Het bericht 'Studenten gewaarschuwd voor phishing na hack softwarebedrijf' |
|
Ilana Rooderkerk (D66), Sarah El Boujdaini (D66) |
|
Letschert , Aerdts , David van Weel (VVD) |
|
|
|
|
Bent u bekend met het bericht van de NOS dat hackersgroep ShinyHunters, die eerder verantwoordelijk was voor de hack bij Odido, nu ook gegevens van miljoenen studenten, docenten en onderwijsmedewerkers via onderwijsplatform Canvas heeft buitgemaakt?1
Ja, daar ben ik mee bekend.
Hoe beoordeelt u de ernst van dit datalek, mede gelet op de gevoeligheid van de buitgemaakte persoonsgegevens en mogelijk ook privécommunicatie van studenten, docenten en onderwijsmedewerkers?
De hack en de tijdelijke ontkoppeling van het systeem Canvas zorgde voor een enorm vervelende situatie voor diegenen van wie mogelijk data is buitgemaakt en voor studenten en medewerkers die hiervan hinder hebben ondervonden in het onderwijs en hun werk. De MBO-raad, UNL en VH hebben mij laten weten dat het op dit moment niet volledig is vastgesteld welke gegevens de hackersgroep precies heeft buitgemaakt. Hierover is contact tussen de instellingen en het bedrijf Instructure als leverancier van Canvas. Dit betekent dat er op dit moment nog geen goede schatting kan worden gemaakt door de instellingen van hoeveel studenten, docenten en onderwijsmedewerkers naar schatting zijn getroffen. De AVG is van toepassing op inbreuken in verband met persoonsgegevens (kortweg: datalekken). Er is door instellingen een voorlopige melding gedaan bij de Autoriteit Persoonsgegevens.
Hoeveel studenten, docenten en onderwijsmedewerkers van Nederlandse onderwijsinstellingen zijn naar schatting getroffen en welke typen persoonsgegevens zijn daarbij buitgemaakt?
De MBO-raad, UNL en VH hebben mij laten weten dat op dit moment alleen bekend is welke instellingen getroffen zijn. Zij geven aan dat Instructure, de leverancier van Canvas, nog niet heeft aangegeven welke gegevens precies zijn buitgemaakt. Vermoedelijk gaat het om gegevens zoals namen en e-mailadressen van studenten en medewerkers en berichtenverkeer. De instellingen staan in contact met Instructure om hier meer duidelijkheid over te krijgen. Dat doen zij afzonderlijk van elkaar in verband met de individuele contracten van instellingen met deze leverancier. Instructure heeft de instellingen toegezegd dit overzicht op korte termijn te zullen verschaffen. Op dit moment kan er daarom nog geen goede schatting worden gemaakt van het aantal personen dat is getroffen door de hack.
Welke gevolgen kan dit datalek hebben voor studenten, docenten en onderwijsmedewerkers, bijvoorbeeld in de vorm van phishing, identiteitsfraude of andere vormen van digitale criminaliteit en hoe kan worden voorkomen dat zij hiervan slachtoffer worden?
Als er sprake is van een datalek is het belangrijk om nu en in de komende tijd extra waakzaam te zijn voor mogelijke phishingmails en andere verzoeken waarbij persoonsgegevens of inloggegevens worden gevraagd. De instellingen wijzen hun studenten en medewerkers hier ook op. Op dit moment is nog niet volledig vastgesteld welke gegevens precies zijn buitgemaakt. Zodra hierover meer duidelijk is, zullen betrokkenen volgens de geldende procedures door de instellingen hierover worden geïnformeerd. De instellingen hebben hun studenten en medewerkers ook opgeroepen om zich te melden als zij getroffen worden naar aanleiding van de hack en zullen waar nodig passende ondersteuning bieden.
Heeft u contact met de onderwijskoepels over wat nodig is om de gevolgen van dit datalek te beperken? Zo nee, bent u bereid hierover alsnog contact met hen op te nemen?
Het Ministerie van OCW heeft nauw contact met de onderwijskoepels en SURF over de situatie en gevolgen van de hack. De instellingen houden zelf, als contracthouders met Instructure voor deze onderwijssoftware, contact met de leverancier. Daarin is het ministerie geen partij. Voorts nemen de instellingen hun verantwoordelijkheid in het informeren van hun studenten en medewerkers over de situatie en de gevolgen van de hack.
Welke ondersteuning en informatie worden momenteel geboden aan getroffen studenten, docenten en onderwijsmedewerkers om misbruik van hun persoonsgegevens te voorkomen? Acht u deze ondersteuning voldoende en welke rol ziet u hierin voor uzelf?
Zie hiervoor het antwoord op vraag 4 en vraag 5.
Is voor studenten, docenten en onderwijsmedewerkers voldoende duidelijk welke persoonsgegevens via onderwijsplatformen zoals Canvas worden verwerkt, met welke externe partijen deze gegevens worden gedeeld en hoe deze gegevens worden beschermd?
Het is de bevoegdheid van instellingen zelf om te bepalen of, en zo ja hoe, zij onderwijsplatformen zoals Canvas inzetten. Het is daarbij hun verantwoordelijkheid zich bewust te zijn van de gegevens die daarmee worden verwerkt. Daarbij zijn ze gehouden aan de hiervoor geldende wet- en regelgeving (AVG). Het verschilt per instelling welke keuzes zij daarbij hebben gemaakt en welke gegevens worden verwerkt, met welke externe partijen deze worden gedeeld en hoe deze gegevens worden beschermd. Conform de geldende wet- en regelgeving is de instelling vervolgens ook zelf verantwoordelijk om in een (privacy) statement aan de betrokkenen gebruikers aan te geven welke gegevens er worden verwerkt en hoe deze worden beschermd.
Vindt u het wenselijk dat Nederlandse onderwijsinstellingen onderhandelen met hackersgroep ShinyHunters naar aanleiding van het ultimatum rondom de hack op Canvas, waarbij wordt gedreigd buitgemaakte gegevens van studenten, docenten en medewerkers openbaar te maken, of bent u van mening dat overheids- en onderwijsinstellingen nooit zouden moeten ingaan op dergelijke eisen van cybercriminelen?
Instellingen geven aan niet benaderd te zijn door de hackgroep om losgeld te betalen. Instructure heeft gemeld een akkoord te hebben gesloten met de hackers en dat de buitgemaakte gegevens zouden zijn vernietigd. Instructure zegt hiervan bewijs te hebben ontvangen. Of er losgeld is betaald door Instructure is mij en de instellingen niet bekend. Het is aan ieder bedrijf om een eigen afweging te maken. Het dringende advies vanuit de overheid is om geen losgeld te betalen. Het betalen van losgeld biedt geen garantie dat criminelen systemen weer toegankelijk maken of gestolen data niet doorverkopen aan andere criminelen. Het uitbetalen van losgeld houdt bovendien het verdienmodel van criminelen in stand en lokt daarmee mogelijk nieuwe aanvallen op organisaties uit.
Welke lessen trekt u uit dit incident en op welke wijze wordt deze kwestie betrokken bij de ontwikkeling van een duidelijk handelingskader voor slachtoffers van datalekken?2
De instellingen hebben aangegeven dit incident zowel afzonderlijk als in de sector te evalueren en de lessen die hieruit getrokken worden mee te nemen in de verdere ontwikkeling van hun beleid. Ik blijf hierover met hen in contact.
Het kabinet geeft in overleg met betrokken toezichthouders en andere experts uitvoering aan de motie-Rajkowksi c.a. (36 800 VII, nr.78), opdat een duidelijk handelingskader voor slachtoffers van grote datalekken beschikbaar is. Ook de relevante lessen uit dit incident worden daarbij betrokken. Het streven is om uw Kamer spoedig nader te informeren over de uitvoering van deze motie.
Het afgelaste optreden van Lenny Kuhr als gevolg van toenemende antisemitische intimidatie |
|
Maikel Boon (PVV) |
|
Letschert |
|
|
|
|
Bent u bekend met het bericht dat een optreden van Lenny Kuhr in een zorginstelling is geschrapt omdat de instelling het optreden, na eerdere protesten van intimiderende antisemitische demonstranten bij haar optredens, niet meer aandurfde?1
Tijdens eerdere debatten over antisemitisme stelde het kabinet dat Joden in Nederland vrij en veilig zichtbaar moeten kunnen zijn; hoe rijmt u die uitspraak met het feit dat opnieuw een optreden van Lenny Kuhr wordt geschrapt vanwege angst voor antisemitische intimidatie en protesten?2
Erkent u dat hiermee opnieuw het signaal wordt afgegeven dat antisemitische druk en intimidatie in Nederland effect hebben en dat zichtbaar Joods leven daardoor steeds verder uit het openbare leven verdwijnt?
Deelt u de mening dat Nederland nooit mag buigen voor antisemitische dreiging, intimidatie of geweld, en dat demonstranten nooit mogen bepalen welke Joodse artiesten ergens nog welkom zijn? Zo ja, welke concrete maatregelen gaat het kabinet nemen om te voorkomen dat Joodse artiesten, Joodse instellingen en pro-Israëlische Nederlanders in de toekomst opnieuw moeten wijken voor antisemitische intimidatie, dreiging of protesten?
Bent u bereid in gesprek te gaan met de betreffende zorginstelling om ervoor te zorgen dat het optreden van Lenny Kuhr alsnog doorgang kan vinden en duidelijk te maken dat het toegeven aan antisemitische intimidatie en protesten een verkeerd en gevaarlijk signaal afgeeft? Zo nee, waarom niet?
Het bericht 'Omroep Zwart gered door gift van zes ton ondanks ledenverlies' |
|
Pepijn van Houwelingen (FVD) |
|
Letschert |
|
|
|
|
Is publiek bekend welke donateur een gift van meer dan zes ton aan Omroep Zwart heeft geschonken?1
Nee.
Weet u wellicht wie deze gift van meer dan zes ton aan Omroep Zwart heeft geschonken?
Nee.
Vindt u het zorgelijk dat (anonieme) donateurs door middel van dergelijke grote giften mogelijk in het geheim invloed kunnen uitoefenen op de programmering van de publieke omroep?
Alle omroepen moeten voldoen aan de eisen op het gebied van transparantie en verantwoording. Het Commissariaat voor de Media houdt hier toezicht op. Het is een omroep toegestaan om donaties te ontvangen zolang er sprake is van een onvoorwaardelijke gift, hier geen inhoudelijke voorwaarden aan verbonden zijn en daarmee de onafhankelijkheid van het media-aanbod volledig gewaarborgd is. Het Commissariaat zal dit onderwerp in het kader van de reguliere rechtmatigheidstoetsing over boekjaar 2025 opvolgen.
Het bericht dat archieffragmenten van Pim Fortuyn zijn geblokkeerd en niet mogen worden uitgezonden |
|
Mona Keijzer |
|
Letschert |
|
Klopt de bewering in de uitzending van Nieuws van de Dag van 6 mei 2026 dat een groot aantal archieffragmenten van Pim Fortuyn in televisiesystemen wel kan worden teruggevonden, maar niet (meer) mag worden uitgezonden?
Nee, dit is niet helemaal juist. Professionals, zoals journalisten en wetenschappers, die audiovisueel materiaal willen zoeken en bestellen voor hergebruik, kunnen in het portal DAAN materiaal uit de collecties zoeken, bekijken, downloaden en licenties aanvragen.1 In de zoekresultaten wordt direct getoond welke auteursrechtelijke status aan een uitzending is gekoppeld. Materiaal kan bijvoorbeeld Publiek Domein zijn, grofweg materiaal uit de eerste helft van de twintigste eeuw, en dan zonder licentie worden gedownload. Er kan ook staan «licentie vereist» of «geblokkeerd». Dit kan bijvoorbeeld zijn vanwege het auteursrecht, privacyredenen of veiligheidsrisico’s van geportretteerden. Dat betekent dat het materiaal niet zonder extra controle door de rechthebbende kan worden gebruikt.
Beeld & Geluid geeft aan dat voor het hergebruik van het fragment waaraan gerefereerd wordt een licentie nodig is. De aanvrager heeft dan toestemming nodig van de rechthebbende Als het gaat om materiaal van de omroepen, fungeert de omroep als rechthebbende en licentieverstrekker.
Het fragment stamt volgens Beeld & Geluid uit een tijd dat hergebruik nog plaatsvond via fysieke banden. Daarop zat destijds een sticker «blocked/geblokkeerd» zodat er vanwege de gevoeligheid van het materiaal altijd een extra toets werd gedaan naar de context voordat het materiaal kon worden hergebruikt. In de digitale transitie van het materiaal zijn die termen in eerste instantie overgenomen. Beeld & Geluid geeft aan dat de term «geblokkeerd» voor verwarring kan zorgen en neemt dit mee in de doorontwikkeling van hun archiefsysteem. Het zegt namelijk iets over de toetsing bij een licentieverstrekking en niet zozeer over het weghalen van het materiaal. Dat laatste is niet aan de orde.
Uit gegevens van Beeld & Geluid blijkt dat het eerdergenoemde fragment door de jaren heen een aantal keer is vrijgegeven voor hergebruik. Ook ziet Beeld & Geluid dat er over het algemeen licenties worden verleend voor het hergebruik van beelden van Pim Fortuyn. Ter illustratie verwijst Beeld & Geluid naar de in 2025 verschenen documentaire Fortuyn: On-Hollands, dat veel archiefbeelden bevat. Daarnaast geeft Beeld & Geluid aan dat het aantal daadwerkelijk geblokkeerde fragmenten in hun archief laag is.
Klopt het dat redacties bij het raadplegen van deze archieven worden geconfronteerd met een technische blokkade, waardoor uitzending van deze fragmenten slechts mogelijk is na aanvullende toestemming of helemaal niet is toegestaan?
Zie het antwoord op vraag 1.
Is het waar dat deze blokkades zijn aangebracht binnen systemen waarvan omroepen gebruikmaken, zoals het archiefsysteem van de NPO en/of het Nederlands Instituut voor Beeld en Geluid? Zo niet, om welk systeem gaat het dan?
Zie het antwoord op vraag 1.
Welke instanties of partijen hebben besloten tot het aanbrengen van deze blokkades bij archieffragmenten van Pim Fortuyn?
Zoals ik onder antwoord 1 heb aangegeven fungeren de omroepen als rechthebbende en licentieverstrekker als het materiaal aan hen toebehoort. Zij bepalen of een licentie voor hergebruik wordt verstrekt. Voor het verwerken van blokkeringen of licentiebeperkingen dienen rechthebbenden een verzoek in bij Beeld & Geluid. Individuele personen kunnen dit niet zelf in het systeem aanpassen.
De omroepen geven aan dat zij vanuit de uitvoering van de publieke taak fragmenten waarvan zij de rechthebbende zijn, zoveel mogelijk vrijgeven. Dit geldt in het bijzonder voor journalistiek materiaal. Ik vind dit een belangrijk uitgangspunt.
Er kunnen desondanks gronden zijn om op enig moment geen licentie te geven voor het gebruik van een bepaald fragment of materiaal. De beschikbaarheid van publieke omroeparchieven voor het publiek kan bijvoorbeeld worden beperkt op grond van het auteursrecht, het naburig recht en overwegingen met betrekking tot privacy. In deze gevallen is dat in de eerste plaats ten behoeve van de rechten van makers, uitvoerend kunstenaars en natuurlijke personen. Het uitgangspunt van auteursrechtelijk en nabuurrechtelijk beschermd materiaal is dat voor de openbaarmaking en verveelvoudiging ervan door derden, toestemming van de rechthebbenden vereist is. Dit is niet het geval als er sprake is van gebruik dat onder een wettelijke uitzondering valt. Indien de omroep rechthebbende van het materiaal is, besluit zij of er een licentie wordt verstrekt voor het hergebruik van archiefmateriaal.
De omroepen hebben mij nadere toelichting gegeven bij specifieke situaties waarin een licentie voor hergebruik niet is verstrekt. Zo geven de omroepen aan dat het mogelijk is dat het auteursrecht op het fragment niet (meer) bij de omroep berust. Een andere reden is dat fragmentverstrekking een risico zou kunnen betekenen voor de geportretteerde of andere betrokkenen. Dit risico kan zien op veiligheid of andere redelijke belangen van betrokkenen, zoals privacy. De omroep weegt in een dergelijk geval de belangen van de betrokkenen af tegen het belang dat is gemoeid met de openbaarmaking van het fragment. Daarnaast weegt de omroep mee in welke context de aanvrager het fragment wil gebruiken.
Omroepen beoordelen de verstrekking van fragmenten altijd per geval. BNNVARA geeft aan dat het fragment waar u naar verwijst destijds is geblokkeerd omdat het na de dood van Pim Fortuyn in 2002 een onbedoelde context en lading kreeg. Hierdoor kwamen de belangen en de veiligheid van de directbetrokkenen in het geding. Om deze reden is destijds besloten om het fragment te blokkeren en dat is zo gebleven. BNNVARA heeft naar aanleiding van persvragen over het fragment opnieuw naar de blokkade op de licentie gekeken en ziet hierin aanleiding om deze te heroverwegen. Reden hiervoor is de veranderde context waardoor de voornoemde redenen voor de blokkade niet meer van toepassing zijn. Zoals eerder aangegeven is er in de afgelopen jaren meerdere keren een licentie verstrekt voor het hergebruik van dit fragment.
Het is belangrijk om te benoemen dat ook in het geval van een blokkering het materiaal nog steeds te bekijken is in het archief van Beeld & Geluid. Het betekent dus niet dat het materiaal helemaal niet meer toegankelijk is.
Is het waar dat het hierbij (mede) gaat om fragmenten met aantoonbare historische en politieke betekenis, waaronder interviews en debatmomenten uit de periode rond de opkomst van Pim Fortuyn?
Beeld & Geluid geeft aan zelf niet te beoordelen of fragmenten een aantoonbare historische of politieke betekenis hebben. Deze kwalificaties worden niet vastgelegd in de metadata. Hiermee sluit ik niet uit dat het type fragmenten waarnaar u verwijst onderdeel uit kan maken van een programma dat de status «geblokkeerd» heeft. Om vast te stellen in welke gevallen dit speelt, zal uitgebreider onderzoek nodig zijn.
Volgens Beeld & Geluid heeft een programma soms als geheel de status «geblokkeerd», terwijl de blokkade slechts betrekking heeft op één onderdeel van dat programma. Denk aan een uitzending van het programma <I>NOVA</I> uit 2002, waarin een item van Fortuyn te zien was, maar die is geblokkeerd vanwege een ander item over de Puttense moordzaak. Deze blokkade verschijnt in de zoekresultaten in DAAN wanneer op de naam Fortuyn wordt gezocht.
Dit laat onverlet dat voor verschillende programma’s met deze status in de loop van de jaren een licentie is verstrekt voor hergebruik, net zoals voor het fragment waarnaar werd verwezen in de uitzending van «Nieuws van de dag».
Met welke reden of redenen zijn deze fragmenten geblokkeerd, en op basis van welk juridisch, beleidsmatig of contractueel kader is deze beslissing genomen?
Zie het antwoord op vraag 4.
Zijn er naast de in de uitzending genoemde fragmenten nog meer archiefbeelden van Pim Fortuyn die (gedeeltelijk) zijn geblokkeerd, en zo ja, kunt u aangeven om hoeveel fragmenten het gaat en op welke gronden deze zijn geblokkeerd?
