Het bericht ‘Aantal banen bij overheid fors gegroeid’ |
|
Arend Kisteman (VVD) |
|
Eric van der Burg (VVD) |
|
|
|
|
Bent u bekend met het bericht «Aantal banen bij overheid fors gegroeid»?1
Ja.
Hoe reflecteert u op dit bericht?
Het beeld dat het aantal overheidsbanen de afgelopen periode is gegroeid, herken ik. Bepaalde segmenten van de overheid groeien om de slagvaardigheid van de overheid als geheel te vergroten. Dat hangt onder meer samen met extra taken en maatschappelijke opgaven zoals de energietransitie, hersteloperaties en stikstofaanpak. De in het artikel geschetste stijging is ook deels verklaarbaar door wat er van de overheid wordt gevraagd. Zo is bijvoorbeeld de behoefte aan juridische expertise sterk toegenomen. Strenge eisen rondom privacy leiden tot veel vraag naar juridisch personeel. Juridische expertise is ook nodig om de toename in diverse bezwaar- en beroepsprocedures – en het maatwerk dat dit vraagt – op te vangen.
Om als samenleving veiliger en weerbaarder te zijn is bijvoorbeeld gekozen voor verdere groei van Defensie, maar ook voor versterking van politie en de veiligheidsketen, voor beter toegeruste toezichthouders en inspecties en voor het vaker in vaste dienst nemen van specialistische kennis, zoals IT-professionals, om de afhankelijkheid van externe inhuur te verminderen. De politieke ambities en de keuzes die hieruit volgen, zijn eveneens van invloed op de omvang van het ambtenarenapparaat.
Tegelijk geldt dat een groei van het aantal ambtenaren niet automatisch leidt tot een beter functionerende overheid. Als complexiteit, stapeling van regels, juridische drukte en overhead toenemen, groeit het ambtenarenapparaat mee zonder dat burgers en ondernemers daar altijd betere dienstverlening of snellere uitvoering van merken.
Dat gezegd hebbende, constateer ik evenzeer dat de groei van het aantal medewerkers in 2025 is afgevlakt, wat mede veroorzaakt wordt door de taakstelling die het vorige kabinet in gang heeft gezet. Het komt er nu op aan om door te pakken en te zorgen dat de overheid een fundamenteel efficiënter en effectiever wordt met veel minder (complexe) wet- en regelgeving, minder overhead en een minder omvangrijk ambtenarenapparaat. Daarom coördineer ik als Staatssecretaris van BZK de komende jaren de vernieuwing van de Rijksdienst. Onderdeel van deze ambitie is het verder terugbrengen van de (kosten voor) externe inhuur. Dit kan echter ook verambtelijking tot gevolg hebben, waardoor cijfermatig het aantal fte kan stijgen.
Bent u het er mee eens dat dit haaks staat op de ambities uit het coalitieakkoord om tot een minder omvangrijk ambtenarenapparaat te komen? Zo ja, hoe kan het dat er sprake is van een banengroei van achttien procent in plaats van dat er sprake is van een daling, terwijl het kabinet-Schoof ook al een taakstelling op dit dossier had?
Zoals in het vorige antwoord opgenomen is de groei in 2025 tijdens het vorige kabinet afgevlakt. De uitvoering van de taakstelling, die vanuit het vorige kabinet is gestart, loopt door tot en met 2030. De effecten hiervan zullen de komende jaren zichtbaar worden.
Deelt u de mening dat door een groeiend ambtenarenapparaat de problemen in onder andere de tekortsectoren, zoals het onderwijs en de zorg, niet worden opgelost? Zo ja, wat gaat u hieraan doen?
De krapte op de arbeidsmarkt vraagt om keuzes. Personeel is schaars en moet dus zoveel mogelijk terechtkomen op plekken waar het direct bijdraagt aan maatschappelijke opgaven, zoals onderwijs, zorg, veiligheid en uitvoering. De inzet van het kabinet is dan ook niet simpelweg gericht op krimp van de rijksdienst als doel op zichzelf. Het gaat erom de rijksoverheid productiever te maken, complexiteit en overhead terug te dringen en schaarse arbeid vrij te spelen voor sectoren waar de tekorten het grootst zijn. Daarom zet het kabinet in op het beheersen van de groei van de rijksdienst, het verder uniformeren van de bedrijfsvoering binnen het Rijk, het slimmer inzetten van digitalisering en AI via gezamenlijke voorzieningen en een Nederlandse Digitale Dienst, het verminderen van externe inhuur door specialistische kennis vaker duurzaam in huis te organiseren, het doelmatiger laten werken van uitvoeringsorganisaties en het vereenvoudigen van regels en procedures, zodat minder capaciteit opgaat aan bureaucratie en meer capaciteit beschikbaar komt voor maatschappelijke prioriteiten
Wanneer wordt de Kamer geïnformeerd over de uitwerking van de plannen uit het coalitieakkoord om te komen tot een slagvaardige overheid?
Voor het zomerreces wordt de Kamer geïnformeerd over de actieagenda Slagvaardige Overheid met hierin acties voor de korte en lange termijn.
Wanneer worden de eerste concrete, positieve resultaten verwacht van de doelstellingen uit het coalitieakkoord? Wordt uw ambitie nu nog groter gezien het apparaat met achttien procent is gegroeid? Zo ja, wat is die ambitie?
Zoals ik ook in de Beleidsbrief van BZK aan u schreef, bouwt het kabinet aan een slanke en slagvaardige overheid die focust op wat echt nodig is. Onze ambitie is en blijft hier onverminderd op gericht. We stellen een helder doel: een overheid die eenvoudig en betrouwbaar is, die slagvaardig en wendbaar opereert, die eerlijk is over wat kan en verantwoordelijkheid neemt voor haar handelen, een overheid die geworteld is in de samenleving en dichtbij mensen staat.
Een forse groei van het aantal ambtenaren leidt daarbij niet automatisch tot een beter functionerende overheid. Integendeel: als complexiteit, stapeling van regels, juridische drukte en overhead toenemen, groeit het apparaat mee zonder dat burgers en ondernemers daar altijd betere dienstverlening of snellere uitvoering van merken. Juist daarom houdt het kabinet vast aan de koers uit het coalitieakkoord: een efficiëntere en effectievere overheid, met minder complexe regelgeving, minder overhead en een minder omvangrijk ambtenarenapparaat.
Onze ambitie wordt daarmee niet abstracter, maar concreter en scherper. Wij willen dat de eerste resultaten juist zichtbaar worden op punten waar de groei nu het meest knelt: minder onnodige regels, eenvoudiger uitvoering, meer uniformiteit in de bedrijfsvoering, minder afhankelijkheid van externe inhuur en een betere inzet van personeel op kerntaken en maatschappelijke prioriteiten. Waar het nodig is om specialistische kennis intern op te bouwen of de afhankelijkheid van externen te verminderen, kan dat tijdelijk of plaatselijk tot verschuivingen binnen het apparaat leiden. De richting blijft echter helder: kleiner waar dat kan, sterker waar dat moet en productiever over de volle breedte. De in het artikel gesignaleerde groei verandert daar niets in.
Bij deze ambitie realiseert het kabinet zich dat er én op korte termijn zicht moet en kan zijn op eerste resultaten, én dat het ook een lange adem vergt om gewenste verbeteringen ook duurzaam in de overheidsorganisatie door te voeren. Een andere manier van werken is niet van het ene op het andere moment breed in te voeren en leidt niet onmiddellijk tot overheidsbrede resultaten. Het is een omvangrijke veranderopgave waarbij aandacht nodig is voor cultuur, gedrag en de aanpak van onderliggende patronen.
Tegelijkertijd moet op de korte termijn al zichtbaar zijn dat die verandering wordt ingezet. Voor het zomerreces wordt de eerste editie van de actieagenda opgeleverd, waarin de koers wordt uitgezet voor de realisatie van een slagvaardige overheid. Het kabinet zal daarbij direct sturen op eerste zichtbare verbeteringen op het gebied van vereenvoudiging, organisatie en uitvoering.
Zie daarnaast ook het antwoord op vraag 3.
Het bericht dat het aantal stemmen per volmacht bijzonder hoog is |
|
Martin Bosma (PVV) |
|
Pieter Heerma (CDA) |
|
|
|
|
Bent u bekend met het bericht «Kwart van de stemmen in Ulu Moskee was volmacht: «Zwakte in systeem»»?1
Ja, ik heb in de bredere context kennisgenomen van de landelijke data-analyse van de NOS2 waar in het genoemde artikel naar wordt verwezen.
Wat is uw reactie op het feit dat bij het Bergse stemlokaal in de Ulu Moskee zelfs meer dan een kwart van de stemmen bij volmacht is uitgebracht?
In het algemeen is het zo dat een percentage van boven de vijfentwintig procent op een enkel stembureau, zoals het geval bij stemlokaal in de Ulu Moskee in Bergen op Zoom, hoog is. Tegelijkertijd kunnen er verklaarbare factoren zijn voor een hoog aantal volmachtstemmen, zoals de nabijheid van een verpleeghuis, zorginstelling of een concentratie van inwoners die minder mobiel zijn en daarom vaker gebruikmaken van een volmacht. Het is belangrijk te benadrukken dat een dergelijk percentage op zichzelf dus geen bewijs is van fraude of ronselen.
In contact met de gemeente Bergen op Zoom komt naar voren dat de gemeente heeft geconstateerd dat het percentage volmachten op dit stembureau relatief hoog was. Er zijn echter geen onregelmatigheden aangetroffen die aanleiding gaven voor verder onderzoek. Daarnaast waren er in Bergen op Zoom meer stembureaus met relatief hogere percentages volmachten. Dit komt overeen met eerdere verkiezingen, waarbij in bepaalde wijken vaker gebruik wordt gemaakt van volmachten dan in andere.
Bent u het met de mening eens dat deze ontwikkeling zorgelijk is? Zo nee, waarom niet?
Verschillen in het gebruik van volmachtstemmen zijn soms groot, maar vormen op zichzelf niet automatisch een reden tot zorg. Zoals hiervoor aangegeven zijn hogere percentages vaak te verklaren door de samenstelling van de bevolking in een bepaald gebied, zoals de aanwezigheid van ouderen of mensen in zorginstellingen.
Tegelijkertijd is het wel belangrijk om alert te blijven. Wanneer op dezelfde locaties structureel hoge percentages volmachtstemmen worden uitgebracht, is het zinvol om te begrijpen wat daar precies speelt. Dat is niet om direct te veronderstellen dat er sprake is van misbruik, maar om het functioneren van het systeem goed te blijven volgen en waar nodig te verbeteren. In de evaluatie van de verkiezingen zal hier dan ook nadrukkelijk naar worden gekeken.
Kunt u aangeven of hier sprake is van stembusfraude en het ronselen van stemmen? Zo nee, waarom niet?
Een kwalificatie als stembusfraude en het ronselen van stemmen is aan de politie en het Openbaar Ministerie (OM) om te onderzoeken en uiteindelijk aan de rechter om daarover een oordeel te vellen. Mocht er in een gemeente een vermoeden hiervan zijn, is het aan de gemeente om hier aangifte van te doen.
Kunt u uitleggen hoe deze ontwikkeling te verklaren is, aangezien sinds 1 januari de regels rond het ronselen van volmachten juist zijn aangescherpt? Zo nee, waarom niet?
Per 1 januari 2026 is de Kieswet inderdaad gewijzigd met een aanscherping van de strafbaarstelling van het ronselen van volmachten. De delictsomschrijving van ronselen is aangepast, zodat ook bij een eenmalige oproep of een oproep via sociale media vervolging mogelijk kan zijn. Daarnaast is de maximale straf verhoogd van één maand naar zes maanden gevangenisstraf.
Zoals aangegeven in de memorie van toelichting bij die wet (Kamerstuk 36 571, nr. 3) is niet de verwachting dat deze wet opeens tot een grote verhoging van het aantal vervolgingen zal leiden aangezien de omvang van ronselen van volmachten bij verkiezingen in de praktijk beperkt lijkt. Onderzoek van de Kiesraad laat zien dat hier tussen 1998 en 2015 dertien keer aangifte van is gedaan, waarna het OM onderzoek heeft ingesteld.3 Dat neemt niet weg dat het van belang is dat de delictsomschrijving van ronselen bij de tijd is gebracht en dat de strafmaat nu beter aansluit bij de ernst van de overtreding.
Een van de maatregelen om de risico’s van het onrechtmatige gebruik van volmachten te beperken is de extra inzet op voorlichting voor kiezers, gemeenten en stembureaumedewerkers. Via de website elkestemtelt.nl, sociale media en een uitlegvideo is uitgelegd hoe de volmachtprocedure werkt en dat het initiatief tot afgeven van een volmacht altijd bij de kiezer zelf moet liggen.
De casus Gorinchem betrek ik bij de evaluatie van de verkiezingen, om te beoordelen of aanvullende maatregelen nodig zijn. Daarbij geldt dat elke maatregel zorgvuldig moet worden afgewogen: beperkingen van de mogelijkheid om bij volmacht te stemmen kunnen de toegankelijkheid van de verkiezingen beïnvloeden, vooral voor kiezers die echt niet zelf naar het stemlokaal kunnen gaan. Dit belang wordt altijd meegewogen.
Bent u bereid onze democratie tegen eventuele stembusfraude te beschermen en kritisch naar deze zorgwekkende ontwikkeling te kijken en indien nodig maatregelen te treffen? Zo nee, waarom niet?
Zie antwoord vraag 5.
Het bericht dat de NPO later dit jaar enkel de gekuiste versie van de film Land van Johan wil uitzenden. |
|
Martin Bosma (PVV) |
|
Letschert |
|
|
|
|
Bent u bekend met het bericht van filmmaker Eddy Terstall dat de NPO later dit jaar de gekuiste versie van zijn film Land van Johan wil uitzenden?1
Ja.
Wat is uw reactie op het feit dat de NPO dus kennelijk eist dat een gelauwerde filmmaker zijn eigen film aanpast?
Uit navraag bij de NPO blijkt dat van genoemde geen sprake is. Het is de vrije redactionele keuze van de omroep om een film uit te zenden en waar nodig afspraken met rechthebbenden te maken. De afwegingen die ten grondslag liggen aan die keuzes ken ik niet en daar ga ik ook niet over.
Deelt u de mening dat dit volstrekt absurd is? Zo nee, waarom niet?
Zie mijn antwoord op vraag 2.
Kunt u aangeven wat de redenen van de NPO zijn om te eisen dat deze film wordt gekuist? Zo nee, waarom niet?
Zie mijn antwoord op vraag 2.
Kunt u uitleggen of dit nu de normale gang van zaken is bij de NPO en zo ja, welke andere films, series of documentaire gekuist zijn of in de toekomst nog gekuist zullen gaan worden? Zo nee, waarom niet?
De publieke omroep gaat, binnen de grenzen van de wet en de publieke mediaopdracht, zelf over zijn programmering.
Kunt u vertellen waar Nederlanders hun NPO-abonnement kunnen opzeggen? Zo nee, waarom niet?
De publieke omroep is een publieke voorziening die bekostigd wordt via de rijksmediabijdrage en Ster-inkomsten, niet via abonnementen.
Het artikel van The Guardian 'US directs embassies to team up against foreign ‘hostility’ – and use X to ‘counter anti-American propaganda’' |
|
Laurens Dassen (Volt) |
|
Berendsen |
|
|
|
|
Bent u bekend met het artikel van The Guardian «US directs embassies to team up against foreign «hostility» – and use X to «counter anti-American propaganda»»?1
Ja.
Hoe beoordeelt u het gegeven dat Amerikaanse ambassades volgens deze instructie actief lokale influencers, academici en maatschappelijke organisaties zouden moeten inzetten om narratieven te beïnvloeden?
Het staat andere landen vrij om aan vormen van (publieks-)diplomatie te doen en samen te werken met personen die in Nederland wonen of gelieerd zijn aan Nederland, uiteraard met inachtneming van onze democratische rechtsstaat.
Zijn er aanwijzingen dat Amerikaanse ambassade- en/of consulaatmedewerkers in Nederland de bovenstaande activiteiten uitvoeren? Zo ja, wat bent u voornemens hieraan te doen?
Tot op heden heeft het kabinet geen aanwijzingen hiervoor.
In algemene zin heeft het kabinet middels de Rijksbrede aanpak van ongewenste buitenlandse inmenging (OBI) verschillende mogelijkheden om bij signalen van OBI op te treden. Op dit moment zijn dergelijke signalen er niet.
Acht u het wenselijk dat diplomatieke communicatie en militaire beïnvloedingsoperaties op deze wijze met elkaar verweven raken? Zo niet, waarom niet?
Zie het antwoord op vraag 2. Vrijwel elke overheid, ook de Nederlandse, vergaart via regulier diplomatiek verkeer, publieksdiplomatie en media-aandacht steun voor bepaalde ideeën en belangen of om meningsverschillen te beslechten. Buitenlandse beïnvloeding is niet ondermijnend wanneer het op openlijke en legitieme wijze plaatsvindt en daarbij binnen de regels van de Nederlandse democratische rechtsorde blijft. De grenzen van statelijke inmenging zijn vastgelegd in de aanpak van OBI.2
Ziet u deze oproep in het kader van inmenging in de Nederlandse rechtsstaat? Zo nee, waarom niet?
Tot op heden zijn er geen aanwijzingen dat er in dit geval sprake is van statelijke inmenging. Voor een actueel overzicht van het dreigingsbeeld, verwijs ik uw Kamer naar het Dreigingsbeeld Statelijke Actoren 2025.
Wat is uw oordeel over het feit dat de Amerikaanse overheid het platform X van Elon Musk expliciet aanwijst als «innovatief instrument» voor het tegengaan van anti-Amerikaanse propaganda, mede in het licht van de € 120 miljoen boete die de EU X recent heeft opgelegd wegens misleidende praktijken onder de Digital Services Act?
X is een groot online platform, dat door diverse landen wereldwijd gebruikt wordt.
Digitale platforms worden in de EU gereguleerd door de Digitale (Dienstenverordening DSA). Het kabinet steunt de Europese Commissie in de onverminderde handhaving van deze wetgeving en heeft vertrouwen in het handelen van de Commissie als er sprake is van onrechtmatige praktijken.
