Een door FMO gefinancierd bedrijf dat is veroordeeld voor een moordcomplot in Honduras |
|
Lammert van Raan (PvdD), Christine Teunissen (PvdD) |
|
de Th. Bruijn , Wopke Hoekstra (minister financiën) (CDA) |
|
|
|
|
Bent u bekend met het bericht «FMO financierde bedrijf achter moordcomplot» in het Financieel Dagblad van 23 juli jl. over de moord op de Hondurese activist Berta Cáceres1 en de ontwikkelingen in deze zaak in de afgelopen maanden? Wat is uw reactie op dit bericht?
Ja, daar ben ik mee bekend. Ik vind het verschrikkelijk dat een mensenrechtenactivist is vermoord en het is belangrijk dat de verantwoordelijken hiervoor veroordeeld worden. Afgelopen mei heeft de Nederlandse ambassade in Costa Rica, mede geaccrediteerd voor Honduras, daarom de autoriteiten in Honduras opgeroepen tot gerechtigheid in deze zaak. Na de veroordeling van David Castillo afgelopen juli heeft de ambassade op 29 november de Hondurese autoriteiten, mede op verzoek van FMO, opgeroepen zo snel mogelijk het vonnis met daarin de strafmaat te publiceren.
Erkent u dat er in deze zaak fouten zijn gemaakt door de Financieringsmaatschappij voor Ontwikkelingslanden (FMO)? Zo ja, heeft u contact gezocht met FMO om opheldering te krijgen en te onderzoeken wie er verantwoordelijk zijn geweest voor de gemaakte fouten? Zo nee, hoe beoordeelt u de rol van FMO in de gebeurtenissen rondom de moord op Cáceres?
Tussen COPINH (een lokale maatschappelijke organisatie uit Honduras) en FMO loopt op dit moment vanwege deze zaak een civiele procedure. Het Ministerie van Buitenlandse Zaken is niet betrokken bij deze procedure en het oordeel daarin is aan de rechter. Hangende deze procedure doe ik over de rol van FMO geen uitspraken.
Kunt u bevestigen dat maatschappelijke organisaties vanaf 2011 meermaals bij zowel u als FMO aandacht hebben gevraagd voor de sociale en politieke context in het gebied in Honduras waar het Agua Zarca project plaatsvond? Klopt het dat zij in brieven en gesprekken regelmatig wezen op het risico op conflictescalatie?
Ik kan bevestigen dat dit het geval was, voor FMO was dat naar ik van hen begrijp vanaf 2013. Bij het ministerie is vanaf het moment dat de investeringsbeslissing was genomen (2014) om aandacht gevraagd voor het project.
Deelt u de reactie van FMO dat het vonnis schokkend is? Hoe rijmt u de verbazing over het vonnis met de frequente waarschuwingen vanuit het maatschappelijk middenveld richting uw ministerie? Bent u het ermee eens dat deze verbazing duidt op een gebrek aan aandacht vanuit FMO en het Ministerie van Buitenlandse Zaken voor de signalen van direct betrokkenen bij deze en andere projecten van de bank?
Ik vind het afschuwelijk dat de activiste Berta Cáceres is vermoord. Het is bijzonder pijnlijk dat de CEO van een bedrijf waarin FMO heeft geïnvesteerd schuldig is bevonden aan betrokkenheid bij deze moord. Dat hij zich hieraan schuldig zou maken, was, ook gegeven de informatie van maatschappelijk organisaties, niet te voorzien voor het Ministerie van Buitenlandse Zaken.
Ten aanzien van de slotvraag van vraag 4 doe ik, hangende de lopende civiele procedure tegen FMO, geen uitspraken.
In de context van alle waarschuwingen die Berta Cáceres en COPINH aan het adres van FMO en het Ministerie van Buitenlandse Zaken hebben gemaakt ten tijde van de financiering, en de hoge risico-omstandigheden van het Agua Zarca project, hoe is het naar uw mening mogelijk dat FMO fouten heeft gemaakt in haar primaire taak om de geldstromen te monitoren? Wat heeft het ministerie gedaan om ervoor te zorgen dat de controleplicht van FMO goed werd uitgevoerd?
Het is niet vastgesteld dat FMO al dan niet fouten heeft gemaakt in de monitoring van geldstromen. Zoals in het antwoord op vraag 2 is aangegeven, doe ik hierover hangende de lopende civiele procedure geen uitspraken.
Het Ministerie van Buitenlandse Zaken en het Ministerie van Financiën vinden het vanzelfsprekend van groot belang dat FMO zich houdt aan de wet- en regelgeving inzake het voorkomen van witwassen en terrorismefinanciering. Naleving van deze wet- en regelgeving draagt bij aan de doelstelling van FMO, omdat hiermee wordt gewaarborgd dat de door FMO verstrekte financiering op de juiste plek terecht komt. Het belang van naleving is ook benadrukt in doorlopende dialoog tussen de staat en FMO. FMO staat daarnaast onder toezicht van De Nederlandsche Bank (DNB). DNB heeft als toezichthouder van FMO de verantwoordelijkheid voor het toezicht op de naleving van wet- en regelgeving inzake het voorkomen van witwassen en terrorismefinanciering. Deze verantwoordelijkheid is niet belegd bij het Ministerie van Buitenlandse Zaken of bij het Ministerie van Financiën.
Zijn naar uw mening de controlemechanismes binnen het Ministerie van Buitenlandse Zaken op orde? Zo nee, waar ziet u noodzaak voor verbetering? Zo ja, welke controlemechanismes zijn volgens u niet goed gevolgd?
Voor beantwoording van deze vraag verwijs ik graag naar de tweede alinea van de beantwoording van vraag 5 en de beantwoording van vraag 7.
Welke «safeguards» moet FMO volgens u verankeren in het huidige besluitvormingsmodel, die ervoor zouden moeten zorgen dat dergelijke signalen serieus genomen worden? Welke verbeteringen in het proces zal u voorstellen?
Zoals ook aangegeven in de beantwoording van vraag 5, is naleving van wet- en regelgeving ten aanzien van witwassen en terrorismefinanciering een belangrijke voorwaarde om te borgen dat de door FMO verstrekte financiering op de juist plek terecht komt.
Het is daarnaast van belang dat FMO milieu en sociale risico’s zo goed mogelijk in kaart brengt en heldere mitigerende maatregelen formuleert (in het milieu en sociaal actieplan) voordat het een investeringsbeslissing maakt. FMO doet daarom reeds een uitgebreide due diligence (een vooronderzoek met betrekking tot gepaste zorgvuldigheid) bij investeringen met een hoog (milieu en sociaal) risicoprofiel. Deze due diligence dient negatieve impact op mens en milieu zoveel mogelijk te voorkomen. Hierbij wordt gekeken of de risico’s van een voorgenomen investering goed in kaart zijn gebracht, of ze aanvaardbaar zijn en of een klant in staat is om de mitigerende maatregelen te implementeren.
Om de signalen van de lokale bevolking hierin mee te nemen voert FMO onder andere gesprekken met de lokale gemeenschap en andere belanghebbenden van directe investeringen met hoge (milieu en sociale) risico’s, waaronder met gemarginaliseerde groepen. Hierbij gaat FMO na of (i) de lokale bevolking goed is geïnformeerd door de klant van FMO, (ii) ze hun standpunten hebben kunnen delen met de klant en (iii) het project hun steun geniet. Daarnaast brengt FMO in kaart of het project in lijn is met de lokale wetgeving. In aanvulling hierop publiceert FMO sinds 2018 30 dagen voor contractering of voor de aanvang van een project de voorgenomen investering op haar website.
In de evaluatie van FMO, uitgevoerd in opdracht van het Ministerie van Buitenlandse Zaken in samenwerking met het Ministerie van Financiën, die ik u op 7 april jl. heb doen toekomen, worden tegelijkertijd verschillende aanbevelingen gedaan om nog beter de inbreng van de lokale bevolking mee te nemen. Zo doet de evaluator de aanbeveling om minder afhankelijk te zijn van de klant voor de informatievoorziening en meer proactief lokale betrokkenen te betrekken bij investeringen. Om invulling te geven aan deze aanbeveling zal het kabinet met FMO bezien hoe er meer gebruik gemaakt kan worden van de netwerken van Nederlandse ambassades, onder meer om contact te maken met lokale maatschappelijke organisaties en lokale gemeenschappen (zie ook de kabinetsreactie op de evaluatie).2 Ook loopt een dialoog tussen FMO en een aantal maatschappelijke organisaties over onder meer de vraag of zij hierbij een rol kunnen spelen.
Hoe draagt u er zorg voor dat FMO een gender-lens in haar beleid verankert en juist ook vrouwen de mogelijkheid geeft signalen te geven?
Het Ministerie van Buitenlandse Zaken is continu in dialoog met FMO over het versterken van FMO’s bijdrage aan financiële inclusie en het verminderen van ongelijkheid, ook specifiek in relatie tot gender.
FMO werkt aan het toepassen van een genderlens binnen haar activiteiten en verzamelt reeds genderindicatoren voor haar investeringen. Zo worden nadrukkelijk vrouwen en mannen uit lokale gemeenschappen betrokken bij investeringen. FMO doet dit onder andere aan hand van de IFC Performance Standards,waarin wordt vereist dat mannen en vrouwen gelijke kansen tot werkgelegenheid hebben, dat vrouwen worden meegenomen in hervestigingsplanning en dat hun belangen worden beschermd. Daarnaast zet FMO in op het verschaffen van toegang tot financiering voor vrouwelijke ondernemers via lokale financiële instellingen en stimuleert FMO genderdiversiteit binnen lokale bedrijven (voornamelijk de bedrijven waar FMO aandeelhouder van is). Ook heeft FMO binnen haar investeringen aandacht voor de producten en diensten die met name vrouwelijke consumenten ten goede komen en is gendergelijkheid een onderdeel van FMO’s technische assistentie programma’s.
Verbindt u consequenties aan de steken die FMO ogenschijnlijk in het kader van de Agua Zarca-financiering heeft laten vallen, en zo ja, welke zijn dat?
Zoals in het antwoord op vraag 2 is aangegeven, doe ik hierover geen uitspraken hangende de lopende civiele procedure.
In het algemeen is het primaire doel van het Ministerie van Buitenlandse Zaken dat FMO zoveel mogelijk ontwikkelingsimpact behaalt, de milieu en sociale risico’s zo goed mogelijk in kaart brengt en deze risico’s vervolgens mitigeert. Dit is zeker van belang bij het groeiend aantal FMO-investeringen in fragiele en complexe omstandigheden, die veel IMVO-gerelateerde uitdagingen met zich meebrengen. In dergelijke omgevingen hebben bedrijven vaak nauwelijks toegang tot financiering en zijn IMVO-standaarden veelal bedroevend laag. Op deze plekken ontstaat duurzame bedrijvigheid niet of nauwelijks zonder partijen zoals FMO en zijn verbeteringen in de IMVO-omstandigheden vaak het hardst nodig.
De keerzijde van investeren in deze context is dat de kans op incidenten en zelfs misstanden er reëel is. Daarbij is elke misstand er één te veel, die zoveel mogelijk moet worden voorkomen. Het is dan ook van essentieel dat FMO de risico’s goed en tijdig in kaart brengt en monitort; de ernstige gebeurtenissen in de Agua Zarca zaak onderstrepen dit belang. Er zijn daarom lessen getrokken, die vervolgens hebben geleid tot aanscherping van het beleid van FMO omtrent IMVO. Zo is er in 2018 een ESG Performance Tracker ingesteld die FMO in staat stelt de ESG prestaties van de hoge risico klanten op relevante risico’s systematisch te documenteren en te volgen en is er een Independent Complaints Mechanism opgericht.3 Tegelijkertijd blijft er ruimte voor verbetering, zoals ook gesteld in genoemde FMO-evaluatie en de beleidsreactie hierop.4 Het kabinet is in continue dialoog met FMO over deze verbeteringen, biedt waar mogelijk ondersteuning en spreekt FMO aan wanneer het van mening is dat FMO onvoldoende voortgang boekt.
Wat is uw inzet richting de nieuwe strategie van FMO? Op welke wijze adresseert deze strategie de bestaande problemen in de aanpak van FMO omtrent repressie van lokaal activisme tegen door FMO gesteunde projecten? Op welke manier betrekt u de lessen uit Agua Zarca in dit strategieproces?
De nieuwe langetermijnstrategie (strategie 2030) wordt door FMO geformuleerd mede op basis van een dialoog met het Ministerie van Buitenlandse Zaken, het Ministerie van Financiën en de stakeholders van FMO (waaronder maatschappelijke organisaties). In deze dialoog is het IMVO-beleid een terugkerend onderwerp en daarom verwacht ik van FMO dat dit onderwerp een centrale rol krijgt binnen de langetermijnstrategie. Lessen van projecten uit het verleden zijn de afgelopen jaren meegenomen in verbetermaatregelen en worden ook meegenomen in het strategietraject. Het is van belang dat de strategie waarborgt dat FMO haar IMVO-beleid continu blijft aanscherpen op basis van de laatste inzichten en veranderende wetgeving. Dit betreft onder meer het eerder en beter opvangen van signalen van lokale stakeholders.
Bent u het ermee eens dat het van groot belang is dat de opdrachtgevers voor de moord op Berta Cáceres worden vervolgd? Ben u het ermee eens dat om dit te kunnen bereiken transparantie over het Agua Zarca project nodig is? Zo nee, waarom niet? Zo ja, bent u bereid ervoor te zorgen dat de nabestaanden inzage krijgen in de (compliance) dossiers van FMO?
Zoals in antwoord op vraag 1 is aangegeven, vind ik het van groot belang dat de opdrachtgevers voor de moord worden vervolgd, en dat deze personen een gepaste straf krijgen. Vanwege dit belang heeft de Nederlandse ambassade stappen ondernomen om dit bij de lokale autoriteiten onder de aandacht te brengen. FMO heeft mij verzekerd om in het belang van de nabestaanden zoveel mogelijk transparantie na te streven, met inachtneming van de lopende civiele procedure tegen FMO. Op dit moment zie ik, mede in het licht van de lopende civiele procedure tegen FMO, geen verdere rol voor het Ministerie van Buitenlandse Zaken in de richting van FMO, zoals gesuggereerd in de vraag.
Bent u bereid om het onderzoek naar mogelijke opdrachtgevers van de moord te bevorderen door zoveel mogelijk inzage te geven in de cliëntanalyse van FMO en alle communicatie met zowel de medewerkers als het bestuur van het project?
Voor beantwoording van deze vraag verwijs ik graag naar de beantwoording van vraag 11.
Bent u bereid grondig onderzoek te doen naar de financiering van en de financiële terugtrekking uit het Agua Zarca project, waarbij in ieder geval wordt meegenomen welke controles er waren op de autorisatie van de betalingen aan het Agua Zarca project, wie daarvoor verantwoordelijk was en hoe het mogelijk is dat FMO de zaken zoals genoemd in het FD-artikel over het hoofd heeft gezien? Zo ja, bent u bereid in dat onderzoek het structurele karakter van dergelijke fouten bij FMO ook mee te nemen? Zo nee, waarom niet?
Gezien de lopende civiele procedure is een onderzoek nu niet aan de orde.
Bent u van mening dat de Nederlandse overheid alsnog verantwoordelijkheid moet nemen voor de onherstelbare materiele en immateriële schade die het project heeft veroorzaakt? Zo ja, hoe gaat u dit doen?
Er loopt momenteel een civiele procedure tegen FMO. Zoals in het antwoord op vraag 2 is aangegeven, doe ik geen uitspraken hangende deze procedure.
Wat is uw mening over de in het artikel genoemde stelling van FMO dat «een vraag die opnieuw en prangender voor ons ligt, is in hoeverre FMO nog actief kan en wil zijn in fragiele staten met ontoereikende wet- en regelgeving, waar de rule of law beperkt wordt gehandhaafd»? Bent u bereid zich in te zetten voor een gewijzigd mandaat waarbinnen FMO juist wel actief kan zijn in fragiele staten, waarbij de gemeenschappen die dienen te profiteren van economische ontwikkeling aan de basis staan van te ontwikkelen projecten? Zo ja, welke veranderingen moeten er volgens u bij FMO plaatsvinden om dit mogelijk te maken?
Het kabinet steunt het beleid van FMO om in fragiele en complexe omgevingen te investeren, omdat juist in deze omgevingen duurzame bedrijvigheid gericht op ontwikkelingsimpact zonder partijen als FMO nauwelijks tot stand komt en investeringen in het verbeteren van IMVO omstandigheden hard nodig zijn. Daarbij is het elementair dat de positieve impact voor lokale gemeenschappen wordt gemaximaliseerd. Dergelijke investeringen zijn al mogelijk binnen het mandaat van FMO.
Tegelijkertijd is het zeer complex om te opereren in een fragiele context en gaan daar IMVO- en financiële risico’s mee gepaard. Zoals in de beantwoording op vraag 9 is aangegeven, is het daarom van belang dat de risico’s in fragiele contexten zo vroeg, zo veel en zo fundamenteel mogelijk in kaart worden gebracht, dat als een investering verantwoord wordt geacht de restrisico’s worden gemitigeerd en dat FMO haar IMVO-beleid constant blijft aanscherpen op basis van geleerde lessen.
De FMO-evaluatie5 biedt een aantal concrete aanbevelingen voor deze aanscherping. Zo doet de evaluator de aanbeveling om minder afhankelijk te zijn van de klant voor de informatievoorziening en meer proactief lokale stakeholders te betrekken bij investeringen. De betrokkenheid van de lokale bevolking (die de situatie ter plaatse goed kent) is dus essentieel, evenals de samenwerking met maatschappelijke organisaties en de ambassades. Naast het mitigeren van risico’s kan deze betrokkenheid ook bijdragen aan het bestendiger maken van de businesscase en het vergroten van de ontwikkelingsimpact van een project. Desondanks is het onmogelijk om alle risico’s te mitigeren in landen waar regelgeving op het gebied van milieu en mensenrechten niet aanwezig is of niet wordt gehandhaafd. Het is belangrijk dat FMO zichzelf daarbij ook de vraag blijft stellen onder welke omstandigheden zij als ontwikkelingsbank niet meer in staat is een positief verschil te maken voor de lokale gemeenschappen.
Bent u bekend met het bericht «Streep door omstreden lening aan Hondurese bank» in het Financieel Dagblad van 19 mei 20212 over de ingetrokken lening van FMO aan de Hondurese bank FICOHSA, die wordt beschuldigd van betrokkenheid bij de financiering van Agua Zarca?
Ja. Ik ben bekend met dat bericht.
Kunt u bevestigen dat FMO geen informatie deelt over waarom is besloten de lening aan FICOHSA niet door te laten gaan en het proces waarmee dit besluit is genomen?
Ja. Ik heb van FMO begrepen dat FMO hierover geen informatie deelt.
Bent u het ermee eens dat het, juist na wat er is gebeurd in het Agua Zarca project, van groot maatschappelijk belang is om transparant te zijn over dergelijke omstreden financieringsaanvragen, juist voor het verbeteren van de omstandigheden in landen waar FMO zich op richt? Bent u bereid bij FMO aan te dringen deze informatie te delen met in ieder geval belanghebbende maatschappelijke organisaties?
Het kabinet is van mening dat het verbeteren van de transparantie voortdurend aandacht en aanpassing behoeft en dus nooit af is. Het kabinet onderstreept ook het belang van informatievoorziening en tijdige en voldoende aandacht voor potentiële negatieve gevolgen van FMO’s investeringen. Dit is onder andere van belang voor belanghebbende maatschappelijke organisaties. Het Ministerie van Buitenlandse Zaken is daarom in continue dialoog met FMO over verbeteringen op dit terrein en zal FMO aanspreken wanneer het van mening is dat FMO onvoldoende voortgang boekt.
De stappen die FMO de afgelopen jaren heeft gezet op dit terrein hebben er toe geleid dat FMO in de transparantiebenchmark op nummer 5 staat.7 De benchmark wordt uitgebracht door het Ministerie van Economisch Zaken en Klimaat en beslaat 236 Nederlandse bedrijven.
Ik heb van FMO begrepen dat ze stappen zet voor verdere verbetering van haar transparantiebeleid. Concreet betekent dit onder andere dat FMO met ingang van het komende jaar, van nieuw gecontracteerde private equity fondsen jaarlijks de onderliggende projecten (naam, sector, land) zal publiceren op haar website. Ook gaat FMO de tijdsduur van openbaarmaking voor projecten met een hoog milieu en sociaal risico verlengen van 30 naar 60 dagen, zodat belanghebbenden meer tijd krijgen om kennis te nemen van en vragen te stellen over het voorgenomen project. In dit overzicht kan FMO vanwege de commerciële gevoeligheid geen informatie delen over projecten waarvan FMO al heeft besloten om ze niet te financieren.
Herinnert u zich uw antwoord op eerdere vragen van het lid Teunissen en van Raan waarin u stelde dat er geen grote problemen zitten in de analyses op het gebied van Internationaal Maatschappelijk Verantwoord Ondernemen (IMVO) die door FMO worden uitgevoerd?3Bent u nu wel bereid te erkennen dat FMO structureel tekort schiet in het identificeren van risico’s van een financiering voor de lokale bevolking en hun leefomgeving, en het niet om incidenten gaat? Zo ja, welke stappen gaat u zetten om dit te verbeteren?
Ik herinner mij het antwoord en ik sta hier nog steeds achter. Er is veel geleerd van de investeringen waar problemen en misstanden ontstonden en die lessen zijn en worden meegenomen in het beleid van nu. Zie het antwoord op vraag 9 met betrekking tot een nadere duiding op het identificeren van risico’s en de te ondernemen stappen.
De Kamervragen die op 29 november jl. werden beantwoord. |
|
Fleur Agema (PVV) |
|
Hugo de Jonge (viceminister-president , minister volksgezondheid, welzijn en sport) (CDA) |
|
|
|
|
Bent u bekend met uw antwoorden op Kamervragen «De tabel gebaseerd op NICE-data waaruit blijkt dat er nu meer tachtigplussers met corona zijn opgenomen in onze ziekenhuizen dan vóór de start van de vaccinatiecampagne»?1
Ja.
Welk percentage van de met covid-19 in het ziekenhuis opgenomen tachtigplussers uit de afgelopen maand november 2021 was gevaccineerd?
Het RIVM heeft op dinsdag 30 november een nieuwe rapportage omtrent de vaccineffectiviteit tegen ziekenhuisopnames gepubliceerd2. In deze publicatie is een opsplitsing voor ouderen van 70 jaar en ouder.
In de periode van 1 tot en met 23 november was 66% van de opgenomen 70-plussers volledig gevaccineerd, 1% deels gevaccineerd en 32% niet gevaccineerd. Over de periode 11 juli tot en met 23 november was van deze zelfde doelgroep 61% volledig gevaccineerd, 2% deels gevaccineerd en 37% niet gevaccineerd.
Welk percentage van de met covid-19 in het ziekenhuis opgenomen tachtigplussers uit de afgelopen twee weken was gevaccineerd?
Zie antwoord vraag 2.
Op welke periode heeft de door u genoemde lagere vaccineffectiviteit van 86% onder tachtigplussers betrekking?
De genoemde vaccineffectiviteit van 86% in de beantwoording van de voorgaande vragen heeft betrekking op data uit de RIVM-rapportage van 18 november3 over data van 20 september tot en met 14 november 2021.
In de rapportage van 30 november is de vaccineffectiviteit berekend op 84% voor de 70-plussers over de periode van 29 september tot en met 23 november 2021.
Hoe groot is de verminderde vaccineffectiviteit onder tachtigplussers als alleen de afgelopen maand november erbij betrokken wordt?
In de vorige rapportage van het RIVM met data van 20 september – 14 november was de vaccineffectiviteit tegen ziekenhuisopname voor 70-plussers na volledige vaccinatie 86% (95% betrouwbaarheidsinterval: 84% – 87%). In de meest recente rapportage met data van 29 september – 23 november was deze effectiviteit 84% (95% betrouwbaarheidsinterval: 83% – 85%). Er lijkt dus sprake van een lichte afname. Het RIVM kan niet bepalen hoe sterk deze afname exact is, vanwege onzekerheden en de betrouwbaarheidsintervallen die gebruikt worden.
Hoe groot is de verminderde vaccineffectiviteit onder tachtigplussers als alleen de afgelopen twee weken erbij betrokken worden?
Het RIVM heeft mij laten weten dat zij de vaccineffectiviteit tegen ziekenhuisopname rapporteren met een minimale periode van 8 weken om zo de betrouwbaarheid van de uitkomsten te waarborgen.
Zie hiervoor ook mijn antwoord op vraag 5.
