling van de noodzaak tot beveiliging van het desbetreffend Kamerlid? Zo ja, op welke wijze?
Nee. Het nemen van besluiten over beveiligingsmaatregelen voor personen in het rijksdomein is gemandateerd aan de Coördinator Bewaken en Beveiligen (CBB), tevens manager van het programma Bewaken en Beveiligen bij de NCTV. Deze functionaris baseert zich daarbij op dreigingsinformatie van de inlichtingen- en veiligheidsdiensten. Hierdoor is er geen sprake (geweest) van directe of indirecte bemoeienis met een dreigingsanalyse of het besluit over beveiligingsmaatregelen voor personen in het rijksdomein.
Bent u bekend met de vermelding van Uitgeverij de Blauwe Tijger in het Dreigingsbeeld Terrorisme Nederland 53 van de NCTV?1
Ja.
Zouden andere organisaties of personen die doneren aan boerenactiegroepen ook kunnen worden genoemd in het Dreigingsbeeld Terrorisme Nederland, aangezien in het rapport staat «Zo doneert de ultraconservatieve uitgeverij De Blauwe Tijger [...] geld aan een boerenactiegroep»? Zo ja, waarom wordt dan enkel Uitgeverij de Blauwe Tijger genoemd? Zo nee, waarom niet?
De NCTV heeft de taak om de nationale veiligheid te versterken en maatschappelijke ontwrichting te voorkomen door dreigingen voor de vitale belangen van de samenleving te identificeren en de weerbaarheid en bescherming van die vitale belangen te versterken. Het DTN wordt opgesteld om aan die taak te voldoen. Met het DTN wordt de Tweede Kamer geïnformeerd over het actuele dreigingsbeeld en de ontwikkelingen die het meest bepalend zijn voor Nederland. Behalve terrorisme kan dit tevens raken aan extremisme en, wanneer er (mogelijk) sprake is van verharding, activisme en kwesties die onderwerp zijn van gepolariseerd debat. In het DTN beschrijft de NCTV dan ook trendmatige onderwerpen die (kunnen) leiden tot polarisatie zonder inhoudelijke waardering van de onderwerpen: het verschijnsel polarisatie wordt benoemd als proces waarbinnen discussies kunnen verhitten.
Een van deze trendmatige onderwerpen zijn vormen van protest die – mede – zijn ingegeven door anti-overheidssentimenten. Dit kan voortkomen uit politiek-ideologische motieven, maar kan zich bijvoorbeeld ook richten tegen (onderdelen van) specifiek overheidsbeleid, waarbij personen zich soms onevenredig of onnodig hard benadeeld kunnen voelen door beleidskeuzes en vanuit gevoelens van onrechtvaardigheid of machteloosheid in actie komen. In de derde plaats kan men zich in meer algemene zin verzetten tegen de «bestuurlijk elite» vanuit een sterk wantrouwen tegen de politiek, de media, wetenschap en deskundigen. Binnen deze categorie bestaat een grotere gevoeligheid voor complotdenken en nepnieuws (zie ook de beantwoording van vraag 10).
Uitgeverij De Blauwe Tijger wordt in het Dreigingsbeeld Terrorisme Nederland (DTN) 53 aangehaald ter illustratie van een door de NCTV gesignaleerde trend op het gebied van polarisatie, namelijk de aansluiting bij protesten tegen specifiek overheidsbeleid, in dit geval bepaalde boerenprotesten, door verschillende groepen met verschillende grieven die worden verbonden door anti-overheidssentimenten. Het gaat in de passage dus niet zozeer om het doneren van geld aan een boerenactiegroep zelf, maar om de verbindende werking die kan uitgaan van gedeelde anti-overheidssentimenten. Daarbij is het voorstelbaar dat deze aansluiting een verharding van protesten tegen specifieke delen van het overheidsbeleid in de hand kan werken.
Kunt u aangeven waarom er is gekozen voor het noemen van Uitgeverij de Blauwe Tijger in dit rapport?
Zie antwoord vraag 2.
Beseft u dat het feit dat een organisatie wordt genoemd binnen het Dreigingsbeeld Terrorisme Nederland door veel mensen zal worden beschouwd als staatsgevaarlijk en als potentieel gewelddadig? Beseft u dat hierdoor deze organisatie grote reputatieschade en omzetverlies wordt toegebracht?
De Blauwe Tijger wordt in DTN 53 niet staatsgevaarlijk genoemd, noch wordt de uitgeverij neergezet als potentieel gewelddadig. De NCTV geeft op basis van informatie van verschillende overheidspartijen, open bronnen en wetenschappelijke publicaties op onafhankelijke wijze inzicht in het actuele dreigingsbeeld en de ontwikkelingen die het meest bepalend zijn voor Nederland, waaronder (mogelijke verharding van) activisme en kwesties die onderwerp zijn van gepolariseerd debat. De Blauwe Tijger wordt genoemd in de paragraaf «Polarisatie». Om verwarring te voorkomen staat aan het begin van de paragraaf expliciet benoemd: «In het DTN wordt over negatieve vormen van polarisatie geschreven omdat deze kunnen bijdragen aan maatschappelijke onrust en/of een voedingsbodem kunnen vormen voor radicaliseringsprocessen. Bij de hieronder beschreven onderwerpen vindt protest of gepolariseerd debat plaats dat leidt (of kan leiden) tot verharding, zowel in het digitale domein als in de fysieke wereld».
Beseft u dat de grondwettelijke vrijheid van drukpers in het gedrang kan komen wanneer een uitgeverij onterecht zou worden genoemd in het Dreigingsbeeld Terrorisme Nederland van het NCTV?
Van het onterecht noemen van De Blauwe Tijger is naar mijn mening geen sprake. Ik verwijs u naar het antwoord op vraag 2, 3 en 4.
Zijn er aanwijzingen dat Uitgeverij de Blauwe Tijger op een of andere manier zelf geweld (heeft) gebruikt, hier plannen toe heeft of het gebruik van geweld door anderen faciliteert of bevordert?
De Blauwe Tijger wordt in DTN 53 niet in verband gebracht met het gebruik van geweld, noch met het plannen of het faciliteren van gebruik van geweld door derden. De uitgeverij wordt in DTN 53 genoemd in een paragraaf getiteld «Polarisatie». Ik verwijs u naar de antwoorden op de vragen 2, 3 en 4.
Indien dit het geval is, kunt u hiervan voorbeelden geven?
Zie antwoord vraag 6.
Indien dit niet het geval is, kunt u uitleggen waarom een Nederlandse uitgeverij met als eigen doelstelling «nieuwe maar ook oudere bijzondere teksten uit te geven ter verbreding van het intellectuele debat» wordt genoemd in het Dreigingsbeeld Terrorisme Nederland 53 van de NCTV?
Zie antwoord vraag 6.
Wat wordt bedoeld met (p. 34) «anti-overheidspropaganda»? Wat zijn voorbeelden van «anti-overheidspropaganda» van Uitgeverij de Blauwe Tijger? Op basis van welke criteria bepaalt de NCTV of Nederlandse uitgeverijen «anti-overheidspropaganda» verspreiden?
Met «anti-overheidspropaganda» wordt het doelbewust aanbieden van eenzijdige of onjuiste informatie waarmee anti-overheidssentimenten versterkt (kunnen) worden bedoeld. Zo werd aan het begin van de coronapandemie via het YouTube-kanaal van de uitgeverij ten onrechte gesuggereerd dat de overheid doelbewust aanstuurde op het veroorzaken van zoveel mogelijk coronadoden. Zoals aangegeven in de beantwoording van vraag 3 is het voorstelbaar dat de aansluiting van groepen die zijn verbonden door zulke anti-overheidssentimenten bij protesten tegen specifieke delen van het overheidsbeleid, een verharding van protesten in de hand kan werken.
Wat wordt bedoeld met «nepnieuws» (p. 34)? Wat zijn voorbeelden van «nepnieuws» van Uitgeverij de Blauwe Tijger? Op basis van welke criteria bepaalt de NCTV of Nederlandse uitgeverijen «nepnieuws» verspreiden?
Onder nepnieuws wordt als nieuws verhulde desinformatie verstaan, ofwel het doelbewust verspreiden van misleidende informatie met het doel om schade toe te brengen aan het publieke debat, democratische processen, de open economie of nationale veiligheid. Dit is iets anders dan misinformatie, het onbewust of zonder schadende intentie verspreiden van onjuiste informatie.
Zijn er wellicht andere uitgeverijen, kranten of journalisten die volgens de NCTV «nepnieuws» verkondigen? Zo ja, welke zijn dit?
Zoals ook gesteld in de Kamerbrief over de Verbetering juridische grondslag verwerking persoonsgegevens NCTV (12 april 2021), richt de NCTV zich fenomeenmatig op het dreigingsbeeld als geheel. Aan het monitoren van uitingen ten behoeve van het duiden van trends en fenomenen die in potentie de stabiliteit van Nederland kunnen ontwrichten is soms bepaalde informatie over personen verbonden; uitingen worden door personen gedaan. Bij deze taak hoort daarmee dat bepaalde informatie wordt verwerkt, in sommige gevallen ook persoonsgegevens, maar alleen voor zover die noodzakelijk zijn voor het maken van de fenomeenanalyse en ook alleen daarvoor gebruikt worden. Voor een onderbouwing voor het noemen van De Blauwe Tijger in DTN 53, zie de beantwoording van vraag 3.
Beschikt de NCTV over een dossier van Uitgeverij de Blauwe Tijger of de uitgever zelf, Tom Zwitser? Indien dit niet het geval is, waarom en hoe is de naam van deze uitgeverij terecht gekomen in het Dreigingsbeeld Terrorisme Nederland 53? Indien dit wel het geval is kunt u deze dossiers dan openbaar maken? Zo nee, waarom niet?
Zie antwoord vraag 11.
Bent u bekend met de aanhouding van Blauwe Tijger-journalist Rypke Zeilmaker op 14 april jl. in Warmond?2
Ja
Zijn er specifieke afwegingen die Justitie, AIVD of politie maken om te bepalen of een journalist moet worden gevolgd?
Afwegingen omtrent vervolging worden alleen gemaakt door het Openbaar Ministerie. Voor het inzetten van dwangmiddelen tegen individuen gelden allereerst de vereisten van het Wetboek van Strafvordering. Wanneer in een opsporingsonderzoek een journalist in beeld komt, al dan niet als verdachte, geldt daarnaast de Aanwijzing strafvorderlijk optreden tegen journalisten.
Zouden politie en justitie de vermelding van Uitgeverij de Blauwe Tijger in het Dreigingsbeeld Terrorisme Nederland 53 kunnen gebruiken als aanleiding voor het in de gaten houden, volgen of monitoren van journalisten of medewerkers van Uitgeverij de Blauwe Tijger?
Over individuele zaken doe ik geen uitspraken. Voor het overige verwijs ik naar mijn antwoord op vraag 14.
Zou deze vermelding in het Dreigingsbeeld Terrorisme Nederland 53 mede aanleiding kunnen zijn om van journalisten of medewerkers van Uitgeverij de Blauwe Tijger DNA af te nemen?
Zie antwoord vraag 15.
Zou deze vermelding in het Dreigingsbeeld Terrorisme Nederland 53 mede aanleiding kunnen zijn om journalisten of medewerkers van Uitgeverij de Blauwe Tijger in voorlopige hechtenis te plaatsen?
Zie antwoord vraag 15.
Het bericht ‘Gerecyclede grond veroorzaakt milieuvervuiling: OM onderzoekt afvalbedrijf’. |
|
Habtamu de Hoop (PvdA) |
|
Stientje van Veldhoven (staatssecretaris infrastructuur en waterstaat) (D66) |
|
|
|
|
Kent u het bericht «Gerecyclede grond veroorzaakt milieuvervuiling: OM onderzoekt afvalbedrijf»?1
Ja.
Klopt het dat bij minstens tien dijk-, weg- en waterprojecten het milieu mogelijk verontreinigd is met stoffen als arseen en benzeen en dat dit al bij vier projecten is vastgesteld?
Gebleken is dat potentiele problemen met de toegepaste thermisch gereinigde grond (TGG) samen kunnen hangen met de hoge PH van de grond, uitloging van bepaalde metalen en het hoge zoutgehalte. Alhoewel tijdens dit reinigingsproces de vluchtige organische verbindingen (zoals benzeen) verwijderd hadden moeten zijn, worden deze soms toch nog aangetroffen. Welke in TGG mogelijk aanwezige stoffen aanleiding kunnen geven tot een potentieel milieuprobleem, wordt bepaald door de specifieke omstandigheden op de toepassingslocatie (zout/zoet, onderwaterbodem of landbodem, civieltechnische aspecten) en het specifieke milieucompartiment waar ze worden aangetroffen (grondwater, oppervlaktewater of bodem).
In de afgelopen jaren zijn drie locaties waar TGG is toegepast specifiek in beeld gekomen (Westdijk, Perkpolder, Plas van Heenvliet). Voor de Westdijk geldt dat besloten is deze te saneren. De in de Westdijk toegepaste TGG wordt op dit moment verwijderd.
Op 14 april 2020 heb ik uw Kamer2 een inventarisatie doen toekomen van RWS-projecten waar TGG is toegepast, waaronder Perkpolder. Niet alle werken zijn meer in beheer van RWS. De beheerders van die werken, waaronder de Noordwaardpolder3, zijn door RWS geïnformeerd.
Voor de werken in beheer van RWS wordt nu, als invulling van de zorgplicht, op de vijf potentieel meest risicovolle locaties gemonitord om te bekijken of er vervuiling van grond- en oppervlaktewater plaatsvindt. Over de resultaten van deze monitoring zal ik uw Kamer op termijn nader informeren zodra de definitieve rapportage beschikbaar is (verwachting eerste helft 2022).
Daarnaast is in 2019 door Werkgroep Ketentoezicht Bodem, Bagger en Bouwstoffen4 op grond van diverse meldingsgegevens in kaart gebracht waar buiten de RWS werken mogelijk TGG geproduceerd door hetzelfde bedrijf, is toegepast in de periode 2016–2018. De Omgevingsdiensten die bevoegd gezag zijn voor de toepassing, zijn op grond van deze analyse geïnformeerd over de potentiële locaties binnen hun werkgebied.
Is er hierdoor sprake van een gevaar voor de volksgezondheid?
In 2018 heeft RIVM in opdracht van RWS onderzoek uitgevoerd naar de gezondheid- en milieurisico’s voor de locatie Perkpolder (RIVM Rapport 2018-0063) en in 2020 voor de locatie de Plas van Heenvliet (RIVM Rapport 2020-0057) in opdracht van DCMR. Voor deze rapporten verwijs ik u naar de website van RIVM.
Voor de Plas van Heenvliet stelt het RIVM dat er geen gezondheidsrisico is voor de recreanten. Voor Perkpolder stelt het RIVM dat de toegepaste TGG is afgedekt waardoor geen directe blootstelling aan TGG mogelijk is en er geen risico’s zijn voor de volksgezondheid.
In grootschalige toepassingen van TGG moet op grond van het Besluit Bodemkwaliteit altijd een schone leeflaag worden aangebracht. Hierdoor geldt in zijn algemeenheid dat in dergelijke projecten direct contact met TGG niet zal plaatsvinden en dat bij een intacte laag effecten op de volksgezondheid niet waarschijnlijk zijn.
Wat zijn de gevolgen voor de kwaliteit van de natuur en het grond- en oppervlaktewater? Kunt u deze in kaart brengen en de Kamer doen toekomen?
Voor de Plas van Heenvliet geeft het RIVM aan dat er sprake is van enige uitloging naar het grondwater waardoor lokaal een klein effect op planten en dieren in de bodem kan optreden. Daarnaast is vastgesteld dat het toepassen van TGG geen effect heeft op de kwaliteit van het oppervlaktewater. Om te controleren of dit ook in de toekomst zo is, heeft het bevoegd gezag (DCMR) en de gemeente aangegeven op regelmatige basis monsters te zullen nemen.
Voor Perkpolder geldt dat het RIVM heeft vastgesteld (op basis van de destijds beschikbare monsters) dat enkele normen voor de bodem, het grondwater en het oppervlaktewater worden overschreden. Hierdoor worden, onder meer, lokaal natuurlijke processen in de bodem, het grondwater en het oppervlaktewater verstoord. Ook is het (grond)water niet geschikt voor gebruik in de landbouw, bijvoorbeeld als drinkwater voor vee of als sproeiwater. Om meer zekerheid te krijgen over de effecten op de milieucompartimenten heeft het RIVM geadviseerd langjarig te blijven bemonsteren. Een eerste vervolgonderzoek is in 2019 uitgevoerd door Deltares. In de periode 2020–2023 worden vervolgmetingen uitgevoerd. Uit de jaarrapportage over 2020 volgt dat beperkte uitloging naar grond- en kwelwater optreedt (zie bijlagen)5 maar dat de risico’s hiervan beperkt zijn. Op dit moment worden de mogelijke beheersmaatregelen in kaart gebracht. De resultaten hiervan worden eind dit jaar verwacht. Daarnaast zal het RIVM in de eerste helft van 2022 een volgonderzoek uitvoeren naar gezondheids- en ecologische risico’s. Ik zal uw Kamer over de resultaten hiervan informeren.
Hoe verloopt het toezicht op het gebruik van thermisch gereinigde grond? Waarom wordt deze grond niet eerst getest op schadelijke stoffen voordat er een dijk mee wordt gevuld?
Samen met de certificerende instellingen en omgevingsdiensten ziet de ILT erop toe dat reinigers volgens de regels van het Besluit bodemkwaliteit en de omgevingsvergunning, die geldt voor de inrichting, werken. Voor de import en export van vervuilde grond, teerhoudend asfalt en TGG moet de ILT toestemming verlenen.
Een producent van TGG moet voldoen aan de (milieu)eisen die in het Besluit Bodemkwaliteit (Bbk) worden gesteld. Op grond van dit besluit moet een producent en ook de toepasser middels een erkende kwaliteitsverklaring aantonen dat men aan deze eisen voldoet. Daarnaast moet een producent in het kader van zijn zorgplicht informatie verstrekken over niet in het Bbk genormeerde stoffen die een potentieel milieurisico vormen bij toepassing van het materiaal. Toepassers dienen deze informatie ook te betrekken bij de besluitvorming over toepassing op een specifieke locatie.
De voorgenomen toepassing van TGG moet vooraf worden gemeld. Lokale overheden zijn bevoegd gezag voor de toepassing van TGG op locatie en beoordelen de melding en houden toezicht op de uitvoering.
Hoe gaat u ervoor zorgen dat dit in de toekomst niet meer gebeurt?