Deelt u de mening dat de officiële inzet van een privéplatform – waarvan de eigenaar tevens een invloedrijke rol vervulde binnen de regering Trump – als diplomatiek communicatiemiddel ernstige vragen oproept over onafhankelijkheid en integriteit?
Het is niet aan de Nederlandse regering te oordelen over de keuzes in het gebruik van sociale mediaplatforms als regeringscommunicatiemiddel van andere landen. Zie tevens antwoord op vraag 6.
Deelt u de mening dat het onwenselijk is om als kabinet op dit platform actief te zijn, en bent u voornemens om van X af te gaan naar aanleiding van dit en andere berichten die de integriteit van het platform sterk in twijfel trekken? Zo niet, waarom niet?
Het bereiken van zoveel mogelijk mensen en hen in staat stellen kennis te nemen van overheidsinformatie, juist ook groepen die via traditionele media minder goed worden bereikt, is belangrijk voor de Rijksoverheid. De sociale media-accounts van de bewindspersonen, waaronder hun accounts op X, zijn een van de manieren waarop dit gebeurt. We onderzoeken daarbij steeds nieuwe mogelijkheden en middelen, waarmee we zo veel mogelijk mensen kunnen blijven bereiken.
De Rijksoverheid is zich bewust van de berichtgeving over negatieve ontwikkelingen op sommige sociale mediakanalen. De (on)wenselijkheid om op sociale mediakanalen aanwezig te zijn is ook geregeld onderwerp van gesprek. Ministeries en publieke dienstverleners maken hierin hun eigen afweging, waarbij verschillende factoren een rol kunnen spelen. Het belang om zoveel mogelijk burgers te bereiken en in staat te stellen kennis te nemen van de informatie van de Rijksoverheid, juist ook burgers die via traditionele media en communicatie niet altijd (meer) te bereiken zijn, is een factor die bij de meeste organisaties van de Rijksoverheid zwaar weegt bij het maken van een afweging.
Bent u bereid dit te bespreken met de Amerikaanse ambassadeur en de Kamer te informeren over de uitkomst van dat gesprek? Zo niet, waarom niet?
De Amerikaanse regering is goed op de hoogte van het Nederlandse standpunt ten aanzien van de bescherming van de vrijheid van meningsuiting, de bestrijding van desinformatie en digitale weerbaarheid en Europese wetgeving daaromtrent. Het kabinet ziet vooralsnog geen noodzaak om deze specifieke instructie op te brengen in de gesprekken met de VS omdat er geen aanwijzing is dat er sprake is van ongewenste buitenlandse inmenging.
Bent u bereid dit onderwerp te agenderen in de Raad Buitenlandse Zaken? Zo niet, waarom niet?
Het kabinet ziet geen aanleiding dit specifieke artikel te agenderen op de Raad Buitenlandse Zaken. Zie ook het antwoord op vraag 2.
Kunt u de bovenstaande vragen één voor één beantwoorden?
Ja.
Het artikel 'Rechters slaan alarm: ‘Draagmoederschap dreigt het nieuwe adoptieschandaal te worden’' |
|
Diederik van Dijk (SGP), Mirjam Bikker (CU), Mona Keijzer |
|
van Bruggen |
|
|
|
|
Hebt u kennisgenomen van het artikel «Rechters slaan alarm: «Draagmoederschap dreigt het nieuwe adoptieschandaal te worden»»?1
Ja.
Hoe reageert u op de uitspraak in dit artikel van de voorzitter van het team familierecht bij de rechtbank Den Haag, die stelt dat wensouders door hun vurige kinderwens vaak blind zijn voor misstanden: «Sommigen ontmoeten de draagmoeder niet eens, en zien dus ook niet of de situatie wel in de haak is. Dat voelt niet lekker, alsof je een kind uit het luikje van de automaat haalt.»?
Ik onderken dat er risico’s op misstanden kunnen spelen bij (buitenlandse) draagmoederschapstrajecten. De Commissie Joustra heeft daar in haar rapport over interlandelijke adoptieprocedures in het verleden ook op gewezen.2 De Commissie Joustra wijst erop dat dit komt doordat bij draagmoederschap, net als bij interlandelijke adoptie, de volgende elementen spelen: een sterke kinderwens, beperkte mogelijkheden tot toezicht (mede door het internationale aspect) en financiële afspraken die bij de procedures worden gemaakt. Op dit moment is er geen wettelijk kader dat wensouders stimuleert om voor een verantwoord en zorgvuldig draagmoederschapstraject te kiezen, waarmee het risico op misstanden verkleind kan worden. Met het wetsvoorstel Kind, draagmoederschap en afstamming (hierna: het wetsvoorstel) beoogt het kabinet dit te veranderen. Het wetsvoorstel is gebaseerd op de aanbevelingen van de Staatscommissie Herijking ouderschap3 en stelt de belangen en rechten van kind en draagmoeder voorop.
In het artikel wordt gewezen op misstanden als vervalste documenten, uitbuiting van draagmoeders, anonieme donaties en financiële prikkels: kunt u uiteenzetten welke waarborgen momenteel bestaan om te voorkomen dat Nederlandse wensouders, bewust of onbewust, deelnemen aan dergelijke misstanden?
Op dit moment ontbreekt een wettelijk kader. Het wetsvoorstel beoogt te bereiken dat draagmoederschapstrajecten zorgvuldiger verlopen en voorziet daartoe in bepaalde waarborgen, waaronder de verplichte voorlichting en counseling die wensouders moeten doorlopen. Hiermee wordt getracht de keuzes die de in Nederland woonachtige wensouders in een buitenlands traject maken zo te beïnvloeden dat wordt bereikt dat zij zich ook bij een traject in het buitenland rekenschap geven van de zorgvuldigheidseisen.
Specifiek voor situaties van uitbuiting van draagmoederschap geldt dat deze onder het bereik van de strafbaarstelling van mensenhandel kunnen vallen. Ter implementatie van de herziene EU-richtlijn inzake de voorkoming en bestrijding van mensenhandel en de bescherming van slachtoffers daarvan (2024/1712)4 zal uitbuiting van draagmoederschap bovendien expliciet als uitbuitingsvorm worden opgenomen in de strafbaarstelling van mensenhandel (273f van het Wetboek van Strafrecht (hierna: Sr).5 De implementatiewet voor de herziene EU-richtlijn is op 1 oktober jl. met uw Kamer ingediend.6
Vindt u het aanvaardbaar dat wensouders via commerciële bureaus in het buitenland trajecten kunnen doorlopen waarbij sprake is van marktwerking, hoge betalingen en zelfs commerciële aanbiedingen? Hoe verhoudt dit zich volgens u tot het verbod op commerciële draagmoederschapstrajecten in Nederland?
Voor mij staat voorop dat een (buitenlands) draagmoederschapstraject zorgvuldig en verantwoord dient plaats te vinden en dat marktwerking ongewenst is. Uit het WODC-onderzoek «Het gedragen kind» volgt dat wensouders kiezen voor buitenlandse trajecten omdat juridische zaken, bemiddeling, psychologische begeleiding en het financiële plaatje goed geregeld zijn.7 Daarnaast volgt uit het WODC-onderzoek dat het onder de huidige regelgeving lastig is voor wensouders om een draagmoeder in Nederland te vinden, en dat wensouders uitwijken naar het buitenland omdat het daar makkelijker is om een draagmoeder te vinden.8
Onder het wetsvoorstel komt de strafbaarstelling van openbaarmaking van de wens om draagmoeder te worden of om een draagmoeder te vinden te vervallen. Bemiddeling door anderen, niet zijnde aangewezen rechtspersonen, voor wensouders of draagmoeders blijft wel strafbaar. Op die manier wordt beoogd te voorkomen dat er een markt ontstaat.
Het wetsvoorstel voorziet voor binnenlandse trajecten in een redelijke onkostenvergoeding aan de draagmoeder. Onder deze onkostenvergoeding vallen zowel de daadwerkelijk gemaakte kosten door de draagmoeder, als een beperkte tegemoetkoming aan de draagmoeder voor de inspanningen en het eventuele ongemak dat gepaard gaat met de zwangerschap. Betalingen voor de overdracht van het ouderschap zijn wel verboden, zowel bij draagmoederschapstrajecten in Nederland als bij trajecten die Nederlanders in het buitenland aangaan. Voor buitenlandse trajecten is er geen regeling voor een onkostenvergoeding.
Hoe reageert u op kritiek van rechters en academici die zorgen uiten dat het wetsvoorstel Kind, draagmoederschap en afstamming onvoldoende lessen trekt uit het rapport-Joustra en mogelijk zelfs een aanmoedigende werking creëert op buitenlandse commerciële trajecten?
Het staat vast dat ook met het wetsvoorstel risico’s niet uitgesloten kunnen worden. Daar staat tegenover dat deze risico’s ook niet worden uitgesloten met het in stand laten van de huidige (juridische) situatie en dat er behoefte is aan een wettelijke regeling, zoals al werd aanbevolen door de Staatscommissie Herijking ouderschap en volgde uit het WODC-rapport «Het gedragen kind»,9 en wat nu ook door de rechters in het artikel wordt aangegeven. Ook in de in opdracht van Uw Kamer uitgevoerde wetenschapstoets10 wordt het belang van een wettelijke regeling onderschreven.
De belangrijkste les die is getrokken uit het rapport van de Commissie Joustra is dat de overheid ontwikkelingen rond wensouderschap in binnen- en buitenland moet blijven volgen, en daarbij ook proactief moet optreden, al dan niet via regulering. Met dit wetsvoorstel wordt daarom juist beoogd wensouders te stimuleren om te kiezen voor een verantwoord en zorgvuldig draagmoederschapstraject, ook als het gaat om buitenlandse trajecten, om daarmee het risico op misstanden te verkleinen. Zolang het draagmoederschapstraject zorgvuldig verloopt en voldoet aan de in het wetsvoorstel gestelde voorwaarden, behoeft een eventuele toename geen probleem te zijn.
Klopt het dat onder het huidige wetsvoorstel geboorteakten uit Canada en de Verenigde Staten zonder rechterlijke toets kunnen worden ingeschreven? Kunt u toelichten waarom voor deze landen wél wordt vertrouwd op de lokale procedures, terwijl daar een omvangrijke commerciële sector bestaat?
Of een geboorteakte zonder (Nederlandse) rechterlijke toets kan worden ingeschreven, is niet afhankelijk van het land waar het kind na draagmoederschap is geboren, maar van het voldoen aan de gestelde voorwaarden. Er worden met het wetsvoorstel voorwaarden gesteld aan de erkenning van rechtswege van een buitenlandse geboorteakte na draagmoederschap. Het gaat dan om de genetische verwantschap van het kind aan ten minste één van de wensouders, de beschikbaarheid van de afstammingsgegevens van het kind voor opname in het afstammingsregister, verplichte voorlichting en counseling voor de wensouders en, indien het ouderschap van de wensouders voor de geboorte is ontstaan, het bestaan van een mogelijkheid voor de draagmoeder om na de geboorte het ouderschap bij de rechter te betwisten. Daarnaast is één van de voorwaarden dat er een rechterlijke beslissing ten grondslag ligt aan de buitenlandse geboorteakte van een kind geboren uit draagmoederschap.
Alleen wanneer aan deze voorwaarden wordt voldaan kan onder het wetsvoorstel de buitenlandse geboorteakte, zonder tussenkomst van de Nederlandse rechter, in Nederland worden ingeschreven. Dat geldt voor alle buitenlandse geboorteakten en niet specifiek alleen voor geboorteakten uit Canada en de Verenigde Staten.
Overigens wordt in de wetenschapstoets de aanbeveling gedaan om de voorgestelde regeling voor erkenning van rechtswege te schrappen. Ik ben bezig met een zorgvuldige analyse van de gedane aanbevelingen en zal bezien of en op welke punten aanpassing van het wetsvoorstel eventueel aangewezen is.
Vindt u de waarschuwingen van de commissie-Joustra ook van toepassing voor Canada en de Verenigde Staten?
De risico’s waarop de commissie Joustra in relatie tot draagmoederschap heeft gewezen zijn mijns inziens van toepassing op alle landen. Deze risico’s spelen overal waar het gaat om het vervullen van een kinderwens, waarbij bemiddeling plaatsvindt, waarmee op enige manier geld is gemoeid en waarbij sprake is van internationaal verkeer, en deze zijn niet afhankelijk van het land waar het draagmoederschapstraject plaatsvindt.
Om de kans op risico’s zoveel als mogelijk te verkleinen, wordt met het wetsvoorstel beoogd de wensouders te stimuleren om voor een verantwoord en zorgvuldig draagmoederschapstraject te kiezen.
Welke stappen worden gezet om te garanderen dat kinderen die via draagmoederschap worden geboren, hun afstamming volledig kunnen achterhalen, ook wanneer wensouders een buitenlands traject volgen waarbij donoren of draagmoeders anoniem kunnen zijn?
Het (toegang) hebben tot je afstammingsinformatie is cruciaal voor een kind. In Nederland wordt daarom ook sinds 2004 niet langer gebruik gemaakt van anoniem donormateriaal. In het wetsvoorstel wordt in aansluiting hierop de eis gesteld dat de afstammingsgegevens (op termijn) beschikbaar zijn voor het kind (voorgesteld artikel 1:215, eerste lid, onder e, en voor buitenlandse trajecten voorgesteld artikel 10:101a, derde lid, sub a, onder 1, van het Burgerlijk Wetboek).
In het buitenland is het gebruik van anonieme ei- en zaadcellen en embryo’s soms wel toegestaan. Ook dan is het van belang dat kinderen toegang kunnen krijgen tot hun afstammingsgegevens. Een waterdichte garantie hiervoor kan echter niet worden gegeven, het gaat immers om anonieme donoren. Het wetsvoorstel stimuleert daarom wensouders om te kiezen voor een traject met een donor waarvan de identiteit wel bekend of achterhaalbaar is. In het wetsvoorstel is daartoe opgenomen dat indien de afstammingsgegevens bij buitenlandse trajecten niet beschikbaar zijn, de wensouders in Nederland alsnog een rechterlijke procedure moeten starten om te trachten het ouderschap juridisch te regelen. De rechter moet er dan een oordeel over geven.
Daarnaast zal in de verplicht te volgen voorlichting het belang van het gebruik van bekende donoren nadrukkelijk aan de orde komen, juist met het oog op het belang van het kind en het hebben van de afstammingsgegevens.
Tevens is in het wetsvoorstel een bepaling opgenomen die de wensouders verplicht om het kind te informeren over zijn of haar afstamming. Op die manier wordt ook de verantwoordelijkheid bij de wensouders wettelijk neergelegd om hun kind te informeren over zijn of haar ontstaansgeschiedenis. Die verplichting geldt overigens niet alleen in geval van draagmoederschap maar meer algemeen voor ouders of, als het gezag elders is belegd, bij die andere gezagsdrager(s).
Hoe wordt voorkomen dat draagmoeders in het buitenland onder druk worden gezet om afstand te doen van hun rechten of niet vrij zijn om beslissingen over hun zwangerschap te nemen, bijvoorbeeld bij medische complicaties?
Door het verplicht stellen van voorlichting en counseling worden bewust gemaakt om te kiezen voor verantwoorde trajecten in het buitenland. Ik acht het daarbij van groot belang dat het zelfbeschikkingsrecht van draagmoeders wordt gerespecteerd. Het zelfbeschikkingsrecht houdt onder meer in dat iedereen het recht heeft om zelfstandig keuzes te maken over zijn eigen lichaam en leven. Dit recht is neergelegd in artikel 10 en 11 van de Grondwet, het 8 EVRM, alsmede in het VN-Vrouwenverdrag. Verder beoogt het wetsvoorstel uitbuiting te voorkomen en kent het de mogelijkheid voor de draagmoeder om terug te komen op haar besluit. Dit alles versterkt de positie van de draagmoeder. Dat neemt echter niet weg dat misstanden toch kunnen plaatsvinden.
Daarnaast vraagt de herziene EU-richtlijn inzake de voorkoming en bestrijding van mensenhandel en de bescherming van slachtoffers daarvan (2024/1712)11 lidstaten expliciet om het uitbuiten van draagmoederschap strafbaar te stellen. De strafdreiging die van deze strafbaarstelling uitgaat kan preventieve werking hebben, waardoor hopelijk minder vrouwen in het buitenland onder druk gezet zullen worden om afstand te doen van hun rechten.
Kunt u ingaan op de uitspraak in het artikel van hoogleraar Recht, ethiek en biotechnologie Britta van Beers, die ten aanzien van het wetsvoorstel Kind, draagmoederschap en afstamming de vergelijking maakt met de legalisering van online gokken, dat werd toegestaan omdat mensen op zoek gaan, maar waarbij vergeten werd dat het nieuwe wetsvoorstel dat ook populairder maakte?
Ondanks het ontbreken van een wettelijke regeling komt draagmoederschap nu ook voor. De Staatscommissie Herijking ouderschap heeft al geconstateerd dat een kinderwens op zich een positief gegeven is, ook als die wens alleen via draagmoederschap verwezenlijkt kan worden. Tegelijkertijd is draagmoederschap alleen positief als het traject zorgvuldig verloopt met respect voor de rechten en belangen van het kind en de draagmoeder. Het is daarom van belang dat er een goede regeling komt voor de bescherming van alle betrokkenen, maar vooral die van het kind. Het wetsvoorstel vertrekt vanuit ditzelfde uitgangspunt en heeft niet als doel om draagmoederschap populair te maken of te stimuleren. Het wetsvoorstel beoogt ook niet draagmoederschap als zodanig te bevorderen, maar stimuleert mensen die deze wijze van gezinsvorming overwegen om te kiezen voor een zorgvuldig en transparant draagmoederschapstraject in het belang van het kind.
Hoe voorkomt u dat niet-commerciële bemiddeling ook leidt tot een grote toename van bekendmaking van initiatieven en wat is het beleid rondom adverteren, nu en bij inwerkingtreding van het wetsvoorstel?
