De toepassing van snelrecht bij Azc-demonstrant en niet bij A12-bezetter |
|
Marjolein Faber (PVV) |
|
David van Weel (VVD) |
|
|
|
|
Bent u bekend met het bericht «Azc-demonstrant snel berecht, A12-bezetter niet: wanneer wordt supersnelrecht ingezet»?1
Ja.
Hoe vaak werden er in de afgelopen drie jaar strafzaken afgedaan via snelrecht of supersnelrecht? En voor verdenking van welke strafbare feiten werd (super)snelrecht ingezet?
In de afgelopen drie jaar zijn in totaal 25181 zaken afgedaan via (super)snelrecht. Het gaat hierbij om vermogensdelicten, misdrijven tegen openbare orde en gezag, geweldsdelicten, verkeersdelicten, drugsdelicten, wapenmisdrijven, overige misdrijven uit het Wetboek van strafrecht en misdrijven uit andere wetten.
Waarom worden strafzaken tegen azc-demonstranten wel afgedaan via het (super)snelrecht en niet bij A12-bezetters? De zes bestuurders die de A12 blokkeerden leenden zich toch ook voor (super)snelrecht nu zij op heterdaad werden betrapt? En hoe zit dat met de A12-bezetters, zij werden door de politie verwijderd van de snelweg, dan was het bewijs toch ook direct voorhanden?
De inhoud van de boodschap van demonstranten speelt geen rol bij de wijze van afdoening van strafbare feiten. (Super)snelrecht is een versnelde wijze van afdoen waarbij de verdachte al binnen enkele dagen voor de rechter verschijnt. Deze vorm van afdoeding wordt gebruikt voor eenvoudige zaken (als bedoeld in art 368 Wetboek van Strafvordering) waarbij het bewijs snel beschikbaar moet zijn. Daarnaast moet het dossier voldoende duidelijk, eenvoudig én compleet te zijn. Alhoewel de verdachte niet hoeft in te stemmen met de toepassing van (super)snelrecht, moeten de rechten van de verdachte in voldoende mate worden gewaarborgd. Voor de toepassing van (super)snelrecht moet dus aan een aantal voorwaarden zijn voldaan. Daarom kan het voorkomen dat bij sommige voorvallen (super)snelrecht wél en bij andere (vergelijkbare) voorvallen (super)snelrecht niet kan worden toegepast. Zelfs komt het voor dat ten aanzien van verdachten die allen betrokken zijn bij hetzelfde voorval, voor de ene verdachte (super)snelrecht wél mogelijk is en voor de andere niet.
Deelt u de mening dat het er sterk op lijkt dat het Openbaar Ministerie en de rechter de azc-demonstraties de kop wil indrukken, aangezien (super)snelrecht voornamelijk wordt ingezet voor het maken van een statement?
Zoals in het antwoord op vraag 3 is toegelicht, is de toepassing van (super)snelrecht afhankelijk van de omstandigheden. Het OM en de rechter behandelen personen die strafbare feiten plegen niet verschillend op basis van het onderwerp van de demonstratie.
Het artikel 'Marechaussee werkte met omstreden techreus Palantir: minister Van Weel verzweeg contract voor Tweede Kamer' |
|
Laurens Dassen (Volt) |
|
David van Weel (VVD) |
|
|
|
|
Bent u bekend met het Follow The Money-artikel «Marechaussee werkte met omstreden techreus Palantir: Minister van Weel verzweeg contract voor Tweede Kamer»?1
Ja.
Was uw eerdere antwoord op Kamervragen in juli 2025 over gebruik van Palantir binnen de Nederlandse overheid correct en compleet?2 Zo nee, wat heeft u dan verzaakt te melden?
De Kamervragen zijn destijds gesteld aan en beantwoord door de Minister van Justitie en Veiligheid (JenV), op basis van de toen geldende portefeuilleverdeling binnen het kabinet. Daarnaast werden er Kamervragen over het mogelijke gebruik van Palantir gesteld aan meerdere bewindspersonen van andere departementen (Defensie, VWS, IenW, FIN, BZK). Grenstoezicht door de KMar, waarvoor Palantir-software in het verleden is ingezet, viel onder verantwoordelijkheid van de Minister van AenM. Daarom is deze toepassing van Palantir niet meegenomen ten tijde van de beantwoording van de Kamervragen in augustus 2025.
Inmiddels is het Ministerie van Asiel en Migratie opgegaan in het Ministerie van Justitie en Veiligheid. Daardoor is in navolging van een Woo-verzoek van JenV recent een contract verstrekt. Het Programma Vernieuwing Grensmanagement, onderdeel van de Programmadirectie Identiteitsmanagement en Immigratie (IDMI), had contracten afgesloten voor het gebruik van Palantir voor het API-systeem dat gebruikt werd door de KMar voor het grenstoezicht. IDMI was onderdeel van het Directoraat Generaal Vreemdelingenzaken (DGVZ), thans DGM. Zoals hierboven uitgelegd, viel dit betreffende beleidsonderdeel ten tijde van de beantwoording van de Kamervragen in augustus 2025 niet onder de politieke verantwoordelijkheid van de Minister van JenV.
De stukken die hierover inmiddels naar aanleiding van het Woo-besluit van JenV zijn gedeeld en de inzet van Palantir-softwarelicenties, zullen nader worden betrokken bij de afhandeling van het Woo-verzoek dat aan de Minister van Asiel en Migratie is gestuurd.
Was u op de hoogte van het contract tussen Palantir en de Programmadirectie Identiteitsmanagement en Immigratie (IDMI) in 2014?
Zie antwoord vraag 2.
Zo ja, waarom heeft u dat contract niet genoemd in uw eerdere antwoord? Zo nee, waarom bent u niet voldoende op de hoogte over Amerikaanse tech-afhankelijkheden binnen uw eigen ministerie?
Zie antwoord vraag 2.
Kunt u een kloppend overzicht geven van alle lopende, aanstaand of verlopen contracten tussen de Nederlandse overheid, inclusief sub-overheden en Zelfstandig Uitvoeringsorganen (ZBO’s), en het Amerikaanse Palantir?
Er is geen Rijksbrede overeenkomst met Palantir. Een overzicht van alle lopende, aanstaande en verlopen contracten is niet voorhanden. Aanbestedende diensten zijn zelf verantwoordelijk voor de aanbestedingsprocedures en het contracteren van leveranciers, er is geen centraal overzicht dat door mijn ministerie kan worden aangeboden.
Bent u van mening dat ongepaste of onethische uitspraken van het bestuur van een bedrijf een reden moet zijn dat de Nederlandse overheid geen zaken meer moet doen met het bedrijf in kwestie? Zo nee, waarom niet?
Het kabinet stelt de bescherming van mensenrechten en de democratische rechtsstaat voorop en zet zich daarvoor in, ook bij de inzet van technologie. Het is niet aan het kabinet om opvattingen van het bestuur van een bedrijf van een oordeel te voorzien.
In relatie tot de huidige toepassing van Palantir bij de politie en Defensie hecht ik er, met de Staatssecretaris van Defensie, aan te benadrukken dat dit gebruik van veel waarborgen is voorzien. Tegelijkertijd worden mogelijke alternatieven verkend om de toekomstbestendigheid en flexibiliteit te vergroten, zoals ook aan uw Kamer toegelicht door de Staatssecretaris van Defensie tijdens het Vragenuur van 2 juni jl.
Voor een reactie op de vraag of de Nederlandse overheid zaken kan blijven doen met het bedrijf in kwestie wordt u verwezen naar de Kamerbrief van de Staatssecretaris van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties over de uitvoering aangenomen ontraden moties over ICT-onderwerpen ingediend tijdens het Notaoverleg over de Nederlandse Digitaliseringsstrategie d.d. 29 september 2025.3 Hierin is ingegaan op de uitvoering van de aangenomen motie4 (motie 5) van het lid Six Dijkstra c.s. over het onafhankelijk maken van de Nederlandse overheid van Palantir.
Bent u voornemens alle lopende en aanstaande contracten tussen de Nederlandse overheid en Palantir in belang van nationale veiligheid te annuleren, dan wel niet te verlengen? Zo nee, waarom niet?
Zie antwoord vraag 6.
Kunt u deze vragen apart van elkaar en voor 12 mei 2026 beantwoorden?
Dat is helaas niet gelukt.
De raamovereenkomst met een Europees cloudbedrijf |
|
Barbara Kathmann (PvdA) |
|
Aerdts |
|
|
|
|
Kunt u meer toelichten over de raamovereenkomst die is gesloten met het Europese cloudplatform STACKIT?1
Kunt u de raamovereenkomst aan de Kamer doen toekomen?
Hoe ziet u de rol van de Rijksoverheid als lancerende klant van autonome Europese IT-diensten? Hoe draagt de raamovereenkomst met STACKIT bij aan dit doel?
Met welk doel is de raamovereenkomst gesloten? Zijn er ook afspraken gemaakt over de afname van deze diensten?
Welke «veilige en gunstige voorwaarden» heeft u afgesproken met STACKIT? Op welke manier dragen deze voorwaarden bij aan de digitale autonomie van Nederland?
Hoe draagt het sluiten van een raamovereenkomst met één leverancier bij aan een eerlijk en open speelveld voor Nederlandse en Europese techbedrijven?
Hoe borgt u in het sluiten van een raamovereenkomst de diversificatie en keuzevrijheid tussen leveranciers, zoals wel beoogd wordt door een privaat initiatief zoals de Open Cloud Alliantie?2
Welke diensten levert STACKIT? Kunt u concreet maken voor welke belangrijke IT-processen u van plan bent de clouddiensten van STACKIT af te nemen?
Erkent u dat opslag binnen de Europese Economische Ruimte (EER) geen afdoende bescherming is tegen inzageverzoeken van niet-Europese overheden, als de bedrijven die de opslag beheren onder niet-Europese wetgeving vallen?
Is uitgesloten dat de clouddiensten van STACKIT op welke manier dan ook afhankelijk zijn van niet-Europese techbedrijven in het beheer, onderhoud, de beveiliging, of andere essentiële processen?
Indien dit niet uit te sluiten is, kunt u dan toelichten welke afhankelijkheden STACKIT heeft van niet-Europese bedrijven? Zijn deze afhankelijkheden weg te nemen?
Welke analyses heeft u gemaakt om te bevestigen dat STACKIT daadwerkelijk volledig Europees en autonoom is? Kunt u deze met de Kamer delen?
Hoe gaat de Rijksoverheid toezien of STACKIT zich aan de afspraken houdt? Welke toezichthouder is hiertoe aan zet?
Kunt u de vragen afzonderlijk van elkaar en zo snel mogelijk beantwoorden?
Het herhaaldelijk blokkeren van snelwegen door demonstranten |
|
Shanna Schilder (PVV) |
|
Enneüs Heerma (CDA), David van Weel (VVD) |
|
|
|
|
Bent u bekend met de zoveelste wegblokkade van Extinction Rebellion (XR), dit keer in Utrecht?1
Ja.
Bent u bekend met het feit dat ook andere burgers grondrechten hebben, zoals bewegingsvrijheid en het recht op gebruik van de openbare weg, of geldt dat in de praktijk alleen zolang er geen actiegroep op het asfalt zit? Acht u het recht om te demonstreren absoluut?
Het demonstratierecht is een groot goed, maar niet absoluut. Demonstranten dienen zich aan de wet te houden. Tegen demonstranten die de wet overtreden door het plegen van geweld of vernielingen kan strafrechtelijk worden opgetreden. Dit grondrecht kan in botsing komen met andere grondrechten, zoals bijvoorbeeld het recht op privacy. Het lokaal bestuur is verantwoordelijk voor het faciliteren of waar mogelijk gerechtvaardigd beperken van demonstraties. Het is aan hen om in die beoordeling ook andere belangen of grondrechten die spelen mee te wegen.
Deelt u de opvatting dat het structureel blokkeren van vitale infrastructuur een creatieve, zij het selectieve, interpretatie is van het demonstratierecht? Waar eindigt volgens u demonstreren en begint simpelweg ontwrichten?
Onder het huidige wettelijk kader kunnen demonstranten die strafbare feiten plegen ten aanzien van vitale infrastructuur al vervolgd worden. En dit gebeurt ook. Zo bestaan er, verspreid over de Spoorwegwet en het Wetboek van Strafrecht, verschillende bepalingen waardoor strafrechtelijk kan worden opgetreden tegen actievoerders die het (goederen)spoor blokkeren of die schade veroorzaken aan een (spoor)weg.
Het recht om te demonstreren is een belangrijk recht dat beschermd moet worden door de overheid. Maar niet ten koste van alles, want er spelen ook belangen en rechten van anderen, die net zo goed door de overheid moeten worden beschermd. Dat betekent dat als een demonstrant zijn recht om te demonstreren uitoefent en daarbij een strafbaar feit pleegt, hiertegen opgetreden kan worden. Op welke wijze opgetreden wordt, zal van demonstratie tot demonstratie verschillen. Steeds zullen alle belangen die spelen goed moeten worden afgewogen, waarbij het recht om te demonstreren zwaar weegt en dus niet te snel beperkt mag worden.2 Het is aan het lokaal gezag om deze belangenafweging te maken.