Bent u bereid deze vragen te beantwoorden voorafgaand aan het plenaire debat over de ontwikkelingen rondom het coronavirus d.d. 1 december 2021?
Ik ben bereid om u zo snel mogelijk van antwoorden te voorzien. Een termijn van enkele uren is echter niet mogelijk. De vragen zijn wel ruim binnen de termijn van 3 weken beantwoord.
De petitie van 700 distributiemedewerkers van GXO |
|
Bart van Kent |
|
Dennis Wiersma (staatssecretaris sociale zaken en werkgelegenheid) (VVD) |
|
Wat is uw oordeel over het bericht «FNV: H&M moet leverancier aanspreken op veiligheidscheck in pauze»?1
De werkgever is primair verantwoordelijk om te zorgen voor een gezonde en veilige werkomgeving. De werkgever dient zich daarbij te houden aan de geldende wettelijke kaders. Ook opdrachtgevers kunnen een rol spelen bij het bevorderen van gezond en veilig werken in de praktijk. In het kader van verantwoord opdrachtgeverschap is het van belang dat zij bij de aanbesteding, uitvoering en evaluatie van de opdracht rekening houden met gezond en veilig werken en hierover afspraken maken. Dit doet echter niets af aan de verantwoordelijkheid van de opdrachtnemer als werkgever.
Bent u het met de actievoerende distributiemedewerkers eens dat GXO de veiligheidscheck niet zou moeten uitvoeren in de tijd van de werknemers, maar in de tijd van de werkgever? Zo ja, wat gaat u hieraan doen?
Op basis van de Arbeidstijdenwet hebben werknemers bij werkdagen van meer dan 5,5 uur recht op minimale pauzetijden. Dit zijn pauzes van minimaal 15 minuten waarin de werknemer zijn tijd vrij kan besteden en zich met eigen zaken kan bezighouden. In die tijd mag de werkgever geen verplichtingen opleggen aan de werknemer.
De handhaving van deze pauzetijden is civielrechtelijk geregeld. Indien in het uiterste geval geen overeenstemming wordt bereikt tussen werkgevers en werknemers dan kunnen zij naar de rechter te stappen. Daarnaast kan bij vermoeden van niet-naleving van de arbeidswetten melding worden gedaan bij de Inspectie Sociale Zaken en Werkgelegenheid (hierna: Inspectie SZW). Bijvoorbeeld indien er het vermoeden is dat de maximale arbeidstijd uit de Arbeidstijdenwet wordt overschreden omdat de pauzetijd vanwege de opgelegde verplichtingen aan de werknemer als arbeidstijd moet worden gerekend. Wanneer meldingen via de ondernemingsraad of de vakbond worden ingediend, volgt altijd onderzoek door de Inspectie.
Wat vindt u ervan dat medewerkers van GXO tijdens een jaarlijkse inspectie van de Hennes & Mauritz (H&M) wordt opgedragen te zeggen dat zij geen Engels kunnen spreken om een goede controle te belemmeren?
Ik kan geen uitspraken doen over deze individuele casus. Voor wat betreft de arbeidsrechtelijke relatie tussen de werkgever en werknemer en mogelijke stappen die daarin ondernomen kunnen worden verwijs ik naar de antwoorden in vraag 2.
Wat vindt u ervan dat eerst GXO weigerde de petitie van de distributiemedewerkers in ontvangst te nemen, en gisteren ook de top van H&M dit weigerde?2
Ik kan dit niet beoordelen. Dit is een onderlinge zaak van werkgevers en werknemers.
Bent u bereid een onaangekondigde controle uit te voeren om vast te stellen of het beleid van GXO in Tilburg voldoet aan de wetten en regels? Zo ja, op welke termijn? Zo nee, waarom niet?
De Inspectie SZW heeft kennisgenomen van de aangehaalde berichten. Over individuele casuïstiek worden geen mededelingen gedaan. De Inspectie houdt risicogericht toezicht op de arbeidswetten, waaronder ook de Arbeidstijdenwet. Inspecties zijn veelal onaangekondigd. Bij vermoeden van niet-naleving van de arbeidswetten kan melding worden gedaan bij de Inspectie. Wanneer meldingen via de ondernemingsraad of de vakbond worden ingediend, volgt altijd onderzoek door de Inspectie.
De dubbelrol van een Amsterdamse rechter |
|
Michiel van Nispen |
|
Sander Dekker (minister zonder portefeuille justitie en veiligheid) (VVD) |
|
Wat is uw reactie op het artikel «Vraagtekens bij dubbelrol Amsterdamse rechter»?1
Voor een sterke, goed functionerende rechtspraak is het belangrijk dat rechters volop deelnemen aan het maatschappelijke leven. Het kunnen hebben van nevenfuncties maakt daar deel van uit. Daarom is het in Nederland rechters in zijn algemeenheid toegestaan nevenfuncties te hebben. Dit kunnen ook functies bij de overheid zijn.
Ik onderschrijf de in het artikel geuite overtuiging dat de onafhankelijkheid en onpartijdigheid van rechters boven elke twijfel verheven moet zijn. Dit betekent dat rechters nevenfuncties kunnen bekleden zolang deze niet in de weg staan aan een goede vervulling van het ambt en niet (de schijn van) partijdigheid met zich brengen. De Wet rechtspositie rechterlijke ambtenaren (Wrra) biedt daarvoor het wettelijk kader.
Artikel 44, eerste tot en met derde lid Wrra bevat een aantal wettelijke incompatibiliteiten. Een rechterlijk ambtenaar, met uitzondering van de plaatsvervangers, rechters in opleiding en officieren in opleiding, kan bijvoorbeeld niet tevens advocaat of notaris zijn. Voorts bepaalt artikel 44, vierde lid dat rechterlijke ambtenaren geen betrekkingen mogen vervullen waarvan de uitoefening ongewenst is met het oog op een goede vervulling van hun ambt of op de handhaving van hun onpartijdigheid en onafhankelijkheid of van het vertrouwen daarin. Het zesde lid bepaalt dat de functionele autoriteit beoordeelt of de vervulling van de betrekking ongewenst is met het oog op de in het vierde lid genoemde gronden. Tot slot bevat het vijfde en zevende lid regels over het melden van een nevenbetrekking.
Naast deze wettelijke regels hanteert de Rechtspraak de «Leidraad onpartijdigheid en nevenfuncties». Deze leidraad bevat onder andere de aanbeveling dat een rechter geen zaken behandelt waarbij hij of zij via een nevenfunctie zo betrokken is dat de onpartijdigheid ter discussie kan komen te staan.
Tot slot staan de wettelijke instrumenten van verschoning en wraking ter beschikking indien in een concrete zaak een risico van belangenverstrengeling bestaat. Een rechter moet zich verschonen als deze een zaak krijgt toebedeeld die het risico van (de schijn van) belangenverstrengeling in zich heeft. Indien een partij meent dat in zijn of haar zaak een risico van belangenverstrengeling aanwezig is, kan deze partij de rechter wraken.
Conform de wettelijke regeling is de voorgenomen aanvaarding van de betreffende functie bij de directie Strafrechtketen ter beoordeling voorgelegd aan de functionele autoriteit, in dit geval de president van de rechtbank Amsterdam. Vervolgens is deze nevenbetrekking geregistreerd in het openbare register nevenfuncties van de rechtspraak.
Vindt u de rollen van directeur Strafrechtketen bij uw ministerie en die van politierechter verenigbaar met het oog op de onafhankelijkheid van de rechterlijke macht?
Zoals toegelicht in het antwoord op vraag 1 is het aan de functionele autoriteit, in dit geval de president van het gerecht, om te beoordelen of de functiecombinatie ongewenst is. Het is niet aan mij om in dit oordeel te treden.
Hoe verhoudt deze aanstelling zich tot de onpartijdigheid van en het voorkomen van belangenverstrengeling bij rechters? En bij de rechterlijke macht in meer algemene zin?
Om de onafhankelijkheid en onpartijdigheid van de rechtspraak te waarborgen, zijn er voorwaarden verbonden aan het hebben van nevenfuncties, zoals uiteengezet in het antwoord op vraag 1. Daarnaast worden nevenfuncties van rechters geregistreerd in het voor iedereen raadpleegbare register nevenfuncties van de rechtspraak. Dit wettelijk kader en in aanvulling daarop de door de rechtspraak gehanteerde waarborgen, zijn ook van toepassing op de incidentele inzet als rechter.
Deelt u de mening dat het geen goed tegenargument is dat niet het ministerie, maar de Raad voor de rechtspraak, het Openbaar Ministerie en de politie de opdrachtgever van deze directeur zijn?
Nee. Zie het antwoord op vragen 1 tot en met 3.
Waarom is de regering van mening dat rechters geen lid kunnen zijn van de Staten-Generaal of het Europees Parlement, zoals ook de Groep van Staten tegen Corruptie (GRECO) van de Raad van Europa heeft aanbevolen, maar wel kunnen werken onder leiding van de Minister van Justitie en Veiligheid en diens directeur-generaal en secretaris-generaal?
De aanbeveling van de GRECO om de combinatie van het rechterschap en lidmaatschap van het parlement bij wet te verbieden is aanleiding geweest voor een wetsvoorstel waarin onder andere dit wettelijk verbod is opgenomen. Dit wetsvoorstel is op 11 november jl. in consultatie gegaan.2
Uitgangspunt van dit wetsvoorstel is dat het aantal incompatibiliteiten met het ambt van rechter zo beperkt mogelijk moet blijven. Invoering van nieuwe incompatibiliteiten is alleen gerechtvaardigd als het doel dat daarmee wordt gediend, het algemeen belang bij onafhankelijke rechtspraak, in een redelijke verhouding staat tot de beperkingen die het anderzijds voor individuele personen met zich brengt (het individueel belang). De regeling van incompatibiliteiten moet dan ook alleen betrekking hebben op fundamenteel onwenselijk geachte functiecombinaties. Dit heeft geleid tot de keuze om het verbod op gelijktijdige ambtsbekleding te beperken tot enerzijds het lidmaatschap van de Staten-Generaal of het Europees Parlement en anderzijds rechters. Bij deze keuze is ook meegewogen dat binnen de rechtspraak zelf het inzicht is gegroeid dat een striktere scheiding tussen de functiecombinatie rechter en lidmaatschap van de Tweede en Eerste Kamer wenselijk is. Deze functiecombinatie wordt daarom in voornoemde Leidraad onpartijdigheid en nevenfuncties ontraden.
Bent u bereid om de nevenfuncties van rechters verder aan banden te leggen in de wetswijziging die u recent aankondigde in het kader van het rapport van de GRECO, bijvoorbeeld als advocaat of ambtenaar van de uitvoerende macht? Zo nee, waarom niet?
Het voornemen van het kabinet om de combinatie van het rechterschap en lidmaatschap van het parlement bij wet te verbieden heeft zijn weerslag gekregen in voornoemd wetsvoorstel. Over de reikwijdte daarvan kan verder van gedachten worden gewisseld tijdens de parlementaire behandeling.
Het rapport 'No Forgiveness for People Like You,’ Executions and Enforced Disappearances in Afghanistan under the Taliban' |
|
Sjoerd Sjoerdsma (D66), Salima Belhaj (D66) |
|
Ben Knapen (minister buitenlandse zaken) (CDA) |
|
|
|
|
Bent u bekend met het rapport «No Forgiveness for People Like You». Executions and Enforced Disappearances in Afghanistan under the Taliban van Human Rights Watch waarin wordt gerapporteerd over gedwongen verdwijningen en executies van militair en civiel personeel, politieagenten en inlichtingenofficieren die voor de vorige Afghaanse regering hebben gewerkt?1
Ja.
Hoe oordeelt u over het feit dat de Taliban haar belofte om amnestie te verlenen aan het personeel van de vorige Afghaanse regering niet nakomt en de amnestiebrief soms als lokroep gebruikt om individuen alsnog gevangen te nemen of wel te executeren? Wat voor consequenties vindt u dat deze omgang met mensenrechten moet hebben?
De berichten zijn uiterst zorgelijk, en in strijd met de amnestie die de Taliban heeft afgekondigd voor personeel van de vorige regering. De amnestie is door vertegenwoordigers van het de-facto Taliban regime herhaald in gesprekken met de internationale gemeenschap, zo ook in de gesprekken met de Nederlandse en Duitse Speciaal gezanten tijdens hun bezoek aan Kaboel op 18 november jl. De Nederlandse gezant heeft tijdens het bezoek nadrukkelijk de verantwoordelijkheid van het de-facto Taliban regime onderstreept voor het zich onthouden van en tegengaan van vergeldingsacties tegen Afghanen die met het Westen geassocieerd worden en andere kwetsbare groepen, zoals mensenrechtenverdedigers, journalisten en hun fixers, vrouwelijke gezagsdragers, en NGO-medewerkers. In reactie hebben de leiders van het Afghaanse de facto regime bevestigd zich te willen houden aan de algemene amnestie die is afgekondigd toen zij aan de macht kwamen, en de noodzaak onderschreven deze boodschap ook in Afghanistan zelf meer voor het voetlicht te brengen. Het de-facto Taliban regime heeft tevens aan de internationale gemeenschap toegezegd de situatie te onderzoeken. Vanuit de internationale gemeenschap wordt in gesprekken benadrukt dat verdere engagement sterk afhankelijk is van de implementatie van dit soort toezeggingen.
Was u reeds op de hoogte van deze verdwijningen en executies van personeel van de vorige Afghaanse regering? Zo ja, wanneer wist u hier van?
Het kabinet was via de media en andere bronnen op de hoogte van geruchten dat, hoewel er geen sprake leek van systematische vergeldingsacties, verdwijningen en executies wel degelijk voorvielen. Deze geruchten zijn echter moeilijk te verifiëren, zo ook de achtergrond of wie daarvoor verantwoordelijk zijn. Het bestaan van de geruchten was echter wel aanleiding voor de Nederlandse gezant om tijdens het Nederlands-Duitse bezoek aan Kaboel de Taliban nadrukkelijk er op te wijzen dat zij zich dienden te onthouden van dergelijke vergeldingsacties en tevens dergelijke acties van anderen dienden tegen te gaan (zie ook het antwoord op vraag 2).
Tijdens een briefing over de mensenrechtensituatie in Afghanistan in de Mensenrechtenraad op 14 december jl. gaf de VN Ondercommissaris voor Mensenrechten, Nada Al-Nashif, aan dat er geloofwaardige aanwijzingen zijn dat er sprake is van meer dan 100 moorden op Afghanen die geassocieerd worden met de voormalige Afghaanse regering of veiligheidsdiensten. Tenminste 72 daarvan worden aan de Taliban toegeschreven. Daarnaast zijn er sinds augustus tenminste 8 activisten en 2 journalisten vermoord door onbekende gewapende mannen, en heeft UNAMA bijna 60 gevallen van bedreiging, mishandeling en arbitraire detentie gedocumenteerd.
Kunt u iets zeggen over de verhoudingen tussen mannen en vrouwen in deze gedwongen verdwijningen en executies?
Sinds de val van Kabul en het uiteenvallen van informatienetwerken is het een uitdaging om betrouwbare standaarden voor de verificatie van (burger)slachtoffers te hanteren, waaronder voor UNAMA. Op basis van de beschikbare informatie lijkt het merendeel van deze geweldsincidenten zich op mannen te richten. Dat neemt niet weg dat bijvoorbeeld ook vrouwelijke officiers van justitie in angst leven slachtoffer te kunnen worden van geweld door gedetineerden – al dan niet geaffilieerd met of in naam van de Taliban.
Concrete incidenten met vrouwelijke slachtoffers zijn onder andere de moord op vijf politieagentes, waaronder een zwangere vrouw, in Kandahar, Kapisa, Ghazni en Ghor provincie waarover is bericht in internationale media. De Taliban hebben enige vorm van betrokkenheid hierin ontkend. Amnesty International heeft in oktober jl. gerapporteerd over de dood van een 17-jarig Hazara meisje in Daykundi provincie, dat als burgerslachtoffer omkwam tijdens de buitenrechtelijke executie van elf voormalig (Hazara) ANDSF-leden.
Gebruikt de Taliban geavanceerd materieel van de westerse troepen, in handen gekregen na het vertrek van de NAVO deze zomer, bij het opsporen van haar tegenstanders? Zo ja, wat voor materieel wordt er waarschijnlijk gebruikt?
De Taliban maken bij het opsporen van tegenstanders waarschijnlijk geen gebruik van geavanceerd materieel van westerse troepen. Het is echter niet uit te sluiten dat hier in het geheel geen sprake van is.
Wat betekenen deze nieuwe feiten voor de omgang met schrijnende gevallen inzake de evacuatie- en asielregelingen voor mensen die voor het Nederlands belang hebben gewerkt in Afghanistan?
De Nederlandse regering zal blijven zoeken naar wegen om uitvoering te geven aan de overbrenging van de groepen die zijn genoemd in de Kamerbrieven van 11 oktober 2021 en 16 november 2021. Hierbij is, zoals eerder aangegeven in de Kamer, ruimte voor schrijnende gevallen.
Als u deze feiten op u laat inwerken, ziet u dan een groot verschil tussen de Taliban uit de jaren ’90 en de Taliban van nu? Zo ja, op welke vlakken?
In de jaren ’90 regeerden de Taliban vijf jaar lang over het land. Nu hebben zij pas een aantal maanden de macht. Het is nog vroeg om conclusies te trekken over de manier waarop de Taliban ditmaal zullen regeren. Anders dan in de jaren ’90 hebben de Taliban controle over het gehele gebied. Binnen het leiderschap lijken ook meer krachten doordrongen te zijn van de noodzaak om het land echt te gaan besturen, vergeleken met de jaren ’90. Dit betreft echter een momentopname, en zegt in principe nog weinig over de verdere ontwikkelingen in Afghanistan. Bovendien is de Taliban geen homogene groep. Ook dat maakt het moeilijk algemene conclusies te trekken over de wijze waarop de Taliban zich manifesteert.
In de korte tijd sinds de machtsovername op 15 augustus jl. is al wel duidelijk geworden dat er op het gebied van inclusiviteit in de zelfverklaarde interim-regering vooralsnog weinig verschil lijkt met de benadering van destijds. Dat er een amnestie werd afgekondigd was voorzichtig bemoedigend, maar signalen dat de wil of het vermogen ontbreekt om die af te dwingen, zijn verontrustend.
Op het gebied van vrouwenrechten lijken er vooralsnog wel verschillen te ontstaan: basisonderwijs is in een groeiend aantal provincies voor meisjes toegankelijk en ook universitair onderwijs voor vrouwen gaat in grote delen van het land door. In enkele provincies zijn ook middelbare scholen toegankelijk voor meisjes. Vrouwen lijken in bepaalde sectoren te mogen werken en deelname van vrouwen aan het openbare leven in stedelijke gebieden is aan minder verregaande beperkingen onderhevig dan in de jaren ’90. Wel is de positie van vrouwen sterk achteruit gegaan vergeleken met de afgelopen 20 jaar. Ook dit betreft echter een momentopname en het valt niet uit te sluiten dat verdergaande maatregelen ter onderdrukking van vrouwen nog zullen volgen. Het is daarom van belang dat de internationale gemeenschap hierover heldere en eensgezinde boodschappen richting de Taliban blijft afgeven. Ook de Nederlandse en de Duitse Gezanten hebben tijdens hun bezoek aan Kaboel specifiek de verwachtingen van de internationale gemeenschap over de positie van vrouwen en meisjes met de Taliban vertegenwoordigers besproken.
Kunt u er in internationale gremia, zoals de EU en de VN, voor pleiten dat in elk contact met de Taliban, op alle niveaus (district, regionaal, nationaal) met gedisciplineerde consistentie wordt aangedrongen op het naleven van mensenrechten en dat daarbij expliciet de gedwongen verdwijningen en executies worden benoemd, inclusief het belang van het veroordelen van dit soort praktijken en een functionerend rechtssysteem?
De internationale gemeenschap is eensgezind in de zorgen over de inclusiviteit en mensenrechten van de Afghaanse bevolking, en geeft hier richting de Taliban op alle niveaus consistent heldere boodschappen over af. De Ondercommissaris voor Mensenrechten benadrukte tijdens haar briefing aan de Mensenrechtenraad op 14 december jl. dat Afghanistan, ongeacht door wie het de facto wordt geregeerd, gebonden blijft aan diens internationale verplichtingen. Tijdens het bezoek van de Nederlandse en Duitse Speciaal Gezanten aan Kaboel op 18 november jl. is nadrukkelijk over deze onderwerpen gesproken (zie ook het antwoord op vraag 2), alsmede tijdens de dialoog die de EU met vertegenwoordigers van de Taliban had op 27–28 november jl. Het rapport van Human Rights Watch was daarnaast aanleiding voor de internationale gemeenschap om een gezamenlijke verklaring uit te doen gaan op 4 december jl., waarin de Taliban wordt opgeroepen de gerapporteerde schendingen te onderzoeken en ervoor te zorgen dat de door hen afgekondigde amnestie effectief gehandhaafd wordt.
In welke mate wordt er overwogen om mogelijke financiële (non-humanitaire) hulp aan Afghanistan onderhevig te maken aan bepaalde gerichte voorwaarden zodat de Taliban de juiste stappen neemt in de richting van haar internationaal rechtelijke verplichtingen als zijnde dede facto overheid van Afghanistan?
Nederlandse ontwikkelingssteun voor Afghanistan staat momenteel on hold. Indien besloten wordt ontwikkelingssteun te verlenen, dan staat de Afghaanse bevolking daarbij centraal. Zoals aangegeven in de Kamerbrief «Toekomstige hulp aan en inzet in Afghanistan» van 16 november jl. zou eventuele hulp moeten voldoen aan specifieke voorwaarden voor dienstverlening. Zo dient steun alleen via multilaterale organisaties of ngo’s te worden verstrekt, niet (direct of indirect) via de Taliban; mag er geen inhoudelijke bemoeienis van de Taliban plaatsvinden met beleid, uitvoering en management; en dient gelijke toegang zeker gesteld te zijn voor vrouwen en meisjes. Nederland pleit er in internationaal verband voor om ondersteuning te richten op die provincies waar aan de voorwaarden wordt voldaan, met het doel om daadwerkelijke daden op het gebied van de gestelde voorwaarden te stimuleren.
Kunt u er in internationale gremia op aandringen dat de United Nations Assistance Mission to Afghanistan (UNAMA) volledige toegang tot Afghanistan moet krijgen en behouden, inclusief bezoeken aan detentiecentra, om te rapporteren over misstanden en mensenrechtenschendingen?
Ja. UNAMA moet het volledige mandaat kunnen blijven uitvoeren, inclusief bezoeken aan detentiecentra. UNAMA rapporteert reeds over de mensenrechtensituatie in Afghanistan en moet dit kunnen blijven doen.
Kunt u er daarbij op aandringen dat UNAMA publiekelijk moet kunnen rapporteren en in dialoog moet kunnen treden met de Taliban over mensenrechtenschendingen?
Ja. UNAMA treedt in contact met de Taliban en mensenrechten worden hierbij besproken. UNAMA rapporteert reeds publiekelijk over de mensenrechtensituatie in Afghanistan en moet dit kunnen blijven doen.
Kunt u er tevens op aandringen dat UNAMA alle steun krijgt die het nodig heeft vanuit de internationale gemeenschap zodat het een zo groot mogelijk politiek en moreel mandaat krijgt om haar werk zo goed als mogelijk te doen, en er daarbij in VN-verband voor pleiten dat UNAMA de benodigde middelen en personeel krijgt die het nodig heeft?
Ja. De Nederlandse regering is voorstander van een zo robuust mogelijk mandaat voor UNAMA met de benodigde middelen en personeel om dit mandaat uit te voeren. Het mandaat van UNAMA wordt in maart 2022 door de VN-Veiligheidsraad opnieuw vastgesteld. Omdat Nederland geen lid is van de VN-Veiligheidsraad, pleit Nederland actief voor een robuust UNAMA-mandaat bij partners die wel in dit forum zitting nemen. Binnen de budgettaire commissie van de VN zet Nederland zich tevens specifiek in om UNAMA te voorzien van adequate, voorspelbare financiering.
Kunt u deze vragen afzonderlijk en voor het Kerstreces beantwoorden?
Ja.
