Het onderbrengen van IS-kinderen bij IS-aanhangers |
|
Thierry Baudet (FVD) |
|
Sander Dekker (minister zonder portefeuille justitie en veiligheid) (VVD) |
|
![]() |
Kent u het bericht «Kinderbescherming plaatst IS-kinderen bij opa met IS-sympathieën»?1
Ja, ik heb kennis genomen van het bericht.
Erkent u dat, indien jonge kinderen worden grootgebracht door aanhangers van islamitisch gedachtegoed dat te boek staat als antidemocratisch, extreem gewelddadig, vrouwonvriendelijk, mensonterend en haatdragend, het risico bestaat dat dat islamitische gedachtegoed wordt overgebracht op die kinderen? Zo nee, waarom niet?
Indien een ouder of verzorger een gewelddadige ideologie aanhangt, is dit na melding bij de Raad voor de Kinderbescherming (RvdK), reden voor de RvdK om een raadsonderzoek in te stellen. Indien uit dit onderzoek zou blijken dat er sprake is van een onveilige opvoedsituatie, die voortkomt uit een gewelddadige ideologie, dan gaat de RvdK niet over tot het advies kinderen bij deze ouder of verzorger te plaatsen.
Hoe heeft het kunnen gebeuren dat de Kinderbescherming de waarschuwing van de gemeente Ede, inhoudende dat de grootouders te boek staan als IS-aanhangers, heeft genegeerd?
Ik verwijs u voor de antwoorden op deze vragen naar de brief over de evaluatie van de casus Ede, die gelijktijdig met het beantwoorden van deze vragen naar de Tweede Kamer is gestuurd.
De evaluatie biedt geen aanknopingspunten voor de in de vraag besloten kwalificatie over het handelen van het Landelijk Steunpunt Extremisme.
Hoe heeft het kunnen gebeuren dat het Landelijk Steunpunt Extremisme nalatig is geweest bij de screening van de grootouders van de IS-kinderen?
Zie antwoord vraag 3.
Erkent u dat, indien de Kinderbescherming kinderen in een situatie brengt waarin de ontwikkeling en opvoeding van die kinderen gevaar loopt, de Kinderbescherming haar wettelijke taak ernstig verwaarloost? Zo nee, waarom niet?
De RvdK heeft de wettelijke taak om te onderzoeken hoe Nederlandse kinderen te beschermen. De Raad dient vanuit het belang van het kind te handelen.
De RvdK had geen informatie over mogelijke radicalisering van de grootouders toen zij de kinderrechter adviseerde de terugkerende kleinkinderen bij de grootouders in huis te plaatsen.
De signalen van mogelijke radicalisering van de grootouders, die kort na de netwerkplaatsing naar buiten zijn gekomen, zijn in de periode na de plaatsing van de kinderen opnieuw gewogen en bekeken. De RvdK heeft daarbij de procedure gevolgd en de expertise van het Landelijk Adviesteam minderjarige Terugkeerders (LAT) geraadpleegd. Op basis van die informatie is geconcludeerd dat er destijds geen aanwijzingen waren die bevestigen dat de grootouders IS-sympathisant zijn of zijn geweest. Er was dus geen aanleiding de kinderen bij de grootouders weg te halen.
Ook de gemeente en Jeugdbescherming Gelderland hebben tot op heden geen informatie die aanleiding geeft de plaatsing bij de grootouders te beëindigen.
Ik heb geen aanwijzingen dat de RvdK zijn wettelijke taak heeft verwaarloosd. De RvdK heeft de afgesproken procedure doorlopen.
Welke noodzakelijke voorzieningen heeft u, als verantwoordelijke voor het beleid dat de Kinderbescherming uitvoert en het toezicht daarop, getroffen om ervoor te zorgen dat de Kinderbescherming haar taken in de toekomst wel naar behoren vervult?
Voor de bevindingen van de evaluatie naar de plaatsing van de kinderen van uitreizigers bij grootouders in Ede en de daaraan verbonden verbeterpunten, verwijs ik u naar bovengenoemde brief.
Kunt u de gestelde vragen tijdig en afzonderlijk van elkaar beantwoorden?
Beantwoording van de Kamervragen is gekoppeld aan de evaluatie van deze casus, zoals ook toegezegd aan uw Kamer tijdens het debat over Terugkeerders, dd. 25 juni 2019. De beantwoording heeft daarom langer de tijd gekost.
De problemen inzake het asielbeleid |
|
Thierry Baudet (FVD) |
|
Ankie Broekers-Knol (staatssecretaris justitie en veiligheid) (VVD) |
|
![]() |
Kent u het bericht «Broekers-Knol mag puinruimen; oplossing voor falend asielbeleid gevraagd»?1
Ja.
Erkent u dat sprake is van een falend asielbeleid? Zo nee, waarom niet?
Nee, dat er sprake is van een falend asielbeleid erken ik niet. Nederland heeft een solide asielstelsel. In haar onderzoek naar langdurig verblijf van vreemdelingen zonder bestendig verblijfsrecht heeft de commissie Van Zwol onder meer geconcludeerd dat het Nederlandse asielbeleid en de praktijk fatsoenlijk op orde zijn. De Nederlandse uitvoerende diensten in de asielketen functioneren, zo blijkt uit Europees en ander vergelijkend onderzoek, meer dan gemiddeld goed. Wel constateert de commissie dat er verbeteringen mogelijk zijn; meest in het bijzonder op het terrein van (sturing op) wacht- en doorlooptijden.
Verbeteringen liggen daarnaast onder meer op het terrein van terugkeer en vreemdelingenbewaring. Met name deze laatste aanpassingen hebben vaak een Europese en internationale dimensie en vragen om een kabinetsbrede inzet, onder andere op het vlak van relaties met de landen van herkomst. Die brede inzet is onderdeel van de integrale migratieagenda van dit kabinet, waarover uw Kamer jaarlijks geïnformeerd zal worden. De eerste Rapportage Integrale migratieagenda zal zo snel mogelijk na het zomerreces en uiterlijk een maand voor de begrotingsbehandeling van Justitie en Veiligheid aan uw Kamer worden gezonden.
Waarom acht u zichzelf geschikt de enorme problemen in de asielketen op te lossen, terwijl uw voorgangers daar jammerlijk in zijn tekortgeschoten?
De kwalificatie dat mijn voorgangers tekortgeschoten zijn, deel ik niet. De punten waar verbetering nodig is, liggen deels buiten Nederland en vragen om een lange adem. Mijn voorgangers hebben goede dingen gedaan. Ik zal mij maximaal inzetten op de verbeterpunten verdere voortgang te realiseren. Daarnaast zet ik mij in voor goede aansturing van de asielketen om de doorlooptijden sterk te bekorten.
Welke concrete doelen heeft u zich gesteld gedurende uw ambtstermijn te verwezenlijken? Welke concrete wijzigingen van het asielbeleid zijn noodzakelijk teneinde uw doelen te verwezenlijken? Op welke momenten en op welke wijze zult u meten of u voldoende voortgang boekt om die doelen te verwezenlijken?
Voor mijn concrete doelen refereer ik aan het regeerakkoord 2017 «Vertrouwen in de toekomst», waarin de beleidsvoornemens van het kabinet op het gebied van asiel en migratie staan. De voornemens zijn nader uitgewerkt in de Kamerbrief van 29 maart 2018 over de integrale migratieagenda.2
Erkent u dat een toestand van ongecontroleerde massa-immigratie rampzalige gevolgen kan hebben voor het voortbestaan van een verzorgingsstaat?
Zoals ook door mijn ambtsvoorganger op 3 december 2018 aan u is geantwoord,3 kan voor personen, maar ook voor landen, migratie een bron van voorspoed, innovatie en duurzame ontwikkeling zijn. Geordende, veilige en reguliere migratie kan vele kansen bieden. In algemene zin kan worden gesteld dat migratie niet alleen voordeel biedt voor migranten zelf, maar ook voor de ontvangende staten, indien migranten in hun eigen levensonderhoud voorzien, deelnemen aan de arbeidsmarkt en geïntegreerd zijn. Het kabinet sluit echter niet de ogen voor de negatieve effecten van migratie, zowel regulier als irregulier. In het geval van reguliere migratie, waakt het kabinet voor het risico van verdringing op de arbeidsmarkt en bevordert het de integratie van migranten. Dat is waarom het kabinet inzet op een integrale aanpak van migratie waarbij het ook zaak is dat personen zonder rechtmatig verblijf Nederland verlaten en personen die hier mogen blijven actief meedoen aan de samenleving.
Hoe beschouwt u de ingrijpende veranderingen in de samenstelling van de Nederlandse bevolking, die het gevolg zijn van het in de laatste decennia gevoerde asielbeleid? Ziet u hierin vooral kansen of vooral bedreigingen?
Zie antwoord vraag 5.
Hoeveel asielzoekers kan Nederland naar uw mening nog maximaal per jaar opvangen? Hoe gaat u ervoor zorgen dat dit aantal niet overschreden wordt?
De vraag naar het aantal asielzoekers dat Nederland maximaal per jaar kan opvangen, is niet concreet te beantwoorden. Wel kan ik u antwoorden dat, zoals genoemd in de Kamerbrief van 29 maart 2018 over de integrale migratieagenda, de inzet van het kabinet gericht is op een beheersing die tot doel heeft dat migranten niet ongecontroleerd doorreizen en in kwetsbare posities terecht komen.
Bent u bekend met het Australische asielbeleid? Zo ja, hoe beoordeelt u dit beleid?
Ja, het Australische asielbeleid is mij bekend. Alhoewel het Australisch model niet uitdrukkelijk tot voorbeeld dient, zijn vergelijkbare elementen terug te vinden in het Europese en nationale denken over asiel en migratie. Denk bijvoorbeeld aan het concept van de ontschepingsplatforms voor migranten die worden onderschept op de Middellandse Zee, uit de conclusies van de Europese Raad van 28 juni 2018. Een ander voorbeeld is de in het regeerakkoord genoemde veilige opvang van asielzoekers in de regio en het afsluiten van, bij voorkeur in Europees verband, overeenkomsten met veilige derde landen die materieel voldoen aan de voorwaarden van het Vluchtelingenverdrag.
Bent u bereid de mogelijkheden te onderzoeken voor een grondige herziening van het Nederlandse asielbeleid? Zo nee, waarom niet?
Een belangrijke conclusie in het rapport van de commissie Van Zwol is dat een verbetering van de nationale asielprocedure niet gezocht moet worden in (weer) een aanpassing van de nationale wet- en regelgeving, maar dat een verbetering gezocht moeten worden in uitvoering van het huidige beleid. Uw Kamer ontvangt kort na het zomerreces mijn beleidsreactie op de conclusies en aanbevelingen van die commissie.
Voor de aanpassingen die meer een Europese en internationale dimensie hebben, is onder meer de hervorming van het gemeenschappelijk Europees asielstel (GEAS) essentieel. Belangrijke speerpunten voor mij zijn het tegengaan van secundaire migratie, het verbeteren en Europees breed invoeren van grensprocedures om snel aan de buitengrens een onderscheid te kunnen maken tussen asielzoekers met een kansrijk en minder kansrijk asielverzoek, en een verruiming van de mogelijkheden van vreemdelingenbewaring om te voorkomen dat vreemdelingen zich aan terugkeer onttrekken.
Hoe zou het bedrag van 100 miljoen euro, dat het kabinet op grond van de Voorjaarsnota jaarlijks extra uittrekt voor de asielketen, naar uw oordeel besteed moeten worden?
De besteding van de middelen die op grond van de Voorjaarsnota extra uitgetrokken worden voor de asielketen zullen worden besteed aan een stabiele financiering van de asielketen, zodat het operationele proces beter kan worden ingericht, het aantal mensen dat sinds de asielcrisis in 2015 in procedure is afneemt en de doorlooptijden worden teruggebracht. In onderstaande tabel zijn de bedragen opgenomen die beschikbaar zijn gesteld ten opzichte van de eerdere (afnemende) meerjarenbegrotingsreeks.
IND
74
100
89
65
COA
86
204
162
126
Nidos
– 21
– 16
– 17
-18
RvdR
10
6
6
6
Kinderpardon
13
162
294
240
179
Hoe lang duurt het op dit moment gemiddeld tot een asielaanvraag in behandeling wordt genomen en hoe lang gemiddeld tot een aanvraag is afgehandeld? Wat vindt u van die termijnen?
Het datawarehouse van de IND registreert de wachttijden, of de Rust- en Voorbereidingstijden nog niet als zodanig. De IND stuurt op doorlooptijden, deze zijn per spoor opgenomen in de tabel hieronder.
Spoor 1
13 weken
n.v.t.
Spoor 2
4 weken
99%
Spoor 4 AA
24 weken
50%
Spoor 4 VA
41 weken
28%
De IND kan niet voor iedere persoon vooraf zeggen hoe lang de procedure gaat duren. In de tabel staat voor ieder asielspoor de gemiddelde doorlooptijden bij uitstroom. Dit geeft aan hoe lang een persoon in procedure heeft gezeten die in april zijn beslissing heeft ontvangen. In de tabel staat ook hoeveel procent van de beslissingen binnen de wettelijke beslistermijn genomen is.
Waarom hebben asielzoekers die nog niets hebben bijgedragen aan de Nederlandse maatschappij recht op een dwangsom, indien hun asielaanvraag niet tijdig wordt behandeld? Wat vindt u van deze regeling?
De Wet dwangsom is erop gericht bestuursorganen tijdig te laten beslissen. Voor asielverzoeken betekent «tijdig» binnen de in de Vreemdelingenwet voorgeschreven beslistermijn. Momenteel zijn er achterstanden bij de IND op asielzaken in spoor 4. Mijn inzet is erop gericht – parallel aan het doel van de Wet dwangsom – dat de IND weer zo snel mogelijk, en in ieder geval binnen de wettelijke beslistermijn, beslist op asielaanvragen. In de brief van mijn ambtsvoorganger van 17 april 2019 is de verwachting uitgesproken dat de IND in 2021 het grootste deel van de zaken in spoor 4 weer binnen de wettelijke termijn kan afdoen.4 Ik wil hierbij benadrukken dat asielaanvragen in spoor 1 en 2 prioriteit krijgen en nu reeds (ruim) binnen de wettelijke termijn worden afgedaan.
Hoeveel euro heeft de Immigratie- en Naturalisatiedienst (IND) sinds 2015 in totaal al uitgekeerd aan dwangsommen, wegens te trage afhandeling van asielaanvragen?
In de IND-systemen kan geen volledige uitsplitsing worden gemaakt in welke werksoort (asiel/regulier/nareis) een dwangsom is uitgekeerd. Wel kunnen de totale bedragen aan uitgekeerde dwangsommen worden geleverd. Hier komt uit dat de IND vanaf 2015 tot op heden (31 mei 2019) in totaal een bedrag van circa € 4,1 miljoen aan dwangsommen heeft uitbetaald. Oorzaak van het oplopen van de bedragen is nader toegelicht in mijn antwoord op uw vraag 12.
t/m 31 mei 2019
1.500
2018
1.500
2017
700
2016
300
2015
100
4.100
Erkent u dat de achterstanden bij de IND kleiner zouden worden, indien er minder asielzoekers toegelaten worden? Zo ja, bent u bereid zich in te spannen voor wijzigingen in het asielbeleid, waardoor er minder asielzoekers worden toegelaten? Zo nee, hoeveel personeel heeft de IND naar uw mening, bovenop de huidige +/- 3.000 fte, nog nodig teneinde de achterstanden weg te werken?
Nee. Zoals ook geantwoord op vraag 12 is in de brief van mijn ambtsvoorganger van 17 april 2019 en in het algemeen overleg van 23 april 2019 de verwachting uitgesproken dat de IND in 2021 het grootste deel van de zaken in spoor 4 weer binnen de wettelijke termijn kan afdoen. In deze brief van 17 april 2019 is ook aangegeven hoeveel mensen de IND daarvoor naar verwachting nog zal aannemen, waarbij ook meespeelt dat de IND een beperkte capaciteit heeft om nieuwe mensen op te leiden en in te werken.
Hoe gaat u voorkomen dat asielzoekers en hun eventuele nakomelingen zich, in afwachting van de beslissing op hun aanvraag, in Nederland wortelen?
Of een asielzoeker is «geworteld» in de Nederlandse samenleving, is niet objectief vast te stellen. In het regeerakkoord is wel de maatregel opgenomen dat asielzoekers van wie de aanvraag een kleine tot geen kans van slagen heeft, in de middelgrote centra gaan blijven. Zij zullen direct in de snelle procedure komen. Een afwijzing zal vervolgens meteen leiden tot een uitzettingsprocedure. In aanvulling daarop heeft mijn ambtsvoorganger de commissie Van Zwol gevraagd om onderzoek te doen naar langdurig verblijvende vreemdelingen zonder bestendig verblijfsrecht. Zoals al gezegd, ontvangt uw Kamer kort na het zomerreces mijn beleidsreactie op de uitkomsten van dat onderzoek.
Hoe ziet uw noodplan eruit voor het geval er opnieuw een acute asielcrisis, vergelijkbaar met die van 2015, optreedt? Kan dat plan voorkomen dat er wederom in enkele maanden tijd ongecontroleerd tienduizenden kansarme asielzoekers Nederland binnen komen?
In het Regeerakkoord is afgesproken dat er wordt gewerkt aan een asielsysteem dat flexibeler en (maatschappelijk en financieel) effectiever is: «Nederland moet blijvend flexibel kunnen reageren op schommelingen in de omvang en/of samenstelling van de instroom. Hiervoor hebben we een flexibel asielsysteem nodig, dat zowel maatschappelijk als financieel effectiever is dan het nemen van ad hoc maatregelen. Binnen dit systeem moeten opvang, de asielprocedure en integratie dan wel terugkeer integraal worden benaderd en de samenwerking in de vreemdelingenketen en met gemeenten worden versterkt».
Om deze ambities tot uitvoering te brengen, is het Programma Flexibilisering Asielketen gestart. Hierin werken het Ministerie van JenV en de ketenpartners (IND, COA, DT&V, Politie, Koninklijke Marechaussee en DJI) samen met maatschappelijke en bestuurlijke partners (gemeenten, provincies, NGO’s, de rechtspraak etc.) en andere ministeries aan verschillende maatregelen. Hierbij worden lessen getrokken uit de ervaringen met grote schommelingen in de instroom in 2015 en 2016. Op basis van het Regeerakkoord is een tweeledige doelstelling voor het programma geformuleerd: het bewerkstelligen van een flexibeler en effectiever asielsysteem, dat kan inspelen op schommelingen en dat bijdraagt aan het verwezenlijken van de uitkomsten van het asielproces, namelijk integratie dan wel terugkeer.
Voor de aanpassingen die meer een Europese en internationale dimensie hebben, verwijs ik u naar mijn antwoorden op uw vragen 8 en 9.
Hoeveel kosten de talloze en eindeloze juridische procedures die door asielzoekers gevoerd worden de Nederlandse belastingbetaler op jaarbasis?
De gevraagde gegevens, uitgesplitst naar juridische procedures die door of namens asielzoekers worden gevoerd, zijn niet beschikbaar.
Biedt Nederland asielzoekers meer rechten, dan waar Nederland zich verdragsrechtelijk toe verplicht heeft? Zo ja, bent u bereid de rechten van asielzoekers te versoberen?
Op een beperkt aantal onderdelen biedt het Nederlandse asielstelsel meer rechten dan waartoe wij strikt gehouden zijn op grond van de Europese en internationale verplichtingen. Vaak hangen deze samen met de specifieke inrichting van het Nederlandse stelsel.
Wat is de huidige stand van zaken omtrent de veiligheid in asielzoekerscentra (AZC’s)? Hoeveel gevallen van agressie, bedreiging, geweld, seksuele intimidatie en overig crimineel of overlastgevend gedrag doen zich er gemiddeld per week nog voor?
Middels de Rapportage Vreemdelingenketen 2018 is recent uw Kamer recent
geïnformeerd over de mate waarin agressie en geweld voorkomt op COA-locaties.
In de brieven van 17 april 20195 en 1 juli 20196 hebben mijn ambtsvoorganger en ik uw Kamer geïnformeerd over verschillende maatregelen die zijn en worden genomen om overlastgevend gedrag zowel binnen als buiten COA opvanglocaties aan te pakken. Het is nog te vroeg om definitieve conclusies te trekken over de ontwikkeling hiervan in 2019.
Is er al een einde gekomen aan de onveilige werkomstandigheden voor medewerkers van het Centraal Orgaan opvang Asielzoekers (COA)? Zo nee, hoe gaat u ervoor zorgen dat medewerkers van het COA zich weer veilig gaan voelen op de werkvloer?
Het is onaanvaardbaar dat personeel van het COA haar werk onder onveilige omstandigheden zou moeten uitvoeren en dat bewoners en omwonenden overlast ervaren. De medewerkers van het COA zijn opgeleid voor en ervaren in het omgaan met een bepaalde mate aan incidenten. Incidenten worden geregistreerd en in geval van crimineel gedrag wordt er aangifte gedaan bij de politie. Geweld tegen medewerkers met een publieke taak is echter volstrekt onacceptabel.
In de brieven van 17 april 2019 en 1 juli 2019 hebben mijn ambtsvoorganger en ik uw Kamer geïnformeerd over verschillende maatregelen die zijn en worden genomen om overlastgevend gedrag zowel binnen als buiten de COA opvanglocaties aan te pakken. Zo kan het COA bij overlastgevend gedrag de verstrekkingen zoals vastgesteld in de Regeling Verstrekkingen Asielzoekers onthouden. Hierbij valt te denken aan het ontzeggen van de opvang. Daarnaast is er extra DJI personeel ingezet op de extra begeleiding en toezichtlocatie (EBTL) in Hoogeveen, waar het regime sinds mei is aangescherpt.
Welke disciplinaire maatregelen worden opgelegd aan asielzoekers die zich gedurende hun verblijf in een AZC schuldig maken aan crimineel of overlastgevend gedrag?
In het geval van incidenten, overlast of het overtreden van de huisregels spreekt het COA bewoners aan op hun gedrag en legt hen zo nodig maatregelen op in het kader van het Regeling Onthouding Verstrekkingen (ROV). Deze maatregelen houden onder andere in dat het COA financiële verstrekkingen kan inhouden of (al dan niet) tijdelijk het verblijf op de opvanglocatie kan onthouden. Daarnaast kan het COA overlastgevende bewoners – afhankelijk van de individuele situatie – overplaatsen naar een EBTL. In het geval van crimineel gedrag wordt aangifte gedaan bij de politie, waarna het Openbaar Ministerie vervolging kan instellen.
Komen asielzoekers die zich gedurende hun verblijf in een AZC schuldig maken aan crimineel of overlastgevend gedrag nog in aanmerking voor een verblijfsvergunning? Zo ja, waarom?
Het is staand kabinetsbeleid dat het vertonen van crimineel gedrag in beginsel gevolgen moet hebben voor het verkrijgen van een verblijfsvergunning, ook als dat een asielvergunning is. Daarbij moet rekening worden gehouden met het feit dat als een persoon in aanmerking komt voor internationale bescherming, hij of zij zelf bescherming van de Nederlandse overheid nodig heeft. Daarom is in internationale verdragen en Europese wetgeving vastgelegd wanneer een asielvergunning kan worden geweigerd of ingetrokken als een asielzoeker een (bijzonder) ernstig misdrijf heeft gepleegd.
Het vorige kabinet heeft het beleid op dit punt tweemaal aangescherpt. Uw Kamer is daarover geïnformeerd bij brieven van 25 november 2015 (Kamerstuk II, vergaderjaar 2015–2016, 19 637, nr. 2069) en 25 mei 2016 (Kamerstuk II, vergaderjaar 2015–16, 19 637, nr. 2188). In de eerste brief is de strafmaat op grond waarvan een vergunning kan worden ingetrokken fors naar beneden bijgesteld. Eerder moest er sprake zijn van een gevangenisstraf van 18, respectievelijk 24 maanden, afhankelijk van de verblijfsvergunning. Nu is dat teruggebracht tot 6, respectievelijk 10 maanden. In de tweede brief is daaraan toegevoegd dat ook voorwaardelijk opgelegde gevangenisstraffen en taakstraffen kunnen meetellen, onder andere in zedenzaken. Het kabinet is van oordeel dat we hiermee de grens hebben bereikt van wat we op dit punt kunnen doen met inachtneming van de Europese regels, bijvoorbeeld de Procedurerichtlijn, de Kwalificatierichtlijn, maar ook het Vluchtelingenverdrag.
Wat heeft u geleerd van de politieke doodzonde die uw voorganger heeft begaan, door het parlement desinformatie te verstrekken over criminaliteit onder asielzoekers?
Mijn ambtsvoorganger heeft in het debat van 21 mei 2019 met uw Kamer gesproken over de informatieverstrekking over criminaliteit door asielzoekers. Ik zie geen aanleiding daar nu nader op te reflecteren.
Bent u bereid het parlement voortaan gevraagd en ongevraagd te informeren omtrent strafbare feiten die door asielzoekers worden gepleegd en omtrent overige informatie die kennelijk relevant is in het asieldebat? Zo ja, hoe gaat u ervoor zorgen dat dit ook gebeurt? Zo nee, waarom niet?
Recent, op 1 juli 2019, heb ik uw Kamer een nadere duiding door politie en Openbaar Ministerie van de geregistreerde incidenten die in verband gebracht kunnen worden met asielzoekers, doen toekomen. In die brief is ook ingaan op het proces dat ik voor ogen heb voor de toekomstige informatievoorziening aan uw Kamer op dit punt.
Hoe gaat u ervoor zorgen dat uw ambtenaren voortaan geen cijfers of andere informatie meer verdoezelen? Welke maatregelen zijn reeds genomen jegens hen die zich hier onder het bewind van uw voorganger daaraan schuldig hebben gemaakt?
Op dit moment vindt een evaluatie plaats van het proces van totstandkoming van het cijfermatige overzicht dat onderdeel was van de Rapportage Vreemdelingen Keten 2018 en van de voorbereiding en besluitvorming daaromtrent. Na afronding van deze evaluatie zal ik uw Kamer nader informeren.
Kunt u een overzicht verstrekken van de hoeveelheid strafbare feiten waar asielzoekers van worden verdacht of reeds voor veroordeeld zijn, waarbij per type delict onderscheid gemaakt wordt tussen asielzoekers uit islamitische landen en asielzoekers uit niet-islamitische landen? Zo nee, waarom niet?
Zoals gezegd heb ik uw Kamer bij brief van 1 juli 2019 geïnformeerd over de toegezegde nadere duiding door politie en Openbaar Ministerie van de geregistreerde incidenten die in verband gebracht kunnen worden met asielzoekers. In die brief ben ik ook ingegaan op het proces dat ik voor ogen heb voor de toekomstige informatievoorziening aan uw Kamer op dit punt. De geloofsovertuiging van betrokkenen zal bij de presentatie van cijfers aan de Kamer geen criterium zijn.
Waarom komen asielzoekers met een verblijfsvergunning voor bepaalde tijd, na vijf jaar in aanmerking voor een permanente verblijfsvergunning, in plaats van dat ook na die termijn periodiek wordt bekeken welke asielzoekers terug kunnen naar hun land van herkomst? Hoe beoordeelt u dit beleid?
Van asielzoekers die een verblijfsvergunning asiel hebben gekregen, wordt verwacht dat zij integreren en bijdragen aan de Nederlandse samenleving. Daar hoort dan ook bij dat zij een vergunning kunnen krijgen met een bestendig karakter.
Hoeveel Syriërs die sinds 2014 naar Nederland zijn gekomen en aan wie een verblijfsvergunning voor bepaalde tijd is verstrekt, komen bij ongewijzigd beleid, de komende vijf jaren in aanmerking voor een permanente verblijfsvergunning?
Conform het geldende beleid geldt dat vluchtelingen die vijf jaar in het bezit zijn van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd in aanmerking kunnen komen voor een verblijfsvergunning asiel voor onbepaalde tijd wanneer zij aan de voorwaarden voor verlening hiervan voldoen. Eén van deze voorwaarden is het inburgeringsvereiste. Vanaf 2014 hebben circa 78.000 vreemdelingen met een Syrische nationaliteit een positief besluit gekregen op een asielaanvraag of een afhankelijke aanvraag om een verblijfsvergunning voor nareis of gezinshereniging. Potentieel zou de groep die de komende vijf jaar in aanmerking komt voor een verblijfsvergunning asiel voor onbepaalde tijd net zo groot kunnen zijn ervan uitgaande dat in alle zaken aan alle voorwaarden wordt voldaan. Bij dit cijfer is geen rekening gehouden met eventuele (tussentijdse) intrekkingen van verblijfsstatussen in de tussenliggende periode. Ook met tussentijds vertrek is geen rekening gehouden.
Houdt u rekening met de mogelijkheid dat veel Syriërs die naar Nederland zijn gevlucht, graag in Nederland blijven, zelfs wanneer Syrië weer veilig is?