Klopt het dat handhaving inmiddels contextafhankelijk is geworden, waarbij de inhoud van de boodschap mede bepaalt of de wet wordt toegepast? Zo nee, waarom niet?
Nee, dat klopt niet. De burgemeester is belast met de handhaving van de openbare orde en de veiligheid op basis van een operationele inschatting van de risico’s daarvoor. Er is geen grond voor de suggestie dat de inhoud van de boodschap bepaalt of (en hoe) wordt opgetreden. Contextafhankelijkheid ziet op omstandigheden als locatie, omvang, duur, verkeersveiligheid en naleving van aanwijzingen en wet- en regelgeving; niet op de inhoud van het betoog.
Hoe legt u aan burgers uit dat regels nageleefd moeten worden, terwijl tegelijkertijd zichtbaar wordt dat overtredingen op grote schaal zonder directe consequenties blijven? Wanneer worden eindelijk harde maatregelen genomen en zwaardere handhavingsmiddelen ingezet, zoals bijvoorbeeld de inzet van waterkannonen en zwaardere sancties?
Het demonstratierecht biedt veel ruimte voor diverse soorten acties, maar biedt demonstranten geen vrijbrief om zich niet aan de wet te houden. Strafrechtelijk optreden is dan ook mogelijk wanneer dit in de feiten en omstandigheden van het geval gerechtvaardigd is. Het is aan het lokaal gezag om tot een oordeel te komen of er sprake is van strafbare feiten en op welke manier hiertegen opgetreden wordt, waarbij dient te worden meegewogen dat de acties plaatsvinden ter uitoefening van een grondrecht.
Indien noodzakelijk treedt de politie op onder verantwoordelijkheid van het bevoegd gezag met de-escalatie als uitgangspunt. Waar inzet van geweldsmiddelen nodig is, gebeurt dit binnen de Ambtsinstructie en de beginselen van proportionaliteit, subsidiariteit en gematigdheid. Het OM heeft een zelfstandige bevoegdheid om te bepalen in welke zaken vervolgens vervolging wordt ingesteld.
In hoeverre vindt u het wenselijk dat werkende burgers hun dag moeten herinrichten omdat de overheid structureel ervoor kiest niet in te grijpen? Kunnen deze mensen hun (brandstof)kosten bij u declareren?
Acties die hinder teweeg brengen vergen telkens een zorgvuldige afweging door het lokaal gezag tussen het demonstratierecht en het beperken daarvan ter bescherming van de gezondheid, in het belang van het verkeer en ter bestrijding of voorkoming van wanordelijkheden.
De overheid is niet aansprakelijk voor schade als gevolg van strafbare feiten die door derden worden gepleegd. Er bestaat daarom geen regeling om indirecte kosten, zoals extra reistijd of brandstof, te declareren bij het Rijk naar aanleiding van verstoringen door derden. Wanneer partijen door een actie schade lijden, is het aan hen zelf om daarvan aangifte te doen en de schade op de vermeende daders te verhalen.
Het kabinet vindt het belangrijk dat daders die schade veroorzaken, deze zoveel mogelijk vergoeden en stimuleert dan ook het doen van aangifte bij vermoedens van strafbare feiten. Zoals toegezegd in de brief aan uw Kamer van 11 juli 2025 met betrekking tot de inzichten uit de dialoog over demonstreren en beschermen herdenkingen onderzoekt het kabinet op welke wijze wij partijen die schade lijden meer kunnen ondersteunen bij het verhalen van schade.3 Indachtig ook de motie d.d. 25 september 2025 van het lid Stoffer over bewerkstelligen dat relschoppers die het demonstratierecht misbruiken opdraaien voor de kosten voor de samenleving,4 brengt het kabinet samen met partijen die schade hebben geleden de belemmeringen die zij hierbij in de praktijk ervaren in kaart om deze zo veel mogelijk weg te kunnen nemen.
Ziet u aanleiding om nader te onderzoeken of organisaties die zich herhaaldelijk schuldig maken aan het ontwrichten van de openbare orde nog passen binnen de voorwaarden voor een ANBI-status? Zo nee, kunt u dit uitgebreid motiveren?
De toekenning en toetsing van de ANBI-status betreft een fiscale aangelegenheid en is aan de Belastingdienst. De belastinginspecteur zal een ANBI-status bij beschikking intrekken (of een aanvraag weigeren) indien niet (meer) wordt voldaan aan de wettelijke voorwaarden opgenomen in de Algemene wet inzake rijksbelastingen (AWR), waaronder de voorwaarden van het beogen van algemeen nut en de zogenoemde «integriteitstoets».
Het begrip «algemeen nut» is in de AWR neutraal vormgegeven en wordt, zoals ook uit de jurisprudentie blijkt, neutraal getoetst. Dat betekent dat een ANBI de vrijheid heeft om – binnen de in de wet genoemde categorieën5 – een door haar als algemeen nuttig beschouwde doelstelling na te streven. Dit neutrale karakter is een belangrijke eigenschap van de ANBI-regelgeving, omdat ANBI’s daarmee een afspiegeling zijn van een diverse samenleving waarbinnen verschillende doelen als algemeen nuttig worden gezien.
De integriteitstoets houdt in dat de ANBI-status door de inspecteur wordt ingetrokken als het hem kenbaar is dat de instelling of een bestuurder, feitelijk leidinggever of gezichtsbepalend persoon van die instelling onherroepelijk is veroordeeld wegens het opzettelijk plegen van een in de ANBI-regelgeving genoemd misdrijf.6 Het gaat hierbij om misdrijven als bedoeld in artikel 67, eerste lid, van het Wetboek van Strafvordering en de artikelen 137c, eerste lid, 137d, eerste lid, en 266 van het Wetboek van Strafrecht. Hieronder vallen onder andere misdrijven tegen de openbare orde. Voor intrekking op grond van de integriteitstoets is tevens vereist dat er niet meer dan vier jaar verstreken is sinds de veroordeling en dat het misdrijf gezien zijn aard of in samenhang met andere door de ANBI of genoemde personen begane misdrijven een ernstige inbreuk op de rechtsorde vormt. De Belastingdienst onderhoudt hiervoor contacten met het OM.
De ANBI-status wordt ook ingetrokken als de inspecteur gerede twijfel heeft over de integriteit van de instelling of van de eerdergenoemde personen én de instelling of persoon ondanks een verzoek daartoe van de inspecteur niet binnen zestien weken een verklaring omtrent gedrag (VOG) kan overleggen.7 Gerede twijfel veronderstelt dat de inspecteur niet te lichtvaardig kan overgaan tot het opvragen van een VOG.8
Verdenkingen, niet-vervolgbare activiteiten of gedrag dat simpelweg niet aansluit bij eenieders overtuiging van wat behoort tot het algemeen nut zijn geen redenen om de ANBI-status van een instelling in te trekken.
Het bericht 'Is de toename van het aantal besneden vrouwen nog te stoppen? – zomervakantie is risicoperiode' |
|
Etkin Armut (CDA), Bente Becker (VVD) |
|
David van Weel (VVD), Sophie Hermans (VVD) |
|
|
|
|
Bent u bekend met het bericht «Is de toename van het aantal besneden vrouwen nog te stoppen? – zomervakantie is risicoperiode»?1
Ja.
Wat is uw reactie op de constatering dat er in Nederland duizenden vrouwen en meisjes slachtoffer zijn van vrouwelijke genitale verminking?
Iedere vrouw en ieder meisje heeft recht op veiligheid en gezondheid. Vrouwelijke genitale verminking (VGV) is een ernstige schending van de mensenrechten en geen enkele vrouw of meisje zou hier slachtoffer van mogen worden. Uit het onderzoek van Pharos2 blijkt dat het geschatte aantal meisjes en vrouwen in Nederland dat VGV heeft ondergaan licht is gestegen: van ongeveer 41.000 in 2018 naar ongeveer 43.000 in 2023. De stijging hangt vooral samen met demografische ontwikkelingen en met een verfijning in de onderzoeksmethode. Er wonen meer meisjes en vrouwen in Nederland die afkomstig zijn uit landen waar VGV voorkomt. Daarnaast zijn in het huidige onderzoek alle meisjes en vrouwen uit Irak meegenomen. In de studie uit 2018 werden alleen meisjes en vrouwen uit de Koerdisch Autonome Regio in Irak meegenomen. Deze aanpassing vergroot de onderzoekspopulatie en heeft daarmee invloed op de schatting. Het is belangrijk te benadrukken dat het onderzoek werkt met schattingen en niet met exacte aantallen. De onderzoekers passen prevalentiecijfers uit landen van herkomst toe op de populatie meisjes en vrouwen in Nederland die afkomstig is uit landen waar VGV voorkomt. Als deze populatie groeit, kan ook het geschatte aantal meisjes en vrouwen met VGV toenemen.
De onderzoekers geven aan dat deze stijging niet betekent dat VGV vaker in Nederland wordt uitgevoerd. Er zijn geen signalen dat VGV na migratie in Nederland plaatsvindt. Veel vrouwen en meisjes die in de schatting zijn meegenomen, hebben VGV al vóór hun komst naar Nederland ondergaan.
Hoe wordt vrouwelijke genitale verminking momenteel geregistreerd in Nederland, en acht u deze registratie volledig en betrouwbaar?
De registratie van signalen of meldingen vindt plaats bij diverse organisaties. Zo kan de Jeugdgezondheidszorg (JGZ) signalen van VGV of het risico daarop registreren. De nieuw ontwikkelde richtlijnmodule voor de JGZ kan professionals daarbij ondersteunen. Met subsidie van VWS wordt ingezet op de afronding en implementatie van deze module. Daarnaast kunnen adviesvragen en/of meldingen van VGV worden gedaan en geregistreerd bij Veilig Thuis. Iedere professional die vermoedens heeft van (risico op) VGV moet hiervan een melding doen bij Veilig Thuis. Bekend is dat (zorg)professionals die in Nederland een slachtoffer zien van VGV, niet altijd een melding doen bij Veilig Thuis omdat dit de mogelijke ondersteuning van en hulp voor het slachtoffer in de weg staat, bijvoorbeeld door (verwachte) aantasting van de vertrouwensband tussen de professional en het slachtoffer als de professional melding doet. Registraties geven dan ook niet een totaalbeeld van de omvang van de problematiek weer. Het is echter belangrijk dat er altijd een melding wordt gedaan bij Veilig Thuis.
In hoeverre heeft u zicht op het aantal meisjes en vrouwen dat het risico loopt op vrouwelijke genitale verminking, in het bijzonder in relatie tot (gedwongen) uitreizen naar het buitenland?
Het onderzoek van Pharos laat zien dat het aantal meisjes dat reëel risico loopt om de komende twintig jaar slachtoffer te worden van VGV 2.606 (2023) is. Dit aantal is gedaald ten opzichte van 2018 (4.190). De daling van het risico hangt volgens de onderzoekers samen met factoren zoals veranderende normen en opvattingen onder de tweede generatie, veranderingen in normen en opvattingen na migratie en verfijning in het rekenmodel van het onderzoek. Dit duidt erop dat bewustwording en preventie effect hebben. Verder zijn er geen signalen van meisjes die na migratie naar Nederland slachtoffer zijn geworden van VGV (bijvoorbeeld tijdens verblijf in het land van herkomst). Met preventieve maatregelen, zoals voorlichting door de JGZ of de verklaring tegen meisjesbesnijdenis, wordt ingezet op het wegnemen van dit risico.
Het Ministerie van Buitenlandse Zaken levert consulaire bijstand aan Nederlandse slachtoffers in het buitenland. Er zijn enkele gevallen in 2024 (2) en in 2025 (1) bij het Ministerie van Buitenlandse Zaken bekend waarbij sprake was van achterlating in het buitenland in combinatie met (een vermoeden van) VGV, waarbij hulp werd geboden aan het slachtoffer om terug te keren naar Nederland.
Deelt u de opvatting dat de periode voorafgaand aan de zomervakantie een verhoogd risico met zich meebrengt en daarom een cruciaal moment is voor preventieve maatregelen in de aanpak van vrouwelijke genitale verminking? Zo ja, hoe wordt hierop ingezet?
De zomerperiode kan potentieel een verhoogd risico met zich meebrengen voor slachtofferschap van VGV. Het kabinet zet diverse preventieve maatregelen in om dit slachtofferschap (het gehele jaar door) te voorkomen. Zo werkt het kabinet in overleg met Schiphol aan een campagne op de luchthaven gericht op potentiële slachtoffers van VGV, huwelijksdwang, achterlating en mensenhandel. Het doel is om potentiële slachtoffers die op het punt staan uit te reizen, te wijzen op de mogelijkheid van spoedhulp bij dreiging van bovengenoemde risico’s. De afgelopen maanden is samen met veldorganisaties gekeken naar de opvolging door de Koninklijke Marechaussee, de inzet van beschermingsmaatregelen en eventuele opvang en zorg (via Veilig Thuis). Op dit moment wordt de campagne verder uitgewerkt. De campagne is gereed voor de zomervakantie.