In 2017 en 2018 heeft de ILT onderzoek uitgevoerd naar het reinigingsproces bij producenten van TGG. Dit heeft geleid tot aanpassing van de reinigingsprocessen. Aansluitend is onder begeleiding van de ILT in 2019 verificatieonderzoek uitgevoerd waarbij de kwaliteit van de toenmalige voorraden TGG nogmaals is vastgesteld. Dit betreft TGG die is geproduceerd vóór en na de procesaanpassingen en ruim na de aanleg van de dijk Perkpolder. Met de resultaten van deze verificatieonderzoeken kan het (lokale) bevoegde gezag een adequate beoordeling maken of zij een aangeboden partij TGG kan laten toepassen en onder welke condities dit kan plaatsvinden. Hierover is uw kamer geïnformeerd bij brief van 23 december 2019 (Aanhangsel van de Handelingen, nr. 1225.) In 2020 hebben de producenten hun productieproces verder geoptimaliseerd.
Daarnaast voert het RIVM een onderzoek uit naar het normenkader en de huidige onderzoeksmethoden. De verwachting is dat met de uitkomsten van dit onderzoek nog beter kan worden bepaald onder welke voorwaarden TGG verantwoord kan worden toegepast. De resultaten verwacht ik na de zomer.
Bent u het ermee eens dat boeren volledig gecompenseerd dienen te worden voor geleden economische schade wegens het gebruik van thermisch gereinigde grond in infrastructuurprojecten?
In het Nederlands (civiel)recht geldt in zijn algemeenheid dat als iemand schade meent te hebben ondervonden, deze een schadeclaim kan indienen bij de veroorzaker. Als er aantoonbare (economische) schade is en er een causaal verband kan worden vastgesteld tussen deze schade en de handelingen van de veroorzaker, zal deze schade in het algemeen (deels) vergoed worden. Elke casus dient echter op haar eigen merites beoordeeld te worden.
Natuur die zich goed ontwikkelt ondanks stikstofdepositie en de definitie van het begrip project bij vergunningsverzoeken. |
|
Derk Boswijk (CDA), Jaco Geurts (CDA) |
|
Carola Schouten (viceminister-president , minister landbouw, visserij, voedselzekerheid en natuur) (CU) |
|
|
|
|
Bent u bekend met het artikel «Ecoloog: Korenburgerveen ontwikkelt zich goed ondanks stikstofdepositie»?1
Ja.
Hoe verklaart u dat de natuur in het Achterhoekse Natura 2000-gebied Korenburgerveen zich in de praktijk beter ontwikkelt dan op basis van theoretische stikstofmodellen werd voorspeld?
De reactie van de natuur op basis van de bedoelde theoretische stikstofmodellen betreft de verwachte verslechtering in het geval de KDW van een habitattype wordt overschreden. De kans op het daadwerkelijk optreden van verslechtering neemt toe als de overschrijding groot is en lang duurt. Aan de andere kant staan herstelmaatregelen ter beschikking om verslechtering zoveel mogelijk te voorkomen. Meestal zal het dan gaan om een tijdelijk positief effect, maar zeker bij waterhuishoudkundige maatregelen is de ervaring dat het positieve effect langjarig voortduurt. Dat de balans bij het Korenburgerveen op dit moment neutraal tot positief is, was voorspeld in het beheerplan, want het beoogde doel van de maatregelen van de afgelopen jaren.
Wat is uw appreciatie van de uit de analyse voortkomende conclusie dat door gerichte (hydrologische) herstelmaatregelen het effect van de depositie van stikstof in het Korenburgerveen geminimaliseerd wordt en er in het gebied sprake is van een gunstige ontwikkeling?
Als een gebied van twee problemen last heeft, in dit geval verdroging en stikstof, en je pakt vooral één probleem grondig aan, dan mag je gedeeltelijke verbetering verwachten. Terecht zijn degenen die die verbetering hebben geconstateerd, optimistisch gestemd.
Dit soort verbeteringen zijn dan ook de reden dat waterhuishoudkundige maatregelen onderdeel uitmaakten van de maatregelen die zijn uitgevoerd binnen het Programma Aanpak Stikstof, hoewel dat type maatregelen als zodanig het stikstofprobleem niet oplossen. En ook onder het Programma Natuur worden maatregelen ingezet die bijvoorbeeld verruiging en bodemverzuring kunnen tegengaan. Beide problemen kunnen worden veroorzaakt door stikstof maar ook door verdroging. Door de verdroging aan te pakken, wordt een verbetering bewerkstelligd ten aanzien van de kwaliteit die mede door stikstof was aangetast. Dat laat onverlet dat stikstof nog steeds tot die verruiging en bodemverzuring leidt. Het opgetelde effect van verdroging en stikstof is echter veel minder geworden door de waterhuishoudkundige maatregelen. Dat sprake is van een «minimalisering» van het effect van stikstofdepositie is niet juist; zo blijkt bijvoorbeeld dat het habitattype Actieve hoogvenen zich heeft uitgebreid, maar dat wel degelijk effecten van stikstof zichtbaar zijn in dat habitattype, zoals een grotere bedekking van grassen dan van nature het geval is. Bij de Blauwgraslanden is dat nog veel duidelijker, omdat hier het positieve effect van de maatregelen nog onvoldoende is. En zoals in het antwoord op vraag 2 al is gemeld, is het positieve effect van waterhuishoudkundige maatregelen eindig, wat betekent dat de negatieve effecten van stikstof op termijn niet meer opgevangen zullen worden door de verbetering als gevolg van de genomen waterhuishoudkundige maatregelen.
Wat betekent deze ontwikkeling in het Natura 2000-gebied Korenburgerveen voor andere Natura 2000-gebieden in Nederland? Ziet u dit als aanleiding om ook in andere gebieden meer in te zetten op gerichte (hydrologische) herstelmaatregelen of dat ten minste te onderzoeken?
De positieve reactie van dit gebied op de genomen herstelmaatregelen staat niet op zichzelf. Ook in andere (hoogveen)gebieden zijn positieve reacties te zien. De noodzaak tot het nemen van deze maatregelen is dus heel duidelijk, niet alleen vanwege stikstof maar ook vanwege de klimaatproblematiek (dat hebben de drie droge zomers ons ook geleerd). Daarom vormen ze een prominent onderdeel van het Programma Natuur, waarvoor momenteel veel plannen worden ingediend.
Deelt u de mening dat deze casus eens te meer aantoont dat het van groot belang is om verder te kijken dan de theoretische gevolgen van het overschrijden van kritische depositiewaardes voor stikstof, en dat een integrale aanpak met daarin meer aandacht voor herstelmaatregelen in de praktijk tot betere resultaten leidt? Zo nee, waarom niet? Zo ja, wat betekent deze conclusie voor het stikstofbeleid op de korte, middellange en lange termijn?
Een integrale aanpak is inderdaad heel belangrijk. Dat is ook wat onder meer de aanpak van het Programma Natuur behelst. Dit betekent echter niet dat het ene probleem (stikstofeffecten) weggestreept kan worden tegen het andere (verdroging). Het betekent wel dat de oplossing van het verdrogingsprobleem ons de tijd geeft om ook het stikstofprobleem op te lossen, voor zover het waterafhankelijke natuur betreft.
Kunt u een definitie geven van het begrip «project», aangezien dit niet is gedefinieerd of wordt uitgelegd in de Wet natuurbescherming of de Habitatrichtlijn?
In het arrest van het Europese Hof en de uitspraken van de Raad van State over het PAS en de vrijstelling voor beweiden en bemesten staat dat voor de vraag of een activiteit een project is, als bedoeld in de Habitatrichtlijn, moet worden nagegaan of die activiteit significante gevolgen kan hebben voor een Natura 2000-gebied.
Kan het begrip «project» naar eigen oordeel worden afgebakend door aanvragers of bevoegde gezagen?
Nee, uit het antwoord op vraag 6 blijkt dat de afbakening afhangt van de vraag of de betrokken activiteit significante gevolgen kan hebben voor een Natura 2000-gebied.
Moeten bij een uitbreiding op basis van het verkeersmodel Nederlands Regionaal Model (NRM) de mogelijke effecten van de verkeersaantrekkende werking van de beoogde uitbreiding meegenomen worden?
Bij de toetsing of een plan of project tot significant negatieve effecten in Natura 2000-gebieden kan leiden, dienen alle mogelijke effecten van het desbetreffende plan of project betrokken te worden, waaronder de mogelijke effecten van verkeersaantrekkende werking. Dat geldt dus ook voor plannen en projecten waarvoor het NRM wordt gebruikt om de verkeersaantrekkende werking te bepalen.
Moet een vergunning die aangevraagd wordt in het kader van de Wet natuurbescherming (bijvoorbeeld een melkveehouderij die van 100 melkkoeien wil groeien naar uiteindelijk 300 melkkoeien) betrekking hebben op het gehele project (bijvoorbeeld 300 melkkoeien), of mag het in onderdelen worden opgeknipt (bijvoorbeeld elke twee jaar een vergunning vragen voor 100 koeien meer ten opzichte van de vorige aanvraag)?
De aanvraag is altijd de basis voor de te verlenen vergunning. De aanvraag van een natuurvergunning moet betrekking hebben op alle met de aangevraagde activiteit onlosmakelijk samenhangende onderdelen. Onzekere toekomstplannen zijn niet als zodanig aan te merken. Wanneer een natuurvergunning is verleend voor het project melkveehouderij met 100 koeien, en na twee jaar wil de veehouderij uitbreiden met 100 koeien, dan moet die uitbreiding worden beoordeeld ten opzichte van de bestaande situatie van 100 koeien en de gevolgen daarvan voor Natura 2000-gebieden. Als de vergunning voor de tweede 100 koeien kan worden verleend, en de veehouderij wil twee jaar later opnieuw uitbreiden met 100 koeien, dan moet die uitbreiding worden beoordeeld ten opzichte van de vergunde 200 koeien en de gevolgen daarvan voor Natura 2000-gebieden.
Kan een vergunningverzoek van Bedrijf B dat extern wil salderen met bedrijf A (beide uiteindelijk van dezelfde eigenaar en 54 kilometer uit elkaar liggend) in behandeling worden genomen als bedrijf A nog geen onherroepelijke Wet natuurbescherming-vergunning heeft waarin de stikstofruimte is vastgelegd?
Ja, dat kan, mits wordt gesaldeerd met toegestane depositie op dezelfde locatie waar stikstofgevoelig habitat voorkomt. Die toestemming kan bestaan uit een vergunning op grond van de Wet natuurbescherming of de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht, of een toestemming van voor het moment dat artikel 6, derde lid, van de Habitatrichtlijn is gaan gelden voor het betrokken Natura 2000-gebied.
Kunt u deze vragen beantwoorden voor 7 mei 2021?
Een gedegen beantwoording van de vragen kostten meer tijd, waardoor het niet is gelukt om deze vragen te beantwoording voor 7 mei 2021.
Negatieve rentes voor particulieren. |
|
Henk Nijboer (PvdA) |
|
Wopke Hoekstra (minister financiën) (CDA) |
|
|
|
|
Herinnert u zich uw antwoorden op mijn vragen van 3 september 2019 over de mogelijkheid dat banken in Nederland over zouden gaan op negatieve rentes?1
Ja.
Wat vindt u van de aankondiging dat ING al vanaf een spaartegoed van 100.000 euro negatieve rente gaat rekenen, zoals verschillende kleinere banken al doen?
Dat banken een negatieve rente rekenen over een deel van de deposito’s hangt samen met het huidige renteklimaat. Banken lenen zowel geld in als uit. Zij streven ernaar om daarbij hun rentemarge, het tariefverschil tussen in- en uitleenrentes, op peil te houden. Afgelopen jaren waren banken daartoe in staat. Bij een nog verder dalende rente kan het voor banken lastiger worden om die daling volledig door te rekenen in hun depositotarieven, omdat deze dan negatief zouden worden. Volgens DNB kan een situatie van langdurig lage rentes de winstgevendheid van banken onder druk zetten, met potentieel nadelige gevolgen voor de financiële stabiliteit.2 Tegelijkertijd kan ik mij de zorgen van spaarders over de dalende rente goed voorstellen. Op dit moment rekenen Nederlandse banken geen negatieve rente aan gewone spaarders. De aangekondigde wijziging van ING brengt daar geen verandering in: ING verwacht dat voor meer dan 97,8% van alle klanten er niets verandert. Zoals ik eerder heb laten weten in een brief aan uw Kamer, vind ik een negatieve rente voor gewone3 spaarders zeer ongewenst.4 Er dienen voldoende mogelijkheden te blijven voor de gewone spaarder om te bankieren bij een bank die geen negatieve rente rekent. Mochten die mogelijkheden in de toekomst significant worden beperkt, dan neem ik het onderwerp opnieuw ter hand en overweeg ik indien opportuun ook wetgeving.
Wat betekent het voor het vertrouwen in het bankenstelsel als mensen negatieve rente wordt gerekend op hun spaargeld? Bent u niet bang dat mensen hun geld op andere manier gaan stallen, bijvoorbeeld in risicovolle beleggingen of contanten?
Op dit moment wordt aan de meeste spaarders geen negatieve rente doorberekend. In 2019 heeft DNB op mijn verzoek een rapportage gemaakt over het rekenen van negatieve spaarrentes. Daarin heeft DNB ook getracht de gevolgen van een eventuele negatieve spaarrente op de financiële stabiliteit te inventariseren. In de rapportage wordt gewezen op het risico dat spaarders hun tegoeden onttrekken of verplaatsen door invoering van negatieve spaarrentes.5 Als dit in groten getale gebeurt, vormt dit een bedreiging voor de financiële stabiliteit. De effecten van een negatieve rente op de financiële stabiliteit laten zich volgens DNB echter moeilijk kwantificeren. Vooralsnog zijn er geen signalen van een grote uitstroom van deposito’s bij Nederlandse banken die negatieve spaarrentes zijn gaan hanteren of hebben aangekondigd dit te gaan doen. Uit beschikbare data blijkt juist dat tegoeden op deposito’s de afgelopen jaren significant zijn toegenomen, terwijl de rentes daalden.6
Zoals ik schreef in de beantwoording van Kamervragen van het lid Van Dijk (CDA)7, heeft DNB laten weten bereid te zijn om op mijn verzoek haar analyse over de renteomgeving en de gevolgen daarvan voor banken te actualiseren. Deze analyse zal ik deze zomer aan uw Kamer doen toekomen.
Bent u, zoals u aankondigde in de antwoorden op mijn vragen, inmiddels in gesprek gegaan met banken en, zo ja, wat hebben deze gesprekken opgeleverd? Was uw inzet te voorkomen dat de saldogrenzen voor negatieve rente omlaag zouden gaan? Zo ja, wat vindt u ervan dat de banken hier kennelijk geen gehoor aan hebben gegeven?
Ik ben destijds in gesprek gegaan met banken en heb hierover gerapporteerd in mijn brief aan uw Kamer van 5 december 2019. Ook daarna is het ministerie met individuele banken in gesprek gebleven over het onderwerp van negatieve spaarrente en de dilemma’s die banken daarin tegenkomen. In mijn eerdergenoemde brief beschreef ik mijn indruk dat Nederlandse banken de nadelen van negatieve rente voor gewone spaarders en de zorgen die hierover leven scherp op het netvlies hebben. Uit hun publieke opmerkingen maakte ik op dat zij niet van plan zijn om in de voorzienbare toekomst over te gaan tot het rekenen van een negatieve rente aan gewone spaarders en dat zij goed oog hebben voor het grote belang van financiële stabiliteit. Mijn beeld is dat dit nog steeds geldt. Daarbij wil ik nogmaals benadrukken dat er voldoende mogelijkheden dienen te blijven voor de gewone spaarder om te bankieren bij een bank die geen negatieve rente rekent. Indien die mogelijkheden significant worden beperkt zal ik het onderwerp opnieuw ter hand nemen en, indien opportuun, ook wetgeving overwegen.
Wat acht u een redelijke saldogrens om negatieve rente in rekening te brengen?
Zoals ik eerder schreef in antwoord op vraag 2 is de rente al geruime tijd laag als gevolg van incidentele en structurele factoren, die zijn versterkt door de coronacrisis.8 Door de dalende rente staan de rente-inkomsten van banken steeds meer onder druk: het verschil tussen in- en uitleenrentes – de rentemarge – is steeds verder afgenomen. Als ze bij een nog verder dalende marktrente een negatieve spaarrente voor gewone spaarders willen voorkomen, zal dit ten koste gaan van hun rentemarge. Banken staan daarom voor een dilemma. Enerzijds willen zij hun winstgevendheid op peil houden in een klimaat van lage rentes. Het rekenen van een negatieve rente vanaf een bepaalde saldogrens is dan een van de mogelijkheden, net als het verhogen van de kosten van andere diensten van de bank. Anderzijds zijn banken zich bij het rekenen van een negatieve rente ervan bewust dat dit kan leiden tot minder spaarklanten, reputatieschade en verlies aan inkomsten op andere producten. Daarbij hebben banken publiekelijk aangegeven de zorgen van gewone spaarders over de dalende rente op het netvlies te hebben.
Op dit moment rekenen Nederlandse banken geen negatieve rente aan gewone spaarders. In mijn eerdergenoemde brief uit 2019 refereerde ik al aan de gemiddelde depositowaarde en de mediaan om aan te geven dat de meeste Nederlandse huishoudens geen negatieve rente gerekend wordt: dat is nog steeds het geval.9 In 2019 betrof de gemiddelde depositowaarde in Nederland € 40.800 en de mediaan lag op een waarde van € 13.900.
In tabel 1 treft u de verdeling van spaargeld per vermogensgroep op basis van de meest recente CBS-data.10 Zo geeft de eerste rij (percentiel 1) bijvoorbeeld voor de tien procent van de particuliere huishoudens met het minste vermogen weer hoeveel bank- en spaartegoeden zij aanhouden, hoeveel spaarders dit betreft en wat het totaalsaldo aan bank- en spaartegoeden is in dat percentiel. Voor de eerste negen vermogensgroepen geldt dat zowel het gemiddelde als de mediaan van het spaarsaldo ruim onder de saldogrens liggen vanaf waar banken op dit moment negatieve rente doorberekenen. De verdeling in de tabel laat zien dat aan veruit de meeste Nederlandse particuliere huishoudens op dit moment geen negatieve rente gerekend wordt.
1
740,2
6,2
8.400
2.400
2
661,7
1,4
2.100
500
3
781
2,4
3.100
2.100
4
779,2
8,8
11.200
10.000
5
777,7
16,5
21.200
21.600
6
778,3
21,7
27.900
18.600
7
779,3
26,8
34.300
23.300
8
780,5
34,8
44.600
33.000
9
781,3
55,0
70.400
53.700
10
781,6
138,3
177.000
102.100
Bron: CBS (2019). Percentielen niet op basis van totale bank- en spaartegoeden, maar op basis van totaal vermogen. Daardoor is het aantal spaarders per percentiel niet gelijk.
