Getroffen maatregelen op het ministerie van Financiën naar aanleiding van de lessen uit het toeslagenschandaal op gebied van hardheden en de informatiehuishouding |
|
Renske Leijten , Mahir Alkaya |
|
Mark Rutte (minister-president , minister algemene zaken) (VVD), Sigrid Kaag (viceminister-president , minister financiën) (D66) |
|
Is er op uw ministerie, onder andere naar aanleiding van het toeslagenschandaal, onderzoek gedaan naar wetten en andere maatregelen die leiden tot onevenredige en/of hardvochtige consequenties voor mensen bij de uitvoering daarvan? Zo nee, kunt u uitgebreid motiveren waarom niet?1 2 3
Ter uitvoering van de motie Ploumen/Jetten4 verricht elk departement een inventarisatie naar wet- en regelgeving die hardvochtig uitpakt voor mensen. Deze inventarisatie maakt onderdeel uit van een breed palet aan maatregelen die het kabinet treft om de menselijke maat in wet- en regelgeving te versterken. In de brief «Acties kabinet bevorderen menselijke maat wetten en regels», die op 11 juli jl. met Uw Kamer is gedeeld,5 wordt ingegaan op de stand van zaken van de inventarisaties, waarbij in bijlage 3 bij die brief per departement een nadere toelichting wordt gegeven op de eigen inventarisatie.
In bijlage 2 bij de brief «Acties kabinet bevorderen menselijke maat wetten en regels» is daarnaast een verslag opgenomen van de rijksbrede internetconsultatie die heeft plaatsgevonden in het kader van de inventarisatie, waarbij eenieder voorbeelden kon aandragen van wetten en regels waardoor mensen buitensporig in de knel komen.6 Hiermee is beoogd het burgerperspectief te betrekken en te voorkomen dat departementen signalen uit de buitenwereld van knellende wetten en regels missen.
Aanvullend op de uitvoering van de motie Ploumen/Jetten wordt door het Ministerie van SZW in samenwerking met het Ministerie van VWS de motie Omtzigt7 uitgevoerd. In het kader daarvan is onafhankelijk onderzoek uitgevoerd naar hardvochtige effecten in de Participatiewet, de werknemersregelingen en het pgb. Dit onderzoek is op 7 juli jl. met uw Kamer gedeeld.8 Daarnaast is Uw Kamer op 21 juni geïnformeerd over het traject Participatiewet in balans9 en wordt u aan het eind van de zomer geïnformeerd over de hardheden in de WIA.
Is dit onderzoek of zijn deze onderzoeken met de Kamer gedeeld? Zo nee, kunt u uitgebreid motiveren waarom niet en kunt u het onderzoek of de onderzoeken onverwijld naar de Kamer sturen?
In bijlage 3 bij de brief «Acties kabinet bevorderen menselijke maat wetten en regels»10 van 11 juli jl. is per departement aangegeven wanneer de resultaten van de inventarisatie van het desbetreffende departement worden verwacht en op welke wijze uw Kamer daarover wordt geïnformeerd.
Het kabinet heeft in een kabinetsbrief aangegeven dat «elk departement de voor het desbetreffende domein meest passende methodiek om hardvochtigheden op te sporen» hanteert. Kunt u aangeven welke methodiek op uw ministerie wordt gehanteerd? Kunt u uw antwoord uitgebreid toelichten?
Ten behoeve van de inventarisaties ter uitvoering van de motie Ploumen/Jetten heb ik met de departementen gewerkt aan een gemeenschappelijk analysekader voor de analyse van de binnengekomen resultaten.11 Een gereedschapskist is ontwikkeld waar de departementen al naar gelang hun specifieke domein en behoefte instrumenten (beoordelingscriteria) uit kunnen halen. Zo biedt onder meer de uitvoering van de motie Lodders/Van Weyenberg een voorbeeld van hoe aangedragen knelpunten kunnen worden gecategoriseerd, besproken en aangepakt in een wisselwerking met de Tweede Kamer.12 Voorop staat dat elk aangedragen voorbeeld van hardvochtige effecten wordt onderzocht en waar nodig en mogelijk opgelost. In bijlage 3 bij de brief «Acties kabinet bevorderen menselijke maat wetten en regels»13 van 11 juli jl. wordt per departement nader ingegaan op de methodologie die door het departement wordt gehanteerd bij de inventarisatie.
Zijn er naar aanleiding van onderzoeken, quickscans, of andere signalen maatregelen getroffen op uw ministerie om wetten, maatregelen of procedures waarvan inmiddels bekend is dat ze tot onevenredige consequenties leiden aan te passen? Zo ja, welke maatregelen zijn dit en welk effect moet dit tegengaan? Zo nee, kunt u uitgebreid toelichten waarom niet? en strenge uitvoeringspraktijken van de Raad van State heeft behandeld?4 5
In bijlage 3 bij de brief «Acties kabinet bevorderen menselijke maat wetten en regels»16 van 11 juli jl. is per departement aangegeven wanneer de resultaten van de inventarisatie van het desbetreffende departement worden verwacht en op welke wijze uw Kamer daarover wordt geïnformeerd.
Kunt u aangeven of en hoe uw ministerie de «buikpijndossiers» die uit de inventarisatie van de Raad voor de Rechtspraak komen én de reflectie op Knellende regelgeving
De «buikpijndossiers» en knelpunten die voortvloeien uit het jaarverslag van de Raad voor de Rechtspraak alsmede de reflectie van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State worden betrokken bij de inventarisaties van de beleidsverantwoordelijke departementen naar wet- en regelgeving die hardvochtig uitpakt voor mensen.17 Hetzelfde geldt voor de signalen die de Hoge Raad in zijn jaarverslag heeft meegegeven aan de wetgever.18
Kunt u aangeven hoe bij nieuwe voorstellen vanuit uw ministerie wordt voorkomen dat deze voorstellen leiden tot onevenredige en/of hardvochtige consequenties hebben? Wat is er ten opzichte van deze werkwijze anders dan voor het naar buiten komen van het toeslagenschandaal?
In bijlage 3 bij de brief «Acties kabinet bevorderen menselijke maat wetten en regels»19 van 11 juli jl. wordt vermeld welke acties de departementen nemen om op structurele basis knelpunten te inventariseren. Dit in aanvulling op de diverse acties die rijksbreed lopen om de menselijke maat in wet- en regelgeving te bevorderen, die tevens besproken worden in de voornoemde brief.20
Om te voorkomen dat nieuw beleid of nieuwe wetgeving leidt tot onevenredige consequenties zet het Ministerie van Justitie en Veiligheid onverminderd in op het realiseren van de verbeterpunten in de brief over versterking van de kwaliteit van beleid en wetgeving die in juni 2021 aan uw Kamer is verzonden.21 Eén van de maatregelen is ook het herzien van het Integraal afwegingskader voor beleid en regelgeving (het IAK) en het bevorderen van het gebruik hiervan. Het IAK bevordert dat in een beleidsproces met alle betrokkenen wordt nagedacht over wat goed is én wat werkt voor de samenleving met aandacht voor alle relevante te maken afwegingen. Hierbij moeten nadrukkelijk beleid, uitvoering en de doelgroep in de samenleving vanaf het begin zijn betrokken, ook om de consequenties in kaart te brengen. Onderdeel van de herziening van het IAK is dat het ook steviger in de ministeries wordt gepositioneerd, en daarmee wordt bevorderd dat de consequenties van voorstellen zo vroeg mogelijk in het beleidsproces in beeld worden gebracht. Uw Kamer wordt na de zomer geïnformeerd over de voortgang van de herziening.
Heeft uw ministerie een nulmeting in het kader van het «Rijksprogramma voor Duurzaam Digitale Informatiehuishouding» gemaakt en een verbeterplan opgesteld? Zo ja, kunt u deze nulmeting en het verbeterplan onverwijld naar de Kamer sturen?6 7
De actieplannen en nulmetingen van de departementen worden per afzonderlijke Kamerbrief gebundeld en gelijktijdig met deze beantwoording naar de Kamer gezonden voorzien van een nadere duiding.
Kunt u aangeven wat het beleid is op uw ministerie aangaande het bewaren van SMS’jes en ander berichtenverkeer, ook van uzelf?
Hierop is het rijksbrede beleid van toepassing waaruit volgt dat chatberichten over de bestuurlijke besluitvorming bewaard dienen te blijven wanneer de relevante informatie niet ook al op een andere manier is geborgd binnen de organisatie. Is het bestuurlijke besluit uit het chatbericht ook op een andere manier geborgd binnen de organisatie, bijvoorbeeld in een nota of een e-mail, dan kan het oorspronkelijke chatbericht worden verwijderd. Het is niet nodig dat dezelfde relevante informatie twee keer wordt bewaard. Dit ook in verband met het belang van ordentelijke archiefvorming. Deze staande praktijk is in lijn met de heersende Wob-rechtspraak.
De Instructie bewaren chatberichten belegt de verantwoordelijkheid voor het bewaren van relevante chatberichten bij de inhoudelijk verantwoordelijke dossierhouder. Voor bewindspersonen geldt dat zij alleen berichten hoeven te bewaren over de bestuurlijke besluitvorming waarvan de relevante inhoud nergens anders binnen de organisatie is geborgd. Berichten kunnen worden bewaard door middel van het maken van een screenshot of door middel van «export» van het chatbericht. In dit kader wijs ik er nog op dat de Minister-President tijdens het debat van 19 mei jongstleden heeft toegezegd door mij te laten bezien hoe de chatinstructie voor bewindspersonen op dit punt nader kan worden geëxpliciteerd aan de hand van het zogenaamde «vierogen-principe». Hiertoe wordt voor eind augustus een praktisch voorstel gedaan voor een uniforme werkwijze die door de bewindslieden gebruikt kan worden.
Hoeveel WOB/WOO-verzoeken heeft uw ministerie in behandeling en wat is van die verzoeken het tijdsverloop?8
In bijlage 1 is het overzicht te vinden van de antwoorden van de departementen.25
Het bericht ‘Afghaans ambassadepersoneel moet betalen voor verblijf in azc's’ |
|
Sylvana Simons (BIJ1), Kati Piri (PvdA), Salima Belhaj (D66) |
|
Wopke Hoekstra (viceminister-president , minister buitenlandse zaken) (CDA) |
|
|
|
|
Bent u bekend met het bericht «Afghaans ambassadepersoneel moet betalen voor verblijf in azc’s»?1
Ja, daar ben ik mee bekend.
Bent u het ermee eens dat Nederland een ereschuld heeft tegenover de Afghaanse oud-medewerkers van de ambassade die jarenlang onze belangen in Afghanistan hebben gediend? Kunt u uw antwoord toelichten?
In aanvulling op de reguliere opvang door het COA heeft het Ministerie van Buitenlandse Zaken (BZ) als oud-werkgever extra ondersteuning geboden aan de oud-medewerkers van de ambassade in Kaboel bij hun aankomst en integratie in Nederland.
Zo is direct (gespecialiseerde) psychosociale zorg voor de (ex)lokale medewerkers uit Afghanistan en hun families ingezet (een team psychosociale zorg, bestaande uit een BZ-manager, een Bedrijfsmaatschappelijkwerk-projectleider, zes bedrijfsmaatschappelijk werkers en vijf Afghaanse tolken).
Voor de begeleiding naar werk in Nederland is een contract afgesloten met SPARK. Deze organisatie heeft veel ervaring met begeleiden naar werk in crisisgebieden en met vluchtelingen. Zij hebben sinds 2001 ook ervaring in Afghanistan en met Afghaanse vluchtelingen. SPARK heeft ook binnen Nederland een uitgebreid netwerk. SPARK maakt via BZ ook gebruik van het interdepartementale netwerk. Via de interdepartementale contacten wordt ook een aantal uitzendbureaus betrokken.
Ook is een intensieve taaltraining Nederlands verzorgd.
Door vele collega’s van Buitenlandse Zaken zijn direct acties ondernomen om de groep, die zij vaak uit hun eerdere plaatsing in Kabul kenden, te ontmoeten en te ondersteunen.
De Minister van Buitenlandse Zaken en de Secretaris-Generaal van het ministerie hebben de lokale medewerkers in Zoutkamp en Harskamp bezocht.
Wat vindt u in dat licht van de manier waarop deze oud-medewerkers tot nu toe zijn opgevangen en verwelkomd in Nederland? Is dit wat u betreft in lijn met de motie-Piri omtrent het bieden van een warm welkom?2
Zie antwoord vraag 2.
Klopt het dat de stichting Spark voor meerdere oud-medewerkers inmiddels banen heeft geregeld en moest afzeggen, vanwege het feit dat gezinnen steeds weer worden verplaatst? Zo ja, kunt u precies aangeven in hoeveel gevallen het gebrek aan een vast woonadres de reden was om de baan te moeten annuleren?
Spark heeft aangegeven dat 14 maal een aanbod tot het aangaan van een arbeidsovereenkomst niet kon doorgaan vanwege een te grote reisafstand tussen werk en verblijfplaats.
Het vinden van huisvesting voor asielzoekers is gelet op de huidige woningmarkt een grote uitdaging. Dat geldt ook voor de oud-medewerkers. Als asielzoekers een vergunning krijgen, worden zij zo snel mogelijk gekoppeld aan een gemeente. Hier wordt daar waar mogelijk ook rekening gehouden met het feit dat iemand een baan heeft of kan krijgen. Het is echter ook van belang dat zij zo snel mogelijk gehuisvest worden. Zolang er nog geen woning is toegewezen en indien er een concreet aanbod ligt van een werkgever, kan het COA de betreffende persoon koppelen aan een gemeente die zich wel op reisafstand bevindt.
Kunt u aangeven hoe vaak de Afghaanse ambassademedewerkers en hun families sinds hun aankomst in augustus zijn verplaatst en hoeveel van de 37 inmiddels een woning hebben?
Na aankomst in augustus 2021 is de groep in Zoutkamp gehuisvest, waarna op 6 oktober 2021 de groep naar Harskamp is overgebracht. Daarna zijn ze weer in Zoutkamp gehuisvest. De groep is later verdeeld over verschillende AZC oa. Amsterdam, ’s-Gravendeel, Gorcum en Middelburg.
Vanwege het nijpende opvangtekort en het gebruik van (vaak kortdurende) noodopvang moeten bewoners van het COA regelmatig verhuizen. Overplaatsingen hebben een grote impact op bewoners en een negatieve invloed op hun integratieproces. Het COA streeft er daarom naar om verplaatsingen zo veel als mogelijk te beperken. Gelet op de huidige druk op de opvangcapaciteit kan echter niet worden voorkomen dat bewoners meerdere keren moeten verhuizen.
Op dit moment hebben 18 oud-medewerkers (en hun gezinnen waar van toepassing) een huis toegewezen gekregen. De overige wachten nog op huisvesting.
Bent u het ermee eens dat het pijnlijk is dat deze oud-medewerkers van de ambassade een deel van de vergoeding moeten inleveren, die zij bij hun ontslag kregen voor hun jarenlange dienst voor de ambassade, vanwege het feit dat zij tien maanden na aankomst nog geen vast woonadres hebben, en dat dit ook pijnlijk is omdat zij vanwege dit werk voor Nederland in gevaar kwamen en derhalve geëvacueerd moesten worden?
Net als anderen die gebruik maken van de asielopvang in Nederland zijn de oud-medewerkers conform de REBA-regeling (regeling eigen bijdrage asielopvang met inkomen en vermogen) een eigen bijdrage verschuldigd als zij over een inkomen of vermogen van meer dan EUR 13.010,– voor een echtpaar of gezin of EUR 6.505,– voor een alleenstaande beschikken. Onder deze bedragen is geen eigen bijdrage verschuldigd. De ontslagvergoedingen die de oud-medewerkers hebben ontvangen liggen boven de vermogensgrens van EUR 6.505,– respectievelijk EUR 13.010,–.
BZ heeft alle medewerkers ruim voor hun vertrek uit Afghanistan voorlichting gegeven over de opvang door het COA in Nederland en de daarbij geldende eigen bijdrage. De eigen bijdragen zijn nu aan de orde, omdat de oud-medewerkers pas recent beschikken over een BSN-nummer en daarmee de mogelijkheid van het openen van een bankrekening.
Alle oud-medewerkers ontvangen een ontslagvergoeding die ruimhartig is te noemen. Een geringe eigen bijdrage conform de REBA-regeling is reëel en gerechtvaardigd, mede in het licht van alle gedane en nog lopende inspanningen die BZ als voormalig werkgever heeft gedaan.
Bent u bereid ervoor te zorgen dat deze mensen hun ontslagvergoeding niet hoeven in te leveren en derhalve het besluit terug te draaien? Zo nee, waarom niet? Zo ja, op welke termijn?
Zie antwoord vraag 6.
Het bericht 'Rusland knijpt ook gaskraan naar Duitsland af, olieprijs naar 125 dollar per vat' |
|
Raoul Boucke (D66), Faissal Boulakjar (D66) |
|
Hans Vijlbrief (staatssecretaris economische zaken en klimaat) (D66), Rob Jetten (minister zonder portefeuille economische zaken en klimaat) (D66) |
|
|
|
|
Kunt u bevestigen dat Gazprom heeft besloten om 40% minder gas te leveren aan Duitsland?1
Ja, dat klopt. Zoals ik in mijn brieven van 20 juni en 21 juli jl. heb toegelicht hebben zich sinds 16 juni 2022 ook nadere ontwikkelingen voorgedaan met betrekking tot de toevoer van gas naar Duitsland via de Nord Stream 1 leiding. Op moment van schrijven van de brief van 21 juli jl. was sprake van een toevoer op 40% van de capaciteit.
Hebt u vermoedens om aan te nemen dat het hier geen technisch onderhoud betreft maar een (geo)politieke manoeuvre?
Het onderhoud aan Nord Stream 1 tussen 11 en 21 juli 2022 betrof een gepland onderhoud dat van te voren was aangekondigd en voorzien. In algemene zin geldt echter, dat Rusland het al dan niet leveren van gas inzet als economisch wapen tegen Europa. Dit is, zoals benoemd in de brief van 21 juli, op 20 juli aangegeven door de Europese Commissie.
Deelt u de opvatting dat als het een technisch onderhoud betreft een tijdsindicatie voor de duur van dit onderhoud relatief eenvoudig te maken zou moeten zijn (door Gazprom)?
Ja, normaliter zijn zowel tijdstip als duur van gepland onderhoud goed te voorspellen en ook op voorhand bekend. Dit ligt anders indien onderhoud dient plaats te vinden als gevolg van een incident, maar ook dan zou het mogelijk moeten zijn om tijdsindicatie te geven.
Zo ja, wat zegt het feit dat Gazprom niets zegt over de duur het onderhoud?
Voor de meest recente informatie over de levering via Nord Stream 1 verwijs ik naar de brief van 21 juli 2022.
Hoelang verwacht u dat de verminderde levering zal aanhouden?
Zie het antwoord op vraag 4.
Kunt u bevestigen dat de Minister van Economische Zaken van Duitsland heeft gezegd dat dit geen implicaties heeft op de leveringszekerheid voor Duitsland?2
De Duitse Minister van Economische Zaken heeft inderdaad gezegd dat de verminderde levering op dit moment geen gevolgen heeft voor de leveringszekerheid van gas in Duitsland. Zoals in de brief van 21 juli jl. is toegelicht, geldt wel dat wanneer de gastoevoer niet verder opwaarts wordt bijgesteld in de komende periode, de gevolgen hiervan eerst en vooral door Duitsland zullen worden gemerkt.
Heeft de verminderde levering implicaties voor het verder vullen van de Nederlandse gasopslagen?
Zoals in de brieven van 20 juni, 5 juli en 21 juli jl. is toegelicht, verloopt het vullen van de gasopslagen vooralsnog voorspoedig en zijn er vooralsnog geen directe implicaties voor het vullen van de Nederlandse opslagen.
Heeft dit implicaties voor het verder vullen van de opslagen in Duitsland?
Ik kan geen uitspraken doen over de eventuele vulgraden van Duitsland.
Als afgeleide hiervan, wat zijn de implicaties van het achterblijven van Duitse vulgraden voor Nederland?
Als Duitsland er uiteindelijk niet in slaagt haar gasbergingen voldoende te vullen voorafgaan aan de aankomende winter heeft dat niet direct gevolgen voor Nederland. Wel neemt de kans dan toe dat Duitsland komende winter een fysiek gastekort zal hebben. In het geval van een fysiek gastekort kan Duitsland, nadat het zelf verregaande maatregelen heeft genomen zoals het afsluiten van niet door solidariteit beschermde afnemers (o.a. industrie, mkb, scholen), een beroep doen op solidariteit van haar buurlanden waaronder Nederland. De vulgraad van de gasbergingen is niet de enige factor die de kans op een fysiek gastekort bepaalt, ook de aanvoer via pijpleidingen uit andere landen, zoals Noorwegen, en LNG-import over zee spelen een rol.
Kunt u bevestigen dat een explosie heeft plaatsgevonden bij de «Freeport» vloeibargas producent in de Verenigde Staten?3
Ja, ik ben op de hoogte van het incident bij de Freeport LNG-terminal. De laatste berichten zijn dat de installatie in oktober gedeeltelijk kan worden opgestart.
Wanneer verwacht u dat de faciliteit weer tot volledige productiecapaciteit is gekomen?
Zie antwoord vraag 10.
Kunt u in gaan op de contractuele relaties van Nederlandse bedrijven actief in gasopslag of gasleveringen?
Nee, dit betreft bedrijfsvertrouwelijke, commerciële contracten.
Welke implicaties heeft dit voor de Nederlandse ambities ten aanzien van het aantrekken van additioneel vloeibaar gas en in het verlengde daarvan, het vullen van de Nederlandse gasopslagen?
Het is aan de marktpartijen die LNG-importcapaciteit gecontracteerd hebben of contracteren om ook LNG-volumes in te kopen op de wereldmarkt. Het wegvallen van Freeport maakt de wereldmarkt voor LNG (tijdelijk) krapper. Het is niet te zeggen in hoeverre dit gevolgen heeft voor de mate waarin partijen die in Nederland importcapaciteit hebben gecontracteerd moeilijker (of tegen een hogere prijs) LNG-volumes kunnen inkopen voor zover zij dat niet al hadden gedaan. Partijen die de Nederlandse gasopslagen vullen kopen dat gas in op de Europese gasmarkt. Dat kan gas zijn uit diverse bronnen waarvan geïmporteerd LNG er slechts één is. Zo lang er voldoende gas kan worden ingekocht op de Europese gasmarkt, is het mogelijk om de gasopslagen te vullen. In de brieven van 20 juni en 21 juli jl. ben ik nader ingegaan op de ontwikkelingen rondom het verdubbelen van de LNG-importcapaciteit in Nederland, nog voor aankomende winter. Gasunie heeft op 1 augustus jl. bericht dat de gehele capaciteit (8 miljard m3) van de drijvende LNG-terminal in Eemshaven inmiddels is gecontracteerd4.
Getroffen maatregelen op het ministerie van Defensie naar aanleiding van de lessen uit het toeslagenschandaal op gebied van hardheden en de informatiehuishouding |
|
Renske Leijten , Jasper van Dijk |
|
Kajsa Ollongren (minister defensie) (D66), Mark Rutte (minister-president , minister algemene zaken) (VVD) |
|
Is er op uw ministerie, onder andere naar aanleiding van het toeslagenschandaal, onderzoek gedaan naar wetten en andere maatregelen die leiden tot onevenredige en/of hardvochtige consequenties voor mensen bij de uitvoering daarvan? Zo nee, kunt u uitgebreid motiveren waarom niet?1 2 3
Ter uitvoering van de motie Ploumen/Jetten4 verricht elk departement een inventarisatie naar wet- en regelgeving die hardvochtig uitpakt voor mensen. Deze inventarisatie maakt onderdeel uit van een breed palet aan maatregelen die het kabinet treft om de menselijke maat in wet- en regelgeving te versterken. In de brief «Acties kabinet bevorderen menselijke maat wetten en regels», die op 11 juli jl. met Uw Kamer is gedeeld,5 wordt ingegaan op de stand van zaken van de inventarisaties, waarbij in bijlage 3 bij die brief per departement een nadere toelichting wordt gegeven op de eigen inventarisatie.
In bijlage 2 bij de brief «Acties kabinet bevorderen menselijke maat wetten en regels» is daarnaast een verslag opgenomen van de rijksbrede internetconsultatie die heeft plaatsgevonden in het kader van de inventarisatie, waarbij eenieder voorbeelden kon aandragen van wetten en regels waardoor mensen buitensporig in de knel komen.6 Hiermee is beoogd het burgerperspectief te betrekken en te voorkomen dat departementen signalen uit de buitenwereld van knellende wetten en regels missen.
Aanvullend op de uitvoering van de motie Ploumen/Jetten wordt door het Ministerie van SZW in samenwerking met het Ministerie van VWS de motie Omtzigt7 uitgevoerd. In het kader daarvan is onafhankelijk onderzoek uitgevoerd naar hardvochtige effecten in de Participatiewet, de werknemersregelingen en het pgb. Dit onderzoek is op 7 juli jl. met uw Kamer gedeeld.8 Daarnaast is Uw Kamer op 21 juni geïnformeerd over het traject Participatiewet in balans9 en wordt u aan het eind van de zomer geïnformeerd over de hardheden in de WIA.
Is dit onderzoek of zijn deze onderzoeken met de Kamer gedeeld? Zo nee, kunt u uitgebreid motiveren waarom niet en kunt u het onderzoek c.q. onderzoeken onverwijld naar de Kamer sturen?