Daarnaast worden er voor de schoolvakanties, waaronder de zomervakantie, nieuwsbrieven verstuurd naar onderwijsprofessionals om hen te attenderen op het risico, signalen en de meldroute in geval van signalen van VGV, huwelijksdwang of achterlating. De JGZ kan ouders die willen afreizen naar het land van herkomst de verklaring tegen meisjesbesnijdenis meegeven. In deze verklaring staan de risico’s en consequenties van VGV vermeld en is opgenomen dat VGV in Nederland als vorm van mishandeling strafbaar is. Deze verklaring is beschikbaar in acht talen.
Welke concrete preventieve maatregelen worden ingezet om vrouwelijke genitale verminking te voorkomen, potentiële slachtoffers te beschermen en risicovol uitreizen tegen te gaan?
Het Ministerie van OCW en SZW ondersteunen de Alliantie Verandering van Binnenuit 2.0 waarin Movisie, het consortium zelfbeschikking en LCC+ werken aan voorlichting en dialoogbijeenkomsten binnen christelijke en migrantengemeenschappen om mentaliteitsverandering te bereiken richting acceptatie van gendergelijkheid, seksuele- en genderdiversiteit en persoonlijke vrijheid in het algemeen. Middels deze primaire preventie wordt beoogd om de grondoorzaken van gendergerelateerd geweld – waaronder VGV – weg te nemen. Ook binnen de inburgeringstrajecten wordt aan preventie gewerkt, door voorlichting over onder andere het recht op zelfbeschikking en het feit dat VGV in Nederland verboden is en informatie over waar men terecht kan voor hulp of advies.
De JGZ voert gesprekken met ouders over de risico’s en gevolgen van VGV. In dit gesprek kan de JGZ voorlichting geven, ook over de Nederlandse wetgeving en de verklaring tegen meisjesbesnijdenis overhandigen. Bij concrete vermoedens of dreiging van VGV wordt gehandeld conform de meldcode huiselijk geweld en kindermishandeling, waarbij Veilig Thuis wordt ingeschakeld.
Op dit moment is het al mogelijk om voor minderjarige meisjes als sprake is van een hoog risico en acuut gevaar op VGV het uitreizen te voorkomen via de rechter door middel van een (spoed)kinderbeschermingsmaatregel, al dan niet in combinatie met een schriftelijke aanwijzing die het reizen met de minderjarige verbiedt. Daarnaast kunnen er in voorkomende gevallen contact- en gebiedsverboden worden opgelegd om het (potentiële) slachtoffer te beschermen.
Verder hebben de grenswachters een belangrijke radarfunctie ter voorkoming dat meisjes en/of vrouwen uitreizen naar het buitenland en daar slachtoffer worden van VGV. Momenteel wordt een applicatie voor de mobiele (dienst)telefoon ontwikkeld die grenswachters snel toegang geeft tot de indicatoren van (onder meer) VGV. Verder wordt in samenwerking met de Rijksdienst voor Identiteitsgegevens gewerkt aan een uitbreiding van de gezagsinformatie, waaronder de gezinssamenstelling. Dit inzicht kan bijdragen aan het onderkennen van de indicatoren van onder andere VGV.
Verder is in het coalitieakkoord de mogelijkheid voor een uitreisverbod bij onder meer het risico op VGV opgenomen. In de beleidsverkenning naar preventieve beschermingsbevelen die op dit moment wordt uitgevoerd, wordt dit meegenomen. De Minister van Justitie en Veiligheid verwacht de opbrengst van deze verkenning begin 2027 met uw Kamer te kunnen delen.
Welke concrete resultaten zijn sinds de strafbaarstelling van vrouwelijke genitale verminking van 30 jaar geleden geboekt in de preventie en strafrechtelijke aanpak van deze praktijk?
In het kader van preventie van VGV wordt ingezet op bewustwording en normverandering binnen (gesloten) gemeenschappen door de inzet van sleutelpersonen en worden door professionals (bijvoorbeeld in de JGZ) gesprekken gevoerd met ouders over de risico’s en consequenties van VGV voor de gezondheid van hun kinderen. Verder is de verklaring tegen meisjesbesnijdenis een middel dat preventief kan werken. Deze verklaring wordt uitgereikt aan ouders die van plan zijn af te reizen naar het land van herkomst. In de verklaring is onder andere opgenomen welke consequenties VGV heeft en dat dit strafbaar is in Nederland. De verklaring is beschikbaar in acht talen. Verder draagt Nederland bij aan projecten die VGV tegengaan in landen van herkomst, bijvoorbeeld in Afrika.
Zoals reeds toegelicht in het antwoord op vraag 4 wordt in het recente onderzoek van Pharos gewezen op het kleinere aantal meisjes dat reëel risico loopt om de komende twintig jaar slachtoffer te worden van VGV dan in 2018. De onderzoekers wijzen erop dat het verminderde risico op VGV voor de tweede generatie migranten onder andere het gevolg is van de verandering van normen en opvattingen in landen waar VGV voorkomt. Dit hangt onder meer samen met migratie en invloeden van onderwijs, wetgeving en preventie. Dit kan er op wijzen dat inspanningen gericht op bewustwording en preventie effect hebben.
Het strafrecht biedt een duidelijke norm en maakt opsporing, vervolging en bestraffing juridisch mogelijk. Dat neemt niet weg dat slechts heel weinig zaken een weg vinden naar de politie of het Openbaar Ministerie. Er zijn tot op heden geen veroordelingen bekend. Dit komt onder meer omdat er geen aangifte wordt gedaan. Het strafrecht is een belangrijk onderdeel binnen een integrale aanpak, en draagt met name bij aan normstelling, maar is op zichzelf onvoldoende voor een effectieve aanpak van VGV.
Acht u de huidige strafbaarstelling voldoende effectief? Hoe vaak heeft dit in de afgelopen 5 jaar geleid tot vervolging en veroordeling?
Zie antwoord vraag 7.
In hoeverre is het herkennen en signaleren van vrouwelijke genitale verminking onderdeel van de opleiding en nascholing van huisartsen en andere zorgprofessionals? Ziet u ruimte om deze deskundigheid en bewustwording te versterken en zo ja, hoe?
Het is belangrijk dat professionals de signalen van VGV vroegtijdig herkennen. Dit geldt ook voor zorgprofessionals. Voortdurende inzet op deskundigheidsbevordering blijft daarmee van belang. Er zijn diverse trainingen en e-learnings beschikbaar voor professionals. Specifiek gericht op huisartsen en verloskundigen is door Pharos opleidingsmateriaal ontwikkeld dat kan worden gebruikt in de opleidingen. Met subsidie van VWS wordt ingezet op verdere doorontwikkeling en verspreiding van dit opleidingsmateriaal.
Op welke manier en binnen welke termijn gaat u het mogelijk maken om een uitreisverbod op te kunnen leggen bij het risico op genitale verminking?
Zie het antwoord op vraag 6.
Welke aanvullende maatregelen kunnen worden genomen om (potentiële) slachtoffers beter in beeld te krijgen en hun bescherming te versterken?
De Staatssecretaris van Onderwijs en Emancipatie zet in op het versterken van de primaire preventie van alle vormen van geweld tegen vrouwen, waaronder VGV. Primaire preventie richt zich op het bevorderen van gendergelijkheid, het respecteren van wensen en grenzen, en het tegengaan van schadelijke opvattingen en stereotypen om daarmee gender weg te nemen als oorzaak van het ontstaan en voortduren van gendergerelateerd geweld tegen vrouwen. Een onderdeel is een op te richten mannenalliantie gericht op het versterken van de rol van mannen in het tegengaan van gendergerelateerd geweld. En er wordt toegewerkt naar de uitvoering van primaire preventiemaatregelen op gemeentelijk niveau om te zorgen voor een landelijk dekkende aanpak. Verder wordt door het kabinet op dit moment gewerkt aan een campagne op Schiphol, zoals in vraag 5 benoemd en worden de mogelijkheden voor preventieve beschermingsbevelen verder onderzocht.
Bent u bereid de inzet van sleutelpersonen en gemeenschapsgerichte aanpakken te intensiveren, zodat (potentiële) slachtoffers beter worden bereikt en hulp laagdrempeliger beschikbaar komt?
De subsidies aan organisaties die gemeenschapsgerichte aanpakken vormgeven en sleutelpersonen inzetten, zoals de alliantie Verandering van binnenuit 2.0 en de subsidies aan Movisie en FSAN, lopen tot eind 2027. Bij het opstellen van het nieuwe Nationaal Actieplan geweld tegen vrouwen en huiselijk geweld zal worden bezien hoe deze aanpak wordt vervolgd.
Wat is er concreet verbeterd in de aanpak van vrouwelijke genitale verminking sinds de beleidsreactie op het WODC-onderzoek «Over Grenzen» (over preventieve beschermingsbevelen bij onder andere vrouwelijke genitale verminking)?2
De beleidsverkenning naar de preventieve beschermingsbevelen (en het uitreisverbod) wordt momenteel uitgevoerd. Uw Kamer wordt hier begin 2027 nader over geïnformeerd.
In hoeverre wordt de meldcode huiselijk geweld en kindermishandeling toegepast bij signalen van vrouwelijke genitale verminking?
VGV is een vorm van huiselijk geweld of kindermishandeling en valt onder de meldcode huiselijk geweld en kindermishandeling. Professionals die onder de meldcode vallen zijn verplicht de stappen van de meldcode te doorlopen. Bij signalen of vermoedens van VGV is het de professionele norm dat er altijd contact wordt gezocht met Veilig Thuis.
De kostenverschuiving en de kosten voor de belastingbetaler van het Food and Feed Safety Simplification Omnibuspakket. |
|
Ines Kostić (PvdD) |
|
Silvio Erkens (VVD) |
|
|
|
|
Herinnert u zich dat het kabinet in het BNC-fiche over het Omnibuspakket veiligheid van voedsel en diervoeder heeft uitgesproken dat het kabinet wil voorkomen dat de voorstellen Europese en nationale doelen ondermijnen en het belangrijk vindt dat er geen risico’s zijn voor de bescherming van mens, dier en milieu, de naleving van internationale verplichtingen en nationale en Europese doelen (Kamerstuk 22 112, nr. 4261)?
Ja.
Bent u ermee bekend dat het kabinet in het BNC-fiche over het Omnibuspakket er al op wees en waarschuwde voor dat het pakket kan leiden tot een onevenredige verschuiving van kosten voor het monitoren het bedrijfsleven naar Europese Autoriteit voor Voedselveiligheid (EFSA) en de lidstaten en dat het kabinet deze kostenverschuiving als zeer onwenselijk bestempelde?
Het Omnibuspakket heeft als doel regeldruk en administratieve lasten te verlichten en die ambitie deel ik. Eén van de vele voorstellen in de Omnibus is een voorstel Vo 1831/2003 aan te passen zodat diervoederadditieven, na het doorlopen van een uitgebreid toelatingsproces, voor onbepaalde tijd worden toegelaten. Dit specifieke voorstel doet niets af aan de verantwoordelijkheid die de producent draagt voor de veiligheid van hun product en de verantwoordelijkheid van de overheid om toezicht te houden op die veiligheid.
In het BNC-fiche heb ik uitsluitend met betrekking tot dit voorstel, dat specifiek over diervoederadditieven gaat, de zorg geuit dat het mogelijk kan leiden tot een kostenverschuiving van het bedrijfsleven naar overheden en EFSA, bijvoorbeeld voor een veiligheidsmonitoring. Of dit in de praktijk daadwerkelijk het geval zal zijn, moet nog blijken. Tegelijkertijd zie ik ook gunstige elementen. Doordat diervoederadditieven niet langer verplicht elke tien jaar een herbeoordeling hoeven te ondergaan, kan dit tijd en middelen besparen. Met name EFSA kan deze vrijgekomen capaciteit elders inzetten. Daarnaast krijgt EFSA ook extra bevoegdheden, zoals de mogelijkheid om dossiers rechtstreeks bij bedrijven op te vragen.
Op dit moment lopen de onderhandelingen over het Omnibuspakket nog in Brussel. In dat proces blijf ik dit specifieke punt nauwlettend volgen en waar nodig zal ik het onder de aandacht zal brengen bij de Commissie. Wel wil ik benadrukken dat dit voorstel slechts één van de vele voorstellen is uit het gehele Omnibuspakket en dat mijn waardering van, en toekomstige besluitvorming over, het pakket als geheel gebaseerd zal zijn op een gebalanceerde afweging van alle voorstellen in het pakket.
Bent u ermee bekend dat de EU-wetenschapstoets (Kamerstuk 2026D18869) aangeeft dat de voorstellen uit het Omnibuspakket niet zullen leiden tot vermindering van administratieve lasten, een gelijk speelveld, versnelde innovaties en toelatingen?
Ik ben bekend met dit Kamerstuk. Deze is expliciet toegespitst op gewasbeschermingsmiddelen.
Bent u ermee bekend dat dit volgens de wetenschappers resulteert in extra kosten voor de Nederlandse maatschappij door onder andere de verhoogde capaciteitseisen voor monitoring, controle, metingen en de kostenverschuiving die hierboven genoemd is?
De zienswijze op het wijzigingsvoorstel voor Vo 1831/2003 betreft diervoederadditieven, terwijl de EU-wetenschapstoets zich specifiek richt op gewasbeschermingsmiddelen. Zodoende hangen deze uitspraken niet met elkaar samen.