Op dit moment is er een verbod op het openbaar kenbaar maken van de wens om zelf draagmoeder te worden of om een draagmoeder te vinden. Na de inwerkingtreding van het wetsvoorstel is die openbaarmaking niet langer verboden.
Commerciële bemiddeling bij draagmoederschap is op dit moment verboden in Nederland. En dat blijft zo met het wetsvoorstel. Voor beroepsmatig niet-commerciële bemiddeling in Nederland ligt dit anders en kan straks ontheffing worden verleend. Het streven is dat wensouders die door middel van draagmoederschap een kind willen krijgen en vrouwen die als draagmoeder voor een ander zwanger willen worden en een kind willen krijgen, bij één of enkele centrale punten terecht kunnen. Hiermee kan tegemoet worden gekomen aan de in de praktijk bestaande behoefte hieraan.
Het voordeel van voorlichting, counseling en bemiddeling op één of een beperkt aantal plekken te houden is dat expertise opgebouwd kan worden bij professionals en hiermee de kwaliteit van de inhoud en vorm van de voorlichting, counseling en bemiddeling goed gewaarborgd kan worden. Daarnaast wordt voorkomen dat een wildgroei ontstaat van bemiddelaars. De randvoorwaarden voor deze organisaties zullen verder uitgewerkt worden in een algemene maatregel van bestuur.
Deelt u de kritiek – ook in het licht van de bijdrage van hoogleraar Van Beers, die aangeeft dat er geen recht is op het hebben van een kind – dat bij verandering van deze benadering steeds meer de wens van de potentiële wensouders voorop komt te staan in plaats van die van het kind en de biologische ouders?
Er bestaat geen recht voor (wens)ouders op een kind. Een kind, ongeacht de manier waarop het geboren wordt, beschikt wel over fundamentele rechten als het recht op een waardig bestaan en het hebben en kennen van diens identiteit, inclusief diens genetische, zwangerschaps- en sociaal-culturele achtergrond. In het wetsvoorstel zijn waarborgen opgenomen voor kinderen om hun afstammingsgegevens te kunnen achterhalen en voor het kennen van hun ontstaansgeschiedenis. De rechten en het belang van het kind moeten altijd voorop blijven staan.
Deelt u de analyse dat draagmoederschap niet primair moet worden benaderd vanuit de wens van volwassenen om een kind te krijgen, maar vanuit de rechten van het kind en de positie van de draagmoeder? Bent u bereid om met een nota van wijziging te komen om deze benadering expliciet in het wetsvoorstel te verankeren en welke betekenis heeft dat voor commercieel draagmoederschap?
Voor de beantwoording van het eerste deel van deze vraag verwijs ik naar het antwoord op vraag 12. In het wetsvoorstel zijn waarborgen opgenomen voor zorgvuldige trajecten, waarmee ook de positie van de draagmoeder wordt versterkt. Ook het belang van het kind is meegenomen in het wetsvoorstel. Zoals ik hiervoor in antwoord op vraag 6 heb aangegeven ben ik bezig met een zorgvuldige analyse van de gedane aanbevelingen in de wetenschapstoets en zal ik bezien of en op welke punten aanpassing van het wetsvoorstel eventueel aangewezen is.
Vindt u dat het recht maatschappelijke ontwikkelingen enkel moet volgen of moet het recht ook normeren?
Het recht moet aansluiten bij de maatschappelijke ontwikkelingen in de samenleving. Wetgeving is een dynamisch geheel en moet ruimte bieden voor ontwikkelingen waar dat kan en bescherming bieden waar dit nodig is. Het recht moet in die zin ook normeren. Voor wat betreft een wettelijke regeling voor draagmoederschap zou de norm vooral moeten zijn dat draagmoederschapstrajecten zorgvuldig moeten zijn, in het belang van het kind en met oog voor de positie van de draagmoeder.
Kunt u deze vragen afzonderlijk en binnen de gebruikelijke termijn beantwoorden?
Ja.
Klopt het dat het kabinet heeft besloten om structureel circa € 30 miljoen per jaar te schrappen dat eerder was gereserveerd voor proactieve dienstverlening, bedoeld om niet-gebruik van onder andere de bijstand tegen te gaan?
Het klopt dat het kabinet bij de voorjaarsnota 2026 om budgettaire redenen heeft gekozen om vooralsnog minder te investeren in proactieve dienstverlening. Het voornemen om gegevensdeling mogelijk te maken voor de algemene bijstand zou dan niet in werking treden. Dit leidt tot een besparing oplopend naar structureel € 30 miljoen per jaar.1 De Kamer is hierover per brief van 2 april 2026 geïnformeerd.2 In deze brief heb ik aangegeven dat op het moment dat er weer financiële middelen beschikbaar zijn, het mogelijk is om dit onderdeel wel in werking te laten treden.
Inmiddels heb ik besloten om de benodigde financiële middelen voor het mogelijk maken van gegevensdeling voor de algemene bijstand vrij te maken door het tweede knikpunt in het kindgebonden budget te leggen bij € 57.950 (prijspeil 2024). Dit doe ik via een nota van wijziging op het recent bij uw Kamer ingediende wetsvoorstel.3 Hiermee kan het gedeelte van het wetsvoorstel dat ziet op de algemene bijstand alsnog tegelijk met de rest van het wetsvoorstel in werking treden.
Klopt het dat dit budget expliciet was gereserveerd omdat de bestaande inzet onvoldoende werd geacht om niet-gebruik effectief terug te dringen? Kunt u toelichten welke analyse hier destijds aan ten grondslag lag?
Het klopt dat de bestaande inzet onvoldoende werd geacht. De volgende analyse lag hieraan ten grondslag: Naar schatting 37% van de mensen die recht hebben op algemene bijstand maken daar geen gebruik van. De inschatting is dat het inkomen van niet-gebruikers onder het sociaal minimum ligt. Verder missen zij de beschikbare ondersteuning bij werk, opleiding en meedoen in de samenleving. We zetten in op het terugdringen van niet-gebruik met algemene communicatie (zoals pr-campagnes en benutten van bestaande contactmomenten met mensen), vereenvoudigingen (zoals P-wet in Balans) en automatische uitkeren (bijvoorbeeld van de individuele inkomenstoeslag uit de Participatiewet). Om het niet-gebruik verder terug te dringen is de persoonsgerichte aanpak van proactieve dienstverlening nodig met meer mogelijkheden voor hergebruik en deling van persoonsgegevens. Gebaseerd op empirische resultaten wordt verwacht dat met de voorgenomen gegevensuitwisseling voor proactieve dienstverlening 2,5% van deze groep wel gebruik zal gaan maken van hun recht op algemene bijstand. Deze raming van de benodigde uitkeringslasten en uitvoeringskosten is opgenomen in de Voorjaarsnota 20244 en toegelicht in de Memorie van Toelichting bij het wetsvoorstel.5
Deelt het kabinet nog steeds de eerdere analyse dat proactieve dienstverlening leidt tot meer participatie, minder schulden en betere gezondheid? Zo ja, waarom wordt het bijbehorende budget geschrapt? Zo nee, op basis van welke nieuwe inzichten is het kabinet van deze analyse afgeweken?
Het kabinet deelt de genoemde analyse. Uitkeringen en voorzieningen helpen mensen naar werk, beter werk of opleiding, voorkomen dat het inkomen onder het minimum zakt en ondersteunen bij meedoen in de samenleving. Zoals aangegeven bij vraag 1, heb ik gezocht naar mogelijkheden om financiële middelen vrij te maken, zodat het onderdeel algemene bijstand van het wetsvoorstel proactieve dienstverlening wel direct in werking kan treden.
Kunt u toelichten of hier sprake is van gewijzigd beleid, gewijzigde inzichten of uitsluitend een budgettaire afweging?
Het kabinet gaat door met proactieve dienstverlening.
Hoe verhoudt dit besluit zich tot de uitspraak van Minister Aartsen tijdens de begroting SZW dat het wetsvoorstel inzake proactieve dienstverlening op dit moment bij de Kamer ligt en dat hij daarover snel met de Kamer in gesprek hoopte te gaan?
Ik bespreek het wetsvoorstel proactieve dienstverlening SZW graag snel met uw Kamer. Het wetsvoorstel is aangemeld voor plenaire behandeling.
Hoe verhoudt deze bezuiniging zich tot de aangenomen motie van het lid Hamstra c.s. over «automatisch uitkeren», ingediend bij de behandeling van de begroting SWZ, die als appreciatie Oordeel Kamer kreeg?1 Wat betekent de bezuiniging voor de uitvoering van de motie?
Het kabinet gaat door met proactieve dienstverlening. Ik heb gezocht naar mogelijkheden om financiële middelen vrij te maken, zodat het onderdeel algemene bijstand van het wetsvoorstel proactieve dienstverlening wel direct in werking kan treden. De motie van het lid Hamstra c.s. verzoekt in kaart te brengen wat er precies nodig is voor het werken naar automatisch uitkeren. Bij automatisch uitkeren hoeven mensen geen aanvraag meer te doen. Zij krijgen een uitkering of andere sociale voorziening automatisch als zij daarop recht hebben. Het wetsvoorstel proactieve dienstverlening SZW schrapt of wijzigt geen aanvraagprocedures. Het richt zich op het informeren van mensen over de ondersteuning die er voor hen is en hulp bij het aanvragen. Wel kan het wetsvoorstel proactieve dienstverlening SZW mensen bereiken die nog niet eerder een aanvraag hebben gedaan en in dat opzicht is het ondersteunend aan automatisch kunnen uitkeren.
Hoe verhoudt dit besluit zich tot de uitspraak van Minister Vijlbrief tijdens het commissiedebat Armoede en Schulden, dat er geen claim lag op de niet-gebruikte middelen en dat het omlaag brengen van het niet-gebruik niet de begroting in gevaar brengt?
De regel is dat realistisch wordt geraamd. Het gebruik van uitkeringen en voorzieningen wordt zo realistisch mogelijk ingeschat. De raming houdt rekening met het werkelijke gebruik in voorgaande jaren, de conjunctuur en met maatregelen, zoals proactieve dienstverlening, die kunnen leiden tot meer gebruik. Niet-gebruikte middelen, waarop een claim kan worden gelegd, zijn er daarom niet.
Kunt u een tijdlijn geven van de besluitvorming rondom dit budget en deze maatregel, inclusief het moment waarop het kabinet heeft besloten om deze middelen te schrappen?
Tijdens de voorbereiding van het wetsvoorstel en het besluit proactieve dienstverlening SZW zijn verschillende budgetten gereserveerd:
0,8
4,8
8,1
11,3
12,9
12,9
12,9
0,2
0,5
0,9
1,2
1,4
1,4
1,4
0,2
1,0
1,6
2,3
2,6
2,6
2,6
0,0
0,0
0,0
0,1
0,1
0,1
0,1
2,0
2,1
2,0
Kunt u bevestigen dat het tegengaan van niet-gebruik een van de pijlers is van het Nationaal Programma Armoede en Schulden? Hoe verhoudt het schrappen van deze middelen zich tot deze pijler?
Het kabinet heeft in het coalitieakkoord afgesproken te investeren in armoedebeleid en in het verkleinen van het niet-gebruik door proactieve dienstverlening. Het wetsvoorstel proactieve dienstverlening SZW speelt een belangrijke rol in het terugdringen van niet-gebruik, omdat het erop gericht is om burgers actief te informeren en te ondersteunen bij het benutten van hun recht op uitkeringen en voorzieningen.
Welke waarborgen ziet het kabinet om te voorkomen dat mensen die recht hebben op inkomensondersteuning buiten beeld blijven?
Het wetsvoorstel proactieve dienstverlening SZW richt zich op het persoonlijk informeren van mensen en het eenvoudiger kunnen aanvragen van uitkeringen en voorzieningen. In de memorie van toelichting worden de oorzaken van het buiten beeld blijven van mensen verdeeld in drie categorieën: oorzaken op het niveau van de regelgeving, oorzaken op het niveau van de uitvoering en oorzaken op het niveau van de burger. Het wetsvoorstel richt zich op het wegnemen van oorzaken van niet-gebruik op het niveau van de uitvoering en op het niveau van de burger. Het kabinet wil zoveel mogelijk oorzaken van niet-gebruik aanpakken door het stelsel van inkomensondersteuning te vereenvoudigen, de dienstverlening te verbeteren en de samenwerking tussen overheden en maatschappelijke organisaties te versterken. De focus ligt op het wegnemen van belemmeringen in de uitvoering, het vergroten van het vertrouwen en het beter informeren en ondersteunen van burgers. De precieze invulling daarvan zal de komende tijd verder worden uitgewerkt.
Kunt u uiteenzetten welke concrete aanpak het kabinet nu in de plaats stelt om niet-gebruik tegen te gaan, en waarin deze aanpak inhoudelijk en qua effectiviteit verschilt van de eerder aangekondigde inzet?
Het wetstraject wordt zo ingericht dat de grondslag voor gegevensdeling voor de algemene bijstand in zowel het wetsvoorstel als de conceptbesluit proactieve dienstverlening SZW wordt opgenomen.
Welke doelstellingen hanteert het kabinet momenteel ten aanzien van het terugdringen van niet-gebruik, en hoe wordt gemeten of deze worden behaald zonder de eerder gereserveerde middelen?
We willen het niet-gebruik verkleinen onder andere door proactieve dienstverlening.
Hoe beoordeelt het kabinet de kritiek van gemeenten en de Vereniging van Nederlandse Gemeenten (VNG), die deze maatregel heel onverstandig noemen?
Deze kritiek heb ik mij ter harte genomen en om die reden heb ik gezocht naar een mogelijkheid om financiële middelen vrij te maken.
Hoe groot is de groep mensen die geen gebruik maakt van de bijstand terwijl zij daar wel recht op hebben? Klopt het dat het hierbij om circa 150.000 mensen gaat?
Volgens onderzoek van de NLA maakten in 2021 naar schatting 160.000 mensen geen gebruik van de algemene bijstand, terwijl zij mogelijk wel recht hadden op een bijstandsuitkering of een gedeeltelijke bijstandsuitkering.7
Hoeveel mensen leven naar schatting onder het bestaansminimum als gevolg van dit niet-gebruik?
Er zijn geen cijfers beschikbaar over hoeveel mensen onder het bestaansminimum leven als gevolg van niet-gebruik. Er zijn wel schattingen van het aantal mensen dat mogelijk onterecht geen gebruik maakt van een uitkering of voorziening. Zij lopen daardoor het risico op een inkomen onder het bestaansminimum. De uitkeringen en voorzieningen met het grootste niet-gebruik zijn de Toeslagenwet, de AIO en de algemene bijstand. Deze uitkeringen vullen, als ze gebruikt worden, aan tot het bestaansminimum. De tabel geeft een overzicht van het niet-gebruik van deze uitkeringen en een schatting van het aantal betrokkenen.
33%-68%
136.200
Nederlandse Arbeidsinspectie, Onderzoeksrapport niet-gebruik van de Toeslagenwet, 23 oktober 2023, p.16
30%
73.500
CBS, Recht en gebruik Aanvullende Inkomensvoorziening Ouderen, 2023
37%
160.000
Kwantitatieve ontwikkelingen potentieel niet-gebruik algemene bijstand 2021, Nederlandse Arbeidsinspectie, december 2023
Verwacht het kabinet dat het niet-gebruik van de bijstand de komende jaren zal toenemen, mede in het licht van voorgenomen wijzigingen in de Werkloosheidswet (WW) en de Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen (WIA) waardoor meer mensen mogelijk op de bijstand aangewezen raken? Zo nee, waarop baseert het kabinet die verwachting?
Het kabinet wil met proactieve dienstverlening het niet-gebruik verkleinen. In hoeverre dat lukt bij de bijstand monitoren we door de ontwikkeling van het gebruik en het niet-gebruik van de bijstand te volgen.
Welke maatschappelijke gevolgen verwacht het kabinet van het schrappen van deze maatregel, in het bijzonder op het gebied van schuldenproblematiek, gezondheid, participatie en arbeidsmarktdeelname?
Het is mijn inzet om het onderdeel algemene bijstand gelijk met andere onderdelen van het wetsvoorstel proactieve dienstverlening SZW in werking te laten treden.
Is het kabinet bereid deze bezuiniging terug te draaien en de eerder aangekondigde aanpak van proactieve dienstverlening alsnog volledig uit te voeren? Zo nee, waarom niet?
Ja, zoals aangekondigd bij vraag 1 ik ben bereid om de aangekondigde bezuiniging uit de voorjaarsnota 2026 terug te draaien.
(on)mogelijkheden van burgemeesters om de overlast door personen met onbegrepen/verward gedrag aan te kunnen pakken |
|
Songül Mutluer (PvdA) |
|
Pieter Heerma (CDA) |
|
|
|
|
Kent u de berichten «10.000 euro boete, een huisverbod, een lantaarnpaal verplaatst: Arnhem zette alles in tegen overlast Koert H.», «Wacht niet op steekpartij of brand maar laat overlastgevers afkicken, betoogt Marcouch» en kent u de brief van de Vereniging van Nederlandse Gemeenten (VNG) van 3 februari 2026?1, 2, 3
Ja.
Kunt u zich voorstellen dat in bewoners, lokale handhavers, de burgemeester en wellicht nog anderen «de wanhoop nabij» waren toen nadat heel het beschikbare instrumentarium om overlast tegen te gaan gebruikt was de overlast toch niet stopte? En dat de overlast pas stopte na een ingrijpend incident? Zo ja, waarom? Zo nee, waarom niet?
Ja, ik kan mij goed voorstellen dat vormen van overlast met zeer ernstige verschijningsvormen en gevolgen grote impact hebben op inwoners, handhavers en burgemeesters. Ik zie dat alle betrokkenen, professionals, zich vaak enorm inspannen maar dat het effect van die inspanningen in situaties niet tot het gewenste effect leidt.
Deelt u de mening van de burgemeester van Arnhem dat het te laat kan zijn als er pas in het geval acuut gevaar voor de overlastgever en zijn omgeving is er handelingsperspectief ontstaat om in te kunnen grijpen? Zo ja, deelt u dan ook de mening dat burgemeesters de mogelijkheid moeten krijgen «om mensen ook al voor de fase dat gevaar acuut wordt, op te laten nemen»? Zo nee, waarom deelt u die mening niet?