In bijlage 3 bij de brief «Acties kabinet bevorderen menselijke maat wetten en regels»10 van 11 juli jl. is per departement aangegeven wanneer de resultaten van de inventarisatie van het desbetreffende departement worden verwacht en op welke wijze uw Kamer daarover wordt geïnformeerd.
In de kabinetsbrief wordt aangegeven dat «elk departement de voor het desbetreffende domein meest passende methodiek om hardvochtigheden op te sporen» hanteert; kunt u aangeven welke methodiek op uw ministerie wordt gehanteerd? Kunt u uw antwoord uitgebreid toelichten?
Ten behoeve van de inventarisaties ter uitvoering van de motie Ploumen/Jetten heb ik met de departementen gewerkt aan een gemeenschappelijk analysekader voor de analyse van de binnengekomen resultaten.11 Een gereedschapskist is ontwikkeld waar de departementen al naar gelang hun specifieke domein en behoefte instrumenten (beoordelingscriteria) uit kunnen halen. Zo biedt onder meer de uitvoering van de motie Lodders/Van Weyenberg een voorbeeld van hoe aangedragen knelpunten kunnen worden gecategoriseerd, besproken en aangepakt in een wisselwerking met de Tweede Kamer.12 Voorop staat dat elk aangedragen voorbeeld van hardvochtige effecten wordt onderzocht en waar nodig en mogelijk opgelost. In bijlage 3 bij de brief «Acties kabinet bevorderen menselijke maat wetten en regels»13 van 11 juli jl. wordt per departement nader ingegaan op de methodologie die door het departement wordt gehanteerd bij de inventarisatie.
Zijn er naar aanleiding van onderzoeken, quickscans of andere signalen maatregelen getroffen op uw ministerie om wetten, maatregelen of procedures waarvan inmiddels bekend is dat ze tot onevenredige consequenties leiden aan te passen? Zo ja, welke maatregelen zijn dit en welk effect moet dit tegengaan? Zo nee, kunt u uitgebreid toelichten waarom niet?
In bijlage 3 bij de brief «Acties kabinet bevorderen menselijke maat wetten en regels»14 van 11 juli jl. is per departement aangegeven wanneer de resultaten van de inventarisatie van het desbetreffende departement worden verwacht en op welke wijze uw Kamer daarover wordt geïnformeerd.
Kunt u aangeven of en hoe uw ministerie de «buikpijn dossiers» die uit de inventarisatie van de Raad voor de Rechtspraak komen én de reflectie op Knellende regelgeving en strenge uitvoeringspraktijken van de Raad van State heeft behandeld?4 5
De «buikpijndossiers» en knelpunten die voortvloeien uit het jaarverslag van de Raad voor de Rechtspraak alsmede de reflectie van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State worden betrokken bij de inventarisaties van de beleidsverantwoordelijke departementen naar wet- en regelgeving die hardvochtig uitpakt voor mensen.17 Hetzelfde geldt voor de signalen die de Hoge Raad in zijn jaarverslag heeft meegegeven aan de wetgever.18
Kunt u aangeven hoe bij nieuwe voorstellen vanuit uw ministerie voorkomen wordt dat deze voorstellen leiden tot onevenredige consequenties en/of hardvochtige consequenties hebben? Wat is er ten opzichte van deze werkwijze anders dan voor het naar buiten komen van het toeslagenschandaal?
In bijlage 3 bij de brief «Acties kabinet bevorderen menselijke maat wetten en regels»19 van 11 juli jl. wordt vermeld welke acties de departementen nemen om op structurele basis knelpunten te inventariseren. Dit in aanvulling op de diverse acties die rijksbreed lopen om de menselijke maat in wet- en regelgeving te bevorderen, die tevens besproken worden in de voornoemde brief.20
Om te voorkomen dat nieuw beleid of nieuwe wetgeving leidt tot onevenredige consequenties zet het Ministerie van Justitie en Veiligheid onverminderd in op het realiseren van de verbeterpunten in de brief over versterking van de kwaliteit van beleid en wetgeving die in juni 2021 aan uw Kamer is verzonden.21 Eén van de maatregelen is ook het herzien van het Integraal afwegingskader voor beleid en regelgeving (het IAK) en het bevorderen van het gebruik hiervan. Het IAK bevordert dat in een beleidsproces met alle betrokkenen wordt nagedacht over wat goed is én wat werkt voor de samenleving met aandacht voor alle relevante te maken afwegingen. Hierbij moeten nadrukkelijk beleid, uitvoering en de doelgroep in de samenleving vanaf het begin zijn betrokken, ook om de consequenties in kaart te brengen. Onderdeel van de herziening van het IAK is dat het ook steviger in de ministeries wordt gepositioneerd, en daarmee wordt bevorderd dat de consequenties van voorstellen zo vroeg mogelijk in het beleidsproces in beeld worden gebracht. Uw Kamer wordt na de zomer geïnformeerd over de voortgang van de herziening.
Heeft uw ministerie een nulmeting in het kader van het «Rijksprogramma voor Duurzaam Digitale Informatiehuishouding» gemaakt en een verbeterplan opgesteld? Zo ja, kunt u deze nulmeting en het verbeterplan onverwijld naar de Kamer sturen?6 7
De actieplannen en nulmetingen van de departementen worden per afzonderlijke Kamerbrief gebundeld en gelijktijdig met deze beantwoording naar de Kamer gezonden voorzien van een nadere duiding.
Kunt u aangeven wat het beleid is op uw ministerie aangaande het bewaren van SMS’jes en ander berichtenverkeer, ook van uzelf?
Hierop is het rijksbrede beleid van toepassing waaruit volgt dat chatberichten over de bestuurlijke besluitvorming bewaard dienen te blijven wanneer de relevante informatie niet ook al op een andere manier is geborgd binnen de organisatie. Is het bestuurlijke besluit uit het chatbericht ook op een andere manier geborgd binnen de organisatie, bijvoorbeeld in een nota of een e-mail, dan kan het oorspronkelijke chatbericht worden verwijderd. Het is niet nodig dat dezelfde relevante informatie twee keer wordt bewaard. Dit ook in verband met het belang van ordentelijke archiefvorming. Deze staande praktijk is in lijn met de heersende Wob-rechtspraak.
De Instructie bewaren chatberichten belegt de verantwoordelijkheid voor het bewaren van relevante chatberichten bij de inhoudelijk verantwoordelijke dossierhouder. Voor bewindspersonen geldt dat zij alleen berichten hoeven te bewaren over de bestuurlijke besluitvorming waarvan de relevante inhoud nergens anders binnen de organisatie is geborgd. Berichten kunnen worden bewaard door middel van het maken van een screenshot of door middel van «export» van het chatbericht. In dit kader wijs ik er nog op dat de Minister-President tijdens het debat van 19 mei jongstleden heeft toegezegd door mij te laten bezien hoe de chatinstructie voor bewindspersonen op dit punt nader kan worden geëxpliciteerd aan de hand van het zogenaamde «vierogen-principe». Hiertoe wordt voor eind augustus een praktisch voorstel gedaan voor een uniforme werkwijze die door de bewindslieden gebruikt kan worden.
Hoeveel WOB/WOO verzoeken heeft uw ministerie in behandeling en wat is van die verzoeken het tijdsverloop?8
In bijlage 1 is het overzicht te vinden van de antwoorden van de departementen.25
De ILO-uitspraak met betrekking tot de arbeidsvoorwaardelijke eisen voor KLM |
|
Maarten Goudzwaard (JA21) |
|
Sigrid Kaag (viceminister-president , minister financiën) (D66) |
|
|
|
|
Bent u bekend met het bericht «Schimmenspel rond loonoffer KLM»?1
Ja.
Hoe beoordeelt u het rapport van ILO-Committee on Freedom of Association (CFA) van maart 2022 (Case nr. 3398), waarin wordt vastgesteld dat de Nederlandse overheid ten onrechte de vakbonden niet heeft geraadpleegd en dat eventuele beperkingen alleen mogelijk zijn onder voorwaarde dat aan het voornoemde is voldaan, in een noodsituatie waarbij de maatregelen in duur strak beperkt moeten zijn en strikt niet langer dan dat exceptionele omstandigheden zich voordoen? Welke consequenties verbindt het kabinet aan deze vaststellingen?
Zoals ook aangeven in de Kamerbrief bij de derde rapportage van de staatsagent is het kabinet van mening dat er geen sprake is geweest van een zelfstandige eenzijdig opgelegde loonmaatregel vanuit de Nederlandse staat.2 In het kader van de benodigde kostenreductie en de verbetering van de concurrentiepositie heeft het kabinet aangegeven dat een substantiële bijdrage van het personeel nodig is langs het principe dat de sterkste schouders de zwaarste lasten dragen. Er is een voorstel gedaan op welke manier, conform dit principe, hier nadere invulling aan kan worden gegeven door KLM in overleg met de betrokken vakbonden. KLM heeft vervolgens afspraken met het personeel gemaakt over een bijdrage aan het verlagen van de kosten. Deze afspraken zijn opgenomen in een door KLM opgesteld herstructureringsplan, waarover uw Kamer in november 2020 is geïnformeerd.3
De Nederlandse staat is het met de aanbeveling van de ILO eens dat de maatregel niet langer dient te duren dan strikt noodzakelijk is. Het steunpakket voldoet hieraan, omdat de voorwaarden die zijn overeengekomen met KLM juridisch van kracht blijven tot de steun is afbetaald en beëindigd. Het ILO-rapport heeft geen juridische gevolgen voor de geldigheid van deze voorwaarden. Binnen het eerder beschreven uitgangspunt uit het steunpakket dat de sterkste schouders de zwaarste lasten dragen en de afspraak dat de beïnvloedbare kosten met minimaal 15% gereduceerd dienen te worden, zijn er bovendien mogelijkheden voor KLM en de bonden om de lonen van bepaalde doelgroepen te verhogen. De ILO heeft de Nederlandse staat opgeroepen om in gesprek te gaan met de vakbonden. Op 1 juli jl. heeft een gesprek plaatsgevonden tussen het ministerie, KLM en de vakbonden.
Klopt het dat het Ministerie van Financiën op verzoek van de KLM haar zienswijze op het ILO-rapport over de handelwijze van de overheid bij het stellen van arbeidsvoorwaardelijke eisen met KLM heeft gedeeld? Kunt u deze brief aan KLM nog voor het commissiedebat staatsdeelnemingen van 22 juni a.s. ook met de beide Kamers delen?
De brief aan KLM is als bijlage toegevoegd. Daarin staat de zin waar u naar verwijst.
Kunt u bevestigen dat in deze brief van het ministerie aan KLM van 3 mei jl. staat: «er zijn geen zelfstandige arbeidsvoorwaardelijke voorwaarden gesteld aan het steunpakket»?
Zie antwoord vraag 3.
Kunt u dan ook publiekelijk afstand nemen van het standpunt dat er zelfstandige arbeidsvoorwaardelijke voorwaarden zouden gelden waaraan KLM en/of KLM-medewerkers zouden moeten voldoen? Zo nee, waarom niet?
Zie antwoord vraag 2.
Hoe verhoudt de zienswijze van uw ministerie aan KLM in uw brief van 3 mei jl. zich tot uw publiekelijke uitspraken tijdens het debat in de Eerste Kamer over de aandelenemissie AF-KLM (d.d. 31 mei 2022) waarin u op vragen van de senaat aangeeft dat KLM niet voldoet aan «de voorwaarden voor het doorvoeren van structurele kostenreducties, dus de structurele kant, de arbeidsvoorwaardelijke bijdrage en het beëindigen van het faciliteren van mogelijke belastingontwijking»? Hoe kunt u dergelijke uitspraken (blijven) doen terwijl u richting KLM schriftelijk aangeeft dat er helemaal geen zelfstandige arbeidsvoorwaardelijke voorwaarden zijn gesteld?
Onderdeel van de afspraken die zijn gemaakt met KLM is het opstellen van een herstructureringsplan. Beoogd doel van dit herstructureringsplan is om de concurrentiepositie structureel te verbeteren door middel van een reductie van de beïnvloedbare kosten met minimaal 15%. Uw Kamer is op 3 november 2020 geïnformeerd over de goedkeuring van dit plan door het vorige kabinet. In deze Kamerbrief staan de belangrijkste elementen van dit herstructureringsplan, waaronder de afspraken die KLM heeft gemaakt met het personeel over een bijdrage aan het verlagen van de kosten.4
Met betrekking tot de arbeidsvoorwaarden verwijst de staatsagent naar dit herstructureringsplan en de commitering die KLM daarin is aangegaan. Het toezien op de implementatie en naleving van het herstructureringsplan is onderdeel van zijn werkzaamheden.5
In de leningsdocumentatie is vastgelegd dat de facilitering van mogelijke belastingontwijking door medewerkers wordt beëindigd. Dit betreft dus geen eenzijdig opgelegde loonmaatregel vanuit de Nederlandse staat. Het is aan KLM om deze facilitering te beëindigen.
Hoe verhoudt uw verweer op de vaststellingen van de ILO en de zienswijze aan KLM zich tot publieke uitspraken en rapportages van de staatsagent bij KLM waarin op arbeidsvoorwaardelijke voorwaarden wordt getoetst?
Zie antwoord vraag 6.
Bent u het eens dat als u bevestigt aan KLM dat er geen zelfstandige arbeidsvoorwaardelijke eisen zijn gesteld, daar dan ook niet door de staatsagent zelfstandig op getoetst kan worden in zijn rapportages? Hoe verhouden eerdere rapportages met uw uitspraken aan KLM? Vraagt dat geen algemene erkenning van uw ministerie dat eerdere rapportages, voor zover afwijkend van de nieuwe in uw brief van 3 mei jl uitgedragen grondslagen, een onjuist beeld schetsen?
Zie antwoord vraag 6.
Hoe verhoudt deze «staffeleis» zich tot het verweer van het kabinet op de ILO-klacht waarin u stelt dat deze «staffel» slechts een voorstel was en uw zienswijze aan KLM dat er geen zelfstandige arbeidsvoorwaardelijke eisen zijn gesteld?2 Kunt u de reactie van de overheid aan de ILO (die dateert van januari 2022) nog voor het commisssiedebat staatsdeelnemingen d.d. 22 juni a.s. ook met de beide Kamers delen?
Er is geen sprake van de staffeleis. Dat deze staffel geen harde eis maar een voorstel was blijkt ook uit het feit dat KLM en de vakbonden bij de afspraken voor het cockpitpersoneel geen staffel hebben toegepast maar, volgens KLM op verzoek van de bonden, een gelijke bijdrage ter hoogte van ruim 19% zijn overeengekomen. Het verweer van de Nederlandse staat is bijgevoegd.
Kunt u bevestigen dat invulling van de personeelsbijdrage om aan steunvoorwaarden, zoals de 15 procent beïnvloedbare kostenreductie, aan sociale partners is en dat een personeelsbijdrage überhaupt niet nodig is als KLM op andere punten tot 15 procent kostenreductie komt?
In het kader van de benodigde kostenreductie en de verbetering van de concurrentiepositie heeft het kabinet aangegeven dat een substantiële bijdrage van het personeel nodig zal zijn langs het principe dat de sterkste schouders de zwaarste lasten dragen. Zoals hierboven aangeven heeft KLM hier, samen met de vakbonden, invulling aan gegeven in het herstructureringsplan.
Dat laat onverlet dat binnen het uitgangspunt dat de sterkste schouders de zwaarste lasten dragen en de afspraak dat de beïnvloedbare kosten met minimaal 15% gereduceerd dienen te worden, er mogelijkheden voor KLM en de bonden zijn om de lonen van bepaalde doelgroepen te verhogen.
Bent u van mening dat de loonkosten die worden bespaard als gevolg van de reorganisaties die bij KLM hebben plaatsgevonden na het uitbreken van de coronacrisis, als kostenreductie van KLM moet worden aangemerkt? Kunt u aangeven hoeveel loonkosten KLM met de reorganisaties heeft bespaard? Indien u van mening bent dat de bespaarde loonkosten niet als kostenreductie aangemerkt moeten worden, kunt u dan aangeven waarom?
De loonkosten zijn onderdeel van de beïnvloedbare kosten. Dit betekent dat als er sprake is van (netto)besparingen op de loonkosten dit bijdraagt aan de afgesproken kostenreductie van 15%. Informatie over de besparingen op de loonkosten van KLM is bedrijfsvertrouwelijk en kan daarom, in zoverre ik daar al over beschik, niet worden gedeeld.
Hoe gaat u voorkomen dat de vakbonden nieuwe klachten tegen de Nederlandse overheid gaan indienen wegens schending van ILO-normen door de Nederlandse overheid?
Indien vakorganisaties en werkgeversorganisaties van mening zijn dat er sprake is van een schending van de verplichtingen voortvloeiend uit de ILO-verdragen dan staat het hen vrij om daarover een klacht in te dienen. Het is dan aan de ILO om daar een uitspraak over te doen. Ik wil daar op geen enkele manier tussen zitten.
Getroffen maatregelen op het ministerie van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit naar aanleiding van de lessen uit het toeslagenschandaal op gebied van hardheden en de informatiehuishouding |
|
Renske Leijten , Sandra Beckerman |
|
Henk Staghouwer (minister landbouw, visserij, voedselzekerheid en natuur) (CU), Mark Rutte (minister-president , minister algemene zaken) (VVD) |
|
Is er op uw ministerie, onder andere naar aanleiding van het toeslagenschandaal, onderzoek gedaan naar wetten en andere maatregelen die leiden tot onevenredige en/of hardvochtige consequenties voor mensen bij de uitvoering daarvan? Zo nee, kunt u uitgebreid motiveren waarom niet?1 2 3
Ter uitvoering van de motie Ploumen/Jetten4 verricht elk departement een inventarisatie naar wet- en regelgeving die hardvochtig uitpakt voor mensen. Deze inventarisatie maakt onderdeel uit van een breed palet aan maatregelen die het kabinet treft om de menselijke maat in wet- en regelgeving te versterken. In de brief «Acties kabinet bevorderen menselijke maat wetten en regels», die op 11 juli jl. met Uw Kamer is gedeeld,5 wordt ingegaan op de stand van zaken van de inventarisaties, waarbij in bijlage 3 bij die brief per departement een nadere toelichting wordt gegeven op de eigen inventarisatie.
In bijlage 2 bij de brief «Acties kabinet bevorderen menselijke maat wetten en regels» is daarnaast een verslag opgenomen van de rijksbrede internetconsultatie die heeft plaatsgevonden in het kader van de inventarisatie, waarbij eenieder voorbeelden kon aandragen van wetten en regels waardoor mensen buitensporig in de knel komen.6 Hiermee is beoogd het burgerperspectief te betrekken en te voorkomen dat departementen signalen uit de buitenwereld van knellende wetten en regels missen.
Aanvullend op de uitvoering van de motie Ploumen/Jetten wordt door het Ministerie van SZW in samenwerking met het Ministerie van VWS de motie Omtzigt7 uitgevoerd. In het kader daarvan is onafhankelijk onderzoek uitgevoerd naar hardvochtige effecten in de Participatiewet, de werknemersregelingen en het pgb. Dit onderzoek is op 7 juli jl. met uw Kamer gedeeld.8 Daarnaast is Uw Kamer op 21 juni geïnformeerd over het traject Participatiewet in balans9 en wordt u aan het eind van de zomer geïnformeerd over de hardheden in de WIA.
Is dit onderzoek of zijn deze onderzoeken met de Kamer gedeeld? Zo nee, kunt u uitgebreid motiveren waarom niet en kunt u het onderzoek onverwijld naar de Kamer sturen?
In bijlage 3 bij de brief «Acties kabinet bevorderen menselijke maat wetten en regels»10 van 11 juli jl. is per departement aangegeven wanneer de resultaten van de inventarisatie van het desbetreffende departement worden verwacht en op welke wijze uw Kamer daarover wordt geïnformeerd.
In de kabinetsbrief wordt aangegeven dat «elk departement de voor het desbetreffende domein meest passende methodiek om hardvochtigheden op te sporen» hanteert. Kunt u aangeven welke methodiek op uw ministerie wordt gehanteerd? Kunt u uw antwoord uitgebreid toelichten?
Ten behoeve van de inventarisaties ter uitvoering van de motie Ploumen/Jetten heb ik met de departementen gewerkt aan een gemeenschappelijk analysekader voor de analyse van de binnengekomen resultaten.11 Een gereedschapskist is ontwikkeld waar de departementen al naar gelang hun specifieke domein en behoefte instrumenten (beoordelingscriteria) uit kunnen halen. Zo biedt onder meer de uitvoering van de motie Lodders/Van Weyenberg een voorbeeld van hoe aangedragen knelpunten kunnen worden gecategoriseerd, besproken en aangepakt in een wisselwerking met de Tweede Kamer.12 Voorop staat dat elk aangedragen voorbeeld van hardvochtige effecten wordt onderzocht en waar nodig en mogelijk opgelost. In bijlage 3 bij de brief «Acties kabinet bevorderen menselijke maat wetten en regels»13 van 11 juli jl. wordt per departement nader ingegaan op de methodologie die door het departement wordt gehanteerd bij de inventarisatie.
Zijn er naar aanleiding van onderzoeken, quickscans, of andere signalen maatregelen getroffen op uw ministerie om wetten, maatregelen of procedures waarvan inmiddels bekend is dat ze tot onevenredige consequenties leiden aan te passen? Zo ja, welke maatregelen zijn dit en welk effect moet dit tegengaan? Zo nee, kunt u uitgebreid toelichten waarom niet?
In bijlage 3 bij de brief «Acties kabinet bevorderen menselijke maat wetten en regels»14 van 11 juli jl. is per departement aangegeven wanneer de resultaten van de inventarisatie van het desbetreffende departement worden verwacht en op welke wijze uw Kamer daarover wordt geïnformeerd.
Kunt u aangeven of en hoe uw ministerie de «buikpijn dossiers» die uit de inventarisatie van de Raad voor de Rechtspraak komen én de reflectie op Knellende regelgeving en strenge uitvoeringspraktijken van de Raad van State heeft behandeld?4 5
De «buikpijndossiers» en knelpunten die voortvloeien uit het jaarverslag van de Raad voor de Rechtspraak alsmede de reflectie van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State worden betrokken bij de inventarisaties van de beleidsverantwoordelijke departementen naar wet- en regelgeving die hardvochtig uitpakt voor mensen.17 Hetzelfde geldt voor de signalen die de Hoge Raad in zijn jaarverslag heeft meegegeven aan de wetgever.18
Kunt u aangeven hoe bij nieuwe voorstellen vanuit uw ministerie voorkomen wordt dat deze voorstellen onevenredige en/of hardvochtige consequenties hebben? Wat is er ten opzichte van deze werkwijze anders dan voor het naar buiten komen van het toeslagenschandaal?
In bijlage 3 bij de brief «Acties kabinet bevorderen menselijke maat wetten en regels»19 van 11 juli jl. wordt vermeld welke acties de departementen nemen om op structurele basis knelpunten te inventariseren. Dit in aanvulling op de diverse acties die rijksbreed lopen om de menselijke maat in wet- en regelgeving te bevorderen, die tevens besproken worden in de voornoemde brief.20
Om te voorkomen dat nieuw beleid of nieuwe wetgeving leidt tot onevenredige consequenties zet het Ministerie van Justitie en Veiligheid onverminderd in op het realiseren van de verbeterpunten in de brief over versterking van de kwaliteit van beleid en wetgeving die in juni 2021 aan uw Kamer is verzonden.21 Eén van de maatregelen is ook het herzien van het Integraal afwegingskader voor beleid en regelgeving (het IAK) en het bevorderen van het gebruik hiervan. Het IAK bevordert dat in een beleidsproces met alle betrokkenen wordt nagedacht over wat goed is én wat werkt voor de samenleving met aandacht voor alle relevante te maken afwegingen. Hierbij moeten nadrukkelijk beleid, uitvoering en de doelgroep in de samenleving vanaf het begin zijn betrokken, ook om de consequenties in kaart te brengen. Onderdeel van de herziening van het IAK is dat het ook steviger in de ministeries wordt gepositioneerd, en daarmee wordt bevorderd dat de consequenties van voorstellen zo vroeg mogelijk in het beleidsproces in beeld worden gebracht. Uw Kamer wordt na de zomer geïnformeerd over de voortgang van de herziening.
Heeft uw ministerie een nulmeting in het kader van het «Rijksprogramma voor Duurzaam Digitale Informatiehuishouding» gemaakt en een verbeterplan opgesteld? Zo ja, kunt u deze nulmeting en het verbeterplan onverwijld naar de Kamer sturen?6 7
De actieplannen en nulmetingen van de departementen worden per afzonderlijke Kamerbrief gebundeld en gelijktijdig met deze beantwoording naar de Kamer gezonden voorzien van een nadere duiding.
Kunt u aangeven wat het beleid is op uw ministerie aangaande het bewaren van SMS’jes en ander berichtenverkeer, ook van uzelf?
Hierop is het rijksbrede beleid van toepassing waaruit volgt dat chatberichten over de bestuurlijke besluitvorming bewaard dienen te blijven wanneer de relevante informatie niet ook al op een andere manier is geborgd binnen de organisatie. Is het bestuurlijke besluit uit het chatbericht ook op een andere manier geborgd binnen de organisatie, bijvoorbeeld in een nota of een e-mail, dan kan het oorspronkelijke chatbericht worden verwijderd. Het is niet nodig dat dezelfde relevante informatie twee keer wordt bewaard. Dit ook in verband met het belang van ordentelijke archiefvorming. Deze staande praktijk is in lijn met de heersende Wob-rechtspraak.