Aangezien het belangrijk is voor een goede besluitvorming dat de Kamer en het kabinet weten wat de (extra) kosten zullen zijn, bent u bereid om een zo volledig mogelijke inschatting te (laten) maken van de kosten die de voorliggende voorstellen in het Omnibuspakket met zich meebrengen voor de Nederlandse maatschappij en Nederlandse belastingbetaler? Kunt u dit vóór het plenaire debat over het Omnibuspakket met de Kamer delen?
In het BNC-fiche is benoemd dat er voor aantal voorstellen consequenties voor rijksoverheid en/of medeoverheden zijn voorzien. Zoals benoemd in de beantwoording van vraag 2, kunnen de voorstellen voor diervoederadditieven mogelijk tot zowel kostenbesparingen als extra kosten leiden. Enerzijds vervallen er werkzaamheden voor de herbeoordeling van diervoederadditieven, maar mogelijk komen er kosten bij voor de monitoring van de veiligheid van diervoederadditieven. Op dit moment lopen de onderhandelingen over het Omnibuspakket nog in Brussel. Het is daardoor niet mogelijk om definitief beeld te schetsen van de financiële consequenties.
Kunt u deze vragen één voor één beantwoorden vóór het plenaire debat over het Omnibuspakket?
Ja.
De Zembla-uitzending 'Gokkers in je tijdlijn'. |
|
Tijs van den Brink (CDA), Jan Struijs (50PLUS), Mirjam Bikker (CU), Diederik van Dijk (SGP), Laurens Dassen (Volt), Sarah Dobbe (SP) |
|
van Bruggen |
|
|
|
|
Bent u bekend met de Zembla uitzending «Gokkers in je tijdlijn», waarin wordt gesteld dat ondanks het rolmodellenverbod sinds 2022 meer dan de helft van de legale online gokaanbieders nog altijd betrokken is bij influencer en affiliate constructies?1
Ja.
Wat is uw reactie op de bevindingen uit deze uitzending, en wat zegt dit volgens u over de werking van het rolmodellenverbod en het Besluit ongerichte reclame kansspelen op afstand (Besluit orka)?
Ik vind de signalen die naar voren komen in de uitzending van Zembla zorgelijk en neem deze serieus. Het inzetten van rolmodellen, waaronder streamers en influencers, voor online kansspelreclame is sinds de inwerkingtreding van het rolmodellenverbod per 30 juni 2022 niet toegestaan. Dit verbod is destijds ingevoerd om met name jongeren en jongvolwassenen beter te beschermen tegen de risico’s van kansspelen en negatieve beïnvloeding door rolmodellen in dat kader. Jongeren zijn bijzonder kwetsbaar voor beïnvloeding, omdat de impulscontrole op die leeftijd nog onvoldoende is ontwikkeld.
Het beeld dat uit de uitzending naar voren komt, laat zien dat er in de praktijk constructies zijn gebruikt die op gespannen voet staan met de bedoeling van de regelgeving. Dat vind ik kwalijk, des te meer als deze constructies gebruikt worden om jongeren te bereiken.
De Kansspelautoriteit (Ksa) is belast met het toezicht op de naleving van de reclameregels voor kansspelen en heeft aangegeven dat zij, mede op basis van ontvangen signalen, haar handhaving op dit punt heeft geïntensiveerd.
Klopt het dat er na deze uitzending in feite twee conclusies mogelijk zijn: ofwel het rolmodellenverbod was juridisch duidelijk maar is jarenlang onvoldoende gehandhaafd, ofwel het verbod was zo onduidelijk dat aanbieders via influencers, streamers en affiliates materieel hetzelfde konden blijven doen als verboden reclame? Welke conclusie acht u de juiste, en wat gaat u doen om dit probleem op te lossen?
Ik kom niet tot één van beide geschetste conclusies. Het rolmodellenverbod is zowel in de tekst van de regelgeving als in de toelichting daarop duidelijk van toepassing op influencers en daarmee op streamers.
In de uitzending van Zembla wordt weergegeven dat in de praktijk constructies zijn toegepast waarbij is getracht de reikwijdte van het verbod te beperken. Naar aanleiding van signalen hierover heeft de Ksa haar toezicht en handhaving op deze constructies gericht en verduidelijkt dat dergelijke constructies in strijd zijn met de regels. Zoals ook in de Zembla-uitzending genoemd wordt, hebben de aangesproken vergunninghouders hun overeenkomsten met deze streamers en hun platforms beëindigd. Om eventuele verdere onduidelijkheid, onder andere op dit punt, weg te nemen, heeft de Ksa in februari van dit jaar het rolmodellenverbod verder verduidelijkt.2
Hoeveel onderzoeken heeft de Kansspelautoriteit sinds 2022 ingesteld naar overtredingen van het rolmodellenverbod en verwante reclamebeperkingen, en welke sancties zijn daarbij opgelegd? Acht u deze handhaving effectief?
De Ksa houdt doorlopend toezicht op de naleving van het rolmodellenverbod en aanverwante reclamebeperkingen. Daarbij verricht de Ksa risicogestuurd onderzoek naar mogelijke overtredingen, onder meer op basis van signalen, meldingen en eigen monitoring. De Ksa rapporteert hierover periodiek in onder meer haar jaarverslagen en toezichtcommunicatie. Exacte cijfers worden daar niet bij genoemd. Wel blijkt uit het jaarverslag 2025 dat de Ksa ook in dat jaar nog een aantal overtredingen van het rolmodellenverbod heeft geconstateerd. De Ksa geeft aan daartegen te hebben opgetreden en hierover actief te hebben gecommuniceerd, mede om toekomstige overtredingen te voorkomen. Daarnaast zijn waarschuwingen gegeven bij overtredingen van het verbod op sportsponsoring, waarna de betreffende reclame-uitingen zijn beëindigd. Er zijn geen grote overtredingen geconstateerd na invoering van het verbod op sportsponsoring per 1 juli 2025. De kleinere overtredingen, zoals het verkopen van merchandise met het logo van een kansspelaanbieder, zijn gestaakt nadat de desbetreffende aanbieders hierop zijn aangesproken.
De Ksa maakt gebruik van zowel formele als informele toezichtinterventies. Uit het jaarverslag blijkt dat in 2025 nadrukkelijker is ingezet op informele interventies, met name op het terrein van reclame, om overtredingen snel te beëindigen en aanbieders duidelijkheid te geven over de geldende normen.
In algemene zin blijkt uit de meest recente monitoringsrapportages van de Ksa dat de zichtbaarheid van kansspelreclame sinds de invoering van de aangescherpte regels is afgenomen, ook in de online omgeving. Tegelijkertijd wordt geconstateerd dat reclame via sociale media een belangrijk aandachtspunt blijft. De Ksa heeft aangegeven haar toezicht daarop verder te intensiveren.
Erkent u dat het beschermingsdoel van het rolmodellenverbod niet kan worden uitgehold door te verwijzen naar juridische constructies (zoals contracten met affiliates of websites) wanneer het feitelijke effect gelijk blijft: normalisering van gokken en beïnvloeding van jongeren en kwetsbare groepen? Bent u bereid vast te leggen dat bij toezicht en handhaving de feitelijke beïnvloeding leidend is in plaats van de contractvorm?
Ja, het uitgangspunt van het rolmodellenverbod is bescherming van mensen tegen risico’s van gokken, in het bijzonder kwetsbare groepen zoals jongeren.
In de beleidsregels en de toezichtspraktijk heeft de Ksa verduidelijkt dat influencers die via affiliatie reclame maken ook onder het rolmodellenverbod vallen. Aanbieders zijn verantwoordelijk voor alle werving- en reclameboodschappen waar zij direct of indirect voor betalen. Deze werving en reclame moet telkens aan de wet- en regelgeving voldoen.
Deelt u de zorg dat jongeren en jongvolwassenen via influencers, livestreams en «informatieve» content alsnog structureel met gokreclame worden geconfronteerd, juist omdat deze minder herkenbaar en daardoor effectiever kan zijn? Hoe wordt deze blootstelling momenteel gemonitord en bent u bereid die monitoring te versterken?
Ja, die zorg deel ik. Juist reclame via influencers, livestreams en content die informerend van aard lijkt te zijn, kan voor kwetsbare groepen, waaronder jongeren en jongvolwassenen, minder herkenbaar zijn als reclame.
De Ksa monitort actief het gebruik van rolmodellen, zoals influencers en streamers, bij zowel legale als illegale gokaanbieders. Daaronder vallen ook uitingen op sociale mediaplatforms, livestreamingsdiensten en andere online kanalen waar jongeren en jongvolwassenen vaak actief zijn. Hiervoor gebruikt de Ksa verschillende monitoringsinstrumenten. Daarnaast heeft de Ksa een doorlopend proces om signalen over de inzet van rolmodellen voor gokreclame direct op te pakken. Dan gaat het bijvoorbeeld om signalen van consumenten, maatschappelijke organisaties en andere toezichthouders. De Ksa geeft daarbij prioriteit aan interventies gericht op het aanpakken van illegale gokreclame met bijzondere aandacht voor de bescherming van kwetsbare groepen.
Tegelijkertijd is toezicht op online content complex, omdat er sprake is van veel uitingen die, als het gaat om illegaal aanbod, snel worden aangepast of verwijderd. Daarom houdt de Ksa risicogestuurd toezicht waarbij met de capaciteit en middelen die voorhanden zijn een inschatting wordt gemaakt van het risico van bepaalde signalen. Ik kijk bij de voorziene wetswijziging voor online gokken ook naar uitvoeringsaspecten in monitoring, toezicht en handhaving op het gebied van reclame.
Deelt u de opvatting dat websites, vergelijkingspagina’s, streamkanalen en affiliate constructies die financieel afhankelijk zijn van speelgedrag of verliezen van spelers, feitelijk functioneren als verkapte reclame en niet als neutrale informatievoorziening? Acht u het wenselijk dat zulke constructies binnen het huidige reclameregime zijn toegestaan?
Wanneer sprake is van reclame, moeten deze uitingen als zodanig herkenbaar zijn en voldoen aan de geldende wet- en regelgeving. Dit geldt ook voor vergelijkingssites, affiliates en andere. De vergunde aanbieders van kansspelen zijn ervoor verantwoordelijk dat in de overeenkomsten met reclamepartijen deze regels worden nageleefd.
Nu het zo lijkt te zijn dat dat het onderscheid tussen directe reclame, indirecte promotie, affiliates en zogenaamd informatieve doorverwijzing voor spelers nauwelijks nog zichtbaar en voor toezicht steeds moeilijker handhaafbaar is, deelt u de mening dat reclame voor online kansspelen in brede zin zou moeten worden verboden, juist om administratief ontwijken te voorkomen?
In lijn met het coalitieakkoord werk ik aan een verbod op reclame voor online kansspelen. Bij de vormgeving daarvan kijk ik nadrukkelijk naar de uitvoerbaarheid en handhaafbaarheid, mede met het oog op het voorkomen van ontwijkingsgedrag.
Bent u bekend met de oproep van Verslavingskunde Nederland en de Nederlandse ggz voor een totaalverbod op gokreclame? Deelt u de opvatting dat een dergelijk verbod effectiever en eenvoudiger handhaafbaar kan zijn dan in elk geval het huidige stelsel van gedeeltelijke beperkingen maar ook het in het coalitieakkoord aangekondigde reclameverbod voor online gokken?
Ja, ik ben bekend met deze oproep. Voor zover bij mij bekend betreft de oproep van de Nederlandse ggz en Verslavingskunde Nederland een volledig reclameverbod voor online gokken, zoals ook geuit in een eerdere brief aan de vaste Kamercommissie voor Justitie en Veiligheid.3
Zoals aangegeven in mijn antwoord op vraag 8 werk ik, in lijn met het coalitieakkoord en de oproep van de Nederlandse ggz en Verslavingskunde Nederland, aan een verbod op reclame voor online kansspelen. Daarbij vind ik het van belang dat het verbod uitvoerbaar en handhaafbaar is, mede met het oog op het voorkomen van ontwijkingsgedrag. Eenduidigheid in regelgeving kan daaraan bijdragen. Ik geef nu prioriteit aan wijzigingen in wet- en regelgeving voor kansspelen op afstand in verband met de zorgelijke ontwikkelingen aldaar. Nadat het wetgevingstraject rond kansspelen op afstand is afgerond, buig ik mij over de eventuele resterende vraagstukken met betrekking tot het landgebonden aanbod.
Kunt u deze vragen afzonderlijk en ruim voorafgaand aan het commissiedebat over kansspelen op 24 juni 2026 beantwoorden?
Ja.
Het bericht 'Nu Trump de geldkraan voor aidsbestrijding dichtdraait dreigt Zuid-Afrika 'twintig jaar terug te gaan in de tijd' |
|
Marc Vervuurt (D66), Mpanzu Bamenga (D66) |
|
Sjoerd Sjoerdsma (D66) |
|
|
|
|
Ben u bekend met het artikel van Trouw waarin wordt gesteld dat door Amerikaanse beleidswijzigingen en daardoor het wegvallen van Pepfar de financiering van hiv/aids-programma’s in Zuid-Afrika aanzienlijk is verminderd?1
Ja.