Zie het antwoord op vraag 5.
Klopt het dat betrokkenen die in deze fragmenten voorkomen, via een systeem kunnen aangeven dat zij niet wensen dat bepaalde beelden opnieuw worden uitgezonden?
Zie het antwoord op vraag 4.
Indien de publieke omroep verantwoordelijk is voor het blokkeren van deze archieffragmenten, acht u deze handelwijze verenigbaar met de publieke taak van de publieke omroep om de Nederlandse politieke en maatschappelijke geschiedenis toegankelijk en inzichtelijk te maken?
Zoals ik onder antwoord 4 heb aangegeven, onderschrijf ik het uitgangspunt van de omroepen om vanuit hun publieke taak materiaal waarvan zij rechthebbende zijn, zoveel mogelijk beschikbaar te stellen. Daarom vind ik het goed dat omroepen een zorgvuldige afweging maken voordat ze bepalen of een fragment geblokkeerd moet worden.
Veel licenties voor archiefmateriaal, waaronder dat van Fortuyn, worden dan ook regelmatig verstrekt. Beeld & Geluid verzoekt de omroepen daarnaast om periodiek te controleren of een blokkade nog relevant is.
Deelt u de mening dat historisch-politieke archieffragmenten die met publieke middelen zijn vervaardigd of beheerd, in beginsel vrij beschikbaar moeten zijn voor journalistieke en maatschappelijke duiding?
Ja. Audiovisueel archiefmateriaal draagt bij aan de beleving van historische momenten. Het geeft inzage in een tijdsbeeld en kan bijdragen aan historisch inzicht en het begrip van complexe hedendaagse vraagstukken. Daarom is het goed dat een breed publiek kennis kan nemen van archiefmateriaal. Tegelijkertijd zijn er gronden waarop het hergebruik van materiaal beperkt kan worden.
Deelt u de mening dat het structureel blokkeren van dergelijke fragmenten neerkomt op het beperken van het zicht op de Nederlandse politieke geschiedenis?
Nee. Op dit moment is er mijns inziens geen sprake van het «structureel» blokkeren van archiefmateriaal. Omroepen gaan slechts na een zorgvuldige afweging over tot het blokkeren van materiaal. Ik vind het goed dat omroepen hier terughoudend mee omgaan, vanwege de maatschappelijke waarde die het materiaal heeft. Dat neemt niet weg dat omroepen soms genoodzaakt zijn om een afweging te maken tussen het belang van het hergebruik en overige relevante omstandigheden, zoals het belang van de betrokkenen.
Zoals ik onder antwoord 5 heb aangegeven, constateert Beeld & Geluid dat omroepen ook voor programma’s die een blokkade bevatten, licenties geven voor hergebruik.
Kunt u toezeggen dat u zich actief zal inzetten om ervoor te zorgen dat archieffragmenten van Pim Fortuyn met historische en politieke betekenis weer zonder belemmeringen kunnen worden uitgezonden? Zo niet, waarom niet?
Nee. Beeld & Geluid geeft aan dat er in algemene zin licenties worden verstrekt voor het hergebruik van archiefmateriaal van Fortuyn. Bovendien is ook voor het desbetreffende fragment uit het nieuwsbericht meerdere malen een licentie verstrekt voor hergebruik. Daarnaast zetten omroepen zich in om zoveel mogelijk materiaal beschikbaar te maken. Het blijft uiteindelijk aan de rechthebbende om een afweging te maken rondom het verstrekken van licenties.
Het blokkeren van historische archiefbeelden van Pim Fortuyn |
|
Caroline van der Plas (BBB) |
|
Letschert |
|
|
|
|
Bent u bekend met signalen dat historische televisiefragmenten van Pim Fortuyn in omroeparchieven zijn gemarkeerd als niet-uitzendbaar of beperkt toegankelijk zijn gemaakt?1
Ja.
Klopt het dat binnen omroeparchieven of het Nederlands Instituut voor Beeld en Geluid systemen bestaan waarmee betrokken personen bezwaar kunnen maken tegen heruitzending van historische fragmenten?
Nee, dit is niet helemaal juist. Professionals, zoals journalisten en wetenschappers, die audiovisueel materiaal willen zoeken en bestellen voor hergebruik, kunnen in het portal DAAN materiaal uit de collecties zoeken, bekijken, downloaden en licenties aanvragen.2 In de zoekresultaten wordt direct getoond welke auteursrechtelijke status aan een uitzending is gekoppeld. Materiaal kan bijvoorbeeld Publiek Domein zijn, grofweg materiaal uit de eerste helft van de twintigste eeuw, en dan zonder licentie worden gedownload. Er kan ook staan «licentie vereist» of «geblokkeerd». Dit kan bijvoorbeeld zijn vanwege het auteursrecht, privacyredenen of veiligheidsrisico’s van geportretteerden. Dat betekent dat het materiaal niet zonder extra controle door de rechthebbende kan worden gebruikt.
Voor het verwerken van blokkeringen of licentiebeperkingen dienen rechthebbenden een verzoek in bij Beeld & Geluid. Individuele personen kunnen dit niet zelf in het systeem.
Hoe beoordeelt u het voorbeeld waarbij voormalig politicus Marcel van Dam bezwaar zou hebben gemaakt tegen heruitzending van het historisch bekende fragment waarin hij Pim Fortuyn in Het Lagerhuis een «buitengewoon minderwaardig mens» noemt, en vindt u dat dergelijke politiek-historische fragmenten beschikbaar en uitzendbaar moeten blijven?
Ik vind het belangrijk dat audiovisueel archiefmateriaal, waaronder dat over Fortuyn, zoveel mogelijk beschikbaar is. Het draagt bij aan de beleving van historische momenten en geeft inzage in een tijdsbeeld. Hierdoor kan het bijdragen aan historisch inzicht en het begrip van complexe hedendaagse vraagstukken. Daarom is het goed dat een breed publiek kennis kan nemen van archiefmateriaal. Onlangs is hierin een belangrijke stap gemaakt met de lancering van het online platform «de Schatkamer» van Beeld & Geluid. Op dit platform zijn meer dan 700.000 audiovisuele fragmenten gratis te zien voor het publiek.
Beeld & Geluid geeft aan dat voor het hergebruik van het fragment waaraan gerefereerd wordt een licentie nodig is. Het fragment heeft volgens Beeld & Geluid een andere, lichtere status dan een blokkade. De aanvrager heeft dan toestemming nodig van de rechthebbende. Als het gaat om materiaal van de omroepen, fungeert de omroep als rechthebbende en licentieverstrekker.
Het fragment stamt volgens Beeld & Geluid uit een tijd dat hergebruik nog plaatsvond via fysieke banden. Daarop zat destijds een sticker «blocked/geblokkeerd» zodat er vanwege de gevoeligheid van het materiaal altijd een extra toets werd gedaan naar de context voordat het materiaal kon worden hergebruikt. In de digitale transitie van het materiaal zijn die termen in eerste instantie overgenomen. Beeld & Geluid geeft aan dat de term «geblokkeerd» voor verwarring kan zorgen en neemt dit mee in de doorontwikkeling van hun archiefsysteem. Het zegt namelijk iets over de toetsing bij een licentieverstrekking en niet zozeer over het weghalen van het materiaal. Dat laatste is niet aan de orde.
Uit gegevens van Beeld & Geluid blijkt dat het eerdergenoemde fragment door de jaren heen een aantal keer is vrijgegeven voor hergebruik. Ook ziet Beeld & Geluid dat er over het algemeen licenties worden verleend voor het hergebruik van beelden van Pim Fortuyn. Ter illustratie verwijst Beeld & Geluid naar de in 2025 verschenen documentaire Fortuyn: On-Hollands, dat veel archiefbeelden bevat.
Het is belangrijk om te benoemen dat ook in het geval van een blokkering het materiaal nog steeds te bekijken is in het archief van Beeld & Geluid. Het betekent dus niet dat het materiaal helemaal niet meer toegankelijk is.
Op basis van welke criteria kunnen historische televisiebeelden worden geblokkeerd, beperkt of «uitgezet» voor hergebruik?
De omroepen geven aan dat zij vanuit de uitvoering van de publieke taak fragmenten waarvan zij de rechthebbende zijn, zoveel mogelijk vrijgeven. Dit geldt in het bijzonder voor journalistiek materiaal. Ik vind dit een belangrijk uitgangspunt.
Er kunnen desondanks gronden zijn om op enig moment geen licentie te geven voor het gebruik van een bepaald fragment of materiaal. De beschikbaarheid van publieke omroeparchieven voor het publiek kan bijvoorbeeld worden beperkt op grond van het auteursrecht, het naburig recht en overwegingen met betrekking tot privacy. In deze gevallen is dat in de eerste plaats ten behoeve van de rechten van makers, uitvoerend kunstenaars en natuurlijke personen. Het uitgangspunt van auteursrechtelijk en nabuurrechtelijk beschermd materiaal is dat voor de openbaarmaking en verveelvoudiging ervan door derden, toestemming van de rechthebbenden vereist is. Dit is niet het geval als er sprake is van gebruik dat onder een wettelijke uitzondering valt. Indien de omroep rechthebbende van het materiaal is, besluit zij of er een licentie wordt verstrekt voor het hergebruik van archiefmateriaal.
De omroepen hebben mij nadere toelichting gegeven bij specifieke situaties waarin een licentie voor hergebruik niet is verstrekt. Zo is het mogelijk dat het auteursrecht op een fragment niet (meer) bij de omroep berust. Een andere reden is dat fragmentverstrekking een risico kan betekenen voor de geportretteerde of andere betrokkenen. Dit risico kan zien op veiligheid of andere redelijke belangen van betrokkenen, zoals privacy. De omroep weegt in een dergelijk geval de belangen van de betrokkenen af tegen het belang dat is gemoeid met de openbaarmaking van het fragment. Daarnaast weegt de omroep mee in welke context de aanvrager het fragment wil gebruiken.
Omroepen beoordelen de verstrekking van fragmenten altijd per geval. BNNVARA geeft aan dat het fragment waar u naar verwijst destijds is geblokkeerd omdat het na de dood van Pim Fortuyn in 2002 een onbedoelde context en lading kreeg. Hierdoor kwamen de belangen en de veiligheid van de directbetrokkenen in het geding. Om deze reden is destijds besloten om het fragment te blokkeren en dat is zo gebleven. BNNVARA heeft naar aanleiding van persvragen over het fragment opnieuw naar de blokkade op de licentie gekeken en ziet hierin aanleiding om deze te heroverwegen. Reden hiervoor is de veranderde context waardoor de voornoemde redenen voor de blokkade niet meer van toepassing zijn. Zoals eerder aangegeven is er in de afgelopen jaren meerdere keren een licentie verstrekt voor het hergebruik van dit fragment.
Deelt u de mening dat censuur of het achterhouden van historisch uitgezonden beeldmateriaal zoveel mogelijk moet worden uitgesloten en dat publiek uitgezonden politieke fragmenten in beginsel beschikbaar en uitzendbaar moeten blijven?
Ik deel niet de mening dat er sprake zou zijn van censuur of het achterhouden van historisch uitgezonden beeldmateriaal. Zoals ik heb aangegeven in het antwoord op vraag 3 en 4, onderschrijf ik het uitgangspunt van de omroepen om materiaal zoveel mogelijk vrij te geven in het kader van de publieke taak die ze uitvoeren. Daarom vind ik het goed dat omroepen een zorgvuldige afweging maken voordat ze bepalen of een fragment geblokkeerd moet worden.
Bovendien is het aantal geblokkeerde fragmenten in het archief van Beeld & Geluid laag. Veel licenties voor archiefmateriaal, waaronder dat over Fortuyn, worden regelmatig verstrekt. Beeld & Geluid verzoekt de omroepen daarnaast om periodiek te controleren of een blokkade nog relevant is. Ook is het mogelijk om een groot deel van het archiefmateriaal alsnog te bekijken in DAAN, ondanks mogelijke beperkingen rondom het hergebruik.
Hoe wordt voorkomen dat politiek gevoelige of maatschappelijk ongemakkelijke fragmenten selectief uit het publieke geheugen verdwijnen?
Zie het antwoord op vraag 5.
Kunt u inzicht geven in hoeveel historische politieke fragmenten momenteel beperkt beschikbaar zijn, wie daarover beslist, en welke bezwaarprocedures daarbij gelden?
Nee. Beeld & Geluid geeft aan zelf niet te beoordelen of fragmenten een aantoonbare historische of politieke betekenis hebben. Deze kwalificaties worden niet vastgelegd in de metadata. Hiermee sluit ik niet uit dat het type fragmenten waarnaar u verwijst onderdeel uit kan maken van een programma dat de status «geblokkeerd» heeft. Om vast te stellen in welke gevallen dit speelt, zal uitgebreider onderzoek nodig zijn.
Volgens Beeld & Geluid heeft een programma soms als geheel de status «geblokkeerd», terwijl de blokkade slechts betrekking heeft op één onderdeel van dat programma. Denk aan een uitzending van het programma NOVA uit 2002, waarin een item van Fortuyn te zien was, maar die is geblokkeerd vanwege een ander item over de Puttense moordzaak. Deze blokkade verschijnt in de zoekresultaten van het portal DAAN wanneer op de naam Fortuyn wordt gezocht.
Dit laat onverlet dat voor verschillende programma’s met deze status in de loop van de jaren een licentie is verstrekt voor hergebruik, net zoals voor het fragment waarnaar werd verwezen in de uitzending van «Nieuws van de dag».
Voor de procedure rondom het blokkeren van materiaal verwijs ik u naar het antwoord op vraag 2.
Deelt u de mening dat juist de periode rond de opkomst van Pim Fortuyn van groot historisch belang is voor het begrijpen van het huidige maatschappelijke en politieke debat in Nederland?
Zie het antwoord op vraag 3.
Bent u bereid in overleg te treden met de publieke omroep en het Nederlands Instituut voor Beeld en Geluid om te waarborgen dat historisch relevante politieke archieven toegankelijk en uitzendbaar blijven voor journalistieke en documentaire doeleinden?
Nee. Zoals ik heb aangegeven in het antwoord op vraag 4 en 5 constateer ik dat omroepen een zorgvuldige afweging maken bij het verstrekken dan wel blokkeren van fragmenten. Omroepen streven ernaar om materiaal waarvan zij rechthebbende zijn zoveel mogelijk beschikbaar te stellen voor hergebruik. Daarnaast wordt voor een groot deel van de fragmenten in de praktijk een licentie verstrekt voor hergebruik en is het percentage blokkeringen in het archief van Beeld & Geluid laag.
Onthullingen in Nieuws van de Dag betreffende de mogelijkheid bij de NPO om tv-fragmenten met Pim Fortuyn te blokkeren zodat deze niet uitgezonden kunnen worden. |
|
Annabel Nanninga (JA21) |
|
Letschert |
|
|
|
|
Bent u bekend met de uitzending van Nieuws van de Dag van 6 mei 2026 waarin presentator Thomas van Groningen onthulde dat personen die figureren in tv-fragmenten met Pim Fortuyn, de mogelijkheid hebben om in het archief van het Nederlands Instituut voor Beeld en Geluid aan te geven dat voor hen pijnlijke passages niet uitgezonden mogen worden en dit dan ook niet gebeurt?
Ja.
Klopt volgens u de bewering van Van Groningen dat het fragment waarin oud-politicus Marcel van Dam tegen Pim Fortuyn zegt dat hij een «buitengewoon minderwaardig mens» is, is geblokkeerd en dat dit het geval is met «heel veel van dit soort fragmenten» met Pim Fortuyn?
Nee, dat is niet helemaal juist. Professionals, zoals journalisten en wetenschappers, die audiovisueel materiaal willen zoeken en bestellen voor hergebruik, kunnen in het portal DAAN materiaal uit de collecties zoeken, bekijken, downloaden en licenties aanvragen.1 In de zoekresultaten wordt direct getoond welke auteursrechtelijke status aan een uitzending is gekoppeld. Materiaal kan bijvoorbeeld Publiek Domein zijn, grofweg materiaal uit de eerste helft van de twintigste eeuw, en dan zonder licentie worden gedownload. Er kan ook staan «licentie vereist» of «geblokkeerd». Dit kan bijvoorbeeld zijn vanwege het auteursrecht, privacyredenen of veiligheidsrisico’s van geportretteerden. Dat betekent dat het materiaal niet zonder extra controle door de rechthebbende kan worden gebruikt.
Beeld & Geluid geeft aan dat voor het hergebruik van het fragment waaraan gerefereerd wordt een licentie nodig is. De aanvrager heeft dan toestemming nodig van de rechthebbende. Als het gaat om materiaal van de omroepen, fungeert de omroep als rechthebbende en licentieverstrekker.
Het fragment stamt volgens Beeld & Geluid uit een tijd dat hergebruik nog plaatsvond via fysieke banden. Daarop zat destijds een sticker «blocked/geblokkeerd» zodat er vanwege de gevoeligheid van het materiaal altijd een extra toets werd gedaan naar de context, voordat het materiaal kon worden hergebruikt. In de digitale transitie van het materiaal zijn die termen in eerste instantie overgenomen. Beeld & Geluid geeft aan dat de term «geblokkeerd» voor verwarring kan zorgen en neemt dit mee in de doorontwikkeling van hun archiefsysteem. Het zegt namelijk iets over de toetsing bij een licentieverstrekking en niet zozeer over het weghalen van het materiaal. Dat laatste is niet aan de orde.
Uit gegevens van Beeld & Geluid blijkt dat het eerdergenoemde fragment door de jaren heen een aantal keer is vrijgegeven voor hergebruik. Ook ziet Beeld & Geluid dat er over het algemeen licenties worden verleend voor het hergebruik van beelden van Pim Fortuyn. Ter illustratie verwijst Beeld & Geluid naar de in 2025 verschenen documentaire Fortuyn: On-Hollands, dat veel archiefbeelden bevat. Daarnaast geeft Beeld & Geluid aan dat het aantal daadwerkelijk geblokkeerde fragmenten in hun archief laag is.
Deelt u de mening dat als dit fragment (of welk fragment dan ook) inderdaad op verzoek van Marcel van Dam (of van wie dan ook) niet meer mag worden uitgezonden, dit vanuit journalistiek oogpunt bijzonder ongewenst is?
De omroepen geven aan dat zij vanuit de uitvoering van de publieke taak fragmenten waarvan zij de rechthebbende zijn, zoveel mogelijk vrijgeven. Dit geldt in het bijzonder voor journalistiek materiaal. Ik vind dit een belangrijk uitgangspunt.
Er kunnen desondanks gronden zijn om op enig moment geen licentie te geven voor het gebruik van een bepaald fragment of materiaal. De beschikbaarheid van publieke omroeparchieven voor hergebruik kan bijvoorbeeld worden beperkt op grond van het auteursrecht, het naburig recht en overwegingen met betrekking tot privacy. In deze gevallen is dat in de eerste plaats ten behoeve van de rechten van makers, uitvoerend kunstenaars en natuurlijke personen. Het uitgangspunt van auteursrechtelijk en nabuurrechtelijk beschermd materiaal is dat voor de openbaarmaking en verveelvoudiging ervan door derden, toestemming van de rechthebbenden vereist is. Dit is niet het geval als er sprake is van gebruik dat onder een wettelijke exceptie valt. Indien de omroep rechthebbende van het materiaal is, besluit zij of er een licentie wordt verstrekt voor het hergebruik van archiefmateriaal.
