Het bericht ‘Gebruik lachgas ondanks verbod nog onbestraft’. |
|
Anne Kuik (CDA) |
|
Dilan Yeşilgöz-Zegerius (minister justitie en veiligheid) (VVD) |
|
|
|
|
Bent u bekend met het bericht «Gebruik lachgas ondanks verbod nog onbestraft»?1
Ja.
Kunt u bevestigen dat het landelijk lachgasverbod nog niet volledig kan worden gehandhaafd?
Allereerst is het belangrijk om te vermelden dat er op dit moment wel degelijk tegen het bezit van lachgas wordt opgetreden. De politie neemt sinds 1 januari 2023 aangetroffen lachgas in beslag. Er zijn sinds 1 januari diverse relatief kleine, maar ook diverse grote partijen gasflessen met lachgas in beslag genomen.2 Het gaat bij grote hoeveelheden om bijvoorbeeld ruim 200 tot bijna 500 gasflessen met lachgas. Voor gebruikershoeveelheden geldt dat deze na inbeslagname vernietigd worden. Als de politie een grote hoeveelheid lachgas aantreft, wordt dit in beslag genomen in het kader van waarheidsvinding, waarbij eventuele vervolging op grond van de Opiumwet later plaatsvindt.
Handhaven gebeurt daarnaast ook al op grond van andere geldende wet- en regelgeving, namelijk APV-bepalingen (waar het gaat om overlast en het ventverbod) en bijzondere strafwetgeving, zoals rijden onder invloed volgens de Wegenverkeerswet en de Wet vervoer gevaarlijke stoffen en milieuwetgeving. Met de plaatsing van lachgas op lijst II van de Opiumwet is een extra mogelijkheid om te handhaven gecreëerd, naast de al geldende wet- en regelgeving.
Er zijn goede redenen om voor de volledige handhaving van het nieuwe verbod een ingroeimodel te hanteren. De termijn tussen de afkondiging en de invoering van het verbod was kort, desalniettemin is vanwege de grote risico’s van lachgasgebruik en de noodzaak van het verbod, destijds besloten het lachgasverbod zo snel mogelijk in werking te laten treden. Bovendien was er overeenstemming dat er zou worden opgetreden per 1 januari 2023, en zoals ik hierboven aangeef gebeurt dat ook. Het is echter wel erg belangrijk dat in het hele land op een gelijke manier wordt omgegaan met het verbod. Daarom zijn er landelijke instructies en aanpassingen van processen nodig.
Welke concrete knelpunten zijn er waardoor de handhaving en vervolging niet volledig kunnen worden opgepakt?
Bij strafbaarstelling via de Opiumwet van het bezit van een middel, dient bij strafrechtelijke handhaving het middel altijd in beslag te worden genomen en veilig gesteld te worden voor strafrechtelijk onderzoek. Dit stelt andere eisen aan de uitvoering. Mijn ambtsvoorganger heeft dit in het commissiedebat van 2 juni 2021 en per Kamerbrief op 18 juni 20213 benadrukt en aangegeven dat de voorbereidingen voor de implementatie tijd kosten. Zoals toegezegd in de brief, zijn we vooruitlopend op het voorgenomen verbod in overleg gegaan met betrokken partijen over hoe zij zich zo goed mogelijk kunnen voorbereiden, zodat een verbod zo spoedig mogelijk in werking kan treden.
Bij de politie gaat het vooral om het inrichten van het gehele logistieke proces rondom lachgas: transport, opslag, stofonderzoek en vernietiging. Lachgas is een gevaarlijke stof, waardoor extra eisen worden gesteld aan de wijze van opslag, beslaglegging, vervoer en vernietiging.
Ook het proces van het Openbaar Ministerie rondom de vervolging wordt op dit moment aangepast en ingevoerd. Zo moet het Openbaar Ministerie lachgas hebben opgenomen in de strafvorderingsrichtlijn softdrugs Opiumwet. Daarnaast wordt er met input van de politie een Richtlijn voor de vervolging gemaakt. Dit alles heeft ook gevolgen voor de ICT-systemen van het Openbaar Ministerie en de politie.
Daarnaast is het op dit moment nog niet mogelijk om makkelijk te kunnen testen of het daadwerkelijk om de stof lachgas gaat. Er loopt in opdracht van de politie een wetenschappelijk onderzoek naar de mogelijkheid lachgas te detecteren in ademlucht. De eerste resultaten van het onderzoek naar detectie van lachgas in ademlucht zijn positief en er wordt op dit moment nader onderzoek uitgevoerd. Zodra de resultaten van dit nader onderzoek bekend zijn zal ik uw Kamer hierover informeren.
Bent u het eens met de stelling dat uitstel van de handhaving van het lachgasverbod, dat per 1 januari 2023 van kracht is, een enorme tegenvaller is, waardoor het schadelijke middel nog langer zonder directe consequenties kan worden verkocht en gebruikt?
Bij strafbaarstelling via de Opiumwet van het bezit van een middel, dient bij strafrechtelijke handhaving het middel altijd in beslag te worden genomen en veilig gesteld te worden voor strafrechtelijk onderzoek. Dit stelt andere eisen aan de uitvoering. Mijn ambtsvoorganger heeft dit in het commissiedebat van 2 juni 2021 en per Kamerbrief op 18 juni 20214 benadrukt en aangegeven dat de voorbereidingen voor de implementatie tijd kosten.
Daarnaast lopen overtreders nu ook al risico op bestraffing. Zie ook mijn toelichting bij vraag 2. Naast het verbod opgenomen in de Opiumwet kan er ook worden gehandhaafd op lachgas op basis van bestaande APV’s in gemeenten en reeds geldende wet- en regelgeving, zoals de Wegenverkeerswet, milieuwetgeving en de Wet op het vervoer van gevaarlijke stoffen.
Aangetroffen lachgas (waarvoor geen wettelijke uitzondering is) wordt per 1 januari 2023 in beslag genomen. Eventuele vervolging voor zaken met grote hoeveelheden lachgas vindt later plaats, in afstemming met het Openbaar Ministerie.
Hoe kan het dat na de inwerkingtreding van het lachgasverbod de handhaving nog niet mogelijk blijkt te zijn wegens praktische bezwaren, terwijl het lachgasverbod al jarenlang in de lucht heeft gehangen?
Het Openbaar Ministerie en de politie zijn tijdens het wetgevingstraject betrokken in het proces. Uitvoeringsorganisaties beginnen niet eerder met het aanpassen van hun processen dan dat een wetswijziging definitief is. Er kan immers altijd nog iets veranderen of een voorgenomen wetsvoorstel kan helemaal niet doorgaan. Bij sommige trajecten worden met uitvoeringsorganisaties afspraken gemaakt over een specifieke implementatiefase.
De termijn tussen de afkondiging en de invoering van het verbod was kort, desalniettemin is vanwege de grote risico’s van lachgasgebruik en de noodzaak van het verbod, destijds besloten het lachgasverbod zo snel mogelijk in werking te laten treden. Bovendien was er overeenstemming dat er zou worden opgetreden per 1 januari 2023, en zoals bij vraag 2 aangegeven, gebeurt dat ook. Het is echter wel erg belangrijk dat in het hele land op een gelijke manier wordt omgegaan met het verbod. Daarom zijn landelijke instructies en aanpassingen van processen nodig. Door middel van het ingroeimodel hebben de uitvoeringsorganisaties de benodigde tijd voor de implementatie van de wetswijziging in de werkprocessen.
Zijn in aanloop naar de invoering van het verbod deze knelpunten niet eerder boven tafel gekomen?
Ja, zie ook mijn antwoord op vraag 5 voor nadere duiding.
Welke concrete maatregelen gaat u nemen om het lachgasverbod zo snel mogelijk te kunnen handhaven en daarmee te voorkomen dat er nog meer slachtoffers vallen als gevolg van het gebruik van lachgas?
Het Openbaar Ministerie en de politie doen er alles aan om op 1 juli 2023 alle logistieke en procesmatige aspecten gereed te hebben, zodat er dan volledig en uniform gehandhaafd wordt op het lachgasverbod.
Daarnaast heb ik met een tijdelijke ontheffingsregeling van de Inspectie voor Leefomgeving en Transport (ILT) geregeld dat opsporingsdiensten het ingenomen lachgas kunnen vervoeren. De ontheffing is per 1 januari jl. afgegeven en gedeeld met de relevante uitvoeringsorganisaties. De tijdelijke ontheffing geldt tot 1 juli 2023. Het Ministerie van Infrastructuur en Waterstaat werkt momenteel aan een structurele ontheffing.
Wat zijn de te verwachten gevolgen ten aanzien van overlast en slachtoffers door gebruik van lachgas in de periode dat de politie en het Openbaar Ministerie het lachgasverbod nog niet kunnen handhaven?
Er wordt wel degelijk gehandhaafd op het lachgasverbod door de politie en Openbaar Ministerie. Bij overtreding van bijvoorbeeld de APV, de Wegenverkeerswet, milieuwetgeving of de wet op het vervoer van gevaarlijke stoffen kan er direct een boete worden uitgedeeld of op een andere manier vervolging ingesteld. Als het gaat om een grotere hoeveelheid vervolgt het Openbaar Ministerie op een later moment mogelijk op grond van het verbod in de Opiumwet. Daarnaast gaat ook inbeslagname overlast en slachtofferschap tegen, want per 1 januari 2023 neemt de politie de door haar aangetroffen lachgas (waarvoor geen wettelijke uitzondering is) in beslag.
Het spoedig uitkeren van de energietoeslag 2023 |
|
Senna Maatoug (GL), Barbara Kathmann (PvdA) |
|
Carola Schouten (viceminister-president , minister zonder portefeuille sociale zaken en werkgelegenheid) (CU) |
|
|
|
|
Kent u de berichten «Gemeenten willen energietoeslag 2023 eerder uitkeren»1 en «Wet energietoeslag 2023 waarschijnlijk in juni van kracht»2?
Ja, ik heb kennisgenomen van beide berichten.
Hoe verhoudt uw oproep aan gemeenten om spoedig de energietoeslag 2023 uit te keren met het nieuws dat gemeenten pas over zes maanden de energietoeslag kunnen gaan uitkeren?
In september 2022 heeft het kabinet gemeenten de mogelijkheid geboden om 500 euro van de energietoeslag 2023 aan de energietoeslag 2022 toe te voegen. Gemeenten kunnen onder de huidige wetgeving de energietoeslag 2022 tot 1 juli 2023 uitkeren.
Overigens wil ik hierbij wel benadrukken dat gemeenten er ook voor kunnen kiezen zowel voor 2022 als voor 2023 1.300 euro energietoeslag te verstrekken.
Bent u op de hoogte dat verschillende gemeenten alles in het werk hebben gesteld om begin 2023 de energietoeslag 2023 uit te keren en tussen kerst en oud en nieuw te horen hebben gekregen dat ze een half jaar moeten wachten voordat ze hun inwoners kunnen ondersteunen? Zo ja, bent u van mening dat dit toch een ongewenste maatschappelijke ontwikkeling is?
Van een aantal gemeenten heb ik begrepen dat zij de energietoeslag voor 2023 wilden uitkeren vooruitlopend op de nieuwe wet die de bevoegdheid daarvoor regelt. Vanwege de staatsrechtelijke positie van de Staten-Generaal als medewetgever, wordt slechts bij uitzondering geanticipeerd op wetgeving die nog in voorbereiding is. In mijn ogen zijn er nu onvoldoende redenen die het anticiperen op de nieuwe wet rechtvaardigen.
Door de getroffen koopkrachtmaatregelen die sinds 1 januari jl. zijn ingegaan, zoals het prijsplafond voor energie, de verhoging van de huur- en zorgtoeslag, de kinderbijslag, het kindgebonden budget en het wettelijk minimumloon, is de situatie nu anders dan vorig jaar. Ook hebben gemeenten, zoals genoemd, de mogelijkheid om 500 euro eerder uit te keren, om zo kwetsbare huishoudens extra te ondersteunen. Tevens kunnen kwetsbare huishoudens met een hoge energierekening die in aanmerking komen voor steun, vanaf 7 februari 2023 terecht bij een noodfonds energie, een initiatief van energieleveranciers en maatschappelijke organisaties. Dit fonds betaalt onder voorwaarden voor deze huishoudens een deel van de energierekening. Met deze maatregelen worden kwetsbare huishoudens die dat nodig hebben ondersteund.
Wat betekent dit voor gemeenten die alle energietoeslag van 2022 al uitgekeerd hebben? Hoeveel gemeenten zijn dit? Wat betekent dit voor de inwoners van deze gemeenten?
Gemeenten die hun volledige energietoeslag 2022 reeds uit hebben gekeerd, kunnen de energietoeslag voor 2023 uitkeren na inwerkingtreding van de nieuwe wetswijziging. Voor inwoners van deze gemeenten betekent dit dat zij in de tweede helft van 2023 nogmaals een energietoeslag ontvangen, als zij aan de voorwaarden voldoen. Afhankelijk van de keuze van de gemeente is de hoogte van de toeslagen 1.800 euro voor 2022 en 800 euro voor 2023 of 1.300 euro voor beide jaren. Gelet op de beleidsvrijheid van gemeenten, heb ik geen zicht op hoeveel gemeenten de volledige energietoeslag in 2022 hebben uitgekeerd.
Bent u het met ons eens dat gemeenten wellicht een andere keuze hadden gemaakt als zij hadden geweten dat er in 2023 pas vanaf (waarschijnlijk) juni opnieuw energietoeslag kan worden uitgekeerd?
Het zou kunnen dat sommige gemeenten een andere keuze hadden gemaakt. In mijn contacten met gemeenten zie ik dat er verschillende overwegingen en behoeften spelen. Er zijn ook gemeenten die aangeven dat het in één keer uitkeren van de toeslag nadelen kan hebben. Zo zou een periodieke (gespreide) uitkering in hun optiek beter passen bij periodiek terugkerende (energie)kosten. De reden om een deel van de energietoeslag 2023 naar voren te halen, was dat de nood voor inwoners eind 2022 hoger was. Vanaf 2023 zijn namelijk verschillende maatregelen genomen die de financiële gevolgen van de hoge energieprijzen drukken.
Ziet u ook dat dit opnieuw leidt tot onzekerheid voor mensen die deze toeslag echt nodig hebben om rond te kunnen komen?
Voorop staat dat mensen met een laag inkomen worden ondersteund bij het betalen van de energierekening. Zij kunnen rekenen op de energietoeslag als zij aan de voorwaarden voldoen. Gemeenten informeren hun inwoners hierover, bijvoorbeeld via brieven en/of de gemeentelijke website. Veel gemeenten hebben circa 90% van de doelgroep bereikt.
Daarnaast is er sinds januari jl. een groot pakket aan maatregelen in werking om de onzekerheid voor huishoudens te beperken.
Ziet u ook dat de continuïteit van de bedrijfsprocessen, die gemeenten de afgelopen tijd op stel en sprong hebben ingericht, hierdoor spaak kan gaan lopen? Wat vindt u hiervan?
Uiteraard heb ik begrip voor de uitvoeringsprocessen van gemeenten. Echter, naast het punt van de uitvoering van de energietoeslag, spelen ook andere overwegingen mee bij het al dan niet mogen anticiperen op de nieuwe wet. Dit licht ik toe bij vraag 8. Kort gezegd is de situatie dit jaar anders, omdat er een breed pakket aan koopkrachtmaatregelen is getroffen. Daarmee is de noodzaak voor anticiperen onvoldoende te rechtvaardigen.
Bent u bereid gemeenten, net als in 2022, vooruitlopend op de nieuwe wettelijke regeling de ruimte te geven om de energietoeslag al begin 2023 uit te keren? Zo nee, waarom niet? Zo ja, kunt u op korte termijn dit onomwonden aan gemeenten laten weten, zodat zij niet in problemen komen met de rechtmatigheid van deze uitgaven?
De overwegingen van gemeenten begrijp ik om de energietoeslag vooruitlopend op de nieuwe wet, te willen uitkeren. Maar 2023 is echt een andere situatie dan 2022. Begin 2022 heb ik gemeenten gevraagd om te starten met de uitvoering van de energietoeslag voor 2022, vooruitlopend op de inwerkingtreding van de wet. Er was toen sprake van een uitzonderlijke situatie door de plotseling enorme stijging van de gasprijzen. Hierdoor dreigden minima in acute financiële problemen te komen. Dat rechtvaardigde het al uitvoeren van de wet voordat die in werking was getreden en voordat het Parlement zich hierover uit had kunnen spreken. Door onder andere de koopkrachtmaatregelen die ik in het antwoord op vraag 3 heb genoemd, is de huidige situatie nu anders dan vorig jaar. Mijn inzet is er nu op gericht om het totstandkomingsproces van de wet zo snel mogelijk te doorlopen.
Hoe wilt u zorgen dat gemeenten uit eigen middelen de inwoners met een inkomen boven 120% van het sociaal minimum een variant op de energietoeslag kunnen verstrekken, zonder dat de ontvangers in de knel kunnen komen met andere toeslagen?
Gemeenten hebben beleidsvrijheid bij het bepalen van de inkomensgrens voor de doelgroep voor de energietoeslag. De hoogte van die inkomensgrens die gemeenten hanteren voor de doelgroep, heeft geen invloed op de belastbaarheid van de energietoeslag. De energietoeslag 2023 mag onbelast worden uitgekeerd, omdat het een eenmalige uitkering is. Dit betekent dat energietoeslag geen gevolgen heeft voor de inkomensbepaling van andere fiscale toeslagen.
Ook kan de energietoeslag buiten beschouwing worden gelaten bij vaststelling van het vermogen, bij een verzoek voor kwijtschelding van gemeentelijke- en waterschapsbelastingen. Aanpassing van de Leidraad Invorderen 20083 voorziet gemeenten van een grondslag om de energietoeslag, als deze op de spaarrekening opzij is gezet, niet mee te tellen als vermogen. Dit geldt ook met terugwerkende kracht vanaf 2022.
Is het u bekend dat de extra middelen die u gemeenten heeft verstrekt voor de uitbetaling van de energietoeslag bij een flink aantal gemeenten niet voldoende blijkt? Hoeveel gemeenten zijn dit en hoe groot zijn de tekorten? Hoe gaat u deze tekorten bijpassen, zodat gemeenten de energietoeslag niet uit eigen middelen hoeven te betalen?
De middelen voor de eenmalige energietoeslag 2022 zijn via het gemeentefonds verdeeld. Inherent aan deze systematiek is dat gemeenten naderhand geen verantwoording hoeven af te leggen over de besteding van de middelen. Dit brengt beleids- en bestedingsvrijheid met zich mee voor gemeenten. Een deel van de gemeenten heeft aangegeven middelen te kort te komen voor de energietoeslag. Tegelijkertijd zijn er gemeenten die aangeven goed uit te komen of middelen over te hebben. Er zijn geen aanwijzingen dat het aan gemeenten verdeelde budget ontoereikend is. Voor individuele gemeenten met tekorten is dit natuurlijk erg vervelend. Ik ben hierover in gesprek met de VNG. Voor de energietoeslag 2023 wordt naar een andere wijze van verdelen van de middelen gekeken, in samenspraak met de VNG en Divosa.
Hoe gaat u gemeenten in staat stellen om de 1.300 euro energietoeslag voor 2023 zo spoedig mogelijk uit te laten keren?
Gemeenten kunnen zodra de nieuwe wet in werking treedt, de energietoeslag van 2023 uitkeren. Ik streef ernaar dat de nieuwe wet zo spoedig mogelijk in werking treedt. De inwerkingtredingsdatum is mede afhankelijk van de behandeling van het wetsvoorstel door de Tweede en Eerste Kamer. Ik span me in voor een zo spoedig mogelijk en tegelijk zorgvuldig verloop van dit wetstraject.
Het bericht ‘Woningbouw loopt vast: kopers én bouwers haken af’ |
|
Peter de Groot (VVD) |
|
Hugo de Jonge (minister binnenlandse zaken en koninkrijksrelaties) (CDA) |
|
|
|
|
Bent u bekend met het bericht «Woningbouw loopt vast: kopers én bouwers haken af» uit De Telegraaf?1
Ja.
Wat is de prognose van het aantal op te leveren nieuwbouwwoningen in 2023?
In 2022 zijn 74.217 woningen toegevoegd door nieuwbouw (CBS – voorlopige cijfers). Prognoses vanuit verschillende organisaties (bijvoorbeeld de prognoses van EIB2, banken en de NVM) lopen uiteen en zijn met onzekerheden omgeven. Samen met medeoverheden, marktpartijen werken we eraan om de productie te verhogen. Hierover maken we afspraken in de woondeals, heb ik een plan van aanpak opgesteld over het versnellen van processen en procedures, zijn er financiële regelingen, zoals de WBI om de woningbouwproductie te stimuleren en wordt geïnvesteerd in een groot aantal locaties via de MIRT afspraken (6 miljard euro in woningbouw en infrastructuur en 1,6 miljard in versnellingsmaatregelen). Ik heb uw Kamer hierover op 7 februari 2023 geïnformeerd.3 Over de prognoses over 2023 en verder, informeer ik uw Kamer medio dit jaar.
Wat is het effect van overheidsmaatregelen, zoals de regulering van de middenhuur, voor de woningbouwprojecten die enerzijds binnenkort van start gaan en die anderzijds nog moeten worden ontwikkeld?
Door de regulering van het middensegment bepaalt het woningwaarderingsstelsel (WWS) per 2024 voor woningen tot 187 de maximale huurprijs. Woningen die op basis van punten in het middensegment thuishoren, maar nu een hogere huurprijs hebben, zullen dan bij een nieuwe verhuring hun prijs moeten verlagen. Voor nieuwbouw geldt dat er voor de start van de bouw rekening wordt gehouden met een bepaalde huurprijs. Door de regulering kan het zijn dat een woning voor minder verhuurd kan worden dan hetgeen waar de ontwikkelaar rekening mee had gehouden. Het geïsoleerde effect van de regulering is echter niet eenduidig te bepalen. Ook andere factoren, zoals de ontwikkeling van de rente en bouwkosten beïnvloeden de nieuwbouw.
Ondanks de regulering moet het voldoende aantrekkelijk blijven om te investeren in nieuwbouw. Hier heb ik bij de vormgeving van de regulering veel aandacht voor gehad. Zo heb ik ervoor gekozen om het WWS te moderniseren, zodat de kwaliteit van een woning beter wordt gewaardeerd en het stelsel beter aansluit bij de kwaliteit van middenhuurwoningen die nu gebouwd worden. Een onderdeel van deze moderniseringsslag is dat betere energielabels meer punten krijgen en slechtere energielabels aftrekpunten. Daarnaast wil ik een tijdelijke opslag invoeren voor nog op te leveren nieuwbouwwoningen ter hoogte van 5% op de maximale huurprijs voor 10 jaar. Uitgangspunt is dat dit geldt voor middenhuurwoningen die worden opgeleverd na 1 januari 2024 en waarvan de bouw gestart is voor 1 januari 2025.4 Deze opslag moet helpen om dat geplande projecten door te kunnen laten gaan. Daarna acht ik het redelijk dat partijen hebben kunnen anticiperen op de regulering.
Welke verklaring heeft u voor het feit dat grote institutionele beleggers Nederland op dit moment volledig links zouden laten liggen ten aanzien van de bouwopgave, terwijl deze beleggers juist nodig zijn om de woningmarkt vlot te trekken met hun investeringen in grote woningbouwprojecten?
Ik deel de opvatting dat ook beleggers nodig zijn voor de woningbouw. Tegelijkertijd deel ik uw opmerking niet dat grote institutionele beleggers Nederland op dit moment volledig links zouden laten liggen. Samen met gemeenten en provincies neem ik de regie op woningmarkt. In de regionale woondeals wordt de woningbouwprogrammering tot en met 2030 afgesproken door provincie, gemeenten en Rijk. Om deze aantallen woningen te realiseren zullen gemeenten de instrumenten die ze daarvoor hebben ook moeten inzetten. Zij moeten daarbij nauw samenwerken met marktpartijen. Daarin worden ook plannen gemaakt voor middenhuur die ook door institutionele beleggers moeten worden gerealiseerd.