Vooropgesteld: situaties en de gevolgen van verward of onbegrepen gedrag in de samenleving zullen nooit volledig kunnen worden voorkomen. De inzet van alle betrokkenen moet er op gericht zijn om in nauwe verbinding en samenwerking overlast en calamiteiten zo veel mogelijk te voorkomen en hanteerbaar te maken.
Ik deel de mening dat er ook voor de burgemeester, vanuit zijn verantwoordelijkheid voor de veiligheid en openbare orde binnen de gemeente, voldoende handelingsperspectief moet zijn om waar nodig tijdig te kunnen ingrijpen. Ik verwijs u in dit verband ook naar het coalitieakkoord «Aan de slag»4 waarin is aangekondigd meer mogelijkheden voor burgemeesters te creëren om door middel van bemoeizorg in te grijpen en meer crisisplekken te realiseren. Ik ga de komende tijd in gesprek met betrokken partijen, waaronder gemeenten over de verdere uitwerking hiervan en de vraag of burgemeesters meer bevoegdheden en handelingsperspectief nodig hebben. Voor het einde van 2026 volgt een brief met meer uitgewerkte oplossingsrichtingen en/of voorliggende keuzes.
Herkent het in de VNG-brief gestelde dat «vrijwel iedere gemeente personen met verward en onbegrepen gedrag kent, waarbij het bestuurders ontbreekt aan handelingsperspectief» waarbij gemeentebestuurders «de huidige wettelijke kaders als ontoereikend [ervaren] voor (overlastgevende) zorgmijders met complexe en multiproblematiek, die niet in aanmerking komen voor gedwongen zorg of voor een strafrechtelijk kader»? Zo ja, over welke informatie beschikt u?
Ik ken de signalen van bestuurders van gemeenten dat de huidige wettelijke kaders als ontoereikend worden ervaren voor effectief ingrijpen bij (overlastgevende) zorgmijders met complexe en multiproblematiek, waarbij de gedwongen zorgwetten nog niet van toepassing zijn. Verschillende bestuurders hebben dit verklaard en/of hier aandacht voor gevraagd. In het kader van de parlementaire verkenning Verward/onbegrepen gedrag en Veiligheid5 heeft ook uw Kamer deze conclusie getrokken en van een aanbeveling voorzien. Deze aanbeveling wordt betrokken in de verkenning van oplossingen, die het kabinet in de Kamerbrief van 11 december 20256 heeft aangekondigd.
Tegelijkertijd zijn er ook signalen dat er vanuit bestaande bevoegdheden handelingsperspectief aanwezig is, maar dat het bijvoorbeeld ontbreekt aan voldoende woon(zorg-)voorzieningen, aan adequate samenwerking en afstemming tussen de diverse domeinen (zorg, veiligheid, wonen) en aan een wettelijke grondslag voor gegevensuitwisseling voor vroegtijdige samenwerking. Het is dus van belang om het vraagstuk van handelingsperspectief en bevoegdheden van de burgemeester in deze samenhang te bezien, zoals dit ook met de brede aanpak Verward/onbegrepen gedrag wordt beoogd.
Deelt u de mening van de VNG «om de wettelijke (on)mogelijkheden en mogelijke aanvullingen op de huidige wettelijke kaders te inventariseren»? En zo ja, hoe en op welke termijn gaat u daarvoor zorgen? Zo nee, waarom acht u die inventarisatie niet nodig?
Ja, die mening deel ik. Zie mijn reactie op de vragen 3 en 4. De planning is er op gericht dat ik u rond de zomer een stand van zaken brief stuur over de voortgang van de prioriteiten van de brede aanpak. Voor het einde van 2026 volgt een brief met meer uitgewerkte oplossingsrichtingen en/of voorliggende keuzes. De vraag of burgemeesters meer bevoegdheden en handelingsperspectief dienen te krijgen, wordt hierin betrokken.
Het bericht 'Nieuwe huizen nodig, maar geen timmerman of metselaar te vinden: ‘Onvoldoende jongeren voor vacatures’' |
|
Martin de Beer (VVD) |
|
Hans Vijlbrief (D66), Boekholt-O’Sullivan |
|
|
|
|
Bent u bekend met het artikel «Nieuwe huizen nodig, maar geen timmerman of metselaar te vinden: «Onvoldoende jongeren voor vacatures»»?1
Hoe beoordeelt u het feit dat 71% van de bouwbedrijven kampt met personeelstekorten, wat aanzienlijk hoger is dan het landelijk gemiddelde (45%)?
In hoeverre vormen deze personeelstekorten volgens u een risico voor het realiseren van de doelstelling om 100.000 woningen te bouwen?
Kunt u aangeven hoeveel vertraging direct toe te schrijven is aan deze personeelstekorten in de bouw?
Hoe verklaart u het dat vacatures in de bouwsector vaak moeilijk te vervullen zijn? Hoe verklaart u het dat sollicitanten vaak niet aan gevraagde eisen voldoen?
Welke concrete doelen stelt het kabinet voor het terugdringen van het aantal openstaande vacatures in de bouwsector richting 2027?
Welke concrete stappen gaat u zetten om de instroom in bouw- en techniekopleidingen te vergroten?
Hoe beoordeelt u initiatieven zoals BBL-opleidingen en financiële prikkels zoals diplomabonussen en doorleerbonussen? Wat zijn de resultaten van deze initiatieven?
Welke rol ziet u voor zij-instroom vanuit andere sectoren, en welke belemmeringen ervaren potentiële zij-instromers momenteel? Hoe bent u van plan deze belemmeringen te voorkomen?
Hoe kan technologische innovatie, zoals de inzet van robots, bijdragen aan het verlichten van personeelstekorten, en welke rol ziet u hierin voor de overheid? Hoe bent u van plan dit te stimuleren?
Kunt u deze vragen één voor één beantwoorden?
Recente berichtgeving over de invoering van de doodstraf door Israël, de aanhoudende kolonistenaanvallen op Taybeh en ontwikkelingen rond de Tent of Nations |
|
Don Ceder (CU) |
|
Berendsen |
|
|
|
|
Bent u bekend met het bericht «Knesset passes death penalty law for Palestinians convicted of deadly acts of terror»1 en andere recente berichtgeving over dit onderwerp?
Ja.
Klopt het dat de Israëlische Knesset een wet heeft aangenomen die de doodstraf (door ophanging) als standaardstraf invoert voor niet-Israëliërs die door militaire rechtbanken zijn veroordeeld voor dodelijke aanslagen? Hoe beoordeelt u het feit dat deze wet in de praktijk vooral of uitsluitend van toepassing lijkt te zijn op Palestijnen, en niet op Israëlische daders van vergelijkbare feiten?
Graag verwijst het kabinet u naar de recent verstuurde Kamerbrief over dit onderwerp.2
Deelt u de zorgen van internationale organisaties en de Europese Unie dat deze wet in strijd is met internationale mensenrechtennormen en het non-discriminatiebeginsel? Op welke wijze voldoet de wet daar volgens het kabinet niet aan?
Zie antwoord vraag 2.
Hoe beoordeelt u het ontbreken van mogelijkheden tot beroep of gratie in deze wet, zoals gemeld in de berichtgeving?
Dit is strijdig met internationaal recht. Het Internationaal Verdrag inzake burgerrechten en politieke rechten waarbij zowel Nederland als Israël partij zijn, schrijft voor dat eenieder die ter dood veroordeeld is het recht heeft om gratie of verzachting van het vonnis te vragen. Ten aanzien van het recht om beroep in te kunnen stellen, heeft het VN-Mensenrechtencomité verduidelijkt dat dit onderdeel uitmaakt van het recht op een eerlijk proces. Een schending van het recht om beroep in te kunnen stellen tegen een veroordelend vonnis waarbij de doodstraf is opgelegd, moet er volgens het VN-Mensenrechtencomité toe leiden dat de opgelegde doodstraf wordt beschouwd als willekeurig en daarmee als een schending van het recht op leven.3
Bent u bereid deze zorgen bilateraal en in EU-verband over te brengen aan de Israëlische autoriteiten? Welke verdere stappen overweegt u verder te nemen?
Zie het antwoord op vraag 2. Nu de wet is aangenomen roept Nederland Israël op de wet niet te implementeren en zal Nederland actief handelen langs de lijnen van het (Europese) afschaffingsbeleid. Conform het afschaffingsbeleid zet het kabinet zich in tot het instellen van een moratorium als een eerste stap naar afschaffing.
Welke gevolgen verwacht u dat deze wet zal hebben voor de rechtsstaat, de spanningen in de regio en de veiligheidssituatie op de Westelijke Jordaanoever? Welke rol kan Nederland hierin spelen?
Het wetsvoorstel past binnen de bredere zorgen die het kabinet heeft over de rechtstatelijke ontwikkelingen in Israël. Hierover blijft het kabinet met de Israëlische regering in gesprek.
De exacte gevolgen zijn momenteel niet te voorspellen en zal afhangen van de wijze waarop er daadwerkelijk invulling aan de wet zal worden gegeven. Bovendien ligt er ook een zaak voor bij het Israëlisch hooggerechtshof over de wet. Israël kende altijd al de doodstraf, echter dit is een heel grote stap in de verkeerde richting. Begrijpelijkerwijs leidt tot grote bezorgdheid onder Palestijnen en tot verdere ongelijkheid tussen Israëliërs en Palestijnen. Zie verder het antwoord op vragen 2, 5 en 11.
Bent u bekend met het artikel van Cvandaag over de zorgen van een priester uit het christelijke dorp Taybeh over aanhoudende aanvallen door Israëlische kolonisten?2
Ja.
Kunt u bevestigen dat in het overwegend christelijke dorp Taybeh sprake is van herhaalde aanvallen op bewoners, landbouwgrond en religieuze locaties door kolonisten en dat dit niet is opgehouden sinds de laatste keer dat de ChristenUnie hier aandacht bij het kabinet voor vroeg? Welke stappen heeft de Minister genomen sinds de eerder gestelde en beantwoorde Kamervragen?3 Wat de respons van de Israëlische autoriteiten?
Het kolonistengeweld op de Westelijke Jordaanoever is het afgelopen jaar toegenomen. Ook het dorp Taybeh is sinds de eerder gestelde Kamervragen opnieuw doelwit geweest van aanvallen. Het kabinet veroordeelt kolonistengeweld, waaronder geweld tegen christelijke gemeenschappen. Het kabinet brengt deze boodschap consequent over en benadrukt daarbij dat Israël als bezettende macht verantwoordelijk is voor de bescherming van de bevolking en voor het vervolgen van plegers van dit geweld. Zoals bekend zet Nederland zich in EU-verband in voor sancties voor sancties tegen gewelddadige kolonisten. De Israëlische autoriteiten hebben aan gegeven steviger te willen gaan optreden tegen gewelddadige kolonisten. Het kabinet moet echter constateren dat dit vooralsnog bij woorden is gebleven. Zie ook het antwoord op vraag 9.
Kunt u aangeven in hoeverre de Israëlische autoriteiten optreden tegen daders van kolonistengeweld en in hoeverre sprake is van straffeloosheid? En heeft het ministerie een beeld in hoeveel dorpen/gebieden dit inmiddels speelt? Hoeveel kolonisten die opgepakt zijn, zijn in de afgelopen 2 jaar uiteindelijk veroordeeld?
In het advies van 19 juli 2024 over het optreden van Israël in de bezette Palestijnse Gebieden, oordeelt het Internationaal Gerechtshof dat Israël systematisch faalt om aanvallen van kolonisten op de lichamelijke integriteit en/of het leven van Palestijnen te voorkomen of te bestraffen. Het Hof oordeelt tevens dat Israël zelf buitensporig geweld gebruikt. Volgens het Hof is dit in strijd met Israëls verplichtingen om het recht op leven van Palestijnen onder het humanitair oorlogsrecht en de mensenrechten te eerbiedigen.
In gevallen waar Israëlische autoriteiten wel optreden tegen het geweld, leidt dit vrijwel nooit tot een aanklacht, en daarmee een veroordeling. Uit cijfers van de Israëlische ngo Yesh Din blijkt dat in de periode van 2005–2025 3% van de onderzoeken naar kolonistengeweld tot een veroordeling leidde. Sinds 7 oktober 2023 is het aantal veroordelingen voor kolonistengeweld volgens diezelfde cijfers 0; wel heeft een aantal kolonisten tijdelijk in administratieve detentie gezeten. Het uitblijven van effectieve handhaving werkt straffeloosheid in de hand en draagt bij aan verdere escalatie. Het kabinet blijft dit benadrukken richting de Israëlische regering.
Zowel het Internationaal Strafhof als diverse onderzoeksmechanismen ingesteld door de VN(-Mensrechtenraad) doen reeds onderzoek naar de situatie. Nederland deed de afgelopen jaren een extra vrijwillige bijdrage van in totaal EUR 6 mln. aan het Internationaal Strafhof voor de versterking van de algehele onderzoekscapaciteit van het Hof. Het kantoor van de VN Hoge Commissaris voor de Mensenrechten in de Palestijnse Gebieden speelt een belangrijke rol waar het onderzoek naar mensenrechtenschendingen betreft.
Bent u bereid zich in EU-verband in te zetten voor concrete maatregelen om Palestijnse (en in ook in het bijzonder christelijke) gemeenschappen zoals Taybeh beter te beschermen tegen geweld door kolonisten?
Nederland veroordeelt kolonistengeweld en geweld tegen Palestijnse burgers. In EU-verband blijft Nederland voortrekker voor sancties voor sancties tegen gewelddadige kolonisten.
Welke stappen onderneemt Nederland momenteel om de veiligheid, rechtsbescherming en leefbaarheid van gemeenschappen op de Westelijke Jordaanoever te ondersteunen?
Het is van belang vanuit verschillende invalshoeken hier een bijdrage aan te leveren. Ten eerste door het beëindigen van de onrechtmatige Israëlische bezetting van de Westelijke Jordaanoever. Nederland schaart zich achter de oproep om de onrechtmatige bezetting zo spoedig mogelijk te beëindigen, met inachtneming van Israëls legitieme veiligheidsbelangen. Het kabinet benadrukt dat Israël als bezettende macht verantwoordelijk is voor bescherming van de lokale bevolking en voor het vervolgen van daders van misdrijven. In EU-verband blijft Nederland voortrekker voor sancties voor sancties tegen gewelddadige kolonisten en hun organisaties. Daarnaast werkt het kabinet aan nationale maatregelen om producten uit de onrechtmatige nederzettingen te weren van de Nederlandse markt.
Nederland zet zich ook actief in via steun aan de Palestijnse Autoriteit en via verschillende ontwikkelingssamenwerkingsprojecten, met name op het gebied van water, rechtstaat en private sector ontwikkeling, die bijdragen aan de rechtsbescherming en leefbaarheid in de Westelijke Jordaanoever. Lokaal onderhoudt de Nederlandse vertegenwoordiging in de Palestijnse Gebieden ook contact met Palestijnse gemeenschappen. Nederland draagt bij aan projecten die het tegengaan van straffeloosheid promoten en projecten die Palestijnen, die bedreigd worden door kolonisten, steunen, onder door middel van juridische hulp en weerbaarheidstrainingen.
Klopt het dat sinds de beantwoording van eerdere Kamervragen4 de situatie rond de Tent of Nations (d.d. 14 april 2025) is verergerd? Zo ja, op welke wijze?
Ja. De nabijgelegen buitenpost is verder uitgebreid in de richting van het land van Tent of Nations. Daarnaast is er een toename van intimidaties en incursies door kolonisten.
Klopt het dat er inmiddels wegen en andere infrastructuur zijn aangelegd op het terrein van Tent of Nations? Klopt het dat deze infrastructuur door de rechter als illegaal is bestempeld en verwijderd moet worden? Waarom wordt er niet gehandhaafd en waar ligt dat aan?
Ja. De Israëlische bezetting van de Palestijnse Gebieden, de nederzettingen aldaar en de daarmee gepaarde infrastructuur zijn onrechtmatig – dus ook de door kolonisten aangelegde infrastructuur nabij en op het land van Tent of Nations. Daar komt bovenop dat ook de Israëlische rechter meermaals heeft geoordeeld dat de aangelegde infrastructuur op het land van Tent of Nations illegaal is en moet worden verwijderd. De Israëlische autoriteiten hebben tot op heden geen actie ondernomen naar aanleiding van deze uitspraken, hetgeen het kabinet afkeurt. Het kabinet kan niet speculeren over waarom deze rechterlijke uitspraken niet nageleefd worden.
Klopt het dat zolang de uitspraak van de rechter niet wordt nageleefd en de infrastructuur wordt verwijderd, de bewegingsvrijheid van de eigenaren van de Tent of Nations de facto wordt beperkt door deze «facts on the ground»?
Ja.
Klopt het dat er wooncontainers direct naast het land van de familie Nassar zijn geplaatst? Zo ja, is het rechtmatig dat deze daar staan? Zo nee, wat is uw inzet richting de Israëlische autoriteiten om te zorgen dat deze worden verwijderd?
Zie het antwoord op vragen 11, 12 en 13. Er wordt nog altijd gewacht op een (datum voor) uitspraak in de landregistratiezaak van Tent of Nations. Nederland blijft de zaak van Tent of Nations met regelmaat onder de aandacht brengen van de Israëlische autoriteiten, en wijst hen daarbij op hun verantwoordelijkheid om de familie Nassar, hun land en hun gasten te beschermen. Dit gebeurt op politiek en ambtelijk niveau, zowel vanuit Den Haag als via de ambassade in Tel Aviv en vertegenwoordiging in Ramallah.
Hoe staat het met de lopende rechtszaak tussen de Israëlische regering en de eigenaren van de Tent of Nations? Is er zicht op een datum voor uitspraak? Kunt u hier de Israëlische autoriteiten op aanspreken dat er sprake lijkt te zijn van onnodige vertraging met «facts on the ground» tot gevolg? Welke andere stappen kan het kabinet zetten?