De Instructie bewaren chatberichten belegt de verantwoordelijkheid voor het bewaren van relevante chatberichten bij de inhoudelijk verantwoordelijke dossierhouder. Voor bewindspersonen geldt dat zij alleen berichten hoeven te bewaren over de bestuurlijke besluitvorming waarvan de relevante inhoud nergens anders binnen de organisatie is geborgd. Berichten kunnen worden bewaard door middel van het maken van een screenshot of door middel van «export» van het chatbericht. In dit kader wijs ik er nog op dat de Minister-President tijdens het debat van 19 mei jongstleden heeft toegezegd door mij te laten bezien hoe de chatinstructie voor bewindspersonen op dit punt nader kan worden geëxpliciteerd aan de hand van het zogenaamde «vierogen-principe». Hiertoe wordt voor eind augustus een praktisch voorstel gedaan voor een uniforme werkwijze die door de bewindslieden gebruikt kan worden.
Hoeveel Wet openbaarheid van bestuur (Wob)-/Wet open overheid (Woo)-verzoeken heeft uw ministerie in behandeling en wat is van die verzoeken het tijdsverloop?8
In bijlage 1 is het overzicht te vinden van de antwoorden van de departementen.25
Het bericht dat er wetenschappelijke tekortkomingen zitten aan de beoordeling dat glyfosaat niet potentieel kankerverwekkend is |
|
Tjeerd de Groot (D66) |
|
Henk Staghouwer (minister landbouw, visserij, voedselzekerheid en natuur) (CU) |
|
|
|
|
Bent u bekend met het bericht «EU regulators «dismissed evidence» linking glyphosate to rodent tumours»1 en het achterliggende onderzoek van de Health and Environment Alliance (HEAL)2?
Ja.
Kunt u een uitgebreide reactie geven op de zorgwekkende conclusies uit het rapport?
De «Assessment Group on Glyphosate» (hierna: AGG) – bestaande uit de bevoegde autoriteiten van Frankrijk, Hongarije, Nederland en Zweden – heeft de Europese wetenschappelijke herbeoordeling van de werkzame stof glyfosaat uitgevoerd en heeft de resultaten daarvan in juni 2021 opgeleverd. Voor Nederland is het Ctgb als de bevoegde onafhankelijke autoriteit onderdeel van de AGG. Een van de onderdelen hiervan is de beoordeling van de intrinsieke gevaareigenschappen van de werkzame stof, die leidt tot een geharmoniseerde gevaarindeling en etikettering. Het voorstel dat de AGG hiervoor opstelde is door het «Risk Assessment Committee van ECHA (hierna: RAC) – een groep van onafhankelijke experts – opnieuw beoordeeld en aangevuld met nieuwe informatie (studies en commentaar) verkregen uit een openbare consultatie.
De evaluatie van al deze informatie heeft geleid tot het oordeel dat de classificatie en etikettering van de werkzame stof glyfosaat niet gewijzigd hoeft te worden ten opzichte van de eerdere RAC-opinie uit 2017. Dit betekent dat de classificatie van de werkzame stof glyfosaat als een stof die ernstig oogletsel veroorzaakt en giftig is voor in het water levende organismen, met langdurige gevolgen, moet worden gehandhaafd, maar dat het beschikbare wetenschappelijke bewijs niet voldoet aan de criteria om glyfosaat te classificeren als een stof die kan leiden tot schade aan luchtwegen of andere organen (specifieke doelorgaantoxiciteit), een kankerverwekkende stof (carcinogeen), een stof die leidt tot genetische veranderingen (mutageen) of een stof die giftig is voor de voortplanting (reproductietoxiciteit)3.
Of deze intrinsieke gevaareigenschappen in de praktijk leiden tot risico’s is afhankelijk van de mate van blootstelling. Dit wordt geadresseerd in de risicobeoordeling. Een werkzame stof wordt alleen goedgekeurd als is aangetoond dat het gebruik ervan conform de voorschriften veilig is voor mens, dier en milieu.
De definitieve RAC-opinie wordt in augustus gepubliceerd door ECHA. In deze opinie zal een uitgebreide toelichting staan op de overwegingen die hebben geleid tot de hernieuwde classificatie. De RAC-opinie zal door EFSA toegevoegd worden aan het uiteindelijke, volledige, beoordelingsrapport van de werkzame stof glyfosaat.
Ik vind het belangrijk dat het proces van herbeoordeling van de werkzame stof glyfosaat zorgvuldig en transparant verloopt. Daartoe voorziet het proces op verschillende momenten in actieve openbaarmaking van voorstellen en controle daarop via consultaties van het publiek en de bevoegde autoriteiten van de lidstaten. Alle informatie die zo verzameld wordt, wordt weer opnieuw beoordeeld en – indien relevant – aan het dossier toegevoegd.
Kunt u daarbij in het bijzonder reflecteren op de rol van Nederland, welke onderdeel uitmaakt van de Assessment Group on Glyphosate (AGG), een groep die bijdroeg aan het beoordelingsproces?
Zie antwoord vraag 2.
Klopt het dat er sinds 2015, toen het Internationaal Agentschap voor Kankeronderzoek (IARC) concludeerde dat glyfosaat potentieel kankerverwekkend is voor mensen, meerdere wetenschappelijke en peer-reviewed studies zijn uitgekomen die deze conclusie ondersteunen?3
Sinds 2015 is er veel nieuwe informatie beschikbaar gekomen in de vorm van (proefdier)studies, commentaren op studies, meta-studies enz. Alle informatie – vóór en na 2015 – beschikbaar in het aanvraagdossier en in wetenschappelijke publicaties is in de huidige herbeoordeling van glyfosaat op relevantie beoordeeld en deze informatie wordt – indien van belang – in de huidige herbeoordeling meegenomen door AGG, ECHA en EFSA.
Klopt het dat van de elf studies die door de AGG zijn goedgekeurd ter beoordeling, de dieren in tien van de gevallen kanker ontwikkelden en dat in drie muizen-studies en één ratten-studie, het aantal tumoren toenam toen de glyfosaat dosis werd verhoogd?4 Zo ja, hoe kan het dat er door de AGG werd geconcludeerd dat er geen oorzakelijk verband vastgesteld kon worden tussen de blootstelling aan de stof en de waargenomen tumoren in de dierstudies?
Zowel door de AGG als door de experts van de RAC zijn de resultaten van de dierstudies beoordeeld in lijn met Verordening (EG) 1272/20086.
De Europese Commissie heeft ECHA verzocht een gedetailleerde toelichting te geven in de definitieve RAC-opinie op het onderdeel van de beoordeling waarover de publicatie van de «Health and Environment Alliance» gaat. De definitieve RAV-opinie wordt in augustus 2022 door ECHA gepubliceerd. Ik zal uw Kamer deze doen toekomen.
Kunt u tevens nader uitleggen hoe het ondanks dat in tien van de elf studies dieren kanker ontwikkelden, er geen 1B classificatie is gegeven aan glyfosaat, wat betekent dat het potentieel kankerverwekkend is op basis van dierstudies? Hoe ziet u hierbij de toepassing van het Europese voorzorgsprincipe?
Zie antwoord vraag 5.
Kunt u deze vragen beantwoorden voor de voortzetting van het debat over gewasbeschermingsmiddelen en deze studies meenemen in de informatie die nog naar de Kamer wordt gestuurd over glyfosaat?
Ja.
Ik heb uw Kamer op 17 juni jl. schriftelijk geïnformeerd over glyfosaat (Kamerstuk 27 858, nr. 573).
Getroffen maatregelen op het ministerie van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap naar aanleiding van de lessen uit het toeslagenschandaal op gebied van hardheden en de informatiehuishouding |
|
Renske Leijten , Peter Kwint |
|
Robbert Dijkgraaf (minister onderwijs, cultuur en wetenschap) (D66), Mark Rutte (minister-president , minister algemene zaken) (VVD) |
|
Is er op uw ministerie, onder andere naar aanleiding van het toeslagenschandaal, onderzoek gedaan naar wetten en andere maatregelen die leiden tot onevenredige en/of hardvochtige consequenties voor mensen bij de uitvoering daarvan? Zo nee, kunt u uitgebreid motiveren waarom niet?1 2 3
Ter uitvoering van de motie Ploumen/Jetten4 verricht elk departement een inventarisatie naar wet- en regelgeving die hardvochtig uitpakt voor mensen. Deze inventarisatie maakt onderdeel uit van een breed palet aan maatregelen die het kabinet treft om de menselijke maat in wet- en regelgeving te versterken. In de brief «Acties kabinet bevorderen menselijke maat wetten en regels», die op 11 juli jl. met Uw Kamer is gedeeld,5 wordt ingegaan op de stand van zaken van de inventarisaties, waarbij in bijlage 3 bij die brief per departement een nadere toelichting wordt gegeven op de eigen inventarisatie.
In bijlage 2 bij de brief «Acties kabinet bevorderen menselijke maat wetten en regels» is daarnaast een verslag opgenomen van de rijksbrede internetconsultatie die heeft plaatsgevonden in het kader van de inventarisatie, waarbij eenieder voorbeelden kon aandragen van wetten en regels waardoor mensen buitensporig in de knel komen.6 Hiermee is beoogd het burgerperspectief te betrekken en te voorkomen dat departementen signalen uit de buitenwereld van knellende wetten en regels missen.
Aanvullend op de uitvoering van de motie Ploumen/Jetten wordt door het Ministerie van SZW in samenwerking met het Ministerie van VWS de motie Omtzigt7 uitgevoerd. In het kader daarvan is onafhankelijk onderzoek uitgevoerd naar hardvochtige effecten in de Participatiewet, de werknemersregelingen en het pgb. Dit onderzoek is op 7 juli jl. met uw Kamer gedeeld.8 Daarnaast is Uw Kamer op 21 juni geïnformeerd over het traject Participatiewet in balans9 en wordt u aan het eind van de zomer geïnformeerd over de hardheden in de WIA.
Is dit onderzoek of zijn deze onderzoeken met de Kamer gedeeld? Zo nee, kunt u uitgebreid motiveren waarom niet en kunt u het onderzoek onverwijld naar de Kamer sturen?
In bijlage 3 bij de brief «Acties kabinet bevorderen menselijke maat wetten en regels»10 van 11 juli jl. is per departement aangegeven wanneer de resultaten van de inventarisatie van het desbetreffende departement worden verwacht en op welke wijze uw Kamer daarover wordt geïnformeerd.
Kunt u, naar aanleiding van de kabinetsbrief waarin wordt aangegeven dat «elk departement de voor het desbetreffende domein meest passende methodiek om hardvochtigheden op te sporen» hanteert, toelichten welke methodiek op uw ministerie wordt gehanteerd? Kunt u uw antwoord uitgebreid motiveren?
Ten behoeve van de inventarisaties ter uitvoering van de motie Ploumen/Jetten heb ik met de departementen gewerkt aan een gemeenschappelijk analysekader voor de analyse van de binnengekomen resultaten.11 Een gereedschapskist is ontwikkeld waar de departementen al naar gelang hun specifieke domein en behoefte instrumenten (beoordelingscriteria) uit kunnen halen. Zo biedt onder meer de uitvoering van de motie Lodders/Van Weyenberg een voorbeeld van hoe aangedragen knelpunten kunnen worden gecategoriseerd, besproken en aangepakt in een wisselwerking met de Tweede Kamer.12 Voorop staat dat elk aangedragen voorbeeld van hardvochtige effecten wordt onderzocht en waar nodig en mogelijk opgelost. In bijlage 3 bij de brief «Acties kabinet bevorderen menselijke maat wetten en regels»13 van 11 juli jl. wordt per departement nader ingegaan op de methodologie die door het departement wordt gehanteerd bij de inventarisatie.
Zijn er naar aanleiding van onderzoeken, quickscans, of andere signalen maatregelen getroffen op uw ministerie om wetten, maatregelen of procedures waarvan inmiddels bekend is dat ze tot onevenredige consequenties leiden aan te passen? Zo ja, welke maatregelen zijn dit en welk effect moet dit tegengaan? Zo nee, kunt u uitgebreid toelichten waarom niet? en strenge uitvoeringspraktijken van de Raad van State heeft behandeld?4 5
In bijlage 3 bij de brief «Acties kabinet bevorderen menselijke maat wetten en regels»16 van 11 juli jl. is per departement aangegeven wanneer de resultaten van de inventarisatie van het desbetreffende departement worden verwacht en op welke wijze uw Kamer daarover wordt geïnformeerd.
Kunt u aangeven of en hoe uw ministerie de «buikpijn dossiers» die uit de inventarisatie van de Raad voor de Rechtspraak komen én de reflectie op Knellende regelgeving
De «buikpijndossiers» en knelpunten die voortvloeien uit het jaarverslag van de Raad voor de Rechtspraak alsmede de reflectie van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State worden betrokken bij de inventarisaties van de beleidsverantwoordelijke departementen naar wet- en regelgeving die hardvochtig uitpakt voor mensen.17 Hetzelfde geldt voor de signalen die de Hoge Raad in zijn jaarverslag heeft meegegeven aan de wetgever.18
Kunt u aangeven hoe bij nieuwe voorstellen vanuit uw ministerie voorkomen wordt dat deze voorstellen leiden tot onevenredige en/of hardvochtige consequenties? Wat is er ten opzichte van deze werkwijze anders dan voor het naar buiten komen van het toeslagenschandaal?
In bijlage 3 bij de brief «Acties kabinet bevorderen menselijke maat wetten en regels»19 van 11 juli jl. wordt vermeld welke acties de departementen nemen om op structurele basis knelpunten te inventariseren. Dit in aanvulling op de diverse acties die rijksbreed lopen om de menselijke maat in wet- en regelgeving te bevorderen, die tevens besproken worden in de voornoemde brief.20
Om te voorkomen dat nieuw beleid of nieuwe wetgeving leidt tot onevenredige consequenties zet het Ministerie van Justitie en Veiligheid onverminderd in op het realiseren van de verbeterpunten in de brief over versterking van de kwaliteit van beleid en wetgeving die in juni 2021 aan uw Kamer is verzonden.21 Eén van de maatregelen is ook het herzien van het Integraal afwegingskader voor beleid en regelgeving (het IAK) en het bevorderen van het gebruik hiervan. Het IAK bevordert dat in een beleidsproces met alle betrokkenen wordt nagedacht over wat goed is én wat werkt voor de samenleving met aandacht voor alle relevante te maken afwegingen. Hierbij moeten nadrukkelijk beleid, uitvoering en de doelgroep in de samenleving vanaf het begin zijn betrokken, ook om de consequenties in kaart te brengen. Onderdeel van de herziening van het IAK is dat het ook steviger in de ministeries wordt gepositioneerd, en daarmee wordt bevorderd dat de consequenties van voorstellen zo vroeg mogelijk in het beleidsproces in beeld worden gebracht. Uw Kamer wordt na de zomer geïnformeerd over de voortgang van de herziening.
Heeft uw ministerie een nulmeting in het kader van het «Rijksprogramma voor Duurzaam Digitale Informatiehuishouding» gemaakt en een verbeterplan opgesteld? Zo ja, kunt u deze nulmeting en het verbeterplan onverwijld naar de Kamer sturen?6 7
De actieplannen en nulmetingen van de departementen worden per afzonderlijke Kamerbrief gebundeld en gelijktijdig met deze beantwoording naar de Kamer gezonden voorzien van een nadere duiding.
Kunt u aangeven wat het beleid is op uw ministerie aangaande het bewaren van SMS’jes en ander berichtenverkeer, ook van uzelf?
Hierop is het rijksbrede beleid van toepassing waaruit volgt dat chatberichten over de bestuurlijke besluitvorming bewaard dienen te blijven wanneer de relevante informatie niet ook al op een andere manier is geborgd binnen de organisatie. Is het bestuurlijke besluit uit het chatbericht ook op een andere manier geborgd binnen de organisatie, bijvoorbeeld in een nota of een e-mail, dan kan het oorspronkelijke chatbericht worden verwijderd. Het is niet nodig dat dezelfde relevante informatie twee keer wordt bewaard. Dit ook in verband met het belang van ordentelijke archiefvorming. Deze staande praktijk is in lijn met de heersende Wob-rechtspraak.
De Instructie bewaren chatberichten belegt de verantwoordelijkheid voor het bewaren van relevante chatberichten bij de inhoudelijk verantwoordelijke dossierhouder. Voor bewindspersonen geldt dat zij alleen berichten hoeven te bewaren over de bestuurlijke besluitvorming waarvan de relevante inhoud nergens anders binnen de organisatie is geborgd. Berichten kunnen worden bewaard door middel van het maken van een screenshot of door middel van «export» van het chatbericht. In dit kader wijs ik er nog op dat de Minister-President tijdens het debat van 19 mei jongstleden heeft toegezegd door mij te laten bezien hoe de chatinstructie voor bewindspersonen op dit punt nader kan worden geëxpliciteerd aan de hand van het zogenaamde «vierogen-principe». Hiertoe wordt voor eind augustus een praktisch voorstel gedaan voor een uniforme werkwijze die door de bewindslieden gebruikt kan worden.
Hoeveel WOB/WOO verzoeken heeft uw ministerie in behandeling en wat is van die verzoeken het tijdsverloop?8
In bijlage 1 is het overzicht te vinden van de antwoorden van de departementen.25
Herhaalprikken voor mensen onder de zestig jaar |
|
Joba van den Berg-Jansen (CDA) |
|
Kuipers |
|
|
|
|
Klopt het dat op zaterdag 11 juni jongstleden diverse GGD’en tweede boosters voor mensen onder de zestig jaar zonder afspraak hebben aangeboden, maar dat dit binnen een dag weer teruggedraaid werd? Zo ja, hoe heeft dit misverstand kunnen ontstaan?1
Dit klopt niet. Er is geen sprake geweest van een wijziging van beleid. De herhaalprik wordt geadviseerd en aangeboden aan 60-plussers, volwassenen met het syndroom van Down en ernstig immuungecompromitteerde mensenvolwassenen. In individuele gevallen is er maatwerk mogelijk voor mensen jonger dan 60 jaar die een vergelijkbaar ernstige afweerstoornis hebben door ziekte of behandeling. Deze mensen kunnen zich met een verwijsbrief van een medisch specialist laten vaccineren bij de GGD. Voor 60-minners die niet in één van deze groepen vallen is de herhaalprik niet beschikbaar.
Deelt u de mening dat de overheid een schild dient te zijn voor de zwakken en kwetsbare mensen moet helpen beschermen?
Ja, deze mening deel ik.
Herinnert u zich de aangenomen motie Van den Berg c.s., waarin de regering verzocht is maatwerk mogelijk te maken voor het toedienen van – op vrijwillige basis – herhaalprikken voor kwetsbaren onder de 60 jaar als de medisch specialist dat adviseert?2
Ja.
Op welke wijze heeft u deze motie uitgevoerd?
Mensen met een ernstig gecompromitteerd immuunsysteem hebben in de meeste gevallen een uitnodigingsbrief voor de herhaalprik ontvangen van hun medisch specialist. Het gaat om patiënten die onder behandeling zijn van een medisch specialist voor een specifieke aandoening of die bepaalde medicijnen voorgeschreven krijgen. Deze mensen behoren in principe tot dezelfde groep patiënten die eerder een derde vaccinatie kreeg als onderdeel van de basisserie. Sinds 19 april jl. ontvangen zij een uitnodiging voor de herhaalprik. Met deze uitnodigingsbrief kunnen zij de herhaalprik bij de GGD krijgen. Daarnaast is er maatwerk mogelijk voor individuele patiënten. Het betreft patiënten met een vergelijkbare ernstige afweerstoornis door een ziekte of behandeling die buiten de eerdergenoemde patiëntengroepen vallen, maar volgens hun medisch specialist baat hebben bij een extra prik vanwege een vergelijkbare afname van de immunologische bescherming. Deze route geeft ruimte om het gewenste maatwerk te leveren.
Om nader invulling te geven aan de oproep uit de motie om duidelijk te communiceren over de maatwerkroute heeft het RIVM in een nieuwsbrief aan zorgprofessionals, verstuurd in de week van 13 juni jl., de werkwijze voor de maatwerkaanpak extra toegelicht. Ook GGD GHOR Nederland heeft de maatwerkaanpak extra toegelicht in een nieuwsflits voor regionale GGD’en. Daarnaast zijn de patiënten- en cliëntenorganisaties voorzien van informatie over de maatwerkaanpak om te verspreiden onder de achterban. Tot slot wordt er op www.coronavaccinatie.nl/herhaalprik en www.rivm.nl/coronavaccinatie/afweerstoornis meer informatie gegeven over de maatwerkroute via de medisch specialist.
Deelt u de mening dat deze motie alleen goed uitgevoerd wordt als aan álle kwetsbaren onder de zestig jaar met een verwijzing van een medisch specialist een herhaalprik wordt aangeboden, en dus niet alleen voor ernstig immuun geconpromitteerden? Op welke wijze communiceert u hierover richting de GGD’en?
Het toepassingskader en de medisch-wetenschappelijke adviezen van de Gezondheidsraad en het RIVM zijn leidend bij de besluitvorming over de inzet van COVID-19-vaccins. Het primaire doel van het vaccinatiebeleid is het voorkomen van ernstige ziekte en sterfte door COVID-19. Het afgelopen jaar hebben we geleerd dat de bescherming van de basisserie na verloop van tijd enigszins afneemt. Inmiddels weten we dat een hogere leeftijd, dus niet onderliggend lijden, de belangrijkste indicator voor een afname in bescherming is. Het immuunsysteem van ouderen werkt minder goed dan dat van jongere mensen. Deze verminderde werking zien we ook bij mensen met het syndroom van Down en mensen met een ernstige afwijking van het immuunsysteem. In individuele gevallen is er maatwerk mogelijk voor mensen die een vergelijkbare ernstige afweerstoornis hebben door ziekte of behandeling en bij wie de immunologische bescherming om die reden ook sneller terugloopt. Deze route en de communicatie hierover heb ik toegelicht in mijn antwoord op vraag 4.
Omdat het immuunsysteem van de eerdergenoemde groepen minder goed werkt, neemt hun opgebouwde bescherming sneller af. Dit is waarom deze groepen het eerst in aanmerking kwamen voor een booster en ook waarom zij nu een herhaalprik aangeboden krijgen. Dankzij de herhaalprik wordt de bescherming tegen ernstige ziekte bij deze groepen weer op peil gebracht. De meeste andere mensen zijn na de basisserie en de booster echter goed en voor langere tijd beschermd tegen ernstige ziekte en sterfte. Onderliggend lijden of mate van blootstelling spelen hierbij geen grote rol. Er zijn géén aanwijzingen dat de booster minder goed werkt bij mensen met een medisch risico, zoals astma of diabetes. Met andere woorden: mensen onder de 60 jaar uit dergelijke medische risicogroepen bereiken door middel van de booster een even goede bescherming tegen ziekenhuisopname en sterfte als gezonde mensen onder de 60 jaar. In de huidige epidemiologische situatie zijn er daarom geen medisch-wetenschappelijke redenen om een herhaalprik aan te bieden aan mensen van onder de 60 jaar, al dan niet uit een medische risicogroep of met een verhoogde blootstelling aan het virus. Een herhaalprik levert voor deze mensen slechts zeer beperkte verhoging van de beschermingsgraad op. Het RIVM geeft daarnaast aan dat een langer interval tussen de doses voor een betere immuunrespons zorgt. Het aanbieden van een herhaalprik zonder medische noodzaak vind ik onwenselijk: vaccineren is een medische handeling waar een zorgvuldige gezondheidsafweging aan ten grondslag dient te liggen. De herhaalprik is op dit moment niet geregistreerd en wordt alleen voor de oudste leeftijdsgroepen geadviseerd door het EMA, de ECDC of het RIVM. Er is onvoldoende bewijs om aan te tonen dat jongere leeftijdsgroepen baat hebben bij een extra prik. Formeel is het toedienen van een vaccinatie zonder medische noodzaak daarom niet toegestaan en kan juridische gevolgen hebben voor de betrokken partijen.
Kunt u aangegeven wat mensen die zich kwetsbaar voelen (bijvoorbeeld omdat ze overgewicht hebben, diabetes of COPD) en die daarom graag een tweede booster willen ontvangen maar jonger zijn dan 60 jaar, kunnen doen indien ze op dit moment geen regelmatig contact met een medisch specialist hebben?3
Zoals ik in het antwoord op vraag 5 heb aangegeven, levert een herhaalprik voor deze mensen nauwelijks extra gezondheidswinst op. De medisch specialist kan bepalen of er in individuele gevallen sprake is van voldoende gezondheidswinst door een herhaalprik.
Wat gaat u doen om te borgen dat alle kwetsbaren via de huisarts een herhaalprik kunnen krijgen?
In mijn antwoord op vraag 5 heb ik uitgelegd welke zorgvuldige medisch-wetenschappelijke afweging ten grondslag ligt aan de huidige afbakening van de doelgroep voor de herhaalprik. In individuele gevallen is er maatwerkmogelijk voor patiënten met een vergelijkbare ernstige afweerstoornis door een ziekte of behandeling die buiten de in het antwoord op vraag 1 genoemde patiëntengroepen vallen, maar volgens hun medisch specialist baat hebben bij een extra prik vanwege een vergelijkbare afname van de immunologische bescherming. Vaccineren is een medische handeling waar een zorgvuldige gezondheidsafweging aan ten grondslag dient te liggen. Medisch specialisten zijn het beste in staat om deze afweging te maken. Huisartsen geven aan te herkennen dat er bepaalde patiënten zijn met de wens voor een extra vaccinatie, maar weten ook dat hiervoor niet altijd een medische onderbouwing bestaat. In die gevallen is goede communicatie over nut en noodzaak van een eventuele extra herhaalprik erg belangrijk om zorgen weg te nemen bij patiënten. Communicatie via landelijke kanalen kan hieraan bijdragen, maar huisartsen kunnen in individuele gevallen ook een gesprek aangaan met patiënten. Vanuit het RIVM wordt een communicatiehulpmiddel opgesteld en gedeeld met de huisartsenkoepels om huisartsen hierbij extra te ondersteunen.