Bent u het met de stelling in het artikel eens dat het niet slim is om vooral de focus te leggen op gestapelde bouw in binnensteden? Zo nee, waarom bent u het hier niet mee eens?
Om de woningbouwopgave te realiseren moeten alle kansrijke locaties benut worden: binnenstedelijk en buitenstedelijk. Om aan te sluiten bij de woonbehoefte worden er daarbij zowel eengezinswoningen gebouwd als gestapelde woningen: zowel binnenstedelijk als aan randen van steden en dorpen. Volgens gegevens van ABF betreft ongeveer 51% procent van de woningen eengezinswoningen en 49% appartementen. Om de woningbouwbouwdoelstelling van 900.000 woningen tot en met 2030 te halen is het vooral van belang om overal kansrijke locaties te ontwikkelen: binnenstedelijk én buitenstedelijk. Zie ook mijn brief aan uw Kamer van 7 februari 2022 over de ontwikkeling van (grootschalige) woningbouwlocaties.5
Onderschrijft u dat er meer kansen liggen voor buitenstedelijk bouwen, mede gelet op het feit dat binnenstedelijke projecten gevoelig zijn voor economische fluctuaties?
Ik constateer dat woningbouw voor alle locaties ingewikkelder wordt vanwege stijgende bouwkosten, gebrek aan menskracht en marktomstandigheden die veranderen. Dat geldt zowel voor binnenstedelijke als buitenstedelijke locaties. Zo kan er bij buitenstedelijke ontwikkelingen ook sprake zijn van complexiteit vanwege een samenhang van ruimtelijke opgaven zoals, infrastructuur, water en bodem, ligging in de nabijheid van natuurgebieden, of nabij windparken. Daarom is mijn inzet gericht op versnelling van de woningbouw, op zowel grote en kleinere locaties die snel te realiseren zijn, in de stad en aan de randen van gemeenten. De potentie van buitenstedelijke locaties wordt nu ook al benut. ABF raamt dat 35 à 40% van de huidige woningbouwplannen buiten bestaand bebouwd gebied ligt.
Ik wil buitenstedelijke locaties benutten zonder daarbij afbreuk te doen aan de uitgangspunten rondom zuinig ruimtegebruik en de bescherming van belangen zoals landschap en natuur. In dat verband is ook de Ladder voor duurzame verstedelijking van belang. Zoals in mijn brief van 7 februari aangegeven, wordt onderzoek gedaan naar de werking van de Ladder voor duurzame verstedelijking6. Daarbij ga ik naast gemeenten en provincies ook in gesprek met bouwondernemingen, projectontwikkelaars en hun marktorganisaties om zo een beter en vollediger beeld te krijgen van de knelpunten die zij ervaren en welke oplossingen daarvoor kunnen worden gevonden. Over de uitkomsten informeer ik uw Kamer in het tweede kwartaal van dit jaar.
Deelt u de mening dat we, juist in tijden van grotere economische onzekerheid, moeten blijven doorbouwen om te voorkomen dat we een herhaling van zetten krijgen?
Ja, die mening deel ik met u. Juist vanwege de moeilijke omstandigheden is het belangrijk dat we samen optrekken in de uitvoering van het beleid gericht op de realisatie van de woningbouwplannen. Zorgen dat we tempo maken met de ontwikkeling van locaties is daarbij een belangrijk onderdeel. Daartoe informeerde ik u in januari over het plan van aanpak om de totstandkoming van woningen te versnellen. Ook versterk ik samen met provincies en gemeenten de regie op de woningbouw, door via woondeals af te spreken wanneer welke woningen worden gebouwd voor welke doelgroepen.
Alle betrokken partijen, overheden, marktpartijen zoals ontwikkelaars, bouwers en beleggers en ook de corporaties zijn daarbij onmisbaar. Partijen hebben in de intentieverklaring «Samen doorbouwen in onzekere tijden» naar elkaar uitgesproken om ervoor te zorgen dat er ook ten tijde van onzekerheden en stijgende bouwkosten kan worden doorgebouwd.
Welke oplossingen ziet u om ook daadwerkelijk door te blijven bouwen in 2023?
Met de woondeals versterken we de samenwerking rond de volkshuisvesting. De woningbouwprogrammering per regio en gemeente klikken we vast. We nemen locaties op die van belang zijn om de afgesproken woningbouwaantallen te realiseren. Iedereen weet dan hoeveel, voor wie en waar er gebouwd kan worden. Corporaties en marktpartijen weten wat ze kunnen bouwen. Afgesproken is om de woondeals jaarlijks te herijken. Ook bespreken we waar kansen liggen voor nieuw te ontwijkkelen locaties. Verder blijven we gemeenten financieel ondersteunen met nieuwe tranches van de Woningbouwimpuls (WBI). De WBI is er voor gemeenten met een publiek tekort op een grondexploitatie, die ontstaat doordat de publieke opbrengsten lager zijn dan de publieke investeringen zoals het uitplaatsen van bedrijvigheid, het aanleggen van de openbare ruimte of nieuwe wegen. Met de eerste vier tranches worden 113 projecten financieel ondersteund, waarmee we bijdragen aan de ontwikkeling van 165.000 woningen waarvan 68% betaalbaar. Een deel van de ontwikkelingen worden in 2023 opgeleverd of gestart. Tijdens het Commissiedebat van 9 februari heb ik toegezegd in het tweede kwartaal u te informeren over de inzet van financiële instrumenten met het oog op de veranderende economische omstandigheden.
Hoe gaat u ervoor zorgen dat corporaties blijven doorbouwen en daarmee financiers zijn van woningbouwprojecten met twee derde betaalbare woningen, mede gelet op het afschaffen van de verhuurderheffing?
Met de afschaffing van de verhuurdersheffing is de investeringscapaciteit van de corporaties verstevigd. Met die corporaties zijn nationale prestatieafspraken gemaakt om woningen te bouwen. Deze afspraken worden doorvertaald naar de woondeals: ik vraag gemeenten om voldoende bouwlocaties op te nemen voor de bouw van deze woningen. De Taskforce Nieuwbouw Corporaties ondersteunt hierin. Over de voortgang houden we samen vinger aan de pols.
Deelt u de mening dat commitment van investeerders en aannemers noodzakelijk is, en dat alleen bestuurlijke afspraken onvoldoende zijn om de bouwambitie van 100.000 woningen ook daadwerkelijk te halen? Zo ja, welke rol krijgen zij binnen de regionale woondeals die in 2023 worden afgesloten tussen gemeentes en het Rijk?
Ik deel de mening dat commitment van investeerders en aannemers en andere betrokken partijen noodzakelijk is. Daarom zetten wij hier ook op in, door onder meer een intentieverklaring «Samen doorbouwen in onzekere tijden» op te stellen, waarin naar elkaar is uitgesproken om ervoor te zorgen dat er ook ten tijde van onzekerheden en stijgende bouwkosten kan worden. Daarnaast vind ik het essentieel dat de marktpartijen en corporaties ook betrokken worden bij de uitvoering van de woondeals. Onderdeel van de afspraken in de woondeals is dat regionale versnellingstafels worden ingericht waarin afspraken gemaakt worden gemaakt om specifieke woningbouwprojecten te versnellen en thematische knelpunten op te lossen.
Naast de provincie, de gemeente(n) en het Rijk, sluiten ook marktpartijen en corporaties aan. Partners aan deze tafel prioriteren met elkaar de te bespreken gebiedsspecifieke thema’s. Als er sprake is van landelijke thema’s kunnen deze worden besproken aan de landelijke versnellingstafel.
Kunt u deze vragen één voor één beantwoorden?
Ja.
Het vervoeren van asielzoekers per taxi |
|
Gidi Markuszower (PVV) |
|
Eric van der Burg (staatssecretaris justitie en veiligheid) (VVD) |
|
|
|
|
Kunt u bevestigen dat er taxi’s worden ingezet voor het vervoer van asielzoekers van en naar asielzoekerscentra? Zo ja, hoe vaak gebeurt dit?
In opdracht van de ketenpartners organiseert het Ketenbreed Operationeel Coördinatiecentrum Vreemdelingen (KOCV) vervoer van asielzoekers tussen locaties. Hierbij wordt in specifieke gevallen gebruik gemaakt van taxi’s. Wanneer een minderjarige vreemdeling (AMV-er) of kwetsbaar persoon na eerste aanmelding vervoert dient te worden van een politie of KMAR post naar het aanmeldcentrum in Ter Apel, wordt gebruik gemaakt van een taxi. Het is vooraf niet aan te geven hoe vaak er een beroep moet worden gedaan op taxi-vervoer.
Het COA faciliteert het vervoer tussen de COA-opvangmodaliteiten. Soms wordt georganiseerd vervoer ingezet (taxi, busje of touringcar), bijvoorbeeld voor het beschikbaar stellen van de asielzoeker voor het asielproces. In de meeste gevallen moet de bewoner echter zelfstandig gebruik maken van het OV. COA houdt niet bij hoe vaak taxi’s worden ingezet.
Naast het COA wordt op verzoek en in opdracht van de ketenpartners ook door KOCV vervoer vanuit Ter Apel naar opvanglocaties georganiseerd. Dit betreft hoofdzakelijk vervoer per bus en of touringcar.
Bent u bereid een overzicht te geven van de kosten hiervan? Zo nee, waarom niet?
Ik beschik niet over mogelijke kostenoverzichten die betrekking hebben op mogelijk taxikosten die gemaakt zijn in opdracht van het COA. COA is een zelfstandig bestuursorgaan en draagt zelf verantwoordelijkheid voor de kosten die betrekking hebben op opdrachten die verbandhouden met het vervoeren van asielzoekers. Derhalve kan ik die ook niet ter beschikking stellen. Zowel de IND als het COA hebben een mantelovereenkomst met een vervoerder.
Klopt het dat deze taxiritten worden betaald door het Centraal Orgaan opvang asielzoekers (COA) en de rekening dus uiteindelijk komt te liggen bij de Nederlandse belastingbetaler?
Alle kosten voor opvang die het COA maakt worden gefinancierd uit de Rijksbegroting, dus ook vervoerskosten van het COA of van de IND als het om AMV-ers gaat.
Waarom pakken asielzoekers niet gewoon het openbaar vervoer net als de meeste Nederlanders die naar school of hun werk moeten?
Zie het antwoord op vraag 1.
Vindt u het niet belachelijk dat veel Nederlanders in weer in wind op de fiets of met het openbaar vervoer moeten reizen terwijl asielzoekers van u gratis en luxe met de taxi kunnen reizen?
Zie het antwoord op vraag 1.
Gaat u onmiddellijk stoppen met het vergoeden van dit luxe vervoer voor asielzoekers? Zo neen, waarom niet?
Zie het antwoord op vraag 1.
De gang van zaken rond de vergunningverlening ofwel legalisering van de activiteiten van eendenslachterij Tomassen Duck-To in Ermelo |
|
Leonie Vestering (PvdD), Frank Wassenberg (PvdD) |
|
Hanke Bruins Slot (minister binnenlandse zaken en koninkrijksrelaties) (CDA) |
|
|
|
|
Bent u op de hoogte van de gang van zaken rond de besluitvorming over de aanvraag voor een omgevingsvergunning door eendenslachterij Tomassen Duck-To in Ermelo?
Ik heb er kennis van genomen dat eendenslachterij Tomassen Duck-To in Ermelo een aanvraag voor een omgevingsvergunning heeft gedaan. De bevoegdheid een omgevingsvergunning te verlenen ligt bij het college van burgemeester en wethouders van de betreffende gemeente.
Bent u op de hoogte van het feit dat omwonenden al jarenlang grote geluids- en stankoverlast ervaren door de slachterij?
Ik ben ervan op de hoogte dat een aantal omwonenden heeft aangegeven geluids- en stankoverlast te ervaren.
Heeft u gezien dat de rechter de gemeente Ermelo eerder terugfloot, nadat de gemeente niet wilde handhaven op de geluidsoverlast en op overtredingen van de vergunde werktijden en het maximale aantal vervoersbewegingen, en dat de rechter daarbij oordeelde dat de gemeente kritischer moet kijken naar de belangen van de omwonenden?1
Ik heb er kennis van genomen dat de rechtbank Gelderland op 31 maart 2022 heeft geoordeeld dat de gemeente Ermelo een nieuw besluit moest nemen, waarbij, naast de bedrijfsbelangen van Tomassen Duck-To, ook moet worden gekeken naar de belangen van de omwonenden. Ook heb ik er kennis van genomen dat de rechtbank de gemeente Ermelo heeft opgedragen om bij het nemen van een besluit omtrent de nieuwe omgevingsvergunning, te kijken naar alle relevante aspecten die komen kijken bij een «goede ruimtelijke ordening».
Heeft u er kennis van genomen dat het college van burgemeester en wethouders voornemens is om aan de eendenslachterij de vergunning te verlenen om de illegale situatie te legaliseren, maar dat hiervoor nog een «verklaring van geen bedenkingen» nodig is van de gemeenteraad?
Op basis van ambtelijk contact met de gemeente Ermelo heb ik begrepen dat het college van burgemeester en wethouders formeel nog een besluit moet nemen over het al dan niet verlenen van een omgevingsvergunning aan eendenslachterij Tomassen Duck-To. Omdat het hier gaat om een mogelijke omgevingsvergunning die een afwijking van het bestemmingsplan zou betekenen, is een verklaring van geen bedenkingen nodig van de gemeenteraad van Ermelo. Over het al dan niet afgeven van een verklaring van geen bedenkingen moet de gemeenteraad nog een besluit nemen. Dit besluit ligt nu bij de raad ter behandeling. Het college heeft de raad geadviseerd deze verklaring van geen bedenkingen af te geven.
Wat vindt u ervan dat één van de vergaderingen over dit dossier opeens achter gesloten deuren plaatsvond en dat is besloten om de geheimhouding pas op te heffen op het moment dat besluiten onherroepelijk zijn?2
De raad heeft op grond van artikel 23 Gemeentewet de mogelijkheid om besloten te vergaderen, indien de raad daartoe bij meerderheid besluit. De raad kan tijdens een besloten vergadering geheimhouding opleggen ten aanzien van hetgeen in deze vergadering wordt behandeld, op grond van een belang dat wordt genoemd in artikel 5.1 Wet open overheid. Het besluit om te kiezen voor een besloten vergadering, het besluit om geheimhouding op te leggen omtrent het in een besloten raadsvergadering behandelde en het besluit deze geheimhouding weer op te heffen, en op welk moment, zijn aan de raad.
Kunt u bevestigen dat het uitgangspunt van de wet is dat is de (gemeentelijke) overheid een open, transparante organisatie is en dat vergaderingen van de gemeenteraad in beginsel openbaar zijn?
Vergaderingen van de gemeenteraad zijn in beginsel openbaar, zoals is vastgelegd in artikel 23, eerste lid, Gemeentewet. Op grond van het tweede en derde lid van artikel 23 Gemeentewet kan de raad echter besloten vergaderen indien ten minste een vijfde van het aantal leden dat de presentielijst heeft getekend, daarom verzoekt of de voorzitter dit nodig oordeelt en de raad vervolgens bij meerderheid van de aanwezigen besluit dat besloten wordt vergaderd. Besloten vergaderen is dan ook een uitzondering op de hoofdregel van openbaarheid. De wet normeert echter, anders dan bij het opleggen van geheimhouding, niet op welke gronden de raad achter gesloten deuren mag vergaderen. De wetgever heeft dit aan het oordeel van de raad zelf overgelaten.
Deelt u de mening dat omwonenden en juristen door deze geheimhouding mogelijk belangrijke informatie met grote juridische gevolgen wordt onthouden? Kunt u zich voorstellen dat deze informatiedeling van belang kan zijn voor een volledige advisering van de leden van de gemeenteraad en daarmee voor een eerlijke besluitvorming?
In de informatiestroom tussen de bestuursorganen van de gemeente is openbaarheid het uitgangspunt. Er kunnen echter omstandigheden zijn die aanleiding geven om van die hoofdregel af te wijken. Indien zich een dergelijke omstandigheid voordoet, is het aan het betreffende bestuursorgaan om het belang dat wordt gediend door geheimhouding af te wegen tegen het belang van openbaarheid in het betreffende geval. Daarbij vormt bij het opleggen van geheimhouding en bij het inwilligen van verzoeken om openbaarmaking artikel 5.1 van de Wet open overheid het juridisch kader. Daarbij kunnen ook de door u genoemde belangen worden meegewogen.
Heeft u gezien dat de burgemeester en wethouders de gemeenteraad hebben gewaarschuwd dat de gemeente een schadeclaim riskeert als de vergunning niet wordt verleend?3
Ik heb er kennis van genomen dat in het voorstel voor het raadsbesluit inzake de afgifte van een verklaring van geen bedenkingen wordt vermeld dat weigering van deze verklaring mogelijk zal leiden tot een nog onbekende schadeclaim van Tomassen Duck-To.
Hoe beoordeelt u deze waarschuwing?
Het is aan het college om alle relevante factoren en belangen die spelen bij een te nemen raadsbesluit te benoemen en uiteen te zetten in het betreffende raadsvoorstel. Daaronder kunnen ook (mogelijke) juridische gevolgen vallen. In algemene zin kan de mogelijkheid dat een schadeclaim wordt ingediend als gevolg van het (niet) nemen van een bepaald besluit, een relevant gegeven zijn om te vermelden in een raadsvoorstel. Of in dit specifieke geval een schadeclaim daadwerkelijk kans van slagen heeft, en of een mogelijke schadeclaim een factor is die moet worden meegewogen bij het nemen van het besluit door de raad en in het raadsvoorstel moet worden vermeld, is aan het college. Het is niet aan mij om hierover een oordeel te geven.
Deelt u de indruk dat de gemeenteraad hiermee onder druk wordt gezet om de verklaring van geen bedenkingen af te geven? Zo nee, kunt u dit toelichten?
Het college heeft de wettelijke taak raadsbesluiten voor te bereiden. In een voorstel voor een te nemen raadsbesluit kan het college, op basis van de in het voorstel uiteengezette argumenten en belangen, de raad adviseren om een bepaald besluit wel of niet te nemen. Uiteindelijk blijft het echter aan de raadsleden zelf om te beslissen voor of tegen te stemmen. Of raadsleden zich in het betreffende geval onder druk gezet voelden door de vermelding van een mogelijke schadeclaim kan ik niet beoordelen en kan per individueel raadslid verschillen.
Heeft u gezien dat, terwijl de besluitvorming over de vergunningverlening nog gaande is, er een voorlopige vergunning is afgegeven, waarmee de situatie nog vijf jaar kan blijven zoals deze is?4
Op basis van ambtelijk contact met de gemeente Ermelo heb ik begrepen dat er door Tomassen Duck-To een tijdelijke vergunning voor 10 jaar is aangevraagd bij het college van burgemeester en wethouders. Deze vergunning is niet voor de aangevraagde termijn van 10 jaar verleend, maar voor 5 jaar. De bevoegdheid om op een dergelijke aanvraag te beslissen ligt bij het college. Overigens staat tegen dergelijke besluitvorming ook rechtsbescherming open.
Vindt u dit een goed voorbeeld van democratische besluitvorming?
Op grond van de Wabo (Wet algemene bepalingen omgevingsrecht) is het de bevoegdheid van het college van burgemeester en wethouders om te beslissen op een aanvraag om tijdelijk af te wijken van het bestemmingsplan. Dit is ook gebeurd bij de gemeente Ermelo. In dit geval is derhalve de wettelijke procedure gevolgd. Tegen dergelijke besluitvorming staat ook rechtsbescherming open. Wat betreft de inhoudelijke beslissing op de aanvraag om tijdelijk af te wijken van het bestemmingsplan, is het niet aan mij om in de door het college gemaakte afweging te treden.
Hoe beoordeelt u deze gang van zaken?
Omdat het hier gaat om een bevoegdheid van het college, is het niet aan mij om hierover een oordeel te geven.
Over welke mogelijkheden beschikt u om in te grijpen wanneer een gemeentelijk democratisch proces niet fatsoenlijk verloopt en een gemeente omwonenden blijft benadelen?
Indien een besluit van het gemeentebestuur in strijd met het recht of met het algemeen belang wordt genomen, kan dit besluit op grond van artikel 268 Gemeentewet bij koninklijk besluit worden geschorst en/of vernietigd. Hiertoe kan ik als Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties een voordracht doen. Een besluit kan zowel worden geschorst en/of vernietigd vanwege de inhoud, als vanwege de gevolgde procedure. Besluiten waartegen bezwaar of beroep openstaat of aanhangig is, kunnen op grond van artikel 10:38 van de Algemene wet bestuursrecht echter niet worden vernietigd. Deze mogelijkheid komt daarmee niet in de plaats van reguliere rechtsbescherming.
Kunt u deze vragen één voor één en binnen drie weken beantwoorden?
Gelet op de aard van de vragen heb ik informatie opgevraagd bij de gemeente Ermelo. Omdat dit wat meer tijd vergde, is het niet gelukt deze vragen binnen drie weken te beantwoorden en is de termijn eenmaal verlengd met nogmaals drie weken. Hierover heeft u bericht ontvangen.
Het bericht ‘Joana Duarte wil Nederlander worden met een Friese eed (maar of dat mag, is de vraag)’ |
|
Romke de Jong (D66), Anne-Marijke Podt (D66) |
|
Hanke Bruins Slot (minister binnenlandse zaken en koninkrijksrelaties) (CDA) |
|
|
|
|
Bent u bekend met het bericht «Joana Duarte wil Nederlander worden met een Friese eed (maar of dat mag, is de vraag)»? Zo ja, hoe beoordeelt u de desbetreffende berichten?1, 2
Ja. De Wet gebruik Friese taal maakt dat mogelijk. Het recht om de eed, belofte of bevestiging in het Fries af te leggen is beschreven op de website van de rijksoverheid3.
Herkent u de berichtgeving dat de uitvoering van artikel 10 van de Wet Gebruik Friese Taal (WGFT) in voorkomende gevallen te wensen overlaat?
Ik herken de berichtgeving. Het komt wel eens voor dat organisaties bij de uitvoering niet bekend zijn met artikel 10 van de Wet gebruik Friese taal.
Erkent u dat de wetgever met het toevoegen van de artikelen 24 tot en met 30 van de WGFT beoogt heeft naast de uitspraak van degene die de eed dan wel belofte aflegt ook de tekst in het Fries te formuleren?
Ja
Hoe beoordeelt u het gebrek aan specifieke bepalingen voor de Ambtenarenwet en de Verklaring van verbondenheid?
Bij de beantwoording van uw vraag ga ik ervan uit dat met specifieke bepalingen wordt bedoeld dat in de wet een Friese tekst is opgenomen van de gehele eed, bevestiging of belofte.
De tekst voor de ambtseed is niet opgenomen in de Ambtenarenwet zelf, maar in de bijlage bij het Uitvoeringsbesluit Ambtenarenwet 2017. Daarin is de ambtseed opgenomen, die per overheidswerkgever verschilt en voor de provincie Fryslân en enkele gemeenten ook in het Fries is opgenomen. Voor zover niet de gehele tekst in het Fries in een wet is opgenomen, is het op grond van artikel 10 van de Wet gebruik Friese taal mogelijk om de bekrachtiging in het Fries uit te spreken.
De verklaring van verbondenheid wordt door een persoon afgelegd voordat het Nederlanderschap wordt verkregen. De tekst van de verklaring staat in artikel 23, tweede lid van de Rijkswet op het Nederlanderschap. Artikel 10 van de Wet gebruik Friese taal geeft in Nederland de mogelijkheid om de tekst «Zo waarlijk helpe mij God almachtig» of «Dat verklaar en beloof ik» in het Fries uit te spreken.
Bent u bereid in aanloop naar de nieuwe Bestuursafspraak Friese Taal en Cultuur u in te zetten voor de gelijkwaardige positie van beide Rijkstalen bij het afleggen van een eed, verklaring of belofte?
Ik ben bereid me in te zetten voor een gelijkwaardigere positie van de Nederlandse en de Friese taal bij het afleggen van een eed, verklaring of belofte. Daarom zal ik, vooruitlopend op de nieuwe Bestuursafspraak Friese taal en cultuur, op korte termijn per brief aan de Friese gemeenten de toepassing van de Wet gebruik Friese taal bij het afleggen van een eed, verklaring of belofte verduidelijken.
