Het recht op onderwijs voor kinderen in de opvang |
|
Wimar Bolhuis (PvdA), Lisa Westerveld (GL) |
|
Letschert , Bart van den Brink (CDA) |
|
|
|
|
Wat vindt u van de constatering van de Inspectie van het Onderwijs dat er de afgelopen jaren geen verbetering is gekomen voor de eerder geïdentificeerde problemen rond het onderwijs voor kinderen in de noodopvang?1
Bent u ingegaan op het verzoek van de Inspectie van het Onderwijs om met hen in gesprek te gaan over de al jarenlang gesignaleerde problematiek in de noodopvang en hun aanbevelingen? Zo ja, wat is de uitkomst van dat gesprek? Zo nee, gaat u dit doen en op welke termijn?
Bent u het ermee eens dat continuïteit van de schoolloopbaan, ook als jongeren meerderjarig worden, van groot belang is voor een ononderbroken ontwikkeling en het voltooien van de schoolloopbaan – voor de jongere, de samenleving en de economie?
Hoe komt het dat de ononderbroken toegang tot onderwijs voor kinderen in noodopvang nog steeds niet goed is geregeld, ondanks dat de Inspectie al jaren aan de bel trekt?
Bent u het ermee eens dat hiermee de rechten van kinderen zoals onder meer beschreven in het Internationale Kinderrechtenverdrag, specifiek artikel 6 op ontwikkeling, worden geschonden en hoe verenigt u deze problematiek met de Leerplichtwet?
Is het door een onafhankelijke partij – niet zijnde de overheid –, zoals de Landsadvocaat, juridisch getoetst of Nederland wel of niet aan het Internationale Kinderrechtenverdrag voldoet inzake het onderwijs aan kinderen uit de noodopvang of de reguliere opvang? Zo nee, waarom niet?
Welke concrete maatregelen gaat u nemen om de toegang te waarborgen voor alle kinderen?
Worden er nog andere artikelen uit het Kinderrechtenverdrag geschonden?
Hoeveel kinderen tussen de 5 en 18 jaar in de noodopvang en de reguliere opvang staan momenteel op de wachtlijst voor onderwijs, uitgesplitst naar onderwijssector?
Hoeveel kinderen in de noodopvang en in de reguliere opvang moesten in 2025 langer dan de de wettelijke termijn van 3 maanden wachten om naar onderwijs geleid te worden?
Klopt het dat het voorkomt dat deze termijn van 3 maanden bij iedere nieuwe verhuizing opnieuw als norm gehanteerd wordt, ondanks dat de termijn officieel slechts eenmalig geldt voor kinderen en jongeren die net in Nederland zijn aangekomen? Zo ja, bij hoeveel kinderen bleek dit in de afgelopen 3 jaar het geval?
Hoe groot is momenteel het capaciteitstekort over heel Nederland om kinderen in de noodopvang en in de reguliere opvang ononderbroken onderwijs te kunnen bieden?
In welke regio’s is er sprake van een capaciteitstekort om onderwijs te voorzien voor alle in die regio gevestigde kinderen in de noodopvang en in de reguliere opvang?
Heeft u zicht op hoe vaak kinderen in de noodopvang en in de reguliere opvang verhuizen en hoeveel onderwijstijd ze daardoor verliezen? Zo ja, kunt u deze cijfers delen? Zo nee, kunt u dit aantal verhuizingen en de daardoor verloren onderwijstijd in kaart brengen?
Wat gaat u doen om te voorkomen dat kinderen in de noodopvang en in de reguliere opvang door frequente verhuizingen onderwijstijd missen en steeds een nieuwe school en nieuwe leerlingen moeten leren kennen?
Hoe staat het met de uitvoering van de ambitie uit het regeerakkoord om ervoor te zorgen dat kinderen niet continu verhuisd worden en welke acties zijn er al ondernomen? Welke acties gaat u ondernemen om dat continu verhuizen te voorkomen?
Klopt het dat kinderen in de noodopvang die over enkele maanden 18 worden, niet meer toegelaten worden tot onderwijsvoorzieningen voor kinderen in de noodopvang en blijven de bewuste kinderen daardoor langer op de wachtlijst? Hoe zit dit voor kinderen in de reguliere opvang?
Welke oplossingen voorziet u om te garanderen dat ieder kind toegang tot onderwijs krijgt, ook als ze binnen enkele maanden 18 worden?
Overweegt u daarbij meer flexibiliteit te voorzien waardoor kinderen in de noodopvang of in de reguliere opvang in het jaar dat ze 18 worden het leerjaar kunnen afmaken, ook nadat ze meerderjarig zijn geworden? Zo niet, waarom niet?
Welke mogelijkheden ziet u om de capaciteit van onderwijs voor kinderen in de noodopvang of in de reguliere opvang op te schalen zodat er geen wachtlijsten meer zijn en welke van die mogelijkheden zult u benutten en welke niet? En waarom die keuze?
Welke acties gaat u ondernemen om tekorten aan gekwalificeerde docenten voor onderwijs voor kinderen in de noodopvang en in de reguliere opvang op te lossen?
Hoeveel bijkomende financiering zou er nodig zijn om alle wachtlijsten voor onderwijs voor kinderen in de noodopvang en in de reguliere opvang weg te werken?
Kunt u dat budget vrijmaken? Zo nee, waarom niet?
Aangezien de verantwoordelijkheden over het garanderen van toegang tot onderwijs voor kinderen in noodopvang over vele partijen versnipperd is, wat zal u doen om meer coördinatie te garanderen? Zal het Rijk hier meer regie op pakken?2
Kunt u deze vragen afzonderlijk van elkaar beantwoorden?
Het kabinetsplan om 75.000 asielzoekers aan werk te helpen |
|
Milan Schenk (FVD) |
|
Bart van den Brink (CDA), Thierry Aartsen (VVD) |
|
|
|
|
Klopt het dat het kabinet als doelstelling heeft om ervoor te zorgen dat in december 2030 75.000 meer statushouders en asielzoekers aan het werk zijn dan nu het geval is?
Ja.
Waarom acht het kabinet het een kerntaak van de Nederlandse overheid om 75.000 statushouders en asielzoekers aan werk te helpen?
Het is belangrijk dat iedereen in Nederland die kan werken actief moet deelnemen en bijdragen aan onze samenleving. Veel mensen willen niet aan de kant staan, maar graag meedoen. Ondanks de hoge arbeidsparticipatie zijn er nog altijd mensen niet aan het werk, terwijl zij wel zouden kunnen of willen werken.1 Dit geldt ook voor nieuwkomers voor wie het vinden en behouden van een baan niet vanzelfsprekend is. Werken is niet alleen goed voor de samenleving, maar ook in het belang van deze mensen zelf: het geeft voldoening, eigenwaarde en vergroot de zelfredzaamheid. Daarnaast stelt werk hen in staat een bijdrage te leveren aan de kosten van de opvang en het bevordert de integratie en latere arbeidsdeelname, terwijl het de afhankelijkheid van sociale voorzieningen in een later stadium verkleint en tekorten op de arbeidsmarkt vermindert. Langdurig aan de zijlijn staan bereikt het tegenovergestelde en zorgt voor een langere bijstandsafhankelijkheid dan nodig. Het is dus in het belang van onze samenleving, arbeidsmarkt en de mensen zelf om asielzoekers en statushouders eerder en sneller aan het werk te helpen.
Deelt het kabinet de opvatting dat asielopvang in beginsel tijdelijk van aard is en niet bedoeld is als instrument voor arbeidsmarktbeleid?
Ja. De asielopvang dient primair om asielzoekers onderdak en basisvoorzieningen te bieden gedurende de behandeling van hun asielverzoek door de IND en in de periode dat zij een verblijfsvergunning hebben gekregen en in afwachting zijn van huisvesting. Als het asielverzoek wordt afgewezen dient de asielzoeker de asielopvang te verlaten en terug te keren naar het land van herkomst. Daarmee is de opvang dus nadrukkelijk geen structureel arbeidsmarktinstrument.
Tegelijkertijd laat het Europese kader, de Opvangrichtlijn, zien dat arbeidsdeelname van asielzoekers niet volledig losstaat van het opvangsysteem. Lidstaten worden aangemoedigd om asielzoekers met een grote kans op inwilliging van het asielverzoek zo vroeg mogelijk toegang tot de arbeidsmarkt te geven. Bovendien geldt als norm dat deze asielzoekers zo snel mogelijk, maar uiterlijk zes maanden na registratie van hun aanvraag, mogen werken. Vanuit dat perspectief is het met oog op de onder antwoord 2 genoemde voordelen waardevol om asielzoekers waar mogelijk te laten werken.
Indien het antwoord op vraag 3 ontkennend luidt, waarom niet?
Zie antwoord op vraag 3.
Klopt het dat het kabinet expliciet wil investeren in asielzoekers die nog in procedure zijn, maar volgens het kabinet een redelijke kans maken op een verblijfsvergunning?
In het coalitieakkoord is opgenomen dat asielzoekers met een goede kans op een verblijfsvergunning na drie maanden in de asielprocedure aan het werk mogen. Zij krijgen vanaf het begin hulp en bemiddeling naar werk om sneller te kunnen integreren én bij te kunnen dragen aan de kosten van de opvang. Asielzoekers van wie de kans klein is dat hun asielverzoek wordt ingewilligd hebben, ook overeenkomstig de Europese regels uit de herschikte Opvangrichtlijn, geen recht om te werken. Daarnaast wil het kabinet direct aan het begin van de asielprocedure starten met taalles voor asielzoekers met een kansrijke asielaanvraag. Deze plannen worden verder uitgewerkt in de Taskforce Asiel en Migratie.
Hoeveel asielzoekers die in het verleden als kansrijk werden aangemerkt, hebben uiteindelijk geen verblijfsvergunning gekregen? Graag een overzicht vanaf 2010.
Asielaanvragen van asielzoekers met een kansrijke aanvraag stroomden voor de inwerkingtreding van het Europees Migratiepact op 12 juni 2026 in spoor 4 in. Spoor 4 omvatte dus alle vreemdelingen die geen Dublinclaimant zijn (spoor 1) en niet afkomstig zijn uit een veilig land van herkomst en ook geen bescherming elders in de EU genieten (spoor 2). In aanvulling op de doelgroepen die voorheen werden aangeduid als sporen 1 en 2 worden nu ook alle nationaliteiten met een gemiddeld EU inwilligingspercentage van minder dan 20% toegevoegd aan de doelgroep «kansarm», terwijl een aantal van deze «kansarme» nationaliteiten, zoals Moldavië en Algerije, tot 12 juni 2026 onder spoor 4 werden behandeld, omdat deze niet voldeden aan de voorwaarden voor afhandeling in spoor 1 en 2.
In onderstaande tabellen is de afdoening weergegeven van zowel eerste als opvolgende aanvragen waarop in spoor 4 is beslist. Bij de tabel wordt opgemerkt dat een aanvraag in een eerder jaar kan zijn ingediend dan het jaar waarin op de aanvraag is beslist. Gegevens van voor 2013 zijn vanwege technische redenen niet beschikbaar.
2013
9.580
4.800
50%
2014
17.150
12.000
70%
2015
21.850
16.790
77%
2016
25.610
19.700
77%
2017
11.510
6.000
52%
2018
6.510
3.170
49%
2019
8.100
4.510
56%
2020
11.270
8.480
75%
2021
15.810
11.740
74%
2022
17.150
14.500
85%
2023
18.570
14.020
76%
2024
22.610
15.620
69%
2025
17.060
7.170
42%
2026 (tot 12 juni)
9.450
2.340
25%
2013
3.200
1.120
35%
2014
2.490
840
34%
2015
1.730
510
30%
2016
1.620
420
26%
2017
2.100
430
20%
2018
2.410
360
15%
2019
3.680
350
9%
2020
1.540
190
12%
2021
1.350
300
22%
2022
1.510
680
45%
2023
1.490
480
32%
2024
1.790
350
19%
2025
2.080
270
13%
2026 (tot 12 juni)
880
60
7%
Kan het kabinet uitsluiten dat het vroegtijdig begeleiden van asielzoekers naar werk, scholing en integratie de druk vergroot om uiteindelijk een verblijfsvergunning te verlenen?
Het vroegtijdig begeleiden van asielzoekers naar werk, scholing en integratie speelt geen enkele rol bij de beoordeling van een asielverzoek om internationale bescherming. Uit onderzoek van Regioplan2 naar Nederlandse rechtspraak over privéleven opgebouwd tijdens onrechtmatig of onzeker verblijf zijn geen uitspraken naar voren gekomen waarin een arbeidsrelatie of sociale banden als een bijzondere omstandigheid wordt gezien op grond waarvan een verblijfsvergunning zou moeten worden verleend. Een arbeidsrelatie geldt niet als bijzondere omstandigheid op basis waarvan een aanvraag voor een verblijfsvergunning op grond van artikel 8 EVRM zou moeten worden ingewilligd.
Indien het antwoord op vraag 7 ontkennend luidt, waarom niet?
N.v.t.
Hoe beoordeelt het kabinet het risico dat werkgevers, gemeenten of maatschappelijke organisaties zich in toekomstige procedures op het standpunt zullen stellen dat een asielzoeker inmiddels dusdanig is geïntegreerd dat terugkeer onwenselijk is?
Zie antwoord op vraag 7.
Kan het kabinet uitsluiten dat dit beleid een extra aanzuigende werking heeft op personen die primair economische motieven hebben om via de asielroute toegang tot de Nederlandse arbeidsmarkt te verkrijgen?
Het onderhavige kabinetsplan heeft als doel om asielzoekers en statushouders die in Nederland verblijven sneller aan het werk te helpen. Dit voorstel strekt niet tot het wijzigen van voorwaarden voor toelating tot Nederland of de Nederlandse arbeidsmarkt. De asielaanvraag van asielzoekers van wie de kans klein is dat hun asielverzoek wordt ingewilligd, wordt versneld behandeld. Daarbij geldt dat voor een aantal categorieën asielzoekers binnen die versnelde procedure de toegang tot de arbeidsmarkt is uitgesloten. Ook voor asielzoekers met een overdrachtsbesluit is de toegang tot de arbeidsmarkt uitgesloten.
In Nederland mogen asielzoekers voor wie de toegang tot de arbeidsmarkt niet is uitgesloten na zes maanden betaald werk verrichten. Er ligt een voorstel om deze wachttermijn te verkorten naar drie maanden. Dit sluit aan bij ons omringende lidstaten. Onder andere Duitsland en Oostenrijk hebben ook een wachttermijn van drie maanden. België en Luxemburg hanteren een wachttermijn van vier maanden.
Er zijn diverse factoren die een rol spelen bij het migratieproces van asielmigranten. In 2023 publiceerde het Verwey-Jonker Instituut een wetenschappelijk WODC-onderzoek naar de wijze waarop asielmigranten een bestemmingsland «kiezen», waaruit geen eenduidige conclusie kon worden getrokken, maar waaruit wel blijkt dat met name andere factoren dan arbeidsmogelijkheden, namelijk op het gebied van veiligheid en sociale netwerken, een rol kunnen spelen bij de komst van asielzoekers naar het land van bestemming.3 Tegen die achtergrond en het feit dat het Nederlandse beleid aansluit bij dat van omringende landen verwacht het kabinet niet dat het onderhavige plan ervoor zal zorgen dat dit Nederland aantrekkelijker maakt voor het doen van een asielaanvraag dan ons omringende lidstaten.
Indien het antwoord op vraag 10 ontkennend luidt, waarom niet?
N.v.t.
Het kabinet zet in op het aanpakken van arbeidsmarkttekorten door asielmigranten sneller naar werk te begeleiden maar tegelijkertijd constateert het kabinet dat arbeidsmigratie druk legt op de bevolkingsgroei en geen structurele oplossing vormt voor krapte op de arbeidsmarkt; hoe beoordeelt u deze spanning?
Het kabinet zet erop in dat iedereen in Nederland mee kan doen en wil het arbeidspotentieel van mensen die reeds in Nederland zijn zoveel mogelijk benutten. In dat kader maakt het kabinet zich ook hard om asielmigranten sneller naar werk te begeleiden. Dit draagt bij aan hun integratie en participatie in de samenleving en op de arbeidsmarkt als zij voor een langere termijn in Nederland verblijven. Dat helpt om de druk op de arbeidsmarkt te verlichten, zeker als de nieuwkomers werk vinden in de cruciale opgaven uit de Talentstrategie. En dit kan tevens een bijdrage leveren aan het verminderen van de noodzaak om arbeidskrachten uit het buitenland aan te trekken, hetgeen in lijn is met het advies voor gematigde bevolkingsgroei van de Staatscommissie Demografische Ontwikkelingen 2050.
Bent u zich bewust van signalen dat de vraag op de arbeidsmarkt in verschillende sectoren afneemt en zijn er prognoses beschikbaar over de wijze waarop de arbeidsmarkt zich de komende jaren zal ontwikkelen en welke gevolgen de instroom van 75.000 extra werknemers daarop zal hebben?
Het klopt dat de arbeidsmarktkrapte afgelopen jaar licht is afgenomen. Desondanks is er nog steeds sprake van een krappe arbeidsmarkt. Tabel 3 geeft de vacaturegraad, het aantal openstaande vacature per duizend banen, per sector in de afgelopen 10 jaar weer.4 De vacaturegraad is het afgelopen jaar in de meeste sectoren gedaald. Op de lange termijn is te zien dat de vacaturegraad voor alle sectoren nog steeds hoger ligt dan 10 jaar geleden.
Kijkend naar de langere termijn voorspelt de Staatscommissie Demografische Ontwikkelingen 2050 dat, mede door demografische ontwikkelingen, de arbeidsmarkt op lange termijn krap zal blijven. Het Researchcentrum voor Onderwijs en Arbeidsmarkt (ROA) geeft inzicht in waar de toekomstige knelpunten op de arbeidsmarkt zich bevinden via de berekening van de Indicator Toekomstige Knelpunten in de Personeelsvoorziening naar Beroep.5 Deze indicator is te vertalen als de mate waarin een toekomstige baanopening voor een beroep gevuld kan worden door nieuw arbeidsaanbod met een daarvoor geschikte opleiding, maar is niet direct te vertalen naar tekorten in aantallen banen. De indicator baseert zich op historische patronen en verwachte economische ontwikkelingen, maar kan geen rekening houden met beleidsaanpassingen en gedragsaanpassingen op de arbeidsmarkt als gevolg van de verwachte knelpunten.
De ontwikkeling van de arbeidsmarkt is van veel factoren afhankelijk, zoals conjunctuur, de vraag naar bepaalde producten maar ook de geopolitieke situatie en laat zich hierdoor lastig voorspellen. Zo is het bijvoorbeeld nog onzeker wat de economische impact van de inval in Iran zal zijn op de arbeidsmarkt. Het CPB onderzocht dit en verwacht dat de werkloosheid stijgt naar tussen de 4,5 en 4,9 procent in 2027 aan de hand van verschillende scenario’s.6
De instroom van 75.000 extra werknemers kan bijdragen aan het verlichten van gerichte tekorten. Deze werknemers zullen in Nederland echter ook producten en diensten consumeren, wat zorgt voor extra vraag naar arbeid. Dit verkleint het verminderende effect op de arbeidsmarktkrapte.
20
24
29
33
26
30
51
49
46
44
41
12
16
19
26
20
23
35
31
32
33
33
18
24
34
38
30
35
56
53
52
55
51
24
27
33
38
27
33
60
53
48
46
44
20
20
24
27
23
28
43
43
41
40
39
14
18
21
24
23
24
36
40
40
36
35
20
22
24
25
29
29
71
53
45
36
26
17
21
27
31
24
27
46
44
42
42
40
27
28
25
34
42
35
69
65
57
52
35
16
24
36
28
23
23
54
48
50
48
54
20
32
50
59
42
54
76
72
72
81
74
21
28
33
39
29
32
64
57
51
49
48
15
20
28
35
22
26
48
45
41
39
33
35
42
48
55
23
44
112
77
66
63
60
52
53
64
68
52
64
91
69
60
55
52
28
32
43
44
34
36
53
50
44
44
32
16
19
31
31
21
24
52
45
42
35
35
35
37
43
46
36
45
70
64
58
54
51
12
12
15
17
15
17
28
30
29
30
29
14
18
23
25
28
29
37
43
48
36
31
8
9
10
13
11
12
19
21
22
17
16
17
22
24
27
27
27
42
45
45
45
44
16
23
20
32
23
27
51
47
37
39
34
22
23
29
29
20
28
47
57
52
50
44
Voorlopige cijfers
Wat is volgens het kabinet het effect van deze instroom op de arbeidsmarktkansen van Nederlandse werknemers?
De vergrijzende bevolking leidt tot een structurele krapte op de arbeidsmarkt, waardoor veel vacatures onvervuld blijven. Met name in sectoren als het onderwijs, de kinderopvang, de zorg en de woningbouwsector is sprake van een toenemende vraag. Tegen deze achtergrond leidt de instroom van nieuwkomers over het algemeen niet tot verdringing van Nederlandse werknemers, maar vormt deze juist een aanvulling op de arbeidsmarkt.
Bent u het ermee eens dat verbeteringen op het gebied van arbeidsproductiviteit, innovatie en automatisering op de langere termijn een betere oplossing vormen dan een voortdurende uitbreiding van het arbeidsaanbod door migratie?