De verplichting door gemeenten tot een alimentatieverzoek als al vaststaat dat dit geen kans van slagen heeft |
|
Renske Leijten , Bart van Kent |
|
Kajsa Ollongren (viceminister-president , minister binnenlandse zaken en koninkrijksrelaties) (D66), Dennis Wiersma (staatssecretaris sociale zaken en werkgelegenheid) (VVD) |
|
Bent u bekend met de uitspraak van de Rechtbank Noord-Holland, waarbij de rechter erop wijst dat mensen die op het bestaansminimum leven, en de gehele maatschappij, onnodig op kosten worden gejaagd als er een verplichting tot een alimentatieverzoek bestaat, terwijl al duidelijk is dat dit verzoek geen kans van slagen zal hebben?1
Ja, ik ben bekend met de door u aangehaalde uitspraak (ECLI:NL:RBNHO:2021:10845).
Bent u het met ons eens dat de rechtbank terecht afkeuring en zorgen uitspreekt over een gemeente die ogenschijnlijk «de papieren werkelijkheid van een checklist is gevolgd zonder de werkelijke situatie van de betrokken burgers te beoordelen»? Zo nee, waarom niet?
Ja. De gemeente heeft er hier voor gekozen om aan de bijstand de extra verplichting te verbinden tot het indienen van een alimentatieverzoek. Zo’n extra verplichting kan worden opgelegd indien de verplichting strekt tot vermindering van het beroep op bijstand. Deze bevoegdheid dient met de nodige zorgvuldigheid te worden gebruikt. Uit een eerdere uitspraak van de Centrale Raad van Beroep (ECLI:NL:CRVB:2017:3164) blijkt dat voor een verplichting tot het doen van een alimentatieverzoek geen ruimte is, indien het alimentatieverzoek geen kans van slagen heeft.
Kunt u ingaan op de uitspraak van de bewindvoerder dat in meerdere gemeenten de verplichting van een bij voorbaat kansloos alimentatieverzoek bestaat? In hoeveel gemeenten is dit het geval?
Indien gemeenten aan de bijstand de extra verplichting van een alimentatieverzoek willen verbinden, dienen zij zich van de opportuniteit van zo’n verzoek te vergewissen en de bijstandsgerechtigde met bijzondere bijstand te ondersteunen in de te maken kosten. Ik vind het onwenselijk als – zoals de rechter ook stelt – niet alleen de bijstandsgerechtigde, maar in beginsel de hele maatschappij onnodig op kosten wordt gejaagd.
Hoe vaak de geschetste situatie voorkomt, is mij niet bekend. Kijkend naar de gepubliceerde sociale zekerheidsjurisprudentie, stuit ik slechts op één procedure bij de Centrale Raad van Beroep (ECLI:NL:CRVB:2017:3164) aangaande een vanuit de gemeente opgelegde verplichting tot het doen van een alimentatieverzoek.
In hoeverre verhoudt volgens u deze opstelling zich tot uw oproep aan gemeenten: «Samen moeten we er voor zorgen dat de menselijke maat altijd centraal staat.», «Wie hulp zoekt, moet geholpen worden.» en «Laten we dit nooit vergeten: we zijn één overheid, en hebben samen één doel voor ogen. We besturen niet om te besturen, maar om de burger te dienen.»?2
Gelet op de rechterlijke uitspraak in deze casus, past deze niet bij het centraal stellen van de menselijke maat. Zoals vermeld, kunnen gemeenten aan de bijstandsverlening de verplichting verbinden tot het doen van een alimentatieverzoek. Die verplichting is opportuun indien de inschatting bestaat dat de ontstane bijstandsafhankelijkheid mede in het licht van de inkomenspositie van de ex-partner gevolgen heeft voor de alimentatieverplichtingen van deze ex-partner. Het gaat hier niet om een standaard verplichting, maar om een bevoegdheid van de gemeente die zij met de nodige zorg dient te gebruiken. Dat laatste houdt in dat zij zich via de bijstandsgerechtigde ervan dient te vergewissen dat het verzoek enige kans van slagen heeft en dat zij de bijstandsgerechtigde ook met bijzondere bijstand dient te ondersteunen bij eventueel met het verzoek samenhangende kosten. Uitgaande van de rechterlijke uitspraak, is dat hier ten onrechte achterwege gelaten, hetgeen niet past bij het centraal stellen van de menselijke maat.
Bent u bereid in kaart te brengen hoeveel vergelijkbare zaken er zijn gevoerd sinds de invoering van de Participatiewet en wat daarvan de maatschappelijke kosten zijn? Zo nee, waarom niet?
Dit is het eerste signaal dat mij op dit vlak bereikt, wat mij sterkt in het geloof dat gemeenten de gevraagde zorgvuldigheid ook betrachten. Ik vind een brede inventarisatie zoals u voorstelt in dat licht te vergaand en ik acht een dergelijke inventarisatie ook onuitvoerbaar. Er is geen register van afgewezen alimentatieverzoeken, noch zijn alle uitspraken in alimentatieverzoeken gepubliceerd, terwijl anderzijds ook niet elk afgewezen alimentatieverzoek van een bijstandsgerechtigde zonder meer als kansloos gekwalificeerd kan worden.
Zijn er vergelijkbare regelingen waarbij mensen genoodzaakt zijn om bij voorbaat kansloze procedures aan te spannen omdat zij anders gekort worden op uitkeringen of voorzieningen? Bent u bereid dit in kaart te brengen, door bijvoorbeeld in overleg te gaan met de Rechtspraak en gemeenten? Zo nee, waarom niet?
Ik benadruk hier nogmaals dat de wet gemeenten niet verplicht tot het opleggen van de gewraakte verplichting. Het gaat hier om een bevoegdheid, waarbij van de gemeente gevraagd mag worden dat zij een zorgvuldige afweging met betrekking tot de noodzaak van het opleggen van een dusdanige verplichting maakt. Daarbij ligt binnen het duale bestel de controle op die zorgvuldige uitvoering in eerste instantie ook bij de gemeenteraad.
Via zowel het traject naar een Participatiewet vanuit vertrouwen en met oog voor de menselijke maat als het onderzoek naar hardvochtigheden in de sociale zekerheid3 wordt op dit moment onderzoek gedaan naar regelingen die (mogelijk) in de praktijk hard uitpakken. Daartoe reken ik ook een verplichting tot het opstarten van een kansloze procedure. Over de eerste uitkomsten van het traject inzake Participatiewet bent u in juni4 van dit jaar bericht. De uitkomsten van het onderzoek naar hardvochtigheden zullen midden 2022 aan u worden aangeboden.
Bent u bereid om een wettelijke grondslag te creëeren zodat in zaken waar er bij voorbaat al vast te stellen is dat een dergelijk verzoek kansloos is, de proceskosten kunnen worden toegewezen aan gemeenten, zoals de rechtbank hier uiteenzet? Zo nee, waarom niet?
Het is niet mogelijk – zo stelt ook de rechtbank vast – om een partij die niet in de procedure betrokken is, in de proceskosten te veroordelen. Wel komen indirect de kosten van het proces bij de gemeente terecht nu de gemeente – omdat ze betrokkene tot het opstarten van de procedure heeft verplicht – gehouden is de hieruit voortvloeiende bijzondere kosten vanuit de bijzondere bijstand (artikel 35 Pw – zie o.m. ECLI:NL:CRVB:2006:AZ1426) te vergoeden.
Bent u bereid een einde te maken aan dit soort onnodige bureaucratische praktijken, die voor mensen onnodig stressvol en kostbaar zijn, en die de samenleving geld kosten en niets anders opleveren dan wantrouwen in de overheid? Zo nee, waarom niet?
Natuurlijk ben ik bereid dit bij gemeenten onder de aandacht te brengen. Gemeenten moeten zorgvuldig met de hen gegeven bevoegdheden omgaan en onnodige bureaucratische praktijken moeten zonder meer worden voorkomen. Zoals aangegeven is dit het eerste signaal dat mij in deze bereikt, wat mij sterkt in het geloof dat gemeenten de gevraagde zorgvuldigheid ook betrachten. Desalniettemin zie ik in de door u aangehaalde uitspraak wel aanleiding om gemeenten op hun verplichtingen te wijzen. Ik zal hiertoe in het aanstaande Gemeentenieuws een bericht opnemen.
Het bericht ‘Sociale media niet geschikt voor kinderen, concludeert Consumentenbond’ |
|
Don Ceder (CU) |
|
Stef Blok (VVD), Raymond Knops (CDA), Sander Dekker (VVD) |
|
|
|
|
Bent u bekend met het bericht «Sociale media niet geschikt voor kinderen, concludeert Consumenenbond»?1
Ja.
Wat is uw reactie op het feit dat geen enkel onderzocht sociaal medium serieus rekening houdt met de kinderen en dat hun privacyrechten worden geschonden?
Het is zorgelijk signalen te ontvangen dat socialemediaplatforms zich niet zouden houden aan de regels die de Algemene verordening gegevensbescherming (AVG) stelt voor het verwerken van persoonsgegevens. In de AVG wordt aan kinderen specifieke bescherming toegekend. Zo moet op grond van artikel 12, eerste lid, AVG de informatie en communicatie met betrekking tot de verwerking van de persoonsgegevens van een kind in begrijpelijke taal worden gesteld, zodat voor kinderen en hun ouders goed te begrijpen is wat er met die gegevens gebeurt. Wanneer deze regels niet zouden worden nageleefd, is het aan de Autoriteit Persoonsgegevens (AP) om hier een onderzoek naar in te stellen. De AP legt de komende jaren in het toezichtwerk extra nadruk op drie focusgebieden: datahandel, digitale overheid en artificiële intelligentie en algoritmes. Daarnaast is het een goede zaak dat toezichthouders uit verschillende landen tijdens de 43e gesloten sessie van de algemene vergadering van de Global Privacy Assembly in oktober 2021 een resolutie hebben aangenomen die ziet op aandachtspunten met betrekking tot de rechten van kinderen in de digitale wereld.2
Het kabinet zet zich in om de bewustwording onder jonge gebruikers van sociale media te vergroten. Zo heeft het kabinet met de campagne «denk 2x na voor je iets deelt» bijgedragen aan het vergroten van de bewustwording rondom het delen van foto’s of video’s waar anderen op staan, of het verspreiden van andermans teksten of andere informatie op sociale media.3 Daarnaast is het van belang dat bedrijven goed op de hoogte zijn van de rechten van kinderen. In dat kader heeft het Ministerie van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties (BZK) vorig jaar de Code voor Kinderrechten Online gepresenteerd.4 Die Code bestaat uit tien beginselen met praktische voorbeelden waarmee ontwerpers en ontwikkelaars van digitale diensten de fundamentele rechten van kinderen kunnen waarborgen. De beginselen zijn op zichzelf niet juridisch afdwingbaar, maar gebaseerd op wet- en regelgeving (zoals het VN-Verdrag inzake de Rechten van het Kind 1989) die wel degelijk juridisch bindend is.
Wat vindt u er van dat Facebook, Instagram, Snapchat, TikTok en YouTube kinderen reclame tonen op basis van hun persoonlijke kenmerken?
Het kabinet wil kinderen extra beschermen tegen niet-passende online reclame en kindermarketing en kinderen het recht geven om niet gevolgd te worden en geen dataprofielen te krijgen.5 Wanneer socialemediaplatforms persoonsgegevens verzamelen en willen gebruiken voor reclamedoeleinden, dan moeten de betrokkenen om wier persoonsgegevens het gaat daarover op grond van de AVG duidelijk worden geïnformeerd. In geval van toestemming geldt voor minderjarigen die nog niet de leeftijd van zestien jaar hebben bereikt dat toestemming vereist is van diens wettelijk vertegenwoordiger. Voor verwerking op basis van toestemming geldt dat deze onder andere vrijelijk, geïnformeerd en ondubbelzinnig moet zijn gegeven, en dus ook kan worden onthouden.
In Europees verband wordt momenteel onderhandeld over de verantwoordelijkheden van online tussenpersonen voor hun omgang met illegale, waaronder strafbare en onrechtmatige online inhoud, (Digital Services Act (DSA)). Het Europees parlement (EP) heeft bij het voorstel amendementen ingediend die beperkingen stellen aan het verwerken van persoonsgegevens van minderjarigen voor het online tonen van persoonlijke advertenties. Aan online platformen wordt in die amendementen ook een verbod opgelegd om gepersonaliseerde advertenties aan minderjarigen online te tonen. Het kabinet steunt dan ook het doel dat het EP nastreeft om kinderen online beter te beschermen, bijvoorbeeld door een verbod op profilering of door privacy-by-design een verplicht onderdeel van het ontwerp van de online dienst te maken. Het kabinet heeft wel zorgen over de mogelijke implicaties voor de gegevensbescherming van het voorstel van het EP om een verbod op gepersonaliseerde advertenties op te nemen in de DSA. Het kabinet wil voorkomen dat online platformen de verplichting om de leeftijd te verifiëren aangrijpen om aanvullende persoonlijke gegevens van hun gebruikers te verzamelen. Dat is zowel onwenselijk als technisch en juridisch onnodig.
Wat vindt u ervan dat Snapchat en TikTok het gedrag van kinderen komen om zo tot nóg persoonlijkere advertenties te komen?
Zie antwoord vraag 3.
Maakt u zich grote zorgen dat kinderen op sommigen sociale media niet de klant maar het product zijn, waaraan door advertenties geld wordt verdiend?
Ja. Het kabinet zet zich in voor betere bescherming van kinderen online. Wanneer persoonsgegevens worden verwerkt zonder rechtmatige grondslag, wordt in strijd met de AVG gehandeld. In het geval van kinderen geldt dat ook. Kinderen verdienen binnen de AVG immers een specifieke bescherming.
Bent u het eens met de stelling dat het oneerlijk is om advertentieprofielen van kinderen bij te houden, ondermeer omdat zij op de persoon afgestemde reclame nog niet goed kunnen beoordelen?
Ja, zie ook de antwoorden bij vraag 2, 3, 4 en 5. Het kabinet wil kinderen extra beschermen tegen niet-passende online reclame en kindermarketing en kinderen het recht geven om niet gevolgd te worden en geen dataprofielen te krijgen. In het geval van kinderen zullen verwerkingsverantwoordelijken zich er ook nu al bewust moeten zijn van de extra verantwoordelijkheid die de AVG oplegt ten aanzien van het gebruik van duidelijke en begrijpelijke communicatie.
Bent u het eens met de stelling dat de overheid ook een verantwoordelijkheid heeft voor de bescherming van kinderen in het digitale domein? Zo ja, hoe geeft u deze verantwoordelijkheid handen en voeten?
Ja, zie ook het antwoord op de vragen 3 en 4. Tijdens het Commissiedebat Bescherming Persoonsgegevens van 20 mei 2021 sprak uw Kamer al met de toenmalig Minister voor Rechtsbescherming over het onderzoek van de Consumentenbond: Children and Data Protection – How the term «specific protection» for children under the GDPR should be implemented by social media platforms»6 De toenmalig Minister voor Rechtsbescherming had toegezegd in de volgende rapportage de Tweede Kamer te informeren over aanvullende mogelijkheden voor de bescherming van persoonsgegevens van kinderen. Bij de uitwerking van de werkagenda digitalisering, zoals aangekondigd in de hoofdlijnenbrief beleid digitalisering, zal ook deze ambitie ten aanzien van de bescherming van kinderen ter hand worden genomen en zal uw Kamer daar nader over worden geïnformeerd.
Welke mogelijkheden ziet u om de positie van kinderen in nationale regelgeving te versterken?
Het wetsvoorstel Verzamelwet gegevensbescherming voorziet in een wijziging van artikel 5 van de Uitvoeringswet AVG (UAVG). Deze wijziging stelt jongeren vanaf 12 jaar gemakkelijker in staat om toestemming voor de verwerking van persoonsgegevens in te kunnen trekken. Dit wetsvoorstel is afgelopen najaar aangeboden aan de Afdeling advisering van de Raad van State en zal vermoedelijk voor de zomer bij uw Kamer worden aangeboden.
Een versterking van de positie van kinderen valt in de eerste plaats te realiseren door naleving van de bestaande regelgeving. De AVG schept duidelijke verplichtingen voor verwerkingsverantwoordelijken, juist in het geval het persoonsgegevens van kinderen betreft. Het kabinet juicht het dan ook toe dat de AP zich met dit onderwerp bezighoudt zoals genoemd in het antwoord op vraag 2. Daarnaast heeft dit kabinet extra middelen vrijgemaakt voor de AP en heeft het kabinet middelen gereserveerd voor de oprichting van een algoritmetoezichthouder.7
Bent u bereid bij de gesprekken over de Digital Services Act, harde en afdwingbare voorwaarden te stellen over: Kunt u op elk van bovenstaande voorwaarden afzonderlijk ingaan?
Zoals in antwoord op vraag 3 en 4 heeft het EP bij het bepalen van zijn positie voor de onderhandelingen met lidstaten en Europese Commissie (EC) van de DSA amendementen voorgesteld die gepersonaliseerd adverteren richting minderjarigen moet beperken. Zoals ook bij het antwoord van vraag 3 en 4 aangegeven, staat het kabinet sympathiek tegenover de doelstelling om kinderen online beter te beschermen, bijvoorbeeld door een verbod op profilering of door privacy-by-design een verplicht onderdeel van het ontwerp van de online dienst te maken. Er zijn wel zorgen over de implicaties voor de gegevensbescherming van het amendement van het EP voor een verbod op het gebruik van profielen van kinderen voor advertentiedoeleinden. Het zou disproportioneel zijn wanneer online platformen de verplichting om de leeftijd te verifiëren aangrijpen om aanvullende persoonlijke gegevens van hun gebruikers te verzamelen, zoals kopieën van identiteitsbewijzen. Dat is juridisch onwenselijk en technisch onnodig. Het kabinet zet zich er ook voor in dat de vormgeving van diensten niet leidt tot het manipuleren van gebruikers, of hen anderszins beperken in het vrijelijk maken van keuzes of hun autonomie.
Zoals gemeld bij de andere antwoorden van deze Kamervragen legt de AVG verwerkingsverantwoordelijken al speciale verplichtingen op ten aanzien van het gebruik van duidelijke en begrijpelijke communicatie. In geval van toestemming, geldt bij de AVG voor minderjarigen die nog niet de leeftijd van zestien jaar hebben bereikt al dat toestemming vereist is van diens wettelijk vertegenwoordiger. Voor toestemming geldt dat deze onder andere vrijelijk, geïnformeerd en ondubbelzinnig moet zijn gegeven, en dus ook kan worden onthouden.
Indien dit enkel Europees kan, is dit ook uw inzet bij de gesprekken over de Digital Services Act?
Zie antwoord vraag 9.
Welke mogelijkheden ziet u om de Code Kinderrechten bindend te maken voor applicaties die zich op kinderen richten? Welke lessen kunt u hierbij trekken uit de Britse Age Appropriate Design Code en de implementatie hiervan?2
Er bestaat al regelgeving om kinderen te beschermen in de onlinewereld van apps, games en andere software. De AVG is daar een voorbeeld van, maar ook de grondrechten van kinderen zoals die zijn neergelegd in het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie of in het VN-Verdrag voor de Rechten van het Kind zijn belangrijk. De Code voor Kinderrechten is een instrument om te helpen bij de naleving van deze bestaande wet- en regelgeving. In die zin is het niet anders dan andere instrumenten met dat doel, zoals de gegevensbeschermingseffectbeoordeling (DPIA) of het Impactassessment voor Mensenrechten en Algoritmen (IAMA). De Age Appropriate Design Code uit het Verenigd Koninkrijk heeft als voorbeeld gediend bij het uitwerken van de Code Kinderrechten.
Bent u bereid om samen met andere landen te komen tot een Europese bindende Code Kinderrechten waar bedrijven die in Europa applicaties aanbieden aan kinderen zich hebben te houden?
Ik juich Europese samenwerking op dit terrein toe en zal de Code voor Kinderrechten onder de aandacht brengen van de EC. De EC heeft in haar Kinderrechtenstrategie 2021–2024, waarin ook een onderdeel gaat over de digitale en informatiesamenleving, aangekondigd om de Europese Strategie voor een Beter Internet voor Kinderen in 2022 te actualiseren. De Code voor Kinderrechten kan daarbij als inspiratie dienen.
Welke bewindspersoon is nu verantwoordelijk voor de bescherming van kinderen en het handelen van socialemediabedrijven hierin, gezien de Digital Services Act wordt behandeld door de Minister van Economische Zaken, de Minister voor Rechtsbescherming verantwoordelijk is voor persoonsgegevens en het Ministerie van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties betrokken partij is bij de Code voor Kinderrechten?
Zoals uiteengezet in de hoofdlijnenbrief beleid digitalisering zal dit kabinet onder mijn regie volop inzetten op het benutten van kansen die de digitale transitie ons biedt en waar nodig normerend optreden naar publieke en private partijen. Daarnaast zet de Minister van Economische Zaken en Klimaat zich in voor onze digitale economie en digitale infrastructuur en de Europese (digitale) interne markt. De Minister voor Rechtsbescherming richt zich op gegevensbescherming en digitale rechtsbescherming in algemene zin en is er verantwoordelijk voor dat rechten op een effectieve wijze beschermd zijn.
Het bericht dat met corona besmette studenten toch naar VU gaan door aanwezigheidsplicht |
|
Peter Kwint (SP) |
|
Ingrid van Engelshoven (minister onderwijs, cultuur en wetenschap) (D66) |
|
|
|
|
Wat is uw reactie op het bericht «Met corona besmette studenten gaan toch naar VU door aanwezigheidsplicht»?1 2
Ik vind het zorgelijk dat studenten in dergelijke situaties druk voelen om naar de instelling te komen. Het is van groot belang dat iedereen zich aan de geldende coronamaatregelen houdt.
Deelt u de mening dat het handhaven van de aanwezigheidsplicht de gezondheid van docenten, studenten en medewerkers van de VU in gevaar brengt doordat studenten die besmet zijn met corona naar colleges komen? Zo nee, waarom niet?
Het is niet de bedoeling dat studenten, docenten en andere medewerkers die in quarantaine behoren te zitten toch fysiek aanwezig zijn op de instelling. Van instellingen wordt verlangd om naar passende oplossingen te zoeken als studenten niet naar de opleiding kunnen komen vanwege de quarantaineregels. Van de VU heb ik begrepen dat er sprake is van extra coulance voor de aanwezigheid voor studenten. Zo is de aanwezigheidsplicht voor werkgroepen binnen de opleiding Psychologie versoepeld en roept de VU studenten op om in gesprek te gaan met de opleiding indien niet aan de aanwezigheidsplicht kan worden voldaan door corona. Er wordt dan gekeken naar een passende oplossing. Met deze mogelijkheden wordt mijn inziens voldoende rekening gehouden met het waarborgen van een veilige werkomgeving voor studenten, docenten en werknemers.
Deelt u de mening dat het absurd is dat de aanwezigheidsplicht voor bepaalde colleges wordt gehandhaafd? Zo nee, waarom niet?
Van studenten mag worden verwacht dat zij zich inzetten om fysiek onderwijs te volgen en daar mag een instelling eisen aan stellen, zoals een aanwezigheidsplicht. Het is tevens de verantwoordelijkheid van de onderwijsinstellingen om een veilig werk- en onderwijsklimaat te creëren voor studenten, docenten en medewerkers. Indien er studenten zijn die door de quarantaineplicht thuis moeten blijven en het daarom niet verantwoord is om naar de onderwijsinstelling te komen, dan wordt van de instelling verwacht dat zij in redelijkheid meedenkt met deze studenten en ervoor zorgt dat zij toch zoveel mogelijk het onderwijs kunnen volgen, zonder hierbij vertraging op te lopen.
Waar kunnen studenten terecht die door een coronabesmetting niet naar colleges kunnen en zo dus niet aan de aanwezigheidsplicht kunnen voldoen?
In eerste instantie kunnen studenten zich afwezig melden bij het eerste aanspreekpunt binnen hun instelling, bijvoorbeeld bij de docent. Deze kan met de student op zoek gaan naar een oplossing. Mochten de consequenties van corona langdurig zijn, dan kan een student zich voor advies ook wenden tot een tutor, studieadviseur of de examencommissie.
Zijn er bij u andere opleidingen bekend waar studenten die besmet zijn alsnog naar de campus komen omdat zij moeten voldoen aan een aanwezigheidsplicht?
Er zijn bij mij enkele signalen bekend dat studenten niet in quarantaine blijven, omdat ze een tentamen of onderwijsactiviteit met aanwezigheidsplicht hebben op de instelling. Ik blijf in contact met de onderwijskoepels en studentenorganisaties om dergelijke signalen op te vangen en hierover in gesprek te gaan voor passende oplossingen.
Bent u bereid om in gesprek te gaan met instellingen, en de opleiding Psychologie aan de VU in het bijzonder, teneinde ervoor te zorgen dat in het geval van een besmetting of quarantaineplicht er coulance wordt betracht bij de verplichte aanwezigheid?