De omroepen hebben mij een nadere toelichting gegeven bij specifieke situaties waarin een licentie voor hergebruik niet is verstrekt. Zo geven de omroepen aan dat het mogelijk is dat het auteursrecht op het fragment niet (meer) bij de omroep berust. Een andere reden is dat fragmentverstrekking een risico zou kunnen betekenen voor de geportretteerde of andere betrokkenen. Dit risico kan zien op de veiligheid of andere redelijke belangen van betrokkenen, zoals privacy. De omroep weegt in een dergelijk geval de belangen van de betrokkenen af tegen het belang dat is gemoeid met de openbaarmaking van het fragment. Daarnaast weegt de omroep mee in welke context de aanvrager het fragment wil gebruiken.
Omroepen beoordelen de verstrekking van fragmenten altijd per geval. BNNVARA geeft aan dat het fragment waar u naar verwijst destijds is geblokkeerd omdat het na de dood van Pim Fortuyn in 2002 een onbedoelde context en lading kreeg. Hierdoor kwamen de belangen en de veiligheid van de directbetrokkenen in het geding. Om deze reden is destijds besloten om het fragment te blokkeren en dat is zo gebleven. BNNVARA heeft naar aanleiding van persvragen over het fragment opnieuw naar de blokkade bij de verstrekking van de licentie gekeken en ziet hierin aanleiding om deze te heroverwegen. Reden hiervoor is de veranderde context waardoor de voornoemde redenen voor de blokkade niet meer van toepassing zijn. Zoals eerder aangegeven is er in de afgelopen jaren meerdere keren een licentie verstrekt voor het hergebruik van dit fragment.
Het is belangrijk om te benoemen dat ook in het geval van een blokkade het materiaal en de metadata te bekijken blijven. Het betekent dus niet dat het materiaal helemaal niet meer toegankelijk is.
Meent u dat er een einde zou moeten komen aan de praktijk van een veto uitspreken over het uitzenden van tv-fragmenten, door personen die liever niet herinnerd worden aan een optreden in relatie tot Fortuyn of eventuele andere persoonlijkheden/onderwerpen, en zo ja, bent u bereid dit aan de orde te stellen bij de NPO?
Nee, naar mijn mening is geen sprake van dergelijke veto’s. Voor blokkeringen of licentiebeperkingen van materiaal dienen rechthebbenden een verzoek in bij Beeld & Geluid. Individuele personen kunnen dit niet zelf in het systeem aanpassen.
Ik vind het daarnaast van belang om nogmaals te benadrukken dat het percentage geblokkeerde fragmenten in het archief van Beeld & Geluid laag is. Een besluit van de omroep als rechthebbende om geen licentie te verstrekken voor het hergebruik van materiaal wordt genomen na een zorgvuldige afweging tussen het belang van hergebruik en de overige relevante omstandigheden, zoals het belang van een betrokkene.
Zijn er volgens u situaties denkbaar waarbij een persoon met recht bezwaar zou kunnen maken tegen het herhalen van fragmenten die zich in het archief bevinden van het Nederlands Instituut voor Beeld en Geluid?
In mijn antwoord op vraag 3 heb ik aangegeven dat het hergebruik van materiaal beperkt kan worden op verschillende gronden.
Aangezien iedere Nederlander onvrijwillig meebetaalt aan de NPO, acht u het gepast om dan materiaal dat van ons allemaal is, te cureren, censureren, blokkeren of anderszins niet publiek beschikbaar te maken danwel houden?
Zoals ik onder antwoord 3 al heb aangegeven, streven omroepen ernaar om materiaal waarvan zij de rechthebbende zijn zoveel mogelijk beschikbaar te stellen voor hergebruik. Dit vinden zij passend gezien de publieke taak die zij uitvoeren. Dit uitgangspunt deel ik. Omroepen maken een zorgvuldige afweging bij het verstrekken van licenties. Beeld & Geluid verzoekt de omroepen daarnaast om periodiek te controleren of een blokkade nog relevant is.
Bovenstaande sluit niet uit dat er gronden kunnen zijn waarop omroepen besluiten om een licentie niet te verstrekken.
Kunt u inzichtelijk maken hoeveel fragmenten uit het archief van het Nederlands Instituut voor Beeld en Geluid op verzoek van betrokkenen zijn geblokkeerd, afgeschermd of anderszins beperkt in hergebruik, en in hoeveel gevallen dit politiek of maatschappelijk relevante uitzendingen betreft?
Nee. Beeld & Geluid beoordeelt niet of fragmenten een aantoonbare historische of politieke betekenis hebben. Deze kwalificaties worden niet vastgelegd in de metadata. Hiermee sluit ik niet uit dat het type fragmenten waarnaar u verwijst onderdeel uit kunnen maken van een programma dat de status «geblokkeerd» heeft. Om vast te stellen in welke gevallen dit speelt, zou uitgebreider onderzoek nodig zijn.
Volgens Beeld & Geluid heeft een programma soms als geheel de status «geblokkeerd», terwijl de blokkade slechts betrekking heeft op één onderdeel van dat programma. Denk aan een uitzending van het programma NOVA uit 2002, waarin een item van Fortuyn te zien was, maar die is geblokkeerd vanwege een ander item over de Puttense moordzaak. Deze blokkade verschijnt in de zoekresultaten van het zoekportaal DAAN wanneer op de naam Fortuyn wordt gezocht.
Dit laat onverlet dat voor verschillende programma’s met deze status in de loop van de jaren een licentie is verstrekt voor hergebruik, net zoals voor het fragment waarnaar werd verwezen in de uitzending van «Nieuws van de dag».
Kunt u inzichtelijk maken welk orgaan binnen de NPO verantwoordelijk is voor dergelijke censuur en welke overwegingen en criteria gehanteerd worden bij het inwilligen van verzoeken tot moderatie dan wel censuur?
Ik deel niet de mening dat hier sprake is van censuur. Zoals ik eerder heb aangegeven, streven omroepen ernaar om fragmenten waarvan zij rechthebbende zijn, zo veel mogelijk vrij te geven. Zie het antwoord op vraag 3 voor de gronden en overwegingen die een rol spelen bij een besluit om een licentie voor hergebruik niet te verstrekken.
Het bericht ‘De invloed van het Hamasnetwerk op demonstraties in Nederland: ’Verdeeldheid in de samenleving’ |
|
Mona Keijzer |
|
Letschert , David van Weel (VVD) |
|
Bent u bekend met het bericht «De invloed van het Hamasnetwerk op demonstraties in Nederland: «Verdeeldheid in de samenleving»»?1
Ja. De gesignaleerde invloed van het Hamasnetwerk op demonstraties in Nederland is zeer zorgelijk en onwenselijk.
Hoe verklaart u dat de betrokkenheid van netwerken gelieerd aan Hamas bij demonstraties in Nederland volgens de Algemene Inlichtingen- en Veiligheidsdienst (AIVD) nu expliciet wordt benoemd, terwijl signalen hierover volgens berichtgeving al veel langer bekend zouden zijn?
De Algemene Inlichtingen- en Veiligheidsdienst (AIVD) heeft de taak, op basis van de Wet op Inlichtingen- en Veiligheidsdiensten (Wiv) 2017, onderzoek te doen naar personen of organisaties die (aanleiding geven tot een ernstig vermoeden dat zij) een dreiging vormen voor de nationale veiligheid.
De AIVD brengt jaarlijks een openbaar jaarverslag uit waarin verantwoording wordt afgelegd over de activiteiten in het jaar ervoor. Dit schrijft de Wiv 2017 eveneens voor. Dat signalen volgens berichtgeving al langer bekend zouden zijn, leidt er niet automatisch toe dat de AIVD hierover in het openbaar rapporteert. De AIVD heeft in de jaarverslagen van 2023, 2024 en 2025 melding gemaakt over onderzoek naar de mogelijke dreiging vanuit de terroristische organisatie Hamas tegen de nationale veiligheid.
Hoe kijkt u naar het feit dat eerdere Kamervragen over mogelijke buitenlandse beïnvloeding, aan Minister Robbert Dijkgraaf, destijds zijn beantwoord met de mededeling dat er geen signalen waren?2 Hoe verhoudt zich dat tot de huidige bevindingen?
De Kamervragen waar uw Kamer naar verwijst, betreffen vragen of er signalen zijn van financiële steun van buitenlandse donoren aan de acties van Pro-Palestijnse demonstranten in Nederland, bijvoorbeeld de acties van Samidoun Nederland.3 Daarop is destijds geantwoord dat deze signalen niet bekend zijn.
Kunt u aangeven wanneer het kabinet voor het eerst kennis heeft genomen van deze (nieuwe) informatie en welke instanties (zoals de Nationaal Coördinator Terrorismebestrijding en Veiligheid, AIVD, Openbaar Ministerie of Inspectie) daarbij betrokken zijn geweest?
Het kabinet kan geen uitspraken doen of er informatie via de geëigende kanalen van de AIVD is gedeeld, noch over de aard of het moment daarvan. Daarnaast doet de Nationaal Coördinator Terrorismebestrijding en Veiligheid (NCTV) geen onderzoek naar personen en/of organisaties.
Indien dergelijke signalen al langer bestonden, waarom is de Kamer hierover niet eerder geïnformeerd?
Zoals aangegeven in het antwoord op vraag 4, kan het kabinet geen uitspraken doen over welke informatie wanneer via de geëigende kanalen van de AIVD is verworven.
Kunt u aangeven welke landen, fondsen of organisaties betrokken zijn geweest bij financiële steun aan pro-Palestina-activiteiten, en via welke constructies of tussenpersonen deze middelen zijn verstrekt?
In algemene zin geldt dat indien er sprake is van signalen van ongewenste buitenlandse financiering, deze serieus worden genomen en waar nodig nader worden onderzocht door de bevoegde instanties. Het kabinet doet geen uitspraken over mogelijke individuele geldstromen, organisaties of landen indien dit betrekking heeft op lopende onderzoeken of inlichtingeninformatie.
Bij welke universiteiten, studentenorganisaties, universitaire netwerken of andere organisaties is deze financiering (direct of indirect) terechtgekomen, en in welke omvang en periode?
Het kabinet heeft op dit moment geen informatie waaruit dit blijkt.
In hoeverre is er bij deze financiering sprake geweest van voorwaarden, verwachtingen of ideologische sturing, bijvoorbeeld ten aanzien van politieke standpunten, campagnes, demonstraties of academische programma’s?
Zoals aangegeven in het antwoord op vraag 7, heeft het kabinet op dit moment geen informatie waaruit dit blijkt.
Acht u het aannemelijk dat buitenlandse financiering heeft bijgedragen aan radicalisering binnen (universitaire) gemeenschappen, aan de normalisering of legitimering van antisemitische uitingen onder het mom van activisme, en aan een aantasting van de academische vrijheid en de veiligheid van Joodse studenten en medewerkers op Nederlandse universiteiten?
Zoals eerder aangegeven in de beantwoording van vragen 7 en 8 beschikt het kabinet momenteel niet over informatie waaruit dit blijkt. Het kabinet acht iedere vorm van antisemitisme, intimidatie en bedreiging onacceptabel.
Kunt u toelichten in hoeverre de informatiepositie van het kabinet ten aanzien van buitenlandse beïnvloeding en extremistische netwerken in de afgelopen jaren tekort is geschoten?
Het kabinet beziet voortdurend of de informatiepositie ten aanzien van extremisme, terrorismefinanciering en ongewenste buitenlandse beïnvloeding voldoende aanleiding geeft om maatregelen te kunnen treffen of doeltreffend te kunnen handelen. Daarbij wordt nauw samengewerkt tussen de inlichtingen- en veiligheidsdiensten, opsporingsinstanties en lokale partners. Zoals in ieder veiligheidsdomein geldt dat de informatiepositie voortdurend in ontwikkeling is en aanpassing vraagt aan veranderende dreigingen en netwerken.
Kunt u toelichten op welke manier de aangenomen motie-Van Zanten (Kamerstuk 30 821, nr. 311) over onderzoeken in hoeverre pro-Palestijnse demonstraties op en via universiteiten worden gefinancierd door buitenlandse mogendheden is of wordt uitgevoerd?
Zoals in antwoord op vraag 2 aangegeven, geldt in algemene zin dat dreigingen die de sociale en politieke stabiliteit, als onderdeel van de nationale veiligheid, kunnen aantasten, door de inlichtingen- en veiligheidsdiensten kunnen worden onderzocht. Waar de inlichtingen- en veiligheidsdiensten diensten concreet onderzoek naar doen worden in het openbaar geen uitspraken over gedaan. Indien er sprake is van heimelijke buitenlandse beïnvloeding of inmenging, kunnen de diensten anderen daarop alerteren, zodat passende maatregelen kunnen worden getroffen.
Dat laatste kan onder meer binnen de rijksbrede aanpak van ongewenste buitenlandse inmenging. Op basis van het dreigingsbeeld wordt voortdurend gekeken naar mogelijkheden om risico’s op ongewenste inmengingsactiviteiten te voorzien, verstoren, verijdelen of mitigeren.
Het kabinet is daarnaast in gesprek over mogelijkheden om de motie van Zanten ten uitvoer te brengen, met name in relatie tot de (ontbrekende) grondslag tot het doen van onderzoek naar personen of organisaties bij verschillende organisaties. Uw Kamer wordt hier zo spoedig mogelijk over geïnformeerd.
Welke concrete maatregelen worden op dit moment door het kabinet genomen om buitenlandse financiering en beïnvloeding van pro-Palestina-activiteiten te signaleren, te monitoren en waar nodig te stoppen?
In algemene zin geldt dat nauw wordt samengewerkt door de betrokken veiligheidspartners om ongewenste buitenlandse financiering tegen te gaan. Om effectief op te kunnen treden tegen ongewenste buitenlandse financiering dient de overheid zich te richten op specifieke vormen van financiering. Nederland kent daarom een systeem waarbij in de eerste plaats de inlichtingen- en veiligheidsdiensten onderzoek kunnen doen in de gevallen waarin er ernstige vermoedens zijn van financiering vanuit het buitenland die een gevaar opleveren voor de democratische rechtsorde of waardoor risico’s ontstaan voor de nationale veiligheid. Indien het Ministerie van Buitenlandse Zaken (BZ) notes verbales over financieringsstromen van derde landen ontvangt, kan BZ deze doorsturen naar de AIVD. Ook kent Nederland verschillende instrumenten om witwassen en terrorismefinanciering tegen te gaan. Zo analyseert de Financial Intelligence Unit Nederland (FIU) ongebruikelijke en verdachte transacties en kan de FIU deze delen met de opsporings-, inlichtingen- en veiligheidsdiensten om hierop te acteren.
Daarnaast blijft Europese samenwerking in de aanpak van ongewenste buitenlandse financiering van belang. Binnen het Radicalisation Awareness Netwerk (RAN) en diens opvolger de EU Knowledge Hub on Prevention of Radicalisation, wordt gewerkt aan bewustwording over het onderwerp binnen de lidstaten. Dit onder andere in de vorm van het delen van best practices en het komen tot mogelijke maatregelen.
Daarnaast moest de voorgestelde Wet transparantie en tegengaan ondermijning door maatschappelijke organisaties (Wtmo) de overheid onder andere helpen bij het tegengaan van financiering van activiteiten die de democratische rechtsstaat ondermijnen. Met dit voorstel werd beoogd onwenselijke buitenlandse beïnvloeding door middel van ontvangen donaties bij maatschappelijke organisaties in Nederland tegen te gaan. Zoals uw Kamer weet, is de Wtmo op 24 maart jl. door de Eerste Kamer verworpen. Het kabinet beziet momenteel welke aanvullende instrumenten – eventueel via lopende en/of voorgenomen wetsvoorstellen – kunnen worden ingebouwd om ongewenste buitenlandse financiering te voorkomen. Uw Kamer wordt voor het einde van dit jaar hierover geïnformeerd.
In hoeverre zijn Nederlandse universiteiten en andere onderwijsinstellingen volgens u kwetsbaar voor buitenlandse beïnvloeding via financiering, gastdocenten of samenwerkingsverbanden?
Universiteiten en hogescholen hebben de maatschappelijke opdracht om onderzoek te doen en onderwijs te geven. Zij zijn hierin afhankelijk van internationale samenwerking, deels van externe financiering naast de Rijksbijdrage en open kennisuitwisseling. Het kabinet onderkent dat dit kansen én risico’s met zich brengt. In bepaalde gevallen kunnen Nederlandse kennisinstellingen te maken krijgen met pogingen van statelijke en niet-statelijke actoren tot beïnvloeding van meningen en inmenging in publicaties, of worden pogingen gedaan wetenschappelijk onderzoek en onderzoeksresultaten te censureren. Daarom zet het kabinet en de sector hoger onderwijs zich in voor versterking van kennisveiligheid, zoals toegelicht in diverse Kamerbrieven hierover.4 In de nieuwe Nationale Leidraad Kennisveiligheid wordt hier extra aandacht aan besteed.5 Instellingen die hier vragen over hebben kunnen terecht voor advies bij het Loket Kennisveiligheid.
Welke concrete acties zijn sinds de ontvangen signalen over buitenlandse beïnvloeding daadwerkelijk ondernomen en kunt u per actie aangeven wat het doel, de reikwijdte en het resultaat is geweest?
Zoals aangegeven in het antwoord op vraag 11, geldt dat dreigingen tegen de sociale en politieke stabiliteit door de inlichtingen- en veiligheidsdiensten kunnen worden onderzocht. Indien er signalen zijn van heimelijke beïnvloeding of inmenging, kunnen de diensten anderen daarop alerteren. Indien sprake is van ongewenste buitenlandse inmenging wordt niet geschroomd op te treden. Voor een actueel overzicht en het voorgenomen beleid inzake ongewenste buitenlandse inmenging en beïnvloeding verwijs ik uw Kamer naar de meest recente Kamerbrieven over dit thema.6
Welke maatregelen worden genomen om te voorkomen dat Nederlandse organisaties, stichtingen of informele netwerken worden gebruikt voor de financiering van terroristische organisaties zoals Hamas?
Nederland zal altijd optreden tegen organisaties die als doel hebben om geweld te plegen tegen onschuldige burgers. De Wet ter voorkoming van witwassen en financieren van terrorisme (Wwft) heeft als doel witwassen en terrorismefinanciering tegen te gaan. Het verplicht meldingsplichtige instellingen (financiële instellingen/banken, makelaars, notarissen, advocaten etc.) om cliëntenonderzoek te verrichten en ongebruikelijke transacties te melden bij de Financial Intelligence Unit-Nederland. Terrorismefinanciering is strafbaar gesteld in artikel 421 van het Wetboek van Strafrecht. In geval er sprake is van een redelijk vermoeden van schuld aan een strafbaar feit kan een opsporingsonderzoek gestart worden en kan het OM besluiten om al dan niet over te gaan tot vervolging. Daarnaast is een aantal personen en terroristische organisaties op de Nationale sanctielijst geplaatst, ook zijn terroristische organisaties in EU-verband gesanctioneerd. Bij aanwijzingen van overtreding van de Sanctiewet kan het OM ook een strafrechtelijk onderzoek starten en besluiten om al dan niet over te gaan tot vervolging. Ook het lokaal bestuur (onder andere in het kader van de Wet Bibob) en de inlichtingen- en veiligheidsdiensten kunnen onderzoek doen. Binnen het Financieel Expertisecentrum (FEC)7, wordt in de TF-Taskforce samengewerkt tussen publieke en private organisaties en wordt in het Programma FEC TF tussen publieke organisaties informatie gedeeld, om zo inzicht te verkrijgen in de financiële netwerken.
