Het artikel waarin gesteld wordt dat het Kamerlid Van Ginneken van de D66-fractie eist dat u uw principiële mening ten aanzien van de transgenderwet herziet |
|
Geert Wilders (PVV), Harm Beertema (PVV), Lilian Helder (PVV) |
|
Piet Adema (minister landbouw, visserij, voedselzekerheid en natuur) (CU) |
|
|
|
|
Bent u bekend met het artikel waarin gesteld wordt dat het Kamerlid Van Ginneken van de D66-fractie eist dat u uw principiële mening ten aanzien van de transgenderwet herziet?1
Ik ben bekend met het artikel waar u naar verwijst. Het lid Van Ginneken (D66) heeft bij mijn weten niets geëist, maar gezegd er vanuit te gaan dat de nieuwe Minister van LNV het kabinetsbeleid steunt.
Deelt u de mening dat het onbestaanbaar is dat iemand die als burger zo’n principiële overtuiging heeft ten aanzien van geslacht en geslachtsverandering dat hij daartoe een nationaal manifest ondertekent, het manifest Gendertwijfel, die overtuiging als Minister niet van het ene moment op het andere in precies het omgekeerde kan aanpassen, zonder zijn geloofwaardigheid te verliezen?
Ik heb het manifest «De nieuwe Transgenderwet raakt iedereen» ondertekend op persoonlijke titel in de tijd voordat ik Minister werd. Een Minister draagt verantwoordelijkheid voor het gehele kabinetsbeleid, en zo zal ik mij dus ook opstellen.
Bent u het eens dat de eis die het Kamerlid aan u stelt op zijn minst niet bevorderlijk is voor de onderlinge verhoudingen in de coalitie, waaraan door de vele crises die het hoofd moet worden geboden toch al hoge eisen worden gesteld?
Ik respecteer de inzet van het lid Van Ginneken (D66) voor de positie en rechten van transpersonen. Haar vragen naar mijn persoonlijke opvattingen doen in mijn beleving geen afbreuk aan de onderlinge verhoudingen.
Mogen wij u tenslotte wijsheid en kracht toewensen en de hoop uitspreken dat u standvastig blijft in uw overtuiging?
Dank u wel.
Het bericht 'Minister Kaag en haar stichting in de fout met eigen anti-witwasregels' |
|
Olaf Ephraim (FVD) |
|
Sigrid Kaag (viceminister-president , minister financiën) (D66) |
|
|
|
|
Bent u bekend met het bericht «Minister Kaag en haar stichting in de fout met eigen anti-witwasregels»?1
Ja, ik ben bekend met dit bericht.
Hoe kan het dat de Minister niet is geregistreerd als de UBO (ultimate beneficial owner) van haar eigen stichting en in plaats daarvan drie onafhankelijke bestuurders aangewezen zijn als uiteindelijk belanghebbende?
Naar aanleiding van berichtgeving in de media heb ik een notarieel advies gevraagd over de bij wet voorgeschreven UBO-registratie. Op grond van dit advies en gelet op de relevante wet- en regelgeving met bijbehorende parlementaire toelichting is de conclusie dat ik niet kwalificeer als UBO van de door mij opgerichte stichting. De bestuurders van de stichting zijn aan te merken als UBO en zijn terecht als zodanig geregistreerd vanaf 31 december 2021. Hieronder licht ik dit toe.
Het doel van het registreren van de UBO van een juridische entiteit is het tegengaan van financieel-economische criminaliteit, zoals witwassen van geld en terrorismefinanciering. Door registratie ontstaat transparantie over wie de uiteindelijk belanghebbende van een onderneming of rechtspersoon is. Het betreft de natuurlijke persoon die, al dan niet achter de schermen, zeggenschap heeft over een onderneming of rechtspersoon. De verplichting tot het doen van de UBO-registratie is door de wetgever neergelegd bij de juridische entiteiten zelf. De UBO heeft op grond van de wet een medewerkingsverplichting om te zorgen dat de juridische entiteit de gegevens heeft om de registratie te kunnen voldoen.
Zoals ik aan uw Kamer heb gemeld, heb ik mijn financiële en zakelijke belangen, conform het geldende beleid zoals is neergelegd in de brief van 20 december 2002, op afstand geplaatst door het in beheer te geven aan een stichting (beheerstichting).1 Slechts het beheer van de vermogensbestanddelen wordt op grond van een beheersovereenkomst door de beheerstichting verzorgd. De vermogensbestanddelen zelf zijn niet overgedragen aan de beheerstichting, waardoor het eigendom, en rekening en risico bij mij blijven. Het recht op de financiële vruchten blijft ook bij mij. Voor zover financiële en zakelijke belangen in registers moeten worden opgenomen, ben ik daarin ook opgenomen als eigenaar, waardoor de transparantie gewaarborgd is.
Ik heb – en dat is ook het beoogde doel – geen zeggenschap binnen de stichting, behoudens het goedkeuringsrecht als het bestuur van de stichting zou willen besluiten tot statutenwijziging of ontbinding van de stichting. Een en ander is vastgelegd in de statuten van de stichting en de beheersovereenkomst die is gesloten tussen mij en de stichting.
De beheersstichting vormt geen (eigen) vermogen. Als er geen vermogen is, kan ook niet uitgekeerd worden. In het geval wel vermogen zou worden gevormd, dan geldt ook nog het wettelijke verbod voor een stichting tot uitkering van vermogen aan onder andere de oprichter. Het eventuele vermogen kan dan ook niet aan mij worden uitgekeerd.
Op grond van de wet zijn dan ook, in de hierboven geschetste situatie, de bestuurders aan te wijzen als UBO van de beheersstichting.
Volledigheidshalve voeg ik het externe juridisch advies van de notarissen toe als bijlage bij deze antwoorden.
Was de Minister er niet van op de hoogte dat het verplicht is voor alle bedrijven en stichtingen om eerlijk op te geven wie de uiteindelijk belanghebbende (UBO) is?
Zie antwoord vraag 2.
Deelt u de mening dat u al een tijd hamert op dat bij dit soort constructies altijd duidelijk moet zijn wie de uiteindelijk belanghebbende is?
Transparantie van juridische entiteiten en de UBO’s die hier achter zitten is een belangrijk middel in het voorkomen en opsporen van financieel economische criminaliteit. Het UBO-register levert hier een belangrijke bijdrage in.
Hoe heeft het dan kunnen gebeuren dat de Minister zich hier zelf niet aan gehouden heeft?
Zoals ik in antwoord op de vragen 2 en 3 heb aangegeven ben ik niet aan te merken als UBO van de door mij opgerichte stichting op grond van geldende wet- en regelgeving.
Ben u bekent met dat op het niet correct naleven van de UBO-wetgeving het Bureau Economische Handhaving van de Belastingdienst, dat onder het Ministerie van Financiën valt, een boete of last onder dwangsom kan opleggen van 22.500 euro?
Ja. Bureau Economische Handhaving (BEH) kan verschillende sancties opleggen, waaronder een boete van maximaal EUR 22.500 of een last onder dwangsom in redelijke verhouding tot de zwaarte van het geschonden belang.
Als een juridische entiteit zijn UBO nog niet geregistreerd heeft, dan wel niet juist of onvolledig, zal de Kamer van Koophandel contact opnemen met de juridische entiteit in kwestie om deze in de gelegenheid te stellen dit te corrigeren. Indien geen correctie volgt, zal de Kamer van Koophandel dit doorgeven aan BEH. Na ontvangst van een dergelijk bericht zal BEH eveneens contact opnemen met de desbetreffende juridische entiteit om alsnog te zorgen voor een wijziging, aanvulling dan wel inschrijving. Na ontvangst van de brief van het BEH heeft de juridische entiteit twee weken de tijd om de inschrijving alsnog in orde te maken. Na deze periode is de organisatie in overtreding en kan er door het BEH een boete of een last onder dwangsom opgelegd worden.2
Wordt dat in dezen gedaan of is de mogelijkheid tot correctie toegepast? Indien het laatste, krijgen burgers die wellicht ook een dergelijke vergissing gemaakt hebben, ook clementie?
Zoals ik hierboven heb toegelicht, is er geen sprake van een onjuiste of onvolledige registratie en is derhalve ook geen aanleiding voor correctie of aanvulling.
Iraanse studenten in Nederland |
|
Lisa Westerveld (GL), Tom van der Lee (GL) |
|
Wopke Hoekstra (viceminister-president , minister buitenlandse zaken) (CDA), Robbert Dijkgraaf (minister onderwijs, cultuur en wetenschap) (D66) |
|
|
|
|
Is bekend hoeveel studenten en docenten of wetenschappers uit Iran op dit moment studeren of werken aan een Nederlandse onderwijsinstelling?
Per 1 oktober 2021 waren er 363 Iraanse studenten in het mbo met als eerste of enige nationaliteit Iraans (er zijn nog geen voorlopige gegevens voor dit studiejaar voor deze sector). Per 1 oktober jl. waren er in het hbo 424 en in het wo 475 studenten met als eerste of enige nationaliteit Iraans. Dit is op basis van een voorlopige indicatieve telling. Een eerste nationaliteit wil in de praktijk zeggen dat mensen met zowel een Nederlandse of Europese nationaliteit én de Iraanse nationaliteit, niet meegeteld worden.
Voor de personeelsgegevens geldt dat onderwijsinstellingen gehouden zijn aan de privacywetgeving. Nationaliteit is een bijzonder persoonsgegeven dat niet zondermeer mag worden verstrekt. Sinds enige jaren ontvangen de koepels daarom geen informatie over de nationaliteit van de medewerkers bij hogeronderwijsinstellingen.
Bent u in gesprek met onderwijsinstellingen over de situatie van studenten en wetenschappers uit Iran in Nederland? Zo nee, bent u voornemens dit te doen?
Ik spreek zowel de koepels als de onderwijsinstellingen zeer geregeld, ook met het oog op studentenwelzijn, onder andere over wereldwijde ontwikkelingen, zoals bijvoorbeeld de oorlog in Oekraïne maar ook de aanhoudende protesten in Iran.
Ontvangt u signalen van studenten en wetenschappers uit Iran die door de situatie in Iran een mogelijke terugkeer uitstellen?
Op dit moment zijn er geen signalen dat studenten en wetenschappers uit Iran hun terugkeer uitstellen.
Kunt u in kaart brengen op welke manieren deze mensen ondersteund kunnen worden?
Studenten kunnen hiervoor terecht bij de reguliere ondersteuning die wordt geboden door studieadviseurs, studentpsychologen, studentdecanen, mentoren als ook welzijnsprogramma’s. Voor wetenschappers en andere medewerkers staat het reguliere HR aanbod tot hun beschikking. Daarnaast organiseren universiteiten en hogescholen specifieke welzijns- en informatiebijeenkomsten over de situatie in Iran. Ook zijn er buddy programma’s en Student Support Centres waar studenten geholpen kunnen worden. Hogescholen (o.a. Avans) organiseren ook lezingen over de situatie. Instellingen willen van studenten horen hoe de gebeurtenissen hen raken en welke zorgen zij hebben.
Welke gevolgen hebben de protesten voor bestaande samenwerkingsverbanden met Iraanse onderwijs- en wetenschapsinstellingen?
Vanuit het Erasmus+ programma zijn er in de call van 2022 enkele kleinschalige samenwerkingsprojecten toegekend tussen hoger onderwijsinstellingen in Nederland en Iran. Het betreft enkele inkomende en uitgaande stafmobiliteiten (onderzoekers en docenten). Voor zover bekend hebben de protesten hierop geen invloed gehad. Uit navraag bij de koepels zijn verder geen geformaliseerde samenwerkingsverbanden tussen Nederlandse en Iraanse instellingen naar voren gekomen.
Zijn er op dit moment Nederlandse studenten die studeren aan een Iraanse onderwijsinstelling of mensen die werken aan Iraanse onderwijsinstellingen?
Op basis van de laatste gegevens zijn er geen Nederlandse studenten die studeren of medewerkers die werken aan een Iraanse onderwijsinstelling.
Waar kunnen deze studenten en medewerkers terecht indien ze ondersteuning nodig hebben en heeft u contact met hen?
Zie het antwoord op vraag 4.
De beantwoording op de schriftelijke vragen over het bericht dat een taskforce een einde moet maken aan de Rijnbrug-impasse |
|
Daniel Koerhuis (VVD) |
|
Mark Harbers (minister infrastructuur en waterstaat) (VVD) |
|
|
|
|
Herinnert u zich uw beantwoording op de schriftelijke vragen over het bericht «Een taskforce moet een einde maken aan de Rijnbrug-impasse»?1
Ja.
Hoe rijmt u uw beantwoording dat de verbreding van de Rijnbrug een provinciaal project is met het feit dat de Rijnbrug een Rijksbrug is?
De brug bij Rhenen is een Rijksbrug over de Nederrijn. Het wegdeel maakt echter deel uit van de provinciale weg N233 (provincies Utrecht en Gelderland).
Deelt u de mening dat sinds de bestuursovereenkomst over de Rijnbrug is afgesloten in 2012, de woningbouwopgave van Rivierenland en de Gelderse Vallei fors is gestegen?
In hoeverre vormt de Rijnbrug gegeven de fors gestegen woningbouwopgave een probleem voor de doorstroming of de verkeersveiligheid?
Met de regio is een afspraak gemaakt over een Rijksbijdrage aan de Rijnbrug bij Rhenen in één van de 17 NOVEX-woningbouwlocaties, de regio Foodvalley. De regio kan hiermee de uitvoering van het project verder oppakken. Hiermee wordt invulling gegeven aan de motie van het lid Stoffer2. Met de bijdrage kan de regio beter worden ontsloten.
Bent u bereid om gegeven de fors gestegen woningbouwopgave een nieuwe bestuursovereenkomst over de Rijnbrug af te spreken?
Zie het antwoord op vraag 4.
Kent u de Mobiliteitsanalyse Arnhem-Nijmegen en Foodvalley, die is opgesteld voor de Verstedelijkingsstrategie Arnhem-Nijmegen-Foodvalley?2
Ja.
Wat is uw reactie op de mobiliteitsanalyse met betrekking tot de zuidelijke ontsluiting van de Gelderse Vallei ofwel de Rijnbrug?
Zie het antwoord op vraag 4.
In hoeverre deelt u de uitkomst van de mobiliteitsanalyse dat de zuidelijke ontsluiting van de Gelderse Vallei ofwel de Rijnbrug een probleem voor de doorstroming vormt?
Klopt het dat het verbreden van de Rijnbrug 141 miljoen euro kost, dat provincies en gemeenten 80 miljoen euro willen bijdragen en dat deze bijdrage een einddatum heeft?3
De verbreding kan voor € 120 mln worden uitgevoerd, met de afspraak dat de risico’s bij de regio liggen.
Klopt het dat na de betreffende einddatum de bijdrage van provincies en gemeenten omlaag kan gaan en de bijdrage van het Rijk omhoog kan gaan?
De bijdrage van het Rijk is lumpsum, de regio staat aan de lat voor verdere bijdragen.
Bent u bereid om gegeven de fors gestegen woningbouwopgave de 7,5 miljard euro nieuwe woningbouwgelden te gebruiken om het Rijk de overige 61 miljoen euro bij te laten dragen voor het verbreden van de Rijnbrug voor de betreffende einddatum?
Zoals hierboven aangegeven doet het Rijk voor de verbreding van de Rijnbrug bij Rhenen in een van de 17 NOVEX- woningbouwlocaties en de regio Foodvalley een lumpsum bijdrage van € 40 miljoen voor prijspeil 2022, incl. BTW.
Wilt u deze vragen beantwoorden voor het notaoverleg MIRT van 28 november 2022?
Ja.
De potentieel desastreuze gevolgen van de gascrisis voor de industrie |
|
Joost Eerdmans (JA21) |
|
Rob Jetten (minister zonder portefeuille economische zaken en klimaat) (D66), Sigrid Kaag (viceminister-president , minister financiën) (D66), Micky Adriaansens (minister economische zaken en klimaat) (VVD) |
|
|
|
|
Hoe zeker bent u ervan dat met een totale vulgraad van de Nederlandse gasopslagen van 90 procent gastekorten deze winter voorkomen zullen worden?
Voor wat betreft de leveringszekerheid baseer ik mij op de inzichten van Gasunie Transport Services (GTS) en die onderschrijf ik. GTS geeft aan dat indien aan een aantal randvoorwaarden wordt voldaan (blijven lagere gasvraag, geen capaciteitsbegrenzing voor stroomopwek met kolen, voldoende aanvoer van LNG, maximale benutting van LNG, en goed gevulde gasopslagen) zich deze winter geen tekorten aan gas hoeven voordoen. Op dit moment wordt aan deze randvoorwaarden voldaan. Het blijft zaak constant te monitoren of dit zo blijft. Goed gevulde gasopslagen zijn slechts één van deze randvoorwaarden. Het kabinet heeft zich daarom ingespannen om te zorgen dat de gasopslagen zo vol mogelijk zijn en is op dit moment bezig om maatregelen uit te werken voor het volgende vulseizoen. Los van het monitoren van de door GTS geschetste randvoorwaarden ga ik ook verder met verder operationaliseren van het Bescherm- en Herstelplan Gas (BH-G). Op die manier zijn we ook op slechtere scenario’s voorbereid.
Deelt u de conclusie van de Gasunie dat Nederland met deze vulgraad ook een strenge winter probleemloos aankan?
Zie antwoord vraag 1.
Kunt u de omstandigheden schetsen waaronder wél een gastekort kan ontstaan?
Zie antwoord vraag 1.
In welke mate bereidt u zich op dat scenario voor?
Zie antwoord vraag 1.
Tot welke trede van de maatregelenladder van het Bescherm- en Herstelplan Gas (BH-G) verwacht u deze winter te zullen gaan?
Op dit moment zitten we in fase 1 (vroegtijdige waarschuwing) van het Bescherm- en Herstelplan Gas. Ook heeft het kabinet al meerdere keren opgeroepen tot een vermindering van het gasverbruik (maatregel 1 uit de maatregelenladder). Daarnaast is door het kabinet de beperking op stroomopwek door middel van gebruik van kolen ingetrokken. Dit maakt het mogelijk dat meer elektriciteit kan worden opgewekt met kolen waardoor de gascentrales minder snel aan de beurt komen. Dit is een vorm van vrijwillige brandstofomschakeling die mogelijk is gemaakt. Andere maatregelen uit het BH-G hoopt het kabinet komende winter niet te hoeven inzetten. Uiteraard zijn we bezig met het verder operationaliseren van de BH-G maatregelen 3 (besparingstender) en 7 (afschakelstrategie) voor het geval dit toch nodig blijkt.
Kunt u vanaf maatregeltrede 5 van het BH-G (gedwongen brandstofomschakeling van industrieën) per trede aangeven welke (niet-beschermde) afnemers u hierbij concreet voor ogen hebt en in het geval van trede 7 ook de volgorde in afnamevolume vermelden? Zo nee, wilt of kunt u deze informatie niet geven? Waarom niet?
Het concept van de afschakelstrategie heb ik op 9 september in mijn brief over de voortgang van het Bescherm- en Herstelplan Gas met uw Kamer gedeeld. In de afschakelstrategie lopen alle niet-beschermde afnemers mee en wordt ook de volgorde waarin verschillende sectoren worden afgeschakeld bepaald. Op dit moment werk ik deze verder uit, waarbij ik ook verder specificeer wat beschermde en niet-beschermde afnemers zijn. Voor het einde van het jaar kom ik met een nieuwe update rond het Bescherm- en Herstelplan Gas.
Ziet u ook het risico dat eenzijdig wordt gefocust op scenario’s van gastekorten, waardoor scenario’s onder de radar blijven waarin gas wel fysiek leverbaar is voor het bedrijfsleven, maar te duur is om productieprocessen van industrie op gang te houden, zoals nu bijvoorbeeld bij HAK gebeurt? Zo nee, waarom niet en op welke wijze bereidt u zich op dergelijke scenario’s voor?
Het voorbereiden op scenario van gastekorten is en blijft van belang in de huidige situatie. Daarnaast is het kabinet bezig met de gevolgen van de hoge energieprijzen voor consumenten, huishoudens en bedrijven. Het prijsplafond voor huishoudens en de recent aangekondigde regeling Tegemoetkoming Energie Kosten (TEK) voor het gas-intensieve mkb zijn voorbeelden van maatregelen die het kabinet neemt om burgers en bedrijven te ondersteunen.
Ziet u het probleem dat energie-intensieve bedrijven vaak aan het begin van de productieketen staan, en daarom bij uitval potentieel hele bedrijfsketens om kunnen laten vallen, zoals de chemische industrie die voor vele andere industrieën en bedrijven een belangrijke of zelfs belangrijkste toeleverancier is?