De Wet gebruik Friese taal borgt dat een persoon ter uitvoering van een wettelijk voorschrift de bekrachtiging van een eed, belofte of bevestiging in het Fries mag afleggen. Daarnaast maken artikelen 24 tot en met 30 van de Wet gebruik Friese taal het mogelijk de gehele eed, belofte of bevestiging in de Friese taal uit te spreken. Dit geldt voor de Advocatenwet, het Burgerlijk Wetboek Boek 1, de Wet beëdigde tolken en vertalers, de Gerechtsdeurwaarderswet, de Wet op de rechterlijke organisatie, de Wet op het notarisambt en de Wet rechtspositie rechterlijke ambtenaren. Ook het Uitvoeringsbesluit Ambtenarenwet 2017 borgt dat de gehele ambtseed in de provincie Fryslân en verschillende gemeenten in het Fries mag worden uitgesproken.
Bent u bereid deze vragen in het Fries te beantwoorden?
Ja.
Hjirby bied ik jo de antwurden oan op de skriftlike fragen dy't steld binne troch de leden De Jong en Podt (beide D66) oer it berjocht «Joana Duarte wol Nederlanner wurde mei in Fryske eed (mar oft dat mei, is de fraach)». Dy fragen waarden ynstjoerd op 19 jannewaris 2023, mei skaaimerk 2023Z00573.
Fraach 1
Binne jo bekend mei it berjocht «Joana Duarte wol Nederlanner wurde mei in Fryske eed (mar oft dat mei, is de fraach)»? As ja, hoe beoardielje jo de oanbelangjende berjochten?
Antwurd fraach 1
Ja. De Wet gebrûk Fryske taal makket dat mooglik. It rjocht om de eed, de belofte of befêstiging yn it Frysk ôf te lizzen is beskreaun op de webside fan de Ryksoerheid4.
Fraach 2
Werkenne jo de berjochtjouwing dat de útfiering fan kêst 10 fan de Wet gebrûk Fryske taal yn foarkommende gefallen te winskjen oerlit?
Antwurd fraach 2
Ik werken de berjochtjouwing. It komt wolris foar dat organisaasjes by de útfiering net bekend binne mei kêst 10 fan de Wet gebrûk Fryske taal.
Fraach 3
Erkenne jp dat de wetjouwer mei it taheakjen fan de kêsten 24 oant en mei 30 fan de Wet gebrûk Fryske taal bedoeld hat om neist de útspraak fan dejinge dy't de eed of de belofte ôfleit, ek de tekst yn it Frysk te formulearjen?
Antwurd fraach 3
Ja
Fraach 4
Hoe beoardielje jo it gebrek oan spesifike bepalingen foar de Amtnerswet en de Ferklearring fan Ferbûnens?
Antwurd fraach 4
By it beäntwurdzjen fan jo fraach gean ik derfan út dat mei spesifike bepalingen bedoeld wurdt dat yn de wet in Fryske tekst opnommen is fan de folsleine eed, befêstiging of belofte.
De tekst foar de amtseed is net opnommen yn de Amtnerswet sels, mar yn de bylage by it Útfieringsbeslút Amtnerswet 2017. Dêr is de amtseed yn opnommen, dy't per oerheidswurkjouwer ferskilt en foar de provinsje Fryslân en inkele gemeenten ek yn it Frysk opnommen is. Foarsafier't net de folsleine tekst yn it Frysk yn in wet opnommen is, is it op grûn fan kêst 10 fan de Wet gebrûk Fryske taal mooglik om de bekrêftiging yn it Frysk út te sprekken.
De ferklearring fan ferbûnens wurdt troch in persoan ôflein foar't it Nederlannerskip krigen wurdt. De tekst fan de ferklearring stiet yn kêst 23, twadde lid fan de Rykswet op it Nederlannerskip. Kêst 10 fan de Wet gebrûk Fryske taal jout yn Nederlân de mooglikheid om de tekst «Zo waarlijk helpe mij God Almachtig» of «Dat verklaar en beloof ik» yn it Frysk út te sprekken («Sa helpe my God Almachtich» of «Dat ferklearje en ûnthjit ik»).
Fraach 5
Binne jo ree om jo yn oanrin nei de nije Bestjoersôfspraak Fryske taal en kultuer yn te setten foar de lykweardige posysje fan beide Rykstalen by it ôflizzen fan in eed, ferklearring of belofte?
Antwurd fraach 5
Ik bin ree om my yn te setten foar in lykweardige posysje fan de Nederlânske en de Fryske taal by it ôflizzen fan in eed, ferklearring of belofte. Dêrom sil ik, foarútrinnend op de nije Bestjoersôfspraak Fryske taal en kultuer, op koarte termyn yn in brief oan de Fryske gemeenten de tapassing fan de Wet gebrûk Fryske taal by it ôflizzen fan in eed, ferklearring of belofte ferdúdlikje.
De Wet gebrûk Fryske taal boarget dat in persoan om in wetlik foarskrift út te fieren, de bekrêftiging fan in eed, belofte of befêstiging yn it Frysk ôflizze mei. Dêrneist meitsje kêst 24 oant en mei 30 fan de Wet gebrûk Fryske taal it mooglik de folsleine eed, belofte of befêstiging yn de Fryske taal út te sprekken. Dat jildt foar de Advokatewet, it Boargerlik Wetboek 1, de Wet beëdige tolken en fertalers, de Gerjochtsdoarwarderswet, de Wet op de rjochterlike organisaasje, de Wet op it notarisamt en de Wet rjochtsposysje rjochterlike amtners. Ek it Útfieringsbeslút Amtnerswet 2017 boarget dat de folsleine amtseed yn de provinsje Fryslân en ferskate gemeenten yn it Frysk útsprutsen wurde mei.
Fraach 6
Binne jo ree dizze fragen yn it Frysk te beäntwurdzjen?
Antwurd fraach 6
Ja.
De Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties,
De Minister fan Ynlânske Saken en Keninkryksrelaasjes,
Hanke Bruins Slot
Het recente AD-interview met de veroordeelde moslimterrorist Soumaya Sahla |
|
Geert Wilders (PVV) |
|
Mark Rutte (minister-president , minister algemene zaken) (VVD) |
|
|
|
|
Wilt u met inachtneming van artikel 68 van de Grondwet alle door mij in deze vragenreeks gestelde vragen volledig en waarheidsgetrouw beantwoorden?
Vanzelfsprekend beantwoord ik uw vragen in overeenstemming met de inlichtingenplicht van art 68 Grondwet.
Wilt u deze vragen niet gebundeld maar per vraag beantwoorden en wilt u deze vragen niet door uw vakministers laten beantwoorden maar zelf beantwoorden? Bent u bereid deze vragen zo snel mogelijk doch uiterlijk binnen twee weken te beantwoorden?
Ik beantwoord de vragen afzonderlijk en zo snel als mogelijk.
Heeft u kennisgenomen van het interview met de veroordeelde moslimterrorist Soumaya Sahla in het Algemeen Dagblad van zaterdag 14 januari 2023, getiteld: «VVD zou niet buigen voor Wilders, zei Rutte, toch vertrok Soumaya Sahla, maar nu keert ze terug»?1
Ja.
Klopt het dat u de veroordeelde moslimterrorist Soumaya Sahla op 5 december 2021 een sms-je heeft gestuurd met de tekst: «Ik duik er even in ASAP»? Waarom heeft u dat niet eerder aan de Kamer gemeld?
Ik kan hier slechts vragen beantwoorden in mijn hoedanigheid als Minister-President. Voor vragen die de VVD betreffen, verwijs ik u naar de VVD.
Hoe vaak heeft u met Soumaya sms-contact gehad sinds haar veroordeling, en wat was de inhoud van dit sms-contact?
Ik onderhoud contact met allerlei personen en organisaties. Het is belangrijk dat dergelijk contact in vertrouwen en in beslotenheid kan plaatsvinden. Dat brengt met zich dat niet al mijn contacten volledig openbaar kunnen zijn. Ik ga hier dan ook niet nader op in. Daarenboven kan ik hier slechts vragen beantwoorden in mijn hoedanigheid als Minister-President. Voor vragen die de VVD betreffen, verwijs ik u naar de VVD.
Kunt u alle sms-jes, app-berichten en andere berichten tussen u en de veroordeelde moslimterrorist Soumaya Sahla inclusief tijdlijn openbaar maken en naar de Kamer sturen? Zo nee, wat heeft u te verbergen?
Ik ga hier om de in het antwoord op vraag 5 genoemde reden niet nader op in. Daarenboven kan ik hier slechts vragen beantwoorden in mijn hoedanigheid als Minister-President. Voor vragen die de VVD betreffen, verwijs ik u naar de VVD.
Welke handelingen heeft u naar aanleiding van dat sms-je van 5 december 2021 waarin u aangeeft er even «ASAP in te duiken» ten behoeve van Soumaya Sahla precies verricht? Kunt hier een uitputtend overzicht van naar de Kamer sturen?
Ik ga hier om de in het antwoord op vraag 5 genoemde reden niet nader op in. Daarenboven kan ik hier slechts vragen beantwoorden in mijn hoedanigheid als Minister-President. Voor vragen die de VVD betreffen, verwijs ik u naar de VVD.
Klopt het dat u op 25 januari 2022 tijdens een telefoongesprek tegen de veroordeelde moslimterrorist Soumaya Sahla heeft gezegd: «We buigen niet voor Wilders, wij zijn trots op jou, je hoort bij ons. Maar de mensen willen dat je sorry zegt. Doe dat nou gewoon. Geef een verklaring uit, ga bij een talkshow zitten en zoek daarna even de luwte op»? Waarom heeft u dit niet eerder aan de Kamer gemeld?
Ik ga hier om de in het antwoord op vraag 5 genoemde reden niet nader op in. Daarenboven kan ik hier slechts vragen beantwoorden in mijn hoedanigheid als Minister-President. Voor vragen die de VVD betreffen, verwijs ik u naar de VVD.
Wat bedoelde u precies met «wij buigen niet voor Wilders»? Waarom buigt u wel voor Kaag en niet voor Wilders?
Ik ga hier om de in het antwoord op vraag 5 genoemde reden niet nader op in. Daarenboven kan ik hier slechts vragen beantwoorden in mijn hoedanigheid als Minister-President. Voor vragen die de VVD betreffen, verwijs ik u naar de VVD.
Kunt u uitleggen waarom u trots bent op de veroordeelde moslimterrorist Soumaya Sahla?
Ik ga hier om de in het antwoord op vraag 5 genoemde reden niet nader op in. Daarenboven kan ik hier slechts vragen beantwoorden in mijn hoedanigheid als Minister-President. Voor vragen die de VVD betreffen, verwijs ik u naar de VVD.
Wat bedoelt u precies met de opmerking dat zij «bij ons» hoort?
Ik ga hier om de in het antwoord op vraag 5 genoemde reden niet nader op in. Daarenboven kan ik hier slechts vragen beantwoorden in mijn hoedanigheid als Minister-President. Voor vragen die de VVD betreffen, verwijs ik u naar de VVD.
Waarom zei u op 25 januari 2022 tegen Soumaya Sahla «Maar de mensen willen dat je sorry zegt», en niet «ik wil dat je sorry zegt»?
Ik ga hier om de in het antwoord op vraag 5 genoemde reden niet nader op in. Daarenboven kan ik hier slechts vragen beantwoorden in mijn hoedanigheid als Minister-President. Voor vragen die de VVD betreffen, verwijs ik u naar de VVD.
Hoe rijmt u dat met het feit dat u tijdens de persconferentie van 28 januari 2022 juist tegen de pers zei «het ontbreken van het zelf uitspreken van een spijtbetuiging, dat vind ik essentieel»?
Ik ga hier om de in het antwoord op vraag 5 genoemde reden niet nader op in. Daarenboven kan ik hier slechts vragen beantwoorden in mijn hoedanigheid als Minister-President. Voor vragen die de VVD betreffen, verwijs ik u naar de VVD.
Waarom zei u daarover op 25 januari 2022 dus wat anders dan tegen de pers op 28 januari 2022? Waarom was u hier niet eerlijk over? Waarom heeft u dit niet eerder aan de Kamer gemeld?
Eerder gestelde vragen heb ik naar waarheid beantwoord. Ik ga hier om de in het antwoord op vraag 5 genoemde reden niet nader op in. Daarenboven kan ik hier slechts vragen beantwoorden in mijn hoedanigheid als Minister-President. Voor vragen die de VVD betreffen, verwijs ik u naar de VVD.
Waarom deed u Soumaya Sahla de suggestie «zoek daarna even de luwte op»? Wat beoogde u met dat advies precies te bereiken?
Ik ga hier om de in in het antwoord op vraag 5 genoemde reden niet nader op in. Daarenboven kan ik hier slechts vragen beantwoorden in mijn hoedanigheid als Minister-President. Voor vragen die de VVD betreffen, verwijs ik u naar de VVD.
Wanneer besloot u adviseur van een veroordeelde moslimterrorist te worden? Vindt u dat passend voor een Minister-President?
Van een dergelijk adviseurschap is geen sprake.
Wat heeft u tijdens het telefoongesprek op 25 januari vorig jaar nog meer met Soumaya Sahla besproken? Kunt u hier uitputtend verslag over doen zonder u te excuseren vanwege uw vaker haperende geheugen?
Ik ga hier om de in het antwoord op vraag 5 genoemde reden niet nader op in. Daarenboven kan ik hier slechts vragen beantwoorden in mijn hoedanigheid als Minister-President. Voor vragen die de VVD betreffen, verwijs ik u naar de VVD.
Zijn er nog andere momenten geweest dat u met Soumaya Sahla heeft gesproken? Kunt u een overzicht geven van de data, inhoud en locatie van deze gesprekken?
Ik ga hier om de hiervoor in het antwoord op vraag 5 genoemde reden niet nader op in. Daarenboven kan ik hier slechts vragen beantwoorden in mijn hoedanigheid als Minister-President. Voor vragen die de VVD betreffen, verwijs ik u naar de VVD.
Herinnert u zich dat u eerder in antwoord op vragen mijnerzijds aangaf dat u de veroordeelde moslimterorrist Soumaya Sahla op het Ministerie van Algemene Zaken heeft ontvangen?
Ja.
Was dat in het Torentje of liegt Soumaya Sahla daarover in het betreffende interview?2
Dit gesprek vond plaats in het Torentje. Zie ook mijn eerdere beantwoording (Aanhangsel Handelingen, vergaderjaar 2021–2022, nr. 1987).
Klopt het dat zij u toen uitgebreid over haar verleden heeft verteld? Wat is er exact tijdens dit bezoek besproken? Wanneer was dit precies? Hoe vaak heeft u haar op het Ministerie van Algemene Zaken respectievelijk het Torentje ontvangen en gesproken?
Zoals ik eerder heb gemeld (Aanhangsel Handelingen, vergaderjaar 2021–2022, nr. 1987), heb ik buiten de genoemde afspraak die op 26 september 2019 plaatsvond, Soumaya Sahla niet ontvangen op het Ministerie van Algemene Zaken. Het betrof, zoals ik u eerder heb gemeld, een kennismaking. Ik ga hier om de in het antwoord op vraag 5 genoemde reden niet nader op in. Daarenboven kan ik hier slechts vragen beantwoorden in mijn hoedanigheid als Minister-President. Voor vragen die de VVD betreffen, verwijs ik u naar de VVD.
Heeft u haar toen of ooit beloftes gedaan? Zo ja, welke?
Ik ga hier om de in het antwoord op vraag 5 genoemde reden niet nader op in. Daarenboven kan ik hier slechts vragen beantwoorden in mijn hoedanigheid als Minister-President. Voor vragen die de VVD betreffen, verwijs ik u naar de VVD.
Vindt u het gepast een veroordeelde moslimterrorist die lid was van de Hofstadgroep welke groep mij als een lid van de Tweede Kamer wilde vermoorden, in uw kantoor, het kantoor van de Minister-President, te ontvangen?
Zoals gemeld in mijn eerdere beantwoording (Aanhangsel Handelingen, vergaderjaar 2021–2022, nr. 1987) was ik bij mijn ontmoeting met haar op het Ministerie van Algemene Zaken op de hoogte van haar veroordeling, maar ik heb daaraan niet de conclusie verbonden dat ik haar daarom niet zou kunnen ontvangen.
Klopt de bewering uit het genoemde interview dat Soumaya Sahla u tijdens dat gesprek met haar op het Ministerie van Algemene Zaken respectievelijk het Torentje «uitgebreid over haar verleden heeft verteld», en dat u volgens haar «al goed op de hoogte was»?3
Ik ga hier om de in het antwoord op vraag 5 genoemde reden niet nader op in. Daarenboven kan ik hier slechts vragen beantwoorden in mijn hoedanigheid als Minister-President. Voor vragen die de VVD betreffen, verwijs ik u naar de VVD.
Zo ja, erkent u dan dat u tijdens de wekelijkse persconferentie van 28 januari 2022, waarin u beweerde dat u zichzelf verweet u «niet al eerder in de kwestie-Soumaya Sahla te hebben verdiept» heeft gelogen, aangezien u haar jaren ervoor al in het Torentje had ontmoet, sms- en telefooncontact met haar onderhield en dat u naar nu blijkt volgens Soumaya Sahla, zelfs goed op de hoogte was van haar verleden? Zo nee, waarom niet? Zo ja, welke consequenties verbindt u aan die leugen?
Ik heb geen reden om terug te komen op hetgeen ik heb gezegd op de wekelijkse persconferentie van 28 januari 2022.
Wist u toen u Soumaya Sahla in het Torentje ontmoette dat zij zelf nota bene fatwa’s had uitgesproken? 4
Mij is hierover slechts mediaberichtgeving bekend waarnaar bij de gestelde vragen wordt verwezen.
Wat is uw oordeel daarover?
In zijn algemeenheid keur ik de opvattingen van betrokkene destijds die in relatie staan tot de feiten waarvoor zij is veroordeeld stellig af.
Is het gegeven dat ze zelf fatwa’s uitvaardigde niet reden genoeg om voor altijd contact met haar te mijden en haar uit het domein van de politiek en Tweede Kamer te houden?
In zijn algemeenheid keur ik de opvattingen van betrokkene destijds die in relatie staan tot de feiten waarvoor zij is veroordeeld stellig af. In 2016 is betrokkene onherroepelijk veroordeeld voor verboden wapenbezit en deelneming aan een terroristische organisatie. Betrokkene heeft haar straf uitgezeten. Of zij al dan niet toegang heeft tot het domein van politiek en Tweede Kamer is niet aan mij.
Kunt u de precieze inhoud van deze fatwa’s aan de Kamer doen toekomen?
Mij is hierover slechts mediaberichtgeving bekend waarnaar bij de gestelde vragen wordt verwezen.
Klopt het dat u Soumaya Sahla tijdens uw ontmoeting met haar in het Torentje het nummer van de voorzitter van de permanente scoutingscommissie van de VVD heeft gegeven? Wilt u ook deze vraag volledig beantwoorden en u niet verschuilen achter uw rol als partijleider nu u haar dat nummer in het Torentje – het kantoor van de premier – en dus niet op het VVD-partijbureau of elders heeft gegeven?
Ik ga hier om de in het antwoord op vraag 5 genoemde reden niet nader op in. Daarenboven kan ik hier slechts vragen beantwoorden in mijn hoedanigheid als Minister-President. Voor vragen die de VVD betreffen, verwijs ik u naar de VVD.
Heeft u vaker veroordeelde moslimterroristen gescout voor uw partij of voor een functie bij de overheid?
Ik ga hier om de in het antwoord op vraag 5 genoemde reden niet nader op in. Daarenboven kan ik hier slechts vragen beantwoorden in mijn hoedanigheid als Minister-President. Voor vragen die de VVD betreffen, verwijs ik u naar de VVD.
Met welke intentie heeft u dat gedaan? Vond en vindt u Soumaya Sahla geschikt als (kandidaat-)Kamerlid? Heeft u ook contact opgenomen met (leden van) de scoutingscommissie om voor Soumaya Sahla een goed woordje te doen? Zo ja, bent u wel helemaal goed bij zinnen?
Ik kan hier slechts vragen beantwoorden in mijn hoedanigheid als Minister-President. Voor vragen die de VVD betreffen, verwijs ik u naar de VVD.
Klopt het dat Soumaya Sahla in 2014 Lodewijk Asscher, toenmalig Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid en tevens vicepremier in uw kabinet Rutte II, ontmoet heeft? Zo ja, wat is er tijdens die ontmoeting besproken? Was u vooraf of achteraf op de hoogte van die bespreking?5
Er is door het Ministerie van Sociale Zaken en Werkgelegenheid nagegaan of deze ontmoeting heeft plaatsgevonden, maar daarvoor zijn geen aanwijzingen gevonden.
Waarom heeft u in uw beantwoording van 8 maart 2022 op vragen mijnerzijds van 8 februari 2022, in uw antwoord op vraag 5 ontkend dat zij met andere bewindslieden heeft gesproken sinds haar veroordeling? Heeft u hierover toen opnieuw niet de waarheid gesproken?6
Ik heb u destijds gemeld dat mij daarover geen informatie bekend was (Aanhangsel Handelingen, vergaderjaar 2021–2022, nr. 1987).
Kunt u nogmaals, maar deze keer wel volledig en waarheidsgetrouw, de vraag beantwoorden welke andere Ministers en of Staatssecretarissen met Soumaya Sahla contact hadden tijdens al uw kabinetten?
Ik kan in redelijkheid niet voldoende volledig en betrouwbaar beschikken over de gevraagde informatie. Thans is mij hierover geen informatie bekend, behoudens hetgeen mij bekend is geworden in het kader van de beantwoording van vraag 33 en, eerder, bij de beantwoording door de Ministers van Justitie en Veiligheid en Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties van de op 26 januari 2022 gestelde schriftelijke vragen (Aanhangsel Handelingen, vergaderjaar 2021–2022, nr. 1532).
Heeft u, of heeft een andere Minister of Staatsecretaris de veroordeelde moslimterrorist Soumaya Sahla gesproken op het VVD-congres van 19 november 2022?
Voor vragen die de VVD betreffen, verwijs ik u naar de VVD.
Wat vindt u van de uitspraak van Soumaya Sahla gedaan in het interview met het AD: «Ik kwam in een complexe situatie terecht, die ik niet meer onder controle had, met als uitkomst een strafvonnis. Ben ik een moslimterrorist? Absoluut niet.»?7
Ik neem afstand van uitlatingen van betrokkene die strijdig zijn met de feiten waarvoor zij in 2016 is veroordeeld.
Deelt u de mening dat die uitspraak te walgelijk voor woorden is nu betrokkene twee keer is veroordeeld, zowel voor het lidmaatschap van een terroristische organisatie als voor verboden wapenbezit en nu doet alsof het haar allemaal is overkomen?
Ik neem afstand van uitlatingen van betrokkene die strijdig zijn met de feiten waarvoor zij in 2016 is veroordeeld.
Deelt u de mening dat alleen deze uitspraak al impliceert dat ze niet oprecht is en dus geen schuld en spijt erkent noch verantwoordelijkheid voor haar daden neemt en nooit en te nimmer kan worden vertrouwd als het gaat om haar intenties?
Ik neem afstand van uitlatingen van betrokkene die strijdig zijn met de feiten waarvoor zij in 2016 is veroordeeld.
Is het regeringsbeleid om veroordeelde terroristen te spreken en/of te steunen?
Nee, waarmee overigens dergelijke contacten niet zijn uitgesloten.
Vindt u dat veroordeelde moslimterroristen Kamerlid mogen worden?
Het kiesrecht is een grondrecht dat is opgenomen in artikel 4 van de Grondwet. Dit recht mag alleen bij wet worden beperkt. Op grond van artikel 54, tweede lid, van de Grondwet kan de strafrechter een persoon, die wegens het begaan van een in de wet aangewezen delict (waaronder terroristische misdrijven) bij rechterlijke uitspraak onherroepelijk is veroordeeld tot een vrijheidsstraf van ten minste een jaar, uitsluiten van het actieve en passieve kiesrecht. Het is aan de strafrechter om te bepalen of deze bijkomende straf in een individuele strafzaak dient te worden opgelegd.