Voor de beschermingsvraag is relevant of een asielzoeker in zijn herkomstland een risico op vervolging en/of een onmenselijke behandeling loopt zoals omschreven in het Vluchtelingenverdrag, het Europees verdrag voor de Rechten van de Mens, en het EU-recht. Of de situatie in Syrië weer veilig genoeg is om naartoe terug te keren, wordt door mij beoordeeld op basis van objectieve bronnen over de situatie aldaar, waaronder de ambtsberichten van het Ministerie van Buitenlandse Zaken. Op het moment dat de informatie uit die objectieve bronnen daartoe voldoende aanleiding geeft, zal ik het landgebonden beleid voor Syrische asielzoekers herzien. Om een actueel beeld te vormen over de veiligheidssituatie in Syrië is het Ministerie van Buitenlandse Zaken om een thematisch ambtsbericht gevraagd. Dat verwacht ik deze zomer. Mocht dit aanleiding geven om het landengebonden asielbeleid voor Syrië (en daarmee het terugkeerbeleid) te wijzigen, dan zal ik zoals gebruikelijk uw Kamer hierover informeren.
Deelt u de mening dat de Syrische mannen die gevlucht zijn en hun vrouwen en kinderen hebben achtergelaten, indien Syrië weer veilig is zo snel mogelijk zouden moeten terugkeren om te helpen met de wederopbouw van hun land?
Zie antwoord vraag 29.
Bent u op de hoogte van het standpunt van de Syrische overheid dat het land weer voldoende veilig is voor de degenen die het nodig vonden om te vluchten, teneinde terug te keren en te helpen met de wederopbouw van het land?
Zie antwoord vraag 29.
Bent u ermee bekend dat vele tienduizenden Syriërs die tijdens de oorlog naar diverse buurlanden, niet zijnde verzorgingsstaten, zijn gevlucht inmiddels weer zijn teruggekeerd teneinde te helpen met de wederopbouw van het land?
Of de situatie in Syrië dusdanig ten goede is veranderd om het landgebonden asielbeleid aan te passen, wordt door mij beoordeeld op basis van de ambtsberichten van het Ministerie van buitenlandse zaken over de (veiligheids)situatie in dat land. De situatie in dat land is leidend voor dat beleid en niet aspecten als het voorkomen van toekomstige vergunningverstrekking aan degenen die daar, op basis van internationale en Europese verplichtingen aanspraak op hebben.
Bent u bereid het oordeel omtrent de terugkeermogelijkheden van Syriërs zo spoedig mogelijk te wijzigen en daarmee te voorkomen dat er de komende jaren onnodig tienduizenden permanente verblijfsvergunningen worden verstrekt?
Zie antwoord vraag 32.
Kunt u een schatting geven van de aantallen vreemdelingen die momenteel in Nederland verblijven, terwijl zij daar geen recht hebben (hierna: illegalen)? Hoeveel van hen verblijven momenteel in vreemdelingendetentie?
De migratieketen heeft niet rechtstreeks zicht op de populatie illegaal in Nederland verblijvende personen. Deze proberen zich immers juist aan het zicht van de migratie-autoriteiten te onttrekken. Om die reden heeft het Wetenschappelijk Onderzoeks- en Documentatiecentrum (WODC) «illegalenschattingen» uitgevoerd. De meest recente schatting met betrekking tot niet (meer) rechtmatig (illegaal) verblijvende personen, uitgevoerd door het WODC, dateert uit 2015. De gebruikte methode schat de populatie illegaal in Nederland verblijvende vreemdelingen voor de periode van 1 juli 2012 tot en met 30 juni 2013 op 35.530, met een 95% betrouwbaarheidsinterval lopend van 22.881 tot 48.179. In 2018 is er een vooronderzoek afgerond voor een nieuwe versie van de illegalenschatting. De verwachting is dat de nieuwe illegalenschatting rond de jaarwisseling wordt afgerond.
In 2018 hebben er 3.720 «unieke» personen in vreemdelingenbewaring gezeten (afgerond op tientallen).
Hoeveel illegalen verlaten ons land wekelijks gemiddeld vrijwillig en hoeveel onvrijwillig?
In de Rapportage Vreemdelingenketen 2018 is een tabel opgenomen (pagina 45, tabel 6.1) die inzicht geeft in het vertrek van het aantal onrechtmatig in Nederland verblijvende migranten die bekend zijn bij de overheid. Het gaat onder meer om migranten voor wie de DT&V een vertrekproces heeft gestart, om migranten die met hulp van IOM zijn vertrokken en migranten die Nederland hebben verlaten nadat hen de toegang tot Nederland is geweigerd.
Niet alle migranten die onrechtmatig in Nederland zijn of zijn geweest, zijn bekend (geweest) bij de overheid. Bijvoorbeeld omdat zij zich nooit hebben gemeld bij de IND met een verzoek tot het verkrijgen van rechtmatig verblijf in Nederland.
Wat is het beleid ten aanzien van illegalen die weigeren Nederland te verlaten?
Vreemdelingen die geen rechtmatig verblijf (meer) hebben maar weigeren om zelfstandig uit Nederland te vertrekken, kunnen gedwongen worden uitgezet. Voor een gedwongen terugkeer naar het land van herkomst is bij ongedocumenteerde vreemdelingen wel de medewerking van de autoriteiten van de land nodig. Het kabinet zet zich in om landen die onvoldoende samenwerken ertoe te bewegen beter mee te werken.
Hoe gaat u ervoor zorgen dat illegalen zo spoedig mogelijk, al dan niet vrijwillig, Nederland verlaten?
Uitgangspunt van het terugkeerbeleid is dat vreemdelingen die niet (meer) rechtmatig in Nederland verblijven, zelfstandig uit Nederland vertrekken. Om dat zelfstandige vertrek te stimuleren kunnen vreemdelingen ondersteuning en hulp krijgen. Bijvoorbeeld van de DT&V en de Internationale Organisatie voor Migratie. Dit kan onder meer een financiële vergoeding zijn en/of hulp zijn bij het regelen van terugkeerpapieren of een vliegticket. De overheid geeft ook subsidies aan enkele projecten van organisaties en ngo’s die duurzaam vertrek bevorderen. Deze organisaties kunnen maatwerk leveren, afgestemd op de behoeften van de vreemdeling. Indien de vreemdeling geen gehoor geeft aan zijn wettelijke vertrekplicht verschuift de drang naar dwang en is de overheid bevoegd deze vreemdeling uit te zetten (gedwongen terugkeer). Zoals al eerder gezegd, zet het kabinet zet zich in om landen die onvoldoende samenwerken bij gedwongen vertrek ertoe te bewegen beter mee te werken.
Erkent u dat de opvang van illegalen, zoals die plaatsvindt in de gemeente Amsterdam, in strijd is met het kabinetsbeleid? Zo ja, bent u bereid er in het kabinet op aan te dringen in Amsterdam in te grijpen?
Mijn voorganger heeft uw Kamer in zijn brief van 29 november 2018 geïnformeerd over de ontwikkeling van Landelijke Vreemdelingenvoorzieningen (LVV’s).7 Intussen zijn met vijf steden, waaronder Amsterdam, convenanten gesloten over de begeleiding en opvang van vreemdelingen zonder recht op verblijf en zonder rijksopvang. Met betrekking tot deze LVV’s verwijs ik uw Kamer verder naar mijn recente antwoord op de vragen van het lid Becker (VVD). Ook heb ik uw Kamer een stand van zaken van de LVV’s toegezegd in de brief over terugkeer die u na het zomerreces ontvangt.
Erkent u dat pardonregelingen, waarbij illegalen massaal alsnog een verblijfsvergunning krijgen, ertoe kunnen leiden dat hoop gewekt wordt bij alle illegalen en hen motiveert zich tegen uitzetting te blijven verzetten? Zo nee, waarom niet?
Ik erken de genoemde nadelen van pardonregelingen. Het kabinet is niet voornemens een nieuwe pardonregeling in te stellen.
Kunt u garanderen dat u zich, koste wat kost, ertegen zult verzetten dat er onder uw bewind opnieuw een pardonregeling tot stand wordt gebracht?
Zie antwoord vraag 39.
Hebben illegalen nog recht op rechtsbijstand? Zo ja, hoeveel kost dit de Nederlandse belastingbetaler op jaarbasis?
Het recht op effectieve toegang tot de rechter is verankerd in artikel 6 van het Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (EVRM) en artikel 47 van het Handvest van de Grondrechten van de Europese Unie (EU-Handvest). Artikel 18 van de Grondwet bepaalt dat ieder zich in rechte en in administratief beroep kan doen bijstaan. Of een persoon recht heeft op rechtsbijstand is afhankelijk van het object van het geschil en de draagkracht van de persoon. Dat betekent dat ook een vreemdeling die geen rechtmatig verblijf heeft in sommige gevallen recht heeft op rechtsbijstand.
De kosten voor gesubsidieerde rechtsbijstand worden jaarlijks door de Raad voor Rechtsbijstand neergelegd in een openbare rapportage met de titel «Monitor Gesubsidieerde Rechtsbijstand». In deze rapportage wordt de stand van zaken over het gehele stelsel van rechtsbijstand beschreven alsmede de uitgaven per rechtsgebied. Zo blijkt dat in het jaar 2016 voor het migratierecht (te weten asielrecht, vreemdelingenrecht en vreemdelingenbewaring) in totaal 54 miljoen euro aan uitgaven zijn vastgesteld (blz 218) en voor 2017 44 miljoen euro (blz 257). Over het jaar 2018 is nog geen rapportage gepubliceerd. De uitgaven voor het migratierecht bedroegen voor dat jaar 42 miljoen euro. De verblijfsstatus van een vreemdeling wordt niet geregistreerd.
Erkent u dat een soevereine staat niet kan voortbestaan zonder grenzen? Zo nee, waarom niet?
Of een staat niet kan voortbestaan zonder grenzen, is een hypothetische vraag waar ik geen antwoord op kan geven. Wat Nederland betreft, zijn de Nederlandse buitengrenzen onderdeel van de gemeenschappelijke buitengrens van het Schengengebied. Conform Europese regelgeving zijn lidstaten primair verantwoordelijk voor de bewaking van hun grenzen.
Erkent u dat deugdelijke grenscontrole een positieve bijdrage kan leveren aan de nationale veiligheid en openbare orde? Zo nee, waarom niet?
Effectief beheer van de grenzen dient meerdere doelen. Zo is bestrijding van illegale migratie en grensoverschrijdende criminaliteit een belangrijk doel. Tevens is grensbeheer van belang voor de nationale veiligheid en openbare orde en draagt het bij aan de facilitatie van het grensproces van reizigers.
Op welke wijze worden de Nederlandse grenzen momenteel gecontroleerd? Is dit naar uw oordeel een effectieve wijze?
Controle van de Nederlandse buitengrenzen vindt conform het Schengenacquis, waaronder de Schengengrenscode plaats waarbij aan de buitengrenzen systematische grenscontroles plaatsvinden. In de binnengrenszone met België en Duitsland wordt in het kader van Mobiel Toezicht Veiligheid (MTV) binnenlands vreemdelingentoezicht uitgevoerd. Het MTV betreft niet-systematische controles, die als doel hebben illegaal verblijf, mensensmokkel en documentfraude in een zo vroeg mogelijk stadium tegen te gaan. De effectiviteit van grenscontroles wordt continue verbeterd. Zie tevens mijn antwoord op uw vraag 46.
Hoeveel vreemdelingen treden naar schatting jaarlijks onrechtmatig Nederland binnen?
Dit is niet bekend. De KMar voert Mobiel Toezicht Vreemdelingen controles uit op basis van beschikbare informatie en op basis van steekproeven. Aangezien er binnen het Schengengebied sprake is van open grenzen wordt niet iedere grenspassant gecontroleerd en geregistreerd. In hoofdstuk 5.2 van de Rapportage Vreemdelingenketen 2018 staan cijfers over de toezichtstaken van de Politie en de Kmar in het kader van het bestrijden van illegaliteit in de vorm van binnenlands toezicht. Dit betreft ook (mobiel) toezicht nabij de binnengrenzen en (mobiel) toezicht op de haventerreinen. Binnenlands vreemdelingentoezicht is bedoeld om (on)rechtmatigheid van een verblijf vast te stellen. Hiertoe kunnen personen worden staande gehouden en kan een identiteitsonderzoek worden verricht.
Welke wijzigingen op het gebied van grenscontrole zouden naar uw oordeel noodzakelijk zijn teneinde te voorkomen dat vreemdelingen onrechtmatig Nederland binnentreden?
Nederland voert conform de Schengengrenscode systematische grenscontroles uit ten aanzien van passagiers die de Schengenbuitengrenzen passeren. Op Europees niveau zijn diverse maatregelen genomen om de effectiviteit van grenscontroles te verbeteren. Een belangrijk onderdeel hiervan is de implementatie van het slimme grenzenpakket, waaronder de Europese ontwikkelingen ten aanzien van Entry-Exit systeem, ETIAS en interoperabiliteit. In het Entry-Exit systeem zullen de in- en uitreisgegevens van alle derde landers worden geregistreerd. In het kader van ETIAS zullen niet-visumplichtige reizigers, op basis van de vooraf verstrekte persoonsgegevens, in een pre-screeningproces gecontroleerd worden om te bepalen of hij/zij een risico vormt vanuit het oogpunt van illegale migratie en veiligheid. Interoperabiliteit houdt in dat centrale EU informatiesystemen onderling kunnen communiceren en samenwerken, hetgeen moet zorgen voor beter beheer van de buitengrens van het Schengengebied en voor verhoogde interne veiligheid binnen de Europese Unie.
Welke internationale rechtsregels verzetten zich ertegen dat wij onze grenzen deugdelijk kunnen controleren? Hoe gaat u zich ervoor inspannen dergelijke regels aan te laten passen?
Nederland voert conform het Schengenacquis en in lijn met internationale verplichtingen effectieve buitengrenscontroles.
Bent u bereid in het kabinet ervoor te pleiten in internationaal verband te bewerkstelligen dat wij onze grenzen weer deugdelijk kunnen controleren?
Zie antwoord vraag 47.
Kunt u de gestelde vragen tijdig en afzonderlijk van elkaar beantwoorden?
Het merendeel van u vragen heb ik, zoals u dat noemt, afzonderlijk van elkaar beantwoord. Enkele vragen heb ik, zoals u hierboven hebt gezien, tezamen beantwoord.
De massale kap van Nederlandse bossen |
|
Thierry Baudet (FVD) |
|
Eric Wiebes (minister economische zaken) (VVD), Carola Schouten (viceminister-president , minister landbouw, natuur en voedselkwaliteit) (CU) |
|
![]() |
Bent u bekend met het bericht «Leve de natuur, weg met het bos»?1
Ja.
Kunt u een overzicht geven van alle bossen die nu op de lijst staan om gekapt te worden? Zo ja, kunt u daarbij aangeven hoeveel hectare per bos dit betreft, wanneer ieder bos op de planning staat om gekapt te worden en hoeveel ton hout de kap zal opleveren?
Nee, ik beschik niet over zo’n overzicht. Zoals ik in mijn brief over het opstellen van een bossenstrategie (Kamerstuk 33 576, nr. 163) heb laten weten, hebben provincies mij wel laten weten dat zij een inventarisatie uitvoeren naar de hoeveelheid bos die in de huidige plannen voor Natura 2000 en het Programma Aanpak Stikstof (PAS) worden omgevormd naar andere natuur.
Bent u bekend met het rapport van de Universiteit Wageningen uit 2017 waarin berekend is dat Nederland procentueel sneller ontbost dan de Braziliaanse Amazone?2
Nee. De link waar de vragensteller naar verwijst komt uit bij een nieuwsbericht op de website van Wageningen University Research (WUR), getiteld «Nederland groeit dicht als we niet oppassen». Er wordt in dit nieuwsbericht niet verwezen naar een wetenschappelijk rapport met die titel. De schrijver van het nieuwsbericht, prof. dr. Joop Schaminee, refereert in het bericht wel aan de door de Volkskrant geverifieerde stelling dat de ontbossing in Nederland sneller gaat dan in Brazilië. Verhoudingsgewijs is deze uitspraak waar en dat is een serieus probleem. Wel is het zo dat het in absolute aantallen bomen en hectares uiteraard om onvergelijkbare grootheden gaat. Daarmee wil ik het probleem echter niet bagatelliseren.
Deelt u de mening dat het behoud van ons bos wenselijk is? Zo ja, welke maatregelen gaat u nemen om de kap te stoppen? Zo nee, waarom niet?
Ja, ik vind het van belang dat bos wordt beschermd. Wet- en regelgeving is hier ook op gericht, met name de Wet natuurbescherming (onderdeel houtopstanden) en de gemeentelijke kapverordeningen. Soms ontstaat spanning tussen de doelstellingen voor natuur en klimaat, met name bij de omvorming van bos naar andere natuur in het kader van Natura 2000, waarvoor geen herplantplicht geldt op grond van de Wet natuurbescherming. In de aangekondigde bossenstrategie ga ik hier nader op in. Overigens hecht ik niet alleen belang aan behoud van bestaand bos, maar ook aan de aanplant van nieuw bos. In de kabinetsappreciatie van het ontwerpklimaatakkoord en in de aangekondigde bossenstrategie die ik samen met de provincies ga maken werken we dit nader uit.
Kunt u aangeven hoeveel hectare bos sinds 2013 tot en met 2018 exact is gekapt en hoeveel ton hout dit betreft?
Wetenschappers van Wageningen University Research (WUR) hebben de ontbossing in de periode 2013–2017 berekend en komen daarin uit op gemiddeld 1.350 ha netto ontbossing per jaar («Het Nederlandse bos als bron van CO2», Vakblad Natuur, Bos en Landschap).
Uit de (zesde) meest recente Bosinventarisatie, verschenen in 2014 in opdracht van mijn ministerie, bleek dat jaarlijks ongeveer 1,3 mln.3 hout wordt geoogst (https://www.probos.nl/rapporten-2014/1115-zesde-nederlandse-bosinventarisatie-methoden-en-basisresultaten). De volgende inventarisatie verschijnt naar verwachting in 2020.
Kunt u aangeven wat er is gebeurd met het gekapte hout?
Gekapt hout krijgt diverse bestemmingen. De bruikbaarheid hiervan is onder andere afhankelijk van het soort hout en de kwaliteit ervan. Veel hout krijgt hoogwaardige toepassingen in de vorm van bijvoorbeeld meubels. Tak- en tophout, een restproduct van het gekapte hout, blijft ofwel in het bos liggen of wordt als biomassa gebruikt voor energiedoeleinden. Zie voor meer informatie de door Probos verzamelde kerngegevens bos en hout op www.bosenhoutcijfers.nl.
Hoeveel procent van het gekapte hout is als biomassa opgestookt in elektriciteitscentrales?
Ik kan de hoeveelheid biomassa die wordt gebruikt voor energiedoeleinden op dit moment niet koppelen aan een percentage van de totale houtoogst. In het kader van de samen met de provincies op te stellen bossenstrategie zal ik nader naar gaan kijken naar de rol van biomassa uit het Nederlandse bos. Bij het opstellen van deze strategie zal ik uiteraard samen met deskundigen ook kijken naar de aanwezige feiten en cijfers en waar nodig lacunes in kennis proberen op te heffen.
In hoeverre klopt de berichtgeving dat de massale boskap plaatsvindt ter bevordering van de biodiversiteit in het kader van Natura-2000?
Er vindt inderdaad omvorming plaats van bos naar andere vormen van natuur op grond van Natura 2000-beheerplannen. Zie verder het antwoord op de vragen 2 en 4.
In hoeverre wordt het Nederlandse bos gekapt met het oog op houtwinning voor het stoken van biomassa?
Onze indruk is dat biomassa in Nederland veelal een restproduct is van het bosbeheer, en geen doel op zichzelf. Zoals gemeld in antwoord op vraag 8 zal ik in het kader van de samen met de provincies op te stellen bossenstrategie zal ik nader naar gaan kijken naar de rol van biomassa uit het Nederlandse bos.
Bent u bekend met het bericht «De gemeente Diemen wil geen grote «duurzame» biomassacentrale, toch komt-ie er»?3
Ja.
Klopt het dat u een bedrag van 8 miljard euro ter beschikking stelt als subsidie voor biomassa? Zo nee, hoeveel dan?
Nee. De SDE+ is een subsidieregeling waarbij verschillende technieken op basis van kosteneffectiviteit kunnen concurreren op subsidie. De productie van hernieuwbare energie uit biomassa is daar onderdeel van, maar heeft geen separaat budget. In mijn brief over de resultaten over de resultaten van de SDE voor het najaar van 2018 (Kamerstuk 31 239, nr. 301) heb ik u tevens geïnformeerd over de verdeling van het toegekende verplichtingenbudget per techniek in de periode 2012–2018. Het cumulatieve verplichtingenbudget voor biomassa (inclusief biogas) over de periode 2012–2018 bedroeg ruim € 14 miljard Dit betreft de maximaal uitgekeerde subsidie over de looptijd van projecten (8 of 12 jaren). De uiteindelijk uitgekeerde subsidie is afhankelijk van de geproduceerde hoeveelheid hernieuwbare energie en zal aanzienlijk lager zijn dan dit verplichtingenbudget doordat niet alle projecten gerealiseerd worden, projecten niet altijd op maximale capaciteit draaien en tevens nog een correctie plaatsvindt voor de marktprijs van de opgewekte energie.
Bent u bekend met het rapport «Visiedocument biobrandstof en hout als energiebronnen» van de Koninklijke Nederlandse Akademie van Wetenschappen (KNAW) waarin zij uiteenzetten hoe het verstoken van hout als biomassa in elektriciteitscentrales meer CO2-uitstoot oplevert dan kolencentrales (en veel meer dan gascentrales) en waarin zij de regering oproepen onmiddellijk het gebruik van biobrandstoffen naar een nulpunt af te bouwen?4
Ja.
Wat is uw visie op de conclusies van het KNAW?
Het kabinet baseert zich op internationale afspraken. Op basis daarvan wordt biomassa, mits passend in de strikte duurzaamheidscriteria, beschouwd als duurzaam, omdat de CO2-emissie bij verbranding evenveel is als de vegetatie bij groei heeft opgenomen uit de lucht. Het klopt dat er tijd overheen gaat om de uitstoot die vrijkomt bij het stoken van biomassa weer op te nemen in nieuwe bomen. In de duurzaamheidscriteria die gelden voor de SDE+ is vastgelegd dat de aangroei en het behoud van het bos waaruit (vaste) biomassa wordt verkregen groter is dan het verlies aan koolstof. Op die manier treedt geen netto schuld op, maar wordt daadwerkelijk een vermindering van de CO2-uitstoot bereikt.
Waarom heeft u tot nu toe geen gehoor gegeven aan de oproep van het KNAW om te stoppen met het verstoken van biomassa?
Zie antwoord vraag 13.
Bent u bekend met het bericht «RIVM waarschuwt voor biomassa: «Het kan de gezondheid schaden'»?5
Ja.
Hoe beziet u de waarschuwing van het Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu (RIVM) dat het verstoken van houtige biomassa bijdraagt aan een grotere hoeveelheid fijnstof in de lucht en een verslechterde luchtkwaliteit?
Het kabinet zal als onderdeel van de evaluatie van de ISDE in 2019 kritisch kijken naar de wenselijkheid van verdere stimulering van kleinschalige verbranding van biomassa (pelletkachels en installaties onder de 0,5 MW). Daarnaast vindt momenteel onderzoek plaats naar de mogelijkheden om de emissie-eisen voor kleine en middelgrote biomassaketels aan te scherpen.
Deelt u de zorg dat doorgaan met het verstoken van biomassa ernstige gevolgen zal hebben voor de Nederlandse luchtkwaliteit? Zo ja, waarom heeft u tot nu toe nog geen gehoor gegeven aan de waarschuwing van het RIVM? Zo nee, waarom niet?
Zie antwoord vraag 16.
Bent u voornemens door te gaan met het gevoerde beleid ten aanzien van het verstoken biomassa als energiebron? Zo ja, waarom? Zo nee, welke maatregelen gaat u nemen om het gebruik van biobrandstoffen als energiebron af te bouwen?
Het kabinet is ervan overtuigd dat de inzet van biomassa nu en richting 2030 en 2050 noodzakelijk is voor de verduurzaming van onze economie en het realiseren van de klimaatopgave. Uit verschillende studies van het Planbureau voor de Leefomgeving blijkt ook dat de inzet van biomassa past in een kostenefficiënte transitie. Uitgangspunt van het kabinet is dat alleen duurzame biomassa werkelijk bijdraagt aan verduurzaming van de economie en dat duurzame biomassa op mondiaal niveau op termijn schaars zal zijn. Daarom is op termijn een zo hoogwaardig mogelijke inzet van biomassa nodig.
Bent u van plan door te gaan met het verlenen van subsidies voor het verstoken van biomassa? Zo ja, waarom? Zo nee, wanneer zal dit tot een einde komen?
Zie antwoord vraag 18.
De twijfels van het bedrijfsleven over de kosten van het klimaatbeleid |
|
Chris Stoffer (SGP), Thierry Baudet (FVD) |
|
Eric Wiebes (minister economische zaken) (VVD) |
|
![]() ![]() |
Heeft u kennisgenomen van de twijfels en vragen van VNO-NCW en MKB-Nederland over de gehanteerde veronderstellingen en modelberekeningen bij het ontwerpKlimaatakkoord (OKA) en de doorrekening ervan?1
Ja. Op 1 april ontving ik een brief van VNO-NCW en MKB-Nederland met vragen over de doorrekeningen het Klimaatakkoord door het PBL en het Centraal Planbureau (CPB), aangevuld met een aantal op zichzelf staande verzoeken. Voor mijn reactie op deze brief verwijs ik graag naar het afschrift van mijn reactiebrief dat ik op 4 juni jl. aan uw Kamer heb doen toekomen (Kamerstuk 32 813, nr. 328).
Deelt u de mening dat betrouwbare informatie en een integraal beeld van de haalbaarheid en betaalbaarheid van het klimaatbeleid essentieel zijn voor het draagvlak voor de energietransitie?
Ja. Daarom heeft het kabinet het voorstel voor hoofdlijnen van een Klimaatakkoord en het ontwerpKlimaatakkoord, zoals overeengekomen door een brede vertegenwoordiging van maatschappelijke partijen, laten doorrekenen door het PBL en het CPB.
Waarom rekent het Planbureau voor de Leefomgeving (PBL) met een aanzienlijk lagere omvang van de gemiddelde investeringskosten per woning dan het Economisch Instituut voor de Bouw (15.000 versus 30.000 euro)?
Daar zijn de volgende verklaringen voor te geven:
1. Het PBL heeft nationale investeringskosten gerapporteerd. Dit zijn kosten exclusief btw en andere belastingen.
2. Het ontwerpKlimaatakkoord gaat uit van kosteneffectieve, woonlastenneutrale verbouwingen. Het PBL heeft dit geïnterpreteerd als renovaties met «standaard» isolatiemaatregelen, zoals reguliere vloer-, dak- en spouwmuurisolatie en HR++ ramen. Dergelijke maatregelen vragen veel lagere investeringen dan vergaande isolatieconcepten waarbij woningen naar nieuwbouwkwaliteit of Nul-op-de-meter-niveau worden gerenoveerd.
3. In veel woningen is al eens eerder na-geïsoleerd. Dat betekent dat niet in elke woning elke isolatiemaatregel nog moet worden toegepast. Hier heeft het PBL rekening mee gehouden in haar berekeningen.
4. Partijen streven in het ontwerpKlimaatakkoord naar aanzienlijke kostendaling. Dit is meegenomen in bovenkant van de bandbreedte in de analyse van PBL.
Hoe robuust acht u het OKA-uitgangspunt van woonlastenneutraliteit, gezien de gerede twijfels over de kosten van het verduurzamen van woningen?
In antwoord op vraag 3 ben ik ingegaan op de kosten van het verduurzamen van woningen. Woonlastenneutraliteit is één van de uitgangspunten zoals geformuleerd in het ontwerpKlimaatakkoord. Woningen woonlastenneutraal verduurzamen kan worden bereikt door middel van kostenreductie van (isolatie)maatregelen. Kostenreductie is mogelijk door opschaling via aanbod- en vraagbundeling, digitalisering en innovatie. Daarnaast is gunstige financiering noodzakelijk voor woonlastenneutrale verduurzaming van woningen. Hier zal op verschillende manieren in voorzien worden. Zoals aangegeven in mijn brief van 21 december jl. (Kamerstuk 32 813, nr. 263) zal het Burgerlijk Wetboek worden aangepast om gebouwgebonden financiering mogelijk te maken. In het definitieve Klimaatakkoord wordt besloten over de vormgeving van een Warmtefonds. Daarnaast wordt de investeringssubsidie duurzame energie (ISDE) gecontinueerd.
Wat gaat u doen om de lasten van de verduurzaming van de gebouwde omgeving voor huishoudens en ondernemers binnen de perken te houden?
Eén van de uitgangspunten van het kabinet is dat de energietransitie voor huishoudens haalbaar en betaalbaar moet zijn. Het kabinet voorziet in een samenhangend pakket van maatregelen om mensen bij de verduurzaming van hun woning te helpen, adviseren en financieel te ondersteunen. Zoals aangekondigd in de kabinetsreactie op de doorrekening van het PBL en het CPB (Kamerstuk 32 813, nr. 307) heeft het kabinet daarnaast besloten de Opslag Duurzame Energie (ODE) voor huishoudens aanzienlijk te verlagen en zo een betere balans aan te brengen in de lastenverdeling tussen huishoudens en bedrijven. Daarnaast staat in de het ontwerpKlimaatakkoord dat partijen via innovatie en efficiencyverbetering werken aan 20–40% kostenreductie. Daling van de kosten is van groot belang om de transitie haalbaar en betaalbaar te maken, voor zowel huishoudens als ondernemers.
Behouden woningeigenaren in de toekomst de vrijheid om te beslissen over investeringen in verduurzaming van hun woning?