DNB merkt in haar jaarverslag over 2020 op dat het bij een langdurig lage rente een forse uitdaging is voor banken om de lagere rente-inkomsten te compenseren.11 Indien banken de vermindering in inkomsten niet doorberekenen via een negatieve rente, zullen zij mogelijk op zoek gaan naar andere inkomstenbronnen. Naast rentetarieven concurreren banken ook op andere factoren, waaronder de vaste kosten voor een bankrekening. Een stijging van de vaste kosten van een bankrekening treft mogelijk alle spaarders, terwijl bij de saldogrens van de huidige negatieve rente in ieder geval de meeste spaarders worden ontzien.
Als Minister van Financiën ga ik – ook met oog op de mededinging – niet over de rentetarieven van banken. Banken zelf gaan over hun prijsbeleid, waaronder hun rentetarieven. Wel vind ik het, zoals ook genoemd in antwoord op vragen 2 en 4, van belang dat er voldoende mogelijkheden dienen te blijven voor de gewone spaarder om te bankieren bij een bank die geen negatieve rente rekent. Mijn beeld is dat dit op dit moment het geval is.
Bent u alsnog bereid te onderzoeken of negatieve rentes tot een bepaald spaarsaldo verboden kunnen worden?
Zoals genoemd heeft DNB eind 2019 op mijn verzoek onderzocht wat de gevolgen zouden kunnen zijn van een wettelijk verbod op een negatieve rente vanaf een bepaald spaarsaldo. Een wettelijk verbod kent volgens DNB overwegend nadelen en risico’s. Ten eerste beperkt een verbod volgens DNB de economische prijsvorming en marktwerking. Banken moeten zelf verantwoordelijk zijn voor de eventuele reputatiekosten en onzekere gedragseffecten van hun handelen en de risicobeheersing daarvan. Ten tweede doorkruist een verbod volgens DNB het monetair beleid, met nadelige gevolgen voor de Nederlandse economie. Banken zullen minder geneigd zijn rentes op bedrijfsleningen en hypotheken te verlagen. Ten derde kan een verbod de winstgevendheid van banken uithollen, wat volgens DNB kan leiden tot financiëlestabiliteitsproblemen. Dat kan vervolgens weer leiden tot minder vertrouwen in het financieel systeem. Tot slot wijst DNB erop dat een wettelijk verbod op het rekenen van negatieve rente effecten kan hebben die nu niet zijn te overzien.
Wat betekent de lagere grens voor negatieve rentes voor (semi-)publieke instellingen als scholen, ziekenhuizen en non-profit organisaties? Erkent u de negatieve gevolgen en bent u bereid met banken in gesprek te gaan om deze te vermijden?
In antwoord op de schriftelijke vragen van het lid Nijboer van 5 februari 2021 ben ik ingegaan op de effecten van lage rentes voor onderwijsinstellingen, zorginstellingen en goededoelenorganisaties.12 Onderwijsinstellingen die publieke liquide middelen beheren, hebben zelf de keuze tussen het aanhouden van publieke tegoeden bij het Ministerie van Financiën (middels schatkistbankieren), of bij een commerciële bank. Bij het schatkistbankieren wordt geen negatieve rente gerekend. Zorginstellingen kunnen te maken hebben met een negatieve rente over een deel van hun tegoeden bij commerciële banken. Hetzelfde geldt ook voor sommige goededoelenorganisaties, vermogende consumenten en bedrijven.
Ik realiseer me dat het rekenen van negatieve rente over banktegoeden een relatief nieuwe en ongemakkelijke gewaarwording is. De verwachting is immers dat geld bij de bank in de loop van de tijd in waarde groeit of in ieder geval gelijk blijft. Een negatieve rente staat daarmee op gespannen voet. Op dit moment rekenen banken over het algemeen aan een klein deel van hun klantbestand een (licht) negatieve rente. Het lagerenteklimaat heeft tegelijkertijd ook positieve effecten. Zo hoeft er bijvoorbeeld minder rente over nieuwe leningen betaald te worden.
Vanwege regels ten aanzien van de mededinging en het gegeven dat banken zelf gaan over hun rentetarieven, ben ik terughoudend met het opzetten van gesprekken met banken over hun prijsstelling.
Het bericht 'Pulsvisserij blijft verboden, Europees Hof veegt Nederlandse bezwaren van tafel' |
|
Peter Valstar (VVD) |
|
Carola Schouten (viceminister-president , minister landbouw, visserij, voedselzekerheid en natuur) (CU) |
|
|
|
|
Bent u bekend met het bericht «Pulsvisserij blijft verboden, Europees Hof veegt Nederlandse bezwaren van tafel»?1
Ja.
Deelt u de mening dat deze uitspraak een nieuwe klap in het gezicht is van de Nederlandse pulsvissers, die de visserij juist hebben verduurzaamd, en dat zij een compensatie uit Europa zouden moeten ontvangen voor de gedane investeringen?
Ik begrijp dat de pulsvissers teleurgesteld zijn in de uitspraak van het Europese Hof. Gezien de uitspraak van het Hof, waarin geoordeeld is dat het pulsverbod in stand moet blijven, acht ik de mogelijkheid van compensatie uit Europa niet reëel. Het Hof heeft immers gesteld dat het verbod rechtmatig is.
Legt u zich neer bij deze uitspraak of biedt de uitspraak mogelijkheden om de pulsvisserij dusdanig aan te passen dat er nog een toekomst is voor deze sector?
Zoals aangegeven in mijn eerdere brief aan uw Kamer (Kamerstuk 29 675, nr. 115) handhaaft het Hof het pulsverbod. Dit betekent dat er geen mogelijkheden zijn om met deze techniek, die gebaseerd is op elektriciteit, te vissen.
Zijn er mogelijkheden om de uitspraak aan te vechten? Zo ja, welke vervolgstappen gaat u nemen? Zo nee, hoe gaat u de Nederlandse onvrede over de uitspraak uiten op het Europese toneel? Welke Europese bondgenoten heeft u om hierin samen op te trekken?
Nee, het is niet mogelijk tegen deze uitspraak in beroep te gaan. Wel zal Nederland bij de voortgangsrapportage komende zomer over de Verordening Technische Maatregelen, waar het pulsverbod onderdeel van is, blijven pleiten voor deze methode van visserij. De verwachting is dat er geen lidstaten bereid zullen zijn om de discussie over pulsvisserij de komende periode te heropenen.
Ziet u mogelijkheden om de gestelde termijn van 1 juli 2021 te verlengen om de ruim 40 Nederlandse pulsvissers ademruimte te geven om eventueel over te stappen op andere vormen?
Nee. Op dit moment zijn er nog 22 pulsvissers actief, waarvan er nooit meer dan 15 tegelijkertijd met puls mogen vissen (Kamerstuk 21 501-32, nr. 1242). De overgangstermijn, die tot 1 juli 2021 loopt, is wettelijk vastgelegd in de Verordening Technische Maatregelen. Dat betekent dat deze vissers niet meer met puls mogen vissen met ingang van 1 juli 2021. Er is geen mogelijkheid om deze datum te veranderen.
Wat is de geschatte schade voor de sector nu er een definitief einde lijkt te komen aan pulsvissen?
De verwachting is dat, gezien de ervaringen van de pulsvissers die in 2019 en 2020 reeds moesten stoppen, andere visserijmethodes minder opleveren dan pulsvisserij.
Worden de Nederlandse pulsvissers gecompenseerd voor de schade die zij lijden door deze uitspraak? Ziet u mogelijkheden om dit uit Europese gelden te financieren?
Zie antwoord vraag 6.
Wat betekent de uitspraak voor de duurzame visvangst binnen de Europese Unie? Deelt u de mening dat de uitspraak een dolksteek is voor de duurzame visvangst en innovatie frustreert in plaats van stimuleert?
Deze uitspraak heeft niet direct gevolgen voor het visserijbeleid van de Europese Unie. Pulsvisserij is een van de vele visserijmethodes die de Europese Unie kent. Dat deze uitspraak een teleurstelling is voor de pulsvissers begrijp ik. Daarom is het zo belangrijk dat de vissers perspectief geboden wordt. Het pulsverbod is immers een van de vele uitdagingen die deze sector kent. Het stimuleren en versnellen van innovaties is één van de speerpunten uit de kottervisie. Hiervoor zal ik de middelen uit het Noordzeeakkoord inzetten. Daarbij zijn verschillende partijen binnen de sector al bezig met het ontwikkelen en testen van alternatieve tongtuigen. Die ontwikkelingen steun ik van harte.
Wat gaat u doen om de ontwikkeling van innovatieve technologieën als pulsvisserij aantrekkelijk te houden?
Zie antwoord vraag 8.
Het bericht dat het NFI de komende jaren minder onderzoeken kan doen door financiële tekorten. |
|
Michiel van Nispen |
|
Ferdinand Grapperhaus (minister justitie en veiligheid) (CDA) |
|
Heeft u kennisgenomen van het bericht dat het NFI de komende jaren minder onderzoeken kan doen door financiële tekorten? Was u op de hoogte van deze financiële tekorten?1
Ja.
Klopt het dat het aantal onderzoeken naar explosieven bij het NFI de afgelopen vijf jaar is verdubbeld; klopt het voorts dat het NFI daar geen extra budget voor heeft gekregen? Zo ja, waarom heeft het NFI hier geen extra budget voor gekregen?
Het klopt dat het aantal onderzoeken naar explosieven ongeveer is verdubbeld, maar dit is niet direct gekoppeld aan een geldstroom voor deze onderzoeken. Het NFI wordt niet op basis van het aantal producten en/of per onderzoeksgebied gefinancierd, maar ontvangt van mijn ministerie jaarlijks een vast bedrag waarmee alle forensische onderzoeken bij het NFI ten behoeve van de strafrechtketen worden gefinancierd (lump sum financiering). In een Service Level Agreement wordt in afstemming met OM en politie jaarlijks vastgelegd hoeveel van ieder product geleverd wordt. Van sommige producten wordt de productie van het ene jaar op het andere verhoogd, terwijl die van andere producten juist wordt verlaagd.
Klopt het dat het NFI de komende jaren minder onderzoeken kan uitvoeren voor politie en OM, vanwege financiële tekorten? Zo ja, om hoeveel onderzoeken gaat het dan en acht u dit wenselijk?
Het NFI heeft een jaarplan voor 2021 ingediend met een sluitende exploitatie ten opzichte van de op mijn begroting beschikbare middelen en daarop gebaseerde financiële kaderstelling. Het klopt echter dat het NFI de komende jaren minder onderzoeken uit kan voeren voor politie en OM. Het NFI heeft vastgesteld dat in de afgelopen jaren tegen een te lage kostprijs onderzoeken zijn geproduceerd, omdat er te weinig geld is besteed aan de bedrijfsvoering: het onderhouden en vernieuwen van IT-systemen en het vervangen van laboratoriumapparatuur. Voor de continuïteit van de organisatie is het essentieel dat het NFI de kosten van onderhoud, vervanging en vernieuwing opneemt in haar kostprijzen.
De keerzijde van hogere kostprijzen is dat bij een gelijkblijvend lump sum budget (ca. € 74 mln.) de productie in 2021 omlaag moet ter waarde van 1,6 tot 2,0 miljoen euro. Om de daling van de productie te dempen is door mijn ministerie 1 miljoen euro vrij gemaakt in 2021 (door een meevaller binnen het forensische domein in 2020) voor forensisch onderzoek. Bij de besteding van dit extra geld zijn de behoeften van OM en politie leidend. Hiermee wordt de aanvankelijke daling in productie teruggebracht naar 0,6 tot 1,0 miljoen euro. Door de wijze van financieren (zie het antwoord op vraag 2) is het niet mogelijk om dit geldbedrag uit te drukken in aantallen onderzoeken.
Ook in de komende jaren zal het nodig zijn om een hoger bedrag dan in de afgelopen jaren te besteden aan de bedrijfsvoering. In het kader van de begrotingsvoorbereiding wordt de precieze hoogte van deze bedragen nog vastgesteld. Dat zal duidelijk worden in de begroting 2022 die uw Kamer op Prinsjesdag ontvangt.
Klopt het dat het budget van het NFI ook nog eens met 5% gekort wordt, zoals door de directeur van het NFI in het artikel wordt gezegd? Zo ja, hoe verhoudt zich dit tot de aandacht die u wilt geven aan het terugdringen van (georganiseerde) misdaad?
Nee, het budget voor het NFI blijft de komende jaren gelijk. De algemeen directeur van het NFI heeft gezegd dat hij verwacht dat het NFI in 2025 ca. 5% extra van het lump sum budget moet reserveren voor de kosten van de informatietechnologie en laboratoriumapparatuur. Zoals vermeld in antwoord 3 wordt de precieze hoogte van de bedragen nog vastgesteld.
Waarom heeft het NFI geen extra geld gekregen voor het vervangen van apparatuur en ICT? Erkent u dat de vervanging van apparatuur en ICT nu ten koste gaat van het aantal onderzoeken dat het NFI kan uitvoeren? Zo nee, waarom niet?
Zoals uiteengezet in antwoord 3 gaan de noodzakelijke vervanging en het onderhoud van apparatuur en ICT nu ten koste van het aantal onderzoeken dat het NFI uit kan voeren, zij het dat daar door mij deels compensatie voor is gevonden door een extra bijdrage. In antwoord 3 heb ik toegelicht hoe de daling van de productie in 2021 is gedempt tot 0,6–1,0 mln. euro. Hier bovenop meer geld voor het NFI vrijmaken kan niet zonder een verlaging van andere posten op de begroting van mijn ministerie. Binnen de huidige begroting zie ik hiervoor geen vrije ruimte.
Bent u bereid extra geld vrij te maken voor het NFI zodat het NFI meer onderzoeken kan doen om de opsporing te ondersteunen in strafzaken, of in ieder geval niet mínder onderzoeken hoeft te doen dan het de afgelopen jaren heeft gedaan? Zo nee, waarom niet?
Zie antwoord vraag 5.
Het bericht dat de Belastingdienst opnieuw in de fout is gegaan met toeslagen. |
|
Hülya Kat (D66) |
|
Alexandra van Huffelen (staatssecretaris financiën) (D66) |
|
|
|
|
Bent u bekend met het bericht dat de Belastingdienst weer in de fout is gegaan met toeslagen?1
Het is hier erg misgegaan. Ik heb de betrokkenen inmiddels hiervoor excuses gemaakt. Graag zal ik in antwoord op deze vraag een uitgebreide toelichting geven.
In de periode tussen 12 februari en 12 maart jl. hebben 224 toeslaggerechtigden ten onrechte één of meer toeslagenbeschikkingen gekregen waarin staat dat zij geen recht meer hebben op toeslagen, omdat zij geen verblijfstatus zouden hebben. De dagtekeningen van deze in totaal 1.127 beschikkingen liggen tussen 4 maart en 24 april. Deze beschikkingen varieerden flink met maximaal € 6.800 per beschikking en waren in totaal een bedrag van € 2,4 mln. Naast deze formele beschikking vanuit Toeslagen werden ook terugvorderingsbeschikkingen met acceptgiro’s eraan gestuurd. Gemiddeld was dat bij deze 224 toeslaggerechtigden ruim € 11.000 per persoon of € 2.100 per beschikking. Deze burgers hebben wel een verblijfstatus, maar wij hebben de gegevens van de Immigratie- en Naturalisatiedienst (IND) niet goed verwerkt. Van de 1.127 beschikkingen waren er inmiddels 3 betaald met een totaal van € 461 dit wordt uiteraard zo spoedig mogelijk teruggestort.
Dagelijks ontvangt (en verwerkt) Toeslagen gegevens over de «verblijfsstatus» vanuit de IND, in de periode 12 februari tot 12 april betrof dat 160.000 berichten. Op basis van de verblijfstatus wordt het recht op en de hoogte van toeslagen bepaald. De IND verstrekt zowel gegevens over de verblijfstatus in de actualiteit (het huidige toeslagjaar) als mutaties over de verblijfstatus in het verleden (met terugwerkende kracht). Voor een correcte afhandeling van mutaties met terugwerkende kracht was tot februari 2021 een handmatig proces ingericht. In februari 2021 is een aanpassing ingevoerd waarbij dit handmatige proces is geautomatiseerd. Deze geautomatiseerde afhandeling, zo blijkt nu, werkt niet in alle gevallen correct. Er was een ontwerpfout gemaakt waardoor wijzigingen van de ingangsdatum van een verblijfstatus met terugwerkende kracht niet in alle gevallen juist worden afgehandeld. De verblijfstatus werd daardoor onterecht geschoond waardoor er ten onrechte sprake was van «niet rechtmatig verblijf» en daarmee onterecht geen recht op toeslag zou zijn. Hierop is meteen actie ondernomen om dit te herstellen. We hebben op de site een bericht geplaatst over de onterecht verstuurde brieven en uitgelegd hoe wij de fout herstellen.2 Van de 224 toeslaggerechtigden waren er 28 die via het reguliere proces in maart behandeld en hersteld waren. De situatie van de overige 196 toeslaggerechtigden waar het om gaat is heel verschillend, daarom hebben we deze 196 toeslaggerechtigden in 3 groepen verdeeld. De eerste groep (64) betreft de berekening bij een definitieve toekenning van toeslagjaren van 2014 tot en met 2019. Deze groep is hersteld, ze hebben inmiddels een nieuwe beschikking gekregen, zowel in de berichtenbox als op papier. De verkeerde verwerking heeft er ook voor gezorgd dat herzieningen van definitieve beschikkingen voor de toeslagjaren 2014 en 2015 zijn ontstaan. 5 Jaar na afloop van een berekeningsjaar mag een toeslag (in principe) niet meer herzien worden. Door deze fout is dit toch gebeurd. Door de softwareaanpassing zal dit ook opgelost worden. De tweede groep (ook 64) betreft voornamelijk de berekening van voorlopige toekenning voor het jaar 2021 en ook enkele oude jaren. Ook deze groep is helemaal hersteld en zij hebben op 20 april ook het juiste voorschot gekregen. De toeslaggerechtigden uit groep 1 en 2 waarvan we het telefoonnummer hebben zijn gebeld. Zij hebben ook een excuusbrief gekregen. De derde groep (68) betreft complexere situaties rondom onder meer partnerschappen, verhuizingen en medebewoners. Deze situaties zijn inmiddels ook onderzocht en zijn inmiddels behandeld en hersteld. Zij hebben inmiddels een telefoontje gekregen en ontvangen een excuusbrief.
De ontwerpfout wordt zo spoedig mogelijk rechtgezet. Tot die tijd worden meldingen van de IND die vergelijkbaar zijn met de groep van 224 «geparkeerd» zodat ze niet de verkeerde behandeling krijgen.