Financiering via stichtingen met weinig transparantie over financiën en geen zelfregulering wordt in de 3e National Risk Assessment (NRA) Terrorismefinanciering benoemd als één van de risico’s.8 De onderzoekers constateren echter ook dat in Nederland hiertegen waarborgen bestaan. Zo zijn er stichtingen met de status van Algemeen Nut Beogende Instelling (ANBI). Een stichting kan een ANBI-status krijgen als minimaal 90% van haar activiteiten het algemeen belang dient, indien er geen sprake is van een winstoogmerk en wanneer zij beschikt over een beperkt eigen vermogen. Een stichting met ANBI-status is verplicht om specifieke gegevens, waaronder een financiële verantwoording, openlijk op de eigen website te publiceren. Ook zijn er stichtingen met een Erkenning van het Centraal Bureau Fondsenwerving (CBF), een onafhankelijke stichting die toezicht houdt op de inzameling van geld voor goede doelen. Een CBF-erkenning geldt als keurmerk voor goede doelen in Nederland die moeten voldoen aan enkele kwaliteitseisen en zich vrijwillig laten toetsen. Stichtingen die hier niet aan voldoen kunnen deze status ook kwijtraken. Indien een stichting geen ANBI-status of CBF-erkenning heeft en niet aan een vorm van zelfregulering doet, zouden Wwft-poortwachters bij zo’n stichting nader cliëntonderzoek kunnen verrichten om een goed beeld te verkrijgen van het daadwerkelijke risiconiveau ten aanzien van terrorismefinanciering.
Los van het beleid omtrent stichtingen zijn er verschillende sancties van kracht tegen Hamas en gelieerde organisaties die terrorisme financieren, zowel op nationaal als op Europees niveau. Om inzicht te krijgen in de internationale geldstromen rondom Hamas en financiering tegen te gaan is een specialistische taskforce opgericht bestaande uit Financial Intelligence Units uit verschillende landen, waaronder Nederland. Ook is er sinds januari 2024 een aanvullend Europees sanctieregime van kracht, gericht op het bestrijden van de sponsoren en financiers van Hamas en de Palestijnse Islamitische Jihad en daaraan geaffilieerde organisaties. Deze nieuwe regeling vormt een aanvulling op de beperkende maatregelen die eerder in het kader van de EU-sanctielijst terrorisme zijn aangenomen. Wanneer in Nederland stichtingen in verband kunnen worden gebracht met het financieren van Hamas, kunnen deze op de nationale sanctielijst terrorisme worden geplaatst. Zo staat de aan Hamas gelieerde Stichting Al Aqsa sinds 2003 op deze lijst.
Daarnaast bezie ik, zoals aangegeven op het antwoord op vraag 12, momenteel welke aanvullende instrumenten – eventueel via lopende en/of voorgenomen wetsvoorstellen – kunnen worden ingebouwd om ongewenste buitenlandse financiering te voorkomen.
Kunt u toelichten hoe toezicht wordt gehouden op geldstromen vanuit het buitenland richting maatschappelijke organisaties en activistische netwerken in Nederland?
Graag verwijs ik uw Kamer naar het antwoord op vraag 12 voor een overzicht van de bestaande instrumenten ter voorkoming van ongewenste buitenlandse financiering. Daarbij heb ik toegezegd uw Kamer vóór het einde van dit jaar te informeren over de voortgang met betrekking tot aanvullende instrumenten om ongewenste buitenlandse financiering tegen te gaan.
U heeft eerder aangegeven dat dit onderwerp voor u topprioriteit is en dat u hier persoonlijk verantwoordelijkheid (chefsache) voor neemt; kunt u toelichten welke concrete stappen u sindsdien zelf heeft gezet en hoe uit uw handelen blijkt dat u hier daadwerkelijk de regie op voert?
De aanpak van extremisme, terrorismefinanciering en ongewenste buitenlandse beïnvloeding heeft onverminderd prioriteit binnen het kabinet. Zoals aangegeven in het antwoord op vraag 16 wordt er momenteel bezien welke aanvullende instrumenten kunnen worden ingebouwd om ongewenste buitenlandse financiering te voorkomen. Voor het einde van dit jaar zal ik uw Kamer informeren over de voortgang hierover.
Kunt u deze vragen afzonderlijk en zo spoedig mogelijk beantwoorden?
Ja.
Deelt u de mening dat het actief verwijderen of weren van boeken uit bibliotheken en schoolbibliotheken een bedreiging vormt voor de vrijheid van meningsuiting?1, 2
Deelt u de opvatting dat juist voor jongeren die thuis of in hun omgeving weinig toegang hebben tot informatie of herkenning rondom bijvoorbeeld seksuele diversiteit of genderidentiteit, een laagdrempelige en diverse bibliotheekcollectie van groot belang is?
Hoe beoordeelt u de ontwikkeling die wordt geschetst door de Schrijverscentrale en bibliotheken, waarbij bepaalde titels op sommige scholen niet meer welkom zijn, en ouders actief collecties «opschonen»?
Heeft u zicht op hoe vaak en welke typen titels in Nederland ter discussie worden gesteld of verwijderd uit (school)bibliotheken?
Herkent u het beeld uit de Verenigde Staten dat met name boeken over seksualiteit, seksuele diversiteit, LHBTI-personen, vrouwen en minderhedenrechten relatief vaak onderwerp zijn van verwijdering of discussie? In hoeverre speelt dit in Nederland?
Heeft u zicht op in hoeverre georganiseerde belangengroepen druk uitoefenen op bibliotheken en scholen om bepaalde titels te weren of te verwijderen?
Welke waarborgen bestaan er in Nederland om te voorkomen dat politieke of maatschappelijke druk leidt tot beperking van het aanbod in bibliotheken en het onderwijs?
Welke mogelijkheden ziet u om scholen en bibliotheken beter toe te rusten omstreden boeken te behouden, ook bij bezwaren van ouders of belangengroepen?
Bent u bereid om, samen met relevante belangenorganisaties op het gebied van onder andere LHBTI-emancipatie, gendergelijkheid en seksuele educatie, te verkennen hoe bibliotheekcollecties op deze thema’s beschermd kunnen worden?
Het bericht 'Minister Letschert trekt 154 miljoen uit voor het aantrekken van buitenlands talent' |
|
Annette Raijer (PVV) |
|
Letschert |
|
|
|
|
Waarom geeft u 154 miljoen euro uit aan buitenlands talent, terwijl Nederlandse studenten worden verdrongen en nauwelijks nog aan een studie of kamer komen?1
In mijn brief van 24 april jl.2 heb ik aangegeven dat ik 154 miljoen euro reserveer voor hbo- en wo-instellingen in het kader van de talentstrategie en de taakstellende intensivering in het hbo en wo. Met de talentstrategie wil het kabinet ervoor zorgen dat we het juiste talent selecteren, opleiden en voor Nederland behouden. Zo zorgen we voor genoeg vakmensen in de sectoren waar de uitdagingen het grootst zijn. Ook internationaal talent kan hier een bijdrage aan leveren. Het aantrekken ervan moet echter gericht gebeuren, en niet doorslaan in ongerichte groei. Daarover maak ik afspraken met de sector. Ruimte voor meer internationaal talent in specifieke sectoren betekent dat in andere sectoren het aantal anderstalige opleidingsplaatsen moet worden begrensd.
Het beeld dat Nederlandse studenten op grote schaal worden verdrongen door internationale studenten klopt niet. Nederland kent in algemene zin een zeer toegankelijk hogeronderwijsstelsel. Op basis van cijfers van DUO heeft circa 5% van de bacheloropleidingen een numerus fixus. Daarnaast leert de ervaring dat een groot deel van de kandidaten alsnog wordt toegelaten, doordat niet alle geselecteerde studenten hun plaats accepteren. In totaal wordt tussen de 75% en 85% van de aspirant-studenten geplaatst3 en kan slechts circa 5% niet starten met een opleiding van eerste voorkeur.4 Studenten die niet direct worden toegelaten, kunnen bovendien altijd terecht bij een passende tweede keuze.
De krapte op de woningmarkt is een breder maatschappelijk vraagstuk dat niet uitsluitend of primair wordt veroorzaakt door internationale studenten.
Begrijpt u dat dit beleid neerkomt op het subsidiëren van buitenlandse studenten met Nederlands belastinggeld, ten koste van onze eigen jongeren? Zo ja, waarom drukt u dit beleid er alsnog doorheen?
De middelen waarnaar wordt verwezen zijn bedoeld voor de instellingen om hen in staat te stellen maatregelen te nemen waarmee ze een bijdrage leveren aan de Nationale Talentstrategie – zie ook onder vraag 1. De wijze waarop dit vorm krijgt wordt momenteel uitgewerkt. Van belang is en blijft daarbij dat instellingen hun zelfregie op het gebied van internationale studenten doorzetten. Ook internationale studenten kunnen, mits gericht geworven, een bijdrage leveren aan de Nationale Talentstrategie. Het uitgangspunt van het kabinet is daarbij altijd dat de internationale instroom aanvullend is op de Nederlandse instroom.
Waarom houdt u vast aan het bestaande Engelstalige onderwijsaanbod, terwijl dit de positie van het Nederlands als voertaal verder onder druk zet?
Het kabinet blijft inzetten op het behoud van het Nederlandse taal als onderwijs- en wetenschapstaal. Zo worden instellingen in het wetsvoorstel internationalisering in balans (WIB) verplicht tot het maken van bewuste keuzes in hun taalbeleid en worden zij ook verplicht tot het bevorderen van de Nederlandse taalvaardigheid voor alle studenten.
In het coalitieakkoord is vastgelegd dat het bestaande anderstalige onderwijsaanbod in stand blijft en dat de toets anderstalig onderwijs wordt geschrapt. Ik werk nu aan de nota van wijziging waarin dit gestalte krijgt. Het kabinet kiest ervoor om grip behouden op de instroom van internationale studenten in overleg en afstemming met de onderwijssectoren. De universiteiten en hogescholen zetten onverminderd de afspraken door die zij onderling in het kader van de zelfregie hebben gemaakt. Deze afspraken zien onder meer op het terrein van capaciteit, maar ook op Nederlandse taalvaardigheid, verbeteren van de blijfkans en huisvesting.
Vindt u het acceptabel dat instellingen zoals de Universiteit Maastricht inmiddels draaien op buitenlandse studenten en wanneer is voor u de grens bereikt?
Internationalisering brengt zowel voordelen als uitdagingen met zich mee. Het kan bijdragen aan de kwaliteit van het onderwijs, het versterken van de internationale positie van Nederland en een sterke economie. Tegelijkertijd is het van belang dat de instroom van internationale studenten in balans is met de capaciteit van instellingen en de draagkracht van regio’s en steden.
In dat kader wordt gesproken over «gebalanceerde internationalisering». Dat betekent dat het voor elke instelling, regio en opleiding verschillend kan zijn wat een passende omvang van internationale instroom is. Voor instellingen zoals de Universiteit Maastricht, die in een grensregio liggen, is het navolgbaar dat het aandeel internationale studenten hoger ligt dan elders in Nederland. Wel moet oog blijven voor de draagkracht van de stad en de bijdrage die het anderstalige onderwijs en de internationale studenten leveren aan de regio.
Het kabinet blijft hierover in gesprek met instellingen en werkt toe naar bestuurlijke afspraken om deze balans te borgen, zodat de voordelen van internationalisering behouden blijven zonder dat dit leidt tot ongewenste effecten voor toegankelijkheid of capaciteit. Ook in het kader van de Nationale Talentstrategie, zetten we in op het gericht en selectief aantrekken van internationaal talent, juist daar waar de uitdagingen het grootst zijn.
Hoe denkt u grip te houden op internationale instroom, als u tegelijkertijd miljoenen uittrekt om die instroom juist verder aan te jagen?
Zie antwoord vraag 4.
Bent u bereid om harde grenzen te stellen aan het aantal buitenlandse studenten en het Nederlands weer de norm te maken in het hoger onderwijs, of blijft u kiezen voor internationalisering boven de Nederlandse belangen?
Er is geen tegenstelling tussen internationalisering en Nederlandse belangen. Het kabinet zet in op een vorm van internationalisering die bijdraagt aan de Nederlandse samenleving en economie, en wil tegelijkertijd de toegankelijkheid en kwaliteit van het onderwijs voor Nederlandse studenten borgen.
Grip op internationale instroom betekent dat instellingen beter in staat worden gesteld om per opleiding en per regio af te wegen waar internationale studenten een meerwaarde hebben en waar begrenzing nodig is. Instrumenten zoals numerus fixusmaatregelen maken dit mogelijk.
Het Nederlands blijft daarbij een belangrijke taal binnen het hoger onderwijs. Tegelijkertijd kan anderstalig onderwijs in bepaalde gevallen noodzakelijk zijn, bijvoorbeeld omdat het werkveld of wetenschappelijk veld hoofdzakelijk anderstalig, of omdat op deze manier extra internationaal talent voor tekortsectoren opgeleid kan worden of voor regio’s waar het onderwijsaanbod onder druk staat.
Het kabinet blijft hierover in gesprek met instellingen en zet in op een gebalanceerde aanpak waarin zowel nationale belangen als de voordelen van internationalisering worden meegenomen. De intentie is om daarover op korte termijn bestuurlijke afspraken te maken met hogescholen en universiteiten. Daarnaast werken we aan de Nationale Talentstrategie, vanuit dezelfde gebalanceerde aanpak.
Het artikel 'UvA student sails with flotilla to Gaza: 'We are preparing for the worst'' |
|
Annette Raijer (PVV) |
|
Letschert |
|
|
|
|
Bent u bekend met het artikel «UvA student sails with flotilla to Gaza: «We are preparing for the worst»»?1
Ja.
Kunt u aangeven of u het wenselijk vindt dat docenten studenten aanmoedigen om dergelijke gevaarlijke reizen naar onder andere Gaza te ondernemen? Zo nee, welke maatregelen gaat u hierop ondernemen?
Het kabinet doet geen uitspraken over individuele casuïstiek.
In algemene zin is het reisadvies van het Ministerie van Buitenlandse Zaken voor de Gazastrook rood. Dat betekent dat het advies is aan Nederlanders: wat uw situatie ook is, reis hier niet heen, het is er te gevaarlijk. Ook waarschuwt het ministerie in het reisadvies dat de Nederlandse vertegenwoordiging niet kan helpen als Nederlanders in de Gazastrook in de problemen komen. Het reisadvies is helder, het is onverstandig dit te negeren.
Kunt u bevestigen dat studenten alleen recht hebben op studiefinanciering wanneer zij hun studie daadwerkelijk volgen en niet door eigen toedoen of vrijwillige uitstapjes bewust studievertraging veroorzaken? Zo nee, waarom niet?
Nee, voor een aanspraak op studiefinanciering is het niet vereist dat iemand daadwerkelijk de studie volgt. Ook vervalt hun aanspraak niet op het moment dat zij door eigen toedoen bewust studievertraging veroorzaken. De aanspraak op studiefinanciering is verbonden aan de inschrijving bij een opleiding die aanspraak geeft op studiefinanciering, en daarnaast aan het voldoen aan de overige leeftijds- en nationaliteitseisen. Daarbij is wel het aantal maanden prestatiebeurs dat een student kan ontvangen gemaximeerd. Bij studievertraging kan een student gedurende de opleiding dus in de leenfase terecht komen en geen recht meer hebben op een prestatiebeurs. Wanneer de student niet binnen de diplomatermijn een diploma haalt, wordt de prestatiebeurs bovendien niet omgezet in een gift. Het is aan de student zelf om tegen deze achtergrond keuzes te maken om ingeschreven te blijven staan of de studie (tijdelijk) te stoppen.
Kunt u bewerkstelligen dat studenten die deelnemen aan extremistische activiteiten hun recht op studiefinanciering verliezen en bovendien worden geschorst of van hun onderwijsinstelling worden verwijderd? Zo nee, waarom niet?
Waar het gaat om studiefinanciering vervalt de aanspraak alleen als is vastgesteld dat de student een uitreiziger is.2 Daarvan is sprake als uit een melding van bevoegde opsporingsdiensten of inlichtingen- en veiligheidsdiensten blijkt dat er een gegronde reden bestaat dat de student zich buiten Nederland bevindt met het doel zich aan te sluiten bij een terroristische organisatie.3 Op basis daarvan kan ik als Minister van OCW besluiten de aanspraak op studiefinanciering te laten vervallen.
Waar het gaat om schorsing of verwijdering van een student van de onderwijsinstelling, heb ik als Minister van OCW daartoe geen mogelijkheden. Die bevoegdheid ligt bij het bestuur van de onderwijsinstellingen op grond van de Wet op het hoger onderwijs en wetenschappelijk onderzoek (hierna: WHW). Wanneer een student de huisregels overtreedt en een veilige leer- en/of werkomgeving voor studenten en/of medewerkers schaadt, kan het instellingsbestuur die student voor maximaal een jaar de toegang tot de gebouwen en terreinen ontzeggen of de inschrijving voor eenzelfde periode beëindigen. Wanneer een student de huisregels overtreedt, ernstige overlast heeft veroorzaakt en ook na waarschuwingen daarmee niet is gestopt, kan het instellingsbestuur die student de toegang tot de instelling definitief ontzeggen of zijn inschrijving beëindigen.4 Een instellingsbestuur neemt een dergelijk besluit niet lichtvaardig en de impact is groot, mede ook tegen het licht van het recht op onderwijs. Daarom wordt tegen dit soort besluiten vaak in beroep gegaan bij een rechter. Uit de rechtspraak blijkt het belang van een gedegen belangenweging en proces, voordat tot zo’n beslissing kan worden overgegaan. Een schorsing moet evenredig zijn aan de mate waarin de huisregels zijn overtreden. Daarbij moet waar mogelijk de onderwijsvoortgang niet onevenredig worden belemmerd als gevolg van een maatregel. Ook moet eerst gekeken worden of op andere manieren het gedrag kan worden gewijzigd. Als dit na aanhoudende pogingen niet lukt, kan een student definitief worden uitgeschreven.
Welke maatregelen wil u nemen om vroegtijdige radicalisering in het onderwijs, vooral de breed geaccepteerde linkse radicalisatie, aan te pakken om deze situaties in de toekomst te voorkomen?
Ik heb geen signalen dat er sprake is van breed geaccepteerde linkse radicalisatie in het onderwijs.
Het bericht 'UvA's Room for Discussion trekt uitnodiging Vlaams Belang politicus in om veiligheid en andere redenen' |
|
Annette Raijer (PVV), Geert Wilders (PVV) |
|
Letschert |
|
|
|
|
Bent u op de hoogte van het bericht van GeenStijl «UvA’s Room for Discussion trekt uitnodiging Vlaams Belang politicus in om veiligheid en andere redenen»?1
Ja.