In het ontwerpKlimaatakkoord is opgenomen dat voor verbouwingen, waarbij maar één of enkele bouwdelen worden aangepakt (zoals dak, gevel, vloer), streefwaarden voor isolatie worden vastgesteld. Deze komen naast een standaard (in kWh per m2 per jaar) voor de gehele woning. De standaard wordt gebaseerd op de bouwkundige/technische mogelijkheden in combinatie met de financiële haalbaarheid. De streefwaarden voor bouwdelen dragen bij aan het halen van de standaard.
De hoogte van de standaard en de streefwaarden wordt nog bezien samen met de betrokken stakeholders. De streefwaarden zijn geen wettelijke verplichting, maar geven mensen die hun woning verbouwen inzicht in wat gelet op de toekomst een verstandige en spijtvrije verbouwing is.
De rijksoverheid, energieloketten, consumentenorganisaties, financiële instellingen, adviseurs, makelaars en aanbieders zullen, gebruikmakend van zoveel mogelijk bestaande informatiekanalen, woningeigenaren en huurders breed informeren over de standaard en de streefwaarden. De rijksoverheid zal de standaard (en streefwaarden) integreren in de bouwregelgeving.
Waarom zijn een aantal maatregelen met een significante impact op de CO2-reductie in de industrie, zoals het subsidiëren van nieuwe technieken met behulp van de SDE++-regeling en het beschikbaar stellen van extra SDE++-budgetten bij achterblijvende reductie, niet meegenomen in de doorrekening van het PBL?
Het PBL geeft aan het subsidiëren van nieuwe technieken met behulp van de SDE++, waaronder afvang en opslag van CO2, elektrificatie en procesefficiencyverbeteringen, wel te hebben meegenomen in de doorrekening. Het PBL heeft de stimulering van hybride-elektrificatie via de SDE++ niet meegenomen in de doorrekening, omdat er op dit punt nog niet voldoende informatie beschikbaar was in het ontwerpKlimaatakkoord voor een doorrekening. Het PBL geeft verder aan dat er onzekerheid is over met welke technische maatregelen en tegen welk kostenniveau emissiereducties bereikt kunnen worden. Het PBL is, overeenkomstig met de indicatieve sectorale verdeling van de SDE++ middelen uit het OKA, uitgegaan van maximaal € 550 miljoen SDE++ subsidiemiddelen voor de CO2-reducerende maatregelen in de industrie (naast bestaande SDE++ middelen voor duurzame warmte) en heeft geen rekening gehouden met de in het ontwerpKlimaatakkoord aangegeven mogelijkheden voor € 150 miljoen extra middelen en € 340 miljoen voorfinanciering. Dit omdat de wijze en het moment waarop die extra middelen beschikbaar zouden komen naar het oordeel van het PBL op het moment van de doorrekening nog niet duidelijk genoeg was.
Wat is het effect als deze maatregelen wel worden meegenomen?
Het PBL hanteert een bandbreedte in het te verwachten effect van het ontwerpKlimaatakkoord, van 6 Mton (onderkant van de bandbreedte) tot 14 Mton (bovenkant van de bandbreedte). Het PBL stelt dat bij het meenemen van extra middelen boven op de € 550 miljoen binnen de SDE++ de emissiereductie bij de bovenkant van de bandbreedte hoger zou zijn uitgevallen, maar bij de onderkant van de bandbreedte niet noodzakelijkerwijs.
De effectiviteit van de SDE++ is immers niet alleen afhankelijk van het beschikbare budget, maar ook van de mate waarin bedrijven van de SDE++ gebruik maken en bereid zijn om laag in te schrijven op de tenders.
Dit wordt weer beïnvloed door de effectiviteit van een CO2-heffing en de hoogte van de ETS-prijzen.
Wanneer komt u met de uitwerking van deze maatregelen, zodat de CO2-reductie hiermee alsnog kan worden behaald?
Uw Kamer is op 26 april jl. geïnformeerd over de stand van zaken van de verbreding van de SDE+ naar de SDE++ (Kamerstuk 31 239, nr. 300). Daarnaast heeft het kabinet op 13 maart jl. (Kamerstuk 32 813, nr. 307) de uitwerking van een verstandige CO2-heffing aangekondigd, waar op dit moment hard aan wordt gewerkt.
Wat is de oorzaak voor de relatief lage inschatting van de hoogte van de investeringskosten voor de industrie door het PBL ten opzichte van de inschatting door Navigant?2
PBL geeft aan dat er onzekerheid is over met welke technische maatregelen en tegen welk kostenniveau emissiereducties bereikt kunnen worden. Met name is er onzekerheid over de kosten van de inpassing van nieuwe CO2-reducerende technologieën in bestaande situaties. Verschillende aannamen door het PBL en Navigant zouden een deel van het verschil kunnen verklaren. Verder heeft PBL de meerkosten ten opzichte van bestaand beleid berekend, terwijl door Navigant ook de kosten van het huidige beleid worden meegenomen (Navigant rekent dus met investeringen behorend bij 19,4 Mton reductie in plaats van die behorend bij 6 tot 14 Mton door PBL). Ook dit verklaart waarom de kostenschattingen van PBL lager liggen dan van Navigant.
Wat gaat u doen om de investeringskosten voor verduurzaming in de industrie binnen de perken te houden?
In het ontwerpKlimaatakkoord is de afspraak opgenomen om samen met de industrie te investeren in innovatie-opties in de industrie. Het streven is om de kosten van maatregelen met 20% naar beneden te brengen door innovatie te richten op kostenreductie van klimaatmaatregelen. Uit de klimaatenvelop is de komende jaren oplopend € 68 tot € 100 miljoen per jaar beschikbaar voor de industrie.
Daarnaast staat er nu al een aantal subsidieregelingen open voor de industrie gericht op innovatie en demonstratie van nieuwe technologie, zoals bijvoorbeeld nieuwe waterstoftechnologie. De verbrede SDE++ zal kunnen worden gebruikt om een deel van de meerkosten van technieken voor verduurzaming van de industrie af te dekken.
Wat gaat u doen om het draagvlak voor de energietransitie onder burgers en bedrijven te vergroten?
Conform de motie Mulder c.s. (Kamerstuk 30 196, nr. 586) geldt maatschappelijk draagvlak als een van de kaders van het kabinet voor het Klimaatakkoord. Naast de haalbaar- en betaalbaarheid (zie het antwoord op vraag 5) zijn ruimtelijke inpassing en participatie hiervoor van belang. Twee belangrijke instrumenten waardoor burgers en bedrijven een actieve rol kunnen spelen bij het uitwerken van de transitie in hun lokale leefomgeving zijn de wijkgerichte aanpak in de gebouwde omgeving en de vormgeving van de Regionale Energiestrategieën (RES). Participatie is een cruciaal onderdeel van de wijkgerichte aanpak. Het Rijk gaat daarom samen met de VNG een handreiking voor participatie bij de wijkgerichte aanpak opstellen. Verder worden ervaringen van gemeenten gedeeld in het Kennis- en Leerprogramma. Daarnaast is het kabinet voornemens om burgerparticipatie, conform de motie Jetten c.s. (Kamerstuk 30 196, nr. 578), mede vorm te geven met een brede publieksaanpak en koepelcampagne, die gericht is op het geven van handelingsperspectief aan burgers en bedrijven.
Bent u, gezien de verschillende vraagtekens bij de doorrekening van het PBL en het belang van voldoende draagvlak voor de energietransitie, bereid meer inzicht te (laten) geven in de berekeningen en aannames van het PBL?
Ik deel het belang van openbare en toetsbare modellen. Het PBL werkt via het eigen werkprogramma voortdurend aan het verbeteren van de kwaliteit en transparantie van de modellen. Het werkprogramma 2019 van het PBL gaat bijvoorbeeld zowel in op de kwaliteit van modellen in enge zin (het verbeteren van de documentatie over modellen en publiceren over de modellen in wetenschappelijke artikelen) als op de wisselwerking met externe stakeholders Een goed voorbeeld daarvan is het MIDDEN-model waar samen met universiteiten en TNO gewerkt wordt aan een model dat een beter inzicht geeft in de reductieopties binnen de industrie.
Bijlage: Ontwikkeling van de emissie van broeikasgassen tussen 1990 en het 2030 (NEV 2017)
Tabel 1 geeft de emissie van broeikasgassen in 1990, 2015, 2017 en het 2030 (NEV 2017), en de reducties ten opzichte van 1990. De gerealiseerde emissies tot en met 2017 zijn gebaseerd op de meest recente emissiestatistieken van de emissieregistratie (ER, 20193; National Inventory Report 20194).
De geraamde emissie in 2030 betreft het zogenaamde basispad 2030 dat is gebaseerd op een scenariovariant uit de NEV 20175. In het basispad richting 2030 is het vastgestelde en voorgenomen beleid uit de NEV 2017 meegenomen, maar zonder nieuwe openstellingen onder de SDE+ regeling vanaf 20206. Dit basispad is mede gebruikt in de PBL-analyses «Effecten Ontwerp Klimaatakkoord7» en de analyse van het «Voorstel voor Hoofdlijnen voor een Klimaatakkoord8». In de KEV 2019 wordt een nieuwe emissieraming voor 2030 opgesteld.
Sector
Broeikasgasemissies
[megaton CO2-equivalenten]
Reductie van broeikasgasemissies ten opzichte van 1990 [procent]1
Realisaties [emissieregistratie, 2019]
Raming [NEV 2017 basispad]
Realisaties [emissieregistratie, 2019]
Raming [NEV 2017 basispad]
1990
2015
2017
2030
2015
2017
2030
Elektriciteit
39,6
53,3
48,5
32,6
– 35%
– 22%
18%
Industrie
87,0
56,4
57,7
50,0
35%
34%
43%
Gebouwde omgeving
29,9
24,5
24,6
18,7
18%
18%
37%
Mobiliteit
32,3
34,7
35,5
32,4
-8%
– 10%
– 1%
Landbouw
32,9
27,0
27,4
24,2
18%
17%
26%
Landgebruik
6,5
5,6
5,6
6,9
14%
14%
– 7%
Totaal, zonder landgebruik
221,7
196,0
193,7
158,0
12%
13%
29%
Totaal, met landgebruik
228,2
201,7
199,3
164,9
12%
13%
28%
Een negatief getal betekent een stijging ten opzichte van 1990.
De Nederlandse betrokkenheid bij EUROGENDFOR |
|
Thierry Baudet (FVD) |
|
Ank Bijleveld (minister defensie) (CDA) |
|
![]() |
Kunt u bevestigen of de European Gendarmerie Force (EUROGENDFOR) betrokken was bij het neerslaan van de demonstraties van de gele hesjes in Parijs (en andere Franse plaatsen), zoals beelden doen vermoeden? Zo ja, hoeveel functionarissen zijn hierbij tot nu toe betrokken geweest? Zo nee, waarom niet?
Nee, dit kan ik niet bevestigen. De EUROGENDFOR is een multinationale verdragsorganisatie die is opgericht om op geïntegreerde wijze inzet van gendarmerie-type politiecapaciteit en expertise van de deelnemende lidstaten in crisis- en conflictgebieden mogelijk te maken. De EUROGENDFOR beschikt niet over eigen troepen en inzet van de EUROGENDFOR kan alleen plaatsvinden na een unaniem besluit van de EUROGENDFOR-lidstaten. De EUROGENDFOR is alleen in derde landen actief.
Hoeveel Nederlandse functionarissen zijn actief bij EUROGENDFOR?
Er zijn vier Nederlandse functionarissen werkzaam op het EUROGENDFOR Permanent Headquarters in Vicenza, Italië. Daarnaast zijn er vier functionarissen onder EUROGENDFOR-vlag werkzaam voor de NAVO-missie Resolute Support in Afghanistan.
Bent u van mening dat er door de Macron-regering buitensporig is opgetreden?
Het is niet aan mij om over een interne Franse aangelegenheid te oordelen.
Kunt u aangeven wanneer een definitief akkoord over het Pan-Europees Persoonlijk Pensioenproduct (PEPP) wordt vastgesteld in de Europese Raad?
Het Roemeense voorzitterschap is voornemens het onderhandelaarsakkoord te agenderen voor de Coreper van 13 februari a.s. Zoals is toegelicht in mijn brief van 5 februari jl., heeft Nederland bij het voorzitterschap aangekondigd niet te kunnen instemmen met het onderhandelaarsakkoord.
Kunt u aangeven welke gedelegeerde en/of uitvoeringshandelingen zijn opgenomen in het onderhandelaarsakkoord?
PEPP kenmerkt zich als een derde pijler pensioenproduct. De PEPP-verordening bevat maatregelen om te komen tot een derde pijler pensioenproduct waarvan een aantal productkenmerken is gestandaardiseerd op Europees niveau. De gedelegeerde handelingen hebben betrekking op producten die als een PEPP worden aangeboden en strekken zich dus niet uit tot andere onderdelen van de pensioenmarkt.
Nederland was kritisch ten aanzien van de grondslagen voor gedelegeerde en/of uitvoeringshandelingen in het oorspronkelijke voorstel van de Europese Commissie voor een PEPP-verordening. Gedurende de onderhandelingen over dit voorstel heeft Nederland zich dan ook tegen deze grondslagen verzet. Dit heeft er echter niet toe geleid dat het aantal grondslagen voor gedelegeerde en/of uitvoeringshandelingen is verminderd.
In het thans voorliggende onderhandelaarsakkoord is sprake van drie grondslagen voor een gedelegeerde handeling van de Europese Commissie. Bij de totstandkoming van deze gedelegeerde regelgeving dient de Europese Commissie experts uit de individuele lidstaten te betrekken.
Daarnaast is er in het onderhandelaarsakkoord voorzien in negen gevallen waarin EIOPA ontwerpen voor technische regulerings- of uitvoeringsnormen dient op te stellen, die vervolgens door de Europese Commissie worden vastgesteld. Zo wordt van EIOPA verlangd dat zij de vereisten aan het «key information document», de informatie die voorafgaand aan het aanbieden van een PEPP beschikbaar moet worden gesteld, nader invult, dat zij specificeert in welke gevallen dit document moet worden herzien en op welke wijze dit document aan de spaarders moet worden verstrekt. Daarnaast dient EIOPA in een ontwerp voor technische reguleringsnormen regels te formuleren op basis waarvan de veronderstellingen van pensioenprojecties kunnen worden bepaald en waarop spaarders hun pensioenopbouw bij gebruikmaking van een PEPP baseren. EIOPA dient ook de aanvullende informatie uit te werken die een aanbieder van een PEPP aan de individuele spaarder dient te verstrekken in een zogenaamd «PEPP benefit statement». Een andere grondslag betreft het format voor rapportages van aanbieders van een PEPP aan de nationale toezichthouders. Daarnaast dient EIOPA in een ontwerp voor technische reguleringsnormen het type kosten te bepalen dat aan een PEPP kan worden verbonden, alsmede de (minimum) criteria vast te stellen die moeten gelden voor de risicobeheertechnieken die door een aanbieder van een PEPP in acht moeten worden genomen. Tot slot voorziet het onderhandelaarsakkoord in een grondslag op grond waarvan EIOPA nader zal uitwerken hoe de nationale toezichthouders op aanbieders van PEPP samenwerken en informatie uitwisselen met elkaar. In al deze gevallen dienen de ontwerpen voor technische regulerings- of uitvoeringsnormen vervolgens door de Europese Commissie te worden vastgesteld.
Klopt het dat door de gedelegeerde regelgeving, de mogelijkheid bestaat dat er regels worden opgesteld die het Nederlandse pensioenstelsel kunnen raken, zonder dat Nederland daar nog invloed op kan uitoefenen?
Zoals ik in mijn brief van 5 februari jl. heb toegelicht, zal het onderhandelaarsakkoord voor de totstandkoming van de PEPP-verordening geen invloed hebben op het tweedepijlerstelsel in Nederland. De PEPP verordening heeft ook geen invloed op andere derde pijlerpensioenproducten, als die niet als PEPP worden aangeboden.
Dat geldt ook voor de grondslagen voor gedelegeerde en uitvoeringshandelingen die in het onderhandelaarsakkoord zijn opgenomen. Deze gedelegeerde regelgeving is niet van invloed op de bestaande onderdelen van ons Nederlandse pensioenstelsel.
Dat neemt echter niet weg dat Nederland kritisch is ten aanzien van de in het onderhandelaarsakkoord opgenomen grondslagen voor gedelegeerde regelgeving. De rol van de Raad en het Europees Parlement bij de totstandkoming van gedelegeerde handelingen is beperkt. Die beperkte betrokkenheid is naar mijn oordeel niet in alle gevallen gewenst of gepast. Zo vergt een aantal onderwerpen waarvoor in gedelegeerde regelgeving is voorzien niet alleen een technische afweging. Dat is bijvoorbeeld het geval bij het uitwerken van het criterium dat sprake moet zijn van een significante zorg over de bescherming van spaarders die gebruik maken van een PEPP, hetgeen een voorwaarde is voor de inzet van de product interventie bevoegdheid van EIOPA. Het aantal grondslagen voor gedelegeerde en uitvoeringshandelingen is dan ook één van de redenen waarom Nederland niet kan instemmen met het onderhandelaarsakkoord.
Klopt het dat Nederland in onderhandelingen over PEPP, vier voorwaarden heeft gesteld om PEPP te verbeteren, maar dat niet aan alle vier de voorwaarden is voldaan?
Zoals het kabinet eerder heeft aangegeven, is het kabinet van mening dat de PEPP-verordening een beperkte meerwaarde heeft voor het pensioenaanbod in Nederland.
Daarnaast had Nederland vier prioriteiten in de onderhandelingen over het voorstel voor de PEPP-verordening. In de eerste plaats gold als uitgangspunt dat de PEPP-verordening geen invloed zou moeten hebben op de verplichtstelling in de tweede pijler. Daarnaast zou de PEPP-verordening niet mogen ingrijpen in de nationale fiscale stelsel. Nederland had als derde prioriteit dat er geen rol zou moeten worden toegekend aan EIOPA als directe toezichthouder op aanbieders van PEPP. Tot slot gold als vierde prioriteit dat het aantal grondslagen voor gedelegeerde of uitvoeringshandelingen in het voorstel zou moeten worden teruggebracht.
Het klopt dat het onderhandelaarsakkoord niet aan alle vier de Nederlandse prioriteiten tegemoetkomt. Hoewel Nederland zich daar tijdens de onderhandelingen voor heeft ingespannen, is het aantal grondslagen voor gedelegeerde regelgeving in het onderhandelaarsakkoord niet verminderd. Zie in dit licht ook de beantwoording van de vragen 2 en 3. Daarnaast heeft EIOPA weliswaar geen doorlopende rol in het directe toezicht op aanbieders van PEPP, maar is aan EIOPA wel een zogenaamde productinterventiebevoegdheid toegekend. Onder omstandigheden kan EIOPA tijdelijk het aanbieden van een specifiek PEPP-product verbieden. Bovendien zijn er verschillende verplichtingen in het voorstel opgenomen voor EIOPA om door middel van technische reguleringsnormen nadere invulling te geven aan bepalingen uit het onderhandelaarsakkoord die betrekking hebben op het werk van de nationale toezichthouders.
Het onderhandelaarsakkoord komt wel tegemoet aan de eerste twee prioriteiten: de PEPP-verordening zal geen invloed hebben op de Nederlandse tweede pijler en het akkoord bevat ook geen fiscale bepalingen.
Bent u bereid om gezien mogelijke gevolgen voor het Nederlandse pensioenstelsel, volgens de wens van de fracties van de ondertekenaars van deze vragen, u in Europees verband namens Nederland tegen de PEPP-verordening uit te spreken?
Zoals ik in mijn brief van 5 februari jl. heb aangekondigd, heb ik gisteren aan het Roemeense voorzitterschap kenbaar gemaakt dat Nederland op Coreper aanstaande woensdag niet kan instemmen met het onderhandelaarsakkoord inzake de PEPP-verordening. Tijdens Coreper op 13 februari a.s. zal in een stemverklaring worden gemeld om welke redenen Nederland niet kan instemmen. Die redenen heb ik in mijn brief van 5 februari jl., alsmede met de beantwoording van voorgaande vragen, toegelicht. In het tot uitdrukking brengen van de Nederlandse stem zal het kabinet het oordeel van de Kamer uiteraard nadrukkelijk meewegen.
Het bericht dat China geen zonne- en windenergieprojecten meer zal steunen |
|
Thierry Baudet (FVD) |
|
Eric Wiebes (minister economische zaken) (VVD) |
|
![]() |
Heeft u kennisgenomen van het artikel «China: No Wind Or Solar If It Can't Beat Coal On Price», waarin vermeld wordt dat de Chinese overheid alleen nog energieprojecten op basis van zon en wind zal steunen als de kosten even hoog of goedkoper zijn dan projecten op basis van steenkool?1
Ik heb kennisgenomen van dit artikel.
Bent u bekend met het feit dat de Chinese overheid al eerder een einde heeft gemaakt aan subsidie voor grootschalige zonne-energieprojecten?2
Ik ben er mee bekend dat de Chinese overheid in de zomer van 2018 een stop heeft gezet op de subsidiering voor de bouw van nieuwe grote zonneparken in het land en de subsidie voor lopende zonne-energie projecten fors heeft verlaagd.
Deelt u de conclusie dat de maatregel zoals bedoeld in vraag 1 een significante reductie zal opleveren in het aantal zonne- en windenergieprojecten? Zo nee, waarom niet?
Nee, ik deel deze conclusie niet. In de afgelopen jaren was het tempo van uitrol van zonne-energie in China ongekend hoog. Deze groei was zodanig groot dat het netwerk de aangeleverde stroom niet meer aankon. Ik heb begrepen dat de Chinese overheid daarom destijds besloten heeft de subsidiering in te perken om de groei af te remmen en niet om de sector in te perken.
Indien in China energieopwekking op basis van kolen door bovenstaande maatregelen zal toenemen, deelt u dan de conclusie dat op wereldschaal de uitstoot van CO2 aanzienlijk zal groeien? Zo nee, waarom niet?
De ontwikkeling van de mondiale CO2-uitstoot is van veel factoren afhankelijk en wordt niet alleen bepaald door de ontwikkeling van de energieopwekking op basis van kolen of de subsidiering van zonne- en windenergieprojecten in China.
Het huidige beeld is dat de mondiale CO2-uitstoot tot 2030 nog licht zal blijven stijgen wanneer alle landen hun ingediende doelstellingen implementeren.
Deze stijging is wel veel minder groot dan wanneer landen geen actie zouden ondernemen.3
De verwachting is op dit moment dat China de bij de Overeenkomst van Parijs ingediende doelstellingen ruim voor het gestelde jaar van 2030 zal gaan halen. Daarmee zal de mondiale uitstoot tot 2030 minder stijgen dan in een scenario van niets doen. Het gaat dan onder andere om doelstellingen zoals het pieken van CO2-emissies in 2030, het verminderen van de CO2-intensiteit van het BBP met 60–65% in 2030, het vergroten van het aandeel niet-fossiele bronnen in het totale energieaanbod naar 30% in 2030.
Kunt u cijfermatig aangeven hoeveel energie momenteel in zowel China als in Nederland wordt opgewekt met behulp van kolen? Kunt u aangeven hoe groot voor beide landen de CO2-uitstoot is? Zo nee, waarom niet?
In Nederland werd 383 PJ steenkool gebruikt in 2017, waarvan 256,5 PJ voor elektriciteitsproductie (incl. WKK). Hiermee werd 112,6 PJ aan elektriciteit opgewekt met behulp van kolen (31.275 GWh)4. De CO2-uitstoot in Nederland in het jaar 2017 bedroeg 163,3 Mton.5
In China werd circa 80.500 PJ steenkool gebruikt in 2017, waarvan 42.900 PJ steenkool voor elektriciteitsproductie (incl. WKK). Hiermee werd 15.350 PJ aan elektriciteit opwekt (4.300.000 GWh)6. De CO2-uitstoot in het jaar 2017 in China bedroeg 10.900 Mton.7
Kunt u cijfermatig aangeven in welke mate het sluiten van alle kolencentrales in Nederland zich verhoudt tot de blijvende en waarschijnlijk groeiende CO2-uitstoot van alle thans al bestaande kolencentrales in China? Zo nee, waarom niet?
De precieze mate van CO2-reductie als gevolg van het voorgenomen verbod op het gebruik van kolen in Nederland is onzeker, omdat deze afhankelijk is van de ontwikkelingen op de elektriciteitsmarkt. Op basis van de analyse van Frontier Economics (2018)8 is de inschatting dat uitfasering van kolen door middel van de voorgenomen wet verbod op kolen tot circa 18 Mton CO2-reductie leidt in 2030.
De CO2-uitstoot in China als gevolg van elektriciteitsproductie met behulp van kolen bedroeg in 2016 naar schatting 4.400 Mton.9
Gelet op het feit dat in 2030 alle Nederlandse kolencentrales gesloten dienen te zijn, welke energiebronnen zullen de Nederlandse kolencentrales vervangen? Is hier een plan voor? Zo ja, waar is dit te vinden?
Het voorgenomen verbod op het gebruik van kolen voor elektriciteitsproductie moet ertoe leiden dat er per 1 januari 2030 geen kolen meer gebruikt worden voor de productie van elektriciteit. Hiermee wordt verzekerd dat het verbod op kolen een aanzienlijke bijdrage levert aan het realiseren van de ambitie uit het klimaatakkoord van 49% CO2-reductie. Dit heeft invloed op de samenstelling van het Nederlandse productiepark. Welke energiebronnen de weggevallen productie als gevolg van het verbod zullen opvangen is afhankelijk van de ontwikkelingen op de elektriciteitsmarkt en daarmee onzeker. Op basis van de analyse van Frontier Economics (2018) is onze inschatting dat de voorgenomen wet zal leiden tot een toename van de import en een toename van de binnenlandse productie van gas en biomassa.
Kunt u cijfermatig aangeven wat de integrale kosten zijn van het sluiten van alle kolencentrales in Nederland en de beoogde vervangende energiebronnen? Zo nee, waarom niet?
Voor de integrale kosten zijn diverse aspecten van belang, waaronder het feit dat er op dit moment sprake is van overcapaciteit op de Noordwest Europese elektriciteitsmarkt. Een separate berekening van integrale kosten is niet gemaakt. De totale maatschappelijke kosten van klimaatbeleid worden wel berekend door PBL. Het PBL heeft in hun studie kosten energie- en klimaattransitie in 2030 (update 2018) wel berekend dat de nationale kosten als gevolg van de sluiting van alle kolencentrales in 2030 € 770 miljoen bedragen. Deze nationale kosten betreffen meerkosten van productie uit gas vergeleken met kolen en betreffen de kosten voor de Nederlandse samenleving als geheel, ongeacht wie deze kosten draagt.
Kunt u cijfermatig aangeven welk effect sluiting van alle kolencentrales in Nederland op basis van de huidige door de Nederlandse regering gehanteerde klimaatmodellen op de gemiddelde temperatuur van de aarde zal hebben? Kunt u onderbouwd aangeven of dit te verwachten effect met behulp van de huidige beschikbare natuurwetenschappelijke technieken meetbaar is? Zo nee, waarom niet?
In het kader van de Overeenkomst van Parijs hebben alle landen – waaronder Nederland – zich gecommitteerd aan het zo snel mogelijk omlaag brengen van mondiale emissies en aan het bereiken van een balans tussen de uitstoot en opname van broeikasgassen (klimaatneutraliteit) in de tweede helft van deze eeuw.
De inschatting is dat wanneer afzonderlijk gekeken wordt naar het voorgenomen verbod op het gebruik van kolen dit slechts en zeer klein effect zal hebben op de ontwikkeling van de gemiddelde temperatuur op aarde.
Het kabinet vindt het belangrijk – en heeft zich juridisch daartoe verplicht – om ook nationaal zijn bijdrage te leveren aan het bereiken van de doelen van de Overeenkomst van Parijs en wil dat op nationaal niveau doen door te streven naar 49% CO2-reductie in 2030 (ten opzichte van 1990). Het voorgenomen verbod op het gebruik van kolen levert hier een belangrijke bijdrage aan. Het verbod op kolen is op nationaal niveau een van de effectievere maatregelen om CO2-reductie, en andere nastrevenswaardige doelen zoals schonere lucht etc., te bereiken.
de rechtsstatelijke aspecten van de machtigingsbepaling van de Verzamelwet Brexitwet (Kamerstuk 35084) |
|
Pieter Omtzigt (CDA), Jan de Graaf (CDA), Roelof Bisschop (SGP), Renske Leijten (SP), Lodewijk Asscher (PvdA), Farid Azarkan (DENK), Vicky Maeijer (PVV), Bram van Ojik (GL), Lammert van Raan (PvdD), Thierry Baudet (FVD), Kees Verhoeven (D66), Martin van Rooijen (CDA) |
|
Stef Blok (minister buitenlandse zaken) (VVD), Ferdinand Grapperhaus (minister justitie en veiligheid) (CDA) |
|
![]() ![]() ![]() ![]() ![]() ![]() ![]() ![]() ![]() ![]() |
Heeft u kennisgenomen van de factsheets «Verzamelwet Brexit» van professor dr. Wim Voermans en professor mr. Roel de Lange en hun toelichting in de Tweede Kamer bij de hoorzitting over de Verzamelwet Brexit op 5 december jl?
Ja.