Het kabinet wil de samenleving en economie versterken door randvoorwaarden voor toekomstige welvaart op orde te brengen. Doel is dat de economie gemiddeld 1,5% per jaar blijft groeien. Om deze doelstelling te behalen is essentieel de arbeidsproductiviteit te verhogen en innovatie aan te jagen. We zullen namelijk meer werk met relatief minder mensen moeten doen. Dat komt omdat de vraag naar mensen zeer waarschijnlijk harder groeit dan het aantal mensen dat beschikbaar is. Onder andere door vergrijzing, maar ook door een mismatch tussen gevraagde en beschikbare vaardigheden. Maar de concurrentie om talent is internationaal hoog, vooral om technisch en digitaal talent. Tegelijkertijd laat het advies «Gematigde groei» door de Staatscommissie Demografische Ontwikkelingen 2050 zien dat een vermindering van alle vormen van migratie nodig is. Tegen deze achtergrond werkt het kabinet aan een Talentstrategie om schaars talent op te leiden en te begeleiden naar een aantal cruciale opgaven waar Nederland voor staat.
Hoeveel procent van de huidige statushouders beschikt volgens het kabinet over relevante werkervaring en/of een opleiding die aansluit op tekortsectoren zoals de bouw, techniek of zorg?
Er wordt geen statistiek bijgehouden over de aansluiting van werkervaring of diploma’s uit het land van herkomst op tekortsectoren. Ook over de richtingen waarin statushouders in Nederland hun diploma’s behalen, is geen statistiek voorhanden. Dat betreft zowel de afstudeerrichting van hier behaalde diploma’s in het reguliere onderwijs, als deelname aan zij- en voorschakeltrajecten voor statushouders, waar door tekortsectoren in wordt geïnvesteerd.
Op basis van beschikbare data over formele diploma’s (CBS Dashboard Wet Inburgering, CBS Dashboard Asiel en Integratie), is de schatting in de orde van grootte van minimaal 25 à 30% van de statushouders vanaf 18 jaar een in Nederland erkend diploma heeft om op mbo-niveau of hoger aan het werk te kunnen Dit percentage is gebaseerd op de volgende data:
Hoe ziet u in dat licht de instroom van 75.000 extra werknemers, terwijl een groot deel van deze groep naar verwachting niet beschikt over de kwalificaties die in de grootste tekortsectoren worden gevraagd?
Niet iedere nieuwkomer zal direct beschikken over de kwalificaties die in de grootste tekortsectoren worden gevraagd. Tegelijkertijd geldt dat een deel van de nieuwkomers relevante werkervaring of een opleiding uit het land van herkomst heeft, waardoor met gerichte ondersteuning doorstroom naar werk in deze sectoren mogelijk is.
Dit vraagt om investeringen in het leren van de Nederlandse vaktaal en het ontwikkelen van basisvaardigheden via praktijkgerichte scholing. Werken in deze sectoren vereist vaak een toereikend niveau van de Nederlandse taal en voldoende beroepsvaardigheden.
Via een voorschakeltraject, gevolgd door een (leer)baan, kunnen nieuwkomers doorgroeien naar werk op niveau. Om deze ontwikkeling te ondersteunen, verken ik de mogelijkheden om tussen arbeidsmarktregio’s en tekortsectoren afspraken te maken over de inzet van voorschakeltrajecten en praktijkgerichte scholing voor (instap)functies binnen de Ontwikkelpaden. Hier zet ik ook op in via de landelijke werkgeversdeals.
Kunt u reflecteren op de gevolgen die een instroom van 75.000 extra werknemers in met name lager- en middelbaar geschoolde arbeid kan hebben voor lonen, arbeidsvoorwaarden en arbeidsmarktkansen van Nederlandse werknemers die momenteel in deze sectoren werkzaam zijn?
In hoeverre de instroom van 75.000 extra werknemers effect heeft op de gestelde factoren is onzeker. Dit hangt af van het beroep, de sector, de baanduur en andere kenmerken. Wel heeft het CPB vorig jaar geconcludeerd dat de effecten van arbeidsmigratie op lonen en baankansen van ingezetenen tot nu toe over het algemeen beperkt lijken.8 Dat heeft ermee te maken dat arbeidsmigranten veelal werk verrichten dat bestaande arbeid aanvult in plaats van deze te vervangen, ook omdat ingezetenen naar andere banen en functies bewegen.
Hoe kunnen de inburgeringseisen worden geflexibiliseerd zonder dat de kwaliteit van de inburgering onder druk komt te staan?
In de aanpak Werk en Meedoen Nieuwkomers is geen sprake van een flexibilisering van de inburgeringseisen. Het streefniveau blijft immers taalniveau B1. Ook de andere verplichte onderdelen (KNM, MAP, PVT) blijven in stand.
De aanpak Werk en Meedoen ziet wel toe op flexibilisering van de manier waarop de inburgeraar aan de inburgeringseisen kan voldoen. Zo verkent de Minister van Werk en Participatie de mogelijkheden om meer tijd te creëren voor werkende inburgeraars om aan hun inburgeringsplicht te voldoen. Ook het inburgeringsaanbod dient flexibeler te worden, zodat inburgeraars hun inburgeringslessen beter kunnen combineren met werk. Hierbij denk ik aan het uitbreiden van het lesaanbod in het weekend en de avonduren, online onderwijs, duale trajecten (bijvoorbeeld startbanen), vier dagen werk en één dag taalles of (non-formeel) taalonderwijs organiseren op de werkvloer. De kwaliteit van de inburgering komt dus niet in het geding, want de uitgangspunten van de wet veranderen niet.
U schrijft dat de werkvloer een geschikte plek is om de Nederlandse taal te leren maar tegelijkertijd zien wij dat binnen steeds meer sectoren het Nederlands juist wordt verdrongen door het Engels; waarom verwacht u dat dit bij asielmigranten anders zal verlopen en hoe gaat hij waarborgen dat het Nederlands daadwerkelijk de voertaal blijft?
Ik vind dat het spreken van de Nederlandse taal op de werkvloer het uitgangspunt moet zijn. Dat is voor de beroepen waar asielmigranten in terecht komen niet anders dan voor andere doelgroepen. Voor de overgrote meerderheid van de Nederlandse bedrijven is Nederlands ook nog steeds de primaire interne voertaal. Het aandeel bedrijven met Engels als primaire interne voertaal ligt rond de 10–15%. 36% van de werknemers werkt op een werkplek waar meer dan één taal wordt gesproken. In die meertalige werkomgevingen is Engels na Nederlands de meest gebruikte taal (23%).9
Het combineren van klassikale taallessen met werken in een Nederlandstalige context zorgt ervoor dat de taal sneller wordt geleerd. Een veel gebruikte werkvorm hiervoor zijn duale trajecten. Gemeenten zorgen in de uitvoering van de Wet inburgering 2021 voor een aanbod van participatie-activiteiten. Deze schrijft bovendien voor dat deze activiteiten plaatsvinden in een Nederlandstalige omgeving.
Daarnaast zet ik via het plan van aanpak Werk en Meedoen Nieuwkomers ook in op het leren van de Nederlandse taal op de werkvloer. Ik ga afspraken maken met werkgevers, waarin ik nadrukkelijk de wens zal meenemen dat asielmigranten in een Nederlandstalige context behoren te werken. Daarnaast ondersteun ik initiatieven zoals van Stichting Het Begint met Taal, die werkgevers kunnen ondersteunen middels het opleiden van taalbuddies op de werkvloer.
Verder is om werkgevers te ondersteunen bij het aannemen en begeleiden van statushouders, de subsidieregeling Ondersteuning Werkgevers Inzet Statushouders (SOWIS) ingericht. Deze regeling helpt werkgevers bij het overbruggen van taal- en cultuurverschillen op de werkvloer. In 2025 is in totaal € 2,8 miljoen aan subsidie verstrekt. Uit de evaluatie van het eerste tijdvak (2024) door Regioplan, opgenomen in de bijlage, blijkt dat werkgevers tevreden zijn over de regeling. Het vermindert de drempel om statushouders aan te nemen.
Klopt het dat het kabinet streeft naar huisvesting van werkende statushouders in de regio waar zij werkzaam zijn?
Ja. Dit is staand beleid en wordt «kansrijke koppeling» genoemd. Binnen de kansrijke koppeling wordt expliciet gekeken naar factoren die de kans op snelle participatie en integratie vergroten, waaronder werk, opleiding, of de aanwezigheid van een sociaal netwerk. Als een statushouder al werk heeft, is het uitgangspunt dat bij de koppeling met een gemeente zo veel mogelijk rekening wordt gehouden met de regio waar die arbeid wordt verricht, zodat werk kan worden behouden en voortgezet. Deze kansrijke koppeling kan in 80% van de gevallen worden gevolgd. De koppelingssystematiek als zodanig is samen met medeoverheden vastgesteld.
Betekent dit dat arbeidsmarktoverwegingen een rol gaan spelen bij de verdeling van statushouders over gemeenten?
Zoals onder vraag 21 toegelicht, spelen arbeidsmarktoverwegingen een rol bij de huisvesting van statushouders, maar het is niet de enige of doorslaggevende factor. Binnen de koppeling wordt breder ook gekeken naar andere factoren zoals kwetsbaarheid of opleiding. Arbeid is dus één van de elementen die meewegen bij de plaatsing van statushouders bij gemeenten, met als doel hun integratie en participatie te bevorderen.
Indien het antwoord op vraag 22 bevestigend luidt, hoe verhoudt zich dat tot het uitgangspunt dat asielopvang en huisvesting primair voortvloeien uit humanitaire bescherming en niet uit economische belangen?
De inzet van arbeidsmarktoverwegingen bij de koppeling van statushouders aan gemeenten en vervolgens de huisvesting van deze groep staat niet op gespannen voet met het uitgangspunt dat asielopvang en huisvesting primair voortvloeien uit humanitaire bescherming. Economische belangen spelen geen enkele rol bij de beoordeling van een asielverzoek om internationale bescherming. Ook de asielopvang en de daaropvolgende huisvesting van statushouders vloeien primair voort uit diezelfde humanitaire bescherming en de daaruit voortvloeiende wettelijke rechten.
Zoals onder vraag 3 toegelicht, is het tegelijkertijd belangrijk om te benadrukken dat binnen die kaders het wél van grote maatschappelijke waarde is om voor asielzoekers die een goede kans hebben op inwilliging van hun asielaanvraag en voor statushouders, zo goed mogelijk aansluiting te vinden met werk en participatie. Wanneer statushouders sneller en beter kunnen deelnemen aan de arbeidsmarkt, versterkt dat hun zelfredzaamheid en integratie. Bovendien is de samenleving als geheel gebaat bij een goede benutting van talent en arbeidspotentieel, zeker in een context van arbeidsmarktkrapte.
Hoeveel belastinggeld verwacht het kabinet de komende vier jaar uit te geven aan de uitvoering van de aanpak Werk en Meedoen voor statushouders en asielzoekers?
Op dit moment zijn er nog geen separate middelen voor het plan van aanpak Werk en Meedoen gereserveerd. Zodra ik hier meer over weet, informeer ik uw Kamer hierover. De inzet op vergroting van de arbeidsdeelname van nieuwkomers kent, naast relatief beperkte kosten, ook potentieel grote maatschappelijke baten. Dit betreft bijvoorbeeld directe inverdieneffecten via de inkomstenbelasting, REBA-inkomsten en lagere uitkeringslasten. Acties met financiële gevolgen zullen worden vormgegeven binnen de financiële kaders van het coalitieakkoord. Daarbij zullen we ook aandacht hebben voor de (financiële) opbrengsten van het plan.
Kunt u deze vragen zo spoedig mogelijk en afzonderlijk van elkaar beantwoorden?
Ja.
Het bericht ‘Ook vrouwen en kinderen moeten nu buiten wachten in Ter Apel, dat steeds meer op een tentenkamp lijkt’ |
|
Robert van Asten (D66) |
|
Bart van den Brink (CDA) |
|
|
|
|
Kunt u aangeven hoeveel personen de afgelopen weken geen toegang hebben gekregen tot het aanmeldcentrum in Ter Apel en daardoor waren aangewezen op noodopvang buiten of in de directe omgeving? Bent u bereid deze cijfers periodiek met de Kamer te delen zolang de huidige situatie voortduurt?1
Klopt het dat ook (zwangere) vrouwen, kinderen, mensen met een beperking en andere kwetsbare personen nu soms buiten moeten wachten? Zo ja, hoe verhoudt dit zich tot de wettelijke zorgplicht van de overheid en de verplichtingen onder de EU-Opvangrichtlijn, die bijzondere bescherming van kwetsbare groepen voorschrijft?
Kunt u bevestigen dat het beleid om kwetsbare personen altijd toegang te verlenen tot het aanmeldcentrum per of rond 12 juni jl. is gewijzigd of opgeschort? Zo ja, wat was hiervan de oorzaak?
In hoeverre hangt de verslechterde toegang voor kwetsbare personen samen met de invoering van het nieuwe proces van de Immigratie- en Naturalisatiedienst (IND) als gevolg van het Europese migratiepact? Welk specifiek onderdeel van dat nieuwe proces veroorzaakt dit knelpunt en wanneer verwacht u dat dit is opgelost?
Bent u in gesprek met het Centraal Orgaan opvang asielzoekers (COA), Vluchtelingenwerk en het Rode Kruis over het waarborgen van de veiligheid en sfeer rondom het terrein? Zien zij de omstandigheden verslechteren?
Hoe wordt op dit moment, in samenwerking met het Rode Kruis, gewerkt aan een nationaal opschalingsplan waarop kan worden teruggevallen? Op welke termijn kan een dergelijk plan naar de Kamer worden gestuurd?
Welke additionele maatregelen worden verkend om op korte termijn verlichting te bieden aan het aanmeldcentrum in Ter Apel?
Het bericht ‘Zweden krijgt omstreden wet voor snellere uitzetting overlastgevende migranten’ |
|
Annelotte Lammers (PVV) |
|
Bart van den Brink (CDA) |
|
|
|
|
Bent u bekend met het bericht dat het Zweedse parlement op maandag 15 juni 2026 heeft ingestemd met de zogenoemde «goed-gedragwet», op grond waarvan autoriteiten verblijfsvergunningen kunnen intrekken wegens wangedrag?1
Ja. Ik ben bekend met het bericht over de Zweedse regeling waarbij het gedrag of de levenswijze van vreemdelingen zwaarder kan worden betrokken bij de beoordeling van verblijfsvergunningen.
Bent u het eens met de stelling dat dit een goed en voorbeeldwaardig voorstel is? Zo nee, waarom niet?
Het kabinet volgt ontwikkelingen in andere landen, maar ziet in de Zweedse regeling geen aanleiding om in Nederland een algemene gedragstoets of levenswijzetoets in te voeren. Nederland beschikt reeds over instrumenten om in vreemdelingrechtelijke context opvolging te geven aan criminaliteit, ernstige overlast, fraude, misbruik en risico’s voor de nationale veiligheid. Een brede toets op levenswijze, schulden of algemene normnaleving past niet goed binnen de Nederlandse verblijfsrechtelijke systematiek. Van belang is bovendien dat de Zweedse regeling niet ziet op alle verblijfsrechten. Zover thans bekend ziet de regeling enkel op nationale verblijfsvergunningen; EU-gerelateerde verblijfsrechten en verblijfsrechten die voortvloeien uit internationale verplichtingen, waaronder asielvergunningen, vallen daarbuiten. De reikwijdte is daarmee beperkter dan in de vraagstelling wordt gesuggereerd.
Deelt u de opvatting dat vreemdelingen die zich misdragen, schulden veroorzaken, zwart werken, belasting ontduiken of banden onderhouden met extremistische organisaties hun verblijfsrecht in geen geval mogen behouden? Zo nee, waarom niet?
Iedereen die zich in Nederland bevindt moet zich aan de wet houden. Wanneer een vreemdeling onherroepelijk is veroordeeld voor een misdrijf, kan dat reden zijn om de verblijfsvergunning in te trekken.
Ik verwijs verder naar mijn brief van 9 juni jl., waarin ik heb aangekondigd om het beleid inzake de zogenoemde «glijdende schaal» aan te passen.2
De Zweedse regeling lijkt slechts op één punt aanvullend te zijn op de Nederlandse systematiek: bij specifiek nationale verblijfsvergunningen zouden ook niet-strafrechtelijke gedragingen, zoals structurele schulden, oneerlijke inkomstenverwerving of het niet naleven van besluiten van autoriteiten, explicieter kunnen meewegen bij de verblijfsbeoordeling. Ook in die gevallen geldt in Zweden echter geen automatische verblijfsbeëindiging.
In Nederland bestaat geen algemene levenswijzetoets, maar is een onherroepelijke veroordeling wegens een misdrijf het aanknopingspunt voor verblijfsbeëindiging. Voor EU-gerelateerde verblijfsrechten en internationale bescherming gelden bovendien dwingende EU-kaders en verdragsverplichtingen. Louter «schulden» of algemene normnaleving kwalificeren in dat kader niet als zelfstandige grond voor beëindiging van verblijf. Het kabinet acht een algemene levenswijzetoets naar Zweeds voorbeeld, wat aanzienlijk subjectiever is dan de Nederlandse toets op openbare orde, daarom niet aangewezen.
Kunt u exact uiteenzetten op welke punten deze Zweedse wet verder gaat dan de huidige Nederlandse wet- en regelgeving en daarbij per onderdeel aangeven waarom Nederland op dit punt achterblijft?
Zie antwoord vraag 3.
Kunt u aangeven waarom landen als België, Duitsland en Zweden veel verdergaande maatregelen kunnen nemen, terwijl de partijleider van het CDA, de heer Bontebal, stelt: «Je kunt niet veel meer doen dan wij als Nederland nu hebben gedaan»?
Vergelijkingen met België, Duitsland, Zweden of andere EU-landen moeten zorgvuldig worden gemaakt. Nationale stelsels verschillen en maatregelen die in een ander land worden getroffen kunnen niet zonder meer worden overgenomen in de Nederlandse rechtsorde. Het kabinet herkent daarenboven niet dat andere EU-landen op relevante onderdelen verder gaan als het gaat om het weigeren of intrekken van verblijfsrecht. Nederland beschikt onder meer over mogelijkheden tot afwijzing en intrekking van verblijfsrecht, ongewenstverklaring en het opleggen van een besluit tot signalering of een inreisverbod, met inachtneming van EU-recht en internationale verplichtingen.
Kunt u aangeven hoeveel vreemdelingen in Nederland onder een regeling naar Zweeds voorbeeld zouden vallen, uitgesplitst naar lopende vergunningsaanvragen en reeds verleende verblijfsvergunningen?
Nee, dit is niet mogelijk. Als aangegeven geldt de betreffende levenswijzetoets enkel voor specifiek nationale Zweedse verblijfsvergunningen en is daarnaast altijd sprake van een individuele weging. Zie ook de beantwoording bij vraag 5.
De Nederlandse registratie is ingericht op bestaande Nederlandse wettelijke gronden, zoals openbare orde, nationale veiligheid, fraude, misbruik en het niet voldoen aan verblijfsvoorwaarden. Er wordt niet geregistreerd op een categorie als «levenswijze».
Indien exacte cijfers ontbreken, kunt u dan een onderbouwde inschatting geven en toelichten waarom deze cijfers niet beschikbaar zijn?
Zie antwoord vraag 6.
Welke reden heeft u om een vergelijkbaar wetsvoorstel niet op de kortst mogelijke termijn naar de Kamer te sturen?
Ik verwijs u hiervoor naar het antwoord op vraag 2 en de verdere uiteenzettingen in deze vragenset.
De veroordeling van Syriër Rafiq al-Q |
|
Tom Russcher (FVD) |
|
Bart van den Brink (CDA) |
|
|
|
|
Bent u bekend met het vonnis van de rechtbank Den Haag waarbij de Syriër Rafiq al-Q. is veroordeeld tot 26 jaar gevangenisstraf wegens negentien misdrijven tegen de menselijkheid, waaronder foltering, mishandeling en verkrachting, gepleegd in dienst van het Assad-regime?1
Ja.
Hoe heeft het kunnen gebeuren dat de Immigratie- en Naturalisatiedienst (IND) in 2021 asiel heeft verleend aan iemand die aantoonbaar betrokken was bij mensenrechtenschendingen?
Allereerst is het belangrijk om te benadrukken dat ik geen mededelingen kan doen in individuele zaken. In zijn algemeenheid kan ik het volgende delen.
In elke asielzaak besteedt de IND op meerdere momenten binnen de asielprocedure gerichte aandacht aan signalen die kunnen wijzen op betrokkenheid bij oorlogsmisdrijven, misdrijven tegen de menselijkheid, misdrijven tegen de vrede of ernstige niet-politieke misdrijven. Signalering vindt plaats op meerdere momenten: vanaf het moment dat het OVA-proces2 start bij de IND en de asielaanvraag formeel is ingediend, bij raadpleging van nationale en internationale politie- en justitiële databases, en tijdens contacten met de vreemdeling – waaronder gehoren, verblijf bij het COA en contacten met DTenV. Ook vindt er een check op de openbare sociale media-accounts plaats en er wordt gekeken welke relevante informatie op internet over de vreemdeling te vinden is. Wanneer zich specifieke 1F-signalen of nationale veiligheidsrisico’s voordoen kan de behandeling worden belegd bij respectievelijk de 1F Unit of het Team Speciale Zaken van de IND en worden signalen binnen de wettelijke kaders gedeeld met de inlichtingen- en veiligheidsdiensten.
Ondanks alle inspanningen, betrachte zorgvuldigheid en alertheid kan het voorkomen dat ten tijde van de besluitvorming informatie nog niet beschikbaar of verifieerbaar is. Wanneer relevante informatie over mogelijke strafbare feiten of 1F-indicaties pas later naar boven komt, kan de IND, waar aan de voorwaarden is voldaan, de vergunning intrekken.
Welke screening heeft de IND uitgevoerd voorafgaand aan de asielvergunning van Rafiq al-Q.?
Zie antwoord vraag 2.