Deelt u de mening dat de Universiteit van Amsterdam (UVA) opnieuw zwicht voor activistische druk door de uitnodiging aan Tom van Grieken van Vlaams Belang in te trekken en dat universiteiten geen politieke filterbubbel mogen zijn waar alleen welgevallige meningen welkom zijn? Zo nee, waarom niet?
Ik wil voorop stellen dat universiteiten bij uitstek de plekken in de samenleving zijn voor open debat en dialoog, waarin ruimte is voor een diversiteit aan perspectieven, zolang dit gebeurt binnen de grenzen van de wet en met inachtneming van de academische kernwaarden. Het is aan de instellingsbesturen om, bij het faciliteren of organiseren van bijeenkomsten, in iedere casus een nieuwe afweging te maken of iemand kan komen spreken. Daarbij moeten zij zowel de academische vrijheid en de vrijheid van meningsuiting, alsook de veiligheid op de campus waarborgen. Ik vertrouw erop dat zij die afwegingen weloverwogen maken en dat dat ook in dit geval is gebeurd. Zo heeft de UvA mij laten weten dat het studentenplatform Room for Discussion heeft besloten het interview te annuleren. Dit hebben zij gedaan na consultatie bij de UvA en op basis van een brede afweging. Daarbij is gekeken naar de veiligheid en de benodigde veiligheidsmaatregelen, maar ook naar de gevolgen voor onderwijs en onderzoek, logistieke overwegingen, eventuele protocollaire eisen en de wensen van de gast.
Kan u aangeven of er nog sprake is van academische vrijheid of dat deze is ingeruild voor ideologische censuur?
Ik deel niet uw opvatting dat de academische vrijheid is ingeruild voor ideologische censuur. Wel is en blijft het van groot belang dat de academische vrijheid gewaarborgd en actief beschermd wordt. Vanwege de signalen dat de academische vrijheid onder druk staat, lopen er verschillende trajecten die bijdragen aan het inzicht in de academische vrijheid in Nederland en het handelingsperspectief om deze beter te borgen en beschermen. De KNAW werkt bijvoorbeeld aan twee adviezen; juridische borging van academische vrijheid en vrijheid van meningsuiting in de wetenschappelijke sector. Het is van belang dat deze twee vrijheden van elkaar worden onderscheiden. Daarnaast start ik, naar aanleiding van motie Heite, een onafhankelijk onderzoek naar de zorgen over het gebrek aan pluriformiteit in de wetenschap waarvan ik de resultaten dit najaar verwacht.2
Kan u aangeven of universiteiten gebruik mogen maken van veiligheid als een smoes of veiligheid mogen misbruiken als excuus om politiek onwelgevallige sprekers te weren? Zo nee, welke maatregelen gaat u hiertegen nemen?
Ik neem afstand van de suggestie dat universiteiten veiligheid als smoes inzetten of als argument misbruiken om onwelgevallige sprekers te weren. Zoals toegelicht onder vraag 2 vertrouw ik erop dat universiteiten in elke casus een weloverwogen afweging maken, waarbij zij veel waarde hechten aan de academische vrijheid en de vrijheid van meningsuiting.
Bent u bereid om universiteiten die structureel de vrijheid van meningsuiting ondermijnen, financieel te korten? Zo nee, waarom niet?
Ik ben daar niet toe bereid en ik heb ook geen indicaties dat hier sprake van zou zijn.
Herkent u dat dit soort incidenten bijdragen aan een angstcultuur op universiteiten waar afwijkende meningen worden weggezet en linkse groepsdruk de norm is? Zo nee, waarom niet?
Nee, ik herken niet dat dergelijke incidenten bijdragen aan een angstcultuur. Het is te betreuren dat evenementen soms vanwege veiligheidsredenen moeten worden afgezegd. Iedereen moet zich veilig voelen om mee te doen aan het open debat, waar de ruimte is voor verschillende perspectieven en waar het ook mag schuren. Zoals eerder aangegeven in vraag 2 zetten bestuurders zich elke dag weer in voor academische vrijheid en de vrijheid van meningsuiting, maar hebben ze daarbij ook de ingewikkelde taak om de veiligheid te waarborgen.
Het afzeggen van een interview met Tom van Grieken aan de Universiteit van Amsterdam |
|
Peter van Duijvenvoorde (FVD) |
|
Letschert |
|
|
|
|
Bent u bekend met het bericht dat een interview met de Vlaamse politicus Tom van Grieken aan de Universiteit van Amsterdam (UvA) is afgezegd na overleg met de universiteit, omdat de benodigde inzet en impact op de campus te groot zouden zijn geweest?1
Ja.
Klopt het dat volgens de betrokken organisaties veiligheid en noodzakelijke beveiliging een belangrijke rol speelden bij deze afzegging?
De UvA heeft mij laten weten dat het studentenplatform Room for Discussion heeft besloten het interview te annuleren. Dit hebben zij gedaan na consultatie bij de UvA en op basis van een brede afweging. Daarbij is gekeken naar de veiligheid en de benodigde veiligheidsmaatregelen, maar ook naar de gevolgen voor onderwijs en onderzoek, logistieke overwegingen, eventuele protocollaire eisen en de wensen van de gast.
Hoe beoordeelt u het dat een gesprek met een democratisch actieve politicus op een universiteitscampus geen doorgang vindt vanwege verwachte veiligheids- en beheerslasten?
Het is de verantwoordelijkheid van de instellingen om ervoor te zorgen dat de randvoorwaarden voor bijeenkomsten en de veiligheid van de aanwezigen voldoende geborgd zijn. Indien de risico’s voor de veiligheid te groot zijn, kan het zo zijn dat bijeenkomsten geen doorgang kunnen vinden. Ik betreur het dat er situaties zijn waarbij de veiligheid van studenten en genodigden onvoldoende kan worden gegarandeerd en een bijeenkomst daarom geannuleerd moet worden.
Onderschrijft u dat universiteiten bij uitstek plaatsen behoren te zijn waar vrijheid van meningsuiting, academische vrijheid en confrontatie met uiteenlopende maatschappelijke en politieke opvattingen actief worden beschermd?
Ik onderschrijf dat de academische vrijheid op universiteiten actief beschermd moet worden. De vrijheid van meningsuiting dient overal actief beschermd te worden. Universiteiten zijn bij uitstek de plekken in de samenleving voor een open debat en dialoog, waarin ruimte is voor een diversiteit aan perspectieven, zolang dit gebeurt binnen de grenzen van de wet en met inachtneming van academische kernwaarden, zoals o.a. kritisch denken, onafhankelijkheid, respect en transparantie. Instellingen zijn hier primair verantwoordelijk voor en zetten zich hier ook voor in.
Deelt u de opvatting dat diversiteit van opvattingen op de universiteit óók betekent dat studenten en medewerkers in aanraking moeten kunnen komen met standpunten die als ongemakkelijk, omstreden of impopulair worden ervaren?
Ja, ik deel deze opvatting. Ik acht het van belang dat er op universiteiten ruimte is voor debat over maatschappelijke thema’s met een diversiteit aan perspectieven, zolang dit gebeurt binnen de grenzen van de wet en met inachtneming van academische kernwaarden.
Hoe voorkomt de overheid volgens u dat op universiteiten in de praktijk een situatie ontstaat waarin de verwachte onrust rond een spreker zwaarder gaat wegen dan het belang van open debat?
De instellingsbesturen hebben de ingewikkelde taak om zowel het open debat, alsook de veiligheid op de campus te waarborgen. Bij het faciliteren of organiseren van bijeenkomsten wordt per casus, in overleg met betrokken partijen, een afweging gemaakt of iemand kan komen spreken. Het beoordelen van de risico's van bijeenkomsten, het nemen van veiligheidsmaatregelen en het daarbij waar nodig inschakelen van daartoe bevoegde partijen, is de verantwoordelijkheid van de instelling in samenspraak met de lokale driehoek. Ik vertrouw erop dat zij deze afwegingen weloverwogen maken. Het is niet aan mij als Minister om mij in die afweging te mengen.
Deelt u de zorg dat het afzeggen van bijeenkomsten wegens verwachte protesten, veiligheidsrisico’s of organisatorische druk ertoe kan leiden dat niet de formele regels, maar de dreiging van verstoring bepaalt welke opvattingen nog gehoord mogen worden?
Zoals aangegeven bij vraag 3 betreur ik het als een bijeenkomst vanwege veiligheidsredenen niet door kan gaan. Ik verwacht van instellingen dat zij zich maximaal inspannen om de randvoorwaarde van veiligheid te borgen en hierover op lokaal niveau met de veiligheidsdriehoek overleg te plegen. In mijn gesprekken met bestuurders merk ik dat zij zich hier ten volle van bewust zijn en voor inzetten. Ik herken dan ook niet het beeld dat instellingen relatief snel afschalen of afgelasten. Als hierover zorgen leven binnen de academische gemeenschap op de instellingen, dan kunnen zij hierover met het College van Bestuur in gesprek.
Acht u het wenselijk dat universiteiten een positieve inspanningsverplichting hebben om legale bijeenkomsten en interviews juist wel mogelijk te maken, inclusief passende beveiliging, in plaats van dergelijke activiteiten relatief snel af te schalen of af te gelasten?
Zie antwoord vraag 7.
Welke landelijke kaders, richtlijnen of handreikingen bestaan er momenteel voor universiteiten om de balans te bewaken tussen veiligheid enerzijds en vrijheid van meningsuiting en academische pluriformiteit anderzijds?
Over de wijze waarop instellingen deze balans bewaken hebben mijn ambtsvoorgangers uw Kamer op 3 juli en 18 december 2025 geïnformeerd met de brieven over veiligheid op universiteiten en hogescholen.2 In de bijlage bij de brief van 3 juli gaan de koepelorganisaties VH en UNL specifiek in op de kaders, richtlijnen en handreikingen die zij hiervoor gebruiken en hoe de sectorale coördinatie van hun veiligheidsbeleid is ingericht.
Wordt binnen die kaders voldoende expliciet gemaakt dat universiteiten niet alleen sociaal-demografische diversiteit, maar ook intellectuele en ideologische diversiteit behoren te bevorderen?
Ik vind het belangrijk dat universiteiten zich blijvend inzetten voor diversiteit en inclusie zodat er een leer- en werkomgeving wordt gecreëerd waar iedereen zich kan ontplooien. Onder deze diversiteit valt niet alleen de genoemde sociaal-demografische diversiteit maar ook intellectuele en ideologische diversiteit. Het bevorderen van intellectuele en ideologische diversiteit is een kernwaarde van het hoger onderwijs en niet alleen uitgangspunt in deze kaders, maar ook in de uitvoering van de brede maatschappelijke opdracht van de instellingen.
In hoeverre ziet u signalen dat bepaalde politieke of maatschappelijke opvattingen op campussen structureel moeilijker aan bod komen vanwege bestuurlijke terughoudendheid, veiligheidsbezwaren of druk vanuit actiegroepen?
Hoger onderwijsinstellingen staan in het midden van de samenleving en vervullen een essentiële rol in het maatschappelijk debat over de meest uiteenlopende onderwerpen. Dat doen zij door binnen hun instellingen het academische debat te stimuleren. Ik acht het van belang dat hierbij ruimte is voor diversiteit aan perspectieven, ook binnen politiek-maatschappelijke thema’s. Hierbij is het belangrijk dat academische kernwaarden. Daarnaast hebben zij de taak om met een veelvoud aan opvattingen om te gaan in hun onderwijs- en onderzoeksactiviteiten en hiervoor een veilige leer- en werkomgeving te bieden. Het is de verantwoordelijkheid van de academische gemeenschap om te zorgen dat alle perspectieven aan bod komen, en om gevrijwaard te blijven van een bias op basis van politieke of maatschappelijke voorkeuren. Ik onderken de zorgen die leven dat bepaalde politieke of maatschappelijke opvattingen onder druk staan. Naar aanleiding van de motie Heite laat ik een onafhankelijk onderzoek uitvoeren waarbij de zorgen over pluriformiteit in de wetenschap worden geïnventariseerd en geanalyseerd.3
Het artikel noemt eerdere incidenten aan de UvA rond gesprekken met onder anderen Ruben Brekelmans, Rob Bauer, Kajsa Ollongren, Femke Halsema en Jordan Peterson; ziet u hierin een incidenteel patroon van losse gebeurtenissen of een structureler probleem rond het organiseren van debat op universiteiten?
Universiteiten zijn de plekken in de samenleving waar een cultuur moet heersen van een open debat, waarin ruimte is voor een diversiteit aan perspectieven. Hoe invulling wordt gegeven aan die cultuur en wat hiervoor wordt georganiseerd is aan de universiteiten. De universiteiten zijn onlangs gestart met het versterken van het academisch debat door in iedere universiteit een dialoogmaker aan te stellen. Zij organiseren binnen de instellingen verschillende debatten over schurende onderwerpen die juist als doel hebben het academische debat binnen de academische gemeenschap op goede wijze te voeren.
Ik heb geen zicht op wat er allemaal georganiseerd wordt op universiteiten en hoe vaak situaties zoals genoemd in het artikel voorkomen. Voor de situaties waar het artikel naar verwijst, heeft het instellingsbestuur een complexe afweging gemaakt, zoals in de voorgaande antwoorden toegelicht. Ik vertrouw erop dat de instelling hier per casus weloverwogen beslissingen in maakt.
Wordt bij afwegingen over omstreden sprekers systematisch vastgelegd welke concrete risico’s zijn geïdentificeerd, welke minder vergaande alternatieven zijn onderzocht en waarom uiteindelijk voor afgelasting is gekozen?
Instellingen hebben gezamenlijk via hun Platform Integrale Veiligheid de handreiking «Controversiële sprekers» ontwikkeld, een handelingskader voor de omgang met controversiële sprekers en ongewenste beïnvloeding. Het richt zich op een zorgvuldig intern proces voor risicoweging, afstemming en samenwerking met de lokale veiligheidsdriehoek en besluitvorming door het College van Bestuur. In de bij vraag 9 genoemde brief van de koepelorganisaties UNL en de VH geven de instellingen aan dat zij deze handreiking hebben verwerkt in het instellingsbeleid.
Zou het volgens u wenselijk zijn dat universiteiten achteraf transparanter verantwoording afleggen wanneer bijeenkomsten of gesprekken worden afgezegd die raken aan het vrije publieke debat?
Ik vind het wenselijk dat universiteiten, voor zover mogelijk, transparant zijn over dit soort besluiten. Vanwege veiligheid zal er niet altijd volledige transparantie mogelijk zijn. Zoals aangegeven onder vraag 13, hebben de instellingen een zorgvuldig intern proces ingericht voor risicoweging, afstemming en samenwerking met de lokale veiligheidsdriehoek en besluitvorming door het College van Bestuur.
Bent u bereid met universiteiten in gesprek te gaan over aanvullende waarborgen voor vrijheid van meningsuiting en diversiteit van opvattingen op de campus, en de Kamer hierover te informeren?
Momenteel werkt de KNAW aan een advies over vrijheid van meningsuiting binnen de wetenschappelijke sector. Daarnaast start ik, naar aanleiding van de motie Heite, een onafhankelijk onderzoek waarbij de zorgen over pluriformiteit in de wetenschap worden geïnventariseerd en geanalyseerd.4 Tot slot heeft uw Kamer met de motie Claassen verzocht om concrete afspraken te maken met de universiteiten ter versterking van de praktische borging van academische vrijheid en uw Kamer periodiek te informeren over voortgang en resultaten.5 Hierover ben ik met Universiteiten van Nederland (UNL) in gesprek. Ik wil de uitkomsten van deze trajecten afwachten voordat ik andere acties onderneem. Dit najaar wil ik uw Kamer informeren over de uitkomsten van het advies van de KNAW, het onderzoek naar de zorgen over pluriformiteit in de wetenschap en de stand van zaken wat betreft de uitvoering van de voorgenoemde motie Claassen. Hierbij wil ik uw Kamer ook informeren over het advies van de KNAW inzake de juridische borging van academische vrijheid die ik dit jaar verwacht te ontvangen. De voorgenoemde uitkomsten wil ik in samenhang voorzien van mijn beleidsreactie en uw Kamer hierover informeren.
Bent u bereid te onderzoeken of een landelijke handreiking of gedragscode nodig is waarin expliciet wordt vastgelegd dat universiteiten terughoudend moeten zijn met het afzeggen van legale debatbijeenkomsten enkel vanwege verwachte maatschappelijke controverse?
Nee, ik ben hier niet toe bereid. Bij iedere casus moeten de instellingsbesturen een eigen, complexe afweging maken of iemand kan komen spreken. Zoals toegelicht onder vraag 13 hanteren de onderwijsinstellingen een zorgvuldig intern proces voor risicoweging, afstemming en samenwerking met de lokale veiligheidsdriehoek en besluitvorming door het College van Bestuur.
Kunt u uiteenzetten hoe volgens u moet worden voorkomen dat studenten op universiteiten juist minder in aanraking komen met afwijkende of schurende perspectieven, terwijl academische vorming vraagt om blootstelling aan fundamenteel verschillende ideeën?
Universiteiten zijn bij uitstek de plekken in de samenleving waar een cultuur moet heersen van een open debat en waar ruimte is voor een diversiteit aan perspectieven ook als deze afwijkend of schurend zijn. Hoe invulling wordt gegeven aan die cultuur en wat hiervoor wordt georganiseerd is aan de universiteiten. Het is niet aan mij als Minister om mij hierin te mengen. Dat is namelijk de essentie van academische vrijheid.
Deelt u de opvatting dat het vermogen om afwijkende, impopulaire of zelfs provocerende standpunten in een vreedzame en ordelijke setting te bespreken, een kernonderdeel is van wetenschappelijke en democratische vorming?
Ik acht het openstaan voor perspectieven en ervaringen van anderen en het kunnen uitwisselen van standpunten, compromissen sluiten en omgaan met meerderheids- en minderheidsstandpunten zeker van belang voor de democratische vorming. Daarnaast is het leren voeren van het academisch debat onderdeel van het academisch onderwijs.
De collectieve erkenning en het cultureel erfgoed van de Molukse gemeenschap |
|
Mohammed Mohandis (GroenLinks-PvdA), Lisa Vliegenthart (GroenLinks-PvdA) |
|
Letschert , Mirjam Sterk (CDA) |
|
|
|
|
Bent u bekend met de evaluatie van het beleid rond collectieve erkenning, waarin wordt vastgesteld dat het Moluks Historisch Museum geen structurele financiering kent, in tegenstelling tot andere partners binnen Sophiahof?1
Ja, dat ben ik.
Hoe verklaart u dit verschil in de toekenning van structurele financiering, ondanks expliciete constatering in de evaluatie die op uw verzoek is uitgevoerd door Panteai, tot op heden niet is gecorrigeerd? Kunt u toelichten waarom voor het Moluks Historisch Museum, in tegenstelling tot andere partners binnen Sophiahof, na 2026 geen structurele borging van financiering en huisvesting is gerealiseerd?