Ik heb hierover contact gehad met de VU. De VU geeft aan in eerste instantie te werken met het reguliere examenreglement. De faculteiten zijn daarnaast gevraagd om te kijken naar aanvullende maatregelen. Zij raden daarbij alle studenten aan om bij afwezigheid door klachten of besmetting in overleg te gaan met hun opleiding of examencommissie, zeker als ze daarmee studievertraging dreigen op te lopen. Daarnaast voer ik gesprekken over deze en andere coronazaken met de onderwijskoepels en zal deze gesprekken ook voortzetten.
Welke oplossing kan er voor besmette studenten worden gevonden die te maken hebben met een aanwezigheidsplicht voor colleges? Waarom kunnen zij in dit geval de werkcolleges niet online volgen?
Het is aan de instelling om met de student(en) in gesprek te gaan over een passende oplossing. In overleg met de onderwijskoepels en studentenorganisaties, zal ik in het servicedocument hoger onderwijs de verantwoordelijkheid van onderwijsinstellingen om in dit geval maatwerk te bieden, nader expliciteren.
De aanvraag bij het EU Solidariteitsfonds. |
|
Habtamu de Hoop (PvdA), Lilianne Ploumen (PvdA) |
|
Barbara Visser (minister infrastructuur en waterstaat) (VVD) |
|
|
|
|
Wat is de laatste stand van zaken van de aanvraag bij het Solidariteitsfonds van de Europese Unie (hierna: EU Solidariteitsfonds) naar aanleiding van de overstromingen in Limburg afgelopen juli?
Er is een aanvraag ingediend bij het EU Solidariteitsfonds, waarbij de eerste inschatting van de totale schade gebaseerd is op de Quick Scan van de Rijksdienst voor Ondernemend Nederland (RVO) aangezien de definitieve schade nog niet bekend is. In de correspondentie met Brussel is dan ook opgenomen dat het gaat om «A first estimation of the total damage». De Europese Commissie zal op basis van de aanvraag van Nederland een voorstel doen aan de Raad en het Europese Parlement voor ondersteuning vanuit het EU Solidariteitsfonds. Het is de verwachting dat begin 2022 helder wordt of en hoeveel middelen Nederland uit het EU Solidariteitsfonds zal ontvangen.
Voor welke doeleinden wilt u het geld uit het EU Solidariteitsfonds inzetten indien de aanvraag wordt gehonoreerd?
Na eventuele toekenning neemt het kabinet een besluit over besteding van de middelen. Het kabinet hecht eraan te benadrukken dat of en hoeveel middelen Nederland uit het EU Solidariteitsfonds ontvangt, geen gevolgen heeft voor de gedupeerde burgers en ondernemers die een beroep doen op de regeling tegemoetkoming waterschade op grond van de Wet tegemoetkoming schade bij rampen (Wts) die eerder met de Kamer is gedeeld. Kortom, de uitkeringen op grond van de Wts staan volledig los van het feit of Nederland middelen uit het EU Solidariteitsfonds krijgt.
Kunt u toezeggen dat eventuele middelen vanuit dit fonds aanvullend op de Wet tegemoetkoming schade bij rampen (Wts) worden ingezet in Limburg, bijvoorbeeld om schade aan publieke infrastructuur te herstellen?
Een eventuele bijdrage uit het EU Solidariteitsfonds zal worden ingezet voor de afhandeling van de schade aan en herstel van de publieke infrastructuur in Limburg. Het EU Solidariteitsfonds is een fonds dat is opgericht om overheden financieel te kunnen ondersteunen bij maatregelen tijdens en na natuurrampen.
Kunt u de Kamer inzage geven in de aanvraag voor het EU Solidariteitsfonds?
Het ingediende schadeformulier is nog niet definitief. Bij de aanvraag is uitgegaan van een eerste inschatting van de schade gebaseerd op de Quick Scan van de RVO. De aanvraag loopt en de indiening is nog niet definitief. Zodra deze definitief is, wordt de Tweede Kamer nader geïnformeerd.
Het bericht dat verzekeraars jagen op miljarden in het nieuwe pensioenstelsel |
|
Bart van Kent |
|
Dennis Wiersma (minister zonder portefeuille onderwijs, cultuur en wetenschap) (VVD), Wopke Hoekstra (viceminister-president , minister buitenlandse zaken) (CDA) |
|
Wat vindt u ervan dat verzekeraars op jacht gaan naar pensioenmiljarden bij ondernemingspensioenfondsen in het nieuwe pensioenstelsel?1
De overgang naar het nieuwe pensioenstelsel brengt met zich mee dat het overgrote deel van de pensioenovereenkomsten moet worden aangepast. Dit kan voor werkgevers en werknemers aanleiding zijn om de bestaande uitvoerder te heroverwegen. Voor pensioenfondsen kan het aanleiding vormen om na te denken over hun toekomst en of ze door willen gaan onder de nieuwe regelgeving. Dynamiek in de pensioensector is op zichzelf niets nieuws. Het laatste decennium is het aantal pensioenfondsen als gevolg van liquidaties en fusies fors gedaald van circa 1000 naar circa 200 fondsen. Dit heeft zijn grondslag in het beperken van de kosten en het kunnen blijven voldoen aan de toegenomen eisen die aan professionele pensioenuitvoering worden gesteld. Als het pensioenfonds besluit te gaan liquideren, heeft het pensioenfonds de mogelijkheid om de bestaande verplichtingen over te dragen aan een bedrijfstakpensioenfonds, een algemeen pensioenfonds of een verzekeraar.
De overgang naar het nieuwe pensioenstelsel wijzigt niets aan de verantwoordelijkheid van de werkgever om de regeling onder te brengen bij een van de wettelijk toegestane pensioenuitvoerders. De keuze voor een uitvoerder zal afhankelijk zijn van verschillende factoren, bijvoorbeeld op grond van het type contract of kosten. Aan de onderbrenging van een pensioenregeling gaat een zorgvuldig proces vooraf. Bij een proces van onderbrenging van reeds opgebouwde rechten naar een andere pensioenuitvoerder zijn wettelijke eisen van toepassing, waarbij de fondsorganen zoals het verantwoordingsorgaan of het belanghebbendenorgaan een advies- respectievelijk goedkeuringsrecht hebben. Daarnaast dient een waardeoverdracht gemeld te worden bij DNB waarna DNB de waardeoverdracht beoordeelt en eventueel een verbod oplegt als de waardeoverdracht niet in het belang van de deelnemers is. In dit proces wordt nadrukkelijk gekeken naar de impact op deelnemers en evenwichtige belangenafweging voor werkenden en gepensioneerden.2
Hoeveel ondernemingspensioenfondsen verwacht u dat overgenomen gaan worden door verzekeraars in het nieuwe stelsel?
Aan de onderbrenging van de pensioenovereenkomst bij een pensioenuitvoerder gaat, zoals in het antwoord op vraag 1 benoemd, een zorgvuldig proces vooraf. Dat is in het huidige pensioenstelsel het geval en zal ook in het nieuwe pensioenstelsel het geval zijn. Het is vooraf niet volledig in te schatten welke keuzes partijen hierin zullen maken. Uit een recente uitvraag van DNB onder pensioenfondsen, blijkt dat circa 20 procent van alle pensioenfondsen verwacht te liquideren.3 Vrijwel al deze fondsen hebben een beheerd vermogen van minder dan 1 miljard euro. Het is daarbij niet bekend wat de verwachting is voor wat betreft het type uitvoerder waarnaar bestaande pensioenaanspraken worden overgedragen.
Acht u het wenselijk dat ondernemingspensioenfondsen overgaan in verzekeraars?
De keuze voor een bepaalde pensioenuitvoerder hangt af van vele factoren. Zoals hierboven beschreven biedt de wetgeving ruimte voor verschillende soorten pensioenuitvoerders. Nadat betrokken partijen een keuze hebben gemaakt voor de nieuwe pensioenregeling kan een uitvoerder worden gezocht die daar het beste bij past. Het kan zijn dat betrokken partijen van mening zijn dat een verzekeraar deze pensioenovereenkomst het beste kan uitvoeren, bijvoorbeeld vanwege het type contract of de kosten. Hetzelfde geldt bij keuze van een sociale partners en het pensioenfonds om reeds bestaande verplichtingen onder te brengen bij een andere uitvoerder. Het is niet aan mij als Minister om daar een oordeel over te hebben.
Welke effecten zal de overname van ondernemingspensioenfondsen hebben op de pensioenen van werkenden en gepensioneerden? Welke kosten kunnen hierdoor optreden voor de pensioenen van werkenden en gepensioneerden? Welke effecten zal dit hebben op de solidariteit in het stelsel? Kunt u deze vragen uitwerken voor verschillende scenario’s en verschillende hoeveelheden overnames?
Zoals aangegeven in de beantwoording van vraag 1 gaat aan de onderbrenging van de pensioenovereenkomst bij een pensioenuitvoerder een zorgvuldig proces vooraf, waarbij DNB een waardeoverdracht kan verbieden als deze niet in het belang van de deelnemers is.
Op dit moment is geen inschatting te maken van het aantal pensioenovereen-komsten dat op dit moment bij een ondernemingspensioenfonds is ondergebracht en in het nieuwe stelsel bij een verzekeraar zal worden ondergebracht. Daarbij is het ook nog de vraag voor welke pensioenovereenkomst in dat scenario wordt gekozen. Zoals hierboven aangegeven is dat de verantwoordelijkheid van de betrokken partijen, die daarbij ook het kostenaspect in ogenschouw zullen nemen.
Welke effecten zijn er op de zeggenschap van gepensioneerden en werkenden over hun pensioengeld en het beleggingsbeleid wanneer hun pensioengeld in een pensioenfonds overgenomen wordt door een verzekeraar?
Bij een pensioenfonds zijn vertegenwoordigers van belanghebbenden vertegenwoordigd in het bestuur en in de fondsorganen. Iedere pensioenfondsbestuurder, dus ongeacht of deze bestuurder een onafhankelijk bestuurder is of een zetel bekleedt namens de werknemer, werkgever of gepensioneerde heeft de bestuurstaak om de belangen evenwichtig af te wegen.4 Bij pensioenfondsen wordt ook specifiek de risicohouding en daaruit volgend het beleggingsbeleid vastgesteld na overleg met de pensioenfondsorganen.
In het algemeen gelden bij verzekeraars andere regels met betrekking tot de medezeggenschap. Een werkgever die zijn pensioenregeling onderbrengt bij een verzekeraar sluit daartoe een contract met die verzekeraar, waarin zo nauwkeurig mogelijk beschreven staat tot welke prestaties de verzekeraar verplicht is en welke premie de werkgever daarvoor betaalt. Verzekeraars zijn geen beslisbevoegden, in tegenstelling tot pensioenfondsen, en hebben geen ruimte om inhoudelijke beslissingen te maken over de invulling van de pensioenregeling. Het is de werkgever die, in samenspraak met de ondernemingsraad, de beslissingen neemt over de invulling van de regeling. De ondernemingsraad komt op grond van de Wet op de Ondernemingsraden een instemmingsbevoegdheid toe over ieder besluit tot vaststelling, wijziging of intrekking van pensioenregelingen.
Verzekeraars hebben de verplichting om te zorgen dat het product dat zij aanbieden is afgestemd op de doelgroep. Dat geldt ook voor bijvoorbeeld het beleggingsbeleid. De AFM gaat in het rapport «Sectorbeeld Pensioenen 2021» in op keuzevrijheid van deelnemers in het beleggingsbeleid specifiek bij premieregelingen.5 De meeste deelnemers bij verzekeraars (85%) kunnen gebruik maken van beleggingsvrijheid, te weten door middel van door de pensioenaanbieder gedefinieerde beleggingsverhoudingen (profielbeleggen) en/of door zelf de beleggingen te kiezen (opt-out beleggen). Daarnaast komt uit het rapport naar voren dat de meeste deelnemers bij verzekeraars zeggenschap hebben over de ingangsdatum van het pensioen, over de variatie in uitkeringshoogte en ook uitruilmogelijkheden hebben tussen verschillende typen pensioen.
Welke mate van extra winst, procentueel en in absolute cijfers, verwacht u dat verzekeraars gaan maken als resultaat van de overgang naar het onwenselijke nieuwe pensioenstelsel? Kunt u een overzicht geven van hun huidige omzet, deelnemersaantal en winsten?
In 2019 bouwden er circa 820 duizend deelnemers actief pensioen op bij een verzekeraar en circa 480 duizend bij een premiepensioeninstelling. De premie-inleg in dat jaar bedroeg bij verzekeraars € 4,8 miljard en bij premiepensioeninstellingen € 1,8 miljard. Het aantal deelnemers en de totale premie-inleg bij pensioenfondsen is aanzienlijk groter (5,9 miljoen actieve deelnemers en € 35,4 miljard premie-inleg).6 Een openbaar totaaloverzicht van de winsten die verzekeraars maken op pensioenuitvoering is mij niet bekend. Op voorhand is geen inschatting te maken van mogelijke verschuivingen in het marktaandeel tussen verschillende pensioenuitvoerders.
Welke mate van extra winst, procentueel en in absolute cijfers, verwacht u dat pensioenadviseurs gaan maken als resultaat van de overgang naar het complexe nieuwe pensioenstelsel? Kunt u een overzicht geven van hun huidige omzet, winsten en hoeveelheid pensioenfondsen en pensioenuitvoerders die adviesverzoeken doen?
Het is niet mogelijk om een overzicht van de gevraagde informatie te geven, omdat deze informatie niet beschikbaar is. Om die reden is het eveneens niet mogelijk om een inschatting te maken van de (eventuele) extra winst die pensioenadviseurs gaan maken als gevolg van de overgang naar een nieuw pensioenstelsel. Wel zal in het wetsvoorstel een inschatting worden gegeven van de regeldrukeffecten en uitvoeringskosten van de stelselherziening voor werkgevers, burgers en pensioenuitvoerders.
Klopt het dat er schijnbaar maar één commerciële aanbieder is die alle pensioen gerelateerde diensten binnen de eigen organisatie kan aanbieden te weten «Defined Benefit (db-) en Defined Contribution (dc)-regeling, een Premie Pensioen Instelling (PP) en een uitvoerder»? Hoe is dit zo gekomen? Acht u het wenselijk dat één private organisatie een dusdanig dominante positie inneemt?
Eind 2019 waren er in Nederland in totaal 206 pensioenaanbieders actief, waaronder dertien verzekeraars en zeven premiepensioeninstellingen.7 Deze aanbieders concurreren met elkaar bij het aanbieden van tweedepijlerpensioen. Verzekeraars bepalen – binnen de wettelijke kaders – zelf welke diensten en producten zij aanbieden. Zij bepalen ook zelf hoe ze zich organiseren. Een aantal verzekeraars, premiepensioeninstellingen en algemeen pensioenfondsen is onderdeel van een groep. Hierbinnen worden de verschillende typen producten aangeboden, via de dochterondernemingen, te weten een premiepensioeninstelling, levensverzekeraar of een algemeen pensioenfonds. Zij bepalen ook zelf of ze diensten, zoals vermogensbeheer en pensioenadministratie, uitbesteden of zelf uitvoeren.
Gegeven de verscheidenheid van commerciële aanbieders is het dan ook niet zo dat als één verzekeraar alle pensioengerelateerde diensten aanbiedt, deze aanbieder daarmee ook op voorhand een dominante positie inneemt. Het kabinet heeft op dit moment geen signalen dat er sprake zou zijn van een dominante positie van één pensioenuitvoerder. De ACM houdt hierop toezicht vanuit mededingingsperspectief.
Wat gaat u doen om de pensioenen van werkenden en gepensioneerden te beschermen voor een overnamecircus waar enkele spelers dominant worden en grote private winsten behalen, maar pensioenbelangen in het gedrang kunnen komen?
Aan de onderbrenging van de pensioenovereenkomst bij een pensioenuitvoerder gaat een zorgvuldig proces vooraf. Bij een proces van onderbrenging van opgebouwde rechten naar een andere pensioenuitvoerder zijn wettelijke eisen van toepassing, zoals de eis dat sprake moet zijn van actuariële en collectieve gelijkwaardigheid, waarbij de fondsorganen zoals het verantwoordingsorgaan of het belanghebbendenorgaan een advies- respectievelijk goedkeuringsrecht hebben op de waardeoverdracht. Daarnaast heeft de toezichthouder DNB de mogelijkheid om de waardeoverdracht te verbieden, indien niet is voldaan aan de wettelijke waarborgen. In dit proces wordt dus nadrukkelijk gekeken naar de impact op deelnemers en evenwichtige belangenafweging voor werkenden en gepensioneerden.8 Ook zijn alle pensioenuitvoerders gebonden aan wetgeving en vallen zij onder het toezicht van DNB. Dat is in het huidige pensioenstelsel het geval en zal ook in het nieuwe pensioenstelsel het geval zijn. Ik heb dan ook geen aanleiding om te veronderstellen dat door een mogelijke verandering van uitvoerder de pensioenbelangen in het gedrang kunnen komen.
Deelt u de mening dat voor zoiets onmisbaars als pensioen ook een publiek alternatief dat het algemeen belang van werkenden en gepensioneerden dient, moet bestaan tegenover de winstbeluste private aanbieders, zeker wanneer de zogenaamde marktwerking zo verstoord is door overnames, enkele aanbieders die dominant zijn en de wettelijke regelingen en verplichtingen rondom pensioen?
Ik ben van mening dat op de huidige pensioenmarkt veel pensioenuitvoerders actief zijn. Daarnaast biedt de wetgeving waaraan deze pensioenuitvoerders moeten voldoen werkenden en gepensioneerden zekerheid en bescherming. Een publiek alternatief is dus niet nodig.
In welke mate hebben de verzekeraars of hun vertegenwoordigers bij u of uw ambtenaren gelobbyd of invloed uitgeoefend om tot deze overgang naar een nieuwe stelsel te komen? Welke rol hebben zij gespeeld in de totstandkoming van het Pensioenakkoord?
Zoals ook vermeld in de Hoofdlijnennotitie uitwerking pensioenakkoord, die in juni 2020 aan uw Kamer is aangeboden, is het Verbond van Verzekeraars, evenals de Pensioenfederatie en de beide toezichthouders DNB en AFM, als adviseur betrokken geweest bij de stuurgroep uitwerking pensioenakkoord. Daarnaast heeft het Verbond (evenals de Pensioenfederatie) tijdens de internetconsultatie inbreng geleverd. Van deze mogelijkheid hebben ook verschillende individuele verzekeraars en pensioenfondsen gebruik gemaakt. Deze inbreng is terug te vinden op https://internetconsultatie.nl/wettoekomstpensioenen. In totaal zijn 484 reacties openbaar. In de toelichting bij het wetsvoorstel wordt verantwoording afgelegd over hoe is omgegaan met alle consultatie-inbreng.
Wellicht ten overvloede merk ik nog op dat in beginsel elk wetsvoorstel op het terrein van pensioenwetgeving gedurende het wetgevingstraject wordt besproken met de beide uitvoeringsorganisaties (Pensioenfederatie en Verbond van verzekeraars) om te bezien welke uitvoeringsaspecten van belang zijn. Uiteraard is het de verantwoordelijkheid van het kabinet om de uitvoeringsaspecten te wegen in verhouding tot de beleidsmatige wensen. Ook leveren de uitvoerders vaak een formele inbreng in tijdens de internetconsultatie. Dit is per wetsvoorstel terug te vinden op de website internetconsultatie.nl.
Kunt u een overzicht geven van de voorstellen van verzekeraars of hun vertegenwoordigers die verwerkt zijn in het Pensioenakkoord en in de Wet toekomst pensioenen die recentelijk naar de Raad van State is verzonden?
Het wetsvoorstel toekomst pensioenen is een uitwerking van het tussen kabinet en sociale partners gesloten Pensioenakkoord en wordt openbaar op het moment dat het voor indiening naar Uw Kamer wordt gestuurd. Zoals hierboven is opgemerkt wordt in de memorie van toelichting bij het wetsvoorstel verantwoording afgelegd over hoe is omgegaan met de inbreng die is ontvangen in de consultatiefase.
Kunt u een overzicht geven van de voorstellen van pensioenadviseurs of hun vertegenwoordigers die verwerkt zijn in het Pensioenakkoord en in de Wet toekomst pensioenen die recentelijk naar de Raad van State is verzonden?
Zie antwoord vraag 12.
Kunt u een overzicht van alle ontmoetingen, formeel en informeel, die de Minister en de Staatssecretaris van Sociale Zaken en Werkgelegenheid hebben gehad met verzekeraars of hun vertegenwoordigers sinds 2007 toesturen met daarbij graag een overzicht van de besproken zaken, met specifiek uitgelicht wanneer de positie of belangen van verzekeraars in het nieuwe pensioenstelsel is besproken?
Op basis van de beschikbare informatie is in de onderstaande gesprekken tussen afgevaardigden van de verzekeringssector en de bewindspersonen van Financiën en SZW de positie van verzekeraars in het nieuwe pensioenstelsel aan de orde gekomen. Hierbij is gekeken naar de agenda’s van de bewindspersonen in de kabinetten Rutte II en Rutte III, omdat de huidige stelselherziening zijn oorsprong vindt in de keuzes die onder Rutte II zijn gemaakt (met onder meer de Pensioendialoog in 2015 en de Perspectiefnota in 2016). Per gesprek is voor zover bekend het gespreksonderwerp weergegeven. Daarbij dient opgemerkt te worden dat in een deel van deze gesprekken een breed palet aan onderwerpen besproken is, waarbij de rol van verzekeraars in het nieuwe pensioenstelsel daar een van was.
Kunnen we ditzelfde overzicht ontvangen voor de Minister en Staatssecretaris van Financiën voor alle gevallen sinds 2007 waar zij pensioen of daar aan gerelateerde onderwerpen hebben besproken met verzekeraars of hun vertegenwoordigers?
Zie antwoord vraag 14.
Het bericht ‘Facebook vs. Zeewolde: hoe lokale politici moeten beslissen over een landelijke kwestie’. |
|
Queeny Rajkowski (VVD), Silvio Erkens (VVD) |
|
Kajsa Ollongren (minister defensie) (D66), Stef Blok (VVD), Dilan Yeşilgöz-Zegerius (minister justitie en veiligheid) (VVD) |
|
|
|
|
Bent u bekend met het bericht «Facebook vs. Zeewolde: hoe lokale politici moeten beslissen over een landelijke kwestie»?1
Ja, daar ben ik mee bekend.
Hoe oordeelt u over het feit dat er in Zeewolde wellicht een van de grootste datacentra van Europa gebouwd gaat worden?
In de Nationale Omgevingsvisie (NOVI)2 wordt aangegeven dat de vestiging van nieuwe hyperscale datacenter(cluster)s een goede ruimtelijke afweging en afstemming vergt met andere belangen in de leefomgeving. In de NOVI wordt de voorkeur uitgesproken om hyperscale datacenters te vestigen aan de randen van Nederland, op locaties waar veel aanbod is van (hernieuwbare) elektriciteit, waar aansluiting op het elektriciteitsnetwerk kan worden geboden en waar ruimte minder schaars is. De voorkeur gaat uit naar vestiging in de randen van Nederland, zoals op de bestaande locaties Eemshaven en Middenmeer. Daarnaast geeft de NOVI richtingen mee voor het benutten restwarmte, landschappelijke inpassing en duurzame energie.
De provincie en gemeente hebben hierbij eigen afwegingen gemaakt. Voor realisatie van het beoogde bedrijventerrein zijn Rijksgronden benodigd. Als grondeigenaar heeft de Staatssecretaris van BZK, mede namens de Ministers van BZK en LNV en de Staatssecretaris van EZK, voorwaarden gesteld voor de verkoop aan de gemeente Zeewolde. Deze liggen in het verlengde van keuzes in NOVI, zijn gebaseerd op een advies van het College van Rijksadviseurs (CRa) en betreffen maximale energiezuinigheid van servers, maximale opwekking van zonne-energie op daken en gevels van het datacenter, minimaal gebruik van water voor koeling en het gebruik van restwarmte voor een warmtenet.
Welke impact heeft de komst van grote hyperscale datacentra op de internationale concurrentiekracht van het economisch kerngebied van Nederland en onze digitale infrastructuur ten opzichte van regionale, kleinere datacentra?
Rond Amsterdam zitten veel co-locatie (of multi-tenant) datacenters met zeer snelle onderlinge verbindingen. Dit zorgt voor zogeheten hyperconnectiviteit tussen deze datacenters. Op dit moment hebben maar vijf steden in Europa3, waaronder Amsterdam, de unieke vestigingsvoorwaarden voor (hyperconnectiviteit)datacenters. Dit is dus bijzonder en speelt een belangrijke faciliterende rol voor de Nederlandse maar ook de Europese digitale economie. Deze hyperconnectiviteit rond Amsterdam draagt bij aan een zeer gunstig vestigingsklimaat voor co-locatie datacenters en bepaalde dienstverlening waarvoor hyperconnectiviteit een vereiste is.