We zien op dit moment dat met name energie-intensieve bedrijven die het moeten opnemen tegen concurrenten van buiten de EU die kunnen produceren met lagere energiekosten, moeite hebben de hogere energiekosten door te berekenen aan hun afnemers en daardoor stil dreigen te vallen. Dit zijn inderdaad veelal bedrijven aan het begin van waardeketens. Echter juist omdat deze bedrijven niet meer kunnen concurreren met goedkopere importen zien we dat de impact hiervan op de verdere waardeketen nog beperkt blijft omdat lokale productie wordt vervangen door importen van buiten de EU. Het kabinet verwacht van deze importsubstitutie geen economische schade op korte termijn. Het is macro-economisch gezien efficiënt dat waardeketens mondiaal verspreid zijn en dat handel mondiale prijsverschillen kan omzetten naar welvaartswinst voor binnen- en buitenland. Desniettemin heeft het kabinet en ook Europa oog voor strategische autonomie en investeringen in verduurzaming. Het is belangrijk dat industriële waardeketens die ook op lange termijn economische kansen bieden voor Nederland en Europa behouden blijven. Het kabinet wil duurzame investeringen en industriële productie in Nederland en geen blijvende weglek van banen en emissies naar het buitenland.
Bent u bereid om op korte termijn te onderzoeken in welke mate de hoge prijzen tot ongecontroleerde grootschalige uitval van de industrie – en daarmee de bredere Nederlandse economische activiteit – kunnen leiden?
Door de hoge energieprijzen in Europa hebben meerdere bedrijven hun productie afgeschaald of gestopt en staat de continuïteit van enkele bedrijven op het spel. Omdat de energieprijs in Europa significant hoger is dan de energieprijs in Azië en in de VS, zijn het vooral energie-intensieve bedrijven die concurreren met concurrenten buiten Europa, die het lastig hebben. Door de concurrentiedruk slagen zij er moeilijk in om de hogere energiekosten door te berekenen aan hun afnemers. De verwachting is dat deze hogere prijzen in Europa versus Azië en de VS zullen aanhouden de komende jaren. Ik onderzoek momenteel welke sectoren hierdoor getroffen worden en wat de gevolgen voor Nederland zijn.
Deelt u de mening dat ongecontroleerde, grootschalige uitval van (grote) industrie in Nederland voorkomen dient te worden, ook aangezien dit leidt tot krimp aan de aanbodkant waardoor de inflatie verder opgejaagd zal worden? Zo nee, waarom niet?
Het kabinet is zich bewust van het belang van de industrie voor Nederland. De situatie van verhoogde en volatiele gasprijzen zal naar verwachting nog enige tijd aanhouden, waardoor het concurrentievermogen van een aantal energie-intensieve bedrijven mogelijk gedurende langere periode onder druk zal blijven staan. Dit zou tot gevolg kunnen hebben dat we voor een aantal producten in toenemende mate afhankelijk worden van importen van buiten de EU. Vanuit het oogpunt van strategische autonomie zou dit voor een aantal waarde ketens ongewenst kunnen zijn.
Voor de langere termijn ziet het kabinet verduurzaming als beste manier voor de energie-intensieve industrie om te handelen naar een situatie waarin energie in Europa mogelijk duurder is dan elders in de wereld. Het kabinet realiseert zich echter ook dat dit voor veel bedrijven pas op de langere termijn een oplossing biedt voor de stijgende energieprijzen.
Op dit moment onderzoek ik daarom wat de impact van de gestegen energieprijzen is voor energie-intensieve bedrijven en voor de gehele Nederlandse economie. In dit onderzoek betrek ik de impact van energie-intensieve bedrijven op cruciale waardeketens en de impact van het mogelijk verdwijnen van bedrijvigheid op de Europese strategische autonomie. Tevens onderzoek ik hoe het kabinet hierop kan acteren. Zoals toegezegd in het Commissiedebat Bedrijfsleven beleid van 19 oktober, zal ik uw Kamer over de uitkomsten van dit onderzoek informeren voor het einde van het jaar. Met dit onderzoek zal ik uitvoering geven aan de motie-Dassen/Omtzigt over een afbakening van sectoren die van belang zijn voor voedselzekerheid energiezekerheid en strategische autonomie1.
Zo ja, bent u bereid maatregelen te treffen om dit te voorkomen?
Zie antwoord vraag 10.
Kunt u scenario’s schetsen waarin u aangeeft welke van deze maatregelen wanneer worden getroffen, net zoals u middels het BH-G heeft gedaan met afschakeling in het geval van fysieke gastekorten? Zo nee, waarom niet?
Zie antwoord vraag 10.
Kunt u daarin tevens de verwachte kosten en de verwachte afname van werkgelegenheid, en de afname van het BBP vermelden in geval van niet ingrijpen, en deze afzetten tegen de verwachtingen indien er maatregelen worden getroffen? Zo nee, waarom niet?
Zie antwoord vraag 10.
Wilt u deze vragen voor 1 november beantwoorden?
In verband met interdepartementale afstemming beantwoord ik de vragen later.
Het bericht dat in Arnhem mensen na aanvraag 14 weken moeten wachten voor ze energietoeslag ontvangen |
|
Bart van Kent (SP) |
|
Carola Schouten (viceminister-president , minister zonder portefeuille sociale zaken en werkgelegenheid) (CU) |
|
|
|
|
Wat is uw reactie op het artikel van de Gelderlander van 30 september 2022 over het bericht «Energietoeslag aanvragen blijkt soms moeilijk, maar wij helpen je»?1
Ik heb kennis van genomen van het artikel in de Gelderlander.
Het is belangrijk dat mensen de energietoeslag weten te vinden en dat de aanvraagprocedure eenvoudig is. Naar mijn oordeel spannen gemeenten zich veelal maximaal in om huishoudens die tot de doelgroep van de energietoeslag behoren, te bereiken. Gemeenten slagen hier over het algemeen ook goed in, de energietoeslag kent een groot bereik.
Ook vanuit de rijksoverheid wordt gecommuniceerd om de bekendheid van de regeling te vergroten, mensen aan te sporen de toeslag aan te vragen en hulp te vragen als dit ingewikkeld is. Binnenkort zal bijvoorbeeld in alle huis-aan-huisbladen een oproep verschijnen om de energietoeslag aan te vragen indien huishoudens dit nog niet hebben gedaan.
Is het juist dat mensen in Arnhem na aanvraag 14 weken moeten wachten voordat zij energietoeslag ontvangen?
Van de gemeente Arnhem heb ik begrepen dat de wachttijd op piekmomenten 14 weken bedroeg. Inmiddels worden nieuwe aanvragen binnen vier weken afgehandeld. De gemeente heeft ondertussen bijna 90% van de doelgroep uitbetaald. Door de toenemende berichtgeving in de media, ontvangt de gemeente ook steeds meer aanvragen van inwoners die niet binnen de voorwaarden van de energietoeslag vallen. De gemeente Arnhem kijkt bij deze aanvragen hoe zij haar inwoners mogelijk via andere gemeentelijke regelingen toch kan helpen. Deze «extra» aanvragen en dienstverlening vragen veel van de uitvoerende capaciteit van de gemeente. De gemeente Arnhem is deze zomer (opnieuw) gestart met het werven van extra personeel om aanvragen voor de energietoeslag (sneller) af te handelen.
Is het juist dat 1100 Arnhemse huishoudens die een aanvraag hebben gedaan nog steeds wachten op uitkering van de toeslag?2
1.100 was een schatting van eind september van het aantal huishoudens binnen de werkvoorraad dat recht heeft op de toeslag. Inmiddels is een groot deel hiervan al uitbetaald.
Bent u het eens dat wachttijden van 14 weken zoals bij de gemeente Arnhem volstrekt onwenselijk zijn?
Gezien de urgentie van de problematiek is het wenselijk dat de afhandeling van aanvragen zo snel mogelijk gaat. Dat veel inwoners de weg weten te vinden naar de gemeente voor een aanvraag van de energietoeslag is goed nieuws, maar kan tegelijkertijd (tijdelijk) zorgen dat wachttijden oplopen. De wachttijd in Arnhem is inmiddels teruggebracht naar vier weken.
Zijn er nog meer gemeenten als Arnhem met problematisch lange wachttijden? Kunt u de situatie in het land beschrijven?
Op dit moment is er geen volledig overzicht van de wachttijden in alle gemeenten. In principe handelen gemeenten aanvragen binnen acht weken af, conform de termijnen in de Algemene wet bestuursrecht (Awb).
Erkent u dat mensen die recht hebben op energietoeslag en deze ook nodig hebben verdergaand in de problemen kunnen komen als zij hierop 14 weken moeten wachten?
Gezien de urgentie van de problematiek, is het wenselijk dat de afhandeling van aanvragen zo snel mogelijk gaat. Ik weet dat sommige gemeenten, zoals Arnhem en Doetinchem, maatwerk toepassen bij mensen die in de knel dreigen te raken (zie ook het antwoord op vraag 8).
Erkent u dat mensen die in aanmerking komen voor energietoeslag over het algemeen niet kunnen beschikken over financiële buffers waardoor zij niet de tijd hebben om lang te wachten?
De energietoeslag richt zich voornamelijk op mensen in een kwetsbare financiële situatie. Zoals ook bij de eerdere antwoorden aangegeven, is het belangrijk dat deze huishoudens zo snel mogelijk geholpen worden om te voorkomen dat ze in financiële problemen raken. Dit is ook waarom er is gekozen voor de categoriale bijzondere bijstand om de energietoeslag te verstrekken. Verstrekking via de categoriale bijzondere bijstand is aanzienlijk minder complex en arbeidsintensief dan via de individuele bijzondere bijstand en gaat daardoor sneller.
Erkent u dat als 14 weken moet worden gewacht schulden zich gaan opstapelen met alle maatschappelijke gevolgen van dien?
Het is van belang dat mensen de energietoeslag zo snel mogelijk ontvangen. Ik weet dat bijvoorbeeld Arnhem en Doetinchem gedurende de afhandelingstermijn maatwerk toe passen als mensen financieel in de knel (dreigen te) komen. Zij bespoedigen beoordelingen en/of gaan na of zij huishoudens via andere gemeentelijke regelingen zoals het maatwerkbudget kunnen helpen. De afhandelingstermijn van 14 weken is in Arnhem bovendien incidenteel.
Kunt u een inschatting geven van de maatschappelijke schade die ontstaat als gevolg van problematisch lange wachttijden zoals die bij de gemeente Arnhem momenteel gelden?
Het is niet bekend in hoeverre mensen in de financiële problemen raken door een vertraagde afhandeling van hun aanvraag. Gemeenten hebben extra middelen ontvangen ten behoeve van een vroege signalering van betalingsproblemen van hun inwoners. Dit draagt eraan bij dat gemeenten goed vinger aan de pols kunnen houden en zo wordt voorkomen dat mensen schade lijden. Gemeenten proberen daarbij de aanvragen voor de energietoeslag zo snel mogelijk af te handelen.
Wat vindt u een aanvaardbare wachttijd voor het verstrekken van de energietoeslag?
Gezien de urgente problematiek is het van groot belang dat huishoudens die behoren tot de doelgroep van de energietoeslag, deze zo spoedig mogelijk ontvangen. Gemeenten hebben normaal gesproken afhandelingstermijnen waarbij er binnen acht weken een reactie volgt. Dit is conform de Awb.
Bent u het eens dat gemeenten er alles aan moeten doen om de energietoeslag zo snel mogelijk te verstrekken en dat gemeenten met lange wachttijden alles op alles moeten zetten om deze tot aanvaardbare lengte te reduceren?
Ja, dat ben ik met u eens. Mijn indruk is ook dat gemeenten er alles aan doen om de toeslag zo snel mogelijk te verstrekken.
Welke actie gaat u ondernemen in de richting van de gemeente Arnhem en andere gemeenten met problematisch lange wachttijden? Welke resultaten mogen wij daarvan wanneer verwachten?
Mijn indruk is dat gemeenten zich tot het uiterste inspannen om hun inwoners te ondersteunen. Gemeenten hebben op dit moment een grote uitvoeringslast. Niet alleen de energietoeslag, maar bijvoorbeeld ook de opvang van ontheemden uit Oekraïne. Daarbij hebben zij te maken met personeelstekorten. Wanneer zich knelpunten voordoen in de gemeentelijke uitvoering, is dit in eerste instantie aan de gemeenteraad. Ik heb verder regelmatig bestuurlijk overleg met de VNG over onder meer de energietoeslag en de uitvoering hiervan. Hierin bespreken we generieke knelpunten en mogelijke oplossingen.
Klopt het dat inwoners van Doetinchem pas weer vanaf 14 oktober energietoeslag kunnen aanvragen? Vindt u het acceptabel dat mensen moeten wachten met het aanvragen van de toeslag terwijl de winter eraan komt?
Ja, dit klopt. Van de gemeente Doetinchem heb ik begrepen dat zij in de periode april tot augustus ‘22 zeer druk is geweest met individuele aanvragen voor de energietoeslag. Het streven hierbij was om de aanvragen binnen vier weken af te handelen en bij het merendeel van de bijna 1600 aanvragen is dit ook gelukt. De maand september heeft Doetinchem gebruikt als voorbereidingsmaand voor de aanvullende toeslag. Het doel hierbij was om de groep voor de ambtshalve uitbetaling zo volledig mogelijk te laten zijn en het voor inwoners op deze manier zo makkelijk mogelijk te maken.
In de afgelopen weken heeft de gemeente Doetinchem aan alle inwoners die eerder de € 800 energietoeslag ontvingen, de aanvullende € 500 uitbetaald. Ook hebben inwoners die in de afgelopen periode een uitkering volgens de participatiewet toegekend hebben gekregen, en nog niet eerder een aanvraag voor de energietoeslag hadden gedaan, de volledige energietoeslag van € 1.300 uitbetaald gekregen. In totaal heeft de gemeente inmiddels aan ongeveer 2.700 inwoners de volledige energietoeslag uitbetaald. De laatste betaling hiervoor is woensdag 12 oktober gedaan.
De ervaring van de gemeente Doetinchem leert dat inwoners soms uit voorzorg ook maar vast een nieuwe aanvraag indienen, ook al wordt er aangegeven dat de aanvullende energietoeslag automatisch zal worden gestort. Daarom is ervoor gekozen om het loket pas open te stellen wanneer alle automatische betalingen zijn gedaan.
Met deze werkwijze voorkomt de gemeente dat er onnodige aanvragen worden gedaan, die vervolgens tijd kosten in het beoordelen van de aanvragen. De aanvragen die vanaf 14 oktober worden ingediend kan de gemeente binnen vier weken afhandelen. Uiteindelijk is de inwoner dan snel geholpen.
Daarnaast biedt de gemeente Doetinchem maatwerk aan inwoners, die aangeven de energietoeslag eerder dan de gestelde data nodig te hebben. Dit is ook in een aantal gevallen gedaan en zal in de toekomst ook zeker mogelijk blijven.
Mijn beeld is dat gemeente Doetinchem alles in het werk stelt inwoners snel te helpen en dat zij hierin slaagt.
Bent u het eens dat mensen niet zo lang kunnen wachten met het aanvragen en ontvangen van de energietoeslag en gemeenten daarom extra middelen zouden moeten krijgen om een aanvraag van de energietoeslag zo snel als mogelijk te behandelen en uit te keren?
Zoals ik bij de eerdere antwoorden heb aangegeven, ben ik het met u eens dat het van belang is dat gemeenten de energietoeslag zo snel als mogelijk verstrekken. Gemeenten hebben financiële middelen ontvangen voor de uitvoering van de energietoeslag. Ik ben en blijf met de VNG en gemeenten in gesprek over de uitvoering.
De berichten dat het aantal jongeren met suïcidale gedachten ook na corona hoog is en dat er een toename van zelfdodingen onder jongvolwassenen is |
|
Rens Raemakers (D66) |
|
Maarten van Ooijen (staatssecretaris volksgezondheid, welzijn en sport) (CU) |
|
|
|
|
Bent u bekend met de berichten dat het aantal jongeren met suïcidale gedachten ook na corona hoog is en dat er een toename van zelfdodingen onder jongvolwassenen is?1, 2
Ja, ik ben bekend met de berichten.
Hoe beoordeelt u de berichten uit het Health Behaviour in School-aged Children (HBSC)-rapport, dat laat zien dat met name de mentale gezondheid van meisjes, maar ook bij jongens, achteruit gaat? In hoeverre was u al op de hoogte van deze trend?3
Met aandacht heb ik kennis genomen van de bevindingen uit het onderzoek. De cijfers zijn zorgelijk. Het was al bekend dat de invloed van de coronacrisis enorm is geweest op de jeugd, maar de uitkomsten uit dit rapport zijn schrikbarend. Daarbij is het verschil tussen jongens en meisjes ook gebleken uit eerdere HBSC-metingen. Ook toen waren de emotionele problemen bij meisjes hoger en de mate van levenstevredenheid lager dan bij jongens. De bevindingen onderstrepen nogmaals het belang om in te (blijven) zetten op de mentale gezondheid van onze jongeren en jongvolwassenen in Nederland en daarbij dus ook extra aandacht te hebben voor het verschil tussen de ervaren problemen van jongens en meisjes en de wijze waarop deze problemen tot uiting komen.
Wat kan verklaren dat het opheffen van de coronamaatregelen kennelijk niet heeft geleid tot een verbetering van de mentale toestand van scholieren en studenten?
Helaas kunnen we aan de hand van het HBSC-onderzoek nog geen conclusies trekken over het zogenaamde «terugveren» van scholieren en studenten. De HBSC is in het najaar van 2021, in coronatijd, afgenomen onder de scholieren en daarmee geeft dit onderzoek nog geen beeld van de situatie na de pandemie. Wel is de verwachting dat we niet zomaar terug zijn op het oude niveau. Er zal een groep jongeren kwetsbaar blijven of zelfs kwetsbaarder worden. Voor hen zullen we de komende tijd aandacht moeten hebben.
Herkent u het beeld dat het aantal huisartsbezoeken vanwege suïcidale gedachten of suïcidepogingen ruim een derde hoger is dan voor de coronacrisis?
Uit de surveillance cijfers van Nivel Zorgregistraties Eerste Lijn blijkt dat de bezoeken aan de huisarts rondom suïcide in het tweede kwartaal van 2022 gemiddeld 39% meer voorkwamen dan in dezelfde periode in 2019 onder de groep 15 tot 24-jarigen. Het gaat bij deze cijfers om zelfdodingspogingen met en zonder fatale afloop en om suïcidale gedachten.
Welke mogelijkheden ziet u om het mentale welzijn van jongeren te verbeteren?
Met de acties in de landelijke aanpak «Mentale gezondheid: van ons allemaal» willen we de mentale gezondheidsvaardigheden van alle jongeren verbeteren, mentale gezondheid bespreekbaar maken en zorgen dat zij een plek hebben op school of in de wijk waar zij terecht kunnen. Samen met MIND Us verkennen wij daarom hoe laagdrempelige inloopmogelijkheden voor jongeren versterkt, verbeterd en opgeschaald kunnen worden. Ook zijn wij in gesprek met Welbevinden op School en de Gezonde School om te kijken hoe wij de huidige samenwerking kunnen versterken en het project kunnen intensiveren. Zo worden praktische handvatten aangeboden op scholen en kunnen scholen werken aan een gezond pedagogisch- en leerklimaat. Daarnaast wordt via het Programma Cultuurparticipatie met een subsidieregeling «Samen Cultuurmaken» de samenwerkingen tussen de culturele en creatieve sector en het sociale domein gestimuleerd. Voor komend jaar staat de doelgroep jongeren centraal en zetten wij cultuur in om mentale gezondheid onder jongeren bespreekbaar te maken.
Herkent u het beeld dat de hoge «prestatiedruk» en het wegvallen van sociale structuren tijdens corona ertoe hebben geleid dat het slechter gaat met de mentale gezondheid van jongeren?
Helaas herken ik de ervaren prestatiedruk in de samenleving en ook het wegvallen van sociale structuren tijdens de coronapandemie. Er lijkt een druk te zijn om alles beter, sneller en cum laude te moeten doen. Dit vraagt een cultuurverandering. We hoeven namelijk echt niet elke dag de beste versie van onszelf te zijn. Ook het wegvallen van sociale structuren heeft een effect op onze jeugd. We weten uit onderzoek dat je mentale gezondheid een belangrijke sociale component bevat en dat sociale contacten een belangrijk onderdeel zijn om je mentaal goed te voelen. Met de landelijke aanpak zetten we ons daarom in voor het belang van aandacht hebben voor de mentale gezondheid van jezelf én oog hebben voor die van een ander. We richten ons hierbij op de leefomgeving van de jongeren zelf: op school, in de buurt of bijvoorbeeld online. Bijvoorbeeld door het stimuleren van zingeving en ontmoeting via Maatschappelijke Diensttijd (MDT) en/of sportactiviteiten in de wijk.