Vindt u dat veroordeelde moslimterroristen Minister of Staatssecretaris mogen worden?
De benoemingsprocedure is vermeld in een brief van de Minister-President d.d. 20 december 2002. Aan de benoeming van een Minister (en Staatssecretaris) gaat een uitgebreide procedure vooraf: tijdens de kabinetsformatie wordt er gezocht naar kandidaten, vervolgens moeten zij gescreend worden en tot slot voeren zij een gesprek met de formateur, waarin wordt bekeken of er «enig beletsel is in het heden of verleden van de kandidaat om de functie te aanvaarden».
Bij de screening wordt van kandidaat-bewindslieden onderzocht of ze een strafblad hebben, bekend zijn bij de Algemene Inlichtingen- en Veiligheidsdienst en of er risico's zijn in de sfeer van hun belastinggedrag.
Vindt u dat veroordeelde moslimterroristen bij de overheid mogen werken?
Voor een specifieke taak of functie in de samenleving kan een strafblad met bepaalde antecedenten een beletsel zijn. Voor dergelijke functies wordt een Verklaring Omtrent het Gedrag (VOG) gevraagd. Een VOG is een verklaring waaruit blijkt dat het justitiële verleden geen bezwaar vormt voor het vervullen van die specifieke taak of functie. Voor elke persoon met een strafblad kan dit mogelijk effect hebben op toekomstig werk.
Deelt u de mening dat het onverteerbaar en onacceptabel is als ik, als doelwit van de terroristische organisatie de Hofstadgroep, welke terreurgroep de aanleiding is dat ik dit jaar 19 jaar geleden mijn vrijheid ben kwijtgeraakt, dadelijk in de Kamer kan worden geconfronteerd met een aldaar rondlopend voormalig lid van diezelfde terreurorganisatie?
Bedreigingen door terroristische organisaties behoren tot ernstigste misdrijven in onze samenleving, omdat zij naar hun aard een bedreiging voor de democratische rechtsorde vormen en omdat zij diep ingrijpen in het leven van de personen die zij raken. Over alle consequenties daarvan voor betrokkenen, waaronder de heer Wilders, denk ik niet licht.
De Tweede Kamer heeft krachtens artikel 72 van de Grondwet in artikel 152 van het Reglement van Orde regels vastgesteld rondom de toelating van bezoekers tot het gebouw en de vergaderingen. Het presidium kan nadere regels stellen. Het is daarom niet aan mij om te bepalen wie toegang heeft tot gebouwen van de Staten-Generaal noch om daarover een oordeel te uiten.
Heeft u kennisgenomen van de uitspraak van de veroordeelde moslimterrorist Soumaya Sahla dat ze «best vaak» in de Tweede Kamer kwam? Wist u daarvan? Wat is uw oordeel daarover?
De Tweede Kamer heeft krachtens artikel 72 van de Grondwet in artikel 152 van het Reglement van Orde regels vastgesteld rondom de toelating van bezoekers tot het gebouw en de vergaderingen. Het presidium kan nadere regels stellen. Het is daarom niet aan mij om te bepalen wie toegang heeft tot gebouwen van de Staten-Generaal noch om daarover een oordeel te uiten.
Deelt u de mening dat het totaal ongepast is dat een veroordeelde moslimterrorist in hetzelfde gebouw rondloopt als een van de belangrijkste doelwitten van de terreurorganisatie waarvan zij lid was en voor welk lidmaatschap ze ook veroordeeld is?
De Tweede Kamer heeft krachtens artikel 72 van de Grondwet in artikel 152 van het Reglement van Orde regels vastgesteld rondom de toelating van bezoekers tot het gebouw en de vergaderingen. Het presidium kan nadere regels stellen. Het is daarom niet aan mij om te bepalen wie toegang heeft tot gebouwen van de Staten-Generaal noch om daarover een oordeel te uiten.
Heeft u er begrip voor dat ik haar nooit en te nimmer wil tegenkomen en zeker niet in mijn werkomgeving zijnde het gebouw van de Tweede Kamer? Zo nee, waarom niet? Zo ja, wat gaat u doen om ervoor te zorgen dat dat nooit zal gebeuren?
De Tweede Kamer heeft krachtens artikel 72 van de Grondwet in artikel 152 van het Reglement van Orde regels vastgesteld rondom de toelating van bezoekers tot het gebouw en de vergaderingen. Het presidium kan nadere regels stellen. Het is daarom niet aan mij om te bepalen wie toegang heeft tot gebouwen van de Staten-Generaal noch om daarover een oordeel te uiten.
Kunt u 100% uitsluiten dat Soumaya Sahla nog een veiligheidsgevaar respectievelijk risico vormt of kan vormen?
Alle partners die een taak hebben in terrorismebestrijding in Nederland zijn erop gericht om radicalisering te signaleren en eventuele veiligheidsrisico’s te mitigeren.
Erkent u dat dat nooit het geval zal zijn daar veroordeelde moslimterroristen zich immers onbetrouwbaar en levensgevaarlijk hebben getoond en altijd onverwacht weer kunnen toeslaan en tot terreur en moord en doodslag kunnen overgaan? Wilt u het risico lopen dat het niet zo is?
Zie het antwoord op vraag 48.
Kunt u er alstublieft voor zorgen dat de «terugkeer» in de politiek van Soumaya Sahla nooit en te nimmer zal plaatsvinden?
Voor zover de vraag de VVD betreft, verwijs ik door naar de VVD. Voor zover de vraag andere politieke verbanden betreft is het niet aan mij te oordelen.
De Ranglijst Christenvervolging 2023 |
|
Nicki Pouw-Verweij (JA21), René Peters (CDA), Kees van der Staaij (SGP), Don Ceder (CU) |
|
Wopke Hoekstra (viceminister-president , minister buitenlandse zaken) (CDA) |
|
|
|
|
Heeft u kennisgenomen van de Ranglijst Christenvervolging 2023?1
Ja, ik heb deze lijst op 19 januari persoonlijk in ontvangst genomen tijdens een ontmoeting met Open Doors en het grote belang van hun werk onderstreept.
Herkent u de omvang van vervolging van christenen vanwege hun geloofsovertuiging, zoals geconstateerd door de organisatie Open Doors, die stelt dat het aantal christenen dat vervolgd wordt op een alarmerend hoog niveau blijft, waarbij meer dan 360 miljoen christenen te maken hebben met een hoog niveau van vervolging en in de 50 landen van de Ranglijst Christenvervolging het 312 miljoen mensen betreft die te maken hebben met «zeer zware of extreme vervolging»?
De cijfers in het rapport zijn goed onderbouwd en klinken plausibel. Open Doors heeft een grote onderzoeksafdeling en dertig jaar ervaring met dit werk. De onderzoeksmethoden lijken accuraat met gebruik van diverse betrouwbare indicatoren. Ik krijg vanuit de ambassades dezelfde signalen die mij zorgen baren en ook in andere ranglijsten zoals die van Humanists International worden zorgelijke ontwikkelingen als het gaat om vrijheid van levensovertuiging genoemd.
Komen de gegevens van Open Doors, die in de rapportageperiode (1 oktober 2021 tot 30 september 2022) melding maakt van conservatieve tellingen van 5.621 vermoorde christenen vanwege hun geloof, 2.126 gevallen van verkrachting of seksueel geweld, 5.259 ontvoeringen, 2.100 kerken die aangevallen werden en meer dan 4.500 woningen verwoest uitkomen, overeen met uw eigen bevindingen?
Zie vraag 2.
Ziet u het effect van de Nederlandse initiatieven om geweld en straffeloosheid tegen te gaan en mensenrechten te respecteren, zoals Team Europe Initiative Security and Governance en de Regional Stability Strategy van het United Nations Development Programme (UNDP)? Ziet u mogelijkheden om de betrokkenheid bij deze initiatieven te intensiveren?
Ja, die effecten zie ik. Nederland is verantwoordelijk voor een groot aantal initiatieven om geweld en straffeloosheid tegen te gaan en respect voor mensenrechten te bevorderen. Over de resultaten die hierbij worden bereikt wordt uw Kamer geïnformeerd via o.a. de jaarlijkse BHOS-rapportage en de mensenrechtenrapportage. Specifiek op het terrein van vrijheid van religie en levensovertuiging financiert Nederland onder andere het JISRA (Joint Initiative for Strategic Religious Action) programma in Nigeria, dat lokale religieuze actoren ondersteunt in conflictbemiddeling en -preventie. Hiermee worden meetbare resultaten geboekt op het gebied van wederzijds respect en verdraagzaamheid. Het Kabinet steunt daarnaast inderdaad de ambities uit de regionale stabilisatiestrategie voor de Tsjaadmeerregio, waaronder op het gebied van mensenrechten en het tegengaan van straffeloosheid. Via de UNDP-stabilisatiefaciliteit voor de Tsjaadmeerregio investeert Nederland in het herstel van infrastructuur en basisdiensten en de terugkeer van politie en justitie in door Boko Haram verwoeste gemeenschappen. Het bevorderen van menselijke veiligheid en mensenrechten vormt een integraal onderdeel van deze inzet. In december heeft het Kabinet een extra bijdrage van € 8 miljoen aan deze faciliteit gedaan.
Welke mogelijkheden ziet u om de invloed van huurlingenlegers in te perken of aan de kaak te stellen in verband met de situatie in de landen ten zuiden van de Sahara, die verder te lijkt te escaleren, als gevolg van diverse coups die plaatsvonden in zowel Mali als Burkina Faso, mede gelet op het feit dat instabiliteit ruimte biedt aan jihadistische groepen, die naast en soms gezamenlijk optrekken met georganiseerde misdaad en huurlingen van bijvoorbeeld Wagner?
Het is belangrijk om de dialoog hierover aan te blijven gaan met overheden, ook met de transitie-autoriteiten in Burkina Faso, Mali en Tsjaad. Rusland en mogelijk (Russische) paramilitaire organisaties ontplooien activiteiten die indruisen tegen de Nederlandse en Europese waarden en belangen. In onze dialoog dringen we er op aan geen samenwerking met paramilitaire organisaties aan te gaan omdat dit leidt tot mensenrechtenschendingen. Dit doen we als Nederland, en ook in EU-verband.
Tegelijkertijd zet Nederland in op de aanpak van de grondoorzaken van instabiliteit, zoals armoede, chronische voedselonzekerheid en afwezigheid van de overheid of goed bestuur. Daarnaast acht het kabinet het van belang bij te blijven dragen aan internationale missies ter bevordering van de internationale rechtsorde en stabiliteit.
De Wagner-groep staat op de EU-sanctielijst. Daarmee is het voor burgers en bedrijven uit de EU verboden om direct of indirect economische middelen ter beschikking te stellen. Het is echter uiteindelijk de verantwoordelijkheid van de autoriteiten de veiligheid van hun burgers te waarborgen.
Onderschrijft u dat, naast factoren als klimaatverandering, tribale kwesties en criminele motieven, religie en dan met name extreem geweld van diverse jihadistische groepen, een belangrijke oorzaak is van het ontwrichtende geweld in Nigeria?
Geweld door extremistische organisaties neemt in verschillende regio’s van Afrika toe, waaronder in Nigeria. De situatie met name in het Noorden van Nigeria, is verontrustend. Bij verschillende vormen van geweld in Nigeria vallen veel slachtoffers, onder wie christenen. Het geweld wordt veroorzaakt door een mix van factoren die in de verschillende gebieden een meer of minder belangrijke rol spelen. Religie wordt veelvuldig gebruikt als aansporende reden voor dit geweld, maar het is doorgaans niet de grondoorzaak van het geweld. Zo zijn bijvoorbeeld de verminderde toegang tot socio-economische mogelijkheden, geringe mogelijkheid tot effectieve politieke participatie, marginalisering van verschillende bevolkingsgroepen en het landbeheerstelsel grondoorzaken van dit geweld. Verschillende factoren verslechteren momenteel de levensstandaard van de gemiddelde inwoner van Nigeria, o.a. inflatie, hoge voedsel- en benzineprijzen en klimaatverandering. Dit draagt bij aan de toename van onderliggende spanningen en geweld. De aanloop naar de nationale en regionale verkiezingen in 2023 versterkt dit verder.
Welke mogelijkheden ziet u om opvolging te geven aan de bilaterale gesprekken tussen de Nederlandse overheid en de Nigeriaanse overheid in 2021? Kunnen de nieuwe ranglijstresultaten resulteren in hernieuwde initiatieven?
Tijdens bilaterale gesprekken van Minister President Rutte op presidentieel en ministerieel niveau is de veiligheidssituatie besproken, laatstelijk in september 2021. Mede in vervolg op die gesprekken brengt de Nederlandse ambassade in Nigeria de veiligheidssituatie in het land consistent op in gesprekken met de autoriteiten en vraagt de overheid zich in te spannen om de veiligheid voor iedereen in Nigeria te verbeteren. Dit komt allereerst ten goede aan de inwoners van Nigeria en de stabiliteit en welvaart van het land, en daarmee ook aan de bredere regio en het gehele continent. Ook in 2023, waarin Nederland tracht de bilaterale relatie verder te versterken met de dit jaar aan te treden nieuwe Nigeriaanse overheid, zal Nederland tijdens bilaterale gesprekken de veiligheidssituatie in het land steevast opbrengen en daarin alle ontwikkelingen mee nemen. Daarnaast draagt Nederland aan verschillende initiatieven bij om de spanningen op lokaal niveau te verminderen en om de stabiliteit en duurzame ontwikkeling van het land te versterken, o.a. middels directe activiteiten gericht op vrijheid van religie en levensovertuiging, alsmede middels indirecte activiteiten, bijvoorbeeld gericht op het vergroten van de lokale voedselproductie.
Welke ontwikkelingen zijn er ten aanzien van een mogelijk onderzoek door het internationaal Strafhof naar misdaden tegen de menselijkheid in Nigeria? Zal dit onderzoek eerder op nationaal of internationaal niveau plaatsvinden?
In december 2020 heeft de aanklager van het Internationaal Strafhof het voorlopige onderzoek (preliminary examination) naar de situatie in Nigeria afgesloten en daarbij geconcludeerd dat er een redelijke basis is om aan te nemen dat er oorlogsmisdrijven en misdrijven tegen de menselijkheid zijn gepleegd. De volgende stap in de procedure bij het Strafhof zou zijn dat de aanklager bij de Kamer van vooronderzoek een verzoek indient om hem te machtigen om een formeel onderzoek (investigation) te openen.
Vorig jaar heeft aanklager Khan echter aangegeven dat hij in overeenstemming met het complementariteitsbeginsel eerst nog met de autoriteiten van Nigeria de mogelijkheid van nationale procedures wil onderzoeken. Tijdens zijn eerste bezoek aan Nigeria op 19 en 20 april 2022 heeft hij ter bevordering van deze nationale procedures ook technische bijstand toegezegd en daarnaast werkt zijn Parket op dit moment samen met de Nigeriaanse autoriteiten aan een Memorandum of Understanding. Of aanklager Khan in de komende jaren alsnog zal aansturen op procedures bij het Internationaal Strafhof, zal hoofdzakelijk afhangen van zijn oordeel over de voortgang van de nationale procedures in Nigeria.
Welke mogelijkheden ziet u om landen aan te spreken, die zowel bij de International Religious Freedom or Belief Alliance (IRFBA) zijn aangesloten als op de Ranglijst Christenvervolging 2023 staan, zoals de Democratische Republiek Congo, Colombia en Kameroen?
Politieke consultaties en bestaande dialogen in bilateraal en EU verband worden door Nederland o.a. gebruikt om landen aan te spreken op schendingen van de vrijheid van religie en levensovertuiging. Ook tijdens de landenbezoeken van de Speciaal Gezant voor Religie en Levensovertuiging worden landen aangesproken om zich te houden aan de internationale verplichtingen. DeInternational Religious Freedom of Belief Alliance is daar ook een instrument voor.
Nederland spoort landen tevens binnen de Mensenrechtenraad aan om passages m.b.t. de vrijheid van religie en levensovertuiging indien relevant op te nemen in de landenresoluties. Tevens wordt de Universal Periodic Review (UPR) gebruikt door Nederland om andere landen aan te sporen om mensenrechtenverdragen na te leven. Wanneer dit opportuun is geldt dit ook voor de vrijheid van religie en levensovertuiging. Nederland stemt interventies af met gelijkgezinde landen om het UPR proces te beïnvloeden en moedigt ngo’s aan om dit ook te doen.
De Ranglijst Christenvervolging 2023 identificeert guerrillagroepen en criminele bendes in Colombia, en rebellengroeperingen zoals de ADF in de DRC als voornaamste daders verantwoordelijk voor het maken van een groot aantal burgerslachtoffers, waaronder ook christenen. In de noordelijke provincies in Kameroen zijn veel van de slachtoffers van terreur door Boko Haram moslims. In het Engelstalige deel van Kameroen zijn het vooral christenen die slachtoffer zijn van geweld. Echter spelen hier verschillende partijen een rol, onder andere regeringstroepen.
Nederland ondersteunt via de EU de Colombiaanse, Congolese en Kameroense overheid op het gebied van de bestrijding van geweld van gewapende groepen.
Welke kansen ziet u om bijvoorbeeld in internationaal verband toenadering tot Noord-Korea te zoeken, aangezien dit land op plek 1 van de ranglijst staat met het hoogste aantal punten ooit en meer geweldsincidenten kende vorig jaar onder de noemer van de «wet op antireactionair gedachtegoed», die alle niet Noord-Koreaanse publicaties van de Bijbel tot Zuid-Koreaanse tv-series criminaliseert? Welke mogelijkheden ziet u om anderszins actie te ondernemen?
De ernstige mensenrechtensituatie in Noord-Korea bespreekt Nederland vooral in multilateraal verband (EU en VN). De kansen op daadwerkelijke verbetering van de mensenrechtensituatie zijn echter klein. Momenteel is enige toenadering tot Noord-Korea vrijwel onmogelijk. Noord-Korea verleent ook geen toegang aan de VN Mensenrechtenrapporteur die kantoor houdt in Seoul (Zuid-Korea).
Welke mogelijkheden zijn er om de Chinese regering aan te spreken op de toenemende controle van China op zijn eigen bevolking in het algemeen en in het bijzonder op inwoners die afwijken van de partijlijn? Kunt u de Chinese regering aanspreken op de behandeling van minderheidsgroepen als de Oeigoerse gemeenschap en ook Christenen, aangezien dissidente stemmen uit die groepen als probleemveroorzakers en zelfs terroristen worden weggezet, zoals al een paar jaar blijkt uit de ranglijst?
Nederland blijft de mensenrechtensituatie in China bilateraal en multilateraal aankaarten bij de Chinese regering. Nederland en de EU spreken zich in alle relevante fora uit tegen deze zorgwekkende situatie en roepen China op de mensenrechtenschendingen te beëindigen, zoals tijdens de afgelopen VN Mensenrechtenraad in oktober via de EU item 4 verklaring.
Heeft u de indruk dat de nationale en Europese regelgeving omtrent de export van technologie naar China voor dual-use afdoende is? Of kleven er nog concrete risico’s aan de leveringen van dual-use producten aan China?
Inzet van technologie voor het onderdrukken van bevolkingsgroepen of het schenden van mensenrechten acht het kabinet in alle gevallen onwenselijk. Nederlandse bedrijven dienen zich te allen tijde rekenschap te geven van mogelijke ongewenste toepassingen van geleverde producten. Bedrijven worden nadrukkelijk gewezen op de risico’s die met hun bedrijfsactiviteiten gepaard gaan. Het kabinet verwacht van deze bedrijven dat zij een weloverwogen afweging maken of (de voorzetting van) levering van de goederen aan bepaalde eindgebruikers past binnen een adequaat compliance- en IMVO-beleid, in lijn met de OESO-richtlijnen voor multinationale ondernemingen en de UN Guiding Principles on Business and Human Rights.
Een andere manier waarop het kabinet bijdraagt aan het voorkomen dat het gebruik van producten of diensten tot mensenrechtenschendingen leidt, is via exportcontrole. De EU Dual Use Verordening verwijst expliciet naar de verantwoordelijkheid van bedrijven om internationaal maatschappelijk verantwoord te ondernemen. Hierbij worden bedrijven onder de nieuwe cybersurveillance-bepaling gehouden tot het doen van een zorgvuldigheidsonderzoek en dienen zij de bevoegde nationale autoriteit te informeren wanneer zij op basis van dat onderzoek mogelijke risico’s op mensenrechtenschendingen hebben vernomen. Europese richtsnoeren zijn in de maak over waar dat zorgvuldigheidsonderzoek van exporteurs precies aan moet voldoen en over welke specifieke producten onder de cybersurveillance-bepaling zouden kunnen vallen. Daarnaast biedt de nieuwe verordening de mogelijkheid voor lidstaten om cybersurveillance items nationaal onder exportcontrole te brengen bij zorgen omtrent mensenrechtenschendingen. Bij vergunningaanvragen voor export van strategische goederen, programmatuur en technologie toetst Nederland expliciet het risico op mensenrechtenschendingen en wijst deze in voorkomend geval af.
Herkent u de ontwikkeling dat de Chinese regering bezig lijkt te zijn met een «verchinezing» van bijvoorbeeld internationaal erkende mensenrechten, met als gevolg dat universele mensenrechten worden uitgehold of aan de kant worden geschoven en plaats maken voor «eigen» rechten van landen, zoals het recht op «stabiliteit en veiligheid»? Wat zijn de mogelijkheden voor Nederland om binnen bijvoorbeeld de VN of de EU hier tegenwicht aan te bieden?
Deze ontwikkeling is herkenbaar. Daarom volgt het kabinet deze ontwikkelingen kritisch en biedt actief tegenstand door verzet tegen ideologisch Chinees taalgebruik in VN-documenten en in de verschillende gremia, waaronder de VN Mensenrechtenraad. Nederland zet in op de vormen van multilaterale samenwerking die bijdragen aan Nederlandse veiligheid en welvaart. Hierbij trekt Nederland, waar mogelijk, gezamenlijk op met de EU en gelijkgezinde partners zoals de Verenigde Staten. Daarnaast wordt ook actief gekeken naar coalities met democratische landen buiten de cirkel van traditionele partners.
Deelt u de zienswijze dat het Chinese model van intense overheidscontrole en -bemoeienis een populair exportproduct naar autoritaire landen in Azië kan worden? Erkent u dat dit potentieel bedreigend is voor Christenen en andere minderheden en dat deze ontwikkeling om die reden onderwerp van regulering en monitoring moet blijven?
Hoewel surveillancetechnologie in principe voor geoorloofde doeleinden gebruikt kan worden, is vooral toepassing binnen niet-democratische landen of landen met een gebrekkige rechtstaat zorgelijk.
Het bijna-ongeluk bij de onbewaakte spoorwegovergang in Rheden |
|
Habtamu de Hoop (PvdA) |
|
Vivianne Heijnen (staatssecretaris infrastructuur en waterstaat) (CDA) |
|
|
|
|
Bent u op de hoogte van het bericht van Omroep Gelderland «Trein rijdt jongetje bijna aan: «Onbewaakte overweg snel sluiten»»?1
Ja, ik ben op de hoogte van dit bericht.
Bent u het eens met de stelling dat het zeer verontrustend is dat mensen in levensgevaar komen door onbewaakte overwegen?
Ja, ik vind het verontrustend dat dergelijke gevaarlijke situaties zich voordoen op Niet Actief Beveiligde Overwegen (NABO’s). Overwegen kennen in het algemeen een zeker risico, omdat er sprake is van een gelijkvloerse kruising van spoor- en wegverkeer. Bij onbewaakte overwegen is er bovendien geen sprake van actieve beveiliging (denk aan slagbomen, bellen en knipperlichten), waardoor het risico en mogelijke gevaar soms minder goed in te schatten is. Dat is de reden waarom ik ProRail de opdracht heb gegeven alle 180 openbare en openbaar toegankelijke NABO’s op het reizigersnet aan te pakken middels het NABO-programma.
Heeft u zicht op het aantal (bijna) ongelukken die plaatsvinden bij onbewaakte spoorwegovergangen?