Hyperscale datacenters zijn voor de kwaliteit van hun dienstverlening niet genoodzaakt om zich te vestigen in een regio met hyperconnectiviteit, internationale ontsluiting vindt plaats via eigen connecties met hyperconnectiviteitsclusters. Dit betekent dat de locatie waar het hyperscale datacenter is gevestigd vanuit het perspectief van de gebruiker weinig uitmaakt.
Dit heeft tot gevolg dat hyperscale datacenters weinig bijdragen aan het in stand houden van of uitbreiden van de in Nederland bestaande hyperconnectiviteitsclusters, onderdeel van de Nederlandse digitale infrastructuur en daarbij voor de ambitie uit het coalitieakkoord om van Nederland een digitaal knooppunt te maken. Ook faciliteren co-locatie datacenters meer dan hyperscale datacenters regionale partijen in hun digitaliseringsbehoefte, omdat hyperscale datacenters primair worden gebruikt voor het opslaan van data of het verlenen van dienstverlening voor de internationale markt. Dit betekent dat de vestiging van hyperscale datacenters een relatief beperkte invloed heeft op de internationale concurrentiekracht van Nederland en de digitale infrastructuur ten opzichte van co-locatie datacenters.
Deelt u de mening dat het van belang is dat Nederland haar koploperspositie niet verliest aan Frankfurt, Londen, Amsterdam, Parijs (de FLAP-steden), Noord-Ierland of Zweden? Kan dit ook zonder de komst van hyperscale centra?
Nederland heeft vanwege de vele onderlinge verbindingen van co-locatie datacenters rond Amsterdam een koploperpositie binnen Europa op het gebied van hyperconnectiviteit. Deze hyperconnectiviteit rond Amsterdam draagt bij aan een zeer gunstig Nederlands vestigingsklimaat voor multi-tenant datacenters en bepaalde dienstverlening waarvoor hyperconnectiviteit een vereiste is.
De FLAP-D steden zijn van groot belang voor de doorvoer van internetverkeer in Europa. Nederland fungeert hierbij als datacenterrotonde van Europa. De hyperconnectiviteitsclusters rond de FLAP-D steden bedienen zowel de nationale als Europese markt. Het is van belang dat Nederland deze belangrijke rol blijft houden, mede omdat het voor alle in Europa gevestigde bedrijven en organisaties het van belang is dat de (Europese) datacentercapaciteit groeit.
Hyperscale datacenters dragen weinig tot niet bij aan het in stand houden van of uitbreiden van de in Nederland bestaande hyperconnectiviteitsclusters. Dit betekent dat de Nederlandse koppositie op het gebied van hyperconnectiviteit behouden kan blijven zonder de aanvullende vestiging van hyperscale datacenters.
Deelt u de mening dat een slimme datacenterstrategie ook betekent dat er gekeken wordt naar het opvangen en gebruiken van restwarmte, een lang gekoesterde wens van menig datacentrum?
Ja, het streven dient altijd te zijn om restwarmte voor zover mogelijk te benutten. Maar of dit daadwerkelijk lukt is complex en van de specifieke situatie afhankelijk. Een haalbare businesscase voor een warmtenet is van veel factoren afhankelijk. Datawarmte is van (zeer) lage temperatuur (in de regel 20–30°C4, soms hoger) en moet opgewaardeerd worden indien een bestaand of beoogd warmtenet een hogere temperatuur heeft. Cruciaal is dat er voldoende warmtevraag moet zijn in de nabijheid van een datacenter; het vollooprisico is één van de grootste belemmeringen voor een goede business case. Het gebruik van warmtebronnen is vraaggestuurd; een warmtebedrijf bepaalt uiteindelijk of het afnemen van restwarmte zinvol is om een kosteneffectieve warmtevoorziening te realiseren.
EZK stelt kaders en instrumenten ten behoeve van de benutting van restwarmte. O.a. via het wetsvoorstel voor de Wet Collectieve Warmtevoorziening waarin een «ophaalrecht» voor restwarmte is opgenomen. Hiermee krijgen restwarmteproducenten zoals datacenters de verplichting om hun restwarmte af te staan aan een warmtebedrijf indien die daarom vraagt en dat met de aanleg van een warmtenet mogelijk maakt, waarbij uitsluitend de feitelijke uitkoppelkosten aan de restwarmteproducent worden vergoed. De SDE++-subsidie biedt financiële ondersteuning bij het realiseren van duurzame warmteprojecten en helpt de uitkoppelkosten te dekken.
Wat is de impact van dit soort grote datacentra op de netproblematiek, gezien het feit dat de energietransitie op veel vlakken vastloopt op de beschikbare netcapaciteit? Deelt u de mening dat regio-overstijgende sturing voor dit soort ingrijpende besluiten (over)belasting van het stroomnet kan voorkomen?
Datacenters leggen net als andere grootverbruikers een relatief groot beslag op de beschikbare transportcapaciteit van het elektriciteitsnet. Een aanvraag van een grootverbruiker op een plek waar er nog maar beperkte transportschaarste is voor afname van elektriciteit kan tot extra knelpunten leiden. Het creëren van extra (complementaire) vraag op plekken waar deze elektriciteit niet weg kan worden getransporteerd kan juist verlichting brengen in de ontstane transportschaarste5.
Decentrale overheden hebben de mogelijkheid om sturing te geven aan allerlei (maatschappelijke) initiatieven via het ruimtelijk beleid. Pas als decentrale overheden de bestemmingen mogelijk maken en ruimtelijke vergunningen verlenen, zal een initiatief zich kunnen vestigen en aangesloten kunnen worden. Het is dus belangrijk dat decentrale overheden in een vroeg stadium rekening houden met beschikbare netcapaciteit bij ruimtelijke inpassing van zowel initiatieven als netinfrastructuur. In dit verband is voorts relevant dat het Rijk – zoals aangekondigd in het coalitieakkoord – naar aanleiding van het grote beslag op duurzame energie in verhouding tot de economische en maatschappelijke meerwaarde, de landelijke regie voor hyperscale datacenters zal aanscherpen en ook de toelatingscriteria voor de vergunningverlening. De Minister voor Volkshuisvesting en Ruimtelijke Ordening komt hier dit voorjaar in een gezamenlijke brief met de Minister voor Klimaat en Energie op terug.
Klopt het dat dit datacentrum meer energie zal verbruiken dan de provincie Flevoland of de stad Amsterdam?2 Hoe gaat die energie opgewekt worden?
Als de datacentercampus volledig gebouwd is (dat gebeurt gefaseerd en beslaat een periode van 2021–2028), kan het totale jaarlijkse verbruik groeien tot 1,38 TWh volgens de plannen.
Het elektriciteitsverbruik van Flevoland is zo’n 2 TWh en het elektriciteitsverbruik van de gemeente Amsterdam is zo’n 4,6 TWh. De vergelijking wordt vaak gemaakt met het elektriciteitsverbruik van huishoudens. In 2020 was het elektriciteitsverbruik van de huishoudens in Nederland 22% van het totale elektriciteitsverbruik (KEV, 2021). Dus het klopt dat het datacenter in de eindsituatie meer elektriciteit verbruikt dan huishoudens in Flevoland of Amsterdam. Overigens is de huidige productie van hernieuwbare elektriciteit in Flevoland momenteel zo’n 2,7 TWh, groeiend naar maximaal 5,8 TWh in 2030 (bron: Monitor RES 1.0 PBL). Alleen al het nabij gelegen windpark Groen zal jaarlijks zo’n 1,8 TWh produceren, wat dus meer is dan het datacenter maximaal zal gebruiken in de eindsituatie.
Vraag en aanbod van elektriciteit in ons land zijn op elk moment van de dag in balans. Productie van elektriciteit zal in toenemende mate via wind en zon verlopen. In 2030 dient er volgens het Klimaatakkoord 84 TWh hernieuwbare elektriciteit uit wind en zon te zijn. Dit is dan ca. 75% van de vraag.
De Stuurgroep extra opgave7 raamt de extra elektriciteitsvraag voor datacenters in 2030 tussen de 5–15 TWh ten opzichte van het Klimaatakkoord. De Stuurgroep adviseert tevens hiervoor extra wind op zee te realiseren. In lijn met de moties Boucke c.s.8 wordt ingezet op het mogelijk maken van 10 GW aan extra wind op zee tot rond 2030. Een volgend kabinet zal besluiten over de precieze omvang van de opgave.
Wat is de impact van dit datacentrum op de capaciteit van het stroomnet? Wat betekent de komst hiervan voor de continuïteit van andere grote stroomgebruikers in de regio?
Ik heb geen zicht op de exacte impact van dit initiatief op het elektriciteitsnetwerk. De netbeheerder zal moeten beoordelen of de gevraagde transportcapaciteit ook op korte termijn geleverd kan worden of dat dit nog aanvullende investeringen vergt. Andere gebruikers worden niet direct geraakt. Netbeheerders dienen bij het uitgeven van transportcapaciteit rekening te houden met de benodigde transportcapaciteit die de gezamenlijk gebruikers van het net nodig hebben. De netbeheerders publiceren een actueel overzicht van de beschikbare transportcapaciteit.9 Hieruit blijkt dat er een transportprobleem is voor wat betreft invoering van elektriciteit (door o.a. zon- en windinstallaties) en niet voor afname.
Welke trajecten voor de komst van regionale kleine of hyperscale datacentra lopen er op dit moment? Om welk type datacentrum gaat het, om welke locaties gaat het en per wanneer?
Voor zover bekend, op basis van de informatie van TenneT en de Netherlands Foreign Investment Agency (NFIA), lopen er rond de 20 à 25 projecten voor de vestiging en uitbreiding van datacenters in Nederland. Dit is ook toegelicht in de brief over datacenters van 17 december jl. (Kamerstuk 32 813, nr. 968). Dit betreffen datacenters van uiteenlopende grootte die in verschillende fases van voorbereiding zitten; van zeer globale tot concrete plannen. Het gaat onder andere om projecten in de regio’s Noord-Holland, Flevoland en Groningen. Meer specifieke informatie ten aanzien van de locatie van de projecten en aanvragen voor aansluitingen op het elektriciteitsnet is bedrijfsvertrouwelijk en mag niet door de NFIA of TenneT worden gedeeld. Dit aantal is overigens niet uitputtend. Het is mogelijk dat er ook bij lokale overheden projecten lopen, waar op nationaal niveau geen zicht op is.
Het is tot slot goed om te benadrukken dat bedrijven bij dergelijke investeringsprojecten vaak verschillende locaties in verschillende landen vergelijken om zo tot een vestigingslocatiekeuze te komen. Daarom is het dus zeer onzeker of deze lopende projecten uiteindelijk ook tot nieuwe vestigingen in Nederland zullen leiden, en zo ja op welke termijn. In de praktijk zien we daarbij dat bedrijven met datacenters, door de teruglopende beschikbaarheid van fysieke ruimte en stroom, steeds vaker kiezen voor een locatie buiten Nederland.
Wat is de impact van dit soort grote datacentra op het energiebesparingsdoel dat Nederland heeft vanuit de Europese Commissie?
Het energieverbruik van datacenters, net als dat van andere energieverbruikers, telt mee voor het EU-energieverbruiksdoel zoals vastgelegd in artikel 3 van de Energy Efficiency Directive (EED). Dit doel is vertaald naar een energieverbruiksniveau in 2030, zowel voor primair als finaal energieverbruik. De precieze impact van grootschalige datacenters op het Nederlandse aandeel van het Europese energieverbruiksdoel is niet te geven.
Volgens het CBS verbruikten datacenters in 2020 2,8% van de totale elektriciteit in Nederland. Indien datacenters in de toekomst (netto) meer energie verbruiken, zal het energieverbruik van andere verbruikers verder moeten afnemen om aan de EU-verbruiksdoelen te voldoen. Dit geldt overigens ook indien andere energie-intensieve bedrijven zich in Nederland vestigen of in de toekomst meer energie verbruiken. Voor datacenters zijn er eisen met betrekking tot energie-efficiëntie vastgelegd in de Erkende Maatregelenlijst energiebesparing (EML Commerciële Datacenters). Vanaf 2023 vallen alle datacenters, inclusief de grote datacenters, automatisch onder de energiebesparingsplicht.
In de voorgestelde herschikking van de EED worden er op EU-niveau strengere eisen aan datacenters gesteld. Zo komt er een verplichting om energieverbruik van datacenters te monitoren en rapporteren. De herschikking van de EED is onderdeel van het Fit-for-55 pakket dat momenteel in Brussel wordt besproken.
Is de energie-infrastructuur aangepast in zowel (groot) Amsterdam als Almere, zoals te lezen is in de «Ruimtelijke Strategie Datacenters»?3 Zo nee, waarom niet en wanneer en hoe gaat dit gebeuren? Hoe zit het met de andere locaties die in de strategie worden genoemd?
Pas als decentrale overheden de bestemmingen mogelijk maken en ruimtelijke vergunningen verlenen, zal een initiatief zich kunnen vestigen en aangesloten kunnen worden op het elektriciteitsnet. Het is bij het maken van deze ruimtelijke plannen belangrijk om ook na te denken over de afstemming met het energiesysteem.
De netbeheerder zelf maakt geen onderscheid tussen functies en sluit functies aan op volgorde van binnenkomst. De netbeheerder zal bij een aansluitverzoek moeten beoordelen of de gevraagde transportcapaciteit ook op korte termijn geleverd kan worden of dat dit nog aanvullende infrastructuurversterkingen vergt.
De netbeheerders werken op veel locaties in Nederland aan de versterking van de elektriciteitsinfrastructuur. Dit gebeurt echter niet voor een specifieke sector.
Op welke manier is er afstemming geweest tussen lokale bestuurders, de provincie en de rijksoverheid en wat is er afgesproken over randvoorwaarden voor de bouw van het datacentrum?
In aanloop naar de mogelijke vestiging van het Meta datacenter in Zeewolde hebben de netbeheerders de Minister van Economische Zaken en Klimaat advies gevraagd over een bijzondere wijze van aansluiting op het hoogspanningsnet die Meta wenste. Vervolgens is getoetst of de Elektriciteitswet deze bijzondere wijze van aansluiting toestond, en geconstateerd dat dit het geval is.
Op dat moment zijn ook de provincie Flevoland en gemeente Zeewolde benaderd over de vestiging, waar zij benadrukten een zorgvuldige afweging te hebben gemaakt en grote belangen te hechten aan de vestiging.
Een van de vervolgstappen van de provincie en gemeente was het verzoek aan het Rijk om rijksgronden te verkopen in het kader van de beoogde bestemmingswijziging en daaraan gekoppelde procedures. Naar aanleiding van dit verzoek heeft het Rijk, in overleg met de gemeente en provincie, aan het College van Rijksadviseurs (CRa) de opdracht gegeven voor een verkenning naar een optimaler ontwerp en inpassing van het datacenter. De Staatssecretaris van BZK stelde, mede namens de Ministers van BZK en LNV en de Staatssecretaris van EZK, op basis van deze verkenning de onder antwoord 2. genoemde voorwaarden. Op dit moment heeft Zeewolde nog geen aangepast plan gedeeld, het Rijksvastgoedbedrijf is in afwachting van dit aangepast plan.
Welke afspraken zijn er gemaakt met Meta/Facebook over onder andere het betalen van (lokale) belastingen, het wel of niet ontvangen van subsidies, de komst van arbeidsplaatsen en watercompensatie?
De inhoudelijk betrokkenheid van het Rijk bij deze mogelijke investering van Facebook richtte zich op de netaansluiting en de mogelijke verkoop van grond van het Rijksvastgoedbedrijf. Belastingen, subsidies, arbeidsplaatsen en watercompensatie waren geen onderwerpen in deze gesprekken. In de gesprekken tussen het Rijksvastgoedbedrijf en de gemeente over de eventuele verkoop van de grond zijn voorwaarden van het Rijk gesteld. Daarbij zijn ook de processtappen besproken die voorschrijven dat de gemeente zorgt voor een aangepast plan, het Rijk deze laat toetsen en vervolgens beoordeelt en daarna beslist over verkoop (zie de brief van de Staatssecretaris van BZK van 13 december jl.11).
Deelt u de mening dat het niet wenselijk zou zijn als lokale politici en bestuurders zonder afstemming met provincie en rijksoverheid zouden besluiten over de komst van een datacentrum vanwege de regio-overstijgende consequenties?
De NOVI is zelfbindend voor het Rijk maar geeft ook de onder 2 genoemde richtingen mee voor deze afwegingen.
Het verdient daarbij voorkeur als provincies zelf beleid formuleren voor vestiging van datacenters en de inrichting van locaties. Het Rijk gaat hier met provincies over in overleg. In lijn met het coalitieakkoord zal dit kabinet de landelijke regie en de toelatingscriteria ten aanzien van (hyperscale) datacenters aanscherpen. De Minister voor Volkshuisvesting en Ruimtelijke Ordening zal hier komt hier dit voorjaar in een gezamenlijke brief met de Minister voor Klimaat en Energie op terug.
Deelt u de mening dat de komst van een regionaal klein datacentrum bij kan dragen aan de internationale concurrentiekracht van het economisch kerngebied van Nederland en het onze digitale infrastructuur versterkt, mits het geen blokkerende impact heeft op het Nederlandse stroomnet? Zo nee, waarom niet? Zo ja, wilt u dit meenemen in de datacentervisie die naar de Tweede Kamer wordt gestuurd?
Het merendeel van de datacenters in Nederland zijn regionale datacenters waarvan een groot deel in de regio Amsterdam gevestigd is. Regionale (co-locatie) datacenters spelen een belangrijke faciliterende rol in de digitalisering van Nederlandse bedrijven en organisaties en daarmee de internationale concurrentiekracht van deze bedrijven maar datacenters in Nederland zorgen ook voor uitstekende internationale connectiviteit. Clusters van co-locatie datacenters rond Amsterdam en de AMS-IX zorgen voor deze zeer snelle internationale verbindingen, de zogenoemde hyperconnectiviteit. Deze hyperconnectiviteit draagt bij aan de goede digitale infrastructuur en is daarmee ook gunstig voor het Nederlands vestigingsklimaat, met name voor multi-tenant datacenters en bepaalde dienstverlening waarvoor hyperconnectiviteit een vereiste is. De Metropoolregio Amsterdam (MRA) houdt bij het opstellen van de nieuwe verstedelijkingsstrategie met het oog op groei van deze hyperconnectiviteitclusters dan ook rekening met de beschikbare (toekomstige) energie-infrastructuur. Met betrekking tot de datacentervisie verwijs ik u naar het antwoord op vraag 16.
Deelt u de mening dat er meer landelijke sturing moet zijn en dat er meer duidelijkheid moet komen over het beleid rondom het bouwen van datacentra in Nederland? Zo ja, welke randvoorwaarden zouden hier volgens u van toepassing zijn? Zo nee, waarom niet?
Op 17 december jl. heeft uw Kamer een brief ontvangen over datacenters (Kamerstuk 32 813, nr. 968) die verder ingaat op de verwachte groei van de datacentersector, de elektriciteitsvraag die daarbij gepaard gaat en de wenselijkheid van datacenters mede gezien schaarse ruimte en de landschappelijke impact. Voorts: in het coalitieakkoord constateert het kabinet dat hyperscale datacentra een onevenredig groot beslag leggen op de beschikbare duurzame energie in verhouding tot de maatschappelijke en/of economische meerwaarde. Daarom scherpen we de landelijke regie en de toelatingscriteria bij de vergunningverlening hiervoor aan. De Minister voor Volkshuisvesting en Ruimtelijke Ordening komt hier dit voorjaar in een gezamenlijke brief met de Minister voor Klimaat en Energie op terug.
Het bericht ‘Onverzekerdenkwestie lijkt veel op toeslagenaffaire’ |
|
Maarten Hijink |
|
Hugo de Jonge (viceminister-president , minister volksgezondheid, welzijn en sport) (CDA), Paul Blokhuis (staatssecretaris volksgezondheid, welzijn en sport) (CU) |
|
Wat is uw reactie op het bericht «Onverzekerdenkwestie lijkt veel op toeslagenaffaire»?1
Sinds 2009 is er een wettelijke regeling voor compensatie aan zorgaanbieders voor medisch noodzakelijke zorg aan illegalen en andere onverzekerbare vreemdelingen (artikel 122a Zorgverzekeringswet) en sinds 2017 is er de Subsidieregeling medisch noodzakelijke zorg aan onverzekerden. Deze regeling is bedoeld voor rechtmatig in Nederland verblijvende personen. Beide regelingen worden door zorgaanbieders goed gebruikt.
Ik verwijs kortheidshalve naar de evaluatie van de Subsidieregeling die ik op 4 oktober 2021 naar de Tweede Kamer heb gestuurd.2
Wat is uw reactie op de uitspraak dat lang niet alle zorgaanbieders gebruik maken van subsidieregeling medisch noodzakelijke zorg aan onverzekerden, doordat het «een enorme bureaucratische, administratieve rompslomp» is?
Om in aanmerking te komen voor vergoeding van zorg op grond van de Subsidieregeling zijn er twee belangrijke administratieve verplichtingen:
Voor zowel de melding als de declaratie zijn de gebruikte formulieren (online bij het Meldpunt) vastgesteld door de Minister van VWS en gedurende de looptijd van de regeling verschillende keren aangepast om zo eenvoudig en laagdrempelig als mogelijk de noodzakelijke gegevens te verstrekken. Zo is het aantal formulieren teruggebracht naar één formulier, wordt zoveel mogelijk gebruik gemaakt van «aankruisvakjes» en mogen zorgaanbieders de regulier door hun systemen aangemaakte nota’s meesturen met het declaratieformulier.
Ik deel niet de gedachte dat er sprake is van een administratieve rompslomp. Het aantal administratieve verplichtingen in de Subsidieregeling is teruggebracht tot het minimum om de subsidie rechtmatig te kunnen uitkeren. Wel is onderkend dat het indienen van een declaratie (thans per post) in de toekomst digitaal zou moeten om het voor zorgaanbieders makkelijker te maken.
Hoeveel mensen zijn sinds 2015 de zorgverzekering uitgezet, omdat zij niet meer staan ingeschreven bij de Basisregistratie Personen?
Dit is niet bekend. Uitschrijving kan om verschillende redenen en als er een signaal komt dat iemand is uitgeschreven zal een zorgverzekeraar dat onderzoeken en dient binnen twee weken contact te worden opgenomen met de verzekerde (telefonisch, per email of per brief). Dit is standaard praktijk bij alle zorgverzekeraars en zo afgesproken tussen zorgverzekeraars, de Sociale Verzekeringsbank, de Nederlandse Zorgautoriteit, het CAK en VWS.
Deze afspraken zijn onderdeel van de werkwijze waarop zorgverzekeraars omgaan met het vaststellen van het begin en einde van de verzekeringsplicht.
De in de Zorgverzekeringswet neergelegde verplichting dat het woonadres overeen moet komen met het in de Basisregistratie Personen geregistreerde adres (artikel 4a Zvw) heeft te maken met het feit dat zorgverzekeraars bij het inschrijven van een verzekerde uitgaan van de premisse van ingezetenschap. Er is sprake van gerede twijfel over de verzekeringsplicht op grond van ingezetenschap, indien het door de verzekerde opgegeven woonadres in Nederland afwijkt van het in de BRP opgenomen adres. Daarom wordt het adresgegeven onderzocht. Mensen mogen – als ze geen woonadres hebben – ook op een briefadres ingeschreven staan.
Hoeveel mensen hebben sinds 2017 zorg gekregen die vergoed werd via de subsidieregeling medisch noodzakelijke zorg aan onverzekerden?
In onderstaande tabel is het aantal toegekende declaraties vermeld. Dit geeft een beeld voor hoeveel mensen zorg is vergoed is op grond van de «Subsidieregeling medisch noodzakelijke zorg aan onverzekerden». Er kunnen meerdere declaraties voor één persoon toegekend worden. Hier kan het CAK geen onderscheid in maken.
