Het bericht dat er buitensporig vaak inzage in de persoonsgegevens – via de BRP - van slachtoffers van het toeslagenschandaal heeft plaatsgevonden |
|
Renske Leijten (SP) |
|
Hanke Bruins Slot (minister binnenlandse zaken en koninkrijksrelaties) (CDA), Alexandra van Huffelen (staatssecretaris binnenlandse zaken en koninkrijksrelaties) (D66), Dilan Yeşilgöz-Zegerius (minister justitie en veiligheid) (VVD) |
|
|
|
|
Wat is de reden waarom persoonsgegevens van slachtoffers van het toeslagenschandaal buitensporig vaak opgevraagd worden door overheidsinstanties, zoals de politie? Kunt u uitsluiten dat dit nog altijd gebeurt?1
Het is voor de politie niet bekend welke personen gedupeerden van de toeslagenaffaire zijn. Bij het contact tussen een politiefunctionaris en een persoon (of deze persoon nu in hoedanigheid van verdachte, slachtoffer, benadeelde, getuige, onderhavige is aan politiecontrole, of omstander is) is voor de politiefunctionaris niet kenbaar of de betrokkene in kwestie wel of geen gedupeerde van de toeslagenaffaire is. Bij het verwerken van gegevens naar aanleiding van een dergelijk contact wordt dit dan ook niet geregistreerd.
Omdat niet geregistreerd staat bij de politie of er sprake is van een gedupeerde, kan de politie dus niet nagaan of erkende gedupeerden van de toeslagenaffaire bovenmatig veel in bevragingen in de BRP vanuit de politie voorkomen. In de begeleidende brief bij de beantwoording van deze Kamervragen en in het antwoord op vraag 10 is uiteengezet wat de aanleiding voor de bevraging in de BRP zou kunnen zijn geweest. Als een individuele gedupeerde wil weten welke gegevens van hem of haar bij de politie bekend zijn, dan kan de gedupeerde daartoe een inzageverzoek bij de politie doen.2
Wat buitensporig is, kan niet in zijn algemeenheid worden vastgesteld, dat hangt af van de grootte en de taak of taken van de gebruiker van de BRP. Ons zijn ook geen signalen bekend over buitensporige bevragingen van de BRP, anders dan het FTM artikel.
Moet de inzage in de Basisregistratie Personen door een gemeente worden goedgekeurd of kunnen overheidsdiensten zich automatisch toegang verschaffen?
Wij beantwoorden deze vraag voor de BRP in het algemeen. Er wordt niet per geval aangegeven waarvoor er gegevens worden opgevraagd, maar wel in algemene zin. Voor iedere gebruiker van de BRP wordt voorafgaand aan het verkrijgen van toegang tot de BRP door de Rijksdienst voor Identiteitsgegevens (RvIG) getoetst welke persoonsgegevens noodzakelijk zijn voor de uitvoering van de taak van de gebruiker. Dit wordt vastgelegd in een autorisatiebesluit. Gebruikers van de BRP mogen de BRP enkel gebruiken binnen de kaders van het autorisatiebesluit. Daarbij merken wij op dat het centraal in de BRP bijhouden van de exacte reden van raadpleging ervoor zorgt dat er meer (gevoelige) gegevens centraal worden bewaard. Dat zou ertoe leiden dat er in de BRP veel meer informatie moet worden bewaard dan nodig is voor de uitvoering van de wet BRP, wat bovendien de risico’s voor burgers in het geval van datalekken en met betrekking tot profilering vergroot.
Gebruikers dienen na het opvragen van de gegevens zelf bij te houden wat de concrete reden van het gebruik van de BRP was. Als de burger precies wil weten waarvoor de BRP-gegevens zijn gebruikt, kan hij of zij een inzageverzoek indienen bij de organisatie die de BRP-gegevens heeft opgevraagd. Op grond van de AVG zijn organisaties die BRP-gegevens opvragen zelf verantwoordelijk voor het bijhouden van de doeleinden van de gegevensverwerking. De desbetreffende organisatie zal dus een reden (doeleinde) moeten kunnen gegeven voor het gebruik van de BRP-gegevens
Zie ook het antwoord op uw vragen over de datahonger van de overheid d.d. 18 mei 2022 (antwoord op de eerste, tweede en zevende vraag).3
Wordt er gevraagd of aangegeven waarom er in gegevens gekeken wordt van familieleden van iemand wiens gegevens worden opgevraagd? Zo nee, waarom niet?
Zie antwoord vraag 2.
Krijgt een gemeente een signaal als er buitensporig vaak in de persoonsgegevens van iemand wordt gekeken?
Nee. De Minister van BZK, feitelijk RvIG, beheert de centrale voorziening van de BRP waaruit gegevens kunnen worden opgevraagd. Wat buitensporig is, kan niet in zijn algemeenheid worden vastgesteld, dat hangt af van de grootte en de taak of taken van de gebruiker van de BRP. Er kan daarom ook geen signaal over worden afgegeven.
Specifiek met betrekking tot de politie is het volgende van belang. De taken en doelgroep van de politie zijn breed (verdachte, slachtoffer, benadeelde, getuige, onderhavig aan politiecontrole, of omstander). Al deze mensen kunnen in aanraking komen met de politie, waarna de politie gegevens over diegene zal moeten opzoeken in de BRP. Voorgaande brengt ook met zich mee dat RvIG niet kan bepalen of en wanneer er sprake is van «buitensporig vaak» in de persoonsgegevens van iemand kijken. Daarvoor zou RvIG van iedere persoon moeten weten wat de precieze aanleiding is voor het opvragen van de BRP-gegevens. Dat is niet mogelijk gelet op het grote aantal gebruikers van de BRP en daarbij ook onwenselijk, omdat er dan (bijzondere) persoonsgegevens moeten worden bijgehouden in de BRP zonder noodzaak.
Erkent u dat het raar is dat zelfs Ministeries inzage vragen in de persoonsgegevens? Kunt u aangeven welke afdelingen dit betreft en welke redenen er zijn om iemands persoonsgegevens te controleren?
Nee, dat erkennen wij niet. Het doel van de BRP is het voorzien van overheidsorganen (waaronder Ministers) van de in de BRP opgenomen gegevens, voor zover deze gegevens noodzakelijk zijn voor de vervulling van hun taak.4 Ministeries kunnen persoonsgegevens nodig hebben voor de uitvoering van hun taken, indien die taken onder directe ministeriële verantwoordelijkheid vallen. Bijvoorbeeld de Minister van BZK voor het kunnen aanbieden van de voorziening DigiD of het beheer van het donorregister onder verantwoordelijkheid van de Minister van VWS. Op de website van RvIG is een overzicht te vinden van de ministeries die toegang hebben tot de BRP, en voor welke taken: BRP-besluiten-Ministeries.
Kunt u aangeven of er een verband is tussen de Fraude Signalering Voorziening (FSV) van de Belastingdienst en de vele opvragingen van andere overheidsinstanties? Kunt u uw antwoord uitgebreid toelichten?
PricewaterhouseCoopers (PwC) heeft onderzoek gedaan naar de gegevensverstrekking uit of over de FSV in het rapport «gegevensdeling met derden». De Belastingdienst heeft aanvullend onderzoek verricht dat is gevalideerd door PwC. Over dit onderzoek bent u voor de laatste maal door de Staatssecretaris van Financiën – Fiscaliteit en Belastingdienst geïnformeerd op 4 november 2022.
In die brief is opgenomen dat de 536 gegevensverstrekkingen die PwC heeft gevonden nader zijn onderzocht. Daaruit blijkt dat de omvang van de gegevensverstrekking aan derden beperkter is dan eerder geconstateerd. Van de 536 verstrekkingen heeft de Belastingdienst geconstateerd dat er in 128 verstrekkingen geen persoonsgegevens staan of dat de burger niet in de FSV staat. Van de overgebleven verstrekkingen bevat minstens 108 verstrekkingen geen informatie uit of over de FSV. In de verstrekkingen waar wel sprake is van FSV wordt in de meeste gevallen enkel FSV in de verstrekking vermeld zonder dat er informatie uit de FSV is verstrekt. Daarnaast is geconstateerd dat het overgrote deel van de verstrekkingen plaatsvond op basis van een informatieverzoek en dat de verstrekte informatie niet uit de FSV komt. Na analyse blijven er 296 verstrekkingen over die betrekking hebben op 505 mensen. Uit de nadere analyse van de Belastingdienst blijkt dat de ontvangers van de 4 exportbestanden een verbintenis hadden met de Belastingdienst en dat het daarom geen gegevensverstrekking aan derden is. Deze verstrekkingen zijn wel als een datalek aangemerkt, maar er zijn geen gevolgen geconstateerd. Uit het onderzoek met samenwerkingspartners van de Belastingdienst naar de gevolgen van gegevensverstrekking blijkt dat, op enkele gevallen na, er geen vervolgactie is ingezet op basis van de gegevensverstrekking. In de gevallen waarbij de samenwerkingspartner wél een vervolgactie heeft ingezet, ging het om informatie die de samenwerkingspartner op basis van een informatieverzoek heeft ontvangen.
Verstrekking
Aantal
Toelichting
4
Geen gegevensverstrekking
128
Geen gegevensverstrekking
108
Geen gegevensverstrekking
296
Gegevensverstrekking, circa 65% op basis van een informatieverzoek.
Totaal aantal verstrekkingen
536
Gezien er uit deze onderzoeken niet blijkt dat er grootschalige informatieverstrekking uit of over FSV heeft plaatsgevonden aan andere organisaties, is het onaannemelijk dat de FSV heeft geleid tot «grootschalige» bevraging van de BRP door overheidsorganisaties in die zin dat de persoonsgegevens van heel veel burgers in de BRP zijn bevraagd.
Los van de FSV, verstrekt de Belastingdienst fiscale informatie van een persoon aan andere overheidsorganisaties, indien daar door een organisatie om verzocht wordt en hier een wettelijke basis voor is. Ook verstrekt de Belastingdienst fiscale informatie aan andere organisaties ter uitvoering van een wettelijke taak.
Naast dat deze informatieverstrekking in de wet is vastgelegd, is ook in veel gevallen een convenant opgesteld. Die convenanten zijn openbaar beschikbaar.
Met welke instanties zijn er (gegevens van) FSV-lijsten of soortgelijke gegevens gedeeld?
Zie antwoord vraag 6.
Indien er geen gegevens zouden zijn gedeeld met andere instanties dat mensen gesignaleerd staan op een FSV-lijst, hoe verklaart u dat de opvragingen van andere instanties vele malen talrijker zijn dan voor mensen die niet gesignaleerd staan op een FSV-lijst?
Het artikel van FTM spreekt niet over extra raadplegingen van de BRP door de FIOD, het Ministerie van Financiën en anderen. Dit herkennen wij ook niet. In het geval van de politie kan niet worden vastgesteld of sprake is van overmatige bevragingen.
Daarnaast is het zoals aangegeven in de beantwoording van vraag 1 voor de politie niet bekend welke personen gedupeerden van de toeslagenaffaire zijn. Bij het contact tussen een politiefunctionaris en een persoon (of deze persoon nu in hoedanigheid van verdachte, slachtoffer, benadeelde, getuige, onderhavige is aan politiecontrole, of omstander is) is voor de politiefunctionaris niet kenbaar of de betrokkene in kwestie wel of geen gedupeerde van de toeslagenaffaire is. Bij het verwerken van gegevens naar aanleiding van een dergelijk contact wordt dit dan ook niet geregistreerd. De politie heeft aangegeven dat zij niet kan nagaan of erkende gedupeerden van de toeslagenaffaire bovenmatig veel in bevragingen in de BRP vanuit de politie voorkomen, omdat niet geregistreerd staat bij de politie of er sprake is van een gedupeerde.
Zoals beschreven in de begeleidende brief zijn er wel diverse gronden op basis waarvan gegevens worden verstrekt aan de politie.
Welke gegevens zijn er overgenomen uit FSV-lijsten en gedeeld met andere instanties dan de Belastingdienst?
Zie antwoord vraag 6.
Klopt het dat bij sommige slachtoffers het krijgen van brieven om toeslagen terug te betalen gelijk loopt met de start van buitensporige inzage van politie, FIOD, Ministerie van Financiën en anderen? Hoe kunt u dit verklaren?
Zie antwoord vraag 8.
Heeft het kenmerk «opzet grove schuld» achter iemands naam invloed gehad op het buitensporig in mogen zien van de persoonsgegevens?
Nee. Het kenmerk «opzet grove schuld» wordt niet geregistreerd in de BRP noch gebruikt bij de toets of een organisatie toegang krijgt tot persoonsgegevens in de BRP.
Bent u bereid een verplichting in te stellen voor instanties waarom zij een bevraging doen uit andere systemen, zodat mensen meer inzage kunnen krijgen in hun gegevens en wat er met hun gegevens gebeurt? Zo nee, waarom niet?
Die plicht geldt al op grond van de AVG (artikel 5, tweede lid («verantwoordingsplicht»)). Iedere verwerkingsverantwoordelijke is zelfstandig verplicht om daaraan te voldoen.
Denkt u dat wanneer artikel 32a van de Wet politiegegevens in werking was getreden de toeslagenouders wél een fatsoenlijke verklaring van de politie zouden hebben gekregen over waarom er zo vaak inzage in de persoonsgegevens heeft plaatsgevonden? Kunt u uw antwoord toelichting?
Artikel 32a van de Wet politiegegevens (Wpg) gaat over logging in geautomatiseerde systemen van de invoer van gegevens in systemen en op termijn ook van het verzamelen, wijzigen, raadplegen, verstrekken (o.a. in de vorm van doorgifte), combineren of vernietigen van politiegegevens. Het ontbreken van een verklaring voor de bevragingen is niet gelegen in het feit dat er geen logging plaatsvindt van bevragingen. Er vindt wel degelijk logging plaats op grond van de algemene verplichting tot gegevensbeveiliging uit artikel 4a van de Wpg. Er kan echter geen onderzoek worden gedaan door de politie naar bevragingen op toeslagenouders, omdat het voor de politie niet kenbaar is welke personen toeslagenouders zijn. De politie kan daarom niet nagaan of toeslagenouders bovenmatig veel in bevragingen in de BRP vanuit de politie voorkomen, en zo ja, wat daarvan de achterliggende redenen zou kunnen zijn. Als een individuele gedupeerde wil weten welke gegevens van hem of haar bij de politie bekend zijn, dan kunnen zij daartoe een inzageverzoek bij de politie doen. In de begeleidende brief bij deze Kamervragen is een link opgenomen naar een website met meer informatie hoe een dergelijk verzoek kan worden gedaan.
Kunt u aangeven wanneer artikel 32a van de Wet politiegegevens in werking zal treden?
Artikel 32a Wpg moet – conform de uitzonderingsmogelijkheid geboden in Richtlijn 2016/680 – uiterlijk in mei 2023 in werking treden. Dat kan middels een koninklijk besluit. Deze uitzondering is mogelijk gemaakt omdat systemen aangepast moeten worden zodat deze kunnen loggen. Het blijft ook na mei 2023 overigens tot 2026 mogelijk om een uitzondering te vragen voor specifieke systemen die om technische redenen nog niet kunnen loggen.
Kunt u tevens aangeven waarom het zo lang moet duren en of dat bij de inzage in de verwerking van politiegegevens ook zonder logplicht onder dat recht op inzage valt?
Het recht op inzage in de gegevens wordt geregeld door artikel 25 van de Wet politiegegevens, daaronder valt ook inzage in de doelen en de rechtsgrond van de verwerking. Daaronder valt verder een overzicht van de ontvangers van politiegegevens gedurende een periode van vier jaar, dus aan wie politiegegevens verstrekt zijn (lid 1, onderdeel c). Voor zover loggegevens tegemoet komen aan de onderdelen van artikel 25, valt dit onder het inzagerecht. Verder verwijzen wij u voor de beantwoording van deze vraag naar het antwoord op vraag 14.
Bent u bereid instanties te verplichten dat een verzoek wordt gedaan voor inzage in bevragingen van persoonsgegevens, dit overzicht compleet dient te zijn, en er dus niet een overzicht kan worden gegeven van slechts enkele systemen binnen een instantie waarin een persoon voor kan komen? Zo nee, kunt u uw antwoord uitgebreid toelichten?
Voor de politie geldt dat het recht op inzage conform artikel 25 van de Wpg het inzien van persoonsgegevens en het krijgen van informatie over de doelen en de rechtsgrond van de verwerking; de betrokken categorieën van politiegegevens; de vraag of de deze persoon betreffende politiegegevens gedurende een periode van vier jaar voorafgaande aan het verzoek zijn verstrekt en over de ontvangers of categorieën van ontvangers aan wie de gegevens zijn verstrekt, met name ontvangers in derde landen of internationale organisaties; de voorziene periode van opslag of indien dat niet mogelijk is, de criteria om die termijn te bepalen; het recht te verzoeken om rectificatie, vernietiging of afscherming van de verwerking van hem betreffende politiegegevens; het recht een klacht in te dienen bij de Autoriteit persoonsgegevens, en de contactgegevens van die autoriteit; de herkomst, voor zover beschikbaar, van de verwerking van hem betreffende politiegegevens.
Tegelijk is het goed om hier te onder de aandacht te brengen dat in artikel 27 van de Wet politiegegevens hier een uitzondering op wordt gemaakt en dat het verzoek kan worden afgewezen op grond van een aantal limitatief opgesomde uitzonderingsgronden.
Op overige organisaties die persoonsgegevens verwerken is de AVG van toepassing. De AVG regelt dat op iedere verwerkingsverantwoordelijke de verantwoordingsplicht rust (artikel 5, tweede lid, AVG). Iedere organisatie die gegevens verwerkt, waaronder gegevens uit de BRP, is verplicht om te voldoen aan de verplichting om inzage te kunnen geven in de doeleinden van de verwerking en eventuele verdere verwerkingen (artikel 15 AVG). Overzichten van verwerkingsactiviteiten dienen compleet te zijn.5
Bent u bereid instanties te verplichten dat indien er een verzoek wordt gedaan voor inzage in bevragingen van persoonsgegevens, dit overzicht compleet dient te zijn en dus ook moet bevatten met welke instanties deze gegevens nog meer zijn gedeeld? Zo nee, kunt u uw antwoord uitgebreid toelichten?
Die plicht geldt al op grond van de AVG (artikel6. Iedere verwerkingsverantwoordelijke is zelfstandig verantwoordelijk om daaraan te voldoen.
Waarom vindt u het nog altijd geoorloofd dat steeds meer instanties, en daarmee ook steeds meer mensen, inzage hebben in de persoonlijke gegevens van mensen zonder dat ze daarbij hoeven aan te geven waarom ze deze gegevens opvragen of hoe zij deze gegevens verder verwerken? Ziet u het gevaar als, zoals u eerder wenste, ook bijvoorbeeld banken toegang hebben tot dergelijke gegevens? Kunt u uw antwoord uitgebreid toelichten?
Het verwerken van persoonsgegevens zonder dat daarbij kan worden aangegeven waarom de gegevens worden verwerkt zou inderdaad – behoudens uitzonderingen – ongeoorloofd zijn. Op iedere verwerkingsverantwoordelijke rust de verantwoordingsplicht (artikel 5, tweede lid, AVG). Zie voor de verdere beantwoording van deze vraag mijn antwoord op uw vragen over de datahonger van de overheid d.d. 18 mei 2022 (antwoord op de tweede vraag).7 Iedere organisatie die gegevens verwerkt, waaronder gegevens uit de BRP, moet voldoen aan de verplichting om inzage te kunnen geven in de doeleinden van de verwerking en eventuele verdere verwerkingen.
Vindt u het rechtvaardig dat slachtoffers van het toeslagenschandaal nog altijd geen inzicht hebben in welke gegevens met welke diensten zijn gedeeld? Zo nee, hoe kan het dat deze mensen al zo lang op antwoorden moeten wachten? Zo ja, kunt u uw antwoord uitgebreid toelichten?
In de systemen van Toeslagen staat niet geregistreerd of en welke informatie van gedupeerde ouders in het verleden is gedeeld met andere organisaties. Het is voor de medewerkers van de Uitvoeringsorganisatie Herstel Toeslagen (UHT) daarom ook niet mogelijk om dit inzichtelijk te maken.
Wanneer gedupeerden in de FSV geregistreerd stonden, zijn zij door de Belastingdienst hierover geïnformeerd. De Belastingdienst informeert hen dan ook over de reden van registratie, wat de effecten van registratie zijn geweest en indien dit aan de orde is, met welke organisaties hun gegevens uit of over FSV zijn gedeeld.
Het bericht ‘Stap-subsidieregeling blijkt funest voor kleine opleiders’ |
|
Kiki Hagen (D66), Marijke van Beukering-Huijbregts (D66) |
|
Karien van Gennip (minister sociale zaken en werkgelegenheid) (CDA) |
|
|
|
|
Bent u bekend met het bericht «Stap-subsidieregeling blijkt funest voor kleine opleiders»?1
Ja, ervan uitgaande dat gedoeld wordt op het Volkskrant artikel «STAP-budget nekt de kleine opleider: geen cursisten meer want bij de buurman is het gratis».2
Is bij de invoering van het STAP-budget specifiek aandacht besteed aan de impact van deze regeling op kleine opleiders? Wat is hier uitgekomen?