Wat zegt het feit dat Al-Q. en zijn gezin zich voordeden als oorlogsvluchtelingen die uiteindelijk niet opgespoord werden door overheidsinstanties maar door andere Syriërs die hem herkenden, over de effectiviteit van het huidige screeningsproces en over de capaciteiten van onze eigen instanties?
Zoals uiteengezet in antwoord op vraag 2, besteden organisaties binnen de vreemdelingenketen doorlopend aandacht aan signalen die wijzen op betrokkenheid bij 1F-misdrijven. Signalen kunnen ook later worden opgevangen, bijvoorbeeld door meldingen van burgers of slachtoffers en kunnen dan worden opgevolgd. Op basis van deze signalen kan de IND bepalen welk handelingsperspectief mogelijk is, en indien passend overgaan tot intrekking van het verblijfsrecht. Tevens wordt bekeken of een inreisverbod, een ongewenstverklaring of een besluit tot signalering mogelijk is. Het onderkennen van 1F-signalen in de asielprocedure is echter een doorlopend proces dat continue ketenbrede alertheid vereist.
Hoeveel asielaanvragen van Syrische onderdanen zijn sinds 2013 ingewilligd zonder systematische toetsing aan internationale opsporingsregisters en databases van oorlogsmisdadigers, zoals die van het Internationaal Strafhof, Interpol of de VN-commissie voor Syrië?
De standaardwerkwijze is dat in elke asielprocedure relevante internationale en nationale politie/justitiële databases worden geraadpleegd.
Kunt u een onafhankelijk onderzoek instellen naar de vraag hoe Al-Q. door de asielprocedure is gekomen?
Het Nederlandse asielstelsel hanteert een zorgvuldige toetsing om te voorkomen dat plegers van internationale misdrijven in Nederland een veilige haven hebben. Voortdurende versterking van procedures, informatie-uitwisseling en screening zijn altijd noodzakelijk om tijdig signalen van mogelijke betrokkenheid bij internationale misdrijven te onderkennen en dit proces heeft dan ook standaard de aandacht van het kabinet. Het kan echter nooit volledig worden voorkomen dat informatie pas later of niet volledig aan het licht komt. Tegen die achtergrond zie ik geen aanleiding om een onafhankelijk onderzoek in te stellen.
Hoeveel vergelijkbare gevallen zijn er mogelijk, waarbij personen die betrokken waren bij staatsterrorisme, etnische zuivering of andere zware misdrijven in conflictlanden in Nederland verblijven met een geldige asielvergunning?
Het aantal vergelijkbare gevallen van personen die betrokken waren bij zware misdrijven en met een vergunning in Nederland verblijven wordt niet bijgehouden. Wel wordt geregistreerd in welke gevallen 1F is tegengeworpen, waar uitsluiting van verblijfsrecht uit volgt. Zoals volgt uit de Rapportagebrief Internationale Misdrijven3, liepen er in 2025 in totaal 102 1F-onderzoeken, waarvan in 38 gevallen 1F is tegengeworpen en geen verblijfsvergunning is verleend of deze is ingetrokken.
Wat is er na de aanhouding van Al-Q. in december 2023 gebeurd met zijn asielvergunning, en op welk moment is deze ingetrokken?
Ik ga niet in op individuele casuïstiek. In algemene zin geldt: indien betrokkene zijn vergunning verliest en het verblijfsrecht van gezinsleden uitsluitend is afgeleid van het verblijfsrecht van de hoofdpersoon, dan heroverweegt de IND deze besluiten.
Bent u bereid de verblijfsstatus van de gezinsleden van Al-Q., die eveneens in Nederland verblijven op basis van een afgeleide asielvergunning, te heroverwegen?
Zie antwoord vraag 8.
Hoe gaat u in de toekomst voorkomen dat mensen zoals Rafiq al-Q. ons land in kunnen komen?
Uw Kamer is in 20234 en 20245 geïnformeerd over evaluaties en verbetermaatregelen rondom het onderkennen van signalen van mogelijke betrokkenheid bij internationale of terroristische misdrijven. Naar aanleiding daarvan zijn reeds maatregelen genomen, waaronder het eerder positioneren van de screening en prioriteit op snelle screening van de nieuwe instroom direct tijdens en na het OVA-proces, met tijdelijke extra capaciteit om doorlooptijden te verkorten. Het Nederlandse asielstelsel hanteert een zorgvuldige toetsing om te voorkomen dat plegers van internationale misdrijven in Nederland een veilige haven hebben. Daarbij is, zoals aangegeven bij vraag zes, voortdurende versterking van procedures, informatie-uitwisseling en screening altijd noodzakelijk om tijdig signalen van mogelijke betrokkenheid bij internationale misdrijven te onderkennen en daarom heeft dit ook standaard de aandacht van het kabinet.
Welke lessen trekt u uit deze zaak voor de inrichting van de asielprocedure en welke concrete beleidswijzigingen overweegt u naar aanleiding van deze veroordeling?
Zie antwoord vraag 10.
Hoeveel kost de gevangenisstraf die Rafiq al-Q. in Nederland zal uitzitten de Nederlandse belastingbetaler, inclusief het proces, bewaking en zorgkosten?
Over de kosten van individuele gevallen kunnen geen uitspraken worden gedaan. Daarnaast wordt opgemerkt dat in deze zaak nog geen sprake is van een onherroepelijk vonnis. De procedure is daarmee nog niet tot een einde gekomen.
Deelt u de mening dat het onwenselijk is dat buitenlandse oorlogsmisdadigers hun celstraf uitzitten op kosten van de Nederlandse belastingbetaler?
Uitgangspunt blijft dat opsporing en vervolging zoveel mogelijk plaatsvinden in het land waar de misdrijven zijn gepleegd. Dat is echter niet altijd mogelijk of voor de hand liggend. Wanneer opsporing, vervolging en berechting van internationale misdrijven in Nederland plaatsvindt, wordt een opgelegde gevangenisstraf in beginsel in Nederland ondergaan. De daarmee gemoeide kosten zijn gerechtvaardigd vanuit het fundamentele belang om straffeloosheid te voorkomen bij dergelijke ernstige schendingen van het internationale recht.
In 2023 is – mede dankzij Nederland – het Verdrag van Ljubljana – Den Haag voor internationale samenwerking bij de opsporing en vervolging van genocide, misdrijven tegen de menselijkheid, oorlogsmisdrijven en andere internationale misdrijven tot stand gekomen. Dit verdrag is niet alleen relevant voor rechtshulp en uitlevering, maar voorziet ook in mogelijkheden voor strafoverdracht. Nederland blijft zich wereldwijd inzetten voor brede aansluiting bij dit verdrag. Op dit moment is Syrië niet aangesloten bij enig verdrag op basis waarvan er strafoverdracht met Nederland kan plaatsvinden.
Wanneer haalt uw kabinet de banden aan met Syrië, zodat dit soort criminelen hun celstraf daar kunnen uitzitten, zodat de Nederlandse belastingbetaler niet meer het levensonderhoud hoeft te voorzien van buitenlandse misdadigers en criminelen?
Het kabinet investeert in de bilaterale relatie met Syrië, onder andere door bezoeken op politiek en ambtelijk niveau. Tijdens deze bezoeken wordt onder meer gesproken over de verdieping van de brede samenwerkingsrelatie. Vanuit Nederland wordt daarbij ook aandacht gevraagd voor het multilaterale Verdrag van Ljubljana – Den Haag. Daarnaast wordt gesproken over de terugkeer van Syriërs vanuit Nederland vanuit vreemdelingrechtelijk perspectief.
Heeft u kennisgenomen van het bericht «Asielzoeker is dure zorgklant; Kosten zijn in vijf jaar tijd ruimschoots verdubbeld: «waarschijnlijk inhaalslag te maken»»?1
Ja
Klopt het dat de medische kosten voor asielzoekers en statushouders op COA-locaties zijn gestegen van € 105 miljoen in 2020 naar € 268 miljoen in 2024? Zo nee, wat zijn de juiste cijfers?
Het klopt dat de kosten voor de medische zorg aan asielzoekers en statushouders op COA-locaties zijn gestegen van € 105 miljoen in 2020 naar € 268 miljoen in 2024. In het bedrag voor 2024 zijn de kosten voor tbc-screening en de publieke gezondheidszorg nog niet meegenomen. Voor 2024 komt het totaal bedrag daarmee uit op € 294 miljoen. Tegelijkertijd is de bezetting bij het COA gestegen van 27.302 in 2020 naar 68.868 in 2024. De gemiddelde zorgkosten per asielzoeker komen in 2020 daarmee uit op € 3.850 en voor 2024 op € 4.275. De stijging van de kosten voor de medische zorg is in belangrijke mate te verklaren door de stijging van het aantal asielzoekers. Daarnaast zijn ook de kosten voor de medische zorg in Nederland in zijn algemeenheid gestegen. Dat heeft ook effect op de kosten voor de medische zorg voor asielzoekers omdat daarvoor wordt gerekend met dezelfde tarieven en gebruik wordt gemaakt van dezelfde instellingen.
Hoe legt u aan Nederlanders die een beroep moeten doen op zorg uit dat zij te maken krijgen met een enorme stapeling van zorgkosten door de bezuinigingen van dit kabinet terwijl asielzoekers geen eigen risico en geen eigen bijdrage hoeven te betalen? Bent u bereid onmiddellijk een asielstop in te voeren zodat er geen zorgkosten meer gemaakt worden voor asielzoekers? Zo nee, waarom niet?
Asielzoekers die inkomen uit werk of vermogen hebben, betalen een eigen bijdrage voor de kosten van de opvang. Hierin is ook een bijdrage voor de kosten van de zorg opgenomen. Zoals al vaker aangegeven is er geen juridische ruimte voor een asielstop. Het kabinet zet in om het beperken van de asielinstroom. Daarmee gaan uiteindelijk ook de totale kosten voor de medische voor asielzoekers omlaag.
Wat wordt er voor asielzoekers nu aan zorg vergoed zonder dat zij eraan hoeven mee te betalen?
De kosten die vergoed worden aan asielzoekers staan beschreven in de ziektekostenregeling asielzoekers (Regeling Medische zorg Asielzoekers: RMA). De vergoeding is vergelijkbaar met de basiszorg onder de Zorgverzekeringswet (Zvw), de Wet langdurige zorg en de Wet maatschappelijke ondersteuning. Daarnaast hebben volwassen asielzoekers beperkte toegang tot de mondzorg (alleen bestrijding van ernstige pijn en kauwklachten). Voor de minderjarigen geldt de vergoeding van mondzorg gelijk aan de Zvw-basiszorg.
De eerste twee maanden na aankomst in de opvang hebben volwassen asielzoekers recht op de medisch noodzakelijke zorg. Welke zorg noodzakelijk is wordt bepaald door de huisarts.
Daarnaast komen asielzoekers in aanmerking voor publieke gezondheidszorg, waaronder de verplichte tbc-screening voor asielzoekers uit hoog risicolanden, het Rijksvaccinatieprogramma en de bestrijding van de infectieziekten.
In de onderstaande tabel is de uitgave binnen de ziektekostenregeling gespecificeerd. De declaratie en betaling van de zorgkosten vinden niet in zijn geheel in het zelfde jaar plaats als wanneer de behandeling heeft plaatsgevonden. De opgenomen bedragen in onderstaand overzicht betreffen kosten die betaald zijn tot en met november 2025.
Buitenland
13.119
26.176
13.322
76.362
62.979
Farmacie – apotheken
2.130.268
6.060.115
8.297.496
10.756.781
13.234.412
Farmacie – ziekenhuizen
7.205.739
2.064.482
1.726.541
2.894.452
5.992.205
Geestelijke gezondheidszorg
14.409.791
14.957.262
11.397.963
23.050.552
28.847.203
Huisarts (passant)
654.365
744.468
754.180
1.440.200
1.843.291
Hulpmiddelen
1.065.781
1.197.312
1.566.155
2.380.786
2.585.163
Jeugdhulp
92.952
0
0
0
0
Kraamzorg
921.901
711.574
860.892
1.071.433
1.618.532
M&I verrichtingen1
60.676
73.613
70.062
76.999
93.145
Maatschappelijk Werk
193.781
180.045
150.995
158.332
232.854
Medisch specialistische zorg
29.746.589
26.143.373
35.243.267
46.833.177
70.093.771
Mondzorg
6.365.733
8.324.994
9.491.862
14.163.041
18.476.208
Overig2
564.949
122.523
164.140
534.496
768.987
Paramedisch
652.712
713.922
859.254
1.448.913
1.756.086
Verloskunde
1.403.295
1.110.346
1.536.234
1.856.410
2.040.338
Vervoer
3.737.973
4.088.331
4.561.059
7.054.812
12.016.514
Wijkverpleging
1.752.814
1.858.921
1.971.289
3.025.306
4.720.258
WLZ
1.749.884
3.131.790
3.400.798
5.410.990
4.583.515
WMO
1.604.174
827.288
859.062
4.551.130
10.275.159
Zorg Zintuiglijk Gehandicapten
179.132
337.123
333.679
667.125
980.558
Bezetting
27.302
29.400
43.420
55.600
68.868
Dit zijn aanvullende vergoedingen voor de huisarts die buiten het abonnementstarief van de huisarts vallen, bijvoorbeeld kleine ingrepen.
Onder deze post vallen kleinere posten voor o.a. zwangerschapsafbreking, hepatitis vaccinaties, TBC test, tbc-behandeling en consulten van GGD-instellingen en vergoeding van moeder-en-kind huis/ blijf-van-mijn-lijf huis.
In de post huisartsen (passanten) in bovenstaande tabel zijn niet de kosten opgenomen voor de huisartsenzorg via GZA. De kosten voor huisartsenzorg door GZA, als ook voor GGD-GHOR, uitvoeringskosten van de tbc-screening en de inzet van tolken voor de zorg zijn herleidbaar naar de uitvoerende partij en bevatten daarmee concurrentiegevoelige gegevens. Deze kosten kunnen daarmee niet separaat openbaar worden gemaakt. Ook de kosten voor de tbc-screening en de publieke gezondheidszorg zijn in bovenstaande tabel niet opgenomen.
De totale bedrag voor medische kosten de jaren 2020 tot en met 2024 bedragen:
2020: € 105.109.000
2021: € 122.697.000
2022: € 169.796.000
2023: € 239.017.000
2024: € 294.460.000
Kunt u de zorguitgaven voor asielzoekers en statushouders uitsplitsen naar huisartsenzorg, ziekenhuiszorg, geestelijke gezondheidszorg, tandheelkundige zorg, geneesmiddelen en tolkdiensten? Zo nee, waarom niet?
Zie antwoord vraag 4.
Waarom weigert het COA inzicht te geven in de verschillende onderdelen van deze zorguitgaven?
Voor het organiseren van de medische zorg voor asielzoekers is het COA verplicht de verschillende onderdelen (curatieve zorg, publieke gezondheidszorg, jeugdgezondheidszorg) aan te besteden. Vanwege contractuele afspraken kan en mag het COA niet alle gegevens delen, omdat deze herleidbaar zijn en daarmee concurrentiegevoelige gegevens bevatten. Het COA geeft inzicht in de uitgaven binnen de ziektekostenregeling, zie het antwoord op vraag 5. De financiële jaarverslagen zijn openbaar.
Klopt het dat de gemiddelde zorgkosten per asielzoeker circa € 3.900 per jaar bedragen? Hoe verhoudt dit bedrag zich tot de gemiddelde zorgkosten van Nederlanders in dezelfde leeftijdscategorie?
Als de kosten voor de tbc-screening en publieke gezondheidszorg niet worden meegerekend dan komen de gemiddelde zorgkosten per asielzoeker voor 2024 inderdaad neer op ongeveer € 3.900 per persoon. Inclusief de kosten voor de tbc-screening en publieke gezondheidszorg komen de kosten op ongeveer € 4.275 per persoon.
De vergelijking met de gemiddelde zorgkosten van Nederlanders is lastig te maken vanwege verschillen in berekeningen, definities en de samenstelling van de populatie (zoals leeftijdsopbouw). Een enigszins vergelijkbaar zorgpakket komt uit op circa € 5.4002 aan zorgkosten per Nederlander3.
Hoeveel is in 2024 en 2025 uitgegeven aan tolkdiensten binnen de zorg voor asielzoekers en statushouders?
De kosten van tolken die door de zorgverleners zijn ingezet zijn niet openbaar, omdat deze herleidbaar zijn en daarmee concurrentiegevoelige gegevens bevatten.
Hoeveel asielzoekers en statushouders maakten in 2024 gebruik van geestelijke gezondheidszorg en wat waren hiervan de totale kosten?
Voor de totale GGZ-kosten zie het antwoord bij vraag 4 en 5. Het COA heeft geen inzage in de aantallen van asielzoekers die GGZ-zorg ontvangen.
Welke gevolgen hebben de stijgende zorguitgaven voor asielzoekers en statushouders voor de capaciteit en toegankelijkheid van de Nederlandse gezondheidszorg?
In 2024 verbleven ongeveer 70.000 personen in de asielopvang en bedroegen de totale kosten circa € 300 miljoen. Ten opzichte van 18 miljoen inwoners en € 120 miljard aan zorgkosten in Nederland is het zorggebruik onder asielzoekers beperkt (circa 0,25% van de zorgkosten). De invloed van het zorggebruik door asielzoekers en de stijging van de zorgkosten hebben derhalve een gering effect op de capaciteit en toegankelijkheid van de Nederlandse gezondheidszorg.
De toename van geweld, mishandeling, bedreiging en diefstal door migranten in de Amsterdamse Binnenstad |
|
Diederik Boomsma (CDA), Simon Ceulemans (JA21) |
|
Bart van den Brink (CDA), David van Weel (VVD) |
|
|
|
|
Heeft u kennisgenomen van het artikel «Groepjes jongens stelen niet alleen, maar beroven, bedreigen en mishandelen ook: «alarm om steeds gewelddadigere dieven in Amsterdamse binnenstad»»?1
Bent u bekend met het artikel «Klokkenluider binnen politiekorps: «Criminele asielzoekers terroriseren Amsterdam»» van 25 augustus 2022?2
Kunt u een reflectie geven op de oorzaken, gevolgen en de toename van deze problematiek over de afgelopen vier jaar? Welke maatregelen zijn de afgelopen jaren getroffen om deze criminaliteit terug te dringen?
Bent u bereid om na te vragen bij de politie in Amsterdam centrum, waar vier jaar geleden deze noodklok werd geluid, om te onderzoeken, desnoods op basis van mogelijk anonieme vragen, hoe agenten aankijken tegen de situatie op dit moment, wat er aan maatregelen is genomen de afgelopen vier jaar, en wat er volgens hen aanvullend nodig is?
In 2022 stelden klokkenluiders bij de Amsterdamse politie dat zij hun handen vol hadden aan criminele asielzoekers uit Noord-Afrika, dat het bestrijden van deze criminaliteit zinloos was zolang daders niet werden uitgezet, en dat zij dit als zeer frustrerend ervoeren; wat kunt u, vier jaar later, zeggen tegen deze agenten om hun zorgen tegemoet te komen, en op welke concrete wijze is de situatie sindsdien verbeterd?
Hoeveel (uitgeprocedeerde) criminele asielzoekers zijn de afgelopen jaren per jaar vervolgd en hoeveel bestraft voor criminaliteit, van hoeveel criminele asielzoekers is als gevolg daarvan hun asielprocedure stopgezet en afgewezen en hoeveel criminele asielzoekers zijn uitgezet? Voor welk type misdrijven is in de praktijk besloten om asielprocedures stop te zetten en/of uit te zetten?
Bent u het met de indieners eens dat het cruciaal is dat asielzoekers die dergelijk crimineel gedrag vertonen de consequenties daarvan moeten (leren) vrezen om hen hiervan te weerhouden? In hoeverre vindt u dat de consequenties die zij op dit moment doorgaans ondervinden voldoende afschrikwekkend zijn? Kunt u dit toelichten?
Hoe vaak worden criminele asielzoekers die winkeldiefstallen plegen en werkloos geraakte arbeidsmigranten die overvallen of geweld plegen zoals beschreven in deze artikelen en die worden opgepakt door winkelaars en/of vervolgens door de politie, daadwerkelijk vervolgd?
Hoe vaak krijgen criminele asielzoekers die worden gepakt voor dergelijke misdrijven gestraft door een maatregel opgelegd door het asielzoekerscentrum (AZC)?
Klopt het dat politieteams in de Amsterdamse binnenstad destijds het overgrote deel van hun tijd kwijt waren aan criminele asielzoekers, zoals in 2022 werd gerapporteerd? Kunt u bij de betreffende politieteams nagaan welk deel van hun schaarse politietijd agenten momenteel kwijt zijn aan deze groepen criminelen in de Amsterdamse binnenstad, Ter Apel en Budel?
Klopt het dat winkeliers SODA-boetes (Service Organisatie Directe Aansprakelijkstelling) van 181 euro uitsluitend kunnen opleggen aan Nederlands ingezetenen en dat arbeidsmigranten en asielzoekers daardoor buiten dit systeem vallen? Hoe verloopt dit incasso-systeem in de praktijk? Is het mogelijk om deze boetes ook op te leggen aan arbeidsmigranten en asielzoekers en wat zou daarvoor nodig zijn?
Klopt het dat winkeliers die een SODA-boete opleggen van 181 euro zelf slechts 80 euro daarvan ontvangen? Zo ja, op welke gronden is deze verdeling bepaald en bent u bereid dit aandeel voor winkeliers te verhogen?
Klopt het dat criminele asielzoekers winkeliers die hen aanspreken of aanhouden hen regelmatig bedreigen en foto’s van hen nemen? Hoe vaak zijn criminele asielzoekers vervolgd voor deze vormen van intimidatie, welke straffen staan daarop en welke straffen worden daarvoor zoal uitgedeeld?