Farmacie (incl. SEZ)
46
58
140
1.168
1660
GGZ (incl. SEZ)
38
651
1.682
2.481
1757
Huisartsenzorg
17
71
147
413
415
Overige Zorg
2
3
3
0
0
Hulpmiddelen
0
0
0
0
0
Eerstelijnsverblijf
0
0
0
11
11
Verloskundige zorg
0
2
10
10
5
Wijkverpleging
0
2
2
8
10
Ziekenhuizen (incl. SEZ)
61
1.263
4.220
8.368
7839
Kraamzorg
0
0
0
6
0
Paramedische zorg
0
0
0
2
0
Tandheelkundige hulp
0
0
0
1
0
Bron: CAK
t/m oktober 2021
Hoeveel onverzekerde mensen hebben naar schatting sinds 2017 medisch noodzakelijke zorg nodig gehad?
Aan de hand van het aantal meldingen dat het Meldpunt Onverzekerden Zorg registreert is in Tabel 1 te zien dat zorgaanbieders sinds 2017 steeds vaker gebruik maken van de Subsidieregeling. De onderstaande cijfers betreft het totaal aantal meldingen van zorg aan een onverzekerde persoon, maar is nog niet gecorrigeerd voor meerdere meldingen van zorg (door verschillende zorgaanbieders) aan dezelfde persoon. Daarnaast leidt niet elke melding tot een declaratie bij het CAK, omdat zorgaanbieders onder meer proberen een deel van rekening te verhalen op de patiënt. In dat geval wordt niet (meteen) gedeclareerd.
t/m oktober 2021
Bron: Meldpunt Onverzekerder Zorg (GGD GHOR Nederland)
In onderstaande is het totaal aantal toegekende en afgewezen declaraties vermeld dat het CAK op grond van de «Subsidieregeling medisch noodzakelijke zorg aan onverzekerden» heeft geregistreerd. Er kunnen meerdere declaraties voor één persoon ingediend worden. Hier kan het CAK geen onderscheid in maken. Ook wordt niet voor elke melding van medisch noodzakelijke zorg die een zorgaanbieder doet een declaratie ingediend.
Farmacie (incl. SEZ)
160
172
270
1.592
2.105
GGZ (incl. SEZ)
122
992
2.263
2.981
2.234
Huisartsenzorg
77
269
349
624
574
Overige Zorg
19
20
8
1
0
Hulpmiddelen
5
36
0
0
0
Eerstelijnsverblijf
0
0
0
16
13
Verloskundige zorg
5
17
35
28
17
Wijkverpleging
0
5
25
40
30
Ziekenhuizen (incl. SEZ)
323
2.219
5.659
10.567
9.469
Kraamzorg
0
0
0
12
2
Paramedische zorg
0
0
0
5
2
AWBZ instellingen
0
0
0
137
56
Tandheelkundige hulp
0
0
0
5
2
t/m oktober 2021
Bron: CAK
Deelt u de mening dat alle mensen in Nederland toegang moeten hebben tot goede gezondheidszorg, zonder dat zij hierdoor met onbetaalbare rekeningen geconfronteerd worden?
Ja. Om deze reden zijn de genoemde regelingen in het leven geroepen. Zorgaanbieders hebben een inspanningsverplichting na te gaan of mensen (een deel van) de rekening kunnen betalen.
Worden mensen die als gevolg van deze problematiek onverzekerd waren en hierdoor niet de zorg hebben kunnen krijgen die ze nodig hadden gecompenseerd voor de materiële en/of immateriële schade die ze hierdoor hebben opgelopen? Zo ja, waar kunnen zij zich melden? Zo nee, waarom niet?
Iedereen die in Nederland verblijft en onverzekerd is kan medisch noodzakelijke zorg krijgen. Sinds de genoemde regelingen bestaan worden zorgaanbieders door de rijksoverheid gecompenseerd. Omdat mensen zorg krijgen en kregen, is compensatie niet aangewezen.
Welke stappen kunnen er worden ondernomen om ervoor te zorgen dat mensen die hun huis verliezen niet ook hun zorgverzekering verliezen?
Zorgverzekeraars zijn gehouden het adresgegeven te controleren. Zie het antwoord bij vraag 3. Voor verzekerden is van belang te reageren als de zorgverzekeraar dit onderzoekt.
Het bericht ‘‘Foute’ soja in duurzaam veevoer’ |
|
Tjeerd de Groot (D66) |
|
Carola Schouten (viceminister-president , minister landbouw, visserij, voedselzekerheid en natuur) (CU) |
|
|
|
|
Bent u bekend met het bericht ««Foute» soja in duurzaam veevoer»?1
Ja.
Klopt het dat het volume soja met Round Table on Responsible Soy (RTRS)-credits dat wordt gebruikt in de Nederlandse veehouderij bijvoorbeeld op bedrijven wordt geproduceerd waar bos al eerder is gekapt en waar toch certificaten voor worden uitgegeven die als credits worden verhandeld? Zo ja, hoe reflecteert u op dit gegeven?
In de RTRS-standaard worden in totaal vier categorieën land onderscheiden. Voor drie categorieën geldt dat soja afkomstig uit deze categorieën voor certificering in aanmerking komt als de landconversie voor juni 2016 legaal heeft plaatsgevonden. Heeft de landconversie na juni 2016 plaatsgevonden, dan komt de soja niet in aanmerking voor certificering onder de RTRS-standaard. Voor een categorie land geldt dat de soja daaruit afkomstig niet in aanmerking komt voor certificering, tenzij de producent kan aantonen dat de landconversie voor mei 2009 heeft plaatsgevonden. Het kan dus inderdaad zo zijn dat de in de Nederlandse veehouderij gebruikte RTRS-soja afkomstig is van bedrijven waar het bos al eerder is gekapt. Echter, de RTRS-standaard en daarvan afgeleide certificering en certificeringschema’s is een effectief middel gebleken om het Nederlandse verbruik van geïmporteerde soja voor een belangrijk deel te verduurzamen en ontbossingsvrij te maken. Dit wordt bevestigd in de meest recente Monitor Duurzame Agro-grondstoffen 2021 van het Centraal Bureau voor de Statistiek (CBS)2.
Deelt u de mening dat het tegengaan van ontbossing van het grootste belang is in de aanpak van de wereldwijde klimaatverandering en het tegengaan van biodiversiteitsverlies? Deelt u tevens de mening dat Nederland als de grootste soja-importeur van de Europese Unie hierbij een belangrijke rol te spelen heeft? Zo nee, waarom niet?
Tegengaan van ontbossing en bosdegradatie is deel van het gemeenschappelijke EU-beleid inzake tegengaan klimaatverandering en opwarming van de aarde door beperking uitstoot broeikasgassen en tegengaan van verder biodiversiteitsverlies door verduurzaming van aanvoerketens van belangrijke agrogrondstoffen, waaronder soja. Nederland wil hierop een belangrijke rol blijven spelen.
Nederland is overigens niet de grootste importeur van soja binnen Europa, maar vooral toegangspoort naar andere EU-landen. En hoewel Nederland zelf haar sojagebruik heeft verduurzaamd, geldt dit in veel mindere mate voor andere EU-landen3. Nederland heeft mede daarom de laatste jaren een belangrijke en prominente rol gespeeld in verduurzaming van de sojaproductie, bijvoorbeeld ook door eigenstandig en samen met andere ADP-landen (Amsterdam Declaration Partnership) er bij de Europese Commissie op aan te dringen om met concrete maatregelen te komen om bij te dragen aan het stoppen van ontbossing en bosdegradatie. Het kabinet verwelkomt daarom dat er nu een voorstel van wet van de Europese Commissie voorligt om producten, waaronder soja, te weren die gerelateerd zijn aan ontbossing en bosdegradatie.
Deelt u de mening dat consumenten en andere ketenpartijen ervan uit moeten kunnen gaan dat als zij producten consumeren waar keurmerken op staan die garanderen dat deze producten niet bijdragen aan ontbossing, zij ervan uit moeten kunnen gaan dat dit zo is?
Ik deel uw mening dat ten algemene consumenten en andere ketenpartijen moeten kunnen vertrouwen op garanties die keurmerken in en via een keten aangeven. Er bestaan op dit moment echter geen keurmerken of logo’s voor duurzaam geteelde soja op consumentenproducten4. RTRS-credits garanderen bij gebruik van het Book & Claim systeem dat tenminste een equivalent van de gebruikte soja op duurzame wijze geproduceerd is. Dat dit mogelijk niet aansluit bij verwachtingen van consumenten valt in zichzelf RTRS niet te verwijten
Deelt u de mening dat RTRS-credits deze garantie onvoldoende bieden, omdat het niet gaat om fysieke ontbossingsvrije soja maar om een creditsysteem?
Zie antwoord vraag 4.
Klopt het dat 60% van de soja die in Nederland als veevoer wordt gebruikt, is afgedekt met RTRS-credits, maar dat het overige deel van het volume alleen voldoet aan de richtlijn van de Fédération Européenne des Fabricants d'Aliments Composés (FEFAC) die door de sector zelf is opgesteld, waarbij legale ontbossing is toegestaan en ook vernietiging van bijvoorbeeld de savannes van de Cerrado niet is uitgesloten? Zo ja, hoe reflecteert u hierop?
Volgens de Monitor Duurzame Agro-grondstoffen 2021 van het CBS5 gebruikten diervoederbedrijven in 2020 1,50 miljoen ton sojameel in mengvoer en werd voor 1,70 miljoen ton certificaten aangekocht. Ruim 1 miljoen ton daarvan betrof RTRS-certificaten. Uitgaande van een totaal van 1,70 miljoen ton, bedroeg het aandeel RTRS in 2020 dus ongeveer 62 procent. RTRS is echter niet het enige certificeringsschema dat staat voor ontbossingsvrije soja. Er zijn nog enkele andere schema’s die geen legale én illegale ontbossing toestaan. Uit dezelfde monitor blijkt dat 119 duizend ton soja andere conversievrije standaarden betrof. Het totaal aandeel ontbossingsvrije soja komt daarmee uit op ongeveer 69%. Om dit cijfer in perspectief te plaatsen wil ik nog wijzen op het volgende. In 2015 heeft de Nederlandse diervoedersector de afspraak gemaakt om in diervoeders bestemd voor de productie van dierlijke producten (melk, vlees, kaas en eieren) ten behoeve van de binnenlandse consumptie alleen nog RTRS-gecertificeerde soja te gebruiken. Uit de IDH European Soy Monitor 2019 6 blijkt dat de «soja-voetafdruk» gekoppeld aan de Nederlandse consumptie van dierlijke producten meer dan 855 duizend ton bedroeg, welke ruimschoots wordt afgedekt met de aangekochte hoeveelheid RTRS-soja.
De FEFAC Soy Sourcing Guidelines (FSSG) stellen minimumeisen aan verantwoorde soja. In 2021 zijn 19 standaarden goedgekeurd volgens de FSSG. Alle standaarden stellen eisen aan het tegengaan van illegale ontbossing. Daarbij verbieden enkele standaarden, waaronder RTRS, ook legale ontbossing en het converteren van andere waardevolle ecosystemen. Ik waardeer dit. Wat betreft het beschermen van ook andere ecosystemen, zoals bijvoorbeeld savannes in de Cerrado in Brazilië, wijs ik u op het initiatief van de Europese Commissie om te komen tot een wet op ontbossingsvrije goederen, waaronder soja. Binnenkort zal het BNC-fiche over deze wet aan de Tweede Kamer worden aangeboden.
Kunt u de verschillen in de voorwaarden voor FEFAC en RTRS nog eens nader uiteenzetten?
De Fédération Européenne de Fabricants d’Aliments Composés (FEFAC) is de Europese brancheorganisatie voor de diervoederindustrie. Met zijn FSSG formuleert FEFAC minimumeisen waaraan verantwoorde soja moet voldoen. In 2021 zijn 19 standaarden goedgekeurd en daarmee FSSG-compliant. De FSSG is een vrijwillige richtlijn en benchmarksysteem voor veevoerbedrijven om duurzame soja in te kopen.
De Round Table for Responsible Soy (RTRS) is in 2006 in Zwitserland opgericht door bedrijven, banken en maatschappelijke organisaties. Overheden zijn geen lid van de RTRS. De RTRS als «platformorganisatie» heeft in 2010 een mondiale standaard voor duurzame («verantwoorde») sojaproductie vastgesteld. De RTRS is dus een private duurzaamheidsstandaard en kent diverse certificeringschema om duurzame soja te certificeren (met onafhankelijk uitvoering van controle en audits) en handelsmodellen (Chains of Custody) voor de aanvoerketens van duurzame soja.
Kijkend naar het ambitieniveau van FEFAC/FSSG versus dat van RTRS dan blijkt dat RTRS op inhoudelijke principes en criteria (bijvoorbeeld mensenrechten, chemicaliën, ontbossing) strengere eisen stelt dan FSGG toelaat. En ook ten aanzien van controle en audits kiest RTRS voor de «strengste» variant, namelijk controle door onafhankelijke certificerende instanties, waar FSSG ook lichtere manieren van controle toestaat. Daarbij zij nog opgemerkt dat RTRS de enige sojastandaard is die ISEAL member is en het enige (FSGG compliant) sojaschema is dat transparant communiceert over de boeren die gecertificeerd zijn en de bedrijven die de gecertificeerde soja hebben gekocht.
Deelt u de mening dat Nederland en Nederlandse (veevoer)bedrijven op dit moment onvoldoende doen om de wereldwijde ontbossing door sojaproductie tegen te gaan? Zo ja, welke stappen gaat u zetten om als Nederland wel voldoende actie te ondernemen?
Nederland en Nederlandse bedrijven lopen relatief veelal voorop in Europa en de wereld. Zie hiervoor antwoord op vragen 2 en 3. Niettemin is dit nog niet voldoende en is er op Europees en mondiaal niveau meer inzet nodig, ik verwijs daarvoor naar antwoord vraag 3.
Klopt het dat 80% van de soja die naar Europa wordt verscheept bestemd is voor veevoer en dat in 2018 23% van geïmporteerde soja uit de savannes van de Cerrado kwam?
Ik kan de door u aangegeven cijfers niet bevestigen. Wel kan ik aangeven dat uit de IDH-European Soy Monitor 2019 blijkt dat van de 34,3 miljoen ton in de EU27+ geïmporteerde soja, 13,7 miljoen ton (= ca. 40%) afkomstig was uit Brazilië. In dezelfde monitor staat vermeld dat ongeveer de helft van de uit Brazilië geïmporteerde soja afkomstig is uit de Cerrado, wat overeenkomt met een aandeel van ca. 20%.
Deelt u de mening dat deze berichtgeving de nut en noodzaak verder benadrukt van een transitie naar een kringlooplandbouw waarin er geen soja meer uit ontboste gebieden hoeft te worden gehaald voor het veevoer in Nederland? Bent u bereid naar aanleiding van deze berichtgeving het concept van kringlooplandbouw nogmaals te agenderen in Europa?
Mijn visie op de landbouw, en in het bijzonder de kringlooplandbouw, heb ik verwoord in de beleidsnotitie «landbouw, natuur en voedsel: waardevol en verbonden» en deze eerder met u gedeeld en besproken7. Verder zet ik via de Nationale Eiwitstrategie8 in op het beperken van de afhankelijkheid van geïmporteerde eiwitten, dit kan leiden tot minder import van soja.
Bent u van mening dat de garantie voor consumenten dat ze ontbossingsvrij consumeren straks voldoende is afgedekt met het voorstel van de Europese Commissie waarin het verplicht wordt voor bedrijven om aan te tonen dat de producten waarmee zij handelen niet zijn geproduceerd op land dat is ontbost na 31 december 2020?
Voor het standpunt van de regering over het recente voorstel van de Europese Commissie verwijs ik naar het BNC-fiche dat binnenkort met de Kamer wordt gedeeld.
Deelt u de mening dat actie om te zorgen dat Nederland niet bijdraagt aan de wereldwijde ontbossing eigenlijk niet kan wachten tot de implementatie van de nieuwe Europese richtlijn? Zo ja, welke stappen gaat u op de korte termijn nemen om de ontbossing tegen te gaan?
Om ontbossing te kunnen stoppen zijn meerdere instrumenten nodig, die elkaar kunnen aanvullen. Dat geldt bijvoorbeeld voor certificeringsstandaarden als RTRS en de op 17 november 2021 nieuw voorgestelde Europese boswet. Ik ben van mening dat het van groot belang is dat de Europese lidstaten, maatschappelijke organisaties en bedrijfsleven gezamenlijk op blijven trekken in deze, omdat alleen zo een signaal van voldoende gewicht kan worden afgegeven en voldoende impact kan worden bereikt. In dit kader verwijs ik naar onder meer de actieve opstelling van Nederland in het ADP, de Tropical Forest Alliance en in het ENSI – European National Soy Initiatives – platform, getrokken door IUCN NL, maar ook de programma’s die Nederland samen met diverse partners ondersteunt ter verduurzaming van de productie van agrarische grondstoffen.
Erkent u dat in de Europese verordening niet alle natuurgebieden worden beschermd? Zo ja, wat gaat u doen om ervoor te zorgen dat bijvoorbeeld bossavannes ook beschermd worden tegen ontbossing en consumenten daardoor kunnen vertrouwen op een duurzaamheidskeurmerk?
Zie hiervoor het antwoord op vraag 11.
Bent u van mening dat banken, pensioenfondsen en andere financiële instellingen ook een rol te spelen hebben in het garanderen dat hun investeringen niet bijdragen aan de wereldwijde ontbossing? Zo ja, bent u bereid deze aanvulling op de bestaande plannen te agenderen in Europa? Zo nee, waarom niet?
Banken, pensioenfondsen en andere financiële instellingen spelen een belangrijke rol als het gaat om het vermijden van investeringen die gerelateerd kunnen zijn aan ontbossing en biodiversiteitsverlies. Bovendien verwacht het kabinet van ondernemingen die internationaal opereren dat zij «gepaste zorgvuldigheid» toepassen volgens de OESO-richtlijnen voor Multinationale Ondernemingen (OESO-RL) en de United Nations Guiding Principles on Business and Human Rights (UNGPs). Dit houdt onder andere in dat ondernemingen negatieve gevolgen in activiteiten, toeleveringsketens en zakelijke relaties moeten identificeren en beoordelen, en negatieve gevolgen mitigeren en voorkomen. Uit onderzoek van onder andere De Nederlandsche Bank en Planbureau voor de Leefomgeving blijkt dat financiële instellingen aanzienlijke financieringen hebben uitstaan aan bedrijven met een hoge of zeer hoge afhankelijkheid van ecosysteemdiensten. Ontbossing en biodiversiteitsverlies vormt daarmee een materieel risico voor zowel bedrijven als hun financiers. Het Ministerie van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit ondersteunt verschillende initiatieven in de financiële sector die tot doel hebben de transparantie met betrekking tot de impact op biodiversiteit (waaronder ontbossing) en afhankelijkheden van ecosysteemdiensten te versnellen.
In EU-verband is door de nieuwe strategie voor duurzame financiering van de Europese Commissie de aandacht voor duurzaamheid in de financiële sector sterk toegenomen. Deze strategie kondigt een verscheidenheid aan nieuwe voorstellen en doorlopende initiatieven aan om duurzaamheid (waaronder biodiversiteit) verder te integreren in de financiële wereld. Ik blijf mij er voor inzetten dat tegengaan van wereldwijde ontbossing wordt meegenomen in lopende en aangekondigde EU-initiatieven.
Kunt u deze vragen elk afzonderlijk en zo spoedig mogelijk beantwoorden?
Ja.
Het slachten van ‘opdringerige’ konikpaarden in de Oostvaardersplassen |
|
Leonie Vestering (PvdD) |
|
Carola Schouten (viceminister-president , minister landbouw, visserij, voedselzekerheid en natuur) (CU) |
|
|
|
|
Kent u het bericht ««Opdringerige» konikpaarden Oostvaardersveld geslacht»?1
Kunt u bevestigen dat de 29 konikpaarden die geslacht worden, officieel de status «gehouden dieren» hebben? Zo nee, waarom niet?
Kunt u bevestigen dat deze dieren recht hebben op de nodige zorg en bescherming?
Deelt u de mening dat het niet de bedoeling is dat het Oostvaardersveld een vorm van extensieve veehouderij is, waarbij dieren in een opvolgende cyclus worden geplaatst vanuit de Oostvaardersplassen om vervolgens te eindigen in het slachthuis?
Deelt u de mening dat het niet zo kan zijn dat met regelmaat paarden worden afgevoerd naar de slacht omdat ze zogenaamd «opdringerig» zouden zijn, zonder dat er eerst alles aan gedaan is om de dieren met rust te laten?
Welke stappen zijn er genomen om deze paarden elders op te vangen?
Hoeveel paarden die op het Oostvaardersveld hebben gestaan zijn er in de afgelopen vijf jaar naar het slachthuis gebracht? Wat was hiervoor de reden?
Klopt het dat de plek van de geslachte konikpaarden ingenomen zal worden door konikpaarden uit andere gedeelten van de Oostvaardersplassen?
Deelt u het inzicht dat de nieuwe groep van paarden mogelijk eenzelfde lot te wachten staat? Zo nee, waarom niet?
Kunt u nagaan bij de provincie Flevoland hoe voorkomen gaat worden dat de nieuwe aanwas eenzelfde lot ondergaat? Zo nee, waarom niet? Zo ja, kunt u de provincie Flevoland adviseren om te voorkomen dat dit scenario zich gaat herhalen?
Kunt u deze vragen één voor één beantwoorden zonder daarbij te verwijzen naar eerdere antwoorden?
De cumulatie van uitstoot en overlast in Zuid-Limburg |
|
Peter de Groot (VVD), Silvio Erkens (VVD) |
|
Dilan Yeşilgöz-Zegerius (staatssecretaris economische zaken) (VVD), Steven van Weyenberg (staatssecretaris infrastructuur en waterstaat) (D66) |
|
|
|
|
Bent u bekend met de grensgemeente Eijsden-Margraten waar in het gebied een cumulatie is van uitstoot en overlast als gevolg van de aanwezigheid van de cementfabriek CBR, de uitstoot van vrachtscheepvaart, de ligging van de A2 en de overvliegende vliegtuigen van luchthaven Bierset? Hoe apprecieert u dit?
Ja, ik ben bekend met de situatie in Zuid-Limburg, en ook die in de gemeente Eijsden-Margraten. Op 8 september stuurde ik uw Kamer mijn reactie1 op een brief van vijftig hoogleraren en andere wetenschappers, gedateerd 22 juni 2021, die een petitie bevat waarin zorgen worden uitgesproken over het milieu in de grensregio Zuid-Limburg. De geografische ligging, de achtergrondconcentratie en de aanwezige regionale en lokale bronnen zorgen ervoor dat de luchtkwaliteit in de regio Zuid-Limburg onder druk staat. Ook is er geluids- en geurhinder. Verhoogde concentraties stikstofdioxide (NO2) zijn terug te vinden in stedelijk gebied (Maastricht, Geleen) en langs de autowegen, maar deze blijven overal onder de Europese grenswaarden. Dit geldt ook voor fijnstof. Desalniettemin geldt dat concentraties onder de grenswaarden ook schadelijk voor de gezondheid kunnen zijn. Daarom is er nationaal en internationaal beleid om de luchtkwaliteit in heel Nederland, dus ook in Zuid-Limburg, verder te verbeteren. Het Schone Lucht Akkoord (SLA) is hiervoor momenteel nationaal het belangrijkste instrument. De provincie en gemeenten die zich hebben aangesloten kunnen gebruik maken van de mogelijkheden die het akkoord biedt. Dat geldt in ieder geval voor de provincie Limburg en de gemeente Maastricht. Regionale afspraken over het verminderen van de milieudruk, inclusief geluidsbelasting en geurhinder, kunnen dit aanvullen, evenals grensoverschrijdende afspraken.
De vooruitzichten voor verbetering van de luchtkwaliteit op de langere termijn zijn gunstig vanwege de verdere aanscherping van het Europese luchtkwaliteitsbeleid. De Europese Commissie is een aantal gerichte voorstellen aan het voorbereiden voor herziening van bestaande Europese regelgeving, zoals de Richtlijn Industriële Emissies, de Luchtkwaliteitsrichtlijnen en de normstelling voor de uitstoot van personenauto’s met een verbrandingsmotor (Euro 7).
Bent u op de hoogte van de plannen van S.A. Bee Green Wallonia voor een nieuwe biomassacentrale in Lixhe?
Ja.
Wie worden als belanghebbende beschouwd in dit proces? Zijn de provincie Nederlands-Limburg en de omliggende gemeenten aangemerkt als belanghebbende, gelet op de grensoverschrijdende vervuiling?