De STAP-regeling is een lerende regeling en belangrijk was in de eerste plaats om een divers scholingsaanbod te creëren waaruit burgers konden kiezen. Toelating tot het scholingsregister verloopt in eerste instantie via keurmerken zodat de kwaliteit van het onderwijsaanbod gegarandeerd kan worden. Er is daarbij gekozen voor een ingroeimodel met een gefaseerde instroom van keurmerken zodat dat de uitvoeringssystematiek van het STAP-budget ook niet overbelast zou worden.
Klopt het dat kleine opleiders met geaccrediteerde opleidingen uitgesloten kunnen worden van de STAP-subsidieregeling omdat zij geen keurmerk hebben?
Het klopt dat opleiders en opleidingen uitgesloten kunnen worden als ze niet in het bezit zijn van een keurmerk. Om toegang te krijgen tot het scholingsregister is één van deze 6 erkenningen nodig:
De opleider is erkend door het Ministerie van OCW.
De opleider beschikt over het NRTO-keurmerk.
De opleider biedt opleidingen aan die leiden tot een door het NLQF ingeschaalde kwalificatie.
De opleider is erkend door een sector- en brancheorganisatie.
De opleider is erkend door CEDEO.
De opleider biedt opleidingen aan met CPION-erkenning.
Is een opleider of een opleider niet in het bezit van een van deze zes erkenningen, dan komt hij niet in aanmerking voor de STAP-subsidieregeling. Vanaf 31 oktober jl. kunnen ook andere erkennende organisaties of keurmerken een verzoek indienen voor toelating tot het scholingsregister. De verwachting is dat door de toename in keurmerken en erkennende organisaties die toegang hebben tot het STAP-budget, er meer mogelijkheden zijn voor opleiders om zich aan te sluiten bij een van deze keurmerken.
Wat vindt u ervan dat er een ongelijk speelveld is ontstaan tussen kleine opleiders en grote opleidingsinstituten als gevolg van de voorwaarden om in aanmerking te komen van de STAP-subsidieregeling?
Voor kleine opleiders kan het lastig zijn zich aan te sluiten bij het scholingsregister voor het STAP-budget. Zij zijn vaak niet verbonden aan een keurmerk of erkenning, onder andere omdat zij hiervoor de financiële middelen ontberen of niet kunnen voldoen aan de omzetseis die sommige keurmerken als voorwaarde stellen. De toelating via keurmerken en erkennende instellingen dient om het toezicht op de kwaliteit van de opleider en opleidingen te waarborgen. De keurmerken of erkennende instellingen hebben daarnaast ook een rol in de handhaving van de voorwaarden van de STAP-regeling.
Ik ben me ervan bewust dat de eisen die keurmerken stellen nadelig kunnen zijn voor kleine opleiders. Het is belangrijk dat er een divers scholingsaanbod beschikbaar is voor het STAP-budget en dat ook nieuwe innovatieve (en vaak kleine) opleiders toegang hebben tot scholingsregister STAP. In overleg met het opleidingsveld en brancheorganisaties wordt bekeken hoe we de toegang tot het scholingsregister voor de kleine opleiders kunnen vergemakkelijken, zoals toegezegd aan uw Kamer tijdens het recente commissiedebat Arbeidsmarktbeleid van 20 oktober jl.
Bent u het eens dat het onwenselijk is dat partijen verschillende voorwaarden kunnen hanteren om opleiders erkenning of een keurmerk te geven zodat zij kunnen worden opgenomen in het scholingsregister?
Erkennende organisatie en keurmerken hanteren hun eigen voorwaarden met betrekking tot de kwaliteit van onderwijs. Wel is het gewenst dat zij gemeenschappelijk aan een aantal basisvoorwaarden voldoen. Om het voor erkennende organisaties, keurmerken en brancheorganisaties duidelijk te maken aan welke kwaliteitseisen zij moeten voldoen, is het Raamwerk nieuwe erkenningen ontwikkeld.3 Nieuwe potentiële toetreders kunnen daarin de kwaliteitseisen zien waaraan zij moeten voldoen om in aanmerking te komen voor toelating tot het scholingsregister en hiervoor een verzoek indienen.
Bent u op de hoogte dat een voorwaarde bijvoorbeeld de hoogte van de omzet kan zijn en dat kleine opleiders daar niet aan kunnen voldoen?
Ja, zie ook het antwoord op vraag 4 en 8.
Wanneer is het in het artikel genoemde vernieuwde toetsingskader klaar en treedt het in werking? Welke beleidsopties worden hierin overwogen?
Het Raamwerk nieuwe erkenningen is op 31 oktober jl. gepubliceerd en is gelijk in werking getreden. Vanaf die datum kunnen andere erkennende instellingen, keurmerken en brancheorganisaties een verzoek indienen voor toelating tot het scholingsregister. Het Raamwerk vormt de theoretische onderbouwing en bevat essentiële kwaliteitscriteria, waarmee keurmerken of erkennende instanties beoordelen of opleiders voldoen aan bepaalde kwaliteitscriteria. Toepassing van dit raamwerk zorgt ervoor dat het STAP scholingsregister via de desbetreffende erkenningsregelingen en keurmerken opleiders en opleidingen bevat die voldoende kwaliteiten hebben, bijdragen aan de doelstellingen van STAP, en misbruik en oneigenlijk gebruik proberen te voorkomen.
Bent u het eens dat het onwenselijk is dat organisaties die keurmerken toekennen een omzetminimum hanteren, met als gevolg dat kleine opleiders buiten de boot kunnen vallen omdat zij geen keurmerk kunnen verkrijgen en hierdoor een forse terugloop kunnen ervaren van hun klandizie met als mogelijk gevolg faillissement voor deze opleiders?
Zie antwoord vraag 4.
Bent u bereid om hierover het gesprek aan te gaan met brancheorganisaties en andere keurmerkverstrekkende partijen die dergelijke omzetminima hanteren om een keurmerk te kunnen verkrijgen?
Ja en deze gesprekken zijn inmiddels ook opgestart.
Bent u het eens dat het STAP-budget in de huidige arbeidsmarkt vooral ook een kans kan zijn om tijdelijk meer te sturen op scholing voor krapteberoepen en houd u hier rekening mee bij het vernieuwde toetsingskader?
STAP-budget kan gericht worden ingezet op doelgroepen en arbeidsmarktdoelen. Op dit moment is er sprake van een algehele krapte op de arbeidsmarkt. Een gerichte inzet van het STAP-budget naar een bepaalde sector zal dus ten koste gaan van andere sectoren. Het ligt daarom voor de hand om het STAP-budget meer in te zetten voor groepen die meer baat hebben bij (om- en bij)scholing. Daarom worden de beschikbare middelen van € 500 miljoen, die binnen het coalitieakkoord gereserveerd zijn voor leerrechten, voor de periode 2023 tot en met 2026 ingezet via het STAP-budget voor mensen die maximaal mbo-4 zijn opgeleid. Voor 2023 is gekozen voor een extra compartiment, maar voor andere jaren kan nog gekeken worden naar een alternatieve invulling. Daarbij kan verkend worden hoe extra prikkels gecreëerd kunnen worden om mensen te stimuleren scholing te volgen voor maatschappelijk relevante sectoren.
Daarnaast zal, naar aanleiding van de motie Dassen, een plan gemaakt worden voor scholing naar maatschappelijk relevante sectoren, zonder inbreuk te doen op de keuzevrijheid van het STAP-budget. Dit kan bijvoorbeeld door het inbouwen van een voorrangspositie voor scholing richting tekortsectoren.4 Uw Kamer wordt hierover in het eerste kwartaal van 2023 geïnformeerd.
Het STAP-budget is verder aanvullend op alle investeringen die de overheid, werkgevers en sectoren al doen op het gebied van scholing en ontwikkeling. Zo zijn er al diverse instrumenten ingezet om scholing richting kraptesectoren te faciliteren zoals het ontwikkelen van een passend aanbod voor bij- en omscholing binnen het mbo en hbo, en het programma Toekomstbestendige Arbeidsmarkt Zorg en welzijn (TAZ) waar wordt ingezet op het opleiden voor tekortberoepen en -regio’s, voldoende (stage)begeleiding en goede randvoorwaarden voor een leven lang ontwikkelen in de sector zorg.
Het bericht ‘VWS blijft dwangsommen betalen voor het niet openbaren Sywert-communicatie’ |
|
Wybren van Haga (BVNL) |
|
Conny Helder (minister zonder portefeuille volksgezondheid, welzijn en sport) (VVD) |
|
|
|
|
Heeft u kennisgenomen van het bericht «VWS blijft dwangsommen betalen voor het niet openbaren Sywert-communicatie»?1
Ja.
Kunt u uitleggen waarom u nog altijd niet kunt voldoen aan de uitspraak van de rechter om de interne communicatie rondom de zogenaamde «Sywert-deal» vrij te geven?
Wij verwijzen hiervoor naar de brief die we op 12 oktober jongstleden2 naar uw Kamer hebben gezonden. Hierin hebben wij u onder andere gemeld dat ten eerste recent is verduidelijkt dat voor zover bewindspersonen via chatberichten met elkaar overleggen, dit overleg bescherming verdient uit oogpunt van eenheid van kabinetsbeleid. Deze lijn strekt zich ook uit tot passages in andere chat- en sms berichten waarin verslag wordt gedaan van deze overleggen. De betrokken chat- en sms berichten dienen hierop te worden beoordeeld. Eerder was er Rijksbreed onvoldoende helderheid over hoe in deze context omgegaan moest worden met chat- en sms berichten.
Ten tweede is duidelijk geworden dat de voor het desbetreffende verzoek geselecteerde chat- en sms berichten nog niet compleet zijn. Tijdens het zienswijze traject is gebleken dat de selectie van (onderdelen van) berichten niet eenduidig is geweest en dat niet alle corona gerelateerde chat- en sms berichten daarin zijn meegenomen. De geselecteerde chat- en sms berichten dienen hierop te worden aangevuld en te worden beoordeeld. Dit is van belang zodat een zo volledig mogelijk beeld van de desbetreffende chatconversaties ontstaat.
Hieraan ligt ten grondslag dat het op een juiste manier bewaren van chat- en sms berichten uitermate complex is gebleken en extra aandacht verdient uit oogpunt van archief- en privacy regelgeving. Het samenspel van de archiefwetgeving, Woo en privacy-rechtelijke regels waaraan bij dit verzamel- en bewaarproces moet worden voldaan, maakt de situatie extra complex. Het selecteren en beoordelen van de documenten vergt veel capaciteit, te meer omdat de wijze van archivering en de stand van de informatiehuishouding maken dat veel werkzaamheden handmatig dienen te gebeuren. Denk daarbij ook aan het gereed maken van de chat- en sms berichten voor de beoordeling op grond van de Woo. Er dient een (technisch) proces plaats te vinden om de berichten op een correcte manier doorzoekbaar te maken, ze te kunnen bewaren en vervolgens ook geschikt te maken om juridisch te laten beoordelen op grond van de Woo. Dit maakt dat eerst dit proces moet worden doorlopen, voordat het openbaarmakingsproces in gang kan worden gezet.
Hoe verhoudt zich de hinder die uw departement ondervindt van de overvraging van informatieverzoeken met betrekking tot de coronapandemie, ten opzichte van de hinder die het Nederlandse volk en de Kamer ondervindt van het gebrek aan openheid en transparantie van het kabinet over de gemaakte beleidskeuzes met betrekking tot de coronapandemie in het algemeen en de Sywert-deal in het bijzonder?
Het Ministerie van VWS werkt met man en macht om de informatie openbaar te maken. We hechten net zo zeer aan transparantie als u, VWS wil zo transparant mogelijk zijn over de crisisbestrijding. Het gaat echter om zeer veel en omvangrijke documenten. Noch de Wob, noch de Woo is toegerust voor zo’n grote hoeveelheden documenten.
Bij de totstandkoming van de Woo is onvoldoende voorzien in (crisis)situaties, waarin door de hectiek en de vereiste snelheid van handelen omvangrijke hoeveelheden documenten zich niet altijd in de reguliere document management systemen bevinden. Het vergt zeer veel capaciteit om de documenten te verzamelen, selecteren en beoordelen. Mede gezien de grote hoeveelheden documenten waar het hier over gaat en de huidige arbeidsmarkt, die het complex maakt de beschikbare capaciteit op peil te houden, laat staan uit te breiden, vergt openbaarmaking meer tijd.
Om toch zo veel mogelijk verzoekers te kunnen voorzien van informatie, heeft het Ministerie van VWS een aangepaste werkwijze voor de afhandeling van Woo-verzoeken betreffende de coronabestrijding. Bij deze werkwijze worden stukken rondom de coronacrisis gefaseerd vrijgegeven. Dit betekent dat er per categorie en per maand documenten openbaar worden gemaakt. Deze werkwijze is ingevoerd gelet op de grote hoeveelheid corona-gerelateerde documenten (op dit moment meer dan 7,2 miljoen) die krachtens de Woo zo snel mogelijk moeten worden verwerkt. En het gaat om een zeer groot aantal Wob-verzoeken (inmiddels ruim 380). De Raad van State heeft in haar uitspraken van 20 oktober 20213 de behandeling van verzoeken om informatie over het coronavirus in stand gelaten. Het Ministerie van VWS heeft inmiddels zo’n 600.000 documenten verwerkt, en 108 corona-gerelateerde verzoeken afgedaan, voorzover het gaat over corona-gerelateerde documenten als mails en nota’s.
Kunt u aangeven op welke absolute of relatieve weigeringsgronden u zich baseert om de communicatie nog steeds niet vrij te geven? Kunt u een uitgebreide verklaring geven met een uiteenzetting van de gronden met betrekking tot de betreffende communicatie?
Nee. De weigeringsgronden zijn onderdeel van het nog te nemen Woo-besluit. Voor de redenen van de vertraging verwijs ik u naar het antwoord van vraag 2.
Bent u niet van mening dat het openbaar maken van deze communicatie het publieke belang van een goede en democratische bestuursvoering dient?
Ja. Het Ministerie van VWS doet er alles aan om verzoekers zo snel en zo doelgericht mogelijk van informatie te voorzien met in achtneming van de zorgvuldigheidseisen die de Woo stelt. Zo stelt de wet ook eisen betreffende privacy en bedrijfsgeheimen.
Kunt u uitleggen waarom van de communicatie die op dit moment wel al is verzameld nog nader bepaald moet worden wat kan worden vrijgegeven en wat niet? Welke informatie zou potentieel niet vrijgegeven kunnen worden en waarom niet? Welke afwegingen worden daarbij gemaakt? Prevaleert het publieke belang van een goede en democratische bestuursvoering hierbij (inmiddels) niet boven ieder ander belang?
We verwijzen u hiervoor naar het antwoord op vraag 2. De chat- en sms berichten dienen nog beoordeeld te worden op vertrouwelijkheid uit oogpunt van eenheid van kabinetsbeleid. We kunnen niet vooruitlopen op de uitkomst van die beoordeling of de daarin te maken afwegingen. Dit is onderdeel van het nog te nemen Woo-besluit.
Aangezien er grote sommen gemeenschapsgeld gemoeid waren met de zogenaamde «Sywert-deal», bent u dan niet van mening dat het Nederlandse volk recht heeft op volledige en compleet transparante verantwoording over en specificaties van deze deal?
Ja, met dien verstande dat op grond van de Woo ook bepaalde zorgvuldigheidsvereisten in acht genomen moeten worden. Het Ministerie van VWS doet er alles aan om verzoekers zo snel en zo doelgericht mogelijk van informatie te voorzien met in achtneming van deze zorgvuldigheidseisen.
Reflecteert u inmiddels anders op de uitspraak die hoogleraar staatsrecht de heer Voermans in juni jongstleden al deed, dat het weigeren deze communicatie vrij te geven «in strijd met zowat alle openbaarheids- en archiefregels die we hebben» is? Bent u inmiddels wel van mening dat het handelen van het Ministerie van Volksgezondheid, Welzijn en Sport in deze kwestie ernstig in strijd is met deze openbaarheids- en archiefregels? Of bent u het eens met de uitspraken van ambtenaren van het Ministerie dat deze keuze «juridisch verdedigbaar» is? Zo ja, kunt u dat dan verantwoorden?
Zie antwoord vraag 3.
Hoe reflecteert u op het feit dat het Ministerie van Volksgezondheid, Welzijn en Sport inmiddels duizenden euro’s aan dwangsommen moet betalen, welke worden bekostigd middels gemeenschapsgeld, waarmee de burger dus defacto zelf opdraait voor het feit dat hem democratische bestuursvoering wordt ontzegd? Op welke manier vindt u dit te rechtvaardigen?
We betreuren dat het niet gelukt is om binnen de door de rechter opgelegde termijn volledig aan de desbetreffende Wob/Woo-verzoeken te voldoen. Dat geldt ook voor het verbeuren van dwangsommen. We zijn doordrongen van het belang van tijdige besluitvorming en transparantie. Alles is er dan ook op gericht om zo snel als mogelijk op de verzoeken om informatie te beslissen (voor zover dat nog niet gebeurd is) en het verbeuren van dwangsommen te voorkomen.
Welk bedrag aan dwangsommen acht u nog redelijk om te moeten betalen voor het niet vrijgeven van de betreffende communicatie? Zit er een maximum aan dit bedrag en welke afwegingen liggen ten grondslag aan deze bepaling, met het oog op het daarmee gemoeide gemeenschapsgeld?
Zie antwoord vraag 9.
De oplopende kosten bij verpleeghuizen |
|
Mohammed Mohandis (PvdA) |
|
Conny Helder (minister zonder portefeuille volksgezondheid, welzijn en sport) (VVD) |
|
|
|
|
Heeft u de uitzending van EenVandaag gezien waarin zorgbestuurders aandacht vragen voor de grote zorgen die er zijn over de oplopende kosten voor verpleeghuizen? Wat is uw reactie?1
Ja, ik heb de genoemde uitzending van EenVandaag gezien.
Op welke manier moeten zorginstellingen de gestegen kosten voor voeding, energie, verwarming en wasserij gaan opvangen? In hoeverre zijn de tarieven nog toereikend?
Via mijn brief van 17 oktober3 over de inventarisatie van energiekosten in de (semi-)collectieve sector op VWS-terrein heb ik gereageerd op de zorgen bij bestuurders over de oplopende energiekosten. Zoals aangegeven in deze brief vindt nu een inventarisatie plaats van de (maatschappelijke) gevolgen van de hoge energiekosten. Op basis van deze inventarisatie beoordeel ik samen met het kabinet of er aanvullende maatregelen nodig zijn om de continuïteit van zorg te borgen. Bovendien heb ik uw Kamer in september4 geïnformeerd over mijn verzoek aan de NZa om de tarieven voor 2023 te actualiseren op basis van de loon- en prijsontwikkelingen uit de Macro-Economische Verkenning (MEV) van het Centraal Planbureau (CPB).
Door de tarieven voor 2023 tussentijds te verhogen op basis van de MEV wordt voorkomen dat zorgaanbieders en de budgethouders in de Wlz en de Zvw pas vanaf 2024 worden gecompenseerd voor de thans voorziene stijging van lonen en prijzen in 2022 en 2023.
Deelt u de mening dat de medewerkers in deze zorginstellingen ook geconfronteerd wordt met inflatie en gestegen kosten voor levensonderhoud en dus meer salaris zouden moeten krijgen?
Medewerkers in verpleeghuizen hebben net als alle andere Nederlanders te maken met inflatie en gestegen kosten. Daarom heeft het kabinet een omvangrijk pakket aan maatregelen genomen om de koopkracht van burgers te ondersteunen. Hier profiteren ook zorgmedewerkers van. Daarnaast zijn in de cao VVT door sociale partners afspraken gemaakt over cao-loonstijgingen in 2022 en 2023.
Hoe kunnen zorginstellingen met deze kostenstijgingen nog overgaan tot loonsverhoging?
Jaarlijks stelt het kabinet de overheidsbijdrage in de arbeidskostenontwikkeling (de ova) beschikbaar. Daarbij geldt dat de stijgende inflatie zich vertaalt in hogere looneisen en hogere cao-lonen in de markt. Deze hogere lonen worden conform de in het ova-convenant vastgelegde rekenregels automatisch vertaald in een hogere ova om ook in de zorg die hogere loonstijging mogelijk te maken. Voor 2022 bedroeg de ova 2,2 miljard euro en voor 2023 bedraagt deze 3 miljard euro.
Welke ruimte hebben zorginstellingen nog voor investeringen in medewerkers, capaciteitsuitbreiding of innovatie?
Zoals aangegeven bij antwoord 2 inventariseer ik op dit moment de gevolgen van de hoge energiekosten.
Bent u bereid te besluiten tot een eenmalige compensatie van zorgorganisaties voor de hogere inflatie voor de verpleeg-, verzorgingshuizen en thuiszorg, zodat een dreigend begrotingstekort over 2022 voorkomen kan worden en zorginstellingen niet in de kou komen te staan? Zo nee, waarom niet? Zo ja, hoe en wanneer gaat u hier duidelijkheid over bieden?
Zoals aangegeven bij antwoord 2 inventariseer ik op dit moment de gevolgen van de hoge energiekosten.
Wilt u deze vragen beantwoorden vóór de behandeling van de begroting van het Ministerie van Volksgezondheid, Welzijn en Sport in de week van maandag 17 oktober 2022?
Het is helaas niet gelukt om deze vragen te beantwoorden vóór de behandeling van de begroting.
Ik hoop u met mijn hiervoor genoemde brief van 17 oktober op hoofdlijnen reeds voldoende te hebben geïnformeerd in het licht van de vragen in dit stuk.