Kunt u aangeven hoeveel mensen ten onrechte een brief van de Belastingdienst/Toeslagen hebben ontvangen met de boodschap dat ze toeslagen moeten terugbetalen, om wat voor bedragen het gaat en welke toeslagen het over welke jaren betreft?
Zie hiervoor ook het antwoord op vraag 1. Het betreft 224 toeslaggerechtigden en 1.127 beschikkingen. Het totaal aan foutieve beschikking was € 2,4 mln, het gemiddelde bedrag per toeslaggerechtigde ruim € 11.000. Het gaat hierbij om de jaren 2014–2021 en betreft alle vier de toeslagen.
Kunt u aangeven hoe en per wanneer u dit probleem oplost?
Zie hiervoor ook het antwoord op vraag 1. Er wordt hiervoor een softwareaanpassing doorgevoerd.
Kunt u aangeven hoe u dit probleem in de toekomst wilt voorkomen?
Jaarlijks verwerkt Toeslagen miljoenen mutaties waardoor het recht op en de hoogte van de toeslagen kan wijzigen. Dit kan zijn door mutaties die toeslaggerechtigden zelf invoeren, signalen vanuit externen (zoals van de IND) en vanuit de Belastingdienst/Toeslagen zelf (zoals een gewijzigd inkomen). Dit zijn massale geautomatiseerde processen. De Belastingdienst/Toeslagen spant zich in om al in de voorschotfase (hoge) terugvorderingen zoveel mogelijk te voorkomen. Automatische processen kunnen helpen om in een vroegtijdig stadium te signaleren dat (mogelijk) een hoge terugvordering ontstaat. Zo kan eerder een signaal worden afgegeven aan burgers, zodat zij voorschotten kunnen aanpassen om hoge terugvorderingen later te voorkomen.
Om de praktische rechtsbescherming voor burgers te verbeteren, in het bijzonder bij hoge terugvorderingen, is in de Wet verbetering uitvoerbaarheid toeslagen geregeld dat burgers in de gelegenheid worden gesteld hun zienswijze te geven voordat definitieve toekenningsbeschikkingen met een terugvordering van minimaal € 1.500,– vastgesteld worden. Door de belanghebbende in de gelegenheid te stellen zijn zienswijze in te brengen, krijgt de Belastingdienst/Toeslagen belangrijke feiten en omstandigheden in beeld die nodig zijn voor een zorgvuldige belangenafweging. Indien daar aanleiding toe is, kan de terugvordering worden gematigd alvorens definitief te worden vastgesteld. Met deze maatregel kan de evenredigheid van deze beschikkingen verbeterd worden en kunnen mogelijk bezwaar en beroepsprocedures voorkomen worden. De maatregel gaat in per toeslagjaar 2021.
Kunt u aangeven wanneer de Belastingdienst dit signaal heeft ontvangen en welke acties sindsdien zijn en worden ondernomen om deze mensen te informeren en hun zorgen en onrust weg te nemen?
Zie hiervoor het antwoord op vraag 1.
Kunt u aangeven of deze verkeerde brief ook al directe financiële gevolgen heeft gehad? Zijn er bijvoorbeeld mensen die al geld naar de Belastingdienst hebben overgemaakt of van wie een toeslag is stopgezet?
Alle foutieve beschikkingen zijn inmiddels rechtgezet. Alle getroffen toeslaggerechtigden die op 22 maart en 20 april hun toeslagen voor de maanden april respectievelijk mei zouden krijgen zijn inmiddels uitbetaald. Er waren inmiddels wel 3 betalingen met een totaal van € 461 ontvangen, dit wordt uiteraard zo spoedig mogelijk teruggestort.
In hoeverre heeft het bericht dat de Belastingdienst van 9 april jl. over onterecht verstuurde berekeningen Toeslagen2 geleid tot nieuwe reacties en signalen van ontvangers van deze brief?
Er zijn verschillende communicatiekanalen en manieren waarop dergelijke reacties kunnen worden geuit door de ontvangers van deze brief – denk aan de BelastingTelefoon, Twitter, Facebook, Instagram etc. Uit een eerste rondgang zijn er geen reacties gebleken, maar gezien de veelheid aan mogelijkheden valt niet uit te sluiten dat er vanaf 9 april nog reacties en signalen door deze ontvangers zijn geuit
Heeft u overwogen om naast de plaatsing van een bericht op de website van de Belastingdienst nog andere instrumenten in te zetten om mogelijke gedupeerden te informeren? Hoeveel mensen kijken er maandelijks op het verstoringenoverzicht van de Belastingdienst?
Met alle getroffen toeslaggerechtigden wordt contact opgenomen. Zij zijn inmiddels gebeld en ontvangen een (excuus) brief met uitleg. Op de site www.belastingdienst.nl zijn er twee pagina's waarop verstoringen worden gemeld: een algemene verstoringspagina en een verstoringspagina Particulier. De meest actuele verstoringen worden daarnaast ook gemeld op de homepage van www.belastingdienst.nl én die van Toeslagen. De informatie over de verstoringen die hierop staat is dusdanig beknopt, dat het doorklikken op een individuele verstoringsmelding noodzakelijk is om de inhoud en impact van een verstoringsmelding te kunnen begrijpen. In 2020 is er in totaal ruim 90.000 keer geklikt op een dergelijke verstoringsmelding, hetgeen een gemiddelde is van 7.650 keer per maand. De maandgemiddelden variëren echter: zo werd in maart 2020 ruim 20.000 keer geklikt op een verstoringsmelding. Dit is relatief hoog en wordt veroorzaakt door de start van de aangiftecampagne IH in die maand waardoor er meer digitale interactie is dan gemiddeld met de Belastingdienst. In oktober 2020 werd bijvoorbeeld echter slechts een kleine 2.000 keer op een verstoringsmelding geklikt.
Hoe verklaart u dat het brieven tussen 5 maart en 21 april 2021 betreft? Kunt u daarbij specifiek ingaan op de brieven met een verzenddatum in de toekomst? Kunt u nog voorkomen dat deze brieven worden verzonden? Zo nee, waarom niet?
Dit betreft de gebruikelijke gang van zaken waarbij doorgaans een beschikking wordt verzonden met een datum die circa twee weken in de toekomst ligt. In de massale processen wordt hiermee geborgd dat de toeslaggerechtigden geen nadeel ondervinden van vertragingen bij de verzendingen. Door te late bezorging zou bijvoorbeeld de bezwaartermijn voor toeslaggerechtigden korter worden, dit is onwenselijk.
Klopt het dat de verkeerde verwerking van gegevens van de Immigratie- en Naturalisatiedienst (IND) de oorzaak is van de onterechte terugvorderingen? Op welke manier zijn deze gegevens verkeerd verwerkt? Kunt u daarbij specifiek ingaan op de vraag of deze verkeerde verwerking van gegevens een gevolg is van een verkeerde aanlevering door de IND of een verkeerde verwerking door de Belastingdienst?
Zie hiervoor ook het antwoord op vraag 1. De verkeerde verwerking ligt aan de kant van Toeslagen.
Bij welke toeslagen zijn de gegevens van de IND belangrijk voor de toekenning en hoogte van de toeslag?
Bij alle toeslagen. Op basis van de wet dient Toeslagen bij personen zonder EER-nationaliteit de verblijfsstatus te weten om het recht op toeslagen te kunnen vaststellen. De gegevens van de IND kunnen voor de hoogte van de toeslagen ook relevant zijn bijvoorbeeld bij het vaststellen van een één of meerpersoonshuishouden.
Om de verwerking van wat voor soort gegevens van de IND gaat het? Gaat het bij de verwerking van de gegevens van de IND naast de verwerking van de verblijfstatus ook om andere gegevens, zoals een (tweede) nationaliteit? Speelt de verblijfstatus een rol in de risicomodellen en het toezicht van de Belastingdienst? Hoe lang bewaart de Belastingdienst gegevens over een (voormalige) verblijfstatus als iemand met een verblijfstatus de Nederlandse nationaliteit krijgt?
Een melding van de IND bevat; BSN, datum verblijfstatus, datum einde verblijfsstatus, nationaliteit en de verblijfstatus. De verblijfstatus speelt geen rol in de risicomodellen en het toezicht, anders dan dat een geldige verblijfstatus noodzakelijk is voor het ontvangen van toeslagen. Als iemand de Nederlandse nationaliteit heeft behaald blijven deze gegevens conform de Archiefwet 1995 voor 12 jaar bewaard.
Kunt u toelichten hoe het proces er tussen de aanlevering van gegevens door de IND en een automatisch aangemaakte brief van de Belastingdienst uitziet? Welke checks worden er uitgevoerd om te controleren dat gegevens kloppen, goed worden verwerkt en er niet onterecht brieven op de deurmat of in de inbox van MijnOverheid.nl belanden?
Allereerst wil ik hierbij benadrukken dat de door de IND geleverde gegevens juist waren. Zoals ook in het antwoord op vraag 1 beschreven is door een ontwerpfout in het systeem bij Toeslagen de verwerking fout gegaan. In het kort gaat de aanlevering van de gegevens van de IND als volgt; de IND gegevens worden verwerkt in de Basisregistratie Personen (BRP), de gegevens uit de BRP worden door de Belastingdienst verwerkt in het Belastingdienst systeem Beheer van Relaties (BvR), deze worden weer doorgeleverd aan TVS. Op basis van ingekomen mutaties wordt door TVS vervolgens het recht op en de hoogte van de toeslagen berekend. De BRP is een door de overheid officieel aangewezen registratie van persoonsgegevens waarnaar de AWIR wetgeving verwijst en die door Toeslagen wordt gebruikt voor de uitvoering van haar taken.
Kunt u deze vragen in ieder geval binnen drie weken en uiterlijk voor het eerstvolgende debat over toeslagen beantwoorden?
Ja dit is gelukt.
Onterecht verstuurde berekeningen Toeslagen |
|
Renske Leijten , Mahir Alkaya (SP) |
|
Alexandra van Huffelen (staatssecretaris financiën) (D66) |
|
|
|
|
Wat is uw reactie op het bericht dat de Belastingdienst opnieuw veel huishoudens de stuipen op het lijf heeft gejaagd met het bericht dat zij, in sommige gevallen, tienduizend euro aan toeslagen moeten terugbetalen, zelfs nog over het jaar 2014?1, 2
Het is hier erg misgegaan. Ik heb de betrokkenen inmiddels hiervoor excuses gemaakt. Graag zal ik in antwoord op deze vraag een uitgebreide toelichting geven.
In de periode tussen 12 februari en 12 maart jl. hebben 224 toeslaggerechtigden ten onrechte één of meer toeslagenbeschikkingen gekregen waarin staat dat zij geen recht meer hebben op toeslagen, omdat zij geen verblijfstatus zouden hebben. De dagtekeningen van deze in totaal 1.127 beschikkingen liggen tussen 4 maart en 24 april. Deze beschikkingen varieerden flink met maximaal € 6.800 per beschikking en waren in totaal een bedrag van € 2,4 mln. Naast deze formele beschikking vanuit Toeslagen werden ook terugvorderingsbeschikkingen met acceptgiro’s eraan gestuurd. Gemiddeld was dat bij deze 224 toeslaggerechtigden ruim € 11.000 per persoon of € 2.100 per beschikking. Deze burgers hebben wel een verblijfstatus, maar wij hebben de gegevens van de Immigratie- en Naturalisatiedienst (IND) niet goed verwerkt. Van de 1.127 beschikkingen waren er inmiddels 3 betaald met een totaal van € 461 dit wordt uiteraard zo spoedig mogelijk teruggestort.
Dagelijks ontvangt (en verwerkt) Toeslagen gegevens over de «verblijfsstatus» vanuit de IND, in de periode 12 februari tot 12 april betrof dat 160.000 berichten. Op basis van de verblijfstatus wordt het recht op en de hoogte van toeslagen bepaald. De IND verstrekt zowel gegevens over de verblijfstatus in de actualiteit (het huidige toeslagjaar) als mutaties over de verblijfstatus in het verleden (met terugwerkende kracht). Voor een correcte afhandeling van mutaties met terugwerkende kracht was tot februari 2021 een handmatig proces ingericht. In februari 2021 is een aanpassing ingevoerd waarbij dit handmatige proces is geautomatiseerd. Deze geautomatiseerde afhandeling, zo blijkt nu, werkt niet in alle gevallen correct. Er was een ontwerpfout gemaakt waardoor wijzigingen van de ingangsdatum van een verblijfstatus met terugwerkende kracht niet in alle gevallen juist worden afgehandeld. De verblijfstatus werd daardoor onterecht geschoond waardoor er ten onrechte sprake was van «niet rechtmatig verblijf» en daarmee onterecht geen recht op toeslag zou zijn. Hierop is meteen actie ondernomen om dit te herstellen. We hebben op de site een bericht geplaatst over de onterecht verstuurde brieven en uitgelegd hoe wij de fout herstellen.3 Van de 224 toeslaggerechtigden waren er 28 die via het reguliere proces in maart behandeld en hersteld waren. De situatie van de overige 196 toeslaggerechtigden waar het om gaat is heel verschillend, daarom hebben we deze 196 toeslaggerechtigden in 3 groepen verdeeld. De eerste groep (64) betreft de berekening bij een definitieve toekenning van toeslagjaren van 2014 tot en met 2019. Deze groep is hersteld, ze hebben inmiddels een nieuwe beschikking gekregen, zowel in de berichtenbox als op papier. De verkeerde verwerking heeft er ook voor gezorgd dat herzieningen van definitieve beschikkingen voor de toeslagjaren 2014 en 2015 zijn ontstaan. 5 Jaar na afloop van een berekeningsjaar mag een toeslag (in principe) niet meer herzien worden. Door deze fout is dit toch gebeurd. Door de softwareaanpassing zal dit ook opgelost worden. De tweede groep (ook 64) betreft voornamelijk de berekening van voorlopige toekenning voor het jaar 2021 en ook enkele oude jaren. Ook deze groep is helemaal hersteld en zij hebben op 20 april ook het juiste voorschot gekregen. De toeslaggerechtigden uit groep 1 en 2 waarvan we het telefoonnummer hebben zijn gebeld. Zij hebben ook een excuusbrief gekregen. De derde groep (68) betreft complexere situaties rondom onder meer partnerschappen, verhuizingen en medebewoners. Deze situaties zijn inmiddels ook onderzocht en zijn inmiddels behandeld en hersteld. Zij hebben inmiddels een telefoontje gekregen en ontvangen een excuusbrief.
De ontwerpfout wordt zo spoedig mogelijk rechtgezet. Tot die tijd worden meldingen van de IND die vergelijkbaar zijn met de groep van 224 «geparkeerd» zodat ze niet de verkeerde behandeling krijgen.
Waarom hebt u de Kamer niet van deze fout van de Belastingdienst op de hoogte gesteld?
Zelf ben ik op 7 april op de hoogte gesteld van deze verstoring. Ik heb toen eerst gezorgd dat de mensen die hierdoor zijn geraakt op een juiste wijze worden geïnformeerd. Het is niet gebruikelijk om de Kamer proactief in te lichten over alle verstoringen die er plaatsvinden. Ik heb echter begrip voor uw informatiebehoefte om uw controlerende taak goed uit te kunnen oefenen. In het vervolg zal ik dit nadrukkelijker meewegen.
Hoeveel mensen hebben deze brief gekregen? Klopt het dat het om 200 huishoudens gaat?
Ja, zie hiervoor ook het antwoord op vraag 1 in totaal gaat het om 224 toeslaggerechtigden.
Hebben alle onterecht verstuurde brieven te maken met foutief verwerkte gegevens van de Immigratie- en Naturalisatiedienst (IND)? Zo niet, wat zijn de andere oorzaken voor de onterecht verstuurde brieven?
Ja, zie hiervoor het antwoord op vraag 1.
Wat is er verkeerd gegaan met de gegevens van de IND waardoor mensen een onjuiste brief hebben ontvangen? Hoe heeft dit kunnen gebeuren?
Zie hiervoor het antwoord op vraag 1.
Hoe is het mogelijk dat er – zonder tussenkomst van de ontvangers van de toeslag – gegevens van andere instanties zijn gebruikt? Kunt u dit uitleggen?
Op basis van de wet dient Toeslagen bij personen zonder EER-nationaliteit de verblijfsstatus te weten om het recht op en de hoogte van toeslagen te kunnen vaststellen. Op basis van de wet bestaat hiervoor een permanente reguliere informatiestroom vanuit de IND via de Basisregistratie Personen.
Is deze gang van zaken, namelijk dat mensen via een beschikking, zonder hun tussenkomst, op de hoogte worden gesteld van het feit dat zij duizenden euro’s aan toeslagen uit 2014 moeten terugbetalen en vervolgens maar bezwaar moeten aantekenen als zij dit anders zien, wel in lijn met de geldende regelgeving? Kunt u uw antwoord toelichten?
Ik betreur het zeer dat dit gebeurd is. Zie hiervoor ook de antwoorden op vraag 1. Voor toeslagjaren vanaf 2021 is inmiddels de wet aangepast zodat een toeslaggerechtigde eerst benaderd wordt bij definitieve beschikkingen van meer dan € 1.500. Zie hiervoor de antwoorden op vragen 14 tot en met 17.
Indien het antwoord op de vorige vraag «ja» luidt, zou deze regelgeving dan niet moeten worden aangepast? Zo neen, waarom niet?
Zie antwoord vraag 7.
Hadden degenen die deze brief hebben ontvangen al een definitieve beschikking van de toeslagen?
Zie hiervoor ook de antwoorden op vraag 1. Er zijn inmiddels nieuwe definitieve beschikkingen voor 2014–2019 verzonden waarmee de oorspronkelijke situatie hersteld is.
Op welke data van de IND heeft de Belastingdienst zich gebaseerd?
Gegevens over de (ingangsdatum van de) verblijfstatus.
Met welk doel zijn deze gegevens gedeeld met de Belastingdienst?
Zie hiervoor het antwoord op vraag 6.
Welk deel hiervan heeft de brief terecht gekregen en welk deel onterecht?
In de periode 12 februari tot 12 april jl. zijn er 160.000 berichten van de IND die betrekking hebben op de verblijfsstatus ontvangen en verwerkt. Dit leverde, naast de 1.055 foute beschikkingen, circa 7.000 nieuwe of gewijzigde beschikkingen op. In deze verwerking is dus 87% juist gegaan, 13% onjuist.
Ik wil hierbij benadrukken dat het grootste deel van de circa 7.000 terechte wijzigen een positieve toekenningen of nabetaling van toeslagen betrof, dat was namelijk bij 89% van de beschikkingen het geval. Circa 1% betrof een terugvordering uit een oud jaar en 10% een verlaging van het voorschot voor het toeslagjaar 2021.
Hoeveel geld moet er in totaal worden terecht worden terugbetaald door degenen die deze brief hebben gekregen? Wat is het gemiddelde bedrag per huishouden?