Herkent u het beeld dat zelfdoding onder jongvolwassenen vaker voorkomt bij schoolverlaters, vaker bij jongeren met psychische problemen, vaker bij jongeren met geldproblemen en vaker bij jongeren die zich identificeren met de LHBTI (lesbische vrouwen, homoseksuele mannen, biseksuelen, transgenders en intersekse personen)-gemeenschap?
Het geschetste beeld komt naar voren uit het onderzoek4 dat 113 Zelfmoordpreventie heeft uitgevoerd met zowel kwalitatieve als kwantitatieve data, zowel van jongvolwassenen (20–30 jaar) die overleden zijn door suïcide als jongvolwassenen (20–30 jaar) die kampen met suïcidale gedachten. Het is belangrijk dat jongvolwassenen met suïcidale gedachten goed worden geholpen. Dat er nu meer inzicht is in deze groep en de problemen waar zij mee kampen helpt daarbij.
Erkent u dat eenzaamheid ook een risicofactor is voor (gedachten over) zelfdoding en in hoeverre werkt de regering nog aan een aanpak van eenzaamheid onder jongeren?4
Er is veel bekend over risicofactoren voor suïcide, maar het blijft onmogelijk te voorspellen wie er uiteindelijk een fatale poging zal doen. Een risicofactor voor suïcide is je eenzaam en sociaal geïsoleerd voelen. Het landelijk cijfer van eenzaamheid onder jongeren is hoog. In de laatste meting van de Gezondheidsmonitor Jongeren en Volwassen komt naar voren dat 47% van de Nederlanders die 18 jaar of ouder zijn, zich eenzaam voelt.
Eind september jongstleden is de vervolgaanpak van het actieprogramma Eén tegen eenzaamheid voor de periode van 2022–2025 bekend gemaakt. Een belangrijk onderdeel van de vervolgaanpak is dat er wordt gewerkt aan het verminderen en voorkomen van eenzaamheid onder alle leeftijden en groepen (in plaats van alleen 75+»ers), ook onder jongeren. Dit doet het actieprogramma via 3 actielijnen. Meer bewustwording over eenzaamheid (onder andere door publiekscampagne), meer maatschappelijk initiatief tegen eenzaamheid en in alle gemeenten een lokale aanpak tegen eenzaamheid. Op voorgaande punten wordt ook specifiek aandacht besteed aan eenzaamheid onder jongeren. Om eenzaamheid onder jongeren onder de 18 jaar te meten wordt binnen het thematisch onderzoeksprogramma eenzaamheid van de Nationale Wetenschapsagenda een meetinstrument ontwikkeld.
Uit een scan van alle collegeakkoorden van gemeenten is ook een toename te zien in vergelijking met de vorige collegeperiode om eenzaamheid onder jongeren aan te pakken. Vanuit het actieprogramma worden gemeenten daarin ondersteund door onder andere een gratis adviseur, masterclasses, goede voorbeelden en regeerakkoordmiddelen die beschikbaar worden gesteld aan gemeenten voor de lokale aanpak van eenzaamheid.
Tijdens de lancering van de vervolgaanpak is Stichting Join-Us, een belangrijke partner die zich inzet om eenzaamheid onder jongeren aan te pakken, lid geworden van de Nationale Coalitie tegen Eenzaamheid. De Nationale Coalitie tegen Eenzaamheid, waar de NS en Prorail ook lid van zijn, is een landelijk netwerk van organisaties die zich inzetten om eenzaamheid te verminderen en wordt door het actieprogramma betrokken in de aanpak de komende jaren. Stichting Join-Us heeft dit jaar financiering ontvangen om weer Social Friday en Stronger Together te organiseren. Daarnaast wordt er voor de aanpak van eenzaamheid onder jongeren samengewerkt met het programma MDT, eenzaamheid is één van de speerpunten van MDT.
Indien de vragen 6, 7 en/of 8 instemmend worden beantwoord, welke stappen gaat u samen met collega’s uit het kabinet ondernemen om iets aan de bovenstaande problemen te doen?
Samen met veel verschillende partijen, waaronder andere departementen, zet ik mij in voor het versterken van de mentale gezondheid, het voorkomen van suïcidaal gedrag en het verminderen van eenzaamheid onder jongeren en jongvolwassenen.
Er worden momenteel verschillende stappen genomen om de mentale gezondheid van jongeren te verbeteren. Samen met mijn collega’s uit het kabinet, de partijen en jongeren zelf gaan we de landelijke aanpak «Mentale gezondheid: van ons allemaal» verder aanvullen en uitwerken. We hopen dat meer partijen zich daarbij aansluiten zodat er een beweging in ons land op gang komt rondom het thema mentale gezondheid. Zoals de recente bevindingen laten zien, valt de toename in mentale problemen mede te verklaren door de ervaren druk om te presenteren. Deze druk om te presteren komt niet alleen vanuit jongeren maar ook vanwege de verwachtingen vanuit de brede maatschappij. Denk bijvoorbeeld aan de druk om te presteren in het onderwijs. Het kabinet stelt via het Nationaal Programma Onderwijs geld beschikbaar waarmee scholen en instellingen gericht maatregelen kunnen nemen op het gebied van welbevinden en sociaal-emotionele ontwikkeling om zo de negatieve impact van de coronapandemie op het welbevinden en de ontwikkeling van leerlingen zoveel mogelijk weg te nemen. Vanuit dit programma is ook kennis beschikbaar via de menukaart, de website onderwijskennis.nl en de kenniscommunity. Deze community is een kennisplatform voor onderwijsprofessionals waar ervaringen en praktijkkennis gedeeld worden. Op de website onderwijskennis.nl worden juist de wetenschappelijke kennis en de interventies gedeeld.
Met de derde Landelijke Agenda Suïcidepreventie zet ik in op preventieve acties in het onderwijs en in de sociaaleconomische sector die bijdragen aan het signaleren en bespreken van suïcidaliteit bij jongeren en jongvolwassenen en het verwijzen naar zorg. Verschillende regio’s gaan deelnemen aan de ketenaanpak STORM die tot doel heeft een depressie of suïcide bij jongeren voor te zijn en er is een workshop ontwikkeld voor professionals in de schuldhulpverlening om meer aandacht te hebben voor suïcidaliteit. Suïcides zijn ook te voorkomen door het gesprek aan te gaan als je denkt dat het mentaal niet goed gaat met een vriend(in), familielid of collega. Met de onlinetraining VraagMaar kunnen naasten suïcidaliteit beter leren herkennen en weten ze hoe ze het gesprek kunnen voeren met jongeren en volwassenen over suïcidale gedachten.
Voor mijn aanpak op het terrein van eenzaamheid onder jongeren verwijs ik u naar mijn antwoord op vraag 8.
Hoe zet u in op preventie vanuit uw portefeuilles suïcidepreventie en jeugdhulp, en in hoeverre kan preventie via sociale media daarin nog een (extra) rol spelen?
Er worden maatregelen getroffen om suïcidaal gedrag in een zo vroeg mogelijk stadium te voorkomen bij jongeren. Eén van de projecten van de derde Landelijke Agenda Suïcidepreventie die hierop ziet, is de ketenbrede werkwijze suïcidepreventie jeugd. Professionals, organisaties, ervaringsdeskundigen en naasten in de jeugdhulp werken samen aan een leidraad suïcidepreventie voor de hele jeugdketen.
In de Landelijke Agenda Suïcidepreventie is aandacht voor het gebruik van social media bij preventie van suïcide. Er wordt gewerkt aan een veilige online omgeving voor lotgenoten om hoop, contact, hulp en herkenning te krijgen. Ook wordt ingezet op verantwoorde, veilige berichtgeving over suïcidaal gedrag in de sociale media. Wetenschappelijke studies hebben een relatie aangetoond tussen onzorgvuldige berichtgeving over een suïcide en een daaropvolgende stijging van het aantal suïcides.
Verder wordt samen met partijen als MIND Us, het Trimbos-instituut en het Netwerk Mediawijsheid verkend welke mogelijkheden de inzet van social media biedt bij bijvoorbeeld het vergroten van de inzet van goed werkende apps en het toerusten van luisterlijnen (zoals Kindertelefoon) op het delen van laagdrempelige tips en het verwijzen naar lokale offline ondersteuning (zoals inloophuizen als aanvulling op het bieden van een luisterend oor).
Kunt u deze vragen beantwoorden voor het commissiedebat GGZ/Suïcidepreventie van 2 november aanstaande?
Ja.
Het bericht ‘NL-Alert tijdens storm te laat verstuurd, meldkamer bijna onbereikbaar’ |
|
Ingrid Michon (VVD) |
|
Dilan Yeşilgöz-Zegerius (minister justitie en veiligheid) (VVD) |
|
|
|
|
Vraag Bent u bekend met het bericht «NL-Alert tijdens storm te laat verstuurd, meldkamer bijna onbereikbaar»1?
Ja.
Klopt het dat tijdens de storm Eunice, afgelopen februari, de 112-alarmcentrale tijdens overbelast raakte door het aantal telefoontjes en daardoor onbereikbaar was? Klopt het voorts dat het bijna anderhalf uur duurde voordat er een NL-Alert werd verstuurd?
Ja, dit klopt. Na deze constatering is het proces voor het versturen van een landelijk NL-Alert opgestart. Het gehele proces van het versturen van het NL-Alert heeft circa 5 kwartier geduurd.
Hoe wordt de inzet van een NL-Alert bepaald? Wanneer gaat er zo’n alert uit? Hoe toetsen het Nationaal Crisiscentrum (NCC) en de Nationaal Coordinator Terrorismebestrijding (NCTV) een verzoek tot een NL-Alert?
Voor de inzet van een landelijk NL-Alert is een inzet- en beleidskader beschikbaar. Daarin is een specifiek deel opgenomen over het verzenden van een NL-Alert bij uitval van het alarmnummer 112. Het verzoek van de Hoofdofficier van Dienst van de landelijke meldkamer is aan dit inzet- en beleidskader getoetst.
Hoe kon het in dit specifieke geval zijn dat de NL-Alert pas een uur na aanvraag door de landelijke 112-centrale uitging?
De streeftijd voor het verzenden van een NL-Alert bedraagt 15 minuten. Het proces van het verzenden van een landelijk NL-Alert vraagt om een zorgvuldige voorbereiding. Er zijn verschillende factoren die ervoor gezorgd hebben dat in dit geval de streeftijd niet is gehaald.
Zo was het verzoek vanuit de politie in eerste instantie niet aan het NCC gericht, maar aan het Landelijk Operationeel Coördinatiecentrum (LOCC). Aangezien het LOCC geen rol heeft in het proces tot het uitzenden van een NL-Alert4, heeft dit vertragend gewerkt. Daarnaast zijn voor de uitval van het alarmnummer 112 standaardteksten beschikbaar. We hadden nu te maken met overbelasting van 112 door de storm Eunice. Dit vroeg om een aangepaste tekst. Deze moest opgesteld, met partners afgestemd en ingevoerd worden. Daarnaast vond er overleg plaats over het verwijzen naar www.politie.nl of www.crisis.nl alsmede over het juiste uitzendgebied omdat de stormwaarschuwing van het KNMI niet voor het hele land gold. Deze activiteiten kostten achteraf meer tijd dan voorzien.
Hoe kon het dat ondanks een maximale bezetting van de landelijke 112-centrale en de regionale meldkamers, bellers het alarmnummer 112 niet konden bereiken? Wat gaat u doen om dit in de toekomst te voorkomen? Kan een NL-alert voortaan eerder en sneller uitgegeven worden, om overbelasting van het alarmnummer te voorkomen?
De gebeurtenissen rondom deze overbelasting heb ik laten onderzoeken door het Nederlands Instituut Publieke Veiligheid (NIPV). Tijdens storm Eunice werd het alarmnummer 112 overspoeld met telefoontjes, waaronder hulpvragen die geen onmiddellijke hulp vereisten. Na het uitgezonden NL-Alert werd het aantal oproepen snel minder waardoor het alarmnummer weer bereikbaar was. Zoals in het antwoord op vraag 4 is aangegeven, is de streeftijd voor het verzenden van een NL-Alert een kwartier. De ervaringen rondom de verzending van het landelijke NL-Alert tijdens de storm Eunice gebruiken we om in de toekomst sneller (en binnen de streeftijd) een NL-Alert te kunnen verzenden. Zie ook het antwoord op vraag 7.
Om dergelijke overbelasting in de toekomst te voorkomen is eenduidige en heldere crisiscommunicatie van belang, zodat mensen weten waarvoor zij wel en niet het alarmnummer kunnen bellen. Inmiddels hebben de betrokken organisaties voor de eenduidige crisiscommunicatie afgesproken voortaan alleen het handelingsperspectief als weergegeven in de infographic van de veiligheidsregio’s te gebruiken, en dus niet meer eigen communicatie-uitingen te ontwikkelen. Dit zie ik als een mooie eerste stap in het uniformeren van de publiekscommunicatie door deze organisaties.
Kunt u de stand van zaken geven over de implementatie van de verbetervoorstellen die in gang zijn gezet naar aanleiding van de beleidsdoorlichting multisystemen 2012–2018?
De verbetervoorstellen naar aanleiding van de beleidsdoorlichting multisystemen 2012–2018 heb ik reeds opgepakt en met de partners in het meldkamerveld geïmplementeerd, op grond van de door uw Kamer aangenomen Wijzigingswet meldkamers in 2020.
Samen met de betrokken partijen wordt nu in de daartoe ingerichte gremia overlegd en binnen de huidige governance kunnen zij invloed uitoefenen op het beleid van het beheer van de meldkamers en de besteding van de middelen. Op basis van laatste ontwikkelingen, urgentie en budgettaire mogelijkheden wordt gezamenlijk geprioriteerd.
Dit komt overeen met de verbetervoorstellen uit de beleidsdoorlichting, en leidt tot een steeds betere koppeling tussen beleidsdoelen en budget en sturing op gezamenlijke ambities en doelstellingen.
Inmiddels is de nieuwe governance van het beheer van de meldkamers enige tijd in werking en is deze governance conform mijn toezegging aan de Kamer na een jaar geëvalueerd. Hierover heb ik uw Kamer begin dit jaar geïnformeerd5. De (uitvoering van de) aanbevelingen uit de evaluatie bespreek ik met de partijen in het meldkamerveld en ik zal uw Kamer daarover in mijn halfjaarlijkse voortgangsbrief over meldkamers en missie kritische communicatiesystemen informeren.
Hoe beoordeelt u de aanbeveling van het Nederlands Instituut Publieke Veiligheid (NIPV) om te onderzoeken hoe in de toekomst een NL-Alert sneller kan worden verstuurd?
Het proces van aanvragen en opstellen van een NL-alert is op basis van een eigen evaluatie al verbeterd. Een tekst voor overbelasting is inmiddels opgenomen in het berichtenboek en het proces rondom uitval van het alarmnummer 112 wordt regelmatig met de verschillende betrokken partners beoefend. Onderzocht wordt hiermee ook hoe het uitzendproces, zowel bij NCC als bij partners, versneld kan worden. Wijzigingen hierop zullen worden doorgevoerd in het NL-Alert inzet- en beleidskader.
Hoe beoordeelt u voorts de aanbeveling van het NIPV om een landelijk operationeel leider aan te stellen om bovenregionale en vooral operationele lacune in kennisdeling en afstemming te voorkomen?
Het kabinet heeft in haar standpunt6 over de wetsevaluatie Wet veiligheidsregio's aangekondigd om mét behoud van het goede, zo spoedig mogelijk te komen tot een toekomstbestendig, samenhangend stelsel voor crisisbeheersing en brandweerzorg. In de Contourennota Versterking Crisisbeheersing en Brandweerzorg7 schetst het kabinet hoe de organisatiestructuur en samenwerking van betrokken partijen, bestuurlijk en operationeel, bij onder meer interregionale, nationale en internationale risico's en crises wordt vernieuwd. De versterking van de operationele coördinatie en informatiedeling maken hier onderdeel vanuit.
Het gebrek aan handhaving bij de paardenmarkt in Heeten |
|
Frank Wassenberg (PvdD) |
|
Carola Schouten (viceminister-president , minister zonder portefeuille sociale zaken en werkgelegenheid) (CU) |
|
|
|
|
Bent u bekend met het bericht «Zijn paardenmarkten nog van deze tijd? Zolang veulens worden geboren, zal er handel zijn»?1
Ja.
Zijn er door de Nederlandse Voedsel- en Warenautoriteit (NVWA) misstanden geconstateerd op de paardenmarkt in Heeten? Zo ja, welke?
Er is eenmaal geconstateerd dat er enigszins hardhandig aan een ezel getrokken en geduwd werd. De aanwezige inspecteur heeft de betrokkenen hierop aangesproken en een mondelinge waarschuwing gegeven.
Wat vindt u ervan dat niet alle paarden en pony’s op de markt toegang hadden tot water, hooi of ander eten?
Ik vind het belangrijk dat organisaties de verantwoordelijkheid nemen om te zorgen dat er voldoende water en voer beschikbaar is.
Op de markt waren voer/hooi en water beschikbaar. Dit kon door de houders worden afgehaald op een centraal punt waar ook emmers beschikbaar waren.
Houders van paarden en de marktorganisatie hebben een eigen verantwoordelijkheid als het gaat om garanderen van dierenwelzijn. Volgens het besluit houders van dieren moeten de houders ervoor zorgen dat het paard een toereikende hoeveelheid gezond en geschikt voer krijgt toegediend. Tevens moet de houder ervoor zorgen dat het dier toegang heeft tot een toereikende hoeveelheid water van passende kwaliteit of op een andere wijze aan zijn behoefte aan water kan voldoen.
Klopt het dat de herkomst, bestemming en chipnummers van de op deze paardenmarkt verhandelde paarden niet zijn bijgehouden en dat hiermee niet is voldaan aan de registratieverplichting?
Er is door de inspecteur van de NVWA geconstateerd dat niet is voldaan aan de documentatieverplichting. Bij de marktorganisatie bestond onduidelijkheid over de documentatieverplichting als paarden korter dan 24 uur op een locatie aanwezig zijn. De onduidelijkheid is ontstaan doordat er eerder dit jaar een vakbericht vanuit de NVWA is uitgegaan waarin abusievelijk niet de juiste informatie was gegeven. Inmiddels is via de website van de NVWA en via overleg met de grote paardenmarkten de juiste actuele informatie verstrekt.2 De documentatieverplichting is onverkort van toepassing bij elke verblijfsduur op een inrichting.
Kunt u bevestigen dat hierdoor niet kan worden gecontroleerd of paarden minstens 48 uur op een locatie in Nederland zijn gestald alvorens ze op internationaal transport worden gezet, zoals is vereist via de Europese diergezondheidsverordening?2
Er vindt geen certificering van paard(achtigen) voor internationaal transport vanaf een paardenmarkt meer plaats, aangezien een paardenmarkt niet aan de gestelde eisen voor een verzamelcentrum kan voldoen.
De termijn voor opnemen van een paardachtige in de documentatie van de markt, is drie werkdagen. De documentatie van een markt is daarmee niet bruikbaar om de termijn van 48 uur vast te stellen.
Kunt u bevestigen dat door deze gebrekkige registratie niet kan worden gecontroleerd of de paarden op de markt direct afkomstig zijn uit het buitenland zonder aan de vereiste stallingsplicht van 48 uur te voldoen?
Nee. Paardachtigen die worden ingevoerd vanuit het buitenland, dienen na aankomst 48 uur op het bestemmingsadres te verblijven. Aangezien paardachtigen geen 48 uur op een paardenmarkt aanwezig zijn, kan een paardenmarkt niet als bestemming op een import-certificaat worden opgenomen. Paardachtigen mogen om voornoemde reden niet rechtstreeks vanuit het buitenland op een markt worden aangevoerd. De manier waarop de registratie van de paardachtigen door een markt wordt uitgevoerd, is om die reden niet relevant.
Kunt u bevestigen dat door de gebrekkige registratie niet kan worden gecontroleerd of paarden mogelijk illegaal zijn verhandeld?
Nee. Rechtstreekse import of export op een markt is niet toegestaan. De mate van nauwkeurigheid van de gevoerde administratie door de markt, speelt daarbij geen rol.
Is er door de inspecteur van de NVWA handhavend opgetreden op deze paardenmarkt? Zo nee, waarom niet?