Het voornemen om vóór de verlenging van de toelating van het landbouwgif glyfosaat (Round-up) te stemmen |
|
Leonie Vestering (PvdD) |
|
Piet Adema (minister landbouw, visserij, voedselzekerheid en natuur) (CU) |
|
|
|
|
Kunt u bevestigen dat Nederland tijdens de Standing Committee on Plants, Animals, Food and Feed (SCoPAFF) vergadering van 13 en 14 oktober 2022 vóór het voorstel zal stemmen om de toelating van glyfosaat met een jaar te verlengen, zonder dat de wettelijk verplichte veiligheidstoetsen zijn afgerond?
Ja, het gaat hier om de procedurele verlenging van de werkzame stof glyfosaat met maximaal één jaar. De reden hiervoor is dat de wetenschappelijke beoordeling meer tijd kost doordat de grote hoeveelheid reacties uit de publieke consulatie die moeten worden verwerkt. Alvorens de herbeoordeling zorgvuldig te kunnen afronden.
Zo ja, waarom kiest u hiervoor? Kunt u uitsluiten dat hier economische belangen meewegen?
Verordening (EG) 1107/2009 voorziet in het procedureel verlengen van de goedkeuring van een werkzame stof op het moment dat de herbeoordeling niet tijdig is afgerond buiten de schuld van de toelatinghouder. Dit is hier het geval (zie ook vraag 1).
Ik hecht eraan dat alle wetenschappelijke inzichten, ook die tot een andere conclusie komen, worden betrokken, omdat dit de afweging voor het al dan niet hernieuwen van de goedkeuring beter mogelijk maakt. In mijn stemverklaring heeft Nederland aangedrongen op snelheid, want hoe eerder het volledige inzicht beschikbaar is, hoe eerder een besluit genomen kan worden. De economische belangen zijn niet in deze afweging meegenomen (Kamerstuk 27 858, nr. 581).
Tijdens de stemming bleek geen gekwalificeerde meerderheid van lidstaten te zijn voor het Commissievoorstel (64,73% voor; een gekwalificeerde meerderheid is er vanaf 65%). De Europese Commissie zal het voorstel binnenkort opnieuw voorleggen aan het zogenoemde beroepscomité. Mocht ook dan geen gekwalificeerde meerderheid voor of tegen het voorstel zijn, dan is de Europese Commissie gemachtigd om een eigenstandig besluit op het voorstel te nemen. In eerdere beroepscomités is gebleken dat de Europese Commissie dan haar eerdere voorstel volgt.
Kunt u bevestigen dat de Wereldgezondheidsorganisatie (WHO) heeft geoordeeld dat glyfosaat «waarschijnlijk kankerverwekkend voor de mens» is? Is dit oordeel meegenomen in de nieuwe risicobeoordeling?1
Ja, dat klopt. Echter, uit de recente classificatie van ECHA blijkt dat er voldoende wetenschappelijk bewijs is dat de werkzame stof glyfosaat niet aan te merken is als kankerverwekkend.2
Kunt u bevestigen dat wetenschappers en de Parkinson Vereniging glyfosaat aanwijzen als één van de meest verdachte landbouwgiffen die de ziekte van Parkinson kunnen veroorzaken, ook op jonge leeftijd? Kunt u bevestigen dat er in de huidige herbeoordeling niet op de lange-termijn neurologische effecten (zoals Parkinson) is getoetst?2
Er zijn verschillende wetenschappelijke inzichten over het al dan niet veroorzaken van neurologische aandoeningen door het gebruik of de blootstelling aan gewasbeschermingsmiddelen. In de lopende herbeoordeling van glyfosaat is de beschikbare wetenschappelijke informatie over mogelijke neurologische effecten meegenomen.
Ik heb uw Kamer recent geïnformeerd over het rapport van het RIVM «Gewasbeschermingsmiddelen met mogelijke neurologische effecten: een analyse van werkzame stoffen op basis van de chemische structuur». Volgens dit rapport heeft glyfosaat geen chemische structuur die lijkt op die van stoffen die met neurologische effecten in verband worden gebracht. Dit neemt niet weg dat de datavereisten op het gebied van neurologische aandoeningen aangescherpt kunnen worden. Daar span ik mij actief voor in. EFSA werkt op Europees niveau aan het verbeteren van de beoordelingsmethodiek voor neurologische aandoeningen (Kamerstuk 27 858, nr. 573).
Verordening (EG) nr. 1107/2009 gaat uit van het voorzorgsprincipe. Dit betekent dat werkzame stoffen alleen goedgekeurd worden als uit de Europees geharmoniseerde beoordeling blijkt dat er geen onaanvaardbare risico’s zijn voor mens, dier en milieu.
De Europees geharmoniseerde toelatingsprocedure voorziet op dit moment in een getrapte benadering voor het aspect «toxiciteit voor mensen». Dit betekent dat er standaard (proefdier)studies en openbare wetenschappelijke literatuur opgenomen dienen te worden in het aanvraagdossier. In deze proefdierstudies wordt ook naar mogelijke neurotoxische effecten gekeken. Als tijdens de beoordeling hiervan blijkt dat er aanwijzingen zijn voor mogelijke motorische en neurologische aandoeningen, dan dient de aanvrager aanvullende specifieke (proefdier)studies uit te voeren, gericht op neurotoxische effecten. Gelet op het belang heeft Nederland bij de Europese Commissie gepleit de datavereisten voor neurologische aandoeningen voortaan standaard op te nemen in de goedkeuringsprocedure voor werkzame stoffen en in de toelatingsprocedure voor gewasbeschermingsmiddelen (Aanhangsel van de Handelingen, 2020–2021, nr. 3261).
Kunt u bevestigen dat er restanten van glyfosaat en het afbraakproduct aminomethylfosfonzuur (AMPA) worden gevonden op ons voedsel, maar dat er niet wordt getest op de «veilige» normen van AMPA? Kunt u bevestigen dat langdurige blootstelling aan lage doses AMPA in verband wordt gebracht met diverse vormen van kanker, nierschade, ADHD, autisme, Alzheimer, Parkinson, miskramen en huidziekten? Is dit meegenomen in de nieuwe risicobeoordeling?3, 4
Het gebruik van gewasbeschermingsmiddelen kan ertoe leiden dat er restanten daarvan worden aangetroffen in of op ons voedsel. De mogelijke risico’s voor de consument worden echter afgedekt door onder andere het vaststellen en controleren van maximale residulimieten.
De mogelijke risico’s van blootstelling aan het afbraakproduct AMPA door consumenten via de inname van voedingsmiddelen zijn onderdeel van de lopende herbeoordeling van de werkzame stof glyfosaat.
Kunt u bevestigen dat de Europese Unie glyfosaat reeds heeft geclassificeerd als (chronisch) toxisch voor het waterleven en dat in Nederland op veel plekken glyfosaat in het water wordt aangetroffen? Kunt u bevestigen dat op zeker 30 drinkwaterinnamepunten de normen voor glyfosaat worden overschreden? Heeft u dit meegewogen in uw oordeel over de verlenging van de toelating?5
Ja, het is al vele jaren bekend dat de werkzame stof schadelijk is voor de ogen (categorie 1) en chronisch gevaar oplevert voor het aquatisch milieu (categorie 2). Het Ctgb houdt hier rekening mee bij het beoordelen van aanvragen voor de toelating van gewasbeschermingsmiddelen op basis van de werkzame stof glyfosaat.
In de publicatie van het PBL waar het lid Vestering naar verwijst wordt gemeld dat in de periode 2014–2017 jaarlijks gemiddeld ca. 30 normoverschrijdingen bij drinkwaterinnamepunten werden gemeten en dat glyfosaat de belangrijkste probleemstof was. Op basis van de monitoringdata heeft het Ctgb bij de recente herbeoordeling van middelen op basis van glyfosaat maatregelen genomen om het drinkwater te beschermen7.
Het consortium dat de herbeoordeling uitvoert (waaronder het Ctgb), EFSA en ECHA ziet momenteel nog onvoldoende aanwijzingen dat de werkzame stof glyfosaat niet zou voldoen aan de goedkeuringsvoorwaarden van Verordening (EG) 1107/2009 (Kamerstuk 27 858, nr. 581). Dit is waarom ik heb besloten nu in te kunnen stemmen met een procedurele verlenging, in afwachting van de definitieve herbeoordeling. Dit neemt niet weg dat ik uw zorg deel over de toxiciteit voor het waterleven, en daarom hecht aan verdere verlaging van emissies.
Heeft u de wetenschappelijke studie over het schadelijke effect van glyfosaat op hommels, in combinatie met de voedselschaarste voor hommels – die in veel landbouwgebieden een feit is – meegewogen in uw oordeel over de verlenging van de toelating?6
Ja. Het consortium dat de herbeoordeling uitvoert (waaronder het Ctgb), EFSA en ECHA ziet momenteel nog onvoldoende aanwijzingen dat de werkzame stof glyfosaat niet zou voldoen aan de goedkeuringsvoorwaarden van Verordening (EG) 1107/2009 (Kamerstuk 27 858, nr. 581). Dit neemt niet weg, dat ik dit artikel onder de aandacht zal brengen van EFSA.
Kunt u bevestigen dat uit de Monsanto Papers (die openbaar zijn geworden tijdens Amerikaanse rechtszaken tegen glyfosaat) is gebleken dat toenmalige producent Monsanto gigantisch lobbyde en zelfs fraudeerde om ervoor te zorgen dat glyfosaat in 2017 als niet-kankerverwekkend zou worden geclassificeerd? Kunt u uitsluiten dat dergelijke lobby- en fraudepraktijken momenteel niet gaande zijn? Zo ja, hoe?7
Uw Kamer is geïnformeerd over de (inter)nationale ontwikkelingen rond de werkzame stof glyfosaat. Hierin is ook stilgestaan bij de «Monsanto papers» en het feit dat EFSA tot de conclusie is gekomen dat er geen reden is om aan te nemen dat de chemische industrie de Europese beoordeling van de werkzame stof glyfosaat heeft beïnvloed (Kamerstuk 27 858, nr. 394).
Wat bedoelt u met de zin «Het consortium dat de herbeoordeling uitvoert (waaronder het Ctgb), EFSA en ECHA zien momenteel nog onvoldoende aanwijzingen dat de werkzame stof glyfosaat niet zou voldoen aan de goedkeuringsvoorwaarden van Verordening (EG) 1107/2009»? Betekent dit dat het ernaar uitziet dat glyfosaat een nieuwe toelating zal krijgen? Zo ja, voor hoeveel jaar?8
Het consortium dat de herbeoordeling uitvoert (waaronder het Ctgb), EFSA en ECHA ziet momenteel nog onvoldoende aanwijzingen dat de werkzame stof glyfosaat niet zou voldoen aan de goedkeuringsvoorwaarden van Verordening (EG) 1107/2009 (Kamerstuk 27 858, nr. 581). Dit is waarom ik heb ingestemd met een procedurele verlenging.
Ik hecht eraan dat bij de (her)beoordeling van een werkzame stof alle wetenschappelijke inzichten mee worden gewogen, ook inzichten die tot een andere conclusie komen. Op basis hiervan kan de afweging worden gemaakt over het al dan niet (hernieuwd) goedkeuren van een werkzame stof op het niveau van de Europese Unie. Het is aan de Europese Commissie om met een voorstel te komen voor het al dan niet hernieuwen van de goedkeuring van de werkzame stof glyfosaat. Ik kan niet vooruitlopen op de inhoud van dit voorstel.
Kunt u bevestigen dat op het gebied van landbouwgif het voorzorgsprincipe geldt, waarbij stoffen niet toegelaten moeten worden tenzij bewezen is dat ze veilig zijn? Zo ja, waarom stemt u in het licht van bovenstaande dan voor de verlenging van de toelating van glyfosaat?
Ja. Verordening (EG) nr. 1107/2009 gaat uit van het voorzorgsprincipe. Dit betekent dat werkzame stoffen alleen goedgekeurd worden als uit de Europees geharmoniseerde beoordeling blijkt dat er geen onaanvaardbare risico’s zijn voor mens, dier en milieu.
Ik verwijs u voor het antwoord op het 2e deel van de vraag naar het antwoord op vraag 2.
Herinnert u zich de motie van het lid Vestering die de regering verzoekt zich in te zetten voor een aanpassing van de Europese regelgeving om de toelating voor pesticiden te laten vervallen bij het verstrijken van de goedkeuringsperiode, in plaats van deze procedureel te verlengen? Deelt u het inzicht dat de Tweede Kamer zich hiermee kritisch heeft uitgelaten over procedurele verlengingen in het algemeen? Waarom neemt u dit niet mee in uw besluit over de procedurele verlenging van glyfosaat?9
Ik herinner me deze motie en de reactie daarop. Uw Kamer is geïnformeerd over het feit dat de inzet gericht is op het verruimen van de beoordelingscapaciteit van de bevoegde autoriteiten in de verschillende lidstaten in de Europese Unie, omdat deze bevoegde autoriteiten de wetenschappelijke risicobeoordeling uitvoeren voor de goedkeuring van werkzame stof. Dit kan ertoe leiden dat de noodzaak om over te gaan tot procedurele verlenging van de goedkeuring van werkzame stoffen veel kleiner wordt. EFSA heeft niet de taak om wetenschappelijke risicobeoordelingen uit te voeren. Het aanpassen van Verordening (EG) 1107/2009 om EFSA een extra taak te geven, zou ten koste gaan van de reguliere taken van EFSA (de ontwikkeling van het toetsingskader voor de risicobeoordelaars van lidstaten en de organisatie van een peer review en extra toets op het rapport van de rapporterende lidstaat).(Kamerstuk 21502-32, nr. 1337).
Ik begrijp dat uw Kamer kritisch is op het procedureel verlengen van de goedkeuring van werkzame stoffen. Ik verwijs uw Kamer voor het derde deel van de vraag naar het antwoord op vraag 2.
Kunt u deze vragen één voor één en met spoed beantwoorden?
Ja.
Het bericht 'Groep 7/8 van cbs De Wegwijzer moet op zoek naar een andere school' |
|
René Peters (CDA), Harry van der Molen (CDA) |
|
Dennis Wiersma (minister zonder portefeuille onderwijs, cultuur en wetenschap) (VVD) |
|
|
|
|
Wat vindt u ervan dat door het lerarentekort twee klassen op zoek moeten naar een andere school?1
Allereerst begrijp ik de zorgen en emoties die er bij leerlingen, ouders en personeel zijn in deze situatie. Kinderen hebben goed onderwijs en stabiliteit nodig en deze school is een belangrijke schakel in het dorp. Ik begrijp daarom dat dit een zwaar besluit moet zijn geweest voor de school. Ik vind het zorgwekkend dat het lerarentekort tot dit soort situaties leidt. Het toont voor mij dan ook de noodzaak aan om samen met alle betrokken partijen de tekorten aan te pakken. Het tekort aan leraren zet een grote druk op het onderwijs en leidt tot veel stress, onmacht en ongemak, zoals ook bij deze situatie het geval is. Bovendien vormt het een risico voor de kwaliteit en continuïteit van het onderwijs.
Daarom moeten alle registers open om de tekorten aan te pakken. Daarbij is het van belang dat we regionaal samenwerken om dit soort situaties te voorkomen. Op 1 juli stuurden wij hierover naar uw Kamer onze strategie voor de aanpak van de tekorten en op 21 oktober heeft uw Kamer hierover een update gekregen.2
Verwacht u bij meer kleinere dorpsscholen dat vanwege het lerarentekort klassen op zoek moeten naar een andere school?
Er zijn er geen concrete signalen dat meer klassen bij kleinere dorpsscholen vanwege het lerarentekort op zoek moeten naar een andere school. Dat neemt niet weg dat de tekorten op veel plekken urgent zijn en dat we alles moeten doen wat nodig is om de tekorten tegen te gaan.
Hoe wilt u omgaan met de opheffingsnorm indien vanwege het lerarentekort klassen op zoek moeten naar een andere school?
Zoals wij in de Kamerbrief Lerarenstrategie hebben beschreven, zijn er in grote steden nog veel relatief kleine scholen.3 Dit is zowel vanuit kwaliteit als inzet van personeel niet effectief. We moeten de discussie durven aangaan of scholen niet meer samengevoegd kunnen worden, rekening houdend met de toegankelijkheid van het onderwijs.
De opheffingsnormen voor het basisonderwijs zijn niet voor alle scholen hetzelfde. In dichtbevolkte gebieden ligt de opheffingsnorm voor een basisschool tegen de 200 leerlingen. Voor een school in een zeer dunbevolkte gemeente geldt de minimale norm van 23 leerlingen. Het is niet voor niets dat in dunbevolkte gemeentes een andere opheffingsnorm van toepassing is. Het is namelijk onwenselijk als kinderen in het basisonderwijs grote afstanden moeten reizen om naar school te kunnen. Het vraagt maatwerk om per lokale en regionale situatie te bepalen wat voor de kinderen het beste is. Dat bevestigt voor mij het belang van een regionale aanpak voor de continuïteit van het onderwijs.
Welke afstand vindt u acceptabel dat kinderen moeten reizen om naar een basisschool te gaan?
Wettelijk is geregeld dat een basisschool niet hoeft te sluiten wanneer de school de enige school van de geloofsrichting binnen een straal van 5 kilometer is en ten minste 50 leerlingen heeft. Wanneer de school de enige openbare basisschool binnen 10 kilometer is over de weg gemeten en ten minste 23 leerlingen heeft, hoeft deze ook niet te sluiten. Deze uitgangspunten vind ik acceptabel.
Welke rol ziet u voor wie als het gaat om de ontwikkeling van het sluiten van klassen en de zorg dat ook in de regio’s basisonderwijs op redelijke afstand blijft worden aangeboden?
Het bevoegd gezag is verantwoordelijk voor het onderwijs en het aanstellen van (voldoende) personeel. Dat is gezien de tekorten op dit moment niet eenvoudig. Het vraagt inzet van alle betrokkenen, zowel regionaal als landelijk, om de tekorten aan te pakken.
Zoals aangegeven in de brief Lerarenstrategie, is in de regio winst te behalen. Door meer samen te werken bij het werven, opleiden en professionaliseren, bij het zorgen voor duurzame inzetbaarheid en breder goed personeelsbeleid kunnen de tekorten effectiever worden aangepakt. Daarom stimuleert OCW de regionale samenwerking op de onderwijsarbeidsmarkt via bijvoorbeeld de Regionale aanpak personeelstekorten (RAP).
Ook op landelijk niveau moeten we er alles aan doen om de tekorten aan te pakken en de juiste maatregelen te nemen. Zoals in de Kamerbrief Lerarenstrategie beschreven, komt er een landelijke strategie.4 Ook wijs ik op de verschillende regelingen om zij-instromers en onderwijsassistenten te stimuleren de opleiding tot leraar te volgen.
Schuldhulpverlening en het krijgen van een baan |
|
Barbara Kathmann (PvdA), Henk Nijboer (PvdA) |
|
Carola Schouten (viceminister-president , minister zonder portefeuille sociale zaken en werkgelegenheid) (CU) |
|
|
|
|
Bent u er bekend mee dat mensen die schuldhulpverlening krijgen, hun loon moeten laten uitbetalen aan de bewindvoerder?
Niet alle mensen in de schuldhulpverlening hebben ook een bewindvoerder. Als iemand onder bewind is gesteld, worden zijn of haar financiën beheerd door een bewindvoerder. Het inkomen van de betrokkene wordt gestort op een beheerrekening. Deze rekening staat op naam van de betrokkene zelf. De bewindvoerder ziet erop toe dat vanuit de beheerrekening de vaste lasten worden betaald, zoals huur, energie en verzekeringen en leefgeld wordt uitgekeerd aan de betrokkene. Indien de betrokkene ook in een schuldregeling zit, wordt hiervoor vanuit de beheerrekening geld ingehouden.
Als iemand in een schuldregeling zit, maar niet onder bewind staat, betaalt diegene of zelf de afdracht voor de schuldregeling, of loopt dit via budgetbeheer bij de schuldhulpverlener. In dat laatste geval kan het gaan om een beheerrekening op naam van de betrokkene zelf, waar de budgetbeheerder een volmacht voor heeft. Een andere mogelijkheid is een derdengeldenrekening in beheer van de gemeente of kredietbank. Deze staat niet op naam van de betrokkene.
Kunt u zich voorstellen dat dit een obstakel kan vormen voor mensen om aan een baan te komen, omdat dit vooroordelen kan oproepen bij werkgevers?
Ik kan mij voorstellen dat mensen met schulden te maken krijgen met stigmatisering en veroordeling uit de omgeving en dat dit een obstakel kan vormen bij het zoeken naar een baan. Een beheerrekening bij onder bewindstelling hoeft echter geen dergelijk obstakel te vormen, omdat de beheerrekening op naam van de schuldenaar zelf staat. De betrokkene kan de bewindvoerder daarnaast verzoeken om hierover niet te communiceren met de werkgever.
In het geval van schuldhulpverlening bij de gemeente, kan de betrokkene de schuldhulpverlener vragen om een rekening op eigen naam, in plaats van een derdengeldenrekening.
Vindt u dat mensen die schuldhulpverlening krijgen dit moeten kunnen verbergen van (toekomstige) werkgevers?