Zie hiervoor ook het antwoord op vraag 1. Alle 1.127 beschikkingen waren fout en hoeven dan uiteraard ook niet betaald te worden. Het totaal aan foutieve beschikking was € 2,4 mln, het gemiddelde bedrag ruim € 11.000.
Klopt het dat er geen automatische processen meer zouden voorkomen die tot grote terugvorderingen zouden leiden? Kunt u uw antwoord toelichten?
Jaarlijks verwerkt Toeslagen miljoenen mutaties waardoor het recht op en de hoogte van de toeslagen kan wijzigen. Dit kan zijn door mutaties die toeslaggerechtigden zelf invoeren, signalen vanuit externen (zoals van de IND) en vanuit de Belastingdienst/Toeslagen zelf (zoals een gewijzigd inkomen). Dit zijn massale geautomatiseerde processen. De Belastingdienst/Toeslagen spant zich in om al in de voorschotfase (hoge) terugvorderingen zoveel mogelijk te voorkomen. Automatische processen kunnen helpen om in een vroegtijdig stadium te signaleren dat (mogelijk) een hoge terugvordering ontstaat. Zo kan eerder een signaal worden afgegeven aan burgers, zodat zij voorschotten kunnen aanpassen om hoge terugvorderingen later te voorkomen.
Om de praktische rechtsbescherming voor burgers te verbeteren, in het bijzonder bij hoge terugvorderingen, is in de Wet verbetering uitvoerbaarheid toeslagen geregeld dat burgers in de gelegenheid worden gesteld hun zienswijze te geven voordat definitieve toekenningsbeschikkingen met een terugvordering van minimaal € 1.500,- vastgesteld worden. Door de belanghebbende in de gelegenheid te stellen zijn zienswijze in te brengen, krijgt de Belastingdienst/Toeslagen belangrijke feiten en omstandigheden in beeld die nodig zijn voor een zorgvuldige belangenafweging. Indien daar aanleiding toe is, kan de terugvordering worden gematigd alvorens definitief te worden vastgesteld. Met deze maatregel kan de evenredigheid van deze beschikkingen verbeterd worden en kunnen mogelijk bezwaar en beroepsprocedures voorkomen worden. De maatregel gaat in per toeslagjaar 2021.
Waarom is het toch opnieuw gebeurd dat er geautomatiseerd wordt teruggevorderd? Kunt u dit uitleggen?
Zie antwoord vraag 14.
Wat gaat u er aan doen om te voorkomen dat dit opnieuw kan voorkomen?
Zie antwoord vraag 14.
Kunt u toezeggen dat er niet opnieuw automatisch brieven met terugvorderingen worden verstuurd naar toeslagontvangers?
Zie antwoord vraag 14.
De pedofilie activist Nelson M. die onvindbaar zou zijn |
|
Ulysse Ellian (VVD) |
|
Ferdinand Grapperhaus (minister justitie en veiligheid) (CDA) |
|
|
|
|
Bent u bekend met de uitzending «Danny’s wereld» met daarin een interview met de pedofilieactivist Nelson M.?1
Ja.
Klopt het dat Nelson M. door het Openbaar Ministerie gesignaleerd staat op een internationale opsporingslijst en «onvindbaar» zou zijn?
Het Openbaar Ministerie heeft aangegeven dat betrokkene op 17 mei jl. in Nederland is aangehouden en in voorlopige hechtenis is gesteld. Op 19 mei jl. is de voorlopige hechtenis van betrokkene onder voorwaarden geschorst. Over deze individuele zaak, waarin het strafrechtelijk onderzoek nog loopt, kan ik verder geen inhoudelijke mededelingen doen.
Sinds wanneer is Nelson M. volgens het Openbaar Ministerie onvindbaar?
Ik verwijs naar het antwoord op vraag 2.
Waarom is geen actie ondernomen toen de reclassering al meldde dat Nelson M. zich niet aan zijn meldplicht hield en geen medewerking verleende?
Zoals bekend doe ik geen inhoudelijke mededelingen over individuele zaken waarin het strafrechtelijk onderzoek nog loopt.
In zijn algemeenheid merk ik op dat de reclassering het toezicht retour stuurt indien een onder toezicht gestelde zich niet aan de meldplicht of aan andere algemene of bijzondere voorwaarden houdt. Het Openbaar Ministerie besluit vervolgens of er een vervolgbeslissing of een bevel tot aanhouding nodig is, of dat er een vordering moet worden ingediend bij de rechter.
Welke criteria hanteert het Openbaar Ministerie om te beoordelen of een verdachte onvindbaar is?
In zijn algemeenheid wordt een verdachte als onvindbaar aangemerkt indien ondanks naspeuringen de verdachte niet te vinden is.
Hoe verklaart u dat het Openbaar Ministerie Nelson M. niet kan vinden en wat is ervoor nodig om Nelson M. wel te vinden?
Ik verwijs naar het antwoord op vraag 2.
Wat vindt u van het feit dat Nelson M. kennelijk wél door journalisten is gevonden?
Zoals aangegeven doe ik geen inhoudelijke mededelingen over individuele zaken waarin het strafrechtelijk onderzoek nog loopt. Verder verwijs ik naar het antwoord op vraag 2.
Wat gaat u doen om ervoor te zorgen dat Nelson M. opgespoord en vervolgd wordt?
Het Openbaar Ministerie is verantwoordelijk voor de opsporing en vervolging van strafbare feiten. Als Minister van Justitie en Veiligheid heb ik geen bemoeienis met individuele strafzaken. Verder verwijs ik naar het antwoord op vraag 2.
Het bericht dat er meer ‘gluurapparatuur’ wordt ingezet |
|
Senna Maatoug (GL) |
|
Wouter Koolmees (minister sociale zaken en werkgelegenheid, viceminister-president ) (D66) |
|
|
|
|
Kent u het bericht ««Gluurapparatuur» in trek door thuiswerken, vakbonden bezorgd»?1
Ja.
Herkent u de cijfers van Capterra en CNV? Is er nog meer informatie bij u bekend over de toename van het gebruik van monitoringssoftware? Weet u in welke sectoren dit het meest wordt gebruikt?
Alhoewel de AP een toename in het aantal klachten signaleert over digitale monitoring sinds de start van de coronacrisis is het totaal aantal klachten over dit onderwerp beperkt. Zo zijn er in 2020 veertien klachten ontvangen in de periode 1 januari tot en met 1 december. Drie daarvan zijn afgehandeld. Voor één van deze klachten is een gesprek gevoerd met de organisatie om uit te leggen wat de regels zijn. Voor de tweede klacht heeft de AP de burger erop gewezen welke stappen hij/zij zelf in eerste instantie kan nemen richting de organisatie om het probleem op te pakken. De overige 11 klachten worden nog door de AP bekeken. De AP heeft geen zicht op het gebruik van monitoringssoftware in sectoren.
Vindt u dit ook zorgwekkende cijfers en een negatieve ontwikkeling?
Vertrouwen tussen werkgever en werknemer is de basis voor een goede arbeidsrelatie. Het is in sommige gevallen toegestaan om werknemers te controleren, maar hieraan zijn wel strikte voorwaarden gesteld om de privacy van werknemers te waarborgen. Bijvoorbeeld als mensen in toenemende mate thuis of op afstand werken. Zo moet de werkgever goed beargumenteren waarom het noodzakelijk is om werknemers te controleren. De werkgever moet ook beargumenteren waarom het bedrijfsbelang zwaarder weegt dan het belang van de werknemer, namelijk het recht op privacy. Ook dient de werkgever de werknemer vooraf te informeren dat er gecontroleerd kan worden. Daarnaast heeft een ondernemingsraad (OR) op grond van de Wet op de Ondernemingsraden (WOR) instemmingsrecht ten aanzien van voorgenomen besluiten van de ondernemer inzake regelingen betreffende personeelsvolgsystemen en omtrent het verwerken van en de bescherming van persoonsgegevens van de personen die in de onderneming werkzaam zijn.
Welk toezicht en met welke omvang vindt er momenteel plaats vanuit de overheid op digitale monitoring op de werkvloer? Wat is daarin de verdeling tussen de Inspectie SZW en de Autoriteit Persoonsgegevens (AP)? In welke mate is dat toezicht vanuit de overheid proactief, of vindt er alleen toezicht plaats naar aanleiding van meldingen?
De gegevens die worden verzameld door de toepassing van monitoringsoftware kunnen direct worden gelinkt aan individuele medewerkers. Om deze reden zijn deze gegevens te beschouwen als persoonsgegevens in de zin van de AVG. Het onrechtmatig en disproportioneel verwerken van persoonsgegevens is een overtreding van de AVG. Het toezicht op de naleving van de AVG ligt bij de Autoriteit Persoonsgegevens (AP). De AP monitort deze ontwikkeling. Naar aanleiding van klachten of meldingen kan er onderzoek ingesteld worden. De Inspectie SZW heeft in de arbeidsomstandighedenwet geen wettelijke grondslag om toezicht te houden op dergelijke controlemechanismen.
Worden werknemers geacht melding van ongeoorloofd digitaal toezicht te doen bij zowel de Inspectie SZW als bij de AP?
Een melding over ongeoorloofd digitaal toezicht valt onder de AVG-wetgeving. Het toezicht op de naleving van de AVG ligt bij de Autoriteit Persoonsgegevens (AP). Werknemers worden verzocht om meldingen met betrekking tot ongeoorloofd digitaal toezicht te doen bij de Autoriteit Persoonsgegevens.
Hoe kunnen werknemers worden geïnformeerd over wat wel en niet mag, en waar zij melding kunnen doen van ongeoorloofd digitaal toezicht? Waar kunnen werknemers informatie vinden over hun rechten?
Op de website van het AP staat uitgebreide informatie2 over de voorwaarden die gelden voor het controleren van werknemers (zie ook antwoord op vraag drie). Zoals aangegeven maakt het niet uit of het werk thuis of op de werkplek plaatsvindt. De regels voor controle van werknemers zijn in beide gevallen gelijk. Als een werknemer vermoedt dat er sprake is van een mogelijke inbreuk op het privacy recht kan hij hierover eerst in gesprek gaan met zijn werkgever. Ook kan hij hiervoor terecht bij de ondernemingsraad of de vertrouwenspersoon, indien aanwezig. Ook kan er een melding worden gedaan bij de AP. Op de website van de AP staat informatie over het melden van een klacht.3 In het uiterste geval heeft de werkgever of de werknemer de mogelijkheid om naar de kantonrechter te stappen als binnen de arbeidsrelatie geen overeenstemming bereikt kan worden over de mate waarin of de wijze waarop het controleren van de werknemer door de werkgever plaatsvindt.4
In welke mate is de dramatische achterstand van 10.000 klachten op de plank waar de AP mee kampt problematisch bij het oppakken van een (proactieve) rol in het toezicht op ongeoorloofde digitale monitoring op de werkvloer en wanneer is die achterstand weggewerkt?
Bij de afhandeling van klachten, dus ook die over ongeoorloofde digitale monitoring op de werkvloer, hanteert de AP haar Beleidsregels Prioritering klachtenonderzoek. De AP vindt het voeren van een prioriteringsbeleid belangrijk en noodzakelijk omdat het toezichtveld veelomvattend is en zij efficiënt met haar financiële middelen moet omgaan. De AP moet daarom de mogelijkheid hebben haar middelen zodanig in te zetten dat zij kan optreden in die gevallen waarin de bescherming van de verwerking van persoonsgegevens naar haar oordeel het meest geboden is. Schrijnende klachten worden door de AP met voorrang behandeld. Over de werkachterstanden die de AP momenteel heeft, worden tussen het Ministerie van Justitie en Veiligheid en de AP gesprekken gevoerd.
Welke maatregelen wilt u nemen om deze negatieve trend te keren?
Zoals aangegeven in het antwoord op vraag drie is het de werkgever soms toegestaan om zijn werknemers te controleren. Werkgevers moeten zich daarbij houden aan diverse voorwaarden, zodat de privacy van werknemers gewaarborgd is. Het is aan werkgevers en werknemers gezamenlijk om goede afspraken te maken over de eventuele (digitale) controle en daar invulling aan te geven. Daarin heb ik geen rol.
Als een werknemer vermoedt dat de (digitale) controle niet in overeenstemming is met de geldende voorwaarden kan hij hierover eerst in gesprek gaan met zijn werkgever. Ook kan hij hiervoor terecht bij de ondernemingsraad of de vertrouwenspersoon, indien aanwezig. Ook kan er een melding worden gedaan bij de Autoriteit Persoonsgegevens. In het uiterste geval heeft de werkgever of de werknemer de mogelijkheid om naar de kantonrechter te stappen als binnen de arbeidsrelatie geen overeenstemming bereikt kan worden over de mate waarin of de wijze waarop het controleren van de werknemer door de werkgever plaatsvindt.5
Wanneer komt u, in afstemming met werknemers en werkgevers, met de eerder toegezegde reactie op het rapport «Werken op waarde geschat: Grenzen aan digitale monitoring op de werkvloer door middel van data, algoritmen en AI» van het Rathenau Instituut, dat stelt dat er grenzen gesteld moeten worden aan digitale hulpmiddelen vanuit de overheid en sociale partners?
Zoals eerder aan uw Kamer toegezegd, ben ik voornemens om uw Kamer voor het zomerreces de beleidsreactie op het rapport van het Rathenau Instituut toe te sturen.
Het bericht 'Hoe vrouwen vergeten werden in het Covid-19-onderzoek' |
|
Jan Paternotte (D66), Jeanet van der Laan (D66) |
|
Tamara van Ark (minister zonder portefeuille volksgezondheid, welzijn en sport) (VVD) |
|
|
|
|
Bent u bekend met het bericht «Hoe vrouwen vergeten werden in het Covid-19-onderzoek»?1
Ja.
Deelt u de stelling van onderzoeker Ghossein-Doha, dat je er wetenschappelijk niet omheen kunt de interactie tussen geslacht en Covid-19 te onderzoeken, ook als het gaat om behandelmethodes en medicatie?
Ja.
Bent u bereid met andere lidstaten op te trekken om Europees het belang te adresseren dat verschillen in werking en bijwerking tussen sekse worden meegenomen in lopende en toekomstige studies naar medicatie en behandelmethoden voor Covid-19?
Waar opportuun zal vanuit Nederland het belang worden onderstreept dat bij onderzoek relevante kenmerken van diversiteit, waaronder sekse, worden meegenomen.
Zo zijn de resultaten uit de projecten van het ZonMw programma Gender en Gezondheid zowel nationaal als internationaal gepubliceerd en gepresenteerd. Ook zijn de resultaten en aanbevelingen uit de review van het CBG naar de sekseverdeling bij geneesmiddelenonderzoek gepubliceerd en gedeeld in het Europese netwerk, waaronder ook het wetenschappelijk comité Scientific Advice Working Party (SAWP) waar plannen voor geneesmiddelontwikkeling worden afgestemd. De resultaten geven niet direct aanleiding om de regulatoire richtlijnen met betrekking tot de ontwikkeling van geneesmiddelen aan te passen. Het blijft wel de aandacht van het CBG houden, ook in wetenschappelijk adviezen over geneesmiddelenontwikkeling. Het CBG ziet erop toe dat in publiek toegankelijke informatie voldoende aandacht wordt besteed aan de aanwezige gegevens over man/vrouw vertegenwoordiging en het eventuele verschil in effecten.
Hoe beoordeelt u in het licht van deze berichtgeving de noodzaak van het voorzetten van het programma «Gender en Gezondheid»?2
Het laatste deel van het programma loopt momenteel nog. In de lopende fase van het programma Gender en Gezondheid voeren de partijen activiteiten uit die moeten gaan bevorderen dat gender structureel onderdeel zal zijn van de ontwikkeling en herziening van kennisagenda’s en richtlijnen; in communicatie en ontsluiting richting patiënten en in bewustwording en duurzaam draagvlak bij relevante besturen en financiers. Tijdens de laatste begrotingsbehandeling is een amendement ingediend om voor 2021 3 miljoen euro beschikbaar te stellen voor onderzoek naar gender en gezondheid. VWS is op dit moment in gesprek met het ministerie OCW (die destijds opdrachtgever was van de kennisagenda gender en gezondheid) over de inzet van deze middelen.
Aandacht voor diversiteit krijgt een sterkere plek in het schrijven en uitvoeren van ZonMw-programma’s en in een nieuw online aanvraagsysteem zal bij projectleiders standaard gevraagd worden naar aandacht voor diversiteit bij aanvragen en bij tussentijdse en eindrapportages over lopende projecten. Zo is ook bij alle onderzoeken naar zorg en behandeling (inclusief geneesmiddelen) in het ZonMw COVID-19 programma, gevraagd om aandacht te besteden aan diversiteit.
Hoe gaat u zich er de komende periode voor inzetten dat de bevindingen uit het programma «Gender en Gezondheid» zowel nationaal als internationaal worden opgepakt?
Zie antwoord vraag 4.
Wat is de uitkomst geweest van het delen van het onderzoek van het College ter Beoordeling van Geneesmiddelen (CBG) met het Europees Geneesmiddelenbureau (EMA) over verschillen in geneesmiddeleffecten tussen vrouwen en mannen, zoals toegezegd in de beantwoording van vragen van het lid Bergkamp?3
Zie antwoord vraag 3.
Exportkredietverzekeringen voor omstreden gasproject in Mozambique |
|
Christine Teunissen (PvdD), Lammert van Raan (PvdD) |
|
Hans Vijlbrief (staatssecretaris financiën) (D66), Sigrid Kaag (minister zonder portefeuille buitenlandse zaken, minister buitenlandse zaken) (D66) |
|
|
|
|
Bent u bekend met de berichten «De verborgen oorlog in Mozambique»1 en «Nederland blijft zinnen op rol in gasproject in door geweld geplaagd Mozambique»2?
Ja.
Hoe duidt u de meest recente ontwikkelingen met betrekking tot de escalatie van geweld en zware mensenrechtenschendingen in Cabo Delgado, als aanvulling op de brief van de Ministers van Buitenlandse Zaken en van Buitenlandse Handel en Ontwikkelingssamenwerking van 3 juli 20203 en op het antwoord van de Staatssecretaris van Financiën van 12 februari 2021 op vragen van het lid Van den Nieuwenhuijzen over de gaswinning en het escalerende geweld in Noord-Mozambique4? Hoe duidt u berichten over buitenlandse militaire betrokkenheid in het gebied?
Nederland maakt zich ernstig zorgen over de berichten over grootschalige mensenrechtenschendingen in Cabo Delgado en spreekt zich daarover uit zowel richting de Mozambikaanse autoriteiten alsmede binnen de EU. Ook de EU heeft deze zorgen overgebracht in gesprekken met de Mozambikaanse autoriteiten.