Zie antwoord vraag 15.
Het bericht ‘700 euro voor een half uur werk: malafide elektriciens via Google lichten klanten op in Rijssen’ |
|
Pieter Grinwis (CU) |
|
Herbert , David van Weel (VVD) |
|
|
|
|
Slaan bij u niet de stoppen door bij het lezen van het bericht «700 euro voor een half uur werk: malafide elektriciens via Google lichten klanten op in Rijssen»?1 Hoe luidt uw reactie op dit bericht?
Het bericht is zorgelijk. Het beschreven geval, waarbij een consument 700 euro betaalt voor een half uur werk, het probleem onopgelost blijft en contact achteraf onmogelijk blijkt, illustreert een problematiek die al jaren speelt en die ik en mijn ambtsgenoot de Minister van Justitie en Veiligheid serieus nemen. Mensen die in een spoedsituatie snel een vakman nodig hebben zijn kwetsbaar voor dit soort praktijken.
De problematiek van malafide spoeddiensten die via internet consumenten oplichten is helaas niet nieuw. Zij deed zich eerder ook voor bij slotenmakers en loodgieters, en heeft inmiddels tot concrete handhaving geleid, waarop ik in de beantwoording van de volgende vragen nader inga. Het bericht en de toename in meldingen bij zowel ACM als de politie laten zien dat vergelijkbare praktijken zich ook bij elektriciens voordoen. De Autoriteit Consument en Markt (ACM) en de politie zijn op de hoogte van deze bredere problematiek en hebben hier actief stappen in gezet.
Kunt u meer delen over de aard en schaal van de schokkende problematiek van dergelijke malafide bedrijven, nadat eerder ook malafide slotenmakers in het nieuws kwamen en daar Kamervragen over werden gesteld?2 Indien er geen cijfers beschikbaar zijn, bent u dan bereid om de aard en schaal van deze problematiek beter in kaart te brengen?
Uit eerder onderzoek van de ACM is gebleken dat het gaat om georganiseerde netwerken van personen en bedrijven die stelselmatig van naam, website en telefoonnummer wisselen en professionele verhullingstechnieken toepassen.3 Dezelfde netwerken zijn actief in meerdere branches: naast slotenmakers ook bij loodgieters, elektriciens, rioolontstoppers, dakdekkers, schoorsteenvegers, ongediertebestrijders en pechhulp voor gemotoriseerd verkeer.
In 2025 heeft de ACM ruim duizend meldingen ontvangen die te relateren zijn aan deze problematiek bij «spoeddiensten», een toename van ruim 50% ten opzichte van 2024. De politie ziet ook een toename in het aantal meldingen: in de eerste negen maanden van 2025 lag het gemiddelde op 87 meldingen per maand, in het laatste kwartaal van 2025 op 150 meldingen per maand. In de eerste drie maanden van 2026 lag het gemiddelde op 141 meldingen per maand, waarbij het werkelijke aantal naar verwachting hoger ligt vanwege een na-ijleffect in de registratie van de meldingen.
Het is niet zeker of de problemen daadwerkelijk vaker voorkomen (dit lijkt wel aannemelijk) of dat mensen deze problemen enkel vaker melden bij de ACM en politie. Media-aandacht leidt er vaak toe dat het aantal meldingen toeneemt, omdat terecht wordt opgeroepen om problemen te melden bij betrokken instanties.
Welke (juridische) stappen kunnen gedupeerden zetten nadat ze slachtoffer zijn geworden van malafide vakmensen als malafide elektriciens, loodgieters en slotenmakers? Kunnen gedupeerden volgens u voldoende worden geholpen door bijvoorbeeld politie en banken? Zo nee, wat bent u van plan om te doen om het perspectief voor deze groep te verbeteren?
Gedupeerden die slachtoffer zijn geworden van malafide aanbieders van spoeddiensten kunnen een aantal stappen ondernemen. Ten eerste kunnen zij aangifte doen bij de politie van, afhankelijk van het specifieke geval, bijvoorbeeld oplichting (artikel 326 WvSr), valsheid in geschrifte (artikel 225 WvSr) of vernieling (artikel 350 WvSr). Daarnaast kunnen zij melding doen bij de Fraudehelpdesk, de Autoriteit Consument en Markt (ACM). Ook kunnen zij contact opnemen met de bank om te laten onderzoeken of een eventuele betaling nog gestorneerd kan worden.
Tot slot kunnen gedupeerden een zaak starten, bijvoorbeeld via het Juridisch Loket of hun rechtsbijstandsverzekering. De gedupeerde stelt de malafide vakmensen dan officieel in gebreke waarna er in sommige gevallen via een geschillencommissie, beslaglegging of door tussenkomst van een rechter schade verhaald kan worden.
Op dit moment lopen er op deze problematiek een aantal strafrechtelijke onderzoeken. Zo is in 2023 een landelijke bende van criminele elektriciens aangehouden. De politie heeft het aangifteproces aangepast zodat gedupeerden sneller en eenvoudiger aangifte kunnen doen. In algemene zin geldt dat de capaciteit van politie schaars is en er, onder gezag van het Openbaar Ministerie, altijd keuzes gemaakt zullen worden over de inzet ervan.
Heeft de politie volgens u voldoende grip op de opsporing en het aanpakken van deze malafide elektriciens? Kan er bijvoorbeeld voldoende opvolging worden gegeven aan aangiftes die worden gedaan? Zo nee, wat zou volgens de politie helpen?
Zie antwoord vraag 3.
Is er voldoende capaciteit bij de Autoriteit Consument & Markt (ACM) om dergelijke malafide praktijken aan te pakken? Zo nee, wat is nodig om deze capaciteit beter op orde te krijgen? Op welke manier zou de handhaving door de ACM volgens u kunnen worden verbeterd?
De aanpak van malafide spoeddiensten ligt bij meerdere instanties, waaronder de ACM, de politie en de FIOD. De ACM kan handhaven als sprake is van een collectieve inbreuk in het consumentenrecht, zoals misleiding of agressieve handelspraktijken. In de praktijk blijkt echter dat malafide spoeddiensten vaak opereren als criminele netwerken die zich schuldig maken aan strafrechtelijk handelen zoals oplichting, btw-fraude en witwassen. In dat geval zijn politie en FIOD de aangewezen instanties. Tussen de handhavingsinstanties wordt intensief samengewerkt en worden signalen uitgewisseld.
Een specifieke uitdaging bij de handhaving door de ACM is dat overtreders zich vaak niet goed identificeren, zich verhullen achter lege of opgeheven rechtspersonen of buitenlandse entiteiten en geen vaste vestigingsplaats hebben. Dergelijke omstandigheden hinderen het reguliere handhavingsinstrumentarium van de ACM en verhogen de onderzoeks- en handhavingskosten aanzienlijk met een onzeker resultaat.
Naast handhaving zet de ACM in op voorlichting om consumenten weerbaarder te maken. Consumenten worden geadviseerd niet direct op de bovenste link in zoekresultaten te klikken, omdat dit vaak een advertentie betreft, en vooraf duidelijke afspraken te maken over prijs en werkzaamheden. Meer tips zijn te vinden op ACM ConsuWijzer.4
Klopt het dat advertenties van loodgieters en slotenmakers inmiddels worden geweerd van Google? Geldt dit ook voor andere zoekmachines? In hoeverre is hierdoor de problematiek van malafide loodgieters en slotenmakers afgenomen?
Na overleg met de ACM heeft Google in 2021 toegezegd dat onbetrouwbare slotenmakers niet langer gebruik kunnen maken van Google Advertenties.5 Begin 2024 heeft Google daarnaast besloten geen advertenties van loodgieters meer te tonen.6
Of en in hoeverre de problematiek hierdoor is afgenomen valt moeilijk te beoordelen. Acties van Google hebben een hinderend effect op advertenties van malafide partijen, die na de acties zichtbaar afnemen. Tegelijkertijd vinden malafide partijen ook andere wegen om consumenten te benaderen. Bovendien leiden naast advertenties ook reguliere zoekresultaten naar websites van malafide bedrijven, waardoor het probleem hiermee niet volledig wordt opgelost. Een algeheel advertentieverbod voor alle spoeddiensten is niet proportioneel, omdat ook betrouwbare partijen adverteren en zij niet de dupe mogen worden van de aanpak.
Voor zover mij bekend zijn er door de ACM geen afspraken met andere zoekmachines gemaakt.
Zijn u of de ACM bereid om grote zoekmachines te vragen om voortaan snel advertenties te weren als er signalen komen over oplichting door malafide vakmensen, zoals in dit geval elektriciens? Zo nee, waarom deze weerstand?
Grote zoekmachines zoals Google hebben onder de Digitaledienstenverordening (DSA) verplichtingen die bijdragen aan de aanpak van dit soort misleidende praktijken. Ten eerste kwalificeert de zoekmachineadvertentiedienst van Google als hostingdienst onder de DSA. Dit betekent dat Google, zodra zij signalen ontvangt over illegale inhoud via advertenties, die meldingen tijdig en zorgvuldig moet behandelen en de betreffende advertenties moet verwijderen. Op grond van de DSA kan echter geen algemene verplichting worden opgelegd om alle informatie vooraf actief te monitoren.
Ten tweede zijn online platformen op grond van artikel 26 van de DSA verplicht transparantie te bieden over reclames. Voor elke advertentie moet duidelijk zijn dat het om reclame gaat, wie de adverteerder is, wie ervoor betaalt en waarom de advertentie wordt getoond. Dit vergroot de mogelijkheid om malafide adverteerders te identificeren en aan te pakken. Daarnaast moeten platformen maatregelen nemen om de identiteit van adverteerders te kennen en te verifiëren.
De ACM is niet de bevoegde toezichthouder op zeer grote online zoekmachines zoals Google onder de DSA. Omdat Google zijn Europese hoofdkantoor in Ierland heeft, is de Ierse toezichthouder primair bevoegd. Daarnaast heeft de Europese Commissie een rol bij de handhaving jegens zeer grote online platforms en zoekmachines. De ACM kan wel signalen doorgeven aan deze toezichthouders. Daarnaast voert de ACM in de praktijk gesprekken met platforms en zoekmachines, waaronder Google, en brengt zij dit soort kwesties daarin onder de aandacht.
Studentenhuisvesting |
|
Hanneke Steen (CDA) |
|
Boekholt-O’Sullivan |
|
|
|
|
Heeft u kennisgenomen van het artikel «Waarom bouwen we voor studenten alleen nog maar studio’s, terwijl we dat eigenlijk niet willen?»?1
Ja.
Herkent u het beeld dat de bouw van studentenhuisvesting in toenemende mate bestaat uit zelfstandige studio’s, terwijl de vraag van studenten juist vaak uitgaat naar onzelfstandige woonruimten met gedeelde voorzieningen?
De afgelopen jaren is inderdaad veel studentenhuisvesting gerealiseerd in de vorm van zelfstandige studio’s. Het kabinet vindt het belangrijk dat er naast zelfstandige studio’s ook onzelfstandige woonruimte wordt gebouwd. In het coalitieakkoord is opgenomen dat er gestreefd wordt naar meer gedeelde woonvormen voor jongeren en studenten. Dit zal worden bevorderd met objectsubsidies. Hierdoor wordt het aanbod vergroot en ontstaat er meer keuzevrijheid.
Tegelijkertijd is de vraag van studenten uiteenlopend. Verschillende factoren spelen hier een rol. Uit de Landelijke Monitor Studentenhuisvesting (LMS) van 2025 blijkt dat woonlasten het belangrijkste criterium zijn bij de vraag naar welke type woonruimte de voorkeur uitgaat. Als wordt gekeken naar alle studenten in het hoger onderwijs met een verhuiswens, dan blijkt dat bijna 30% een voorkeur heeft voor onzelfstandige woonruimte, terwijl meer dan 60% van hen op die manier woont. Bij jonge studenten die nog thuis wonen en een verhuiswens hebben, heeft zo’n 50% een voorkeur voor onzelfstandige woonruimte met gedeelde voorzieningen. Hun voorkeur wordt voor een groot deel bepaald door de hoogte van de woonlasten en in mindere mate door het type woonruimte. Wanneer de rol van woonlasten in de voorkeur wordt verminderd of weggenomen, dan lijkt bijna 70% van jonge studenten die nog thuis wonen en een verhuiswens hebben, een voorkeur te hebben voor een kamer met gedeelde voorzieningen.
Kunt u inzicht geven in de verhouding tussen het aantal gerealiseerde zelfstandige studentenwoningen (studio’s) en onzelfstandige studentenkamers in de afgelopen vijf jaar?
In de LMS wordt het aantal gerealiseerde studentenwoningen bijgehouden. Zo werden in 2024 ruim 5.000 studentenwoningen opgeleverd. Driekwart hiervan betrof zelfstandige wooneenheden, een kwart onzelfstandige eenheden.
Kunt u aangeven naar welke verhouding tussen zelfstandige studio’s en onzelfstandige studentenkamers u streeft, mede in het licht van de woonwensen van studenten en de maatschappelijke effecten van verschillende woonvormen?
Samen met de andere ondertekenaars van het Landelijk Actieplan Studentenhuisvesting (LAS) streef ik naar 60.000 extra studentenwoningen in 2030. Daarbij is benadrukt dat het belangrijk is dat er naast zelfstandige eenheden ook onzelfstandige eenheden worden gerealiseerd. Er is daarbij geen afspraak gemaakt over de verhouding. Zoals ik in het antwoord op vraag 1 al aangaf, is in het coalitieakkoord opgenomen dat er objectsubsidies komen om gedeelde woonvormen voor jongeren en studenten te stimuleren.
Kunt u aangeven hoeveel onzelfstandige studentenkamers in de afgelopen vijf jaar aan de markt zijn onttrokken en hoeveel onzelfstandige kamers zijn omgezet naar zelfstandige studio’s of andere woonvormen?
Uit de LMS is niet te halen hoeveel onzelfstandige studentenkamers in de afgelopen vijf jaar aan de markt zijn onttrokken en hoeveel onzelfstandige kamers zijn omgezet naar zelfstandige studio’s of andere woonvormen. Wel is in 2025 in het verlengde van de LMS het effect van uitponding op de studentenhuisvesting onderzocht. Hieruit blijkt dat de verkoop van studentenwoningen op de particuliere markt in 2024 voor een afname van het aanbod aan studentenhuisvesting gezorgd van naar schatting circa 9.000 wooneenheden.2
Wat zijn volgens u de belangrijkste oorzaken dat ontwikkelaars en investeerders vaker kiezen voor de bouw van studio’s in plaats van onzelfstandige studentenhuisvesting?
Ontwikkelaars en investeerders geven aan dat de business case voor studio’s rendabeler is dan die van onzelfstandige studentenhuisvesting. Voorheen was dit zo omdat op basis van het puntenstelsel voor onzelfstandige eenheden structureel een lagere huurprijs gevraagd kon worden voor een studentenkamer dan voor een studio van eenzelfde kwaliteit. Sinds de invoering van de Wet betaalbare huur is dit verschil voor het grootste deel verdwenen en kan in sommige gevallen zelfs meer gevraagd worden voor een kamer dan voor een studio van vergelijkbare kwaliteit. Wel is het vaak zo dat een bewoner van een studio beschikt over eigen voorzieningen (keuken, badkamer) en meestal over meer (privé) woonruimte. Doordat er huurtoeslag voor zelfstandige woonruimte mogelijk is, wordt het verschil in netto huur die de huurder betaalt tussen een kamer of een studio, in de praktijk bovendien klein. Verhuurders geven daarmee aan vaker voor studio’s te kiezen, omdat de verhouding netto huur versus woonkwaliteit voor de huurder gunstiger is. Daarnaast zijn studio’s volgens ontwikkelaars en investeerders beter voor een alternatieve doelgroep aan te wenden dan onzelfstandige eenheden.
Welke financiële en fiscale prikkels dragen bij aan een scheve verhouding tussen het aantal gerealiseerde studio’s en onzelfstandige studentenkamers?
Zie antwoord vraag 6.
In hoeverre spelen gemeentelijke regels rond verkamering, splitsing en grondbeleid een rol bij deze ontwikkeling?
De gemeentelijke regels rond verkamering en splitsing hebben vooral betrekking op de bestaande woningvoorraad. De bestaande voorraad is in de regel bouwkundig geschikter voor kamersgewijze verhuur dan voor studio’s. In beide gevallen zal in diverse gemeenten een vergunning moeten worden aangevraagd. Voor de zomer werk ik uit hoe en onder welke voorwaarden er vergunningsvrij gesplitst kan worden, ook voor verkamering/woningdelen verken ik dit. Ontwikkelaars en investeerders zullen, afgezien van grote transformatieprojecten, vaker nieuwe projecten realiseren via nieuwbouw. Het gemeentelijke grondbeleid kan invloed hebben op de nieuwbouw als er specifieke regels worden opgenomen die de nieuwbouw van onzelfstandige woonruimte bemoeilijkt of onmogelijk maakt, zoals bijvoorbeeld de minimum woonoppervlakte per woning.
Deelt u de opvatting dat «op kamers gaan» bijdraagt aan gemeenschapsvorming en het tegengaan van eenzaamheid en mentale problematiek onder studenten?
Wonen in een studentenkamer met een gemeenschappelijke ruimte vergroot de kans op sociale interactie en verkleint daarmee de kans op eenzaamheid en mentale problematiek. Daarom zet ik mij samen met de ondertekenaars van het LAS in op de realisatie van meer studentenkamers en komt het kabinet met objectsubsidies om gedeelde woonvormen voor jongeren en studenten te stimuleren.
Op welke wijze wordt in het huidige beleid rekening gehouden met maatschappelijke baten, zoals het verminderen van eenzaamheid en mentale problemen bij studenten/jongeren bij de afweging tussen verschillende typen studentenhuisvesting?
Zoals bij het antwoord op vraag 9 is aangegeven, zetten de ondertekenaars van het LAS zich in op een groter percentage onzelfstandige woonruimte voor studenten. Uiteindelijk is het aan gemeenten en huisvesters om de afweging te maken welk type studentenhuisvesting wordt gebouwd.