Zoals omschreven bij het antwoord op vraag 2 is deze mogelijkheid er al. In het geval van beslaglegging op het loon is deze mogelijkheid er overigens niet. Dit kan voor de werknemer in sommige gevallen gepaard gaan met schaamte. Het kan voor een werknemer met schulden juist ook prettig zijn als de werkgever wel van de situatie op de hoogte is, omdat schulden vaak gepaard gaan met stress en andere (fysieke) klachten. Zo ontstaat er bij de werkgever meer begrip voor de werknemer.
Mijn ministerie zet zich in om de proactieve houding van werkgevers verder te versterken en om het stigma op schulden en armoede tegen te gaan. Gelukkig is er grote bereidheid bij werkgevers om zich in te zetten. Wij werken samen met brancheorganisaties, werkgevers aan aantoonbaar effectieve interventies. Zo stimuleert mijn ministerie de verdere uitrol van de Nederlandse Schuldhulproute waar werkgevers op kunnen aansluiten. Op deze manier maken werkgevers een financiële scan en toeleiding naar de juiste hulp op laagdrempelige wijze beschikbaar voor hun medewerkers. Andere initiatieven die ik toejuich zijn de Nationale Coalitie Financiële Gezondheid en het project Financieel fitte werknemers, waarmee kennisuitwisseling en samenwerking tussen werkgevers op het gebied van financiële gezondheid van werknemers wordt gestimuleerd.
Wat kunt u doen om deze drempel voor mensen om te solliciteren en een baan te krijgen weg te nemen?
Zoals uitgelegd hoeft schuldhulpverlening en/of de uitbetaling van het loon op een beheerrekening geen drempel te zijn bij het vinden van werk.
Fraude Signaleringen Belastingdienst |
|
Caroline van der Plas (BBB) |
|
Marnix van Rij (staatssecretaris financiën) (CDA) |
|
|
|
|
In de brief van de Staatssecretaris van 22 april 2021 wordt gemeld dat binnengekomen signalen die als gevolg van het stopzetten van de fraudesignaleringsvoorziening (FSV) niet konden worden opgepakt op dat moment was opgelopen tot circa 13.000 signalen, inclusief Toeslagen. Om welk aantal gaat dit per 1 oktober 2022?1
Tijdens het vragenuur van 18 oktober jl. over berichtgeving in NRC2 heb ik het getal van 25.000 signalen in dat artikel bevestigd. Het betrof een interne schatting, die sindsdien is aangescherpt. De Belastingdienst ontvangt via verschillende kanalen intern en extern informatie die als «signaal» gekwalificeerd kan worden. Per maand komen er ongeveer 800 mails met signalen binnen in de postbussen die daarvoor hoofdzakelijk gebruikt worden. Hoeveel individuele signalen de mails precies bevatten kan alleen bepaald worden door ze inhoudelijk te beoordelen, wat nu niet gebeurt. Gegeven dit maandelijks aantal zijn er naar schatting 22.400 signalen binnengekomen sinds het stilleggen van dit signalenproces in juli 20203.
Daarnaast kunnen burgers vermoedens van (kleinschalige) belastingfraude schriftelijk bij het Belastingkantoor in de betreffende regio delen. Naar schatting betreft het enkele honderden signalen. Het valt niet precies te zeggen hoeveel signalen de brieven die langs deze weg zijn binnengekomen bevatten, omdat ze momenteel niet beoordeeld en als signaal geregistreerd worden.
Voor Toeslagen geldt dat de aanpak van misbruik en oneigenlijk gebruik, het Intensief Toezichtproces (ITO), stilligt en wordt herijkt. Op dit moment liggen er ongeveer 7.000 berichten waaraan nog geen gevolg is gegeven. Het proces zal geborgd en gefaseerd worden opgestart, naar verwachting in begin 2023. Dit betreft een ander proces dan het signalenproces van de Belastingdienst. De Staatssecretaris van Toeslagen en Douane zal u hierover verder informeren.
Op basis van de bovenstaande stromen zijn er dus naar schatting ongeveer 30.000 signalen binnengekomen sinds het uitzetten van de bovenstaande signalenprocessen. Dit is inclusief het aantal van 13.000 signalen tot april 2021. Ook dat aantal betrof een schatting.
Klopt het dat meldingen van fiscale fraude via Misdaad Anoniem wel doorgezonden worden naar de Belastingdienst, maar hier niet in behandelingen zijn genomen? Zo ja, om hoeveel meldingen gaat dat tussen 22 april 2021 en 1 oktober 2022? Zo nee, wat is de tijd tussen melding en het oppakken hiervan bij de Belastingdienst?
Meldingen via Meld Misdaad Anoniem worden beoordeeld door de informatiedesk FIOD. De FIOD pakt de signalen die relevant zijn voor strafrechtelijk onderzoek zelf op. De voor de Belastingdienst relevante meldingen worden doorgestuurd naar de Belastingdienst. Gegeven het stilliggen van dit signalenproces bij de Belastingdienst worden deze meldingen daar niet opgepakt, maar wel bewaard. In de periode van april 2021 tot oktober 2022 heeft de FIOD ongeveer 1.200 signalen van Meld Misdaad Anoniem zelf opgepakt en ongeveer 2.000 signalen naar de Belastingdienst doorgestuurd.
Klopt het dat meldingen bij een belastingkantoor wel worden doorgezonden naar de centrale Belastingdienst, maar hier niet in behandelingen zijn genomen? Zo ja, om hoeveel meldingen gaat dat tussen 22 april 2021 en 1 oktober 2022?
Er is binnen de Belastingdienst geen scheiding tussen lokale belastingkantoren en een «centrale Belastingdienst». Wel is het zo dat burgers vermoedens van (kleinschalige) belastingfraude schriftelijk bij het Belastingkantoor in de betreffende regio kunnen delen. Vóór het stilleggen van dit signalenproces werden deze meldingen vervolgens ook in dat kantoor opgepakt. Sindsdien worden deze meldingen inderdaad niet behandeld. Naar schatting betreft het enkele honderden signalen. Het valt niet precies te zeggen hoeveel signalen de brieven die langs deze weg zijn binnengekomen bevatten, omdat ze momenteel niet beoordeeld en als signaal geregistreerd worden.
Klopt het dat meldingen bij de informatiedesk Fiod niet in behandelingen zijn genomen? Zo ja, om hoeveel meldingen gaat dat tussen 22 april 2021 en 1 oktober 2022?
Dat klopt niet. Meldingen die binnenkomen bij de informatiedesk FIOD worden daar beoordeeld. De uitkomst van behandeling kan drieërlei zijn: Ten eerste kan de melding als niet-relevant worden beoordeeld en dan wordt deze afgesloten. Ten tweede kan het om een voor de FIOD relevante melding gaan. In dit geval blijft de melding binnen de FIOD en wordt daar behandeld. Ten derde kan de melding relevant zijn voor een partner, zoals de Belastingdienst. In dit geval wordt de melding naar desbetreffende partner doorgestuurd. Zoals hierboven uitgelegd behandelt de Belastingdienst deze meldingen momenteel niet.
Is het fraudebeleid naar de mening van de Staatssecretaris momenteel «in control»? Zo nee, welke acties en deadlines hiervoor lopen er momenteel nog?
De aanpak van fraude maakt onderdeel uit van de handhavingsstrategie van de Belastingdienst. De aanpak van fiscale fraude is belangrijk, omdat het niet opvolgen van fiscale fraude het maatschappelijk draagvlak voor het betalen van belasting aantast. Daarom vind ik het niet goed dat een deel van de signalen over mogelijke fraude op dit moment niet kan worden opgevolgd. Ik heb uw Kamer daar in het vragenuur van 18 oktober jl. en op 30 mei jl. met de voortgangsrapportage4 over het programma Herstellen, Verbeteren, Borgen (HVB) nader over geïnformeerd. Er vindt desondanks nog steeds intensief en regulier toezicht plaats, zodat mogelijke fraude wordt aangepakt. Een voorbeeld hiervan is de aanpak van verhuld vermogen, die zich richt op het identificeren en tegengaan van het verhullen van inkomen en vermogen. Meldingen aan de FIOD die om onderzoek van de FIOD vragen worden nog steeds opgepakt. Er wordt ook de samenwerking gezocht met andere overheidsinstanties, bijvoorbeeld wanneer de reikwijdte van de mogelijke regelovertreding verder gaat dan het fiscale. Casussen uit het toezicht die kwalificeren voor het strafrecht worden overgedragen aan de FIOD. De FIOD is daarmee – onder gezag van het OM – een belangrijke speler in het opsporen en de bestrijding van fiscale fraude. De Belastingdienst werkt aan de versterking van de fraudeaanpak en het hervatten van het signalenproces met als doel de aanpak van fraude slagvaardiger en beter uitlegbaar te maken.
Het tweede OVV rapport over de Nederlandse aanpak van de coronacrisis |
|
Wybren van Haga (BVNL) |
|
Conny Helder (minister zonder portefeuille volksgezondheid, welzijn en sport) (VVD), Kuipers |
|
|
|
|
Heeft u kennisgenomen van het tweede rapport van de Onderzoeksraad voor Veiligheid (OVV) over de Nederlandse aanpak van de coronacrisis?1, 2
Ja
Onderschrijft u de conclusies van dit rapport? Kunt u reflecteren op de bevindingen?
In de kabinetsreactie op het tweede deelrapport van de Onderzoeksraad voor Veiligheid (OvV) geeft het kabinet een gezamenlijke reactie op de bevindingen van de OvV. Deze kabinetsreactie verwacht het kabinet zodra gereed aan uw Kamer te sturen.
Kunt u verklaren waarom uw departement en het kabinet in de periode tussen september 2020 en juli 2021, waarover dit rapport gaat, besloot tot ingrijpende coronamaatregelen, terwijl weinig bekend was over de effecten daarvan, waarmee de onderbouwing voor het invoeren van deze maatregelen in retrospectief onderuit gehaald wordt?
Gedurende de coronapandemie is er veel onderzoek uitgevoerd om de effectiviteit van maatregelenpakketten te onderbouwen en te evalueren. De actuele inzichten zijn steeds meegewogen in de besluitvorming. De maatregelenpakketten die in de afgelopen jaren zijn genomen, waren dan ook vanuit epidemiologisch oogpunt steeds effectief. Met betrekking tot dit onderwerp heb ik de Kamer uitgebreid geïnformeerd in mijn brief van 11 november 2022.3
Kunt u uitleggen waarom het kabinet de keuzes voor het invoeren van deze maatregelen destijds wel presenteerde als (wetenschappelijk) onderbouwd effectief, terwijl dat niet het geval was? Is bewust gekozen voor het achterwege laten en/of verdraaien van deze informatie? Zo ja, wat waren hiervoor de overwegingen en de verantwoording?
Met betrekking tot dit onderwerp heb ik uw Kamer geïnformeerd in mijn brief van 11 november 2022.4 Zie ook het antwoord op vraag 3.
Bij de besluitvorming over de maatregelen heeft het kabinet steeds de meest recente wetenschappelijke inzichten over de verspreiding van het virus en de effectiviteit van de maatregelen gebruikt. Het kabinet heeft deze adviezen met uw Kamer gedeeld, zie hiervoor onder andere alle adviezen van het OMT en de Gezondheidsraad. Voorafgaand aan elk debat werd een technische briefing georganiseerd waarin deze informatie ook met uw Kamer werd gedeeld.
Waarom heeft u de Kamer niet geïnformeerd over het feit dat de onderbouwing voor de coronamaatregelen minimaal was? Is deze informatie bewust voor de Kamer achtergehouden?
Zie antwoord vraag 4.
Kunt u uitleggen waarom, ondanks het gegeven dat de Kamer herhaaldelijk heeft gevraagd naar de effecten van de maatregelen, deze maatregelen desondanks nooit adequaat zijn onderzocht? Hoe kijkt u nu terug op deze keuze?
Zie antwoord vraag 4.
Deelt u de mening dat de overheid door deze beeldvorming en deze manier van communiceren aan het verspreiden van desinformatie, framen en misleiden van de burger en de Kamer heeft gedaan? Zo nee, waarom niet?
Nee, van bewust misleidende en onjuiste informatie is vanuit de overheid nooit sprake geweest.
Wat vindt u van de conclusie dat de communicatie van de overheid over de coronacrisis niet transparant was? Onderschrijft u die conclusie en kunt u uitleggen waarom de communicatie op een dusdanige manier verlopen is? Is bewust gekozen voor een dergelijke communicatiestrategie? Welke lessen trekt u hieruit en hoe gaat u uw communicatiestrategie in de toekomst verbeteren?
Transparantie en het geven van zoveel en zo duidelijk mogelijke feitelijke informatie is en blijft het fundament van de overheidscommunicatie. De communicatieaanpak heeft zich, mede op basis van evaluaties en onderzoek, gedurende de coronabestrijding continu doorontwikkeld. Dat lerende effect vind ik van groot belang. Het laat zien dat het kabinet regelmatig stilstaat bij wat goed gaat en wat beter kan, en dat het kabinet de aanpak daarop kan aanpassen.
Hoe reflecteert u op de rol van het Outbreak Management Team (OMT), naar aanleiding van de conclusies uit het OVV-rapport? Gaat dit orgaan naar aanleiding van de bevindingen in dit rapport in de toekomst anders vormgeven en/of inzetten? Zo ja, hoe?
De OVV beveelt in zijn tweede deelrapport aan om een »reglement van orde» voor het OMT op te stellen.5 Deze aanbeveling sluit aan bij verbeterpunten die het RIVM en de voorzitter van het OMT zelf ook gezien hebben.
Het OMT zal hier, vanuit zijn onafhankelijke positie, op reageren richting de OVV. Het kabinet zal de reactie van het OMT meesturen met de aanstaande kabinetsreactie op het tweede deelrapport.
Waarom is nog steeds weinig bekend over het werkelijke, zowel positieve als negatieve, effect van de maatregelen op het bestrijden van de pandemie en op de samenleving? Waarom is er nog steeds nauwelijks geëvalueerd?
Met betrekking tot dit onderwerp heb ik de Kamer uitgebreid geïnformeerd in mijn brief van 11 november 2022.6
Deelt u de meningn dat het gebrek aan monitoring en evaluatie van de maatregelen, het adequaat uitvoeren van de komende parlementaire enquete bemoeilijkt en dat dit onwenselijk is, omdat het na een crisis met een dusdanig grote impact als de coronapandemie van groot belang is dat de bestuurlijke macht en het uitgevoerde beleid gecontroleerd worden?
Ik deel de mening dat het belangrijk is om tijdens én na een ingrijpende crisis te evalueren en reflecteren. Een parlementaire enquête is hiervoor een belangrijk instrument. Het is belangrijk om stil te staan bij wat goed gaat en wat beter kan en daar onze aanpak op aan te passen. Dit is een aanpak waar ik achter sta.
Zoals reeds in mijn brief van 11 november 2022 beschreven, is er gedurende de coronapandemie veel onderzoek uitgevoerd om de effectiviteit van maatregelenpakketten te onderbouwen en te evalueren.7 Ook de rapporten van de OvV vormen een grondige evaluatie van de aanpak van de Covid-19 crisis. Deze onderzoeken en rapporten bevatten waardevolle informatie voor de enquêtecommissie.
Aangezien er door ontoereikende monitoring en evaluatie nog steeds weinig bekend is over de effecten van de coronamaatregelen, is het naar uw mening dan nog steeds opportuun om te overwegen dezelfde maatregelen wettelijk te verankeren in de Wet publieke gezondheid (Wpg)? Waarom een juridisch instrumentarium optuigen voor mogelijk en waarschijnlijk, in ieder geval deels, ineffectieve en schadelijke maatregelen? Heroverweegt u de wijziging van de Wpg naar aanleiding van de conclusies van dit rapport? Zo nee, waarom niet?
Om bij een volgende pandemie slagvaardig en flexibel te opereren is het noodzakelijk ook het wettelijk kader daarvoor op onderdelen te herzien. Daarvoor is op dit moment het wetsvoorstel Eerste tranche wijziging van de Wet publieke gezondheid bij de Tweede Kamer aanhangig.
Zie voor een reflectie op monitoring en evaluatie mijn brief aan uw Kamer van 11 november 2022.8
Gaat u de toekomstige coronastrategie naar aanleiding van de conclusies van dit rapport herzien? Gaat u terughoudender zijn in het opnieuw invoeren van coronamaatregelen, of deze helemaal niet meer inzetten? Bent u voornemens om, zoals het OVV adviseert, zo spoedig mogelijk te evalueren en voor de uitkomst van die evaluatie in ieder geval geen coronamaatregelen meer in te voeren? Zo ja, op welke termijn gaat u dat doen? Zo nee, waarom niet?
Als de verspreiding van het virus om maatregelen vraagt, zal ik die nemen. Daarbij houd ik rekening met de omstandigheden van dat moment. Ik verwijs met betrekking tot dit onderwerp verder naar mijn brief aan uw Kamer van 11 november 2022.9
Kunt u verklaren waarom in de begroting van het Ministerie van Volksgezondheid, Welzijn en Sport voor 2023 en de jaren daarna opnieuw miljarden zijn begroot voor coronagerelateerde maatregelen, terwijl het effect van deze maatregelen dus onduidelijk is? Hoe verantwoordt u deze uitgaven met de kennis en conclusies uit het OVV-rapport? Waarom moet de burger betalen voor beleid waarvoor geen onderbouwing kan worden gegeven?
Het effect van coronamaatregelen is niet onduidelijk, zie de antwoorden 3 t/m 6. Het kabinet zal zeker op de korte termijn voorbereid moeten blijven op de mogelijkheid van nieuwe oplevingen en nieuwe virusvarianten. Dat betekent ook dat hiervoor middelen beschikbaar moeten zijn.
Staat u nog altijd achter de beleidskeuzes die destijds zijn gemaakt, zoals het invoeren van de avondklok en de mondkapjesplicht? Zo ja, waarom, als u nu weet dat de effectiviteit hiervan onbekend is en de schade waarschijnlijk wel aanzienlijk?
Het kabinet heeft op basis van de destijds beschikbare kennis en ervaring maatregelen getroffen om verspreiding van het virus tegen te gaan. De maatregelenpakketten en hun (neven)effecten worden vanaf het begin van de pandemie geëvalueerd en gemonitord ten behoeve van (toekomstige) besluitvorming.
Ik verwijs graag opnieuw naar mijn brief van 11 november.10
Had u, met de kennis van nu, destijds andere keuzes gemaakt bij de aanpak van de coronapandemie? Zo ja, hoe had u het coronabeleid anders vormgegeven?
In mijn brief van 4 november jl. aan uw Kamer over pandemische paraatheid worden de eerste lijnen geschetst voor de visie op een versterkte pandemische paraatheid van de zorg en infectieziektebestrijding.11 De agenda is gericht op de voorbereiding op een toekomstige pandemie. Hierin zijn de lessen van de coronacrisis meegenomen.
Deelt u de mening dat op basis van dit rapport en ander voortschrijdend inzicht het coronatoegangsbewijs nooit meer in de zogenaamde «gereedschapskist» van in te zetten maatregelen terecht mag komen en dat er daarnaast nooit meer mag worden overgegaan tot welke inperking van grondrechten en vrijheden dan ook, zonder sluitende (wetenschappelijke) onderbouwing?
Op dit moment is het wetsvoorstel Eerste tranche wijziging van de Wet publieke gezondheid bij de Tweede Kamer aanhangig. In het verslag van de commissie voor Volksgezondheid, Welzijn en Sport zijn (vergelijkbare) vragen gesteld over de door u aangehaalde themas. Momenteel heb ik de Nota naar aanleiding van het Verslag (NnavV) in voorbereiding. In de Nota naar aanleiding van het Verslag
met betrekking tot de Eerste tranche wijziging van de Wet publieke gezondheid ga ik hier nader op in. Ik verwacht de NnavV binnen afzienbare tijd aan te bieden aan de Tweede Kamer. Ik verwijs u naar deze beantwoording.
Het uitstel van de presentatie van de Green Deal Duurzame Zorg 3.0 |
|
Eva van Esch (PvdD) |
|
Kuipers |
|
|
|
|
Kent u de berichten «De zorg moet duurzamer, maar organisaties zijn het oneens over de manier waarop» en «Zorg moet in beweging komen om milieu-impact te verkleinen»?1, 2
Ja.
Klopt het dat de Green Deal Duurzame Zorg 3.0 afgelopen donderdag zou worden gepresenteerd, maar dat dit is uitgesteld?
Op 4 november jongstleden hebben 14 partijen die betrokken waren bij het opstellen, de Green Deal «Samen werken aan Duurzame Zorg» ondertekend. De Minister voor Klimaat en Energie, de Minister van Infrastructuur en Waterstaat, de Minister voor Volkshuisvesting en Ruimtelijke Ordening en ikzelf deden dat namens de rijksoverheid. Aansluitend heb ik uw Kamer geïnformeerd3.
Op 8 december aanstaande zullen naar verwachting ruim 100 partijen deze Green Deal ook ondertekenen.
Klopt het dat dit uitstel komt doordat nog niet alle partijen de Green Deal Duurzame Zorg 3.0 hebben ondertekend, omdat verplichtingen die aan duurzaamheid worden gesteld nog onvoldoende vorm hebben gekregen? Zo nee, hoe zit dit dan? Zo ja, hoe gaat u ervoor zorgen dat verplichtende duurzaamheidsafspraken wel voldoende vorm krijgen?
De ondertekening vond plaats op 4 november omdat partijen nog overeenstemming zochten over de laatste punten. Dat ging zowel over de concreetheid van de afspraken als over de beoogde uitvoering van de afspraken na ondertekening.