Klopt het dat de landelijke Top X-lijst van overlastgevende asielzoekers inmiddels bijna 1.200 personen telt, waarvan de helft van Syrische afkomst is en meer dan een derde minderjarig? Klopt het voorts dat alleenstaande minderjarige vreemdelingen (amv’s) over het algemeen niet worden geplaatst in procesbeschikbaarheidslocaties en dat de handhaving en toezichtlocatie (HTL) niet meer wordt gebruikt? Welke concrete interventies staan dan wel ter beschikking voor deze specifieke groepen en acht u die toereikend om overlastgevend en crimineel gedrag effectief aan te pakken?
Welke specifieke strafrechtelijke en vreemdelingenrechtelijke consequenties kunnen minderjarige asielzoekers die overlast veroorzaken of strafbare feiten plegen in de praktijk ondervinden en hoe vaak zijn deze opgelegd? Voorziet de aangenomen motie-Boomsma over een landelijk actieplan voor jonge Syrische asielzoekers in voldoende uitvoerbare maatregelen voor amv’s, in het bijzonder waar het detentiemogelijkheden betreft (Kamerstuk 19 637, nr. 3413)? In hoeveel gevallen zijn de in de uitvoering van de motie voorgestelde acties daadwerkelijk opgelegd?
Klopt het dat de Immigratie- en Naturalisatiedienst (IND) in de nieuwe werkinstructie voor het Plan van Aanpak openstaande asielaanvragen een roulatiesysteem hanteert waarbij nationaliteiten periodiek worden afgewisseld om de belasting van de rechtspraak te spreiden? Maakt u in deze werkinstructie ruimte voor het prioritair (her)beoordelen van asielaanvragen en verblijfsvergunningen van (overlastgevende) Syriërs, mede in het licht van de aangenomen motie-Boomsma/Ceulemans over een taskforce terugkeer Syriërs (Kamerstuk 36 800 XX, nr. 28)?
Wat is de stand van uitvoering van de aangenomen motie-Ceulemans/Van der Plas die de regering verzocht vóór 1 mei 2026 de Kamer te informeren over concrete maatregelen tegen de overlast rondom azc Budel (Kamerstuk 19 637, nr. 3510). Wat is de stand van uitvoering van de aangenomen motie-Ceulemans die verzocht te zorgen voor beveiliging en/of ov-boa’s op de buslijnen en pendelbus tussen Emmen en Ter Apel (Kamerstuk 19 637, nr. 3531)? Welke concrete maatregelen zijn sindsdien genomen?
In hoeverre is de situatie in Budel en op de buslijnen rond Ter Apel inmiddels verbeterd en zo niet, welke aanvullende stappen worden op korte termijn gezet?
Bent u het eens met de stelling dat het tijd is voor een grootschalige campagne waarbij politie, Openbaar Ministerie, IND en Dienst Justitiële Inrichtingen rond de tafel gaan om harde keuzes te maken om deze problematiek beter aan te pakken, daar tijd voor vrij te maken en waar mogelijk vast te zetten en vervolgens uit te zetten?
Bedreiging en intimidatie van christelijke asielzoekers in asielzoekerscentra |
|
Diederik van Dijk (SGP), Don Ceder (CU) |
|
David van Weel (VVD), Bart van den Brink (CDA) |
|
|
|
|
Bent u bekend met de berichtgeving over Syrische christelijke bekeerlingen in het asielzoekerscentrum (azc) Vlissingen die na hun doop ernstig zouden zijn bedreigd, geïntimideerd en fysiek belaagd door medebewoners?1 Bent u bekend met de berichtgeving over een Iraans christelijk gezin in azc Bergschenhoek dat stelt al langere tijd te maken te hebben met religieuze intimidatie, bedreigingen en gevoelens van onveiligheid?2
Ja.
Hoe beoordeelt u de signalen dat asielzoekers die vanwege geloofsvervolging naar Nederland zijn gevlucht, juist in Nederlandse opvanglocaties opnieuw worden geconfronteerd met bedreigingen, intimidatie en druk vanwege hun christelijke geloof of bekering?
De vrijheid van godsdienst en levensovertuiging, zoals verankerd in de Nederlandse Grondwet, geldt voor iedereen in Nederland, ook in de asielopvang. Tegen bedreiging en intimidatie van asielzoekers vanwege hun (bekering tot het) (christelijke) geloof moet daarom krachtig worden opgetreden. Uitgangspunt is dat iedere asielzoeker, ongeacht geloofsovertuiging, zich (sociaal) veilig moeten weten op de COA-locatie.
Klopt het dat er in het azc Vlissingen meldingen zijn gedaan van doodsbedreigingen, fysieke intimidatie en oproepen om christelijke bekeerlingen als afvalligen te behandelen? Welke acties zijn naar aanleiding van deze meldingen ondernomen?
Het klopt dat er op het azc Vlissingen sprake was van spanningen tussen bewoners waarbij religie een rol speelde. Zonder op de individuele casus in te gaan, kan ik in zijn algemeenheid aangeven dat wanneer op een locatie sprake is van onderlinge spanningen of een incident, het COA een feitenonderzoek doet en in gesprek gaat met de betrokken bewoners.
Bij signalen van onveiligheid zoekt het COA met bewoners naar een passende oplossing. Indien sprake is van (vermoedens) van strafbare feiten doet het COA melding en/of aangifte, of adviseert bewoners zelf om melding en/of aangifte te doen.
Kunt u aangeven hoeveel meldingen van religieuze intimidatie, bedreiging, discriminatie of geweld tegen christelijke asielzoekers en bekeerlingen in de afgelopen vijf jaar bij het Centraal Orgaan opvang asielzoekers (COA), de politie of andere instanties zijn geregistreerd? Bent u bereid deze cijfers, voor zover beschikbaar, met de Kamer te delen?
Jaarlijks publiceert het Wetenschappelijk Onderzoeks- en Datacentrum een overzicht van incidenten en verdachtenregistraties van misdrijven onder de COA-bewoners die betrokken zijn bij overlast of verdacht worden van een misdrijf. Op 2 juli jl. heeft het WODC de Incidentenmonitor over 2019–2025 gepubliceerd.3 Parallel publiceert het COA op haar website een overzicht van incidenten per locatie van het voorgaande jaar. In hoeverre de incidenten religieus van aard zijn, wordt echter niet systematisch geregistreerd.
N.a.v. de aangenomen motie van de leden Ceder en Van Dijk4 werkt mijn ministerie op dit moment in samenspraak met de strafrechtketen uit hoe religieus gemotiveerd geweld op COA-locaties beter inzichtelijk kan worden gemaakt. Ik verwacht na de zomer uw Kamer te informeren hoe dit vorm krijgt.
Welke specifieke maatregelen worden momenteel genomen om christelijke asielzoekers, bekeerlingen en andere religieuze minderheden binnen azc’s te beschermen tegen intimidatie, bedreiging en geweld?
Indien sprake is van (vermoedens) van strafbare feiten doet het COA melding en/of aangifte, of adviseert bewoners zelf om melding en/of aangifte te doen. Als opvangorganisatie heeft COA de bevoegdheid om maatregelen conform het Maatregelenbeleid COA op te leggen wanneer sprake is van overlast of overtreding van de huisregels, zoals discriminatie, intimidatie of geweld.
Hoe wordt binnen opvanglocaties vastgesteld of sprake is van systematische intimidatie of groepsdruk op basis van religie, en welke protocollen gelden in dergelijke situaties?
Op basis van de tot nu toe bekende signalen, die incidenteel van aard zijn, herkent het COA zich niet in het beeld dat op locaties sprake is van systematische intimidatie of groepsdruk op basis van religie. Dat neemt niet weg dat op sommige locaties door incidenten die hebben plaatsgevonden, ook in relatie tot religie, het veiligheidsgevoel van bewoners onder druk kan staan. In aanvulling op de geldende kaders zoals toegelicht in antwoord 5, heeft COA naar aanleiding van eerdere berichtgeving over religieuze spanningen op opvanglocaties, alle COA-locaties nogmaals gevraagd extra alert te zijn op signalen van onrust tussen, of misstanden tegen, religieuze en/of etnische minderheden. De signalen worden de komende tijd gerichter gemonitord om te bezien of dit aanleiding geeft om de bestaande toerusting voor medewerkers te versterken.
Deelt u de opvatting dat bedreiging, intimidatie of geweld tegen medebewoners vanwege hun geloofsovertuiging niet kan worden afgedaan als slechts een onderlinge spanning of conflict tussen bewoners, maar een ernstige aantasting vormt van de vrijheid van godsdienst en de veiligheid binnen de opvang?
Ja, wanneer een asielzoeker vanwege zijn geloofsovertuiging wordt lastiggevallen, is dat een onwenselijke aantasting van de godsdienstvrijheid. Dat sluit niet uit dat daarbij sprake is van een complexer spanningsveld.
Kunt u toelichten hoe uitvoering wordt gegeven aan de eerder door de Kamer aangenomen motie van de leden Ceder en Diederik van Dijk waarin wordt opgeroepen om christelijke asielzoekers en bekeerlingen beter te beschermen tegen intimidatie en vervolging binnen opvanglocaties (Kamerstuk 36 800 XX, nr. 39)? Welke concrete stappen zijn er inmiddels al gezet?
Mijn ministerie heeft recent een gesprek gevoerd met Stichting Gave om zo vanuit het maatschappelijk middenveld geïnformeerd te worden over signalen en aandachtspunten. Zoals benoemd in antwoord op vraag 6, heeft het COA naar aanleiding van eerdere berichtgeving over religieuze spanningen op opvanglocaties, alle COA-locaties nogmaals gevraagd extra alert te zijn op signalen van onrust tussen, of misstanden tegen, religieuze en/of etnische minderheden. COA is alert op dergelijke signalen. De komende tijd wordt in samenspraak tussen departement en COA bezien of dit aanleiding geeft om de bestaande toerusting voor medewerkers te versterken.
Wordt binnen het COA een zerotolerancebeleid gevoerd ten aanzien van bewoners die zich schuldig maken aan bedreiging, geweld, intimidatie of religieuze dwang richting medebewoners? Zo ja, hoe wordt dit beleid toegepast en gehandhaafd? Zo nee, waarom niet?
Elke bewoner van het COA wordt geïnformeerd over de huisregels. Daarin is onder meer opgenomen dat discriminatie, intimidatie en geweld niet is toegestaan. Uitgangspunt is dat het COA conform het maatregelenbeleid normerend optreedt jegens bewoners die zich niet aan de huisregels houden, waaronder discriminatie, intimidatie en geweld. Wanneer daarbij sprake is van een strafbaar feit, wordt melding of aangifte bij de politie gedaan door COA en/of worden bewoners gestimuleerd melding of aangifte te doen.
De normering vanuit het COA als opvang- en begeleidingsinstantie wordt in de praktijk soms bemoeilijkt, wanneer bijvoorbeeld medewerkers geen getuige zijn van een incident en betrokken bewoners naderhand een verschillend feitenrelaas aanvoeren. Bovendien kan negatief gedrag tegen kwetsbare doelgroepen in de opvang, waar ook christelijke asielzoekers toe behoren, soms heel subtiel plaatsvinden. Daarom blijft het doen van aangifte en/of melding door bewoners en COA van belang, om met de sterke arm ook langs de strafrechtelijke band gedrag te normeren.
Welke consequenties kunnen bewoners verwachten wanneer zij medebewoners bedreigen vanwege hun geloof, oproepen tot geweld tegen afvalligen, of zich schuldig maken aan religieuze intimidatie?
Uitgangspunt is dat een asielzoeker die wordt verdacht van een strafbaar feit, duidelijk moet merken dat het plegen van misdrijven direct strafrechtelijke gevolgen heeft (lik-op-stuk). Dit is in veel gevallen wel afhankelijk van het doen van aangifte. Wanneer vreemdelingen misdrijven plegen en hiervoor (onherroepelijk) veroordeeld zijn, toetst de IND op verblijfsrechtelijke consequenties.
Bent u bereid te onderzoeken of bewoners die zich schuldig maken aan ernstige bedreigingen, geweld of structurele intimidatie van geloofsgenoten sneller kunnen worden overgeplaatst naar een Handhaving- en Toezichtlocatie (HTL) of anderszins zwaardere maatregelen opgelegd kunnen krijgen?
Het maatregelenbeleid bij het COA voor de HTL geeft thans al de ruimte om bij agressie en geweld tegen medewerkers, medebewoners en/ of derden met een (zeer) grote impact, zoals intimidatie op grond van iemands geloofsovertuiging, een HTL-maatregel op te leggen. Een dergelijke maatregel door het COA laat onverlet dat het bij dergelijke gedragingen primair van belang blijft dat strafrechtelijke opvolging plaatsvindt. Het COA gaat immers niet over vervolging en toepassing van het strafrecht. Ik zal voorts in samenspraak met COA bezien of de mogelijkheden die het staande kader dus reeds biedt, in de praktijk ook optimaal worden benut.
Hoe beoordeelt u de signalen uit Bergschenhoek dat een minderjarig meisje onder druk zou zijn gezet om moslim te worden, te bidden en een hoofddoek te dragen? Welke stappen worden genomen wanneer minderjarige kinderen in opvanglocaties worden geconfronteerd met dergelijke religieuze druk?
In eerdere berichtgeving5 is hierover reeds bekend gemaakt dat de politie in en rond de locatie meerdere meldingen van bedreiging en incidenten heeft onderzocht. Ik kan verder niet ingaan op dit individuele geval, maar hecht eraan nogmaals te benadrukken dat kwetsbare bewoners, minderjarigen in het bijzonder, recht hebben op een veilige opvang en dat het COA daarom bij signalen van intimidatie conform het Maatregelenbeleid optreedt.
Hoe waarborgt het COA dat bewoners die melding maken van religieuze intimidatie erop kunnen vertrouwen dat hun klachten onafhankelijk, zorgvuldig en zonder vooringenomenheid worden behandeld?
Het COA heeft een Klachtenregeling voor bewoners en derden. Bewoners van het COA worden hierover bij binnenkomst geïnformeerd. Iedere bewoner kan een klacht over zijn bejegening bij het COA indienen. Hiervoor zijn klachtenformulieren beschikbaar bij de infobalie op iedere locatie. Conform de Klachtenregeling wordt de klacht behandeld en beoordeeld door de locatiemanager, die zelf niet bij de klacht betrokken is. De afstand tot klager en beklaagde en de professionaliteit van de locatiemanager zorgen ervoor dat de klacht zorgvuldig en zonder vooringenomenheid behandeld wordt. Desgewenst kan de klacht ook door Juridische Zaken van het COA worden behandeld en beoordeeld. Na de beslissing op de klacht kan vervolgens de Nationale ombudsman om een oordeel worden verzocht.
Deelt u de mening dat Nederland een bijzondere verantwoordelijkheid heeft om mensen die gevlucht zijn voor religieuze vervolging ook daadwerkelijk bescherming te bieden tegen vergelijkbare vormen van vervolging binnen de Nederlandse opvang? Zo ja, welke aanvullende maatregelen bent u bereid te nemen?
Ja, ik acht het onaanvaardbaar dat personen die gevlucht zijn uit vrees voor vervolging vanwege hun religieuze overtuiging, in Nederland opnieuw geïntimideerd of bedreigd worden. Inzet van dit kabinet is om daders sneller onder verscherpt toezicht te plaatsen en af te wijzen voor een verblijfsvergunning. In dat verband wordt nu met de vreemdelingenketen uitgewerkt hoe de vrijheidsbeperkende maatregel effectiever kan worden ingezet. Om ook verblijfsrechtelijke consequenties toe te passen, blijft COA in den brede het doen van aangifte stimuleren zodat daadwerkelijk strafrechtelijke opvolging kan plaatsvinden.
Bent u bereid op korte termijn met het COA, politie, gemeenten en vertegenwoordigers van christelijke vluchtelingenorganisaties in gesprek te gaan om te bezien welke aanvullende maatregelen nodig zijn om de veiligheid van christelijke asielzoekers en bekeerlingen in opvanglocaties te garanderen?
Mijn departement staat reeds in contact met COA, politie, gemeenten en vertegenwoordigers van christelijke vluchtelingenorganisaties. In de aanpak van overlast en criminaliteit door asielzoekers is bijzondere aandacht voor de bescherming van kwetsbare doelgroepen, waaronder bekeerlingen. Vanzelfsprekend zetten wij dit overleg voort.
Kunt u deze vragen afzonderlijk beantwoorden en daarbij aangeven welke concrete acties op korte termijn worden ondernomen om herhaling van dergelijke situaties te voorkomen?
Ja, uw vragen geprobeerd zoveel als mogelijk aldus te beantwoorden.
De noodverordening in Zandvoort en de overlast, intimidatie en geweldsincidenten op Nederlandse stranden |
|
Tom Russcher (FVD) |
|
Bart van den Brink (CDA), David van Weel (VVD) |
|
|
|
|
Bent u bekend met het artikel «Noodverordening moet «hufterigheid» in Zandvoort tegengaan. «Die meiden zijn net zo brutaal»» in de Volkskrant van 31 mei 2026?1
Ja.
Klopt het dat de burgemeester van Zandvoort een noodverordening heeft afgekondigd wegens ernstig overlastgevend gedrag na de Pinksterdagen, en dat ook het strand bij Nesselande in Rotterdam is aangewezen als veiligheidsrisicogebied?
Ja. De burgemeester van Zandvoort heeft op 29 mei tot en met 31 mei jl. en op 20 juni tot en met 22 juni jl. een noodverordening afgekondigd wegens incidenten zoals bedreigingen, mishandeling en openlijke geweldpleging. Het strand van Nesselande is door de burgemeester van Rotterdam aangewezen als veiligheidsrisicogebied voor de periode van 12 juni tot 1 oktober 2026.
Kunt u bevestigen dat strandpachters zijn geïntimideerd, een portier een stok in zijn gezicht kreeg, serveersters zijn lastiggevallen en twee strandpaviljoens daardoor eerder zijn gesloten?
De overlast en incidenten in Zandvoort en in andere strandgebieden hebben impact op de hele gemeenschap. Op donderdag 4 juni jl. ben ik op het strand van Zandvoort in gesprek gegaan met de burgemeester, ondernemers, politie, boa’s en het OM over de situatie. De strandpachters vertelden mij dat personeel is geïntimideerd, bespuugd of uitgescholden. De verhalen zijn indringend. Strandpachters voelden zich genoodzaakt eerder dicht te gaan of zelfs dicht te blijven, omdat de situatie niet meer veilig voelde. Dat is niet normaal. Zandvoort moet veilig en toegankelijk blijven.
Bent u in staat om cijfers aan te leveren over het jaarlijkse aantal vergelijkbare incidenten van intimidatie, bedreiging en geweld tegen ondernemers, personeel en bezoekers op stranden van de afgelopen tien jaar?
Bent u bereid om – gelet op de zware oververtegenwoordiging van mensen met een migratieachtergrond in de criminaliteitscijfers en het actuele maatschappelijke debat over migratie – in kaart te brengen wat de herkomst is van de daders van deze overlast- en geweldsincidenten?
Bent u bereid in dat overzicht niet alleen eerste en tweede generatie migranten op te nemen, maar ook derde en vierde generatie migranten, zodat een volledig beeld ontstaat?
Indien u deze gegevens niet paraat heeft, bent u dan bereid hier onderzoek naar te laten doen?
Indien het antwoord op bovenstaande vraag ontkennend luidt, waarom niet?
Bent u bereid een openbaar dashboard in te richten waarop per periode zichtbaar is hoeveel personen worden verdacht van geweldsmisdrijven, uitgesplitst naar leeftijd, geslacht en herkomst, inclusief derde en vierde generatie migranten? Zo nee, waarom niet?
Waarom wordt er «weinig onderzoek» gedaan – aldus Ira Helsloot, de in het artikel genoemde hoogleraar besturen van veiligheid – naar de oorzaak van de overlast en het geweld? Waarom wordt dat onderzoek niet gedaan?
Bent u bereid alsnog onderzoek te laten doen naar de oorzaken van deze overlast, inclusief de migratieachtergrond van de daders? Zo nee, waarom niet?
Herkent u uit politieregistraties het beeld – alsook beschreven door bovenstaande hoogleraar – dat met name jongeren met een migratieachtergrond niet accepteren dat vrouwen schaars gekleed op het strand zitten?
Op basis van politieregistraties kunnen hier geen uitspraken over worden gedaan.
Deelt u de mening dat het onaanvaardbaar is dat vrouwen op een Nederlands strand worden lastiggevallen of geïntimideerd vanwege hun kleding of gedrag?
Ja. Het lastigvallen of intimideren van vrouwen, om welke reden dan ook en waar dan ook, is onaanvaardbaar.
Welke maatregelen neemt u om te voorkomen dat de vrijheid van vrouwen op het strand wordt ingeperkt door intimiderend gedrag van groepen jongeren?
Handhaving van de openbare orde is aan het lokaal gezag. Bestaande maatregelen die hiertoe kunnen bijdragen zijn zichtbare aanwezigheid van politie, boa’s, toezicht- en handhavingsteams, toepassing van Algemene Plaatselijke Verordening (APV)-instrumenten en gebiedsverboden, Halt-trajecten voor minderjarigen, lokale preventie (jeugdwerk, voorlichting, afspraken met strandexploitanten) en in het uiterste geval de inzet van de noodbevoegdheden. De afweging wat effectief en proportioneel is vindt plaats in de lokale driehoek.
Indien u die maatregelen nog niet heeft, op welke termijn komt u hiermee?
Zie antwoord vraag 14.
Welke gevolgen voor het beleid verbindt u aan de signalering van de burgemeester dat de overlastgevende groep steeds jonger wordt – soms 12 of 13 jaar – en een anti-autoritaire houding heeft?