Kunt u aangeven hoeveel vierkante meter woonruimte gemiddeld nodig is voor een zelfstandige studio ten opzichte van een onzelfstandige studentenkamer met gedeelde voorzieningen?
De minimale woonruimte bij nieuwbouw wordt bepaald door het Besluit bouwwerken leefomgeving (Bbl) en gemeentelijke regelgeving. In het Bbl staat dat gebruiksoppervlakte voor een zelfstandige woning (woonfunctie) minimaal 18 m2 moet zijn, voor studentenwoningen is dit 15 m2. Voor een onzelfstandige woonruimte (een kamer in een woning) moet de minimale gebruiksoppervlakte 5 m2 zijn, bij een breedte van 1,8 meter. Doordat gemeenten ook in het kader van woon- en leefklimaat in hun omgevingsplan eisen kunnen stellen, kunnen de minimumeisen per gemeente verschillen.
Welke stappen en met welk tijdpad bent u van plan te zetten om te komen tot een ondersteuningsprogramma studentenhuisvesting gericht op gemeenten buiten de G4, conform de aangenomen motie?2
De motie verzoekt het kabinet een ondersteuningsprogramma studentenhuisvesting in te richten, gericht op gemeenten buiten de G4, met als doel de bouw van onzelfstandige woonruimte voor studenten te versnellen en dit te verankeren in de actualisering van het Landelijk Actieplan Studentenhuisvesting. Ik ga de komende maanden het Landelijk Actieplan Studentenhuisvesting actualiseren, samen met de partners in het Landelijk Platform Studentenhuisvesting. Het ondersteuningsprogramma is daar onderdeel van.
Op welke wijze wordt binnen dit programma specifiek ingezet op het stimuleren van de bouw van onzelfstandige studentenhuisvesting?
Zie antwoord vraag 12.
Hoe gaat u uitvoering geven aan de aangenomen motie die oproept tot het ontwikkelen van een methodiek en instrumentarium om maatschappelijke baten, zoals sociale cohesie en ontmoeting, structureel mee te nemen in woningbouwprojecten.3
Dit zal ik doen door met de aanpak Samen Slim op veertien locaties nieuwe methodieken en instrumentarium te ontwikkelen, en waar nodig voorstellen te doen aan de Taskforce Versnelling Woningbouw om belemmerende wetgeving aan te passen, bestaande mogelijkheden te verkennen en dit bij concrete projecten toe te passen. Vervolgens zullen tijdens de ontwikkeling hiervan de geleerde punten worden geïmplementeerd in andere grootschalige woningbouwprojecten. Verder heeft het ontwikkelen van sterke gemeenschappen mijn aandacht als onderdeel van de uitwerking van de totaalaanpak. Conform het coalitieakkoord werk ik momenteel aan de uitwerking hiervan waardoor meer geborgd wordt dat door middel van koppelkansen functies als wonen, werken, bereikbaarheid, groen en maatschappelijke voorzieningen samen worden ontwikkeld.
Hoe wordt in deze methodiek concreet geborgd dat investeringen in gemeenschappelijke ruimten zoals gedeelde woonkamers, studieruimten en groenvoorzieningen worden meegewogen in de businesscases van de bouw van studentenhuisvesting?
Als deze ruimtes leiden tot de beoogde extra maatschappelijke impact is het zaak daarvoor ook de bekostiging te organiseren, ook langjarig, en ook in de begeleiding. Dat zal bij de in het antwoord op vraag 14 aangegeven aanpak worden meegenomen.
Zou u inzicht willen geven in wat er nodig is om op een vergelijkbare manier de maatschappelijke baten van onzelfstandige woonruimten ten opzichte van studio’s mee te rekenen in businesscases?
Zonder hierin volledig te zijn, gaat het op het eerste gezicht over (vermeden) zorg- en opvangkosten, bouwkosten, rendement op de verhuur, ruimtegebruik, huurtoeslag en woningbouwsubsidies. Dat zal bij de in het antwoord op vraag 14 aangegeven aanpak worden meegenomen.
Zou u in kaart willen brengen welke maatregelen er mogelijk zijn om gemeenten en projectontwikkelaars te stimuleren om vaker te kiezen voor onzelfstandige studentenhuisvesting en te investeren in gemeenschappelijke ruimten, mede met het oog op de maatschappelijke voordelen voor studenten en wijken?
Om gemeenten en projectontwikkelaars te stimuleren om vaker te kiezen voor onzelfstandige studentenhuisvesting (kamers met gedeelde voorzieningen) kan enerzijds voor maatregelen worden gekozen die de business case voor projectontwikkelaars aantrekkelijker maakt. Anderzijds kunnen gemeenten worden gestimuleerd meer te sturen op de bouw van onzelfstandige studentenhuisvesting. In het coalitieakkoord wordt hier vorm aan gegeven door de instelling van een objectsubsidie voor gedeelde woonvormen voor jongeren en studenten. Daarnaast wil het kabinet woningdelen en het verhuren van een woning in (studenten)kamers makkelijker maken, waarbij gemeenten allen bij zwaarwegende redenen verkamering mogen beperken.
Het bericht 'Meer meldingen van geweld uit naam van familie-eer, vaak Syriërs' |
|
Etkin Armut (CDA), Jeltje Straatman (CDA) |
|
Bart van den Brink (CDA), David van Weel (VVD) |
|
|
|
|
Bent u bekend met het bericht «Meer meldingen van geweld uit naam van familie-eer, vaak Syriërs»?1
Hoe duidt u de stijging van het aantal meldingen van eergerelateerd geweld, van 673 gevallen in 2024 naar 757 in 2025?
In hoeverre is volgens u sprake van een daadwerkelijke toename van eergerelateerd geweld, los van een toename aan meldingen?
Klopt het dat in een aanzienlijk deel van de gemelde zaken personen met een Syrische achtergrond betrokken zijn, zoals gemeld in het artikel? Zo ja, hoe duidt u die cijfers?
Klopt het dat een deel van deze zaken voorkomt bij personen die nog maar relatief kort in Nederland verblijven? Zo ja, wat betekent dit volgens u voor het asiel- en integratieproces?
Wordt in de asielopvang en bij gemeenten actief gesignaleerd op risico’s of verdenkingen van eergerelateerd geweld? Zo ja, welke instrumenten en protocollen worden hiervoor gebruikt en hoe wordt expertise gedeeld met politie, Veilig Thuis en andere betrokken instanties?
Hoe is de samenwerking georganiseerd tussen politie, Veilig Thuis, gemeenten, de Immigratie- en Naturalisatiedienst (IND) en andere betrokken organisaties wanneer signalen van eergerelateerd geweld ontstaan binnen migrantengemeenschappen of in de asielopvang?
Welke maatregelen worden genomen om potentiële slachtoffers van eergerelateerd geweld, waaronder vrouwen, minderjarigen en LHBTI-personen, tijdig te beschermen?
Deelt u de opvatting dat eergerelateerd geweld een ernstige aantasting vormt van de Nederlandse rechtsorde en fundamentele vrijheden?
Welke gevolgen kan betrokkenheid bij eergerelateerd geweld hebben voor het verkrijgen of behouden van een verblijfsvergunning, ook wat betreft verblijfsvergunningen voor onbepaalde tijd?
In hoeverre kan een verdenking, vervolging of veroordeling voor eergerelateerd geweld aanleiding zijn om een verblijfsvergunning te weigeren of in te trekken?
Hoe vaak is in de afgelopen vijf jaar een verblijfsvergunning geweigerd of ingetrokken vanwege betrokkenheid bij geweld binnen de familie- of eersfeer?
Acht u het huidige instrumentarium binnen het vreemdelingenrecht voldoende om op te treden tegen personen die zich schuldig maken aan eergerelateerd geweld, of ziet u aanleiding om dit aan te scherpen?
De veiligheid van schrijvers en boekhandels |
|
Mohammed Mohandis (PvdA) |
|
Letschert , Judith Tielen (VVD) |
|
|
|
|
Deelt u de mening dat het Thorbecke-adagium ten aanzien van cultuur niet alleen moet betekenen «dat de regering geen oordeel, noch enig gezag heeft op het gebied der kunst» maar ook een waarborg van de veiligheid van kunstenaars door de regering, omwille van een bloeiend cultureel leven?1
Het Thorbecke-adagium houdt in dat de regering zich niet inhoudelijk uitlaat over artistieke uitingen. Dit is van belang voor de vrijheid van cultuur. Een belangrijke randvoorwaarde voor dit adagium is dat kunstenaars in vrijheid kunnen werken, zonder bedreiging of intimidatie.
Bent u evenals uw ambtsvoorganger «doorlopend in gesprek met de sector over veiligheid» en over externe bedreigingen, met bijvoorbeeld PersVeilig en SchrijversVeilig, maar ook met het Koninklijke Boekverkopersbond?2
Ja. In mijn gesprekken met culturele organisaties sta ik geregeld stil bij veiligheid. Het ministerie heeft contact met partijen als de Groep Algemene Uitgevers, de Koninklijke Boekverkopersbond en de Auteursbond.
SchrijversVeilig heeft als doel om de positie van geïntimideerde en bedreigde auteurs te versterken en is opgezet naar voorbeeld van PersVeilig. Het ministerie steunt SchrijversVeilig sinds mei 2024, samen met de Auteursbond en de Groep Algemene Uitgevers, en zet deze steun voort. PersVeilig vervult haar functie sinds 2019 voor journalisten. In 2025 is de stichting PersVeilig opgericht; zij ontvangt structurele financiering.
Hoe beoordeelt u in dit verband dat één op de zeven schrijvers in Nederland agressie of intimidatie ervaart vanwege zijn werk, met een remmend effect op nieuwe publicaties en boekwinkeliers die al langer subtiele vormen van druk ervaren?3
Zie vraag 1 en 2.
Bent u bereid om gehoor te geven aan de oproep van de auteurs van het artikel om de collectievrijheid van culturele instellingen te verdedigen en in te grijpen wanneer die vrijheid onder druk komt te staan? Zo ja, welke mogelijkheden staan u ter beschikking om deze bereidheid gestalte te geven? Zo nee, waarom niet?
Als Minister sta ik pal voor de vrijheid van makers. Boekhandels zijn van groot belang voor de vrijheid van ideeën en de vrije toegang tot informatie. Hetzelfde geldt voor bibliotheken en andere culturele voorzieningen. Dit komt ook tot uitdrukking in de steun voor onder meer PersVeilig en SchrijversVeilig. Het is onacceptabel dat de vrijheid van cultuur door bedreiging of intimidatie wordt ingeperkt.
Deelt u de mening dat het Thorbecke-adagium verankert dient te worden in onze wetgeving? Zo nee, waarom niet? Zo ja, op welke termijn kan de Kamer dan voorstellen daartoe tegemoet zien?
De Raad voor Cultuur heeft recent een waardevol advies uitgebracht over artistieke vrijheid. Of het Thorbecke-adagium verankerd dient te worden in wetgeving, is een vraag die nadere bestudering verdient. Daarbij speelt de juridische haalbaarheid een rol. Mijn voornemen is de Tweede Kamer in de loop van dit jaar mijn visie hierop te sturen.
Het stopzetten van Q- en C-support |
|
Julian Bushoff (PvdA) |
|
Sophie Hermans (VVD) |
|
|
|
|
Bent u bekend met de zorgen die leven naar aanleiding van de bekendmaking van het vervroegd stopzetten van Q- en C-support per 2027?1
De subsidies aan Q- en C-support zijn altijd tijdelijk geweest. Dit is al langere tijd bekend en de Kamer is hierover in november 2025 geïnformeerd.2 Dat neemt niet weg dat het kabinet natuurlijk bekend is met de zorgen die leven naar aanleiding hiervan. Er is echter – helaas – geen eenvoudige oplossing om deze zorgen weg te nemen. Het kabinet hecht eraan om stil te staan bij het dilemma dat hieraan ten grondslag ligt.
In 2013 is stichting Q-support opgericht om mensen met Q-koorts te ondersteunen en adviseren en om actuele kennis over deze ziekte te delen met zorgverleners en andere professionals. In 2020 is C-support opgericht bij dezelfde organisatie om datzelfde te doen met betrekking tot post-COVID. De reden voor oprichting van Q- en C-support is dat mensen met deze ziekten niet werden herkend en erkend, door onbekendheid met de aandoeningen bij professionals. Er was behoefte aan een ondersteuningspunt voor patiënten, en ook voor professionals. Het uitgangspunt is daarbij altijd geweest dat de ondersteuning van Q- en C-support tijdelijk was, omdat mensen uiteindelijk het beste af zijn in het reguliere veld van zorg en welzijn. Nederland beschikt namelijk over een kwalitatief hoogwaardige gezondheidszorg waarin professionals zich elke dag inzetten om patiënten zo goed mogelijk te helpen. Q- en C-support biedt patiënten tijdelijke ondersteuning buiten het reguliere veld van zorg en ondersteuning, in de wetenschap dat de professionals binnen het veld uiteindelijk het beste in staat zijn om de nodige zorg en ondersteuning te verlenen. Direct vanaf de oprichting was het doel van Q- en C-support dan ook kennisoverdracht naar de reguliere zorg en welzijnsinstanties. Daartoe heeft zij onder meer nascholingen georganiseerd, handreikingen voor professionals opgesteld en dergelijke. Het kabinet heeft grote waardering voor deze inzet, maar moet ook constateren dat Q- en C-support tegen beperkingen aanloopt. Ten eerste omdat het werk van Q- en C-support geen formele status heeft binnen de reguliere zorg. Zo werken artsen op basis van officiële medische richtlijnen vanuit de beroepsgroep en heeft Q- en C-support niet de positie om richtlijnen op te leggen of af te dwingen. Ten tweede omdat, ondanks alle inzet, nog steeds geen effectieve, wetenschappelijk onderbouwde diagnose- en behandelmogelijkheden beschikbaar zijn. Op beide punten heeft Q- en C-support beperkte tot geen invloed. Het is dan ook niet reëel om te verwachten dat met een eventuele verlenging van de subsidie aan Q- en C-support hierin de komende jaren een doorbraak bereikt kan worden. Tegelijkertijd beseft het kabinet dat het voor patiënten moeilijk te verteren is dat de individuele ondersteuning vanuit Q- en C-support gaat stoppen, terwijl zij in de reguliere zorg nog niet kunnen rekenen op een effectieve behandeling. Dat laatste is een verdrietig feit, waar echter eventuele verlenging van de subsidie geen verandering in zal brengen. Tegelijkertijd resteren er nog zeven maanden voor Q- en C-support om de kennis die zij hebben opgedaan over te dragen aan het reguliere veld. Het kabinet rekent erop dat alle betrokken partijen zich hiervoor maximaal inzetten ten behoeve van de patiënt. Hierbij hou ik vinger aan de pols hoe dit verloopt.
De inzet van het kabinet is erop gericht om PAIS3-patiënten zo goed mogelijk te helpen binnen het reguliere veld van zorg en ondersteuning. Zoals eerder toegezegd, zal het kabinet de Kamer voor de zomer informeren over de inzet ten aanzien van het PAIS-beleid.
Wat betekent de stopzetting per 2027 voor de naar schatting 400.000 mensen met post-COVID, waarvan 100.000 ernstig getroffen?
De individuele nazorg die C-support biedt aan patiënten met Q-koorts stopt per 2027. Er blijven, óók na 2026, wel middelen voor een kennis- en informatiecentrum, zodat bijvoorbeeld nascholingen voor huisartsen beschikbaar blijven. Voor individuele zorg aan patiënten zijn de reguliere zorgverleners verantwoordelijk. Het uitgangspunt is ook altijd geweest dat patiënten de zorg waar zij recht op hebben behoren te krijgen in het reguliere zorgveld. De subsidies aan Q- en C-support zijn om die reden altijd tijdelijk geweest, zoals ook aangegeven in het antwoord op vraag 1. Het kabinet begrijpt de zorgen van patiënten die tot nu toe niet goed terecht konden bij reguliere zorgverleners hierover. Daarom is ook aan Q- en C-support gevraagd om maximaal in te zetten op overdracht van kennis aan zorgverleners in de reguliere zorg, zodat patiënten daar beter geholpen worden.
Deelt u de lezing dat nog steeds veel patiënten vastlopen, aangezien ook nu nog maandelijks 150 nieuwe patiënten zich melden naast de ruim 34.000 patiënten die al in beeld zijn bij C-support?
Q- en C-support heeft in de afgelopen jaren een belangrijke rol gespeeld in het bieden van een luisterend oor en advies aan patiënten met Q-koorts en post-COVID. Dat is heel waardevol, maar wat patiënten vooral nodig hebben is passende zorg vanuit bijvoorbeeld de huisarts en ondersteuning vanuit de gemeente. Daarom vraagt het kabinet Q- en C-support nadrukkelijk om maximaal in te zetten op overdracht van kennis aan zorgverleners in de reguliere zorg.
Door betrokken artsen en onderzoekers, bijvoorbeeld vanuit het Post-COVID Netwerk Nederland (PCNN), de post-COVID expertisecentra, de Federatie Medisch Specialisten (FMS) en het Nederlands Huisartsen Genootschap (NHG) wordt hard gewerkt aan de verspreiding van kennis, onder andere via richtlijnen. Dit is een zorgvuldig proces en dat kost tijd. In de tussentijd worden daarom vanuit de verschillende programma’s handreikingen opgesteld en verspreid, die gebruikt kunnen worden door huisartsen en andere zorgverleners. Een voorbeeld daarvan is een handreiking4 voor professionals, ontwikkeld binnen het PCNN, waarin wetenschappelijke kennis en praktijkervaring is gebundeld. Daarin is ook aandacht voor nazorg, zoals de begeleiding bij rouw en zingeving bij patiënten met post-COVID.
Daarnaast is voor 2027 specifiek voor Q-koorts patiënten een bedrag van € 2,5 miljoen opgenomen in de begroting van VWS. Voor deze groep ziet de overheid een bijzondere verantwoordelijkheid, mede naar aanleiding van de drie rapporten over Q-koorts van de Nationale ombudsman. De inzet van deze middelen wordt in samenspraak met de patiëntenvereniging Q-uestion, Q-support en de Q-koorts ambassadeur vastgesteld. Uitgangspunt is dat het bijdraagt aan de kwaliteit van leven van Q-koortspatiënten.