Wat is uw reactie op het gegeven dat sommige partijen twijfelen om de Green Deal Duurzame Zorg 3.0 te ondertekenen, omdat zij bedenkingen hebben over hoe verplichtingen moeten worden gecontroleerd en over welke gevolgen er worden verbonden aan een niet behaalde doelstelling?
Het is een eigen afweging voor partijen om de Green Deal «Samen werken aan Duurzame Zorg» te ondertekenen. Green Deals zijn afspraken tussen de rijksoverheid en andere partijen om duurzame plannen uit te voeren. Met ondertekening committeren partijen zich aan het werken aan de doelstellingen en aan het gezamenlijk uitvoeren van de geformuleerde afspraken. Een bestuurlijke regiegroep voert regie op die uitvoering. Niet-nakoming kan niet rechtens afgedwongen worden.
Er wordt in de zorgsector een grote urgentie gevoeld om bij te dragen aan het verminderen van de klimaat- en milieu-impact van de zorg. Het was een grote wens van veel partijen om daar nieuwe en betere afspraken over te maken in een nieuwe Green Deal.
Welke zorgorganisaties hebben allemaal hun twijfels bij het ondertekenen van de Green Deal Duurzame Zorg 3.0?
Dat is mij niet bekend. Sinds de eerste ondertekening van de nieuwe Green Deal op 4 november hebben talloze partijen interesse getoond om deze Green Deal mede te ondertekenen. Op 8 december organiseert het Ministerie van VWS daarvoor een tweede «tekenmoment» waar zich inmiddels al ruim 100 organisaties voor hebben aangemeld.
Wat gaat u doen om het belang van verplichtende afspraken in de Green Deal Duurzame Zorg 3.0 bij deze organisaties te benadrukken en deze organisaties ervan te overtuigen de Green Deal wel te ondertekenen?
Zoals ik heb aangegeven in antwoorden op vragen over de ontwerpbegroting van VWS, stuur ik niet aan op een verplichtend karakter van afspraken in de Green Deal. De bereidheid en betrokkenheid van alle grote brancheorganisaties van de zorgaanbieders, de zorgverzekeraars en de banken, geven mij het vertrouwen dat verplichtende afspraken niet nodig zijn. De grote interesse bij andere partijen om de nieuwe Green Deal te ondertekenen, met daarin veel concretere afspraken, bevestigen wat mij betreft dat beeld.
Welke zorgorganisaties zijn allemaal enthousiast over de Green Deal Duurzame Zorg 3.0?
Op 4 november hebben Actiz, De Nederlandse GGZ, NFU, NVZ, VGN, KNMP, Zorgverzekeraars Nederland, Nederlandse Vereniging van Banken, Groene Zorgalliantie, Koepel Artsen Maatschappij + Gezondheid, Patiëntenfederatie Nederland, Vereniging Innovatieve Geneesmiddelen, Vereniging Milieuplatform Zorgsector en TNO de Green Deal ondertekend.
Daarnaast hebben zich voor de bijeenkomst op 8 december inmiddels al ruim 100 organisaties aangemeld. Nadat deze bijeenkomst heeft plaatsgevonden zal op de website van de rijksoverheid een lijst geplaatst met de actuele ondertekenaars.
Hoe betrekt u in de verdere gesprekken over de Green Deal Duurzame Zorg 3.0 uw toezegging over het meenemen van de adviezen van de Gezondheidsraad over verduurzaming van hulpmiddelen in de Green Deal?3
De aanbevelingen van de Gezondheidsraad sluiten aan bij de doelen, ambities en afspraken zoals opgenomen in de Green Deal «Samen werken aan Duurzame Zorg». Ik zie het advies van de Gezondheidsraad als ondersteuning van de beweging die ik en de andere ondertekenaars van de Green Deal met elkaar willen bewerkstelligen. Later dit jaar kom ik met een afzonderlijke reactie op het advies. De opvolging van die reactie en de uitwerking van de Green Deal zullen komende jaren in samenhang moeten worden bezien.
Tot wanneer is de presentatie van de Green Deal Duurzame Zorg 3.0 uitgesteld?
Op 4 november jongstleden is de Green Deal «Samen werken aan duurzame zorg» ondertekend, aan uw Kamer verzonden en terug te vinden op de website van de rijksoverheid.
Kunt u deze vragen ieder afzonderlijk beantwoorden, vóór de begrotingsbehandeling van het Ministerie van Volksgezondheid, Welzijn en Sport (gepland in de week van 17 oktober aanstaande)?
Helaas is het niet gelukt deze vragen te beantwoorden voor de begrotingsbehandeling van het Ministerie van VWS. Hiervoor bied ik u mijn verontschuldiging aan.
Het artikel 'Gemeenten willen stekker uit Kredietbank in Assen trekken' |
|
Hülya Kat (D66) |
|
Carola Schouten (viceminister-president , minister zonder portefeuille sociale zaken en werkgelegenheid) (CU) |
|
|
|
|
Bent u bekend met het bericht «Gemeenten willen stekker uit Kredietbank in Assen trekken»?1
Ja.
Ziet u meerwaarde in het hebben van een regionale kredietbank die integrale dienstverlening levert aan meerdere gemeenten ten opzichte van een versnipperd landschap van commerciële dienstverleners?
De combinatie van een Kredietbank die ook schuldhulpverlening aanbiedt, heeft voordelen doordat er snel geschakeld kan worden. Mensen met schulden kunnen daardoor goed geholpen worden. Vooral voor kleine gemeenten zijn samenwerkingen met andere gemeenten van waarde vanwege de schaalgrootte en de mogelijkheden die dat biedt voor professionalisering.
Een dergelijke samenwerking komt in verschillende vormen voor. Zo zijn er ook gemeenten die de Wet gemeentelijke schuldhulpverlening in gezamenlijkheid uitvoeren via een andere uitvoeringsorganisatie. Regionale kredietbanken blijken namelijk niet altijd de logische weg naar de schuldhulpverlening te zijn. We zien dat niet alle mensen met schulden de Kredietbank weten te vinden voor hulp. Om de toegang tot de schuldhulpverlening laagdrempeliger te maken heeft een integraal gemeenteloket de voorkeur. De meerwaarde van zo’n loket is dat niet alleen de schuldhulpverlening daar belegd is, maar ook de toegang tot andere voorzieningen in het sociaal domein. Deze integrale aanpak verbetert de vroegsignalering en zorgt voor betere hulp aan mensen bij wie sprake is van multiproblematiek. Voor integrale dienstverlening zijn gemeenten dus niet alleen aangewezen op kredietbanken.
Ziet u een risico dat gemeenten per saldo duurder uit zijn als zij allen individueel hun schuldhulpverlening moet gaan aanbesteden dan wanneer zij dit gezamenlijk regelen via een regionale Kredietbank?
Er zijn voor gemeenten op het vlak van efficiëntie en financiën voordelen aan het samen uitbesteden van hun taken. Daarnaast zijn de tarieven en verantwoordelijkheden voor gemeenten die met dezelfde partij werken niet altijd gelijk. In het geval van de GKB staan Assen, Meppel en Hoogeveen via de gemeenschappelijke regeling garant voor de GKB. Eventuele tekorten worden altijd door hen aangevuld. Andere gemeenten die ook diensten van de GKB afnemen hebben deze verantwoordelijk niet. Het kan voor gemeenten per saldo dus goedkoper zijn om een gemeenschappelijke regeling te beëindigen en de schuldhulpverlening anders aan te besteden. Zij kunnen er dan overigens alsnog voor kiezen om de schuldhulpverlening in gezamenlijkheid aan te besteden. Veel gemeenten kiezen voor een gezamenlijke aanbesteding.
Zijn er meer Kredietbanken waarbij financiële tekorten de continuïteit van de dienstverlening bedreigen?
Op dit moment zijn er geen andere Kredietbanken bij mij bekend met financiële tekorten. Overigens geldt dat, mochten er zich financiële tekorten voordoen bij Kredietbanken, deze de continuïteit van de dienstverlening niet bedreigen. Gemeenten in de gezamenlijke regeling staan garant voor tekorten en vullen deze altijd aan. Hierdoor komt de dienstverlening van een Kredietbank niet in het geding.
Zo ja, wat zijn de oorzaken van deze financiële tekorten?
Zoals hierboven aangegeven, zijn er op dit moment zijn geen andere Kredietbanken bij mij bekend met financiële tekorten.
Hoeveel Kredietbanken zijn er in de afgelopen decennia omgevallen en wat waren hiervan de oorzaken?
Er zijn geen Kredietbanken opgeheven de afgelopen decennia.
Wat betekent het wegvallen van de Kredietbank voor de beschikbaarheid van saneringskredieten in de betreffende gemeenten?
De betreffende gemeenten zullen in het geval van opheffing van de KBG een nieuwe aanbesteding doen voor hun schuldhulpverlening en de verstrekking van saneringskredieten. Zij zullen erop toe zien dat de portefeuille aan lopende dossiers en saneringskredieten met zorg worden overgedragen. De beschikbaarheid van saneringskredieten komt dus niet in het geding.
Wat betekent het wegvallen van de Kredietbank voor de dienstverlening in het kader van de hersteloperatie kinderopvangtoeslagen private schulden?
Het wegvallen van de Kredietbank zal geen invloed hebben op de hersteloperatie Kinderopvangtoeslagen, omdat de GKB Assen hier geen rol in vervult. Gedupeerden kunnen zich via een portal aanmelden waar onder toezicht van Sociale Banken Nederland doorverwijzing wordt verzorgd naar een van de partijen die de verdere afhandeling doet.
Wat betekent het wegvallen van de Kredietbank voor de beschikbaarheid van sociaal krediet tegen een lage rente in de betreffende gemeenten?
Mocht de Kredietbank opgeheven worden dan zullen de gemeenten Assen, Meppel en Hoogeveen sociale kredieten blijven aanbieden. Via een aanbesteding zal hiervoor een geschikte partij gevonden moeten worden.
Ziet u een risico in het gegeven dat er nog geen nieuwe organisatie is gevonden die de schuldhulpverlening namens de gemeenten moet gaan uitvoeren?
Nee; de GKB wordt niet zomaar opgegeven als er nog geen alternatief is. De gemeenten Assen, Meppel en Hoogeveen zullen in het geval van opheffing eerst verkennen of, en zo ja hoe, zij in de toekomst samen zullen werken bij het aanbesteden van hun opdracht. Daarbij zullen zij zorgdragen voor de overdracht van de dossiers.
Het bericht 'Corruptie is bij de Belastingdienst lastig te traceren' |
|
Ingrid Michon (VVD), Folkert Idsinga (VVD) |
|
Marnix van Rij (staatssecretaris financiën) (CDA), Dilan Yeşilgöz-Zegerius (minister justitie en veiligheid) (VVD) |
|
|
|
|
Bent u bekend met het artikel «Corruptie is bij de Belastingdienst lastig te traceren»?1
Ja.
Klopt het dat computersystemen van de Belastingdienst niet registreren (of registreerden) welke informatie medewerkers opvragen?
Voor het werken binnen de Belastingdienst is het noodzakelijk gegevens te raadplegen. Organisatorisch is vanuit het autorisatiebeheer en functiescheiding geborgd dat als een medewerker geautoriseerd is voor een bepaald proces, de medewerker daarmee toegang krijgt tot de gegevens die nodig zijn voor het uitvoeren van die werkzaamheden.
Het klopt dat computersystemen van de Belastingdienst niet registreren (loggen) welke informatie medewerkers opvragen omdat deze systemen niet zijn opgezet om dit soort informatie vast te leggen.
Zo ja, waarom ontbreekt deze informatie? Welke stappen zijn inmiddels gezet of worden op korte termijn gezet om deze informatie boven tafel te krijgen?
Deze informatie ontbreekt mede omdat de Belastingdienst met zo’n 900 verschillende systemen werkt, die meestal niet aan elkaar zijn gekoppeld. Ook is in de oude systemen van de Belastingdienst het loggen van raadplegen van informatie niet meegenomen in het ontwerp en is geen rekening gehouden met principes van deze tijd, zoals het need-to-know of privacy-by-design principe. Uit een marktconsultatie uit 2021 is gebleken dat er geen bruikbare IT systemen in de markt zijn die de oudere legacy applicaties kunnen afschermen en of zaaksgerichte verwerking te doen.
Bij de nieuwe systemen van de Belastingdienst wordt wel rekening gehouden met de principes van «need-to-know» en «privacy-by-design». Dit betekent dat de systemen alleen inzicht moeten geven in de informatie die nodig is voor de uitoefening van een taak. Sinds 2015 wordt rekening gehouden met deze principes en de laatste jaren is hier verder invulling aan gegeven. De Belastingdienst kijkt nog of en hoe logging, de principes van «need-to-know» en «privacy-by-design» in de toekomst verbeterd kunnen worden. Ik zal hier op terugkomen in de door uw Kamer gevraagde brief in reactie op het krantenartikel.
Klopt het dat deze technische beperking het onderzoek naar corruptie binnen de dienst bemoeilijkt? Hoeveel gevallen van (vermeende) corruptie zijn bekend?
Het is juist dat de afwezigheid van loggegevens, zoals toegelicht in antwoord op vraag 3, van alle handelingen van medewerkers het onderzoek naar corruptie bemoeilijkt. Signalen uit de strafrechtketen over (vermeende) corruptie bij de Belastingdienst worden gedeeld met het Bureau Inlichtingen en Veiligheid (BIV) van de FIOD. Van ambtelijke corruptie wordt aangifte gedaan.
Ten behoeve van het Jaarverslag Integriteit Financiën wordt onder andere bijgehouden hoe vaak er sprake is van vermoedelijke integriteitsschending op het gebied van het ongeoorloofd raadplegen van systemen. Uit het Jaarverslag Integriteit Financiën 20212 volgt dat er in 2021 bij de Belastingdienst in totaal 11 (vermoedelijke) integriteitsschendingen zijn geregistreerd die betrekking hebben op het ongeoorloofd raadplegen van systemen. In 7 gevallen is na onderzoek komen vast te staan dat sprake was van een integriteitsschending. In een van deze gevallen heeft er een veroordeling plaatsgevonden wegens onder andere ambtelijke omkoping.
Welke indicaties heeft u dat vertrouwelijke gegevens terecht zijn gekomen in het criminele milieu?
Dat is naar voren gekomen uit strafrechtelijk onderzoek door de Rijksrecherche. De Minister van Justitie en Veiligheid doet geen uitspraken over lopende onderzoeken dan wel de vraag of sprake is van lopende onderzoeken.
Is dit probleem inmiddels verholpen, aangezien het artikel melding maakt over 2021? Zo ja, hoe en wanneer? Zo nee, waarom niet?
Bij de nieuwe systemen van de Belastingdienst wordt rekening gehouden met de principes van «need-to-know» en «privacy-by-design». Dit betekent dat de systemen alleen inzicht moeten geven in de informatie die nodig is voor de uitoefening van een taak. Sinds 2015 wordt rekening gehouden met deze principes en de laatste jaren is hier verder invulling aan gegeven. Conform aanbeveling van de Audit Dienst Rijk zijn de procedures voor logische toegangsbeveiliging in 2022 aangescherpt en het wordt beoogd de werking hiervan aan te tonen. In 2023 wordt gezorgd dat de beheersing op orde blijft.
Klopt het dat 10.000 belastingambtenaren toegang hebben (of hadden) tot gegevens van burgers en bedrijven? Zo nee, om hoeveel ambtenaren gaat?
Ja, ongeveer 10.000 medewerkers van de in totaal ca. 25.000 hebben toegang tot specifieke delen van informatie over burgers en bedrijven die relevant is voor het uitvoeren van hun werkzaamheden in het kader van de wettelijke taak van de Belastingdienst.
Afhankelijk van de functie en rol krijgt een medewerker autorisatie voor bepaalde systemen die benodigd zijn voor desbetreffende werkzaamheden. Ik wil graag het beeld wegnemen dat er bij de Belastingdienst sprake zou zijn van één grote databank waar alle informatie over alle burgers en alle bedrijven terug te vinden is.
Tot welke (vertrouwelijke) gegevens hebben zij toegang?
De medewerkers van de Belastingdienst voeren de wettelijke taak van de Belastingdienst uit en hebben daarvoor toegang nodig tot de gegevens die daarvoor verzameld mogen worden. De medewerkers zijn integere mensen die verantwoordelijk omgaan met deze autorisaties. Zie ook het antwoord op vraag 7. Voor een overzicht op hoofdlijnen van de verwerkte gegevens, verwijs ik, Staatssecretaris Fiscaliteit en Belastingdienst, naar de privacyverklaring en de brochure «Overzicht verwerkingen van persoonsgegevens door de Belastingdienst» op de website van de Belastingdienst3. Het gaat hierbij onder andere om identificerende gegevens zoals Burgerservicenummers en contactgegevens, maar voornamelijk om gegevens over inkomen, omzet en vermogen.
Wat wordt gedaan om misbruik en corruptie binnen de Belastingdienst te voorkomen?
Hoewel corruptie nooit volledig voorkomen kan worden, wordt dit zo veel als mogelijk beperkt. Binnen de Belastingdienst is veel aandacht voor integriteit. Allereerst leggen alle medewerkers die in dienst treden bij de Belastingdienst de eed/belofte af. Tijdens de onboarding worden alle medewerkers die in dienst treden bij de Belastingdienst gewezen op de interne integriteitsregels die gelden. Dit gebeurt onder andere door het bespreken van dilemma’s en het aanreiken van een zeven stappenplan van een morele afweging. Bij de onboarding wordt ook aandacht besteed hoe moet worden omgegaan met vertrouwelijke informatie. Binnen de jaarlijkse gesprekkencyclus is integriteit een terugkerend onderwerp van gesprek tussen medewerker en leidinggevende. Tevens is er een vaste intranetpagina integriteit en zijn er interne folders ontwikkeld, zoals de folder «een integere Belastingdienst». Deze folder verwijst onder meer naar regels omtrent integriteit die zijn opgenomen in het Personeelsreglement van het Ministerie van Financiën en is bedoeld om medewerkers goed te informeren. De onlinecursus «Online Security Awareness Game» die alle medewerkers van de Belastingdienst verplicht moeten volgen, richt zich specifiek op hoe moet worden omgegaan met bedrijfsmiddelen en vertrouwelijke informatie, bijvoorbeeld uit de systemen van de Belastingdienst. Vanzelfsprekend zijn medewerkers van de Belastingdienst ook gebonden aan geheimhoudingsverklaring, die zij moeten ondertekenen bij indiensttreding, de Gedragscode Integriteit4 voor de digitale werkomgeving, waar ook regels over het raadplegen en delen van informatie staan opgenomen. Deze regels worden regelmatig onder de aandacht gebracht in bijvoorbeeld teamoverleggen en op afdelingsbijeenkomsten. Verder maakt het meld- en advieslandschap van Financiën het mogelijk om over vermoedelijke integriteitschendingen (en dus ook over misbruik en corruptie) te praten/overleggen en te melden.
Klopt het dat de database van de Belastingdienst is gelinkt aan de bestanden van de Rijkdienst voor het Wegverkeer?
Ja. De Belastingdienst heeft ook als wettelijke taak het heffen en innen van autobelastingen.
Om deze taak uit te voeren, maakt de Belastingdienst ook gebruik van de gegevens uit de Basisregistratie kentekenregister van de Rijksdienst voor het Wegverkeer (de RDW), die via beveiligde kanalen doorgeleverd worden aan de Belastingdienst. Deze gegevens worden bij de behandeling van de Auto-belastingmiddelen voor de Motorrijtuigenbelasting en de Belasting personen- en motorvoertuigen gebruikt.
Aan welke bestanden van andere instanties is de database van de Belastingdienst verder gelinkt?
De Belastingdienst heeft als wettelijke taak het heffen en innen van rijksbelastingen. Om deze taak uit te voeren, gebruikt de Belastingdienst naast gegevens van burgers en bedrijven ook gegevens van andere instanties. Die andere instanties delen de gegevens, omdat zij wettelijk verplicht zijn deze gegevens (al dan niet op verzoek van de Belastingdienst) te leveren. Het gaat hier bijvoorbeeld om gegevens voor de inkomstenbelasting over uitkeringen van het UWV. Het komt ook voor dat de Belastingdienst gegevens aan andere instanties moet verstrekken. Bijvoorbeeld in het geval van de loonaangifteketen, waarbij loongegevens verstrekt worden aan het UWV.
Verder verwijs ik naar de (openbare)brochure «verwerking persoonsgegevens door de Belastingdienst»5 die inzicht geeft in de verwerkingen door de Belastingdienst en de bijbehorende bronnen.
De Belastingdienst is daarbij niet met die andere instanties «gelinkt» door een structurele verbinding tussen computersystemen. Op basis van een wettelijke grondslag ontvangt de Belastingdienst gegevens door middel van een uitwisseling van bestanden via beveiligde verbindingen.
Klopt het dat de adresgegevens van medewerkers van de Extra Beveiligde Inrichting (EBI-medewerkers) in 2021 zijn bevraagd? Zo ja, is dit nog steeds mogelijk? Zo ja, wat wordt hier tegen gedaan?