Ja, ProRail en vervoerders zijn verplicht ongevallen te melden bij de Inspectie voor Leefomgeving en Transport (ILT), die daar jaarlijks over rapporteert. Deze rapportage wordt ook aan uw Kamer toegestuurd2. Naast deze verplichte registratie houden ProRail en de vervoerders ook de bijna-ongevallen bij. Voor de registratie van bijna-ongevallen geldt dat er vanaf 2019 sprake is van betrouwbare cijfers.
2018
–
6
2
2019
26
5
2
2020
29
2
1
2021
27
6
4
2022
17
1
0
Bron: ProRail1
2018
–
32
14
2019
171
43
9
2020
141
25
5
2021
151
32
9
2022
120
26
2
Bron: ProRail2
Hoe kan het dat het gestelde doel om in 2023 alle Niet Actief Beveiligde Overwegen (NABO) opgeheven te hebben niet wordt behaald, zoals blijkt uit een overzicht van ProRail waarin staat dat er spoorwegovergangen zijn die pas in 2025 gesloten worden, waaronder de Lentsesteeg in Rheden?2, 3
Zoals ik uw Kamer heb laten weten met de Kamerbrief Spoorveiligheid van 8 december jl.6, ben ik teleurgesteld dat het ProRail niet lukt om voor eind 2023 alle 180 openbare en openbaar toegankelijke NABO’s op het reizigersnet aan te pakken. Voor 41 overwegen uit het NABO-programma geldt dat er een aannemelijk kans is dat deze niet voor eind 2023 kunnen worden aangepakt. De redenen hiervoor zijn, zoals in december gemeld, divers: het mislukken van aanbestedingen, ondercapaciteit bij ingenieursbureaus, materiaaltekorten, langdurige onderhandelingen om tot noodzakelijke afspraken te komen met derden, en uitkomsten vanuit ecologisch onderzoek (aantreffen beschermde flora en fauna) die een langere doorlooptijd noodzakelijk maken.
Ook de overweg aan de Lentsesteeg in Rheden zou pas na 2023 definitief worden aangepakt in verband met de langere doorlooptijd voor de realisatie van een onderdoorgang. Inmiddels begrijp ik dat ProRail en de gemeente Rheden in gesprek zijn om, in afwachting op het gereedkomen van de onderdoorgang, de overweg toch nog dit jaar alvast dicht te zetten. Een dergelijke oplossing moedig ik aan, ook bij andere overwegen waar dit een mogelijkheid is.
Hoeveel NABO’s zijn er momenteel nog? Hoeveel worden er dit jaar opgeheven? En hoeveel in de jaren hierna?
Van de 180 openbare en openbaar toegankelijke overwegen uit het NABO-programma zijn er momenteel circa 110 aangepakt. Voor 2023 is het de verwachting dat er nog circa 50 NABO’s aangepakt kunnen worden.
Buiten het NABO-programma zijn er momenteel circa 90 particuliere, niet-openbaar toegankelijke NABO’s op het reizigersnet. Ook op het goederennet zijn er nog circa 400 NABO’s. Wanneer zich gelegenheid voordoet (bijvoorbeeld via werk met werk maken) worden ook deze NABO’s aangepakt. Hiermee werkt ProRail ook buiten het NABO-programma aan het opheffen van NABO’s.
Bent u bereid om, in afwachting van een definitieve oplossing, te kijken naar de mogelijkheden om gevaarlijke situaties bij onbewaakte overwegen, op korte termijn veiliger te maken?
Ja, zoals gemeld in de Kamerbrief Spoorveiligheid van afgelopen december7 gaat ProRail tijdelijke veiligheids- en attentie verhogende maatregelen nemen voor de overwegen die niet tijdig kunnen worden aangepakt. Uiteraard vinden blijvende gesprekken plaats om het aantal onbewaakte overwegen dat binnen het NABO-programma na 2023 wordt aangepakt zo klein mogelijk te houden. Hierbij zal ook de nieuwe Landelijk Bemiddelaar Overwegen, mevrouw Helma Lodders, worden ingezet, in een poging om impasses in onderhandelingen met derden te doorbreken. Daarnaast heb ik uw Kamer tijdens het toegezegd om dit voorjaar met een plan van aanpak te komen voor de NABO’s en actief beveiligde overwegen.8
Fraude met huurlabels |
|
Henk Nijboer (PvdA) |
|
Hugo de Jonge (minister binnenlandse zaken en koninkrijksrelaties) (CDA) |
|
|
|
|
Bent u bekend met het artikel «Huurders opgelicht door gesjoemel met energielabels»?1
Ja.
Wat vindt u ervan dat in Groningen op grote schaal huurders zijn opgelicht en veel te hoge huren moesten betalen?
Ik ben op de hoogte van de uitspraak van de Huurcommissie over te hoge huren door onjuiste energielabels in Groningen. Dit soort praktijken vind ik, evenals het vragen van te hoge huren in zijn algemeenheid (zeker in de gereguleerde sector), uiterst onwenselijk. Daarom neem ik diverse maatregelen om deze problematiek aan te pakken, zoals het wetsvoorstel goed verhuurderschap en het dwingend maken van het woningwaarderingsstelsel (WWS).
Vermoedt u ook dat dit veel meer en breder voorkomt in Nederland? Heeft u inzicht hoeveel huurders dit ongeveer treft en hoeveel huur zij ten onrechte betaalden?
Sinds een jaar loopt er een pilot bij de Huurcommissie omtrent twijfels over het energielabel in relatie tot de huurprijs. Bij 84% van de zaken in de pilot betreft het complexen in Groningen, waardoor het probleem zich daar momenteel lijkt te concentreren.
In meer algemene zin ben ik ermee bekend dat het in Nederland voorkomt dat huurders een huur betalen die hoger is dan de maximale huur bij toepassing van het WWS. Het landelijke Woononderzoek Nederland (WoON2021) toont aan dat ongeveer de helft van de circa 284.000 private huurwoningen tot 145 punten (rond de liberalisatiegrens) voor een hogere huurprijs wordt verhuurd dan het WWS-maximum. Deze huurders betalen gemiddeld circa € 150,- boven op het WWS-maximum. Middels het wetsvoorstel goed verhuurderschap en het dwingend maken het WWS ben ik voornemens dit probleem aan te pakken.
Zo nee, bent u bereid hier onderzoek naar te doen om dit probleem in kaart te brengen en actie te ondernemen om huurders recht te doen?
Zie antwoord vraag 3.
Bent u bereid het vragen van te hoge huren strafbaar te stellen, zodat sneller kan worden opgetreden tegen huisjesmelkers?
Ik ben het met u eens dat het vragen van te hoge huren aan banden moet worden gelegd en dat tegen verhuurders die toch te hoge huren vragen opgetreden moet worden. Ik kies er daarom voor om het WWS dwingend te maken en daar bestuursrechtelijke handhaving op mogelijk te maken. Dat doe ik op de eerste plaats door gemeenten via het wetsvoorstel goed verhuurderschap de mogelijkheid te geven om via de gebiedsgerichte verhuurvergunning het WWS af te dwingen richting verhuurders. Daarnaast werk ik aan een separaat wetsvoorstel om het WWS landelijk dwingend te maken.
Het aanpakken van dit probleem via het strafrecht acht ik niet wenselijk, omdat handhaving op huurprijzen daarmee een taak wordt van het Openbaar Ministerie (OM). Daarmee wordt handhaving afhankelijk van de prioriteitsstelling van het OM. Ook zou het er voor zorgen dat er een samenloop tussen drie verschillende rechtsgebieden op dit onderwerp ontstaat: privaat- (Huurcommissie en kantonrechter), bestuurs- (gemeenten in het kader van het wetsvoorstel goed verhuurderschap) en strafrecht (OM). Een dergelijke stapeling van rechtsgebieden zou een grote complicerende werking hebben en is daarom niet wenselijk.
Bent u ermee bekend dat, zelfs als objectief door de huurcommissie is vastgesteld dat labels onjuist zijn, labels onveranderd kunnen blijven zodat volgende huurders wederom teveel huur betalen? Bent u bereid ervoor te zorgen dat foute labels worden aangepast?
Ja, ik ben ermee bekend dat de toets van de Huurcommissie in de pilot niet leidt tot het registreren van een nieuw energielabel. Dit heeft te maken met de taak van de Huurcommissie, die zich beperkt tot uitspraken over de huurprijs. Om te voorkomen dat een nieuwe huurder opnieuw te veel huur betaalt door het energielabel dat geldig is gebleven ondanks de uitspraak van de Huurcommissie, heb ik met de Huurcommissie afgesproken dat zij als onderdeel van de pilot de certificerende instelling informeert. Deze partij kan als onderdeel van het kwaliteitsborgingssysteem van het energielabel wel handelen. Controle door een certificerende instelling kan resulteren in het verbeteren of intrekken van een energielabel.
De reguliere steekproeven van certificerende instellingen kunnen er ook toe leiden dat een onjuist energielabel wordt aangepast of ongeldig wordt verklaard, waardoor op voorhand wordt afgevangen dat een huurder naar de Huurcommissie zou moeten stappen.
Momenteel wordt de pilot van de Huurcommissie geëvalueerd. Ik ben bereid om na deze pilot te bezien welke rol de Huurcommissie kan vervullen met betrekking tot het geregistreerde energielabel.
Laat u het niet teveel aan gemeenten over om dit landelijke probleem op te lossen? Bent u bereid ook zelf actie te ondernemen om deze fraude aan te pakken?
Nee, de gemeente heeft geen rol in de kwaliteitsborging van het energielabel. In de regelgeving wijs ik een kwaliteitsborgingssysteem aan waarbij onder meer steekproeven worden getrokken op geregistreerde energielabels om de kwaliteit daarvan te controleren. In mijn brief van 30 november 2022 (Kamerstuk 30 196, nr. 804) heb ik maatregelen aangekondigd om het kwaliteitsborgingssysteem te verbeteren. De maatregelen richten zich op het scherper monitoren van de prestaties van de energieadviseur en bij constatering van fraude kan de vakbekwaamheid ingetrokken worden.
Daarnaast loopt er, zoals aangegeven in mijn antwoord op vraag 6, momenteel een pilot bij de Huurcommissie. Ik heb deze afgelopen jaar samen met de Huurcommissie gestart met het oog op huurders die twijfels hebben over het energielabel met een mogelijke invloed op hun huurprijs. Komende tijd evalueer ik de pilot en besluit ik hoe hier mee verder te gaan. Tegelijkertijd werk ik aan het beter beschikbaar stellen van het label aan de huurder via MijnOverheid.
Bij al deze acties heb ik geen rol neergelegd bij de gemeente.
Bent u bereid bij fraude met energielabels ook consequenties voor verhuurders op te nemen in de nog door de Kamer te bespreken Wet goed verhuurderschap?
Gemeenten krijgen op basis van het wetsvoorstel goed verhuurderschap de mogelijkheid om via de gebiedsgerichte verhuurvergunning het WWS af te dwingen richting verhuurders. Verhuurders dienen zich bij het bepalen van het puntenaantal van een gereguleerde woning te baseren op een geregistreerd label in EP-online. Een verhuurder mag er in beginsel vanuit gaan dat het daarin opgenomen label kloppend is. Indien de verhuurder zich bij het puntenaantal op een ander label heeft gebaseerd en dit een hogere huurprijs tot gevolg heeft, wordt niet voldaan aan de vergunningsvoorwaarde. De gemeente kan hier dan op grond van het wetsvoorstel reeds tegen optreden (bijvoorbeeld via boetes).
Amerikaanse berichtgeving inzake overschatting Covid-19 ziekenhuisopnames en doden |
|
Wybren van Haga (BVNL) |
|
Kuipers |
|
|
|
|
Heeft u kennisgenomen van het bericht «We are overcounting Covid deaths and hospitalizations. That’s a problem»?1
Ja.
Hoe reflecteert u op de uitspraken van de in het artikel genoemde artsen, die aangeven dat het aantal ziekenhuisopnames en overledenen dat wordt toegeschreven aan COVID-19 veel groter is dan daadwerkelijk het geval is, aangezien te weinig onderscheid wordt gemaakt tussen patiënten die door COIVD en met COVID in het ziekenhuis terechtkomen en/of sterven?
Het betreffende artikel richt zich op de situatie in de VS. In Nederland houdt het LCPS elke werkdag bij hoeveel patiënten er in het ziekenhuis liggen en COVID-19 hebben. Iemand die positief getest wordt moet, ongeacht de opname-indicatie, gedurende de besmettelijke periode geïsoleerd behandeld worden, om verdere besmettingen te voorkomen. Dit legt extra druk op de zorg, daarom is het van belang om het aantal bedden met coronazorg te registreren.
Stichting NICE registreert de opnamereden van nieuwe patiënten met een bevestigde COVID-19-besmetting. Zo kan onderscheid gemaakt worden tussen patiënten waarbij COVID-19 de belangrijkste reden (of een van de opnameredenen) was en patiënten die positief zijn getest op COVID-19 maar om een andere reden in het ziekenhuis zijn opgenomen.
Zodra iemand komt te overlijden, dragen artsen de verantwoordelijkheid voor het registreren van de oorzaak van overlijden. De onderliggende doodsoorzaak – dit is de oorzaak van overlijden die als doodsoorzaak geregistreerd wordt – wordt gecodeerd volgens de internationaal vastgestelde ICD-10 classificatie van de Wereldgezondheidsorganisatie (WHO). Voor COVID-19 (Corona Virus ziekte 2019) zijn door de WHO nieuwe codes uitgegeven, waarbij onderscheid gemaakt wordt tussen vastgestelde COVID-19 of vermoedelijke COVID-19.
Hoe reflecteert u op de analyse uit dit artikel, dat veel patiënten die binnenkomen in het ziekenhuis vanwege andere redenen dan COVID-19 toch als COVID-patiënt worden geregistreerd, omdat zij standaard getest worden op het coronavirus en deze testen in veel gevallen positief uitvallen, terwijl deze patiënten helemaal niet ziek zijn van het coronavirus en/of niet als gevolg van klachten veroorzaakt door het coronavirus worden binnengebracht?
Zie antwoord vraag 2.
Hoe vertaalt de analyse van de artsen in dit artikel zich tot de situatie in Nederland? Weet u of het aantal mensen dat in Nederland wordt aangemerkt als opgenomen en/of overleden door, in plaats van met, COVID-19 potentieel ook sterk overschat wordt en hoelang dit al het geval is? Indien u dit niet weet, gaat u dit uitvragen bij ziekenhuizen en artsen?
Zie antwoord vraag 2.
Realiseert u zich dat een dergelijke analyse al heel snel in de coronapandemie door verschillende medische professionals wereldwijd werd aangehangen? Vindt u, terugkijkend op de afgelopen jaren, dat actief en voldoende gepoogd is om het onderscheid tussen door en met COVID-19 adequaat te maken bij het in kaart brengen van de hoeveelheid coronapatiënten en doden? Zo ja, kunt u dan onderbouwen dat altijd alle normale protocollen en processen zijn doorlopen bij het diagnosticeren van mensen als zijnde coronapatiënten? Of is het wel degelijk zo dat patiënten met een positieve test primair werden geregistreerd als zijnde opgenomen en/of overleden als gevolg van een infectie met het coronavirus en ook daarop toegespitste zorg ontvingen, terwijl de werkelijke oorzaak van hun gezondheidsproblemen (in ieder geval mede) ergens anders aan ten grondslag lag?
De registratie van personen met een positieve COVID-19 test had als belangrijkste doel de druk op de zorg te monitoren, vanwege de specifieke zorg (isolatie) die dit vereist. Zodra deze personen niet meer besmettelijk zijn en niet meer geïsoleerd behandeld hoeven te worden, wordt de COVID-19 registratie van deze patiënt opgeheven. De registratie staat dan ook los van de behandeling. Artsen zijn opgeleid om juiste diagnoses te stellen en de juiste behandeling in te zetten. Ik vertrouw op hun professionaliteit. Ik heb dan ook geen enkele reden om aan te nemen dat er sprake is geweest van overdiagnostisering, dan wel het missen van andere diagnoses.
In hoeverre zijn door de potentiële overdiagnosticering van COVID-19 andere diagnoses gemist, waardoor patiënten niet de juiste zorg/behandeling hebben gekregen en/of zelfs zijn komen te overlijden en/of uiteindelijk langduriger en complexer zorg nodig hadden?
Zie antwoord vraag 5.
Wat heeft de potentiële overschatting van het aantal COVID-19-patiënten voor gevolgen gehad voor de logistieke/operationele situatie in ziekenhuizen? Is, doordat geanticipeerd werd op het na een bepaalde periode afnemen van een «coronagolf», bijvoorbeeld onvoldoende rekening gehouden met bezetting van bedden en beroep op personele capaciteit als gevolg van andere aandoeningen, zoals influenza, andere (seizoensgerelateerde) virusuitbraken of kanker, waardoor ook na de vermeende coronagolven capaciteitsproblemen bleven ontstaan als gevolg van ontoereikend zicht op de medische situatie en de reguliere, actuele zorgvraag in de populatie?
Zie antwoord vraag 5.
Hoe worden patiënten die op dit moment in Nederland het ziekenhuis binnenkomen en die positief worden getest op het coronavirus, terwijl zij mogelijk door een andere oorzaak in het ziekenhuis terechtkomen, geclassificeerd? Wordt op dit moment actief diagnostisch gedifferentieerd tussen opnames en overlijdens door en met het coronavirus en wordt met deze gegevens een analyse gemaakt, waarin ook met terugwerkende kracht wordt gekeken naar de opnames en overlijdens van de afgelopen coronajaren?
Zie de beantwoording van vraag 2, 3 en 4.
Onderschrijft u de conclusie uit het artikel van The Washington Post dat het van groot belang is om te achterhalen welke patiënten daadwerkelijk door en dus niet alleen met COVID-19 zijn opgenomen in het ziekenhuis en/of overleden, om in kaart te kunnen brengen welke bevolkingsgroepen daadwerkelijk een noemenswaardig gezondheidsrisico lopen door het coronavirus, zodat in de toekomst gerichter en toereikender (preventie)beleid gemaakt en gevoerd kan worden met betrekking tot COVID-19, soortgelijke infectiebedreigingen en het gevolg daarvan voor de zorg?
In het kader van (preventie)beleid is het inderdaad van belang om te weten welke personen hoog risico lopen op een ernstig beloop van COVID-19 en welk onderliggend lijden of welke onderliggende kenmerken extra kwetsbaar maken. Er zijn dan ook verscheidene wetenschappelijke studies opgezet op dit onderwerp.2
Indien ook in Nederland sprake is van (aanzienlijke) overraportage van ziekenhuisopnames en overlijdens door COVID-19, welke stappen gaat u ondernemen om dit in de toekomst (en bij andere gezondheidscrises) te voorkomen? Op welke manier gaat u de diagnostische protocollen en procesvoering in het geval van een dergelijke gezondheidscrisis aanpassen? Op welke manier gaat u beter differentiëren en hoe gaat u ervoor zorgen dat de dataverzameling voor het in kaart brengen van het klinische beeld van patiënten vanaf het begin van een gezondheidscrisis adequaat en volledig geschiedt?
Er was geen sprake van overrapportage, zie ook mijn beantwoording hierboven.
Kunstmatige intelligentie in het onderwijs |
|
Zohair El Yassini (VVD), Hatte van der Woude (VVD), Queeny Rajkowski (VVD), Mariëlle Paul (VVD) |
|
Robbert Dijkgraaf (minister onderwijs, cultuur en wetenschap) (D66), Micky Adriaansens (minister economische zaken en klimaat) (VVD), Dennis Wiersma (minister zonder portefeuille onderwijs, cultuur en wetenschap) (VVD) |
|
|
|
|
Bent u bekend met het artikel «ChatGPT glipt langs docenten: «Ik gebruik het om snel huiswerk te maken»»1?
Ja, wij zijn bekend met dit bericht.
Deelt u de mening dat kunstmatige intelligentie als systeemtechnologie een ingrijpend effect heeft en gaat hebben op het onderwijs?
Ja, wij delen de mening dat artificiële intelligentie (AI) als systeemtechnologie belangrijke gevolgen op het onderwijs kan hebben.
Welke kansen en risico's voor scholen ziet u door het toegankelijker en geavanceerder worden van kunstmatige intelligentie? Hoe gaat u ervoor zorgen dat de kansen om het onderwijs door middel van kunstmatige intelligentie te verrijken optimaal worden benut, terwijl de risico’s en valkuilen adequaat worden getackeld?
De opkomst van AI is een gegeven en heeft impact op de maatschappij en het onderwijs. AI kan het onderwijs verbeteren door het leren motiverender en meer op maat te maken en docenten te ondersteunen. Tegelijkertijd zijn er risico’s en kan de inzet van AI bijvoorbeeld door biases leiden tot grotere verschillen tussen groepen leerlingen en studenten waardoor groepen leerlingen en studenten onterecht benadeeld kunnen worden.2 De ontwikkeling van AI zal een aanpassing vragen van docenten en leerlingen en studenten om goed met intelligente technologieën in het onderwijs om te gaan.
De sleutel ligt vooral bij de didactische aanpak in de klas, bijvoorbeeld door leerlingen niet te beoordelen op het eindproduct maar op het schrijfproces of door opdrachten in de klas te laten maken met pen en papier. Van onderwijsinstellingen vraagt dit om te doordenken hoe zij vanuit hun visie op goed onderwijs dit binnen hun instellingen willen vormgeven. Zij worden hierbij ondersteund door Kennisnet en SURF, die webinars en artikelen aanbieden.
Aanvullend faciliteren wij een verantwoorde ontwikkeling van AI in het onderwijs, door het benutten van kansen en met oog voor de risico’s. Met behulp van het Nationaal Groeifonds investeren wij substantieel in deze ontwikkelingen tot 2035. Zo is er voor de komende tien jaar € 80 miljoen toegekend aan het Nationaal Onderwijslab AI (NOLAI) in het funderend onderwijs. Leraren en scholen in het funderend onderwijs kunnen deelnemen aan co-creatie projecten waarin zij samen met wetenschappers en leermiddelenmakers werken aan een goede inzet van intelligente technologieën in het onderwijs, vanuit een pedagogisch en didactisch verantwoorde basis, met oog voor risico’s als privacy en autonomie van leerlingen en leraren.
Zijn schoolbesturen en leraren voldoende op de hoogte van de risico's van kunstmatige intelligentie voor het onderwijs?
Het is belangrijk dat schoolbesturen en leraren naast de kansen ook voldoende op de hoogte zijn van de risico’s van AI voor het onderwijs. Van onderwijsinstellingen vraagt de ontwikkeling van AI om te doordenken hoe zij vanuit hun visie op goed onderwijs dit binnen hun instellingen willen vormgeven. Zij worden hierbij ondersteund door Kennisnet en SURF, die webinars en artikelen aanbieden. Ook hebben Kennisnet, de PO-Raad en de VO-raad een monitor ontwikkeld, MYRA, die scholen inzicht geeft in hoe zij ervoor staan op het gebied van technologie en digitalisering. Bewustwording over kunstmatige intelligentie vormt daar één van de onderdelen van, waaronder het gebruik van chatbots in de klas en computational thinking.
Op welke manier passen scholen zich aan op deze snelle ontwikkeling? Op welke manier wordt het ontwikkelen van vaardigheden voor docenten en leerlingen hierin meegenomen? Hoe ziet u uw eigen rol hierin?
Zie het antwoord op vraag 3.
Aanvullend is het belangrijk dat scholieren, leraren en de maatschappij in gesprek blijven over het gebruik van AI in de klas. Dit vraagt ook iets van docenten op het gebied van didactische en digitale vaardigheden. OCW draagt hieraan bij door het inrichten van een expertisepunt voor digitale geletterdheid in 2023 waar leraren, schoolleiders en bestuurders terecht kunnen voor hulp en informatie over digitale geletterdheid.
Wordt er al onderzoek gedaan naar de manier waarop kunstmatige intelligentie het onderwijs gaat veranderen? Zo ja, welk onderzoek? Zo nee, bent u bereid dit in gang te zetten?
Ja, binnen het Nationaal Onderwijslab AI is tot 2035 voorzien in een wetenschappelijk onderzoeksprogramma waarbij in een breed perspectief gekeken wordt naar de kansen en risico’s van intelligente technologieën in het onderwijs. Deze breedte levert een unieke samenwerking tussen wetenschappers om de pedagogisch-didactische, sociaal-maatschappelijke en ethische aspecten van AI in onderwijs in kaart te brengen.