De communicatie van de Mozambikaanse overheid over de gebeurtenissen in Cabo Delgado en de activiteiten van de autoriteiten zijn niet altijd helder. De Mozambikaanse overheid blijkt onvoldoende in staat de aanslagen te voorkomen. Het Mozambikaanse leger en de nationale politie zijn aanwezig in de provincie maar zijn onvoldoende geëquipeerd duurzaam orde te handhaven in het omvangrijke en afgelegen gebied. Het is belangrijk dat de overheid de grondoorzaken van conflict adresseert, omdat de onvrede en het geweld deels lijken voort te komen uit de grote armoede en ongelijkheid onder de bevolking.
Voor wat betreft de buitenlandse militaire betrokkenheid in het gebied zijn er berichten dat de Mozambikaanse overheid in 2019, met zowel materieel als personeel, werd gesteund door de Russische Wagner Group. In 2020 wordt gerapporteerd over de aanwezigheid van de Van Dyck Advisory Group (DAG), een Zuid-Afrikaans veiligheidsbedrijf. Inmiddels lijkt het contract tussen de Mozambikaanse overheid en DAG niet verlengd.
Bent u bekend met het bericht «Frelimo gambled everything on gas – and lost»5? Onderschrijft u de conclusie van dit artikel dat de gasprojecten van Total en ExxonMobil in de provincie Cabo Delgado voorlopig niet van de grond zullen komen? Welke consequenties voorziet u voor betrokken Nederlandse bedrijven en financiers?
Ik ben bekend met het bericht. De ontwikkel- en bouwtijd van complexe projecten vergen vele jaren. Het doel van de Mozambikaanse overheid bij de ontwikkeling en exploitatie van de gasvondsten was dat dit een grote kans zou bieden voor de ontwikkeling van de economie van het land en op termijn een aanzienlijke inkomstenbron zou worden voor de overheidsbegroting. Dit werd ook onderschreven door verschillende internationale organisaties, waaronder het IMF en de Wereldbank. Op dit moment zijn de gevolgen van de recente ontwikkelingen van de geweldsconflicten op de continuïteit van het project onduidelijk. Daarom is het niet mogelijk vast te stellen wat de consequenties voor de betrokken Nederlandse bedrijven zijn. Het kabinet volgt de situatie nauwlettend.
Hoe schat u de veiligheids-, mensenrechten-, sociale- en milieurisico’s in, nu buitenlandse bedrijven, zoals Total, specifiek worden getarget door de gewapende groepen? Kunt u in de beantwoording van deze vraag de risico’s specificeren voor lokale bevolking, lokale overheid, lokale werknemers van aannemers in de gasontwikkeling, buitenlandse arbeiders in het gebied, en expats?
Door de gewelddadige aanvallen staat de veiligheids- en mensenrechtensituatie in de gehele regio onder druk hetgeen grote risico’s met zich meebrengt voor alle groepen inwoners in Cabo Delgado en alle typen werknemers betrokken bij het LNG project.
Wat doet Nederland, bijvoorbeeld via de ambassade in Maputo, om de Mozambikaanse burgers, in het bijzonder vrouwen die door het geweld of de mensenrechtenschendingen in het gasproject slachtoffer zijn geworden, te helpen? Wat doet Nederland om de vermisten te vinden?
De gewelddadige aanvallen op de stad Palma hebben zeer negatieve gevolgen, vooral ook voor vrouwen en meisjes. Ze zijn met name kwetsbaar voor seksueel geweld en vormen de meerderheid in de vluchtelingenstromen. Het aantal ongeplande zwangerschappen en kindhuwelijken stijgt. Met Nederlandse steun biedt UNFPA hulp aan slachtoffers van geweld. Dit houdt bijvoorbeeld in het verlenen van mentale en psychosociale hulp en het verstrekken van kits met hygiënische artikelen voor vrouwen.
Bent u ermee bekend dat Shell een sale and purchase overeenkomst met Mozambique LNG heeft ondertekend om 2 MTPA (million tonnes per annum) gas te kopen?6 Is dit gas voor de import naar Nederland of ergens anders in Europa? Zo nee, waar zal dit gas worden gebruikt?
Ja, daar ben ik mee bekend. Shell is een van de leidende LNG traders in de wereld en levert LNG in tientallen landen met grootste afzet in China en Japan. Wat de specifieke bestemming van de LNG uit Mozambique zal zijn is mij niet bekend.
Hoeveel aanvragen voor een exportkredietverzekering en/of -garantie in relatie tot gasprojecten in noord-Mozambique zijn bij Atradius DSB in behandeling? Klopt het dat Van Oord de aanvrager is van een exportkredietverzekering? Om welke bedrijven gaat het nog meer?
Er is een exporteurspolis verstrekt aan de Nederlandse exporteur Van Oord voor de offshore aannemerijwerkzaamheden aan het project. In het kader van die transactie is ook een financieringspolis verstrekt aan Standard Chartered Bank voor de verzekering van de projectfinanciering van het Nederlandse exportgedeelte van het project, plus een gedeelte lokale kosten. Naast dit project is er kredietverzekering verstrekt aan Damen voor een ponton dat (onder meer) ingezet zal worden bij de gasprojecten in Mozambique. Op dit moment zijn er verder geen aanvragen in behandeling.
Hoe zit de exportkredietverzekering of -garantie financieel in elkaar? Klopt het dat de verzekering zal bestaan uit het garanderen van leningen van vijf commerciële banken, te weten Mizuho Bank, Sumitomo Mitsui Banking Corporation, Standard Chartered Bank, Société Générale en Crédit Agricole Group?
Zie het antwoord op vraag 7. De andere eventueel betrokken partijen zijn niet verzekerd door Nederland. Wij kunnen u hierover dus geen informatie verstrekken voor zover niet reeds openbaar.
Wat is de status van de verzekeringsaanvragen? Heeft de Nederlandse staat dekkingstoezeggingen afgegeven aan Nederlandse bedrijven die betrokken zijn bij on- of ofshore gasprojecten in de provincie Cabo Delgado?
Inmiddels zijn, per 25 en 26 maart, als automatisch gevolg van het bereiken van financial close op 24 maart door de sponsoren, de daadwerkelijke verzekeringspolissen verstrekt. Dit is inmiddels gepubliceerd, op de website van Atradius DSB.7 De dekkingstoezeggingen zijn indertijd op 1 juli 2020 uitgereikt. Zie de beantwoording van vraag 7 om welke bedrijven dit gaat.
Klopt het dat er wel een dekkingstoezegging is gedaan, maar nog geen polis is uitgereikt? Kunt u toelichten wanneer u verwacht een beslissing te nemen over de polis(sen) en op basis waarvan deze beslissing wordt genomen? Worden bovenstaande ontwikkelingen hierin meegenomen?
Nee dat klopt niet, de polissen zijn eind maart verstrekt. Zie ook het antwoord op vraag 9: de uitgereikte dekkingstoezeggingen van 1 juli jl. zijn omgezet in polissen als automatisch gevolg van het bereiken van financial close op 24 maart door de sponsoren. ADSB/de Staat raakten pas later op de hoogte van de ernst en de omvang van de ontwikkelingen.
Klopt het dat Nederlandse bedrijven werkzaamheden ten behoeve van de gasprojecten in Cabo Delgado hebben opgeschort?7 Kunnen deze bedrijven in deze omstandigheden vanwege de opgelopen schade een beroep doen op dekkingstoezeggingen krachtens de exportkredietverzekering? Welke mogelijkheden heeft de exportkredietverzekering om dergelijke schade te verhalen op de overheid van Mozambique?
Ja, projectleider Total heeft recent «force majeure» uitgeroepen over de uitvoeringswerkzaamheden aan het project. De werkzaamheden aan het project zijn voorlopig gestaakt en de aannemers gedemobiliseerd. Demobilisering is een mogelijke schadepost die gedekt wordt onder de exporteurspolis. Of er daadwerkelijk sprake is van demobilisatieschade is nog onbekend. De Nederlandse overheid kan dit niet verhalen op de regering van Mozambique. De overheid van Mozambique is geen mogelijke regrespartij onder deze exporteurspolis, ook staat de Mozambikaanse overheid niet garant voor de regrespartij. Verder wil het kabinet benadrukken dat de exportkredietverzekering een budgetneutraal instrument is dat bekostigd wordt (inclusief eventuele schades) uit de premiebetalingen door verzekerden.
Hoe is het mogelijk dat Total in juli 2020 communiceerde dat Atradius DSB ondersteuning biedt aan het Mozambique LNG project8, dat de Staatssecretaris van Financiën in november 2020 tijdens een debat zei dat was besloten het project te dekken en toe te staan9, maar het Ministerie van Financiën afgelopen week tegen NRC zei dat het besluit om deel te nemen aan de projectfinanciering nog niet is gemaakt?
De strekking van de communicatie door het Ministerie van Financiën in het artikel in NRC heeft wellicht voor wat verwarring gezorgd. Mijn opmerkingen in het debat van november 2020 zijn correct: indertijd was reeds besloten, zoals toegelicht in vraag 9, een dekkingstoezegging te verlenen. De uitgereikte dekkingstoezeggingen van 1 juli jl. zijn vervolgens omgezet in polissen als automatisch gevolg van het bereiken van financial close op 24 maart door de sponsoren, zie het antwoord op vraag 10. De NRC citeert een woordvoerder van het Ministerie van Financiën. De intentie hierbij was niet te stellen dat er nog een besluit moest worden genomen over dekking van het project, maar dat nog niet duidelijk was of de ontstane situatie gevolgen moest hebben voor het genomen besluit. De verzekeringspolissen waren op dat moment namelijk al verstrekt. Deze informatie was op dat moment overigens nog niet gepubliceerd op de website. Conform beleid gebeurt dit altijd met enige vertraging.
Bent u het ermee eens dat dit de gang van zaken voor de Kamer en externe partijen zoals ngo's minder navolgbaar maakt?
Ja.
Bent u bereid vanaf heden op de website van Atradius DSB voor elk categorie A-project ex-ante aan te geven wat de status is van de aanvraag?
Dit is reeds de praktijk. Alle aanvragen voor categorie A-projecten worden op voorhand gepubliceerd op de website van Atradius DSB. Wanneer vervolgens een polis daadwerkelijk wordt afgegeven wordt de polisafgifte ook gepubliceerd. Deze publicatie vindt standaard plaats 30 dagen11 na afgifte van de polis.
In hoeverre heeft Atradius DSB een gedegen analyse gemaakt van het risico van geweld in Cabo Delgado en wat is u daarover medegedeeld? Vormt de gemaakte analyse een voldoende basis waarop een beslissing over de polis kan worden genomen? Zijn gezien de dramatische recente ontwikkelingen de gemaakte analyses achterhaald en overweegt u nieuwe analyses te laten maken?
In het kader van de mvo-beoordeling in het verzekeringsacceptatieproces heeft Atradius DSB een analyse gemaakt van het geweldsrisico. Deze analyse was één van de elementen op basis waarvan de beslissing over de polis is genomen. Bij de analyse is gebruikt gemaakt van verschillende bronnen, waaronder de analyses van het projectconsortium zelf, onafhankelijke onderzoeken, contacten met lokale en internationale ngo’s en informatie van de Nederlandse ambassade. Er is inmiddels sprake van een ernstige veiligheidssituatie waardoor Total force majeure heeft uitgeroepen. Hiermee is het project tot nader orde de facto stilgelegd. Voor een eventuele herstart van het project zal uiteraard een nieuwe veiligheidsanalyse moeten worden opgemaakt.
Op welke gronden kunt u de polis afwijzen? Kunt u voor elk van deze gronden aangeven hoe u daar naar kijkt?
De polissen zijn reeds uitgegeven, hierdoor is het afwijzen van polissen niet meer aan de orde. Het is echter in zeer uitzonderlijke gevallen mogelijk om een polis op te zeggen, bijvoorbeeld wanneer een verzekerde in gebreke is of wanneer er aantoonbaar sprake is van fraude. Gelet op de recente ontwikkelingen in Mozambique, volgen de Staat en Atradius DSB de situatie nauwgezet en zullen op passende wijze handelen binnen de voorwaarden van de polissen.
Heeft u onderzocht op welke gronden kan worden afgezien van het verstrekken van exportkredietsteun, ondanks een eventuele dekkingstoezegging, gezien de escalatie van geweld en zware mensenrechtenschendingen gelinkt aan het gasproject? Tot welke bevindingen komt u?
ADSB zal in lijn met het mvo-beleid voor de ekv zoals gedeeld met uw Kamer (Kamerstuk 26 485, nr. 255) invloed uitoefenen om het project te laten voldoen aan de internationaal afgesproken mvo-voorwaarden. Voor een eventuele herstart van het project zal een nieuwe veiligheidsanalyse worden gemaakt.
Ontstaat er een schadepost nu het project, in ieder geval tijdelijk, stil ligt? Zo ja, hoe groot is de schade (ongeveer)? En op wie gaat u die schade verhalen? Bent u het ermee eens dat het onwenselijk is dat de schade betaald wordt door de belastingbetaler in Mozambique?
Of er een schadepost ontstaat onder de verstrekte ekv-polissen en hoe groot deze eventueel zal zijn en op wie deze eventueel verhaald kan worden is op dit moment nog niet te zeggen. De situatie en de gevolgen hiervan zijn daarvoor op dit moment nog te onduidelijk. Desalniettemin zal de Nederlandse staat eventuele schade niet verhalen op de Mozambikaanse overheid dan wel op de Mozambikaanse belastingbetaler. De Mozambikaanse overheid is immers geen regrespartij in de betreffende verzekeringspolissen. Zie verder het antwoord op vraag 11.
Heeft u de klimaatimpact van de gasprojecten in Mozambique in kaart gebracht en onderzocht in hoeverre investeringen in de gasvelden in Mozambique verenigbaar zijn met de klimaatafspraken die zijn gemaakt in Klimaatakkoord van Parijs, en specifiek het doel om financiële stromen compatibel te maken met de transitie naar koolstofarme en klimaatweerbare ontwikkeling (artikel 2.1.c.)? Heeft u de risico’s dat deze investeringen zich niet uitbetalen en stranded assets worden in kaart gebracht? En zijn de mogelijkheden voor en voordelen van investeringen in hernieuwbare energiebronnen in Mozambique voor ontwikkeling op de lange termijn in kaart gebracht?
De projectaanvraag is beoordeeld op lokale wet- en regelgeving en internationale standaarden op het gebied van maatschappelijk verantwoord ondernemen, in dit geval de OECD Common Approaches en de IFC Performance Standards. Daarbij is in het kader van IFC Performance Standard 3 door Atradius DSB gekeken naar het efficiënt gebruik van natuurlijke hulpbronnen en het voorkomen van verontreiniging. Om meer inzicht te krijgen in hoeverre het project bijdraagt aan vermindering van CO2 emissies is er in opdracht van de projectfinanciers een «Carbon Emission Benchmarking» studie gedaan in maart 2020. Hierbij is het Sustainable Development Scenario van het IEA als uitgangspunt genomen. De studie laat zien dat vergelijking van het gebruik van LNG uit dit project in stroomopwekking in landen als China en India, ter vervanging van kolen- en olie-gestookte energiecentrales, een vermindering zou kunnen opleveren van meer dan een half miljoen ton CO2-uitstoot per TWh geproduceerde elektriciteit.
De ekv-aanvraag is door Atradius DSB uitgebreid beoordeeld op financiële en niet-financiële risico’s. Hieruit is gebleken dat het project voldoende robuust was en in staat om diverse tegenvallers op te vangen, zoals vertragingen, slechtere wisselkoersen of hogere operationele kosten. Voor de beoordeling van de ekv-aanvraag was tevens relevant dat de afname van het LNG zeker gesteld was via lange termijn afnamecontracten met kredietwaardige afnemers en dat het project over voldoende buffers beschikte om een langdurig lage olieprijs het hoofd te bieden. In de beoordeling van deze ekv-aanvraag is door Atradius DSB niet gekeken naar alternatieve investeringen in hernieuwbare energiebronnen in Mozambique, daar een dergelijke exercitie buiten de doelstelling van de ekv valt.
Deelt u de mening dat het Mozambique LNG project een concreet voorbeeld is van een fossiel project dat mensenrechtenschendingen veroorzaakt, bijdraagt aan de destabilisatie en schuldenverhoging van een heel land en het versnellen van de klimaatcrisis? Zo nee, waarom niet?
De mensenrechtenschendingen en destabilisatie in de regio Cabo Delgado zijn veroorzaakt door extremistische opstandelingen. In hoeverre de aanwezigheid van het LNG project in de regio een rol heeft gespeeld bij het geweld door de extremisten is moeilijk vast te stellen. Zie ook het antwoord op vraag 28.
Voor een toelichting op de klimaatimpact van het project zie het antwoord op vraag 19.
Uit de due diligence van Atradius DSB komt naar voren dat het project per saldo een substantiële positieve bijdrage levert aan de overheidsfinanciën van Mozambique, een beeld dat bevestigd wordt door het IMF en de Wereldbank Zo levert het project onder andere belastingen en dividenden op. Wel is het zo, net als in elk infrastructureel project, dat de lasten uitgaan voor de baten.
Deelt u het inzicht dat er, zeker nu de veiligheid van de lokale bevolking klem is komen te zitten tussen de radicale groepen, het Mozambikaanse leger en buitenlandse private militairen, in dit Mozambique gasproject sprake is van onaanvaardbare risico’s voor mens, dier en milieu? Bent u het ermee eens dat Nederland geen exportkredietverzekering moet verlenen in relatie tot de gasprojecten in Mozambique? Zo nee, waarom niet?
De ekv is verstrekt op basis van een positieve beoordeling van de financiële risico’s en de risico’s op het terrein van maatschappelijk verantwoord ondernemen. Het project voldeed daarbij aan alle internationale standaarden en het mvo beleidskader voor de ekv zoals gedeeld met uw Kamer.
ADSB zal in lijn met het mvo-beleid voor de ekv zoals gedeeld met uw Kamer (Kamerstuk 26 485, nr. 255) invloed uitoefenen om het project te laten voldoen aan de internationaal afgesproken mvo-voorwaarden.
Wanneer zal de Kamerbrief met scenario’s voor het in lijn brengen van de exportkredietverzekering met de doelstellingen van het klimaatakkoord van Parijs naar de Kamer worden gestuurd?
De Kamerbrief met daarin een verkenning voor het in lijn brengen van de exportkredietverzekering met de Overeenkomst van Parijs is op 11 mei verzonden naar uw Kamer.
Zal het maken van een afbouwpad om de exportfinanciering van fossiele projecten uit te faseren, onderdeel uitmaken van het onderzoek dat E3F gaat doen10, de kopgroep waar Nederland nu samen met zes andere Europese landen deel van uitmaakt en die het voortouw neemt bij de inzet van publieke exportfinanciering om de klimaatdoelstellingen te halen? Kunt u de afspraken hieromtrent met de Kamer delen? Zo nee, waarom niet en bent u bereid om u hiervoor in te zetten binnen E3F?