Over individuele medewerkers worden geen uitspraken gedaan. Het gebruiken van systemen voor niet zakelijke doeleinden kan worden gekwalificeerd als een ernstige integriteitsschending. Bij verdenking van een integriteitsschending wordt op basis van beschikbare informatie onderzoek uitgevoerd en worden zo nodig passende arbeidsrechtelijke maatregelen getroffen. Voor de Belastingdienst is het, op basis van de beschikbare gegevens, in de meeste gevallen niet tot nauwelijks te achterhalen wat de werklocatie is van een burger. Werkgevers, in dit geval het Ministerie van Justitie en Veiligheid, kunnen het gegeven «adresgegevens» af laten schermen in de Basisregistratie personen (BRP). Of dit voor alle EBI-medewerkers kan worden aangevraagd, wordt door het Ministerie van Justitie en Veiligheid onderzocht. Werknemers kunnen zelf verzoeken om geheimhouding van hun adresgegevens in de BRP.
Maakt de aanpak van corruptie binnen de overheid onderdeel uit van de facilitatoren aanpak, die u in het kader van ondermijning ontwikkelt? Zo nee, waarom niet? Zo ja, wanneer ontvangt de Kamer meer informatie over deze aanpak?
Verschillende vormen van corruptie, zoals het omkopen van ambtenaren, brengen schade toe aan onze democratie en de rechtsstaat. Zo kan door middel van corruptie de georganiseerde criminaliteit de samenleving ernstig ondermijnen. Het kabinet zet zich met kracht in om in den brede georganiseerde misdaad aan te pakken. De Minister van Justitie en Veiligheid zal in dat verband, zoals toegezegd tijdens de begrotingsbehandeling van het Ministerie van Justitie en Veiligheid in reactie op een vraag van het lid Michon-Derkzen het onderwerp corruptie agenderen voor de Ministeriële Commissie Aanpak Ondermijning (MCAO) en uw Kamer in de tweejaarlijkse brieven over ondermijning ook over dit onderwerp informeren. Daarnaast zal de Minister van Justitie en Veiligheid middels gesprekken met relevante ketenpartners en het maatschappelijk middenveld bezien hoe de huidige integrale, repressie aanpak van ambtelijke corruptie met additionele maatregelen kan worden versterkt. In het kader van de verkenning zal bijzondere aandacht uitgaan naar corruptie in relatie tot georganiseerde criminaliteit. Belangrijk hierbij is dat we niet alleen kijken naar repressie achteraf, maar maatregelen treffen om te voorkomen dat corruptie plaats kan vinden. Dit vergt onder meer een stevig en effectief integriteitsbeleid. De verantwoordelijkheid en mogelijkheden om telkens tot een effectieve, toegesneden preventieve aanpak en beperking van risico’s te komen, zijn belegd bij diverse departementen, lokale en regionale overheden en de onder hen vallende uitvoeringsorganisaties. Zo is onder meer de Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties verantwoordelijk voor het integriteitsbeleid voor ambtenaren en heeft zij aangekondigd in het voorjaar 2023 een samenhangende visie op het integriteitsbeleid van het openbaar bestuur aan de Tweede Kamer aan te bieden. De Minister van Justitie en Veiligheid kan dus niet de regie voeren op de aanpak van corruptie binnen de gehele overheid, maar zal de urgentie van de inzet van de vele partijen in deze bij de MCAO agenderen, om zo tot concrete afspraken daarover te komen.
Ziet u een rol bij het toezien op de aanpak van corruptie bij de verschillende kwetsbare overheidsdiensten? Kunt u deze rol per overheidsdienst uitschrijven, te weten Belastingdienst, Douane, Koninklijke Marechaussee, politie en gemeenteambtenaren werkzaam bij de balie Burgerzaken?
Het voorkomen van corruptie en het versterken van de integriteit zijn belangrijke thema’s voor de uitvoerende diensten. Het beleid dat hiervoor gehanteerd wordt, valt onder de verantwoordelijkheid van het bijbehorende departement. De rol in de bestrijding van corruptie en het versterken van de integriteit van de Belastingdienst is onder andere in antwoord 9 toegelicht. Voor de politie wordt dit gedaan in antwoord 15.
Ook voor de Douane is integriteit een zeer belangrijk onderwerp. Op 16 december jl. heeft de Staatssecretaris van Financiën – Toeslagen en Douane de Verbeteragenda Integriteit6 aan uw Kamer gestuurd. Met de Verbeteragenda Integriteit wil de Douane bereiken dat iedereen die bij de Douane werkt optimaal is toegerust om integer te handelen en maximaal weerbaar is tegen integriteitsrisico’s waaronder corruptie en ongewenste beïnvloeding van buitenaf.
De Douane focust met de Verbeteragenda Integriteit op een integrale benadering vanuit een aantal thema’s waarin zowel:
Per thema zijn projecten ingericht die gezamenlijk een pakket aan maatregelen en producten vormen die bijdragen aan de doelstelling van de Verbeteragenda Integriteit.
Een aantal voorbeelden van projecten uit dit pakket aan maatregelen, gericht op de aanpak van corruptie zijn:
Daarnaast is de Douane gestart met het opzetten van een Bureau Veiligheid en Integriteit (BV&I) met als doel de regie voeren over een gestandaardiseerde en uniforme aanpak op het gebied van integriteit. In 2023 ligt de focus op de verdere realisatie van de producten en instrumenten uit de Verbeteragenda Integriteit en de implementatie hiervan op basis van de veranderaanpak bij en met de regio’s.
De Koninklijke Marechaussee (KMar) heeft de integriteit van haar eigen organisatie en daarmee het bestrijden van interne corruptie hoog in het vaandel staan. Zij zet hier op in door aandacht te hebben voor het voorkomen, het tijdig verstoren en het opsporen van concrete casuïstiek. De KMar heeft naast verantwoordelijkheden op het gebied van integriteit binnen de eigen organisatie, ook een rol in het bewaken van de integriteit van de Krijgsmacht (andere Defensie-onderdelen). Het integriteitsbeleid bij de KMar richt zich niet alleen op handhaving, maar ook op een juiste houding, morele competenties en een veilige context. Dit moet de morele fitheid van de KMar vormgeven, in een snel veranderende wereld. De KMar beschikt over een Cluster Integriteit dat adviseert, klachten behandelt en onderzoek doet indien nodig, waarbij het integriteitsmanagementmodel KMar wordt gehanteerd dat integriteit bekijkt vanuit het beschermen, (stimu)leren en handhaven. Dit model sluit aan op het integriteitsmodel van Defensie en geeft handvatten aan risico-inventarisaties, preventie, voorbeeldgedrag, leren van incidenten, aanspreken en, waar nodig, ook op het vlak van corrigeren en sanctioneren.
Op 8 juli7 heeft de Staatssecretaris van Binnenlandse Zaken en Koninkrijkrelaties per brief uw Kamer geïnformeerd over een voorbeeld van corruptie bij gemeenteambtenaren burgerzaken met uitgifte van paspoorten. In de brief van 8 juli 2022 en een vervolgbrief van 8 november8 geeft zij aan met welke maatregelen zij de betrouwbaarheid van reisdocumenten wil waarborgen.
Met gesprekken en voorlichtingsmiddelen voor uitgevende instanties wordt gewerkt aan het bewustzijn dat nodig is om corruptie te ontdekken en te voorkomen. Andere maatregelen zijn gericht op versterking van processen en technologie om fraude zoveel mogelijk te voorkomen. Integriteit is een onderwerp voor personeelsbeleid en uitgevende instanties zijn hiervoor zelf verantwoordelijk. BZK werkt in samenwerking met de uitgevende instanties ondersteunende maatregelen en middelen uit.
Wat doet u aan het tegengaan van corruptie binnen de politieorganisatie? Wat is de aanpak en wat zijn de behaalde resultaten tot nu toe?
Integriteit is een van de vier kernwaarden van de politie en de politie heeft een uitgebalanceerd integriteitsbeleid waarbij de nadruk ligt op het creëren van een ethisch werkklimaat. Integriteit is hierbij een onderdeel van het dagelijks handelen van medewerkers. Ook als goed werkgever is de Politie verplicht om haar medewerkers te beschermen tegen vormen van corruptie. Want corruptie kan bijdragen aan de erosie van het vertrouwen van burgers en onze medewerkers, in de politie, de rechtstaat en kan daarmee ook onze legitimiteit aantasten.
Integriteitsschendingen komen ook bij de politie voor, waaronder ook in mindere mate corruptie. Wanneer er signalen zijn van corruptie, dan worden deze onder leiding van het Openbaar Ministerie onderzocht door de Rijksrecherche, rechercheteams en/of de afdeling Veiligheid, Integriteit. De korpsleiding heeft september 2021 op basis van het strategisch advies integriteitsbevordering besloten om de aanpak van corruptie, vanuit de werkgevers-verantwoordelijkheid binnen de politie verder te ontwikkelen en te versterken. Om medewerkers weerbaar te maken en elementen van corruptie te herkennen wordt in samenwerking met de portefeuillehouder ondermijning gewerkt aan bewustwording. De politie is in 2019 geëvalueerd door de Groep Staten tegen Corruptie van de Raad van Europa (GRECO). GRECO was grotendeels positief over de politie en er zijn aanbevelingen gedaan om het integriteitsbeleid te verbeteren. De Kamer wordt regelmatig geïnformeerd over de stand van zaken van de uitvoering van de aanbevelingen en bevindingen van GRECO aan Nederland ter preventie van corruptie.9
Om een ethisch werkklimaat te creëren om medewerkers en de politieorganisatie weerbaarder te maken en corruptie te kunnen bestrijden wordt een gezamenlijke en gestructureerde aanpak ontwikkeld. Vanuit meerdere perspectieven (waaronder wetenschap, datascience, leiderschap, etc) wordt gewerkt aan een vroegtijdige detectie en analyse.
Over de resultaten van het integriteitsbeleid informeert de Minister van Justitie en Veiligheid uw Kamer regelmatig via Kamerbrieven en in de jaarverantwoording van de politie.10
Kunt u bovenstaande vragen met spoed beantwoorden?
Ik heb de vragen zo snel als mogelijk beantwoord. Helaas is het niet gelukt dit binnen de termijn van 3 weken te doen.
Klopt het dat de plenaire behandeling, onder voorbehoud, in de Eerste Kamer op 8 november 2022 plaatsvindt en de eerstvolgende waterschapsverkiezingen op 15 maart 2023 worden gehouden?
Ja.
Wat betekent de rijkelijk late behandeling van het wetsvoorstel op 8 november voor de implementatie van (mogelijke) wijzigingen voor de eerstvolgende waterschapsverkiezingen?
Door de nog niet afgeronde parlementaire behandeling van het initiatiefvoorstel kan helaas op dit moment nog geen duidelijkheid worden gegeven aan betrokkenen bij de aankomende waterschapsverkiezingen.
De Eerste Kamer heeft op 10 oktober jl. verslag uitgebracht. Daarin zijn vergelijkbare vragen gesteld en zorgen geuit over het goed kunnen verlopen van de waterschapsverkiezingen in 2023. Uiterlijk 4 november 2022 zal op de vragen van de Eerste Kamer worden gereageerd. Daarmee is de beantwoording vanuit de regering tijdig gereed voor de plenaire behandeling van 8 november in de Eerste Kamer.
Klopt het dat het uitblijven van een beslissing of het eventueel terugsturen van het wetsvoorstel naar de Tweede Kamer zou betekenen dat er na de komende waterschapsverkiezingen op 15 maart 2023 geen wijzigingen kunnen worden aangebracht in de Waterschapswet?
Specifiek voor het nu voorliggende initiatiefvoorstel wordt opgemerkt dat onder meer tijdens het plenaire debat in de Tweede Kamer daarover is aangegeven dat de wetswijziging, uiteraard indien de Eerste Kamer dit initiatiefvoorstel aanvaardt, uiterlijk op 1 december van dit jaar in het Staatsblad moet zijn gepubliceerd in verband met de uiterste datum waarop – nieuwe – politieke groeperingen zich kunnen laten registreren (19 december dit jaar).
In zijn algemeenheid geldt overigens dat wetswijzigingen altijd mogelijk zijn, uiteraard mits aangenomen door de Staten-Generaal. Een wetsvoorstel dat al bij een van de Kamers ligt kan in principe ook gewijzigd worden (procedure novelle indien het bij de Eerste Kamer ligt). Besluitvorming over de wetgeving na de komende waterschapsverkiezingen betekent dat huidige wetgeving blijft gelden voor het verkiezingsproces in 2023.
Bent u het ermee eens dat de lange duur van het behandelproces van het wetsvoorstel onduidelijkheid creëert bij betrokkenen van de aankomende waterschapsverkiezingen en er daarom op zeer korte termijn duidelijkheid dient te worden verschaft over de toekomst van de geborgde zetels?
Zie antwoord vraag 2.
Deelt u het standpunt dat de wijzigingen aan de Waterschapswet – in welke vorm dan ook – niet meer kunnen worden doorgevoerd als de behandeling van het initiatiefvoorstel pas op 8 november in de Eerste Kamer plaatsvindt? Zo ja, bent u bereid om provincies en waterschappen duidelijkheid te bieden dat er tijdens de aankomende verkiezingen niets zal veranderen aan het systeem waarop bestuurders van waterschappen worden gekozen?
Zie antwoord vraag 2.
Kunt u deze vragen – gezien de urgentie – binnen één week beantwoorden?
Ja.
De verder verslechterde situatie van minderjarige asielzoekers in het opvangcentrum in Ter Apel |
|
Don Ceder (CU) |
|
Eric van der Burg (staatssecretaris justitie en veiligheid) (VVD) |
|
|
|
|
Welke maatregelen zijn er sinds het bezoek van de Kinderombudsman in april 2022 genomen om de situatie van alleenstaande minderjarige asielzoekers in Ter Apel te verbeteren?
Ik heb uw Kamer op verschillende momenten reeds uitvoerig geïnformeerd over de stappen die er zijn genomen sinds het bezoek van de Kinderombudsman april 2022, meest recent nog in antwoord op Kamervragen van het lid Podt.1 Kortheidshalve verwijs ik u daarom naar de beantwoording van deze vragen.
Hoe komt het dat de situatie nu volgens de Kinderombudsman toch verder is verslechterd?1
De instroom van amv is onverminderd hoog. Wekelijks komen er 100–150 amv aan met slechts een zeer beperkte doorstroom. Zoals ook aangegeven in voornoemde reactie op de vragen van het lid Podt is het daarom ook de verwachting dat de bezetting en de druk de komende periode helaas nóg verder toe zal nemen tenzij er meer plekken komen. Uiteraard is alle inzet erop gericht om deze plekken te realiseren.
Waarom kunnen zelfs basale zaken als tandenborstels niet eens verstrekt worden aan deze kinderen?
De amv die op de amv-locatie van Ter Apel verblijven hebben altijd toegang tot sanitaire voorzieningen, waaronder dus ook tandenborstels. Door het gebrek aan capaciteit hebben de afgelopen periode ook kinderen één tot enkele nachten geslapen op het aanmeldcentrum van de IND op Ter Apel. Het aanmeldcentrum is niet ingericht op opvangverblijf. Daar zijn, naast toiletten en wasbakken, dan ook geen andere sanitaire voorzieningen beschikbaar. Het bevindt zich ook op een ander deel op het opvangterrein in Ter Apel. De inzet is er dan ook op gericht om te voorkomen dat er überhaupt kinderen overnachten in de wachtruimte van de IND. Indien het toch noodzakelijk blijkt dat er amv op het aanmeldcentrum moeten overnachten deelt het Rode Kruis inmiddels hygiëne-pakketjes uit aan de amv, met daarin onder andere een tandenborstel en washandjes.
Als er een tekort aan dekens is, kunnen die dan niet op korte termijn aangeschaft worden of aangenomen worden van vrijwilligersorganisaties? Zo niet, waarom niet?
Alle amv die op de amv-locatie van Ter Apel verblijven en ook de amv die noodgedwongen moeten overnachten in de wachtruimte hebben de beschikking over dekens. Voor de amv die hebben moeten overnachten in de wachtruimte geldt uiteraard onverminderd dat we dit absoluut willen voorkomen. De inzet die daartoe wordt gepleegd is uitgebreid omschreven in de eerder genoemde beantwoording op de vragen van het lid Podt. Kortheidshalve verwijs ik u daarnaar.
Wanneer kinderen nergens anders kunnen overnachten dan in een wachtruimte zonder bedden, dekens of zelfs maar voldoende stoelen, is het dan niet beter hen in dergelijke noodgevallen in hotelkamers op te vangen? Is deze optie overwogen? Zo nee, waarom niet? Waren er geen andere mogelijkheden om deze kinderen onder te brengen?
Ik ben het uiteraard met u eens dat het feit dat deze amv in voorkomende gevallen hebben moeten overnachten in de wachtruimte van de IND hoogst onwenselijk is. Elke andere mogelijkheid was in deze gevallen echter reeds uitgeput. Er wordt momenteel al volop gebruik gemaakt van noodopvanglocaties zoals bijvoorbeeld hotels, paviljoens, huizen op recreatieparken om deze kwetsbare doelgroep op te vangen. Op de momenten dat er amv hebben moeten overnachten in de wachtruimte van de IND was er dan ook echt geen andere mogelijkheid meer.
Wat gaat u doen om deze situatie nu alsnog te verbeteren en bent u bereid de Kamer hierover binnen drie weken te informeren?
In de beantwoording van de vragen van het lid Podt heb ik reeds uitvoerig uiteengezet welke stappen er zijn genomen en worden genomen om de situatie in de amv-opvang te doen terugkeren tot de reguliere situatie. In het debat met uw Kamer van 8 september jl. heb ik toegezegd dat ik uw Kamer periodiek over de voortgang ten aanzien van een aantal van de bestuurlijke en politieke afspraken van 26 augustus jl. zou rapporteren. Hierover bent u eerstens geïnformeerd per brief d.d. 14 oktober 20223 en in het verlengde daarvan zal ik uw Kamer de komende tijd periodiek over de voortgang van de aanpak van de opvangcrisis informeren. Hierbij zal er uiteraard ook aandacht zijn voor de situatie van amv. Ik kan u niet toezeggen dat dit binnen drie weken zal zijn.
Onvolledig onderzoek naar het mortierongeluk in Mali in 2016 |
|
Jasper van Dijk (SP) |
|
Kajsa Ollongren (minister defensie) (D66) |
|
|
|
|
Wat is uw oordeel over de uitzending van het programma Argos d.d. 8 oktober 2022? Is het juist dat de toenmalige Minister van Defensie «volledige openheid» eiste, «in het bijzonder voor de nabestaanden» en dat zij onderzoek naar nalatigheid en verwijtbaar handelen van «essentieel belang» noemde?1
Het is juist dat de toenmalige Minister destijds al bij de aanbieding van het rapport van de Onderzoeksraad voor Veiligheid (Kamerstuk 34 775 X, nr. 7.) en in het plenaire Kamerdebat van 3 oktober 2017 heeft benadrukt «volledige openheid van zaken te willen bieden aan de nabestaanden». Zij noemde «onderzoek naar nalatigheid en verwijtbaar handelen van essentieel belang».
Deelt u de analyse dat de ambtelijke top van Defensie wilde voorkomen dat onderzoek werd gedaan naar «nalatigheid of verwijtbaar handelen» inzake het mortierongeval? Zo nee, wat is uw lezing van de feiten?
De documenten die Defensie openbaar heeft gemaakt, geven inzicht in de discussie die in 2017 heeft plaats gevonden over de formulering van de opdracht aan de onderzoekscommissie. Daarbij zijn ambtelijke adviezen gewisseld waarin de wenselijkheid van een onderzoek naar nalatigheid en verwijtbaar handelen door individuen ter discussie werd gesteld.
De toenmalig Minister van Defensie heeft vervolgens op 3 oktober 2017 het besluit genomen om de commissie Van der Veer in te stellen met de opdracht om onder meer «een oordeel te geven in hoeverre er op enigerlei moment sprake is geweest van nalatig en/of verwijtbaar handelen» (artikel 2, onderdeel b, van het instellingsbesluit, Staatscourant 2017, 57398).
Deelt u de conclusie dat ambtenaren van Defensie moedwillig de onderzoeksopzet van de commissie-Van der Veer hebben aangepast? Zo nee, wat is dan uw lezing van de feiten?
Het rapport van de commissie van der Veer is in januari 2018 aan de Tweede Kamer aangeboden. Tijdens een Algemeen Overleg op 25 april 2018 (Kamerstuk 21 501-28, nr. 174) en een Voortgezet Algemeen Overleg op 16 mei 2018 is uitgebreid met de Tweede Kamer gesproken over de onderzoeksopdracht en de wijze waarop daaraan door de commissie invulling is gegeven. Zoals bekend heeft de commissie de vraag naar nalatig en/of verwijtbaar handelen onderzocht op organisatie- en niet op individueel niveau, met als doel lering te trekken en soortgelijke incidenten in de toekomst zoveel mogelijk te voorkomen, zoals in het voorwoord benoemd. Uit de door Defensie, naar aanleiding van het reeds genoemde WOO-verzoek van Argos, openbaar gemaakte documenten blijkt dat er op 9 november 2017 contact is geweest tussen commissievoorzitter Van der Veer en de toenmalig secretaris-generaal van het Ministerie van Defensie over de wijze waarop de commissie invulling aan haar opdracht zou geven.