Ten aanzien van de documentatie is niet handhavend opgetreden omdat eerder dit jaar een vakbericht vanuit de NVWA is uitgegaan waarin abusievelijk niet de juiste informatie was gegeven over de verplichting. Zie mijn antwoord op vraag 4.
Is het bekend of op paardenmarkten vaker niet wordt voldaan aan de registratieverplichting? Zo nee, hoe kan het dat deze informatie niet bekend is?
De paardenmarkten die dit jaar reeds hebben plaatsgevonden, zijn door de NVWA gecontroleerd. De onderzoeken naar het voldoen aan de documentatieverplichtingen op deze markten zijn op dit moment nog niet afgerond. De NVWA heeft gesprekken met organisatoren van paardenmarkten gevoerd en de regelgeving toegelicht. De organisatoren van de kleinere markt in Heeten waren overigens niet bij deze gesprekken aanwezig. Ook is de informatie gedeeld op de website van de NVWA.
Is het gebruikelijk dat wanneer er niet wordt voldaan aan de registratieverplichting, de NVWA in gesprek gaat met de organisatie, in plaats van het uitschrijven van een proces-verbaal?
Nee, zie voor deze specifieke situatie mijn antwoord bij vraag 4.
Het bericht ‘Britse regering kondigt hardere koers tegen illegale immigranten aan’ |
|
Wybren van Haga (BVNL) |
|
Eric van der Burg (staatssecretaris justitie en veiligheid) (VVD) |
|
|
|
|
Bent u bekend met het NOS-artikel «Britse regering kondigt hardere koers tegen illegale immigranten aan»1?
Ja.
Wilt u, in lijn met het standpunt van de Britse regering, dat niemand die illegaal binnenkomt meer asiel mag aanvragen in Nederland?
Het onthouden van de mogelijkheid om een asielverzoek in te dienen aan de in uw vraag bedoelde groep, zou in strijd zijn met de EU-asielregelgeving (GEAS) waaraan Nederland gebonden is. De EU-asielregelgeving is van toepassing op alle asielverzoeken die op het grondgebied, daaronder begrepen aan de grens of in de transitzones van de lidstaten, worden ingediend. Echter, niet alle in Nederland ingediende asielverzoeken hoeven hier inhoudelijk te worden behandeld. Indien op basis van de criteria, zoals neergelegd in de Dublinverordening, een andere EU-Lidstaat verantwoordelijk is voor de inhoudelijke behandeling, dan kan het in Nederland ingediende asielverzoek niet in behandeling worden genomen en de persoon worden teruggeleid naar die verantwoordelijke lidstaat. Indien gebleken is dat de asielzoeker via een veilig derde land Nederland is binnengekomen, dan kan het alhier ingediende asielverzoek niet-ontvankelijk worden verklaard, mits aan de daartoe in de Asielprocedure-richtlijn neergelegde voorwaarden is voldaan (zoals de mogelijkheid om daar de vluchtelingenstatus te verzoeken, een verzekerde wedertoelating en het bandencriterium).
Hoe bent u van plan de instroom van illegalen te beperken en de uitstroom te vergroten?
Kortheidshalve verwijs ik u naar de brief van het Kabinet van 26 augustus 2022 en naar mijn brief van 14 oktober 2022 over de voortgang van deze maatregelen.
Wilt u in lijn met de Britse regering een maximumaantal asielzoekers vaststellen dat Nederland binnen mag komen?
Het zetten van een maximum op het aantal asielzoekers dat in Nederland een asielverzoek mag indienen, zou in strijd zijn met internationale verdragen en EU-recht waaraan Nederland gebonden is. Zoals uw Kamer reeds is bericht per brief van 8 november 2021 heeft mijn voorganger bij de Adviescommissie voor Vreemdelingenzaken (ACVZ) de adviesvraag ingediend «In hoeverre en op welke wijze kunnen beleidsmatige richtgetallen bijdragen aan sturing van asiel- en reguliere migratie naar Nederland?». In die brief is tevens aangegeven dat de ACVZ voorts is gevraagd om de motie van de leden Stoffer en Eerdmans in acht te nemen. Uw Kamer heeft bij deze motie verzocht «de regering, de ACVZ te verzoeken ook de mogelijkheid, de verschillende varianten en voor- en nadelen van een migratiequotum te onderzoeken». Het kabinet is nog in afwachting van dit advies van de ACVZ.
Erkent u de afschrikkende werking van migratiepartnerschappen waarbij asielzoekers teruggestuurd worden naar een derde land?
Hier zijn geen cijfers over bekend.
Welke actie heeft u tot dusver ondernomen voor het bewerkstelligen van zulke migratiepartnerschappen met derde landen?
Het kabinet zet zich actief in om migratiesamenwerking te intensiveren met een aantal van de voor Nederland meest relevante migratie herkomst- en transitlanden, zowel bilateraal als in Europees verband. Externalisering van asiel is daar geen onderdeel van. De inzet is een gelijkwaardig partnerschap met een brede relatie waarin wordt samengewerkt op en afspraken gemaakt over zaken als handel, hulp en steun bij opvang, terugname van uitgeprocedeerde asielzoekers en tegengaan van irreguliere migratie. Ook tijdelijke, legale en circulaire arbeidsmigratie kan deel uitmaken van een partnerschap, in de vorm van kleinschalige en stapsgewijze pilots. Daarbij verschilt de samenwerking per land en wordt maatwerk toegepast. Uw Kamer ontvangt voor het einde van dit jaar een internationale migratiestrategie waarin het kabinet de migratiesamenwerking met derde landen en inzet t.a.v. opvang in de regio zal toelichten.
Heeft u contact met het Verenigd Koninkrijk over hun migratiepartnerschap met Rwanda, in lijn met de aangenomen motie van het lid Brekelmans over meer actie om migratiepartnerschappen met derde landen te sluiten (Kamerstuk 19 637, nr. 2866) van april jl.? Zo ja, kunt u dit contact toelichten?
Zowel op hoogambtelijk als op politiek niveau is met het VK gesproken over migratie in de afgelopen maanden. Daarin is gevraagd naar de Britse ervaringen met migratiepartnerschappen, en is aangegeven dat Nederland geïnteresseerd is om in algemene zin te leren van hun ervaring waar het brede partnerschappen betreft. In deze gesprekken is door het VK de stand van zaken van de samenwerking met Rwanda toegelicht. Relocatie naar Rwanda is tot op heden niet gestart, omdat de rechterlijke toetsing nog moet worden afgewacht.
Gaat u er in de Europese Unie op aandringen dat er migratiepartnerschappen met derde landen worden gesloten?
Op Europees niveau zijn er Actieplannen geformuleerd voor prioritaire landen uit de focusregio’s voor migratie van de EU (Noord-Afrika, Sub-Sahara Afrika, Midden-Oosten en Westelijke Balkan) om migratiepartnerschappen verder te ontwikkelen. Onder Frans voorzitterschap zijn deze plannen verder geoperationaliseerd. Dialogen met belangrijke landen van herkomst en transit zijn geïntensiveerd. Het kabinet zet zich in om alle relevante instrumenten vanuit de brede relatie daarbij te betrekken, zoals ontwikkelingssamenwerking, handel en visa om de slagkracht van de EU te versterken. Nederland trekt hierbij nauw op met gelijkgezinde EU-lidstaten.
Wilt u in lijn met de Britse regering de Nederlandse grenscontroles intensiveren?
Het kabinet is voorstander van het verstevigen van de Nederlandse en Europese buitengrenzen. Daarom zet het kabinet zich reeds geruime tijd in voor betere screening en registratie aan de Europe buitengrenzen en het instellen van asielgrensprocedures. Zo wenst het kabinet irreguliere secundaire migratie onder andere tegen te gaan. Het wetgevingsproces op deze voorstellen is gaande. Hierover wordt uw Kamer in de geannoteerde agenda’s van de JBZ-Raad geïnformeerd. Ook in het kader van de aanpassingen van de Schengengrenscode wordt nog onderhandeld, bijvoorbeeld over maatregelen die aan de buitengrenzen genomen kunnen worden wanneer er sprake is van instrumentalisering van migratie. Ten slotte heeft Frontex als agentschap een belangrijke rol wanneer het om ondersteuning van lidstaten bij grensbeheer gaat. Nederland wil dat Frontex zijn mandaat ten volle benut om ondersteuning te bieden op het gebied van grenzen en terugkeer.
Gaat u er in de Europese Unie op aandringen dat de controles van de buitengrenzen geïntensiveerd dienen te worden?
Zie antwoord vraag 9.
Het bericht 'Reizigersorganisaties keren zich tegen beperkte dienstregeling NS' |
|
Lisa van Ginneken (D66) |
|
Vivianne Heijnen (staatssecretaris infrastructuur en waterstaat) (CDA) |
|
|
|
|
Wat vindt u van de nieuwe dienstregeling van de NS?1
Ik zie het als één van mijn belangrijkste taken om een robuust en betrouwbaar openbaar vervoernetwerk te behouden en te versterken. Ik vind het dan ook erg vervelend dat reizigers in de nieuwe dienstregeling te maken krijgen met een lager vervoersaanbod. NS geeft aan zich hiertoe genoodzaakt te zien vanwege het huidige personeelstekort. Ik vind het cruciaal dat NS, zoals zij zelf ook aangeeft, de dienstregeling weer opschaalt zodra zij meer personele capaciteit heeft.
Deelt u de opvatting van reizigers- en consumentenorganisaties dat de nieuwe dienstregeling beneden het acceptabele niveau zakt?
Het is begrijpelijk dat consumentenorganisaties zich kritisch uitlaten over de aangepaste dienstregeling van 2023 en dat zij NS oproepen om alle maatregelen te treffen om zo snel mogelijk weer op te schalen. Ook ik vind het afschalen van de dienstregeling zeer onwenselijk vanuit het perspectief van de reiziger. Ik verwacht dan ook van NS dat zij er écht alles aan doet om de hinder voor reizigers te beperken.
Stemt u in met deze dienstregeling? Zo ja, waarom?
De dienstregeling wordt conform artikel 42 van de concessie ter consultatie voorgelegd aan de decentrale overheden en de consumentenorganisaties. NS stuurt de voorgenomen dienstregeling ten minste twee maanden voor de ingangsdatum aan de concessieverlener. NS voegt hierbij de door consumentenorganisaties en decentrale overheden geleverde adviezen en een toelichting op de wijze waarop zij hiermee is omgegaan. Het is aan de NS om de dienstregeling vast te stellen.
Zo nee, welke stappen heeft u gezet en gaat u zetten om de dienstregeling op een acceptabel niveau te krijgen?
Als concessieverlener van het hoofdrailnet voer ik regelmatig intensieve gesprekken met NS over haar personeelstekorten en de daarop volgende impact op de dienstregeling. In deze gesprekken benadruk ik dat ondanks de personeelstekorten de dienstverlening aan de reizigers zo goed mogelijk moet zijn. Ik verwacht dan ook van NS dat zij er alles aan doet om de negatieve effecten van het personeelstekort voor de reiziger zo veel als mogelijk te beperken. Ook verwacht ik van NS dat zij indien mogelijk de dienstregeling weer opschaalt. NS monitort de drukte in de treinen. Dit heeft er in geresulteerd dat NS binnen de huidige dienstregeling op meerdere drukke trajecten inmiddels treinen verlengt, zodat er meer reizigers mee kunnen.
Wat zullen volgens u de effecten op de drukte op de weg zijn van een onvoorspelbaardere treindienstregeling en vollere treinen?
Over dit onderwerp zijn eerder Kamervragen beantwoord.3 Afgelopen zomer schatte het Kennisinstituut voor Mobiliteitsbeleid (KiM) in dat het aantal autokilometers van een autobestuurder door de afschaling van de treindienstregeling in het najaar van 2022 met 0,07% toeneemt en in 2023 met 0,1%. Daarmee is de stijging van het autogebruik als gevolg van de afschaling van de treindienstregeling enigszins beperkt. Het KiM merkt op dat deze eerste inschatting een globale is, gebaseerd op vereenvoudigende aannames en daarom met onzekerheid omgeven. In november komt er een nieuwe prognose van het KiM voor het openbaar vervoer inclusief de effecten van deze afschaling.
Welke oplossingen heeft de taskforce van NS om het personeelstekort het hoofd te bieden, waarover u eerder schreef (Kamerstuk 29 984, nr. 981), opgebracht om dit te voorkomen of op te lossen?
NS is met een integrale aanpak gestart om de prangende personeelsproblematiek te verlichten. De hoofdlijnen van de integrale aanpak met betrekking tot het werven en behouden van personeel, zoals ik op 23 augustus jl. aan uw Kamer heb gecommuniceerd4, zijn:
Wat zijn tot op heden de opbrengsten van de wervingscampagne waarover u schrijft in diezelfde brief?
NS heeft mij laten weten dat de intensivering van de werving een substantiële stijging in het aantal sollicitanten heeft opgeleverd. Na de eerste geïntensiveerde campagneperiode (juni 2022) hebben circa 2.500 sollicitanten zich aangemeld, dit is een stijging van circa 250% ten opzichte van de periode daarvoor. In de daarop volgende campagneperiode hebben ruim 3.000 sollicitanten zich aangemeld.
Er worden op dit moment gemiddeld 150 sollicitatiegesprekken per week gevoerd. In de periode juni tot en met september 2022 zijn er ongeveer 134 conducteurs en 213 machinisten aangenomen. Daarbij zit een aanzienlijk deel van de sollicitanten nog in de procedure.
Hoeveel mensen zijn aangetrokken door een beroep te doen op gepensioneerd personeel?
NS heeft mij laten weten dat er momenteel 8 gepensioneerde medewerkers zijn die zich hebben gemeld om weer in de rijdende dienst te gaan werken. Daarnaast hebben er ook medewerkers, die tegen pensioenleeftijd aanzitten, aangegeven langer door te willen werken en zo hun pensioen nog even uitstellen.
Zijn de parttime contracten inmiddels uitgebreid?
Ja, medewerkers van NS kunnen op vrijwillige basis parttime contracten uitbreiden. Inmiddels hebben circa 35 medewerkers in het rijdende proces daar gebruik van gemaakt. Daarnaast maken circa 280 medewerkers hier tot het eind van het jaar gebruik van.
Wat vindt u van het idee om kantoor- en winkelpersoneel slimmer in te zetten op stations bij het in- en uitstapproces?
NS overweegt dit en is hierover in overleg met Medezeggenschap en vakbonden. Daarbij wil ik wel meegeven dat rollen in logistieke processen specifieke expertise, en daarmee opleiding vereisen. Vanzelfsprekend moedig ik NS aan om alle mogelijke opties te onderzoeken.
Bent u bereid de regels aan te passen waardoor ook langere treinen kunnen rijden met één conducteur?
Er zijn geen wettelijke normen ten aanzien van de beschikbaarheid van personeel en de lengte van treinen. Ook stelt de concessie geen eisen ten aanzien van het aantal conducteurs op een trein. Daarmee maakt NS in beginsel zelf keuzes over de inzet van haar materieel en personeel. NS onderzoekt momenteel alle mogelijke opties om langere treinen te kunnen rijden. Daarbij is veiligheid natuurlijk een belangrijk aandachtspunt.
Wat is uw appreciatie van het voorstel om een slimmere en andere dienstregeling te maken in plaats van te snijden in de bestaande, zoals het Landelijk Overleg Consumentenbelangen Openbaar Vervoer (Locov) voorstelt?
Bij de aanpassing van de dienstregeling heeft NS geprobeerd om zo goed als mogelijk aan te sluiten bij de (veranderde) reizigersvraag. NS heeft mij laten weten ervoor gekozen te hebben de basisstructuur van de dienstregeling zo veel mogelijk in stand te houden. Hierdoor blijven lange lijnvoeringen zo veel mogelijk in stand. Hiermee voorkomt NS dat reizigers onnodig extra hoeven over te stappen. Ook blijven aansluitingen zoveel mogelijk gehandhaafd. Daarnaast draagt het in stand houden van de basisstructuur ook bij aan een herkenbare dienstregeling voor reizigers. Door de dienstregeling niet opnieuw te ontwerpen kan NS de dienstregeling snel opschalen indien er voldoende personeel beschikbaar is.
Kampen andere landen ook met personeelstekorten in het openbaar vervoer?
Ja, ook andere landen kampen met personeelstekorten in het openbaar vervoer. Denk hierbij onder meer aan onze buurlanden België en Duitsland.
Resulteert dit in deze landen ook tot afschaling van het openbaar vervoer en treindiensten?
Ja, ook in andere landen resulteert dat in uitval van treindiensten.
Welke maatregelen hebben deze landen getroffen in antwoord op personeelstekorten en welke lessen trekt u hieruit?
Ik heb hier geen concreet overzicht van. Wel zal ik mijn collega’s in EU verband hierop nader bevragen.
De berichtgeving rondom de nieuwe dienstregeling van de Nederlandse Spoorwegen |
|
Fahid Minhas (VVD) |
|
Vivianne Heijnen (staatssecretaris infrastructuur en waterstaat) (CDA) |
|
|
|
|
Bent u bekend met de kritische berichtgeving rondom de nieuwe dienstregeling van de NS?
Daar ben ik bekend mee.
Klopt het dat NS in 2023 voornemens is 13 procent van alle treinen te schrappen en in het weekend 15 tot 20 procent te willen afschalen? Hoe gaat u voorkomen dat het niveau van de dienstverlening zo verder afglijdt?
Gemiddeld genomen over de gehele week zal NS haar dienstregeling met 13% afschalen ten opzichte van de geplande dienstregeling voor 2023 (dat is inclusief het weekend). In het weekend wordt relatief meer afgeschaald dan doordeweeks.
NS is gestart met een integrale aanpak om de personeelsproblematiek te verlichten. De hoofdlijnen van de integrale aanpak met betrekking tot het werven en behouden van personeel, zoals op 23 augustus jl. aan uw Kamer gecommuniceerd1, zijn:
het vergroten van het personeelsbestand, met name door het intensiveren van de werving en extra aandacht voor behoud.
het verhogen van de inzetbaarheid van conducteurs en machinisten.
het verhelpen aan het ziekteverzuim en bieden van aantrekkelijk werk voor medewerkers; en
het aanpassen van de dienstregeling in het najaar van 2022 en in 2023, waardoor NS ondanks de tekorten een voorspelbare en betrouwbare dienstregeling kan rijden. Juist door de dienstregeling op lange termijn aan te passen kan NS dit zo efficiënt en voorspelbaar mogelijk doen.
Samen met het Ministerie van Financiën houd ik de uitvoering hiervan nauwlettend in de gaten.
Klopt het dat het niveau van de dienstverlening op het Nederlandse spoor de laatste jaren is verslechterd en reizigers hierdoor te maken krijgen met extra reistijd, extra wachttijd en volle treinen? Zo ja, hoe beoordeelt u dit?
Dit beeld herken ik niet. Vervoerders hebben met de coronajaren een bijzondere periode achter de rug, waarbij zij in uitdagende omstandigheden Nederland bereikbaar moesten houden. Het was onvermijdelijk dat als gevolg van coronamaatregelen en lagere reizigersaantallen het aanbod in sommige periodes lager was. De kwaliteit bleef echter goed. Dit vertaalt zich ook in een goede klantwaardering. Die steeg van een 7,8 in 2019 naar een 7,9 in 2021 (voor zowel het HRN als voor het gehele OV)2.
Bent u het ook met de consumentenorganisaties in het Landelijk Overleg Consumentenbelangen Openbaar Vervoer (Locov) eens dat de voorgestelde dienstregeling een aanzienlijke en langdurige verschraling van het aanbod teweegbrengt?
Ik deel met de consumentenorganisaties in het Locov dat het afschalen van de dienstregeling onwenselijk is. De consumentenorganisaties vragen NS de negatieve impact en de duur van de maatregelen voor de reizigers tot een minimum te beperken. Zoals ik eerder heb aangegeven, is het van groot belang dat NS alle mogelijke adviezen nauwkeurig bestudeert en indien mogelijk adviezen overneemt.
Klopt het dat het jaarlijkse adviesoordeel van het Locov over de nieuwe dienstregeling van NS op vrijwel alle punten negatief is? Kunt u hierop reflecteren?
De consumentenorganisaties in het Locov hebben kritisch geadviseerd op het voornemen van NS om de dienstregeling af te schalen. Zij geven aan dat het afschalen van de dienstregeling zal leiden tot een verschraling van het OV. Daarbij vragen de consumentenorganisaties aan NS alle mogelijke maatregelen te bezien om dit probleem zo snel mogelijk op te lossen en de dienstregeling weer op te schalen. Ook schetsten zij een aantal korte en lange termijn maatregelen om de personeelsproblematiek te mitigeren. U kunt het advies teruglezen op de website van het Locov3.