Het is belangrijk dat de politie en het lokale gezag in staat zijn om de openbare orde op straat en in onze wijken goed te handhaven. En dat het gezag wordt gerespecteerd en dat we ons veilig voelen op straat en in onze buurt. De signalering dat overlastgevende groepen steeds jonger zijn, onderstreept het belang van een vroegere en integrale preventieve en doortastende inzet; een goede samenwerking tussen gemeenten, onderwijs, justitie, zorg en jongerenwerk. Het is daarbij aan de burgemeester om in samenwerking met andere (gemeentelijke) partners en het OM (voor zover het om strafbare feiten gaat) om (jeugd-)overlast aan te pakken. Vanuit het Centrum voor criminaliteitspreventie en veiligheid zijn hiervoor verschillende handreikingen beschikbaar.
Hoeveel aanhoudingen en gebiedsverboden zijn er dit voorjaar landelijk opgelegd wegens strand- en uitgaansoverlast?
Aanhoudingen en gebiedsverboden in de context van strand- en uitgaansoverlast worden niet apart geregistreerd.
Acht u de huidige bevoegdheden van politie en handhaving toereikend om dit soort overlast aan te pakken?
Ik heb geen signalen dat de huidige bevoegdheden niet toereikend zijn om dit soort overlast aan te pakken. Strafrechtelijk kan worden opgetreden tegen o.a. openlijke geweldpleging, mishandeling en bedreiging. Bestuursrechtelijk staan onder andere het noodbevel en de noodverordening, gebiedsverboden, cameratoezicht en aanwijzing van een veiligheidsrisicogebied ter beschikking. Waar het minderjarigen betreft kan handhaving tevens bestaan uit het opleggen van Halt-trajecten en de inzet van het jeugdstrafrecht. De afweging wat nodig en proportioneel is vindt plaats in de lokale driehoek.
Zo nee, welke aanvullende bevoegdheden acht u nodig?
Zie antwoord vraag 18.
Bent u bereid bij geweld en intimidatie door minderjarigen ook de ouders aansprakelijk te stellen, mede gelet op de constatering dat ouders minder betrokken zijn?
Ouders kunnen niet strafrechtelijk aansprakelijk worden gesteld voor het gedrag van hun kinderen. Als het gaat om civiele aansprakelijkheid voor veroorzaakte schade zijn ouders aansprakelijk voor veroorzaakte schade door hun kinderen tot en met 13 jaar.5 Hierbij kunnen benadeelden een schadeclaim voegen in een eventuele strafzaak.
Ten aanzien van ouders of gezagsdragers van kinderen onder de 12 jaar heeft de burgemeester de bevoegdheid om rechtstreeks aan ouders het bevel te geven ervoor te zorgen dat kun kind zich niet onbegeleid op bepaalde plaatsen bevindt.6 De burgemeester kan in geval van overtreding van de APV een last onder dwangsom opleggen ter voorkoming van herhaalde overtreding.
Welke consequenties verbindt u aan herhaalde overlast voor de verblijfsstatus of het inburgeringstraject van daders, voor zover dit van toepassing is?
Het Europees Unierecht vereist dat, als een vreemdeling internationale bescherming nodig heeft, er sprake moet zijn van een ernstig misdrijf of een bijzonder ernstig misdrijf om de verblijfsvergunning te weigeren of in te trekken.
Wanneer vreemdelingen misdrijven plegen en hiervoor onherroepelijk veroordeeld zijn, beoordeelt de IND altijd of dit ook verblijfsrechtelijke gevolgen heeft. Daarbij wordt onder meer gekeken naar de verblijfsduur van de vreemdeling en de duur van de opgelegde gevangenisstraf. Na een weigering of intrekking van de verblijfsvergunning door de IND start de Dienst Terugkeer en Vertrek (DTenV) het terugkeerproces.
Deelt u de analyse dat het toenemende aantal overlast- en geweldsincidenten op publieke plaatsen mede samenhangt met de omvang en samenstelling van de immigratie van de afgelopen decennia?
De in de vraag genoemde analyse en de bijbehorende feitelijke onderbouwing zijn niet bekend. Het is daarom niet mogelijk de genoemde analyse te duiden.
Indien u deze analyse niet deelt, op welke gegevens baseert u dat?
Zie antwoord vraag 22.
Deelt u de mening dat de burger recht heeft op een veilig en onbezorgd strandbezoek, en dat de overheid op dit moment tekortschiet in het faciliteren hiervan?
Ik deel de mening dat iedere burger die het strand bezoekt dat veilig en onbezorgd moet kunnen doen. Ik heb geen signalen dat de huidige bevoegdheden van het lokaal gezag niet toereikend zijn om overlast aan te pakken.
Bent u bereid deze vragen afzonderlijk en vóór het zomerreces te beantwoorden?
Dat is helaas niet gelukt.
Heeft u kennisgenomen van de uitspraak van de rechtbank in Den Haag waarbij door de rechtbank is bevestigd dat u niet heeft voldaan aan de uitspraak van de Afdeling Bestuursrecht van de Raad van State en het arrest CF en DN van het Hof van Justitie van de Europese Unie?1
Ja. Ik kan mij echter niet vinden in die uitspraak en heb hiertegen hoger beroep ingediend bij de Raad van State.
Hoe rijmt u de conclusie dat bepaalde provincies in Jemen (zoals Al Mahra en Hadramaut) «veilig» zijn met de informatie van hulporganisaties, United Nations en VluchtelingenWerk dat het geweld en de instabiliteit zich over het hele land verspreiden en dat de situatie onvoorspelbaar blijft?
Het Ministerie van Buitenlandse Zaken heeft onderzoek gedaan naar de verschillende provincies in Jemen. Hierbij is naar voren gekomen dat de provincies Al Mahra en Hadramaut grotendeels gevrijwaard zijn gebleven van de gevechten die gaande zijn in andere provincies in Jemen. In het landenbeleid ten aanzien van Jemen is vervolgens opgenomen dat voor de provincies Al Mahra en Hadramaut géén sprake is van een risico op willekeurig geweld in de zin van artikel 15c. De rechtbank in Arnhem heeft inmiddels geoordeeld dat ik er op juiste gronden vanuit ga dat in Hadramaut geen sprake is van een gewapend conflict. Dit neemt niet weg dat de IND altijd op basis van een individuele beoordeling een besluit neemt over de asielaanvraag. Bij deze beoordeling betrekt de IND de meest recent beschikbare informatie over de veiligheidssituatie in een land.
Kunt u specifiek aangeven welke bronnen, naast het ambtsbericht, zijn gebruikt om de afwezigheid van willekeurig geweld in deze gebieden aan te tonen?
Via het Team Onderzoek en Expertise Land en Taal (TOELT), dit is het IND-expertisecentrum op het gebied van taal- en landinhoudelijke informatie, heeft het departement extra informatie opgevraagd over de veiligheidssituatie in Jemen sinds het publiceren van het ambtsbericht tot en met februari 2026. TOELT heeft onder andere informatie opgehaald uit openbare bronnen van ACLED en de Yemen Monitor maar ook geput uit andere betrouwbare nieuwsbronnen.
Waarom blijft u vasthouden aan het beleid waarbij humanitaire factoren slechts globaal worden meegenomen, terwijl de rechter en de Raad van State oordelen dat onvoldoende in kaart is gebracht hoe humanitaire omstandigheden (zoals hongersnood en gebrek aan water) het directe of indirecte gevolg zijn van het handelen van strijdende partijen en het Europese Hof (arrest CF en DN) een «allesomvattende beoordeling» eist?
Zowel de Raad van State als het Hof van Justitie van de EU spreken in de door u aangehaalde uitspraken van het globaal betrekken van alle relevante omstandigheden. Ik ben daarom van oordeel dat de door de Raad van State geconstateerde motiveringsgebreken in het oude landenbeleid met betrekking tot het betrekken van de humanitaire omstandigheden bij de 15c-beoordeling, middels het nieuwe landenbeleid Jemen zijn hersteld. Ik heb uw Kamer per brief en de bijbehorende bijlagen op 8 oktober 2025 geïnformeerd over deze wijzigingen.
Bent u bereid om, naar aanleiding van de recente rechterlijke uitspraak dat het beleid niet voldoet aan de eisen van de Raad van State en het Europese Hof, de uitvoering van het nieuwe beleid (en daarmee de afwijzingen van asielaanvragen) per direct op te schorten totdat er een deugdelijke, allesomvattende analyse van de humanitaire situatie ligt?
Deze zaak ligt nog voor bij de Raad van State. Ik ben van mening dat de rechtbank ten onrechte tot de conclusie is gekomen dat het landenbeleid niet in overeenstemming is met de uitspraak van de Raad van State. Ik zie daarom ook geen aanleiding om het beleid ingevolge de uitspraak van de rechtbank te wijzigen.
Komt er een nieuwe wijziging in het landenbeleid voor Jemen naar aanleiding van bovengenoemde uitspraken? Zo ja, hoe wordt daarin recht gedaan aan de uitspraken? Zo nee, waarom niet?
Nee, zoals ik in mijn antwoord op vraag 4 heb geconcludeerd, zijn de eisen van de Raad van State en het Europese Hof van Justitie reeds meegenomen in de meest recente beleidswijziging voor het landenbeleid Jemen. Het Ministerie van Buitenlandse Zaken is op dit moment bezig met een nieuw ambtsbericht over Jemen; dit ambtsbericht wordt verwacht in het vierde kwartaal van 2026 en zodra dit is gepubliceerd zal ik bezien of het landenbeleid ten aanzien van Jemen gewijzigd dient te worden.
Op welke feitelijke informatie baseert u de aanname dat vluchtelingen uit onveilige gebieden zich duurzaam en veilig kunnen vestigen in de zogenaamd veilige provincies, gezien de enorme druk op de lokale infrastructuur door de miljoenen interne ontheemden in Jemen?
Uit het ambtsbericht bleek, en dit beeld is na het opvragen van meer actuele informatie recent nog bevestigd, dat de provincies Al Mahra, Hadramaut en Socotra vrijwel gevrijwaard zijn gebleven van gevechtshandelingen en gewelddadigheden. Voor deze provincies kan dan ook de conclusie worden getrokken dat er geen sprake is van willekeurig geweld in de zin van een gewapend conflict, als bedoeld in artikel 15c. Bovendien blijkt ook niet uit de informatie dat de, weliswaar, precaire humanitaire situatie, het gevolg is van de gehanteerde oorlogsmethoden. Er is daarom geen reden aan te nemen dat in deze provincies sprake is van willekeurig geweld in de zin van artikel 15c en dat men in algemene zin zich hier niet veilig kan vestigen. Dit neemt natuurlijk niet weg dat de IND altijd een individuele beoordeling doet als iemand zegt asielbescherming nodig te hebben. Er kunnen dus op individuele gronden redenen zijn om aan te nemen dat iemand zich niet in deze provincies kan vestigen.
Hoe wordt gegarandeerd dat deze mensen daar niet alsnog in een levensbedreigende humanitaire situatie terechtkomen?
Het is aan de vreemdeling om de vrees voor ernstige schade bij terugkeer aannemelijk te maken. Voor het vaststellen van een reëel risico op ernstige schade is een volledig individuele beoordeling vereist. Daarbij wordt gekeken naar alle relevante elementen die betrekking hebben op de individuele situatie en de algemene situatie in het land van herkomst. De humanitaire omstandigheden zijn daarbij reeds meegewogen bij de vaststelling of sprake is van een 15c situatie in de verschillende provincies in Jemen. Aan de hand daarvan beoordeelt de IND of de aangedragen vrees aannemelijk is en of dit voldoende is om asielbescherming te verlenen.
Erkent u dat het huidige beleid, waarbij zaken worden aangehouden of afgewezen op basis van een juridisch wankel fundament, ertoe leidt dat een grote groep Jemenieten in Nederland in onzekerheid leeft en hun integratie en persoonlijke ontwikkeling ernstig worden belemmerd?
De IND kan sinds het publiceren van het nieuwe landenbeleid in oktober 2025 weer beslissen op Jemenitische asielaanvragen. Ik ben ervan overtuigd dat het huidige landenbeleid ten aanzien van Jemen recht doet aan de informatie die over Jemen bekend is.
Hoe kunt u de Jemenieten in Nederland ondersteunen en faciliteren in hun ontwikkeling en integratie gedurende deze onzekere tijden?
Personen met de Jemenitische nationaliteit die een verblijfsstatus in Nederland hebben, hebben toegang tot dezelfde integratie en inburgeringsmogelijkheden als statushouders met een andere nationaliteit. Ik zie daarom geen aanleiding om naast de bestaande mogelijkheden extra ondersteuning te bieden ten behoeve van de ontwikkeling en integratie van Jemenitische statushouders. Voor Jemenitische vreemdelingen die nog in de asielprocedure zitten, geldt dat zij dezelfde positie genieten als vreemdelingen met een andere nationaliteit. Ook voor hen zie ik geen reden om bijzonder beleid in te richten.
Kunt u bovenstaande vragen één voor één beantwoorden?
Ja.
Gemeenten die de Spreidingswet moeten uitvoeren |
|
Lisa Westerveld (GL) |
|
Bart van den Brink (CDA) |
|
|
|
|
Kent u het bericht «Burgemeester van Maassluis steunt voornemen van eigen gemeente om «nul» asielzoekers op te nemen niet en pleit voor solidariteit» en de brief van de burgemeester van Maassluis «Reflectie coalitieakkoord»?1, 2
Ja.
Deelt u de mening van de burgemeester dat ten aanzien van het asielbeleid «het van belang [is] om als gemeenten onderling solidair te zijn. Dat betekent dus gevolg geven aan de spreidingswet»? Zo ja, waarom? Zo nee, waarom niet?
Ja, gemeenten moeten uitvoering geven aan de wet. De actuele situatie in de asielopvang laat eens te meer zien dat het belangrijk is dat gemeenten hun verantwoordelijkheid nemen om opvang te realiseren en zich solidair tonen met de gemeenten die dit al doen.
Deelt u de mening dat gemeenten uitvoering moeten geven aan de Spreidingswet en dat het voornemen om geen opvangplekken voor asielzoekers te zullen gaan aanbieden in strijd is met het doel van die wet? Zo ja, waarom? Zo nee, waarom niet?
Ja. Gemeenten moeten uitvoering geven aan de Spreidingswet. De wet geeft gemeenten de mogelijkheid om eerst met elkaar in gesprek te gaan aan de provinciale regietafel (PRT) over de precieze invulling van de provinciale opgave. Het is aan gemeenten onderling hoe zij hier invulling aan geven. De wet schrijft voor dat de provinciale opgave sluitend moet zijn. Aan deze tafels deelnemen zonder bereidheid een bijdrage te leveren is wat mij betreft niet aan de orde.
Kent u meer signalen van gemeenten die in nieuwe coalitieakkoorden het voornemen hebben opgenomen om geen opvangplekken voor asielzoekers te zullen gaan aanbieden? Zo ja, hoeveel gemeenten zijn dit en om hoeveel potentieel niet te realiseren opvangplekken gaat het?
Inmiddels hebben meerdere soortgelijke signalen ook mij bereikt. Ik ga echter niet in op de specifieke casuïstiek. Als gemeenten niet voldoen aan hun wettelijke taak, is het rijksbrede kader van interbestuurlijk toezicht van toepassing en zullen gemeenten hierop worden aangesproken. Het ministerie is al in gesprek met een aantal van de gemeenten die niet voldoen aan hun wettelijke taak.
Deelt u de mening dat het voor het lokale draagvlak ten aanzien van het opnemen van asielzoekers uiteindelijk beter is als gemeenten het aan de provinciale regietafels onderling eens worden over de verdeling van provinciale opvangopgaven in plaats van dat u die moet vaststellen of aanvullen? Zo ja, waarom? Zo nee, waarom niet?
Ja, deze mening deel ik. De wet geeft expliciet de mogelijkheid dat gemeenten met elkaar in gesprek gaan over hun opgaven. Deze afspraken landen in een provinciaal verslag, dat de CvdK als voorzitter van de PRT bij mij indient. Als het provinciale totaal sluitend is, zal ik het provinciale verslag overnemen in het verdeelbesluit. Lokaal bestuur heeft meer inzicht in de lokale context en weet welke opvangmogelijkheden daarbinnen mogelijk zijn. Ik raad de PRT’s dan ook aan om te komen tot een sluitend provinciaal verslag, zodat zij zelf de regie behouden.
Wat doet u om lokale bestuurders ten aanzien van het uitvoeren van de Spreidingswet te ondersteunen?
Ik breng momenteel een bezoek aan alle PRT’s, waarbij ik ook in gesprek ga met bestuurders over de invulling van de opgave. Daarnaast zijn er vanuit de Spreidingswet verschillende bonusregelingen, waarop gemeenten aanspraak kunnen maken. Ook is het goed te benoemen dat de VNG een ondersteuningsteam heeft opgericht, om gemeenten die een nieuwe opvanglocatie openen te ondersteunen.
De financiële onzekerheid van Iraanse studenten in Nederland |
|
Fatihya Abdi (PvdA) |
|
Letschert , Bart van den Brink (CDA) |
|
|
|
|
Kent u het bericht dat Iraanse studenten in Nederland op dit moment in betalingsproblemen komen en mogelijk moeten terugkeren naar Iran als zij, bijvoorbeeld, hun collegegeld niet kunnen betalen? Zo ja, klopt dit bericht?1
Ja, ik ken het bericht. Ik heb signalen ontvangen dat een deel van de Iraanse studenten in Nederland moeite heeft om zich op hun studie te kunnen concentreren door de heftige thuissituatie. In bepaalde gevallen komen daar ook nog eens financiële problemen bij, zoals geen toegang hebben tot je bankrekening.
Wat is precies bekend over de omstandigheden waaronder Iraanse studenten in Nederland verblijven? Zijn u coulanceregelingen bekend voor het treffen van een betalingsregeling als Iraanse studenten in financiële problemen geraken? Zo ja, welke onderwijsinstellingen bieden financiële ondersteuning en waaruit bestaan deze regelingen precies voor wat betreft ondersteuning bij de kosten voor levensonderhoud, studiekosten en dergelijke?
De omstandigheden waaronder Iraanse studenten in Nederland verblijven kunnen per student verschillen. In het algemeen geldt dat Iraanse studenten in Nederland verblijven op basis van een studievisum voor studenten en dat ze zijn ingeschreven bij een hogeschool of universiteit. Net als andere internationale studenten van buiten de Europese Economische Ruimte komen studenten uit Iran niet in aanmerking voor het wettelijke collegegeld of studiefinanciering. Op basis van hun studievisum mogen Iraanse studenten het hele jaar door tot maximaal 16 uur per week werken in loondienst of in plaats daarvan voltijdswerken in de maanden juni, juli en augustus. Hun werkgever moet dan een tewerkstellingsvergunning aanvragen. Internationale studenten kunnen ook werken als zzp’er.
De Wet op het hoger onderwijs en wetenschappelijk onderzoek (WHW) biedt ruimte voor hogescholen en universiteiten om maatwerk te verzorgen om zo goed mogelijk aan te kunnen sluiten bij de specifieke situatie van een student. Ik zie dat instellingen hier ook gebruik van maken. Zo ondersteunen instellingen deze studenten bijvoorbeeld via het treffen van betalingsregelingen, het opstellen van een noodfonds, het tijdelijk opheffen van herinschrijfblokkades, (mentale) begeleiding via studentpsychologen, studentendecanen en social workers voor internationale studenten en het organiseren van bijeenkomsten voor studenten en medewerkers om samen te komen en elkaar te ondersteunen.
Ik heb geen centraal overzicht van welke onderwijsinstellingen financiële ondersteuning bieden en waaruit die getroffen regelingen precies bestaan. De koepelorganisaties VH en UNL beschikken hier ook niet over. De wijze van ondersteuning kan per student verschillen. Instellingen kunnen samen met de student nagaan welke beschikbare oplossing het best past bij de specifieke situatie van de student.
Klopt het dat bij het niet voldoen van het collegegeld automatische uitschrijving bij de onderwijsinstelling volgt en dat dan ook het verblijfsrecht in Nederland vervalt? Zijn u gevallen bekend waarin Iraanse studenten door financiële problematiek hun verblijfsrecht in Nederland dreigen te verliezen? Zo ja, om hoeveel studenten gaat het hier?
Volgens de WHW is betaling van het collegegeld een voorwaarde voor een geldige inschrijving als student. Bij de inschrijving van een student aan een hogeschool of universiteit wordt gevraagd om aan te tonen dat het collegegeld betaald is of zal worden (artikel 7.37 WHW). De afspraken over betaaldata, termijnen en eventuele mogelijkheden voor uitstel van betaling zijn niet wettelijk vastgelegd. Hier kan een instelling zelf afspraken over maken. Instellingen spannen zich waar mogelijk in, zodat studenten ingeschreven blijven staan. Er is geen sprake van een automatische uitschrijving als een student het collegegeld niet heeft voldaan. Wel regelt de WHW dat een instellingsbestuur de inschrijving mag beëindigen indien een student het collegegeld na aanmaning niet heeft voldaan (artikel 7.42 tweede lid WHW).
Wanneer een onderwijsinstelling een student van buiten de EER uitschrijft, voldoet de student niet meer aan het verblijfsdoel waarvoor de verblijfsvergunning voor studie is afgegeven en wordt deze verblijfsvergunning ingetrokken. De EU-richtlijn 2016/801 inzake voorwaarden voor de toelating en het verblijf van onder meer studenten van buiten de EU schrijft dit ook voor (artikel 21, eerste lid, onder a). Wel dient een lidstaat in elk besluit tot intrekking of niet-verlenging van de verblijfsvergunning rekening te houden met de specifieke omstandigheden van het geval en wordt het evenredigheidsbeginsel geëerbiedigd (artikel 21, zevende lid). Voordat de verblijfsvergunning wordt ingetrokken of niet wordt verlengd, beoordeelt de IND per geval of er individuele redenen zijn om van intrekking c.q. niet-verlenging af te zien.