Kunt u reageren op het standpunt van deze hoogleraren dat door middel van artikel X van de Verzamelwet Brexit het kernbeginsel van het primaat van de wetgever aan de kant geschoven wordt doordat ministers een heel ruime bevoegdheid krijgen om algemeen verbindende voorschriften vast te stellen en daarmee ook van bestaande – zelfs hogere regels – af kunnen wijken zonder dat het gehele kabinet, het parlement of de Raad van State daar vooraf iets over te zeggen heeft?
Wij delen deze opvatting niet.
Het is een sinds jaar en dag erkend beginsel in het staatsrecht dat het in bijzondere situaties noodzakelijk en gerechtvaardigd kan zijn om af te wijken van de normale regelgevings- en besluitvormingsprocedures, teneinde de overheid in staat te stellen maatregelen te kunnen treffen met de inhoud en spoed die die bijzondere situatie vereist. Dit beginsel is weerspiegeld in voorzieningen die daartoe in een aantal wetten zijn opgenomen en heeft ook zijn neerslag gevonden in aanwijzing 2.31 van de Aanwijzingen voor de regelgeving.1
Het legaliteitsbeginsel eist dat elk handelen van de overheid, ook in dergelijke bijzondere situaties, op een wettelijke basis berust.
Normaliter wordt dat gerealiseerd doordat vooraf een nauwkeurige inschatting valt te maken welke maatregelen nodig (kunnen) zijn om een bepaald onderwerp te kunnen regelen. Op grond van die analyse wordt dan een concrete voorziening opgenomen in de wettekst die maatregelen mogelijk maakt binnen het kader van de desbetreffende wet. Daarbij valt te denken aan vrijstellings- of ontheffingsmogelijkheden, aan de mogelijkheid om bij lagere regelgeving nadere eisen te stellen omtrent een door die wet geregeld onderwerp, of aan de constructie dat rechtstreeks een bepaalde uitvoeringsbevoegdheid wordt toegekend aan een bestuursorgaan om de besluiten te kunnen nemen die noodzakelijk en redelijk worden geacht.
In bepaalde gevallen is echter voorspelbaar dat niet bij voorbaat alle situaties zijn overzien, hetgeen zich met name voordoet bij grote stelselwijzigingen.
Voor dergelijke gevallen is in het verleden regelmatig door het parlement aanvaard dat ten behoeve van de transitiefase een ruimere delegatiegrondslag met tijdelijke werking wordt opgenomen in de desbetreffende wetgeving.2
Wij zien de Brexit ook als zo’n grote stelselwijziging. Kenmerkend van de Brexit, in het bijzonder een Brexit zonder terugtrekkingsakkoord, is dat daardoor op abrupte wijze een einde komt aan de verregaande juridische en feitelijke vervlechting van het VK en de EU op allerlei terreinen. Daarbij doet zich (anders dan bijvoorbeeld het geval was bij de opheffing van het land Nederlandse Antillen) nog de complicatie voor dat nog onvoldoende duidelijkheid bestaat over de juridische relatie met het VK na 29 maart 2019.
De door de hoogleraren gemaakte vergelijking met de algemene regeling van het staatsnoodrecht in met name de Coördinatiewet uitzonderingstoestanden vertroebelt naar onze mening de discussie. In het geval van het staatsnoodrecht is veelal wel in abstracto voorzien welke maatregelen noodzakelijk kunnen zijn maar is tevens geoordeeld dat het wenselijk is die bevoegdheid niet al bij voorbaat toe te kennen vanwege de mogelijke ingrijpendheid daarvan. In dergelijke gevallen worden meestal procedurele en inhoudelijke drempels opgeworpen die genomen moet worden voordat de bevoegdheden toegepast kunnen worden.
Het valt niet in te zien hoe artikel X van het wetsvoorstel in deze categorie valt te scharen. Artikel X is immers beperkt tot maatregelen die nodig zijn met het oog op een goed verloop van de terugtrekking van het VK, en is in de tijd beperkt tot één jaar na de datum van terugtrekking. Verder geldt dat, voor zover een maatregel aangemerkt zou moeten worden als afwijking van het bepaalde bij of krachtens de wet, nog moet voldaan zijn aan de aanvullende voorwaarde dat ófwel sprake moet zijn van de noodzaak van een goede tenuitvoerlegging van een bindende EU-rechtshandeling, ófwel van de noodzaak om onaanvaardbare gevolgen van deze terugtrekking te voorkomen.
Anders dan de op de hoorzitting gemaakte vergelijking met de algemene machtigingsbepalingen in landen als Brazilië, Spanje en Italië suggereert, betreft dit dus niet een abstracte, in tijd en omvang onbepaalde en structureel bedoelde voorziening, maar een concrete voorziening voor een beperkt tijdvak met een specifiek doel. Een toepasselijker vergelijking lijkt ons daarom te vinden in de Britse European Union (Withdrawal) Act 2018. Sectie 23 van die wet3 geeft ministers de bevoegdheid om gedurende een periode van 10 jaar passende voorzieningen te treffen ten vervolge op die wet, waaronder het wijzigen of intrekken van primaire en secundaire regelgeving. Naar onze mening ondersteunt dit de ook door ons bereikte conclusie dat een zorgvuldige voorbereiding vraagt om een dergelijke vangnetbepaling.
Verder wijzen wij erop dat ook de geraadpleegde hoogleraren erkennen dat de Brexit het noodzakelijk kan maken een bijzondere procedure te volgen om maatregelen te kunnen treffen. Zij zoeken de oplossing echter in andere richtingen dan het kabinet heeft gedaan. De door hun gepresenteerde alternatieven zijn naar onze mening echter praktisch onvoldoende werkbaar en vanuit staatsrechtelijk oogpunt niet zonder meer te prefereren.
Zo biedt de geopperde mogelijkheid om afwijkingen van de wet enkel bij amvb en niet bij ministeriële regeling te laten geschieden geen soelaas voor het gestelde gebrek van onvoldoende parlementaire betrokkenheid. Het voor dat gebrek opgevoerde vangnet, het voorzien in een voorhangprocedure, zou de mogelijkheid van de regering om direct te kunnen handelen illusoir maken.
Overigens benadrukken wij dat een maatregel in afwijking van een bestaand wettelijk voorschrift in beginsel enkel door middel van een algemene maatregel van bestuur gerealiseerd kan worden. Artikel X staat slechts toe dit bij ministeriële regeling te doen indien de spoedeisendheid van de maatregel dit noodzakelijk maakt. Daarbij moet gedacht worden aan voorzieningen die onmiddellijk gerealiseerd en gehandhaafd moeten worden, en waarin een regeling bij wet of amvb geen adequaat middel zou zijn (zelfs niet wanneer aan zo’n wet of amvb terugwerkende kracht zou worden toegekend).
Een ander ter sprake gebracht alternatief betrof het tot stand brengen van wetgeving langs de gewone procedure en daaraan dan terugwerkende kracht te geven. Dit gaat echter voorbij aan het feit dat daarmee in de praktijk geen bezwarende maatregelen getroffen zullen kunnen worden (en in rechte kunnen worden staande gehouden) in het tijdvak voorafgaand aan de formele vaststelling en inwerkingtreding van zo’n wetsvoorstel. Bovendien doet het geen recht aan onze intentie om bij onverwacht opgekomen problemen in de fase direct na een Brexit zo snel mogelijk rechtszekerheid te bieden over wat geldt. Het is immers niet gegeven dat het parlement met de voorgelegde maatregel zal instemmen, zodat een burger of bedrijf, maar ook een bestuursorgaan dat voor de vraag staat hoe te handelen, pas zekerheid heeft over een gepresenteerde regeling wanneer die regeling is vastgesteld en in werking is getreden.
Verder is nog de mogelijkheid genoemd om gebruik te maken van de Coördinatiewet uitzonderingstoestanden en de daaronder geschaarde noodwetten. Deze oplossing is echter formeel onmogelijk. Daarvoor zou het uitroepen van een (beperkte) noodtoestand vereist zijn (hetgeen overigens ook zonder voorafgaande betrokkenheid van het parlement zou moeten geschieden) maar dat is slechts mogelijk ter handhaving van de uitwendige of inwendige veiligheid van het land.4 Optreden ter voorkoming van menselijk of dierlijk leed, of ter beperking van economische schade is niet mogelijk langs deze weg.
Het zal overigens duidelijk zijn dat wij deze optie ook niet proportioneel vinden in het licht van de in redelijkheid te verwachten ernst en aard van de eventuele problemen en de daarvoor te realiseren oplossingen.
Deelt u de mening dat, zoals artikel X van de Verzamelwet Brexit beoogt, het door het parlement achteraf meepraten over wetgeving – die ziet op fundamentele onderwerpen- die al is vastgesteld, niet voldoet aan de eisen die het primaat van de wetgever stelt?
Nee. Het primaat van de wetgever vereist niet dat het parlement rechtstreeks dient te worden betrokken bij alle onderdelen van een regeling. Wel is vereist dat de (formele) wet ten minste de hoofdelementen van de regeling dient te betreffen. Delegatie van regelgevende bevoegdheden en de toekenning van bestuursbevoegdheden worden als zodanig wel als hoofdelement gezien. In het normale geval zou daarom bij een ontbrekende wettelijke grondslag voor een beoogde maatregel aanpassing van de hogere wet- of regelgeving ter hand worden genomen om alsnog in die grondslag te voorzien.
Kenmerkend voor de situatie rond de Brexit is dat enerzijds onzekerheid bij alle betrokkenen bestaat of volledig overzien is welke maatregelen mogelijk noodzakelijk zijn, en of daarvoor een grondslag valt aan te wijzen in de bestaande regelgeving. Verder is denkbaar dat maatregelen dusdanig spoedeisend zijn dat het totstandbrengen van een formele (wijzigings)wet of zelfs een algemene maatregel van bestuur onvoldoende tijdig kan geschieden.
Daarbij kan de noodzaak tot afwijken van bestaande wet- en regelgeving zich doen voelen wanneer een bepaalde maatregel noodzakelijk wordt geacht, maar de regelgeving die mogelijkheid niet biedt. Dat kan een gevolg zijn van een weloverwogen keuze ten tijde van de vaststelling om zo’n maatregel niet toe te staan, maar aannemelijker achten wij dat de noodzaak om die maatregel te kunnen treffen simpelweg niet was voorzien. Om dit mogelijke verzuim weg te nemen beoogt artikel X, derde lid een alternatieve tijdelijke wettelijke basis te bieden.
Het is echter niet gezegd dat de op basis van dit artikellid te treffen maatregelen op zichzelf raken aan fundamentele onderwerpen, zoals de vraag lijkt te veronderstellen. Wij achten het aannemelijk dat het hoogstens maatregelen zal betreffen die naar de inhoud bezien niet onverenigbaar zijn met het stelsel van de bestaande wetgeving, maar simpelweg niet voorzien waren ten tijde van het vaststellen daarvan. Zoals ook blijkt uit de eerder aangehaalde voorbeelden is het tot op heden niet de interpretatie van de wetgever geweest dat delegatie van regelgevende bevoegdheid voor dergelijke gevallen onaanvaardbaar zou zijn vanuit het beginsel van het primaat van de wetgever.
Ook de Afdeling advisering van de Raad van State kwam tot het oordeel dat de uitzonderlijke situatie van de Brexit een rechtvaardiging kon vormen voor het voorgestelde artikel X. De Afdeling onderschreef dat het onvoorspelbare karakter van het onderhandelingsproces over de Brexit en de uitkomsten daarvan onconventionele maatregelen noodzakelijk maken. Wel adviseerde de Afdeling in het voorgestelde artikel X een aantal concreet geformuleerde nadere aanscherpingen aan te brengen. Deze voorgestelde aanpassingen zijn alle overgenomen in het voorstel zoals het is ingediend.
Wat is uw reactie op het gegeven dat de Aanwijzingen voor de regelgeving (Ar, 2.23) voorschrijft dat delegatie van regelgevende bevoegdheid zo nauwkeurig en concreet mogelijk wordt begrensd? Deelt u de mening dat dit in artikel X Verzamelwet Brexit niet het geval is?
Wij zijn van mening dat artikel X aan de eisen van Ar 2.23 voldoet omdat de delegatiegrondslag zo nauwkeurig en concreet is omschreven als in de gegeven situatie mogelijk is. Blijkens de toelichting op de aangehaalde aanwijzing moet de begrenzing van gedelegeerde regelgevende bevoegdheid worden gerealiseerd door het concretiseren van de omstandigheden waarin van de gedelegeerde bevoegdheid gebruik mag worden gemaakt, van de te regelen onderwerpen en van de doeleinden waartoe zij mag worden gebruikt.
Het bijzondere van het voorgestelde artikel X is dat daarin geen beperking van de te regelen onderwerpen is opgenomen, maar dit is naar onze mening een onvermijdelijke consequentie van de uitzonderlijke situatie die de Brexit nu eenmaal oplevert.
Zoals hiervoor onder vraag 2 aangegeven heeft ook het VK het wenselijk gevonden een soortgelijke voorziening te treffen.
Bent u bereid met een nota van wijziging te komen waarin u fatsoenlijke rechtsstatelijke aspecten in artikel X introduceert, waarbij alleen de afwijkingsbevoegdheid in een vooraf nauwkeurig omschreven noodsituatie kan worden gebruikt en er controle is door het gehele kabinet (dus geen ministeriële regeling), de Raad van State en het parlement?
In de voorgaande antwoorden hebben wij aangegeven waarom wij van mening zijn dat artikel X wel de toets der kritiek kan doorstaan.
Wij zullen op basis van de zienswijze van de Kamer en verdere reacties uit de samenleving welwillend bezien of een nota van wijziging aangewezen is.
Bent u bereid deze vragen binnen een week te beantwoorden?
De vragen zijn zo snel mogelijk beantwoord.
Het voornemen van de Staatssecretaris tot ondertekenen namens de Nederlandse regering van het Global Compact for Migration (“Marrakesh Immigratiepact”) |
|
Thierry Baudet (FVD) |
|
Mark Harbers (staatssecretaris justitie en veiligheid) (VVD) |
|
![]() |
Kunt u bevestigen dat deze link (https://www.un.org/pga/72/wp-content/uploads/sites/51/2018/07/migration.pdf) inderdaad de FINAL DRAFT en de meest recente concepttekst van de Global Compact for Migration (hierna: Marrakesh Immigratiepact) bevat waarvan ondertekening door Nederland voorzien is medio december 2018? Zijn er nog wijzigingen in de tekst aangebracht?
Ja, dit is inderdaad het uitonderhandelde resultaat voor het beoogde Globale Compact voor Veilige, Geordende, Reguliere Migratie (GCM). Dit resultaat is op meerdere plekken terug te vinden, waaronder ook op de webstek die specifiek voor deze onderhandelingen is opgezet. Hier kunt u ook oude versies terugvinden: https://refugeesmigrants.un.org/migration-compact.
Kunt u zo spoedig mogelijk de meest recente versie van het Marrakesh Immigratiepact (inclusief alle bijlagen) aan de Kamer verschaffen?
Zie hierboven. Naast de tekst waar u naar verwijst, bestaan er geen bijlagen bij het GCM.
Wat is de juridische status van het Marrakesh Immigratiepact? In welke mate is Nederland door het Marrakesh Immigratiepact gebonden?
Waarom wil de regering het Marrakesh immigratiepact zo graag tekenen? Zeker gezien het feit dat de Verenigde Staten en Hongarije zich al hebben teruggetrokken en dat ook Denemarken, Oostenrijk, Polen en Australië hebben aangegeven waarschijnlijk niet te gaan tekenen?
Kent u de redenen waarom de in vraag 4 genoemde landen hun bedenkingen hebben bij het Marrakesh Immigratiepact? Zo nee, kunt u dan contact zoeken met uw buitenlandse ambtsgenoten en hun motivatie terugkoppelen aan de Kamer?
Betekent uw voornemen om het Marrakesh Immigratiepact namens Nederland te ondertekenen dat u het met de gehele tekst van het pact eens bent? Zo nee, met welke delen niet en waarom bent u dan toch voornemens het pact te tekenen?
Wat is volgens u het voordeel voor Nederland om zich te committeren aan een internationaal immigratiepact en daardoor de eigen autonomie en vrijheid van handelen op het gebied van immigratie in te perken?
Is het Marrakesh Immigratiepact opzegbaar? Zo ja, hoe en met welke opzegtermijn?
Het GCM is geen juridisch bindend document. Het is ook geen verdrag en wordt daarom ook niet geratificeerd door lidstaten. Opzegbaarheid is daarmee evenmin aan de orde. Het GCM wordt naar verwachting aangenomen met een resolutie van de Algemene Vergadering van de VN.
Welke organisaties zijn namens Nederland betrokken of betrokken geweest bij het opstellen van de tekst van het Marrakesh Immigratiepact?
De tekst van het GCM is opgesteld door vertegenwoordigers van Mexico en Zwitserland, die tezamen dit proces hebben voorgezeten. Aan de hand van hun tekstvoorstellen hebben andere landen kunnen reageren. Nederland trok op met 26 andere EU-lidstaten. Ook vertegenwoordigers van internationale organisaties, maatschappelijk middenveld en het bedrijfsleven hebben inbreng kunnen leveren.
De Nederlandse inbreng is gecoördineerd door het Ministerie van Buitenlandse Zaken en het Ministerie van Justitie en Veiligheid in nauwe samenwerking met de meest betrokken ministeries. Daarnaast hebben verschillende Nederlandse maatschappelijke organisaties hun zienswijze kenbaar gemaakt.
Is het Marrakesh Immigratiepact onderwerp geweest tijdens de formatie van Kabinet Rutte-III? Zijn hier binnen de coalitie en het kabinet anderszins afspraken over gemaakt?
Het compact komt voort uit een VN-top die in september 2016 plaatsvond. Voor de onderhandelingsinzet waren de achtereenvolgende regeerakkoorden, de Kamerbrief over de Europese asielproblematiek van 8 september 2015 en de Integrale Migratieagenda van 29 maart 20181 leidend.
Bent u voorstander van doelstelling 33c om te bevorderen dat media, inclusief online media, een positiever beeld van immigratie dienen te scheppen? Zo ja, waarom?
Het gaat om vrijwillige beleidsopties die het GCM per doelstelling voorstelt. Zoals ook in de brief die separaat aan uw Kamer over het GCM is gestuurd, behoudt Nederland de eigen beleidsvrijheid. De facultatieve beleidsopties die het GCM per doelstelling voorstelt, passen grotendeels in het Nederlandse beleid. Waar dit niet het geval is, is het aan het kabinet om te besluiten om zich hier wel of niet door te laten inspireren bij de ontwikkeling van het eigen nationale beleid. In dit geval is het kabinet niet voornemens om deze beleidsopties door te voeren.
Overigens stelt genoemde beleidsoptie – in tegenstelling tot de indruk die wordt gewekt in de vraagstelling – niet voor om publieke omroepen die kanttekeningen plaatsen bij de gevolgen van de massale immigratie hun subsidie te ontnemen. De tekst spreekt slechts over het ontzeggen van publieke gelden in het geval van systematische verspreiding van intolerantie, xenofobie, racisme en andere vormen van discriminatie door media, waarbij het recht op de vrijheid van media dient te worden gerespecteerd.
Zoals u bekend, zijn de vrijheid van media en van meningsuiting in Nederland een groot goed, evenals dat geldt voor het gelijkheidsbeginsel, neergelegd in artikel 1 van de Grondwet, dat van cruciaal belang is in een democratische rechtsstaat. Iedereen mag in Nederland zijn mening geven en kritiek uiten. De grens is daar waar dit omslaat in strafbare uitingen zoals haat zaaien en aanzetten tot geweld. Ten aanzien van de aanpak van discriminatie verwijst het kabinet kortheidshalve naar het Nationale actieprogramma tegen discriminatie.
Bent u voorstander van het «gevoeliger maken» en «opleiden» van journalisten over immigratie-gerelateerde thema’s en terminologie (Marrakesh-33c)? Zo ja, waarom en hoe wilt u hier concreet invulling aan geven?
Zie antwoord vraag 11.
Welke immigratie-gerelateerde terminologie zou volgens u uit het Nederlands vocabulaire moeten verdwijnen? En welke terminologie zou u willen toevoegen?
Zie beantwoording vragen 11, 12, 14. Het gaat om een vrijwillige beleidsoptie die het GCM per doelstelling voorstelt. Welke immigratie-gerelateerde terminologie zou moeten worden verwijderd of moet worden toegevoegd, laat het kabinet graag aan eenieder om zelf te beoordelen, met in achtneming van het bepaalde in de wet.
Is het kabinet voornemens publieke omroepen die kanttekeningen plaatsen bij de gevolgen van de massale immigratie hun subsidie te ontnemen, in lijn met doelstelling 33c van het Marrakesh Immigratiepact?
Zie antwoord vraag 11.
Deelt u de zorg dat het verder uitbreiden van het gezinsherenigingsbeleid (Marrakesh-21i, Marrakesh-32c) tot nog meer ongecontroleerde migratie zal leiden? Zo nee, waarom niet?
Zie beantwoording vragen 11–14. Het gaat om een vrijwillige beleidsoptie die het GCM per doelstelling voorstelt. Regels voor gezinshereniging in het geval van reguliere migranten zijn gebaseerd op EU-regelgeving. Op dit gebied zijn geen voornemens tot beleidswijzigingen.
Hoe beziet u de centrale doelstelling om meer veilige, geordende, reguliere migratie te faciliteren (Marrakesh-161, doelstelling 5)? Hoe wil het kabinet hier invulling aan geven?
Het doel van het GCM is om ervoor te zorgen dat door betere internationale samenwerking irreguliere migratie wordt aangepakt. Naast het voorkomen van irreguliere migratie, kan dat onder andere door er voor te zorgen dat (potentiële) migranten gebruik maken van bestaande legale migratiekanalen in plaats van de diensten van smokkelaars. Zoals ook uit de Integrale Migratieagenda blijkt, zet Nederland zich in om de bestaande mogelijkheden voor gewenste arbeidsmigratie beter te benutten, onder meer door betere voorlichting. Het kabinet houdt hierbij rekening met het standpunt van uw Kamer op dit onderwerp.
Wat is volgens u de definitie van reguliere immigratie? En wat is volgens u de definitie van irreguliere immigratie?
Onder reguliere migratie worden alle vormen van migratie verstaan waarbij bestaande toelatings- en toegangsprocedures van een land worden gerespecteerd. In het geval van irreguliere migratie is daar geen sprake van. Asiel valt evenmin onder het begrip reguliere immigratie.
Zijn de gevolgen van reguliere immigratie anders dan de gevolgen van irreguliere immigratie voor Nederland? Zo ja, hoe is dit merkbaar? Zijn hier cijfers over? Zo ja, kunt u deze met de Kamer delen? Indien er geen verschil is tussen de effecten van irreguliere en reguliere migratie, wat is dan de reden irreguliere migratie tegen te gaan en reguliere migratie te bevorderen? Wat zijn de voordelen hiervan voor Nederland?
Onder andere het Centraal Bureau voor de Statistiek en het Sociaal Cultureel Planbureau rapporteren met enige regelmaat over migratie en de rol van migranten, én ook over asielzoekers, in onze samenleving. Het CBS rapporteert ook over de Nederlandse migratiebalans (inclusief de komst van asielzoekers). Gelet op de aard van irreguliere migratie is het lastiger vast te stellen hoeveel irreguliere migranten naar Nederland komen en hier verblijven.
Over het algemeen geldt dat reguliere migranten op verschillende wijzen bijdragen aan onze samenleving. Denk bijvoorbeeld aan buitenlandse studenten, hoogopgeleide werknemers, maar ook mensen die in het kader van gezinshereniging naar Nederland komen. In die context benoemt het compact ook het belang van integratiemaatregelen voor en na de immigratie. Irreguliere migratie vindt plaats in strijd met wet- en regelgeving. Kortheidshalve verwijst het kabinet u naar de brief die uw Kamer separaat is gestuurd waarin ook de negatieve aspecten van irreguliere migratie staan benoemd.
Deelt u de opvatting dat het belang van Nederland altijd boven de belangen van immigranten moet worden gesteld? Zo nee, waarom niet?
Deze vraagt wekt onterecht de indruk dat belangen van migranten niet of zelden parallel lopen aan het belang van Nederland. De praktijk laat zien dat die belangen ook goed samen kunnen gaan. Het spreekt voor zich dat het kabinet zich inzet voor het belang van Nederland en de ingezetenen van ons land. Het GCM erkent ook expliciet het soevereine recht om een eigen toelatingsbeleid te voeren (paragraaf3.
Bent u het eens met de constatering dat het Marrakesh Immigratiepact de rechten van migranten boven de belangen van de burgers van ontvangende landen stelt? Zo nee, waarom niet?
Het kabinet deelt deze mening niet. Het compact roept landen op fundamentele rechten van migranten te respecteren, ongeacht hun status. Voor het kabinet is dit niets anders dan een bevestiging van de Universele Verklaring voor de Rechten van de Mens. Dat geldt voor Nederlandse ingezetenen, maar ook voor migranten. Het compact stelt tegelijk vast dat migranten te allen tijde de regels, wetten en gebruiken van hun gastlanden dienen te respecteren, inclusief regels over rechtmatige toelating.
Hoe ziet u het niet-bindende karakter (Marrakesh-7) van het Marrakesh Immigratiepact mede in het licht van de Urgenda uitspraak van het Hof Den Haag op 9 oktober 2018?
Deelt u de opvatting dat activistische rechters niet-bindende verdragen tot bindend recht proberen te maken en kunnen maken? Zo nee, waarom niet? Zo ja, waarom bent u voornemens het Marrakesh Immigratiepact, een dergelijk niet-bindend pact, te tekenen?
Erkent u het gevaar van het ondertekenen van niet-bindende verdragen gelet op deze ontwikkeling, zoals bedoeld in vragen 21 en 22, in ons rechtssysteem? Zo nee, waarom niet?
Wat is volgens u het nut van het maken van niet-bindende of niet-afdwingbare afspraken in algemene zin?
Deelt u de opvatting dat migratie een integraal onderdeel is van de hele menselijke geschiedenis, zoals gesteld in punt 8 van het Marrakesh Immigratiepact?
Ja.
Bent u van mening dat de migratie uit Europese buurlanden van het pre-oorlogse verleden gelijk te stellen is aan de na-oorlogse migratie uit derde wereldlanden? Zo ja, waarom? Zo nee, is deelt u dan de opvatting dat de stelling in punt 8 van het Marrakesh Immigratiepact misleidend is?
Nee. Het GCM stelt migratie uit Europese buurlanden van het pre-oorlogse verleden ook niet gelijk aan de naoorlogse migratie uit derde wereldlanden. Migratie is diverser geworden. Het merendeel van migranten in EU lidstaten komt nog steeds uit andere EU-lidstaten, maar daarnaast ook uit landen als Oekraïne, Syrië, China, India, de VS, Marokko en/of Afghanistan.4 Een deel van de migratie uit laatstgenoemde groep landen is asiel-gerelateerd en valt niet onder het GCM. In 2017 zijn door de EU lidstaten in totaal 3.1 miljoen verblijfsvergunningen afgegeven aan niet EU-onderdanen, met name voor arbeidsmigranten, studenten en in het kader van gezinshereniging/-vorming. Overigens wijst het kabinet op het feit dat het merendeel van migratie plaatsvindt tussen landen in het Globale Zuiden en niet bijvoorbeeld naar Europa. Zoals paragraaf 8 van het GCM ook erkent, heeft migratie verschillende en soms onvoorspelbare effecten op landen, gemeenschappen en individuen. Het GCM biedt gedeelde uitgangspunten om hier beter mee om te gaan.
Deelt u de opvatting, zoals gesteld in punt 8 van het Marrakesh Immigratiepact, dat migratie een bron van voorspoed, innovatie en duurzame ontwikkeling is? Zo ja, op welke manier en kunt u hier concrete voorbeelden van geven? Geldt dit ook voor de effecten van migratie in Nederland? Zo ja, op welke manier?
Voor individuele personen, maar ook voor landen, kan migratie een bron van voorspoed, innovatie en duurzame ontwikkeling zijn. Geordende, veilige en reguliere migratie kan vele kansen bieden. In algemene zin kan worden gesteld dat migratie ook voordeel biedt voor de ontvangende staten, indien migranten in hun eigen levensonderhoud voorzien, deelnemen aan de arbeidsmarkt en geïntegreerd zijn. Het kabinet sluit echter niet de ogen voor de negatieve effecten van migratie, zowel regulier als irregulier. In het geval van reguliere migratie, waakt het kabinet voor het risico van verdringing op de arbeidsmarkt5 en bevordert het de integratie van migranten. Dat is waarom het kabinet inzet op een integrale aanpak van migratie waarbij het ook zaak is dat personen zonder rechtmatig verblijf Nederland verlaten en personen die hier mogen blijven actief meedoen aan de samenleving.
Deelt u de opvatting, zoals gesteld in punt 8 van het Marrakesh Immigratiepact, dat migratie een voornamelijk positieve invloed heeft op immigratielanden (netto ontvangende landen)? Zo ja, waarom en kunt u deze voordelen voor Nederland kwantificeren? Hoe beschouwt u alle negatieve effecten van de massale immigratie voor Nederland zoals – maar niet beperkt tot – de afgenomen sociale cohesie, criminaliteit, impact op de zorgkosten, onderwijs, de beschikbare woningvoorraad en de kosten van sociale zekerheid?
Zie antwoord vraag 27.