Ik begrijp dat de consumentenorganisaties kritisch zijn wat betreft het afschalen van de dienstregeling. Daarbij vind ik het positief dat zij meedenken met NS over eventuele korte en lange termijn maatregelen. Zoals gebruikelijk zal NS het advies van de consumentenorganisaties bestuderen en hierop reageren. Ik verwacht dat NS de adviezen serieus neemt en zoals eerder aangegeven deze, indien mogelijk, overneemt.
Wat vindt u ervan dat door de nieuwe dienstregeling reizigers te maken krijgen met extra reistijd en extra wachttijd en dat de kans op volle treinen toeneemt?
NS laat weten dat zij de basisstructuur van de dienstregeling zo veel mogelijk in stand zal houden. Hierdoor blijven de langere lijnvoeringen zo veel mogelijk intact. Daarmee voorkomt NS dat reizigers onnodig extra hoeven over te stappen. Ook zet NS in op het handhaven van de reeds bestaande aansluitingen. Ondanks de inspanning van NS kan extra reistijd of wachttijd niet geheel voorkomen worden.
In hoeverre is de afschaling met uw Ministerie afgestemd en was u bekend of en waarom er per traject de keuze is gemaakt om af te schalen? Kunt u dit toelichten?
NS heeft mij afgelopen zomer geïnformeerd over de plannen om de huidige dienstregeling en de dienstregeling voor 2023 verder af te schalen. NS is verantwoordelijk voor het ontwerp van de dienstregeling. Ik heb hiervoor geen instemmingsbevoegdheid. De dienstregeling wordt conform artikel 42 van de concessie ter consultatie voorgelegd aan de decentrale overheden en de consumentenorganisaties. NS stuurt de voorgenomen dienstregeling ten minste twee maanden voor de ingangsdatum aan de concessieverlener. NS voegt hierbij de door consumentenorganisaties en decentrale overheden geleverde adviezen en een toelichting op de wijze waarop zij hiermee is omgegaan.
Bij de aanpassing van de dienstregeling heeft NS geprobeerd om zo goed als mogelijk aan te sluiten bij de veranderde reizigersvraag. Bij de keus om wel of niet af te schalen houdt NS rekening met de frequentie en capaciteit van een traject. Op een traject met relatief veel overcapaciteit kan volgens NS meer worden afgeschaald dan op een minder ruim gepland traject. Op trajecten waar op een lagere frequentie wordt gereden, is minder ruimte om af te schalen.
Waarom heeft de NS geen nieuwe dienstregeling ontworpen, maar slechts gesneden in de oude dienstregeling, waardoor er geen evenwichtige verdeling over het uur ontstaat en aansluitingen mogelijk niet meer optimaal zijn?
NS stelt hier bewust voor gekozen te hebben. Zoals in het antwoord op vraag 6 aangegeven, laat NS de basisstructuur van de dienstregeling zo veel mogelijk intact. Hierdoor blijven lange lijnvoeringen zo veel mogelijk in stand. Die zijn ontwikkeld om zoveel mogelijk reizigers een directe verbinding te bieden. Hiermee voorkomt NS dat reizigers onnodig extra hoeven over te stappen. Ook blijven aansluitingen zoveel mogelijk gehandhaafd. Bovendien stelt NS dat het in stand houden van de basisstructuur bijdraagt aan een herkenbare dienstregeling voor reizigers. Door de dienstregeling niet te herontwerpen kan NS de dienstregeling snel opschalen indien er voldoende personeel beschikbaar is.
Klopt het dat de «bakkennorm» van NS niet wettelijk is vastgelegd en dat NS de mogelijkheid heeft deze norm te versoepelen, zodat er met dezelfde hoeveelheid conducteurs meer en langere treinen kunnen worden ingezet? In hoeverre zou het versoepelen van deze norm de overlast voor reizigers kunnen beperken?
Er zijn geen wettelijke normen ten aanzien van de beschikbaarheid van personeel en de lengte van treinen. Ook stelt de concessie geen eisen ten aanzien van het aantal conducteurs op een trein. Daarmee maakt NS in beginsel zelf keuzes over de inzet van haar materieel en personeel.
NS heeft mij laten weten dat de «bakkennorm» een afspraak is tussen de directie van NS en Medezeggenschap die derhalve niet eenzijdig kan worden aangepast. NS onderzoekt in het kader van de integrale aanpak verschillende (tijdelijke) oplossingen en innovaties die kunnen helpen bij het inzetten van langere treinen. Ik verwacht ook van NS dat zij alle mogelijke opties, waaronder het aanpassen van de «bakkennorm», bestudeert.
Bent u ook van mening dat het schrappen van treinen in de spits op woensdag en vrijdag reizigers juist stimuleert op andere dagen te gaan reizen, waardoor de spreiding van reizigers juist slechter wordt?
NS stemt aanpassingen zo goed mogelijk af op de huidige reizigerspatronen. In tijden van schaarste is het van belang om de bestaande capaciteit zo effectief mogelijk in te zetten. Dat wil zeggen, op de dagen en momenten dat de vervoersvraag het hoogst is. NS geeft aan dat er op woensdag en vrijdag, in de spits en daarbuiten, voldoende capaciteit overblijft. Vandaar dat NS deze afweging heeft gemaakt.
Ben u ook van mening dat, gezien door de huidige situatie regelmatig en soms op het laatste moment treinen uitvallen, reizigers te allen tijde en adequaat geïnformeerd dienen te worden voorafgaand aan hun reis? Hoe gaat u waarborgen dat reizigers zo min mogelijk voor verassingen komen te staan?
Een betrouwbare dienstregeling is voor de reiziger van groot belang. NS informeert de reiziger op verschillende manieren. Op de dag van de bekendmaking van de aanpassingen van 5 september jl. heeft NS reizigers die staan ingeschreven op de nieuwsbrief (ca. 2,4 miljoen mensen) per e-mail geïnformeerd. Ook in de NS-app is een melding geplaatst. De meldingen in de app en de op de website worden continue geactualiseerd. Wijzigingen die eventueel op de dag zelf nog nodig zijn worden via de reisplanner gecommuniceerd. NS verwijst in haar uitingen dan ook zo veel mogelijk naar de reisplanner, waar altijd de actuele situatie op het spoor zichtbaar is.
NS verwacht dat met de aanpassingen in de dienstregeling voor 2023 er fors minder ad hoc afschalingen nodig zullen zijn. Daarmee wordt de betrouwbaarheid en voorspelbaarheid van de dienstregeling sterk verbeterd. Ik verwacht van NS dat zij continu onderzoekt hoe zij de reiziger het best kan informeren.
In hoeverre bent u in gesprek met (lokale) bus- en tramvervoerders om zo de extra overstap- en reistijd te voorkomen en op te vangen?
NS heeft tegelijk met het versturen van de Locov-adviesaanvraag ook de regionale vervoerders op de hoogte gesteld van de wijzigingen in de dienstregeling. Hierop hebben verschillende vervoerders NS om meer inzage in de geplande dienstregeling gevraagd. Ook heeft NS verzoeken ontvangen om aansluitingen over te nemen. Op dit moment heeft NS deze vragen en verzoeken in behandeling.
Hoe verhoudt de prijsstijging van treinkaartjes met 3 procent zich tot het afgenomen vervoersaanbod?
NS heeft nog geen besluit genomen over de tarieven voor 2023. Op korte termijn adviseren de consumentenorganisaties NS in het Locov over de tarieven voor 2023. NS zal zich over de adviezen buigen. Mede op basis daarvan zal NS een besluit nemen over de tarieven van 2023.
Bent u ook van mening dat, gezien het feit dat de grote uitstroom van personeel vooral komt door vergrijzing, de NS de personeelstekorten niet tijdig lijkt te hebben gesignaleerd?
Volgens NS is het tekort aan rijdend personeel ontstaan door de combinatie van een hoog ziekteverzuim en krapte op de arbeidsmarkt. NS geeft aan voorbereid te zijn geweest op een uitstroom van personeel door onder andere (vervroegd) pensioen en vertrekregelingen en heeft de wervingscampagne hier destijds op aangepast. De enorme krapte op de arbeidsmarkt na COVID-19 bleek groter dan verwacht met als gevolg dat de aanwas van nieuwe medewerkers is achtergebleven.
Kunt u toelichten of het op een creatieve manier inzetten van personeel door NS in deze tijden van crisis kan bijdragen aan een tijdelijke oplossing? In hoeverre kan het trajectgebonden inzetten van personeel bijdragen aan een efficiëntere inzet?
NS gaat over haar eigen bedrijfsvoering. Ik laat het ook aan NS om te beoordelen of en in hoeverre het creatief inzetten van personeel kan bijdragen aan dit probleem. Wel verlang ik dat NS deze suggesties nauwkeurig bestudeert en waar mogelijk overneemt.
Bent u ook van mening dat, gezien de dreiging van een verslechtering van dienstverlening, het opstellen van een langetermijnplan om de dienstverlening te verbeteren prioriteit verdient? Zo ja, op welke manier gaat u hieraan werken? Zo nee, waarom niet?
Zoals ik in het antwoord op vraag 2 heb aangegeven, is NS gestart met een integrale aanpak om de personeelsproblematiek aan te pakken. In deze aanpak gaat NS in op korte en lange termijn maatregelen. NS informeert mij en de Minister van Financiën, zowel schriftelijk als mondeling, over de voortgang van de aanpak. Ik volg dit alles met de Minister van Financiën nauwlettend en zal hier aan bijdragen waar dat gewenst is.
Bent u bereid om zelf ook in gesprek te gaan met consumentenorganisaties om te kijken naar de kansen voor het verbeteren van de voorgestelde dienstregeling? Zo nee, waarom niet?
Het lijkt mij goed om in het Locov met elkaar het gesprek aan te gaan over de kansen die o.a. de consumentenorganisaties zien om de voorgestelde dienstregeling te verbeteren.
Kunt u deze vragen nog voor het commissiedebat over het Programma van eisen voor de nieuwe hoofdrailnetconcessie beantwoorden?
Ja, dat kan ik.
Poep spuitende wc's in ouderenflat Hellevoetsluis |
|
Wybren van Haga (BVNL) |
|
Conny Helder (minister zonder portefeuille volksgezondheid, welzijn en sport) (VVD) |
|
|
|
|
Bent u bekend met de berichten over poep spuitende wc's in een ouderenflat te Hellevoetsluis?1, 2
Ja
Wat vindt van het feit dat er jarenlang een loopje is genomen met de volksgezondheid van ouderen in een horrorhuis vol met rioolvliegen?
Laat ik vooropstellen dat ik de situatie voor de betrokken huurders erg te betreuren vind.
Op grond van de informatie die ik heb ingewonnen ontving de woningcorporatie in 2022 voor het pand met 179 woningen slechts enkele meldingen met betrekking tot de riolering die niet wezen op normale verstoppingen. Op deze meldingen is actie ondernomen door een gespecialiseerd bedrijf inspecties in de riolering te laten uitvoeren. Daarbij is ook samenwerking gezocht met de gemeente. Er bleek op basis van de inspectie sprake van een breuk in de rioolleiding, waarvoor de corporatie verantwoordelijk was en niet de gemeente. De adviezen vanuit de inspectie zijn door de corporatie opgevolgd: het riool is gereinigd en de geconstateerde breuk is hersteld.
Om eventuele verstoppingen in de toekomst te voorkomen heeft de woningcorporatie besloten de beluchting op het dak aan te passen. Ook zijn overstortputten geplaatst aan de gevel en worden de afvoerleidingen door een afvoer met een grotere diameter vervangen. Daarnaast heeft de woningcorporatie besloten de riolering vier keer per jaar preventief reinigen. De rioolvliegjes die ook als gevolg van de breuk in de rioolleiding in het pand waren gekomen, zijn door een gespecialiseerd bedrijf in van dit jaar met succes bestreden.
De bewoners zijn tijdens een informatiebijeenkomst en individueel geïnformeerd over alle werkzaamheden. Ik ga ervan uit dat op basis van het voorgaande kan worden geconcludeerd dat voldoende actie is ondernomen en geen sprake meer is van problemen met de riolering
Heeft u de bereidheid om zowel Woonzorg, waar de ouderenflat onder valt, als de gemeente te kapittelen over deze mensonterende toestanden? Zo ja, kunt een overzicht geven van de acties die u richting beiden gaat ondernemen?
Zie antwoord vraag 2.
Het bericht ‘Zelfs camera’s schrikken drugscriminelen niet af’. |
|
Anne Kuik (CDA) |
|
Dilan Yeşilgöz-Zegerius (minister justitie en veiligheid) (VVD) |
|
|
|
|
Bent u bekend met het bericht «Zelfs camera’s schrikken drugscriminelen niet af»?1
Ja.
Klopt het dat in de afgelopen weken tenminste 25 Nederlanders zijn opgepakt vanwege aanslagen in Antwerpen? Wat vindt u ervan dat de jongste van hen nog maar 15 jaar oud is?
In het krantenartikel wordt gerefereerd aan onderzoeken van de Belgische autoriteiten. Het is in de eerste plaats aan hen om te beoordelen of informatie over lopende onderzoeken openbaar kan worden gemaakt. Ik kan de informatie uit het artikel dus niet bevestigen.
Ik vind het zorgelijk en onacceptabel wanneer kinderen in aanraking komen met de georganiseerde drugscriminaliteit en mogelijk een rol spelen bij het plegen van aanslagen. Daarom zet ik samen met de Minister voor Rechtsbescherming fors in op het voorkomen dat jongeren het criminele pad opgaan. In mijn brief d.d. 1 juli 2022 heb ik uw Kamer geïnformeerd over de brede preventieaanpak van (georganiseerde en ondermijnende) jeugdcriminaliteit2.
Ik vind het belangrijk dat drugscriminelen op verschillende manieren hard worden aangepakt. Ik heb eerder op 26 april jl. en recentelijk op 4 november uw Kamer geïnformeerd over mijn ondermijningsaanpak. Naast het voorkomen dat jongeren het criminele pad op gaan, zet ik in op het doorbreken van criminele netwerken en verdienmodellen, bestraffen en beschermen.
Maakten deze personen allen deel uit van hetzelfde netwerk en/of dezelfde familie? Waren deze mensen in het zicht van politie en justitie?
Er kunnen geen uitspraken worden gedaan met betrekking tot lopende zaken. In algemene zin kan worden gesteld dat de operationele samenwerking met België naar wederzijdse tevredenheid verloopt. Wij zijn met elkaar in continue dialoog om de onderlinge rechtshulp te versterken. Wij werken ook met elkaar in Benelux- en EU-verband (onder meer via het European Multidisciplinary Platform Against Criminal Threats), evenals in de recent opgericht coalitie van landen tegen georganiseerde drugscriminaliteit om samen criminele netwerken in kaart te brengen, te verstoren en te ontmantelen, inclusief in de havens. Het aanstaande Benelux Politieverdrag zal de samenwerking nog meer faciliteren met meer mogelijkheden in de bestrijding van grensoverschrijdende drugscriminaliteit.
Bent u het eens met de stelling dat het beschamend is dat behalve (hard)drugs nu ook geweld en intimidatie een Nederlands exportproduct lijken te zijn geworden? Bent u het met eens met det stelling dat hiermee weer een nieuw dieptepunt is bereikt?
Nederland is een sterk handelsland, onder meer vanwege de ligging en onze infrastructuur. Onze zee- en luchthavens zijn dan ook een spil in de wereldhandel. Omdat ook criminelen hiervan profiteren hebben we te maken met een keiharde keerzijde: ontwrichtende, dodelijke drugshandel in met name cocaïne. Met de handel worden miljarden aan zwart geld verdiend. Nederlandse drugscriminelen werken hierbij nauw samen met internationale criminele netwerken. Een exponent van deze handel en bijbehorende internationale contacten tussen criminelen is dat onderlinge conflicten vaak met veel geweld worden uitgevochten, ook in het buitenland. De gebeurtenissen in Antwerpen, zoals beschreven in het krantenartikel, zijn verwerpelijk en moeten dan ook met kracht worden bestreden.
Ik zie het als mijn taak om de drugscriminaliteit in Nederland terug te dringen. Om nieuwe dieptepunten in de toekomst te voorkomen moeten criminelen over de gehele linie worden bestreden. Dat kan alleen met een brede aanpak, een lange adem en door samenwerking tussen overheidspartijen en private sectoren, ook over onze landsgrenzen heen.
Was u net als de Belgische nationaal drugscoördinator niet verrast over de betrokkenheid van zoveel Nederlanders bij de geweldsgolf in Antwerpen?
Gezien de sterke internationale oriëntatie van de drugshandel en de rol die Nederlandse drugscriminelen hierin spelen, ben ik net als de Belgische nationaal drugscoördinator niet verrast. Mede door de nabijheid van de Antwerpse haven, werken Belgische en Nederlandse criminelen intensief samen. Vanwege de ligging en aanwezige infrastructuur hebben de havens van Rotterdam en Antwerpen een belangrijke rol binnen de wereldwijde handelssector. Helaas vinden criminelen ook hun weg naar deze havens en maken misbruik van deze logistieke knooppunten. Deze dreiging is bekend. Zo weten we dat een aanzienlijk deel van de in Antwerpen binnen gebrachte cocaïne vanuit Nederland verder gedistribueerd wordt. Daarom zetten België en ons land alles op alles om deze criminele machtsstructuren te ontmantelen en te bestrijden. Zowel op bestuurlijk als operationeel niveau werken wij nauw samen met België.
Internationale samenwerking is erg belangrijk bij de bestrijding van georganiseerde drugscriminaliteit. Daarom blijf ik mij inzetten om de internationale aanpak en bijbehorende samenwerking te intensiveren. Zo hebben onlangs zes Europese landen, waaronder België en Nederland, afspraken gemaakt om nauwer samen te werken in de strijd tegen georganiseerde drugscriminaliteit. Ook vindt samenwerking plaats in EU-verband waaronder via een EU strategie inzake drugs en operationele samenwerking in het kader van het European Multidisciplinary Platform Against Criminal Threats en wordt er bilateraal met partnerlanden zoals de VS en Canada en internationale organisaties zoals de VN en Interpol actief gewerkt aan een sterke omvattende aanpak van de georganiseerde drugscriminaliteit.
Hoe staat u tegenover het idee om naar Belgisch voorbeeld ook in Nederland een nationaal drugscoördinator aan te stellen? Wat zijn uw overwegingen om dit wel of juist niet te doen?
Er zijn verschillende manieren om de coördinatie van georganiseerde drugscriminaliteit vorm te geven. In België is ervoor gekozen om hiervoor een drugscoördinator aan te stellen. De nationaal drugscoördinator in België heeft als taak om een globaal en geïntegreerd beleid te realiseren rond alcohol, tabak, illegale drugs, psychoactieve medicatie, maar ook gedragsverslavingen zoals gokken.
In Nederland hebben we de keuze gemaakt om ons niet alleen op het drugsbeleid te richten, maar juist op de aanpak van de georganiseerde criminaliteit die met (de handel en productie van) drugs samenhangt. De aanpak van georganiseerde drugscriminaliteit vraagt een kabinetsbrede aanpak, waarvan ik de regie op mij heb genomen. Eerder heeft uw Kamer op 5 maart 2021 een afschrift gekregen van een brief die naar het Strategisch Beraad Ondermijning is gegaan. Hierin is o.a. ingegaan op hoe de aanpak van georganiseerde criminaliteit binnen mijn ministerie wordt georganiseerd. Samen met publieke en private partners wordt niet alleen opgavegericht aan de bestrijding van de georganiseerde drugscriminaliteit gewerkt, maar ook op het verminderen van de ondermijnende effecten daarvan op onze rechtsstaat. Verschillende departementen werken samen op onderdelen van deze aanpak. Zo werken de Minister van Financiën en ik nauw samen op het voorkomen van witwassen en trekken het Ministerie van IenW en mijn ministerie samen met private partijen op in de aanpak van drugssmokkel via mainports en andere logistieke knooppunten. Over deze kabinetsbrede aanpak is uw Kamer 4 november jongstleden geïnformeerd3.
In hoeverre verschilt de Belgische aanpak van drugscriminaliteit met die in Nederland? Kunt u aangeven op welke manier(en) Nederland en België op dit moment met elkaar samenwerken om drugscriminaliteit te bestrijden? Hoe effectief is deze aanpak tot dusver? Waar ziet u mogelijkheden voor verbetering?