Naast een geldige inschrijving bij een onderwijsinstelling dienen studenten gedurende hun verblijf over voldoende middelen van bestaan te beschikken. Bij de IND zijn signalen bekend dat het voor Iraanse studenten die afhankelijk zijn van sponsorgelden uit het land van herkomst op dit moment lastig is om aan dit middelenvereiste te blijven voldoen. Om hoeveel studenten het gaat is niet bekend.
Intrekking van de verblijfsvergunning voor studie betekent het verval van het verblijfsrecht, tenzij de desbetreffende voormalige student op grond van een andere toelatingsgrond dan studie in aanmerking komt voor verblijf in Nederland.
Bent u bereid om te onderzoeken hoe Iraanse studenten in Nederland financieel kunnen worden ondersteund bij de studiekosten en kosten van het levensonderhoud? Zo nee, waarom niet?
Vooralsnog worden er geen aanvullende algemene maatregelen voor studenten en onderwijsinstellingen overwogen. Wel ben ik met instellingen in gesprek over de signalen die zij binnenkrijgen en zal ik ook het gesprek voeren over grenzen waar zij tegenaan lopen.
Binnen de WHW is ruimte opgenomen voor onderwijsinstellingen om maatwerk te bieden en studenten financieel te ondersteunen, zodat rekening gehouden kan worden met de specifieke omstandigheden van een getroffen student.
Er zijn bijvoorbeeld instellingen die een noodfonds hebben ingesteld, betalingsregelingen hebben getroffen met studenten wanneer zij het collegegeld niet kunnen betalen en herinschrijfblokkades tijdelijk hebben opgeheven. Ook kunnen instellingen het instellingscollegegeldtarief voor bepaalde groepen studenten verlagen tot minimaal het wettelijk collegegeldtarief. Het is aan de instelling zelf om te bepalen of zij van deze mogelijkheid gebruik maken.
Bent u bereid om met onderwijsinstellingen in gesprek te gaan om te voorkomen dat betalingsproblemen leiden tot uitschrijving bij de betreffende onderwijsinstelling? Zo nee, waarom niet?
Hogescholen en universiteiten spannen zich waar mogelijk in om te voorkomen dat betalingsproblemen van Iraanse studenten leiden tot uitschrijving en zij hun verblijfsvergunning verliezen. Zie ook het antwoord op vraag 3.
Ik ben met onderwijsinstellingen in gesprek over de situatie van Iraanse studenten in Nederland en de problemen die een deel van de Iraanse studenten in Nederland ervaren gaan ons aan het hart. Ik vraag instellingen om aandacht te hebben voor de persoonlijke omstandigheden van de student en waar mogelijk maatwerk te bieden. Ik zie dat instellingen dit ook doen.
Bent u bereid om bij deze groep Iraanse studenten in Nederland af te zien van het intrekken van studievisa? Zo nee, waarom niet?
Indien een vreemdeling niet meer voldoet aan het verblijfsdoel waarvoor zijn verblijfsvergunning is afgegeven, wordt deze vergunning in beginsel ingetrokken. Op grond van de in antwoord 3 genoemde EU-richtlijn is een categorale regeling voor Iraanse studenten, zoals voorgesteld in de vraag, niet mogelijk.
Bent u bereid om samen met onderwijsinstellingen te bezien hoe onder de huidige omstandigheden materiële en mentale steun aan de groep Iraanse studenten in Nederland geboden kan worden? Zo nee, waarom niet?
Zoals aangegeven in antwoord op vraag 2 en 4 biedt de WHW ruimte voor hogescholen en universiteiten om maatwerk te verzorgen om studenten zo goed mogelijk te ondersteunen. Veel instellingen maken daar ook gebruik van.
Zo zijn er instellingen die bijeenkomsten organiseren om Iraanse studenten een hart onder de riem te steken, zoals ook aangehaald wordt in het bericht uit
vraag 1, of die extra inzetten op begeleiding. Daarnaast zijn hogescholen en universiteiten verplicht om bij het hanteren van een bindend studieadvies rekening te houden met de persoonlijke omstandigheden van de student. En kunnen studenten zich wenden tot een examencommissie, studieadviseur of de Commissie Persoonlijke Omstandigheden (CPO), die bekijkt of en in welke mate er sprake is van studievertraging en hoe hiermee om te gaan.
Ik ben met instellingen in gesprek over de signalen die zij binnenkrijgen en zal ook het gesprek voeren over grenzen waar zij tegenaan lopen.
Bent u bereid om, met het oog op de naderende deadline voor de inschrijving aan onderwijsinstellingen, deze schriftelijke vragen zo snel als mogelijk te beantwoorden?
Ja.
Kunt u voor uw ministerie uitgesplitst per jaar voor de komende kabinetsperiode, inzichtelijk maken hoeveel publieke middelen worden besteed aan adviesraden, commissies en non-gouvernementele organisaties, waaronder maar niet beperkt tot het Voedingscentrum, het College financieel toezicht Curaçao en Sint Maarten, de Nederlandse Sportraad en de Wetenschappelijke Klimaatraad?
In de vragen wordt verwezen naar verschillende (vormen van) organisaties die de regering op enigerlei wijze van advies (kunnen) voorzien. Ten behoeve van de beantwoording wordt onderscheid gemaakte tussen deze organisatievormen.
De regering wordt onder meer geadviseerd door onafhankelijke adviescolleges. Op grond van artikel 79 van de Grondwet en de Kaderwet adviescolleges worden vaste adviesorganen van het Rijk die adviseren over wetgeving en beleid, bij wet ingesteld. Adviescolleges kunnen op verzoek van regering of parlement, of ongevraagd, adviseren over beleid en wetgeving op het terrein waarop zij zijn ingesteld. De in de vraagstelling genoemde Wetenschappelijke Klimaatraad en de Nederlandse Sportraad zijn adviescolleges in de zin van de Kaderwet. De adviescolleges onder de Kaderwet die in 2025 actief waren, zijn opgenomen in de Jaarrapportage Bedrijfsvoering Rijk 2025.1 Een actueel overzicht van de adviescolleges onder de Kaderwet wordt bijgehouden in het Register van Overheidsorganisaties.2
Naast adviescolleges in de zin van de Kaderwet adviescolleges, bestaan er ook onafhankelijke externe commissies. Niet alle externe commissies zijn adviescommissies. Voor zover deze commissies (ook) een adviestaak hebben, adviseren zij de regering onafhankelijk over de uitvoering van bestaand beleid. De lijst van externe commissies wordt zo goed als mogelijk bijgehouden in het Register van Overheidsorganisaties.3 Voor de instelling van externe commissies hanteert het kabinet de Leidraad instellen externe commissies.4
Voor de meeste adviescolleges en -commissies worden begrote uitgaven niet apart op de departementale begroting vermeld. Om tegemoet te komen aan het informatieverzoek uit vragen 1 en 2, zal het kabinet eenmalig een overzicht opstellen met de financiële middelen die bij de departementen begroot zijn voor de adviescolleges die adviseren over beleid en wetgeving. Dit zijn de adviescolleges onder de Kaderwet adviescolleges en de Wetenschappelijke Raad voor het Regeringsbeleid.5 Er is enige tijd nodig om deze informatie bij de departementen te verzamelen en op een inzichtelijke wijze te kunnen presenteren. Ik zal dit overzicht voor het einde van het derde kwartaal aan de Kamer doen toekomen.
Het College financieel toezicht Curaçao en Sint Maarten (Cft), ook genoemd in vraag 1, valt niet onder de reikwijdte van de Kaderwet adviescolleges. De taken, inrichting en werkwijze van het Cft zijn onder meer vastgelegd in de Rijkswet financieel toezicht Curaçao en Sint Maarten. Het Cft toetst aan de normen zoals opgenomen in de Rijkswet financieel toezicht en adviseert hierover gevraagd en ongevraagd aan de Rijksministerraad. De uitgaven aan het Cft komen ten laste van Hoofdstuk IV Koninkrijksrelaties, artikel 6 (Apparaat) en zijn in de onderstaande tabel weergegeven. De in de tabel opgenomen uitgaven hebben betrekking op de volledige organisatie die de werkzaamheden verricht ten behoeve van het College financieel toezicht Curaçao en Sint Maarten, het College financieel toezicht BES (Cft BES) en het College Aruba financieel toezicht (CAft). De colleges financieel toezicht hebben als toezichthouder tot doel om met de besturen van Aruba, Curaçao, Sint Maarten, Bonaire, Sint Eustatius en Saba duurzame overheidsfinanciën te realiseren. Het Cft BES voert zijn taken uit op basis van Wet financiën openbare lichamen Bonaire, Sint Eustatius en Saba; het CAft doet dit op grond van de Landsverordening Aruba financieel toezicht.
6.063
4.519
4.308
4.735
4.624
4.612
In vragen 1 en 2 wordt daarnaast verwezen naar «non-gouvernementele organisaties». Departementen kunnen aan organisaties die geen onderdeel uitmaken van de Rijksoverheid subsidies verstrekken met het oog op bepaalde activiteiten van de aanvrager. De Kamers worden structureel geïnformeerd over welke subsidies door de departementen verstrekt worden. Op grond van de Rijksbegrotingsvoorschriften6 worden in alle begrotingen per begrotingsartikel in de tabel «budgettaire gevolgen van beleid» de subsidies opgenomen, met een ondergrens van € 1 miljoen.7 In bijlage 3 bij elke begroting, het subsidieoverzicht, wordt een overzicht van alle subsidies voor het betreffende departement opgenomen, zonder budgettaire ondergrens. Hierbij wordt ook het subsidiebedrag tot twee jaar voor en vier jaar na het betreffende begrotingsjaar vermeld. Tevens dient voor elke subsidie het betreffende begrotingsartikel, de grondslag van de subsidie in wet- of regelgeving en de laatst beschikbare evaluatie te worden opgenomen. In de vraag wordt specifiek aandacht gevraagd voor het Voedingscentrum. Het Voedingscentrum is geen adviesorgaan van de overheid, maar een stichting die werkt op basis van subsidies van het Ministerie van Volksgezondheid, Welzijn en Sport en het Ministerie van Landbouw, Visserij, Voedselzekerheid en Natuur. Ook deze subsidies worden vermeld in de betreffende begrotingen, zoals hierboven beschreven. Daarnaast heeft de Minister van VWS, in antwoord op vragen van leden van uw Kamer, recent aanvullende informatie verstrekt over de subsidies aan het Voedingscentrum.8
Kunt u per ministerie exact aangeven hoe de financiering van deze adviesraden, commissies en non-gouvernementele organisaties is vormgegeven (structureel/incidenteel, subsidie/opdracht, looptijd en verantwoordingsvereisten) en welke begrotingsartikelen hiervoor worden aangesproken, neem hierin ook constructies mee zoals bij het Voedingscentrum, waarbij financiering van twee departementen komt?
Zie antwoord vraag 1.
Welke formele en informele invloed hebben deze adviesraden, commissies en non-gouvernementele organisaties op beleidsvorming binnen elk ministerie? Kunt u concreet aangeven welke beleidsvoorstellen in het afgelopen jaar aantoonbaar zijn aangepast, gestart of versneld naar aanleiding van hun adviezen?
Het is niet mogelijk om specifiek aan te geven of er op enig moment in het afgelopen jaar, op een ministerie, een beleidsvoorstel is aangepast vanwege «informele invloed» van een orgaan dat onder de brede definitie uit de vraagstelling valt. In algemene zin kan ik zeggen dat het kabinet hecht aan een transparant openbaar bestuur. Het kabinet heeft die inzet onder meer beschreven in de beleidsbrief Binnenlandse Zaken.9 Van «formele invloed» van non-gouvernementele organisaties is uiteraard geen sprake.
Hoogwaardige en onafhankelijke advisering van adviescolleges komt de beleidsvorming ten goede en levert een bijdrage aan de kwaliteit en het functioneren van het openbaar bestuur. Het rapport «Deskundige Overheid» van de Wetenschappelijke Raad voor het Regeringsbeleid wijst erop dat een deskundige overheid in staat moet zijn om relevante kennis en kunde binnen het brede kennisecosysteem rond de overheid op een goede manier te betrekken bij de beleidsvorming. Adviezen van adviescolleges, net als andere adviezen die het kabinet ontvangt, kunnen daarmee uiteraard invloed hebben op het beleid. Daar gaat echter altijd een politieke weging aan vooraf. Adviezen zijn, naar hun aard, namelijk niet bindend. De formele kaders van het adviesstelsel zijn erop gericht om transparantie over ontvangen adviezen te bevorderen en het primaat van de politiek te borgen. Artikel 80, eerste lid, van de Grondwet bepaalt dat adviezen van adviescolleges die adviseren over beleid en wetgeving openbaar gemaakt dienen te worden. De Kaderwet adviescolleges verplicht de verantwoordelijk bewindspersoon om binnen drie maanden na ontvangst van een dergelijk advies diens standpunt kenbaar te maken aan de Eerste en Tweede Kamer. Ook de Kamers vragen het kabinet geregeld om te reageren op adviezen van adviescolleges, bijvoorbeeld als de Kamer zelf om het betreffende advies verzocht heeft. Met dit alles wordt richting de Kamers en de samenleving inzichtelijk gemaakt welke adviezen de regering gehad heeft van adviescolleges en hoe de regering met deze adviezen is omgegaan. Het kabinet weegt adviezen, geeft zijn reactie, neemt besluiten, en legt daarover verantwoording af aan uw Kamer. Het is goed te markeren dat het kabinetsbeleid is om geen «adviesverplichtingen» in te voeren, waarbij de regering verplicht is om advies te vragen alvorens zij beleid of wetgeving maakt. Dit is verankerd in de Aanwijzingen voor de regelgeving.10 Voor de instelling van externe commissies, buiten de Kaderwet adviescolleges, geldt de Leidraad instellen externe commissies. Hierbij worden dezelfde uitgangspunten gehanteerd als onder de Kaderwet. Ook daar geldt dat bewindspersonen de Kamers informeren over adviezen van onafhankelijke externe commissies en de reactie van het kabinet op deze adviezen.
Hoe wordt per ministerie de onafhankelijkheid en objectiviteit van publiek gefinancierde adviesraden, commissies en non-gouvernementele organisaties getoetst en geborgd? Welke toetsingskaders worden gehanteerd en welke concrete maatregelen worden genomen bij (de schijn van) belangenverstrengeling of een gebrek aan wetenschappelijke of beleidsmatige neutraliteit?
Leden van adviescolleges worden conform de Kaderwet adviescolleges benoemd op grond van deskundigheid en ervaring op het beleidsterrein waarop het adviescollege is ingesteld. Adviescolleges opereren onafhankelijk. Ambtenaren die werkzaam zijn bij een ministerie of een onder het ministerie ressorterende instelling zijn daarom bij wet uitgesloten van het lidmaatschap van een adviescollege dat adviseert op het beleidsterrein waarop de ambtenaar werkzaam is. Ook legt de secretaris van het adviescollege over diens werkzaamheden slechts verantwoording af aan het college. Voor externe adviescommissies worden, conform de Leidraad instellen externe commissies, dezelfde uitgangspunten gehanteerd. Er is daarnaast wet- en regelgeving omtrent de vergoedingen van leden van adviescolleges- en commissies en de openbaarmaking daarvan. Het kabinet hecht er daarnaast aan dat adviescolleges transparant zijn over nevenfuncties van raadsleden.11
Over non-gouvernementele organisaties kan ik in algemene zin zeggen dat de Kamer via de begrotingen structureel geïnformeerd wordt over welke subsidies worden verstrekt en welke wet- en regelgeving hierop van toepassing is.
Voor subsidies dient in het subsidieoverzicht bij elk begrotingshoofdstuk vermeld te worden ten laste van welk begrotingsartikel een subsidie komt, de grondslag van de subsidie in wet- of regelgeving en de laatst beschikbare evaluatie. Langs die weg wordt inzichtelijk gemaakt welke voorwaarden er aan subsidies gesteld worden.
Kunt u per ministerie inzichtelijk maken welke externe organisaties, lobbyclubs of consultants door adviesraden of commissies zijn ingehuurd met publieke middelen, inclusief de aard van de opdrachten, de kosten en de wijze waarop deze uitgaven zijn verantwoord?
Zie mijn antwoord op vragen 1 en 2. Adviescolleges kunnen zich, op grond van artikel 19 van de Kaderwet adviescolleges, laten bijstaan door andere personen voor zover dat voor de invulling van hun wettelijke adviestaak noodzakelijk is. Het is passend dat adviescolleges hierin onafhankelijk opereren. Conform de Leidraad instellen externe commissies geldt hetzelfde uitgangspunt voor externe (advies)commissies.
Kunt u per ministerie inzichtelijk maken hoeveel fte ambtenaren jaarlijks betrokken zijn bij activiteiten rondom deze raden en commissies, inclusief het verwerken van hun adviezen, en welke totale kosten hiermee gemoeid zijn?
Het kabinet houdt niet bij hoeveel uren ambtenaren besteden aan dergelijke werkzaamheden. Het is een regulier en integraal onderdeel van het werk van een beleidsdepartement om contact te hebben met partijen die de regering gevraagd of ongevraagd van kennis en advies voorzien, om reacties op deze adviezen voor te bereiden en vervolgens de bewindspersoon te ondersteunen bij het afleggen van verantwoording aan het de Staten-Generaal.
Hoe beoordeelt u de recente maatschappelijke en politieke ophef rondom het advies van het Voedingscentrum? Welke lessen trekken de betrokken Ministers hieruit ten aanzien van transparantie, onafhankelijkheid en rolvastheid van adviesorganen, en welke concrete verbetermaatregelen worden doorgevoerd?
De Minister van Volksgezondheid, Welzijn en Sport heeft hier in het commissiedebat Leefstijlpreventie op 23 april jl. en in het navolgende Tweeminutendebat op 18 juni jl. uitgebreid met leden van uw Kamer over gesproken. Het Voedingscentrum voorziet in de onafhankelijke voorlichting over voedsel en voeding. De Schijf van Vijf die hiervoor de basis vormt, is een vertaling van de Richtlijnen goede voeding van de Gezondheidsraad. De Gezondheidsraad is een onafhankelijk adviesorgaan voor regering en parlement. Het Voedingscentrum is geen adviesorgaan van de overheid, maar een stichting die werkt op basis van subsidies van de Ministeries van VWS en LVVN. Zowel de Gezondheidsraad als het Voedingscentrum zijn onafhankelijk werkende organisaties die zich baseren op de wetenschap. De onderbouwing van zowel de Richtlijnen van de Gezondheidsraad en de totstandkoming van de Schijf van Vijf zijn online beschikbaar en daarmee transparant. Het kabinet hecht waarde aan de onafhankelijke rol en taken van het Voedingscentrum en waakt ervoor dat ministeries hierop inhoudelijk invloed uitoefenen. Het kabinet vindt dat het Voedingscentrum naar haar rol heeft gehandeld en ziet daarom geen aanleiding voor verbetermaatregelen.
Acht u het wenselijk dat door de overheid gefinancierde adviesraden en commissies voorstellen doen met zeer ingrijpende maatschappelijke en economische gevolgen zoals een vleestaks, een forse reductie van dierlijk eiwit of het afbouwen van delen van de zware industrie, zoals voorgesteld door de Wetenschappelijke Klimaatraad? Hoe weegt elk ministerie dergelijke adviezen ten opzichte van democratische besluitvorming, draagvlak en economische realiteit?
Het kabinet vindt het in algemene zin wenselijk dat adviescolleges, vanuit hun onafhankelijke deskundigheid, de adviestaak vervullen die de wetgever hun heeft opgedragen. Het staat adviescolleges, zoals de Wetenschappelijke Klimaatraad, daarmee vrij om beleidsmaatregelen voor te stellen ter uitvoering van hun wettelijke adviestaak. Adviezen zijn, naar hun aard, niet bindend. Zoals beschreven bij antwoord 3, is er een duidelijke en transparante rolverdeling tussen adviescolleges en regering. Adviescolleges adviseren; het kabinet weegt adviezen, geeft zijn reactie, neemt besluiten, en legt daarover verantwoording af aan uw Kamer.
Het gebrek aan draagvlak voor de uitvoering van de Spreidingswet en de inzet van dwangmaatregelen jegens gemeenten |
|
Tom Russcher (FVD) |
|
Bart van den Brink (CDA) |
|
|
|
|
Bent u bekend met het artikel «Asielminister Van den Brink wil uitleg over opvangplekken: dit is het tekort in jouw gemeente»?1
Ja.
Kunt u bevestigen dat op dit moment 250 van de 342 gemeenten niet voldoen aan de taakstelling uit de Wet gemeentelijke taak mogelijk maken asielopvangvoorzieningen (hierna: de Spreidingswet), en dat ruim honderd gemeenten in het geheel geen opvang bieden?
Gemeenten hebben op 26 mei een brief ontvangen in het kader van het interbestuurlijk toezicht. Op basis van de informatie die het Ministerie van Justitie en Veiligheid op die datum tot zijn beschikking had, waren er 119 gemeenten die voldeden aan hun wettelijke taak. 116 gemeenten voldeden gedeeltelijk aan hun wettelijke taak en 107 gemeenten voldeden niet (dat wil zeggen dat zij geen enkele asielopvangplek realiseerden). De som van de gemeenten die gedeeltelijk of niet voldoen telt op tot 223 van de 342 gemeenten. Ten aanzien van deze gemeenten worden stappen gezet in het kader van het interbestuurlijk toezicht. De afgelopen weken hebben de eerste ambtelijke gesprekken met deze gemeente plaatsgevonden.