Deelt u de opvatting dat de negatieve effecten van migratie totaal onbelicht blijven in het Marrakesh Immigratiepact? Zo nee, in welk punt worden deze negatieve effecten volgens u accuraat benoemd?
Het hoofddoel van het GCM is om via intensievere internationale samenwerking irreguliere migratie aan te pakken aan de hand van 23 doelstellingen. Om zo ook meer grip te krijgen op (irreguliere) migratie en de negatieve consequenties daarvan. Zoals het GCM in paragraf 8 erkent, heeft migratie verschillende en soms onvoorspelbare effecten op landen, gemeenschappen en individuen. Daartoe worden ook negatieve consequenties gerekend. Het GCM benoemt bijvoorbeeld het negatieve effect van smokkel van en handel in migranten en de uitbuiting van arbeidsmigranten. Het noemt maatregelen om identiteitsfraude tegen te gaan, het wijst op de noodzaak voor meer samenwerking op terugkeer mede ter voorkoming van illegaal verblijf en spreekt migranten aan om zich aan de wetten en regels van hun gastlanden te houden.
Deelt u de opvatting, zoals gesteld in punt 12 van het Marrakesh Immigratiepact, dat immigratie een verrijking is voor onze maatschappij? Zo ja, waarom? Zo nee, waarom niet?
Kortheidshalve verwijst het kabinet naar de Integrale Migratieagenda.6 Migratie heeft een grote invloed op de Nederlandse maatschappij, nu en in de toekomst. Het kabinet erkent de complexiteit van dit vraagstuk dat meerdere thema’s raakt: opvang, huisvesting, onderwijs, gezondheidszorg, participatie, integratie, openbare orde en terugkeer.
Deelt u de opvatting, zoals gesteld in punt 10 van het Marrakesh Immigratiepact, dat alle landen in de wereld landen van herkomst, doorreizen en bestemming zijn?
Ja. Er zijn het kabinet geen landen bekend waar zich alleen maar mensen vestigen, waar niemand doorreist of waar iedereen vertrekt. De mate waarin dit gebeurt, kan verschillen.
Deelt u de opvatting dat Nederland – in de praktijk – toch voornamelijk een bestemmingsland is?
Het recent gepubliceerde migratiesaldo laat inderdaad zien dat Nederland op dit moment voornamelijk een bestemmingsland is.
Deelt u de opvatting dat het van groot belang is accurate, specifieke informatie te hebben over de achtergrond van immigranten en hun gedragingen in Nederland voor het maken van gepast beleid (zie punt 17 Marrakesh Immigratiepact)?
Ja, voor zover de betreffende informatieverzameling proportioneel is en plaatsvindt binnen wettelijke kaders.
Hoe beziet u het belang van accurate informatieverzameling waartoe opgeroepen wordt in het Marrakesh Immigratiepact in relatie tot de motie-Baudet over bijhouden wie er nu precies Nederland binnenkomen (Kamerstuk 34 775, nr. 51)?
Het kabinet erkent het belang van accurate informatieverzameling zoals benoemd in het GCM. Verschillende instanties in Nederland registreren hiervoor ook de benodigde informatie die het GCM onder andere noemt. Zoals tijdens het debat over de Regeringsverklaring van dit kabinet in reactie op de betreffende motie is aangegeven, wordt uw Kamer periodiek geïnformeerd over immigratiecijfers via de ketenrapportage van de Staatssecretaris van Justitie en Veiligheid. Ook publiceren het Ministerie van Justitie en Veiligheid en de IND diverse cijfers op hun websites. Ook zijn er de cijfers van het Centraal Bureau voor de Statistiek. Deze motie is tijdens het genoemde debat afgeraden omdat het vooral zou leiden tot meer bureaucratie en weinig zou toevoegen.7
Wat vindt u van het voorgenomen plan om onze nationale dataverzameling over de effecten van immigratie onder toeziend oog te plaatsen van de United Nations Statistical Commission (zie punt 17a Marrakesh Immigratiepact)? Waartoe dient dit?
Het gaat hier om een vrijwillige beleidsoptie die het GCM per doelstelling voorstelt. Het doel van het GCM is niet om nationale datacollectie onder controle te brengen van een VN-commissie. Doel is om betere gegevens te verzamelen en te delen waardoor beter inzicht kan komen in migratiebewegingen en landen beter in staat worden gesteld om effectief beleid te ontwikkelen. Nederland deelt deze gegevens nu al met de VN en daarnaast met andere internationale organisaties als de OESO en de EU.
Deelt u de opvatting dat Nederland prima zelf in staat is cijfers te verzamelen over immigranten die naar ons landen komen? Zo nee, waarom niet?
Ja, dat doet Nederland ook. Daarbij is Nederland ook gebaat bij de toegang tot kwalitatief goede internationale gegevens, bijvoorbeeld van de landen langs de migratieroute naar ons land.
Bent u van mening dat Nederland de plicht heeft de politieke-, economische-, sociale- en milieuomstandigheden te verbeteren in landen van herkomst, opdat mensen in hun eigen land blijven (zie punt 18 Marrakesh Immigratiepact)? Zo ja, waarom en hoe gaat het kabinet hier concreet invulling aan geven? Welke kosten zijn hiermee gemoeid?
Het gaat hier om een vrijwillige beleidsoptie die het GCM per doelstelling voorstelt. Zoals in het regeerakkoord, de Integrale Migratieagenda8 en de BHOS-nota Investeren in Perspectief9 is aangegeven, is het Nederlands buitenlands beleid o.a. gericht op het verminderen van armoede, het voorkomen van conflicten en het tegengaan van instabiliteit en onveiligheid. Armoede, conflict, terreur, klimaatverandering en grote demografische druk zijn met elkaar samenhangende problemen die, alleen of in samenhang, kunnen leiden tot irreguliere migratie. Het is in het Nederlands belang dat deze grondoorzaken van irreguliere migratie in herkomstlanden worden aangepakt. Het kabinet draagt daarom bij aan sociaaleconomische perspectieven voor vluchtelingen, migranten en gastgemeenschappen in de voor Nederland prioritaire landen en regio’s. Ten aanzien van de wijze waarop het kabinet hier invulling aan geeft en de kosten die daarmee zijn gemoeid, verwijst het kabinet naar de genoemde BHOS-nota en de debatten met uw Kamer die hierover hebben plaatsgevonden.
Hoe wil het kabinet op Nederlands niveau invulling geven aan het versterken van samenwerking tussen humanitaire en ontwikkelingsactoren, waaronder door het promoten van «joint analysis», multi-donor benaderingen en meerjarige financiële ondersteuning (zie punt 18f Marrakesh Immigratiepact)? Welke kosten zijn hiermee gemoeid?
Het gaat hier om een vrijwillige beleidsoptie die het GCM per doelstelling voorstelt. Het kabinet zet zich actief in voor versterkte samenwerking tussen humanitaire en ontwikkelingsactoren als onderdeel van de inzet voor versterkte opvang in de regio van vluchtelingen of binnenlands ontheemden. Deze inzet richt zich uitsluitend op deze twee groepen, dus niet op migranten in brede zin.
Deelt u de opvatting dat in punt 18 van het Marrakesh Immigratiepact geïmpliceerd wordt dat mensen hun land van herkomst verlaten wegens klimaatverandering?
Het kabinet onderkent de gevolgen van klimaatverandering. Nederland is partij bij het Klimaatakkoord van Parijs. Nederland is op veel terreinen actief om ontwikkelingslanden te steunen bij het realiseren van noodzakelijke aanpassingen aan klimaatveranderingen. Deze investeringen zijn cruciaal om de negatieve effecten van klimaatverandering te mitigeren. Voor mensen woonachtig in bijvoorbeeld kleine eilandstaten is dit een reëel gevaar; zij zien hun land letterlijk verdwijnen. Dat zij zich genoodzaakt voelen om hun land te verlaten is dan begrijpelijk. Dit vindt op dit moment echter op beperkte schaal plaats en vormt ook geen verplichting voor andere landen. Wel kunnen landen ervoor kiezen personen die in deze omstandigheden verkeren toe te laten op grond van eigen, nationale regelgeving.
Gelooft u daadwerkelijk dat mensen op massale schaal hun land van herkomst verlaten vanwege klimaatverandering? Zo ja, kunt u dit concretiseren en cijfers hieromtrent verschaffen aan de Kamer?
Zie antwoord vraag 39.
Deelt u de opvatting dat immigranten met name worden aangetrokken tot ons sociale zekerheid klimaat? Zo nee, waarom denkt u dan dat migranten uit Afrika te voet door minstens tientallen landen reizen en met gevaar voor eigen leven op gammele bootjes de Middellandse Zee oversteken, totdat zij aankomen in een land waar de sociale voorzieningen gunstig zijn voor immigranten?
Het gaat hier om een vrijwillige beleidsoptie die het GCM per doelstelling voorstelt. Deze optie spreekt niet over het verschaffen van informatie over het verkrijgen van uitkeringen. Er wordt hier onder andere gesproken over het informeren van migranten over hun plicht om de wetten en regels van bestemmingslanden te respecteren, de toegang tot rechtspraak, het verkrijgen van benodigde documenten, de noodzaak om zich te registreren bij de juiste autoriteiten en de toegang tot basisvoorzieningen. In Nederland wordt overigens al informatie verstrekt over beschikbare sociale zekerheid en de voorwaarden daarvoor. In het geval van Nederland is deze uitsluitend toegankelijk voor personen die rechtmatig in Nederland verblijven. Over de vraag of en in welke mate bekendheid over en de hoogte van mogelijke sociale uitkeringen aanzuigende werking heeft, vindt uitgebreid debat plaats. De VS is bijvoorbeeld een bestemmingsland waar een minder sterk sociaal zekerheidsstelsel aanwezig is dan bijvoorbeeld Nederland. Dit illustreert dat het sociale zekerheidsstelsel van een land slechts één van de vele factoren is die de migratiestromen bepalen naast bijvoorbeeld werkgelegenheid, stabiliteit, taal, familiebanden en geografie.
Deelt u de opvatting dat het verschaffen van informatie over het verkrijgen van uitkeringen aan net-gearriveerde migranten (zie punt 19d Marrakesh Immigratiepact) een aanzuigende werking heeft op de immigratiestromen naar Nederland? Zo ja, bent u van plan deze doelstelling dan toch te implementeren en waarom?
Zie antwoord vraag 41.
Wat is uw opvatting over het aanbieden van «non-discriminatie» cursussen aan overheidspersoneel (zie punt 29g Marrakesh Immigratiepact)? Is het kabinet van plan hier concrete invulling aan te geven? Zo ja, wat moeten we ons voorstellen bij dit soort cursussen? Wat gaat de inhoud zijn? Wat denkt u hiermee te bewerkstelligen? Welke overheidsfunctionarissen zullen deze cursussen allemaal moeten volgen? En wat zal dit per jaar gaan kosten?
Het gaat hier om een vrijwillige beleidsoptie die het GCM per doelstelling voorstelt. Volgens artikel 1 van de Grondwet, is discriminatie in Nederland verboden. Van ambtenaren wordt dan ook verwacht dat zij dit recht ten volle respecteren. Voorts wijst het kabinet op het Nationaal actieprogramma tegen discriminatie waar uw Kamer ook met enige regelmaat over wordt geïnformeerd.
Kunt u verklaren hoe het komt dat een land als Nederland, waar immigranten blijkbaar zodanig onderhevig zijn aan ernstige vormen van discriminatie dat er speciale «non-discriminatie» cursussen moeten worden gegeven aan overheidspersoneel, jaarlijks zoveel immigranten (netto 80.000 per jaar) een verblijfsvergunning aanvragen?
Zie antwoord vraag 43.
Bent u van plan «fast-track programmes» – waarmee aanvragen voor een verblijfsvergunning versneld afgehandeld worden – op te richten voor immigranten ter invulling van arbeidstekorten (punt 21d Marrakesh Immigratiepact)?
Het gaat hier om vrijwillige beleidsopties die het GCM per doelstelling voorstelt. Nederland kent overigens al versnelde verblijfsprocedures voor bepaalde verblijfsvergunningen bijvoorbeeld met het oog op het verrichten van arbeid. Daar maken ook kortere visumprocedures deel van uit. Zo geldt voor kennismigranten een versnelde procedure. Om van de kennismigrantenregeling gebruik te maken, moet de werkgever bij de IND erkend referent zijn. Ook voor andere verblijfsaanvragen in verband met het verrichten van arbeid verloopt de aanvraagprocedure sneller als de werkgever door de IND is erkend als referent.
Bent u voornemens doorlooptijden van visumaanvragen te verkorten ter bevordering van arbeidsmigratie (zie punt 21f Marrakesh Immigratiepact)?
Zie antwoord vraag 45.
Kent u de tactiek van immigranten om zich voor te doen als minderjarigen om meer kans te maken op een verblijfsvergunning?
Ja, dit komt voor en hier zijn de Nederlandse autoriteiten alert op.
Hoe beschouwt u in het licht van vraag 47 dat het Marrakesh Immigratiepact bepaalt dat iedere immigrant die zegt minderjarig te zijn zo behandeld moet worden, tenzij een multidisciplinaire, onafhankelijke, kindvriendelijke leeftijdsbepaling heeft plaatsgevonden (zie punt 28d Marrakesh Immigratiepact)? Deelt u de zorg dat de tactiek van immigranten zich als minderjarige voor te doen dan nog vaker gebruikt zal gaan worden? Zo nee, waarom niet?
Het gaat hier om een vrijwillige beleidsoptie die het GCM per doelstelling voorstelt. Deze beleidsoptie komt overigens al overeen met het Nederlandse beleid en de praktijk. Iedere gestelde alleenstaande minderjarige, die zijn gestelde minderjarigheid niet kan aantonen met bewijsmiddelen, wordt bij binnenkomst op een kindvriendelijke wijze onderzocht. Daarbij beoordelen hiervoor opgeleide medewerker(s) van de Nationale Politie (AVIM) en/of de Koninklijke Marechaussee, en medewerker(s) van de IND afzonderlijk van elkaar: of er sprake is van evidente meerderjarigheid; of er sprake is van evidente minderjarigheid; of er sprake is van twijfel over de opgegeven leeftijd. Naast een inschatting op basis van uiterlijke kenmerken, worden eventueel voorhanden zijnde documenten, verklaringen en het gedrag van de minderjarige betrokken. Als op basis van dit onderzoek, eventueel voorhanden zijnde documenten, verklaringen en het gedrag unaniem wordt geconcludeerd dat er twijfel bestaat over de opgegeven leeftijd, volgt een onafhankelijk medisch leeftijdsonderzoek.
Bent u het eens met de doelstelling in punt 37g van het Marrakesh Immigratiepact dat minderjarigen niet mogen worden uitgezet als is vastgesteld dat dit niet hun belang is?
Het gaat hier niet om een doelstelling maar een vrijwillige beleidsoptie die het GCM voorstelt. Deze komt overeen met het huidige beleid. De IND en DT&V houden rekening met de positie van minderjarigen door het belang van het kind een duidelijke plaats te geven in verschillende beleidskaders en in de wijze waarop vreemdelingenrechtelijke procedures zijn ingericht. Dit is ook het geval bij terugkeer van alleenstaande minderjarigen. Terugkeer is alleen aan de orde als er in het land van herkomst adequate opvang beschikbaar is. Dit is bij voorkeur bij ouders of familie, maar hierbij kan ook gebruik worden gemaakt van opvangvoorzieningen. Als geen adequate opvang beschikbaar is, vindt geen uitzetting plaats.
Deelt u dan ook de zorgen dat dergelijk beleid, zoals bedoeld in vraag 48, ertoe zal leiden dat er nog meer leeftijdsfraude zal plaatsvinden en dat het Nederlandse uitzettingsbeleid nog verder gefrustreerd zal raken?
Nee. Zie antwoorden op de vragen 48 en 49.
Kunt u uitleggen in welke gevallen uitzetting van immigranten arbitrair is (zie punt 23h Marrakesh Immigratiepact)?
Er kan sprake zijn van arbitraire uitzetting wanneer er geen individueel en duidelijk besluit over toelating aan ten grondslag ligt. In Nederland is dit uitgesloten. Terugkeer vindt plaats op basis van een gemotiveerd terugkeerbesluit, doorgaans genomen na een afwijzing op een verblijfsaanvraag. Dit volgt uit de Europese Terugkeerrichtlijn (EU 2008/115). Hoewel dit al volgt vanuit EU regelgeving, wijst het kabinet er volledigheidshalve op dat het hier in het GCM wederom gaat om een vrijwillige beleidsoptie die het document per doelstelling voorstelt.
Deelt u de opvatting dat de keuze tot uitzetting nooit geschied naar wens van de immigrant maar altijd naar wens van het ontvangende land?
In eerste instantie is vrijwillige terugkeer de preferente optie. Daarbij staat de wens van de vreemdeling voorop, mits het land waarnaar hij wil vertrekken ook toestemt in zijn komst. Indien de vreemdeling zelf zijn medewerking aan terugkeer niet verleent, kan gedwongen terugkeer plaatsvinden. De Nederlandse overheid hanteert daarbij een aantal randvoorwaarden. Terugkeer vindt altijd op legale wijze plaats, dat wil zeggen naar een land waar de toegang toe is gewaarborgd. Landen dienen hier inderdaad mee in te stemmen waarbij wordt gewezen op de internationale verplichting om eigen onderdanen terug te nemen. In het geval dat het om een migrant gaat die niet naar zijn thuisland wordt uitgezet, geldt dat het ontvangende land daar uiteraard mee moet instemmen. Dat is ook in Nederland het geval. Daarover worden afspraken gemaakt, bijvoorbeeld via terug- en overnameovereenkomst tussen de EU of de Benelux en anderen landen. Daarbij geldt dat voldoende is geborgd dat er aldaar geen reëel gevaar voor een mensonterende behandeling is. Bij gedwongen terugkeer speelt de voorkeur van de terugkeerder dus in de visie van de Nederlandse overheid geen rol. Het kabinet wijst er op dat in de EU Terugkeerrichtlijn (EU 2008/115) is vastgelegd dat gedwongen vertrek alleen plaats heeft naar landen van herkomst of landen van eerdere doorreis. Nederland zet zich ervoor in deze definitie te verruimen, met behoud van de hiervoor genoemde randvoorwaarden.
Deelt u dan ook de opvatting dat ontvangende landen altijd zelf moeten gaan over hun criteria op basis waarvan zij immigranten wel en niet toelaten?
Zie antwoord vraag 52.
Deelt u de opvatting dat de keuze tot toelating of uitzetting van immigranten altijd de belangen moet dienen van Nederland?
Zie het antwoord op vraag 19.
Deelt u de opvatting dat collectieve uitzetting van een bepaalde groep functioneel kan zijn? Zo nee, waarom niet? Hoe ziet u doelstelling 24a, waarin dit wordt verboden, in dat licht?
Collectieve uitzetting is in strijd met de Terugkeerrichtlijn en het EVRM. Een besluit tot uitzetting moet altijd op basis van een individuele belangenafweging plaatsvinden. Het is dus in Europa nu al niet toegestaan om bijvoorbeeld een bevolkingsgroep zonder onderscheid des persoons uit te zetten. Het verbod op collectieve uitzetting, waar in deze vrijwillige beleidsoptie naar wordt verwezen, houdt overigens niet in dat een uitzetting niet in een groep kan plaatsvinden. Het bundelen van uitzettingshandelingen wordt ook in EU-verband opgepakt, zodat ook internationaal meer kan worden samengewerkt om tot een efficiënt terugkeerproces te komen van personen van wie is vastgesteld dat zij dienen terug te keren. Volledigheidshalve wijst het kabinet er op dat het in het geval van het GCM hier wordt genoemd als een vrijwillige beleidsoptie die het GCM per doelstelling voorstelt.
Hoe ziet u de rol en verantwoordelijkheid van gesmokkelde immigranten in de keten van mensensmokkel? Betalen zij niet duizenden euro’s per persoon om gesmokkeld te worden en stemmen zij hier dus niet vrijwillig mee in?
Deelt u de opvatting dat daarom niet alleen smokkelaars, maar ook immigranten die gebruik hebben gemaakt van de diensten van een smokkelaar, verantwoordelijk moeten kunnen worden gehouden voor hun daden? Zo nee, waarom niet?
Deelt u de opvatting dat het straffen van vrijwillige deelname aan mensensmokkel een afschrikkende werking kan hebben op de deelname mensensmokkel en dus een verminderende werking kan hebben op de toestroom van immigranten uit de derde wereld? Zo nee, waarom niet?
Hoe ziet u, in het licht van de vragen 56, 57 en 58, de toezegging in punt 25 van het Marrakesh Immigratiepact om immigranten die gebruik hebben gemaakt van diensten van smokkelaars niet verantwoordelijk te houden of strafbaar te stellen?
Hoe kijkt u aan tegen het automatisch toelaten van slachtoffers van mensenhandel (zie punt 26h Marrakesh Immigratiepact)? Deelt u de zorg dat dit een veelgebruikt excuus gaat worden om permanente en onmiddellijke toelating te eisen? Zo nee, waarom niet?
Het gaat hier om een vrijwillige beleidsoptie die het GCM per doelstelling voorstelt. Slachtoffers van mensenhandel ontvangen ondersteuning en bescherming in Nederland. Bovendien dienen de daders te worden vervolgd. Wanneer iemand aangifte doet van mensenhandel wordt voor de duur van het strafrechtelijk onderzoek een tijdelijke verblijfsvergunning verstrekt. Na afloop van deze tijdelijke verblijfsvergunning kan iemand een aanvraag doen voor een niet-tijdelijke verblijfsvergunning, waarbij de IND onder andere kijkt naar het mensenhandel-relaas en bijzondere individuele omstandigheden die maken dat van de vreemdeling niet gevergd kan worden dat hij Nederland verlaat. Een slachtoffer kan dus niet «zomaar» permanente en onmiddellijke toelating eisen. Dit is nu geen «veelgebruikt excuus» noch ligt het in de rede dat het dit zal worden.
Kunt u uitleggen hoe het waarborgen van mensenrechten, zoals bedoeld in doelstelling 27 van het Marrakesh Immigratiepact, verband houdt met grensbewaking?
Bij de uitvoering van de grensbewaking dienen de grondrechten, zoals deze onder andere zijn erkend in onze Grondwet, het EVRM en het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie, te worden geëerbiedigd. De grenscontroles moeten worden uitgevoerd zonder discriminatie van personen op grond van hun geslacht, ras, etnische oorsprong, godsdienst, overtuiging, handicap, leeftijd of seksuele geaardheid. Dit uitgangspunt is ook een verplichting voor Nederland op grond van de Europese regelgeving en verdragen.
Deelt u de opvatting dat het voornaamste doel van grensbewaking de veiligheid en integriteit van de bevolking binnen een grens dient te zijn?
De uitvoering van de grensbewaking dient meerdere doelen. Een zeer belangrijk doel is dat de grensbewaking bijdraagt aan de bestrijding van illegale immigratie en (migratie)criminaliteit en landen helpt om bedreigingen van hun binnenlandse veiligheid en de openbare orde te voorkomen. Daarnaast moet de grensbewaking ook bijdragen aan de facilitatie van het grensproces van de reizigers.
Zou het volledig sluiten van onze grenzen in strijd zijn met mensenrechten van immigranten? Zo ja, waarom?
Vooropgesteld benadrukt het kabinet dat landen zelf over hun toelatingsbeleid gaan en het recht hebben hun grenzen te beheren, zoals ook door het GCM wordt gerespecteerd. In het geval van Nederland is dit als gevolg van het Verdrag van Schengen, deels in EU-verband.
Zoals het kabinet echter op vergelijkbare vragen van uw Kamer in het verleden heeft aangegeven, is het volledig sluiten van de Nederlandse grenzen voor migranten verre van een realistische, laat staan uitvoerbare optie. Bij de uitvoering van de grensbewaking dienen de grondrechten zoals deze onder andere zijn erkend in het EVRM en het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie te worden geëerbiedigd. Ook moeten de verplichtingen inzake internationale bescherming en non-refoulement in acht worden genomen. Daarnaast mogen de grenscontroles op basis van de Europese regelgeving geen grote belemmeringen vormen voor het economisch, sociaal en cultureel verkeer aan de buitengrenzen.
Zou het deels sluiten van onze grenzen – waarbij slechts een gefixeerd, beperkt aantal immigranten per jaar wordt toegelaten – in strijd zijn met mensenrechten van immigranten? Zo ja, waarom?
Zie de antwoorden op de vragen 61 en 63.
Zou het deels sluiten van onze grenzen – waarbij slechts door Nederland gewenste groepen worden toegelaten – in strijd zijn met mensenrechten van immigranten? Zo ja, waarom?
Nederland heeft eigen toelatingsbeleid, binnen de kaders van bestaande verplichtingen. Zie verder de antwoorden op de vragen 61 en 63.
Deelt u de opvatting dat arbitraire mensenrechten van immigranten niet zwaarder mogen wegen dan de belangen van de Nederlandse bevolking?
Zie het antwoord op vraag 20. Mensenrechten gelden voor zowel de Nederlandse bevolking als voor migranten.
Deelt u de zorg dat het Marrakesh Immigratiepact (zie punt 27b Marrakesh Immigratiepact) ertoe zal leiden dat iedere vorm van uitsluiting van immigranten opgevat zal kunnen worden als een vorm van discriminatie?
Het gaat hier een vrijwillige beleidskeuze die het GCM per doelstelling voorstelt. Het kabinet is tegen het uitsluiten van personen in de samenleving ongeacht hun achtergrond.
Deelt u de opvatting dat het belangrijk is om als Nederland zelf te bepalen wie we hier toelaten en wie niet? Deelt u de opvatting dat het vasthouden aan de doelstellingen van het Marrakesh Immigratiepact Nederland die mogelijkheid wellicht ontneemt? Zo nee, waarom niet?
Zie het antwoord op vraag 4, 5 en 6.
Hoe is uw lezing van doelstelling 27f van het Marrakesh Immigratiepact? Is het strafbaar stellen van illegaliteit in uw ogen een schending van internationaal recht?
Het gaat hier om een vrijwillige beleidskeuze die het GCM voorstelt. Het GCM roept op om de bestaande sanctiebepalingen die in een groot aantal landen van kracht zijn, te beoordelen in het licht van het vereiste van proportionaliteit, eventuele discriminatoire werking en rechtsstatelijkheid. Het strafbaar stellen van illegaal verblijf is niet in strijd met het internationaal recht. Ook binnen de EU is het strafbaar stellen van illegaal verblijf mogelijk wanneer de terugkeerprocedure geheel is doorlopen en het niet kunnen uitzetten aan de vreemdeling te wijten is.
Deelt u de opvatting dat het uitzettingsbeleid in Nederland op dit moment niet altijd goed functioneert? Zo nee, waarom niet?
Ja. Het terugkeerbeleid behoeft verbetering. Daarom heeft het kabinet aangedrongen op herziening van de Europese Terugkeerrichtlijn die het kader vormt waarbinnen Nederland zijn terugkeerbeleid moet vormgeven. De Europese Commissie heeft op 12 september jl., onder meer op Nederlands insisteren, een voorstel daartoe gepubliceerd. Voorts is ook verbetering van de terugkeersamenwerking met derde landen belangrijk. Het kabinet zet daarom zowel nationaal als Europees in op een strategische benadering van de herkomstlanden. Het GCM kan daarbij helpen. Het onderschrijft de verplichting van staten om hun eigen onderdanen terug te nemen en te zorgen dat onderdanen de juiste documenten hebben. Hoewel het GCM niet verbindend is, biedt dit een handvat om landen van herkomst aan te spreken op hun verantwoordelijkheid.
Wat zijn de meest recente schattingen waarover u beschikt ten aanzien van het aantal illegalen in Nederland?
Het WODC voert voor het Ministerie van Justitie en Veiligheid regelmatig schattingen uit van het aantal vreemdelingen zonder rechtmatig verblijf in Nederland. De meest recente schatting dateert van 2015 en besloeg de periode 1 juli 2012 tot en met 30 juni 2013. Dit onderzoek treft u aan op de website van het WODC. Om de betrouwbaarheid van de schatting van het aantal illegalen in Nederland verder te verhogen werd in 2015 een seminar georganiseerd, waarin alternatieve manieren en bronnen aan bod kwamen. Dit seminar gaf aanleiding tot een vervolgonderzoek dat u kunt raadplegen op de website van het WODC. Vervolgens zal het WODC een nieuw onderzoek starten naar het aantal vreemdelingen dat in Nederland verblijft zonder rechtmatig verblijf. Deze nieuwe schatting van het aantal illegalen zal nog in 2018 van start gaan.
Deelt u de mening dat het falende uitzettingsbeleid voor een groot deel te wijten is aan het feit dat afgewezen immigranten vaak niet vrijwillig vertrekken en in de illegaliteit verdwijnen? Zo nee, waarom niet?
Het terugkeerbeleid richt zich op zowel vrijwillige als gedwongen terugkeer. Vrijwillige terugkeer van alle illegaal verblijvende vreemdelingen heeft de voorkeur en wordt dan ook ondersteund. Daarnaast zal de optie van gedwongen terugkeer nodig blijven, ook omdat dit de keuze voor vrijwillige terugkeer bevordert. Zowel vrijwillige als gedwongen terugkeer vinden plaats, zij het nog niet voldoende. Het terugkeerbeleid behoeft dan ook verbetering, zoals ook is toegelicht in het antwoord op vraag 70.
Deelt u de opvatting dat het bestrijden van illegaliteit een legitiem doel is?