Vorig jaar zijn het rapport «Naar hoogwaardig digitaal onderwijs» van het Rathenau Instituut en de verkenning «Inzet van intelligente technologie» van de Onderwijsraad verschenen. De Onderwijsraad wijst op het belang van een actieve rol voor zowel leraren en docenten als schoolleiders, bestuurders en de overheid bij de inzet van intelligente technologie. Schoolleiders en bestuurders hebben een belangrijke rol in het borgen dat leerlingen, studenten, leraren en docenten digitaal geletterd zijn en intelligente technologie zinvol en verantwoord inzetten. Voor de overheid ziet de Onderwijsraad een faciliterende rol door kaders te scheppen, algemene leerdoelen te formuleren voor digitale geletterdheid en te stimuleren dat er samen met de beroepsgroep toepassingen van intelligente technologie worden ontwikkeld.
Bent u bekend met hat artikel «ChatGPT te lijf met pen en papier»2?
Ja, wij zijn bekend met dit bericht.
Op welke manier passen onderwijsinstellingen in het mbo, hbo en wo zich aan op deze snelle ontwikkeling? Op welke manier wordt het ontwikkelen van vaardigheden voor docenten en studenten hierin meegenomen? Hoe ziet u uw eigen rol hierin?
Mbo-, hbo- en wo-instellingen zetten AI al in voor bijvoorbeeld het optimaliseren van onderwijsprocessen en het vindbaar maken van leermaterialen. Met de komst van ChatGPT kunnen ook studenten en docenten gebruik maken van dergelijke technologie, om bijvoorbeeld het leerproces te verbeteren. Ten slotte zijn er gevallen bekend dat studenten ChatGPT gebruiken om fraude te plegen.
Docenten en opleidingen zijn als eerste aan zet om in te spelen op de toepassing van ChatGPT, alsook andere vormen van generatieve AI. Zoals aangegeven in de beantwoording op vraag 3, kunnen docenten de onderwijsvorm aanpassen, waardoor de inzet van ChatGPT minder gevolgen heeft op het leerproces. Docenten worden hierbij ondersteund door Kennisnet en SURF, die hun kennis delen in de vorm van webinars en artikelen.
Voor de opleidingen geldt dat zij moeten inspelen op maatschappelijke en technologische ontwikkelingen. Doordat opleidingen de opleidingscurricula steeds vernieuwen, kunnen studenten binnen de opleidingen de benodigde en relevante (AI-) vaardigheden verwerven.
OCW ziet haar rol vooral als verbinder en facilitator. Met het Nationaal Groeifondsprogramma Digitaliseringsimpuls Onderwijs, investeert het kabinet in digitalisering in het mbo, hbo en wo. Onderdeel van het netgenoemde programma zijn de Centers for Teaching and Learning (CTL), die ervoor zorgt dat de nationale ICT-voorzieningen en kennis beschikbaar is voor docenten en lerenden, op een manier die past bij de eigen context, structuur en cultuur van de opleiding en instelling. Hierbij is ook aandacht voor technologieën zoals AI. Deze CTL dragen dus bij aan kennisdeling waardoor docenten ondersteund worden in hun werk.
Daarnaast biedt OCW een eenmalige subsidie aan de werkgroep Onderwijs van de Nederlandse AI Coalitie (NL AIC). Met deze subsidie wordt gewerkt aan concrete AI-pilots die bijdragen aan beter onderwijs voor leerlingen en studenten en meer ondersteuning voor docenten.
Is voldoende expertise over kunstmatige intelligentie aanwezig op het ministerie en breder binnen de rijksoverheid? Zo ja, op welke manieren ondersteunt u scholen en andere onderwijspartijen? Zo nee, hoe gaat u dat in de (nabije) toekomst alsnog doen?
Binnen de rijksoverheid is expertise aanwezig om de genoemde ondersteuning aan scholen te faciliteren. Zoals aangegeven in de kabinetsreactie op het WRR-rapport «Opgave AI: de nieuwe systeemtechnologie» van 7 oktober 2022 wordt de komende jaren verder geïnvesteerd in kennisontwikkeling voor management en medewerkers op het gebied van kunstmatige intelligentie. Op dit moment is voor Rijksambtenaren een up-to-date aanbod aan opleidingen op het gebied van kunstmatige intelligentie beschikbaar, zowel voor beginners als voor gevorderden. De Rijksacademie voor Digitalisering en Informatisering Overheid (RADIO) geeft in 2023 extra aandacht aan dit aanbod en biedt ook de mogelijkheid AI-opleidingen op maat te ontwikkelen, passend bij de context van de verschillende onderdelen van de rijksoverheid.
Voor de wijze waarop het Ministerie van OCW het onderwijs ondersteunt, verwijzen wij u graag naar de beantwoording van de vragen 3, 4, 5, 6 en 8.
Hoe zorgt u ervoor dat u onderwijsinstellingen in het gehele onderwijs voldoende kunt ondersteunen als het gaat om omgang met kunstmatige intelligentie?
Zie antwoord vraag 9.
Deelt u de mening dat de kennis in de samenleving, en dus ook in het onderwijs over AI moet worden vergroot, zoals ook de WRR adviseert en dat de nationale AI cursus hier een mooi instrument voor kan zijn? Zo nee, waarom niet? Zo ja, hoeveel mensen hebben de gratis AI cursus gedaan en wat kan er nog gebeuren om deze meer bekendheid te geven?3
Ja, het is van groot belang dat de kennis over AI in de samenleving en in het onderwijs wordt vergroot. Dat wordt op verschillende manieren gedaan, zoals het ontwikkelen van verantwoorde AI-innovaties in het primair en voortgezet onderwijs door het Nationaal Onderwijslab AI (NOLAI).
Ook de nationale AI cursus draagt bij aan bewustwording en kennisoverdracht bij burgers en professionals te vergroten. Daarvoor hebben zich tot nu toe 364.000 mensen aangemeld.
Daarnaast zijn er ook sectorspecifieke AI cursussen via de Nederlandse AI Coalitie gekomen voor o.a. zorg, energie en onderwijs, met een bereik van 50.000 mensen tot nu toe. Door de komst van ChatGPT is er een grote stijging in deelnemers van de AI cursus voor het onderwijs geweest. De komende tijd wordt de AI cursusaanpak doorontwikkeld en wordt ingezet op bredere bekendheid, o.a. via de inzet van de Nederlandse AI Coalitie en haar partners, zowel online als via events.
Bent u bereid in gesprek te gaan met de Nederlandse AI-coalitie over kansen en risico’s van kunstmatige intelligentie voor het onderwijs?
Ja, we zijn reeds in gesprek met de NLAIC. Zoals aangegeven in de beantwoording van vraag 8 subsidieert OCW de werkgroep Onderwijs van de NLAIC. Ook zijn de ministeries van OCW en van EZK en deze werkgroep nauw betrokken bij de realisatie van het nieuwe innovatielab NOLAI. Het kabinet investeert € 80 mln uit het Groeifonds in NOLAI om samen met onderwijspartijen op AI gebaseerde lesmaterialen voor het onderwijs te ontwikkelen, die verantwoord en veilig zijn.
De Sponsoring van het EU-voorzitterschap door bedrijven |
|
Jasper van Dijk (SP) |
|
Wopke Hoekstra (viceminister-president , minister buitenlandse zaken) (CDA) |
|
|
|
|
Wat vindt u ervan dat Zweden tijdens het EU-voorzitterschap mogelijkheden biedt voor sponsoring van het voorzitterschap door bedrijven?1 Kunt u uw antwoord toelichten?
Ieder voorzitterschap, ook het huidige Zweedse voorzitterschap, heeft de ruimte om dergelijke sponsoring autonoom vorm te geven. De Raad heeft op 22 juni 20212 richtsnoeren opgesteld voor alle lidstaten over de sponsoring van voorzitterschappen. De Raad moedigt bijvoorbeeld aan dat lidstaten heldere en transparante regels opstellen in het proces van sponsoring.
Het kabinet voert ook actief beleid op transparantie binnen de Europese Unie.3 Tijdens de voorbereiding van het Nederlandse EU voorzitterschap in 2016, zijn er nationale richtsnoeren opgesteld voor mogelijke sponsorschappen. In het kader van transparantie, zijn deze destijds online gepubliceerd.4 Bedrijven dienden aan bepaalde drempelvoorwaarden te voldoen om in aanmerking te kunnen komen voor mogelijke sponsoring, zoals het leveren van kwalitatief hoogstaande en milieuvriendelijke producten. Daarnaast stelden de opgestelde richtsnoeren expliciet dat sponsoren geen toegang hadden tot overleggen van het EU voorzitterschap.
Deelt u de mening dat inmenging door grote bedrijven op Europese besluitvorming onacceptabel is? Kunt u uw antwoord toelichten?
Zie antwoord vraag 1.
Deelt u de mening dat sponsoring van EU-voorzitterschap door bedrijven schadelijk is voor het vertrouwen in de Europese besluitvorming? Kunt u uw antwoord toelichten?
Zie antwoord vraag 1.
Bent u bereid uw Zweedse ambtsgenoot en de voorzitter van de Europese Raad aan te spreken op deze openstelling voor sponsoring door bedrijven? Zo nee, waarom niet?
Zoals hiervoor aangegeven beslist ieder voorzitterschap, ook het huidige Zweedse voorzitterschap, autonoom hoe eventuele sponsoring wordt vorm gegeven.
Deelt u de mening dat het waarborgen van de integriteit van Europese besluitvorming boven het «drukken van de kosten» van het EU-voorzitterschap moet worden gesteld?
Zoals aangegeven in antwoord op vragen 1 en 2 is het kabinet van mening dat sponsoring in beginsel niet ongewenst is. Sponsorschappen kunnen bijvoorbeeld bepaalde logistiek faciliteren. In het proces van sponsoring hecht het kabinet waarde aan de in 2021 door de Raad opgestelde richtsnoeren en de breder geldende principes van onpartijdigheid en transparantie.
Wilt u toezeggen dat bij het komende Nederlandse EU-voorzitterschap deze vormen van sponsoring niet zijn toegestaan? Zo nee, waarom niet?
Zie antwoord vraag 5.
De rol van notarissen bij dubieuze grondhandel |
|
Faissal Boulakjar (D66) |
|
Hugo de Jonge (minister binnenlandse zaken en koninkrijksrelaties) (CDA), Dilan Yeşilgöz-Zegerius (minister justitie en veiligheid) (VVD), Piet Adema (minister landbouw, visserij, voedselzekerheid en natuur) (CU) |
|
|
|
|
Bent u bekend met het artikel «Tienduizenden Nederlanders slachtoffer van dubieuze grondhandel»?1
Ja
Herkent u de geschetste problematiek waarbij dubieuze grondhandelaren stukken grond opknippen en deze verkopen met de belofte dat hier spoedig gebouwd mag worden?
Ja, al strookt het gestelde in de vraag over de «belofte dat er op korte termijn gebouwd mag worden» niet met de praktijk waarbij deze handelaren dit omzichtiger formuleren dan een «belofte».
Het opknippen van deze percelen is een uitwas van grondspeculatie. Wat gaat u doen om grondspeculatie verder tegen te gaan?
Bij het opknippen van percelen wijst het artikel erop dat het vaak gaat om percelen waarop geen concrete bouwbestemming is voorzien en dat de handelaren die percelen opknippen en deze snippers aanbieden, veelal een te positief beeld schetsen van de potentie. De kopers zijn ingegaan op een speculatieve mogelijkheid in de hoop hiermee geld te verdienen. Dat mensen ingaan op zulke speculatieve mogelijkheden is geen nieuw fenomeen. Nieuwe regelgeving moet echter afgewogen worden tegen de hinder die andere markttransacties hiervan kunnen ondervinden. Zo zijn er geen instrumenten om het opknippen van agrarische percelen zonder meer tegen te gaan. Over hoe kan worden omgegaan met versnippering als toekomstige ruimtelijke doelen zoals woningbouw toch geraakt worden, heeft de Minister van Financiën eerder geantwoord op de vragen van lid Van Eijs (18 maart 2021). De overheid kan met het voorkeursrecht versnippering voorkomen als zij een bouwmogelijkheid voorziet, en zij kan tevens op reeds versnipperde grond een eerste recht van koop vestigen. Daarnaast staat haar onteigening ter beschikking wanneer de eigenaren van de snippers niet bereid en/ of in staat zijn het plan met bouwmogelijkheden dat de overheid voor ogen staat te realiseren.
Hoe beoordeelt u de rol van notarissen en de zorgplicht die bij hun beroep hoort in het licht van deze grondhandel?
De Minister voor Rechtsbescherming hecht een groot belang aan de naleving van de zorgvuldigheidsnormen zoals deze gelden voor het notariaat. De beoordeling van de rol van notarissen en de daarbij behorende zorgplicht in het licht van grondhandel is voorbehouden aan de notariële tuchtrechter. Daarbij geldt het uitgangspunt dat de omstandigheden van het geval een grote rol spelen. Die omstandigheden dient een notaris steeds te beoordelen en over de nakoming van de beroepsmatige zorgvuldigheidsnormen waakt de tuchtrechter.
In dat kader kan worden gewezen op drie recente tuchtuitspraken van het Gerechtshof Amsterdam van 24 mei 20222, 12 juli 20223 en 22 november 20224 waarin de tuchtrechter heeft geoordeeld dat de notaris bij de koop van grond in lijn heeft gehandeld met de vereiste informatieplicht en zorgplicht. Tevens wijst de Minister voor Rechtsbescherming op de tuchtuitspraak over grondinvesteringen van het Gerechtshof Amsterdam van 2 februari 2021, waarin is geoordeeld dat er sprake is van een zeer ernstige tekortkoming van de betrokken notaris en van structureel laakbaar handelen gedurende een langere periode. Het Gerechtshof heeft, gelijk aan de uitspraak in eerste aanleg de maatregel van ontzetting uit het notarisambt opgelegd. In een andere (civiele) uitspraak over grondinvesteringen heeft het Gerechtshof Amsterdam op 21 januari 2020 geoordeeld dat zich geen situatie voordeed op grond waarvan de betrokken notaris zijn ministerieplicht had moeten weigeren en dat geen schending van de zorgplicht van de notaris werd vastgesteld. Ook in de tuchtuitspraak over grondinvesteringen van het Gerechtshof Amsterdam van 22 april 20145 en de civiele uitspraak over grondinvesteringen van het Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden van 15 december 20156 is geoordeeld dat de betrokken notaris zijn informatieplicht en zorgplicht niet heeft geschonden.
Over dubieuze grondhandel en de rol die notarissen hierbij spelen zijn eerder vragen gesteld door het lid Van Eijs («Particuliere beleggers slepen notarissen voor de rechter vanwege rol in dubieuze grondhandel», 10 februari 2021). Toen gaf het kabinet aan zich niet te herkennen in de signalen dat notarissen particulieren onvoldoende beschermen tegen de risico’s bij grondinvesteringen. Hoe kijkt u hier nu naar?
Het beeld over dubieuze grondhandel en de rol van notarissen dienaangaande is ongewijzigd. Onder verwijzing naar mijn antwoord onder vraag 4 zal er bij de beoordeling van dit soort zaken altijd sterk naar de omstandigheden van het geval moeten worden gekeken en de rol die de notaris daar bekleedde. Die omstandigheden dient de notaris steeds te beoordelen en over de nakoming van de beroepsmatige zorgvuldigheidsnormen zal de tuchtrechter waken. In de drie recente tuchtuitspraken van het Gerechtshof Amsterdam d.d. 24 mei 2022, 12 juli 2022 en 22 november 2022 is geoordeeld dat de notaris zijn informatieplicht en zorgplicht niet heeft geschonden.
In de eerdere beantwoording kwam naar voren dat om aan de zorgplicht te voldoen‘actieve wilscontrole, kritische beoordeling van de onderliggende transacties, doorvragen, onafhankelijke advisering en alertheid op onverklaarbare prijsstijgingen» hierbij van belang zijn. In de praktijk wordt bij de levering van de grond vaak gebruik gemaakt van een volmacht. Hoe beoordeelt u de mogelijkheden van notarissen om te voldoen aan deze zorgplicht bij een (schriftelijke) volmacht? Zou een verplichte voorlichting van de kopers door de notaris bij dit soort zaken wenselijk zijn?
De informatieplicht en zorgplicht van de notaris bij een (schriftelijke) volmacht wordt aan dezelfde maatstaven beoordeeld als wanneer een koper zelf verschijnt bij het verlijden van de akte.
De notaris moet de koper informeren over het speculatieve karakter van de koop en de risico’s daarvan en moet zich ervan vergewissen dat de koper zich goed bewust is van dat speculatieve karakter en de transactie desondanks wil. De notaris geeft die informatie altijd in een rechtstreeks contact met de koper. De notaris kan dit schriftelijk of mondeling doen. Het heeft de voorkeur dat de koper daartoe wordt uitgenodigd op het kantoor van de notaris. De zorgplicht van de notaris brengt met zich mee dat hij in zijn dossier schriftelijk vastlegt dat en op welke wijze hij de koper heeft geïnformeerd en dat de koper zich bewust is van het speculatieve karakter van de transactie, en dat de koper deze transactie wil. Die zorgplicht brengt ook met zich mee dat de notaris een en ander schriftelijk bevestigd aan de koper. De notaris geeft de koper tijdig tevoren de gelegenheid van de inhoud van de akte van levering kennis te nemen door hem een ontwerp van de akte toe te sturen. De notaris volgt deze handelwijze ook als de koper niet zelf wil verschijnen bij het verlijden van de akte, maar daarvoor een volmacht wil geven7. Deze omschreven handelwijze is met voldoende waarborgen omkleed om de notariële zorgplicht uit te voeren, ook wanneer de koper middels een volmacht het verlijden van een akte laat plaatsvinden.
In het recente verleden werden al een aantal keren tuchtzaken aanhangig gemaakt tegen notarissen met betrekking tot (speculatieve) grondhandel. De tuchtrechters oordeelden in vergelijkbare zaken zeer verschillend. Hoe beziet u het feit dat tuchtrechters hierin niet uniform oordelen? Is een aanscherping van de wet noodzakelijk om meer uniformiteit in de beoordeling door tuchtrechters te bewerkstelligen?
Zoals bij de beantwoording van vraag 4 en 5 ook al is aangegeven is de beoordeling door de tuchtrechter van de rol van notarissen met betrekking tot (speculatieve) grondhandel sterk afhankelijk van de omstandigheden van het geval. Dat houdt in dat de notaris in elke zaak door de tuchtrechter aan dezelfde maatstaf wordt getoetst of deze heeft voldaan aan zijn informatieplicht en zorgplicht die voortvloeit uit het notarisambt, maar dat de beoordeling van de rol van de notaris door de omstandigheden van het geval een andere uitkomst kunnen hebben. Dit houdt dus niet in dat tuchtrechters niet uniform oordelen, maar dat de aan hen voorgelegde gevallen niet gelijk zijn. Een aanscherping van de wet is derhalve niet aan de orde.
Uit de beantwoording van de eerdere vragen bleek verder dat de ACM en de AFM toezicht houden op de naleving van de regels omtrent het beschermen van particulieren tegen misleidende informatie bij verkoop, waaronder de verkoop van grond. Toen waren er nauwelijks meldingen bij de ACM en AFM bekend over dit onderwerp. Wat is de huidige stand van zaken wat betreft meldingen bij ACM en AFM hieromtrent? Mochten er wederom weinig meldingen bekend zijn, hoe kunnen ACM en AFM proactief particulieren beschermen bij de verkoop van grond?
De ACM ontvangt nog steeds nauwelijks meldingen over dit onderwerp. Via de website ACM ConsuWijzer geeft de ACM proactief voorlichting over de rechten van consumenten. Het betreft praktisch advies gericht op algemene onderwerpen (zoals misleiding bij verkoop) en een aantal specifieke onderwerpen (zoals de energietransitie). Consumenten kunnen bellen of de website raadplegen.
Ook de AFM ontvangt nauwelijks signalen over dit onderwerp. Daarnaast blijkt bij het beoordelen van een dergelijk signaal regelmatig dat de aanbieding waarover dit signaal gaat buiten haar toezicht valt, aangezien deze aanbieding bijvoorbeeld niet voldoet aan de criteria die gelden voor een beleggingsobject. De AFM en ACM blijven individuele casussen op dit terrein beoordelen en op grond van hun mandaat daartegen optreden als dat mogelijk en noodzakelijk is.
Kunt u deze vragen afzonderlijk beantwoorden?
Ja
De oprukkende moordlustige wolf |
|
Wybren van Haga (BVNL) |
|
van der Ch. Wal-Zeggelink |
|
|
|
|
Bent u bekend met de berichtgeving dat de wolf weer een massaslachting onder schapen heeft aangericht?1
Ja, deze berichtgeving is mij bekend.
Wat vindt u van het feit dat de wolf vaker en vaker vee aanvalt?
Ik betreur ten zeerste het dierenleed en het verdriet dat gepaard gaat met aanvallen van de wolf op vee. De wolf is een waardevolle aanvulling op de Nederlandse biodiversiteit, maar zijn komst zorgt voor veel maatschappelijke onrust en voor schade. Daar maak ik mij zorgen om. Ik ben van mening dat samenleven met de wolf in Nederland mogelijk is en dat we manieren moeten vinden om samen te leven met de wolf in een klein land waar wolf, mens en de dieren die gehouden worden door de mens, dicht op elkaar leven. Daarom heb ik de Raad voor de Dierenaangelegenheden (RDA) gevraagd om een brede maatschappelijke dialoog te organiseren over de positie van de wolf in Nederland.
Wat heeft u concreet gedaan om vee van boeren beter tegen de wolf te beschermen? Kunt u deze vraag gedetailleerd beantwoorden?
Het beschermen van vee tegen aanvallen van de wolf vind ik van het grootste belang om dierenleed te voorkomen. De bescherming van vee is in de eerste plaats een verantwoordelijkheid van de veehouder. Samen met de provincies zet ik in op adequate informatie over het beschermen van vee en hobbydieren. Het plaatsen van wolfwerende hekken of het ’s nachts ophokken van vee zijn bijvoorbeeld goed uitvoerbare mogelijkheden die veehouders kunnen toepassen om dieren te beschermen tegen aanvallen door wolven. BIJ12 biedt uitgebreide informatie aan veehouders welke beschermende maatregelen genomen kunnen worden2. Dierhouders kunnen hiervoor gebruik maken van provinciale subsidies.
Wat gaat u doen om vee van boeren beter tegen de wolf te beschermen? Kunt u deze vraag gedetailleerd beantwoorden met een bijbehorend stappenplan?
Zoals ik in het antwoord op vraag 3 heb aangegeven, ligt de verantwoordelijkheid voor de bescherming van vee bij de veehouder. Samen met de provincies werk ik aan voorlichting en informatievoorziening over goede manieren van bescherming van vee. Ik zet hierbij in op een bredere publiekscommunicatie en ik faciliteer communicatie-instrumenten voor andere overheden en natuurorganisaties. In de maatschappelijke dialoog die de RDA gaat organiseren zal ook het onderwerp bescherming een rol spelen.
Hoe worden (hobby)boeren na aanvallen van de wolf schadeloos gesteld? Kunt u deze vraag gedetailleerd beantwoorden?
BIJ12 verzorgt namens provincies de afhandeling van tegemoetkoming in schade.
Volgens de beleidsregels van de provincie wordt door BIJ12 beoordeeld of er een tegemoetkoming wordt verleend. Bij het verlenen van een tegemoetkoming in de schade door een wolf wordt er geen eigen risico ingehouden en hoeven geen leges betaald te worden. Eventuele dierenartskosten en de voorrij- en afvoerkosten van een kadaver naar een destructiebedrijf worden vergoed. Overige indirecte kosten komen niet voor een tegemoetkoming in aanmerking. Ook als een gehouden landbouwhuisdier gewond is en behandeld door een dierenarts, verleent BIJ12 een tegemoetkoming in deze dierenartskosten. Deze tegemoetkoming bedraagt maximaal de taxatiewaarde van het dier. Als het dier na dierenartsbehandeling en aantoonbaar door de wolfaanval overlijdt, dan bedraagt de hoogte van de tegemoetkoming maximaal twee keer de taxatiewaarde: tegemoetkoming in de dierenartskosten plus de taxatiewaarde van het dier.