Met de lancering van de Export Finance for Future (E3F) coalitie hebben Frankrijk, Denemarken, Duitsland, Nederland, Spanje, Verenigd Koninkrijk en Zweden afgesproken om exportfinanciering voor klimaatvriendelijke en duurzame projecten te stimuleren en voor fossiele sectoren te beperken. Onderdeel van de afspraken is dat onderzocht wordt hoe steun voor fossiele transacties kan worden afgebouwd. Dit kan qua maatregelen en tempo per land verschillen. Concreet hebbende deelnemende landen zich wel alvast gecommitteerd aan het beëindigen van ekv-steun voor kolencentrales en direct aan kolengerelateerde projecten. De afspraken die de zeven landen hebben gemaakt kunt u hier terugvinden13.
Heeft u kennisgenomen van het nieuwe beleid van het Verenigd Koninkrijk (VK), dat betekent dat het VK geen nieuwe investeringen meer in fossiele energieprojecten in het buitenland zal doen? Bent u van plan dit voorbeeld te volgen? Zo nee, waarom niet?
Ja, ik heb kennisgenomen van het nieuwe beleid omtrent de exportkredietverzekering in het VK. Zoals besproken met uw kamer in het AO van 19 november jl. neemt het huidige demissionair kabinet geen besluit over een concreet afbouwpad fossiele transacties in onze exportkredietverzekering, maar laat dit over aan het volgende kabinet. Ik heb daarom een verkenning toegezegd ten behoeve van de besluitvorming van het volgende kabinet. Deze heeft u inmiddels ontvangen.
Bent u het ermee eens dat, gezien de noodzaak om de productie van fossiele brandstoffen af te bouwen, en gezien alleen al de uitstoot van de olie en gas die momenteel wordt geproduceerd een opwarming van meer dan twee graden Celsius zal veroorzaken, investeringen in het aanboren van nieuwe olie- en gasvelden niet verenigbaar zijn met het behalen van de klimaatdoelen? Zo nee, waarom niet?
Ik deel dat we momenteel niet op koers liggen om de afgesproken mondiale temperatuurdoelen uit de Overeenkomst van Parijs te halen. Ook deel ik dat het gebruik van fossiele brandstoffen moet worden afgebouwd. Landen gaan echter zelf over de invulling van hun eigen opgave in het kader van deze doelen. Om de overgang te bewerkstelligen naar hernieuwbare alternatieven, moeten we internationaal samenwerken. Nederland heeft zich daarom aangesloten bij de E3F coalitie.
Bent u ermee bekend met dat in juli 2020 FMO een lening van 25 miljoen heeft verschaft aan Banco Comercial e de Investimentos (BCI)?11 Heeft FMO onderzocht of deze lening (indirect) ondersteuning geeft aan de gas sector, inclusief aanverwante faciliteiten zoals transport of huisvesting, in Mozambique?
Ja, daar ben ik bekend mee. Ik heb van FMO begrepen dat de lening aan Banco Comercial e de Investimentos is bedoeld om de private sector in Mozambique betere toegang te geven tot financiering. De lening van FMO heeft niet als doel om de gassector direct of indirect te ondersteunen. De gassector kwam ook niet naar voren in het onderzoek naar de milieu en sociale risico’s, dat is uitgevoerd voorafgaande aan het verstrekken van de investering.
Bent u bekend met de conclusie van vele deskundigen, ngo's en VN-instituties, dat de winning van conflictgrondstoffen zoals gas wereldwijd de grootste oorzaak is van gewapend conflict?
Het is mij bekend dat de winning van natuurlijke hulpbronnen een belangrijke factor kan zijn in het veroorzaken of in stand houden van conflict of instabiliteit in een land of regio. Overigens heeft de EU vier grondstoffen aangemerkt als conflictmineralen, namelijk tin, wolfraam, tantaal en goud (uitvoering van Verordening 2017/821 van het Europees Parlement en de Raad van 17 mei 2017). Ze worden conflictmineralen genoemd omdat delving van deze mineralen vaak plaatsvindt in instabiele regio’s en gepaard gaat met misstanden zoals geweld en dwangarbeid. De mijnbouw en illegale handel is vaak in handen van gewapende groepen die hun activiteiten financieren met de opbrengsten.
Erkent u dat het conflict in Mozambique begon naar aanleiding van onvrede over gasexploitaties door Westerse bedrijven, die de lokale bevolking wel opzadelen met een vervuilde leefomgeving maar niet zorgen voor een verbetering van levensstandaarden? Wat vind u ervan dat de Nederlandse regering fossiele exploitaties financiert die aantoonbaar bijdragen aan een burgeroorlog?
De situatie in Cabo Delgado is complex. Werkloosheid en analfabetisme zijn hoog en veel mensen leven onder de armoedegrens. Het centraal bestuur is zwak en er is veel georganiseerde misdaad, met name actief in mensen-, drugs- en grondstoffensmokkel. Het gevoel van onvrede richting de overheid in algemene zin en richting een regering die tweeduizend kilometer zuidwaarts zit lijkt dan ook een belangrijke rol te spelen bij het ontstaan en voortduren van het geweld. De motieven van de gewelddadig extremisten blijven echter onduidelijk. Het feit dat de gasvelden al in 2011 zijn ontdekt maar dat tot nu verbetering van de leefomstandigheden is uitgebleven, kan hieraan bijdragen.
De Nederlandse staat treedt niet op als financier van deze fossiele exploitatie, Nederland verzekert de projectfinanciering en de risico’s die gelopen worden de Nederlandse exporteur. Zoals toegelicht in het antwoord op vraag 15 heeft Atradius DSB een uitgebreide analyse gemaakt van het geweldsrisico van het verzekerde project. Op basis van de recente zeer zorgwekkende berichten uit Mozambique blijkt dat deze analyse inmiddels achterhaald is. De Nederlandse staat en Atradius DSB volgen de situatie daarom nauwlettend.
Deelt u de mening dat het verlenen van exportkredietverzekeringen voor projecten die bijdragen aan gewelddadig conflict regelrecht indruist tegen de prioriteiten van het buitenlands mensenrechtenbeleid van dit demissionair kabinet, waaronder het bevorderen van de internationale rechtsorde en de strijd tegen straffeloosheid? Zo nee, waarom niet? Zo ja, hoe gaat u ervoor zorgen dat het tegengaan van de handel in conflictgrondstoffen verankerd wordt in het buitenlands mensenrechtenbeleid en handelsbeleid?
Het verstrekken van exportkredietverzekeringen is gebaseerd op internationale (OECD/IFC) mvo-standaarden, waaronder op het gebied van veiligheid en mensenrechten. Dit betekent dat via de ekv geen projecten kunnen worden verzekerd met onaanvaardbare risico’s op mens, dier en milieugebied. Projecten die bijdragen aan gewelddadige conflicten kunnen derhalve ook niet worden verzekerd via de ekv. Juist vanwege de inbedding van de genoemde internationale standaarden binnen de ekv, is van rechtstreeks indruisen van de ekv tegen de internationale rechtsorde en straffeloosheid geen sprake.
Zoals aangegeven in het antwoord op vraag 27 valt de import van tin, tantaal en wolfraam, de overeenkomstige ertsen, en goud uit conflict- en hoogrisicogebieden onder de conflictmineralenverordening (Kamerstuk 35 506). Bedrijven die deze mineralen importeren moeten stappen zetten om te zorgen dat zij niet middels hun handel bijdragen aan conflict en gerelateerde mensenrechtenschendingen. Het kabinet heeft in de beleidsnota «Van voorlichten tot verplichten» (Kamerstuk 26 485, nr. 337) nieuw IMVO-beleid voorgesteld. Kern van dit nieuwe beleid is een brede gepaste zorgvuldigheidsverplichting voor bedrijven, bij voorkeur op Europees niveau.
Het bericht dat algoritmes van de gemeente Rotterdam kunnen leiden tot vooringenomen uitkomsten |
|
Bouchallikh , Laura Bromet (GL) |
|
Kajsa Ollongren (viceminister-president , minister binnenlandse zaken en koninkrijksrelaties) (D66), Raymond Knops (staatssecretaris binnenlandse zaken en koninkrijksrelaties) (CDA) |
|
|
|
|
Heeft u kennis genomen van de berichten «Algoritmes gemeente Rotterdam kunnen leiden tot «vooringenomen uitkomsten»»1 en «Harde kritiek op algoritmes voor opsporing van bijstandsfraude?»2
Ja.
Wat is uw reactie op het rapport «Gekleurde technologie» van de Rekenkamer Rotterdam?
Het is belangrijk om onderzoek te doen naar de manier waarop algoritmische data-analyses in de praktijk door de overheid gebruikt worden en hoe het toezicht daarop georganiseerd is. Het Rekenkamerrapport maakt nog eens inzichtelijk dat er risico’s op het gebied van vooringenomenheid kunnen ontstaan wanneer in datasets (indirect) onderscheid wordt gemaakt met behulp van variabelen. De Rekenkamer Rotterdam concludeert dat er in deze gemeente aandacht is voor ethische principes bij het gebruik van algoritmen, maar dat deze aandacht nog niet wijdverspreid is. De gemeente Rotterdam is eerstverantwoordelijk om op dit rapport te reageren en dat heeft de gemeente ook gedaan.
Is het waar dat de gemeente Rotterdam in het kader van het project «Analytics Uitkeringsfraude» gebruik maakt van algoritmes die op eigen houtje zoeken naar kenmerken van fraudeurs? Is er daarmee sprake van de inzet van zelflerende algoritmes?
In haar bestuurlijke reactie zegt de gemeente dat het genoemde algoritme geen fraude opspoort, maar risico op fraude inschat. Het gaat om een risico-inschattingsmodel dat op basis van beschikbare historische data uit het uitkeringsproces een inschatting maakt van de kans dat er iets met de rechtmatigheid van een uitkering aan de hand kan zijn. Op basis van de risico-inschatting worden uitkeringsgerechtigden uitgenodigd voor een gesprek. Daarna wordt de rechtmatigheid van de uitkering beoordeeld.
De gemeente Rotterdam zegt dat er geen sprake is van een zelflerend algoritme. Het ontwikkelen («trainen») van het algoritmisch model gebeurt door in data van historische rechtmatigheidsonderzoeken naar patronen te zoeken en te testen of deze patronen in ongeziene data (een apart gehouden deel van de historische rechtmatigheidsonderzoeken) een voorspellende waarde hebben over de mate van (on)rechtmatigheid. Hierin zit altijd een menselijke handeling.
Deelt u de conclusie dat dit kan leiden tot vooringenomenheid omdat het model, via een omweg langs andere variabelen zoals laaggeletterdheid, ook etnische achtergrond mee kan nemen en sommige mensen als gevolg daarvan een grotere kans hebben te worden onderworpen aan controles? Zo nee, waarom niet? Zo ja, wat vindt u hiervan?
Ik deel de conclusie dat door het gebruik van variabelen die een (indirecte) relatie hebben met een in de wet beschermde grond zoals leeftijd of godsdienst, vooringenomenheid in algoritmische modellen kan ontstaan. Dat moet worden voorkomen. Het gebruik van kenmerken die indirect verwijzen naar een beschermde grond is lastiger te herkennen dan kenmerken die direct verwijzen naar beschermde gronden. In het voorbeeld van de Rekenkamer Rotterdam wordt spreekvaardigheid genoemd als een kenmerk dat indirect kan verwijzen naar iemands afkomst of etniciteit. De gemeente Rotterdam zegt dat zij voorafgaand aan het Rekenkameronderzoek op eigen verzoek een onderzoek door Concern Auditing heeft laten uitvoeren op het algoritme. Door Concern Auditing is aangegeven dat er bij de ontwikkeling van het algoritme en de werking daarvan goed is nagedacht over keuzes en maatregelen om vooringenomenheid te voorkomen. Zo bevat de input geen beschermde gronden zoals nationaliteit en vindt er pseudonimisering plaats op de data waarop het algoritme draait. Ook wordt de output gescreend om te voorkomen dat er onnodige heronderzoeken plaatsvinden.
Niet alleen de gemeente Rotterdam zet algoritmen in ter ondersteuning van publieke taken; vele overheden doen dat. Daarom wordt vanuit het Ministerie van BZK beleid ontwikkeld dat overheden helpt om algoritmen op een verantwoorde manier in te zetten. Om vooringenomenheid van algoritmische modellen te voorkomen, is de Handreiking AI-systeemprincipes voor non-discriminatie ontwikkeld (die binnenkort aan uw Kamer zal worden toegezonden). De handreiking bevat een overzicht van de belangrijkste non-discriminatiewetgeving en allerlei voorbeelden van direct en indirect onderscheid die mogelijk kunnen leiden tot discriminatie. De handreiking helpt overheden om al in de ontwikkelfase van een algoritmisch systeem discriminerende patronen in modellen en gegevens zoveel mogelijk te identificeren, te voorkomen en te bestrijden. In de handreiking is een vertaalslag gemaakt van essentiële juridische kaders naar operationele ontwerpprincipes. Binnenkort zal het ministerie daarnaast een impact assessment mensenrechten en algoritmen (IAMA) publiceren. Dit impact assessment helpt overheden om risico’s voor mensenrechten (waaronder non-discriminatie) bij de ontwikkeling van systemen in kaart te brengen en af te zwakken. Verschillende instrumenten voor een verantwoorde inzet van algoritmen komen samen in de toolbox ethisch verantwoord innoveren voor overheden.3
Wat onderneemt u, in navolging van de motie-Klaver c.s., om te verzekeren dat zelflerende algoritmes die worden gebruikt door de overheid geen gevoelige variabelen zoals nationaliteit of etniciteit hanteren, direct of indirect?3
Het is niet toegestaan om nationaliteit of etniciteit te gebruiken als indicator in risicomodellen tenzij er een objectieve rechtvaardiging voor die gegevensverwerking is en het gemaakt onderscheid proportioneel is. Naast de bovengenoemde instrumenten die overheden helpen om de juiste variabelen in modellen te gebruiken, kijken we ook naar de kwaliteit van bestaande modellen in de praktijk. Zo vindt er momenteel een rijksbrede inventarisatie plaats naar het onrechtmatig (niet volgens geldende wet- en regelgeving toegestane) en het oneigenlijk (niet objectief gerechtvaardigd) gebruik van nationaliteit, etniciteit en geboorteplaats in risicomodellen. Als gegevens zijn gebaseerd op onrechtmatig en oneigenlijk gebruik in risicomodellen, dan worden deze gegevens beschouwd als vervuilde data en worden deze opgeruimd door de overheidsinstellingen zelf. Gemeenten en andere overheidsinstellingen zijn bij deze inventarisatie betrokken in zoverre zij onderdeel zijn van de ketens en dienstverleningsprocessen aan burgers en bedrijven. Op 8 april jl. zond ik uw Kamer hierover een brief.5 De rijksbrede inventarisatie is een uitwerking van de motie van het lid Marijnissen (SP) c.s. om voor 1 maart een voorstel te doen hoe overal binnen overheidsinstellingen vervuilde data, risicomodellen en het gebruik van nationaliteit worden opgeruimd met inachtneming van de motie van het lid Klaver (GroenLinks) c.s. om hierbij niet alleen te kijken naar nationaliteit, maar ook naar etniciteit en geboorteplaats.
Deelt u de bevinding van de Rekenkamer Rotterdam dat bijstandsontvangers onmogelijk kunnen weten waarom het algoritme hen aanmerkt voor nadere controle? Zo nee, waarom niet? Zo ja, in hoeverre is dat verenigbaar met de privacywetgeving die stelt dat burgers het recht hebben om inzicht te krijgen in de achtergrond van belangrijke beslissingen? Kunt u het antwoord juridisch onderbouwen met verwijzing naar de relevante wet- en regelgeving?
Het transparantievereiste uit de AVG (artikel 5, eerste lid, onder a) vergt dat persoonsgegevens worden verwerkt op een wijze die voor de betrokkenen transparant is. Dit beginsel wordt uitgewerkt in verschillende informatieverplichtingen. Bij artikel 5 AVG is overwogen dat overeenkomstig het transparantiebeginsel informatie en communicatie in verband met de verwerking van die persoonsgegevens eenvoudig toegankelijk en begrijpelijk moeten zijn, en dat duidelijke en eenvoudige taal moet worden gebruikt. Het beginsel betreft met name het informeren van de betrokkenen over de identiteit van de verwerkingsverantwoordelijke en de doeleinden van de verwerking. Tevens bevat het beginsel verdere informatie om te zorgen voor behoorlijke en transparante verwerking met betrekking tot de natuurlijke personen in kwestie en hun recht om bevestiging en mededeling te krijgen van hun persoonsgegevens die worden verwerkt.
De gemeente Rotterdam heeft aangegeven zich ervan bewust te zijn dat er duidelijker moet worden gecommuniceerd over het gebruik van algoritmen. Ook uit een interne beoordeling van het risico-inschattingsmodel, die de gemeente op eigen initiatief heeft laten uitvoeren voorafgaand aan het rapport van de Rekenkamer Rotterdam, was al gebleken dat transparantie rondom en communicatie over het gebruik van het algoritme aandacht behoeven. De gemeente heeft inmiddels actie uitgezet om dit te verbeteren. Dit zou in de komende maanden zichtbaar moeten worden.
Hoe verhoudt het gebruik van algoritmes binnen het project «Analytics Uitkeringsfraude» zich tot de rechterlijke uitspraak van 5 februari 2020 die het gebruik van het fraude-opsporingssysteem SyRI verbiedt?
In de SyRI-uitspraak wijst de rechtbank fraudebestrijding en het verzamelen en combineren van gegevens en het gebruik van algoritmen/profilering daarvoor niet zonder meer af. De rechtbank oordeelde dat het programma niet in verhouding stond met de inmenging in de privacy die de toepassing met zich meebracht. Het systeem was volgens de rechtbank onvoldoende transparant, o.a. over welke objectieve feitelijke gegevens tot een verhoogd risico konden leiden, over de werking van het risicomodel (dus welk type algoritme, welke methode voor risicoanalyse), en over hoe het model gevalideerd werd. Ook was het niet duidelijk hoe betrokkenen geïnformeerd werden of konden controleren of hun gegevens op de juiste manier werden verwerkt. Bovendien werden bij SyRI veel gegevens gecombineerd, zonder integraal toezicht van een onafhankelijke derde, wat strijdig is met doelbinding. Tot slot was niet duidelijk of het risico op discriminatie werd ondervangen.
In algemene zin bestaat er ruimte om algoritmen in te zetten bij het uitoefenen van taken en bevoegdheden. De wet biedt daar kaders voor, in het bijzonder de AVG. De rekenkamer en de bestuurlijke reactie van de gemeente Rotterdam adresseren dezelfde zorgen die ook in deze uitspraak geuit zijn. Daarbij gaat het met name om transparantie en om de validatie van de gebruikte modellen.