De bagatellisering van de Bersiap |
|
Simone Kerseboom (FVD) |
|
Mark Rutte (minister-president , minister algemene zaken) (VVD) |
|
|
|
|
Bent u bekend met het artikel «Leids Indië-monument voor de tweede keer in drie weken gevandaliseerd, ditmaal met roze verf»?1
Ja.
Kunt u op dit vandalisme reflecteren?
Dit is een aangelegenheid van het lokaal bestuur. Het lokaal bestuur beschikt over de informatie en bevoegdheden die hierbij van belang kunnen zijn.
Maakt u zich, nu er wéér een incident heeft plaatsgevonden (op dezelfde dag als uw beantwoording op mijn vragen over de bagatellisering van de Bersiap), nog steeds geen zorgen dat de huidige, negatieve weergave van de Nederlandse inzet in Nederlands-Indië tussen 1945 en 1950 tot vandalisme kan leiden en hoe verhoudt dat zich tot uw antwoord op vraag 10 van mijn Kamervragen van 25 mei 2022, waarin u stelt dat er geen aanwijzingen zijn vastgesteld voor een verband tussen het historisch revisionisme en negationisme over de genocide in Nederlands-Indië (de Bersiap) en het bekladden van monumenten die een eerbetoon zijn aan de mensen die hun leven hebben opgeofferd voor Nederland in deze periode?2
Nee. Dit is een aangelegenheid van het lokaal bestuur dat beschikt over informatie en bevoegdheden terzake.
Vindt u ook dat de gemeente met de vandalen «in gesprek» moet gaan? Is zo’n softe reactie wat u betreft gepast wanneer monumenten voor slachtoffers van genocide worden gevandaliseerd?
Het betreft geen aangelegenheid van de rijksoverheid maar van het lokaal bestuur dat beschikt over de relevante informatie en bevoegdheden om een situatie te beoordelen.
Ontkent u dat er genocide heeft plaatsgevonden in de Bersiaptijd, gezien uw antwoord op vraag 9 van mijn Kamervragen van 25 mei 2022?
Het begrip genocide heeft een specifieke juridische betekenis die niet per definitie van toepassing is op elke periode waarin sprake is geweest van extreem geweld. Het onlangs verschenen onderzoeksrapport van het NIOD, NIMH en KITLV bezigt voor deze periode het begrip extreem geweld.
Zou u de moord op duizenden (Indische) Nederlanders in de Bersiaptijd als genocide kenmerken? Zo nee, kunt u onderbouwen waarom niet?
Het begrip genocide heeft een specifieke juridische betekenis die niet per definitie van toepassing is op elke periode waarin sprake is geweest van extreem geweld. Het onlangs verschenen onderzoeksrapport van het NIOD, NIMH en KITLV bezigt voor deze periode het begrip extreem geweld.
Erkent u, op zijn minst, dat de Bersiap aspecten van een genocide heeft?
Het begrip genocide heeft een specifieke juridische betekenis die niet per definitie van toepassing is op elke periode waarin sprake is geweest van extreem geweld. Het onlangs verschenen onderzoeksrapport van het NIOD, NIMH en KITLV bezigt voor deze periode het begrip extreem geweld.
Indien het antwoord op vraag 6 en/of 7 nee is, zou u de moord op duizenden (Indische) Nederlanders tijdens de Bersiap als etnische zuivering kenmerken? Zo nee, kunt u onderbouwen waarom niet?
Het begrip moord heeft een specifieke juridische betekenis die niet per definitie van toepassing is op categoriën personen in elke periode waarin sprake is geweest van extreem geweld.
Kunt u deze vragen afzonderlijk van elkaar en zo spoedig mogelijk beantwoorden?
Ja.
Het bericht 'ECB gaat Zuid-Europa met schulden helpen' |
|
Eelco Heinen (VVD) |
|
Sigrid Kaag (viceminister-president , minister financiën) (D66) |
|
|
|
|
Bent u bekend met het artikel «ECB gaat Zuid-Europa met schulden helpen»?1
Ja.
Hoe beoordeelt u het voorgenomen beleid van de Europese Centrale Bank (ECB), specifiek gericht op het terugdringen van renteverschillen tussen de eurolanden, in relatie tot het mandaat van de ECB zoals vastgelegd in het Werkingsverdrag van de Europese Unie (VWEU)?
Op 15 juni jl. is de Governing Council van de ECB bijeengekomen voor een spoedoverleg. Daarin is besloten dat de ECB versneld een instrument gaat ontwikkelen om op te treden tegen oplevende fragmentatierisico’s die kunnen leiden tot ongelijke transmissie van het monetair beleid. Daarnaast gaat de ECB de opbrengsten van aflopende staatsobligaties onder het pandemic emergency purchase programme (PEPP) waar nodig flexibel herinvesteren om fragmentatierisico’s tegen te gaan.
De ECB stelt dat het nieuwe instrument financiële fragmentatie tussen eurolanden zou moeten tegengaan en ervoor moet zorgen dat het monetaire beleid gelijkmatig wordt doorgegeven aan alle eurolanden zodat de ECB haar primaire doelstelling van handhaving van de prijsstabiliteit kan nastreven. Het is echter nog niet bekend hoe dit instrument zal worden vormgegeven. Tijdens de vergadering van de Eurogroep van 16 juni jl. heb ik de president van de ECB bevraagd over de mogelijke vormgeving van het nieuwe instrument.2 President Lagarde gaf aan dat het doel van het instrument is om het monetaire transmissiemechanisme goed te laten werken (d.w.z. een gelijkmatige doorwerking van het monetaire beleid naar alle eurolanden), niet zozeer om hoogoplopende renteverschillen (spreads) tussen eurolanden tegen te gaan die het gevolg zijn van onderliggende economische en financiële kenmerken van landen. De Minister-President heeft na afloop van de Europese Raad van 23-24 juni jl. benadrukt dat het de verantwoordelijkheid van lidstaten is om zorg te dragen voor deze onderliggende economische en financiële kenmerken.
De ECB bepaalt in onafhankelijkheid het monetaire beleid in de eurozone. Daarbij is de ECB gehouden aan haar mandaat van handhaving van de prijsstabiliteit (artikel 127 van het verdrag betreffende de werking van de Europese Unie; VWEU) en het verbod op monetaire financiering (artikel 123 van VWEU).
De aankoop van staatsobligaties op de secundaire markt door de ECB is onder voorwaarden toegestaan. Dit volgt uit het ESCB-statuut en wordt bevestigd in de Gauweiler3 en Weiss4 arresten van het Hof van Justitie van de Europese Unie (het Hof). In deze arresten heeft het Hof van Justitie van de Europese Unie zich gebogen over de juridische geldigheid van het Outright Monetary Transactions (OMT) instrument en het Public Sector Purchase Programme (PSPP). Het Hof heeft hierbij elementen van deze instrumenten geïdentificeerd die van belang zijn voor conformiteit met het werkingsverdrag. Om te beoordelen of een instrument past binnen het mandaat van de ECB moet de doelstelling van het betreffende instrument bijdragen aan het primaire doel van prijsstabiliteit. De aangewende middelen en de evenredigheid van deze middelen zijn hierbij eveneens relevant. Daarnaast mogen aankopen op de secundaire markt niet de doelstelling van het verbod op monetaire financiering omzeilen. Dit betekent met name dat de aankoop van staatsobligaties op de secundaire markt niet de prikkel voor gezond begrotingsbeleid mag ontnemen. Tevens mogen aankopen in de praktijk niet hetzelfde effect hebben als aankopen op de primaire markt. In de Gauweiler en Weiss arresten oordeelde het Hof dat het OMT en het PSPP programma vanwege hun vormgeving voldoen aan deze eisen en daarom verenigbaar zijn met het ECB-mandaat en het verbod op monetaire financiering. Het aangekondigde instrument lijkt qua doelstelling het meest op het OMT-instrument, wat destijds aangekondigd is met als doel om fragmentatie te adresseren.
Bent u bereid een onafhankelijke juridische toets uit te laten voeren naar de verenigbaarheid tussen het voorgenomen ECB-beleid en het ECB-mandaat en de Tweede Kamer hierover te informeren?
Het kabinet onderschrijft het belang van het ECB-mandaat van handhaving van de prijsstabiliteit en het verbod op monetaire financiering. Daarnaast hecht het kabinet grote waarde aan de onafhankelijkheid van de ECB. De ECB heeft beleidsvrijheid om invulling te geven aan haar mandaat binnen de verdragsrechtelijke kaders.
Zoals het antwoord op vraag 2 beschrijft, past de aankoop van staatsobligaties onder voorwaarden binnen de verdragsrechtelijke kaders. De beoordeling van het Hof of een nieuw instrument verenigbaar is met het ECB-mandaat en het verbod op monetaire financiering zal daarom afhangen van de vormgeving van het instrument.
Op moment van schrijven heeft de ECB het nieuwe instrument aangekondigd zonder verdere informatie over de vormgeving van het instrument te geven. Het is de exclusieve rol van het Hof om besluiten van de ECB aan haar verdragsrechtelijke mandaat te toetsen. In het licht hiervan en gezien de noodzaak tot terughoudendheid van nationale overheden om zich te mengen in ECB-beleid, acht ik het niet opportuun om zelf een juridische analyse uit te laten voeren.
Kunt u deze vragen beantwoorden vóór het volgende commissiedebat Eurogroep/Ecofinraad op 7 juli a.s.?
Ja.
Het bericht ‘Fastfood rondom scholen neemt sterk toe’ |
|
Evert Jan Slootweg (CDA) |
|
Maarten van Ooijen (staatssecretaris volksgezondheid, welzijn en sport) (CU) |
|
|
|
|
Heeft u kennisgenomen van de resultaten van het data-onderzoek van journalistiek onderzoeksplatform Pointer, waaruit blijkt dat alleen al in het afgelopen decennium het aantal fastfoodlocaties binnen vijf minuten lopen van scholen met veertig procent is gestegen?1
Ja.
Deelt u de mening dat de opkomst van ongezond eten in de buurt van jongvolwassenen problematisch is, omdat dit bijdraagt aan het oplopende overgewicht en ziektes als diabetes type 2, hart- en vaatziekten en kanker? Bent u het er tevens mee eens dat je niet meer kan spreken van een eigen keuze als je als jongere op elke straathoek wordt verleid om ongezond te eten?
Ik deel de mening dat de opkomst van ongezond eten in de buurt van jongvolwassenen problematisch is. Een groot aanbod van ongezond voeding maakt het lastiger om de gezonde keuze te maken. Hoewel overgewicht en ziektes als diabetes meerdere oorzaken kennen, heeft ongezond aanbod inderdaad een aandeel in de toename van overgewicht en gerelateerde ziektelast.
Hoe verklaart u dat het fastfoodaanbod het sterkst groeit rond scholen met veel achterstandsleerlingen? Deelt u de mening dat dit zeer onwenselijk is, aangezien hiermee gezondheidsachterstanden alleen maar verder vergroot dreigen te worden?
Ik vind de gezondheid van alle jongeren heel belangrijk en daarmee ook dat ze in een gezonde omgeving op kunnen groeien. Een gezonde eetomgeving hoort daarbij. Kinderen en jongeren worden in de huidige voedselomgeving voortdurend op allerlei manieren verleid om ongezonde producten te eten. En dat moet echt anders. De omgevingen die het ongezondst zijn, hebben daarbij prioriteit. Ik heb geen volledige verklaring voor het feit dat het fastfoodaanbod het sterkste groeit rondom scholen met veel achterstandsleerlingen. De uitdaging waar we met elkaar voor staan is om de voedselomgeving van de jongeren weer gezonder te maken. En daar ga ik me vol voor inzetten samen met andere betrokkenen zoals gemeenten en andere relevante partijen.
Deelt u de mening van experts dat het verminderen van de verkooppunten van fastfood binnen gemeenten – naast het afschaffen van de btw op Schijf van Vijf producten en het invoeren van een belasting op suikerhoudende drank – een van de meest effectieve maatregelen is om de doelstellingen uit het deelakkoord «overgewicht» van het Nationaal Preventieakkoord te behalen?2
Ik ben van mening dat de voedselomgeving gezonder moet worden en betrek bij mijn aanpak onder andere het rapport van het RIVM waaraan in de vraag gerefereerd wordt. Experts geven aan dat de omgeving in sterke mate bepaalt wat we eten, er is zoveel (ongezonde) verleiding dat zelfs iemand die echt gezonder wil eten hier maar moeilijk in slaagt. De situatie rondom verkooppunten van fastfood is één van de aspecten in de voedselomgeving waar ik onder meer samen met andere deelnemers aan het Nationaal Preventieakkoord naar kijk. Na de zomer zal ik uw Kamer informeren over de aanpak op overgewicht en voeding.
Op welke termijn komt u met aanvullende maatregelen om de doelstellingen van het deelakkoord «overgewicht» van het Nationaal Preventieakkoord binnen bereik te brengen?
Op dit moment wordt aan de thematafel Overgewicht/voeding in gezamenlijkheid gesproken over het aanscherpen van bestaande acties en het formuleren van nieuwe acties om de ambities uit het NPA 2018 te behalen. Ik zal uw Kamer na de zomer informeren over de aanpak van het kabinet op het thema overgewicht/voeding. De uitkomsten van de gesprekken aan de Thematafel vormen hier een onderdeel van.
Wanneer krijgt de Kamer uiterlijk de wettelijke maatregelen toegestuurd waarmee de omgeving gezonder gemaakt kan worden, bijvoorbeeld door gemeenten handhavingsinstrumenten in handen te geven?3
Ik ben voornemens de Kamer na de zomer via een brief te informeren over de preventieaanpak op overgewicht en voeding. In deze brief zal ik ingaan op de stand van zaken van een beoogd pakket aan maatregelen, waaronder mogelijke wettelijke maatregelen met betrekking tot het gezonder maken van de voedselomgeving.
Welke mogelijkheden hebben scholen om er voor te zorgen dat de leerlingen geen gebruik maken van het aanbod aan fastfood? Op welke wijze kan de overheid scholen hierbij ondersteunen?
In en rond scholen is er ook nog veel winst te halen als het gaat om een gezonde voedselomgeving. Er zijn programma’s als de Gezonde School, de Gezonde Schoolkantine en het Akkoord Gezonde Voeding op Scholen waar scholen gebruik van kunnen maken. Daarnaast werken JOGG en het Voedingscentrum samen aan de Aanpak eetomgeving scholen vo en mbo. Er is een pilot geweest in een aantal steden. Met die resultaten is een Raamwerk opgesteld om de Aanpak eetomgeving scholen vo en mbo verder landelijk uit te rollen. Dit zijn allemaal voorbeelden van zelfregulering. Ik verken op dit moment wettelijke maatregelen om tot een gezonde(re) voedselomgeving te komen. Dat betekent niet dat ik al het ongezonde aanbod wil verbieden; er moet een balans zijn. Ik zal uw Kamer na de zomer informeren over de uitkomst van deze verkenning.
Zijn er naar uw mening gemeentelijke preventieakkoorden waarin goede afspraken vastgelegd zijn over het aanbod van fastfood binnen de gemeente? Kunt u hier voorbeelden van geven?
Er zijn een aantal gemeenten die in hun verordeningen afspraken hebben over voedselaanbod rondom scholen. Over het algemeen staan in de preventieakkoorden vooral ambities en verkenningen, maar zijn nog geen concrete (juridische) afspraken opgenomen. Zo had Rotterdam als eerste een lokaal preventieakkoord «Gezond010: het akkoord» (december 2019) en heeft Amsterdam een lokaal preventieakkoord dat zich volledig richt op de gezondheid van MBO’ers, waarin ook aandacht is voor gezonde leefstijl, gezonde voedselkeuzes en een gezonde kantine. Om echter meer beleids- en regelruimte te krijgen op het aanbod van fastfood zijn beide steden lid van de City Deal Gezonde en Duurzame Voedselomgeving.
Op welke wijze kan de overheid invloed uitoefenen op de samenstelling van het aanbod in fastfoodrestaurants, waarbij valt te denken aan de hoeveelheden suiker, verzadigd vet en zout, bewerkt vlees en portiegrootte? Welke rol ziet u daarbij voor uzelf?
De overheid heeft onlangs de Nationale Aanpak Productverbetering gelanceerd. Deze aanpak moet ertoe leiden dat er in 2030 over de gehele breedte van productgroepen én in alle kanalen, zowel in supermarkten als in horeca en catering, verbetering is gerealiseerd in de samenstelling van bewerkte producten. De nieuwe aanpak stimuleert bedrijven om productverbetering door te voeren. De overheid ondersteunt daarbij door een informatiecampagne en bijeenkomsten, het stellen van doelen, het monitoren van de voortgang en het uitvoeren van tussentijdse evaluaties.
Op welke wijze zou geregeld kunnen worden dat de overheid eventueel regulerend zou kunnen handelen als het gaat om de samenstelling van het aanbod in fastfoodrestaurants? Ziet u bijvoorbeeld meerwaarde in het opstellen van een gedragscode voor de fastfoodsector, met als stok achter de deur mogelijke wettelijke maatregelen als er geen verbeteringen zijn voor een bepaalde datum?4
Ik ben op dit moment bezig met een juridische verkenning voor een gemeentelijk instrumentarium ten behoeve van een gezonde voedselomgeving. Hiermee zouden we gemeenten instrumenten kunnen geven om de toename van aanbieders van ongezond voedsel tegen te gaan, maar ook eventuele regels kunnen stellen met betrekking tot ongezonde drank-, snoep- en snackautomaten in bijvoorbeeld de schoolomgeving of het beperken van marketing van ongezonde producten gericht op kinderen. Ook maken we bindende afspraken met de industrie over gezondere voedingsmiddelen. Ik zal u de komende maanden informeren over de maatregelen die ik voor ogen heb en de uitwerking van deze maatregelen.
Het bericht 'Uitsluiting studenten energietoeslag is onrechtmatig, zeggen juristen' |
|
Jeanet van der Laan (D66), Anne-Marijke Podt (D66) |
|
Carola Schouten (viceminister-president , minister zonder portefeuille sociale zaken en werkgelegenheid) (CU) |
|
|
|
|
Bent u bekend met het artikel «Uitsluiting studenten energietoeslag is onrechtmatig, zeggen juristen»?1
Ja.
In hoeverre bent u van mening dat «student zijn» een gerechtvaardigde grond is om deze groep uit te sluiten van de energietoeslag via de categoriale bijzondere bijstand, ook al is dit opgenomen in een richtlijn en niet in de wet?
In het wetsvoorstel zelf worden inderdaad geen groepen uitgesloten van het recht op een eenmalige energietoeslag, ook studenten niet. Wel heb ik ter bevordering van een uniforme uitvoering van de eenmalige energietoeslag gemeenten via de landelijke richtlijnen geadviseerd studenten als categorie uit te sluiten van het recht op een eenmalige energietoeslag. Daarvoor bestaat naar mijn oordeel een gerechtvaardigde en in principe ook juridisch houdbare reden. De woonsituatie van studenten is namelijk zeer divers, ook voor wat betreft de energiekosten. Ongeveer de helft van de studenten woont nog thuis bij de ouders en heeft dus geen eigen energierekening. Voor een aanzienlijk deel gaat het bij uitwonende studenten bijvoorbeeld om kamerbewoners, met een huurprijs inclusief energiekosten. Vanwege deze diversiteit in woonsituatie acht ik voor deze doelgroep de individuele bijzondere bijstand een geschikter instrument dan de categoriale bijzondere bijstand. Op deze wijze komt de financiële ondersteuning vanuit de bijzondere bijstand uitsluitend terecht bij de studentenhuishoudens die het daadwerkelijk nodig hebben.
Overigens geldt er voor jongeren tot 21 jaar een wettelijke onderhoudsplicht voor de ouders.
Bestaat er een risico dat gemeenten beroepszaken zullen verliezen omdat zij de richtlijn vanuit het ministerie naleven?
Zoals ik in het vorige antwoord heb toegelicht, bestaat er naar mijn oordeel een gerechtvaardigde en in principe ook juridisch houdbare reden om studenten uit te sluiten van het recht op een eenmalige energietoeslag. Gemeenten beschikken over beleidsvrijheid bij het toekennen van de energietoeslag.
Het gelijkheidsbeginsel brengt met zich dat een gemeente bij de vormgeving van het beleid bij de eenmalige energietoeslag en bij de uitvoering ervan moet waarborgen dat mensen in gelijke gevallen gelijk worden behandeld. Indien een betrokkene beroep instelt tegen een individueel besluit tot afwijzing van de eenmalige energietoeslag, zal de rechter onder andere toetsen of het besluit leidt tot ongelijke behandeling van gelijke gevallen.
Erkent u dat studenten, net als andere burgers, te maken kunnen krijgen met een hogere energierekening?
Afhankelijk van hun woonsituatie kunnen ook studenten te maken krijgen met een hogere energierekening.
Hoeveel studenten hebben naar schatting te maken met een hogere energierekening en wat is hun gemiddelde toegenomen last?
Ik kan niet aangeven hoeveel studenten te maken hebben met een hogere energierekening. Ongeveer de helft van de studenten woont thuis bij de ouders en heeft dus geen eigen energierekening. Ik heb geen beeld van het aantal uitwonende studenten dat een zelfstandige of gedeelde energierekening heeft en mogelijk een financieel probleem zou hebben als gevolg van de sterk gestegen energieprijzen. Duidelijk is wel dat de woonsituatie van studenten zeer divers is, ook voor wat betreft de energiekosten.
Op basis waarvan is de afweging gemaakt dat studenten vanwege hun diverse woonsituatie geen recht hebben op de categoriale bijzondere bijstand?
Zie antwoord vraag 2.
Hoeveel studenten hebben reeds bij gemeenten een aanvraag voor bijzondere bijstand gedaan naar aanleiding van de hogere energielasten?
Het is mij niet bekend hoeveel studenten op het ogenblik een aanvraag voor individuele bijzondere bijstand hebben gedaan bij hun gemeente in verband met de sterk gestegen energieprijzen.
In hoeverre is het aannemelijk dat studenten in aanmerking komen voor individuele bijzondere bijstand, rekening houdend met de voorwaarden die hieraan verbonden zijn?
De verlening van bijzondere bijstand is zowel financieel als beleidsmatig gedecentraliseerd aan de gemeenten. Bij de beoordeling van het recht op bijzondere bijstand zijn de gemeenten gehouden aan de wettelijke kaders van de Participatiewet. Eén van die kaders betreft de in artikel 15, eerste lid, van de Participatiewet opgenomen regel dat geen recht op bijzondere bijstand bestaat voor zover een beroep kan worden gedaan op een voorliggende voorziening die gezien haar aard en doel geacht wordt voor de belanghebbende toereikend en passend te zijn.
Bijzondere bijstand wordt verleend op grond van artikel 35, eerste lid, van de Participatiewet.
Bij een aanvraag wordt allereerst getoetst of de kosten waarvoor bijzondere bijstand wordt gevraagd zich voordoen, of die kosten in dat geval noodzakelijk zijn en of die kosten voortvloeien uit bijzondere omstandigheden. De voorwaarden voor het recht op individuele bijzondere bijstand verschillen per gemeente. Dit geldt ook voor de individuele bijzondere bijstand in verband met de sterk gestegen energieprijzen. Binnen een gemeente gelden er in beginsel voor studenten geen andere voorwaarden voor het recht op bijzondere bijstand dan voor andere burgers.
Als het college van burgemeester en wethouders bovengenoemde vragen bevestigend beantwoordt, toetst het college of de kosten kunnen worden voldaan uit de bijstandsnorm, de langdurigheidstoeslag, het vermogen en het inkomen voor zover dit meer bedraagt dan de bijstandsnorm. Bij het bepalen van het inkomen voor studenten moet het inkomen uit studiefinanciering op grond van de Wet studiefinanciering 2000 in aanmerking worden genomen naar het van toepassing zijnde normbedrag voor de kosten van levensonderhoud.2 Dat schrijft artikel 33, eerste lid, van de Participatiewet voor. Dit is namelijk een voorliggende voorziening als bedoeld in artikel 15, eerste lid, van de Participatiewet, omdat daarover redelijkerwijs kan worden beschikt. Het is vaste rechtspraak dat het niet-afsluiten van een rentedragende lening – met als gevolg daarvan een lagere draagkracht – niet kan worden afgewenteld op de bijstand.3 Dit betekent overigens niet dat een student gehouden is om maximaal te lenen bij DUO; het afzien van deze mogelijkheid levert de student echter geen hoger recht op bijstand op.
In hoeverre is naar studenten actief gecommuniceerd dat ook zij aanspraak kunnen maken op de individuele bijzondere bijstand?
Ik ga op korte termijn in overleg met de Dienst Uitvoering Onderwijs (DUO) en gemeenten om te bezien in hoeverre de website van DUO benut kan worden om studenten te wijzen op de mogelijkheid van individuele bijzondere bijstand in verband met de sterk gestegen energieprijzen.
De voorwaarden voor het recht op individuele bijzondere bijstand verschillen per gemeente. Dit geldt ook voor de individuele bijzondere bijstand in verband met de sterk gestegen energieprijzen. De voorlichting zal niet dan ook niet anders dan algemeen kunnen zijn.
In hoeverre wordt er met verhuurders en studentenhuisvestingsorganisaties gesproken over het isoleren van woningen?