Ja. Het bestrijden van illegaliteit is ook onderdeel van de Integrale Migratieagenda van dit kabinet.
Deelt u de opvatting dat preventieve detentie bij uitzetting een oplossing kan bieden tegen het probleem van illegaliteit? Zo nee, waarom niet?
Vreemdelingenbewaring is toegestaan om illegale binnenkomst te beletten of met het oog op de uitzetting. Het uitgangspunt van Europese regelgeving is dat vreemdelingenbewaring mogelijk is als een risico bestaat dat de vreemdeling zich aan het toezicht zal onttrekken. Het is dus niet een noodzakelijke voorwaarde dat de vreemdeling zich al eerder aan het toezicht heeft onttrokken, al vormt dat uiteraard een sterke indicatie. Preventieve, in de zin van generieke detentie is ook niet nodig. In veel gevallen zijn andere maatregelen zoals een meldplicht, een gebiedsgebod of een borgsom voldoende om de vreemdeling te houden aan zijn rechtsplicht om Nederland te verlaten. Het preventief toepassen van vreemdelingenbewaring, zonder concrete aanleiding ten aanzien van de specifieke vreemdeling, is ook niet toegestaan in de verdragsrechtelijke bepalingen waar Nederland partij bij is en waaraan het kabinet zich te allen tijde zal houden.
Hoewel Nederland ten aanzien van vreemdelingenbewaring reeds is gehouden aan verdragsrechtelijke bepalingen, wijst het kabinet er volledigheidshalve op dat het hier in het GCM gaat om een vrijwillige beleidsoptie die het GCM per doelstelling voorstelt.
Deelt u de opvatting dat de dreiging van detentie een afschrikwekkend effect kan hebben op immigranten en de massale toestroom van immigranten naar Nederland zal verminderen? Zo nee, waarom niet?
Zie antwoord vraag 74.
Hoe wilt u invulling geven aan doelstelling 13d van het Marrakesh Immigratiepact waarin wordt gesteld dat detentie niet als afschrikmiddel mag worden ingezet en enkel een legitiem doel mag dienen?
Zie antwoord vraag 74.
Kunt u uitleggen waarom het in het belang van Nederland is om te faciliteren dat alle migranten gratis toegang hebben tot asieladvocaten (zie punt 29d Marrakesh Immigratiepact)?
Het gaat hier om een vrijwillige beleidskeuze die het GCM voorstelt. Het GCM spreekt hier overigens over «gratis of betaalbare» rechtsbijstand en informatie over mogelijke rechtsmiddelen in geval van uitzettingsdetentie – het gaat dus niet om «asieladvocaten». Op grond van Europeesrechtelijke verplichtingen biedt Nederland dit overigens al aan. Juist in die gevallen waarin ingezet wordt op handhaving, wordt het belangrijk om te waarborgen dat degenen die zelf geen aanspraak kunnen doen op bijstand een stem hebben. In rechte vormt een rechtshulpverlener die stem. Goede rechtsbijstand is een noodzaak in een systeem waarin wordt ingezet op strikte handhaving. Het GCM spreekt hier onder andere over de toegang tot rechtsmiddelen, inclusief het beschikbaar stellen van juridische bijstand, wanneer een migrant die onrechtmatig in een land verblijft in vreemdelingenbewaring wordt geplaatst.
Welke Nederlandse «basisdiensten» zijn volgens u beschermd door mensenrechten, zoals bedoeld in doelstelling 31 van het Marrakesh Immigratiepact?
Allereerst wordt het recht op onderwijs voor minderjarigen tot achttien jaar beschermd. Voor hen geldt volgens de Nederlandse wet een leerplicht. Daarnaast moeten migranten (en asielzoekers), ongeacht hun status, o.a. toegang hebben tot medisch noodzakelijke zorg, rechtsbescherming en rechtsbijstand, en – in het geval van asiel- en terugkeerprocedures – een deel van de basisvoorzieningen. Deze verplichtingen volgen uit onder andere de Europese Terugkeerrichtlijn (EU 2008/115), het EVRM, het Internationaal Verdrag inzake Burgerrechten en Politieke Rechten en het Europees Sociaal Handvest.
Deelt u de opvatting, zoals gesteld in punt 31b van het Marrakesh Immigratiepact, dat ook irreguliere immigranten toegang moeten hebben tot basisdiensten? Zo ja, waarom?
Het kabinet deelt deze opvatting, in zoverre dat het kabinet van mening is dat daar met het koppelingsbeginsel en het meewerkcriterium een specifieke invulling aan wordt geven die ervoor zorgt dat de geboden basisdiensten op zichzelf geen aanzuigende werking hebben voor irregulier verblijf in ons land. Het GCM erkent het recht van staten om hier ook voorwaarden aan te stellen en een onderscheid te maken tussen reguliere en irreguliere migranten (paragraaf10. Het gaat hier overigens om een vrijwillige beleidsoptie die het GCM per doelstelling voorstelt.
Wat gaat u doen aan gemeenten die het nationale uitzettingsbeleid frustreren met bed-bad-brood regelingen?
In het regeerakkoord is bepaald dat er in samenwerking met gemeenten Landelijke Vreemdelingenvoorzieningen komen. Het kabinet verwacht deze vanaf 2019 in samenwerking met gemeenten te ontwikkelen. Overigens is punt 31c van het compact een vrijwillige beleidskeuze die het GCM per doelstelling voorstelt. Ten aanzien van de genoemde «service points» is het kabinet niet voornemens deze in te richten.
Bent u voornemens op lokaal niveau «service points» op te richten om de toegankelijkheid tot basisdiensten voor immigranten te vereenvoudigen (zie punt 31c Marrakesh Immigratiepact)?
Zie antwoord vraag 80.
Bent u voornemens een Nationaal Mensenrechten Instituut op te richten om klachten van immigranten over toegang tot basisdiensten op te nemen (zie punt 31d Marrakesh Immigratiepact)?
Het gaat hier om een vrijwillige beleidskeuze die het GCM voorstelt. Het kabinet is niet voornemens om een nieuw instituut op te richten. Klachten over discriminatie kunnen worden gemeld bij het College voor de Rechten van de Mens.
Kent u het WRR rapport «De nieuwe verscheidenheid. Toenemende diversiteit naar herkomst in Nederland», waarvan de hoofdconclusie was: «hoe diverser een buurt wordt, hoe meer het samenleven onder druk komt te staan»?2
Ja, deze verkenning van de WRR is bekend. Het rapport van de WRR «De nieuwe verscheidenheid» is een verkenning, die onderdeel uitmaakt van een groot meerjarig WRR project getiteld «Migratiediversiteit». In dit project worden verschillende studies verricht, waar deze verkenning er één van is. De verkenning gaat over de toenemende diversiteit naar herkomst van de inwoners van Nederland. Er worden enkele richtingen voor beleid verkend, waarbij beleidsrichting vijf, «bevorderen van publieke familiariteit», raakvlakken heeft met genoemde aanbevelingen van het GCM. In 2019 komt de WRR met een beleidsrapport. De punten uit het GCM waar u naar verwijst, betreffen wederom vrijwillige beleidskeuzes.
Hoe ziet u in het licht van het WRR-rapport de doelstelling van punt 32a en 32i het Marrakesh Immigratiepact om de acceptatie van diversiteit te vergroten?
Zie antwoord vraag 83.
Bent u voorstander van het actief promoten door de overheid van een positieve maatschappelijke opvatting over diversiteit, waaronder het organiseren van integratie activiteiten voor kinderen ter promotie van diversiteit en inclusiviteit (zie punt 32i Marrakesh Immigratiepact)? Waarom wel of niet? Hoe gaat het kabinet invulling geven aan deze doelstelling van het Marrakesh Immigratiepact?
Het gaat hier om vrijwillige beleidskeuzes die het GCM voorstelt en waaruit kan worden geput. Er zijn in Nederland talrijke initiatieven, professioneel vanuit maatschappelijke organisaties of vrijwillig vanuit burgers, waarmee een bijdrage wordt geleverd aan het samenleven van mensen van diverse herkomst. Veel van deze activiteiten vinden eigenstandig en veelal op lokaal niveau plaats, al dan niet met ondersteuning vanuit de lokale overheid of rijksoverheid. Er zijn talrijke websites en organisaties die deze activiteiten actief promoten. Dit jaar is het digitale podium SamenNL gelanceerd dat initiatieven toont die tot doel hebben verbindingen te leggen tussen mensen met uiteenlopende culturele, religieuze of etnische achtergronden.
Bent u voorstander van het actief promoten van multiculturele activiteiten zoals sport, muziek, kunst, culinaire festivals, vrijwilligerswerk en andere sociale evenementen (zie punt 32h Marrakesh Immigratiepact)? Waarom wel of niet? Hoe gaat u invulling geven aan deze doelstelling van het Marrakesh Immigratiepact?
Zie antwoord vraag 85.
Bent u voorstander van het promoten van bewustzijnscampagnes om onder de Nederlandse bevolking een positief beeld van immigratie te scheppen (zie punt 33f Marrakesh Immigratiepact)?
Het gaat hier om een vrijwillige beleidskeuze die het GCM voorstelt. Het kabinet heeft geen plannen om hier een aparte bewustwordingscampagne voor te ontwikkelen.
Bent u voorstander van het betrekken van immigranten in het opsporen van intolerantie in de context van verkiezingscampagnes (zie punt 33g Marrakesh Immigratiepact)? Zo ja, waarom en hoe gaat u hier invulling aan geven?
Het gaat hier om een vrijwillige beleidskeuze die het GCM voorstelt. Het staat politieke partijen in Nederland vrij om hun verkiezingscampagnes vorm te geven, met inachtneming van het bepaalde in de wet. In het geval dat personen, ongeacht hun achtergrond, aanstoot nemen aan specifieke punten, staat het hen vrij om daar stappen tegen te zetten.
Bent u van mening dat een kritisch standpunt met betrekking tot immigratie een vorm van intolerantie is?
Nee.
Bent u voornemens speciaal ondersteuningsbeleid te maken voor immigranten in Nederland en ondernemerschap van immigranten te faciliteren en bevorderen, onder andere door het aanbieden van administratieve en juridische ondersteuning aan immigranten (zie punt 35e Marrakesh Immigratiepact)? Zo ja, waarom en wat wilt u concreet gaan doen?
Het Nederlandse beleid is hier al op gericht. Binnen het programma Verdere Integratie Arbeidsmarkt (VIA) worden interventies ontwikkeld die de positie op de arbeidsmarkt van Nederlanders met een migratieachtergrond verbeteren. Daarmee werkt het programma aan interventies waarin de positie van deze Nederlanders gelijkgetrokken wordt. Het programma richt zich op verschillende groepen, zoals statushouders en hun gezinsleden, jongeren met een migratieachtergrond en (langdurig) werkzoekenden met een migratieachtergrond. Voor jongeren gaat het om verbetering van de studiekeuze, combinaties van werken en leren en voorkomen van (stage)discriminatie. Verder wordt bij langdurig werkzoekenden ingezet op intensieve begeleiding, combinaties van werken en leren en het versterken van vakmanschap voor diversiteit. Een belangrijk deel van het programma richt zich daarnaast op werkgevers. Samen met werkgevers wordt onder andere gewerkt aan het versterken van de kennis over objectiever werven en selecteren en het behouden en laten doorstromen van medewerkers met een migratieachtergrond. Volledigheidshalve wijst het kabinet u er op dat punt 35e een vrijwillige beleidskeuze betreft die het GCM per doelstelling voorstelt.
Deelt u de mening dat fondsen voor dergelijk ondersteuningsbeleid beter besteed kunnen worden aan generieke belastingverlaging voor alle Nederlanders (inclusief immigranten) en ondernemers? Zo nee, waarom niet?
Zoals uit het voorgaande antwoord blijkt, kiest het kabinet ervoor om dergelijke activiteiten te ondersteunen. Daarnaast zet het kabinet zich in om de lasten van burgers en ondernemers zo laag mogelijk te houden.
Bent u voorstander van het – vanuit Nederland – faciliteren van politieke participatie van immigranten in de politiek van hun thuisland, bijvoorbeeld door het aanbieden van speciale stemlokalen voor immigranten (zie punt 35g Marrakesh Immigratiepact)? Zo ja, waarom? Hoe komt dit de Nederlandse maatschappij ten goede?
Het gaat hier om een vrijwillige beleidskeuze die het GCM voorstelt. Het kabinet vindt het belangrijk dat ook Nederlanders in het buitenland deel kunnen nemen aan het politieke proces in Nederland. Omgekeerd staat het vreemdelingen vrij deel te nemen aan het politieke proces in landen van herkomst, uiteraard met inachtneming van de Nederlandse wet en mits betrokken landen zich onthouden van ongewenste inmenging in ons land.
Kunt u een inschatting geven van de hoeveel geld in 2017 werd teruggezonden door immigranten in Nederland naar mensen in hun thuisland? Indien dit niet wordt bijgehouden, waarom niet?
Het kabinet beschikt niet over eigen informatie over de hoeveelheid geld en andere middelen die in Nederland verblijvende migranten jaarlijks naar mensen in hun herkomstland sturen, het gaat immers om privaat geld. Omdat er vele manieren van verzenden zijn, niet valt vast te stellen of het een reguliere betaling of een zogenoemde remittance betreft, en omdat er ook geld Nederland instroomt, is dit bedrag uiterst lastig vast te stellen. De Migration and Remittances Unit van de Wereldbank doet gestructureerd onderzoek naar remittances. Het laatste rapport hierover stamt uit april 2018 maar geeft geen landen-specifieke informatie.
Door de organisatie KNOMAD wordt deze informatie ook verzameld voor alle landen. Volgens de informatie van KNOMAD is er in 2016 vanuit Nederland bijna 7,6 miljard USD overgemaakt. Omgekeerd ontving Nederland in 2016 een bedrag van circa 1,4 miljard USD aan remittances. Voor 2017 zijn er nog geen cijfers. Voor meer informatie verwijs ik u naar de website van KNOMAD (https://www.knomad.org/data/remittances).
Worden deze geldverzendingen door immigranten op dit moment op enige wijze belast? Zo ja, op welke wijze?
In Nederland werkzame buitenlanders betalen in Nederland belasting en sociale premies. Het is aan de individuele werknemer om te bepalen hoe of waar hij of zij het vrij besteedbaar inkomen besteedt, zolang dit in overeenstemming met de geldende wetten en regels gebeurt.
Bent u van mening dat het verdwijnen van geld uit de Nederlandse economie door geldverzendingen van immigranten in het Nederlands belang is?
De kapitaalstromen van en naar Nederland zijn onderdeel van de groeiende, mondiale economie. Daarnaast zijn remittances, de geldstroom van migranten naar hun landen van herkomst, volgens verschillende onderzoeken groter in omvang dan de wereldwijde OS-uitgaven. Het is dan ook voor veel landen een belangrijke inkomstenbron. Deze instroom aan kapitaal verkleint daarmee de noodzaak voor aanvullende OS-bijdragen. Het kabinet ziet dit als een win-win situatie.
Vindt u dat immigranten die naar Nederland komen uitkeringen, die zij in hun thuisland hadden, standaard ook moeten krijgen in Nederland (zie punt 38 Marrakesh Immigratiepact)? Zo ja, waarom?
Doelstelling 38 van het GCM gaat vooral over de draagbaarheid van sociale zekerheidsuitkeringen vanuit landen van bestemming naar het land van herkomst. Er is ook geen sprake van een situatie waar Nederland uitkeringen zou moeten uitbetalen in Nederland namens andere landen. In Nederland mogen op grond van de Wet beperking export uitkeringen (BEU) uitkeringen slechts worden geëxporteerd naar landen binnen de EU en landen waarmee een handhavingsverdrag is gesloten. Handhavingsverdragen zijn verdragen die de export van uitkeringen toestaan op de voorwaarde dat de buitenlandse organen meehelpen met allerlei controle- en verificatie-inspanningen. De exportverdragen hebben niet voor alle landen betrekking op dezelfde sociale zekerheidsuitkeringen. Ook zijn er enkele uitzonderingen op dit exportregime. Zo kan het basisbedrag van de AOW in elk land worden ontvangen. Het GCM staat er niet aan in de weg dit beleid uit te voeren.
Ziet u de implementatie van het Marrakesh Immigratiepact als een internationale, collectieve plicht, die eventueel met extra financiële en technische ondersteuning aan andere landen gewaarborgd moet worden (zie punt 39a Marrakesh Immigratiepact)?
Nee, er is geen sprake van een plicht. Het GCM is immers niet bindend. Wel vergt versterkte samenwerking op het gebied van beter migratie-management tenminste bereidheid van landen om elkaar te helpen, bijvoorbeeld via de uitwisselingen van expertise en best-practices. Nederland heeft ten slotte ook baat bij bijvoorbeeld beter grensbeheer en betere bevolkingsregistratie door andere landen.
Is het kabinet bereid extra ontwikkelingsgelden te besteden ter bestendiging van het halen van de doelstellingen in het Marrakesh Immigratiepact?
Zoals gemeld in de nota Investeren in Perspectief12 zal het kabinet een deel van de begroting voor ontwikkelingssamenwerking inzetten ten behoeve van internationale migratiesamenwerking en het verminderen van armoede, het voorkomen van conflicten en het tegengaan van instabiliteit en onveiligheid. Deze inzet komt overeen met de doelstellingen van het GCM. Het gaat hier niet om aanvullende gelden.
Indien u het met één van de stellingen of plannen van het Marrakesh Immigratiepact oneens bent, waarom bent u dan voornemens het pact wel te tekenen?
Kortheidshalve verwijst het kabinet u naar de brief die u Kamer hierover separaat is gestuurd.
Kunt u deze vragen binnen twee weken beantwoorden gelet op het voornemen van het kabinet dit Marrakesh Immigratiepact medio december te ondertekenen? Zo nee, waarom niet?
Dit is niet gelukt. Zoals bericht aan uw Kamer, was hier meer tijd voor nodig omdat deze vragen, die het werkterrein van meerdere bewindspersonen raken, een zorgvuldige analyse en beantwoording verdienen.
De Nederlandse instemming met een Palestijns voorzitterschap van de G77 |
|
Joël Voordewind (CU), Kees van der Staaij (SGP), Raymond de Roon (PVV), Thierry Baudet (FVD) |
|
Stef Blok (minister buitenlandse zaken) (VVD) |
|
![]() ![]() ![]() ![]() |
Kent u het bericht «Nederland stemt voor Palestijns voorzitterschap G77»1
Ja.
Klopt het dat Nederland in VN-verband heeft ingestemd met een Palestijns voorzitterschap van de G77?
De leden van de groepering landen genaamd G-77 (waar thans 134 landen lid van zijn) hebben bepaald dat de Palestijnse delegatie in 2019 in de VN het voorzitterschap van hun groepering zal vervullen. Voor het uitvoeren van de taken die behoren bij deze functie, was een technische resolutie nodig om de Palestijnse delegatie bij de Verenigde Naties in New York een aantal rechten toe te kennen. Deze rechten zijn in tijd en aard beperkt tot wat nodig is voor het uitoefenen van het voorzitterschap van de G77 in 2019. Nederland heeft, in gezelschap van de meerderheid van EU-leden, ingestemd met toekenning van deze specifieke rechten. Tegelijkertijd heeft het Koninkrijk zijn jarenlange consistente positie ten aanzien van de niet-erkenning van de «Staat Palestina» in een stemverklaring herbevestigd onder verwijzing naar de stemverklaring van 29 november 2012 inzake de toetreding van de «Staat Palestina» als een als «Non-Member Observer State» tot de VN. Deze stemverklaring stuur ik hierbij mee.3
Bent u ervan op de hoogte dat deze resolutie spreekt van een «Palestijnse Staat»?
Zie antwoord vraag 2.
Hoe verhoudt deze tekst zich tot het feit dat Nederland de Palestijnse Staat niet formeel erkend heeft? Hoe is het mogelijk dat Nederland desalniettemin in heeft gestemd met deze resolutie?
Zie antwoord vraag 2.
Hoe kan een niet-lidstaat voorzitter worden van een dergelijk VN-orgaan? Bestaan hier precedenten van?
De G-77 vormen geen VN-orgaan, maar een coalitie en overlegkader van een aantal landen. Het is niet eerder voorgekomen dat een delegatie die door de Algemene Vergadering de status is verleend van «Non-Member Observer State» voorzitter werd van een samenwerkingsverband van leden van de Verenigde Naties. Wel zijn er andere voorbeelden van niet-leden die een voorzitterschapsrol vervullen, zoals de EU-delegatie dat doet voor de EU.
Bent u bereid voortaan tegen VN-resoluties te stemmen waarmee de suggestie gewekt wordt dat een Palestijnse staat erkend wordt?
De positie van het Koninkrijk ten aanzien van de niet-erkenning van de «Staat Palestina» is wereldwijd bekend. Het Koninkrijk zal dit, waar nodig, blijven duidelijk maken.
Voedingskosten van militairen |
|
Thierry Baudet (FVD) |
|
Barbara Visser (staatssecretaris defensie) (VVD) |
|
![]() |
Bent u bekend met de berichten vanuit alle hoeken van de landmacht dat militairen nu ook hun eigen voedingskosten moeten registreren?
Militairen hebben onder bepaalde voorwaarden aanspraak op gratis huisvesting en een tegemoetkoming in de voedingskosten. De voorwaarden staan beschreven in de nieuwe Regeling Huisvesting en Voeding Militairen 2018 (RHVM2018). De noodzaak tot aanpassing zat in een aantal redenen.
In de vorige Regeling Huisvesting en Voeding Militairen kwam een militair die geen eigen huishouding voerde niet in aanmerking voor de regeling. Deze regeling was door een uitspraak van de Centrale Raad van Beroep onrechtmatig geworden. In overleg met de sociale partners is, in het Arbeidsvoor-waardenakkoord 2017 – 2018, de regeling aangepast. In de RHVM2018 komt de voorwaarde van het voeren van een eigen huishouding niet meer voor. Daarnaast willen we met de RHVM2018 misbruik of onrechtmatig gebruik van de regeling voorkomen.
Daarom is in het Arbeidsvoorwaardenakkoord 2017 – 2018 onder meer opgenomen dat de RHVM2018 wordt gekenmerkt door het criterium van «daadwerkelijk gebruik» en een declaratieregeling. Tevens is er met de sociale partners afgesproken om, met een overgangsregeling, het onrechtmatig gebruik van de regeling aan te pakken.
Klopt het dat militairen de eigen voedingskosten niet langer gestort krijgen op hun persoonlijke rekening courant? Zo ja, waarom?
Nee. De militairen krijgen de voedingskosten gestort op dezelfde rekening waarop zij ook het salaris gestort krijgen.
Klopt het dat militairen elke dag moeten inklokken op vaak trage en schaars voorhanden computers die op de kazerne aanwezig zijn om die voedingskosten vergoed te krijgen?
Militairen hoeven niet dagelijks in te klokken. Een militair die aanspraak maakt op de RHVM2018 heeft in sommige omstandigheden geen recht op een tegemoetkoming in de voedingskosten. Zo krijgt een militair bijvoorbeeld tijdens oefeningen gratis voeding van Defensie. De militair kan deze maaltijden dan niet declareren. De militair kan één keer per maand, op een zelfgekozen tijdstip, de reeds voor hem ingevulde declaratie op juistheid controleren. Deze controle kan de militair binnen tien minuten uitvoeren.
Het invullen van de declaraties is daarbij niet meer gebonden aan de computers op de werkplekken maar kan ook via de telestick op een eigen computer of met gebruik van de DIDO-app die op iedere smartdevice kan worden gedownload.
Klopt het dat ze elke dag zelf moeten bijhouden of ze aanwezig zijn bij oefeningen of niet?
Zie antwoord vraag 3.
Kunt u zich voorstellen dat onze militairen moe worden van de opstapeling van onzinnige regels en dat de arbeidsvreugde bij Defensie inmiddels tot een dieptepunt is gedaald?
Defensie wil dat haar militairen zich kunnen richten op hun primaire taak en streeft daarom naar het verminderen van de regeldruk. We zoeken daarbij naar een juiste balans. In deze balans worden nu de bestaande interne regels opgeschoond en eenvoudiger opgeschreven. Daarnaast worden, daar waar dit kan, bevoegdheden die eerder centraal waren belegd gemandateerd aan ondercommandanten waardoor er sneller kan worden ingespeeld op zaken die spelen op de werkvloer. Denk hierbij aan de vereenvoudigde bestelprocedure voor producten en diensten tot 15.000 Euro (excl. BTW).
Bent u bekend met de berichten dat sommige militairen zo moe zeggen te zijn van alle bureaucratie en stompzinnige regeldruk dat ze zeggen te willen stoppen bij Defensie na het afmaken van hun nog lopende contract?
Zie antwoord vraag 5.
Deelt u de opvatting dat militairen – die letterlijk hun leven op het spel zetten voor ons land – het werk niet onnodig moeilijk moet worden gemaakt? Zo ja, welke maatregelen gaat u treffen om de situatie van onze militairen te verbeteren?
Zie antwoord vraag 5.
Kosten van de klimaatmaatregelen en de energietransitie |
|
Thierry Baudet (FVD) |
|
Eric Wiebes (minister economische zaken) (VVD) |
|
![]() |
Wat zijn de totale kosten van alle klimaat- en energie-gerelateerde maatregelen – inclusief maar niet beperkt tot subsidies, belastingkortingen, overheidsprojecten, onderzoek en ontwikkelingssubsidies, staatsgaranties voor financieringen, kosten voor de belastingbetaler verbandhoudende met staatsdeelnemingen (zoals in TenneT) en personele kosten voor overheden – die het kabinet dit jaar heeft genomen? Hoeveel is er nog begroot voor de rest van 2018? Kunt u dit in een overzicht aan de Kamer doen toekomen?
Een totaalbedrag voor alle kosten van klimaat- en energiegerelateerde maatregelen is niet zomaar te geven. Dit komt mede doordat klimaat- en energiegerelateerde maatregelen niet zonder meer te scheiden zijn van andere maatregelen, zoals maatregelen gericht op innovatie of duurzaamheid.
Wel treft u hieronder een indicatie van het kasbudget voor een aantal clusters van maatregelen, die een substantieel deel uitmaken van deze kosten voor 2018:
De bedragen in de jaren 2019–2021 zullen hiermee vergelijkbaar zijn met uitzondering van de kapitaalinjectie voor Tennet. Deze bedraagt in 2019 nog € 280 miljoen, in 2020 en 2021 € 0.
Hoeveel heeft het kabinet begroot voor alle maatregelen zoals bedoeld in vraag 1 voor de rest van de kabinetsperiode? Kunt u dit uitsplitsen per jaar (2019, 2020 en 2021)?
Zie antwoord vraag 1.
Hoeveel mensen en hoeveel fulltime-equivalent (fte) zijn binnen uw ministerie en binnen andere delen van de overheid – zowel op rijksniveau als op overige niveaus – werkzaam aan projecten verbandhoudende met de energietransitie? Hoeveel externen en hoeveel consultants worden hiervoor ingehuurd? En wat zijn de kosten hiervan per jaar?
Er wordt geen centrale registratie bijgehouden van medewerkers die zijn betrokken bij de energietransitie.
Hoeveel betaalt een gemiddeld Nederlands huishouden extra als gevolg van deze maatregelen, uitgesplitst in kosten per jaar, voor de jaren 2019 tot en met 2030?
De precieze kosten liggen nog niet vast. Deze zijn afhankelijk van de keuzes die kabinet en alle betrokken partijen maken bij de uitwerking van het voorstel voor hoofdlijnen van het Klimaatakkoord. Uw Kamer is hier nauw bij betrokken.
Uit de voorlopige analyse van PBL en CPB van dit voorstel blijkt dat de meerkosten ten opzichte van het huidige beleid in 2030 circa € 3 tot 4 miljard per jaar zullen bedragen. Dit betreft de nationale kosten voor de Nederlandse samenleving als geheel, ongeacht wie deze draagt. De kosten zijn niet constant in de tijd maar hangen af van de toekomstige kosten van technologieën en toekomstige brandstofprijzen, die veelal weer afhangen van internationale ontwikkelingen.
De kosten voor de overheid en de kosten voor eindgebruikers zoals huishoudens of bedrijven verschillen van de nationale kosten, onder andere vanwege heffingen, subsidies en verschillen in rentevoeten en afschrijvingstermijnen die door eindverbruikers worden gehanteerd.
Na de doorrekening van het concept-Klimaatakkoord kan er meer gezegd worden over de kosten voor een gemiddeld Nederlands huishouden.
Hoeveel graden minder globale opwarming denkt u te kunnen bewerkstelligen aan het eind van uw regeerperiode door middel van deze maatregelen?
Nederland levert een kleine maar zeker niet te verwaarlozen bijdrage aan het tegengaan van klimaatverandering. Het klimaatprobleem is bij uitstek een probleem waarvan de oplossing alleen dichterbij komt wanneer alle landen, inclusief Nederland, hieraan bijdragen. Internationale samenwerking en het nakomen van de internationale afspraken zoals afgesproken in het Parijs-akkoord zijn daarom van groot belang. Nederland zet om die reden nadrukkelijk in om gezamenlijk met andere landen dit probleem aan te pakken.
Hoeveel denkt u het globale CO2 gehalte (in ppm) te hebben beïnvloed aan het eind van uw regeerperiode als gevolg van deze maatregelen?
Zie antwoord vraag 5.