De door het bedrijf S.A. Bee Green Wallonia geplande biomassacentrale in Lixhe (in de Waalse gemeente Visé) heeft een milieuvergunning nodig die moet voldoen aan de bepalingen die zijn vastgelegd in de Richtlijn Industriële Emissies (2010/75/EU). De bouw van biomassacentrales valt ook onder Richtlijn 2011/92/EU (mer-Richtlijn). Dat betekent dat vóór de vergunningverlening een milieueffectrapportage moet plaatsvinden. Bij een milieueffectrapportage moeten alle aanzienlijke milieueffecten (zoals de gevolgen voor de lucht, biodiversiteit en gezondheid) worden geïdentificeerd, beschreven en beoordeeld. Ook mogelijke grensoverschrijdende effecten zijn een verplicht onderdeel hiervan. Wanneer er sprake is van grensoverschrijdende effecten dan moet het buurland hierover in een zo vroeg mogelijk stadium van de besluitvorming worden geïnformeerd.
Het Espoo-verdrag en enkele Europese richtlijnen verplichten dat in het geval van mogelijke grensoverschrijdende milieugevolgen het publiek en autoriteiten in het buurland op dezelfde wijze en tijd worden betrokken bij de mer-procedure als de autoriteiten en het publiek in het land waar de procedure wordt gevolgd. Ook wordt gewaarborgd dat overheidsinstanties gehouden zijn op verzoek alle voorhanden milieu-informatie beschikbaar te stellen aan iedere natuurlijke of rechtspersoon.
Ik heb helaas van de provincie Limburg en de aan de gemeente Visé grenzende gemeenten Eijsden-Margraten en Maastricht gehoord dat het Waalse gewest en de gemeente Visé hen vooraf niet hebben betrokken bij de mer-procedure, in het bijzonder bij het opstellen van het mer-startdocument met betrekking tot de Notitie Reikwijdte en Detailniveau (NRD). Naast de gemeente Visé, op wiens grondgebied de biomassacentrale zou moeten worden gebouwd, zijn de Vlaamse gemeente Voeren en de Nederlandse gemeenten Eijsden-Margraten en Maastricht als belanghebbenden aangemerkt. De provincie Limburg heeft mij laten weten dat ze, ondanks een verzoek daartoe, niet als belanghebbende is aangemerkt. De provincie betreurt dit, omdat inwoners in de regio Zuid-Limburg nadelen verwachten te ondervinden van de emissies. Overigens geldt hetzelfde voor de nabije Vlaamse gemeente Riemst en de Belgische provincie Limburg: Ook zij zijn niet als belanghebbenden aangemerkt, ondanks een verzoek daartoe.
Voor de provincie Limburg en bovengenoemde gemeenten is het niet uitgesloten dat de impact op de woon- en leefomgeving in het grensgebied verslechtert en onder druk komt te staan. Zij verwijzen naar de bijzondere ligging van de geplande centrale in het Maasdal en de cumulatie van emissies door andere ontwikkelingen, waaronder de uitbreiding van de in de buurt gelegen groeve van Romont met 110 ha en een verruiming van het aantal vliegbewegingen en/of uitbreiding van het vliegveld van Luik (Bierset).
Ik vind dat de provincie Limburg en de betrokken Nederlandse gemeenten deze bezwaren formeel moeten kunnen inbrengen in de procedure en dat deze ook meegewogen moeten worden bij de beoordeling van de aanvraag.
Indien de provincie Nederlands-Limburg en de omliggende gemeenten op dit moment geen belanghebbende zijn, welke stappen kunt u zetten richting de Belgische autoriteiten om alsnog de Nederlandse belanghebbende partijen aan tafel te krijgen?
In eerste instantie is het aan de decentrale overheden aan weerzijden van de grens om hier op basis van samenwerking en vertrouwen in onderling overleg uit te komen. De Europese Richtlijn Industriële Emissies (2010/75/EU) en de mer-richtlijn voor projecten2 2011/92/EU voorzien in de juiste toepassing van de internationale verdragen van Aarhus en Espoo waarin dit is afgesproken.
Als zij er onderling niet naar tevredenheid uitkomen, kan op nationaal niveau een signaal afgegeven worden. Nederland is over een aantal milieudossier continu in gesprek met Belgische overheden, waaronder de Waalse. Naar aanleiding van de eerdergenoemde petitie van 50 hoogleraren en de daarin genoemde plannen voor de biomassacentrale in Lixhe en de uitbreiding van het vliegveld van Luik (Bierset), heeft de ambassadeur van Nederland in België de relevante ministeries van Wallonië op de hoogte gesteld van de Nederlandse bezwaren. Vervolgens heeft de ambassadeur zijn zorgen met argumenten uit de regio naar voren gebracht in een gesprek met de Waalse Minister Henry.
Ik zal nu in ieder geval de beantwoording van deze vragen doorgeleiden naar de relevante ministeries op gewestelijk (Waals) en federaal niveau, samen met mijn zorgen over de informatievoorziening, het gebrek aan afstemming in de vroege fase van de planvoorbereiding en de te verwachten milieu en gezondheidsimpact van de geplande centrale. Daaronder vallen in ieder geval zorgen over de te hanteren emissiegrenswaarden voor bepaalde stoffen (deze emissiegrenswaarden zouden lager kunnen worden vastgesteld). Ook zal ik de zorgen laten overbrengen over de mogelijke negatieve milieueffecten in Nederlands Limburg. Hierbij gaat het vooral om de gezondheid van de inwoners en de kwaliteit van de nabijgelegen natuurgebieden, die in Nederland, maar ook in de landen om ons heen, te lijden hebben van hoge stikstofdepositie.
Gelet op het feit dat er vaak een zuidwestelijke wind waait en de uitstoot van de centrale voor het overgrote deel over Nederland, en dus Zuid-Limburg trekt, hoeveel inspraak kunnen Nederlandse belanghebbenden krijgen in een proces wat plaatsvindt in België?
De internationale en Europese wetgeving voorziet in gelijke mogelijkheid tot inspraak voor belanghebbenden over de grens. Wel geldt de procedure van het land waarin de vergunning wordt aangevraagd. Die kan verschillen van de procedure die we in Nederland hanteren, als deze maar binnen de internationale verdragen en EU-richtlijnen valt. Bovendien geldt de verplichting uit het Espoo verdrag en de Europese mer-richtlijn voor projecten voor alle lidstaten om passende en doeltreffende maatregelen te nemen ter voorkoming, beperking en beheersing van belangrijke nadelige grensoverschrijdende milieueffecten van voorgenomen activiteiten.
Los daarvan vind ik dat buren ook in staat zouden moeten zijn in samenwerking en onderling vertrouwen over dit soort zaken te communiceren. De Nederlandse decentrale overheden hebben goede argumenten om als belanghebbende te worden aangemerkt en hun bezwaren zouden moeten meetellen in de afwegingen die gemaakt worden alvorens de vergunning te verstrekken. Hierover zijn zij ook in gesprek met de Waalse overheid. Het Ministerie van IenW zal in gesprek gaan met de Nederlandse decentrale overheden over wat het Rijk hieraan kan bijdragen.
In hoeverre klopt het dat vanuit Waalse zijde alle ingediende bezwaren ten aanzien van de afvalverbrandingscentrale terzijde worden geschoven en de bouw doorgaat?
De gemeente Visé heeft de gemeenten Maastricht en Eijsden-Margraten desgevraagd laten weten dat het gemeentecollege van Visé (vergelijkbaar met ons College van burgemeester en Wethouders) uiterlijk op 26 januari 2022 een beslissing zal nemen. Vanaf de datum van kennisgeving kan binnen 20 dagen beroep worden aangetekend. Het college heeft dus nog geen beslissing genomen. Er is momenteel geen sprake van het terzijde schuiven van alle ingediende bezwaren.
Welke mogelijkheden heeft u om de wederzijdse communicatie op dit dossier te verbeteren?
Zoals aangegeven in het antwoord op vraag 4, zal ik op nationaal niveau aandringen op betere communicatie bij dit soort grensoverschrijdende initiatieven via de diplomatieke weg, gericht aan het Belgische gewestelijke (Waalse) en federale niveau. Gesprekken hierover lopen al, en zullen worden voortgezet.
Op 08-09-2021 heeft u een brief naar de Kamer gestuurd waarin u toezegt de communicatie met betrekking tot de ingediende petitie, ondertekend door circa 50 medici inzake de cumulatieve vervuiling in de Grensregio Zuid-Limburg, voort te zullen zetten; welke acties zijn naar aanleiding van deze brief genomen en wat is de stand van zaken?
Zie de antwoorden op de vragen 1, 4 en 5.
De brief Overwegingen 1G. |
|
Fleur Agema (PVV) |
|
Hugo de Jonge (viceminister-president , minister volksgezondheid, welzijn en sport) (CDA) |
|
|
|
|
Bent u bekend met uw brief «Reactie op de motie van het lid Bikker c.s. over 1G uitwerken in verschillende modaliteiten» d.d. 24 november jl.?1
Ja.
Bent u bekend met de passage: «De modellering van het OMT laat zien dat 1G weliswaar effectiever is dan 3G, maar minder effectief dan 2G. Hierbij gaat het om de relatieve effectiviteit, te weten – de kans op minder besmettingen of ziekenhuisopnames afgezet tegen 3G binnen een Ctb-setting. 1G reduceert – in Ctb-settings waar dit wordt toegepast bij een dwarsdoorsnede van de Nederlandse bevolking – het aantal nieuwe besmettingen ten opzichte van 3G met maximaal 35% in dit model. En ook ziekenhuisopnames met maximaal 35%. Voor 2G is dat respectievelijk 50% en 82%. Het verschil tussen 1G en 2G zit met name in de vatbaarheid van mensen op de locatie aldus het OMT. Deze waardes zijn afhankelijk van vaccineffectiviteit en testsensitiviteit. Wanneer de testsensitiviteit veel hoger zou zijn, dan zouden zowel 3G als 1G effectiever worden. 1G is volgens dit model effectiever dan 2G voor het voorkomen van ziekenhuisopnames bij een sensitiviteit van de testen van 88% of hoger. En effectiever voor het voorkomen van besmettingen bij een sensitiviteit van 69% en hoger. Deze hogere sensitiviteit kan bereikt worden met PCR- testen die maximaal 24 uur voor de start van de activiteit afgenomen zijn.»
Ja.
Klopt het dat voor de modellering van de coronatoegangsbewijs (CTB)-modaliteiten gerekend is met een 20 keer kleinere kans op ziekenhuisopname voor een dubbel gevaccineerde? Zo nee, kunt u dit uitleggen?
Bij het 130e OMT-advies is een bijlage gevoegd over de effectiviteit van het coronatoegangsbewijs. In dat model wordt gerekend met vaccineffectiviteit tegen ziekenhuisopnames van 94% (95% BI 93–95%, vergelijkbaar met een 20 keer kleinere kans). Deze aanname is gebaseerd op een studie van het RIVM over de periode van 4 april tot en met 29 augustus 20214. In mijn antwoord op Kamervragen over het 130e OMT-advies5, heb ik aangegeven dat er in het model van de TU Delft sprake was van een onderschatting van een conditionele kans, die door de onderzoekers is gecorrigeerd. Dat is niet het geval bij de modellering van het OMT.
In de brief aan de Eerste Kamer wordt verwezen naar een studie van het RIVM6 over de periode van 20 september tot 14 november. In die periode heeft het RIVM de vaccineffectiviteit tegen ziekenhuisopnames berekend op 92% (95% BI 91–93%, vergelijkbaar met een 12,5 keer kleinere kans). In diezelfde rapportage was de vaccineffectiviteit tegen ziekenhuisopnames 86% (95% BI 84–87%, vergelijkbaar met een 7 keer kleinere kans) bij mensen van 70 jaar en ouder. In die rapportage wordt geen uitsplitsing gemaakt naar de effectiviteit voor de groep boven de 65.
Of klopt het dat er gerekend is met een 4x kleinere kans dan een 20 keer kleinere kans? Zo nee, kunt u dit uitleggen?2
Zie antwoord vraag 3.
Klopt het dat u inmiddels rekent met een 12,5 keer kleinere kans op ziekenhuisopname voor een dubbel gevaccineerde?3
Zie antwoord vraag 3.
Klopt het dat u inmiddels rekent met een 7 keer kleinere kans op ziekenhuisopname voor een dubbel gevaccineerde 65-plusser?
Zie antwoord vraag 3.
Klopt het dat België inmiddels rekent met een 3 keer kleinere kans op ziekenhuisopname voor een dubbel gevaccineerde 65-plusser?
Ik ben niet bekend met de kans waar in de vraag naar wordt verwezen.
Begrijpt u dat het niet kan dat u voor uw onderbouwing voor wetgeving rekent met cijfers die een momentopname zijn?
Het is duidelijk dat de vaccineffectiviteit over tijd afneemt, vooral in het tegengaan van besmettingen. Dat betekent dat de cijfers regelmatig geüpdatet moeten worden. Ik ben niet van mening dat die update maximaal twee weken oud mag zijn, maar streef ernaar de meest actuele cijfers te gebruiken in de onderbouwing.
Zo nee, begrijpt u dat als u als u voor uw onderbouwing voor wetgeving rekent met cijfers die een momentopname zijn, dat die cijfers dan op zijn minst actueel (hooguit twee weken oud) moeten zijn tijdens de wetsbehandeling?
Zie antwoord vraag 8.
Bent u bereid de CTB-modaliteiten opnieuw door te laten rekenen op basis van een 12,5 keer kleinere kans op ziekenhuisopname voor een dubbel gevaccineerde? Zo nee, waarom niet?
In mijn brief aan uw Kamer over de stand van zaken COVID-19 van 14 december7, heb ik gemeld dat de TU Delft nieuw onderzoek verricht naar de effectiviteit van de verschillende modaliteiten van het CTB. In dat onderzoek worden ook verschillende aannames voor de vaccineffectiviteit meegenomen. Ik streef ernaar dat onderzoek begin 2022 met uw Kamer te delen, voor de behandeling van de wetsvoorstellen over de bredere inzet van het coronatoegangsbewijs en 2G.
Zijn er meer cijfers gebruikt in de modellering voor de CTB-modaliteiten die een momentopname zijn?
In een bijlage bij het 130e OMT-advies, worden de volgende aannames genoemd voor de ineffectiviteit van een gemiddeld persoon boven de 12:
Om de vatbaarheid van een gemiddeld persoon vanaf 12 jaar te bepalen, worden de volgende cijfers gebruikt:
De cijfers die het OMT gebruikt in haar modellering, zijn aannames op basis van de meest recente en relevante studies. Er wordt regelmatig onderzoek verricht naar de effectiviteit van vaccins en de gebruikte testen, en waar nodig worden de nieuwste inzichten meegenomen in de adviezen.
Welke cijfers zijn er nog meer gebruikt voor de modellering van deze CTB-modaliteiten?
Zie antwoord vraag 11.
Bent u bekend met de onderzoeken uit Israel en het Verenigd Koninkrijk (VK) waaruit blijkt dat gevaccineerden even besmettelijk zijn als ongevaccineerden, en in het VK zelfs besmettelijker? Zo nee, waarom bent u niet bekend met de laatste stand van de wetenschap?
De onderzoeken waar vermoedelijk naar wordt verwezen, hebben aangetoond dat besmette gevaccineerde mensen een vergelijkbare peak viral load (piek in de hoeveelheid virusdeeltjes) hebben als ongevaccineerde besmette mensen bij de op dat moment dominante virusvarianten. Dat betekent echter niet dat gevaccineerde mensen even besmettelijk zijn. Ten eerste is de kans dat gevaccineerden überhaupt besmet worden, kleiner dan de kans bij niet-gevaccineerden (zie ook de aannames in het antwoord op vraag 11 en8. Daarnaast neemt de viral loadbij gevaccineerden sneller af dan bij ongevaccineerden, waardoor ze minder lang besmettelijk zijn. Gevaccineerden raken dus minder vaak besmet en zijn vervolgens ook minder besmettelijk.
Het OMT is in het 134e advies9 ook ingegaan op de actuele situatie aan de hand van de omikronvariant. Vaccinatie en doorgemaakte infectie lijken vooralsnog weinig bescherming te bieden tegen de omikronvariant. Daarbij adviseert het OMT om «tijd te kopen» voor de boostercampagne, om de verspreiding van de omikronvariant te vertragen en de uitgangspositie van de zorg te verbeteren. Mede op basis van dat advies heeft het kabinet ervoor gekozen zaterdag 18 december nieuwe maatregelen aan te kondigen.
Is voor de modellering van de CTB-modaliteiten gerekend met een 75% lagere kans op besmetting door een dubbel gevaccineerde?
Zie het antwoord op vraag 11 en 12.
Bent u bereid de CTB-modaliteit opnieuw te laten doorrekenen, waarbij alle gebruikte cijfers geactualiseerd zijn tot ten hoogste de laatste twee weken? Zo nee, waarom niet?
Zie het antwoord op vraag 10.
Kan de Kamer de geactualiseerde modellering van de CTB-modaliteiten ontvangen voor de wetsbehandelingen over de uitbreiding van het coronatoegangsbewijs en 2G?
Zie het antwoord op vraag 10.
Kunt u deze vragen beantwoorden alvorens de wetsbehandelingen over de uitbreiding van het coronatoegangsbewijs en 2G in de Tweede Kamer plaatsvinden?
Ja.
De zorgelijke toestand van INTERPOL. |
|
Hanneke van der Werf (D66), Sjoerd Sjoerdsma (D66) |
|
Ben Knapen (minister buitenlandse zaken) (CDA), Ferdinand Grapperhaus (minister justitie en veiligheid) (CDA) |
|
|
|
|
Bent u bekend met het bericht dat Generaal Majoor Ahmed Nasser Al-Raisi is gekozen als president van INTERPOL?1, 2
Ja.
Bent u bekend met het feit dat Al-Raisi verdacht wordt van meerdere vormen van ernstige mensenrechtenschendingen op grote schaal door onder andere Amnesty International?
Ik ben bekend met berichtgeving dat er formele klachten dienaangaande zijn ingediend.
Bent u verder bekend met het feit dat de Verenigde Arabische Emiraten een disproportionele invloed heeft op INTERPOL onder andere via een grote hoeveelheid donaties aan de «Interpol Foundation for a Safer world»?
De systematiek van International Criminal Police Organisation INTERPOL (verder ook: Interpol) is zodanig opgezet dat landen geen disproportionele invloed kunnen hebben op het beleid en werk van Interpol. Landen hebben invloed via hun stem in de Algemene Vergadering en hun actieve deelname in werkgroepen, projecten en operaties. De lidstaten hebben in de Algemene Vergadering allen een gelijke stem. Besluiten van de Algemene Vergadering worden door het Secretariaat-Generaal geïmplementeerd. Het Executive Committee, bestaande uit door de Algemene Vergadering gekozen leden uit alle werelddelen, houdt toezicht op de uitvoering van deze besluiten.
De oprichting van de INTERPOL Foundation for a Safer World werd in 2013 unaniem gesteund door het Executive Committee van INTERPOL. Het heeft tot doel overheden en geschikt-beoordeelde private partijen te stimuleren om het werk van Interpol voor een veiliger wereld te ondersteunen door middel van voorlichting, het ontwikkelen van partnerschappen en het voeren van fondsenwervingscampagnes. Het is een onafhankelijke entiteit die in Zwitserland zetelt. De samenwerking tussen Interpol en stichtingen is gebonden aan door de Algemene Vergadering gestelde voorwaarden.
Hoe oordeelt u over de huidige schrijnende situatie waarbij autocraten het red notice systeem van INTERPOL gebruiken om hun critici overal ter wereld op te jagen en te vervolgen, vaak zonder enkele vorm van bewijslast?
Ik keur elke poging tot misbruik van Interpol-instrumenten af. Ik meen dat er strikt op moet worden toegezien dat de Interpolconstitutie en de regels voor het verwerken van gegevens, ook die voor het gebruik van red notices en diffusions, worden gehandhaafd. Nederland heeft afgelopen jaren actief deelgenomen aan het werk dat hiervoor binnen Interpol wordt gedaan en zal dit ook blijven doen.
Deelt u de mening dat bovengenoemde elementen Al-Raisi ongeschikt maken voor de rol van president van INTERPOL?
Interpol heeft een uitgebreide technische procedure voor de verkiezing van leden van het Executive Committee, waaronder de president. Zo dient het Interpol verkiezingscomité de namens lidstaten voorgedragen kandidaatstellingen te onderzoeken en na te gaan of de kandidaatstellingen geldig zijn. Vervolgens is het aan de Algemene Vergadering van lidstaten om uit de gevalideerde kandidaten te kiezen, waarbij ter verkiezing van de president twee-derde meerderheid vereist is.
Het verkiezingscomité van lidstaten heeft geoordeeld dat de presidentskandidatuur van de heer Al-Raisi aan de gestelde vereisten voldeed. Vervolgens is de heer Al-Raisi door de lidstaten van Interpol tijdens de Algemene Vergadering van 23-25 november jl. met een twee-derde meerderheid gekozen tot voorzitter van het Executive Committee van Interpol.
Welke maatregelen neemt u in multi- en bilateraal verband om dit zorgelijke presidentschap tegen te gaan?
In het algemeen spant Nederland zich in voor een robuust zelfreinigend vermogen van Interpol. De Nederlandse politie is actief deelnemer aan de Interpol-werkgroep voor bestuursaangelegenheden, die in 2018 door de Algemene Vergadering is opgericht.
De Algemene Vergadering heeft in november jl. het eerste, omvangrijke hervormingspakket van deze werkgroep met overgrote meerderheid en onmiddellijke ingang aangenomen. De veranderingen zijn de eerste in een reeks geplande hervormingen om de bestuursorganen van de Organisatie te moderniseren, te versterken en een verdere transparantie te waarborgen.
Hoe oordeelt u over de huidige staat van INTERPOL waarbij het constitutionele element van politieke neutraliteit ervoor zorgt dat autocraten niet tot de orde geroepen kunnen worden, terwijl er misbruik van het INTERPOL-tracking en red notice systeem plaatsvindt?
Interpol werkt voortdurend met haar leden en internationale partners aan de verdere versterking van de regels en mechanismen die de organisatie tegen al dan niet politiek of militair gemotiveerd misbruik beschermen.
Landen publiceren zelf geen Interpol notices, maar vragen het Secretariaat-Generaal om de publicatie van zo’n signalering op basis van een nationale gerechtelijke uitspraak of bevel. Het Secretariaat Generaal beoordeelt ex-ante of de aanvraag aan de Constitutie en Regels voor Gegevensverwerking voldoet. Alleen wanneer dit oordeel positief is, wordt de notice gepubliceerd. Indien het Secretariaat Generaal in een later stadium informatie ontvangt waaruit toch twijfel over de notice rijst, dan wordt deze opnieuw beoordeeld en zo nodig verwijderd. Ook de CCF kan tot verwijdering besluiten.
Indien een Interpol National Central Bureau (NCB) van een land bij de verwerking van gegevens in het Interpol-informatiesysteem (IIS) ernstig in gebreke blijft of bij herhaling niet voldoet aan de verplichtingen krachtens de Interpol-regels, bijvoorbeeld wanneer aanvragen voor notices regelmatig een politiek, militair, etnisch of religieus karakter hebben, kunnen aan die NCB corrigerende maatregelen worden opgelegd. De afgelopen jaren heeft de Secretaris Generaal deze, na toestemming en toezicht van het Executive Committee, diverse malen opgelegd.
Bent u van mening dat het INTERPOL-systeem veranderd moet worden? Zo ja, hoe gaat u zich hiervoor inzetten?
Binnen de samenwerking tussen de lidstaten en het Secretariaat-Generaal zijn het juridisch raamwerk, de werking, de (gegevens)beschermingsmechanismen van en het toezicht op Interpol voortdurend onderwerp van evaluatie en ontwikkeling. Zoals in antwoord op vraag 6 genoemd, is juist tijdens de afgelopen Algemene Vergadering een pakket van maatregelen aangenomen dat het zelfreinigend vermogen van het bestuur van Interpol verder versterkt. Nederland draagt hieraan actief bij in de relevante werkgroepen. Ook het staande Comité voor Gegevensverwerking werkt voortdurend aan de verdere modernisering en versterking van de Regels voor Gegevensverwerking.
Welke maatregelen kunnen er verder genomen worden om deze ernstige praktijken onmiddellijk tegen te gaan? Welke geopolitieke middelen kunnen daarbij zowel in multi- als bilateraal verband ingezet worden? Hoe kan druk vanuit de EU hierbij een rol spelen?
Ik verwijs naar mijn antwoorden op vragen 6, 7 en 8.
In hoeverre zijn er dialogen met landen als Turkije of de Verenigde Arabische Emiraten om het misbruik binnen INTERPOL te stoppen?