Vanuit het Rijk is er veelvuldig contact met verhuurders en studentenhuisvestingsorganisaties. Het Ministerie van Binnenlandse Zaken en Koninkrijkrelaties zit regelmatig om tafel met Kences, de LSVb, UNL, stichting LOS, Nuffic, VH, de kennissteden, The Class Foundation en Vastgoed Belang. Met al deze partijen wordt het nieuwe Landelijk Actieplan Studentenhuisvesting opgesteld dat in september aan uw Kamer zal worden aangeboden.
Ook duurzaamheid in combinatie met betaalbare studentenwoningen krijgt daarin een plek. In het reguliere overleg worden onderwerpen zoals duurzaamheid besproken en concreet opgepakt door degene die als verantwoordelijke wordt opgenomen in het landelijk actieplan. Zo is dit onderwerp niet alleen bij de verhuurders en studentenhuisvestingsorganisaties geadresseerd, maar hebben ook de gemeenten een verantwoordelijkheid waar het gaat over informatievoorziening met betrekking tot een duurzame studentenwoning.
Parallel hieraan lopen twee beleidstrajecten die invloed kunnen hebben op de isolatiestaat van studentenwoningen. Zo worden met woningcorporaties prestatieafspraken gemaakt over het uitfaseren van huurwoningen met slechte energielabels (E, F en G). Dit raakt ook zelfstandige studentenwoningen. Daarnaast wordt in het kader van de modernisering van het woningwaarderingsstelsel voor onzelfstandige woningen onderzocht of de isolatie van onzelfstandige studentenwoningen beter gestimuleerd kan worden door toevoeging van het energielabel.
Welke mogelijkheden ziet u om jongeren en studenten die te maken hebben met een hogere energierekening en hogere prijzen door inflatie te ondersteunen?
Het kabinet heeft aanvullende maatregelen omtrent de koopkracht en de stijgende energieprijzen voor dit jaar getroffen. In het bijzonder verlaagt het kabinet de btw op de energierekening per 1 juli 2022 van 21 naar 9 procent. Daarnaast heeft het kabinet eind vorig jaar de energiebelastingen verlaagd. Ook jongeren en studenten hebben profijt van deze maatregelen.
Bent u bereid om samen met de studentenorganisaties te bekijken hoe de voorlichting van studenten over de individuele bijzondere bijstand te verbeterd kan worden?
Ik ben met gemeenten in gesprek over de knelpunten die zij ervaren met de energietoeslag en de positie van studenten. Ik wil daarbij ook de signalen betrekken van gemeenten die aangeven een goed uitvoerbare werkwijze ten aanzien van studenten te hebben. Aan de hand van de uitkomsten zal ik bezien in hoeverre de communicatie naar studenten nog aangepast moet worden en welke rol studentenorganisaties daarbij kunnen vervullen.
Vakantieparken die mogelijk misbruikt worden door criminelen om hun geld wit te wassen |
|
Sandra Beckerman , Michiel van Nispen (SP) |
|
Dilan Yeşilgöz-Zegerius (minister justitie en veiligheid) (VVD), Micky Adriaansens (minister economische zaken en klimaat) (VVD), Hugo de Jonge (minister binnenlandse zaken en koninkrijksrelaties) (CDA) |
|
|
|
|
Heeft u kennisgenomen van de berichtgeving over vakantieparken die mogelijk misbruikt worden door criminelen om hun geld wit te wassen?1
Ja.
Hoe kan het volgens u dat criminelen zo’n stevige grip hebben gekregen op vakantieparken en andersoortige recreatieobjecten? Sinds wanneer speelt dit probleem en wat heeft u de afgelopen jaren gedaan om dit probleem aan te pakken?
Uit het RIEC-rapport waar in het artikel aan wordt gerefereerd blijkt dat de afgelopen jaren de vraag naar recreatief vastgoed is gestegen. Ook de coronamaatregelen hebben aan de vraag naar recreatiewoningen een stimulans gegeven. Door de sterk toegenomen vraag naar (en prijs van met name luxere) recreatieobjecten is het zowel voor bonafide, als voor malafide partijen aantrekkelijk om in deze vastgoedmarkt te investeren. Zie voor meer informatie het RIEC-rapport.2
Bij gemeenten, provincies, Rijk en andere betrokken organisaties staat dit probleem al geruime tijd op het netvlies. In de interbestuurlijke Actie-agenda vakantieparken (2018–2020, resp. 2021–2022)3 is de aanpak van deze problematiek een belangrijke doelstelling: «Veilige vakantieparken met bonafide ondernemers waarbij situaties van overlast, criminaliteit en andere ondermijnende activiteiten worden voorkomen en beëindigd.» Vanwege de integrale aanpak van de problematiek op vakantieparken is de Actie-agenda een brede agenda, waar verschillende ministeries bij betrokken zijn, waaronder Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties, Justitie en Veiligheid, Economische Zaken en Klimaat, Sociale Zaken en Werkgelegenheid, en Volksgezondheid, Welzijn en Sport. De acties op het terrein van veiligheid en de aanpak van ondermijning zijn met name gericht op het beter in beeld krijgen van de betreffende parken en meer inzicht in de problematiek, op meer bewustwording onder bestuurders en een steviger agendering, en op het vergroten van het handelingsperspectief. Daartoe zijn er bijvoorbeeld regionale leerkringen georganiseerd door het Centrum voor Criminaliteitspreventie en Veiligheid (CCV) en door Platform31, en ook landelijke (digitale) kennisbijeenkomsten. Verder zijn er handreikingen ontwikkeld om partijen te ondersteunen bij de aanpak en is er een website opgericht voor professionals waar publicaties, onderzoeken, handreikingen en instrumenten te vinden zijn4. Recent is ook een barrièremodel gepubliceerd. Dit model maakt inzichtelijk welke barrières opgeworpen kunnen worden om ondermijning op vakantieparken tegen te gaan en om in een vroeg stadium het criminele circuit in de kiem te smoren.5
Het bestrijden van criminaliteit met betrekking tot vakantieparken is daarnaast onderdeel van de brede aanpak van georganiseerde ondermijnende criminaliteit. In de brief aan uw Kamer van 26 april jl. heb ik u hierover geïnformeerd.6
Wat vindt u ervan dat de burgemeester van Arnhem, heer A. Marcouch, tevens voorzitter van het Regionale Informatie- en Expertise Centrum (RIEC) voor een landelijke aanpak pleit en de bevindingen alarmerend noemt?
De bevindingen in het RIEC-rapport zijn zorgelijk. Er wordt al in een landelijke aanpak, waar de heer Marcouch voor pleit, voorzien. Er wordt met alle betrokken ministeries gezamenlijk gewerkt aan de landelijke Actie-agenda (zie antwoord op vraag7, 8. Hierin is de aanpak van georganiseerde criminaliteit een van de doelstellingen, waaronder ook het tegengaan van witwassen valt.
Waarom worden de koop en verkoop van chalets en stacaravans niet geregistreerd in het Kadaster? Zou hier een oplossing voor het probleem in zitten?
In de Basisregistratie Kadaster (BRK) wordt alleen de koop en verkoop geregistreerd van onroerend goed. In de Basisregistratie Adressen en Gebouwen (BAG) bestaat wel de mogelijkheid voor gemeenten om verplaatsbare objecten in beeld te brengen door standplaatsen en ligplaatsen aan te wijzen. Op die manier ontstaan er voor objecten, zoals chalets en stacaravans, adressen, zodat de objecten vindbaar zijn en personen die er permanent verblijven in de Basisregistratie Personen (BRP) ingeschreven kunnen worden. In het kader van de Actie-agenda vakantieparken 2021–2022 is een traject gestart om op vakantieparken de informatiepositie voor gemeenten te verbeteren. Om beter zicht te krijgen op parken worden gemeenten door een extern bureau ondersteund om adresseerbare verblijfsobjecten en standplaatsen van een adres te voorzien en te registreren in de BAG. Het Ministerie van BZK heeft voor de uitvoering van dit BAG-traject eind 2021 een financiële bijdrage beschikbaar gesteld aan alle provincies. Op initiatief van de provincies zijn er de afgelopen periode in diverse provincies voorlichtingsbijeenkomsten gehouden voor gemeenten. Eerdere kennis en ervaringen die zijn opgedaan in de provincie Gelderland worden hierbij benut.9
Ik wil het resultaat van deze actie uit de Actie-agenda vakantieparken 2021–2022 eerst af te wachten en vervolgens bezien in hoeverre er nog steeds knelpunten optreden bij het beter zicht krijgen op vakantieparken en hoe die kunnen worden opgelost. In het kader van de eindrapportage van de Actie-agenda wordt uw Kamer hierover begin 2023 geïnformeerd.
Hoe kan het dat aan- en verkoop van chalets, stacaravans en parken veelal kan met contant geld? Zijn campingeigenaren dan wel eigenaren van chalets en stacaravans verplicht om melding te maken van verdachte transacties bij de Financial Intelligence Unit? Zo nee, waarom niet? Zo ja, gebeurt dit naar uw inschatting ook vaak genoeg en als dit niet genoeg gebeurt waar komt dit volgens u dan door?
Verschillende private instellingen zijn als poortwachters van het financiële stelsel verplicht om cliëntenonderzoek te verrichten en ongebruikelijke transacties te melden bij de FIU-Nederland in het kader van de Wet ter voorkoming van witwassen en financieren van terrorisme (Wwft). Het werk dat private instellingen in dit kader verrichten heeft een preventieve werking om het financiële stelsel «schoon» te houden en te voorkomen dat zij betrokken raken bij voornoemde criminaliteitsvormen. Het betreft banken, andere financiële ondernemingen en (rechts)personen of vennootschappen die handelen in het kader van hun beroepsactiviteiten (zie artikel 1a Wwft). Onder de laatste groep vallen onder meer accountants, administratiekantoren, notarissen, advocaten, makelaars, trustkantoren en beroeps- of bedrijfsmatig handelen in goederen, voor zover betaling van deze goederen in contanten plaatsvindt voor een bedrag van € 10.000 of meer. De Wwft is gebaseerd op de internationale standaarden van de Financial Action Task Force en de Europese anti-witwasrichtlijn. Campingeigenaren dan wel eigenaren van chalets en stacaravans zijn daarin niet genoemd.
Uit navraag bij FIU-Nederland blijkt dat zij regelmatig signalen met betrekking tot vakantieparken ontvangen van meldingsplichtige instellingen, met name van banken, notarissen en accountants. Uit een zoekslag in de data van de FIU-Nederland blijkt dat het aantal meldingen van ongebruikelijke transacties met een relatie naar vakantieparken, campings en chalets/stacaravans de afgelopen jaren is gegroeid. De FIU-Nederland heeft over de afgelopen vijf jaar ruim 300 ongebruikelijke transacties gerelateerd aan vakantieparken, campings en chalets/stacaravans verdacht verklaard en ter beschikking gesteld aan de (bijzondere) opsporingsdiensten. Daarbij wordt door de FIU-Nederland opgemerkt dat deze transacties niet alleen kunnen zien op witwassen, maar ook op fraude en andere onderliggende delicten van witwassen.
Kunt u verduidelijken waar aan gedacht moet worden als gesproken wordt over «betalingen die door gewiekste constructies vaak moeilijk zijn te traceren»? Moet hierbij gedacht worden aan constructies die de betrokkenheid vragen van notarissen, advocaten, trustkantoren, et cetera? Zo ja, hoe kan het dat deze dienstverleners zich dan klaarblijkelijk laten lenen voor het witwassen van criminele gelden?
Bij georganiseerde criminaliteit kunnen (rechts)personen betrokken zijn die het criminele proces al dan niet bewust faciliteren. Het rapport noemt een achttal facilitators die betrokken kunnen zijn bij criminele investeringen in vakantieparken, te weten de notaris, taxateur, makelaar, financiële dienstverleners, beleggingsinstellingen, advocaat, accountant en administratiekantoren, en het openbaar bestuur.10 Voor al deze (rechts)personen en organisaties geldt dat zij alert moeten zijn dat wat hen wordt gevraagd niet wordt gebruikt voor georganiseerde criminaliteit, of het nu een juridische of financiële dienst betreft, of het verlenen van een vergunning. De risico-indicatoren die in het rapport worden genoemd bieden daarvoor goede handvatten.
Ook merk ik op, zoals aangegeven in antwoord op vraag 5, dat veel potentiële facilitators, zoals advocaten, notarissen, trustkantoren en andere instellingen, poortwachters zijn van het financiële stelsel. Zo moeten zij op grond van de Wwft en voor trustkantoren ook de Wet toezicht trustkantoren 2018 (Wtt) cliëntenonderzoek verrichten en ongebruikelijke transacties melden bij de FIU-Nederland.
Daarnaast verwijs ik naar de geactualiseerde National Risk Assessment (NRA) witwassen, waarin risico’s op witwassen periodiek worden geïdentificeerd door betrokken publieke én private partijen. Uit de geactualiseerde NRA uit 2019 blijkt dat criminele gelden verhuld kunnen worden door witwassen via onder meer (complexe) juridische entiteiten en constructies, zoals door gebruik te maken van allerlei soorten rechtsvormen.11 Om te voorkomen dat misbruik wordt gemaakt van juridische entiteiten en constructies verwijs ik naar de concrete maatregelen, zoals opgenomen in het plan van aanpak witwassen van 30 juni 2019.12
Is het RIEC-rapport voor u aanleiding om de vakantieparkensector beter te reguleren dan wel om beter toezicht te gaan houden op deze sector? Zo nee, waarom niet? Zo ja, op welke manier(en)?
Het is primair aan de gemeenten om toezicht te houden op vakantieparken en te handhaven ter voorkoming en bestrijding van criminele activiteiten. In het kader van de Actie-agenda vakantieparken ondersteunen het Rijk, provincies en kennisinstellingen gemeenten hierbij met leerkringen, kennisbijeenkomsten, handreikingen, workshops, etc. Het RIEC-rapport is een bevestiging van het belang om op die manier de bewustwording bij de betrokken professionals en bestuurders te vergroten en de opgedane kennis en ervaringen met elkaar te blijven delen.
In het bijzonder kan hier ook het Ariadne project worden genoemd, dat in de provincie Gelderland gemeenten adviseert en ondersteunt bij het versterken van hun informatiepositie en bij het uitvoeren van integrale controle-acties op vakantieparken. Het expertteam van Ariadne werkt samen met gemeenten, politie, Openbaar Ministerie en andere partners, zoals Belastingdienst en Arbeidsinspectie.
Bent u bereid het RIEC-rapport aan de Kamer te sturen? Zo nee, waarom niet?
Het rapport is openbaar te raadplegen.13
Bent u het ermee eens dat er een stop moet komen op de opkoop van campings door roofinvesteerders, waaronder naar nu blijkt dus ook veel criminelen zitten? Kunt u reageren op de punten uit het Manifest en daarbij aangeven of deze punten in hun samenhang bezien ook zouden kunnen helpen bij het terugdringen van crimineel geld en crimineel handelen uit deze sector?2
In het genoemde manifest wordt opgeroepen om de opkoop van campings te stoppen en de recreanten en de natuur te beschermen. De Minister van Economische Zaken en Klimaat en de Minister voor Volkshuisvesting en ruimtelijke Ordening hebben recentelijk een onderzoek laten uitvoeren naar deze punten.15
Naar aanleiding van het onderzoek Opkopen Vakantieparken kunnen we concluderen dat er een afname is in het aantal jaarplaatsen en dat het opkopen van vakantieparken hier een aandeel in heeft, maar dat deze ontwikkeling een bescheiden impact heeft op de totale voorraad jaarplaatsen (de afname ligt rond de 1% per jaar). Volgens de onderzoekers varieert de impact van de transities/herstructurering van jaarplaatsen naar verhuureenheden door opkoping of andere overnamevormen op de ruimtelijke ordening en de natuur per thema. Na een transitie zijn deze parken zelf in potentie duurzamer, maar wordt het effect daarvan deels tenietgedaan door hogere aantallen en frequentie van bezoekers. Of het opkopen van vakantieparken per definitie tot een negatieve impact op de omgeving en natuur leidt is dus niet eenduidig te zeggen. Gemeenten hebben overigens goede sturingsmogelijkheden om de ontwikkelingsmogelijkheden van parken te beïnvloeden middels het ruimtelijk ordeningsinstrumentarium en de bestemmingsplannen.
Het is bij transities of herstructureringen van belang om een goede balans te vinden tussen de belangen van de verhuurder en de huurder. Het Ministerie van EZK is daarom het gesprek gestart met de sector waarbij de sector wordt gevraagd om huurders beter voor te lichten over hun contract, en bijvoorbeeld een helpdeskfunctie in te richten voor vragen rondom jaarplaatsen. De Minister voor VRO zal het rapport onder de aandacht brengen van gemeenten, zodat gemeenten goed op de hoogte zijn van hun sturingsmogelijkheden. Met deze acties verwachten de ministeries dat er meer aandacht komt voor de belangen van de huurders, maar ook leefomgeving en natuur.
Uit RIEC-rapport blijkt overigens niet dat er onder investeerders die campings opkopen veel criminelen zitten. Uit het onderzoek zijn enkele voorbeelden en concrete casussen van verdachte transacties naar voren gekomen dat er sprake is van een criminele investering of het voorkomen daarvan. Ook blijkt dat het niet eenvoudig is om zicht te krijgen op criminele investeringen op vakantieparken en dat signalen lastig hard te maken zijn.
Bent u het ermee eens dat een BIBOB-aanvraag verplicht moet worden gesteld bij de aankoop van een recreatiepark? Kunt u uw antwoord nader toelichten?
De Wet Bibob is een instrument dat dient ter bescherming van de integriteit van de overheid, door te voorkomen dat de overheid door het verlenen van bijvoorbeeld vergunningen of het aangaan van vastgoedtransacties onbedoeld criminele activiteiten faciliteert. Het toepassen van de Wet Bibob is een discretionaire bevoegdheid van bestuursorganen. Dit betekent dat een bestuursorgaan zelf bepaalt wanneer het de Wet Bibob inzet. Het altijd, in alle gevallen, inzetten van de Wet Bibob is niet proportioneel. Het Bibob-onderzoek vormt een inbreuk op de persoonlijke levenssfeer en voorkomen moet worden dat het onderzoek zonder gerede aanleiding plaatsvindt. Hoewel ik het belang van de inzet van de Wet Bibob in risicovolle branches erken, vind ik het niet nodig om de toepassing van de Wet Bibob bij (de aankoop van) recreatieparken verplicht te stellen. Ik vind het belangrijk dat bestuursorganen beleidsvrijheid hebben bij de invulling van hun discretionaire bevoegdheden. Zij kunnen het beste een risico-inschatting maken van de in hun omgeving benodigde aanpak. Met een risicogerichte en bovenal proportionele inzet van de Wet Bibob kunnen bestuursorganen ervoor zorgen dat een Bibob-onderzoek plaatsvindt wanneer dit gerechtvaardigd is.
Bent u het ermee eens dat sommige gemeenten en provincies enorme steken hebben laten vallen en zich hebben laten misleiden? Kunt u uw antwoord nader toelichten?
In de Rapportage Vakantieparken van het RIEC Oost-Nederland wordt ingegaan op het investeren door criminelen in vakantieparken. Ook wordt benoemd welke zogenaamde «facilitators» betrokken kunnen zijn. Het onderzoek toont echter ook aan dat het niet eenvoudig is om zicht te krijgen op criminele investeringen in vakantieparken in Oost-Nederland. Op basis van de Rapportage Vakantieparken of andere berichten kan niet geconcludeerd worden dat bestuursorganen steken hebben laten vallen of zich hebben laten misleiden. Wel is dankzij de inspanningen van het RIEC Oost-Nederland inzichtelijk gemaakt waar de risico’s zich bevinden. Dit kan bestuursorganen helpen om een betere risico-inschatting te maken en het Bibob-instrument zo nog meer gericht in te zetten.
Bent u bereid te onderzoeken welke rol gemeenten en provincies in deze opkoop van vakantieparken spelen en gespeeld hebben? Kunt u uw antwoord nader toelichten?
In het onderzoek naar het opkopen van vakantieparken dat recentelijk naar uw Kamer is gestuurd, is ook gekeken naar de rol van gemeenten en provincies16. Gemeenten hebben goede sturingsmogelijkheden om de ontwikkelingsmogelijkheden van parken te beïnvloeden middels het ruimtelijk ordeningsinstrumentarium en de bestemmingsplannen. Bij het inzetten van deze instrumenten worden decentrale overheden echter geconfronteerd met de lastige afweging tussen de belangen van de ondernemers en die van de huurders, waardoor hier niet altijd gebruik van wordt gemaakt. De Minister voor Volkshuisvesting en Ruimtelijke Ordening zal dit rapport onder de aandacht brengen van gemeenten, zodat gemeenten goed op de hoogte zijn van hun sturingsmogelijkheden.
Wat vindt u ervan dat lokale overheden mogelijk met criminelen samen hebben gewerkt?
Het RIEC-rapport geeft aan dat lokale overheden gevoelig kunnen zijn voor aantrekkelijke plannen voor de realisatie van nieuwe vakantieparken, maar ook voor de investering in het revitaliseren van verloederde vakantieparken, bijvoorbeeld tot nieuwe parken of woonwijken. Ook kan het openbaar bestuur, veelal onbewust, criminelen faciliteren wanneer projectplannen zonder gedegen onderzoek worden goedgekeurd, als er geen kritische houding wordt aangenomen ten aanzien van vergunningaanvragen. Het is aan de lokale bestuurders om daar alert op te zijn. Daarnaast bieden het Rijk en de provincies ondersteuning om de bewustwording bij de betrokken professionals en lokale bestuurders te vergroten en de opgedane kennis en ervaringen met elkaar te delen. Zie ook antwoord 2 en 7.
Hoe kijkt u met de kennis van nu tegen de antwoorden op de eerder gestelde schriftelijke vragen van de SP over de opkoop van de vakantieparken Meerzicht (nr. 1721) en Het Berkenven (2022Z00628)?
De Minister voor VRO staat nog steeds achter de beantwoording van de eerder gestelde schriftelijke vragen van de SP over de opkoop van de vakantieparken Meerzicht (nr. 1721) en Het Berkenven (2022Z00628). Het rapport «Opkopen vakantieparken» en de reactie daarop is op 6 juli naar uw Kamer gestuurd17. Naar aanleiding van dit onderzoek ziet de Minister geen aanleiding om de antwoorden te herzien.
Bent u het ermee eens dat de grote zorgen van standplaatshouders onvoldoende serieus zijn genomen? Kunt u uw antwoord nader toelichten?
Zoals eerder gezegd, is het bij transities of herstructureringen van belang om een goede balans te vinden tussen de belangen van de verhuurder en de huurder. Daarom zal het Ministerie van EZK in gesprek gaan met de sector en aan de sector vragen om huurders beter voor te lichten over hun contract, en bijvoorbeeld een helpdeskfunctie in te richten voor vragen rondom jaarplaatsen.
Hoe heeft het kunnen gebeuren dat bijna elke gemeente te maken gehad heeft met één of meerdere risico-indicatoren voor criminele investeringen maar desondanks de opkoop van recreatieparken zo massaal heeft kunnen plaatsvinden?
Het onderzoek van het RIEC heeft zich enkel gefocust op gemeenten in Oost-Nederland (provincies Overijssel en Gelderland). In dezelfde regio zijn ook voorbeelden van gemeenten die heel alert zijn op crimineel misbruik. Hierbij kan, zoals ook in antwoord op vraag 7, het Ariadne project worden genoemd. Verder verwijs ik u naar mijn antwoord op vraag 9.
Bent u bereid om eventueel in samenspraak met uw collega bewindspersonen van Economische Zaken en Volkshuisvesting & Ruimtelijke Ordening per direct in te grijpen in deze massale opkoop totdat alle (vervolg)onderzoeken zijn afgerond? Kunt u uw antwoord nader toelichten?
De koop en verkoop van goederen is een zaak tussen private partijen. Ingrijpen op dergelijke individuele transacties is een vergaande maatregel waar ik geen voorstander van ben. In het antwoord op vraag 2 hiervoor ben ik ingegaan op de Actie-agenda vakantieparken 2021–2022 en heb ik kort uiteengezet wat er op dit moment wordt gedaan om meer zicht te krijgen op de problematiek rondom criminele investeringen in vakantieparken. Het kabinet wacht het resultaat van deze acties uit de Actie-agenda vakantieparken 2021–2022 eerst af en zal vervolgens bezien in hoeverre er nog steeds knelpunten optreden bij het beter zicht krijgen op vakantieparken en hoe die kunnen worden opgelost. Daarbij verwijs ik u ook naar de antwoorden op vraag 4, 7 en 9.