Een uitbetaling kan 16 weken duren. Nadat BIJ12 het taxatierapport heeft ontvangen, wordt ernaar gestreefd een melding binnen 10 weken af te handelen. Het taxatiebureau levert een taxatierapport binnen 6 weken op aan BIJ12.
Het bericht 'Deskundige wil extra controles van oude tunnels na problemen in Friesland' |
|
Jaco Geurts (CDA) |
|
Mark Harbers (minister infrastructuur en waterstaat) (VVD) |
|
|
|
|
Bent u bekend met het bericht van de NOS «Deskundige wil extra controles van oude tunnels na problemen in Friesland»1 en zou u op de belangrijkste bevindingen in dit nieuwsbericht willen reageren?
Ja, ik ben bekend met dat bericht. Rijkswaterstaat doet voortdurend onderzoek en monitort in het hele land alle tunnels, waaronder de tunnels die met de afzinkmethode zijn aangelegd. Daarbij worden de bewegingen van de tunnelelementen gemeten. Bij inspecties wordt vooral ingezet op het monitoren van de bekende faalmechanismen. Tot voor kort was er, bij de verdiepte toeritten aan weerszijden van de tunnel, geen bekend faalmechanisme en was er dus geen aanleiding om de toeritten naar de tunnels te monitoren.
In 2010 heeft er een calamiteit plaatsgevonden in de Vlaketunnel, waarbij eveneens het wegdek omhoog kwam. De oorzaak lag in de zoute grondwateromstandigheden en de hierdoor ontstane versnelde corrosie aan de trekankers. Gelet op de unieke omstandigheden bij de Vlaketunnel was er geen aanleiding om andere tunnels te onderzoeken.
Daarbij is in 2018, in het kader van de voorbereiding op de vervanging en renovatie opgave, onderzoek verricht naar de Heinenoordtunnel. Deze tunnel heeft een enigszins vergelijkbare constructie als de Prinses Margriettunnel. Er zijn destijds op 22 ankers trekproeven uitgevoerd. De ankers voldeden aan de gestelde normen. Ook dit onderzoek, bij eenzelfde soort tunnel, gaf dus geen aanleiding om op het punt van de trekankers een significante faalkans of onderliggend faalmechanisme te vermoeden.
Desondanks vond de calamiteit in de Prinses Margriettunnel juist plaats bij één van de toeritten, waar dus geen bestaand faalmechanisme bekend was en waar dus ook niet op werd gemonitord.
Om te kunnen concluderen wat de oorzaak was van deze calamiteit, is het noodzakelijk om nader onderzoek te doen. Pas daarna kunnen er mogelijk conclusies getrokken worden over het faalmechanisme bij de Prinses Margriettunnel alsook bij andere objecten. Dit onderzoek vindt nu plaats.
Op basis van dit onderzoek zal bepaald worden welke maatregelen er bij de Prinses Margriettunnel (en eventueel andere objecten) genomen zullen worden. Hierbij is het verstandig om ons te realiseren dat het testen van ankers een intensief werk is, waarbij de tunnels enkele dagen/ week afgesloten zullen moeten worden. Dit kan veel overlast met zich meebrengen. Om deze reden is het verstandig om eerst de conclusies van het onderzoek bij de Prinses Margriettunnel af te wachten.
Deelt u de opvatting dat de genoemde tunnels met de oude constructie zo snel mogelijk geïnspecteerd zouden moeten worden? Zou u willen voorzien in een tijdpad waaruit duidelijk wordt wanneer deze tunnels uiterlijk zijn geïnspecteerd?
Rijkswaterstaat heeft een inspectieprogramma waar gestructureerd wordt gekeken naar de mogelijk faalmechanismen van objecten. Het doel hiervan is in eerste instantie om te voorkomen dat er onveilige situaties ontstaan (veilig stellen) en om daar waar nodig en mogelijk preventief te handelen om te voorkomen dat acuut ingrijpen nodig is. Tot op heden is er geen aanleiding geweest om dit ook voor tunneltoeritten te doen. Omdat de calamiteit bij de Prinses Margriettunnel juist wel in één van de tunneltoeritten heeft plaatsgevonden, wordt momenteel onderzoek gedaan naar het faalmechanisme dat er voor heeft gezorgd dat Rijkswaterstaat de A7 heeft moeten afsluiten. Zodra hier meer bekend over is, kan Rijkswaterstaat bepalen of en hoe tunneltoeritten gemonitord kunnen worden.
Deelt u de opvatting dat de omschreven wijze van inspectie waarbij er door de tunnel wordt gelopen om te kijken of er drempels zijn ontstaan die kunnen wijzen op loslatende delen, niet afdoende is, in het bijzonder bij de genoemde tunnels? Zo ja, welke acties koppelt u aan die opvatting?
Tot op heden is er geen aanleiding geweest om tunnels op een andere manier te inspecteren. Enige jaren geleden is onderzoek uitgevoerd bij een soortgelijke tunnel waarbij geen faalmechanisme werd geconstateerd. Wel gaat Rijkswaterstaat verkennen of bijvoorbeeld via sensoren een eerdere voorwaarschuwing kan worden gegeven. Deze signaalsystemen worden ook gebruikt bij andere objecten zoals de Haringvlietbrug en de IJsselbruggen. Hiervoor is het nodig dat de oorzaak van de schade bij de Prinses Margriettunnel bekend is.
Zou u in kaart willen brengen in welke gevallen de beschreven uitgebreide manier van inspectie, het blootleggen van de ankers en het verwijderen van het wegdek en het beton, noodzakelijk is?
Of de uitgebreide manier van inspectie moet plaatsvinden, is afhankelijk van de oorzaak van het faalmechanisme bij de Prinses Margriettunnel. Dat onderzoek loopt nu. Het onderzoek bij de Heinenoordtunnel uit 2018, bestaande uit trekproeven op ankers, is uitgevoerd in het kader van de voorbereiding op de vervanging en renovatie opgave. De ankers voldeden aan de gestelde normen.
Zou u inzichtelijk willen maken in hoeverre en op welke plekken de genoemde mogelijke tussenoplossing, het plaatsen van sensoren die de bewegingen van de tunnel en de tunneltoeritten monitoren, effectief zou zou kunnen zijn?
Ook hiervoor geldt dat, om te beoordelen of het plaatsen van sensoren effectief is, het nodig is dat het onderzoeksrapport wordt afgerond waaruit blijkt wat de oorzaak van de faalmechanismen is. Zo kan Rijkswaterstaat de aandacht richten op die objecten die hiervoor in eerste instantie in aanmerking komen.
Zou u ook andere mogelijke tussenoplossingen op een rij willen zetten?
Naast het mogelijk plaatsen van sensoren die de bewegingen van de tunnel en de tunneltoeritten monitoren, ziet Rijkswaterstaat op dit moment geen andere tussenoplossingen. Pas als de oorzaak bekend is, kunnen andere oplossingen in beeld komen. Ook dan pas is het mogelijk om een structurele oplossing in beeld te brengen.
Zou u in het licht van het genoemde nieuwsbericht opnieuw willen ingaan op de recent door de fractie van het CDA ingediende vragen over deze problematiek?2
Het lid Van der Molen (CDA) heeft op 22 december jl. vragen ingediend naar aanleiding van het bericht «Bruggen, viaducten en nu een aquaduct dicht: dat kan geen toeval zijn, denken transporteurs». De vragen hadden betrekking op de ontstane overlast voor de weggebruikers en de omgeving en de inspanningen van Rijkswaterstaat om de A7 zo snel mogelijk (deels) open te kunnen stellen. Daarbij is benadrukt dat het vooralsnog om een incident gaat en dat het belangrijk is om eerst het onderzoek naar de oorzaak van de schade af te wachten voordat definitief herstel kan plaatsvinden en te bepalen welke vervolgstappen met betrekking tot het monitoren en inspecteren van dit type tunnels nodig zijn.
Wat zijn de gevolgen voor de infrastructuur nu het kabinet op diverse plekken inzet op verhogen van grondwaterstanden in Nederland?
Voor elk besluit tot peilwijziging worden eerst de mogelijke gevolgen in en om het betreffende gebied in beeld gebracht, waaronder de effecten op de fundering van infrastructuur.
Ouderen met onderkoeling |
|
Wybren van Haga (BVNL) |
|
Kuipers |
|
|
|
|
Heeft u kennisgenomen van het bericht «Ouderen vaker met onderkoeling in ziekenhuis door valpartijen: «Liggen soms uren op de grond»»?1
Ja
Hoe reflecteert u op de constatering van medici dat de werkdruk voor huisartsen heden ten dage zo groot is dat zij niet meer in staat zijn om alle patiënten in hun praktijk te kennen en te screenen, waardoor kwetsbare ouderen tussen wal en schip vallen, met ongelukken en schrijnende situaties als gevolg?
Ik herken niet dat kwetsbare ouderen tussen wal en schip vallen, doordat huisartsen niet meer in staat zijn om alle patiënten in hun praktijk te kennen en te screenen. Dat er ouderen vallen en gebruik moeten maken van spoedzorg betekent niet per se dat zij niet in beeld waren bij hun huisarts.
De werkelijkheid is complexer. Natuurlijk proberen alle zorgprofessionals die bij een oudere betrokken zijn te voorkomen dat kwetsbare mensen vallen. Tegelijkertijd willen veel (kwetsbare) ouderen op een fijne, veilige en vertrouwde manier zo lang mogelijk zelfstandig kunnen blijven. Crisissituaties, onder- en overbehandeling en de noodzaak van langdurige zorg willen de Minister voor Langdurige Zorg en ik zoveel mogelijk voorkomen. Het uitbannen van elk risico is echter onhaalbaar en ook niet gewenst als dit betekent dat mensen disproportioneel in hun bewegingsvrijheid worden beperkt of dag en nacht in de gaten moeten worden gehouden.
Dat neemt niet weg dat ik erken dat de huisartsenzorg onder druk staat. Daarom heb ik het in Integraal Zorgakkoord (IZA) afspraken gemaakt om de werkdruk van huisartsen te verlichten. Zo zet ik onder andere in op het opleiden van meer huisartsen en heeft de Nederlandse Zorgautoriteit (NZa) met ingang van januari 2023 hogere en gedifferentieerde tarieven voor de avond-, nacht- en weekend (ANW-)diensten vastgesteld. Ook zijn er afspraken gemaakt over het landelijk beschikbaar stellen van «meer tijd voor de patiënt» voor 100% van de huisartsenpraktijken per 2024. Dit moet bijdragen aan meer werkplezier voor de huisarts en ondersteunend personeel in de huisartsenzorg, en zorgt ervoor dat huisartsenpraktijken het werk slimmer kunnen organiseren waardoor er ook meer tijd beschikbaar is voor kwetsbare patiënten.
Hoe reflecteert u op de ingeboekte bezuiniging op de wijkverpleging in de begroting van het Ministerie van Volksgezondheid, Welzijn en Sport, terwijl dit soort zorg nu al ontoereikend is, er grote personeelstekorten zijn, ouderen vaak lang moeten wachten op zorg en minder zorg krijgen en de sociale controle die nodig is om deze kwetsbare mensen in het vizier te houden afkalft, waardoor deze patiënten in gevaar komen?
Er is geen sprake van een bezuiniging. Bij vaststelling van het IZA is het niveau van het macrokader van de wijkverpleging bijgesteld naar aanleiding van voortdurende onderbesteding. Vergeleken met de realisatie van 2022 laat het budgettair kader 2023 en verder groei zien.
Groeipercentages
Wijkverpleging
2,0%
2,4%
3,0%
3,5%
Bedragen x € 1 miljoen
Wijkverpleging
3.802
3.870
3.973
4.100
Bent u bereid de bezuinigingen op de wijkverpleging/thuiszorg te heroverwegen? Zo nee, waarom niet?
Er is geen sprake van een bezuiniging.
Kunt u inschatten in hoeverre de coronacrisis en het coronabeleid van invloed is geweest op het feit dat kwetsbare ouderen regelmatig met niet-gediagnosticeerde aandoeningen en/of onopgemerkte klachten rondlopen, waardoor zij nog kwetsbaarder worden voor bijvoorbeeld valpartijen? In welke mate is alle uitgestelde zorg hiervan (mede) de oorzaak? Weet u hoeveel ouderen tijdens de coronaperiode niet met klachten naar de huisartsen durfden of mochten komen, in verband met het coronavirus?
Het RIVM heeft over dit onderwerp twee onderzoeken gepubliceerd, 2, 3. Hieruit blijkt dat zorg tijdens de pandemie is uitgesteld. Dit heeft ertoe geleid dat een deel van de gezondheidswinst waar deze zorg normaliter toe geleid zou hebben, niet behaald is. Omgerekend in verwachte QALY’s (extra levensjaren in goede gezondheid) betreft dit 18% van de verwachte gezondheidswinst in 2020 en 2021. Vaak ging dit echter niet om verlening van acute/hoog urgente zorg.
Ook hebben mensen de huisartsenzorg vermeden. Tussen maart en juni 2020 (eerste golf) lag het totaal aantal bezoeken aan de huisartsen gemiddeld 11% lager dan in dezelfde periode in 2019. Het aandeel huisartsbezoeken naar aanleiding van symptomen die mogelijk duiden op ernstige klachten, zoals kanker of hartziekten, was deze periode 21% lager dan in 2019. Er zijn hierbij echter duidelijke verschillen zichtbaar naar leeftijd. Uit het onderzoek blijkt dat bij ouderen veel minder sprake was van een daling in het aantal huisartsconsulten. Bij 85-plussers lag het aantal consulten vanaf de eerste golf tot het einde van 2020 zelfs hoger dan in 2019. Wel waren er duidelijk minder huisartsvisites bij ouderen thuis. Artsen geven aan dat zij de «sociale» visites bij kwetsbare ouderen veelal vervangen hebben door telefonische consulten. Tijdens de zomer en tweede golf lag het gemiddelde aantal huisartsconsulten weer op het niveau van 2019.
Wat betekent het gestegen aantal ouderen dat door valpartijen en onderkoeling in het ziekenhuis terechtkomt voor de druk op de ziekenhuiszorg en vervolgens voor de druk op de wijkverpleging en de thuiszorg?
Het kabinet zet in op het zoveel mogelijk voorkomen van valpartijen door ouderen thuis. Gezien de vergrijzing is extra inzet in de komende jaren op valpreventie cruciaal. Dit kan letsel voorkomen en onnodige druk op de zorg. Samen met onder meer gemeenten, GGD-en en maatschappelijke partijen – zoals VeiligheidNL – zetten we vanaf dit jaar in op het beperken van risico op vallen door ouderen. Onder meer door ervoor te zorgen dat ouderen met een verhoogd valrisico sneller in beeld komen en een effectief valpreventief beweegaanbod aangeboden krijgen. In de Kamerbrief van de Staatssecretaris van VWS over de onderwerpen bevordering gezondheid, preventie en leefstijl van 2 december 20224 bent u geïnformeerd over alle acties die in het kader van valpreventie in gang zijn gezet. De Minister voor Langdurige Zorg en Sport, de Staatssecretaris van VWS, en ik zullen in het najaar uw Kamer over de voortgang hiervan informeren.
Wat vindt u ervan dat ouderen als gevolg van de hoge energieprijzen hun huis niet meer voldoende (kunnen) verwarmen, waardoor zij onderkoeld raken en dus kwetsbaarder worden? Hoe verhoudt de plicht die de overheid heeft om de volksgezondheid te waarborgen zich ten opzichte van de gevolgen van de keuze van diezelfde overheid om de energieprijzen dusdanig te laten oplopen en geen werk te maken van energiesoevereiniteit, dat mensen noodgedwongen in de kou gaan zitten en daardoor ziek worden?
Dat ouderen onderkoeld kunnen raken als zij lang op de grond liggen na een val is bekend. Er is mij geen onderzoek bekend naar een directe relatie tussen het lager zetten van de thermostaat en de klachten waarmee ouderen in het ziekenhuis belanden. Energiekosten van ouderen hebben wel de aandacht. Ik verwijs u naar eerdere Kamerbrieven4 waarin uitgebreid wordt ingegaan op de maatregelen die dit kabinet neemt om ook ouderen te ondersteunen bij hun gestegen energiekosten.
Hoe reflecteert u op de keuze van het kabinet om te streven naar het zo lang mogelijk thuis laten wonen van ouderen, om de druk op de zorg te beteugelen en zorgkosten te verlagen, terwijl het resultaat van die keuze het tegenovergestelde bewerkstelligt, aangezien veel ouderen hierdoor kwetsbaarder en zieker worden, vaker ongelukken krijgen en dus uiteindelijk langer, complexer en kostbaarder zorg nodig hebben?
De voorkeuren van ouderen zijn veranderd. Zij willen graag zo lang mogelijk, veilig en vertrouwd, thuis wonen en met de juiste zorg en ondersteuning kan dat ook. Wij ondersteunen met de maatregelen in programma Wonen, Ondersteuning en Zorg voor Ouderen (WOZO) en het IZA versterking van de zorg thuis, zodat crisissituaties, onder- en overbehandeling en de noodzaak van Wlz-zorg gaan afnemen. Helaas hebben kwetsbare ouderen een hoger risico om te vallen, zowel ouderen die hun zorg thuis krijgen, als ouderen die zijn opgenomen in een ziekenhuis of verpleeghuis. Het voorkomen van valincidenten is voor alle kwetsbare ouderen van belang.
Deelt u de mening dat het moreel onverantwoord is om onze ouderen als gevolg van financiële overwegingen op deze manier te verwaarlozen en dat het bovendien leidt tot minder vertrouwen in de politiek, de zorg en zorgt voor nog meer onvrede en polarisatie in de samenleving?
Nee, ik deel niet het beeld dat ouderen worden verwaarloosd. Het beleid is er juist op gericht om toegang van zorg te borgen voor die mensen die haar nodig hebben, waaronder (kwetsbare) ouderen.
Kunt u in kaart brengen wat de financiële gevolgen zijn van de onderkoeling en valpartijen bij ouderen? Hoeveel kost alle extra zorg die als gevolg hiervan moet worden verleend?
Volgens VeiligheidNL (kenniscentrum voor letselpreventie) zijn de totale zorgkosten (Wmo, Zvw en Wlz) van ouderen (65 jaar en ouder) in 2021 die met een letsel vanwege een valincident (in huis, buiten of in een zorginstelling) een afdeling Spoedeisende Hulp (SEH) bezochten en/of opgenomen werden in ziekenhuis in totaal 1,15 miljard euro. Het gaat dan om de medische kosten van de behandeling en nazorg gedurende het eerste jaar na het valincident, waarbij naast de kosten van SEH-bezoek, polikliniekconsulten en opnamen ook de kosten van bijvoorbeeld revalidatie, huisartszorg, fysiotherapie, thuiszorg, verpleeghuiszorg zijn inbegrepen. De verwachting is dat in april 2023 een landelijk overzicht van de zorgkosten van valpartijen over 2022 beschikbaar is. In welke mate bij de valincidenten ook sprake is van onderkoeling, is onbekend.
Weet u hoeveel ouderen als gevolg van valpartijen en onderkoeling eerder komen te overlijden dan wanneer zij wel bij huisartsen en wijkverpleging/thuiszorg in beeld waren geweest?
Met betrekking tot een correlatie tussen niet in beeld zijn, vallen en overlijden zijn geen cijfers beschikbaar.
Welke stappen gaat u ondernemen om ervoor te zorgen dat ouderen niet meer onderkoeld in het ziekenhuis terechtkomen na valpartijen?
De Minister voor Langdurige Zorg en Sport, de Staatssecretaris van VWS en ik zetten ons gezamenlijk in voor passende zorg. In het kader van deze vraag hoort daarbij voortzetting van de beleidsaandacht voor de signalering van kwetsbaarheid bij ouderen thuis, valpreventie en acute zorg voor ouderen. Bij het laatste hoort vanzelfsprekend ook aandacht voor het kunnen alarmeren en snel opvolgen van deze alarmering.
Het besluit over het concentreren van de kinderhartchirurgie in Nederland |
|
Wybren van Haga (BVNL) |
|
Kuipers |
|
|
|
|
Heeft u kennisgenomen van het bericht «Kuipers negeert advies zorgautoriteit en zet concentratie kinderhartchirurgie door»?1
Ja.
Kunt u uitleggen waarom het risico van het concentreren van de kinderhartchirurgie, dat de Nederlandse Zorgautoriteit (NZa) in kaart heeft gebracht voor de algehele kinderhartzorg en andere urgente/acute zorg voor kinderen in Nederland, wat u betreft ondergeschikt is aan de vermeende urgentie om de kinderhartchirurgie te concentreren in twee centra in Nederland? Kunt u inzichtelijk maken hoeveel meer kinderen een gezondheidsrisico lopen als de hartchirurgie niet op korte termijn geconcentreerd wordt ten opzichte van het aantal kinderen (en volwassenen) die belangrijke zorg mislopen als gevolg van deze concentratie?
Het proces van concentratie van de interventies bij aangeboren hartafwijkingen bij kinderen en de complexe interventies bij volwassenen, is juist bedoeld om risico’s te voorkomen. De wijze waarop deze vorm van zorg is georganiseerd is kwetsbaar, zeker op de langere termijn. Concentratie van de interventies leidt tot betere zorg doordat in grotere teams chirurgen gezamenlijk operaties kunnen uitvoeren, voor elkaar kunnen invallen en verder kunnen specialiseren. De verenigingen van betrokken artsen hebben vastgesteld dat concentratie nodig is om deze patiënten de beste kansen op een goede kwaliteit van leven te geven.2 De patiëntenorganisaties geven aan blij te zijn dat dit eindelijk gebeurt.
Het transitieproces zal zorgvuldig en beheerst moeten verlopen zodat kinderen of volwassenen geen belangrijke zorg mislopen als gevolg van concentratie. De discussie hierover loopt al dertig jaar. Het is van belang dat er duidelijkheid komt voor patiënten en zorgverleners, om de beste zorg te kunnen bieden in Nederland.
Hoe denkt u de verwachte personele problemen die gepaard gaan met de concentratie van de kinderhartchirurgie op te gaan lossen? Hoe denkt u bijvoorbeeld de benodigde verpleegkundigen over te halen in een ander centrum te gaan werken? Waarom zouden hartchirurgen minder diensten gaan draaien als niet alle (hoogspecialistische) kinderhartchirurgen meegaan naar de aangewezen centra? Wat gaat u doen als de centra benodigde personele bezetting voor de geconcentreerde hartzorg niet rond krijgen?
De NFU heeft in haar advies aangeboden daar met mij over in gesprek te gaan. In mijn brief van 13 februari3 heb ik daar naar verwezen en heb ik ook aan gegeven dat ik in overleg met de NFU een commissie van onafhankelijke, gezaghebbende deskundigen zal instellen om deze transitie te begeleiden. In dit transitieproces zal uiteraard ook de personele bezetting aan de orde komen.
Heeft u in kaart gebracht wat het betekent als door deze concentratie van hartzorg bepaalde centra hun kinder-Intensive Cares (IC’s) zullen moeten sluiten, zoals de NZa heeft aangegeven dat waarschijnlijk het geval zal zijn? Wat betekent dat voor de regiofuncties van deze centra en de toegankelijkheid van zorg voor de gemeenschap in de betreffende regio’s? Weet u hoeveel kinderen voor acute zorg zullen moeten worden overgebracht naar centra verder van huis en wat dat voor gevolgen heeft voor hun acute gezondheid, de behandelingen die zij moeten ondergaan en hun gezondheid en prognoses op de langere termijn?
Voor mij staat de beste kwaliteit van zorg voor patiënten voorop. Dat betekent dat de zorg zo wordt ingericht dat kinderen (en volwassenen) toegang hebben en ook blijven hebben tot zorg die hen de beste kansen biedt op een goede kwaliteit van leven. Door deze interventies te concentreren krijgen kinderen met een aangeboren hartafwijking, zoals gezegd, betere kansen op een goede kwaliteit van leven, ook op de langere termijn. De (kinder)IC en acute zorg moeten altijd voor iedereen toegankelijk zijn, in alle regio’s. Daarover zullen dan dus ook goede afspraken moeten worden gemaakt. Het is niet mogelijk nu al precieze uitspraken te doen over óf er maatregelen nodig zijn om ic’s open te houden en hoe die vorm krijgen. Dat is maatwerk en moet aansluiten bij de precieze situatie van het betreffende umc en de wensen en mogelijkheden van betrokken zorgverleners en patiënten. Ook dat komt in het in vraag 3 bedoelde transitieproces aan de orde.