Indien de cijfers in bovenstaande vraag niet correct zijn, hoeveel gemeenten voldoen op dit moment dan niet aan de taakstelling van de Spreidingswet en hoeveel gemeenten bieden in zijn geheel geen opvang?
Zie antwoord vraag 2.
Deelt u de opvatting dat een situatie waarin bijna driekwart van de gemeenten niet aan de wettelijke taak voldoet, wijst op een breed en structureel gebrek aan maatschappelijk en bestuurlijk draagvlak voor de gedwongen vestiging van asielzoekerscentra?
Indien u de in vraag 4 verwoorde opvatting niet deelt, hoe verklaart u dan dat na ruim twee jaar werking van de wet slechts 92 gemeenten aan hun opgave voldoen?
Acht u het uitvoerbaar en proportioneel om een wet met dwang te handhaven waarvan de naleving bij een ruime meerderheid van de gemeenten uitblijft?
Indien het antwoord op vraag 6 bevestigend luidt, op grond van welke afweging?
Is er naar uw oordeel een omstandigheid denkbaar die een tekort aan opvangplekken in een gemeente kan rechtvaardigen?
Indien het antwoord op vraag 8 bevestigend luidt, welke omstandigheden acht u dan legitiem, en betrekt u daarbij factoren als het ontbreken van lokaal draagvlak, ruimtelijke beperkingen en zorgen over de openbare orde en veiligheid?
Indien het antwoord op vraag 8 ontkennend luidt, met welk oogmerk nodigt u gemeenten dan uit om uitleg te komen geven, indien de uitkomst van die gesprekken reeds op voorhand vaststaat?
Kunt u uiteenzetten in welke gevallen een door een gemeente aangevoerde reden kan leiden tot bijstelling van haar taakstelling?
Acht u het wenselijk de autonomie van 250 gemeenten te doorkruisen door over te gaan tot actief toezicht en, in laatste instantie, tot het aanwijzen van opvanglocaties die gemeenten verplicht zijn te accepteren?
Erkent u dat het zelf aanwijzen van opvanglocaties, tegen een besluit van de gemeenteraad in, een vergaande inbreuk vormt op de lokale democratische besluitvorming?
Indien het antwoord op de vorige vraag ontkennend luidt, waarom niet?
Bent u bereid af te zien van dwangmaatregelen jegens gemeenten waar aantoonbaar geen lokaal draagvlak bestaat?
Indien het antwoord op de vorige vraag ontkennend luidt, waarom weegt de uitvoering van de taakstelling voor u zwaarder dan de uitkomst van het lokale democratische proces?
Bent u bereid de Spreidingswet in te trekken indien de medewerking van gemeenten niet wezenlijk verbetert?
De huidige situatie in de asielopvang laat eens te meer zien dat voor de lange termijn voldoende opvang noodzakelijk is. De Spreidingswet is het instrument om op lange termijn voldoende opvang te realiseren. Om een rechtvaardige verdeling over gemeenten te borgen, houdt dit kabinet de Spreidingswet in stand. Wanneer er voldoende vaste en flexibele opvangplekken van het COA zijn, en er dus een stabiel opvanglandschap is, wordt inzet van de wet overbodig.
Indien u niet bereid bent tot intrekking, bent u dan bereid een gedoogbeleid te voeren waarbij de dwangbepalingen van de Spreidingswet niet worden uitgevoerd zolang het vereiste lokale draagvlak ontbreekt?
Zie antwoord vraag 17.
Waarom kiest u niet voor het reduceren van de instroom tot nihil, als structurele oplossing?
Dit kabinet zet zich in om de instroom duurzaam en structureel te verminderen, onder andere aan de hand van de Wet invoering tweestatusstelsel. Daarnaast wordt gewerkt aan de implementatie van het Europees Asiel- en Migratiepact dat afgelopen maand in werking is getreden. Ook wordt er ingezet op terugkeer. Dit doet er niet aan af dat asielzoekers die zich eenmaal in Nederland bevinden, fatsoenlijk moeten worden opgevangen. Daartoe zijn we volgens internationale en Europese wettelijke kaders ook verplicht.
Beschikt uw ministerie over voldoende ambtelijke capaciteit (fte) om de circa 250 niet-voldoende presterende gemeenten onder actief toezicht te plaatsen?
Kunt u kwantificeren hoeveel fte gemoeid is met het onder actief toezicht plaatsen van één gemeente, en welk totaal beslag dit zou leggen indien dit voor 250 gemeenten gelijktijdig zou moeten geschieden?
Indien de daarvoor benodigde capaciteit ontbreekt, betekent dit dan dat het instrument van actief toezicht in de praktijk slechts selectief of symbolisch kan worden ingezet?
Indien het antwoord op de vorige vraag bevestigend luidt, hoe verhoudt zich dat tot een gelijke behandeling van gemeenten?
Hoe verhoudt het uitnodigen van gemeentebestuurders om zich op uw ministerie te verantwoorden zich tot gemeentelijke autonomiteit?
Gemeenten hebben een wettelijke taak vanuit de Spreidingswet. Voor gemeenten die niet voldoen aan hun wettelijke taak, is zoals gebruikelijk het rijksbrede kader voor interbestuurlijk toezicht van toepassing. Onderdeel van dit kader zijn eerst de ambtelijke gesprekken met gemeenten en vervolgens, indien nodig, bestuurlijke gesprekken.
Bent u bereid de verslagen of notulen van de gesprekken met gemeenten openbaar te maken, dan wel vertrouwelijk aan de Kamer ter inzage te geven?
Het is belangrijk dat de ambtelijke en bestuurlijke gesprekken in vertrouwelijkheid plaatsvinden. In zo’n gesprek zal ook vertrouwelijke informatie besproken worden, zoals de voornemens van gemeenten over hoe ze aan de wettelijke taak willen voldoen en welke (premature) plannen ze daarvoor hebben. Ik vind het belangrijk dat gemeenten volledige openheid durven te geven. De gespreksverslagen worden daarom niet openbaar gemaakt.
Indien u daartoe niet bereid bent, waarom niet?
Zie antwoord vraag 25.
Het bericht 'Duizenden boetes voor asielzoekers die zwartrijden op lijn Emmen – Zwolle ongeldig' |
|
Ulysse Ellian (VVD) |
|
Bart van den Brink (CDA) |
|
|
|
|
Bent u bekend met het bericht «Duizenden boetes voor asielzoekers die zwartrijden op lijn Emmen-Zwolle ongeldig»?1
Hoeveel asielzoekers zijn in 2025 beboet vanwege zwartrijden op de lijn Emmen-Zwolle? Hoe verhoudt dit zich tot 2024?
Hoeveel asielzoekers zijn er tot dusver in 2026 beboet vanwege zwartrijden op de lijn Emmen-Zwolle?
Hoeveel asielzoekers die in 2026 zijn beboet hebben zichzelf geïdentificeerd met een pas van het Centraal Orgaan opvang asielzoekers (COA)?
Hoe verklaart u dat de COA-pas sinds begin 2026 niet meer gebruikt kan worden om zwartrijdende asielzoekers te identificeren, terwijl dit voor 2026 wel kon?
Wat is uw reactie op de constatering van de woordvoerder van Arriva in het artikel, die stelt dat deze beslissing het werken bijna onmogelijk maakt?
Deelt u de mening dat het onacceptabel is dat zwartrijdende asielzoekers door deze beslissing worden beloond? Zo nee, waarom niet?
Deelt u de mening dat het besluit om deze boetes ongeldig te verklaren niet uit te leggen valt richting eenieder die in Nederland wel met een rechtsgeldig vervoersbewijs gebruik maakt van het openbaar vervoer? Zo nee, waarom niet?
Welke maatregelen bent u van plan te nemen om er alsnog voor te zorgen dat alle boetes die zijn uitgedeeld aan zwartrijdende asielzoekers worden betaald?
Welk gevolg heeft het ongeldig verklaren van boetes van zwartrijdende asielzoekers op de mogelijkheid om een reisverbod op te leggen?
Hoe verhoudt het besluit om deze boetes ongeldig te verklaren zich tot de voorgenomen maatregel uit het Coalitieakkoord om zwartrijdende asielzoekers sneller en vaker een reisverbod op te leggen?
Hoe verklaart u dat negen op de tien boetes voor zwartrijdende asielzoekers niet worden betaald?
Welke maatregelen neemt het Centraal Justitieel Incassobureau (CJIB) om boetes voor zwartrijdende asielzoekers, die ook weigeren hun uitstel van betaling niet te betalen, alsnog te innen?
Deelt u de mening dat het feit dat deze boetes kennelijk nauwelijks betaald worden niet uit te leggen valt richting eenieder die in Nederland wel netjes eventuele boetes betaalt voor het niet hebben van een geldig vervoersbewijs in het openbaar vervoer?
Welke maatregelen bent u van plan te nemen om ervoor te zorgen dat boetes van zwartrijdende asielzoekers alsnog betaald worden? Kunt u hierbij specifiek ingaan op de mogelijkheid om leefgeld van asielzoekers in te houden, de mogelijkheid om de asielzoeker in zijn bewegingsvrijheid te beperken, de mogelijkheid om een vrijheidsontnemende maatregel op te leggen en de mogelijkheid om de asielaanvraag af te wijzen?
Bent u van plan om aan zwartrijdende asielzoekers die weigeren boetes te betalen naast bovenstaande maatregelen ook een taakstraf op te leggen? Zo nee, waarom niet?
Klopt de suggestie uit het artikel dat zwartrijdende asielzoekers niet kunnen worden gedwongen om hun boetes te betalen omdat het COA de post van asielzoekers niet mag openen?
Indien het antwoord op vraag 16 positief luidt, welke maatregelen bent u van plan te nemen om ervoor te zorgen dat de post van zwartrijdende asielzoekers alsnog door het COA mag worden geopend?
Kunt u bovenstaande vragen één voor één beantwoorden?
Het rapport van de Algemene Rekenkamer over de screening van asielzoekers |
|
Geert Wilders (PVV), Marina Vondeling (PVV) |
|
Bart van den Brink (CDA) |
|
|
|
|
Bent u bekend met het rapport van de Algemene Rekenkamer waaruit blijkt dat de screening op terrorisme pas na gemiddeld twee jaar plaatsvindt in plaats van binnen de norm van 14 dagen?1
Ja ik ben bekend met dit rapport.
De screening die de Rekenkamer heeft onderzocht betreft onderdeel van het onderzoek dat de IND in het asielproces uitvoert. Hierbij wordt gekeken naar uitingen op social media, wat in samenhang met andere gegevens, relevante informatie kan opleveren. Hierbij is er specifiek aandacht voor signalen die kunnen wijzen op fraude/misbruik, mensenhandel/-smokkel, gevaar openbare orde, internationale misdrijven of een gevaar voor de nationale veiligheid. Het waarborgen van de nationale veiligheid binnen de asielprocedure vereist echter doorlopende inspanning. De sociale media screening is één van meerdere momenten waarop signalen gedurende de procedure kunnen worden opgevangen.
Vanaf het moment dat de procedure start zijn er meerdere momenten waarop signalen kunnen worden onderkend, gewogen en gedeeld door de IND, het COA en de DTenV met de politie en inlichtingen- en veiligheidsdiensten. Zoals bij de voorregistratie bij aanmelding door de IND, bij raadpleging van (inter)nationale politie/justitiële databases, tijdens overige contacten met de vreemdeling, met name gehoren, maar ook tijdens het verblijf bij COA of contacten met DTenV. Daarnaast zijn ook de opsporings- en inlichtingendiensten alert.
Bij de vormgeving van de screening door de IND in 2016 was de insteek om te gaan screenen binnen een streeftermijn van 14 dagen na het aanmeldgehoor, dat plaats vindt nadat een vreemdeling het Identificatie- en Registratieproces heeft doorlopen. De screening vindt nu veelal plaats voorafgaand aan het asielgehoor waardoor deze oorspronkelijke streeftermijn niet gehaald wordt. Voordeel hiervan is dat de informatie die uit deze social media screening komt, actueler is en daardoor beter bij het nader gehoor betrokken kan worden.
De screening van nareizigers (die dan nog in het buitenland verblijven) vindt plaats nadat beoordeeld is dat de vreemdeling in aanmerking komt voor de gevraagde verblijfsvergunning, maar voorafgaand aan het besluit van de IND.
Klopt het dat u niet weet hoeveel asielzoekers er op dit moment in Nederland aanwezig zonder dat zij (volledig) gescreend zijn op terrorisme, radicalisering of andere veiligheidsrisico’s? Hoe is het mogelijk dat u dit niet weet?
Dat klopt niet, de IND heeft zicht op de voorraad nog te screenen personen en stuurt hierop.
Erkent u dat het jarenlang laten rondlopen van asielzoekers in Nederland zonder screening een levensgevaarlijk en onacceptabel risico vormt voor de nationale veiligheid? Zo nee, waarom niet?
Nationale veiligheid in de asielprocedure is geen momentopname, maar vraagt continue alertheid van de hele keten. Zoals bij het antwoord op vraag 1 uiteengezet, is deze social media screening niet het enige moment waarop signalen kunnen worden onderkend.
Ik herken daarom niet het beeld dat asielzoekers jarenlang ongecontroleerd in Nederland verblijven. De Rekenkamer constateert dat het systeem goed is ingericht, maar dat de uitvoering sneller moet. Dat onderschrijf ik. De IND is al gestart met een traject om de screening te versterken.
Hoeveel terrorismegerelateerde signalen of hits zijn er de afgelopen jaren alsnog naar boven gekomen bij verlate screenings? Hoeveel daarvan betroffen personen die al langere tijd in Nederland verbleven?
Vanwege het belang van de nationale veiligheid doet de IND geen mededelingen over de precieze herkomst, aantallen, inhoud en opvolging van signalen die mogelijk duiden op een gevaar voor de nationale veiligheid. Dit geldt ook voor verlate screenings. Waar signalen ontstaan, wordt uiteraard adequaat gehandeld binnen de daarvoor geldende kaders.
Waarom heeft u de Tweede Kamer niet eerder geïnformeerd over het feit dat de screening niet op orde is?
Uw Kamer is in 20232 en 20243 geïnformeerd over evaluaties en verbetermaatregelen rondom het onderkennen van signalen van mogelijke betrokkenheid bij terrorisme in de asiel- en nareisprocedure. Daarbij is ook aangegeven dat voortdurende versterking van procedures, informatie-uitwisseling en screening ketenbreed noodzakelijk blijft.
De Rekenkamer doet nu aanvullende constateringen over de tijdigheid van een specifieke screening. De Rekenkamer constateert dat het systeem goed is ingericht, maar dat de uitvoering sneller moet. Dat onderschrijf ik.
Gaat u er per direct voor zorgen dat alle asielzoekers die nu in Nederland aanwezig volledig gescreend worden en bent u bereid om onmiddellijk een asielstop af te kondigen zolang de veiligheid van de Nederlandse bevolking niet gewaarborgd kan worden? Zo nee, waarom kiest u er bewust voor om de veiligheid van Nederlanders op het spel te zetten?
Vanaf de inwerkingtreding van het EU Asiel- en Migratiepact op 12 juni aanstaande is de inzet van de IND prioritair gericht op het bijhouden van de nieuwe instroom asielaanvragen en een snelle screening van deze instroom na het proces Ontvangst en Voorbereiden Asielaanvraag (OVA), waarin de asielzoeker geïdentificeerd en geregistreerd wordt. Tevens zal er ook inzet blijven op de screening van oudere zaken, waarbij de screening in ieder geval voorafgaand aan het gehoor plaatsvindt. Er zal tijdelijk extra capaciteit ingezet worden voor het uitvoeren van de screening.
Ook zijn naar aanleiding van de eerdere bevindingen reeds maatregelen genomen, zoals uitbreiding van openbronnenonderzoek en aanpassing van screeningsinstructies. Daarnaast heeft de IND een leerlijn screening ontwikkeld en geïmplementeerd.
Het kabinet is niet bereid om een asielstop af te kondigen. Nederland is gebonden aan Europese en internationale rechtskaders, waaronder het VN Vluchtelingenverdrag en EU-wetgeving, die het recht op het indienen en behandelen van een asielverzoek waarborgen. Een generieke asielstop is juridisch niet houdbaar en disproportioneel. De focus ligt op het verder versterken van screening en informatie-uitwisseling, het eerder positioneren van de screening in de procedure (in lijn met het EU Asiel- en Migratiepact) en het borgen van ketenbrede alertheid, zodat de veiligheid in Nederland wordt beschermd.
Kunt u deze vragen beantwoorden voor het commissiedebat JBZ-Raad d.d. 27 mei aanstaande?
Gegeven de beperkte tijdspanne is dat niet gelukt.
Bent u bekend met het feit dat debatcentrum Pakhuis de Zwijger heeft besloten de eminente migratiedeskundige Ruud Koopmans, hoogleraar sociologie aan de Humboldtuniversiteit in Berlijn, niet deel te laten nemen aan een debat op 1 juni dit jaar, nadat hij hier eerder wel voor was uitgenodigd?1
Ja.
Pakhuis de Zwijger motiveerde de intrekking van de uitnodiging aan Koopmans met «persoonlijke uitingen op sociale media» van Koopmans, die niet zouden passen bij de «eigen waarden en omgangsvormen» Wat vindt u van deze motivatie?
Voor instellingen die rijkssubsidie ontvangen geldt dat zij artistiek en inhoudelijk autonoom zijn. Dit is een belangrijk uitgangspunt in een democratische rechtsstaat. Wel geldt in algemene zin dat van instellingen met een publieke debat- of dialoogfunctie mag worden verwacht dat zij een podium geven aan verschillende stemmen en opvattingen in het debat. Het is echter niet aan het kabinet om programmering inhoudelijk te beoordelen of te sturen op specifieke politieke of ideologische vertegenwoordiging.
Hoe een instelling invulling geeft aan de programmering en hoe dit wordt georganiseerd is ter beoordeling van de instelling. De uiteindelijke afweging blijft altijd aan de instelling zelf. De Raad voor Cultuur bevordert het gesprek in de culturele sector over invulling van de maatschappelijke doelstellingen. Een belangrijke aanjager hiervan is het advies «Maken (z)onder druk» dat de Raad voor Cultuur begin dit jaar heeft uitgebracht. In dit advies wordt ingegaan op in welke mate de artistieke vrijheid in Nederland onder druk staat, wat daar mogelijke oorzaken van zijn en welke handelingsperspectieven er zijn voor overheid, het culturele veld en het onderwijs om die vrijheid te beschermen.
Pakhuis de Zwijger ontvangt een subsidie in de context van de Regeling vierjarige instellingssubsidie 2025–2028 van het Stimuleringsfonds Creatieve Industrie. Het is aan het Stimuleringsfonds Creatieve Industrie om de toegevoegde waarde van de activiteiten en de programmering van een aanvragende instelling onder deze regeling inhoudelijk te beoordelen. Indien het gaat om BIS- aanvragen: bij de beantwoording van BIS- aanvragen heeft de Raad voor Cultuur, zoals in al zijn advisering, rekening gehouden met de in «Advies aanvraag- en beoordelingsproces BIS 2025–2028» genoemde doelstellingen.
Pakhuis de Zwijger trad in 2023 na een juridische strijd toe tot de Culturele Basisinfrastructuur (BIS), waarna het Stimuleringsfonds voor de Creatieve Industrie Pakhuis de Zwijger in juli 2024 voor de periode 2025–2028 in het kader van de «Regeling Vierjarige instellingssubsidie creatieve industrie» een zogenoemde categorie 1 subsidie toekende van 2,2 miljoen euro. Is uw ministerie betrokken geweest bij deze toekenning en zo, ja hoe?2
OCW is niet betrokken geweest bij het toekennen van de subsidie via de «Regeling Vierjarige instellingssubsidie creatieve industrie» door het Stimuleringsfonds Creatieve Industrie. Dit fonds maakt eigen afwegingen op grond van de in vraag 3 genoemde «Regeling Vierjarige instellingssubsidie creatieve industrie». De regeling beschrijft ook het selectieproces. Zie hiervoor de eindnoot (a).3
Pakhuis de Zwijger heeft ook aanvragen voor subsidie gedaan bij het Amsterdams Fonds voor de Kunst (AFK) en Europese subsidiegelden. Is u bekend of deze aanvragen zijn gehonoreerd en zo ja, om welke bedragen het gaat en wat het totale aandeel is van subsidie in de financieringsmix van Pakhuis de Zwijger?
Verschillende aanvragen zijn gehonoreerd. Voor 2026 zijn de structurele subsidies voor Pakhuis de Zwijger:
De totale begroting van Pakhuis de Zwijger in 2026 bedraagt € 5.760.500. Het percentage subsidie is 19.1%.
Incidentele eenmalige subsidie die ontvangen is in 2026:
€ 35.000 voor 2026 (deel uitmakend van een projectsubsidie voor 2025–2026).
Tevens is Pakhuis de Zwijger de penvoerder van een tweejarige projectsubsidie van de gemeente Amsterdam. Dit gaat om € 250.000 ten bate van de «Alliantie Samen tegen Racisme» die wordt uitgevoerd met een grote groep samenwerkingspartners. Deze subsidie is voor het project, niet voor Pakhuis de Zwijger.
Deelt u de opvatting dat Pakhuis de Zwijger als debatcentrum natuurlijk vrijheid van vereniging geniet en vrij is sprekers uit te nodigen volgens eigen criteria, maar dat het tegelijk door de ruimhartige rijkssubsidie en de status van nationaal debatpodium gehouden is aan een maatschappelijke opdracht om een debat een echt debat te laten zijn door ook ruimte te geven aan standpunten waar de organisatie het niet mee eens is, omdat anders het risico dreigt dat Pakhuis de Zwijger een echokamer wordt die alleen nog de eigen opvattingen van de leiding van de instelling bevestigt?