Het beleid van de collectieve erkenning richt zich op alle gemeenschappen in Nederland, waaronder de Indische, Molukse, Papoea en Chinees-Indonesische gemeenschappen. Om een pleisterplaats te bieden aan al deze gemeenschappen is in 2019 Museum Sophiahof van Indië tot nu (hierna: Sophiahof) opgericht.
Het Moluks Historisch Museum (MHM) te Utrecht moest in 2012 noodgedwongen sluiten vanwege onvoldoende structurele inkomsten. Vervolgens is MHM een aantal jaar als kenniscentrum gehuisvest geweest in het Moluks Kerkelijk Centrum te Houten, waar de toekomst van de organisatie ook onzeker was. Omdat de geschiedenis van de Molukse gemeenschap nadrukkelijk onderdeel vormt van de collectieve erkenning en om deze geschiedenis toch te borgen, ontvangt MHM subsidie om deze rol te kunnen vervullen. Deze subsidie ontvangt MHM niet zozeer als apart museum, maar als onderdeel van de Sophiahof. Daarbij staat VWS garant voor de huisvestingskosten van de Sophiahof.
In de Sophiahof is, naast MHM, een aantal andere organisaties gehuisvest die verschillende rollen vervullen.2 Met deze partners ben ik een traject gestart hoe gezamenlijk de samenwerking, visieontwikkeling en strategische richting van de Sophiahof verder uit te werken, om daarmee de Sophiahof dé nationale plek te maken voor alle gemeenschappen van de collectieve erkenning. Ik wil graag dit traject dat naar verwachting tot eind 2027 loopt (met mogelijke uitloop tot 2028), afwachten. Om ervoor te zorgen dat de Molukse geschiedenis een goede plek in dit traject krijgt, is aan MHM toegezegd de projectsubsidie voor de komende jaren voort te zetten.
Vindt u dat hiermee sprake is van systematische ongelijke behandeling binnen het beleid voor oorlogsgetroffenen en meer specifiek de uitvoering van de regeling collectieve erkenning van Indisch Moluks Nederland? Zo ja, welke concrete maatregelen gaat u nemen om dit tegen te gaan? Zo nee, waarom niet?
Zie antwoord vraag 2.
Hoe reflecteert u op het feit dat Sophiahof geen depotruimte heeft waardoor het Moluks Historisch Museum is aangewezen op tijdelijke opslagruimten, met als gevolg dat de collectie en het archief van het museum, die grotendeels tot stand zijn gekomen door schenkingen vanuit de Molukse gemeenschap, geen vaste thuis hebben en dus niet toekomstbestendig geborgd zijn?
Deelt u de mening dat het behouden en bewaren van erfgoed van Molukse gemeenschappen uit de koloniale diaspora onderdeel is van onze herinneringscultuur en bijdraagt aan de erkenning, herstel en zorg waarin het beleid oorlogsgetroffenen ook voorziet? Zo ja, welke concrete maatregelen wilt u nemen om dit te realiseren? Zo nee, waarom niet?
Bent u van mening dat het Rijk de verantwoordelijkheid draagt om de collectie van het Moluks Historisch Museum een vast thuis te geven, met de garantie dat de collectie in Molukse handen blijft? Zo nee, waarom niet?
Bent u bereid om, in overleg met de Molukse gemeenschap, te komen tot een structurele en toekomstbestendige huisvesting van de collectie op een plek die betekenisvol is voor de Molukse gemeenschappen?
Klopt het dat u tijdens het tweeminutendebat Onderzoeks- en Wetenschapsbeleid d.d. 16 april 2026 instemmend heeft gereageerd op een opmerking van het lid Rooderkerk waarin werd gesteld dat in de uitwerking 1.1 van de gedragscode staat dat de wetenschapsbeoefenaar weet dat wetenschap uiteindelijk gericht is op waarheidsvinding?1
Ja.
Heeft u daarbij gedoeld op de passage «De wetenschapsbeoefenaar weet dat wetenschap uiteindelijk is gericht op waarheidsvinding en dat hij daarom bij de presentatie van de aard en reikwijdte van zijn resultaten zo precies mogelijk dient te zijn. Hij zal dus niet liegen over zijn bevindingen of over daaraan verbonden onzekerheden. Zorgvuldigheid strekt zich ook uit tot het presenteren van twijfels en contra indicaties»?
Ja.
Bent u ervan op de hoogte dat deze passage niet voorkomt in de geldende Nederlandse gedragscode wetenschappelijke integriteit, maar afkomstig is uit de oude Nederlandse Gedragscode Wetenschapsbeoefening (herziening 2014) van de VSNU?2
Ja.
Klopt het dat in de Nederlandse gedragscode wetenschappelijke integriteit (2018) expliciet is opgenomen dat de Nederlandse Gedragscode Wetenschapsbeoefening (herziening 2014) wordt ingetrokken?
Ja. Met de start van de Nederlandse Gedragscode Wetenschappelijke Integriteit 2018 (NGWI2018) is de Nederlandse Gedragscode Wetenschapsbeoefening 2014 (NGW2014) ingetrokken omdat duidelijk moet zijn welke code van toepassing is bij een eventuele klachtenprocedure. Om die reden is de NGW2014 van toepassing gebleven op voltooide onderzoeken voor de inwerkingtreding van de NGWI2018 en voor gestarte onderzoeksactiviteiten die bij de inwerkingtreding van de NGWI2018 nog niet waren voltooid.
Klopt het dat in de geldende versie van 2018 de woorden «objectiviteit» en «waarheidsvinding» niet worden benoemd als normatief uitgangspunt en evenmin als zelfstandig kernbegrip worden gehanteerd?3
Ja. De Nederlandse Gedragscode Wetenschappelijke Integriteit 2018 is opgebouwd langs vijf fundamentele principes: eerlijkheid, zorgvuldigheid, transparantie, onafhankelijkheid en verantwoordelijkheid en spreekt niet over normatieve uitgangspunten of kernbegrippen. Deze principes komen voor een groot deel overeen met de principes uit de NGW2014. In beide codes worden de principes verder uitgelegd, waarbij in de NGW2014 de woorden «objectiviteit» en «waarheidsvinding» gebruikt zijn. In de NGWI2018 is gekozen voor andere woorden om de principes uit te werken.
Hoe reflecteert u op het feit dat de Kamer is geïnformeerd op basis van een passage die niet voorkomt in de geldende gedragscode wetenschappelijke integriteit?
Mijn reactie ging in de snelheid van het debat, het ging inderdaad ten onrechte over de vorige versie.
Indien door deze Kamervragen vast komt te staan dat de woorden objectiviteit en waarheidsvinding niet voor komen in de vigerende gedragscode van 2018, bent u dan bereid de motie alsnog «Oordeel Kamer» te geven?
Ik ben niet bereid om de motie Oordeel Kamer te geven. In de motie wordt gevraagd om invloed uit te oefenen op de inhoud van de NGWI, vanwege de onafhankelijkheid van deze code heb ik daar als Minister geen invloed op. De NGWI is een code die door instellingen uit het veld zelf wordt opgesteld. Zij zijn verantwoordelijk voor het creëren van een werkomgeving waarin wetenschappelijke integriteit is geborgd.
Bent u bereid deze vragen uiterlijk 11 mei 2026 te beantwoorden?
Ja.
Het bericht dat veel Nederlandse studenten die zich aanmelden voor numerus fixus studies waar veel behoefte aan is buiten de boot vallen |
|
Diederik Boomsma (CDA) |
|
Letschert |
|
|
|
|
Bent u bekend met het artikel van een hoogleraar Process analytics aan de TU/e, in Cursor, het journalistieke medium van de TU/e, over de numerus fixus op de studie bouw- en werktuigkunde en het gevolg dat veel Nederlandse aanmelders worden afgewezen, hoewel die ten opzichte van buitenlandse kandidaten een kleine minderheid vormen?1
Ja
Hoeveel Nederlandse kandidaten zijn uiteindelijk tot elk van de studies bouw- en werktuigkunde en informatica toegelaten? (Bij werktuigbouwkunde hebben volgens Cursor slechts 279 van de 1.445 aanmelders de Nederlandse nationaliteit, bij bouwkunde is dat 236 van de 509 aanmelders en bij informatica slechts 95 van de 820)
Het proces van plaatsing en inschrijving voor studiejaar 2026–2027 loopt op dit moment nog. Daarom zijn cijfers over de resultaten van de selectieprocedure waarover in het artikel wordt geschreven nog niet te geven. Om die reden zijn hieronder de cijfers voor studiejaar 2025–2026 weergegeven.
Aanmeldingen en instroom bij bacheloropleidingen TU/e met een numerus fixus naar herkomst voor studiejaar 2025–20262
NL (%)
EER (%)
niet-EER (%)
Totaal
Vooraanmeldingen
382
(30,0%)
340
(36,2%)
217
(23,1%)
939
(100%)
Deelgenomen aan selectie
274
(50,3%)
198
(36,3%)
73
(13,4%)
545
(100%)
Toegelaten/plaats aangeboden
244
(47,7%)
194
(38,0%)
70
(13,7%)
511
(100%)
Ingeschreven per 1 oktober 2025
194
(58,7%)
110
(33,2%)
27
(8,2%)
331
(100%)
NL (%)
EER (%)
niet-EER (%)
Totaal
Vooraanmeldingen
336
(16,3%)
841
(40,9%)
881
(42,8%)
2058
(100%)
Deelgenomen aan selectie
242
(19,4%)
591
(47,3%)
416
(33,3%)
1249
(100%)
Toegelaten/plaats aangeboden
122
(17,1%)
382
(53,7%)
208
(29,2%)
712
(100%)
Ingeschreven per 1 oktober 2025
88
(24,8%)
165
(46,5%)
102
(28,7%)
355
(100%)
NL (%)
EER (%)
niet-EER (%)
Totaal
Vooraanmeldingen
454
(23,8%)
841
(44,2%)
609
(40,0%)
1904
(100%)
Deelgenomen aan selectie
336
(27,2%)
599
(48,5%)
301
(24,4%)
1236
(100%)
Toegelaten/plaats aangeboden
232
(26,7%)
446
(51,4%)
190
(21,9%)
868
(100%)
Ingeschreven per 1 oktober 2025
192
(40,9%)
204
(43,5%)
73
(15,6%)
469
(100%)
Zoals is te zien, valt er een hoop studenten af tussen de vooraanmeldingen en de uiteindelijke deelname aan selectie, en wordt aan veel meer studenten een plaats aangeboden dan uiteindelijk ook daadwerkelijk worden ingeschreven. Dit heeft verschillende redenen. Veel studenten melden zich bij meerdere opleidingen aan en kiezen pas later waar ze ook daadwerkelijk meedoen aan de selectie of waar ze een aangeboden plaats accepteren. Ook vallen studenten af die niet aan de vooropleidingseisen voldoen. Ter vergelijking: ook bij niet-selecterende opleidingen valt een groot deel van de studenten die zich aanmelden nog af, voordat de opleiding is gestart. De TU/e laat weten dat van de 7570 vooraanmeldingen bij niet-selecterende opleidingen uiteindelijk slechts 1870 studenten zijn gestart.
Voor de context, en omdat de opleiding Luchtvaart- en Ruimtevaarttechniek van de TU Delft in deze vragen expliciet genoemd wordt, geef ik hierbij ook de instroomcijfers voor de opleiding Luchtvaart- en ruimtevaarttechniek.
NL (%)
EER (%)
niet-EER (%)
Totaal
Vooraanmeldingen1
668 (19,7%)
1560
(45,9%)
1168 (34,4%)
3396
(100%)
Ingeschreven per 1 oktober 20252
101
(23,1%)
261
(59,7%)
75
(17,2%)
437
(100%)
Bron: TU Delft.
Bron: DUO.
Hoe beoordeelt u dat niet één klasgenoot van de zoon van de auteur – allen uit de regio Eindhoven – is toegelaten tot de studie werktuigbouwkunde of bouwkunde, terwijl de regio Eindhoven een grote behoefte heeft aan werktuigbouwkundigen en informatici, de TU/e studenten afwijst die al in Eindhoven wonen en die studies willen volgen en bent u het ermee eens dat dit onwenselijk is?
Voor de genoemde klasgenoten is het natuurlijk jammer dat zij niet direct kunnen worden toegelaten. Het is heel fijn als studenten kunnen starten op de opleiding van hun eerste keus. Tegelijkertijd is dit vanwege capaciteitsgebrek en onvoldoende beschikbaarheid van docenten niet altijd overal mogelijk. Nederland kent een zeer toegankelijk onderwijsstelsel, waarbij in principe iedereen die een havo- of vwo-diploma heeft behaald met het juiste vakkenpakket, meteen toelaatbaar is voor een bacheloropleiding. Er zijn slechts zeer beperkt uitzonderingen hierop. Een numerus fixus is hier een voorbeeld van. Instellingen mogen enkel een numerus fixus instellen als een opleiding onvoldoende capaciteit heeft om alle studenten die zich aanmelden ook daadwerkelijk toe te laten, bijvoorbeeld omdat er onvoldoende docenten beschikbaar zijn om kwalitatief goed onderwijs te kunnen geven.
Van alle Nederlandse bacheloropleidingen heeft, op basis van cijfers van DUO, slechts 5% zo’n numerus fixus. De ervaring leert dat uiteindelijk veel kandidaten hun plaats niet accepteren, bijvoorbeeld omdat ze zich bij meerdere opleidingen hebben aangemeld voor selectie en pas nadat zij de uitslag daarvan hebben gehoord een keuze maken. Vaak maken ook studenten die lager op de ranglijst staan nog een reële kans om een plaats aangeboden te krijgen. Uiteindelijk kan slechts ± 5% van de aspirant-studenten niet starten op de eerste keus opleiding. Zij kunnen wel altijd terecht bij een tweede keus opleiding.3
Ik ben in dit kader overigens verheugd om te zien dat Nederlandse studenten het op basis van de cijfers van de TU/e bij antwoord 2 goed lijken te doen in de selectie. In alle gevallen is, afgezet tegen het aandeel internationale studenten, het percentage Nederlandse studenten dat start aan de opleiding groter dan het percentage Nederlandse studenten dat zich voor de opleiding had aangemeld en meedeed aan de selectie.
Hoe beoordeelt u het feit dat driekwart van de vooraanmeldingen bestaat uit buitenlandse studenten, waarmee de kansen voor Nederlanders aanzienlijk kleiner zijn geworden? (Aan de TU Delft heeft de Engelstalige bachelor Lucht- en ruimtevaarttechniek (LR) plek voor zo’n 440 eerstejaars, waarvoor ongeveer 3.000 studenten zich hebben aangemeld)
Het Nederlandse vervolgonderwijs leidt primair op voor de Nederlandse gemeenschap en arbeidsmarkt.4 Ik ben er trots op dat in Nederland onderwijs van zulke hoogwaardige kwaliteit wordt aangeboden, dat dit studenten trekt van over de hele wereld. De opleiding Luchtvaart- en ruimtevaarttechniek is hier een voorbeeld van. We kunnen dit internationale talent heel goed gebruiken, zeker ook in de technieksector. Die internationalisering moet wel in balans zijn, zodat kwaliteit, toegankelijkheid en doelmatigheid van het onderwijs geborgd blijven.
De instroom bij een opleiding zoals Luchtvaart- en ruimtevaart beoordeel ik vanuit het breder perspectief op het onderwijsstelsel, dat ook voor Nederlandse aspirant-studenten goed toegankelijk is. Gezien het feit dat op dit moment slechts een beperkt aantal bacheloropleidingen in de technieksector een numerus fixus heeft,5 maak ik mij nog geen zorgen over de toegankelijkheid van het stelsel – en hierbinnen de techniekopleidingen – voor Nederlandse studenten. Hoe vervelend het ook is dat een aspirant-student niet (meteen) kan worden toegelaten tot de opleiding van de eerste keuze, is er binnen Nederland altijd een hoogwaardig alternatief beschikbaar in de technieksector dat wel vrij toegankelijk is, regelmatig ook (gedeeltelijk) in het Nederlands.6 Het kan wel zijn dat daarvoor verder gereisd moet worden.
Tegelijkertijd zien we dat het aantal aanmeldingen bij deze zeer populaire studies nog altijd sterk stijgt. Het aantal aanmeldingen voor Luchtvaart- en ruimtevaarttechniek is vanaf 2022 bijvoorbeeld bijna verdubbeld van ruim 2200 naar bijna 4400 aanmeldingen in 2026. Die stijging komt met name van internationale studenten. Het aandeel niet-EER-studenten steeg van 30% naar 42%. Het is ook zeer moeilijk om te sturen op aanmeldingen. Wel kan er binnen bepaalde grenzen ingegrepen worden op wie wordt toegelaten. De reeds aangekondigde mogelijkheid voor een fixus op niet-EER-studenten zou de toegankelijkheid voor Nederlandse studenten en andere EU-studenten op deze opleidingen dus ten goede komen (zie ook antwoord 9). Instellingen vragen ook al jaren om deze mogelijkheid. Voor het overige kan alleen worden geselecteerd op basis van (ten minste twee) kwalitatieve selectiecriteria. Daarbinnen gaan instellingen zelf over de invulling van hun selectieprocedure. Selecteren op basis van nationaliteit is niet mogelijk.
Ervan uitgaande dat de Nederlandse kandidaten voor Lucht- en ruimtevaart even goed scoren op de toelatingstoetsen als hun buitenlandse concurrenten, zou dat betekenen dat zij uiteindelijk 100 van de 440 plaatsen innemen; hoe beoordeelt u deze uitkomst?
Zie antwoord vraag 4.
Bent u het ermee eens dat het de primaire taak van de Nederlandse regering is om het mogelijk te maken voor Nederlandse studenten om deze studies te kunnen volgen, bij voorkeur en indien zij dat wensen, in hun eigen regio? Graag een toelichting.
Zie antwoord vraag 4.
Bent u het ermee eens dat het een onwenselijk gevolg is van het hanteren van een numerus fixus bij een Engelstalige opleiding dat Nederlandse studenten uit de eigen regio een hoge kans hebben om buiten de boot te vallen? Graag een toelichting.
Op dit moment zijn er geen indicaties dat grote groepen studenten buiten de boot vallen als gevolg van een numerus fixus bij een Engelstalige opleiding. Mocht dat in de toekomst wel dreigen te gebeuren, dan kunnen de in het wetsvoorstel Wet internationalisering in balans voorgestelde aanvullende fixusinstrumenten mogelijk een oplossing bieden (zie ook antwoord 9), naast de reeds bestaande mogelijkheid om bij bacheloropleidingen een aparte fixus in te stellen voor een Nederlandstalig en Engelstalig traject binnen dezelfde opleiding.
De universiteiten hebben eerder in hun zelfregieplannen rondom internationalisering ook voorgesteld om vaker een Nederlandstalig traject naast een Engelstalig traject te starten. Ik juich het van harte toe als instellingen dit vaker doen. Daarbij is wel voorwaardelijk dat er voldoende Nederlandstalig personeel beschikbaar is. Ik zal dit meenemen in mijn gesprekken met de instellingen over internationalisering en de zelfregie.
Zou een oplossing zijn om bij Engelstalige opleidingen waarvoor een numerus fixus bestaat, in ieder geval ook een traject aan te bieden met een belangrijk deel aan Nederlandstalige lessen en hoe ziet u de wenselijkheid van dergelijke stappen?
Zie antwoord vraag 7.