Hoe kijkt u in het licht van dit alarmerend bericht naar een eerder artikel over de vergunning van Europarcs in Kaatsheuvel?3
Uit het aangehaalde artikel uit het Brabant Dagblad van 2 juni 2022 blijkt onder meer dat Europarcs in Kaatsheuvel in strijd heeft gehandeld met het bestemmingsplan en dat er sprake was van permanente bewoning. Dit zijn volgens de Rapportage Vakantieparken van het RIEC Oost-Nederland risico-indicatoren die kunnen duiden op een verhoogde kans op een criminele investering. Het plegen van strafbare feiten dat hiermee gepaard kan gaan is naar mijn mening zeer ongewenst. Uit het artikel blijkt ook dat het bestuursorgaan Loon op Zand een Bibob-toets heeft gedaan en advies bij het Landelijk Bureau Bibob (LBB) heeft ingewonnen. In het artikel wordt gesteld dat uit het onderzoek van het LBB naar voren is gekomen dat er sprake is van een ernstig gevaar dat er strafbare feiten kunnen worden gepleegd met de vergunning. Vanwege de vertrouwelijkheid van het advies worden hier geen uitspraken over gedaan. Wel kan in algemene zin gesteld worden dat de mate van gevaar een indicatie is dat de kans bestaat dat met gebruik van de vergunning strafbare feiten zullen worden gepleegd. Op basis van in het verleden (vermoedelijk) gepleegde strafbare feiten wordt de kans op misbruik ingeschat, en daarvoor geldt in principe hoe hoger het aantal strafbare feiten, hoe eerder sprake is van de categorie ernstig gevaar. In deze beoordeling wordt door het LBB niet gekeken naar de ernst van de feiten. Het is namelijk bij wet bepaald dat de beoordeling van de ernst van de feiten is voorbehouden aan het bestuursorgaan. De ernst van de feiten wordt gerelateerd aan de impact van misbruik van een vergunning. De impact van misbruik is onder meer afhankelijk van de lokale context, wat het beste lokaal kan worden beoordeeld. Daarmee kan het dus voorkomen dat er sprake is van een ernstig gevaar, maar dat een intrekking of weigering van een vergunning niet proportioneel is. In dat soort gevallen kan bijvoorbeeld een vergunning onder voorwaarden worden verleend, waarbij de voorwaarden zijn bedoeld om de kans op misbruik te verkleinen.
Bent u het eens met de stelling dat gemeenten te makkelijk en soms onterecht een vergunning afgeven ondanks een BIBOB-toetsing waaruit volgens dit artikel blijkt dat de vergunning mede zou worden gebruikt voor het plegen van strafbare feiten? Kunt u uw antwoord nader toelichten?
Ik verwijs voor dit antwoord naar de beantwoording van vraag 18.
Bent u bekend met het bericht «Patty en Herman moeten na 54 jaar vertrekken van de Zwarte Bergen»?4
Ja.
Hoe kijkt u tegen de vermeende bedreigingen van de exploitant van deze camping tegen een raadslid van de Lokale Partij Bergeijk dat het raadslid aan Omroep Brabant bevestigd heeft?
Iedere volksvertegenwoordiger moet veilig zijn of haar ambt kunnen uitoefenen. De Minister van BZK heeft 8 maart jl. uw Kamer geïnformeerd over verdere acties en stappen in het kader van intensiveringen van weerbaar bestuur.20 Ik vind het belangrijk dat er altijd melding en waar mogelijk ook aangifte wordt gedaan van vermeende intimidaties en bedreigingen richting politieke ambtsdragers. Uit het artikel begrijp ik dat er aangifte is gedaan bij de politie en dat het onderzoek bij justitie ligt.
Bent u bereid, zeker nu vast is komen te staan dat er criminele activiteiten afspelen op vakantieparken, een onderzoek in te stellen naar intimidatie en bedreigingen van standplaatshouders en gemeenteraadsleden c.q. andere mensen in dienst van de lokale overheid? Zo nee, waarom niet? Zo ja, per wanneer kunnen we de resultaten van dit onderzoek verwachten?
Uit het onderzoek van het RIEC Oost Nederland komen geen signalen naar voren dat intimidatie en bedreigingen regelmatig aan de orde zijn in relatie tot vakantieparken. Uit het geschetste profiel van criminele investeerders in vakantieparken blijkt dat criminelen, die iets nodig hebben van een gemeente of andere overheidsinstelling, juist goed zijn in een «charmeoffensief» en zich op een slimme manier weten te presenteren. Wel vind ik het belangrijk om te vermelden dat mijn ministerie op de hoogte is van diverse situaties waarbij burgemeesters geïntimideerd zijn naar aanleiding van problematiek op vakantieparken. Ik vind deze signalen zeer zorgelijk. Ik vind het belangrijk dat er altijd melding en waar mogelijk ook aangifte wordt gedaan. Het is dan aan de politie en justitie om daar onderzoek naar te doen.
Het Ministerie van BZK laat iedere twee jaar de Monitor Integriteit en Veiligheid uitvoeren. Deze geeft inzicht in de mate waarin politieke ambtsdragers bij decentrale overheden en medewerkers in het bredere openbaar bestuur te maken krijgen met agressie en geweld door burgers en de wijze waarop hier beleidsmatig mee wordt omgegaan. De monitor maakt daarbij niet inzichtelijk hoe incidenten met agressie en geweld gerelateerd zijn aan verschillende maatschappelijke problemen, zoals mogelijk misbruik door criminelen van vakantieparken, maar biedt daarentegen wel altijd veel aanknopingspunten voor verdere acties en stappen in het kader van de intensiveringen van weerbaar bestuur. In haar brief van 6 juli jl. aan uw Kamer heeft de Minister van BZK uiteengezet welke stappen er naar aanleiding van de Monitor Integriteit en Veiligheid 2022 worden gezet.21
Was u op de hoogte van het onderzoek dat door RIEC uitgevoerd werd? Zo ja, per wanneer?
Op ambtelijk niveau is mijn ministerie in april geïnformeerd over het fenomeenonderzoek. Het behoort tot de taken van de RIEC’s om dergelijke onderzoeken te doen. Door het blootleggen van criminele fenomenen in de verschillende regio’s kunnen deze door gezamenlijke partners in de RIEC’s ook beter worden aangepakt.
Woonwagenbewoners die op zwarte lijsten staan bij gemeenten. |
|
Stephan van Baarle (DENK) |
|
Hanke Bruins Slot (minister binnenlandse zaken en koninkrijksrelaties) (CDA) |
|
|
|
|
Bent u bekend met het bericht «Woonwagenbewoners op zwarte lijst bij gemeenten: nationale waakhond doet onderzoek»?1
Ja.
Klopt het dat woonwagenbewoners bij veel gemeenten op een zwarte lijst staan en dat het Ministerie van Justitie en Veiligheid deze lijsten heeft opgesteld? Zo ja, wat wordt er in dit kader onder woonwagenbewoners verstaan en deelt u de mening dat dit moet stoppen?
De checklist is niet door het Ministerie van Justitie en Veiligheid opgesteld. Het modelinformatieprotocol, inclusief de checklist, is opgesteld door de landsadvocaat in opdracht van het Strategisch Beraad Ondermijning (SBO) en besproken in een klankbordgroep waarin gemeenten, de Vereniging Nederlandse Gemeenten (VNG) en de Autoriteit Persoonsgegevens (AP) en het Ministerie van Justitie en Veiligheid hebben deelgenomen. Het modelinformatieprotocol, inclusief de checklist, is op 20 februari 2020 door de Minister van Justitie en Veiligheid aan uw Kamer verzonden.
Het Ministerie van Justitie en Veiligheid houdt niet bij, en heeft ook geen weet van anderen die bijhouden, welke gemeenten met deze checklist werken of hebben gewerkt.
Het Ministerie van Justitie en Veiligheid heeft mij laten weten dat de checklist onderdeel uitmaakt van het Model Privacy Protocol Binnengemeentelijke gegevensdeling bij de aanpak van ondermijning (hierna: modelinformatieprotocol). Dit modelinformatieprotocol is bedoeld als handleiding en maakt inzichtelijk op welke wijze op dit terrein binnen een gemeente rechtmatig de informatiedeling kan worden ingericht. Aan de hand van de checklist kunnen signalen (op grond van een aantal kenmerken en indicatoren) worden beoordeeld. Het modelinformatieprotocol is opgesteld naar het voorbeeld van het privacy protocol van de gemeente Rotterdam. De checklist is ook overgenomen uit het privacy protocol van de gemeente Rotterdam. Ten tijde van het opstellen van het modelinformatieprotocol golden woonwagencentra in Rotterdam als een handhavingsknelpunt.2 Dit betekende dat het in Rotterdam van belang was om alert te zijn ten aanzien van signalen die hierop betrekking hadden. Doordat de checklist van Rotterdam is overgenomen, zijn bewoners van woonwagencentra, naast eigenaren en huurders, ook opgenomen in de checklist van het modelinformatieprotocol. Overigens met de uitdrukkelijke kanttekening dat de checklist «vanzelfsprekend» kan worden aangepast al naar gelang de eigen gemeentelijke praktijk en ervaringen. Het is uiteindelijk de verantwoordelijkheid van gemeenten – om desgewenst met behulp van het modelinformatieprotocol en de checklist – binnen de bestaande wettelijke kaders gegevens uit te wisselen.
Dat woonwagenbewoners als specifieke groep worden genoemd op de checklist is onjuist. De Minister van Justitie en Veiligheid zal verzoeken de checklist op dit punt aan te laten passen.
Deelt u de mening dat het zijn van een woonwagenbewoner een fundamentele uiting is van iemands identiteit en dat daarmee het bijhouden van lijsten van woonwagenbewoners waarin zij in verband worden gebracht met veiligheidsdreigingen een vorm is van etnisch profileren? Zo nee, waarom niet?
Bij brief van 14 december 20213 bent u geïnformeerd over het mensenrechtelijk toetsingskader dat het College voor de Rechten van de Mens (het College) heeft opgesteld. Daarin staan de juridische maatstaven om te bepalen wanneer risicoprofielen leiden tot (directe of indirecte) discriminatie op grond van de ras (waaronder etniciteit valt) of nationaliteit.
Het College hanteert volgens dit toetsingskader een ruime definitie van het begrip «ras». Zo vallen woonwagenbewoners die zich «van generatie op generatie als zodanig manifesteren en die zich beschouwen als een bevolkingsgroep met een van andere bevolkingsgroepen te onderscheiden cultuur» volgens het College ook onder het begrip «ras».
Uit het toetsingskader komt duidelijk naar voren dat etniciteit nooit als enige of doorslaggevende criterium gebruikt mag worden en dat een onderscheid dat mede gebaseerd is op etniciteit slechts in uitzonderlijke situaties objectief gerechtvaardigd kan zijn. Daar moeten volgens het Europees Hof voor de Rechten van de Mens zeer zwaarwegende redenen voor zijn. Onomstotelijk moet worden aangetoond dat het onderscheid niet alleen geschikt is om een legitiem doel te bereiken, maar tevens noodzakelijk is.
Daar waar risicoprofielen in de praktijk noodzakelijk worden geacht zullen overheidsorganisaties moeten toetsen of in dat specifieke geval wordt voldaan aan de juridische maatstaven zoals weergegeven in dit toetsingskader. De mogelijke gevolgen voor burgers van risicoprofilering zijn groot en discriminatie is verboden. Dat woonwagenbewoners als specifieke groep worden genoemd op de checklist is onjuist. De Minister van Justitie en Veiligheid zal verzoeken de checklist op dit punt aan te laten passen.
Deelt u de mening dat het stigmatiserend en discriminerend is dat woonwagenbewoners bij veel gemeenten op een zwarte lijst staan? Zo ja, kunt u uw antwoord nader toelichten en daarin meenemen hoe u hiertegen zult optreden? Zo nee, waarom niet?
Dat woonwagenbewoners, maar ook huurders en eigenaren van woonwagens, als groep worden genoemd op de checklist ten behoeve van signaalanalyse is verkeerd en draagt bij aan stigmatisering.
Daar waar risicoprofielen in de praktijk noodzakelijk worden geacht zullen overheidsorganisaties moeten toetsen of in dat specifieke geval wordt voldaan aan de juridische maatstaven zoals weergegeven in het toetsingskader van het College. De mogelijke gevolgen voor burgers van risicoprofilering zijn groot en daarom kunnen afkomstgerelateerde criteria niet of alleen in uitzonderlijke gevallen en met de grootst mogelijke zorgvuldigheid worden toegepast.
De Minister van Justitie en Veiligheid zal het SBO (als opdrachtgever van het modelprotocol) verzoeken de checklist aan te laten passen, waarbij getoetst zal worden aan het mensenrechtelijke toetsingskader van het College.
Worden er nog meer lijsten gebruikt in Nederland die discriminerend en/of stigmatiserend zijn voor woonwagenbewoners?
Een uitputtend overzicht waar risicoprofilering wordt gebruikt binnen de overheid is er op dit moment niet. De Staatssecretaris van BZK coördineert nu de uitvoering van het onderzoek naar discriminerende risicomodellen op basis van moties Marijnissen c.s. en Klaver c.s.4 (hierna Motie#21). Onderdeel van dit onderzoek is het stopzetten van het gebruik ervan en het opruimen van vervuilde data binnen de overheid. De Tweede Kamer is hierover geïnformeerd door middel van de tweede voortgangsrapportage. Op 25 mei is over dit onderwerp een technische briefing geweest. In oktober van dit jaar volgt de volgende voortgangsrapportage over de uitvoering van deze motie.
Kunt u uitsluiten dat woonwagenbewoners vanwege deze lijst onterecht of onevenredig hard in verband zijn gebracht met zware criminaliteit ten opzichte van andere inwoners en dat ze hierdoor ook benadeeld zijn geweest?
Het Ministerie van Justitie en Veiligheid houdt niet bij, en heeft ook geen weet van anderen die bijhouden, welke gemeenten met deze checklist werken of hebben gewerkt. Het Ministerie van Justitie en Veiligheid zijn geen signalen bekend dat het gebruik van de checklist heeft geleid tot een werkwijze van gemeenten waarbij individuele burgers zijn opgenomen in een registratie. Noch dat het modelinformatieprotocol in bredere zin daaraan heeft bijgedragen of dat hiervan voorheen sprake was.
Deelt u de mening dat de uitspraak van de woordvoerder van het Centrum voor Criminaliteitspreventie en Veiligheid (CCV) Michel de Vroege «op woonwagenkampen spelen veel zaken die het daglicht niet kunnen verdragen» stigmatiserend is? Zo ja, bent u bereid om ervoor te zorgen dat hij deze woorden inslikt en excuses maakt? Zo ja, hoe? Zo nee, waarom niet?
Het Centrum voor Criminaliteitspreventie (CCV) is geen onderdeel van het Ministerie van Justitie en Veiligheid. Het is een onafhankelijke stichting die ten doel heeft veiligheidsproblemen in kaart te brengen en op te lossen. Verantwoordelijkheid voor eventuele uitspraken ligt bij het CCV.
Het Ministerie van JenV heeft mij laten weten te erkennen dat het benoemen als groep van woonwagenbewoners, maar ook huurders en eigenaren van woonwagens, op de checklist ten behoeve van signaalanalyse verkeerd is en draagt bij aan stigmatisering. Zoals aangegeven is de Minister van Justitie en Veiligheid voornemens de checklist aan te laten passen waarbij getoetst zal worden aan het mensenrechtelijke toetsingskader van het College.
Is het u bekend dat woonwagenbewoners zich in meer gevallen onrechtvaardig behandeld voelen door de overheid, bijvoorbeeld in het geval van Bibob-beleid van gemeenten, doorzoekingen of beleid dat zonder medeweten van betrokkenen wordt opgesteld? Zo ja, wat gaat u hieraan doen?
Het is mij bekend dat woonwagenbewoners zich in meer gevallen onrechtvaardig behandeld voelen. Het mensenrechtelijke toetsingskader van het College waarover uw Kamer is geïnformeerd bij brief van 14 december 20215 biedt hier een belangrijk instrument waaraan overheidsorganisaties zorgvuldig moeten toetsen. Met de toepassing van dit instrument voorkomt de overheid discriminatoir handelen.
In het coalitieakkoord is opgenomen dat voor institutioneel racisme geen plek is in onze samenleving en dat overheidsorganisaties hierbij het goede voorbeeld moeten geven. Discriminatie kan en mag niet. Het non-discriminatiebeginsel uit het eerste artikel van onze Grondwet is daar heel helder over. De overheid heeft daarbij een belangrijke voorbeeldrol. Een eerlijke en onbevooroordeelde behandeling staat aan de basis van het vertrouwen in de overheid.
Het kabinet heeft hiervoor reeds maatregelen getroffen. Zo is bijvoorbeeld de ondersteunende capaciteit van het College versterkt om trainingen te bieden aan medewerkers van uitvoeringsinstanties om hun eigen vooroordelen te herkennen, wordt momenteel uitvoering gegeven aan het onderzoek naar discriminerende risicomodellen op basis van Motie#21 en is het kabinet bezig de positie van de antidiscriminatievoorzieningen (ADV’s) te versterken. Rond de zomer wordt het Nationaal Programma van de Nationaal Coördinator tegen Discriminatie en Racisme (NCDR) verwacht. Daarin is een integraal beeld van alle beleidsplannen en nieuwe voornemens opgenomen.
Een suikertaks |
|
Jeanet van der Laan (D66), Romke de Jong (D66) |
|
Maarten van Ooijen (staatssecretaris volksgezondheid, welzijn en sport) (CU), Marnix van Rij (staatssecretaris financiën) (CDA) |
|
|
|
|
Herinnert u zich uw uitspraken tijdens het commissiedebat Leefstijlpreventie op 24 maart jongstleden: «In het coalitieakkoord is eigenlijk de meest eenvoudige maatregel getroffen, namelijk de bestaande belasting meteen verhogen. U heeft gelijk dat dat leidt tot een aantal neveneffecten die we nu niet kunnen repareren. Ik zie hier bijvoorbeeld flesjes water op tafel staan. Het is misschien goed om te zeggen dat water daarmee ook wat duurder wordt. Het is namelijk de meest simpele belastingmaatregel die getroffen is en die ook opgenomen is in het coalitieakkoord, waar ook de financiële effecten van zijn doorgerekend»?
Ja.
Deelt u de opvatting dat de in het coalitieakkoord luidende afspraak: «We verhogen de belasting op suikerhoudende dranken», niet uitgaat van de meest eenvoudige maatregel?
De afspraak «We verhogen de belasting op suikerhoudende dranken» is gebaseerd op het gebruikmaken van de bestaande verbruiksbelasting van alcoholvrije dranken. Ik vind dit een eenvoudige maatregel omdat de bestaande belasting slechts hoeft te worden verhoogd.
Deelt u de mening dat een suikerbelasting die leidt tot duurdere flesjes water geen suikerbelasting is?
Die mening deel ik. In het coalitieakkoord is afgesproken dat de verbruiksbelasting van alcoholvrije dranken wordt verhoogd per 1 januari 2023. Dit leidt ertoe dat de belasting op de gehele huidige grondslag toeneemt. Dat betekent dat ook de belasting op – kort gezegd – mineraalwaters wordt verhoogd. Die verhoging is tijdelijk.
In de budgettaire bijlage van het coalitieakkoord staat namelijk ook dat het kabinet voornemens is om met ingang van 1 januari 2024 mineraalwater niet langer deel uit te laten maken van de grondslag van de verbruiksbelasting van alcoholvrije dranken. Het gaat hierbij meer specifiek om water, natuurlijk of kunstmatig mineraalwater en spuitwater, zonder toegevoegde suiker(s) of andere zoetstoffen, noch gearomatiseerd.
Deelt u de mening dat een effectieve suikerbelasting zou moeten leiden tot het minder consumeren van suikerhoudende producten?
Ja, die mening deel ik.
Deelt u de mening dat het verhogen van de prijs van flesjes water tezamen met andere dranken niet leidt tot minder verbruik van suikerhoudende dranken?
Die mening deel ik niet. Ik verwacht dat een verhoogde prijs van suikerhoudende dranken wel leidt tot minder verbruik van suikerhoudende dranken.
Kunt u uitleggen op welke wijze een verhoging van de verbruiksbelasting op niet-alcoholische dranken en mineraalwaters, past bij de preventie- en gezondheidsdoelstellingen van het kabinet?
Zoals aangegeven in het antwoord op vraag 3 is het kabinet voornemens om mineraalwater per 1 januari 2024 uit te zonderen van de verbruiksbelasting van alcoholvrije dranken. Met deze wijziging beoogt het kabinet de consumptie van mineraalwater als gezonde optie te stimuleren en consumptie van ongezonde alcoholvrije dranken te ontmoedigen. Het was niet uitvoerbaar om de waters met ingang van 1 januari 2023 uit te zonderen van deze belasting.
Het kabinet wil gezonde voedselkeuzes stimuleren en ongezonde keuzes ontmoedigen. Prijsmaatregelen kunnen hieraan bijdragen.
Bent u bekend met de Britse suikertaks waarbij gebruik wordt gemaakt van tariefdifferentiatie op basis van het suikergehalte? Zo ja, bent u bereid om in de Nederlandse suikerbelasting ook een tariefdifferentiatie naar hoeveelheid suiker op te nemen? Zo nee, waarom niet? Indien dit uitvoeringsvraagstukken met zich brengt, kunt u toelichten op welke wijze tariefdifferentiatie wel mogelijk is?
Ja, ik ben hiermee bekend. In de recent aan uw Kamer verzonden brief over het «Plan van aanpak prijsmaatregelen voeding» is aangekondigd dat een onderzoek zal worden uitgevoerd naar of, en zo ja hoe, tariefdifferentiatie kan worden toegepast binnen de huidige verbruiksbelasting van alcoholvrije dranken, zodat gezondere keuzes prijstechnisch worden gestimuleerd en ongezonde(re) keuzes prijstechnisch worden ontmoedigd.
Kunt u deze vragen uiterlijk 4 juli aanstaande en ieder afzonderlijk beantwoorden?
De vragen zijn zo snel mogelijk beantwoord.
Het artikel 'Bedrijfsleven waarschuwt tegen sleutelrol China in energietransitie' |
|
Silvio Erkens (VVD) |
|
Rob Jetten (minister zonder portefeuille economische zaken en klimaat) (D66) |
|
|
|
|
Bent u bekend met het artikel «Bedrijfsleven waarschuwt tegen sleutelrol China in energietransitie»?1
Ja.
Bent u van mening dat een grote afhankelijkheid van China voor onze energievoorziening van de toekomst onwenselijk is?
Internationale handel maakt dat landen in zekere mate afhankelijk zijn van andere landen. Desalniettemin moeten we er voor waken niet eenzijdig afhankelijk te worden van derde landen op het gebied van strategische producten. Kritieke grondstoffen en producten zoals energiekabels en zonnepanelen spelen een belangrijke rol in onze energietransitie. Het kabinet is zich bewust van de risico’s van strategische afhankelijkheden in de energiesector en heeft de ambitie om dergelijke risicovolle strategische afhankelijkheden af te bouwen en de risico’s voor het borgen van onze publieke belangen te mitigeren. Om deze reden worden, zoals aangegeven in de beantwoording van de eerdere Kamervragen over Chinese deelnemingen in onderdelen van het energiesysteem (Aanhangsel Handelingen, vergaderjaar 2021–2022, nr. 3206 en Aanhangsel Handelingen, vergaderjaar 2021–2022, nr. 3207), investeringen en aanbestedingen zorgvuldig getoetst zodat risico’s op strategische afhankelijkheden gemitigeerd worden. Daarnaast zetten we in EU-verband in op het vergroten van onze veerkracht en op strategische autonomie, zoals toegelicht in de BHOS-nota2 (Kamerstuk 36 180-1).
Wat doet u nu al, zowel in nationaal als in Europees verband, om deze afhankelijkheid te verminderen?
Het kabinet neemt diverse maatregelen om de risico’s van strategische afhankelijkheden te mitigeren. Beleid richt zich onder andere op het mitigeren van risico's die ontstaan door investeringen in vitale infrastructuur en de import van strategische goederen/diensten. Zo voorziet de Wet Veiligheidstoets investeringen, fusies en overnames (Vifo) in instrumenten om risico’s voor de nationale veiligheid als gevolg van investeringen, fusies en overnames te mitigeren. Met deze wet kunnen investeringen in bepaalde bedrijven ex-ante worden getoetst, waarna eventueel mitigerende maatregelen kunnen worden opgelegd en in het uiterste geval investeringen kunnen worden geblokkeerd. De Wet Vifo is van toepassing op vitale aanbieders die buiten bestaande sectorale investeringstoetsen vallen, zoals de Elektriciteitswet, de Gaswet en de Telecommunicatiewet, alsmede op beheerders van bedrijfscampussen en ondernemingen actief op het gebied van sensitieve technologie.
Gezien de ontwikkelingen in de energiesector is er een aantal energie-gerelateerde processen meegenomen in de Wet Vifo Dit zijn aanbieders van warmtetransport, gasopslag, kernenergie en winbare energie. De Wet Vifo treedt naar verwachting begin 2023 in werking zodra de benodigde lagere regelgeving bij de Wet Vifo gereed is. Investeringen in de hierboven genoemde energie-gerelateerde processen die voorafgaand aan de inwerkingtreding van de Wet Vifo, en na 8 september 2020, hebben plaatsgevonden kunnen dan, indien er een op redelijke gronden gebaseerd vermoeden is ontstaan dat zij een risico voor de nationale veiligheid zou kunnen opleveren, alsnog getoetst worden.
Daarnaast is in 2020 door het kabinet, in het licht van de invulling van de eigen vermogensbehoefte van TenneT Duitsland, een nationale veiligheidsanalyse uitgevoerd. Dit heeft geresulteerd in een aantal aanbevelingen tot wijziging van de Elektriciteitswet 1998, welke een plek zullen krijgen in de nieuwe Energiewet. Het wetsvoorstel voor de nieuwe Energiewet ligt nu voor bij de Raad van State. Na het advies van de Raad van State zal het wetsvoorstel worden herzien en beoogd wordt deze voor het eind van het jaar naar de Tweede Kamer te sturen. Deze wijzigingen maken het mogelijk om nog beter rekening te houden met eisen ten aanzien van de nationale veiligheid. Bovendien hebben alle netbeheerders op grond van de Elektriciteitswet 1998 de verplichting de veiligheid en betrouwbaarheid van de netten en het transport van elektriciteit over de netten op de meest doelmatige wijze te waarborgen. Verder geldt de verplichting de netten te beschermen tegen invloeden van buitenaf. Dit is een wettelijke taak van netbeheerders.