Hoe beoordeelt u de signalen dat door deze financieringswijzigingen hiv-testcapaciteit, preventieprogramma’s en lokale zorgstructuren onder druk zijn komen te staan?
De signalen dat testcapaciteit, preventieprogramma’s en lokale zorgstructuren onder druk staan, neem ik serieus. Financiering is essentieel voor het functioneren van zorgsystemen en voor een effectieve preventie. Abrupte veranderingen kunnen directe gevolgen hebben voor de toegankelijkheid en kwaliteit van zorg. Volgens recent PEPFAR persbericht zijn Amerikaanse uitgaven voor tegengaan van hiv-aids met 30% gedaald, maar blijft de VS een significante donor op dit gebied.
Deelt u de analyse dat juist het teruglopen van testen en preventie kan leiden tot een structurele toename van nieuwe infecties op middellange termijn?
Ja, die analyse deel ik. Verminderde toegang tot testen en preventie kan op middellange termijn leiden tot een toename van nieuwe hiv-infecties. Als meer mensen geïnfecteerd raken en minder mensen hun hiv-status kennen, is de kans op verdere transmissie groter. Dit kan eerder behaalde vooruitgang in de bestrijding van hiv-aids afremmen.
Hoe beoordeelt u de specifieke impact van deze financieringsstop op kwetsbare groepen, waaronder lhbtiq+-gemeenschappen, zwangere vrouwen en kinderen?
Kwetsbare groepen, zoals lhbtiq+ gemeenschappen, zwangere vrouwen en kinderen, maar ook sekswerkers en mensen die drugs gebruiken worden doorgaans onevenredig hard geraakt door de gevolgen van teruglopende financiering.
Deelt u de zorg over het afhaken van besmette personen voor behandeling waardoor behaalde winst teniet wordt gedaan?
Ja, die zorg deel ik. Om het virus te onderdrukken hebben mensen die leven met hiv, levenslang medicatie nodig. In gevallen waar toegang tot deze behandeling plots wegvalt, vormt dit een groot risico voor de eigen gezondheid en voor de beheersing van de infectieziekte.
In hoeverre acht u het risico reëel dat Zuid-Afrika, en mogelijk andere landen in Afrika, «twintig jaar terug» worden gezet in de bestrijding van hiv/aids?
De vooruitgang kan deels verloren gaan als financiering structureel vermindert. Voor Zuid-Afrika, als middeninkomensland, geldt dat de overheid het merendeel (76%) van de aidsbestrijding financiert vanuit het nationaal budget (in 2.024 USD 1.6 miljard), wat het risico op terugval beperkt. Echter, omliggende landen met minder budgettaire ruimte lopen een groter risico. Gerichte internationale steun blijft daarom van belang. Ondanks de daling van 30%, blijft de VS een significante donor in de hiv-bestrijding in Afrikaanse landen.
Welke mogelijke consequenties voorziet u door deze ontwikkeling voor de mondiale gezondheidsdoelen, waaronder het streven om aids in 2030 te beëindigen?
Deze ontwikkeling kan het behalen van mondiale gezondheidsdoelen, waaronder het beëindigen van aids als dreiging voor de volksgezondheid in 2030 bemoeilijken. Data van UNAIDS over toekomstige scenario’s tonen aan dat eerder geboekte vooruitgang verloren kan gaan als voldoende financiering voor preventie, diagnose en behandeling ontbreekt.
Welke rol speelt de Europese Unie (EU) en Nederland momenteel in het opvangen van de financieringskloof die ontstaat door Amerikaanse terugtrekking? Is het reeds besproken op EU-niveau? Zo nee, bent u bereid om dit op Europees niveau te agenderen?
De Europese Unie en Nederland steunen via multilaterale fondsen en maatschappelijke organisaties de versterking van nationale hiv/aids-bestrijdingsprogramma’s in het mondiale zuiden. Nederland hecht aan duurzame, voorspelbare en effectieve financiering voor gezondheidsbeleid en draagt daaraan bij via diplomatieke inzet voor efficiëntere gezondheidssystemen. Door Nederland gesteunde fondsen als het Global Fund to fight AIDS, Tuberculosis and Malaria hanteren daarbij het uitgangspunt dat partnerlanden meer eigen middelen inzetten naarmate hun inkomensniveau stijgt. Op die manier kan externe financiering geleidelijk worden afgebouwd. Ook via de Nederlandse bijdrage aan de Global Financing Facility van de Wereldbank worden landen gestimuleerd eigen budget vrij te maken voor gezondheidsbeleid.
Op EU-niveau heeft Nederland het stopzetten van USAID besproken in overleggen over de EU Mondiale Gezondheidsstrategie en het EU Global Health Resilience Initiative. Nederland pleit daarbij voor een sterke en gecoördineerde Europese aanpak om de positieve impact te vergroten. De weggevallen Amerikaanse financiering kan echter niet door Nederland en de EU worden gecompenseerd. Daarvoor is de weggevallen steun te omvangrijk.
Is Nederland voornemens zijn bijdrage aan internationale hiv/aids-programma’s te verhogen? Zo nee, waarom niet?
Nederland blijft zich inzetten voor mondiale gezondheid en het tegengaan van hiv-aids binnen de bestaande budgettaire kaders.
Zo is Nederland de grootste donor van UNAIDS (EUR 18,2 miljoen in 2026). Ook draagt het jaarlijks bij aan Global Fund to fight AIDS, Tuberculosis and Malaria (EUR 48,8 miljoen). Daarnaast loopt er een hiv-aids programma in Zuidelijk Afrika (EUR 9,8 miljoen in 2026).
Het kabinet is voornemens in 2026 een nieuw hiv/aids programma (EUR 100 miljoen 2026- 2030) te starten in 7 landen in Zuidelijk Afrika, waaronder Zuid-Afrika. De Nederlandse bijdrage aan internationale hiv-aids programma’s in 2026 zal daarmee uitkomen op ongeveer EUR 81 mijloen.
De Verenigde Staten (VS) heeft niet alleen de totale hoeveelheid financiering sterk verminderd, maar stelt, in de vorm van de uitgebreide global gag rule, ook verstrekkende voorwaarden aan wat voor een werk organisaties en landen mogen doen die Amerikaanse steun krijgen, hoe beoordeelt u deze uitgebreide global gag rule?
Het kabinet staat pal voor mensenrechten en seksuele en reproductieve gezondheid en rechten (SRGR). Deze staan wereldwijd onder druk en dat is zorgwekkend. De inzet van het kabinet blijft erop gericht om, in gezamenlijkheid met andere landen, bestaande internationale afspraken op het gebied van mensenrechten, SRGR en gendergelijkheid te beschermen en organisaties die zich hiervoor inzetten duurzaam te ondersteunen.
Welke effecten op de strijd tegen hiv/aids voorziet u als gevolg van de uitgebreide global gag rule? Kunnen deze regels ook impact hebben op de effectiviteit van Nederlandse investeringen, bijvoorbeeld in hiv/aids? Zo ja, welke stappen neemt u om de impact van de regels op Nederlandse investeringen te minimaliseren?
De daadwerkelijke impact van het Amerikaanse beleid is nog niet helder. Het beleid geldt voor nieuwe bijdragen van de VS en werkt niet met terugwerkende kracht. De VS heeft aangegeven dat een ontheffing (waiver) mogelijk is op dit beleid. Het is nog onduidelijk of, voor wie en waarvoor de VS dergelijke ontheffingen gaat toekennen.
Echter, als een organisatie niet meer kan werken op het gebied van diversiteit en inclusie, kan dit de toegang van gemarginaliseerde groepen tot gezondheidszorg belemmeren. Dit kan leiden tot een toename in hiv-infecties wereldwijd.
Het Amerikaanse beleid kan worden toegepast op organisaties die Nederlandse financiering ontvangen. Het kabinet zet zich in om via eigen programma’s en partnerschappen de eventuele negatieve effecten hiervan zoveel mogelijk te beperken. Zo gaan we het gesprek aan met organisaties waarvan we weten dat zij ook financiering van de VS ontvangen. Tegelijkertijd zal Nederland zich nog nadrukkelijker diplomatiek en politiek inspannen voor toegang tot goede gezondheidszorg, inclusief SRGR, voor iedereen. Wij zoeken hierbij de samenwerking met gelijkgezinden, om samen bij te dragen aan aidsbestrijding.
Bent u bereid in EU- en multilateraal verband actief te pleiten voor het stabiliseren van financiering voor hiv/aids-programma’s? Zo ja, op welke termijn en via welke kanalen?
Nederland zet zich zowel in EU- als multilateraal verband actief in voor een effectieve mondiale aidsbestrijding, met een nadrukkelijke focus op de mensenrechtenbenadering (tegengaan van stigma en discriminatie van gemarginaliseerde groepen) hierbinnen. Nederland zet tijdens de onderhandelingen over de nieuwe Global Europe-pijler van het Meerjarig Financieel Kader (MFK), in op aandacht voor zowel mondiale gezondheid als seksuele en reproductieve gezondheid en rechten (inclusief hiv-aids).
Op multilateraal niveau zal Nederland tijdens de vijfjaarlijkse VN High Level Meeting on HIV/AIDS in juni pleiten voor de aanname van een sterke politieke verklaring, waarmee het internationale politieke draagvlak voor een effectieve en duurzaam gefinancierde mondiale aidsbestrijding opnieuw bevestigd wordt. Verder is Nederland op dit moment de voorzitter van de Programme Coordinating Board (PCB) van UNAIDS. In deze rol maakt Nederland zich sterk voor duurzame financiering en integratie van hiv-aids aanpak binnen brede gezondheidszorg. Binnen het hervormingsproces van de VN (UN80) zet Nederland zich actief in voor een succesvolle transitie van UNAIDS en het behoud van een sterke multi-sectorale, community-led en op mensenrechten gebaseerde mondiale hiv/aids aanpak.Nederland vervult hiermee een erkende voortrekkersrol binnen de mondiale aidsbestrijding op Europees en multilateraal niveau.
Ziet u naar aanleiding van een terugtrekkende VS mogelijkheden om Europese landen sterker te positioneren als een betrouwbare en stabiele partner op het vlak van mondiale gezondheid en seksuele en reproductieve gezondheid en rechten in het Afrikaanse continent?
De EU en Europese lidstaten zijn samen een van de grootste donoren op het gebied van mondiale gezondheid in Afrika. Deze positie brengt mogelijkheden om gezamenlijk te werken aan een grotere impact op het vlak van mondiale gezondheid en SRGR in Afrikaanse landen. Zie beantwoording vraag 8.
De EU en lidstaten werken al veel samen op het gebied van gezondheid en SRGR, inclusief hiv-aids in Afrika binnen de kaders van de EU mondiale gezondheidsstrategie. Zo werkt NL samen met EU lidstaten aan een versterkte samenwerking en coördinatie op het gebied van SRGR in de context van het Team Europe Initiatief SRGR. Nederland is een actieve en vastberaden partner met name op gelijke toegang tot seksuele en reproductieve gezondheidszorg, specifiek voor gemarginaliseerde groepen.
Een sterkere positionering vereist eensgezindheid binnen de EU op SRGR. Dit vergt voortdurend diplomatieke inspanningen waarvoor Nederland zich met gelijkgezinden blijft inzetten.
Kunt u deze vragen individueel beantwoorden voorgaand aan het commissiedebat Raad Buitenlandse Zaken Ontwikkeling van 12 mei aanstaande?
Helaas is dat niet gelukt.
De toename van huiselijk geweld |
|
Nicole Moinat (PVV) |
|
Mirjam Sterk (CDA) |
|
|
|
|
Bent u bekend met het bericht «Voor het eerst sinds 2022 meer huiselijk geweld in het Westland» en soortgelijke berichten over een stijging van huiselijk geweld in onder meer Westland, Epe, Arnhem en Alphen aan den Rijn?1
Ja, ik ben bekend met het bericht.
Erkent u dat dit geen incidenten zijn, maar een landelijke trend?
Ik herken het beeld dat het aantal meldingen en adviezen dat Veilig Thuis landelijk ontvangt een stijgende trend laat zien. Deze stijging is al enkele jaren zichtbaar. Het is belangrijk om bij deze cijfers een splitsing aan te brengen tussen het aantal adviesvragen en het aantal meldingen. De cijfers van beide categorieën stijgen namelijk niet evenredig: zo is het aantal meldingen in 2025 ten opzichte van 2024 met ongeveer 5% gestegen, terwijl het aantal adviesvragen in dezelfde periode met 16% is gestegen. Een vergelijkbaar verschil was ook in 2024 al zichtbaar ten opzichte van 2023. De snellere groei van het aantal adviesvragen lijkt te laten zien dat Veilig Thuis vaker al in een vroeg stadium wordt betrokken. Mensen zoeken sneller advies bij signalen of twijfel, nog voordat situaties escaleren. Daarbij nemen ook direct betrokkenen vaker zelf contact op met Veilig Thuis voor advies. Deze verschuiving naar de «voorkant» betekent dat Veilig Thuis steeds vaker en eerder meedenkt, adviseert en ondersteunt, zodat betrokkenen waar mogelijk zelf stappen kunnen zetten om de veiligheid te verbeteren en escalatie te voorkomen. Deze trend sluit aan bij de inzet die hierop is gepleegd, bijvoorbeeld met campagnes en het versterken van de adviesfunctie van Veilig Thuis. Een tweede belangrijke nuancering bij deze cijfers is dat de stijging in aantallen niet per definitie hoeft te betekenen dat huiselijk geweld vaker vóórkomt; deze cijfers lijken er vooral op te wijzen dat huiselijk geweld eerder en vaker in beeld komt. Dat is ook precies de inzet geweest van de diverse grootschalige publiekscampagnes van afgelopen jaren. Een causaal verband is hierbij niet te geven, maar de relatief sterker stijgende groei van het aantal adviesvragen ten opzichte van het aantal meldingen lijkt hier wel sterk op te wijzen.