Is het (juridisch) mogelijk om opleidingen te verplichten om een minimum aantal plaatsen te reserveren voor Nederlandse studenten?
Het stelsel van toelating en selectie bij numerus fixusopleidingen is gestoeld op de gedachte dat de meest geschikte student een van de beperkte plaatsen krijgt toegewezen. Er is binnen het EU-recht geen ruimte om daarbij onderscheid te maken naar nationaliteit en dus Nederlanders voorrang te geven. Wel kan het onder voorwaarden mogelijk gemaakt worden om onderscheid te maken tussen EER- en niet-EER-studenten. Het wetsvoorstel Wet internationalisering in balans bevat een wijziging van de WHW om dit mogelijk te maken. De voorgestelde niet-EER-fixus zou echter altijd een instrument zijn voor instellingen zelf om in te zetten. Het is niet mogelijk om instellingen te verplichten hier gebruik van te maken.
Mede naar aanleiding van de afspraken in het coalitieakkoord wordt nu gewerkt aan een nota van wijziging voor dit wetsvoorstel, waardoor de behandeling van de wet vertraging oploopt. Ik heb uw Kamer eerder toegezegd u rond de zomer te informeren over het vervolg van dit wetsvoorstel.
Welke mogelijke oplossingen ziet u om ervoor te zorgen dat Nederlandse studenten ook terecht kunnen bij de studies en op die onderwijsinstellingen waar ze willen studeren, met name bij studies die opleiden voor tekorten in de arbeidsmarkt?
Vooropgesteld wil ik nogmaals benadrukken dat veruit de meeste Nederlandse studenten (95%) terecht kunnen bij de studie en onderwijsinstelling waar ze bij voorkeur willen studeren. Slechts 5% moet, als gevolg van een negatieve uitkomst van selectie, uitwijken naar een tweede keus opleiding.7 Ook in de technische sectoren waar het hier om gaat, heeft slechts 4,2% van de opleidingen een capaciteitsbeperking.8 In sommige gevallen van techniek-opleidingen met een numerus fixus, is er zelfs aan een andere Nederlandse universiteit een vrij toegankelijk alternatief beschikbaar.9 Er is in Nederland dus altijd voldoende ruimte om studenten op te leiden in de technieksector; in een enkel geval zal een aspirant-student echter moeten gaan voor een alternatieve techniekopleiding.
Het kabinet investeert daarnaast binnen het project Beethoven ook in het vergroten van de capaciteit van opleidingen binnen de technieksector. Voor 2025 en 2026 is incidenteel ruim € 80 miljoen beschikbaar gesteld voor het initiële onderwijs in de vier regio’s (Brainport, Twente, Zuid-Holland, Noorden). In totaal is incidenteel € 450 miljoen beschikbaar gesteld tot en met 2030 voor het initiële onderwijs en voor leven lang leren. Structureel is vanaf 2031 een bedrag van € 80 miljoen beschikbaar.
Bij welke opleidingen in Nederland met een numerus fixus, die opleiden voor sectoren waar tekorten in bestaan, worden Nederlandse studenten vaak afgewezen mede door de grote belangstelling van buitenlandse studenten?
Het ministerie noch DUO beschikken over aanmeldcijfers bij numerus fixusopleidingen. Bij DUO worden alleen daadwerkelijke inschrijvingen geregistreerd. Op basis van de beschikbare informatie is het niet mogelijk om een vergelijking te maken tussen aanmeldingen en toelatingen. Als die informatie er wel was geweest, was het overigens ook moeilijk geweest om een causaal verband vast te stellen tussen de grote belangstelling van buitenlandse studenten voor bepaalde studies, en de kans om toegelaten te worden voor Nederlandse studenten. Zoals eerder aangegeven is niet alleen de selectieprocedure bepalend voor de vraag of een student die zich heeft aangemeld voor een opleiding, ook daadwerkelijk (kan) start(en) met die opleiding. Studenten maken in veel gevallen ook zelf vrijwillig de keus om toch aan een andere opleiding te beginnen.
Ik wil hier nogmaals benadrukken dat slechts 5% van de Nederlandse aspirant-studenten uiteindelijk niet aan de opleiding van de eerste keus kan beginnen, en er in Nederland altijd een alternatief beschikbaar is, ook in de technieksector, dat zonder selectie toegankelijk is.
Welke ondersteuning is er voor Nederlandse studenten die zich willen inschrijven in studie met numerus fixus met selectie op academische kwaliteit om meer kans te maken om een hoog inschrijfnummer te krijgen?
Sommige instellingen bieden ondersteuning ter voorbereiding op de selectieprocedure, maar daarbij kan geen onderscheid worden gemaakt tussen Nederlandse aspirant-studenten en aspirant-studenten van buiten Nederland, vanwege het verbod op discriminatie op basis van nationaliteit binnen de EER. Ook zijn er commerciële bureaus die aspirant-studenten tegen betaling kunnen voorbereiden op selectie, hetgeen ik met het oog op kansengelijkheid een onwenselijke situatie vindt, maar wat helaas niet verboden kan worden binnen de vrije markt.
Wat is het doel van deze taalgids en is het doel van de gids bereikt?1
Naar aanleiding van maatschappelijke ontwikkelingen, zoals de Black Lives Matter demonstraties en het Toeslagenschandaal hebben zowel de toenmalig Minister-President als de toenmalige Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap besloten tot een rijksbrede inzet tegen discriminatie en racisme. Binnen OCW heeft dit geleid tot een tijdelijke programmatische aanpak, met de OCW Agenda tegen Discriminatie en Racisme die door mijn voorgangers met uw Kamer is gedeeld in 2022.2 In deze Agenda werd het belang van «inclusief taalgebruik» benoemd. De taalgids is daarna ambtelijk tot stand gekomen als beoogd hulpmiddel, slechts voor medewerkers van het ministerie.
Wanneer is het Programma tegen Discriminatie en Racisme (PDR) ontstaan en waar is besloten een taalgids te maken? Wanneer bent u of uw voorganger akkoord gegaan met de taalgids?
Zie het antwoord op vraag 1.
Wat zijn de kosten verbonden aan dit programma?
Voor de tijdelijke programmatische aanpak is tussen 2022–2028 incidenteel € 12,4 miljoen extra vrijgemaakt.3 Dit geld is begroot voor projecten, samenwerking en subsidies o.a. op het gebied van lesmateriaal, onderadvisering, kennis over koloniaal- en slavernijverleden en het tegengaan van discriminatie en racisme op de werkvloer.
Tijdens het Vragenuurtje liet de Staatssecretaris de Kamer weten deze Taalgids min of meer overbodig te vinden en deze «in de kast te leggen». Bent u ervan op de hoogte dat in de Taalgids staat dat deze elk jaar zal worden herzien? Wat vindt u daarvan?
Zoals ik heb aangegeven is de taalgids niet langer in gebruik op het ministerie. De digitale versie van de gids is niet meer te raadplegen via het OCW-Rijksportaal voor (OCW-)ambtenaren, en fysieke exemplaren zijn voor zover mogelijk teruggenomen. Geplande herzieningen van de taalgids vinden dus niet plaats. De motie Van Houwelingen c.s.4 beschouw ik met deze acties als uitgevoerd. Uiteraard blijft het ministerie vanuit ambtelijk vakmanschap streven naar zorgvuldige, gelijkwaardige, duidelijke en begrijpelijke communicatie in woord en geschrift.
Bent u voornemens om de makers van deze Taalgids de opdracht te geven geen jaarlijkse herziening te maken? Zo nee, waarom niet? Zo ja, wanneer heeft u dat gedaan of gaat u dat doen?
Ja. Zie het antwoord op vraag 4.
Hoeveel fte c.q. personen werken bij de afdeling die deze taalgids hebben gemaakt?
Eén medewerker van het ministerie heeft de ontwikkeling van de taalgids in de periode tussen de zomer van 2023 en de zomer van 2025 begeleid, naast andere werkzaamheden. Daarnaast waren zo’n 30 tot 35 medewerkers voor enkele uren in die periode betrokken, door mee te denken of mee te lezen.
Hoeveel fte c.q. personen van andere afdelingen hebben geholpen bij het tot stand brengen van deze taalgids? Van welke afdelingen waren deze fte c.q. personen?
Zie antwoord vraag 6.
Hoeveel uur is er in totaal aan deze taalgids besteed?
Zie antwoord vraag 6.
Wat zijn de werkzaamheden van het PDR? Vanuit welke behoefte bestaat dit programma en welk probleem lost het op?
De programmatische aanpak ziet onder meer op: de OCW-brede coördinatie op de uitvoering van de Strategie Bestrijding Antisemitisme, de samenwerking met de Nationaal Coördinator tegen Discriminatie en Racisme, de OCW-brede coördinatie op het «proces na de komma» met beleidsintensiveringen op het koloniaal- en slavernijverleden en de samenwerking met de Nationaal Coördinator Antisemitisme Bestrijding. Zie het antwoord op vraag 1 voor het ontstaan van de tijdelijke programmatische aanpak van discriminatie en racisme en de OCW Agenda tegen Discriminatie en Racisme.5
Hoeveel en welke organisaties c.q. organisatieonderdelen c.q. mensen zijn om advies gevraagd bij het vormgeven van het PDR in het algemeen en de Taalgids in het bijzonder?
De taalgids is ambtelijk ontwikkeld op basis van wat het ministerie al had samengebracht binnen het OCW-domein aan maatschappelijke en sectorale bronnen op het gebied van inclusieve taal. Uit het bestaande netwerk van externe adviseurs is nadere expertise gebruikt, waaronder van ECHO Expertisecentrum Diversiteitsbeleid en IZI Solutions.
Welke en hoeveel ministeries maken nog meer gebruik van dit soort taalgidsen of vergelijkbare regels dan wel adviezen?
Het Ministerie van Algemene Zaken heeft het rijksbrede Taalkompas ontwikkeld, een praktische schrijfhulp voor alle rijksambtenaren, met kennis over transparant, begrijpelijk en toegankelijk communiceren vanuit de rijksoverheid. Daarnaast ben ik niet bekend met rijks- of departementale taalgidsen.
Omdat het zorgvuldig, gelijkwaardig, duidelijk en begrijpelijk communiceren onderdeel is van het ambtelijk vakmanschap, ga ik er vanuit dat ambtenaren zich per onderwerp zullen bekwamen, specifiek op het eigen dossier, voor eigen gebruik. Bijvoorbeeld zoals het Programma Maritiem Erfgoed van de Rijksdienst Cultureel Erfgoed heeft gedaan voor het eigen team en de directie Emancipatie van OCW heeft gedaan op het gebied van gender en lhbtiq+.
Wordt deze Taalgids meegestuurd aan contacten van het ministerie? Zo ja, wanneer en aan wie?
De taalgids is nadrukkelijk ontwikkeld als naslagwerk alleen voor medewerkers van het ministerie. De gids is daarnaast op een enkel specifiek verzoek gedeeld met collega’s van andere rijksorganisaties.
Zijn dergelijke taalgidsen dan wel taaladviezen onderdeel van subsidievoorwaarden? Zo ja, welke?
Nee.
Kan de Minister toezeggen om bij haar collega’s aan te dringen om elke taalgids van andere ministeries te delen met de Kamer? Zo nee, waarom niet?
Nee, ik laat het aan de andere bewindspersonen om hier de afweging over te maken.
Heeft u aan de landen c.q. de inwoners in het Midden-Oosten gevraagd of zij voortaan «Zuidwest-Azië» genoemd willen worden? Zo ja, welke waren het eens en welke niet? Zo nee, getuigt het niet van een neokoloniale benadering van deze landen door te bepalen hoe ze genoemd moeten worden?
Nee. Het uitgangspunt van de taalgids was gelijkwaardige communicatie te bevorderen zonder drempels.
Heeft u representatief onderzoek gedaan onder Generatie X of zij die benaming vervelend vinden? Zo nee, waar baseert u dan de overtuiging op dat zij zich gekwetst voelen om zo genoemd te worden?
Nee. Zie het antwoord op vraag 15.
Heeft u bij de afweging om Generatie X een kwetsende naam te vinden afgewogen dat het voorstelbaar is dat de Generatie X dermate veel levenservaring heeft dat zij een kwalificatie als «Generatie X» ook nog wel overleven?
Nee. Zie het antwoord op vraag 15.
Waar komt volgens de bewindspersonen de behoefte vandaan om taal te «dekoloniseren»?
De suggesties in de taalgids waren in lijn met de inspanningen van het kabinet in het vervolgtraject excuses Slavernijverleden.6
Hoe is er in de Taalgids gekomen tot het «doorbreek van machtsverhoudingen»? Hoe bepaal je hoeveel macht iemand heeft? En wie gaat dan de macht verdelen? Is het aan de overheid om die veronderstelde macht te verdelen? Zo ja, waar baseert u dat dan op?
De taalgids had als doel om bewustwording te vergroten van hoe taal in bepaalde situaties als ongelijk of afstandelijk kan worden ervaren. De gids beoogde handvatten te geven om in communicatie onnodige drempels te verlagen en toegankelijker en gelijkwaardiger te formuleren.
Tijdens het Vragenuurtje van 7 april jl. leek de Staatssecretaris aan te geven dat de Taalgids op eigen ambtelijk initiatief tot stand is gekomen. Klopt dat? Zo nee, waarom zei de Staatssecretaris dat dan? Zo ja, is het aan ambtenaren om het bij uitstek politieke vraagstuk van verdeling van macht te adresseren met een Taalgids?
De tijdelijke programmatische aanpak van discriminatie en racisme is een formeel besluit geweest. De taalgids is ambtelijk tot stand gekomen als beoogd hulpmiddel, slechts voor medewerkers van het ministerie.
Heeft u aan inheemse volkeren gevraagd of zij het vervelend vinden om «inheems» genoemd te worden en of zij voortaan liever «oorspronkelijke bewoners» willen worden genoemd? Zo nee, is dit dan niet bij uitstek een neokoloniale benaderingswijze van deze volkeren?
Nee. Zie het antwoord op vraag 15.
Vanuit waar komt de behoefte bij u om illegale vluchtelingen voortaan «mensen die op de vlucht zijn» te noemen? Welk probleem lost dit volgens u op?
Zie het antwoord op vraag 15.
Hoe denkt u dat het schrappen van de woorden «Moederdag» en «Vaderdag» overkomt op mensen die de afgelopen maanden hun vader of moeder hebben verloren en dit jaar Moederdag of Vaderdag met groot gemis vieren? Heeft u deze groep gevraagd of zij het eens zijn met het schrappen van het woord «Moederdag» en «Vaderdag»? Telt het gekwetst zijn van deze groep als aanleiding om een taalgids aan te passen c.q. af te schaffen? Zo nee, waarom niet?
Nee. Zie het antwoord op vraag 15.
Hoe reflecteert u op het feit dat zelfs «Beste dames en heren» moet worden vervangen voor «Beste collega, Beste geadresseerde, Beste mensen»? Bent u het eens dat het Ministerie van OCW volledig is doorgeslagen?
Nee. Zie het antwoord op vraag 15.
Waar is volgens u het dedain vandaan gekomen op het Ministerie van OCW om voor een brede groep te bepalen wat die wel en niet mogen zeggen?
Zie het antwoord op vraag 15.
Bent u het eens met de stelling dat de Taalgids vol staat met tegenstrijdigheden? Bent u het eens dat uitgangspunt 1 wordt ondermijnd door uitgangspunt 5; als je mensen als groep behandelt, kun je ze niet meer als individu behandelen. Wie mag er eigenlijk nog spreken namens de groep?
Laat me vooral zeggen dat het belangrijk is dat mensen niet gereduceerd worden tot een eigenschap of kenmerk. Het uitgangspunt van de taalgids was gelijkwaardige communicatie te bevorderen zonder drempels.
Aangezien deze taalgids tot stand kwam met kennis en advies van verschillende deskundigen en organisaties die zich inzetten voor antidiscriminatie, welke deskundigen en organisaties zijn dat? Worden deze geheel of gedeeltelijk betaald uit de door de Staatssecretaris genoemde € 40.000? Zo nee, waar dan uit? Wat is dan het totaalbedrag?
De taalgids is ambtelijk ontwikkeld op basis van wat het ministerie al had samengebracht binnen het OCW-domein aan maatschappelijke en sectorale bronnen op het gebied van inclusieve taal. Uit het bestaande netwerk van externe adviseurs is expertise gebruikt (€ 3.388). Deze kosten vallen onder het eerder genoemde budget van de tijdelijke programmatische aanpak.
Hoe kijkt u aan tegen de zin in de Taalgids: "Om gelijkwaardigheid te bevorderen, is soms een onconventionele aanpak nodig»? Bent u het eens dat die onconventionele aanpak verdacht veel lijkt op dat ambtenaren gaan bepalen wat gelijkwaardigheid is en daar «onconventionele» taal voor ontwikkelen?
Nee. Zie het antwoord op vraag 15.
Hoe werkt deze Taalgids volgens u door in delen van het onderwijs? Is daar actief beleid op? Zo ja, waarom wordt dat wenselijk geacht?
Nee, het uitgangspunt van de taalgids was om gelijkwaardige communicatie te bevorderen zonder drempels. Zie verder het antwoord op vraag 20.
Bent u bekend met de wetenschappelijke theorieën die stellen dat de taal die je spreekt invloed heeft op hoe je denkt, waarneemt en de wereld begrijpt? Bent u het eens met de stelling dat deze taalgids invloed heeft op de manier van denken van ambtenaren en daarbuiten? Is dat wenselijk?
Taal doet er toe in alle aspecten van onze samenleving. Het uitgangspunt van de taalgids was gelijkwaardige communicatie te bevorderen zonder drempels.
In het boek van George Orwell, 1984 staat het volgende citaat: «Don’t you see that the whole aim of Newspeak is to narrow the range of thought?»; ziet u hoe met deze Taalgids en de daarin opgenomen «newspeak» uiteindelijk het denken beperkt wordt? Zo nee, waarom niet?2
Nee, zie het antwoord op vraag 15.
De geplande uitbreiding van de handel in apen voor dierproeven |
|
Ines Kostić (PvdD) |
|
Silvio Erkens (VVD), Letschert |
|
|
|
|
Bent u ervan op de hoogte dat in Tilburg een grote apenhandelaar is gevestigd, genaamd Hartelust, die ongeveer 1.000 apen houdt in een loods op een industrieterrein?
Ja.
Bent u ermee bekend dat dit bedrijf functioneert als doorvoerhaven voor apen uit het buitenland en deze dieren vervolgens weer worden doorverkocht aan proefdiercentra binnen en buiten Europa?
Ja, dit bedrijf heeft een vergunning om deze dieren in te voeren, te verhandelen en te fokken onder de wet op de dierproeven en staat daarmee ook onder toezicht van de NVWA.
Kunt u bevestigen dat Nederlandse onderzoeksinstellingen geen apen kopen van deze handelaar en dat dit bedrijf dus geen bijdrage levert aan het Nederlandse onderzoeks- en wetenschapsbeleid (Kamerstuk 36 410 VIII, nr. 37)?