Tijdens het Voortgezet Algemeen Overleg van 16 mei 2018 is de motie Belhaj (Kamerstuk 34 775-X, nr. 110) ingediend en op 22 mei 2018 aangenomen. De motie verzoekt de regering te allen tijde de Kamer actief te informeren, mocht de taak die opgenomen is in een instellingsbesluit voor het oprichten van een (tijdelijke) commissie onverhoopt geheel of gedeeltelijk wijzigen. Gelet op de tekst van de motie heeft deze betrekking op commissies waarvoor geldt dat de taakstelling, zoals geformuleerd in het instellingsbesluit, is gepubliceerd in de Staatscourant. Het Kabinet voert deze motie uit.
Hoe beziet u de opmerkingen van commissievoorzitter Van der Veer dat hij de onderzoeksopdracht «nader geïnterpreteerd» had en daarover «overleg gepleegd had met de hoge ambtenaren en de secretaris-generaal»?2
Zie antwoord vraag 3.
Erkent u dat de aangenomen motie van het lid Belhaj (Kamerstuk 34 775-X, nr. 109) niet volledig is uitgevoerd? Zo nee, waarom niet?
Onderhavige motie verzoekt de regering, na het voltooien van het strafrechtelijk onderzoek door het OM, onderzoek te doen naar de mogelijkheid om tot (aanvullende) interne disciplinaire maatregelen over te gaan indien er op enig moment sprake is geweest van nalatig en/of verwijtbaar handelen.
In februari 2021 heeft het Openbaar Ministerie besloten om geen strafrechtelijk onderzoek in te stellen naar het mortierongeval. Direct daarna hebben de nabestaanden via hun advocaat door middel van een artikel 12-procedure bezwaar aangetekend tegen de beslissing van het Openbaar Ministerie. Op dit moment is het strafrechtelijke traject nog niet afgerond omdat deze artikel 12-procedure nog onder de rechter is.
Deelt u de mening dat nog altijd niet is vastgesteld wat de rol en verantwoordelijkheid van Defensiemedewerkers was in de aanloop naar het drama? Zo nee, wat is dan uw opvatting van de feiten?
Er is een reeks onderzoeken gedaan naar de oorzaak van het mortierongeval. In het aanvullend rapport van de Onderzoeksraad voor Veiligheid (Kamerstuk 35 925-X, nr. 92) treft u een overzicht aan van deze onderzoeken. Al deze onderzoeken hebben veel informatie ontsloten over de aanloop naar dit ongeval en tekortkomingen binnen Defensie aan het licht gebracht. Het is van groot belang dat Defensie hieruit lering trekt om te voorkomen dat een dergelijk drama zich nogmaals kan voordoen.
De nabestaanden hebben aangifte gedaan van dood door schuld en schending van dienstvoorschriften, waarbij ook aangifte is gedaan tegen het Ministerie van Defensie. Zoals ik in vraag 5 heb aangegeven is deze zaak nog in behandeling.
Deelt u de opvatting dat de aangenomen motie van het lid Belhaj (Kamerstuk 34 775-X, nr. 110) niet is uitgevoerd? Wat is uw verklaring daarvoor?
Zie het antwoord op vraag 4.
Bent u bereid nieuw onderzoek in te stellen naar nalatigheid of verwijtbaar handelen, bijvoorbeeld in de vorm van rechtspositioneel onderzoek naar plichtsverzuim waarbij ook de verantwoordelijkheid van individuele ambtenaren kan worden vastgesteld? Zo nee, waarom niet?
De oproep van de nabestaanden is luid en duidelijk. Ik vind dat we ons moeten inspannen om zoveel mogelijk van hun vragen beantwoord te krijgen. Daarom stel ik een onafhankelijke commissie in om te onderzoeken of en hoe eventueel individueel nalatig en/of verwijtbaar handelen kan worden vastgesteld en hier tevens opvolging aan te geven. Ik realiseer me dat dit besluit voor zowel de nabestaanden, betrokkenen als de Defensieorganisatie emoties zal oproepen. Zorgvuldigheid naar alle betrokkenen staat voorop en ik zal uw Kamer daarom over de verdere invulling zo snel mogelijk informeren.
Kunt u deze vragen beantwoorden voor het commissiedebat Veiligheid en integriteit Defensie op 20 oktober aanstaande?
Ja.
Het bericht ‘Onderzoek: Bonaire dreigt onder te lopen bij extreme klimaatverandering’ |
|
Raoul Boucke (D66) |
|
Rob Jetten (minister zonder portefeuille economische zaken en klimaat) (D66), Alexandra van Huffelen (staatssecretaris binnenlandse zaken en koninkrijksrelaties) (D66) |
|
|
|
|
Kent u het bericht «Onderzoek: Bonaire dreigt onder te lopen bij extreme klimaatverandering»1 en het onderhavige rapport van de VU Amsterdam, en heeft u kennisgenomen van de brandbrief van Greenpeace aan Minister-President Rutte?
Ja.
Wat vindt u van de conclusies van het rapport en deelt u de conclusies dat inwoners Bonaire grote risico’s lopen door de stijging van de zeespiegel, toenemende hitte en het afsterven van koraal?
Meerdere rapporten laten zien dat Caribisch Nederland niet ontkomt aan de gevolgen van klimaatverandering (zie bijvoorbeeld ook Kamerstuk 30 825, nr. 218 over de staat van instandhouding van de natuur in Caribisch Nederland). Te voorzien is dat op termijn maatregelen nodig zijn om de gevolgen van klimaatverandering het hoofd te kunnen bieden. Het gaat bij klimaatadaptatiemaatregelen ook om het nu al maken van de juiste keuzes met name in de ruimtelijke ordening en inrichting van Caribisch Nederland. Het lokale bestuur heeft de mogelijkheden om te sturen op een ruimtelijke ordening en inrichting waarmee schade en overlast door weersextremen zo veel mogelijk wordt voorkomen. Denk hierbij aan het uitsluiten van nieuwbouw in laag gelegen gebieden direct aan zee en het inperken van het gebruik van kwetsbare gebieden.
In het kader van het Natuur en Milieu Beleidsplan 2020–2030 (NMBP) voor Caribisch Nederland zal in 2023 een bredere beoordeling plaatsvinden van de gevolgen van klimaatverandering voor de eilanden. Ook is Bonaire voornemens om een Klimaattafel op te zetten om de gevolgen van klimaatverandering zo goed mogelijk op te vangen en een aanpak te formuleren die aansluit op de lokale context. De Minister voor Klimaat en Energie heeft hiervoor een kwartiermaker aangesteld. Hierbij zal zowel mitigatie als adaptatie aan de orde komen. Het Rijk kan bovendien de openbare lichamen met kennis en tools ondersteunen bij het opstellen van een adaptatiestrategie. Verder is in het kader van het kennisprogramma zeespiegelstijging een quickscan gedaan naar zeespiegelstijging in Caribisch Nederland en wordt in het kader van de klimaatscenario’s door het KNMI verder gekeken naar de klimaatverandering in Caribisch Nederland.
Bent u van mening dat er meer onderzoek nodig is naar de gevolgen van de klimaatverandering voor alle Caribische eilanden en Landen? Zo ja, hoe kan de Staatssecretaris vanuit haar coördinerende rol faciliteren? Zo nee, waarom niet?
Onderzoek is essentieel om een beeld te krijgen van de risico´s en de mogelijke maatregelen. Meer nog dan zeespiegelstijging gaat het in het Caribisch gebied om de combinatie van zeespiegelstijging, stormen en droogte. Er is meer inzicht nodig in deze effecten, om zo een goede inschatting te kunnen maken van de risico’s.
Er is al eerder onderzoek gedaan voor Caribisch Nederland en aanvullend onderzoek staat in de planning. In 2017 heeft het Ministerie van Infrastructuur en Waterstaat een quickscan uitgevoerd naar overstromingsrisico’s als gevolg van orkanen, tsunami’s en neerslag in Caribisch Nederland. Door het KNMI is vervolgens extra geïnvesteerd in de verbetering van het inzicht in het golfsysteem in het gebied, zodat betere voorspellingen kunnen worden gedaan ten aanzien van golfopzet. Ook kijkt het KNMI als onderdeel van het opstellen van de nationale klimaatscenario´s ook naar Caribisch Nederland, naar zeespiegelstijging, de ontwikkeling van stormen en het optreden van droogteperiodes daar. Met deze informatie kan de impact van de opwarming van de aarde op bijvoorbeeld de landbouw en de natuur beter in kaart worden gebracht. De uitkomsten, die in 2023 worden verwacht, kunnen worden verwerkt in een klimaateffectatlas en als bouwsteen worden gebruikt bij risicodialogen en bij besluitvorming in het kader van ruimtelijke ordening en ruimtelijke inrichting en bij het opstellen van adaptatiestrategieën.
Bent u, mede naar aanleiding van bovengenoemd onderzoeksrapport, van mening dat er overwegingen zijn de Klimaatwet ook van toepassing te kunnen laten zijn voor Caribisch Nederland? Raadpleegt u de eilanden hierover? Kunt u de Kamer schriftelijk informeren over de mogelijkheden en gevolgen indien Caribisch Nederland ook onder de Klimaatwet zou komen te vallen? Zo nee, waarom niet?
De Klimaatwet past binnen de context van de internationale en Europeesrechtelijke verplichtingen die voor Nederland gelden op het gebied van het tegengaan van klimaatverandering. Het VN Klimaatraamverdrag, de Overeenkomst van Parijs en ook de Europeesrechtelijke verplichtingen die daaruit zijn afgeleid, gelden alleen voor het Europese deel van het Koninkrijk der Nederlanden. De Klimaatwet is dan ook alleen van toepassing op het terugdringen van broeikasgassen in het Europese deel van het Koninkrijk der Nederlanden.
De regeringen van de landen Aruba, Curaçao en Sint Maarten bepalen zelf hun standpunt over medegelding van het VN Klimaatraamverdrag en de Overeenkomst van Parijs. Voor medegelding is van belang dat deze landen hun uitvoeringsregelgeving op orde hebben. De Nederlandse Klimaatwet kan geen gelding krijgen in deze landen.
Het verbreden van het toepassingsbereik van de Klimaatwet naar Bonaire, Saba en Sint Eustatius ligt vanwege de Europese context van deze wet niet voor de hand. Dat neemt niet weg dat het kabinet het van belang acht om ook op Bonaire, Saba en Sint Eustatius de uitstoot van broeikasgassen te reduceren en de energievoorziening te verduurzamen. Een wettelijke regeling, specifiek voor deze eilanden, is daarvoor echter niet nodig. Ook zonder een wettelijke regeling kan er immers consistent klimaat(mitigatie)beleid worden gevoerd. Zo heeft het kabinet op 28 september 2022 bekend gemaakt de verduurzaming van de elektriciteitsproductie in Caribisch Nederland te steunen met 33,6 miljoen Euro (kamerstuk 32 813, nr. 1005). Hiermee wordt binnen enkele jaren een aandeel duurzaam behaald van gemiddeld 75 à 80%. Daarnaast is Bonaire voornemens een klimaattafel op te zetten om de uitdagingen op het gebied van klimaat beter in beeld te krijgen en tot integraal beleid te komen. Het kabinet heeft een kwartiermaker aangesteld die de opzet van deze klimaattafel zal faciliteren. Ook voor Saba en Sint Eustatius wordt bekeken wat de mogelijkheden zijn voor een klimaattafel.
Internationale verdragen zoals het Verdrag van Parijs zijn uitsluitend door Nederland ondertekend en niet door de Caribische Landen in het Koninkrijk; worden, mede naar aanleiding van meer overleg inzake internationale klimaatverdragen, de Caribische Landen aangemoedigd om internationale klimaatverdragen medegeldig te verklaren? Zo ja, welke voordelen biedt dit voor de bescherming tegen klimaatverandering, toegang tot financiering voor klimaatadaptatie en het uitvoeren van implementatieplannen voor klimaatadaptatie?
De Overeenkomst van Parijs is voor wat betreft het Koninkrijk der Nederlanden aanvaard voor het Europese deel van Nederland. Het is mogelijk de gelding van het verdrag voor wat betreft de gelding voor het Koninkrijk uit te breiden tot de andere delen van het Koninkrijk. De autonome landen binnen het Koninkrijk (Aruba, Curaçao en Sint Maarten) kunnen zelf aangeven dat zij medegelding van het verdrag voor hun land wenselijk achten. De verdragsverplichtingen gelden dan ook in die delen van het Koninkrijk. Voor de uitvoering van het verdrag zal het nodig zijn uitvoeringswetgeving op te stellen.
Verdragspartijen hebben onder de Overeenkomst van Parijs verschillende rechten en voordelen. Ontwikkelingslanden kunnen aanspraak maken op financiering, capaciteitsopbouw en overdracht van technologie. Voor wat betreft het Koninkrijk zal de precieze uitwerking in de uitvoeringspraktijk van de landen vorm moeten krijgen.
Op welke wijze geeft de Staatssecretaris Koninkrijksrelaties invulling aan haar coördinerende rol inzake klimaatverandering en de gevolgen voor de Caribische delen van het Koninkrijk en op welke wijze kan zij deze rol nog verder versterken onder andere door overleg met de Minister van Infrastructuur en Waterstaat?
De openbare lichamen zijn allereerst zelf verantwoordelijk voor het ontwikkelen van adaptatiestrategieën en het (ruimtelijk) sturen op een transitie naar meer weerbaarheid. Het Rijk is bereid de openbare lichamen hierbij te ondersteunen. Dit wordt onder andere gefaciliteerd via de samenwerking op het NMBP, dat door zowel de openbare lichamen als BZK, IenW en LNV getekend is, en via ondersteuning in de vorm van kennis en tools, zoals een klimaateffectatlas als basis voor stresstests. Ook de Klimaattafel die Bonaire momenteel opzet, zal hieraan bijdragen.
Wat kunt u zeggen over het onderzoek dat de European Public Prosecutor’s Office heeft verricht bij de Belastingdienst? Waarom is er onderzoek gedaan?
Op welke andere plekken is onderzoek gedaan in het kader van dit onderzoek?
Welke vervolgstappen van het European Public Prosecutor’s Office verwacht u? Volgen er meer onderzoeken in Nederland?
Welke dienstonderdelen van de Belastingdienst huisvesten in het kantoor in Den Haag?
Wanneer informeert u de Tweede Kamer over het onderzoek?
Het bericht ‘Tientallen klachten van misbruik en mishandeling in Gelders jeugddorp’ |
|
Jacqueline van den Hil (VVD), Ruud Verkuijlen (VVD), Simone Richardson (VVD) |
|
Franc Weerwind (minister zonder portefeuille justitie en veiligheid) (D66), Maarten van Ooijen (staatssecretaris volksgezondheid, welzijn en sport) (CU) |
|
|
|
|
Bent u bekend met het bericht «Tientallen klachten van misbruik en mishandeling in Gelders jeugddorp»?1
Ja.
Zijn deze misstanden ook ter sprake gekomen bij het bezoek van de Staatssecretaris aan dit jeugddorp op 14 september jongstleden? Zo nee, waarom niet?2
Nee, deze misstanden zijn niet besproken. Voorafgaand aan mijn werkbezoek aan de Glind hebben mij geen signalen bereikt over misstanden. Indien dat wel het geval was, was ik het gesprek hierover zeker aangegaan.
Hebben externe toezichthouders al eerder signalen bereikt over onveilige omstandigheden in jeugddorp de Glind? Zo ja, vanaf wanneer waren deze externe toezichthouders hiervan op de hoogte en welke stappen zijn toen ondernomen? Zo nee, hoe kan het dat dit nog niet bekend was bij de betrokken toezichthouders?
In de periode 2018 tot begin oktober 2022 ontving de IGJ 8 signalen en 5 meldingen over zorgaanbieders uit de Glind. Bij iedere melding bepaalt de IGJ welke vervolgstappen nodig zijn. Dat kan onmiddellijke actie zijn, maar het kan ook zijn dat de IGJ een zorgaanbieder bijvoorbeeld vraagt om zelfstandig onderzoek te doen. Meldingen die de IGJ ontvangt over geweld, misbruik of grensoverschrijdend gedrag binnen een gezinshuis, worden altijd opgevolgd. Ook neemt de IGJ meldingen die worden ontvangen mee in toekomstig toezicht. Veel van de zorgaanbieders in de Glind betreffen gezinshuizen.
Over de precieze inhoud van meldingen en de afhandeling doet de IGJ nooit mededelingen. Dat is vanwege de vertrouwelijkheid van de informatie en de privacy van betrokkenen. En omdat meldingen (ook oudere) meegenomen kunnen worden in toekomstig toezicht of onderdeel zijn van lopend toezicht.
Hoe reflecteert u op de constatering van oud-pleegkinderen dat sprake is van een gesloten systeem dat vermeende daders de hand boven het hoofd hield? Welke stappen worden nu ondernomen ten aanzien van de zorgaanbieder?
Het is zeer te betreuren dat oud-pleegkinderen geen klacht durfden in te dienen of aangifte durfden te doen tegen vermeende daders van de misstanden in de Glind. Het gesloten systeem zoals in de uitzending van omroep Gelderland over de Glind in de jaren ‘80 en ‘90 is beschreven, is inmiddels veranderd. Het is sinds het begin van de jaren ‘90 niet meer verplicht om als hulpverlener in De Glind te wonen. Voor de gezinshuiskinderen wordt gekeken wat een passende school/ opleiding voor hen is, waardoor zij ook buiten de Glind naar een reguliere basisschool of school voor voortgezet onderwijs kunnen gaan.
In 2016 is de Stichting Jeugddorp de Glind opgericht, naast Stichting Intermetzo (de voorganger van Pluryn), die ook gezinswonen aanbiedt als zorgaanbieder. Ook andere zorgaanbieders hebben zich ondertussen gevestigd in het dorp met één of meerdere gezinshuizen, woonvormen of logeervoorzieningen. De verschillende zorgaanbieders werken binnen het dorp samen op het gebied van bijvoorbeeld vrijetijdsvoorzieningen. Intercollegiaal overleg of het bespreken van het (vermoeden) van misstanden kan hierdoor makkelijk plaatsvinden tussen professionals die geen afhankelijkheidsrelatie ten aanzien van elkaar hebben in de privésfeer.
De grootste franchise-gevende organisatie van gezinswonen (Gezinshuis.com) heeft sinds enkele jaren geen kantoor meer in de Glind en daarmee geen directe belangen, anders dan het vertegenwoordigen van haar formule bij zorgaanbieders en bij een groot deel van de gezinshuizen in het dorp. De positionering van Gezinshuis.com buiten de Glind draagt bij aan haar onafhankelijke positie.
De lopende meldingen en signalen die over de betrokken zorgaanbieders worden gemeld bij de Inspectie Gezondheidszorg en Jeugd (IGJ), zullen zorgvuldig door de IGJ worden behandeld en zo nodig worden onderzocht. Zie ook het antwoord op vraag 3.
Hoe wordt recht gedaan aan de groep oud-pleegkinderen die hun verhaal hebben verteld? Hoe wordt erop toegezien dat deze oude meldingen alsnog worden behandeld?
Pluryn heeft een telefoonlijn opgezet voor deze groep slachtoffers.
Pluryn is ook onderzoek aan het voorbereiden. Ik heb begrepen dat ze zowel onderzoek laten doen naar de stukken die in de archieven bewaard zijn, als methodologisch onderzoek, bijvoorbeeld door middel van focusgroepen met (oud)medewerkers en (oud)cliënten. De uitkomsten van beide onderzoeken zijn bedoeld om zowel helder te krijgen wat er gebeurd is met meldingen, maar ook om te leren hoe nu en in de toekomst om te gaan met (gevoelens van) onveiligheid van cliënten en medewerkers en dit te voorkomen.
Slachtoffers kunnen ook bellen met de telefoonlijn van Slachtofferhulp Nederland. Zij bieden hulp en ondersteuning en geven persoonlijk advies aan onder meer slachtoffers van geweld of seksueel misbruik.
Slachtoffers die tussen 1945–2019 slachtoffer zijn van geweld en behoefte hebben aan een luisterend oor of zoekende zijn naar hulp of ondersteuning, kunnen bellen met de telefoonlijn van het Centraal Informatie en Expertisepunt. Dat is speciaal opgericht voor slachtoffers van geweld. Er is ook een mogelijkheid tot chatten.
Indien zij dit nog niet gedaan hebben, kunnen de slachtoffers ook een financiële tegemoetkoming vragen bij het Schadefonds Geweldsmisdrijven. Mensen die tussen 1945–2019 als minderjarige onder verantwoordelijkheid van de overheid in aanraking kwamen met geweld in de vorm van jeugdzorg waar zij verbleven, komen in aanmerking voor deze vergoeding.
Zijn er voldoende mogelijkheden voor bewoners en jeugdbeschermers om veilig meldingen te doen, intern en extern, van onveilige situaties binnen het jeugddorp? Zijn bewoners en jeugdbeschermers hier ook voldoende van op de hoogte?
Er zijn nu diverse mogelijkheden voor bewoners maar ook voor jeugdbeschermers om veilig een melding te doen, indien zij over een zorgaanbieder klachten hebben, of onveiligheid of geweld ervaren. De mogelijkheden voor het doen van meldingen en het indienen van klachten zijn bekend bij de jeugdbeschermers en ook bewoners weten waar zij terecht kunnen bij klachten of onveilige situaties.
Allereerst hebben kinderen, ouders en pleegouders, op grond van de Jeugdwet, klachtrecht. Jeugdhulpaanbieders waaronder gezinshuizen moeten een klachtenregeling opstellen waarin in ieder geval voorzien wordt in een klachtencommissie met een onafhankelijk voorzitter die de klachten kan behandelen. Wordt de klacht niet naar tevredenheid afgehandeld dan kan de klager zich wenden tot de Nationale ombudsman of de Kinderombudsman.