De focuspunten van de aanpak van drugscriminaliteit lijken op elkaar en trekken ook meer naar elkaar toe. Vanzelfsprekend zijn er ook verschillen; zo hebben we in Nederland relatief meer aandacht voor de bestuurlijke aanpak. Ook in België zien we, mede dankzij de stevige samenwerking, een groeiende aandacht voor de bestuurlijke aanpak en worden er stevige stappen gezet.
Nauwe samenwerking met buurland België is van groot belang in de aanpak van de georganiseerde en ondermijnende criminaliteit. Het EURIEC speelt hierbij ook een belangrijke rol om de bestuurlijke samenwerking tussen België, Duitsland en Nederland te verstevigen. De intensieve samenwerking tussen België en Nederland heeft onder meer tot doel het versterken van de aanpak in onze havens.
Op operationeel niveau werken Nederland en België samen in bron- en transitlanden door bijvoorbeeld het gemeenschappelijk gebruik van politie en Douane-liaisons. Daarnaast is project Fortius opgestart; een samenwerking tussen de Nederlandse en Belgische diensten gericht op het tegengaan van drugssmokkel via de Antwerpse haven met als bestemming Nederland. Ook de samenwerking tussen de Nederlandse en Belgische Douane is intensief. Zo wordt er onder meer (uit bronlanden ontvangen) informatie gedeeld over verdachte zendingen en andere bevindingen.
Op bestuurlijk niveau wordt er veel samen opgetrokken. Zo maakt België bijvoorbeeld deel uit van de coalitie van zes Europese landen tegen georganiseerde en ondermijnende criminaliteit. Middels een meerjarig actieplan is recentelijk afgesproken dat de samenwerking tussen de autoriteiten van de zes landen wordt opgevoerd en verbreed, bijvoorbeeld op het gebied van havensamenwerking. Ook op bilateraal niveau vinden er regelmatig gesprekken plaats tussen de bewindslieden over hoe de huidige samenwerking verder verbeterd kan worden bijvoorbeeld op het vlak van informatie-uitwisseling via politiekanalen, justitiële samenwerking, de uitvoering van Europese arrestatiebevelen en overlevering en vervolgstappen voor een grensoverschrijdende bestuurlijke aanpak. Dit gebeurt ook in Benelux-kader.
Wat gaat en kunt u doen om de effectiviteit van bewakingscamera’s om «narcoterroristen' tegen te houden, te verhogen, zodat onschuldige burgers beter worden beschermd tegen de territoriumdrang en prestigestrijd van de georganiseerde misdaad?
Cameratoezicht kan op diverse gronden worden ingezet. Zo kan de burgemeester hiertoe overgaan ter handhaving van de openbare orde op grond van artikel 151c van de Gemeentewet en kan het worden ingezet op basis van het Wetboek van Strafvordering in het kader van een lopend opsporingsonderzoek. Daarnaast kan de politie gebruik maken van tijdelijk en gericht cameratoezicht op grond van artikel 3 van de Politiewet indien daar een concrete aanleiding voor is, bijvoorbeeld een geconstateerde opleving van criminaliteit. Uiteraard bestaan er ook private camera’s waarmee particulieren bijvoorbeeld hun woning beveiligen.
Veelal is cameratoezicht, o.a. in de havens, een onderdeel van een breder pakket aan maatregelen. Om onschuldige burgers beter te beschermen tegen de georganiseerde criminaliteit zal daarom tevens naar de brede aanpak gekeken moeten worden. Ik heb uw Kamer eerder geïnformeerd over de hoofdlijnenaanpak van de georganiseerde criminaliteit.
Een voorbeeld van een maatregel in het kader van de brede aanpak, die mede is gericht op de bescherming van onschuldige burgers, is het wetsvoorstel om een sluitingsbevoegdheid voor de burgemeester en de gezaghebber te regelen bij een openbare ordeverstoring door ernstig geweld of door een wapenvondst. Dit wetsvoorstel is recent naar uw Kamer gestuurd4. Juist omdat de beschieting van een pand niet alleen gevaarlijk is voor bewoners en omwonenden, maar het ook de openbare orde in een buurt kan verstoren, kan het noodzakelijk zijn om zo’n woning tijdelijk te sluiten.
Criminelen die schoolkinderen ronselen met snus |
|
Songül Mutluer (PvdA), Mohammed Mohandis (PvdA) |
|
Dilan Yeşilgöz-Zegerius (minister justitie en veiligheid) (VVD), Maarten van Ooijen (staatssecretaris volksgezondheid, welzijn en sport) (CU) |
|
|
|
|
Bent u bekend met het artikel in het AD/Haagsche Courant «Criminelen ronselen schoolkinderen met snus»?1
Ja.
Bent u het eens met de stelling dat het een zeer zorgelijke ontwikkeling is dat steeds jongere kinderen benaderd blijven worden door criminelen om opdrachten voor hen uit te voeren? Zo ja, wat bent u van plan om hier tegen te doen?
Wij delen uw opvatting dat dit een zeer zorgelijke ontwikkeling is. Wanneer wordt geronseld met snus is er sprake van een vorm van criminele uitbuiting; kinderen worden eerst verleid en later gedwongen tot het plegen van strafbare feiten. Dit is absoluut onacceptabel en heeft zeker onze aandacht en dat van de politie.
Om dit en andere vormen van het ronselen van kinderen en jongeren een halt toe te roepen, investeer ik samen met de Minister voor Rechtsbescherming fors in een brede preventieaanpak (georganiseerde en ondermijnende) jeugdcriminaliteit. Hierover hebben wij uw Kamer bericht in de gelijknamige Kamerbrief van 1 juli jl. (Kamerstuk 28 741, nr. 86).
Met de brede preventieaanpak investeren we structureel in het voorkomen dat kinderen in aanraking komen met criminaliteit, daarin afglijden of verder doorgroeien. We doen dit enerzijds met een gebiedsgerichte aanpak in de meest kwetsbare wijken van Nederland. Hiertoe maken gemeenten, departementen en andere partners zoals scholen, Openbaar Ministerie (OM) en jongerenwerk één gezamenlijk plan waarin zoveel mogelijk risicofactoren op afglijden worden weggenomen. Bijvoorbeeld met behulp van het programma Kapot Sterk waarmee kinderen weerbaarder gemaakt worden tegen criminaliteit of met bewustwordingscampagnes op school over hoe criminelen hen kunnen verleiden tot ogenschijnlijk onschuldige klusjes en de gevaren hiervan.
De aanpak is gericht op het bieden van kansen op een mooie toekomst met behulp van onder andere toeleiding naar school en werk, maar tegelijkertijd ook op het stellen van duidelijke grenzen wanneer jongeren toch over de schreef gaan. Bijvoorbeeld door het invoeren van supersnelrecht waarbij ze meteen lik op stuk krijgen bij het plegen van een misdaad. Zodat kinderen al jong leren dat misdaad niet loont.
Anderzijds zetten we ook landelijk in met effectief bewezen interventies om te voorkomen dat kinderen ten prooi vallen aan criminele organisaties. Bijvoorbeeld met het Preventief Interventie Team waarbij kinderen die risico- of crimineel gedrag vertonen vroegtijdig worden gesignaleerd om het tij voor hen op tijd te kunnen keren.
Hoeveel basis- en middelbare scholen maken zich zorgen over mogelijke ronselpogingen? Maken zij hier ook daadwerkelijk een melding van bij de politie? Zo ja, om hoeveel meldingen gaat dit? Zo nee, weet u waarom niet?
Ondanks dat de politie hier alert op is, is er (nog) geen cijfermatige onderbouwing van de omvang van dit nieuwe fenomeen te geven. In de registraties van de politie zijn geen concrete aanwijzingen gevonden voor criminelen die schoolkinderen ronselen met snus. Dit betekent niet dat dit niet voorkomt.
De aanleiding voor het artikel was een filmpje dat gemaakt is door de politie-eenheid Amsterdam, naar aanleiding van signalen die vanuit scholen zijn gegeven aan wijkagenten en schoolagenten. Het filmpje is bedoeld als preventieve waarschuwing voor scholen en het op misdaadpreventie gerichte Educatief Programma Jongeren voor leerlingen van groepen 8 van de basisschool en van het voortgezet onderwijs) om het gesprek op scholen en onder jongeren op gang te brengen en hen te wijzen op mogelijk gevaren.
Om meer inzicht in criminele uitbuiting te krijgen heeft het Centrum voor Kinderhandel en Mensenhandel in opdracht van mijn departement onderzoek gedaan naar de aard en omvang van de criminele uitbuiting in Nederland. Uit deze studie is recent gebleken dat in de dertien onderzochte steden in de afgelopen twee jaar ruim 2.500 mensen vermoedelijk slachtoffer zijn geworden van criminele uitbuiting. Ook geeft van de 1.637 ondervraagde onderwijzers, jongerenwerkers, wijkagenten, leerplichtambtenaren en andere eerstelijnsprofessionals de helft aan in de afgelopen twee jaar in contact te zijn geweest met vermoedelijke slachtoffers. Hiervan ziet 40% voornamelijk op minderjarige slachtoffers, vooral in de leeftijd tussen 12 en 18 jaar oud. Zij worden tot verschillende soorten strafbare feiten gedwongen, zoals drugsdelicten, diefstal, ronselen voor de prostitutie en geldezel- en katvangerconstructies.
Vindt dit fenomeen met name plaats op scholen in kwetsbare wijken? Is bekend om hoeveel kinderen en/of jongeren het gaat?
Zie antwoord vraag 3.
Hoe wordt getracht deze jongeren te weren tegen de verleiding ja te zeggen tegen een criminele carrière?
Zie antwoord vraag 2.
Hoe gaat de politie om met meldingen van het ronselen van jonge kinderen?
In situaties van het ronselen van kinderen en criminele uitbuiting gaat het vaak ommoeilijk te herkennen vormen van dwang, zoals het misbruik maken van een kwetsbare of afhankelijke positie, bijvoorbeeld vanwege schulden, een licht verstandelijke beperking of de jonge leeftijd van een persoon. De politie heeft de afgelopen jaren geïnvesteerd in het herkennen van signalen van uitbuiting. Bijvoorbeeld door het werven van nieuwe politiemedewerkers ten behoeve van de versterking van de aanpak op mensenhandel en door middel van trainingen aan eerstelijns politiemedewerkers over het herkennen van signalen van mensenhandel. Hierdoor schakelen agenten op straat eerder dan voorheen met de afdelingen die zich bezighouden met mensenhandel wanneer zij drugshandel aantreffen. De training is opgenomen in het opleidingscurriculum voor de (nieuwe) politiemedewerker. Ook is de training d.m.v. een toolkit blijvend voor alle collega’s benaderbaar en raadpleegbaar. In de toolkit is onder meer een e-learning opgenomen waarin alle verschijningsvormen van mensenhandel worden behandeld, dus ook die over criminele uitbuiting. De specialisten mensenhandel bespreken maandelijks nieuwe ontwikkelingen en delen deze, indien van toepassing, ook met collega’s uit andere afdelingen binnen de eenheden. Toch blijft signalering lastig. Dit om de eerder benoemde reden: bij geronselde kinderen en criminele uitbuiting lopen slachtofferschap en daderschap sterk in elkaar over.
Dit najaar publiceert het Centrum voor Kinderhandel en Mensenhandel het tweede deel van hun rapport over criminele uitbuiting. Dit rapport ziet specifiek op de opsporing en vervolging van criminele uitbuiting. Verwacht wordt dat dit rapport kan bijdragen aan het herkennen en signaleren van knelpunten en kansen in de opsporingsketen. Na ontvangst van het tweede deel, delen de Staatssecretaris van Volksgezondheid, Welzijn en Sport en ik onze beleidsreactie met uw Kamer.
Welke instrumenten heeft de politie om te voorkomen dat er schoolkinderen worden geronseld om criminele opdrachten uit te voeren? Is dit instrumentarium afdoende slagvaardig? Zo nee, wat is er nog meer nodig?
De politie is niet de enige organisatie die alles op alles zet om te voorkomen dat er schoolkinderen worden geronseld om criminele opdrachten uit te voeren. Het is een verantwoordelijkheid van alle sociale en justitiële partners in onderwijs, (jeugd)zorg, gemeenten en OM om dit gezamenlijk aan te pakken. Naast de hierboven genoemde extra geworven medewerkers, trainingen en toolkit zet de politie ook met het Educatief Programma Jongeren in op vroegtijdige alertheid en herkenning van signalen. Daarbij gaat het vooral om interventies die zorgen voor preventie.
Hoe betrekt u het feit dat snus als lokmiddel wordt gebruikt door het criminele circuit om jongeren te ronselen in uw aanpak?
Zie antwoord vraag 2.
Hoe beoordeelt u de ontwikkeling dat ondanks dat het gebruik en de verkoop van snus onder Europese wetgeving sinds 2021 verboden is in Nederland, het middel veel wordt gekocht en gebruikt en vooral populariteit kent onder jonge kinderen en jongvolwassenen?
Wij vinden het zorgelijk dat een dergelijk verslavend en schadelijk product door jongeren wordt gebruikt.
Snus zijn kleine zakjes tabak die verboden zijn in de Tabaks- en rookwarenwet. De term snus wordt ook wel gebruikt voor nicotinezakjes; die vallen niet onder de Tabaks- en rookwarenwet maar vooralsnog onder de Warenwet. Op basis van de Warenwet treedt de Nederlandse Voedsel en Warenautoriteit nu op tegen het in de handel brengen van nicotinezakjes met meer dan 0,035 mg nicotine per zakje. Aangezien de meeste nicotinezakjes veel meer nicotine bevatten, zijn de zakjes via de Warenwet in de praktijk al verboden.
Er bereiken de Staatssecretaris van Volksgezondheid, Welzijn en Sport (VWS) en mij uit verschillende hoeken, bijvoorbeeld vanuit middelbare scholen, signalen dat het gebruik van snus onder jongeren toeneemt. Wij vinden het zeer zorgelijk dat een dergelijk verslavend en schadelijk product door jongeren zou worden gebruikt. De Staatssecretaris overweegt daarom op dit moment de mogelijkheden voor een totaalverbod op snus, om een zo duidelijk mogelijke norm te stellen ten aanzien van deze producten. Binnenkort wordt uw Kamer geïnformeerd over de extra maatregelen die hij gaat treffen op het gebied van tabaksontmoediging.
Is het gebruik, de verkoop en/of handel in snus het afgelopen jaar toegenomen zoals in het artikel uit het AD wordt gesteld? Zo ja, hoe bent u voornemens om deze ontwikkeling een halt toe te roepen en hier strenger tegen op te treden?
Zie antwoord vraag 9.
Wat kunt u zeggen over de link tussen het gebruik van snus en de toename van het aantal rokende onder 12- tot 16-jarigen in 2021?
De cijfers over het gebruik van tabaksproducten onder jongeren uit 2021 laten zien dat het aantal scholieren van 12 t/m 16 jaar dat ooit gerookt heeft sinds 2019 stabiel is gebleven rond de 17 procent.2 Het is mogelijk dat dat nieuwe nicotinehoudende producten met een aantrekkingskracht op jongeren, zoals snus (zonder tabak) en de e-sigaret, een bijdrage leveren aan het niet verder dalen van het aantal rokende jongeren. In de tabaksbrief die op korte termijn naar uw Kamer wordt verzonden informeert de Staatssecretaris van VWS uw Kamer over welke maatregelen hij neemt om te voorkomen dat jongeren deze nieuwe nicotinehoudende producten gaan gebruiken.
Wat was de uitkomst van de gesprekken die u heeft gevoerd met de Nederlandse Voedsel- en Warenautoriteit (NVWA) die u noemde in de beantwoording van schriftelijke vragen van de leden Heerema en Rajkowski over het bericht «Verkoopverbod of niet: jongeren kopen massaal snus»? Is de handhaving daadwerkelijk geïntensiveerd?2
Bij het toezicht op de Tabaks- en rookwarenwet besteedt de NVWA een deel van haar capaciteit voor het toezicht op nicotinezakjes. Het toezicht startte bij groothandels en importeurs van deze producten. Het tegengaan van grootschalige import zorgt ervoor dat de producten minder makkelijk verkrijgbaar zijn in Nederland. Naar aanleiding van de maatschappelijke ontwikkelingen rondom snus en gesprekken daarover tussen het Ministerie van VWS en de NVWA is ook ingezet op toezicht verder in het handelskanaal. Zo is er een handhavingsactie bij de detailhandel uitgevoerd. Ook houden inspecteurs toezicht op online verkoop. In de gesprekken tussen het Ministerie van VWS en de NVWA is ook naar voren gekomen dat een aanpak met alleen handhaving door de NVWA niet de oplossing is voor het maatschappelijke probleem om het gebruik van dit soort producten onder jongeren terug te dringen. Het is ook van belang dat winkeliers, gebruikers en hun omgeving (zoals ouders en scholen) bewust zijn van de gevaren van het gebruik van dit soort producten, en dat hier voldoende voorlichting over is. In mijn beantwoording op vraag 15 ga ik hier nader op in.
Wat is de stand van zaken van uw voornemen van maart dit jaar om snus onder de Tabaks- en rookwarenwet te laten vallen? Hoe zal deze wetswijziging meer handhavingscapaciteit bieden?
De Staatssecretaris van VWS overweegt de mogelijkheden voor een totaalverbod op snus om een zo duidelijk mogelijke norm te stellen ten aanzien van dergelijke producten. Binnenkort informeert hij uw Kamer over de extra maatregelen die hij treft op het gebied van tabaksontmoediging, waarbij hij nader op dit onderwerp ingaat.
Vindt er samenwerking plaats met betrokken toezichthouders en handhavers om hierin integraal te werk te gaan? Zo ja, wat is de aard van die samenwerking? Zo nee, hoe gaat u deze samenwerking bewerkstelligen?
De politie en douane doen regelmatig meldingen of hebben contact met de NVWA-inspecteurs over snus. Als er contact is, dan wordt in overleg bekeken hoe er wordt opgetreden.
Deelt u de mening dat een landelijke bewustzijnscampagne en voorlichting op scholen van toegevoegde waarde zijn om vooral jonge gebruikers te informeren over de schadelijke gevolgen van het middel? Zo ja, op welke termijn bent u van plan deze campagnes te starten? Zo nee, waarom niet?
Het is belangrijk dat Nederlanders en met name jongeren zich bewust zijn van de risico’s van het gebruik van producten zoals snus. Er is via informatiekanalen zoals de website Rokeninfo.nl informatie beschikbaar over de gezondheidseffecten van snus en nicotinezakjes. Verder worden ouders voorgelicht via Facebook en Instagrampagina’s van Opvoeding en Uitgaan. En lokale initiatieven zoals door de politie eenheid Amsterdam Daarnaast is de Staatssecretaris van VWS op dit moment met het Trimbos-instituut in gesprek over extra (gerichte) voorlichting over snus, bijvoorbeeld op scholen.
Het bericht 'Alles op alles voor verbreding A27' |
|
Lisa van Ginneken (D66) |
|
Mark Harbers (minister infrastructuur en waterstaat) (VVD) |
|
|
|
|
Kunt u onderstaande vragen afzonderlijk beantwoorden?
Ja.
Wat is uw appreciatie van het bericht «Alles op alles voor verbreding A27», waaruit blijkt dat serieuze alternatieven voor de verbreding van de A27 waarbij natuurgebied Amelisweerd bespaard kan blijven, zijn genegeerd?1
In het bericht wordt aangegeven dat na vernietiging van het Tracébesluit A27/A12 Ring Utrecht in 2019 serieuze alternatieven voor de verbreding van de A27 terzijde zijn geschoven. Specifiek een alternatief met 12 rijstroken, zonder vluchtstroken. Dit beeld herken ik niet. In 2019 is het Tracébesluit (TB) Ring Utrecht vernietigd op het aspect stikstof. Daarna heeft een analyse plaatsgevonden wat dit betekent voor het besluit en op welke wijze dit hersteld kan worden. Daarbij is bekeken of de uitgangspunten, zoals vastgesteld in overeenstemming met de Kamer nog actueel waren, zie ook antwoord op vraag 3. Uit de analyse bleek dat dit het geval was en dat vast gehouden kon worden aan het TB en andere varianten dus niet hoefden te worden uitgewerkt. De Kamer is op 1 oktober 2019 geïnformeerd over de keuze om vast te houden aan het TB en het besluit te repareren op het punt van stikstof2. De weg wordt (onder andere) verbreed om de verkeersveiligheid te verbeteren. Dit had toen (en nog steeds) een groot belang. Daarom is in de analyse ook naar dit punt gekeken. Daarbij zijn elementen die onder andere in zienswijzen zijn aangedragen, zoals een variant met smallere rijstroken en zonder vluchtstroken, die in het artikel van het AD wordt genoemd, bekeken. De onafhankelijke Commissie Schoof, mede op verzoek van de Kamer ingesteld, heeft eerder geconcludeerd dat een verbreding met 2x6 rijstroken met o.a. ontbreken van vluchtstroken geen uitzicht geeft op een verkeersveilige situatie. De variant voldoet om die reden niet aan de doelstelling de verkeersveiligheid te verbeteren. Er is daarom niet geadviseerd, of besloten, deze variant uit te werken naar een alternatief.