In algemene zin geldt dat in elk geval waarin het Secretariaat-Generaal gebruik van Interpol instrumenten vermoedt dat niet in overeenstemming is met de daarvoor geldende regels, het Interpol Nationale Centrale Bureau (NCB) van dat land hierop zal worden aangesproken. Het NCB zal dan eerst moeten aantonen dat het conform de regels acteert of het gebruik moeten corrigeren. Bij een ernstige incident van overtreding van de regels of herhaaldelijke schending past de Secretaris, met toestemming van het Executive Committee, correctieve maatregelen toe.
Correctieve maatregelen zijn gericht op het verzekeren dat alle gegevensverwerking wordt uitgevoerd in overeenstemming met de regels. Wanneer zij aan een NCB worden opgelegd, dan kan de toegang tot de databanken van Interpol, haar signaleringen en andere verzoeken om internationale politiële samenwerking via de Interpolkanalen onder nauw toezicht van het Secretariaat-Generaal worden gesteld. Dit kan zover gaan dat elke raadpleging, en zelfs elk bilateraal bericht naar een NCB, vooraf verwerking door het Secretariaat Generaal op naleving wordt beoordeeld. Correctieve maatregelen gaan gepaard met een dialoog tussen het Secretariaat-Generaal en betreffende NCB met als doel terug te keren naar een situatie waarin de NCB weer zelfstandig volledig in overeenstemming met de regels handelt.
Mocht de situatie niet veranderen, worden er dan opties overwogen zoals het schorsen van financiële middelen of desnoods het heroverwegen van lidmaatschap?
De huidige situatie geeft geen aanleiding tot het overwegen van de door u genoemde maatregelen.
Kunt u deze vragen afzonderlijk beantwoorden?
Ja.
Het bericht ‘French government protests EU Commissioner meeting with ‘Islamist’ NGO’ |
|
Hatte van der Woude (VVD), Bente Becker (VVD), Roelien Kamminga (VVD) |
|
Ingrid van Engelshoven (minister onderwijs, cultuur en wetenschap) (D66), Ben Knapen (minister buitenlandse zaken) (CDA), Dennis Wiersma (staatssecretaris sociale zaken en werkgelegenheid) (VVD) |
|
|
|
|
Bent u bekend met het bericht «French government protest EU commissioner meeting with «Islamist» NGO»?1
Ja.
Hoe beoordeelt u de uitspraken van de Franse Minister voor Burgerschap Schiappa en de Franse Staatssecretaris voor Europese Zaken Beaune dat de ontmoeting tussen FEMYSO en de Eurocommissaris voor Gelijkheid Dalli op zijn zachtst gezegd onwenselijk was? Sluit u zich bij deze uitspraken aan?
Het kabinet heeft op dit moment geen redenen om zich aan te sluiten bij deze uitspraken. Zie ook antwoord op vraag 3.
Bent u het ermee eens dat voorkomen moet worden dat islamistische organisaties als gesprekspartners worden betrokken bij de uitvoering of ontwikkeling van beleid, ook op Europees niveau? Zo ja, op welke wijze gaat u het Franse standpunt hierop dan ondersteunen? Zo nee, waarom niet?
Nee, het kabinet acht participatie van en consultatie met een divers maatschappelijk middenveld, inclusief religieuze organisaties, op nationaal, Europees en internationaal niveau waar mogelijk en relevant, van belang voor het bevorderen van een inclusieve dialoog en duurzame beleidsontwikkeling. Om een inclusieve dialoog te kunnen waarborgen dienen gesprekspartners uiteraard mensenrechten en het non-discriminatie beginsel te respecteren.
Klopt het dat de Haagse studentenvereniging MashriQ als «member organisation» verbonden is aan FEMYSO? Wat is de hoogte van de bijdrage en de bestuursbeurzen die MashriQ heeft ontvangen van de Haagse Hogeschool over de afgelopen vijf jaar?
Op de website van FEMYSO staat de Haagse studentenvereniging MashriQ niet vermeld als lid («member organisation»). De Haagse Hogeschool heeft aangegeven niet bekend te zijn met een dergelijke verbinding. De studentenvereniging MashriQ heeft volgens De Haagse Hogeschool nooit een bijdrage ontvangen; de instelling verstrekt geen directe bijdragen aan studentenverenigingen. De instelling geeft aan dat in de periode 2016–2021 bestuursleden van MashriQ die als student ingeschreven waren aan De Haagse Hogeschool in totaal € 10.086 aan bestuursbeurzen hebben ontvangen. Dit betrof vijf bestuursbeurzen in de jaren 2017 en 2018.
Klopt het dat de Moslimstudenten Associatie Nederland verbonden is als «member organisation» aan FEMYSO? Op welke manier heeft deze organisatie bijdrages ontvangen van onderwijsinstellingen of via sponsoring door de door het Ministerie van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap gesubsidieerde Landelijke Studentenvakbond?
Op de website van FEMYSO staat de Moslimstudenten Associatie Nederland inderdaad vermeld als lid («member organisation»). De Landelijke Studentenvakbond (LSVb) heeft laten weten nooit financiële steun te hebben verstrekt aan de Moslimstudenten Associatie Nederland (MSA Nederland). De bond geeft aan wel een partnerschap met de MSA Nederland te hebben en hier ook achter te staan, omdat daarmee een bredere groep studenten kan worden bereikt en vertegenwoordigd.
De toekenning van bestuursbeurzen voor studentenverenigingen is een zaak van de instellingen. De koepelorganisatie Universiteiten van Nederland (UNL) geeft aan dat de instellingen verschillende criteria hanteren bij het toekennen (en eventueel intrekken) van bestuursbeurzen vanuit hun profileringsfondsen. De keuzes en afwegingen worden zorgvuldig gemaakt, met oog voor de diversiteit aan studenten en typen verenigingen (gezelligheid, sport, levensbeschouwelijk, e.d.). Daarbij zijn altijd juristen van de instellingen betrokken en kunnen ook specifieke uitsluitingsgronden worden gehanteerd, bijvoorbeeld in geval van organisaties en activiteiten die gericht zijn op het in stand houden of bevorderen van discriminatie. Het is bij de UNL niet bekend of bestuurders van de Moslimstudenten Associatie Nederland op grond van deze door de instellingen geformuleerde en vastgelegde criteria moeten en kunnen worden uitgesloten.
Zijn er nog andere studie- of studentenverenigingen die aangesloten zijn bij FEMYSO die subsidies of bestuursbeurzen hebben ontvangen van Nederlandse onderwijsinstellingen? Zo ja, welke zijn dit en hoe hoog waren de bijdrages en bestuursbeurzen die de afgelopen vijf jaar aan deze verenigingen zijn verstrekt?
Uit de informatie op de website van FEMYSO kan opgemaakt worden dat er behalve de Moslimstudenten Associatie Nederland geen andere Nederlandse studie- of studentenverenigingen zijn aangesloten bij FEMYSO.
Vindt u het wenselijk dat er geld via het profileringsfonds van hoger onderwijsinstellingen of via de door het ministerie gesubsidieerde organisaties gaan naar studie- en studentenverenigingen die zich aangesloten hebben bij islamistisch gelieerde organisaties zoals FEMYSO? Zo nee, waarom niet?
Het profileringsfonds heeft als doel het financieel ondersteunen van studenten die door bijzondere omstandigheden studievertraging hebben opgelopen of naar verwachting zullen oplopen. Een bijzondere omstandigheid kan het lidmaatschap van het bestuur van een studentenorganisatie zijn, maar ook activiteiten op bestuurlijk of maatschappelijk gebied die naar het oordeel van het instellingsbestuur mede in het belang zijn van de instelling of van het onderwijs dat de student volgt. Het is aan de instelling om te bepalen welke organisaties of activiteiten zij wil ondersteunen. De keuzes en afwegingen bij het toekennen (en eventueel intrekken) van bestuursbeurzen vanuit het profileringsfonds worden zorgvuldig gemaakt, met oog voor de diversiteit aan studenten en typen verenigingen (gezelligheid, sport, levensbeschouwelijk, e.d.). Daarbij zijn altijd juristen van de instellingen betrokken en kunnen ook specifieke uitsluitingsgronden worden gehanteerd, bijvoorbeeld in geval van organisaties en activiteiten die de rechtsstaat ondermijnen, de rechtsgelijkheid van burgers niet onderschrijven of gericht zijn op het in stand houden of bevorderen van discriminatie.
Daarnaast subsidieert het Ministerie van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap bestuursfuncties bij de twee landelijke studentenbonden die de belangen van alle studenten behartigen.
Welke stappen gaat u nemen om te voorkomen dat Nederlandse onderwijsinstellingen direct of indirect, bijvoorbeeld via het profileringsfonds of indirect via gesubsidieerde organisaties, subsidies, sponsoring of beurzen verlenen aan studentenorganisaties wanneer er signalen zijn dat deze de integratie zouden kunnen tegenwerken?
Het kabinet heeft er vertrouwen in dat onze instellingen voor hoger onderwijs uitstekend in staat zijn om aanvragen voor financiële ondersteuning voor studentenorganisaties kritisch te beoordelen op hun beoogde doelstellingen en daarbij ook bredere maatschappelijke criteria hanteren dan alleen onderwijsgerichte. Mochten er echter signalen zijn dat er activiteiten plaatsvinden die de rechtsstaat ondermijnen, de rechtsgelijkheid van burgers niet onderschrijven of gericht zijn op het in stand houden of bevorderen van discriminatie, dan zal de betreffende instelling daarop aangesproken worden.
In hoeverre heeft de Taskforce ongewenste buitenlandse beïnvloeding en problematisch gedrag zicht op mogelijke beïnvloeding via studie- en studentenverenigingen en bent u bereid de Taskforce hier mee aan de slag te laten gaan? Zo ja op welke wijze? Zo nee, waarom niet?
De Taskforce Problematisch gedrag en ongewenste buitenlandse financiering (hierna: Taskforce PG & OBF) heeft tot doel de informatiepositie van het Rijk en gemeenten te versterken, het handelingsperspectief van gemeenten en Rijk te vergroten en ongewenste buitenlandse financiering tegen te gaan.
De Taskforce PG&OBF kan adviseren als er sprake is van gedrag van personen of groepen dat voornamelijk binnen de grenzen van de wet valt, maar tot aantasting en ondermijning van de democratische rechtsorde kan leiden of wanneer er sprake is van ongewenste buitenlandse financiering.
De Taskforce doet geen eigenstandig onderzoek naar personen of organisaties. Als er sprake zou zijn van problematisch gedrag of ongewenste buitenlandse financiering bij de genoemde, of andere, studie- en studentenverenigingen, dan kan de Taskforce gemeenten of het Rijk hierover adviseren. Hierin is leidend dat er dan sprake moet zijn van problematische gedragingen, waarbij ideologie op zichzelf nooit een reden is voor ingrijpen waarbij vrijheden worden beperkt.
Tegelijkertijd zet het kabinet in op het vergroten van de weerbaarheid van, onder andere, de islamitische gemeenschap en van vrouwen en jongeren in het bijzonder. Het kabinet vindt deze benadering momenteel het meest passend en doeltreffend.
De Franse aanbevelingen ter bescherming van mensen die niet of onvoldoende op coronavaccinatie reageren |
|
Fleur Agema (PVV) |
|
Hugo de Jonge (viceminister-president , minister volksgezondheid, welzijn en sport) (CDA) |
|
|
|
|
Bent u bekend met de Franse aanbevelingen?1
Ja, hier ben ik mee bekend.
Ziet u ook een meerwaarde in de genoemde antilichaamtherapie?
U refereert naar de antilichaambehandeling Evusheld van producent AstraZeneca. De vraag of dit geneesmiddel van meerwaarde is bij de behandeling van COVID-19-patiënten, is aan de medische beroepsgroep.
Deelt u de mening dat we alles moeten inzetten om ziekenhuisopnames te voorkomen?
Ik ben het met u eens dat we moeten inzetten op het voorkomen van ziekenhuisopnames. De meest effectieve manier om ziekenhuis- en IC-opname te voorkomen, is het vaccin. Dit werkt preventief en voorkomt in de meeste gevallen een ernstig verloop van COVID-19. Het vaccin biedt alleen niet voor iedereen uitkomst. Daarom zet ik mij in op het beschikbaar stellen van innovatieve behandelingen, zoals antilichaambehandelingen en antivirale middelen.
Heeft u al advies gevraagd over de inzet van deze antilichaamtherapie in de strijd tegen corona?
Het adviespanel Innovatieve Behandelingen heeft in oktober aangegeven dat er nog onvoldoende data beschikbaar zijn om te bepalen of deze behandeling een plaats heeft in de behandelpraktijk. Daarnaast is de inzet van deze therapie niet aan mij maar aan de medische beroepsgroep. De Stichting Werkgroep Antibioticabeleid (SWAB) stelt hiertoe protocollen op.
Hoe groot schat u het aantal mensen in Nederland dat niet of onvoldoende reageert op vaccinatie?
Uit verschillende onderzoeken gefinancierd door het ZonMw deelprogramma vaccinaties COVID-19, is gebleken dat bepaalde patiëntengroepen niet voldoende reageren op een primaire vaccinatieserie. Ik heb u hierover ook per brief geïnformeerd op 14 sept jl. Deze mensen zijn nu allen uitgenodigd voor een derde prik. De effectiviteit van de derde prik zal in een aantal gevallen de immuunrespons verhogen, zodat deze voldoende is, maar bij anderen achterblijven. Het is nog niet bekend voor wie dit geldt. Op dit moment zijn 220.000 mensen uitgenodigd voor een derde prik. Hierin zit ook aantal dubbelingen omdat een onbekend aantal patiënten vanuit verschillende ziekenhuizen een uitnodiging heeft ontvangen. Op dit moment is onduidelijk wie de doelgroep is voor deze antilichaambehandeling, omdat de beroepsgroep hierover nog geen uitspraak heeft gedaan.
Bent u ook bereid een pre-order te plaatsen om deze kwetsbare patientengroep meer bescherming te bieden? Zo nee, waarom niet?
Uit de reeks vragen leid ik af dat u doelt op het plaatsen van een pre-order bij AstraZeneca voor het middel Evusheld.
Zoals aangegeven bij vraag 4, is momenteel onvoldoende data beschikbaar om een (pre-)order bij deze fabrikant te plaatsen. Ik blijf met de beroepsgroep en fabrikant in gesprek. Op het moment dat meer onderzoeksdata worden gepubliceerd over dit middel, bepalen we de volgende stap. Hieronder valt de eventuele mogelijkheid tot het reserveren van deze behandeling voor Nederland. Ik wil daarbij benadrukken dat zowel de mogelijke aankoop als inzet van dit middel voorwaardelijk zal zijn aan het verkrijgen van een (voorwaardelijke) handelsvergunning (in andere woorden: goedkeuring door het Europees Medicijn Agentschap).
Het bericht dat het Albeda als eerste mbo in Nederland een studentenrechtbank krijgt. |
|
Ulysse Ellian (VVD), Zohair El Yassini (VVD) |
|
Sander Dekker (VVD), Ingrid van Engelshoven (D66) |
|
|
|
|
Bent u bekend met het bericht «Albeda krijgt als eerste mbo in Nederland een studentenrechtbank»?1
Ja.
Wat is de wettelijke grondslag voor deze studentenrechtbank?
Het Albeda College heeft desgevraagd laten weten dat het gaat om een buitengerechtelijk en herstelgericht (preventief) traject voor het oplossen van conflicten en incidenten op het Albeda College, vallend onder de verantwoordelijkheid van de directie in het kader van schoolveiligheid. Er is bij een vermoeden van strafbare feiten altijd afstemming met de politie. De zaken die worden behandeld vallen onder het schoolreglement. Daarnaast wordt de studentenrechtbank preventief ingezet. Bijvoorbeeld in geval van pesten om verdere escalatie en strafbaar gedrag te voorkomen, de conflictvaardigheid van leerlingen te vergroten en de sfeer op school te verbeteren. Daarbij is de studentenrechtbank een leerwerkplaats voor studenten van de opleiding Juridisch Administratieve Beroepen. Voor de studenten van deze opleiding is de studentenrechtbank een plaats om te leren wat de keten van rechtspraak, OM en advocatuur in de rechtsstaat inhoudt en om hen in de gelegenheid te stellen hun kennis in de praktijk te brengen. Ook leert het betrokken studenten in den brede over recht en rechtvaardigheid.
Deelt u de mening dat een adequate wettelijke grondslag noodzakelijk is om te experimenteren met lekenrechtspraak? Zo ja, waarom? Zo nee, waarom niet?
Voor lekenrechtspraak is een wettelijke grondslag noodzakelijk. Volgens de Grondwet (artikel 116, derde en vierde lid) kan alleen een wet mogelijk maken dat aan rechtspraak door de rechterlijke macht wordt deelgenomen door personen die daar niet toe behoren. Daarom is in de Tijdelijke Experimentenwet rechtspleging een mogelijkheid opgenomen om te experimenteren met de toevoeging van deskundige leden aan een kamer in een rechtbank of een hof, welke leden geen rechterlijk ambtenaar zijn en rechtspreken samen met een of meer rechters. Deze wet is nog niet in werking getreden en er is ook nog geen algemene maatregel van bestuur om een dergelijk experiment verder vorm te geven. Het is van belang te benadrukken dat de studentenrechtbank geen lekenrechtspraak beoefent zoals bedoeld in de Grondwet en in de Tijdelijke experimentenwet rechtspleging. Zoals aangegeven in het antwoord op de tweede vraag betreft de studentenrechtbank immers een buitengerechtelijk traject.
Waarom is de Experimentenwet rechtspleging niet gebruikt voor het faciliteren van dit experiment?
De Tijdelijke Experimentenwet rechtspleging heeft betrekking op experimenten met civiele geschilbeslechting waarbij wordt afgeweken van onderdelen van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering en enkele andere wetten op het gebied van het civiele procesrecht. Die wetgeving is niet van toepassing op de studentenrechtbank omdat deze studentenrechtbank buitengerechtelijke afdoening betreft, zodat ook de Tijdelijke Experimentenwet rechtspleging hier niet gebruikt kan worden.
Hoe is bij een studentenrechtbank geregeld dat alle eisen die de wet stelt aan het stafproces, en de fundamentele rechtsbeginselen zoals het recht op een eerlijk proces, worden gewaarborgd?
Allereerst zij hier nogmaals benadrukt dat er geen sprake is van een formeel strafproces bij de studentenrechtbank. De procedure is gericht op een minnelijke oplossing voor conflicten en incidenten met een schade tot maximaal 500 euro. Strafbare feiten kunnen na afstemming met de politie ook bij de studentenrechtbank worden behandeld. Partijen kiezen (bij minderjarigheid in overleg met ouders of wettelijk vertegenwoordigers) vrijwillig voor deelname aan de procesgang bij de studentenrechtbank. Het staat partijen ook vrij om elk moment te stoppen met deelname aan de studentenrechtbank. De studentenrechtbank geeft de betrokkenen in alle vrijheid een preventieve mogelijkheid tot het herstel van de verhoudingen, c.q. schade(s). Verder richt de studentenrechtbank zich niet op waarheidsvinding, maar op het samen bepalen en uitspreken van een herstelmaatregel op basis van herstelvoorstellen van alle betrokkenen. De Stichting Jongerenrechtbanken, die ervaring heeft met soortgelijke «rechtbanken» in het voortgezet onderwijs, ondersteunt ook het Albeda College. De Stichting Jongerenrechtbanken is ter ondersteuning bij de zittingen aanwezig en ziet toe op interne kwaliteitswaarborgen. Partijen worden bijgestaan door een student van de opleiding Juridisch Administratieve Beroepen, die de advocaatrol vervult en daarbij wordt begeleid door de docenten. De projectleiders bij het Albeda College zijn beiden docent in juridische vakken en juristen met proceservaring. Indien de afdoening door de studentenrechtbank niet leidt tot een gewenste uitkomst, of de uitspraak niet wordt opgevolgd, dan blijft reguliere afdoening via de politie en het strafrecht mogelijk. Oftewel, de inzet van de studentenrechtbank biedt een extra, complementaire mogelijkheid en doet geen afbreuk aan de rechten die betrokkenen hebben.
Zijn er nog meer scholen die het voornemen hebben een studentenrechtbank op te richten?
Het Albeda College is de eerste mbo-instelling met een studentenrechtbank. Voor zover het kabinet bekend is, is er op dit moment één andere mbo-instelling zich aan het oriënteren op het eventueel oprichten van een studentenrechtbank. In het voortgezet onderwijs zijn er zeventien scholen waar gebruik wordt gemaakt van een jongerenrechtbank. Een jongerenrechtbank is in feite hetzelfde als een studentenrechtbank, maar dan op een school in het voortgezet onderwijs.
In hoeverre zijn het Ministerie van Justitie en Veiligheid en ook de Rechtspraak, het Openbaar Ministerie, de politie, de Nederlandse Orde van Advocaten (NOva) en Slachtofferhulp Nederland intensief betrokken en hebben zij ingestemd met de totstandkoming van de studentenrechtbank?
Het Ministerie van Justitie en Veiligheid, het Openbaar Ministerie, de Nederlandse Orde van Advocaten en Slachtofferhulp Nederland zijn niet betrokken geweest bij de totstandkoming van de studentenrechtbank van het Albeda College. De Nationale Politie is evenmin formeel geraadpleegd door het Albeda College. Wel is er contact met de wijkagent van het Albeda College. De Rechtspraak is formeel niet verbonden aan de studentenrechtbank, maar er werken wel diverse rechters aan mee. Zo heeft een rechter van de rechtbank Rotterdam bij de aftrap van de studentenrechtbank uitleg gegeven over hoe je rechter wordt, wat een rechter doet en wat de rol is van een advocaat en een officier van justitie. Ook heeft een rechter de studenten begeleid bij verschillende rollenspellen. Dit past binnen de algemene voorlichting die de Rechtspraak op scholen en aan studenten geeft en het sluit aan bij het karakter van de studentenrechtbank als leerwerkplaats. Tot slot heeft de rechter deze studenten «beëdigd». Dit is louter ceremonieel en heeft geen officiële basis.
Hoe is gewaarborgd dat slachtoffers – uit angst te worden «berecht» door medestudenten – geen aangifte meer doen van strafbare feiten?
Vooropgesteld dient te worden dat het slachtoffer niet wordt «berecht», maar de «verdachte». Het staat partijen volledig vrij om te kiezen voor dit buitengerechtelijk traject. Slachtoffers kunnen er dus altijd voor kiezen om niet deel te nemen aan de studentenrechtbank en aangifte te doen bij de politie. Het staat alle betrokkenen ook vrij om elk moment te stoppen met deelname aan de studentenrechtbank. Wanneer minderjarige studenten betrokken zijn, dan wordt deelname altijd besproken met de ouders of de wettelijke vertegenwoordigers. De inzet van de studentenrechtbank biedt dus een extra, complementaire mogelijkheid die is gericht op een minnelijke afdoening van het conflict of incident en die geen afbreuk doet aan de rechten die betrokkenen hebben.
In hoeverre heeft de instelling van de studentenrechtbank geleid tot wijziging van het aangiftebeleid?
De instelling van de studentenrechtbank heeft niet geleid tot wijziging van het aangiftebeleid bij de politie.
Hoe verhoudt de studentenrechtbank zich tot de maatregelen uit het actieplan wapens en jongeren?
De studentenrechtbank staat los van de maatregelen uit het Actieplan Wapens en Jongeren, maar kan bijdragen aan de door het actieplan beoogde bewustwording en ontmoediging van wapenbezit bij jongeren. Indien het gaat over wapenbezit wordt altijd contact opgenomen met de politie. Bij de studentenrechtbank is een andere focus aan de orde dan in het strafrecht, daarom kan het er ook complementair aan zijn.
Deelt u de mening dat wanneer sprake is van strafbare gedragingen op scholen, de politie en het Openbaar Ministerie de aangewezen instanties zijn om op te treden? Zo ja, waarom? Zo nee, waarom niet?
Zoals hiervoor meermalen is benadrukt, heeft de studentenrechtbank een complementair karakter en is zij bedoeld om conflicten en incidenten op minnelijke wijze en op vrijwillige basis op te lossen. Wanneer er sprake is van strafbare gedragingen, zal de weg naar de politie altijd open staan. Er wordt bij een vermoeden van een strafbaar feit ook altijd afgestemd met de politie. Het belang van de studentenrechtbank is dat deze bij kleine incidenten binnen een schoolgemeenschap een snelle, leerzame en zorgvuldige interventie kan vormen, die is gericht op emotioneel en financieel herstel. Dat kan in daarvoor geschikte gevallen te prefereren zijn boven het doen van een aangifte waarvan onzeker is of deze tot vervolging zal leiden en op welke termijn.