Klopt het dat in ongeveer de helft van de gevallen sprake is van kindermishandeling?
Op basis van de cijfers van Veilig Thuis kan niet worden vastgesteld dat in de helft van de gevallen daadwerkelijk sprake is van kindermishandeling. Het gaat hierbij om signalen en vermoedens en niet om vastgestelde kindermishandeling. Ongeveer de helft van alle meldingen en adviesvragen bij Veilig Thuis heeft betrekking op vermoedens van kindermishandeling. Dit percentage is de afgelopen jaren stabiel gebleven. De totale aantallen laten zien dat zowel het aantal meldingen als het aantal adviesvragen toeneemt. Zoals ook toegelicht in het antwoord op vraag 2 kan dit duiden op een ontwikkeling waarbij signalen eerder worden opgepakt en Veilig Thuis vaker in een vroeg stadium wordt betrokken om mee te denken en te adviseren.
Klopt het dat ook ouderen (65+) steeds vaker slachtoffer zijn van mishandeling en verwaarlozing binnen de huiselijke sfeer?
Op basis van de cijfers van Veilig Thuis kan niet worden vastgesteld dat ouderen (65+) vaker slachtoffer zijn van mishandeling en verwaarlozing. Wel is zichtbaar dat het aantal meldingen van huiselijk geweld in de brede zin is toegenomen. Ouderenmishandeling vormt daarin een relatief klein deel van het totaal en er zijn geen aanwijzingen dat dit aandeel sneller stijgt. De cijfers hebben betrekking op meldingen en adviezen en geven daarmee inzicht in hoeveel gevallen in beeld komen, niet in de daadwerkelijke omvang van ouderenmishandeling.
Hoe groot is het aandeel partner- en ex-partnergeweld in de meldingen bij Veilig Thuis?
Het aantal meldingen van (ex-)partnergeweld bedroeg in 2025 53.485. Op een totaal van 136.325 meldingen, bedraagt het aantal meldingen van (ex-)partnergeweld daarmee 39 procent.
In hoeveel van de 25 Veilig Thuis-regio’s stijgen de cijfers momenteel?
Het aantal meldingen is in 2025 ten opzichte van 2024 in acht Veilig Thuis regio’s gedaald en in zeventien Veilig Thuis regio’s gestegen. Het aantal adviesvragen is in dezelfde periode in twee regio’s gedaald en in drieëntwintig regio’s gestegen.
Hoe verklaart u deze brede stijging bij kinderen, partners én ouderen ondanks jarenlang beleid?
Zoals toegelicht bij vraag 2 is er een verschil tussen de stijging in aantal meldingen en het aantal adviesvragen en dienen de cijfers met nuance te worden bezien. De stijging kan niet aan één specifieke oorzaak worden toegeschreven. Deze kan mogelijk samenhangen met verbeterde signalering, een grotere bereidheid van professionals en burgers om te melden en/of advies te vragen en een toegenomen bekendheid van Veilig Thuis, waardoor (zorgen rondom) huiselijk geweld en kindermishandeling eerder en vaker in beeld komt. Direct betrokkenen nemen ook steeds vaker zelf contact op met Veilig Thuis als sprake is van onveiligheid. Daarnaast geldt de meldcode huiselijk geweld en kindermishandeling voor een groot aantal professionals. Wanneer zij vermoedens hebben van onveiligheid, dienen zij de stappen van de meldcode te volgen. Contact met Veilig Thuis is daar onderdeel van. Wanneer vermoedens van onveiligheid eerder of beter worden herkend en volgens de meldcode wordt gehandeld, zullen professionals vaker contact opnemen met Veilig Thuis. De stijging is niet voor alle groepen en geweldsvormen in gelijke mate zichtbaar is, zo is bij ouderenmishandeling geen duidelijk stijgende trend waarneembaar.
Deelt u de conclusie dat de huidige aanpak tekortschiet?
De aanpak van huiselijk geweld en kindermishandeling vraagt continue aandacht. De afgelopen jaren zijn veel stappen gezet in de verbetering van deze aanpak, gericht op het voorkomen, eerder signaleren en zorgen voor duurzame veiligheid. Zo is bijvoorbeeld ingezet op het versterken van de advies- en meldfunctie en het verbeteren van de toegankelijkheid en bereikbaarheid van Veilig Thuis, het vergroten van bewustwording, het versterken van deskundigheid van professionals, het verbeteren van risicotaxaties en het bieden van integrale hulp. Het is van belang deze inzet door te zetten en verdere verbeteringen te realiseren, samen met andere departementen, gemeenten en uitvoeringsorganisaties.
Hoeveel meldingen krijgen geen tijdige opvolging door wachttijden of capaciteitstekorten?
Het is belangrijk dat bij gezinnen en huishoudens in een onveilige situatie zo snel mogelijk een goede inschatting wordt gemaakt van wat er aan de hand is. Vervolgens dienen zij zo snel mogelijk de juiste hulp en ondersteuning te krijgen. Op dit moment lukt dit niet in alle Veilig Thuis regio’s, mede door het grote aantal adviesvragen en meldingen dat zij ontvangen. Het exacte aantal meldingen dat op dit moment geen tijdige opvolging krijgt door wachttijden of capaciteitstekorten is niet goed weer te geven, onder andere als gevolg van regionale verschillen in uitvoering en registraties. Het is daarbij ook niet eenvoudig om deze wachttijden terug te dringen, onder meer vanwege de krappe arbeidsmarkt, de toename in complexiteit van de casuïstiek en de bredere uitdagingen in de keten, zoals wachttijden bij lokale hulpverleners die een soepele overdracht in de weg staan. In deze moeilijke omstandigheden zetten de professionals van Veilig Thuis en de hulpverlening zich in om hun ingewikkelde werk uit te voeren. Het is daarnaast belangrijk om te benadrukken dat ook als er sprake is van wachtlijsten, Veilig Thuis bij iedere melding direct toetst of er sprake is van een acuut onveilige situatie. Bij acuut gevaar of onveiligheid wordt altijd gehandeld. De Inspectie Gezondheidszorg en Jeugd houdt toezicht op de uitvoering van de taken door Veilig Thuis.
Wat gaat u per direct doen om alle slachtoffers, kinderen, partners en ouderen beter te beschermen?
Zoals in de beantwoording van vraag 8 benadrukt, vraagt de aanpak van huiselijk geweld en kindermishandeling continue aandacht en worden verbeterinitiatieven doorgezet. Zo wordt ingezet op preventieve maatregelen en het verbeteren van de vroegsignalering en de deskundigheid van professionals zodat huiselijk geweld eerder in beeld komt en betrokkenen tijdig kunnen worden ondersteund.
Daarnaast wordt met het Toekomstscenario Kind- en Gezinsbescherming ingezet op het realiseren van verbeteringen in de kind- en gezinsbescherming. Het stelsel is complex georganiseerd, de problemen in gezinnen en huishoudens worden onvoldoende in samenhang opgepakt en volwassenen en kinderen voelen zich onvoldoende gehoord en gezien. Dit vraagt om een fundamenteel andere werkwijze bij het helpen en beschermen van volwassenen en kinderen als sprake is van onveiligheid. Er wordt toegewerkt naar integrale ondersteuning van gezinnen en huishoudens, met een centrale rol voor stevige lokale teams en een kwalitatief sterk Regionaal Veiligheidsteam. De proeftuinen van het Toekomstscenario laten zien dat de nieuwe manier van werken tot goede resultaten leidt. Op dit moment wordt samen met alle betrokken partnerorganisaties hard gewerkt aan de zogeheten veranderstrategie, waarin wordt beschreven aan welke inhoudelijke doelen en in welk tempo aan de gestelde ambities wordt gewerkt – passend bij de beschikbare financiële ruimte.
Daarnaast wordt voor het zomerreces een Nationaal Coördinator Geweld tegen Vrouwen en Huiselijk Geweld aangesteld. De Nationaal Coördinator gaat onder andere aan de slag met een Nationaal Actieplan Geweld tegen Vrouwen en Huiselijk Geweld. De coördinator zal zich richten op het versterken van het netwerk, het signaleren van knelpunten in beleid en uitvoering en het verbeteren van de samenwerking. Ook kindermishandeling heeft hierin nadrukkelijk de aandacht. Met deze maatregelen wordt beoogd de bescherming van slachtoffers, kinderen, partners en ouderen te versterken.
Bent u bereid landelijke normen in te voeren voor sneller ingrijpen en maximale wachttijden?
Er gelden reeds landelijke normen waar Veilig Thuis-organisaties zich aan dienen te houden. Specifiek geldt de norm dat Veilig Thuis binnen 5 werkdagen na ontvangst van de melding een veiligheidsbeoordeling uitvoert en een besluit neemt over het vervolg. Indien uit de triage blijkt dat de dienst «Voorwaarden en Vervolg» van Veilig Thuis nodig is, moet deze dienst zo spoedig mogelijk maar uiterlijk binnen 10 weken na de veiligheidsbeoordeling zijn afgerond. Met inzet van deze dienst worden veiligheidsvoorwaarden opgesteld en vervolghulp ingezet. Dat deze normen niet altijd gehaald worden heeft zodoende niet te maken met het ontbreken van normen, maar voornamelijk met de eerder geschetste uitdagingen op het gebied van de arbeidsmarkt en het grote aantal adviesvragen en meldingen dat Veilig Thuis ontvangt. In deze context is Veilig Thuis ook altijd bezig de eigen werkwijzen tegen het licht te houden, te zoeken naar efficiëntere vormen van samenwerking en het innoveren van haar dienstverlening. Een voorbeeld hiervan is de verdere doorontwikkeling van de chatfunctie, bedoeld om het contact met Veilig Thuis en de daar beschikbare kennis en expertise vroegtijdig en laagdrempelig toegankelijk te maken.
Wilt u deze vragen beantwoorden vóór het commissiedebat Maatschappelijk domein van 28 mei aanstaande?
Ja.
Fraude bij inburgeringsexamens |
|
Nicole Moinat (PVV) |
|
Thierry Aartsen (VVD) |
|
|
|
|
Deelt u de opvatting dat fraude bij inburgeringsexamens directe consequenties moet hebben voor het verblijfsrecht van betrokkenen? Zo ja, welke consequenties verbindt u hieraan?1
Het plegen van fraude vind ik onacceptabel. Wanneer fraude wordt ontdekt bij het basisexamen inburgering buitenland (bib) wordt de aanvraag om de machtiging tot voorlopig verblijf (mvv) dan ook geweigerd.
Als er wordt ontdekt dat een examenkandidaat heeft gefraudeerd bij het afleggen van een inburgeringsexamen in Nederland op grond van de Wet inburgering 2021 (Wi2021), dan wordt de examenuitslag ongeldig verklaard. Dit is bijvoorbeeld het geval als een examenkandidaat zich voordoet als een andere persoon, of als een kandidaat verboden hulpmiddelen zoals o.a. telefoons, camera’s, zonnebrillen en horloges meeneemt in de examenzaal. Dit kan er vervolgens toe leiden dat betrokkene niet in aanmerking komt voor een inburgeringsdiploma of, wanneer dit niet direct maar achteraf wordt ontdekt, dat een afgegeven inburgeringsdiploma wordt ingetrokken.
De intentie is om de verblijfsvergunning dan wel het Nederlanderschap niet te verlengen c.q. in te trekken. De mogelijkheden daartoe zijn echter beperkt. Of daartoe kan worden overgegaan, hangt af van de feiten en omstandigheden van het individuele geval. Daarbij vindt steeds een zorgvuldige belangenafweging plaats. Onder andere het evenredigheidsbeginsel en de persoonlijke omstandigheden van betrokkene, waaronder het recht op eerbiediging van het gezins- en privéleven, worden hierin meegewogen.
Welke mogelijkheden bestaan er om reeds verleende verblijfsvergunningen of naturalisaties, die (mede) zijn gebaseerd op frauduleus verkregen inburgeringscertificaten, in te trekken?
Zie antwoord vraag 1.
Hoeveel personen hebben mogelijk ten onrechte een inburgeringscertificaat verkregen als gevolg van deze fraude, en wat betekent dit voor de betrouwbaarheid van het huidige systeem?