Bent u bereid de variant waarover wordt gesproken in het artikel («beknopte verkenning»), waarbij het natuurgebied Amelisweerd behouden kan worden, te publiceren? Zo nee, waarom niet?
Zoals in de antwoorden op vraag 2 en vraag 4 toegelicht zijn in het kader van het project meerdere alternatieven uitgewerkt met 12 rijstroken. Deze alternatieven zijn niet geselecteerd als voorkeursalternatief, of ontwerp Tracébesluit, omdat ze geen uitzicht geven op een verkeersveilige situatie. De Kamer is over deze afweging geïnformeerd3. In 2019 bleek in een analyse dat deze afweging nog actueel was. Er is daarom niet geadviseerd een dergelijke variant uit te werken. Aan het AD verstrekte stukken, waaronder deze analyse, zijn openbaar beschikbaar op «open.rws.nl».
Is een variant met 12 rijstroken (in plaats van de voorgenomen 14 rijstroken) volwaardig onderzocht? Zo nee, waarom niet?
Ja. De mogelijkheid van een variant met 2x6 rijstroken is in het kader van de procedure meerdere malen onderzocht. Onder andere is in de tweede fase van de MER een alternatief van 12 rijstroken beschouwd. Dit alternatief viel af omdat het niet voldeed aan de Nederlandse richtlijnen voor autosnelwegen. Redenen hiervoor waren dat het uitging van versmalde rijstroken, geen vluchtstroken en hoofd- en parallelbaan gescheiden door doorgetrokken streep i.p.v. een fysieke scheiding. Daarnaast ook omdat 2x6 in de bak wellicht ook moeilijk fysiek is in te passen (te bouwen) tussen de bestaande kunstwerken zoals spoorbruggen. In opdracht van de gemeente Utrecht is door «Witteveen+Bos een 2x6 stroken variant in de bak bij Amelisweerd verkend. Op verzoek van IenW, mede na een verzoek van de Kamer over een onafhankelijke toets, heeft de Commissie Schoof het keuzeproces, Eindrapport Besluitvorming verbreding A27 onderzocht4. Zoals aangegeven in antwoord op vraag 2 heeft de onafhankelijke Commissie Schoof geconcludeerd dat de voorgestelde verbreding met 2x6 rijstroken met onder andere smallere rijstrookbreedte en het ontbreken van vluchtstroken geen uitzicht geeft op een verkeersveilige situatie. De variant voldoet daarom niet aan de doelstelling de verkeersveiligheid te verbeteren. De Kamer is eerder geïnformeerd over het selectieproces waarin deze varianten zijn afgevallen. De genoemde varianten en de beoordeling daarvan zijn openbaar beschikbaar5.
Zijn er andere varianten bij u of uw voorganger aangedragen waarbij het natuurgebied Amelisweerd bespaard kon blijven?
In de Tracé- (m.e.r.) procedure zijn o.a. een alternatief ten westen en noorden van Utrecht en alternatieven waarbij de weg niet wordt verbreed (OV+++ en Kracht van Utrecht) onderzocht. Na vaststelling van het Tracébesluit zijn vanuit bewoners twee varianten opgesteld («SUUNTA 1» en «SUUNTA 2»), u bekend. Deze alternatieven voldeden niet aan de doelstellingen van het project voor de verbetering van de bereikbaarheid en/of verkeersveiligheid en leefbaarheid en/of waren niet constructief te realiseren. Om deze redenen boden deze varianten geen mogelijkheid om de doelstellingen van het project te realiseren en tegelijk bomenkap in Amelisweerd te voorkomen.
Zo ja, zijn deze adequaat onderzocht?
De, in de antwoorden op vraag 4 en vraag 5 genoemde 2x6 alternatieven, OV+++ en de Kracht van Utrecht zijn onderzocht als onderdeel van de tracé-procedure. Uitzondering hierop is de Witteveen+Bos variant die is onderzocht in opdracht van de gemeente en getoetst door de Commissie Schoof. Rijk en regiobestuurders hebben (in 2010) het huidig voorkeursalternatief geselecteerd6. De kwaliteit van de gebruikte informatie voor besluitvorming over Tracébesluiten voor wegverbredingen zoals opgenomen in de m.e.r. is onafhankelijk getoetst door de Commissie voor de m.e.r. De onafhankelijke Commissie Schoof heeft geconcludeerd dat bij de selectie van het voorkeursalternatief een zorgvuldig en uitgebreid besluitvormings- en participatieproces is gevolgd en dat de afgevallen alternatieven en varianten voldoende zijn bestudeerd. Voor vaststellen van de voorkeursvariant is uitvoering met de Kamer gesproken. Ook over het alternatief «2x6-binnen-de-Bak». De Kamer is in meerderheid tot de conclusie gekomen dat dit alternatief onveilig is7. De SUUNTA varianten 1 en 2 zijn na vaststelling van het Tracébesluit opgesteld. SUUNTA 1 is door Rijkswaterstaat beoordeeld8. Op verzoek van de Kamer zijn de conclusies en daarbij behorende argumenten van Rijkswaterstaat op het SUUNTA (1) rapport aan de Kamer gezonden9.
In hoeverre kan een lokale snelheidsverlaging bijdragen aan deze of andere voorliggende oplossingen?
In verschillende van de varianten en alternatieven, genoemd in de antwoorden op vragen 4, 5 en 6, zijn snelheidsverlagingen onderzocht. In andere varianten (met en zonder snelheidsverlaging) konden niet zowel de doelstellingen van het project worden bereikt, als aantasting van Amelisweerd worden voorkomen.
Wat is de stand van zaken van het onderzoek naar een alternatief en de gesprekken hierover met de stad en de provincie Utrecht?
De regio stelt op dit moment een alternatief op voor het TB. Het overleg hierover verloopt constructief, met inachtname van het feit dat het opstellen van een alternatief aan de regio is. Een van de belangrijke aspecten daarbij zal het (niet) verbreden van de bak zijn. Als de regio een alternatief gereed heeft, treden wij graag met de regio in overleg. Indien het alternatief gelijkwaardig is kan eventueel het vastgestelde Tracébesluit worden gewijzigd.
In hoeverre is betalen naar gebruik en het stimuleren van thuiswerken meegenomen in (de berekeningen van) het bepalen van de ontsluitingsopgave?
In het Tracébesluit A27/A12 Ring Utrecht wordt uitgegaan van actuele inzichten in (mobiliteits)gedrag voor onder andere thuiswerken en van vastgestelde maatregelen. Ten tijde van vaststelling van het TB was er nog geen zicht op betalen naar gebruik en op dit moment is nog geen besluit genomen over de implementatie van Betalen Naar Gebruik. Daarom is het in het Tracébesluit A27/A12 Ring Utrecht niet meegenomen.
In hoeverre wordt dit meegenomen in het onderzoek naar het alternatief?
Het alternatief wordt opgesteld door en onder verantwoordelijkheid van de regio. Het is daarmee aan de regio om te bepalen welke uitgangspunten worden gehanteerd. Als de regio een alternatief gereed heeft, treden wij graag met hen in overleg en we zullen de Kamer blijven informeren over de stand van zaken.
Het luxe Walhalla op de zogeheten asielboot |
|
Wybren van Haga (BVNL) |
|
Eric van der Burg (staatssecretaris justitie en veiligheid) (VVD) |
|
|
|
|
Bent u bekend met de TikTok-video waarin vluchtelingen genieten van een luxeleventje aan boord van een cruiseschip1?
Ja, ik ben bekend met de video waarop beelden worden getoond van de MS Silja Europa, de cruiseferry die op dit moment wordt ingezet als opvanglocatie voor asielzoekers in de gemeente Velsen.
Kunt u duiden waarom de opvang van vluchtelingen niet sober, doch doelmatig is?
De schepen die zowel in Velsen als in Amsterdam worden ingezet voor asielopvang doen normaliter dienst als veerboten, bedoeld voor het afleggen van lange afstanden. Het voorzieningenniveau correspondeert met de duur van de overtocht (ca. 10 uur of langer), waarbij ik benadruk dat niet alle voorzieningen beschikbaar zijn. Voorzieningen die nodig zijn om te voorzien in basisbehoeften zijn uiteraard beschikbaar, waaronder onderdak en maaltijden. Overige voorzieningen zijn op beide schepen gesloten, zoals het casino en het zwembad.
Deze atypische vorm van noodopvang is kostbaarder dan reguliere opvang. Daar voeg ik direct aan toe dat reguliere opvang niet in voldoende mate beschikbaar is. Hierdoor is en blijft de situatie in de asielopvang dusdanig nijpend dat geen enkele mogelijkheid onbenut mag blijven. Zolang gemeenten niet voldoende locaties beschikbaar stellen voor langduriger, reguliere opvang, ziet het COA zich genoodzaakt tot de inzet van schepen en andere onorthodoxe maatregelen om in het recht op opvang te voorzien. Daar staat tegenover dat ik gemeenten als Velsen en Amsterdam zeer erkentelijk ben voor de bijdrage die zij reeds leveren.
Bent u zich ervan bewust dat de TikTok-video een luxeleventje propagandeert, hetgeen een aanzuigende werking heeft richting het al door een asielcrisis geteisterde Nederland?
Ik ben voorzichtig om conclusies te trekken op basis van selectieve beelden en kan niet voor anderen invullen hoe zij de video percipiëren. Voor zover de video de suggestie van luxe opvang wekt, kan ik niet uitsluiten dat hier een aanzuigende werking van uitgaat. Overigens kan ik net zomin uitsluiten dat van de nijpende opvangsituatie, met name de acute nood in Ter Apel, een afschrikwekkende werking uitgaat.
Voorts wijs ik erop dat de Nederlandse staat zich via internationale en Europese wet- en regelgeving heeft verbonden aan het bieden van veiligheid en bescherming aan degenen die vluchten voor oorlog en geweld. Tegelijkertijd is de inzet om effectief en daadkrachtig op te treden jegens degenen die ten onrechte een beroep doen op asielbescherming en die Nederland dienen te verlaten.
Hoe kunt u al deze luxe verantwoorden naar de Nederlandse belastingbetaler, waarvan een groot deel aan de geeuwhonger ligt en niet weet hoe maandelijks rond te komen? Kunt u een gedetailleerd antwoord geven?
Ik herken mij niet in het beeld uit de vraagstelling dat sprake is van luxe. Wel is sprake van een atypische, maar noodzakelijke vorm van noodopvang in een tijd dat veel Nederlandse ingezeten zorgen hebben over hun sociaaleconomische situatie.
De constatering dat veel mensen het moeilijk hebben, is reden voor het kabinet geweest om vergaande maatregelen te treffen om de bestaanszekerheid van mensen te kunnen blijven garanderen. Voor een overzicht van maatregelen verwijs ik naar de Miljoenennota 2023, de Rijksbegroting 2023, het Belastingplan 2023 en overige stukken die op 20 september 2022 aan uw Kamer zijn aangeboden.2
Specifiek ten aanzien van asielopvang benadruk ik dat ik grote waarde hecht aan het bestaan van lokaal draagvlak. Om die reden zijn met Velsen en Amsterdam bredere afspraken gemaakt, te weten afspraken over andere onderwerpen dan asielopvang. Zo valt te denken aan ondersteuning bij infrastructurele projecten en de bouw van flexibele huisvesting. Hierdoor profiteren inwoners van beide gemeenten van de asielopvang en worden verdringingseffecten voorkomen.
De speech van minister Yesilgöz-Zegerius tijdens de HJ Schoo-lezing van 2022 |
|
Sylvana Simons (BIJ1) |
|
Dilan Yeşilgöz-Zegerius (minister justitie en veiligheid) (VVD) |
|
|
|
|
Zitten er volgens u momenteel partijen in de Tweede Kamer die behoren tot de «woke» beweging of zich schuldig maken aan «wokeisme», en zo ja welke?1 Kunt u dit nader toelichten aan de hand van wat volgens u kenmerken zijn van «wokisme» in een politieke partij? Mits er «woke» partijen in de Tweede Kamer zitten, vindt u deze partijen een gevaar voor de rechtsstaat?
In mijn definitie staan wokisten niet open voor inhoudelijk debat en willen zij onderwerpen, standpunten en meningen onbespreekbaar maken. Het parlementaire proces, waarvan politieke partijen deel uitmaken, heeft juist als doel het inhoudelijke debat aan te gaan.
Zou u kunnen toelichten welke standpunten en meningen onbespreekbaar gemaakt worden door zogenaamde «wokeisten»? Zou u kunnen ophelderen of u vindt dat het onbespreekbaar maken van iets gelijk staat aan discriminatie? Hoe zet u de dreiging van het zogenaamd «wokeisme» af tegen het toenemende terreurrisico vanuit extreemrechts?
Ik zou het onbespreekbaar maken van onderwerpen niet gelijk willen stellen met discriminatie. Ik vind het wel zorgelijk als het open debat geschuwd wordt. Dat gaat contrair aan onze democratische samenleving. Wokisme dient in het openbare debat bestreden te worden. De aanpak van (de dreiging van) terrorisme kent een veelzijdiger aanpak die ook een sterke repressieve component heeft. Ik heb hiervan ook voorbeelden gegeven in mijn lezing.
Bent u het eens met de stelling dat er recentelijk een groeiende ruimte is ontstaan voor racisme, antisemitisme en moslimhaat binnen het maatschappelijk debat en dat dit de democratische rechtsstaat bedreigt? Zo ja, zou u kunnen toelichten wat u hieraan gaat doen? Kunt u aangeven of u het van belang acht dat mensen zich hier tegen uitspreken?
Racisme, antisemitisme, moslimhaat en andere vormen van discriminatie zijn onacceptabel en horen niet thuis in het maatschappelijk debat. Het kabinet zet sterk in op de aanpak hiervan. De aanstelling van de Nationaal Coördinator tegen Discriminatie en Racisme en de Nationaal Coördinator Antisemitismebestrijding zijn belangrijke pijlers van deze aanpak. De coördinatoren hebben onlangs hun respectievelijke plannen aan uw Kamer aangeboden.
Zoals ik ook in de H.J. Schoolezing heb gezegd, acht ik het van groot belang dat mensen zich tegen discriminatie en racisme blijven uitspreken.
Zou u willen ingaan op het citaat: «Het is een gevaarlijk misverstand dat er zoiets zou bestaan als het recht om niet gekwetst te worden. Het is gevaarlijk, omdat mensen dan de neiging hebben om zich ernaar te gaan gedragen. Dat leidt tot zelfcensuur. Om gedoe te voorkomen. Om geen vuur te trekken. Om je baan te houden. Om niet gecanceld te worden.» en hierbij toelichten wat het verschil is tussen zelfcensuur en respect hebben voor de identiteit of achtergrond van een ander? Bent u het eens met de stelling dat veel mensen hun baan verliezen door – en zich aanpassen uit angst voor – haat en discriminatie? Zou u zich niet eerder daar op moeten richten in tegenstelling tot angst voor «cancel culture»?
Vrijheid van meningsuiting is in een democratische rechtsstaat als Nederland een groot goed en een belangrijke pijler van onze samenleving. In mijn lezing heb ik uiteengezet dat het grondrecht om in vrijheid je mening te kunnen uiten, kan betekenen dat thema’s worden besproken die kwetsend kunnen zijn voor mensen. Dat het voeren van debat kwetsend kan zijn voor mensen, mag niet een reden zijn om het debat niet te voeren. Zelfcensuur hoort dus niet thuis in het debat.
Als de stelling is dat mensen die slachtoffer zijn van haat en discriminatie en daardoor hun baan verliezen, dan wel dat mensen die zich op de werkvloer niet durven te uiten of geuite discriminatie op de werkvloer niet durven aan te kaarten uit angst hun baan te verliezen, dan ben ik van mening dat dat een probleem is dat eveneens moet worden aangepakt. Ik zie niet in dat hoe het voeren van een debat en de problematiek van discriminatie op de werkvloer elkaars tegengestelde zouden zijn.
Zou u willen ingaan op het citaat: «De meest extreme uitingen op de flanken hebben feitelijk heel weinig te maken met ons dagelijks leven en de uitdagingen waar mensen thuis elke dag mee bezig zijn.» en hierbij kunnen toelichten over wie er wordt gesproken betreffende het woord «ons»? Classificeert u de eerder in de speech genoemde uitingen over institutioneel racisme bij de politie als extreme uitingen? Erkent u dat bevolkingsgroepen in dit land te maken krijgen met institutioneel racisme en discriminatie vanuit de politie? Erkent u dat asielzoekers dagelijks te maken hebben met onmenselijke omstandigheden door wanbeleid van het Ministerie van Justitie en Veiligheid? Kunt u uw antwoorden toelichten?
Met de meest extreme uitingen doel ik onder meer op recente voorvallen waarbij een nazivlag achter een van mijn collega-Ministers is gephotoshopt of een andere collega aan huis bedreigd werd. Dat staat ver van het dagelijks leven van – hopelijk – veruit de meeste inwoners van ons land.
Over het vraagstuk van racisme bij de politie wordt al geruime tijd steeds opener gecommuniceerd. Elk incident waar racisme een rol speelt is er een teveel, en dat probleem wordt ook onderkend. Ook de problemen bij de opvang van asielzoekers worden erkend. Zoals ook duidelijk wordt gemaakt in mijn lezing, hebben mijn uitspraken daar geen betrekking op.
Zou u willen reflecteren op het deel van de speech waarin u refereert aan het aspect van de democratische rechtsstaat dat iedereen die aanklopt voor hulp ook toegang heeft tot het recht? Vallen vluchtelingen onder deze groep mensen? Indien ja, zou u dan kunnen reflecteren op het falen van het huidige kabinet om dit principe waar te maken in Ter Apel?
De democratisch rechtsstaat kenmerkt zich inderdaad door onder andere de toegang tot het recht voor iedereen. Dat is ook het geval voor asielzoekers en vluchtelingen.
Zou u willen ingaan op het citaat: «Als je in ons land meedoet, bijdraagt, en je aan de regels houdt van hoe we met elkaar omgaan, dan is de overheid er voor je. Dan kun je rekenen op steun. We houden je veilig, we leveren goede zorg, goed onderwijs en een dak boven je hoofd. We zorgen voor je, als het niet goed met je gaat.» en aangeven of u erkent dat door etnisch profileren vanuit de politie veel Nederlanders zich onveilig voelen? Bent u het eens met de stelling dat de toenemende dreiging van extreem rechtse aanvallen op journalisten, activisten, politici, en wetenschappers een gevaar is voor de democratische rechtsstaat? Zou u kunnen reflecteren op het falen van voorafgaande Ministeries van Justitie en Veiligheid in het waarborgen van de in het citaat genoemde afspraak?
Ik kan mij goed voorstellen dat mensen zich onveilig voelen indien er sprake is van etnisch profileren. Hoe vaak dat het geval is, en hoe vaak dat door betrokkenen zo ervaren wordt, is mij niet bekend.
Iedere vorm van agressie en geweld tegen mensen met een publieke taak, zoals politie-agenten, en journalisten is een bedreiging voor de democratische rechtstaat, ongeacht uit welke hoek de dreiging komt. Voor mensen met een publieke taak zijn verschillende trajecten opgezet met het afgeronde Programma Veilige Publieke Taak en de huidige Taskforce Onze hulpverleners veilig die in 2020 is opgericht. Voor journalisten is in 2019 PersVeilig opgericht waarin de Nederlandse Vereniging van Journalisten, het Genootschap van Hoofdredacteuren, politie en het Openbaar Ministerie samenwerken om de positie van journalisten te versterken en deze beroepsgroep beter te beschermen (waaronder het Flexibel Beschermingspakket Freelancers).
Verder heb ik in mijn speech aangegeven dat de overheid zelf een verantwoordelijkheid draagt voor het verlies aan vertrouwen, onder meer door de toeslagenaffaire en de aardbevingen in Groningen als gevolg van de gaswinning.