Er bestaat tenslotte ook de mogelijkheid een tuchtklacht in te dienen.
Daarnaast moeten jeugdhulpaanbieders zoals gezinshuizen beschikken over een onafhankelijk vertrouwenspersoon, zoals een vertrouwenspersoon van het AKJ (Advies- en Klachtenbureau Jeugdzorg). Jeugdigen en hun ouders kunnen daar terecht voor hulp bijvoorbeeld bij het indienen van een (tucht)klacht over een jeugdhulpaanbieder. De vertrouwenspersoon van het AKJ komt in het geval van een gezinshuis vier keer per jaar langs om een gesprek te voeren met de jeugdige. Bij klachten kan ook een gesprek worden gevoerd met de betreffende jeugdprofessional eventueel in aanwezigheid van diens leidinggevende. Indien sprake is van acuut gevaar dan kan de vertrouwenspersoon de situatie zelf signaleren bij de IGJ.
Er kan ook gemeld worden bij het Landelijk Meldpunt Zorg (LMZ) van de IGJ. Het LMZ geeft advies en informatie bij klachten over de kwaliteit van zorg en geeft aan welke stappen mensen/ jeugdigen met klachten kunnen zetten.
Naast het LMZ heeft de IGJ een apart meldpunt voor (ex-)medewerkers en zorgaanbieders.
Zijn er op dit moment overeenkomstige signalen bekend bij andere jeugdinstellingen?
De IGJ zal meldingen door jeugdhulpaanbieders en signalen en meldingen die bij het LMZ binnen komen over jeugdinstellingen zorgvuldig behandelen en zo nodig onderzoeken. Over de inhoud van deze signalen en meldingen en over de afhandeling ervan doet de IGJ nooit mededelingen in verband met de vertrouwelijkheid van de informatie en de privacy van betrokkenen.
Bent u bereid om breder onderzoek te doen naar veilige leefomstandigheden binnen dit soort woonvormen naar aanleiding van deze casus en de Kamer hierover voor het einde van het jaar te informeren? Zo nee, waarom niet?
Begin dit jaar heb ik het onderzoek naar veiligheidsbeleving onder jongeren in de jeugdzorg met verblijf naar uw Kamer gestuurd3. In mijn beleidsreactie en eveneens in het door de Tweede Kamer aangevraagde VSO heb ik aangegeven dat ik dit onderzoek naar veiligheidsbeleving in 2023 wil herhalen.
Specifiek naar aanleiding van deze casus heeft zorgaanbieder Pluryn aangegeven dat zij onderzoek gaan laten uitvoeren over wat er in de Glind gespeeld heeft. Zie ook het antwoord op vraag 5.
Het Schadefonds Geweldsmisdrijven voert de tijdelijke regeling slachtoffers jeugdzorg uit waarmee slachtoffers die tussen 1945–2019 in de jeugdzorg verbleven een tegemoetkoming kunnen krijgen van € 5.000. Ik wil een onderzoek laten uitvoeren naar de gegevens die het Schadefonds Geweldsmisdrijven heeft opgehaald bij het uitvoeren van de regeling. Uit de gegevens van het Schadefonds Geweldsmisdrijven zijn mogelijk rode draden of patronen te herkennen waaruit lessen kunnen worden getrokken om de veiligheid van jeugdigen waar nodig te verbeteren. Een extra onderzoek voordat deze onderzoeken zijn uitgevoerd, heeft hierdoor op dit moment weinig meerwaarde.
De uitspraak van de Pfizer-directeur in het Europees Parlement over effectiviteit coronavaccin tegen verspreiding van het coronavirus |
|
Wybren van Haga (BVNL) |
|
Kuipers |
|
|
|
|
Bent u op de hoogte van de uitspraak van Pfizer-directeur J. Small, naar aanleiding van een vraag van Europarlementariër Rob Roos in het Europees Parlement, dat het coronavaccin van Pfizer voor het op de markt kwam nooit was getest op effectiviteit tegen transmissie van het coronavirus? Zo ja, wat is uw reactie op deze uitspraak?
Ja, ik ben op de hoogte van deze uitspraak. Een uitgebreide reactie op deze uitspraak geef ik in mijn antwoorden op de onderstaande vragen.
Waren uw voorganger en het toenmalige kabinet ervan op de hoogte dat het coronavaccin van Pfizer voor het op de markt kwam nooit is getest op de effectiviteit op transmissie van het coronavirus? Zo ja, vanaf wanneer waren zij daarvan op de hoogte? Was bij het kabinet al voor de start van de eerste vaccinatieronde al bekend dat de effectiviteit op transmissie niet kon worden aangetoond, omdat hierop (nog) niet getest was?
Uw Kamer is op 24 december 2020 geïnformeerd over de werkzaamheid, kwaliteit en veiligheid van het BioNTech/Pfizer-vaccin, op basis van het advies van de Gezondheidsraad van diezelfde dag. In zowel het advies van de Gezondheidsraad als de Kamerbrief van 24 december 2020 is benoemd dat de mate waarin het vaccin beschermt tegen overdracht van het virus nog verder onderzocht diende te worden. Het is gebruikelijk dat dit soort populatieonderzoek na (voorwaardelijke) markttoelating wordt gedaan.
De Gezondheidsraad oordeelde, net als het Europees Geneesmiddelenbureau (EMA), positief over de werkzaamheid en veiligheid van het BioNTech/Pfizer-vaccin. Ik vind het belangrijk om dat hier te benadrukken, net als het gegeven dat de COVID-19-vaccins een buitengewoon belangrijke bijdrage hebben geleverd aan het voorkomen van ernstige ziekte en sterfte als gevolg van het coronavirus.
Waarom heeft het (toenmalige) kabinet vanaf het begin van de vaccinatiecampagne benadrukt dat vaccineren van belang was voor het beschermen van anderen in je omgeving, en stoppen van de verspreiding van het coronavirus, als dat helemaal niet was aangetoond? Kunt u uitleggen waarop deze bewering was gebaseerd als daarvoor geen wetenschappelijke onderbouwing bestond, of deze op zijn minst nog onzeker was, en waarom er dan gekozen is voor het verspreiden van deze informatie op een dusdanige stellige manier, als motivatie voor mensen om zich te laten vaccineren?
Wanneer minder mensen (ernstig) ziek worden door vaccinatie, heeft dit indirect ook een effect op de verspreiding van het virus. Het is daarom aannemelijk dat een vaccin dan ook een effect op transmissie zal hebben. Als de vaccins de verspreiding van het virus verminderen, dan ligt het in de lijn der verwachting dat ook de mensen die (nog) niet zijn gevaccineerd beschermd worden als veel mensen om hen heen zijn gevaccineerd. Dit is ook benoemd in de adviezen van de Gezondheidsraad1.
Indien uw voorganger en het (toenmalige) kabinet wel degelijk in de veronderstelling waren dat het coronavaccin van Pfizer transmissie zou voorkomen, van wie hebben zij deze informatie dan gekregen en is daarvoor wetenschappelijke onderbouwing aangeleverd? Bent u er bovendien van op de hoogte dat er al heel vroeg in de coronacrisis studies waren die lieten zien dat de vaccins waarschijnlijk geen effect op transmissie zouden hebben? Waarom is dan toch gekozen voor het aanhangen van een op zijn minst wetenschappelijk discutabele hypothese en is deze als waarheid geponeerd?
Het kabinet heeft bij de voorbereidingen en aanvang van de vaccinatiecampagne steeds benoemd dat er nog onzekerheden waren met betrekking tot de mate waarin het vaccin transmissie van het virus kon voorkomen. De Gezondheidsraad is daarom op 2 maart 2021 gevraagd te adviseren over het verwachte effect van vaccinatie op de transmissie van SARS-CoV-2. Op 20 mei 2021 gaf de raad aan dat het, op basis van de beschikbare wetenschappelijke literatuur, waarschijnlijk is dat vaccinatie tot op zekere hoogte transmissie tegengaat. De Gezondheidsraad baseerde zich hierbij onder andere op rapportages van het Europees Centrum voor ziektepreventie en -bestrijding (ECDC). Inmiddels zijn er meerdere wetenschappelijke studies verschenen waaruit blijkt dat vaccinatie transmissie van het coronavirus tegengaat. Dit is onder andere gebleken uit verschillende onderzoeken die het afgelopen jaar door het RIVM zijn uitgevoerd2. Er blijft echter altijd een zekere mate van onzekerheid over de exacte bescherming tegen transmissie, omdat dit sterk afhankelijk is van de op dat moment dominante variant van het virus.
Indien uw Ministerie en het (toenamalige) kabinet verkeerd waren voorgelicht, bent u dan voornemens om (juridische) stappen te ondernemen tegen Pfizer BioNTech, voor het misleiden van de Nederlandse overheid en de burgers? Zo nee, waarom niet?
In de antwoorden op vraag 2 tot en met 4 heb ik toegelicht waarom geen sprake is van misleiding.
Indien uw Ministerie en het (toenmalige) kabinet er wel van op de hoogte waren dat het coronavaccin van Pfizer niet getest was op effectiviteit tegen transmissie, bent u het dan eens dat het Nederlandse volk bewust door de overheid is misleid middels desinformatie over betreffend vaccin en dat er dus geen sprake is geweest van informed consent? Zo ja, kunt u verantwoorden waarom gekozen is voor deze tactiek? Zo nee, waarom niet? Kunt u een uitgebreide uitleg geven van de overwegingen om het vaccin te presenteren als effectief tegen transmissie?
Zoals ik in de antwoorden op vraag 2 tot en met 4 heb toegelicht, is het kabinet steeds transparant geweest over de beschikbare informatie rondom de effectiviteit van het COVID-19-vaccin van BioNTech/Pfizer.
Hoe reflecteert u op het feit dat mensen zich gedwongen hebben gevoeld zich te laten vaccineren, in de veronderstelling dat zij anders hun naasten en omgeving in gevaar zouden brengen door het virus te verspreiden? Vindt u achteraf bezien niet dat er van dergelijke psychologische drukmiddelen nooit gebruik gemaakt had mogen worden, aangezien daarvoor geen wetenschappelijke rechtvaardiging was?
Vaccineren is een vrije keuze. Dit laat onverlet dat je niet laten vaccineren nadelige effecten kan hebben voor anderen. Er is brede wetenschappelijke consensus over de mate waarin vaccinatie bijdraagt aan bescherming tegen het coronavirus en het tegengaan van transmissie. Op die manier draagt vaccinatie in grote mate bij aan het bevorderen de volksgezondheid. Van gebruik van psychologische drukmiddelen is geen sprake.
Zou u, in retrospectief en met het voortschrijdend inzicht van nu, de vaccinatiestrategie anders hebben vormgegeven en alle vormen van dwang, drang en druk achterwege hebben gelaten?
Zie hiervoor het antwoord op vraag 7.
Bent u het eens dat deze nieuwe informatie over het coronavaccin van Pfizer moet leiden tot een grondige herziening van de vaccinatiestrategie en dat deze per direct slechts nog gebaseerd mag zijn op volledige vrijwilligheid en volstrekte transparantie over de werking en effectiviteit van deze vaccins?
Vaccineren tegen COVID-19 gebeurt op vrijwillige basis. Er is daarnaast brede wetenschappelijke consensus over de werking en effectiviteit van de COVID-19-vaccins van BioNTech/Pfizer. De Tweede Kamer en de samenleving zijn hierover langs verschillende kanalen geïnformeerd.
Bent u voornemens om de vaccinatiebereidheid en/of de vaccinatiegraad op geen enkele manier meer van invloed te laten zijn op het toekomstige coronabeleid? Zo nee, waarom niet?
Het coronabeleid is gebaseerd op verschillende variabelen. De mate van immuniteit onder de bevolking en de kennis die op dat moment beschikbaar is over de mate van bescherming van vaccins wegen daarin mee. Wat deze variabelen betekenen voor het coronabeleid heb ik in mijn Kamerbrief van 13 oktober jl. aan uw Kamer toegelicht3.
Bent u voornemens om het inzetten van het coronatoegangsbewijs gegarandeerd voorgoed te verwerpen, aangezien vaccineren weinig effect heeft op transmissie en er dus geen grond is om mensen uit te sluiten van het openbare leven op grond van hun vaccinatiestatus? Zo nee, waarom niet?
Zoals ik in mijn antwoord op eerdere vragen van het lid Van Haga4 heb toegelicht, bestaat er op dit moment geen wettelijke grondslag voor de inzet van het coronatoegangsbewijs (CTB). Ook in de eerste tranche wijziging van de Wet Publieke Gezondheid is geen grondslag voor de inzet van het CTB meegenomen. Een aantal sectoren die de afgelopen twee jaar zwaar getroffen zijn door het coronavirus, geeft aan dat het CTB een wenselijke – en in een aantal gevallen zelfs de enige werkbare – maatregel is om renderend open te kunnen blijven tijdens een zware opleving van het virus. Deze sectoren willen het CTB als instrument in kunnen zetten in het geval dat er bij een opleving van het virus zwaardere interventiemaatregelen nodig zijn. Ook hebben de Raad van State en het MIT geadviseerd een CTB op te nemen in de «gereedschapskist» om de samenleving zo veel mogelijk open te kunnen houden bij een opleving van het virus. Het kabinet hoopt dat de inzet van ingrijpende interventiemaatregelen, zoals het CTB, niet meer nodig zal zijn, maar ziet ook dat het op voorhand uitsluiten van maatregelen bij een mogelijke opleving in de toekomst de mogelijke interventiemaatregelen beperkt. Hierdoor kunnen mogelijke ingrijpendere maatregelen sneller in beeld komen. Als er in uw Kamer draagvlak is voor een instrument als het CTB dan valt een wetsvoorstel te overwegen ter ondersteuning van de sectorplannen.
In de sectorplannen waar het CTB genoemd wordt als mogelijke maatregel, gaat het om het CTB in de vorm van 1G (Testen voor Toegang) of 3G. Bij beide vormen geldt dat mensen die ervoor kiezen zich niet te laten vaccineren een geldig CTB kunnen krijgen met een negatieve testuitslag. Een alternatief voor vaccinatie is bij deze toepassingen van het CTB dus altijd mogelijk.
Het bericht 'Energy union or deindustrialisation' |
|
Laurens Dassen (Volt) |
|
Micky Adriaansens (minister economische zaken en klimaat) (VVD), Rob Jetten (minister zonder portefeuille economische zaken en klimaat) (D66) |
|
|
|
|
Bent u bekend met het artikel «Energy Union or Energy union or deindustrialisation»?1
Ja.
Herinnert u zich de artikelen «Fabrieken worden stilgelegd door energieprijzen en dat gaan we merken»2 en «Europese metaalbedrijven vrezen permanente sluiting van fabrieken»?3
Ja.
Erkent u dat de hogere energieprijzen in Europa in vergelijking tot andere landen, namelijk negen keer hoger in Augustus ten opzichte van de prijzen in de Verenigde Staten de-industrialisatie van Europa in gang zet?
Ik erken dat de hoge energieprijzen in Europa reden zijn tot zorg, en dat deze hoge prijzen de concurrentiepositie van delen van de (energie-intensieve) industrie onder druk zet. Deze zorg leeft ook bij mijn collega’s elders in Europa.
Ik ben dan ook in direct contact met een aantal van de grote bedrijven die onder de hoge energieprijzen lijden. In augustus waren de energieprijzen inderdaad significant hoger dan in bijvoorbeeld de Verenigde Staten. Gelukkig is sindsdien de gasprijs in Europa met 70% gedaald. Dit biedt echter geenszins zekerheid op de lange termijn. Zoals toegezegd in het Commissiedebat Bedrijfslevenbeleid van 19 oktober jl., zal ik uw Kamer voor het einde van het jaar informeren over de impact van de gestegen energieprijzen op de industrie en de wijze waarop het kabinet hierin zal gaan acteren.
Deelt u de mening dat het noodzakelijk is de strategische en groene industrie binnen Europa voor te toekomst te behouden? Zo nee, waarom niet?
Ja, ik deel deze mening. Zoals ook aangegeven in mijn industriebrief van deze zomer en de brief over de verduurzaming van de industrie hecht het kabinet eraan om een strategische en groene industrie binnen Europa te behouden. Dit voorkomt dat CO2-emissies simpelweg worden verplaatst, vermindert onze afhankelijkheid van derde landen voor belangrijke goederen en zorgt voor een diverse en daarmee veerkrachtigere economie.
Deelt u de mening dat de huidige eisen en doelen [omtrent energiebesparing, staatssteun, afroming van winsten en maximale vulgraden] die door de Europese Unie gesteld zijn, maar ingevuld en uitgevoerd worden door de landen zelf waarbij er grote verschillen ontstaan door budgettaire capaciteit tussen landen, kan leiden tot een ongelijk speelveld en daarmee instabiliteit van de interne markt? Zo nee, waarom niet?
De plannen van de EU op dit gebied houden al rekening met het verschil in welvaart en budgettaire ruimte tussen lidstaten. De middelen uit de Green Deal, het RepowerEU programma en de Recovery and Resilience Facility komen in het bijzonder aan de minder kapitaalkrachtige lidstaten ten goede en minder aan lidstaten zoals Nederland. Ook gezamenlijke inkoop is een maatregel die de effecten van ongelijke marktmacht tussen lidstaten tegengaat. Er zijn dus al waarborgen getroffen voor het bevorderen van een gelijk speelveld.
Deelt u de mening dat de ontwikkeling van een Europees afschakelplan ervoor kan zorgen dat de cruciale sectoren kunnen blijven draaien? Zo nee, waarom niet?
Nee, deze mening deel ik niet. Als ook aangegeven in de Kamerbrief van 9 september inzake de voortgang van het BH-G (Kamerstuk 29 023, nr. 342) wordt de afschakelstrategie in nauw overleg met de belangrijke handelspartners België en Duitsland vormgegeven. De komende periode zal een nadere analyse van grensoverschrijdende keteneffecten van deze landen worden gemaakt en met deze landen worden besproken. Indien nodig zal de afschakelstrategie daarop worden aangepast.
Deelt u de mening dat de ontwikkeling van een Europese Energie Unie noodzakelijk is om te zorgen dat de-industrialisatie wordt voorkomen? Zo nee, waarom niet?
Het kabinet deelt deze mening deels. In reactie op de huidige energiecrisis en de stijging van energieprijzen in de EU worden zowel in EU-verband als op nationaal niveau veel maatregelen genomen om de gevolgen van de stijgende energiekosten voor burgers en bedrijven te verzachten en ook om de oorzaken van de gestegen energieprijzen aan te pakken. Samenwerking op Europees niveau is dan ook zeer belangrijk. Zie ook het antwoord op vraag 8.
Deelt u de resultaten van het onderzoek van het University College Dublin dat een Europese Energie Unie – waarbij de energie- en gasprijs op Europees niveau worden losgekoppeld, er gezamenlijk ingekocht wordt en het pan-Europese supergrid wordt afgemaakt, energieprijzen binnen de Europese Unie met 32% dalen?4 Zo nee, waarom niet?
Het onderzoek – waaraan de VOLT-fractie refereert – gaat niet in op een Europese Energie Unie maar betreft een studie naar de voordelen van een mogelijk pan-Europees «super grid». Een conclusie van dit onderzoek is dat de energiekosten met 32% zouden kunnen dalen als gevolg van verdere versterking van de pan-Europese transmissienetwerken. Het klopt dat uitbreiding en versterking van Europese transmissienetten een belangrijke voorwaarde is voor het slagen van de energietransitie. De resultaten van dit onderzoek vloeien voort uit van een groot aantal aannames. Dit maakt het moeilijk te beoordelen hoe reëel dit cijfer is.
Deelt u de mening dat een Europese Energie Unie het opbouwen van strategische reserves makkelijker maakt omdat landen niet meer met elkaar concurreren? Zo nee, waarom niet?
Deze mening deel ik niet. Ten eerste kan een gezamenlijke gasinkoop bijdragen aan het makkelijker opbouwen van strategische reserves. Dit kan echter ook zonder een Europese Energie Unie, zoals de VOLT-fractie deze voor zich ziet. Voorts kan een gezamenlijke Europese Energie Unie uiteindelijk bijdragen aan lagere kosten die de burgers betalen voor energie. Vandaag de dag vormen ook moeilijk te beheersen externe factoren een belangrijke oorzaak van hogere energieprijzen. Voor een weerbaar Europees energiesysteem is de Europese Energie Unie geen doel op zich. Het gaat er wat mij betreft dan vooral om dat de EU als geheel niet alleen een geïntegreerd energiesysteem heeft, maar ook in staat is deze te voeden met overwegend hernieuwbare energie van eigen bodem. Dát maakt weerbaarder voor schokken van buitenaf.
Deelt u de mening dat een gezamenlijke Europese Energie Unie de kosten die de burgers betaalt voor energie verlaagt en het Europese energiesysteem weerbaarder maakt voor schokken van buitenaf? Zo nee, waarom niet?
Zie antwoord vraag 9.
Wat is de positie van Nederland ten aanzien van de verschillende aspecten van een Europese Energie Unie zoals hierboven benoemd en ten aanzien van een Europese Energie Unie als geheel? Bent u bereidt om u in Europees verband hard te maken voor de totstandkoming van een Europese Energie Unie?
Zie antwoord vraag 9.