Hoeveel denkt u vanuit Nederland aan globale temperatuurdaling te gaan bijdragen als landen als China, India, de Verenigde Staten, Rusland, Iran en Turkije daar niet aan mee doen, aangezien het Nederlandse landoppervlakte slechts 0,008% van het wereldoppervlakte bedraagt en de Nederlandse bevolking niet meer dan 0,22% van de wereldbevolking uitmaakt?
Zie antwoord vraag 5.
Hoeveel honderden miljarden euro’s is het u waard om deze doelstellingen te bereiken?
Zoals al vermeld in het antwoord op vraag 4 liggen de keuzes voor de komende periode, en dus ook de kosten, nog niet vast. Uit de eerste analyse van PBL en SCP blijkt dat de nationale kosten in 2030 op circa € 3 à 4 miljard per jaar worden ingeschat.
In de komende periode zal met alle partijen, en ook met de Tweede Kamer, het gesprek worden gevoerd over de verdere invulling van de maatregelen. Daarbij spelen de kostenefficiëntie van de voorgestelde maatregelen en de verdeling van de lasten uiteraard een belangrijke rol.
Hoeveel kosten vindt u dat er maximaal per huishouden (cumulatief over de periode 2019–2030) gevergd kan worden om uw doelstellingen te realiseren?
Zie antwoord vraag 8.
In AZC’s gescheiden Christenen en Moslims |
|
Thierry Baudet (FVD) |
|
Mark Harbers (staatssecretaris justitie en veiligheid) (VVD) |
|
![]() |
Kent u het nieuwsbericht «Binnenkijken bij het azc in Budel: «Dit is geen charmeoffensief»»?1
Ja.
Hoe beoordeelt u de verklaring van de in het bericht genoemde medewerker van het asielzoekerscentrum (AZC) in Budel dat moslims en Christenen niet bij elkaar op de kamer worden geplaatst, gewoon om problemen te voorkomen?
Welke problemen worden daarmee bedoeld? Komen deze problemen vooral van de moslims of van de Christenen?
Gebeurt dit gescheiden plaatsen ook in andere AZC’s? Zo ja, in hoeveel procent van de gevallen?
Worden ook andere minderheidsgroepen, zoals bijvoorbeeld homoseksuelen, in aparte ruimtes geplaatst? Zo ja, is dit ook om problemen te voorkomen? Zo ja, wat voor problemen zijn dat? Welke groepen zijn voor die problemen verantwoordelijk?
Hoe beoordeelt u de verklaring van de eerdergenoemde medewerker dat een groep AZC-bewoners geregeld voor overlast zorgt? Om wat voor overlast gaat dit? Wat betekent «geregeld» in dit geval?
Zoals eerder gedeeld met uw Kamer komt het voor dat bewoners van COA-locaties betrokken zijn bij overlast of incidenten.2 De mate waarin dit speelt fluctueert en de aard en achtergrond van de overlast is divers.
Ik wil benadrukken dat overlastgevend gedrag ontoelaatbaar is en aangepakt dient te worden met het palet aan maatregelen dat daarvoor beschikbaar is en waarover ik uw Kamer meermaals heb geïnformeerd. Daarbij is het belangrijk dat wanneer overlastgevend gedrag overgaat in crimineel gedrag de aanpak primair via het strafrecht verloopt.
Hoe beoordeelt u de verklaring van een medewerker dat het om een klein percentage gaat? Hoe groot is dat percentage? Hoe groot is dat percentage in andere AZC’s?
Zie antwoord vraag 6.
Hoeveel mensen zitten op dit moment in AZC’s in Nederland?
Momenteel verblijven ruim 22.000 mensen in de opvang; circa 6.500 hiervan beschikken over een verblijfsvergunning en wachten op huisvesting in een gemeente.
Kunt u een overzicht geven van de herkomst van deze mensen, hun religie, de status van hun aanvraag en de verwachte gezinsmigratie die zij met zich mee zullen brengen indien zij een permanente verblijfsvergunning zouden krijgen?
Gegevens over onder meer etniciteit en religie worden niet structureel geregistreerd in de geautomatiseerde systemen van het COA. Het door u gevraagde overzicht kan dus niet in samenhang worden gegeven.
De inkoop van materieel |
|
Thierry Baudet (FVD) |
|
Barbara Visser (staatssecretaris defensie) (VVD) |
|
![]() |
Heeft u kennisgenomen van het bericht «Militair moet zelf jas kopen» in de Telegraaf van 25 september 2018?1
Ja.
Hoe is het mogelijk dat het onderdeel KPU (Kleding en Persoonsgebonden Uitrustingsbedrijf) van het Ministerie van Defensie in een jaar tijd niet eens in staat is voldoende winterjassen aan te schaffen?
De onderjassen uit het koudweer pakket, die een aanvulling vormen bij de standaard militaire buitenjassen, zijn inmiddels geleverd en worden verstrekt aan de eenheden die deelnemen aan Trident Juncture. Ik verwijs verder naar mijn brief van 8 oktober jl., Kamerstuk 27 830, nr. 268.
Hoe houdt u toezicht op de materieelinkopen bij Defensie?
Defensie houdt intern toezicht op de verwerving door de voortgang van de projecten bij te houden, hierover intern te rapporteren en regelmatig projectbesprekingen te houden. Daarnaast houdt de afdeling Toezicht Defensie Leveranciers (TDL) toezicht bij leveranciers om kwaliteit te kunnen garanderen. De Defensie Materieel Organisatie is hiervoor verantwoordelijk.
Wie is de hoofdverantwoordelijke functionaris binnen Defensie voor de inkoop van materieel? Wordt hij of zij verantwoordelijk gehouden voor het niet halen van targets, deadlines of het falen in het naleven van zijn of haar verplichtingen?
De verwerving van het grootste deel van het materieel voor Defensie wordt uitgevoerd door de Defensie Materieel Organisatie (DMO). De directeur van de DMO rapporteert aan de Secretaris-Generaal van Defensie. Daarnaast zijn de krijgsmachtdelen en de Defensiestaf verantwoordelijk voor het tijdig stellen van de juiste behoefte. De krijgsmachtdelen rapporteren aan de Commandant der Strijdkrachten.
Hoe vaak komt het voor dat het KPU van Defensie de inkoop van materieel niet op tijd rond krijgt voorafgaande aan een missie of oefening? Kunt u een overzicht geven van de geleverde materialen bij alle missies van de afgelopen vijf jaar?
In het algemeen voorziet het KPU-bedrijf de militairen tijdig van hun kleding en uitrusting. In die gevallen dat niet tijdig een nieuw contract kan worden afgesloten terwijl het oude contract is verlopen, of een leverancier bij levering niet aan de kwaliteitseisen voldoet kan vertraging optreden. In die gevallen wordt eerst bekeken of een alternatief artikel met equivalente functie kan worden verstrekt. In die gevallen waar dat niet kan wordt een maatwerkoplossing op basis van zelfstandige aanschaf toegepast. Het is niet bekend hoe vaak dit precies gebeurt omdat dit niet wordt geregistreerd.
Hoe vaak komt het voor dat militairen zelf materieel moeten kopen?
Het assortiment van het Defensie Kleding en Persoonsgebonden Uitrusting bedrijf voorziet, om de functionaliteit en de veiligheid van de militair te waarborgen, in eerste instantie in alle kleding en uitrusting van de militair.
Er zijn uitzonderlijke situaties waarin de militair zelf persoonsgebonden uitrusting aanschaft. Dit kan zijn in het geval van maatwerk, waarbij het gaat om specifieke maatvoering en het efficiënter is om deze op individuele basis aan te schaffen, of voor specifieke oefeningen waarbij de standaard uitrusting ontoereikend is, en in het geval dat artikelen niet in voldoende mate op voorraad zijn.
In deze gevallen wordt aan de militair een Zelfstandige Aanschaf brief (ZA-brief) verstrekt met toestemming om het artikel zelf aan te kopen. In deze brief wordt de militair geadviseerd welke producten voldoen aan de veiligheidseisen. De militair kan ervoor kiezen om het benodigde geld zelf voor te schieten en achteraf te declareren, of ervoor kiezen om een voorschot aan te vragen. In het geval van Trident Juncture was het niet de bedoeling en niet nodig dat militairen het bedrag moesten voorschieten.
Kunt u een overzicht geven van alle materieel dat militairen in eerste instantie zelf moeten voorschieten?
Zie antwoord vraag 6.
Komt het voor dat militairen zelf materieel moeten aanschaffen zonder dat zij dit kunnen declareren? Zo ja, kunt u hier een overzicht van sturen?
Nee, voor persoonsgebonden uitrusting die zelfstandig moet worden aangeschaft wordt toestemming verleend. De militair kan ervoor kiezen om het benodigde geld zelf voor te schieten en achteraf te declareren, of ervoor kiezen om een voorschot aan te vragen. In het geval van Trident Juncture was het niet de bedoeling en niet nodig dat militairen het bedrag moesten voorschieten. Het kan overigens altijd voorkomen dat een militair er voor kiest om zelf aanvullende uitrusting aan te schaffen hoewel Defensie hem of haar van uitrusting heeft voorzien. In dat geval zijn er geen voorschot- of declaratiemogelijkheden.
Wat is het huidige jaarbudget van het Kleding en Persoonsgebonden Uitrustingsbedrijf (KPU)?
Voor de instandhouding van de meer dan 3.000 verschillende artikelen bij het KPU-bedrijf is dit jaar een budget beschikbaar van 43 miljoen euro.
Hoeveel geld heeft het KPU nodig om militairen van fatsoenlijk materieel te voorzien?
De hoogte van voorraden kleding en uitrusting is vastgelegd in normen. De normen voor inzet (BKI) zijn vastgesteld, voor gereedstelling (verbruiksnormen) moet een deel van de normen nog worden ontwikkeld. Daarnaast is recent gemeld (Kamerstuk 27 830, nr. 268) dat Defensie de normen opnieuw gaat bezien in het licht van het toenemend belang van de eerste hoofdtaak (bondgenootschappelijke verdediging).
De voorraden worden op niveau gehouden via de exploitatiebegroting. Daarnaast wordt nieuwe kleding en uitrusting door DMO verworven om het assortiment aan te passen aan de behoefte. De krijgsmachtdelen of de Defensiestaf stellen hiervoor de behoefte. Hierover wordt de Kamer geïnformeerd via de brieven conform het Defensie Materieelproces, de begroting, het jaarverslag en het materieelprojectenoverzicht.
Kunt u een overzicht geven van de tekorten bij Defensie met betrekking tot materieel over de afgelopen 30 jaar?
In de afgelopen 30 jaar is bezuinigd op de Defensie uitgaven. Dit heeft in het materieel domein geleid tot een verminderde inzetbaarheid van systemen. U bent hierover geïnformeerd via de begroting en het jaarverslag. Daarnaast heeft u in de inzetbaarheidsrapportages kunnen vernemen welke problemen van materiele aard er de afgelopen jaren hebben gespeeld.
In de Defensienota zijn plannen uiteengezet om de krijgsmacht te moderniseren. Deze plannen zijn leidend voor de samenstelling en de toerusting van de krijgsmacht, die beter is uitgerust om huidige en toekomstige dreigingen het hoofd te bieden.
Kunt u een overzicht verschaffen van nu lopende aankooptrajecten van materieel en hun deadlines en deze de Kamer doen toekomen (eventueel vertrouwelijk)?
Over lopende en geplande materieelprojecten is de Kamer steeds geïnformeerd middels de Defensienota (Kamerstuk 34 919, nr. 1), de Defensiebegroting en het Materieelprojectenoverzicht.
Hoe is nu de situatie bij Defensie met betrekking tot ander materieel waar de leden van FVD-fractie op 3 oktober 2017 aandacht voor vroegen? In hoeverre krijgen militairen nu adequate schoenen en vesten? In hoeverre kopen ze die nog zelf?
Defensie is verantwoordelijk voor het voorzien in voldoende en juiste uitrusting voor het personeel.
Vanuit de bestaande voorraad en de lopende contracten worden militairen voorzien van adequate schoenen en vesten. Daarvoor wordt al een draagproef uitgevoerd. Vanaf het voorjaar van 2019 worden nieuwe schoenen geleverd en verstrekt aan het militaire personeel. De projecten Vervanging gevechtsuitrusting en Verbetering Operationeel Soldaat Systeem (VOSS) voorzien in nieuwe vesten voor gevechtseenheden en overige eenheden, zoals is gemeld in het Materieelprojectenoverzicht 2018 (Kamerstuk 27 830, nr. 259). Daarnaast wordt met het project Defensie Operationeel Kleding Systeem(DOKS) de volledige krijgsmacht uitgerust met kwantitatief voldoende en kwalitatief hoogwaardige nieuwe gevechtskleding die voldoet aan alle eisen ten aanzien van functionaliteit, bescherming, pasvorm, comfort en uitstraling. Hierover bent u recent geïnformeerd (Kamerstuk 27 830, nr. 260).
Daarnaast komt het voor dat militairen zelf extra spullen aanschaffen die in hun ogen nog beter, handiger of professioneler zijn, dan de uitrusting die Defensie verstrekt. Een overzicht daarvan is niet beschikbaar omdat het een eigen keuze van de militair betreft.
Het assortiment kleding en uitrusting van Defensie wordt regelmatig herzien en verbeterd als gevolg van ontwikkelingen in technologie en op basis van de behoefte van de militairen. Defensie onderzoekt het introduceren van keuzevrijheid in het kleding- en uitrustingsassortiment. Bijvoorbeeld de gevechtslaarzen zouden hiervoor in de toekomst in aanmerking kunnen komen.
Kunt een overzicht sturen van alle materieel dat doorgaans zelf wordt aangeschaft door militairen, omdat het geleverde materieel niet voldoet aan hun eisen?
Zie antwoord vraag 13.
Kunt u een overzicht sturen van al het materieel dat een militair meekrijgt (eventueel vertrouwelijk)? Kunt u dit uitsplitsen op lopende missies en aanstaande oefeningen?
Defensie kent een grote verscheidenheid aan kleding- en uitrustingspakketten. Dit betreft ongeveer 1.000 pakketten. Iedere militair heeft de beschikking over een basispakket. Daarnaast worden pakketten verstrekt voor specifieke functies, taken en omstandigheden. Ten slotte zijn er daarbovenop nog ongeveer 700 individuele pakketten voor specifiek maatwerk. Ter illustratie is een overzicht van het basispakket als (vertrouwelijke) bijlage 7 bij deze brief gevoegd2.
De verantwoordelijkheid voor verwerving en instandhouding voor deze pakketten ligt bij de DMO, de verantwoordelijkheid voor de behoeftestelling (voor oefeningen en inzet) ligt bij de krijgsmachtdelen en de Defensiestaf.
Wat bent u van plan te gaan ondernemen om de huidige situatie met de winterjassen voor de oefening in Noorwegen op te lossen?
Zie antwoord vraag 2.
Gaat u maatregelen nemen om vergelijkbare situaties in de toekomst te voorkomen? Zo nee, waarom niet? Zo ja, wat en op welke termijn?
Zie hiervoor de kamerbrief inzake «Antwoord op kamervragen over kleding en uitrusting» d.d. 26 oktober 2018 (Aanhangsel Handelingen, vergaderjaar 2018–2019, nr. 420) en mijn eerder verzonden kamerbrief over de versterking van de voorraden (Kamerstuk 27 830, nr. 268).
Als u de inkoop van winterjassen niet voor 1 november 2018 weet af te ronden, deelt u dan de opvatting dat het beter is dat u uw functie overdraagt aan een professional die wel in staat is orde op zaken te stellen op het departement?
Zie antwoord vraag 2.
De legionelle uitbraak op de kazerne te Schaarsbergen |
|
Thierry Baudet (FVD) |
|
Barbara Visser (staatssecretaris defensie) (VVD) |
|
![]() |
Bent u bekend met berichten van een legionella uitbraak op de kazerne te Schaarsbergen? Zo nee, hoe blijft u op de hoogte van berichten van de werkvloer?
Ja, ik ben bekend met het feit dat er een normoverschrijding van legionella op de kazerne in Schaarsbergen is geweest. Na onderhoud om gebouw 107 op de Oranjekazerne in Schaarsbergen brandveilig te maken en waarbij het sanitair in het gebouw langdurig buiten werking was, is de standaard legionellaproef uitgevoerd in opdracht van het Rijksvastgoedbedrijf (RVB). In vijf monsters is Legionella non-pneumophila aangetroffen. Hiermee is echter nog geen sprake van een uitbraak.
Deelt u de opvatting dat hier sprake is van een ernstig gezondheidsrisico? Zo nee, waarom niet? Zo ja, welke maatregelen heeft u al genomen?
Zoals ik de Kamer heb geïnformeerd in de reactie op het schriftelijk overleg over het Jaarverslag Inspectie Militaire Gezondheidszorg over 2017 (Kamerstuk 34 775 X, nr. 108), was van een gezondheidsrisico geen sprake. Dit betrof een standaardproef uit voorzorg, nadat het sanitair in het betreffende gebouw vanwege onderhoud langere tijd niet in gebruik was geweest. Door de combinatie van het aangetroffen type legionella bacteriën (de legionella non-pneumophila) en het feit dat Schaarsbergen conform het drinkwaterbesluit geen risicolocatie is, zoals verzorgingstehuizen en ziekenhuizen, is er geen sprake van een gezondheidsrisico geweest.
Bij elke overschrijding van de norm neemt Defensie echter maatregelen. In dit geval is bij het aantreffen van de bacterie na het afronden van het onderhoud besloten, voordat het personeel het gebouw weer in gebruik nam, de verontreinigde tappunten buiten gebruik te houden. Het personeel in de betreffende kamers is daarvan op de hoogte gebracht, zij hebben gebruik kunnen maken van niet verontreinigde douches. De tappunten in het betreffende gebouw zijn vervolgens thermisch gespoeld door een specialistisch bedrijf en er zijn na deze spoeling nieuwe tests gedaan. Op 15 oktober is gebleken dat alle tappunten vrij zijn van legionella en zijn deze punten weer vrijgegeven. Daarmee zijn de douches weer te gebruiken.
Bent u ook bekend met de berichten dat er al ruim een jaar geen werkzame toiletten en douches zijn op de werkplekken en dat militairen aangewezen zijn op een mobiel toilet? Zo nee, kunt u deze berichten bevestigen? Zo ja, hoe heeft deze situatie kunnen ontstaan?
Het voormalige mobilisatiecomplex (MC) Duivelsberg is onderdeel van de locatie Schaarsbergen. In sommige gebouwen van dit complex zijn geen sanitaire voorzieningen. De toiletten die er wel zijn in het complex zijn buiten gebruik, omdat ze niet voldoen aan de regelgeving. Inmiddels worden deze gebouwen intensiever gebruikt, ook voor kantoorfuncties. Door de gewijzigde bedrijfsvoering is er nu wel behoefte aan goed werkend sanitair in het gebouw. Daarvoor is opdracht gegeven aan het RVB. In afwachting van dit nieuwe sanitair kan gebruik gemaakt worden van toiletten elders op de locatie of van een tijdelijke voorziening in de vorm van enkele DIXI’s. Om deze situatie te verbeteren tot de structurele oplossing is gerealiseerd, wordt volgende week in opdracht van het RVB gestart met het plaatsen van een mobiele sanitaire unit met betere voorzieningen.
Bent u ermee bekend dat er zelfs legionella in de slaapkamers op de kazerne is aangetroffen en dat militairen dus geen gebruik kunnen maken van het drinkwater?
Ja. In een aantal douches in gebouw 107 is het bij vraag 2 genoemde type legionella bacteriën aangetroffen. De bacterie vormt volgens het RIVM in drinkwater geen gezondheidsrisico en het water drinken is dus veilig. Het risico doet zich voor waar legionella voorkomt in zeer fijne waterdruppeltjes, zoals in een douche. Na het aantreffen van de bacteriën in de douches, die vanwege onderhoud aan het gebouw langdurig buiten werking waren, is besloten de douches ook na het onderhoud buiten gebruik te houden. Inmiddels is er thermisch gespoeld en zijn de douches vrij van legionella.
Bent u bekend met het feit dat de meldingen van militairen bij de leiding tot nu toe geen gehoor hebben gekregen? Bent u dan ook bekend met het feit dat de leiding heeft aangegeven om de douches maar een uur te laten spoelen, ondanks het feit dat dit geen enkel effect heeft op de legionellabacterie? Zo ja, deelt u de opvatting dat de leiding hierin tekort is geschoten?
Het RVB beheert namens Defensie locaties, gebouwen, terreinen en leidingwaterinstallaties. In opdracht van het RVB worden van dit leidingwater periodiek watermonsters genomen en geanalyseerd. Legionella onderzoek vormt hier een onderdeel van. Defensie blijft als eigenaar van het vastgoed verantwoordelijk voor het voldoen aan wet- en regelgeving.
Bij overschrijding van de normen worden in overleg met het RVB altijd maatregelen genomen, door de commandant die verantwoordelijk is als decentraal werkgever. Ook op Schaarsbergen heeft de leiding dus maatregelen genomen. Indien zich een situatie van normoverschrijding voordoet, volstaat bij een lage concentratie het doorspoelen van de leiding door de kraan een bepaalde tijd open te laten staan. Bij een hoge concentratie van de bacterie moet een specialistisch bedrijf worden ingehuurd, dat onder andere een thermische reiniging toepast, waarna meetresultaten moeten uitwijzen of de bacterie met succes is bestreden.
Naast deze beheersmaatregelen wordt bij nieuwbouw in de waterleiding installatie een voorziening opgenomen om legionella te voorkomen. In het licht van de achterstanden op het gebied van vastgoed wordt in algemene zin de afweging gemaakt tussen nieuwbouw en groot onderhoud. Bij groot onderhoud wordt, indien dit mogelijk is, eveneens een voorziening om legionella te voorkomen opgenomen. Bij gebouwen waar geen sprake is van dergelijk groot onderhoud worden bovengenoemde beheersmaatregelen toegepast.
Heeft u vernomen dat de leiding aangeeft dat er geen budget is voor de vervangingen van leidingen ten behoeve van de bestrijding van legionella?
Zie antwoord vraag 5.
Is er inderdaad geen geld beschikbaar? Kunt u geld vrijmaken voor het bestrijden van legionella op de kazerne? Zo nee, waarom niet? Zo ja, op welke termijn?
Zie antwoord vraag 5.
Deelt u de opvatting dat hier zo spoedig mogelijk tegen moet worden opgetreden, zodat onze militairen in gezonde leef- en arbeidsomstandigheden op de kazerne kunnen verblijven? Zo nee, waarom niet? Zo ja, welke maatregelen bent u van plan te nemen en op welke termijn?
Legionella is, ook bij Defensie, een bekend probleem, dat voortdurend de aandacht heeft en moet hebben. Het RVB laat de waterkwaliteit op Defensie vastgoed dan ook periodiek onderzoeken. Na onderhoud aan of verbouwing van gebouwen, waarbij sanitair langdurig niet wordt gebruikt, is het controleren van de waterkwaliteit door onder andere een legionellaproef in opdracht van het RVB, standaardprocedure. Bij overschrijding van de normen worden altijd maatregelen genomen. Afhankelijk van de aangetroffen concentratie betekent dit dat de leidingen ofwel worden doorgespoeld, ofwel dat er een specialistisch bedrijf wordt ingeschakeld voor een thermische spoeling.
Op welke punten de minister-president overtuigd is in het debat over de Algemene Beschouwingen van dit jaar |
|
Thierry Baudet (FVD) |
|
Mark Rutte (minister-president , minister algemene zaken) (VVD) |
|
![]() |
Op welke punten in het debat over de Algemene Politieke Beschouwingen is de Minister-President van mening veranderd? Wat was bij ieder van die punten zijn mening voorafgaand aan het debat en welke argumenten tijdens het debat – en van wie – overtuigden hem?
Ik ben tijdens het debat uitvoerig ingegaan op de vragen en standpunten van de leden. Van de ingediende moties heeft het kabinet zijn appreciatie gegeven. Ik verwijs voor dit alles naar de Handelingen.
De asielindustrie |
|
Thierry Baudet (FVD) |
|
Mark Harbers (staatssecretaris justitie en veiligheid) (VVD) |
|
![]() |
Hoe lang duurt de gemiddelde asielprocedure?
De gemiddelde doorlooptijd1 van alle eerste asielaanvragen die in juli en augustus 2018 zijn afgedaan bedraagt circa 19 weken. De IND behandelt eerste asielaanvragen in verschillende zogenoemde «sporen». Deze verschillende «sporen» hebben ook verschillende doorlooptijden. De doorlooptijd van aanvragen van vreemdelingen die afkomstig zijn uit een veilig land van herkomst (spoor 2) is in juli en augustus 2018 circa 3 weken. De doorlooptijden van asielzaken in de algemene asielprocedure (AA) bedraagt in juli en augustus 2018 circa 16 weken (spoor 4). Meer complexe zaken die worden behandeld in de verlengde asielprocedure (VA) zijn in juli en augustus na circa 44 weken afgerond.
Hoeveel procedures zijn thans in totaal aanhangig?
Uit cijfers van de IND blijkt dat de voorraad eerste asielaanvragen 7.640 procedures bedroeg (eind augustus 2018).
Hoeveel van de aanhangige procedures lopen al langer dan vijf jaar, en hoeveel langer dan tien jaar?
In de in het antwoord op vraag 2 genoemde voorraad van eerste asielaanvragen van eind augustus 2018, zitten geen procedures die een langere doorlooptijd hebben dan vijf jaar.
Hoeveel procent van de gevallen betreft het kinderen onder de 16 jaar?
In 2018 was er tot en met augustus een instroom van 2360 eerste aanvragen asiel van kinderen onder de 16 jaar. Dit is 19% van het totaal aantal eerste asielaanvragen.
In hoeveel procent van de gevallen valt de uiteindelijke beslissing anders uit als gevolg van beroep- en bezwaarprocedures dan de oorspronkelijke beslissing tot afwijzing?
De door u gevraagde cijfers zijn niet te genereren uit het datawarehouse van de IND. Dit betekent dat door u gevraagde gegevens niet kunnen worden geleverd. Wel kan worden aangegeven welk percentage van het aantal zaken van de door vreemdelingen ingestelde beroepen, gegrond zijn verklaard. Een gegrondverklaring van het beroep van de vreemdeling betekent niet dat aanvraag altijd wordt ingewilligd. De IND kan in hoger beroep gaan, of opnieuw een besluit op de aanvraag nemen.
In 2018 (tot en met augustus) is 12% van de beroepen van vreemdelingen in de AA procedure gegrond verklaard. In de VA procedure is 19% gegrond verklaard.
In 2018 (tot en met augustus) is 1% van de hoger beroepen van vreemdelingen in de AA gegrond verklaard. In de VA procedure is dit ook 1%.
Welk aandeel hebben vluchtelingenorganisaties die subsidie van de overheid ontvangen, in het faciliteren van beroep- en bezwaarprocedures, het ter beschikking stellen van advocaten, het informeren van mogelijkheden tot uitstel, enzovoorts?
Organisaties kunnen subsidie ontvangen vanuit alle onderdelen van de overheid. Er is geen centraal overzicht daarvan beschikbaar. Ik beperk mij in mijn antwoord daarom tot de subsidie die vanuit artikel 37 (Migratie) van de begroting van het Ministerie van Justitie en Veiligheid aan VluchtelingenWerk Nederland wordt verstrekt.
Het Ministerie van Justitie en Veiligheid kent VluchtelingenWerk Nederland jaarlijks een subsidie toe voor specifieke activiteiten in het asielproces, waaronder het geven van de officiële voorlichting over de asielprocedure namens de ketenpartners, het geven van juridische begeleiding in afstemming met de advocaat en het vervullen van de rol als intermediair tussen de verschillende betrokken organisaties binnen en buiten de vreemdelingenketen, in COA-locaties. Uitgangspunt daarbij is dat de inzet van Vluchtelingenwerk bijdraagt aan een kwalitatief goede, zorgvuldige en snelle asielprocedure, bijdraagt aan een beter welbevinden van asielzoekers en vluchtelingen tijdens hun verblijf bij het COA en bijdraagt aan een beter begrip en acceptatie van de uitkomsten van de asielprocedure.
Wordt er naast de 58,4 miljoen euro aan jaarlijkse subsidie aan Vluchtelingenwerk nog aan andere vluchtelingenorganisaties subsidie uitgekeerd door de overheid? Zo ja, welke organisaties betreft dit en hoeveel subsidie ontvingen deze organisaties in 2017 en hoeveel is hen toegekend in 2018?
Ja, er worden aan andere organisaties dan VluchtelingenWerk Nederland subsidies verleend. Omdat er geen definitie van vluchtelingenorganisatie bestaat en omdat er geen centraal overzicht bestaat van alle subsidies die de overheid toekent, kan ik uw vraag niet goed beantwoorden. Ik beperk mij in het antwoord daarom tot organisaties die naast Vluchtelingenwerk Nederland vanuit artikel 37 (Migratie) van de begroting van het Ministerie van Justitie en Veiligheid de afgelopen twee jaar een subsidie toegekend hebben gekregen. Deze subsidies passen binnen de doelstellingen van het migratiebeleid. Het frustreren van asielprocedures is geen doelstelling van het beleid. Ook verwijs ik naar de verleende subsidies uit het Asiel, Migratie en Integratiefonds.
2017:
•
COC Nederland
€ 115.921,42
•
Nederlands Debat Instituut
€ 45.000,00
•
Stichting A.S.K.V.