Als het gaat om het basisexamen inburgering buitenland dan zijn de controles naar aanleiding van de fraudezaken aangescherpt. Dergelijk misbruik is onacceptabel. Sinds ik uw Kamer op 24 april jl. heb geïnformeerd is er nog een vervalst slagingsbewijs van het bib ontdekt. Op dit moment zijn er dus acht gevallen van fraude bekend. De aanvraag van de mvv van deze acht personen is afgewezen. Door streng op te treden, zoals het doen van aangifte, wordt een duidelijk signaal afgegeven dat misbruik en fraude niet getolereerd worden. Er vinden nu extra controles plaats en er wordt strenger gecontroleerd op de slagingsbewijzen. Ik onderzoek daarnaast welke vervolgstappen nodig zijn om deze vorm van misbruik in de toekomst te voorkomen. Op deze manier blijft de betrouwbaarheid van het huidige systeem gewaarborgd.
Voor wat betreft de inburgeringsdiploma’s die zijn verkregen op basis van het slagen voor het inburgeringsexamen in Nederland, op grond van de Wi2021, is het volgende van belang. Zoals ik in mijn brief aan uw Kamer van 24 april jl. heb laten weten, heeft het College voor Toetsen en Examens (CvTE) alle examens van het onderdeel spreekvaardigheid op niveau B1, die op 13 augustus 2025 zijn afgelegd, ongeldig verklaard. Dit heeft het CvTE besloten naar aanleiding van een signaal dat alle vragen uit het examen van die dag waren gedeeld in een Whatsapp-groep. Alle kandidaten die dit examen hadden gedaan, moeten dit examen dus nogmaals afleggen of hebben dit inmiddels gedaan. Om te voorkomen dat dit nogmaals gebeurt, is het aantal afnames per dag beperkt. Doordat er inmiddels extra examens zijn ontwikkeld, is het vanaf mei weer mogelijk om op meerdere momenten per dag verschillende examens af te nemen, zodat het onderling delen van examenopgaven geen zin meer heeft. Verder heeft het CvTE de Minister van OCW en mij laten weten, niet over indicaties te beschikken dat er structureel fraude wordt gepleegd. Na elke afname van een examen worden de resultaten hiervan gemonitord en de afgelopen periode zijn er geen signalen geweest van een (onverklaarbare) sterke stijging van het aantal geslaagden.
Als gevolg van de investeringen die de afgelopen periode zijn gedaan om de databanken met examenopgaven («itembanken») van de onderdelen van het inburgeringsexamen op niveau A2 en KNM, te vergroten, kunnen er nu veel meer verschillende examenversies worden samengesteld, Dat betekent dat het onderling delen van (omschrijvingen) van examenopgaven weinig tot geen nut meer heeft, omdat de kans dat iemand een eerder gedeelde opgave in zijn of haar examen krijgt zeer klein is. Overigens komt een inburgeraar pas in aanmerking voor een inburgeringsdiploma op grond van de Wi2021 indien hij of zij is geslaagd voor alle examenonderdelen van het inburgeringsexamen2 én zowel het Participatieverklaringstraject als de Module Arbeidsmarkt en Participatie succesvol heeft afgerond.
De organisaties die verantwoordelijk zijn voor de uitvoering van deze examens (het CvTE en DUO) en ik, zijn en blijven alert op signalen van onregelmatigheden tijdens examens en zullen zo nodig ingrijpen als hiervan sprake is. Zoals ik in mijn eerdergenoemde brief van 24 april jl. heb aangegeven, ben ik voornemens om – wanneer de itembanken voor de A2-examens hiervoor groot genoeg zijn – deze op termijn openbaar te maken. Op die manier hebben alle kandidaten dezelfde mogelijkheden om te oefenen met het beschikbare materiaal en heeft het geen zin meer om opgaven onderling te delen. Fundamentele aanpassingen aan het examenstelsel acht ik daarom niet noodzakelijk.
Op welke wijze wordt structureel gecontroleerd op fraude bij examenafname in het buitenland, en bent u bereid deze controles aanzienlijk te intensiveren?
De afname van het basisexamen buitenland vindt plaats op een Nederlandse diplomatieke post of bij een externe dienstverlener in het buitenland. Voorafgaand aan het examen wordt de identiteit van de kandidaat vastgesteld en biometrie afgenomen. Ook wordt vooraf gecontroleerd op verboden items. In het geval dat een kandidaat niet meewerkt aan de controle, mag de kandidaat niet deelnemen aan het examen. Verder vindt continu toezicht plaats tijdens het examen. Er zijn geen signalen dat er gefraudeerd wordt bij de afname zelf. Er is dan ook geen noodzaak om de controles bij de afnames te intensiveren. De geconstateerde fraude heeft alleen betrekking op het vervalste slagingsbewijs en daar wordt nu strenger op gecontroleerd. Zie ook het antwoord op vragen 3/7, 6 en 8.
Welke rol spelen tussenpersonen, commerciële bureaus of opleidingsinstituten bij deze fraude, en welke maatregelen worden genomen om deze partijen aan te pakken of te verbieden?
Dat is op dit moment niet bekend. De verwachting is dat de strafrechtelijke procedure hier meer inzicht in kan geven. Vervolgens zal bekeken worden welke maatregelen genomen kunnen worden.
Bent u bereid om een onafhankelijk onderzoek in te stellen naar de omvang en organisatie van deze fraudepraktijken, inclusief mogelijke netwerken die hierbij betrokken zijn?
De IND heeft aangifte gedaan in zeven zaken van fraude met het basisexamen inburgering buitenland. In overleg met de politie en het OM wordt bezien of ook in de achtste zaak aangifte wordt gedaan. Een strafrechtelijke procedure kan naar verwachting meer inzicht geven in deze fraudezaken. Daarnaast wordt op dit moment strenger gecontroleerd op de slagingsbewijzen.
In hoeverre acht u het huidige inburgeringsstelsel nog robuust genoeg om misbruik te voorkomen, en welke fundamentele aanpassingen acht u noodzakelijk?
Zie antwoord vraag 3.
Wordt overwogen om de afname van inburgeringsexamens in het buitenland (tijdelijk) op te schorten totdat de integriteit van het systeem kan worden gegarandeerd?
Jaarlijks worden 6000 tot 7000 bib examens succesvol afgelegd. Er zijn nu acht gevallen van fraude bekend met slagingsbewijzen van het basisexamen inburgering in het buitenland. Deze fraude is gepleegd bij het indienen van de mvv-aanvraag. Dit zijn acht gevallen teveel en daarom is het toezicht aangescherpt. Ik zie echter geen aanleiding om de afname van de examens op te schorten. Er zijn geen fraudezaken bekend met het afleggen van het basisexamen inburgering buitenland zelf. Zoals benoemd in het antwoord op vraag 4 wordt er door ambassadepersoneel toezicht gehouden op de afname van de examens.
Hoe wordt samengewerkt met buitenlandse autoriteiten om fraude bij examenafname tegen te gaan en daders op te sporen?
Het tegengaan van fraude tijdens het basisexamen inburgering buitenland betreft een intern, Nederlands proces. Hiervoor wordt niet samengewerkt met buitenlandse autoriteiten.
Bent u bereid om aanvullende sancties in te voeren, zoals langdurige uitsluiting van het inburgeringstraject of boetes, voor personen die fraude plegen of faciliteren?
Als het gaat om de fraude die gepleegd is met het basisexamen inburgering buitenland dan is aangifte gedaan tegen zeven personen. Naast de weigering van een mvv zal een strafrechtelijke procedure moeten uitwijzen welke consequenties aan de fraude verbonden kunnen worden.
Hoewel kandidaten die een inburgeringsexamen op grond van de Wi2021 afleggen een geheimhoudingsverklaring ondertekenen, is het onderling delen van herinneringen aan examenopgaven niet strafbaar en kunnen personen die dat doen hiervoor niet strafrechtelijk worden vervolgd. Dit is anders als het gaat om ge(foto)kopieerde examenopgaven. In een dergelijk geval kan hier wel tegen opgetreden worden. Hier wordt overigens streng op gecontroleerd: zoals in het antwoord op vraag 1 en 2 is aangegeven is het voor kandidaten namelijk verboden om o.a. telefoons, camera’s, zonnebrillen en horloges mee te nemen in de examenzaal. Er zijn dan ook geen signalen dat het kopiëren van examenopgaven gebeurt.
Een plan B voor de asielnoodmaatregelenwet en de Novelle |
|
Caroline van der Plas (BBB) |
|
Bart van den Brink (CDA) |
|
|
|
|
Herinnert u zich uw uitspraak in het commissiedebat over de Tweede cyclus van de spreidingswet van 23 april jongstleden dat u de maandag voorafgaand aan de stemming over de asielwetten in de Eerste Kamer (telefonisch) contact heeft gehad met «enkele mensen», ter voorbereiding van een plan B?
Mijn uitspraken ten tijde van genoemd debat zijn mij bekend.
Klopt het dat u in ieder geval contact heeft gehad met de Minister-President en eerste vicepremier Yeşilgöz?1
Zoals meermaals met de Kamer is gedeeld2, is het voor het goede functioneren van het parlementaire proces noodzakelijk dat er ruimte bestaat voor vertrouwelijke contacten tussen deelnemers aan dat proces. Dat geldt met het oog op de eenheid van kabinetsbeleid in het bijzonder voor communicatie tussen de leden van het kabinet onderling. Om geen onnodige onduidelijkheid over de gang van zaken te laten bestaan, ben ik desalniettemin tijdens het in vraag 1 genoemde debat al op deze kwestie ingegaan. Ik heb aangegeven dat ik enkele collega bewindspersonen kort voor de stemmingen vooraf wilde informeren over hoe ik zou reageren mocht een van de wetsvoorstellen worden verworpen. Dat betroffen de Minister-President en eerste vicepremier. Ik heb daaraan verder niets toe te voegen.
Met welke personen heeft u vooraf aan de stemmingen nog meer (telefonisch) contact gehad wat relevant is met betrekking tot het tot stand komen van plan B?
Ik verwijs u naar het antwoord op vraag 2. Buiten degenen die ik noemde in het antwoord op vraag 2 heb ik vanzelfsprekend hierover ook contact gehad met mijn ministerie. In de aanloop naar de stemmingen heb ik vanaf maandag met hierbij betrokken ambtenaren gesproken over de mogelijke scenario’s voor het verloop van de stemmingen en hoe daarna vervolgens te handelen. Dat was niet zoals de vraagstelling suggereert als zodanig een «plan B». Wat de scenario’s van de gesneuvelde onderdelen van de asielnoodmaatregelenwet inhouden, heb ik ook toegelicht tijdens het genoemde debat. Drie onderdelen van de Asielnoodmaatregelenwet worden niet ook geregeld in de Uitvoerings- en implementatiewet Asiel- en Migratiepact 2026, te weten de afschaffing van de rechterlijke dwangsom, de uitbreiding van de mogelijkheden voor ongewenstverklaring en de strafbaarstelling van terugkeerfrustreerders. Ik heb er kennis van genomen dat leden Diederik van Dijk en Boomsma inmiddels opnieuw een amendement over het afschaffen van rechterlijke dwangsommen in vreemdelingenzaken hebben ingediend. Ditmaal in het kader van het traject dat zal gaan leiden tot de Wet terugkeer en vreemdelingenbewaring.3
Voor de uitbreiding van de ongewenstverklaring heb ik inmiddels een nota van wijziging ingediend in datzelfde traject. Voorts kom ik met een zorgvuldig proces rondom de strafbaarstelling van de terugkeerfrustreerders om te voorkomen dat het politiek rommelige proces dat hieraan in de vorige periode vooraf is gegaan, opnieuw plaatsvindt, en om ervoor te zorgen dat ertoe doende advisering plaatsvindt en er voldoende gesprek is met maatschappelijke organisaties. Over de ontwikkelingen langs deze drie lijnen zal ik vanzelfsprekend op de gebruikelijke wijze met uw Kamer communiceren en verantwoording afleggen.
Kunt u een volledig overzicht met namen, functies en het tijdstip van contact met de Kamer delen?
Zie antwoord vraag 3.
Wat was de inhoud van deze (telefoon)gesprekken?
Zie antwoord vraag 3.
Waarom heeft u ervoor gekozen om juist voorafgaand aan de stemming in de Eerste Kamer deze contacten te leggen?
Zie antwoord vraag 3.
Wanneer exact is gestart met de voorbereiding van dit «plan B»? Kunt u een precieze tijdlijn geven van de ambtelijke en politieke besluitvorming?
De inzet is te allen tijde geweest ervoor te zorgen dat de wetsvoorstellen het zouden halen. Zoals al opgemerkt heb ik in de aanloop naar de stemmingen op 21 april vanaf maandag 20 april met hierbij betrokken ambtenaren gesproken over de mogelijke scenario’s voor het verloop van de stemmingen en hoe daarna vervolgens te handelen.
In welke ministerraad of ander overleg is besloten om dit alternatieve wetgevingstraject op te starten? Wanneer en door wie en in opdracht van wie is besloten om plan B bekend te maken aan het publiek?
Tijdens het meergenoemde commissiedebat gaf ik al aan dat niet voorafgaand aan de stemmingen in de ministerraad of anderszins over alternatieven is besloten.
In wiens opdracht is een plan B gemaakt?
Zoals in het antwoord op vraag 7 al is aangegeven is vanaf maandag 20 april gesproken over de mogelijke scenario’s. Na de stemmingen gaf ik de opdracht om daadwerkelijk alternatieven uit te werken.