Waar kunnen deze patiënten wat u betreft terecht na het stopzetten van Q- en C-support als de reguliere zorg op dat moment nog niet genoeg kennis en expertise heeft om hen voldoende en passend te ondersteunen?
Zie antwoord vraag 3.
Deelt u de zorg dat het vroegtijdig stopzetten van Q- en C-support kan leiden tot langdurige uitval bij patiënten, hogere WIA-instroom en een hogere zorgconsumptie, en dat het risico hierop kleiner is als de kennis beter is ingebed in de reguliere zorg?
Het kabinet begrijpt de zorgen van patiënten hierover. Het is inderdaad belangrijk dat alle opgedane kennis rondom onder andere Q-koorts en post-COVID goed wordt ingebed in de reguliere zorg. Daarom is Q- en C-support nadrukkelijk gevraagd om maximaal in te zetten op overdracht van kennis aan zorgverleners in de reguliere zorg. Daarnaast wordt momenteel aan een herziening van de richtlijn Langdurige klachten na COVID-19 gewerkt door de FMS en het NHG. De geleerde lessen uit de post-COVID expertisecentra en de verschillende ZonMw onderzoeken worden ook in de herziening meegenomen. Ook stimuleert de Q-koorts ambassadeur dat kennis, bijvoorbeeld best-practices, tussen gemeenten of instanties gedeeld wordt. Het Post-COVID Netwerk Nederland (PCNN), het landelijk samenwerkingsnetwerk dat in 2024 uit het ZonMw programma Post-COVID is voortgekomen, zorgt ook voor kennisdeling over post-COVID. De inzichten die nu worden opgedaan over zorg voor patiënten met post-COVID, kunnen van grote meerwaarde zijn voor patiënten met andere post-acute infectieuze aandoeningen.
Deelt u de opvatting dat Q- en C-support een uniek overzicht van de aard, ernst en impact van postinfectieuze aandoeningen als post-COVID heeft en dat waardevolle kennis mogelijk verloren gaat als de organisaties worden afgebouwd op het moment dat deze kennis op andere plekken nog onvoldoende in huis is?
Q- en C-support heeft in de afgelopen jaren veel betekend in de nazorg voor patiënten met post-COVID en Q-koorts en hebben daarmee inderdaad veel ervaringskennis opgebouwd. De zorgen over het afbouwen van Q- en C-Support zijn daarom begrijpelijk. Zoals reeds toegelicht in de brief aan de Kamer van 28 november 20255 blijven middelen beschikbaar voor een kennis- en informatiecentrum. De focus ligt vanaf 2027 dan ook op het scholen en informeren van zorgprofessionals, gemeenten, bedrijfs- en verzekeringsartsen. Q- en C-support is gevraagd alle kennis die zij in de afgelopen jaren heeft opgedaan, breed toegankelijk te maken en te verspreiden, zodat professionals daar gebruik van kunnen maken. Naast Q- en C-support wordt ook veel kennis opgebouwd binnen bijvoorbeeld het Post-COVID Netwerk Nederland (PCNN), de onderzoeksprogramma’s van ZonMw en de expertisecentra. Het kabinet beseft daarbij dat we er nog niet zijn en dat de bekendheid bij zorgverleners over PAIS nog beter moet. Daarom is het van groot belang dat artsen en onderzoekers, onder meer via de programma’s die door het Ministerie van VWS worden gefinancierd, alles op alles zetten om ervoor te zorgen dat die kennis ook zijn weg vindt naar, onder andere, de spreekkamers.
Bent u ermee bekend dat zorgmedewerkers, gemeenten, bedrijfs- en verzekeringsartsen, UWV en werkgevers aangeven dat zij zonder de ondersteuning van Q- en C-support op dit moment nog onvoldoende kennis en handelingsperspectief hebben om patiënten zelfstandig en verantwoord te helpen?
Zie antwoord vraag 6.
Erkent u dat de bekendheid van post-COVID onder deze groepen daarmee beter moet en nog niet voldoende op orde is? Zo nee, kunt u dit nader onderbouwen?
Zie antwoord vraag 6.
Zou C-support wat u betreft een rol moeten of kunnen spelen in het vergroten van die bekendheid? Zo ja, waarom wel? Zo nee, waarom niet?
De rol van stichting C-support was de afgelopen jaren meerledig: het bieden van patiënten nazorg en het dissemineren van opgedane kennis over post-COVID. Hierbij heeft zij altijd al een rol gehad als het gaat om het vergroten van de bekendheid over post-COVID. Daarbij is het doel altijd geweest om PAIS-patiënten op te vangen binnen de reguliere zorg. De bekendheid rondom post-COVID en andere PAIS groeit daarnaast door de diverse ZonMW-onderzoeken, herziening van de richtlijnen door medisch specialisten en huisartsen, gemeenten en andere instanties, en doordat patiënten zelf actief de eerstelijnszorg benaderen met vragen over zorg.
Deelt u de opvatting dat de doelstellingen van Q- en C-support pas zijn behaald als de kennis over postinfectieuze aandoeningen als post-COVID voldoende is geborgd op andere plekken, waarmee de organisatie zichzelf in feite overbodig zou hebben gemaakt?
De afgelopen tijd heeft de opbouw van kennis over PAIS, mede dankzij alle investeringen, een enorme vlucht genomen. In alle onderzoeken binnen de verschillende onderzoeksprogramma’s van ZonMw, de expertisecentra, maar ook over welke ondersteuning vereist is binnen het sociaal domein leren we steeds meer over deze aandoeningen, mede met dank aan het werk van Q- en C-support. Nu is het zaak dat de lessen die tot nu toe zijn opgedaan zo snel mogelijk in richtlijnen terecht komen en breed verspreid worden. Door betrokken artsen en onderzoekers, bijvoorbeeld vanuit PCNN, de expertisecentra, de FMS en de NHG wordt er hard gewerkt om (biomedische) inzichten te verspreiden. Daar moet de komende periode zoveel mogelijk op worden ingezet.
Waarom is de eerder besproken transitieperiode van drie jaar, die juist was bedoeld om kennis zorgvuldig over te dragen aan het reguliere veld en de ondersteuning van patiënten geleidelijk af te kunnen bouwen, nu verkort tot slechts één jaar?
Er zijn geen afspraken gemaakt over de financiering van een driejarige transitieperiode. De subsidie aan C-support was een tijdelijke subsidie
voor een periode van 2020 tot en met 2025. In 2026 is eenmalig € 7,5 miljoen
ter beschikking gesteld, bovenop de reguliere middelen die deze organisaties
al kregen. In totaal is hiermee ruim € 10 miljoen ter beschikking gesteld aan Q- en C-support voor het jaar 2026. Doel van de subsidie is om Q-koorts en post-COVID patiënten te begeleiden en daarnaast de opgedane kennis te delen met het zorg- en welzijnsdomein. Dit laatste is belangrijk omdat daarmee patiënten in de reguliere structuren opgevangen kunnen gaan worden.
Bent u bereid oplossingsrichtingen te verkennen waarbij Q- en C-support meer tijd krijgen om de bekendheid van postinfectieuze aandoeningen als post-COVID bij patiënten, (bedrijfs)artsen, gemeenten en uitvoeringsorganisaties te vergroten, zodat het reguliere veld voldoende is voorbereid op zelfstandige ondersteuning op het moment dat de organisaties stoppen?
Zoals eerder toegelicht blijven na 2026 middelen beschikbaar voor een kennis- en informatiecentrum dat zich juist gaat richten op kennisoverdracht aan (zorg)professionals, bijvoorbeeld door het organiseren van nascholingen voor huisartsen en het opstellen van een handreiking voor gemeentes.
Ziet u het als optie om de waakvlamconstructie bij het RIVM en/of de GGD’en onder te brengen, waarbij Q- en C-support zich voorlopig kunnen blijven focussen op het voorlichten, adviseren en ondersteunen van patiënten, (bedrijfs)artsen, gemeenten en uitvoeringsorganisaties?
Vanaf 2027 zullen de activiteiten vooral betrekking hebben op het scholen en informeren van de zorg- en welzijnsprofessionals en het informeren van patiënten. Q- en C-support heeft over de jaren heen veel kennis en ervaring over dit type aandoeningen en daarbij passende nazorg voor deze specifieke patiënten opgedaan. Het is belangrijk deze kennis en ervaring te behouden voor een potentiële toekomstige epidemie. Daarom is Q- en C-support gevraagd met een plan te komen voor een waakvlamconstructie op basis waarvan, in geval van een nieuwe infectieziekte-uitbraak, snel, grootschalige nazorg georganiseerd kan worden.
Het ligt voor de hand om met de middelen die na 2026 nog beschikbaar blijven, een waakvlamconstructie en kennis- en informatiefunctie in gezamenlijkheid te organiseren, omdat deze twee taken in elkaars verlengde liggen en dezelfde kennis vereisen. Het kabinet ziet dan ook geen meerwaarde om deze zaken los te trekken.
Diepzeemijnbouw |
|
Christine Teunissen (PvdD) |
|
Berendsen , van Essen , Stientje van Veldhoven (D66) |
|
|
|
|
Kunt u bevestigen dat de Internationale Zeebodemautoriteit (ISA)-Raad van maart 2026 het besluit heeft genomen om onderzoek naar mogelijke schendingen van contractuele verplichtingen door contractanten voort te zetten, en welke positie heeft Nederland hier tijdens de Raad over ingenomen?
Is er voor Nederland nog een bijzondere rol binnen de ISA weggelegd, aangezien één van de contractanten een Zwitsers-Nederlands bedrijf is? Zijn er door de ISA ook directe vragen gesteld aan de Nederlandse overheid? Zo ja, wat was de reactie van het kabinet hierop?
Bent u bekend met het rapport «Inquiry On Potential Breaches By ISA Contractors» van Greenpeace International1?
Kunt u bevestigen dat Allseas inderdaad valt onder het ISA-onderzoek, aangezien in het rapport staat dat Allseas, via dochterbedrijf Blue Minerals Jamaica (BMJ) en de samenwerking met TMC, mogelijk onder het lopende ISA-onderzoek valt naar overtreding van contractregels?
Erkent u dat Allseas een sleutelpositie inneemt binnen de plannen voor diepzeemijnbouw door The Metals Company via de Amerikaanse vergunningaanvraag, aangezien het bedrijf de essentiële technologie en het diepzeemijnbouwschip «Hidden Gem» levert? Hoe weegt u deze rol?
Erkent u dat Nederland, gezien de betrokkenheid van een Nederlands bedrijf in deze keten, daarmee ook een sleutelrol vervult en een verantwoordelijkheid draagt om het mandaat van de ISA en het VN-Zeerechtverdrag (UNCLOS) actief te beschermen en te handhaven?
Het kabinet heeft eerder met Allseas gesproken naar aanleiding van de motie-Postma, en heeft daarbij benadrukt dat Nederland staat voor de integriteit van UNCLOS en dat diepzeemijnbouw in internationale wateren alleen binnen het ISA-kader mag plaatsvinden; wat was de reactie van Allseas op deze boodschap? Heeft het bedrijf zich daarbij expliciet gecommitteerd om uitsluitend binnen het ISA-kader te opereren?
Gezien het feit dat Allseas de plannen om via de Verenigde Staten buiten het ISA-kader te opereren voortzet en een dergelijke vergunning op korte termijn verleend kan worden, welke concrete stappen zal Nederland zetten op het moment dat zo’n buitenlandse vergunning wordt verleend voor diepzeemijnbouw buiten het ISA-kader, waarbij een Zwitsers-Nederlands bedrijf zoals Allseas betrokken is?
Het Jaarverslag van het Landelijk Expertisecentrum Eergerelateerd Geweld 2025 |
|
Bente Becker (VVD) |
|
David van Weel (VVD) |
|
|
|
|
Bent u bekend met het jaarverslag 2025 van het Landelijk Expertisecentrum Eergerelateerd Geweld (LEG EGG)?
Hoe duidt u de stijging van het aantal gemelde zaken bij het LEC EGG van 674 in 2024 naar 757 in 2025? In hoeverre is deze toename volgens u het gevolg van een daadwerkelijke toename van het aantal zaken of van een betere herkenning en meldingsbereidheid?
Hoe verhoudt het aantal zaken van 757 zich tot het totale aantal eergerelateerde geweldszaken dat bij de politie in beeld komt, inclusief zaken die niet aan het LEC EGG worden voorgelegd?
Kunt u de 757 zaken uitsplitsen in hoeveel zaken er een vrouwelijk slachtoffer en in hoeveel zaken een mannelijk slachtoffer? Kunt u met de Kamer delen wat potentiële motieven kunnen zijn voor eergerelateerd geweld met mannelijke slachtoffers?
Hoe verklaart u de regionale verschillen waarbij de politie-eenheden in Den Haag, Midden-Nederland en Oost-Nederland de meeste zaken aandragen? Is er voor deze politie-eenheden meer onderwijs geweest voor een betere en snellere herkenning van de problematiek?
Welke maatregelen worden genomen om basiskennis over eergerelateerd geweld voor alle politie-eenheden op een vergelijkbaar niveau te brengen?
Wat is uw beeld van waar eergerelateerd geweld het eerst in beeld komt? Is dit bij de politie of bij hulpverleningsinstanties?
Hoe ziet de huidige samenwerking tussen politie, hulpverlening en opvanginstellingen eruit bij vermoedens van eergerelateerd geweld?
Kunt u de checklist waarover wordt gesproken in het jaarverslag met de Kamer delen?
Hoe beoordeelt u het feit dat in bijna de helft van de zaken deze checklist ontbreekt? Worden er op dit moment nog maatregelen genomen om het gebruik van de checklist te bevorderen, na een eerdere poging in 2019?
Hoe duidt u dat de meeste meldingen vanuit de Syrische gemeenschap komen? Wordt er in beleid specifiek aandacht besteed aan deze groep om voorlichting te geven over deze problematiek?
Zijn er op dit moment wensen en/of plannen om de capaciteit of de middelen van het LEC EGG uit te breiden, gezien de jaarlijkse stijging van het aantal zaken?
Hoe staat het met de uitvoering van de motie-Becker voor een nieuw meerjarenplan zelfbeschikking en een versterkte aanpak van schadelijke praktijken (Kamerstuk 36 600 XV, nr. 17)?
Welke rol speelt eergerelateerd geweld binnen het beleid rond femicide en geweld tegen vrouwen?
Bent u bereid binnen twee maanden een voorstel naar de Kamer te sturen waarin u de regeerakkoordafspraak uitwerkt voor een gerechtelijk uitreisverbod bij risico op genitale verminking in het buitenland?
Bent u bereid binnen twee maanden een voorstel naar de Kamer te sturen waarin u de regeerakkoordafspraak uitwerkt voor een strafverzwaringsgrond voor strafbare feiten als het plegen of medeplegen van eergerelateerd geweld?
Bent u bereid binnen twee maanden de uitwerking naar de Kamer te sturen van de regeerakkoordafspraak dat er een adviesplicht komt bij signalen van huiselijk geweld en andere schadelijke praktijken voor onderwijs- en zorgprofessionals?
Het bericht ‘Calvé en andere Unilever-merken worden Amerikaans, kans op beursnotering in NL’ |
|
Claire Martens-America (VVD) |
|
Herbert |
|
|
|
|
Bent u bekend met het bericht dat Calvé, Cup A Soup en Hellmann’s van Unilever Amerikaans worden, met een kans op beursnotering in Nederland, op de website van de NOS van 31 maart 2026?1
Ja.
Hoe reflecteert u op de keuze van McCormick om het internationale hoofdkantoor in Nederland te vestigen? Hoe reflecteert u op het nieuws dat het voedselinnovatiecentrum van Unilever in Wageningen blijft?
Voor Nederland is het goed nieuws dat is bevestigd dat het internationale hoofdkwartier (Rotterdam) en de wereldwijde R&D (Wageningen) van de voedingsdivisie in Nederland blijven. Dit toont aan dat continue aandacht voor het ondernemings- en vestigingsklimaat belangrijk maar ook lonend is. Het kabinet heeft over de ontwikkelingen bij de voedingstak met Unilever gesproken en gaat ook in gesprek met de nieuwe eigenaar.
Ziet u mogelijkheden om positieve economische spillovers van de vestiging van grote bedrijven in Nederland, zoals McCormick, te versterken? Zo ja, op welke manier?
De Nederlandse economie is mede sterk vanwege toonaangevende, hoogproductieve en innovatieve grote bedrijven, die kiezen voor groei en een duurzame toekomst in Nederland. Hoe beter deze bedrijven ingebed raken in Nederlandse ecosystemen, hoe groter de spillover effecten. De Netherlands Foreign Investment Agency en de regionale partners in het Invest in Holland netwerk voeren regelmatig gesprekken met in Nederland gevestigde grote bedrijven en verbinden deze waar mogelijk aan relevante ecosysteem partners.
Hoe probeert u precies McCormick naar de Nederlandse beurs te halen?
Het kabinet zal de kwaliteit van het Nederlandse vestigingsklimaat onder de aandacht brengen om de voedingsactiviteiten zoveel mogelijk in Nederland te versterken en te verankeren. Hierbij focussen we op voorspelbaar beleid en (fiscale) stabiliteit, omdat bedrijven investeringsbesluiten voor de lange termijn nemen. We werken aan een internationaal krachtige, innovatieve en duurzame Nederlandse agrifood-sector. Om te zorgen dat bedrijven betere toegang krijgen tot financiering werken we aan een Nationale Investeringsinstelling en in Europa aan een kapitaalmarktunie. Ook heeft Nederland een uitstekende positie met grote handelsplatformen en de grootste Europese beurs (Euronext). Nederland zet mede daarom in op een leidende rol bij de ontwikkeling van de Europese kapitaalmarktunie, zodat bedrijven beter toegang krijgen tot kapitaal en de Amsterdamse beurs nog aantrekkelijker wordt voor bedrijven.
Wat is uw bredere strategie om grote bedrijven ertoe te bewegen zich in Nederland te vestigen of te kiezen voor een notering aan de beurs in Amsterdam?