In de aanbestedingsprocedure wordt bij elke gunning een gedegen inschatting van mogelijke risico’s gemaakt. Zo heeft het Ministerie van Economische Zaken en Klimaat eerder geïntervenieerd in aanbestedingen van TenneT. Daarop zijn maatregelen getroffen die TenneT in Nederland diende toe te passen in het aanbestedingsproces voor de nieuwe 2GW HVDC-platforms, die TenneT in zowel het Nederlandse als het Duitse deel van de Noordzee wil gebruiken (Aanhangsel Handelingen, vergaderjaar 2021–2022, nr. 3206).
In Europees verband zetten we in op open strategische autonomie. Dit houdt in dat we het vermogen hebben om, in samenwerking met internationale partners, op basis van eigen inzichten en keuzes onze publieke belangen te borgen en weerbaar te zijn in een onderling verbonden wereld. Om strategische importafhankelijkheden te verminderen, hebben we in zowel nationaal als EU-verband verschillende instrumenten opgetuigd, zoals uiteengezet in de Kamerbrief van 22 november jl. (Kamerstuk 35 925 XVII, nr. 54) en de BHOS-nota (Kamerstuk 36180–1). De Europese inzet is tevens gericht op het bevorderen van een gelijker speelveld tussen Europese en niet-Europese bedrijven bij aanbestedingen, zowel binnen als buiten de interne markt. Voorbeeld van een dergelijk initiatief is het Internationaal Aanbestedingsinstrument (IPI) dat op 29 augustus 2022 in werking treedt. Het IPI heeft als doel om wederkerigheid op de markt voor overheidsopdrachten af te dwingen, zodat EU-bedrijven betere toegang krijgen tot aanbestedingen in derde landen. Met het IPI krijgt de Europese Commissie de bevoegdheid om maatregelen (het uitsluiten van offertes of het hanteren van een score-opslag bij de beoordeling van inschrijvingen) te nemen tegen niet-Europese bedrijven die afkomstig zijn uit een land dat geen vergelijkbare toegang biedt tot overheidsopdrachten voor Europese bedrijven. Vanwege de tijdsgebonden onderzoeks- en consultatiefase zal de eerste toepassing van een IPI-maatregel onder het instrument enige tijd duren na inwerkingtreding. Het is denkbaar dat er in de toekomst ook maatregelen onder het instrument van toepassing worden op aanbestedingen in de offshore- en energiesector.
Met de uitvoering van het Europees Actieplan Kritieke Grondstoffen vergroot de Europese Unie haar leveringszekerheid en vermindert haar risicovolle strategische afhankelijkheden op dit terrein. In aanvulling hierop werkt het kabinet aan een nationale grondstoffenstrategie. Behalve dat in de grondstoffenstrategie beter in kaart zal worden gebracht wat de risico’s zijn, zal ook worden uitgewerkt hoe de toegang tot kritieke grondstoffen kan worden verbeterd.
Hoe gaat u ervoor zorgen dat de waardeketens van duurzame energieproductie in Nederland en Europa terecht komen? Welke lessen trekt u uit het verleden?
Er zijn allerlei wegen die Nederland bewandelt om haar open strategische autonomie te vergroten, waaronder de vestiging van (delen van) waardeketens voor duurzame energieproductie in de EU en via samenwerking met onder meer Noorwegen en het Verenigd Koninkrijk. Het kabinet spant zich zowel nationaal als op Europees niveau in om ecosystemen die bijdragen aan de energietransitie te versterken en om het gelijke speelveld ten opzichte van derde landen te bewaken. Zo neemt Nederland deel bij het Europese initiatief Important Projects of Common European interest (IPCEI)op het gebied van waterstof en onderzoekt EZK de voor- en nadelen van deelname aan het IPCEI-Solar.
Hoe apprecieert u hierbij joint ventures met Chinese bedrijven, zoals Boskalis deed in het genoemde artikel? Is dit volgens u wenselijk of juist niet?
In beginsel is het aangaan van een joint venture niet onwenselijk. Zeker als de veiligheidsrisico’s klein worden geacht. Er zijn Nederlandse bedrijven die een joint venture sluiten met buitenlandse ondernemingen en daarmee kennis en technologie overdragen als onderdeel van een investeringstransactie. Dit kan risico’s met zich meebrengen. Het kabinet is hier alert op, en mitigeert dit door middel van het nemen van maatregelen, zoals investeringstoetsing (zie vraag 3) en exportcontrole. Beide instrumenten gelden ook voor joint ventures, dit neemt niet weg dat er een restrisico blijft op ongewenste technologieoverdracht waar het kabinet zich bewust van is en aan werkt. Daarnaast informeert de overheid bedrijven actief over deze mogelijke risico’s door het organiseren van evenementen, informatiebijeenkomsten en bedrijfsbezoeken. Er is daarbij ook een verantwoordelijkheid voor bedrijven zelf om passende maatregelen te nemen.
Welke duurzame energieproductie waardeketens zou u in de toekomst graag in Nederland zien terechtkomen?
De Kamerbrief Contouren Nationaal plan energiesysteem (Kamerstuk 32 813, nr. 1053) schetst een beeld van de toekomstige verhouding tussen eigen productie en import van onze duurzame energiebehoefte. Op dit moment is deze verhouding niet al met zekerheid vast te stellen, door de vele onzekerheden die er zijn over de ontwikkeling van een toekomstig energiesysteem, waaronder de nationale en internationale vraag, aanbod- en technologieontwikkeling.
Comparatieve voordelen zullen in grote mate bepalend zijn voor de optimale locatie van delen van de energieproductiewaardeketen. Een groot comparatief voordeel van Nederland is dat het door de ligging aan de Noordzee relatief geschikt is voor energieproductie uit wind op zee. De kostprijzen voor andere vormen van hernieuwbare of CO2-vrije productie liggen echter in de toekomst in andere landen wellicht lager vanwege beschikbare ruimte, klimaat en geologie. Indien bepaalde energiedragers goedkoper geïmporteerd kunnen worden dan binnenlands geproduceerd ligt import (bijvoorbeeld waterstof) ook vanuit het publieke belang voor de hand.
De warmtevoorziening zal meer gebaseerd zijn op nationale bronnen en met de mogelijkheden die wind op zee Nederland biedt, is aannemelijk dat in Nederland op jaarbasis tenminste ongeveer zoveel elektriciteit wordt opgewekt als we verbruiken. Vanuit strategische overwegingen wil Nederland voor een deel zelf in de vraag naar duurzame waterstof kunnen voorzien. Dat is verstandig vanuit zowel voorzieningszekerheid als vanwege de balans binnen het energiesysteem.
Vanuit de verwachte vraag naar energie ligt het voor de hand dat ook in de toekomst een aanzienlijk deel van onze energie uit import afkomstig blijft. Als we energie importeren van buiten de EU dan doen we dat gespreid, om afhankelijkheidsrisico’s te mitigeren. We vergroten onze strategische onafhankelijkheid verder door in te kopen op de Europese markt en als EU minder afhankelijk te zijn van de rest van de wereld. Daarbij is aandacht voor afhankelijkheden in de gehele keten, ook die van grondstoffen voor de energietransitie. Het Europees Actieplan Kritieke Grondstoffen uit 2020 voorziet in acties die de strategische autonomie van de EU op dit gebied vergroten. Uiterlijk begin 2023 wordt een voorstel van de Europese Commissie verwacht voor een Raw Materials Act, dat onder andere betrekking heeft op het faciliteren van winning en verwerking van kritieke grondstoffen in de Europese Unie. Het kabinet werkt eveneens aan een grondstoffenstrategie.
Kortom, het kabinet ziet voor de lange termijn een blijvend sterke internationale verbondenheid voor het Nederlandse energiesysteem met het buitenland, vanuit onder meer de kansen voor de Nederlandse economie, de betaalbaarheid van energie en het beperken van ruimtelijke impact van energie in Nederland en Noordwest-Europa.
Hoe ziet u de verhouding tussen Nederlandse gasproductie van kleine velden en gasverbruik en bent u van mening dat we moeten zorgen dat dit zo gelijk mogelijk naar nul dient af te nemen?
Het kabinet wil de CO2-uitstoot met 55% verminderen in 2030 (en zet in op 60%) en met 95% in 2050, in lijn met de afspraken uit het VN-klimaatakkoord van Parijs. Het kabinet zet daarom in op besparing van het energiegebruik en het vervangen van fossiele energie door duurzame alternatieven. Totdat alle vraag naar energie kan worden ingevuld door duurzame alternatieven, blijft aardgas nog nodig als transitiebrandstof om onder andere onze huizen te verwarmen. De gaswinning in Groningen wordt zo snel mogelijk beëindigd en ook de gaswinning uit Nederlandse kleine velden is de afgelopen jaren sterk gedaald. De gaswinning zal richting 2050 verder dalen naar bijna nul. Zolang aardgas nog noodzakelijk is in onze energietransitie, is het verstandig om het gas dat nog in de diepe ondergrond aanwezig is te winnen in plaats van aardgas te importeren, mits dat veilig en verantwoord kan. Gas uit Nederland zoals uit de Noordzee, draagt namelijk bij aan gasleveringszekerheid, maakt Nederland minder afhankelijk van import van aardgas uit het buitenland en de uitstoot van broeikasgassen van binnenlands geproduceerd gas is lager dan van geïmporteerd gas. In het kader van de huidige geopolitieke omstandigheden, de situatie op de gasmarkt en de moties van het lid Kops (Kamerstuk 29 023, nr. 287) en de leden Erkens en Bontenbal (Kamerstuk 29 023, nr. 289) kijk ik samen met de sector naar mogelijkheden om zowel de verwachte afname van productie op de Noordzee te beperken als een verdere importafhankelijkheid van aardgas te verminderen.
Wanneer komt u met de toegezegde onafhankelijkheidsmonitor naar de Kamer?
Het kabinet heeft eerder aangegeven dat het een geo-economische monitor laat ontwikkelen. Deze monitor bouwt voort op eerder onderzoek uitgevoerd door het CBS dat onze afhankelijkheid voor 135 producten aantoonde (zie Kamerstuk 35 925 XVII, nr. 54). De monitor zal een overzicht geven van strategische economische afhankelijkheden van Nederland en van de manieren waarop landen economische beïnvloeding gebruiken voor geopolitieke doeleinden. Het streven is om de geo-economische monitor eind 2022 te publiceren.
Neemt u ook het benodigde grondstoffenverbruik en de relevante waardeketens voor de energietransitie mee in de onafhankelijkheidsmonitor?
In de geo-economische monitor wordt niet specifiek ingegaan op de impact van de energietransitie op de vraag naar grondstoffen en zal een breder beeld geven van afhankelijkheden die ook relevant is voor de energietransitie.
Het bericht dat de Britten een wetsvoorstel hebben ingediend om Brexit-afspraken Noord-Ierland eenzijdig te wijzigen. |
|
Roelien Kamminga (VVD), Jan Klink (VVD) |
|
Liesje Schreinemacher (minister zonder portefeuille buitenlandse zaken) (VVD), Wopke Hoekstra (viceminister-president , minister buitenlandse zaken) (CDA) |
|
|
|
|
Bent u op de hoogte van de berichtgeving «Brits wetsvoorstel ingediend om Brexit-afspraken Noord-Ierland eenzijdig te wijzigen»?1
Ja.
Was u al eerder op de hoogte over de voornemens van de Britten om een wetsvoorstel in te dienen dat de mogelijkheid geeft Brexit-afspraken tussen de Europese Unie en Noord-Ierland eenzijdig te wijzigen? Zo ja, welke acties heeft u ondernomen en wat is de inzet van de Europese Unie?
Ja, ik was van dit voornemen op de hoogte en ik heb ook actie ondernomen, net als de Europese Commissie. Zoals eerder aan uw Kamer gemeld2 komt het VK de afspraken in het Protocol Ierland/Noord-Ierland (hierna: Protocol) niet in zijn totaliteit na. Sinds het aflopen van de overgangsperiode per 1 januari 2021 spreken het VK en de Commissie over volledige implementatie van de afspraken in het Protocol, met als doel om praktische oplossingen te vinden voor problemen die bij de implementatie zijn geconstateerd. Helaas hebben deze gesprekken tot dusver niet tot een oplossing geleid. In deze gesprekken werd begin dit jaar duidelijk dat de Britse regering overwoog om unilateraal maatregelen te nemen die de werking van het Protocol zouden kunnen ondermijnen. Aangezien de Commissie deze gesprekken in nauwe samenspraak met de Raad voert, hebben deze signalen mij ook bereikt. Soortgelijke signalen werden bevestigd in gesprekken met het VK, waaronder in mijn gesprekken met de Britse Minister van Buitenlandse Zaken Truss. De mogelijke unilaterale maatregelen van de Britse regering werden concreet via achtereenvolgens de Queen’s Speech (Britse equivalent van de troonrede) op 10 mei jl., de verklaring van de Britse Minister van Buitenlandse Zaken Truss in het Britse parlement met de intentie om met een wetsvoorstel te komen dat wijzigingen kan aanbrengen aan de toepassing van het Protocol op 17 mei jl., en de publicatie en start van de parlementaire behandeling van dit wetsvoorstel op 13 juni jl. De inzet van de Britse regering om het Protocol aan te passen is overigens niet nieuw. In een eerder gepresenteerd beleidsdocument van juli 20213 gaf het VK haar toekomstvisie op het Protocol, waaruit al bleek dat de Britse regering onder meer inzet op het wegnemen van de grenscontroles op de goederenstroom tussen Groot-Brittannië en Noord-Ierland.
Het kabinet heeft de afgelopen periode in de EU en in de contacten met het VK zijn zorgen uitgesproken over iedere vorm van unilaterale actie en de noodzaak om te komen tot een gezamenlijke oplossing duidelijk kenbaar gemaakt. Het kabinet heeft daarbij benadrukt dat het cruciaal is dat het VK zich houdt aan de internationaalrechtelijke verplichtingen die het zelf is aangegaan. Ook heeft het kabinet steun uitgesproken aan de Commissie. Het is van belang dat het VK zo snel mogelijk de gesprekken met de Commissie hierover hervat, temeer omdat de Commissie richting het VK heeft aangegeven dat de mogelijkheden om oplossingen binnen de kaders van het Protocol te vinden nog niet zijn uitgeput. Dit komt overeen met de inzet van de Commissie die gecommitteerd blijft om gezamenlijk aan oplossingen te werken voor de praktische problemen die Noord-Ierse belanghebbenden ervaren. Ik heb er zodoende tevens bij de Britse Minister van Buitenlandse zaken Truss op aangedrongen de gesprekken met de Commissie, die sinds februari jl. stilliggen, zo spoedig mogelijk te hervatten. Deze boodschap is op alle niveaus en in samenspraak met internationale partners kracht bijgezet.
Vorige maand werd al duidelijk dat de Britten de grenscontroles wilde afschaffen op goederen die naar Noord-Ierland worden verscheept, heeft u of de Europese Unie tussentijd actie ondernomen op deze berichtgeving? Zo ja, welke acties heeft u ondernomen? Zo nee, waarom niet?
Zie antwoord vraag 2.
Wat kunnen de gevolgen, met name op het gebied van handel(sbetrekkingen), voor de Europese Unie en voor Nederland zijn als dit Britse wetsvoorstel aangenomen zou worden?
De Britse regering heeft de «Northern Ireland Protocol Bill»4 op 13 juni jl. ingediend bij het Britse Lagerhuis. Het wetsvoorstel is in strijd met een groot aantal onderdelen van het Protocol, waaronder afspraken over naleving van douaneformaliteiten, controles op de goederenstroom tussen Groot-Brittannië en Noord-Ierland, staatssteunregels en de rol van het Europese Hof van Justitie. Het wetsvoorstel zal – indien aangenomen in deze vorm – een aanzienlijk deel van het Protocol buiten toepassing stellen. De parlementaire behandeling van het wetsvoorstel zal naar verwachting een aantal maanden in beslag nemen. Het is op voorhand niet te zeggen of het wetsvoorstel daadwerkelijk wordt omgezet in wetgeving en hoe de finale versie van de wet eruit komt te zien. De exacte implicaties van uiteindelijke wetgeving, onder andere op het gebied van handel, zijn dus momenteel niet in te schatten.
Wel staat vast dat de intentie van de Britse regering om eenzijdig de eigen internationaalrechtelijke verplichtingen niet na te komen tot juridische onzekerheid en onvoorspelbaarheid leiden. Dit is zorgelijk, temeer omdat Noord-Ierse belanghebbenden bij het Protocol juist gebaat zijn bij juridische zekerheid en voorspelbaarheid. Het is daarom van groot belang dat het VK zo snel mogelijk de gesprekken met de Europese Commissie hervat om zo tot een gezamenlijke oplossing binnen de kaders van het Protocol te komen. Het kabinet vindt, zoals de Commissie ook aangeeft, dat de EU zich dient te beraden op nadere stappen richting het VK, indien een gezamenlijke oplossing uitblijft. De EU heeft zich het recht voorbehouden alle beschikbare instrumenten in te zetten om de integriteit van de interne markt van de EU te beschermen en om de naleving van het Terugtrekkingsakkoord door het VK te bewerkstelligen. De Commissie bereidt zich in nauwe samenspraak met de Raad voor op elk mogelijk scenario.
Wat zijn de gevolgen voor Ierland als dit Britse wetvoorstel wordt aangenomen?
Het Protocol is na jaren van intensieve onderhandelingen overeengekomen als oplossing om drie doelen te verenigen: 1) de bescherming van het Goede Vrijdag (Belfast-) akkoord, 2) het voorkomen van een harde grens op het Ierse eiland, en 3) het beschermen van de integriteit van de interne markt van de EU. Het wetsvoorstel van de Britse regering – indien aangenomen in de huidige vorm – druist in tegen de internationaalrechtelijke verplichtingen van het VK en verstoort de balans tussen voornoemde doelen. Dit is niet alleen voor Ierland, als medewaarborger van het Goede Vrijdagakkoord en direct buurland van het VK, maar voor alle lidstaten een groot punt van zorg. De EU zal zich maximaal inspannen om samen met het VK aan oplossingen te werken die de balans tussen de doelen van het Protocol weet te bewaren. Alle lidstaten, inclusief Nederland, steunen de Europe Commissie in haar aanpak en tonen zich solidair met Ierland.
Wat zijn de mogelijkheden voor de Europese Unie om deze inbreuk op de Europese interne markt te voorkomen? Wat kan Nederland doen om de Europese Unie hierin te ondersteunen?
Zoals aangegeven in de beantwoording van vragen 2 en 3 steunt het kabinet de inzet van de Europese Commissie om de gesprekken met het VK te hervatten om zo een gezamenlijke oplossing te vinden binnen de kaders van het Protocol. Het kabinet vindt het een constructieve stap dat de Commissie de op 13 oktober jl. gepubliceerde non-papers op het gebied van Sanitaire en Fytosanitaire (SPS) goederen en douane in meer detail heeft uitgewerkt5 om richting het VK en Noord-Ierse belanghebbenden te benadrukken dat de mogelijkheden om oplossingen binnen de kaders van het Protocol te vinden nog niet zijn uitgeput en snel gerealiseerd kunnen worden. Het hervatten van de gesprekken ziet het kabinet als meest kansrijke weg om met het VK te komen tot volledige implementatie van het Protocol, waarmee de integriteit van de interne markt van de EU gewaarborgd is. Dit vereist politieke wil en maximale inzet van beide zijden. Het is in dat licht zorgwekkend dat het VK op het moment van schrijven niet bereid is om gesprekken met de Commissie over mogelijke oplossingen te hervatten.
In reactie op de start van de parlementaire behandeling van de «Northern Ireland Protocol Bill» heeft de Commissie aangekondigd om een volgende stap te zetten in de in maart 2021 gestarte inbreukprocedure vanwege het niet-nakomen van het Protocol op het gebied van vrij verkeer van goederen en reizen met gezelschapsdieren. Het gaat om het uitvaardigen van een zogenaamd met redenen omkleed advies (reasoned opinion), een formeel verzoek van de Commissie om voornoemde schendingen van het Protocol op te lossen. Indien het VK hier niet binnen twee maanden op reageert, kan de Commissie besluiten een zaak voor het Europees Hof van Justitie te brengen. Daarnaast heeft de Commissie op dezelfde dag twee nieuwe inbreukprocedures gestart, vanwege schendingen van het Protocol met betrekking tot het aanleveren van handelsdata en het bouwen en bemensen van de faciliteiten voor controles op SPS-goederen en de uitvoering van deze controles.
Het nemen van deze juridische stappen doet recht aan de gebrekkige implementatie van het Protocol door het VK in combinatie met de weigering van het VK om de gesprekken met de Commissie over de implementatie van het Protocol te hervatten. Het kabinet vindt, zoals de Commissie ook aangeeft, dat de EU zich dient te beraden op nadere stappen richting het VK, indien een gezamenlijke oplossing uitblijft. Hierbij kan worden gedacht aan het starten van nieuwe inbreukprocedures, het initiëren van een arbitrageprocedure onder het Terugtrekkingsakkoord, het beperken van beleidsmatige samenwerking met het VK of andere stappen die op basis van de Handels- en Samenwerkingsovereenkomst en het Terugtrekkingsakkoord mogelijk, proportioneel en effectief worden geacht. De ratificatie en implementatie van het Terugtrekkingsakkoord was immers een noodzakelijke voorwaarde voor het aangaan van een toekomstige relatie met het VK. De EU behoudt zich het recht voor alle beschikbare instrumenten in te zetten om de integriteit van de interne markt van de EU te beschermen en om de naleving van het Terugtrekkingsakkoord te bewerkstelligen.
Ik wens hierbij te benadrukken dat een gezamenlijke oplossing de voorkeur geniet. Het kabinet steunt het hierboven uiteengezette tweesporenbeleid – dialoog en druk – van de Commissie op alle niveaus, in nauwe samenspraak met internationale partners. Het kabinet hanteert daarbij de leidende principes van EU-eenheid, solidariteit, respect voor internationaal recht, zoals het nakomen van afspraken die onderdeel zijn van het Terugtrekkingsakkoord en de Handels- en Samenwerkingsovereenkomst, en bescherming van de integriteit van de interne markt van de EU, bij de inzet op een positief en stabiel partnerschap met het VK.
Welke mogelijke maatregelen kan de Europese Unie nemen als het Verenigd Koninkrijk de handelsafspraken eenzijdig opzegt? Wat kan Nederland doen om de Europese Unie hierin te ondersteunen?
Zie antwoord vraag 6.
Wat zijn de gevolgen voor de Brits-Nederlandse relatie door dit voorgestelde wetsvoorstel? Bespreekt u deze ontwikkelingen met uw Britse ambtgenoot? Wat zijn de uitkomsten van de bilaterale contacten tussen Nederland en het Verenigd Koninkrijk over deze ontwikkelingen?
Het VK blijft ook na uittreding uit de Europese Unie een belangrijke partner en bondgenoot waarmee op pragmatische wijze wordt samengewerkt, onder andere op het gebied van handel, klimaat, en vrede en veiligheid. Het is van belang dat deze samenwerking past binnen de kaders van het Terugtrekkingsakkoord en de Handels- en Samenwerkingsovereenkomst als fundament van de bilaterale relatie met het VK na de Brexit. Voor het kabinet blijft het in letter en geest nakomen van beide akkoorden van groot belang. Het wetsvoorstel van de Britse regering waarmee grote delen van het Protocol eenzijdig buiten toepassing kunnen worden gesteld, ondermijnt het wederzijds vertrouwen dat noodzakelijk is om uitdagingen op het wereldtoneel gezamenlijk aan te gaan. Nederland zet het EU-geluid dan ook in alle bilaterale contacten kracht bij door het VK op te roepen zich te houden aan de internationaalrechtelijke verplichtingen die het zelf is aangegaan. Dit doe ik bijvoorbeeld ook in de bilaterale gesprekken die ik voer met de Britse Minister van Buitenlandse Zaken Truss. Een verbetering van de relatie tussen EU en VK, inclusief een oplossing ten aanzien van de problemen met het Protocol, zal meer ruimte bieden om het volledig potentieel van de bilaterale relatie te benutten. Dit vereist politieke wil en maximale inspanning van alle partijen.
Klopt het dat de Britten met dit besluit ook af willen van de jurisdictie van het Europees Hof van Justitie en de betekenis hiervan?
De Britse regering stelt met dit wetsvoorstel een groot aantal aanpassingen aan de toepassing van het Protocol in het VK voor, waaronder het beperken van de rol van het Europees Hof van Justitie (hierna: EU HvJ) bij de implementatie van het Protocol. Bepalingen van het Protocol die rechtsmacht geven aan het EU HvJ in relatie tot het Protocol zouden voor het VK niet meer van toepassing zijn. Het gevolg zou onder andere zijn dat een rechtbank of tribunaal in het VK geen zaak meer aanhangig kan maken bij het EU HvJ en niet gebonden zou zijn aan uitspraken van het EU HvJ die gedaan zijn op, of na, de dag waarop de wet in werking zou treden.
Het eenzijdig wegnemen van de mogelijkheid van het EU HvJ om uitspraak te doen over de interpretatie van deze EU-regelgeving, waaronder EU-regelgeving met betrekking tot de interne markt, zorgt voor juridische onzekerheid en is in strijd met de afspraken in het Protocol. Het voornemen van de Britse regering om de rol van het EU HvJ in te perken zou aanpassing van de juridische kaders van het Protocol vergen. De Europese Commissie sluit heronderhandeling van het Protocol uit, nadrukkelijk ook met betrekking tot de rol van het EU HvJ, aangezien Noord-Ierland via het Protocol gebonden is aan specifieke onderdelen van EU-interne markt regelgeving.