Kunt u garanderen dat de capaciteit van de kinder-IC’s die het sluiten van andere kinder-IC’s moeten opvangen, toereikend is? Zijn de ziekenhuizen waar deze kinderen naartoe gebracht worden, berekend op deze extra patiëntjes en wat gebeurt er als deze kinder-IC’s vol liggen?
Ik verwijs hiervoor naar het antwoord op vraag 3 en 4.
Wat zijn de gevolgen van het verliezen van de academische status van een ziekenhuis, bijvoorbeeld als gevolg van het noodgedwongen moeten sluiten van een kinder-IC? Welke gevolgen heeft dat voor het krijgen van subsidies, het aantrekken van artsen en verpleegkundigen, opleidingstrajecten en plaatsen, internationale kennisdeling en samenwerking, etc.? Hoe gaat u eventuele schade van een dergelijk statusverlies opvangen? Wat zal dit doen met de kwaliteit van zorg in een bepaalde regio?
De Wet op het hoger onderwijs en wetenschappelijk onderzoek (WHW) bepaalt wanneer sprake is van een academisch ziekenhuis. Academische ziekenhuizen zijn werkzaam op het gebied van de patiëntenzorg en staan mede ten dienste van het wetenschappelijk geneeskundig onderwijs en onderzoek aan de universiteiten waaraan zij zijn verbonden. Zij vervullen mede topklinische en topreferentiefuncties in de gezondheidszorg. Voorts verlenen zij medewerking aan de opleiding tot medisch specialist. Dat hangt dus niet af van één discipline, zoals de congenitaal cardiothoracale chirurgie. Van noodgedwongen sluiting van kinder-IC’s is ook geen sprake. Mocht een ziekenhuis onvoldoende bezetting hebben van de kinder-IC doordat de interventies voor patiënten met een aangeboren hartafwijking elders worden geconcentreerd, dan zal in de transitiefase gekeken moeten worden hoe dat opgevangen wordt. Het belang van de patiënt staat hierbij, zoals vermeld, voor mij voorop. Ook heb ik reeds aangegeven dat er altijd voldoende (kinder)ic capaciteit beschikbaar moet zijn.
Weet u wat de concentratie van de kinderhartchirurgie gaat doen met de personeelstekorten in de zorg en de druk op de zorgverleners? Is het aannemelijk dat nog meer mensen de zorg zullen verlaten, omdat zij niet langer hun specialisme kunnen uitoefenen en/of niet meer op de afdeling van hun keuze kunnen werken? Wordt het overvraagde personeel in de centra waar deze hartzorg wordt geconcentreerd dan niet nog verder belast, met uitval van personeel, uitstel en vertraging van urgente zorg en verdere verschraling van het zorgstelsel als gevolg? Zo nee, waarom niet? Hoe gaat u een dergelijk scenario voorkomen?
Eén van de doelen van concentratie is juist de druk op de specialistische zorgverleners die bij deze interventies betrokken zijn, te verminderen. Door te concentreren kan de dienstbelasting bijvoorbeeld beter worden afgewisseld en ontstaat ruimte voor een evenwichtigere werk-privé balans. Aan de hand van de impactanalyse van de NZa en mitigerende maatregelen die nodig zullen zijn zal gekeken moeten worden hoe de transitie voor zorgverleners zo goed mogelijk kan worden vorm gegeven. Die transitie zal zorgvuldig moeten plaatsvinden om de kwaliteit en toegankelijkheid van zorg voor patiënten te borgen. Daarbij zal speciale aandacht worden besteed aan de werkomstandigheden voor zorgverleners en de uitdagingen van de arbeidsmarkt.
Wat zal de impact zijn van het feit dat ouders straks verder zullen moeten reizen om hun kind te voorzien van benodigde hartzorg, bijvoorbeeld op het mentale welzijn en daarmee de gezondheid van deze ouders en hun participatie op de arbeidsmarkt die potentieel in gevaar komt door de grote afstand ten opzichte van hun zieke kind en alles wat daarbij (logistiek) komt kijken?
In mijn brief aan de NFU van 16 januari heb ik aangegeven dat ik toegankelijkheid van zorg en regionale spreiding een belangrijk aspect vind op basis waarvan de locatie voor concentratie moet worden vastgesteld. Daarmee wil ik juist voorkomen dat mensen straks onnodig ver moeten reizen.
Overigens is een grotere afstand alleen aan de orde voor interventies, en dan ook nog afhankelijk van de locaties waar concentratie zal plaatsvinden. Die interventie hoeft een patiënt zoals gezegd, slechts één of enkele keren te ondergaan in het leven. Alle reguliere cardiologische zorg, zoals controles, onderzoek, poliklinische behandelingen, voor- en nazorg voor interventies, blijft beschikbaar in het eigen ziekenhuis voor alle patiënten. Daarom verwacht ik geen direct effect van de reistijd voor deze interventies op het mentale welzijn of de arbeidsmarktparticipatie van ouders. Ook patiëntenorganisaties onderstrepen de noodzaak tot concentratie van deze interventies, omdat betere kansen op een goede kwaliteit van leven zich goed verhouden tot de eenmalige extra reistijd. Patiënten geven aan dat de kwaliteit van zorg een belangrijke reden is om een interventie elders te willen ondergaan.4
Heeft een dergelijke concentratie van kinderhartzorg mogelijk tot gevolg dat huisartsen minder snel door zullen verwijzen naar een gespecialiseerd centrum en/of dat ouders er in sommige gevallen voor zullen kiezen om hartzorg uit te stellen, of daarvan af te zien, aangezien de grote afstand obstakels voor hen zal opwerpen? Indien u hiervan geen inschatting kunt maken, gaat u hiernaar dan onderzoek doen?
Volgens de betrokken beroepsgroepen van artsen verbetert de kwaliteit van deze zorg door concentratie.5 Daardoor verwacht ik niet dat huisartsen minder snel gaan verwijzen naar een gespecialiseerd centrum. Uit de impact analyse van de NZa blijkt niet dat ouders afzien van operaties vanwege de reisafstand, of ze uitstellen. Integendeel, de meeste mensen zijn bereid naar een ander centrum te gaan voor een betere kwaliteit van zorg.6
Waarom bent u van mening dat de verschillende medische centra in Nederland nu wel in staat zullen zijn om zelf met een beslissing over de concentratie van de kinderhartchirurgie in Nederland te komen, terwijl zij hier al jaren niet toe in staat blijken en er veel (financiële) belangen en overwegingen spelen die niet specifiek in het belang zijn van het zorgbehoevende kind en/of zijn/haar gezin?
De reden om nu wederom de umc's te vragen zelf met een voorstel te komen was tweeledig. Ten eerste gaven de umc's eind 2021 aan er zelf niet uit te komen maar was het argument ook dat de coronapandemie hen zou beletten om er voldoende tijd aan te besteden om met een gedegen en gedragen voorstel te komen. Inmiddels zijn we ruim een jaar verder. De tweede reden is dat er nu een impactanalyse van de NZa ligt die de centra ondersteunt bij het nemen van gemeenschappelijke, passende maatregelen om ongewenste effecten te mitigeren. Deze twee redenen brachten mij er toe de vraag nogmaals aan de umc's voor te leggen.
Als de medische centra aangeven de risico’s die de NZa signaleert als gevolg van de concentratie van de kinderhartchirurgie niet adequaat te kunnen opvangen, wat is dan uw plan van aanpak? Hoe gaat u deze potentieel problematische gevolgen oplossen, als de ziekenhuizen zelf aangeven dat zij daartoe geen mogelijkheid zien?
Het plan is maatwerk. Wat nodig is om de bijkomende onwenselijke gevolgen op te kunnen vangen, hangt af van de centra waar wel en niet geconcentreerd wordt en de maatregelen die zij (al dan niet samen) kunnen nemen. Ik heb aangegeven dat van de kant van het Ministerie van VWS alle medewerking en ondersteuning zal worden geboden die nodig is, juist ook in de transitie.
Heeft u een risicoanalyse gemaakt ten aanzien van de vraag hoeveel kinderen potentieel zullen sterven doordat er geen kinderhartcentrum in hun relatieve nabijheid meer is en wat gaat u doen om dit te voorkomen?
Toegang tot acute zorg moet altijd geborgd zijn. Zoals de beroepsgroepen en de NZa aangeven komt spoed bij deze operaties zelden voor. Een ambulance of traumahelikopter kan in zeldzame gevallen dat toch spoed nodig is ingezet worden. De verwachting is juist dat door deze interventies meer bij elkaar te brengen bij twee teams op twee locaties, zorgverleners er meer routine in krijgen en vermijdbare risico’s voorkomen kunnen worden. De effecten van de transitie worden vanzelfsprekend zorgvuldig gemonitord.
De voortgang van interlandelijke adoptie |
|
Songül Mutluer (PvdA) |
|
Franc Weerwind (minister zonder portefeuille justitie en veiligheid) (D66) |
|
|
|
|
Herinnert u zich uw brieven over interlandelijke adoptie van 8 februari 2021 en van 2 november 2022?1, 2
Ja.
Deelt u de mening dat de passage uit de eerstgenoemde brief dat «degenen die reeds over een beginseltoestemming beschikken in de gelegenheid worden gesteld om hun procedure af te ronden. Dit betreft aspirant-adoptieouders die bij vergunninghouders in bemiddeling zijn" niet anders gelezen kan worden dan als een belofte aan ouders die al vergevorderd in het adoptieproces zijn, dat dat proces afgerond kan worden? Zo nee, waarom niet?
In de brief van 8 februari 2021 waaraan u refereert heeft mijn ambtsvoorganger te kennen gegeven dat gedurende de opschorting degenen die reeds over een beginseltoestemming beschikken in de gelegenheid worden gesteld om hun procedure af te ronden. Daarbij merk ik op dat er bij een adoptieprocedure geen garantie bestaat op een match en daarmee een adoptie van een buitenlands kind en dat er verschillen zijn in bemiddelbaarheid tussen aspirant-adoptiefouders. Om die reden kan het afronden van een procedure, naast het adopteren van een kind dat in eigen land niet veilig kan worden opgevangen, ook inhouden dat de procedure eindigt – in het land waar de aspirant-adoptiefouders staan ingeschreven.
Deelt u de mening dat ook met de passage uit de tweede brief, dat «afbouwen betekent dat er geen nieuwe dossiers meer naar deze landen zullen worden gestuurd, terwijl er wel naar wordt gestreefd de reeds in de landen liggende dossiers door te laten lopen»» tenminste de indruk wordt gewekt dat reeds vergevorderde adoptieverzoeken door de nieuwe bemiddelingsorganisatie (CBO) overgenomen zullen gaan worden? Zo nee, waarom niet?3
In mijn brief van 2 november 2022 heb ik inderdaad aangegeven ernaar te streven de reeds in landen liggende adoptiedossiers door te laten lopen. Dit betekent evenwel niet dat de periode van afbouw oneindig is en de nieuwe bemiddelingsorganisatie deze lopende procedures in alle landen gaat overnemen.
De dossiers in landen van herkomst waarmee de adoptierelatie wordt voorgezet zullen worden overgedragen aan de centrale bemiddelingsorganisatie (CBO). Vooral vanuit het oogpunt van het belang van het kind kies ik ervoor om de dossiers die liggen in de landen van herkomst waarmee de adoptierelatie zal worden beëindigd niet over te dragen aan de CBO. Zoals bij u bekend, zijn de landen waarmee de adoptierelatie zal worden afgebouwd de VS, China, Slowakije, Tsjechië, Peru, Colombia, Burkina Faso en Haïti. De reden hiervoor is verschillend, bijvoorbeeld omdat het Internationaal Verdrag voor de Rechten van het Kind niet is geratificeerd en/of een land wordt geacht zelf veilige opvang te bieden en/of omdat er onvoldoende vertrouwen is rondom de procedures, organisaties en samenwerking met het oog op kwaliteit, betrouwbaarheid en transparantie.
Momenteel ligt er een zestigtal dossiers in de herkomstlanden waarmee de adoptierelatie wordt beëindigd. Aan de afbouw geef ik op zorgvuldige wijze vorm. Dit betekent voor de aspirant-adoptiefouders wier dossier in een dergelijk land ligt dat zij op twee wijzen hun adoptieprocedure kunnen voorzetten. Zij kunnen overstappen naar een land waarmee de adoptierelatie zal worden voortgezet en waarvoor de CBO zal bemiddelen. Of zij kunnen ervoor kiezen om gedurende de periode van afbouw hun procedure voort te zetten in het land waar hun dossier nu ligt, waarbij de huidige vergunninghouders de door hen gestarte bemiddeling verrichten. De vergunninghouders zullen tot eind 2025 in de gelegenheid worden gesteld af te bouwen. De verwachting is dat er vanaf medio 2025 geen matches meer plaatsvinden in landen van herkomst waarmee de adoptierelatie wordt beëindigd, willen de huidige vergunninghouders deze bemiddeling nog op een zorgvuldige manier kunnen afronden in 2025.
Klopt het dat het besluit om het VS adoptieprogramma af te gaan bouwen gaat betekenen dat de adoptieprocedures niet meer kunnen worden voortgezet nadat de vergunning van A New Way (de huidige vergunninghouder) afloopt en dat de lopende adoptieprocedures niet worden overgenomen door de nieuwe bemiddelingsorganisatie (CBO)? Zo ja, hoe strookt dit met de eerder gedane harde toezeggingen die veel ouders in een lopende procedure hadden gerustgesteld, namelijk dat ouders in de gelegenheid zouden worden gesteld om hun procedure af te ronden? Waarom worden de lopende adoptieprocedures van of uit de Verenigde Staten niet door CBO overgenomen? Zo nee, wat klopt er dan niet?
De VS is één van de acht landen van herkomst waarmee de adoptierelatie wordt afgebouwd. De redenen hiervoor zijn weergegeven in de landenselectie die ik in november 2022 aan uw Kamer zond. Het is juist dat de in de VS liggende adoptiedossiers – en die in andere landen waarmee de adoptierelatie niet wordt voorgezet – niet zullen worden overgenomen door de CBO. Zoals hierboven benoemd, hecht ik er aan dat adopties uit landen waarmee de adoptierelatie wordt beëindigd niet oneindig (kunnen) blijven voortduren. Ook wil ik de nieuw op te richten CBO niet belasten met de dossiers uit de landen van herkomst waarmee de adoptierelatie wordt beëindigd, bovenop de adoptieprocedures in landen waarmee de adoptierelatie wordt voortgezet. Ik vind het van belang dat met de start van de CBO een zichtbare breuk met het verleden wordt gerealiseerd en ik wil niet het risico nemen dat de CBO (gelijk) wordt overbelast.
Het niet belasten van de CBO met de dossiers die in landen van herkomst liggen waarmee de adoptierelatie wordt beëindigd houdt overigens niet in dat de adoptieprocedures van deze aspirant-adoptiefouders per direct stoppen. Hun adoptieprocedure kan tot medio 2025 doorlopen in het reeds verkozen land van herkomst bij de huidige vergunninghouders. Tijdens deze periode moet een zorgvuldige afbouw plaatsvinden bij de vergunninghouders, waarbij ik ze in redelijkheid financieel ondersteun. Een alternatief is dat deze aspirant-adoptiefouders beslissen over te stappen naar een herkomstland waarmee de adoptierelatie wel zal worden voorgezet en waarvoor de CBO zal bemiddelen.
Ik ben van oordeel dat hiermee met respect voor de kaders van het nieuwe adoptiesysteem invulling wordt gegeven aan de uitspraak dat de gelegenheid wordt geboden dat procedures kunnen doorlopen. Ik realiseer me ook dat dit wellicht niet de manier is die aspirant-adoptiefouders zelf zouden hebben gekozen en dat zij mogelijk teleurgesteld zijn. Dit vind ik oprecht vervelend voor hen.
Hoeveel ouders hebben te horen gekregen dat lopende adoptieprocedures toch niet door CBO overgenomen gaan worden? Uit welke landen zouden de adopties moeten plaatsvinden?
Voor zover mij bekend heeft één vergunninghouder aan aspirant-adoptiefouders die hun dossier in een land hebben liggen waarmee de adoptierelatie wordt beëindigd laten weten dat deze dossiers niet worden overgenomen door de CBO. Het gaat daarbij om 38 dossiers die op dit moment in de VS liggen.
Deelt u de mening dat de afbouw in deze overgangsfase zorgvuldig moet gaan en dat daar de tijd voor moet worden genomen? Zo ja, hoe gaat u dit bewerkstelligen?
Zoals u uit mijn reactie op vorengaande vragen kunt opmaken, vind ik ook dat de overgangsfase zorgvuldig moet verlopen. We nemen daar dan ook de tijd voor. De komende drie jaar zal worden gewerkt aan de afbouw bij de huidige vergunninghouders. Zij zullen in de gelegenheid worden gesteld om gedurende de periode van afbouw tot in 2025 dossiers die in landen liggen waarmee de adoptierelatie zal worden beëindigd verder te behandelen en af te ronden.
Bent u bereid om na te gaan hoe het CBO deze dossiers alsnog kan overnemen nadat de vergunning van de huidige bemiddelingsorganisaties voor interlandelijke adoptieprocedures afloopt? Zo nee, bent u bereid om een andere werkbare oplossing hiervoor te bedenken met uiteraard altijd oog voor het kind? Zo ja, hoe ziet u dat voor zich?
Nee, ik ben niet bereid om na te gaan hoe de CBO alsnog dossiers kan overnemen uit landen waarmee de adoptierelatie wordt beëindigd. Hier heb ik over nagedacht, maar om redenen zoals beschreven in mijn antwoord op vraag 4, niet voor gekozen. Ik meen een werkbare oplossing, met oog voor het kind, te hebben gevonden in de mogelijkheid om tot medio 2025 de adoptieprocedure te kunnen voortzetten in het verkozen herkomstland en de optie van een overstap naar een land waarmee de adoptierelatie nog wordt voorgezet.
Het feit dat GGZ patiënten niet thuis mogen slapen |
|
Mohammed Mohandis (PvdA) |
|
Conny Helder (minister zonder portefeuille volksgezondheid, welzijn en sport) (VVD) |
|
|
|
|
Kunt u uitleggen waarom beantwoording van eerdere schriftelijke vragen zo lang heeft geduurd, terwijl het antwoord eigenlijk alleen de mededeling betreft dat een experiment «herstel ondersteunende begeleiding met nachtverlof" is gestart, waarbij patiënten in de geestelijke gezondheidszorg (GGZ) drie keer thuis mogen slapen? Is gewacht met het sturen van de antwoorden aan de Kamer, totdat het experiment was gestart? Zo ja, waarom?1
De beantwoording van de vragen heeft langer geduurd omdat afstemming nodig was met verschillende partijen, waaronder de toezichthouders (NZa en IGJ). Er is niet gewacht met het sturen van de antwoorden naar de Kamer totdat het experiment is gestart, het experiment is namelijk al gestart op 29 april 2020.
Is dit experiment gestart naar aanleiding van de eerdere vragen over het feit dat GGZ-patiënten niet thuis mogen slapen? Zo nee, wat was de aanleiding? Zo ja, waarom wordt dat niet in de beantwoording benoemd?
Nee, dit experiment loopt al sinds april 2020. De aanleiding was een aanvraag van dit experiment bij de NZa van zorgaanbieder Yulius en zorgverzekeraar VGZ.
Welke eerdere signalen hebben het Ministerie van Volksgezondheid, Welzijn en Sport, Nederlandse Zorgautoriteit (NZa) of Inspectie Gezondheidszorg en Jeugd (IGJ) gekregen dat GGZ-patiënten niet thuis mogen slapen en wanneer, gezien uw antwoord dat «mede» door de schriftelijke vragen dit feit onder de aandacht van toezichthouders is gebracht?
Er zijn eerder geen signalen ontvangen door het Ministerie van VWS, de NZa of de IGJ dat patiënten niet met nachtverlof mogen in verband met financiële afwegingen. Bij de NZa was wel bekend dat er behoefte was om te experimenteren met andere vormen van bekostiging van het nachtverlof.
Naar aanleiding van uw vragen is vanuit het Ministerie van VWS contact gezocht met zorgverzekeraars, zorgaanbieders en zorgprofessionals die aangeven dat zij dit signaal herkennen. Vervolgens zijn uw vragen samen met de signalen van zorgverzekeraars, zorgaanbieders en professionals onder de aandacht gebracht bij de NZa en de IGJ.
Waarom wordt gekozen voor een experiment «herstel ondersteunende begeleiding met nachtverlof», terwijl duidelijk is dat patiënten alleen maar geholpen kunnen worden door toe te staan dat zij thuis mogen overnachten, ter voorbereiding op ontslag uit de inrichting? Welke argumenten zijn er om dit nu niet meteen toe te staan? Wat is de meerwaarde van een experiment?
Het huidige financieringssysteem voorziet reeds in de bekostiging van het nachtverlof via een «opslag» in het tarief voor een verblijfsprestatie. Het tarief voor verblijfsdagen is gebaseerd op de feitelijk geleverde verblijfszorg en houdt rekening met leegstand van bedden door bijvoorbeeld patiënten die met nachtverlof zijn.
Het experiment «herstel ondersteunende begeleiding met nachtverlof» is gestart omdat de betreffende zorgaanbieder «Yulius» meer nachtverlof wilde inzetten en daarvoor andere financiering van belang vond. Door het inzetten van meer nachtverlof verwacht Yulius dat terugval kan worden voorkomen. Ook verwacht Yulius dat de gemiddelde opnameduur en -intensiteit wordt verlaagd met nachtverlof. Eind april 2023 loopt dit experiment af en zal de NZa samen met betrokken partijen bezien welke vervolgstappen nodig zijn. Ik heb de NZa gevraagd mij hierover t.z.t. te informeren.
Hoe is het instellen van een experiment te rijmen met uw stelling dat «de zorginhoudelijke afwegingen altijd moeten prevaleren boven financiële afwegingen» en dat «als een weekendverlof ten goede komt aan het herstel van de patiënt, of bijdraagt aan de resocialisatie voorafgaand aan het ontslag, dan moet dit mogelijk gemaakt worden door de instellingen.»?
Een deel van het experiment «herstel ondersteunende begeleiding met nachtverlof» omvat een andere manier van financiering. Buiten dit experiment om is het al mogelijk om patiënten met nachtverlof te laten gaan, zie ook het antwoord op vraag 4.
Voor hoeveel instellingen en patiënten geldt dit experiment? Voor hoeveel instellingen en patiënten geldt dat zij nu nog steeds geen slaapverlof krijgen?
Het experiment is een initiatief van Yulius in samenwerking met VGZ. Er zijn tot op heden geen andere zorgaanbieders die zich bij dit experiment hebben aangesloten. Voor hoeveel instellingen het geldt dat patiënten geen slaapverlof krijgen is niet bekend. De NZa en de IGJ hebben hier eerder geen signalen over ontvangen.
Waarom is gekozen voor maximaal drie nachten slaapverlof in het experiment? Is dit overlegd met behandelaren? Waarom zou het niet denkbaar zijn dat een patiënt in voorbereiding tot ontslag vaker thuis mag slapen? Welke argumenten zijn er voor de keuze van maximaal drie nachten?
De keuze voor maximaal drie nachten slaapverlof is gemaakt door de aanvragers van het experiment, Yulius en VGZ.
Klopt het dat patiënten die zijn opgenomen in (academische) ziekenhuizen wél een weekend naar huis kunnen wanneer hun behandelend arts dat goed vindt? Zo ja, wat is precies het verschil tussen de regeling die geldt voor de GGZ en voor ziekenhuizen? Waarom is er sprake van verschil?
Er zijn geen verschillen tussen de bekostigingsregels die gelden voor ggz-zorg binnen ggz-instellingen en voor ggz-zorg binnen (academische) ziekenhuizen.