Zie het antwoord op vraag 2
Hoe beoordeelt u de behandeling van Ruud Koopmans door Pakhuis de Zwijger in het licht van het advies van de Raad voor Cultuur uit 2023 dat «pluriformiteit» noemt als een van de vier doelstellingen waaraan cultuurbeleid in het kader van de BIS moet bijdragen («cultuur geldt als vrijhaven en plek voor debat binnen de maatschappij»)?3
Zie het antwoord op vraag 2
Bent u het eens met de stelling dat het cancelen van Ruud Koopmans niet past bij de inclusiviteit die Pakhuis de Zwijger zelf zegt na te streven zoals blijkt uit de eigen website – «wij willen mensen samenbrengen en zoeken naar de gemeenschappelijke delers, daarbij zijn we niet bang om ongemakkelijke gesprekken aan te gaan» – en uit de aanvraag van Pakhuis de Zwijger voor de Regeling Vierjarige instellingssubsidie creatieve industrie die benadrukt dat het debatcentrum in de periode 2025–2028 de focus wil leggen op «het vormgeven van een toekomst waarin iedereen zich thuis kan voelen?»4
Zie het antwoord op vraag 2
De rol van de Adviesraad Migratie bij de cancelling van hoogleraar Ruud Koopmans. |
|
Marina Vondeling (PVV), Geert Wilders (PVV) |
|
Bart van den Brink (CDA) |
|
|
|
|
Kent u het bericht «Subsidiehuis Pakhuis de Zwijger cancelt migratiekritische hoogleraar Ruud Koopmans»?1
Ja.
Bent u bekend met het feit dat dit debat wordt georganiseerd in samenwerking met de Adviesraad Migratie, een officieel adviesorgaan van uw ministerie?
Ja.
Deelt u de mening dat het onacceptabel is dat een gerenommeerde hoogleraar wordt gecanceld door een gesubsidieerde organisatie dat samenwerkt met de Adviesraad Migratie?
Net als de Adviesraad Migratie sta ik voor een open en veelzijdig migratiedebat waarin uiteenlopende perspectieven naast elkaar kunnen bestaan. De in het bericht genoemde bijeenkomst werd georganiseerd naar aanleiding van de publicatie van een essaybundel met vergezichten op asiel, waarin de Adviesraad Migratie verschillende stemmen en denkrichtingen samenbrengt, ook de meer kritische stemmen in het asieldebat.
De Adviesraad Migratie heeft aangegeven Ruud Koopmans zelf te hebben voorgesteld als mogelijke spreker voor deze bijeenkomst. De beslissing om de uitnodiging in te trekken is door Pakhuis de Zwijger genomen, op basis van hun eigen afwegingen en gedragscode. Inmiddels heeft de Adviesraad Migratie laten weten dat ze de samenwerking met Pakhuis de Zwijger voor deze bijeenkomst stop hebben gezet en een nieuwe locatie hebben gevonden, De Nieuwe Liefde in Amsterdam. Deze beslissing is genomen om de vertegenwoordiging van verschillende perspectieven te waarborgen. De heer Koopmans is door de Adviesraad uitgenodigd en heeft deelgenomen aan de bijeenkomst op 1 juni jl.
Hoe beoordeelt u het dat de Adviesraad Migratie samenwerkt met een links bolwerk die kritische, wetenschappelijke stemmen over migratie censureert? Is dit volgens u nog wel een onafhankelijke en evenwichtige adviesraad?
De Adviesraad Migratie is een onafhankelijk adviescollege in de zin van de Kaderwet adviescolleges, ingesteld bij de Vreemdelingenwet 2000. Het is passend bij de onafhankelijke rol van de Adviesraad dat de raad zelf bepaalt met wie hij samenwerkt.
De raad bestaat uit tien leden, die op voordracht van de ministerraad op persoonlijke titel bij koninklijk besluit worden benoemd. Uit de Kaderwet bestaat de verplichting om leden te benoemen op grond van de benodigde deskundigheid voor het beleidsterrein waarvoor het college is ingesteld. Bij de selectie en benoeming van de raadsleden is er oog voor de waarborging van onafhankelijkheid en diversiteit in de samenstelling van de raad.
Erkent u dat dit incident een schoolvoorbeeld is van de linkse cancelcultuur in Nederland, waarbij kritiek op het falende asiel- en migratiebeleid systematisch de kop wordt ingedrukt?
Zoals eerder aangegeven onder vraag 3 sta ik, net als de Adviesraad Migratie, voor een open en veelzijdig debat over migratie.
Hoe denkt u als Minister van Asiel en Migratie dat een open en eerlijk debat over asielmigratie nog mogelijk is, wanneer zelfs een hoogleraar als Ruud Koopmans wordt gecanceld door een gesubsidieerd links centrum dat samenwerkt met uw eigen Adviesraad Migratie?
Ik verwijs u naar vraag 3 voor meer informatie over de besluitvorming rondom de uitnodiging.
Bent u bereid de Adviesraad Migratie per direct ter verantwoording te roepen voor deze laffe cancelactie en te eisen dat zij de annulering onmiddellijk intrekt? En bent u tevens bereid de Adviesraad Migratie op te heffen als zij weigert dit te doen? Zo nee, waarom niet?
Er is geen sprake van een annulering door de Adviesraad Migratie. Ik verwijs u naar de beantwoording van vraag 3.
De spreidingswet |
|
Pepijn van Houwelingen (FVD) |
|
Bart van den Brink (CDA) |
|
|
|
|
Hoe vaak is, sinds de inwerkingtreding van de spreidingswet, een gemeente door u daadwerkelijk gedwongen (door middel van een aanwijzingsbesluit en dus tegen de zin van de gemeente in) asielzoekers op te vangen? Welke gemeenten betrof dit en om hoeveel asielzoekers ging het?
Volgens de Spreidingswet hebben alle Nederlandse gemeenten een wettelijke taak om asielopvangplekken mogelijk te maken. Het toezicht op deze taak is belegd bij de Minister van Asiel en Migratie. Op 9 april hebben alle gemeenten in dat kader een toezichtbrief ontvangen, waarin wordt aangegeven of zij voldoen of nog niet voldoen, en dus naar de volgende trede gaan. Gemeenten die niet voldeden, ontvingen een informatieverzoek. Daarnaast heeft het ministerie informatie opgevraagd bij het COA.
Op 26 mei heeft het ministerie alle 209 gemeenten die op basis van de beschikbare informatie niet voldoen aan hun wettelijke taak een uitnodiging gestuurd voor een ambtelijk gesprek. Tijdens een ambtelijk gesprek wordt de gemeente gevraagd toe te lichten wat de huidige realisatie in hun gemeente is en op welke termijn zij verwacht alsnog te voldoen. Inmiddels hebben de eerste gesprekken plaatsgevonden. Indien nodig gaan deze gemeenten door naar trede 3, waarbij zij worden uitgenodigd voor een bestuurlijk gesprek. Daarmee komt een gemeente onder actief toezicht te staan.
Momenteel bevindt geen enkele gemeente zich in de laatste stap, waarbij indeplaatsstelling plaatsvindt. De inzet is om er altijd samen met gemeenten uit te komen.
Welke gemeenten hebben zelf, uit eigen beweging, sinds de inwerkingtreding van de spreidingswet, deels of geheel voldaan aan het verdeelbesluit dat voor de desbetreffende gemeente is vastgesteld?
Op dit moment voldoen 119 gemeenten aan de opgave uit het verdeelbesluit. Ik ga niet in op de individuele casuïstiek van gemeenten.
Kan de Tweede Kamer een lijst krijgen met de aantallen asielzoekers die gemeenten vrijwillig hebben opgevangen, als gevolg van verdeelbesluiten, of gedwongen na een aanwijzingsbesluit, besluiten die dus zijn genomen op basis van en sinds de inwerkingtreding de spreidingswet?
Zoals toegelicht onder vraag 1, bevindt geen enkele gemeente zich in de laatste stap van het interbestuurlijk toezicht, waarbij indeplaatsstelling plaatsvindt. De meeste asielopvangplekken die tot nu toe zijn gerealiseerd, zijn door gemeenten zelf aangeboden. In de provincies die geen sluitende provinciale opgave hebben aangeleverd in de provinciale verslagen eind 2024, is in de verdeelbesluiten de restopgave verdeeld over de gemeenten die geen of onvoldoende plekken hebben aangeleverd. Ik verwijs u hierbij naar de verdeelbesluiten van 20 december 2024.
Bent u bekend met het bericht «Van vrouwenmars tot kindermars: wat de asielprotesten zeggen over de normalisering van extreemrechts»?1
Ja.
Deelt u de zorgen dat rechts-extremistische groepen bewust maatschappelijke onrust proberen aan te wakkeren rondom asielopvang om hun extreemrechtse ideologie breder te verspreiden?
Ja, die zorgen deel ik. De AIVD en NCTV constateren dat rechts-extremisten de afgelopen jaren vaker toegang krijgen tot en zich consequent mengen in verschillende maatschappelijke debatten. Verschillende rechts-extremisten en organisaties in Nederland zijn doelbewust bezig met het gangbaarder maken van het rechts-extremistische narratief in Nederland. Dit is een zeer zorgelijke ontwikkeling. Façadepolitiek is hier onderdeel van. Hierbij gebruiken zij een verhulde vorm van hun denkbeelden, die op het eerste gezicht acceptabel zijn voor een grotere groep. Dit doen zij bewust; hiermee bereiken zij potentieel meer mensen, zoals bezorgde burgers. Dit doen zij onder andere door het beïnvloeden van het online debat en propaganda in de publieke ruimte, aansluiten bij en kapen van demonstraties, het zoeken naar internationale samenwerking en toenadering tot uiterst rechts.
Welke signalen zijn bij u bekend over de betrokkenheid van extreemrechtse groeperingen bij lokale protesten tegen asielzoekerscentra?
Klopt het beeld dat sprake is van rondreizende rechts-extremisten die asieldemonstraties laten escaleren, vernielingen plegen en politieagenten belagen?
Kunt u inzichtelijk maken welke verschillende rechts-extremistische groepen aanwezig zijn bij dit soort protesten?
Is bekend of er afstemming tussen de verschillende rechts-extremistische groepen plaatsvindt, of dat zij geïsoleerd van elkaar handelen?
Zijn de individuele leden van deze groepen in beeld, en is daarbij een overlap te zien van lidmaatschap van meerdere rechts-extremistische groepen?
In hoeverre worden leden van deze groepen die zich misdragen tijdens demonstraties opgespoord en veroordeeld? Is de pakkans hierbij hoog genoeg volgens u?
De opsporingsinstanties spannen zich ten volste in voor de opsporing en vervolging van strafbare feiten gepleegd tijdens de rellen bij de asielzoekerscentra. Het Openbaar Ministerie (OM) heeft op 20 mei jl. aangegeven dat in 2026 meer dan vijftig aanhoudingen zijn verricht naar aanleiding van rellen bij asielzoekerscentra en dat de verwachting is dat er meer aanhoudingen zullen volgen. Ik meen dan ook dat de pakkans hoog genoeg is.
Op welke manier kunnen rechts-extremistische leden van groepen die eerder zijn veroordeeld voor (het aanzetten tot) geweld, vernielingen en agressie bij protesten geweerd worden van toekomstige georganiseerde acties waarbij ordeverstoring en geweld de bovenhand voeren, en vreedzaam demonstreren ver te zoeken is?
Op grond van de Wet openbare manifestaties (Wom) heeft de burgemeester de bevoegdheid om een demonstratie te beperken of in het uiterste geval zelfs te verbieden of te beëindigen. Dat kan alleen als dat noodzakelijk is ter bescherming van de gezondheid, in het belang van het verkeer, of ter bestrijding of voorkoming van wanordelijkheden. Waar noodzakelijk en proportioneel kan opgetreden worden tegen strafbare feiten die tijdens een demonstratie plaatsvinden. Een demonstratie komt bovendien alleen bescherming van art. 9 Gw en art. 11 EVRM toe, wanneer deze vreedzaam is.2 Demonstranten die geweld gebruiken, komen geen bescherming van het demonstratierecht toe.
Het is gebruikelijk dat de politie informatie (vanuit verschillende bronnen, binnen de huidige wettelijke kaders) verstrekt in de driehoek t.a.v. het aantal te verwachten deelnemers en of er bijzonderheden zijn waar rekening mee gehouden moet worden. Dat is cruciaal in de duiding en om een inschatting te kunnen maken van de impact en mogelijke risico’s in het kader van de openbare orde en om vervolgens de juiste (veiligheid)maatregelen te kunnen treffen.
Op het moment dat er signalen zijn van extremistisch gedachtegoed, kan een persoon worden opgenomen in de persoonsgerichte aanpak radicalisering. Dit is een lokale aanpak waarbij gemeente, politie, OM en zorgverleners samenwerken om tot een mix van interventies te komen. Lokale professionals kunnen hulp krijgen om signalen te herkennen, bijvoorbeeld door de training rechts-extremisme te volgen van het Rijksopleidingsinstituut tegengaan Radicalisering of hulp en advies in te winnen van het Landelijk Steunpunt Extremisme.
Welke preventieve maatregelen kunnen extra worden genomen te voorkomen dat dergelijke rondtrekkende rechts-extremistische groepen de lokale demonstraties gijzelen?
Zie antwoord vraag 9.
Welke rol spelen online platforms en Telegramgroepen volgens u bij de mobilisatie en radicalisering rondom anti-asielprotesten?
Het is lastig inzichtelijk te maken hoe groot de rol is van online platformen bij de mobilisatie en radicalisering rondom anti-asielprotesten. In algemene zin hebben ernstige verstoringen van de openbare orde steeds vaker hun wortels in het online domein of worden ze van daaruit aangejaagd of versterkt. In het online domein is dan ook veel informatie te vinden over ernstige verstoringen die essentieel is voor de politie en de burgemeester om hun taak ter handhaving van de openbare orde naar behoren te kunnen uitoefenen. Daarom werk ik aan een wettelijke grondslag voor informatievergaring door de politie voor het voorkomen en/of beëindigen van ernstige openbare-ordeverstoringen. De politie mag dan, binnen bepaalde waarborgen, online gegevens vergaren als daarmee een meer dan beperkte inbreuk wordt gemaakt op de persoonlijke levenssfeer. Hiervoor ligt het wetsvoorstel gegevensvergaring openbare orde voor advies bij de Raad van State. Het wetsvoorstel gaat over het verzamelen van persoonsgegevens uit publiek toegankelijke bronnen. Ondertussen wordt een tweede tranche van het wetsvoorstel, voor toegang tot besloten groepen, voorbereid. Het advies van de Raad van State is ook relevant voor dit binnenkort op te starten wetstraject inzake de bevoegdheid voor de politie om in besloten chatgroepen te kijken. Het streven is om het wetsvoorstel over de besloten groepen in de tweede helft van 2026 in consultatie te brengen. Dit is mede afhankelijk van het advies dat ik ontvang van de Raad van State op het wetsvoorstel gegevensvergaring openbare orde.
Bent u bereid te onderzoeken of sprake is van landelijke coördinatie tussen extreemrechtse actiegroepen die actief zijn bij lokale asielprotesten?
De politie doet op dit moment onder het gezag van het OM onderzoek naar mogelijk strafbare handelingen tijdens de asielprotesten.
In algemene zin geldt dat de AIVD, op basis van de Wet op de Inlichtingen- en Veiligheidsdiensten, onderzoek kan doen naar personen dan wel organisaties waarvan een ernstig vermoeden bestaat dat zij een dreiging vormen voor de nationale veiligheid.
In hoeverre kunnen uitingen die bijdragen aan het normaliseren van rechts-extremistisch gedachtegoed onder de huidige wetgeving strafbaar zijn, ook wanneer deze verhuld plaatsvinden?
Het Wetboek van Strafrecht kent verschillende strafbaarstellingen waarmee in het openbaar gedane uitingen (waaronder ook het tonen van bepaalde afbeeldingen of symbolen) strafrechtelijk kunnen worden aangepakt, zoals opruiing, groepsbelediging en het aanzetten tot haat, discriminatie of geweld. Het is echter afhankelijk van de precieze omstandigheden van het concrete geval of een bepaalde uiting strafbaar is. Daarbij speelt onder meer de context waarin de betreffende uiting is gedaan, de kennelijke bedoeling van de uiting, de doelgroep waarop de uiting was gericht, de plaats of gelegenheid waar de uiting wordt gedaan en de associatie die een bepaalde uiting kan oproepen, een rol. Daarbij kan ook in ogenschouw worden genomen of de openbare uiting op een verhullende manier is gedaan.
Het bovenstaande geldt ook voor uitingen die bijdragen aan het normaliseren van rechts-extremistisch gedachtegoed. Het is aan het Openbaar Ministerie om te beoordelen of in een concreet geval strafrechtelijke vervolging moeten worden ingesteld. Het uiteindelijke oordeel over de strafbaarheid is aan de rechter.
Welke maatregelen worden genomen om burgemeesters en lokale driehoeken beter te kunnen ondersteunen bij demonstraties waarbij signalen bestaan van radicalisering, geweld en intimidatie?
Het aanpakken van radicalisering richting extremisme of terrorisme begint bij het herkennen van zorgelijke signalen. Om dit te kunnen signaleren, is het belangrijk dat lokale partners beschikken over de juiste kennis en vaardigheden, en een goed netwerk. Gemeenten, politie en andere professionals spelen hierin een cruciale rol. Gemeenten worden hierin ondersteund door middel van de Versterkingsgelden die het Rijk jaarlijks aan hen beschikbaar stelt. Met deze gelden worden onder andere lokale professionals getraind om hun kennis en vaardigheden in het tegengaan van radicalisering en extremisme en het herkennen van signalen te vergroten. Lokale partners worden bovendien actief meegenomen in de ontwikkelingen in de dreiging, zoals die beschreven staan in het Dreigingsbeeld Terrorisme Nederland. Daarnaast biedt de NCTV mogelijkheden aan om kennis te delen over fenomenen van radicalisering. De NCTV heeft een team met lokaal adviseurs die hierin kunnen faciliteren.
In samenwerking met het Rijk zet de VNG ondersteuningsteams op die gemeenten ondersteunen in een aantal aspecten rondom het openen van asielzoekerscentra. Denk hierbij aan communicatie, participatie, openbare orde en veiligheid en bestuurlijke advisering. Dit kan gemeenten ondersteunen in de omgang met onder meer demonstraties.
In het geval van (verwachte) risicovolle demonstraties, kan de politie een binnen de voor hun geldende wettelijke kaders analyse uitvoeren. Dergelijke analyses worden gedeeld in de lokale driehoek ter voorbereiding op de demonstraties. Verder blijft het handelingsperspectief beperkt tot wat tijdens een demonstratie gebeurt of is gebeurd. Graag verwijs ik u ook naar het antwoord op vragen 9 en 10.
Hoe beoordeelt u de waarschuwing van de NCTV dat het niet expliciet benoemen van rechts-extremistische motieven kan bijdragen aan verdere normalisering van extremistisch gedachtegoed?
Het kabinet neemt die waarschuwing ter harte en zet zich in voor het beschermen van de nationale veiligheid tegen alle dreigingen die onze vrije Nederlandse samenleving kunnen ondermijnen. In het coalitieakkoord wordt dan ook expliciet stilgestaan bij de dreiging van rechts-extremisme en de normalisering hiervan.
Hoe wordt voorkomen dat inwoners met oprechte zorgen over het plaatsen van asielzoekers worden meegezogen in rechts-extremistische of antidemocratische bewegingen?
Mensen die op een vreedzame manier samenkomen om hun zorgen te uiten richting de (lokale) overheid hebben het volste recht deel te nemen aan een demonstratie. Ook zijn er informatieavonden waarbij gemeenten, het COA en indien nodig de politie de plannen, veiligheid, leefbaarheid en het verloop van de opvang toelichten. Wanneer oprechte zorgen omslaan in extremistische uitingen, bestaat een breed instrumentarium om extremisme tegen te gaan.
Sinds twee jaar is de Nationale Extremismestrategie van de Ministers van Justitie en Veiligheid, Binnenlandse Zaken en Sociale Zaken en Werkgelegenheid van kracht. Hierin wordt een integrale inzet beschreven: van vroege preventie, tot het beschermen van bestuurders en hard optreden bij excessen. Deze strategie is van toepassing op alle vormen van extremisme, waaronder rechts-extremisme. De NCTV volgt de ontwikkelingen rondom rechts-extremisme nauwlettend om zo de ideologie-neutrale aanpak te kunnen versterken waar nodig.
Op het moment dat er signalen zijn van rechts-extremistisch gedachtegoed, kan een persoon worden opgenomen in de persoonsgerichte aanpak radicalisering. Dit is een lokale aanpak waarbij gemeente, politie, Openbaar Ministerie en zorgverleners samenwerken om tot een mix van interventies te komen. Lokale professionals kunnen hulp krijgen om signalen specifiek op het gebied van rechts-extremisme te herkennen door trainingen te volgen van het Rijksopleidingsinstituut tegengaan Radicalisering. Sinds 2023 is er een online Symbolenbank beschikbaar, die professionals kunnen gebruiken om rechts-extremistische en rechts-terroristische verschijningsvormen te herkennen. Deze Symbolenbank is ontwikkeld door de NCTV en de Nationale Politie. Tot slot biedt het Landelijk Steunpunt Extremisme (LSE) hulp en advies aan professionals en burgers in de omgang met radicalisering. Ook gemeenten kunnen hier terecht met vragen.