€ 300.000,00
•
The Hague Process
€ 34.500,00
•
Vereniging Nederlandse Gemeenten
€ 442.818,92
2018:
•
Stichting A.S.K.V.
€ 130.680,00
•
COC Nederland
€ 94.508,58
De subsidies over 2018 moeten nog officieel worden vastgesteld aan de hand van een beschikking. De subsidies die alleen in 2017 zijn uitgekeerd waren bestemd voor specifieke eenmalige programma’s en/ of projecten en niet verlengd naar 2018.
Daarnaast heeft de Dienst Terugkeer en Vertrek met verschillende organisaties een subsidierelatie om vrijwillige terugkeer te bevorderen. Op dit moment worden door de Internationale Organisatie voor Migratie, Vluchtelingenwerk Nederland, de Stichting WereldWijd, de Stichting Rotterdams Ongedocumenteerden Steunpunt, Bridge to Better Foundation, Stichting IETA, Solid Road, Goedwerk Foundation en Barka Nederland projecten uitgevoerd op het terrein van terugkeer van vreemdelingen naar landen van herkomst.
In totaal is voor een bedrag van € 7.776.393 voor 2017 en € 20.786.751 voor 2018 aan terugkeersubsidies toegekend. Dit is inclusief de SVT-subsidies die de DT&V verstrekt in opdracht van het Ministerie van Buitenlandse Zaken en inclusief de gelden die voor Barka Nederland worden ontvangen van de gemeenten Rotterdam, Den Haag en Utrecht. Alle toegekende subsidies betreffen veelal meerjarige subsidies, waardoor er niet altijd een relatie is tussen de verleningen en de betalingen in hetzelfde jaar. In 2017 is totaal € 14.863.366 betaald en voor 2018 betreft het een bedrag van € 7.897.598 die aan totaal 8 subsidierelaties zijn verstrekt en voldaan.
Ook uit het Asiel, Migratie en Integratiefonds worden subsidies verleend. Dit fonds is een onderdeel van de subsidieregeling voor de Europese migratie- en veiligheidsfondsen 2014–2020. De verleende subsidies kunt u vinden op: https://www.uitvoeringvanbeleidszw.nl/subsidies-en-regelingen/a/asiel-migratie-en-integratiefonds-amif/documenten/publicaties/subsidies/asiel-migratie-en-integratiefonds-amif/uitvoeren-en-verantwoorden/amif-2015
Deelt u de opvatting dat de subsidies aan vluchtelingenorganisaties uw eigen uitzettingsbeleid frustreren?
Zoals aangegeven in het antwoord op vraag 6 wordt Vluchtelingenwerk Nederland door de overheid gesubsidieerd voor specifieke activiteiten. Het gaat hierbij om activiteiten die betrekking hebben op het voorbereiden op de asielprocedure, de begeleiding tijdens de asielprocedure en na toekenning of afwijzing de integratie of de terugkeer. Door deze activiteiten draagt Vluchtelingenwerk Nederland bij aan een soepel verloop van de asielprocedure, eerder dan aan de frustratie daarvan. Hiervoor zet Vluchtelingenwerk Nederland naast middelen die worden verkregen van de overheid ook jaarlijks veel eigen middelen in.
De activiteiten in het kader van de belangenbehartiging betaalt Vluchtelingenwerk, net als andere migratiegerelateerde belangenorganisaties, uit middelen die niet van de overheid zijn verkregen maar uit fondsen waaraan – via bijvoorbeeld donaties – door de Nederlandse samenleving wordt bijgedragen.
Voor een goede en zorgvuldige asielprocedure is het van belang dat er sprake is van voldoende rechtsbescherming. In de asielprocedure kunnen asielzoekers om die reden onder meer gebruik maken van gesubsidieerde rechtsbijstand.
Dit alles neemt niet weg, dat zoals ik ook tijdens het algemeen overleg met uw Kamer op 12 september jl. heb aangegeven, laat onderzoeken welke mogelijkheden er zijn om het proces van asielaanvraag tot afdoening verder kan worden versneld. Hierin neem ik alle aspecten mee. Ook in het regeerakkoord zijn op dit punt verschillende prioriteiten opgenomen, zie ook het antwoord op vraag 11.
Is het een doelbewust onderdeel van uw beleid, het uitzettingsbeleid zoveel mogelijk te frustreren via subsidies aan Vluchtelingenwerk en gesubsidieerde rechtshulp aan asieladvocaten die er alleen maar op uit zijn asielprocedures zo lang mogelijk te rekken?
Zie antwoord vraag 8.
Zo nee, wat meent u dan dat het nut is van de subsidies voor Vluchtelingenwerk en andere vluchtelingenorganisaties?
Zie antwoord vraag 8.
Welke concrete stappen gaat u ondernemen teneinde de asielprocedure structureel en significant te stroomlijnen en te verkorten opdat nieuwe «Lili en Howick» situaties zoveel mogelijk worden voorkomen in de toekomst?
Allereerst verwijs ik naar het besluit om een onafhankelijke onderzoekscommissie in te stellen om een onderzoek te doen naar alle aspecten die bijdragen aan het langdurig verblijf van vreemdelingen zonder bestendig verblijfsrecht.
Dit onderzoek is een aanvulling op de maatregelen die worden uitgewerkt inzake de flexibilisering van de asielketen, waarover de Kamer bij brief van 5 juli jl. is geïnformeerd. Om tot structurele en duurzame verbeteringen te komen wordt de procedure van binnenkomst tot integratie of terugkeer integraal en in samenhang bekeken. In het kader van het herontwerp van het asielproces worden maatregelen genomen die tot een efficiëntere en snellere procedure leiden.
Zo wordt het identificatie- en registratieproces aan de voorkant van de procedure herzien met als doel waardevolle informatie nog sneller veilig te stellen. Deze informatie is niet alleen belangrijk voor de identificatie en bijvoorbeeld nationale veiligheid, maar helpt ook voor een goed en sneller verloop van het asiel- en, waar van toepassing, terugkeerproces. Een ander voorbeeld zijn de maatregelen die worden uitgewerkt om tot kortere doorlooptijden van herhaalde aanvragen te komen, waaronder de maatregel genoemd in het regeerakkoord om het gehoor achterwege te kunnen laten bij een herhaalde aanvraag zonder kans van slagen.
Ik zal uw Kamer nog dit jaar nader informeren over de voortgang van het pakket aan maatregelen.
Deelt u de opvatting dat uw besluit om de discretionaire bevoegdheid te gebruiken om de Armeense kinderen een Nederlandse verblijfsvergunning te geven een precedent scheppende werking heeft? Zo nee, waarom niet?
«Precedentwerking» en «aanzuigende werking» zijn zeer complexe concepten. Niet altijd is duidelijk hoe verschillende aspecten hierop van invloed zijn, dan wel hoe die aspecten (het beste) te beïnvloeden zijn. In mijn brief2 van 10 september jl. en mijn brief van 8 oktober jl.3 heb ik uw Kamer geïnformeerd over mijn besluit om een onafhankelijke onderzoekscommissie in te stellen om een onderzoek te doen naar alle aspecten die bijdragen aan het langdurig verblijf van vreemdelingen zonder bestendig verblijfsrecht alsmede mogelijke oplossingen om dit in de toekomst te beperken. In deze brief heb ik u ook geïnformeerd dat ik niet verder zal ingaan op de achtergrond van mijn besluit om deze kinderen in Nederland te laten verblijven. Ik acht het wel van belang om te benadrukken dat in de kabinetsformatie ten aanzien van de definitieve regeling langdurig verblijvende kinderen afgesproken is dat de regeling in haar huidige vorm gehandhaafd blijft. Dit is in het regeerakkoord zo ook neergelegd.
Deelt u de opvatting dat uw besluit wellicht een aanzuigende werking heeft op het zogenaamde procedurestapelen door asielzoekers? Zo nee, waarom niet?
Zie antwoord vraag 12.
Heeft u kennisgenomen van het artikel «Andere »Lili en Howicks» ruiken hun kans» in de Telegraaf van 10 september 2018?
Ja.
Bent u voornemens voor al deze gevallen uw discretionaire bevoegdheid te gebruiken? Zo ja, in hoeveel gevallen? Zo nee, wat onderscheidt in uw ogen de zaak van de Armeense kinderen van die van de circa 400 andere gevallen?
Zie antwoord vraag 12.
Bent u voorstander van een generaal kinderpardon? Zo ja, waarom? Zo nee, waarom niet?
Het kabinet is geen voorstander van een generaal pardon voor mensen die geen recht hebben op asiel, maar die vervolgens Nederland niet (zelfstandig) verlaten. Het niet voldoen aan de verplichting om terug te keren zou hiermee worden beloond. Ik acht dit niet wenselijk. Een generaal pardon is oneerlijk tegenover personen die wel naar hun land zijn teruggekeerd na de afwijzing van hun asielverzoek. De meeste asielzoekers die al meerdere jaren in Nederland verblijven, hebben bovendien reeds in een vroeg stadium hun eerste afwijzing gekregen.
Deelt u de mening dat hoger beroep tegen beslissingen in asielzaken beperkt moeten worden tot één instantie waarbij het feitenrelaas en de omstandigheden niet meer gewijzigd kunnen worden om zo tot een snellere afhandeling van slepende asielprocedures te komen?
Ja, dit is ook reeds staande praktijk. In het huidige rechtssysteem is de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State, als hoogste bestuursrechter, de enige instantie waar hoger beroepen op grond van de Vreemdelingenwet 2000 worden behandeld. In hoger beroep beoordeelt de Afdeling of de rechter in eerste aanleg het juiste oordeel heeft geveld op basis van de feiten en omstandigheden zoals die in eerste aanleg naar voren zijn gebracht. In principe is het niet mogelijk om nieuwe feiten en omstandigheden aan te voeren in hoger beroep, omdat de rechtbank deze niet bij haar oordeel kon betrekken. Hierop bestaan slechts een gering aantal uitzonderingen. Verder speelt de Afdeling een belangrijke rol met betrekking tot de eenduidige uitlegging van de Vreemdelingenwet 2000. In het recente arrest van het Hof van Justitie (C-180/17, d.d. 26 september 2018) is geoordeeld dat het Unierecht niet verplicht tot schorsende werking in hoger beroep. Het instellen van hoger beroep hoeft derhalve niet aan uitzetting in de weg te staan.
De uitspraken van Duitse Minister Altmaier inzake de Energiewende |
|
Thierry Baudet (FVD) |
|
Wopke Hoekstra (minister financiën) (CDA), Eric Wiebes (minister economische zaken) (VVD) |
|
![]() |
Heeft u kennisgenomen van de stellingname van uw Duitse collega van Economie en Energie die in de Energieraad van 11 juni 2018 stelde dat Duitsland nu 15% hernieuwbare energie opwekt ten koste van 25 miljard euro per jaar en dat de nieuwe doelstelling, een verdubbeling, voor Duitsland niet haalbaar is?
Ik heb kennisgenomen van de inzet van Duitsland tijdens de Energieraad van 11 juni jl. Net als alle EU-lidstaten is Duitsland tijdens deze Energieraad akkoord gegaan met een Europees doel van 32% hernieuwbare energieopwekking als onderdeel van de totale energiemix in 2030. Daarnaast heeft Duitsland in haar federale regeerakkoord de doelstelling voor het aandeel hernieuwbare energie in de elektriciteitsmix vastgelegd op 65% in 2030. Met de voornemens in haar eigen regeerakkoord is Duitsland één van de meest ambitieuze EU-lidstaten als het gaat om het aandeel hernieuwbare energie als onderdeel van de totale energiemix.
Nederland heeft ook in gestemd met Europees doel van 32% hernieuwbare energieopwekking. Daarnaast zet Nederland in op 49% CO2-reductie in 2030, op een kosten efficiënte wijze. In zowel het regeerakkoord als de Klimaatwet staat het CO2-reductiedoel centraal en is geen apart doel opgenomen voor hernieuwbare energie. Het Europese doel van 32% hernieuwbare energie past bij een kosteneffectieve invulling van het voornemen om in Nederland 49% CO2-reductie in 2030 te realiseren (zie ook het verslag van de Energieraad van 11 juni jl., Kamerstuk 21 501-33, nr. 716).
De door Minister Altmaier aangehaalde kosten ter hoogte van jaarlijks 25 miljard euro zijn berekend op basis van feed-in tarieven uit de Erneuerbare-Energien-Gesetz (EEG), het Duitse subsidie-instrument voor hernieuwbare energie. Deze werden in het verleden voor een looptijd van 20 jaar vastgesteld tegen een relatief hoog tarief. Sinds 2014 zijn deze feed-in tarieven echter fors omlaag gebracht. Met een bedrag van zeker 50 miljard euro per jaar, zoals aangehaald in de vraagstelling, ben ik dan ook niet bekend. In Nederland lopen de beschikbare middelen voor de stimulering van duurzame energie op van circa 1,8 miljard euro dit jaar tot circa 3,2 miljard euro in 2030.
De Duitse EEG is overigens van aanzienlijk belang geweest voor het reduceren van kosten voor hernieuwbare energieopwekking. De langdurige Duitse investeringen hebben de kosten voor wind op zee dusdanig omlaag gebracht dat er zowel in Nederland als in Duitsland de eerste subsidievrije tenders hebben plaatsgevonden. Wind op zee levert dus potentieel een belangrijke bijdrage aan het kosteneffectief behalen van de 2030-doelen voor hernieuwbare energieopwekking.
Bent u van mening dat dit in Nederland anders zal zijn? Zo ja, waarom? Zo nee, hoe ziet u dit in relatie tot de nieuwe Klimaatwet?
Zie antwoord vraag 1.
Heeft u kennisgenomen van de uitspraken van uw Duitse collega dat de voorstellen om de (hernieuwbaarheids-)doelstelling tot boven 30% te verhogen de Duitse belastingbetaler zeker meer dan 50 miljard euro per jaar zou kosten? Is dat in uw ogen in Nederland duidelijk anders? Zo ja, waardoor?
Zie antwoord vraag 1.
Heeft u kennisgenomen van de uitspraken van uw Duitse collega op een internationale energieconferentie in april in Berlijn waar hij verklaarde: «Ich gehe davon aus, dass die erneuerbaren Energien in absehbarer Zeit, das heißt in den nächsten vier bis fünf Jahren, ihre Wettbewerbsfähigkeit vollständig erreicht haben, und dass wir dann imstande sein werden, erneuerbare Energien ohne zusätzliche Subventionen zu finanzieren»?
Zoals de ervaringen van de afgelopen jaren hebben laten zien, dalen de kosten van hernieuwbare energie sneller dan eerder gedacht. Bij zonne-energie heeft de afgelopen vijf jaar een kostprijsreductie van meer dan 30% plaatsgevonden. Bij wind op zee hebben de eerste subsidievrije aanbestedingen plaatsgevonden. De verwachting is dat de subsidie voor hernieuwbare elektriciteitsopties op korte termijn verder kan worden afgebouwd en op de iets langere termijn niet meer nodig is, waarbij een termijn van vier tot vijf jaar aan de optimistische kant is.
In het algemeen deel ik dus de visie van mijn Duitse collega, met deze kanttekening.
Deelt u de verwachting van uw Duitse collega? Zo nee, waarom niet? Zo ja, bent u van mening dat alle overheidssubsidie op hernieuwbare energie binnen vier tot vijf jaar kan vervallen? Zo nee, waarom niet?
Zie antwoord vraag 4.
Heeft u kennisgenomen van de publicatie waarin de terugverdientijd van windenergie wordt berekend op vele tientallen jaren? Onderschrijft u de hier gepresenteerde cijfers? Zo nee, waarom niet?1
Ik heb kennisgenomen van de publicatie en onderschrijf de daar gepresenteerde conclusies niet. Op mijn verzoek adviseert PBL en voorheen ECN jaarlijks over de kostenprofielen van technologieën voor de opwekking van hernieuwbare energie die in aanmerking kunnen komen voor SDE+ subsidie. Deze publicaties zijn openbaar (raadpleegbaar via de Rijksdienst voor Ondernemend Nederland, RVO.nl) en geven een significant ander beeld. In onderstaand antwoord zet ik uiteen hoe ik tegen de gepresenteerde cijfers aankijk. In de publicatie worden een aantal dingen verondersteld.
Ten eerste wordt uitgegaan van fors lagere vollasturen, het aantal uren dat een turbine op vol vermogen produceert, dan werkelijk het geval is. Zo bedragen de vollasturen voor moderne windturbines op land gemiddeld ruim 2.800 uur in plaats van de veronderstelde 2.190 uur. Voor wind op zee bedragen de werkelijke vollasturen ruim 4000 in plaats van de veronderstelde 3.504 uur.
Ten tweede wordt verondersteld dat de vollasturen verder zullen worden verlaagd door inpassingsverliezen (curtailment). In de analyse komt men uit op 1533 vollasturen voor wind op land en 2450 vollasturen voor wind op zee, terwijl dit in werkelijkheid veel hoger is. Dit zogenaamde «curtailment effect» wordt gebaseerd op een in mei 2012 opgestelde interpretatie van Ierse gegevens. Eerder heeft mijn ambtsvoorganger reeds beargumenteerd dat gegevens over de Ierse situatie niet bruikbaar zijn voor het trekken van conclusies over inpassingsverliezen in de Nederlandse situatie (Kamerstuk 31 239, nr. 181). Ik sluit mij bij deze conclusie aan en ga op basis daarvan uit van de hiervoor genoemde werkelijke hoeveelheden vollasturen die bijna tweemaal zo hoog zijn als de in de analyse gebruikte aantallen.
Ten derde wordt in de analyse van een voor wind op land benodigde investering van 1,4 miljoen euro per MW uitgegaan. PBL rekent met een lagere investering, namelijk 1,15 miljoen euro per MW.
Ten vierde worden de opgevoerde kosten voor profiel en onbalans van 50% van de gehanteerde elektriciteitsprijs niet onderbouwd. Ik constateer dat in het meest recente correctiebedrag voor de SDE+ wordt gerekend met 15% van de elektriciteitsprijs. In dat licht acht ik de gehanteerde 50% voor toekomstige profiel en onbalanskosten sterk overschat.
Tenslotte merk ik nog op dat in de publicatie voorbij wordt gegaan aan de dynamiek van de elektriciteitsmarkt en het elektriciteitssysteem, waardoor de inpassing van steeds grotere hoeveelheden duurzame elektriciteit naar verwachting met minder kosten gepaard zal gaan. Bovendien zijn de in de analyse veronderstelde vollasturen dusdanig laag dat investeringen in windenergie uit zouden blijven, aangezien lage vollasturen voor lage tot negatieve financiële rendementen zorgen. Anders dan waar in de analyse vanuit wordt gegaan, wordt in de markt niet betaald voor niet-geproduceerde stroom, en wordt hier ook geen subsidie vanuit de SDE+ voor uitgekeerd. Ik constateer echter dat er in de praktijk nog altijd in windenergie wordt geïnvesteerd, waaruit mag worden afgeleid dat investeerders van een aanmerkelijk hogere windopbrengst uitgaan dan de analyse.
Bent u bekend met het rapport «Lastenverdeling Windenergie op land» van juni 2018?2
Ik heb kennis genomen van het rapport «lastenverdeling windenergie op land» van juni 2018. Het onderzoek vergelijkt de subsidiebedragen voor windenergie op land met de hoogte van de energiebelasting (EB) en concludeert dat er sprake zou zijn van oversubsidie. Windenergie op land wordt gesubsidieerd vanuit de SDE+ welke gefinancierd wordt door de opslag duurzame energie (ODE). De ODE-tarieven zijn aanzienlijk lager dan de EB-tarieven, dus de vergelijking tussen hoeveel EB huishoudens betalen en welk deel daarvan naar wind op land gaat, gaat niet op. Er wordt dus in het rapport een incorrecte parallel getrokken tussen de bijdrage van huishoudens en de subsidiehoogte van windenergie op land. Ik ben het derhalve niet eens met de conclusies van dit rapport. Voor de ODE-tarieven verwijs ik u naar de Wet ODE (http://wetten.overheid.nl/BWBR0032660/2018-01-01). Voor de verplichtingen en uitgaven die gemoeid zijn met de SDE+, waaronder windenergie op land, verwijs ik graag naar de brief van 21 maart 2018 over de stand van zaken hernieuwbare energieproductie (Kamerstuk 31239–283).
Bent u het eens met de volgende conclusies uit dit rapport: «De lastenverdeling bij windenergie op land is zodanig dat de huishoudens 112 procent van de totale lasten dragen. Zij betalen dus meer dan nodig is om rendabele windenergieprojecten op land mogelijk te maken. De niet-energiebedrijven betalen daarbovenop ook nog eens 31 procent van wat nodig is. De energiebedrijven ontvangen, naast de rendabele projecten die zij kunnen uitvoeren met windenergie op land, een oversubsidie van 43 procent van wat nodig is om rendabele projecten te kunnen uitvoeren.» Indien u het niet met deze conclusies eens bent, waarom niet?
Zie antwoord vraag 7.
Bent u bekend met het feit dat de ons omringende landen voor hun energievoorziening in toenemende mate op gas vertrouwen, terwijl Nederland pogingen doet om van het gas af te gaan? Wat zijn de specifieke Nederlandse overwegingen voor dit beleid en welke overwegingen rechtvaardigen een uitzonderingspositie voor ons land?
In de ons omringende landen is een beweging te zien naar meer duurzame vormen van energie waarbij afscheid wordt genomen van met name energie uit kolen en waarbij het voornemen bestaat om het aandeel kernenergie te reduceren. Gas wordt in onze buurlanden vooral gezien als een transitiebrandstof om de fluctuaties die inherent aan zijn duurzame energieproductie door middel van wind en zon op te vangen. In Nederland is het aandeel gas in elektriciteitsopwekking en verwarming nog steeds aanzienlijk hoger dan in de meeste andere landen. Op termijn zal het gebruik van fossiele brandstoffen, inclusief aardgas, hier en in de ons omringende landen moeten verminderen.
Zijn de ontwikkelingen in China en India u bekend, waar grootschalige betrouwbare en betaalbare energievoorziening op basis van kernenergie – met name ook thorium – volop in ontwikkeling is? Wat zijn uw overwegingen om de optie kernenergie niet in de toekomstige energievoorziening van Nederland op te nemen?
Ik ben bekend met de internationale ontwikkelingen rondom kernenergie, waaronder thorium. Bij de TU Delft wordt ook onderzoek naar thorium gedaan. Het thorium-onderzoek bevindt zich echter in een fundamentele fase en experts geven aan dat de commerciële marktintroductie in de komende decennia nog niet wordt verwacht. Overigens zetten landen als China en India naast kernenergie ook in op de grootschalige uitrol van windenergie/hernieuwbare energie.
Het regeerakkoord laat zich niet uit over de rol van kernenergie in de (toekomstige) energiemix, noch in positieve noch in negatieve zin. Marktpartijen die aan alle randvoorwaarden voldoen, zoals nucleaire veiligheid en voldoende financiële reservering voor ontmanteling en verwerking van afval, kunnen in aanmerking komen voor een vergunning voor de bouw van een kerncentrale. Het standpunt van het kabinet is dan ook dat we kernenergie als onderdeel van de energiemix niet uitsluiten. Dit past ook bij het uitgangspunt «sturen op CO2» dat dit kabinet hanteert.
Het bericht ‘Extreem-linkse activisten blijven meestal onbestraft’ |
|
Theo Hiddema (FVD), Thierry Baudet (FVD) |
|
Sander Dekker (minister zonder portefeuille justitie en veiligheid) (VVD), Ferdinand Grapperhaus (minister justitie en veiligheid) (CDA) |
|
![]() |
Hebt u kennisgenomen van het nieuwsbericht «extreemlinkse activisten blijven meestal onbestraft»?1
Ja.
Hebt u eveneens kennisgenomen van het rapport «Links-extremisme in beeld. Een verkennend onderzoek naar links extremistische groeperingen in Nederland»?2
Ja. Uw Kamer heeft tijdens de regeling van werkzaamheden van 29 mei jl. verzocht om een brief3 in reactie op dit onderzoek. U ontvangt deze brief separaat aan deze antwoorden.
Deelt u de conclusie dat de extremistische groeperingen waarnaar onderzoek is gedaan een zekere mate van straffeloosheid genieten, zoals vermeld op pagina 14 van het rapport? Zo nee, waarom niet?
De onderzoekers schrijven in het rapport dat acties die zijn aan te merken als links-extremisme in de regel niet tot een strafrechtelijk onderzoek en strafproces leiden, wat een zekere mate van straffeloosheid zou impliceren. Als reden hiervoor geven de onderzoekers het ontbreken van opsporingsindicaties en lastige bewijsbaarheid van de gedragingen aan, alsmede het veiligheidsbewustzijn van de betrokkenen, de identieke kleding en gezichtsbedekking. Het is hierdoor lastig vast te stellen wie precies welk feit heeft gepleegd.
De onderzoekers hebben in het onderzoek ook naar de strafvervolging gekeken van personen die strafbare feiten hebben gepleegd welke te kwalificeren zijn als links-extremisme. Specifiek hebben de onderzoekers naar zeven strafzaken gekeken. In drie van deze zaken heeft de rechter de verdachte schuldig bevonden aan het gepleegde strafbare feit.
Op basis van dit rapport kan ik uw conclusie en mening dan ook niet delen. Wanneer er sprake is van extremistische gedragingen die een strafbaar feit opleveren, zal het OM voor zover mogelijk onderzoek instellen en beoordelen of tot strafrechtelijke vervolging wordt overgegaan. Dit hangt af van de context van een zaak en de individuele feiten. Links-extremisme vormt daarin geen uitzondering ten opzichte van andere vormen van extremisme, zoals rechts-extremisme, dierenrechten-extremisme of gewelddadig jihadistisch extremisme. Het rapport laat daar ook voorbeelden van zien.
Deelt u de mening dat dit een onwenselijke situatie oplevert? Zo nee, waarom niet?
Zie antwoord vraag 3.
Deelt u de mening dat deze feitelijke straffeloosheid voor extreemlinkse terroristen, waar het hier feitelijk om gaat, past in een lange traditie waarin dergelijke groeperingen telkens weer wegkwamen met onacceptabele schendingen van de strafwet? Zo nee, waarom niet?
Zie antwoord vraag 3.
Wat bent u van plan aan deze situatie te doen?
Zie antwoord vraag 3.
De sluiting van kerken door de Algerijnse overheid |
|
Sjoerd Sjoerdsma (D66), Joël Voordewind (CU), Bente Becker (VVD), Sadet Karabulut (SP), Bram van Ojik (GL), Kees van der Staaij (SGP), Thierry Baudet (FVD), Martijn van Helvert (CDA) |
|
Stef Blok (minister buitenlandse zaken) (VVD) |
|
![]() ![]() ![]() ![]() ![]() ![]() ![]() ![]() |
Kent u het bericht in het Reformatorisch Dagblad van 10 april 2018 dat meldt dat er sinds november vier kerken van de Protestantse Kerk in Algerije gesloten zijn op last van de Algerijnse overheid?1
Ja.
Deelt u de analyse dat de Algerijnse overheid de wet ter regulering van niet islamitische godsdiensten inzet om kerken te sluiten?
Geconstateerd kan worden dat bij verschillende protestante kerken recent is aangegeven dat zij geen bijeenkomsten mogen organiseren omdat zij hiervoor geen vergunning hebben, zoals vereist in de wet ter regulering van niet islamitische godsdiensten.
Klopt het dat dit kerkgenootschap geen vergunningen krijgt om kerken te bouwen die wel aan alle eisen voldoen?
Meerdere kerken, ook katholieke kerken, hebben momenteel te maken met het uitblijven van het verplichte goedkeuringsbesluit.
Bent u het ermee eens dat het recht op vrijheid van godsdienst dat Algerije officieel kent hiermee belemmerd en geschonden wordt?
Het is niet mogelijk om in het algemeen te stellen dat het recht op vrijheid van godsdienst in Algerije belemmerd of geschonden wordt. In veel gevallen kan de protestante kerk in Algerije zijn recht op de beoefening van zijn godsdienstvrijheid zonder problemen uitoefenen. Wel kan geconstateerd worden dat in bepaalde gevallen problemen zijn gerezen bij het verkrijgen van de benodigde vergunningen om in bepaalde plaatsen diensten te houden. Afgelopen zes maanden is bovendien in een aantal gevallen een kerkgenootschap in de uitoefening van zijn recht op vrijheid van godsdienst belemmerd op grond van het feit dat deze zonder de vereiste vergunning opereerde.
Bent u bereid om de Algerijnse overheid, in het kader van de prioritaire thema’s in het beleid ter versterking van de internationale rechtsorde en eerbiediging van de mensenrechten, hier hetzij in bilateraal, hetzij in Europees verband op aan te spreken? Zo ja, hoe gaat u dit doen?
In EU-verband is aandacht gevraagd voor deze kwestie. Ik heb dit ook persoonlijk gedaan ter gelegenheid van mijn bezoek aan Algerije in het kader van de Gemengde Commissie op 9 mei jl, tijdens een overleg met de Algerijnse Minister van Buitenlandse Zaken. In reactie hierop gaf de Algerijnse Minister van Buitenlandse Zaken aan dat kerken in Algerije niets te vrezen hebben van de nieuwe wet op gebedshuizen. Deze zou vooral gericht zijn op clandestiene moskeeën. Het spreekt voor zich dat ik de ontwikkelingen hieromtrent nauwgezet blijf volgen en indien nodig hierover, bilateraal en in EU-verband, mijn zorgen zal uiten.