Wat vindt u ervan dat het project «analytics uitkeringsfraude» al vier jaar bestaat, in toenemende mate wordt gebruikt om uitkeringsgerechtigden te selecteren voor controles, maar nog altijd de status van een pilot heeft?
De gemeente Rotterdam heeft aangegeven dat het project feitelijk niet meer de status heeft van een pilot, ook al suggereert de naamgeving dit. De gemeente heeft toegezegd hierover duidelijk te zullen communiceren, bijvoorbeeld via haar website.
Bent u bereid, op basis van het rapport van de Rekenkamer Rotterdam, deze uitgerekte pilot met onmiddellijke ingang stop te laten zetten? Zo nee, waarom niet?
Uiteindelijk zijn gemeenten zelf verantwoordelijk voor naleving van de wet. Dat geldt ook wanneer zij algoritmen inzetten. Als rijksoverheid bieden wij kaders en beleid om dit zo goed mogelijk te doen.
Hoe is het mogelijk dat er algoritmes worden ingezet zonder dat de betrokken ambtenaren, volgens de Rekenkamer Rotterdam, ook maar beseffen dat daar ethische risico’s aan zijn verbonden?
In het rapport is niet gesteld dat de betrokken ambtenaren geen enkel besef hebben van de ethische risico’s die zijn verbonden aan het gebruik van algoritmen. Wel constateert de Rekenkamer Rotterdam dat instrumentarium om ethische risico’s in beeld te brengen en te toetsen, onvoldoende aanwezig is of wordt gebruikt. De gemeente Rotterdam heeft aangegeven ervoor zorg te dragen dat gemaakte keuzes rondom ethische vraagstukken, navolgbaar zullen worden vastgelegd.
Vanuit het Ministerie van BZK zetten we de komende jaren in op het beter over het voetlicht brengen van eerdergenoemde instrumenten voor een verantwoorde inzet van algoritmen. Daarnaast hebben we het Rathenau Instituut gevraagd om in kaart te brengen op welke vlakken (denk aan bijvoorbeeld kennis, capaciteit en processen) overheidsorganisaties verder versterkt kunnen worden om mensenrechten (zoals non-discriminatie) bij digitalisering (en dus de inzet van algoritmen) te borgen.
Vanuit de Vereniging van Nederlandse Gemeenten (VNG) worden gemeenten daarnaast gestimuleerd om een commissie in te zetten die advies geeft over de ethische en maatschappelijke aspecten van digitaliseringsprojecten.
Deelt u de mening dat de verantwoorde inzet van algoritmes onmogelijk is zonder besef van de risico’s? Zo nee, waarom niet? Zo ja, wat onderneemt u om bewustwording en kennis onder rijksambtenaren en medeoverheden op dit vlak te vergroten?
Die mening deel ik. Het bewustzijn van de risico’s is altijd de eerste stap. Er bestaan al instrumenten, zoals het Privacy Impact Assessment (PIA), waarmee de risico’s in kaart worden gebracht. Zo’n PIA moet worden gedaan bij het verwerken van (bijzondere) persoonsgegevens. Aanvullend werkt het kabinet aan de ontwikkeling en toepassing van instrumenten die overheden en bedrijven ondersteunen bij het beter in de praktijk toepassen van wettelijke verplichtingen en die (daarmee) helpen algoritmen op verantwoorde wijze in te zetten. Onder de beantwoording van vraag vier ben ik al ingegaan op de Handreiking AI-systeemprincipes voor non-discriminatie en het impact assessment mensenrechten en algoritmen (IAMA). Ook heeft het kabinet richtlijnen voor data-analyse opgesteld die op verschillende plekken binnen de overheid zijn getest en momenteel verder worden doorontwikkeld. Vanuit het innovatiebudget financier ik projecten die zien op verantwoorde inzet van algoritmen. Onder die projecten is ook het project «Public AI in Control» dat de Rekenkamer Rotterdam als goed voorbeeld benoemt. Ten slotte wordt op dit moment een vervolg op de nationale AI-cursus ontwikkeld met speciale aandacht voor ethiek.
Wat vindt u ervan dat de gemeente Rotterdam nog geen overzicht heeft van de algoritmes die de gemeente zelf gebruikt? Wat onderneemt u om een overzicht te krijgen van alle overheidsalgoritmes? Bent u bijvoorbeeld bereid om er bij medeoverheden op aan te dringen dat zij ieder een centrale regisseur en eindverantwoordelijke benoemen voor het gebruik van algoritmes?
De gemeenten zijn zelf verantwoordelijk om een overzicht te hebben van algoritmen die worden ingezet. Vanuit mijn verantwoordelijkheid voor de digitale overheid wordt vanuit BZK onderzoek gedaan naar de nut- en noodzaak van een algoritmeregister. De gemeente Rotterdam experimenteert hiermee. Daarnaast zijn er ook proeven in Amsterdam, Utrecht en de provincie Zuid-Holland. In een dergelijk register worden algoritmen opgenomen die voor burgers en toezichthouders in te zien zijn. Een register kan informatie verschaffen over het type algoritmen, maar ook over de data die gebruikt zijn. Ook kan zo’n register een status overzicht geven van de kwaliteitseisen die toegepast zijn en de verantwoordelijke vermelden waar burgers terecht kunnen met vragen. Het is belangrijk dat een algoritmeregister aansluit bij de behoeften van burgers. Ik kom hier op terug in de brief aan uw Kamer die medio juni verschijnt en bericht over de voortgang van moties die zijn ingediend tijdens het debat over het rapport van de Parlementaire Ondervragingscommissie Kinderopvangtoeslag.
Hoe staat het met de uitvoering van de motie-Klaver c.s. die de regering verzoekt om een algoritmeregister op te zetten zodat iedereen, ook experts van buiten, toezicht kan houden op mogelijk discriminerende algoritmes? Kunt u een nauwkeurig tijdpad geven van de uitvoering van deze motie?
Zie antwoord vraag 12.
In hoeverre denkt u dat de door de Rekenkamer geconstateerde problemen rond het gebruik van algoritmes in Rotterdam ook spelen in andere gemeenten? Hoe houdt u daar zicht op?
Ik heb geen zicht op het gebruik van algoritmen door gemeenten, en ik heb geen signalen ontvangen dat er in andere gemeenten soortgelijke problemen spelen. Er vinden interne controles plaats bij gemeenten, daarnaast zijn er ook externe controles van gemeentelijke auditdiensten en van gemeentelijke rekenkamers. Op Rijksniveau vinden ook interne controles plaat, is de Audit Dienst Rijk bevoegd om audits uit te voeren op algoritmen en doet de Algemene Rekenkamer (ARK) regelmatig onderzoek naar algoritmen. Onlangs nog heeft de ARK een onderzoek afgerond «Aandacht voor algoritmen» met daarin een overzicht van algoritmen die het Rijk gebruikt.6 Daarnaast zijn er toezichthouders zoals de Autoriteit Persoonsgegevens en het College voor de Rechten van de Mens die proactief, of op basis van signalen die ze krijgen, onderzoek kunnen instellen. De Nationale ombudsman doet onderzoek naar klachten. Recent bracht de Nationale ombudsman een onderzoek naar buiten «de burger is geen dataset».7 Verder is in mijn opdracht recent door TNO opnieuw een quick-scan gemaakt met daarin een inventarisatie van AI-toepassingen in de publieke sector.8
Welke instanties houden toezicht op het gebruik van algoritmes bij de rijksoverheid en medeoverheden? Hoeveel modellen zijn door een toezichthouder getoetst en hoeveel zijn aangemerkt als problematisch?
Zie antwoord vraag 14.
Deelt u de conclusie van de Rekenkamer Rotterdam dat de bestaande AVG-wetgeving niet toereikend is voor goede borging van de ethiek en kwaliteit van algoritmes? Zo nee, waarom niet? Zo ja, op welke wijze zou de wetgeving moeten worden aangepast?
Het kabinet heeft eerder in de kabinetsreactie op drie algoritmeonderzoeken geconcludeerd dat algoritmen niet in een juridisch vacuüm vallen.9 Zo bevat de AVG uitvoerige eisen voor de kwaliteit van data en vraagt zij tests die van tevoren moeten worden gedaan, óók om andere fundamentele vrijheden te beschermen. Toch bestaan er in praktische zin knelpunten, zoals de mogelijkheid om «bijzondere persoonsgegevens» te gebruiken om de kwaliteit van modellen en data te beoordelen.10 Het kabinet zal een wettelijke grondslag voor de verwerking van bijzondere persoonsgegevens in het leven roepen die ertoe strekt het onder strenge voorwaarden mogelijk te maken gegevens te verwerken om discriminatie in een algoritmisch model te voorkomen.11 Daarnaast zal het kabinet bezien of in aanvulling op de bestaande transparantieverplichtingen die voortvloeien uit de AVG, aanvullende wettelijke waarborgen nodig zijn die o.a. beogen om het publiek beter te informeren. Tot slot vindt het kabinet het van belang om wet- en regelgeving die veel open normen bevatten, beter toepasbaar te maken voor de ontwerppraktijk. Zie ook het antwoord op vraag 11. Begin juni zal een voortgangsrapportage AI en algoritmen uw Kamer bereiken. Hierin worden de verschillende acties die nodig zijn om burgers de noodzakelijke bescherming te bieden verder toegelicht.
Bent u bereid om de aanbeveling van de Rekenkamer Rotterdam, om voor alle algoritmes regels, richtlijnen en instructies te formuleren die toezien op transparantie en eerlijkheid en die voorzien in de systematische beoordeling en evaluatie van in gebruik zijnde algoritmes, Rijksbreed op te volgen?
Zie antwoord vraag 16.
Het bericht ‘Raad van State vreest dat uitstel tot afstel leidt bij kwaliteitsafspraken’ |
|
Hatte van der Woude (VVD) |
|
Ingrid van Engelshoven (minister onderwijs, cultuur en wetenschap) (D66) |
|
|
|
|
Bent u bekend met het bericht «Raad van State vreest dat uitstel tot afstel leidt bij kwaliteitsafspraken»?1
Ja.
Wanneer is precies het advies van de Raad van State over «het besluit de kwaliteitsbekostiging toe te voegen aan de lumpsum van hoger onderwijsinstellingen» aan het Ministerie van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap gegeven?
Het advies van de Raad van State over het ontwerpbesluit tot wijziging van het Uitvoeringsbesluit WHW 2008, houdende de aanpassing van de kwaliteitsbekostiging over het jaar 2021 in verband met de uitbraak van COVID-19 (hierna: het besluit) is op 12 augustus 2020 gegeven.
Waarom is het advies van de Raad van State over «het besluit de kwaliteitsbekostiging toe te voegen aan de lumpsum van hoger onderwijsinstellingen» destijds niet gedeeld met de Tweede Kamer en de Eerste Kamer?
Adviezen van de Raad van State over een algemene maatregel van bestuur (amvb) worden niet toegezonden aan de Tweede Kamer, ook adviezen over een zogenoemde voorhang-amvb niet. De voorhangprocedure, zoals deze is opgenomen in de Wet op het hoger onderwijs en wetenschappelijk onderzoek, houdt in dat de amvb wordt toegezonden aan de Tweede en Eerste Kamer voordat de Koning wordt verzocht het ontwerpbesluit ter advisering aan de Raad van State voor te leggen. De Raad van State heeft dan ook pas geadviseerd over het besluit nadat de voorhangprocedure bij de Tweede Kamer en Eerste Kamer was afgerond. Naar aanleiding van het advies van de Raad van State is de nota van toelichting bij het besluit aangepast en is het besluit in het Staatsblad geplaatst.
Waarom moet de Kamer via de publicatie in de Staatscourant op 12 april 2021 uitvinden dat dit advies van de Raad van State aan het Ministerie Onderwijs, Cultuur en Wetenschap is gegeven?
Zoals aangegeven in het antwoord op vraag 3 worden adviezen van de Raad van State over een amvb niet aan de Tweede Kamer toegezonden. Op grond van de Wet op de Raad van State vindt openbaarmaking van adviezen van de Raad van State over algemene maatregelen van bestuur plaats door publicatie ervan in de Staatscourant. De openbaarmaking moet gelijktijdig met de bekendmaking van de amvb plaatsvinden. Openbaarmaking kan derhalve niet plaatsvinden voordat de amvb waarop het advies betrekking heeft is vastgesteld en gepubliceerd in het Staatsblad.
Wel heeft in dit geval openbaarmaking van het advies ten onrechte niet gelijktijdig met de bekendmaking van het besluit plaatsgevonden. Dit is vergeten in de hectiek van deze met spoed (vanwege de gevolgen van Corona) tot stand gebrachte amvb. Het advies van de Raad van State, is tezamen met het nader rapport en de aan de Raad van State voorgelegde tekst van de amvb, alsnog gepubliceerd in de Staatscourant onmiddellijk nadat uit een administratieve controle bleek dat openbaarmaking van het advies nog niet had plaatsgevonden.
Klopt de constatering van ScienceGuide dat het advies van de Raad van State over het besluit voor de Tweede Kamer is achtergehouden en dat de Kamer dus niet volledig is geïnformeerd? Zo nee, waarom niet? Zo ja, kunt u dit verklaren? Klopt het dat u in het schriftelijke overleg van juni 2020 de vraag van de VVD-fractie «Hoe weten we achteraf dat dit geld daadwerkelijk besteed wordt aan het verbeteren van de kwaliteit van het onderwijs?» niet heeft beantwoord?2 Kunt u hier alsnog antwoord op geven?
In het artikel van Science Guide wordt aangegeven dat de Tweede en Eerste Kamer het advies niet hebben kunnen betrekken bij het overwegen van het besluit. Dit vormt kennelijk de onderbouwing voor de constatering dat het ministerie het advies achterhield. Zoals echter aangegeven in het antwoord op vraag 3 worden adviezen van de Raad van State over een amvb niet toegezonden aan de Tweede Kamer, ook adviezen over een voorhang-amvb niet. Bovendien kunnen adviezen van de Raad van State niet eerder openbaar worden gemaakt dan nadat de amvb waarop het advies betrekking heeft is vastgesteld en bekendgemaakt. De constatering dat het advies is achtergehouden is dan ook onterecht.
In het schriftelijk overleg heb ik de uitgangspunten en het proces van de kwaliteitsafspraken geschetst en daarbij de vragen beantwoord. Ik zal hier nogmaals ingaan op de vraag. Met de kwaliteitsafspraken hebben we beoogd dat instellingen de middelen werkelijk investeren in de kwaliteit van het onderwijs. Daartoe hebben instellingen een plan ingediend of moeten dat nog doen. Indien het plan van een instelling niet wordt goedgekeurd ontvangen zij over de jaren 2022 tot en met 2024 geen kwaliteitsbekostiging. Wanneer een plan bij de realisatiebeoordeling in 2022 onvoldoende voortgang heeft geboekt, ontvangt de instelling de oploop tussen 2023 en 2024 niet. Instellingen dienen ook jaarlijks, al vanaf 2019, verantwoording af te leggen over de voortgang van de realisatie van de plannen én het proces dat is gevolgd, waarbij afspraken met de medezeggenschap over de besteding van de studievoorschotmiddelen terugkomen3. De medezeggenschap wordt ook in de gelegenheid gesteld om jaarlijks te reflecteren op de stand van zaken en het proces in een bijlage van het jaarverslag van 2021 te voegen. De NVAO zal bij de realisatiebeoordeling zich ook mede baseren op deze reflectie voor het oordeel van de medezeggenschap.
Wat is uw reactie op het advies van de Raad van State? Bent u bereid om de kritiek van de Raad van State op de regeling serieus te nemen en in te grijpen wanneer er onvoldoende zicht is op de besteding van de kwaliteitsgelden?
In het nader rapport met datum 26 augustus 2020, gepubliceerd op 12 april 2021, heb ik gereageerd op het advies van de Raad van State. Met de kwaliteitsafspraken hebben we beoogd dat instellingen de middelen werkelijk investeren in de kwaliteit van het onderwijs. In de jaarverslagen reflecteren de instelling op de inzet van de kwaliteitsmiddelen. Bij de realisatiebeoordeling in 2022 zal de NVAO naar de voortgang kijken en ook de reflectie van de medezeggenschap hierop betrekken. Als de voortgang als onvoldoende wordt beoordeeld, zal de oploop voor 2023 en 2024 niet worden toegekend.
Welke instellingen hebben nog steeds geen goedkeuring voor hun kwaliteitsafspraken maar hebben door uw regeling wel de kwaliteitsbekostiging ontvangen? Welke instellingen hebben inmiddels een herstelplan ingediend?
De volgende instellingen hebben een aangepast plan ingediend en vervolgens een positief besluit ontvangen:
Hogeschool Utrecht;
Fontys Hogescholen;
Hogeschool van Amsterdam;
Hogeschool VIAA;
Gerrit Rietveld Academie;
Iselinge Hogeschool;
Hogeschool van Arnhem en Nijmegen;
Hogeschool Rotterdam;
Tilburg University;
Hogeschool IPABO Amsterdam Alkmaar;
Hogeschool The Hague;
Pedagogische hogeschool De Kempel;
Breda University Applied Science;
Aeres Hogeschool, en;
NHL Stenden Hogeschool.
Er dient nog een besluit genomen te worden over de aangepaste plannen van de volgende instellingen:
Hogeschool Van Hall Larenstein;
Vrije Universiteit van Amsterdam;
Christelijke Hogeschool Ede, en;
Haagse Hogeschool.
Deelt u de mening dat u het advies van de Raad van State op «het besluit de kwaliteitsbekostiging toe te voegen aan de lumpsum van hoger onderwijsinstellingen» wel met de Tweede Kamer en Eerste Kamer had moeten delen? Zo nee, waarom niet? Op welke wijze gaat u er nu voor zorgen dat alle instellingen zo snel als mogelijk voldoen aan de kwaliteitsafspraken, zodat studenten van deze instellingen ook daadwerkelijk kunnen profiteren van de vrijgekomen kwaliteitsgelden?
Ik deel de mening dat ik het advies van de Raad van State met de Tweede en Eerste Kamer had moeten delen niet. Ik verwijs hierbij naar mijn antwoorden op vraag 3 en 4.
De NVAO heeft de afgelopen periode meerdere aangepaste plannen beoordeeld. Dit heeft ertoe geleid dat er op dit moment nog 4 instellingen zijn die nog geen besluit op hun nieuwe aanvraag hebben ontvangen. Ook de genoemde 4 instellingen zijn op dit moment bezig met het aanpassen van het plan of het ingediende plan ligt nu voor advies voor bij de NVAO.
Kunt u alle vragen afzonderlijk beantwoorden?
Ja.