Het bericht dat het aantal gokverslaafden is toegenomen sinds de opening van kansspelmarkt en dat inmiddels al 100 miljoen euro aan gokreclames is uitgegeven |
|
Michiel van Nispen (SP), Mirjam Bikker (CU) |
|
Franc Weerwind (minister zonder portefeuille justitie en veiligheid) (D66) |
|
|
|
|
Heeft u kennisgenomen van het bericht dat het aantal gokverslaafden is toegenomen sinds de opening van de kansspelmarkt?1
Ja.
Erkent u dat, doordat een goede nulmeting ontbrak (wegens problemen met het Landelijk Alcohol en Drugs Informatie Systeem (LADIS)) van het aantal verslaafden voordat de online kansspelmarkt werd vrijgegeven, het nu een dooddoener is om te zeggen dat het lastig is om aan te geven of het aantal verslavingen is toegenomen? Zo ja, bent u bereid bij de verslavingsklinieken zelf uit te vragen of zij een stijging in het aantal gokverslavingen zien sinds de opening van de online kansspelmarkt en de resultaten van deze uitvraag met de Kamer te delen?
Voorafgaande aan de opening van de online kansspelmarkt is onderzoek verricht naar onder andere de omvang en samenstelling van spelers van kansspelen in de «Nieuwe meting modernisering kansspelbeleid».2 Over de uitkomsten van het onderzoek heb ik uw Kamer geïnformeerd bij brief van 30 november 2021.3 Op basis van de screener Problem Gambling Severity Index (PGSI) telt Nederland volgens dit onderzoek naar schatting tussen de 8,4 en 8,9 miljoen spelers behorende tot de categorie geen tot laag risico, tussen 294.000 en 431.500 spelers met een matig risico en tussen 162.400 en 268.900 spelers met een hoog risico. Hiermee is niet vastgesteld wat het aantal gokverslaafden is in Nederland, maar in beeld gebracht hoe groot de groep is waar verslavingspreventiemaatregelen van groot belang zijn.
Het Landelijk Alcohol en Drugs Informatie Systeem (LADIS) is een belangrijke bron om de aard en omvang van de hulpvraag in de verslavingszorg in Nederland te monitoren, waaronder de hulpvraag bij gokverslaving. LADIS is, zoals ik in de beantwoording van eerdere Kamervragen heb aangegeven nu niet, maar wel binnen de komende maanden operationeel.4 Op het moment dat weer gegevens uit LADIS beschikbaar komen in het najaar, is dit met terugwerkende kracht vanaf 2015. Dit is een afzienbare termijn en levert gevalideerde landelijke data van de hulpvraag in de verslavingszorg op. Ik zie geen meerwaarde in het tussentijds buiten dit systeem om uitvragen van gegevens bij verslavingsklinieken. Ondertussen hou ik wel een vinger aan de pols en heb ik bijvoorbeeld bij de verslavingszorginstelling Jellinek navraag gedaan of de door Hervitas beschreven ontwikkelingen worden gezien. Daar werd nog geen stijging in het aantal personen dat in behandeling is waargenomen en werd aangegeven dat het doorgaans enige tijd duurt voordat mensen echt hulp gaan zoeken.
Kunt u op basis van wetenschappelijke onderzoeken de noodzaak voor het ontbreken van strenge geldlimieten en limieten voor speelduur in het kader van kanalisatie naar legaal aanbod aantonen? Zo nee, bent u dan bereid om de speellimieten wettelijk aan banden te leggen, zodat het niet meer mogelijk is voor mensen, in het bijzonder jongeren, om duizenden euro’s per maand te verspelen en meerdere uren per dag te gokken?
Zoals ik in mijn brief van 21 april 2022 heb aangegeven zijn speellimieten een belangrijk instrument om onmatig speelgedrag te voorkomen.5 Een speler kan zich pas inschrijven bij een vergunninghouder, nadat hij de grenzen van zijn speelgedrag heeft aangegeven. Bij het opstellen van de wet is ervoor gekozen om de speler zelf zijn limieten in te laten stellen. Deze keuze is gebaseerd op ervaringen van de verslavingszorg en diverse studies waaruit blijkt dat de mogelijkheid voor spelers om goed geïnformeerd zelf keuzes te maken over het speelgedrag een effectieve preventiemethode is.6 Aan dit uitgangspunt van zelfbeperking wil ik dan ook vasthouden. Wel denk ik dat het mogelijk is om de limieten beter te laten werken dan dat ze momenteel doen. Daarvoor doe ik twee onderzoeken: het stellen van een maximum aan de bestaande limieten en bezien of een limiet over alle aanbieders heen kan gelden. Bij het tweede onderzoek weeg ik mee dat te strenge limieten kunnen leiden tot ontwijkgedrag van spelers, waardoor ze bij meerdere aanbieders tegelijk spelen, of zelfs uitwijken naar illegaal aanbod, waardoor de kanalisatie in gevaar komt. Verder laat ik uitzoeken of de techniek inmiddels zover is voortgeschreden dat voor aanbieder overstijgende speellimieten technisch en vanuit privacy oogpunt een modus kan worden gevonden. Zoals in bovenstaande brief aan uw Kamer gemeld, streef ik ernaar om het benodigde onderzoek in de zomer te laten afronden om uw Kamer vervolgens na de zomer te laten weten op welke wijze ik de effecten van speellimieten kan vergroten.
Heeft u tevens kennisgenomen van het bericht dat er inmiddels al voor 100 miljoen euro aan gokreclames uit is gegeven?2
Ja.
Wat vindt u ervan dat, zoals uit de gegevens van de Volkskrant blijkt, vooral veel geld aan ongerichte reclames (tv, billboards en abri’s) wordt uitgegeven, reclames die dus iedereen, van jong tot oud, bereiken?
Voor mij is van belang dat kwetsbare groepen voldoende beschermd worden. Die bescherming is in het geding door de grote hoeveelheid ongerichte reclame de afgelopen tijd. Daarom pas ik wet- en regelgeving aan om ongerichte reclame te beperken en is per 30 juni 2022 de inzet van rolmodellen bij risicovolle kansspelreclames verboden.
Wat vindt u ervan dat bijna 1 op de 5 gokkers op dit moment jonger is dan 25 jaar en van de spelers die nu online gokken 17 procent dat voor de legalisering nog niet deed? Hoe is dit te rijmen met de regels die we van te voren hadden gesteld, namelijk kanalisatie van illegaal naar legaal aanbod, zonder daarbij nieuwe spelersgroepen aan te boren én om jongeren te beschermen tegen gokverslavingen?
In mijn brieven van 17 maart 2022 en 21 april 2022 heb ik beaamd dat ik het zorgelijk vind dat jongeren onder de spelers oververtegenwoordigd lijken te zijn.8 Daarom pas ik wet- en regelgeving aan om ongerichte reclame te beperken en is per 30 juni 2022 de inzet van rolmodellen bij risicovolle kansspelreclames verboden. Het is voorts geen doel van de Wet kansspelen op afstand geweest om de deelname aan kansspelen te vergroten. Het is ook geen doel geweest om dit op hetzelfde niveau te houden. Het doel van het kansspelbeleid is om binnen het legale aanbod te zorgen voor een spelomgeving waar sprake is van consumentenbescherming, verslavingspreventie en voorkomen van fraude en witwassen. Dit heb ik ook aangegeven in de antwoorden op vragen van het lid Slootweg (CDA).9
Met betrekking tot het in uw vraag genoemde percentage van 17%, naar ik aanneem gebaseerd op het IPSOS onderzoek uitgevoerd in opdracht van de Nederlandse Online Gambling Associatie (NOGA), dit betreft het percentage mensen uit de groep bevraagden die in de afgelopen twaalf maanden online kansspelen hebben gespeeld en niet vanaf oktober 2021.10 Dit percentage kan vanwege de wijze van bevragen niet worden gekoppeld aan de legalisering.
Klopt het dat er inmiddels 19 partijen zijn toegetreden tot de online kansspelmarkt? Zo ja, wanneer is voor u het maximum aantal aanbieders bereikt of zit hier wat u betreft geen maximum aan?
Op 8 juni 2022 hebben 19 partijen een vergunning ontvangen voor het aanbieden van online kansspelen in Nederland. Aan het aantal vergunningen is geen maximum gesteld, met de Wet kansspelen op afstand is een open vergunningstelsel ingevoerd.
Snapt u dat hoe meer aanbieders er zijn, hoe meer reclame er ook gemaakt moet worden door bedrijven om op te vallen tussen het grote aanbod? Zou het in het kader van het beperken van reclame dan ook niet wenselijk zijn om hier rekening mee te houden bij het aantal aanbieders? Zo nee, waarom niet? Zo ja, op welke manier, en op welke termijn, gaat u het aantal aanbieders beperken?
De online kansspelmarkt is in Nederland nu ruim acht maanden open. Het uitgangspunt van het stelsel in Nederland is een vergunningenstelsel in een vrije markt. Dat impliceert dat er geen limiet aan het aantal vergunningen wordt gesteld. Er zijn tot nu toe 19 vergunningen verstrekt en nog ongeveer 30 vergunningsaanvragen in behandeling bij de Ksa. Op basis van ervaringsgegevens is de verwachting dat ongeveer een derde van de aanvragen ook tot een vergunning zal leiden. Vervolgens worden er mogelijk nog enkele vergunningen aangevraagd en verleend, maar na verloop van tijd zal de markt zich zetten. Dit hebben de ontwikkelingen in andere landen laten zien.
Bestaande en nieuwe aanbieders van kansspelen op afstand moeten de mogelijkheid blijven houden om op het legale aanbod te kunnen attenderen. Daarvoor is enige mate van reclame nodig. Op dit moment zet ik erop in om de ongerichte reclame voor risicovolle kansspelen te beperken.
Klopt het dat u wel afspraken hebt gemaakt met de branchevereniging voor Vergunde Nederlandse Online Kansspelaanbieders (VNLOK) over het aantal reclames en ook waar deze reclames getoond worden, maar dat u met de bedrijven die niet zijn aangesloten (het overgrote merendeel van de inmiddels vergunde ondernemingen) geen bindende afspraken heeft gemaakt? Zo ja, bent u bereid dit alsnog zo snel mogelijk te doen?
De twee brancheorganisaties VNLOK en NOGA hebben zich gecommitteerd aan een aantal beperkingen van reclames en ook afspraken gemaakt over bijvoorbeeld het aanpassen van speellimieten. Deze afspraken heb ik bij mijn brief aan uw Kamer van 17 maart 2022 gevoegd.11 De leden van de betreffende brancheorganisaties hebben zich daarmee gecommitteerd aan deze afspraken; dit geldt niet voor de niet aangesloten aanbieders. De beide brancheorganisaties zetten zich in om de afspraken op te nemen in de Reclamecode voor kansspelen op afstand. Hiermee worden de afspraken wel algemeen verbindend. De afspraken die de sector maakt betreffen zelfregulering, het is aan de brancheorganisaties en aanbieders om hierin hun verantwoordelijkheid te nemen. Ik volg de vorderingen van de sector op de voet, spreek hen op hun verantwoordelijkheden daarin aan en onderstreep het belang van bindende afspraken.
Daarnaast heb ik de Regeling Reclame, werving en verslavingspreventie kansspelen gewijzigd om de inzet van rolmodellen te verbieden en werk ik op dit moment aan een wijziging van het Besluit Werving, reclame en verslavingspreventie kansspelen zoals aangekondigd in de brieven van 17 maart en 21 april 2022. Deze aanscherpingen gelden dan uiteraard voor alle aanbieders.
Op welke manier kunt u nieuwe toetreders tot de markt nu al, dus zonder te wachten op de nieuwe beleidsregels dan wel wetgeving, bewegen om mee te werken aan de afspraken die u al met de VNLOK heeft gemaakt?
Het is belangrijk dat de sector eigen verantwoordelijkheid neemt en een actieve bijdrage levert aan de kansspeldoelen van consumentenbescherming en verslavingspreventie. Daar hoort wat mij betreft bij dat de sector bindende afspraken maakt in het kader van zelfregulering en nieuwe aanbieders op de markt zich daar ook aan committeren. Ik benadruk dan ook richting de sector het belang hiervan.
Als u nieuwe toetreders niet kunt bewegen om zich te committeren aan de afspraken die met de VNLOK zijn gemaakt, bent u dan bereid de toetreding zo lang op te schorten tot de nieuwe beleidsregels/wetgeving in werking zijn getreden? Zo nee, waarom niet?
Nee, op grond van de wet is de naleving van afspraken in het kader van zelfregulering geen voorwaarde voor vergunningverlening en toetreding van de markt. Zelfregulering werkt doorgaans juist aanvullend op de wettelijke kaders en kan niet wettelijk worden afgedwongen. Daarnaast is het verstrekken van nieuwe vergunningen voorbehouden aan de Kansspelautoriteit.
Voorts herhaal ik in dat kader dat het verbod op rolmodellen 30 juni a.s. in werking treedt.
Hoe kan het dat tot op de dag van vandaag mensen gigantische bedragen kunnen vergokken, verspreid over meerdere aanbieders, maar hier geen totaaloverzicht van is en aanbieders afzonderlijk dus kunnen zeggen dat ze niet weten of iemand een probleemgokker is of niet en mensen die mogelijk dus wel degelijk verslavingshulp nodig hebben daar niet naartoe worden geleid?
Aanbieders treffen maatregelen en voorzieningen die nodig zijn om verslaving aan de door hen georganiseerde spelen zoveel mogelijk te voorkomen. Een van deze maatregelen is het laten stellen van limieten door spelers per aanbieder. Zoals bij vraag 3 aangegeven is ervoor gekozen bij het opstellen van de wet dat de speler zelf zijn limiet instelt. Deze keuze is gebaseerd op ervaringen van de verslavingszorg en diverse studies waaruit blijkt dat de mogelijkheid voor spelers om goed geïnformeerd zelf keuzes te maken over het speelgedrag een effectieve preventiemethode is.12
Bij het wetsvoorstel Koa is er eerder niet voor gekozen om speelgedrag inclusief speellimieten over alle aanbieders heen te volgen vanuit privacy-overwegingen.13 Dit heeft tot gevolg dat spelers bij verschillende aanbieders tegelijkertijd kunnen spelen en meerdere limieten kunnen «stapelen». Deze praktijk vind ik onwenselijk. Daarom onderzoek ik twee maatregelen: het stellen van een maximum aan de bestaande limieten en bezien of een limiet over alle aanbieders heen kan gelden. Bij dit laatste onderzoek ik of de techniek inmiddels zover is voortgeschreden dat voor aanbieder overstijgende speellimieten technisch en vanuit privacy oogpunt een modus kan worden gevonden.
Wat vindt u van het idee om voor een overkoepelend systeem te zorgen, waarbij kan worden bijgehouden hoeveel iemand in totaal vergokt en daarmee dus een completer beeld kan worden gecreëerd van iemand zijn gokpatronen, en iemand op basis van een totaalplaatje al dan niet in contact kan worden gebracht met verslavingshulp?
Zie antwoord vraag 12.
Jonge mantelzorgers |
|
Lucille Werner (CDA) |
|
Maarten van Ooijen (staatssecretaris volksgezondheid, welzijn en sport) (CU) |
|
|
|
|
Bent u bekend met de uitzending De Week van Gelderland van Omroep Gelderland d.d. 10 juni 2022, in het bijzonder het item over jonge mantelzorgers?1
Ja.
Deelt u ook de mening dat Nederland niet zonder mantelzorgers kan, zij van grote waarde zijn voor onze samenleving, en we dus zuinig op hen moeten zijn?
Ja, die mening deel ik. Mantelzorgers zijn van onschatbare waarde in onze samenleving.
Herkent u de situatie dat jonge mantelzorgers, zoals de 13-jarige Jesse, niet altijd worden gezien of «in beeld» zijn? Welke signalen ontvangt u daar zelf over en van wie?
Ja, die herken ik. Maatschappelijke bewustwording blijft een belangrijk aandachtspunt als het gaat om mantelzorg. Van verschillende organisaties zoals JMZ Pro, MantelzorgNL, Stichting Werk & Mantelzorg, VNO-NCW en mantelzorgers zelf ontvang ik deze signalen. De signalen richten zich voornamelijk om meer in te zetten op bewustwording en ondersteuning van jonge mantelzorgers in het algemeen, maar ook specifiek in het onderwijs en op de werkvloer. Veel jonge mantelzorgers zijn zich er niet bewust van dat ze mantelzorger zijn en dat ze om ondersteuning kunnen vragen daarbij.
Hoeveel jonge mantelzorgers (onder de 25 jaar) telt Nederland naar schatting?
In Nederland verleent naar schatting 1 op de 4 jongeren mantelzorg2.
Bent u op de hoogte van de knelpunten die jonge mantelzorgers kunnen ervaren? Welke zijn dat?
Verschillende organisaties hebben de afgelopen jaren onderzoek gedaan om de knelpunten die jonge mantelzorgers ervaren in beeld te brengen. Uit het recente rapport van het SCP over jonge mantelzorgers in 2022 is een aantal knelpunten benoemd, en ook in het onderzoekrapport van het Trimbos-Instituut.3 De knelpunten die jonge mantelzorgers voornamelijk kunnen ervaren zijn:
Is voldoende duidelijk waar jonge mantelzorgers behoefte aan hebben als het gaat om bijvoorbeeld aandacht en ondersteuning? Zo ja, waaruit bestaat deze behoefte? Zo nee, bent u bereid hier onderzoek naar te doen?
Door de vele onderzoeken die de afgelopen jaren zijn gedaan en de input die jonge mantelzorgers hebben gegeven, is er een voldoende duidelijk beeld ontstaan waar jonge mantelzorgers in geholpen kunnen worden. Het vergroten van de maatschappelijke bewustwording van mantelzorg is daar een belangrijke opgave in om het begrip, de waardering en de ondersteuning voor jonge mantelzorgers te vergroten. Dat vergt onze gezamenlijke aandacht. Dit wil zeggen dat ook op scholen, op de werkvloer en in de wijk meer aandacht moet zijn voor jonge mantelzorgers.
Naast bewustwording is ook handelingsperspectief van belang. De kennis over waar mantelzorgers in algemene zin behoefte aan hebben, betekent nog niet dat er daadwerkelijk ook iets verandert aan hun individuele situatie. Uiteindelijk is het die ene docent, sportcoach, goede vriend of een medewerker van de gemeente of andere organisatie die kan zien wat het verschil kan maken bij de jonge mantelzorger die zij kennen.
De Mantelzorglijn en de Landelijke Luisterlijn vervullen een belangrijke rol als het gaat om het bieden van een luisterend oor, zodat de mantelzorger gehoord wordt en eventuele praktisch info en tips meekrijgt. Ook lotgenotencontact, ontspanning en meer kennis en vaardigheden in het verlenen van mantelzorg is een behoefte die uit het eerder genoemde SCP-rapport (2022) naar voren is gekomen.
Welke ondersteuning specifiek gericht op jonge mantelzorgers is er thans beschikbaar? Hoe wordt hier gebruik van gemaakt?
Elke gemeente heeft beleid gericht op het ondersteunen en waarderen van mantelzorgers dat past bij de lokale situatie. In de gemeente Amsterdam is er bijvoorbeeld het coachingsprogramma «en nu jij» waar jonge mantelzorgers individuele begeleiding kunnen krijgen of in contact kunnen komen met lotgenoten. In de gemeente Lelystad wordt een luisterend oor aangeboden, maar ook allerlei activiteiten, trainingen en uitstapjes. Jonge mantelzorgers kunnen daar ook gekoppeld worden aan een maatje en/of lotgenoten. Daarnaast zijn er mantelzorgsteunpunten in veel gemeenten waar jonge mantelzorgers terecht kunnen voor ondersteuning. De wijze waarop hier gebruik van wordt gemaakt verschilt per gemeente, per ondersteuningsvorm.
Naast het lokaal aanbod is er ook landelijke ondersteuning, zoals het bieden van een luisterend oor door hulplijnen als de Mantelzorglijn, de Landelijke Luisterlijn en De Kindertelefoon. JMZ Pro ontvangt subsidie van VWS om maatschappelijke bewustwording, samenwerking, kennisdeling en het uitwisselen van ervaringen te bevorderen voor jonge mantelzorgers. Dat wordt gedaan door het bieden van een professioneel netwerk aan mensen die in de praktijk werkzaam zijn met en voor jonge mantelzorgers. Met deze subsidie wordt o.a. de organisatie van de Week van de Jonge Mantelzorger, de coördinatie van de Strategische Alliantie Jonge Mantelzorger, een klankbordgroep van jonge mantelzorgers en de pilot mantelzorgvriendelijke school mogelijk gemaakt.
Op welke manieren kunnen jonge mantelzorgers en hun gezin gevonden worden door bijvoorbeeld de gemeente, bijvoorbeeld door betere vroegsignalering? Welke organisaties kunnen daar een rol bij spelen? Kunt u daar goede voorbeelden van geven?
Door als samenleving meer naar elkaar om te zien, kunnen jonge mantelzorgers eerder gezien en gehoord worden. Docenten, werkgevers, buren, kennissen en vrienden kunnen daar een rol in spelen door het gesprek met jonge mantelzorgers aan te gaan en ze bijvoorbeeld tijdig te informeren over de beschikbare ondersteuning. Vorig jaar is er met de bewustwordingscampagne #deeljezorg ingezet op het bespreekbaar maken van zorgen die mensen hebben.
Daarnaast biedt vroegsignalering op scholen goede mogelijkheden, doordat school een plek is waar aanwezigheid, prestaties en het welzijn van leerlingen zichtbaar is. Met de pilot mantelzorgvriendelijke school is op twintig scholen, in samenwerking met lokale jonge mantelzorgconsulenten, ingezet om jonge mantelzorgers zichtbaar te maken, eerder te signaleren en ondersteuning te bieden waar nodig. De pilot is uitgevoerd op scholen van het niveau primair onderwijs, voortgezet onderwijs en het MBO. Als resultaat is o.a. naar voren gekomen dat het onderwijsteam op school jonge mantelzorgers snel kon herkennen en eventueel doorverwijzen, leerlingen herkenden zichzelf ook in de rol van jonge mantelzorgers en het thema werd opgenomen in het schoolplan. Er worden momenteel gesprekken gevoerd met JMZ Pro over een eventuele uitbreiding van de pilot.
Op welke manieren kunnen gemeenten helpen de regie en positie van jonge mantelzorgers en hun gezin te versterken? Kunnen jonge mantelzorgers bijvoorbeeld praktische ondersteuning krijgen bij de zorg voor een ziek gezinslid? Kunt u daar goede voorbeelden van geven?
Gemeenten kunnen jonge mantelzorgers en hun gezin helpen door in gesprek met ze te gaan en passende ondersteuning en begeleiding te bieden. Dit wordt bijvoorbeeld gedaan door jonge mantelzorgconsulenten en/of onafhankelijke cliëntondersteuners. In de gemeente Nijmegen zijn mantelzorgconsulenten voor jonge mantelzorgers die een luisterend oor bieden, maar ook kunnen meedenken over de inzet van een regeling in de thuissituatie, zoals respijtzorg en/of huishoudelijke hulp om de jonge mantelzorger (tijdelijk) te ontlasten. Daarnaast zijn in veel gemeenten sociale wijkteams, zoals in de gemeente Zaanstad waar het Sociaal Wijkteam Wormerveer jonge mantelzorgers ondersteuning kan bieden.
Op welke manieren kunnen gemeenten en/of scholen jonge mantelzorgers de mogelijkheid geven tijdelijk geen zorgtaken te hoeven doen? Kunt u daar goede voorbeelden van geven?
Gemeenten kunnen respijtzorg bieden, zodat de jonge mantelzorger tijdelijk kan worden ontlast van de zorgtaken en een vrijwilliger of professional de zorg kan overnemen. De vrijwilliger of professional kan bijvoorbeeld tijd doorbrengen met het broertje of zusje die een beperking heeft of toezicht houden op iemand met dementie.
Op welke wijze zet u in op het bevorderen van maatschappelijke bewustwording, zodat er op grote schaal begrip voor jonge mantelzorgers en hun knelpunten wordt gecreëerd?
Wat ik vanuit VWS doe is bijdragen dat er kennis en bewustwording over het jong mantelzorger zijn en dat bijvoorbeeld scholen en werkgevers deze kennis ook hebben. Hier komt bijvoorbeeld de pilot «een mantelzorgvriendelijke school» uit voort. Daarnaast wordt er sinds 2020 in opdracht van VWS de Week van de Jonge Mantelzorger georganiseerd. Tijdens de Week vinden in het hele land fysieke en online activiteiten plaats gericht op bewustwording, herkenning en erkenning.
Het Trimbos-instituut heeft in opdracht van VWS een richtlijn voor professionals gemaakt hoe zij beter de jonge mantelzorger kunnen steunen en eventueel doorverwijzen.
Wat gaat u deze kabinetsperiode doen om de situatie van en voor jonge mantelzorgers te verbeteren? Bent u bereid hierover met de Strategische Alliantie Jonge Mantelzorg, maar ook met jonge mantelzorgers zelf, in gesprek te gaan en de Kamer hierover vóór Prinsjesdag 2022 te informeren?
Ik zal voor de begrotingsbehandeling van VWS een brief naar de Kamer sturen met daarin de visie van het kabinet op mantelzorg en de inzet voor verbetering voor de komende kabinetsperiode. De vraagstukken en beleidsopgave voor jonge mantelzorgers zullen daarin worden meegenomen. Partners uit de Strategische Alliantie Jonge Mantelzorg, zoals JMZ Pro en MantelzorgNL, hebben hier ook input voor geleverd.