Eén van mijn grootste prioriteiten is het versterken van het ondernemings-en vestigingsklimaat. Het kabinet streeft naar een sterk en voorspelbaar ondernemings- en vestigingsklimaat, waarbij bedrijven optimaal kunnen ondernemen, investeren en innoveren. Voor internationale bedrijven zijn voorspelbaar beleid, concurrerende fiscaliteit, toegang tot talent en goede fysieke randvoorwaarden zoals netaansluiting en ruimte, doorslaggevend bij de keuze waar zij zich vestigen.
Verder werkt het kabinet aan het versterken van het financieringsecosysteem over de volle breedte: van start-up en scale-up tot beursgang. Dat vraagt om voldoende beschikbaar kapitaal, actieve betrokkenheid van private en institutionele investeerders en een goed functionerende kapitaalmarkt.
Ook werkt het kabinet aan het vergroten van de internationale aantrekkingskracht van de Nederlandse en Europese kapitaalmarkt. Nederland heeft een uitstekende positie met grote handelsplatformen en de grootste Europese beurs (Euronext). Nederland pakt mede daarom een leidende rol bij de ontwikkeling van de Europese kapitaalmarktunie, zodat bedrijven beter toegang krijgen tot kapitaal en de Amsterdamse beurs nog aantrekkelijker wordt voor bedrijven.
Deze lijnen versterken elkaar: een sterk ondernemings- en vestigingsklimaat trekt bedrijven aan, een goed financieringsecosysteem laat ze groeien en een krachtige kapitaalmarkt biedt ze perspectief op verdere opschaling en notering.
Daarnaast zetten we met de Netherlands Foreign Investment Agency in op het gericht aantrekken van buitenlandse bedrijven, die toegevoegde waarde hebben voor Nederland, doordat zij impact realiseren op (i) verdienvermogen, door hoogproductieve en innovatieve activiteiten te ontplooien, (ii) economische weerbaarheid, door bij te dragen aan strategische autonomie, het versterken van ecosystemen en de internationale relevantie van Nederland, (iii) maatschappelijke opgaven, bijvoorbeeld activiteiten ontplooien die ons helpen in de energietransitie of digitalisering.
Ik houd de staat van het ondernemings- en vestigingsklimaat goed in de gaten. Zo behoort Nederland tot de top-10 van de World Competitiveness Ranking van het IMD (International Institute for Management Development), waarin 69 landen worden beoordeeld op hun concurrentievermogen. Uit de Monitor Ondernemingsklimaat blijkt tegelijkertijd dat het Nederlandse ondernemingsklimaat, inclusief het vestigingsklimaat, de laatste jaren voor toenemende uitdagingen staat, zoals de onvoorspelbaarheid van beleid of regeldruk.2
Hoe kan de Kamer u helpen om ervoor te zorgen dat grote bedrijven zich vaker in Nederland vestigen of dat grote bedrijven vaker kiezen voor een notering aan de Amsterdamse beurs?
Ik stel het aanbod van de helpende hand vanuit de Kamer zeer op prijs. In aanvulling op het antwoord op vraag 5 begint het bij het versterken van het verdienvermogen van Nederland: Bedrijven – van startup tot multinational – vormen de motor van onze economie en samenleving.
De Kamer kan hieraan bijdragen door te sturen op een aantrekkelijk en voorspelbaar ondernemings- en vestigingsklimaat. De keuze voor een beursnotering hangt vaak samen met de keuze voor vestiging. Dat vraagt om stabiel en consistent beleid, concurrerende fiscaliteit, voldoende aandacht voor talent en goede randvoorwaarden.
Daarnaast kan de Kamer het kabinet ondersteunen bij het versterken van de kapitaalmarkt, onder meer via de Europese kapitaalmarktunie. De beurs speelt een cruciale rol in de groei van volwassen bedrijven en trekt internationaal kapitaal aan. Grote bedrijven hebben daarbij een aanzuigende werking: zij verbeteren de toegang tot kapitaal en verlagen financieringskosten voor kleinere bedrijven. Door op deze punten gericht te sturen, draagt de Kamer bij aan zowel meer vestigingen als meer beursnoteringen in Nederland.
Het bericht ‘Vertrek van beleggers uit woningbedrijf Vesteda leidt mogelijk tot verkoopgolf van huurwoningen’ |
|
Sandra Beckerman (SP) |
|
Boekholt-O’Sullivan |
|
|
|
|
Bent u bekend met het bericht dat grote beleggers, waaronder pensioenfonds ABP en verzekeraar Allianz, voor in totaal 4,1 miljard euro hun belangen willen afbouwen in woningverhuurder Vesteda? Wat is uw reactie hierop?1
Ja, de verwachting is dat er door de redemptieverzoeken bij Vesteda er huurwoningen worden uitgepond en er waarschijnlijk minder nieuwbouw wordt gepleegd. Dit baart mij zorgen omdat een gezonde voorraad aan (midden)huurwoningen bijdraagt aan een goed functionerende woningmarkt.
Hoeveel huurwoningen zijn er in Nederland de afgelopen vijf jaar verdwenen als gevolg van uitponden door zowel particuliere als institutionele beleggers?
Uit cijfers van Kadaster blijkt dat er in de afgelopen 5 jaar ca. 114.000 woningen zijn uitgepond, oftewel door private investeerders zijn verkocht aan eigenaar-bewoners. Van deze woningen waren ca. 52.000 woningen in bezit van een particuliere investeerder en ca. 62.000 woningen in voormalig bezit van een bedrijfsmatige/institutionele investeerder. Desalniettemin is de totale huurwoningvoorraad in handen van private investeerders in de periode 2021–2025 toegenomen van ca. 679.000 naar 752.000 woningen omdat investeerders ook woningen toevoegen via nieuwbouw.
In hoeveel gemeenten bezit Vesteda woningen, en in welke gemeenten is de concentratie het grootst?
Vesteda bezit circa 28.000 woningen, verspreid over ruim 80 Nederlandse gemeenten. De grootste concentraties bevinden zich in en rond de grote steden, met name: Amsterdam, Rotterdam, Den Haag, Utrecht, Almere en Amstelveen. Daarnaast is Vesteda ook actief in diverse andere steden buiten de Randstad, waaronder onder meer Arnhem, Eindhoven, Tilburg, Groningen, Maastricht en Deventer, zij het met kleinere portefeuilles per gemeente.
Kunt u uitsplitsen hoeveel woningen van Vesteda in ieder van de categorieën sociale huur, middenhuur, en vrije huur vallen?
De exacte cijfers per categorie zijn mij niet bekend. Vesteda verhuurt voornamelijk in het middensegment. Daarnaast verhuurt Vesteda ook woningen in de vrije sector. Sociale huur maakt slechts een marginaal onderdeel uit van de portefeuille van Vesteda.
Heeft u contact gehad met Vesteda of de betrokken beleggers over de mogelijke gevolgen van hun vertrek voor de huurmarkt?
Ja, vanuit het ministerie is verschillende malen contact geweest over de gevolgen van de redemptieverzoeken met Vesteda en met (vertegenwoordigers van) institutionele beleggers, zoals APG.
Deelt u de mening dat dit aantoont dat het overlaten van volkshuisvesting aan de markt een fundamentele vergissing is geweest?
Nee, de volkshuisvesting in Nederland is deels belegd bij corporaties en deels bij marktpartijen. Corporaties spelen een belangrijke rol in het sociale segment. Private investeerders zijn essentieel voor voldoende huurwoningen in het midden- en vrije segment. Het midden- en vrije segment zijn naast de sociale huursector belangrijk voor een goed functionerende woningmarkt. De huurmarkt is op diverse wijze gereguleerd om huurders te beschermen, bijvoorbeeld via de Wet betaalbare huur of de begrenzing van de jaarlijkse huurverhoging. Op deze wijze wordt zowel de kracht van publieke als private partijen benut.
Acht u het aanvaardbaar dat het woonrecht van tienduizenden huurders volledig afhankelijk is van de interne beleggingsregels en rendementsoverwegingen van private fondsen als Vesteda?
Het is niet zo dat het woonrecht van de huurders van Vesteda volledig afhankelijk is van diens interne beleggingsregels en rendementsoverwegingen. Eén van de grondbeginselen van het Nederlandse huurrecht is namelijk dat de huurovereenkomst die een huurder heeft, gewoon blijft bestaan wanneer de woning door de verhuurder wordt verkocht aan een andere investeerder. Wanneer de verhuurder de woning wil verkopen aan een eigenaar-bewoner, kan dit pas als de (tijdelijke) huurovereenkomst van de huurder afloopt, of als de huurder zelf wenst te vertrekken. Vanaf 1 juli 2024 mogen – behoudens enkele uitzonderingen – alleen nog vaste huurcontracten worden afgesloten. Een huurovereenkomst voor onbepaalde tijd is daarmee weer de norm geworden. Hiermee hebben huurders meer zekerheid gekregen over hun woonsituatie.
Hoe rijmt u het feit dat Vesteda’s 2.000 woningen primair fungeren als rendementsartikel voor pensioenfondsen en verzekeraars, met de grondwettelijke plicht van de overheid om voldoende woongelegenheid te bevorderen zoals vastgelegd in artikel 22 van de Grondwet?
Institutionele beleggers spelen traditioneel een belangrijke rol bij de financiering van vooral huurwoningen, gezien hun lange beleggingshorizon en behoefte aan stabiele, inflatiebestendige rendementen. Gezien de grote woningbouw opgave zijn investeringen van (buitenlandse) institutionele investeerders onmisbaar.
Deelt u de mening dat het een teken van fundamenteel falen is wanneer een overheid haar volkshuisvestingstaak alleen nog kan uitvoeren door commerciële beleggers gunstige voorwaarden te bieden? Deelt u de mening dat het precies deze mentaliteit is dat de wooncrisis veroorzaakt heeft?
Nee, zie voor een nadere toelichting het antwoord op vraag 6.
Welke wettelijke instrumenten heeft u op dit moment om te voorkomen dat huurwoningen van Vesteda na verkoop worden omgezet naar koopwoningen?
Zoals toegelicht bij vraag 7 borgt het Nederlandse huurrecht dat huurders niet hun woning kunnen worden uitgezet, indien de investeerder de woning wenst te verkopen. Naast het huurrecht heeft het kabinet beperkt instrumenten om uitponding te voorkomen. Bij corporaties zijn er daarentegen wel verkoopregels. Het kabinet zet wel in op een verbetering van het investeringsklimaat zodanig dat het aanbod van huurwoningen weer kan toenemen.
Bent u bereid maatregelen te treffen om te voorkomen dat huurwoningen van Vesteda massaal worden omgezet naar koopwoningen? Zo ja, welke instrumenten overweegt u in te zetten?
Er bestaat geen wet die private verhuurders verplicht om eerst aan woningcorporaties te verkopen. Bij corporaties zijn er daarentegen wel verkoopregels. Het is niet aan mij als Minister aan wie private investeerders hun woningen doorverkopen en door wie huurwoningen worden verhuurd. Het gaat erom dat de verhuurder voldoende zorg draagt voor de leefbaarheid van diens woningen en zich houdt aan de geldende wet- en regelgeving, zoals de Wet goed verhuurderschap en de Wet betaalbare huur. Zowel een corporatie als een private verhuurder kan dit invullen. Uiteindelijk zijn zowel corporaties als private verhuurders noodzakelijk voor een goed functionerende huurwoningmarkt.
Is het juridisch mogelijk om Vesteda te verplichten eventueel te verkopen woningen als eerste aan woningcorporaties of gemeenten aan te bieden, en bent u bereid dit te onderzoeken?
Zie antwoord vraag 11.
Welke maatregelen bent u voornemens te treffen om te zorgen dat dergelijke situaties waarin beleggers tegelijkertijd uit stappen voorkomen kunnen worden en huurwoningen behouden worden?
Het kabinet werkt hard aan het verbeteren van het investeringsklimaat. De inzet is dat er in de toekomst meer investeerders in de Nederlandse woningmarkt willen investeren. Dit is essentieel om voldoende betaalbare huurwoningen te realiseren.
Om het investeringsklimaat voor private verhuurders te verbeteren is in het coalitieakkoord reeds afgesproken dat de overdrachtsbelasting voor verhuurders wordt verlaagd naar 7%. Ook heb ik uw Kamer recent geïnformeerd over de invulling van de optimalisatie van de Wet betaalbare huur en de tijdelijke contracten voor alle studenten. Naast deze maatregelen zal ik de tijdelijke nieuwbouwopslag voor middenhuurwoningen voor vier jaar verlengen, waardoor investeerders voor een langere periode extra ruimte krijgen voor de bouw van nieuwe middenhuurwoningen.
Tegelijk wordt gekeken naar andere maatregelen om het investeringsklimaat te verbeteren, bijvoorbeeld binnen de fiscaliteit. Die handschoen pak ik op in het kader van de Taskforce Versnelling Woningbouw en zal onderdeel zijn van het Actieplan. In het Actieplan van deze Taskforce zal het kabinet met een integraal plan komen ter verbetering van het investeringsklimaat voor het creëren van nieuwe, betaalbare huurwoningen.
Bent u bereid een concreet plan te presenteren waarbij woningcorporaties en gemeenten structureel meer middelen krijgen om de rol van commerciële beleggers op de huurmarkt over te nemen?
Zowel private partijen als woningcorporaties zijn nodig voor een gezonde en goed functionerende huurmarkt. Voorop staat dat verhuurders voldoende zorg dragen voor de leefbaarheid van hun woningen en zich houden aan de geldende wet- en regelgeving. Woningcorporaties voeren hun eigen aan- en verkoopbeleid en kunnen hier in lokaal verband afspraken over maken met gemeenten en huurdersverenigingen. Het staat woningcorporaties dus altijd vrij om woningen over te nemen van investeerders als zij hiermee een bijdrage denken te kunnen leveren aan de lokale volkshuisvesting en de aankoop ook vanuit financieel oogpunt te verantwoorden is. Het kabinet neemt een aantal maatregelen om de financiële positie van woningcorporaties te verbeteren. Uw Kamer wordt voor de zomer nader geïnformeerd over de uitwerking van deze maatregelen en hoe zij doorwerken in de investeringsruimte van de corporatiesector.
Het bericht 'Merz bij bezoek Syrische president: '80 procent van Syriërs zal terugkeren’' |
|
Ulysse Ellian (VVD) |
|
Bart van den Brink (CDA) |
|
|
|
|
Bent u bekend met het bericht «Merz bij bezoek Syrische president: «80 procent van Syriërs zal terugkeren»»?1
Hoeveel Syrische asielzoekers en statushouders verbleven op 1 maart 2026 in Nederland?
Hoeveel Syrische statushouders hadden op 1 maart 2026 een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd?
Hoeveel Syrische statushouders hadden op 1 maart 2026 een verblijfsvergunning asiel voor onbepaalde tijd?
Wat is op dit moment het beleid ten aanzien van openstaande asielaanvragen van Syriërs? Hoe zorgt u ervoor dat deze aanvragen zoveel mogelijk worden afgewezen?
Bent u op dit moment actief bezig met het herbeoordelen en intrekken van al afgegeven asielvergunningen aan Syriërs? Zo nee, waarom niet?
Bent u op dit moment actief bezig met het vrijwillig en gedwongen terugsturen van Syriërs die zijn afgewezen of waarvan de verblijfsvergunning is ingetrokken? Zo nee, waarom niet?
Hoeveel Syriërs zijn tot dusver in 2026 teruggekeerd? Hoeveel van deze Syriërs zijn vrijwillig teruggekeerd, en hoe vaak is er sprake geweest van gedwongen terugkeer?
Deelt u de mening dat, in navolging van de uitspraken van de Duitse bondskanselier Friedrich Merz, het herbeoordelen van afgegeven verblijfsvergunningen van Syriërs moet worden geïntensiveerd? Zo nee, waarom niet?
Deelt u de mening dat, in navolging van de uitspraken van Merz, hierbij versneld moet worden gewerkt aan de terugkeer van overlastgevende en criminele Syriërs, en van Syriërs die niet goed zijn geïntegreerd? Zo nee, waarom niet?
Onderschrijft u ook de doelstelling om binnen 3 jaar 80% van de Syrische vluchtelingen vrijwillig of gedwongen te laten terugkeren? Zo nee, waarom niet?
Bent u bereid om vrijwillige terugkeer van Syrische statushouders met een verblijfsvergunning voor onbepaalde tijd zoveel mogelijk te stimuleren? Zo nee, waarom niet?
Bent u bereid om te onderzoeken of het Nederlandse bedrijfsleven een rol kan spelen bij de wederopbouw van Syrië, waarbij dit beleid gekoppeld kan worden aan het terug laten keren van Syrische vakkrachten die bij de wederopbouw kunnen helpen? Zo nee, waarom niet?
De toename van eerwraak in Nederland |
|
Marjolein Faber (PVV), Marina Vondeling (PVV), Geert Wilders (PVV) |
|
Bart van den Brink (CDA), David van Weel (VVD) |
|
|
|
|
Bent u het ermee eens dat eerwraak onacceptabel is?
Welke prioriteit geeft de politie aan dergelijke zaken? Aan hoeveel meldingen van eerwraak wordt opvolging gegeven binnen de strafrechtsketen?
Bent u het ermee eens dat eerwraak uitzetting tot gevolg moet hebben, niet alleen de dader maar ook het hele gezin?
Bent u het ermee eens dat eerwraak een cultureel probleem is en haaks staat op het eigen kabinetsbeleid van tolerantie?
Wilt u een overzicht verstrekken en daarbij het volgende opnemen: het aantal meldingen uitgesplitst naar strafbaar feit met daarin een onderverdeling van het aantal daders uitgesplitst naar land van herkomst?
Bent u het ermee eens dat de islam hier een duidelijke rol inspeelt en botst met de westerse democratie? Bent u het ermee eens dat de ongebreidelde asielinstroom uit veelal islamitische landen een directe oorzaak vormt van de toename van deze misdrijven in Nederland? Zo ja, wanneer gaat u eindelijk een asielstop en een stop op nareis invoeren?