Zou u willen ingaan op het citaat van Kim Putters die u benoemde in de speech: «Aannames over wat burgers wel en niet zullen en kunnen doen, kloppen vaak niet of blijken onrealistisch. Als de overheid de situatie van mensen niet begrijpt, is beleid niet alleen ineffectief, maar kunnen de gekozen oplossingen de problemen zelfs vergroten.» En het citaat: «Man of vrouw: vind een paar ballen en wees weerbaar, zou ik zeggen. In een open samenleving moet je een schild ontwikkelen.» en aangeven of u het eens bent met de stelling dat het een onrealistische aanname is dat kwetsbare burgers zich op korte termijn weerbaar zullen maken tegenover ernstige beledigingen ten aanzien van hun levenswijze? Hoe reflecteert u op de afweging tussen hoe belangrijk het is om een persoonlijk schild te ontwikkelen, in tegenstelling tot de taak van de overheid om kwetsbare burgers te beschermen tegen discriminatie en uitsluiting?
Het aangehaalde citaat ziet niet alleen op kwetsbare burgers, maar op burgers in het algemeen. Voor iedereen zal het moeilijk zijn om op korte termijn voldoende weerbaarheid te ontwikkelen tegen ernstige beledigingen ten aanzien van de eigen levenswijze. In het geval van ernstige beledigingen staat het individu dan ook niet alleen. Ik roep dan ook eenieder op om zich daartegen uit te spreken. Door opvoeding en onderwijs kan voorkomen worden dat het zo ver komt. Ultiem zijn er juridische middelen om corrigerend op te treden. Zowel het civiele als het strafrecht geeft daarvoor handvaten. Ik zie dan ook geen tegenstelling tussen het ontwikkelen van een persoonlijk schild tegen moeilijke situaties enerzijds en anderzijds de taak van de overheid om burgers te beschermen tegen discriminatie en uitsluiting.
Erkent u dat instituties binnen Nederland, zoals universiteiten, de mogelijkheid hebben mensen te weerhouden van openlijk zichzelf te zijn, zich uit te spreken, hun leven te leiden zoals ze dat willen, of hun mening te uiten door onvoldoende veiligheid te faciliteren? Bent u het eens met de stelling dat het aanbieden van veilige ruimtes kan helpen een democratische cultuur te faciliteren en daardoor bij te dragen aan een veiliger land?
Veiligheid in het algemeen is dienstig aan democratie. Veiligheid is een basisbehoefte en daarom is het zorgen voor veiligheid – ook historisch gezien – een kerntaak van de overheid. Ik meen dat het nodeloos inperken van een open debatcultuur – door het kunstmatig creëren van zogenaamde veilige zones waar mensen verschoond kunnen blijven van (voor hun) onwelgevallige geluiden – tegengesteld is aan onze democratische waarden.
Hoe verhoudt u zich ten opzichte van de toelichting die vermeld staat onder artikel 11 van de Europese Grondwet waarin staat: «Daar de uitoefening van deze vrijheden plichten en verantwoordelijkheden met zich brengt, kan zij worden onderworpen aan bepaalde formaliteiten, voorwaarden, beperkingen of sancties, die bij de wet zijn voorzien en die in een democratische samenleving noodzakelijk zijn in het belang van de nationale veiligheid, territoriale integriteit of openbare veiligheid, het voorkomen van wanordelijkheden en strafbare feiten, de bescherming van de gezondheid of de goede zeden, de bescherming van de goede naam of de rechten van anderen, om de verspreiding van vertrouwelijke mededelingen te voorkomen of om het gezag en de onpartijdigheid van de rechterlijke macht te waarborgen.» in relatie tot het citaat van het Europees Hof voor de Rechten van de Mens dat behandeld werd in uw speech? Bent u het eens met de stelling dat het opleggen van beperkingen voor racistisch taalgebruik een fundamenteel aspect is van het beschermen van de democratische rechtsstaat? Indien dit het geval is, zou u kunnen reflecteren op de rol van «wokeisten» in het beschermen van deze democratische principes in tegenstelling tot de toenemende prominentie van racistisch taalgebruik vanuit extreemrechts?
Racistisch taalgebruik past niet binnen de democratische rechtstaat en is dan ook wettelijk verboden. Daar waar «wokisten» of anderen zich verzetten tegen racistisch taalgebruik kunnen zij op mijn steun rekenen.
De berichten dat er een superjacht van de Russische oligarch Potanin in Nederland ligt en een omstreden Rus met vastgoed in Amsterdam buiten schot sancties blijft |
|
Sjoerd Sjoerdsma (D66) |
|
Wopke Hoekstra (viceminister-president , minister buitenlandse zaken) (CDA) |
|
|
|
|
Bent u bekend met het bericht op NOS «Nederland wil nieuwe sancties tegen Rusland, hoe gaat het tot nu toe»?1
Ja.
Bent u bekend met het bericht op NRC.nl «Omstreden Rus blijft buiten sancties met bezit in Amsterdam»?2
Ja.
Herinnert u zich de brief van 6 juli 2022 (Kamerstuk 36 045, nr. 104) waarin u stelt dat «het kabinet uitgesproken voorstander is van een gezamenlijk optreden van de Europese Unie (EU) en partners daarbuiten en daartoe geregeld oproept binnen de EU en daarover ook in gesprek treedt met deze landen» en daarnaast dat er «op doorlopende basis verschillende lijsten naast elkaar worden gehouden en waar opportuun listings worden overgenomen»?
Ja.
Herinnert u zich dat jachten vallen onder luxegoederen in Verordening (EU) Nr. 833/2014 onder bijlage XVIII, punt 17, artikel ex 8903 00 00?3
Ja.
Kunt u bevestigen dat dit het verbiedt in Nederland gebouwde jachten indirect of direct te verkopen, te leveren of over te dragen aan of uit te voeren naar natuurlijke personen, rechtspersonen, entiteiten of lichamen in Rusland, of voor gebruik in Rusland?
Ja. Het verkopen, leveren of overdragen van jachten aan personen en rechtspersonen in Rusland, is verboden. Verder dient, indien een (rechts)persoon is gesanctioneerd, al zijn/haar bezit bevroren te worden, ook eventueel in Nederland aanwezige schepen. Ook mogen aan gesanctioneerde (rechts)personen geen tegoeden en economische middelen ter beschikking worden gesteld.
Wanneer deze situaties niet aan de orde zijn, kan er onder bepaalde omstandigheden nog steeds in opdracht van Russische eigenaren worden gebouwd aan schepen. Het bouwen aan schepen waarvan de contracten zijn afgesloten voorafgaand aan de aanscherping van de sancties, is niet verboden. Deze schepen mogen echter niet worden geleverd zolang de huidige sancties van kracht zijn.
Is er contact geweest tussen bevoegde overheidsinstanties en de scheepswerf over algemene richtlijn en dit specifieke schip en het geldende exportverbod voor zulke goederen?
De Douane heeft in het kader van de handhaving van de sancties op Rusland de relevante scheepswerven op het gebied van jachtbouw in Nederland in kaart gebracht en onderzoeken ingesteld bij deze werven. Tijdens deze onderzoeken zijn de werven voorgelicht over de geldende beperkingen en is onderzocht in hoeverre de activiteiten van deze werven de sancties raken. In deze gevallen staat de Douane doorlopend in contact met deze werven.
Over individuele gevallen doet het kabinet geen uitspraak.
Klopt het dat Vladimir Potanin nog niet op de EU-listings staat maar wel op de Verenigd Koninkrijk (VK)-listings? Zo ja, kunt u er in de Raad voor pleiten Potanin op de EU-listings te laten zetten zodat deze aan Poetin gelieerde oligarch niet langer jachten of andere bezittingen kan laten maken of kopen in de EU, of vrij door de EU kan reizen?
Het klopt dat Vladimir Potanin niet op de EU-sanctielijst staat maar wel op de VK- sanctielijst. De Europese Unie blijft zich inzetten om maximale druk uit te oefenen op Rusland om de agressie in Oekraïne te beëindigen. Nederland draagt hier actief aan bij. Verder werkt Nederland met internationale partners om sanctieomzeiling gezamenlijk aan te pakken. Over individuele voorstellen voor listingsworden in het openbaar echter geen uitspraak gedaan (in verband met het anticipatie-effect).
Kunt u bevestigen dat het «project 1010» jacht een Russische Ultimate Beneficial Owner (UBO) heeft? Is dit de oligarch Vladimir Potanin?
Over individuele gevallen doet het kabinet geen uitspraak.
Klopt het dat het jacht onder de werknaam «project 1010» is omgevlagd in de periode vanaf 23 februari 2022?4 Zo ja, wat betekent dit?
Over individuele gevallen doet het kabinet geen uitspraak. Het bouwen aan schepen is niet verboden zolang de eigenaar niet is gesanctioneerd. De schepen mogen echter niet worden geleverd aan de gesanctioneerde (rechts)persoon, en tevens niet gebruikt worden door (rechts)personen in Rusland zolang de huidige sancties van kracht zijn.
Klopt het dat Vladimir Potanin eerder een jacht in Nederland heeft laten bouwen en deze heeft ondergebracht op de Malediven, om Verenigde Staten (VS) en EU-sancties te kunnen ontwijken? Zo ja, welke schepen?
Over individuele gevallen doet het kabinet geen uitspraak. Wel is het zo dat wanneer eigenaren van schepen niet op een sanctielijst staan er aan deze schepen gebouwd mag worden indien er sprake is van een contract dat dateert van vóór 26 februari 2022. Deze schepen mogen echter niet verkocht, geleverd, overgedragen aan of uitgevoerd worden naar (rechts)personen of entiteiten in Rusland of voor gebruik in Rusland.
In het geval van eigendom van wel gesanctioneerde (rechts)personen worden de schepen bevroren op het moment dat de (rechts)persoon op de sanctielijst wordt geplaatst. Vanaf dat moment is ook aanbouw niet langer toegestaan.
Het kabinet zet zich daarnaast actief in om signalen van mogelijke omzeiling tijdig te identificeren en waar nodig tegen te gaan. Verder werkt Nederland met internationale partners om sanctieomzeiling gezamenlijk aan te pakken.
Bent u bereid een grondig onderzoek te starten naar de UBO van dit superjacht en er gedurende dit onderzoek alles aan te doen om te voorkomen dat dit superjacht vertrekt uit Nederlandse wateren?
Zolang er nog wordt gebouwd kan een scheepswerf onder voorwaarden proefvaarten uitvoeren. Deze zullen gemeld worden bij de Douane en onder toezicht gehouden worden door de Nederlandse Kustwacht. In Nederland worden EU-sancties strikt geïmplementeerd. Wanneer er aanwijzingen zijn dat er sancties worden overtreden, wordt altijd onderzoek gedaan en waar nodig handhavend opgetreden.
Bent u bereid samen met buurlanden die aangrenzende zeewateren hebben te coördineren om ervoor te zorgen dat dit superjacht ook in wateren van het VK of EU-buurlanden alsnog kan worden aangehouden? Zo ja, hoe gaat u dat doen?
Indien jachten die geraakt worden door de sancties de Nederlandse wateren dreigen te verlaten, wordt passende actie ondernomen. Afstemming met omliggende landen maakt hier deel van uit.
Hoe kan het dat het vastgoed van Volozj onopgemerkt is gebleven tijdens het implementeren en handhaven van de Europese sanctieverordening?
Zoals omschreven in het nieuwsartikel, wordt in sommige gevallen gebruik gemaakt van complexe grensoverschrijdende eigendomsstructuren. Dergelijke constructies maken het identificeren van de uiteindelijk belanghebbende van dergelijk bezit moeilijk.
In het geval dat gesanctioneerde (rechts)personen vastgoed bezitten in Nederland, wordt dit bevroren op het moment dat de (rechts)persoon op de sanctielijst is geplaatst. Vanaf dat moment is verhandelen niet toegestaan. Bewoning is echter niet verboden, bevriezen staat namelijk niet gelijk aan onteigening. Tevens zijn gesanctioneerde (rechts)personen sinds eind juli verplicht om hun bezit in Nederland te melden bij de overheid.
Bent u bereid beslag te leggen op het vastgoed van Volozj aangezien Volozj zelf op de EU-sanctielijst staat?
Eigendom van gesanctioneerde (rechts)personen wordt bevroren, dit is niet hetzelfde als in beslag nemen of onteigenen. Er is in deze gevallen geen juridische grondslag voor beslaglegging of onteigening.
Wilt u de eigendomsconstructies die gebruikt worden door op sanctielijst staande Russen beter onderzoeken en in het vervolg eerder ingrijpen?
Zoals eerder aan uw Kamer gemeld en tevens geconstateerd in het rapport van de nationaal coördinator Blok, staan complexe eigendomsstructuren stevig op de radar als belangrijke uitdaging bij sanctienaleving. Door de overheid wordt – conform een van de aanbevelingen van het rapport Blok – gewerkt aan een duurzame structuur waardoor gemakkelijker gegevens uitgewisseld kunnen worden tussen overheidspartijen betrokken bij sanctienaleving. Dat is echter geen garantie dat complex opgezette eigendomsstructuren snel aan het licht komen.
Binnenkort wordt uw Kamer geïnformeerd over de stand van zaken ten aanzien van sanctienaleving en in het bijzonder de aanbevelingen van de nationaal coördinator Blok.
Kunt u deze vragen gezien de aard van de zaak met spoed en afzonderlijk beantwoorden?
Ja.
Het stikstofreducerende middel Kopros |
|
Alexander Kops (PVV) |
|
van der Ch. Wal-Zeggelink |
|
|
|
|
Bent u bekend met het bericht «Boeren overtuigd van wondermiddel tegen stikstof, maar overheid (nog) niet»?1
Ja.
Bent u bekend met het ammoniak- en stikstofreducerende middel Kopros (dat vermengd met water op de stalvloer wordt gespoten)?
Ja.
Bent u ervan op de hoogte dat er in Zwitserland al jarenlang succesvol met Kopros wordt gewerkt?
Het is mij bekend dat Kopros een middel is van een Zwitserse producent. In het rapport «Additieven voor dierlijke mest»2 door de HAS uit Den Bosch wordt aangegeven dat het middel 700 afnemers heeft, waarbij niet wordt aangegeven of die zich in Zwitserland bevinden.
Wat is uw reactie op de bevindingen van meetbureau EnviVice dat bij Nederlandse boeren, die Kopros gebruiken, een duidelijke emissiereductie is vastgesteld? Onderschrijft u de conclusie dat de ammoniakuitstoot door het gebruik van Kopros wordt gereduceerd van 13 kilo per dier per jaar naar zo’n vier kilo per dier per jaar?
Voor de beoordeling of een duidelijke emissiereductie wordt geleverd, heeft EnviVice contact gehad met Brabantse en nationale beoordelingsinstanties (Landbouw Innovatie Brabant en de Rijksdienst voor Ondernemend Nederland (RVO)). Dat heeft (nog) geen resultaat opgeleverd. De conclusie van EnviVice over Kopros kan ik daarom (nog) niet onderschrijven.
Klopt het dat ontwikkelaars van emissiereducerende technieken (stalsystemen) obstakels ondervinden om op de Regeling Ammoniak Veehouderij lijst (RAV-lijst) te komen? Waar ligt dit aan?
Zoals onlangs aangegeven in antwoord op de feitelijke vragen, is bewust gekozen voor een procedure, waarbij de zorgvuldigheid opnamens op de Rav-lijst centraal staat. Het is daarbij van belang dat er voor een definitieve emissiefactor voldoende metingen in vier verschillende praktijkstallen zijn, die verspreid over een jaar zijn uitgevoerd. Het proces van aanvragen van een proefstalfactor, het verkrijgen van de vergunningen voor de bouw van die stallen, het bouwen zelf en het meten van de stallen duurt enkele jaren. Het is daarom ook mogelijk om voorafgaand aan de metingen met een voorlopige emissiefactor3 op de Rav-lijst te komen. Hieraan zijn wel eisen verbonden, zoals het indienen van meetplannen en het toepassen van een risicofactor.
Er zijn regelingen om innovatieve ondernemers tegemoet te komen. Voor proefstallen is geregeld dat deze in principe via de regeling Milieu-investeringsaftrek (MIA) en de regeling willekeurige afschrijving Milieu-investeringen (Vamil) kunnen worden gefinancierd. Ook begeleidt RVO daarbij de aanvragers intensief en kosteloos. Daarnaast zijn er subsidieregelingen zoals de Sbv (Subsidiemodules brongerichte verduurzaming stal- en managementmaatregelen), op grond waarvan ondernemers subsidie aan kunnen vragen voor het ontwikkelen en bemeten van nog niet bewezen stal- en managementmaatregelen. Ook regionaal of sectoraal, zoals voor de pluimveesector, zijn er regelingen waarbij meetkosten gesubsidieerd worden, zoals de pilot-regeling voor het meten van emissiereducerende fijnstoftechnieken van het PEV (Praktijkcentrum emissiereductie veehouderij).
Waarom is Kopros nog niet aan de RAV-lijst toegevoegd? Komt dat door het enkele feit dat Kopros geen stalsysteem is, maar een middel? Bent u bereid Kopros – als onderdeel van een stalsysteem – alsnog op de RAV-lijst op te nemen?
Bijlage 1 van de Rav is bedoeld voor emissiefactoren voor huisvestingssystemen en aanverwante technieken. De toepassing van een additief of toevoegmiddel zoals Kopros kan wel hierin worden opgenomen als het onderdeel uitmaakt van een stalsysteem, waarbij het middel automatisch op de vloer gesproeid wordt. Daarbij is onder andere van belang dat de dosering geborgd wordt en de toediening gemonitord kan worden. Om te komen tot een definitieve emissiefactor en daarmee opgenomen te worden in bijlage 1 van de Rav moet de procedure, als genoemd in het antwoord op vraag 5, succesvol doorlopen worden. Uit het bericht waarnaar verwezen wordt in vraag 1 blijkt dat er sprake is van onvolledige metingen.
In bijlage 2 van de Rav zijn, als onderdeel van de afspraken in het kader van Programmatische Aanpak Stikstof (PAS), voer- en managementmaatregelen ten behoeve van vergunningverlening in het kader van de Wet natuurbescherming opgenomen. De PAS wordt echter na de uitspraak van de Raad van State in 2019 niet meer toegepast voor de Wnb-vergunningverlening. Daarom heeft na deze uitspraak ook geen uitbreiding van de maatregelen van bijlage 2 meer plaatsgevonden. Het is ook mogelijk bij de Wnb-vergunningverlening los van maatregelen in bijlage 2 van de Rav met eigen specificaties een aanvraag te doen bij het bevoegd gezag, mits de werking is onderbouwd.
Mestadditieven kunnen effect hebben op de ammoniakemissie. Op dit moment brengt Wageningen University & Reasearch (WUR) voor een selectie van potentieel veelbelovende additieven in beeld wat op basis van het werkingsprincipe de verwachting is van de effecten op de ammoniakemissie. Hierbij wordt onder andere gebruik gemaakt van het rapport genoemd in het antwoord op vraag 3. Wanneer bepaalde toevoegingen aan mest ammoniakemissiereductie weten te sorteren, kan worden ingezet op het verder stimuleren van het gebruik hiervan en kan bekeken worden hoe deze maatregelen juridisch geborgd ingezet kunnen worden.
Hoe beoordeelt u de uitspraak van EnviVice dat «het soms lijkt alsof de overheid kleine partijen geen kans geeft met dit soort innovaties»? Zijn er nog meer van dit soort «kleine partijen» met emissiereducerende innovaties?
De claims van emissiereductie van innovaties worden beoordeeld met een gestandaardiseerde procedure. Het doel daarvan is om de emissiereducerende werking van een innovatie zo goed mogelijk vast te stellen. Dat partijen, misschien wel met name kleine partijen, die procedure als een probleem ervaren, herken ik. Daar waar het mogelijk is wordt gekeken naar vereenvoudigingen, maar deze mogen niet afdoen aan de betrouwbaarheid van de erkenning. Uit het bericht waar naar verwezen wordt in vraag 1 blijkt overigens dat sprake is van onvolledige metingen. Dan al een beoordeling uitvoeren, zou de betrouwbaarheid duidelijk verminderen.
Kunt u een overzicht verstrekken van alle emissiereducerende innovaties die in het buitenland reeds tot goede resultaten hebben geleid, maar in Nederland (nog) niet zijn erkend en waarom niet?
Er is geen actueel overzicht van buitenlandse innovaties. Een buitenlandse innovatie kan in Nederland een erkenning krijgen als daarvoor een aanvraag wordt ingediend. Nederland werkt er al vele jaren aan mee om dat proces makkelijker te maken door de beoordeling internationaal te harmoniseren4. In het Europese proces ter vaststelling van Beste Beschikbare Technieken wordt periodiek een beoordeling van succesvolle technieken uitgevoerd. Voor het laatst is dat gedaan in 20175.
Kunt u deze vragen beantwoorden vóór het dertigledendebat over het advies van de heer Remkes naar aanleiding van de gesprekken over de aanpak van het stikstofprobleem?
Ja.