Ja, naar aanleiding van het KNAW advies «Gebruik van niet-humane primaten als proefdier. Nut en noodzaak?» uit 2014 (Kamerstuk 32 336, nr. 30) is met onderzoeksinstellingen overeengekomen dat onderzoek met niet-humane primaten (NHP) in Nederland bij voorkeur in het Biomedical Primate Research Centre (BPRC) of met dieren afkomstig van het BPRC wordt uitgevoerd. In uitzonderlijke situaties waarbij het BPRC niet aan de vraag kan voldoen, zoals bij uitbraken van infectiezieken, kunnen onderzoekinstellingen dieren betrekken van andere gekwalificeerde leveranciers (Kamerstuk 32 336, nr. 44). Ik heb geen signalen ontvangen dat Nederlandse onderzoeksinstellingen in de afgelopen jaren van deze afspraak zijn afgeweken.
Bent u ermee bekend dat de apen die door deze handelaar worden verhandeld in buitenlandse laboratoria worden gedwongen om experimentele medicijnen te nemen, worden ziekgemaakt met synthetische stoffen zoals heroïne, elektroden in de hersenen krijgen ingeplant en met opzet worden vetgemest zodat ze diabetes krijgen? Wat vindt u hiervan?1
Ik kan me goed voorstellen dat er maatschappelijke verontwaardiging is over het verhandelen en gebruik van proefdieren en het gebruik van apen in het bijzonder. Ik ben er mee bekend dat de apen van deze handelaar worden verhandeld naar buitenlandse (hoofdzakelijk Europese) onderzoeksinstellingen waar zij kunnen worden ingezet voor proefdieronderzoek. Binnen de EU is deze praktijk alleen toegestaan als is voldaan aan stevige randvoorwaarden aan onderzoek met proefdieren en met niet-humane primaten in het bijzonder. Ik benoem hier richtlijn (2010/63/EU) die binnen de EU van toepassing is op proefdieronderzoek. Deze richtlijn bevat bepalingen voor onderzoek, fok, handel en verzorging van de dieren. Voor NHP onderzoek gelden er ten opzichte van onderzoek met andere diersoorten binnen deze richtlijn nog aanvullende eisen. Onderzoek met proefdieren is alleen toegestaan na een zorgvuldige afweging. Bij een aanvraag voor onderzoek met NHP moet er met een wetenschappelijke motivering aangetoond worden dat het doel van het onderzoek niet kan worden bereikt door het gebruik van een andere diersoort. Voor NHP (en tevens ook voor honden en katten) moet vanaf de geboorte een individueel levensloopdossier worden bijgehouden, zodat deze dieren de verzorging, huisvesting en behandeling kan worden geboden die op hun individuele behoeften en kenmerken zijn afgestemd. Op Europees niveau wordt er gerapporteerd over dierproeven in ALURES (Animal Use Reporting – EU System). ALURES bestaat uit twee delen, een deel niet-technische samenvattingen (NTS) en een deel met statistische data. De NTS geeft o.a. inzicht in het geplande onderzoek over een periode van 5 jaar, het verwachte benodigde aantal dieren en een inschatting van de mate van ongerief. Daarbij wijs ik erop dat binnen het dierproevendomein «ongerief» de aantasting van het dierenwelzijn betekent, en niet alleen «pijn». Daarmee wordt meer bedoeld dan alleen pijn. Ook zaken als stress, alleen-zijn, Ook zaken als angst en ziekte worden daarin meegerekend. De richtlijn classificeert «ongerief» in drie categorieën: licht, matig of ernstig. Dieren die zonder voorafgaande handeling onder verdoving gedood worden, worden geregistreerd als «terminaal onder anesthesie». De database met statistische data rapporteert per kalender jaar en geeft o.a. inzicht in het daadwerkelijk gebruikte aantal dieren en de mate van ongerief. Binnen beide omgevingen is het mogelijk om informatie verder uit te splitsen bijvoorbeeld op basis van land, diersoort en algemeen onderzoeksdoel.
Het exporteren van deze dieren naar landen buiten de EU is wettelijk gezien toegestaan. Wel wil ik hierover met betrokken partijen in gesprek om te bezien hoe transporten van apen ten behoeve van proefdieronderzoek naar derde landen tot een minimum kunnen worden beperkt.
Kunt u bevestigen dat veel van deze apen tijdens de proef overlijden of na afloop alsnog worden gedood? Wat vindt u hiervan? Zo nee, op welke onafhankelijke bronnen baseert u zich?
Dat dieren overlijden -in veel gevallen doormiddel van euthanasie- is helaas inherent aan proefdieronderzoek. Het is een confronterende waarheid die nu onlosmakelijk verbonden is met onderzoek voor medische vooruitgang en veiligheid voor mens dier en milieu. Op basis van NTS gegevens uit ALURES van 2022 tot en met 2025 is te zien dat er binnen de EU 553 projecten zijn ingediend waarin onderzoek met NHP is opgenomen. Veruit het meeste NHP-onderzoek wordt ingeschat op matig (79,4%) of mild (16,3%) ongerief. Onder de categorie ernstig ongerief valt 3,1% van het onderzoek. De laatste 1,2% valt onder terminaal onderzoek dat onder narcose plaatsvindt, waaruit de dieren niet meer ontwaken. Uit deze gegevens blijkt dat in totaal 70% van de NHP tijdens of na het onderzoek wordt gedood, bijvoorbeeld voor vervolgonderzoek op weefsels. De overige 30% wordt herplaatst of hergebruikt. Of proefdieren tijdens of na een proef overlijden hangt af van het soort onderzoek dat wordt gedaan. Dit wordt meegenomen in de toetsing vooraf en is onlosmakelijk verbonden met het doen van dierproeven.
Daar waar proefdieronderzoek nog absoluut onmisbaar is vind ik het belangrijk dat dit zeer zorgvuldig gebeurt conform ethische en wettelijke kaders. Daarnaast wil ik met grote vaart inzetten op de ontwikkeling van proefdiervrije innovaties om zo proefdieronderzoek zoveel als mogelijk overbodig te maken.
Bent u ermee bekend dat de betreffende apenhandelaar er in 2024 voor heeft gezorgd dat er via Nederland een tuberculose-uitbraak is verspreid?2
Ja, het betrof hier een specifieke tuberculose variant waarop vóór deze uitbraak niet standaard werd getest. Inmiddels is de procedure hierop aangepast. Door strikte eisen in omgang met proefapen is de uitbraak beperkt gebleven tot de dieren en zijn er geen mensen besmet geraakt.
Bent u ermee bekend dat zowel de gemeente Tilburg als de provincie Noord-Brabant willen optreden tegen deze apenhandelaar, maar hier geen juridische mogelijkheden voor hebben en daarom de toenmalige Minister hebben verzocht om de handel in apen als proefdieren te verbieden?3, 4
Daar ben ik mee bekend. Het bedrijf heeft een vergunning om deze dieren in te voeren, te verhandelen en te fokken. Een verbod op de handel in apen als proefdieren is binnen de EU niet mogelijk omdat artikel 2 van de richtlijn lidstaten daar geen ruimte voor biedt.
Klopt het dat hier nog altijd geen uitvoering aan is gegeven?
Zie antwoord vraag 7.
Bent u ermee bekend dat Hartelust wil uitbreiden en een nieuwe loods heeft gekocht waar ze penseelapen willen gaan fokken?5
Ja, daar ben ik mee bekend.
Wat vindt u ervan dat een commerciële handelaar mogelijk wil uitbreiden met het fokken van extra apen, terwijl tegelijkertijd steeds meer wetenschappelijke instellingen juist inzetten op proefdiervrije innovatie?
Ik ben blij met de ontwikkeling dat wetenschappelijke instellingen inzetten op proefdiervrije innovatie. Proefdieronderzoek is nog steeds nodig voor bepaald type onderzoek. Bijvoorbeeld voor complex onderzoek naar hersenziektes zoals dementie of infectiebestrijding zoals Covid.
Fokken met en handel in apen is toegestaan binnen de vergunning van dit bedrijf op basis van de Wet op de dierproeven. Daarbij vind ik het van belang dat de omvang van de fok van en handel in deze dieren proportioneel blijft in relatie tot de behoefte en noodzakelijkheid van onderzoek binnen de EU. Daarom ga ik zoals aangegeven in mijn antwoord op vraag 4 met betrokkenen in gesprek om handel naar derde landen tot een minimum te beperken.
Bent u bereid om deze uitbreiding tegen te houden? Zo nee, waarom niet?
Ik ben verantwoordelijk voor de Wet op de Dierproeven die gebaseerd is op de EU-richtlijn. Als het bedrijf voldoet aan de eisen uit die wet heb ik geen grondslag om in te grijpen. Een bedrijf of organisatie mag enkel proefdieren fokken of afleveren met een instellingsvergunning, daarmee staat de instelling ook onder toezicht van de NVWA. Een van de eisen is dat enkel bevoegd en bekwaam personeel met proefdieren mag werken.
Deelt u de mening dat het verslepen van apen over de hele wereld en het commercieel verhandelen van apen aan proefdiercentra in het buitenland zeer onwenselijk is? Zo nee, waarom niet?
Ik vind het belangrijk dat proefdieren zo weinig mogelijk ongemak ervaren in hun leven. Transport is daarvoor niet bevorderlijk, maar soms echter onvermijdelijk om de juiste proefdieren op de juiste locatie voor onderzoek te krijgen. Ik ben blij dat er strikte Europese en internationale regels zijn die gezondheid en welzijn van de dieren borgen en verspreiding van ziekten voorkomen.
Bent u bereid om een einde te maken aan het houden van apen ten behoeve van de commerciële handel voor dierproeven? Zo nee, waarom niet?
Daartoe heb ik niet de mogelijkheid, omdat dit in strijd zou zijn met de richtlijn (2010/63/EU), zie ook mijn antwoord op vraag 7. Wel blijf ik mij onverminderd inzetten voor het waarborgen van het welzijn van proefdieren en de ontwikkeling van proefdiervrije innovaties.
Kunt u deze vragen één voor één en binnen de daarvoor gestelde termijn beantwoorden?
Het is niet gelukt de vragen binnen de gestelde termijn van drie weken te beantwoorden, vanwege het nodigde uitzoekwerk en afstemming binnen het Ministerie van LVVN, het Ministerie van OCW en met de NVWA. Hierover heeft u op 11 mei een uitstelbrief ontvangen.
Het bericht dat de NPO later dit jaar enkel de gekuiste versie van de film Land van Johan wil uitzenden. |
|
Martin Bosma (PVV) |
|
Letschert |
|
|
|
|
Bent u bekend met het bericht van filmmaker Eddy Terstall dat de NPO later dit jaar de gekuiste versie van zijn film Land van Johan wil uitzenden?1
Ja.
Wat is uw reactie op het feit dat de NPO dus kennelijk eist dat een gelauwerde filmmaker zijn eigen film aanpast?
Uit navraag bij de NPO blijkt dat van genoemde geen sprake is. Het is de vrije redactionele keuze van de omroep om een film uit te zenden en waar nodig afspraken met rechthebbenden te maken. De afwegingen die ten grondslag liggen aan die keuzes ken ik niet en daar ga ik ook niet over.
Deelt u de mening dat dit volstrekt absurd is? Zo nee, waarom niet?
Zie mijn antwoord op vraag 2.
Kunt u aangeven wat de redenen van de NPO zijn om te eisen dat deze film wordt gekuist? Zo nee, waarom niet?
Zie mijn antwoord op vraag 2.
Kunt u uitleggen of dit nu de normale gang van zaken is bij de NPO en zo ja, welke andere films, series of documentaire gekuist zijn of in de toekomst nog gekuist zullen gaan worden? Zo nee, waarom niet?
De publieke omroep gaat, binnen de grenzen van de wet en de publieke mediaopdracht, zelf over zijn programmering.
Kunt u vertellen waar Nederlanders hun NPO-abonnement kunnen opzeggen? Zo nee, waarom niet?
De publieke omroep is een publieke voorziening die bekostigd wordt via de rijksmediabijdrage en Ster-inkomsten, niet via abonnementen.
De gedane toezegging bij het plenair debat over 4 jaar oorlog in Oekraïne |
|
Chris Stoffer (SGP), Fatihya Abdi (PvdA) |
|
Letschert , Rob Jetten (D66) |
|
|
|
|
Herinnert u zich uw toezegging uit het plenair debat over 4 jaar oorlog in Oekraïne van 24 maart 2026, om de Kamer te informeren over het langetermijnbeleid richting de Oekraïense studenten die zich vóór 1 mei a.s. moeten inschrijven bij een studie en geen recht hebben om alleen het wettelijk collegegeld te betalen?
Bij het debat over 4 jaar oorlog in Oekraïne heeft de Minister-President toegezegd voor het komend collegejaar nog één keer te kijken naar de mogelijkheden om Oekraïense studenten tegen het wettelijk collegegeld toegang te geven tot het hoger onderwijs, in lijn met het verzoek van het lid Stoffer mede namens het lid Abdi.
Ik wil allereerst benadrukken dat ik goed begrijp dat Oekraïense ontheemden graag duidelijkheid willen hebben. De omstandigheden die hen naar Nederland hebben gebracht zijn vreselijk, en ik begrijp dat zij zorgen hebben over hun toekomst.
We zijn op dit moment bezig om de mogelijkheden te bekijken voor Oekraïense studenten die willen studeren in het collegejaar 2026–2027. Daarbij zijn wij ervan bewust dat de inschrijvingsdatum van 1 mei a.s. nadert. Tegelijkertijd willen wij ook geen onjuiste verwachtingen wekken bij een kwetsbare doelgroep.
Om hoeveel studenten gaat het hierbij en welk bedrag zou voor dit studiejaar gemoeid zijn om voor dit aantal Oekraïense studenten het lagere wettelijk collegegeld te berekenen? En hoe staat het met de regeling voor de studiejaren hierna?
Zoals met uw Kamer gedeeld in de brief Appreciaties van amendementen op de OCW-begroting (VIII) van 20 maart jl. (kenmerk: Kamerstukken II 2025/2026, 36 800 VII, nr. 136) gaat het om een geraamd aantal van 9.908 ontheemden uit Oekraïne die mogelijk in aanmerking zouden komen voor hbo- en wo-onderwijs in collegejaar 2026–2027. De verwachting is dat deze groep, als het wettelijk verlaagd collegegeld gaat gelden, de komende jaren gaat studeren – al is niet op voorhand te zeggen welk deel van de groep dat komend jaar al zou doen. Voor die gehele groep zou € 100.253.100 exclusief uitvoeringskosten nodig zijn.
Ik begrijp de wens van uw Kamer om iets te willen betekenen voor deze doelgroep en zie ook zeker de urgentie daarvan. Tegelijkertijd is het ook zo dat het inperken van deze doelgroep, bijvoorbeeld via het door u gevraagde maatwerk voor scholieren die komend jaar hun diploma halen en verder willen in een hbo- of wo-opleiding, kan leiden tot een juridisch onhoudbare ongelijke behandeling ten opzichte van andere Oekraïense ontheemden die ook zouden kunnen en willen studeren. Binnen deze kaders span ik mij in om een oplossing te vinden.
Kunt u, met het oog op de beperkte periode waarbinnen Oekraïense studenten moeten beslissen om zich al dan niet in te schrijven aan een Nederlandse onderwijsinstelling, de Kamer voorafgaand aan het commissiedebat Hoger onderwijs, studiefinanciering en DUO van woensdag 8 april a.s. informeren over het bedoelde langetermijnbeleid? Zo nee, waarom niet?
Wat het langetermijnbeleid betreft waar in de vraag aan gerefereerd wordt, is het kabinet voornemens om u bij Miljoenennota nader te informeren over de rechten, plichten en voorzieningen voor ontheemden uit Oekraïne vanaf maart 2027 en daarmee dus ook over de mogelijke introductie van het wettelijke collegegeld vanaf 1 september 2027. Dit onderwerp staat hoog op de agenda van de ministeriële Taskforce Asiel en Migratie. Hier wordt nader richting gegeven voor de verdere uitwerking van het ingezette beleid.
De veiligheid van schrijvers en boekhandels |
|
Mohammed Mohandis (GroenLinks-PvdA) |
|
Judith Tielen (VVD), Letschert |
|
|
|
|
Deelt u de mening dat het Thorbecke-adagium ten aanzien van cultuur niet alleen moet betekenen «dat de regering geen oordeel, noch enig gezag heeft op het gebied der kunst» maar ook een waarborg van de veiligheid van kunstenaars door de regering, omwille van een bloeiend cultureel leven?1
Het Thorbecke-adagium houdt in dat de regering zich niet inhoudelijk uitlaat over artistieke uitingen. Dit is van belang voor de vrijheid van cultuur. Een belangrijke randvoorwaarde voor dit adagium is dat kunstenaars in vrijheid kunnen werken, zonder bedreiging of intimidatie.
Bent u evenals uw ambtsvoorganger «doorlopend in gesprek met de sector over veiligheid» en over externe bedreigingen, met bijvoorbeeld PersVeilig en SchrijversVeilig, maar ook met het Koninklijke Boekverkopersbond?2
Ja. In mijn gesprekken met culturele organisaties sta ik geregeld stil bij veiligheid. Het ministerie heeft contact met partijen als de Groep Algemene Uitgevers, de Koninklijke Boekverkopersbond en de Auteursbond.
SchrijversVeilig heeft als doel om de positie van geïntimideerde en bedreigde auteurs te versterken en is opgezet naar voorbeeld van PersVeilig. Het ministerie steunt SchrijversVeilig sinds mei 2024, samen met de Auteursbond en de Groep Algemene Uitgevers, en zet deze steun voort. PersVeilig vervult haar functie sinds 2019 voor journalisten. In 2025 is de stichting PersVeilig opgericht; zij ontvangt structurele financiering.
Hoe beoordeelt u in dit verband dat één op de zeven schrijvers in Nederland agressie of intimidatie ervaart vanwege zijn werk, met een remmend effect op nieuwe publicaties en boekwinkeliers die al langer subtiele vormen van druk ervaren?3
Zie vraag 1 en 2.
Bent u bereid om gehoor te geven aan de oproep van de auteurs van het artikel om de collectievrijheid van culturele instellingen te verdedigen en in te grijpen wanneer die vrijheid onder druk komt te staan? Zo ja, welke mogelijkheden staan u ter beschikking om deze bereidheid gestalte te geven? Zo nee, waarom niet?
Als Minister sta ik pal voor de vrijheid van makers. Boekhandels zijn van groot belang voor de vrijheid van ideeën en de vrije toegang tot informatie. Hetzelfde geldt voor bibliotheken en andere culturele voorzieningen. Dit komt ook tot uitdrukking in de steun voor onder meer PersVeilig en SchrijversVeilig. Het is onacceptabel dat de vrijheid van cultuur door bedreiging of intimidatie wordt ingeperkt.
Deelt u de mening dat het Thorbecke-adagium verankert dient te worden in onze wetgeving? Zo nee, waarom niet? Zo ja, op welke termijn kan de Kamer dan voorstellen daartoe tegemoet zien?
De Raad voor Cultuur heeft recent een waardevol advies uitgebracht over artistieke vrijheid. Of het Thorbecke-adagium verankerd dient te worden in wetgeving, is een vraag die nadere bestudering verdient. Daarbij speelt de juridische haalbaarheid een rol. Mijn voornemen is de Tweede Kamer in de loop van dit jaar mijn visie hierop te sturen.