Was de fractie van D66 in de Eerste Kamer voorafgaand aan de stemming op de hoogte van het bestaan van dit «plan B»?
Zie antwoord vraag 3.
Heeft u zelf, direct of indirect, informatie over dit «plan B» gedeeld met leden van de Eerste Kamer, in het bijzonder met senatoren van D66?
Zie antwoord vraag 3.
Welke senatoren van zowel D66 als andere Eerste Kamerfracties waren op de hoogte van plan B?
Dat is bij mij niet bekend. Voor het overige verwijs ik naar het antwoord op de vragen 2 tot en met 6, 10, 11 en 16.
Kunt u ondubbelzinnig uitsluiten dat senatoren van D66 of van andere Eerste Kamerfracties voorafgaand aan de stemming op de hoogte waren van het bestaan van alternatieve wetgeving?
Zie antwoord vraag 12.
Kunt u uitsluiten dat kennis over een dergelijk «plan B» van invloed is geweest op het stemgedrag in de Eerste Kamer?
Het is niet aan mij wat van invloed is op het stemgedrag van leden van de senaat. Verder verwijs ik naar het antwoord op de vragen 12 en 13.
Deelt u de opvatting dat het gelijktijdig voorbereiden van nieuwe wetgeving, terwijl bestaande wetsvoorstellen nog in behandeling zijn, afbreuk doet aan de geloofwaardigheid van het wetgevingstraject richting de Eerste Kamer?
De inzet is te allen tijde geweest ervoor te zorgen dat de wetsvoorstellen het zouden halen. Het voorbereiden op mogelijke uitkomsten van de stemmingen doet geen afbreuk aan de geloofwaardigheid van het wetgevingstraject richting de Eerste Kamer. Verder verwijs ik u naar de antwoorden op vragen 7 en 9.
Bent u bereid alle relevante documenten, waaronder memo’s, gespreksverslagen, appberichten en e-mails met betrekking tot deze contacten en de voorbereiding van «plan B» en de aankondiging daarvan, aan de Kamer te doen toekomen? Zo nee, waarom niet?
Zie antwoord vraag 3.
Kunt u deze vragen beantwoorden voor het commissiedebat Vreemdelingen- en asielbeleid van van 13 mei?
De vragen zijn zo spoedig mogelijk beantwoord.
Nadeelcompensatie voor de pulsvisserij |
|
Caroline van der Plas (BBB) |
|
Silvio Erkens (VVD) |
|
|
|
|
Bent u bekend met de recente uitspraken van de Raad van State van 22 april 2026 over pulsvisserij en de gevolgen van het Europese Unie (EU)-verbod (ECLI:NL:RVS:2026:2040) (ECLI:NL:RVS:2026:2036) (ECLI:NL:RVS:2026:2038)?
Ja.
Hoe beoordeelt u het oordeel dat bij het intrekken van vergunningen voor pulsvisserij onvoldoende expliciet rekening is gehouden met de financiële gevolgen voor de betrokken vissers?
Ik betreur het feit dat de pulskorvisserij verboden is. Daarom zet ik me actief in voor het verhogen van het draagvlak voor deze bewezen duurzame visserijtechniek om deze hopelijk in de toekomst weer toegestaan te krijgen.
De Afdeling Bestuursrechtspraak van de Raad van State (hierna: ABRvS) heeft geconcludeerd dat mijn ambtsvoorganger niet anders kon dan de pulsvergunning intrekken als gevolg van het Europese pulsverbod. Eventuele financiële gevolgen konden er niet toe leiden dat de vergunningen toch in stand bleven. Daarom was ook het oordeel van de ABRvS dat niet is gehandeld in strijd met het evenredigheidsbeginsel door bij de besluiten, waartegen nog beroep en hoger beroep liep, al een beslissing te nemen op de verzoeken tot nadeelcompensatie. In een geval als dit mag een bestuursorgaan beslissen om over de financiële gevolgen een nader besluit te nemen.
Klopt het dat vissers reeds eerder verzoeken tot nadeelcompensatie hebben ingediend die (deels) zijn afgewezen of nog niet zijn afgehandeld? Zo ja, wat is de huidige stand van zaken?
Dat klopt. Eerdere verzoeken om nadeelcompensatie zijn afgewezen. Destijds stond de rechtmatigheid van de intrekkingen nog niet definitief vast en was de schade onvoldoende onderbouwd. Gelet op de uitspraak van de ABRvS zal ik alle betrokken vissers in de gelegenheid stellen om (nogmaals) een verzoek tot nadeelcompensatie in te dienen.
Erkent u dat het verbod op pulsvisserij, voortvloeiend uit EU-regelgeving, heeft geleid tot substantiële economische schade voor Nederlandse vissers?
Ik betreur de misgelopen opbrengsten evenals de impact op het milieu als gevolg van het pulsverbod. Gebruik van het pulstuig leidde tot een significante vermindering in het brandstofverbruik en de CO2-uitstoot. Het droeg daarmee bij aan een goed verdienmodel, een verduurzaming van de sector en reduceerde de impact op de zeebodem. Daarom zet ik mij ervoor in dat op termijn pulsvisserij weer mag plaatsvinden binnen het kader van de Europese regelgeving.
Welke criteria hanteert u momenteel bij de beoordeling van aanvragen voor nadeelcompensatie in deze sector?
Aan het verlenen van nadeelcompensatie zijn strikte voorwaarden verbonden. Deze zijn opgenomen in artikel 4:126 van de Algemene wet bestuursrecht en in de jurisprudentie over nadeelcompensatie. In het geval van de pulsvisserij acht ik de kans klein dat aan de voorwaarden voor nadeelcompensatie wordt voldaan.
Uit wetenschappelijk onderzoek1 blijkt dat de investeringen in pulstuig binnen twee tot drie jaar terugverdiend kunnen worden (afhankelijk van het vaartuig). Betrokken vissers hebben gemiddeld acht tot tien jaar gebruik kunnen maken van het pulstuig. Zij hebben de investeringen dus naar verwachting terugverdiend.
Daarnaast is het voor nadeelcompensatie noodzakelijk dat een besluit van een Nederlands bestuursorgaan de schade heeft veroorzaakt. In dit geval heeft de ABRvS geoordeeld dat de Minister niet anders kon dan de pulsvergunning intrekken als gevolg van de nieuwe Europese verordening die pulsvisserij verbood. De schadeoorzaak is dus niet zozeer het intrekken van de pulsvergunning, maar het Europese pulsverbod. Daarom verwacht ik niet verplicht te zijn om nadeelcompensatie te betalen.
Op welke termijn kunnen getroffen vissers duidelijkheid verwachten over hun individuele aanvragen voor schadevergoeding of nadeelcompensatie?
Ik zal (de gemachtigden van) de betrokken vissers benaderen met de vraag of zij (nogmaals) een verzoek tot nadeelcompensatie willen indienen. Ik zal met hen dan een termijn afspreken waarbinnen zij stukken kunnen aanleveren. De Rijksdienst voor Ondernemend Nederland (RVO) beoordeelt op basis van die stukken en geldend recht of de verzoeken gehonoreerd moeten worden. Mocht uit de aangedragen informatie blijken dat de beoordeling van de aanvragen ingewikkelder is dan nu voorzien, zal ik overwegen een adviescommissie in te stellen die hierover kan adviseren. Ik streef ernaar om binnen de daarvoor geldende beslistermijnen op de verzoeken om nadeelcompensatie te beslissen.
Aanvragen voor schadevergoeding lijken mij niet aan de orde nu de ABRvS heeft geoordeeld dat de besluiten tot intrekking van de pulsvergunningen rechtmatig genomen zijn. Alleen bij onrechtmatige besluitvorming zouden vissers in aanmerking kunnen komen voor schadevergoeding.
Hoe voorkomt u dat langdurige juridische procedures en onzekerheid leiden tot faillissementen of onomkeerbare schade bij de getroffen visserijbedrijven?
Ik zet mij ervoor in om de ingediende nadeelcompensatieverzoeken zorgvuldig en voortvarend te beoordelen en zal de uitkomsten van deze beoordeling zo snel mogelijk met de indieners delen.
Bent u bereid om in overleg te treden met vertegenwoordigers van de visserijsector en de getroffen vissers om te komen tot een collectieve en rechtvaardige compensatieregeling?
In eerste instantie zal ik de ingediende nadeelcompensatieverzoeken door RVO laten beoordelen. Mocht er uit deze beoordeling volgen dat nadeelcompensatie op zijn plaats is dan zal ik hiervoor een passende compensatie geven. Indien dit een groot aantal vergelijkbare gevallen betreft, zal ik een beleidsregel opstellen op grond waarvan de compensatie wordt berekend. Ik zie geen ruimte om de betrokken vissers te compenseren anders of meer dan met een eventuele verplichte nadeelcompensatie.
Bent u bereid om ook de immateriële schade die deze vissers en hun gezinnen hebben geleden door de jarenlange onzekerheid waarin zij hebben verkeerd mee te nemen?
Ik begrijp dat het verbod voor veel vissers een hard gelag is geweest. Het staat alle betrokkenen vrij een claim op nadeelcompensatie in te dienen. Men kan daarbij uitleggen hoe het intrekken van de pulsvergunning tot schade heeft geleid. Hierbij moet ik wel benadrukken dat het niet aannemelijk is dat nadeelcompensatie wordt toegekend.
Bent u bereid om ook de immateriële schade die deze vissers en hun bemanningsleden hebben geleden door de jarenlange onzekerheid waarin zij hebben verkeerd mee te nemen?
Ik begrijp dat het verbod voor veel vissers een hard gelag is geweest. Het staat alle betrokkenen vrij een claim op nadeelcompensatie in te dienen. Men kan daarbij uitleggen hoe het intrekken van de pulsvergunning tot schade heeft geleid. Hierbij moet ik wel benadrukken dat het niet aannemelijk is dat nadeelcompensatie wordt toegekend.
Pensioenfondsen |
|
Pepijn van Houwelingen (FVD) |
|
Eelco Heinen (VVD) |
|
|
|
|
Hoeveel procent rendement hebben pensioenfondsen de afgelopen dertig jaar gemiddeld (ongeveer) behaald op hun investeringen in vastrentende waarden zoals staatsobligaties?
Er zijn geen openbare gegevens beschikbaar waarin een opsplitsing van rendement naar beleggingscategorie wordt gegeven. Hierdoor kan het gemiddelde rendement van alle pensioenfondsen in de afgelopen 30 jaar op hun investeringen in vastrentende waarden niet worden weergegeven. Het jaarlijks rendement op vastrentende waarden dat individuele pensioenfondsen hebben behaald, kan worden teruggevonden in de jaarverslagen van de pensioenfondsen. Dit is openbare informatie.
Hoeveel procent rendement hebben pensioenfondsen de afgelopen dertig jaar gemiddeld (ongeveer) behaald op hun investeringen in aandelen?
Voor mijn reactie verwijs ik terug naar mijn antwoord op vraag 2. Het jaarlijks rendement op aandelen dat individuele pensioenfondsen hebben behaald, kan worden teruggevonden in de jaarverslagen van pensioenfondsen. Voor het totaal rendement van de 5 grootste pensioenfondsen voor de hun gehele beleggingsportefeuille in de periode 2014 -2025 verwijs ik u naar de brief «Het beleggingsbeleid van Nederlandse pensioenfondsen».
Wat was het (gemiddeld) rendement de afgelopen dertig jaar van het ABP-pensioenfonds?
Op basis van de jaarverslagen van het ABP is over de laatste 30 jaar de «Compound Annual Growth Rate» van het rendement 6% per jaar geweest.1
Wat was het (gemiddeld) rendement de afgelopen dertig jaar van de AEX-index?
Ik begrijp dat het in eerste instantie logisch lijkt om rendementen van pensioenfondsen te vergelijken met de ontwikkeling van de AEX-index. Maar een pensioenfonds heeft als doel om deelnemers bij pensionering een zo hoog mogelijk stabiel levenslang pensioenuitkering te bieden. De rentestand is belangrijk om het pensioenvermogen te kunnen omrekenen in een uitkeringenstroom. Daarom houden pensioenfondsen naast het beleggingsrisico ook rekening met het renterisico. Om het beleggingsrisico te beheersen, worden beleggingen geografisch gespreid over diverse liquide en niet-liquide investeringscategorieën om zo te profiteren van de voordelen van diversificatie. Voor het beheersen van het renterisico kunnen pensioenfondsen een portefeuille met rentederivaten aanhouden. Een AEX-index bestaat geheel uit liquide aandelen uit Nederland, waardoor een vergelijking met een gediversifieerde portefeuille met renteafdekking niet passend is. Voor verdere informatie over het beleggingsbeleid van pensioenfondsen en hun prestaties verwijs ik naar de brief «Het beleggingsbeleid van Nederlandse pensioenfondsen».
Hoeveel procent (ongeveer) van de totale beleggingsportefeuille is een pensioenfonds zoals het ABP, op basis van wet- en regelgeving, verplicht te investeren in vastrentende waarden zoals staatsobligaties (en mag dus niet in aandelen geïnvesteerd worden)?
In Nederland kennen we niet een wettelijke verplichting om in vastrentende waarden zoals staatsobligaties te investeren. Welk deel van de beleggingsportefeuille wordt geïnvesteerd in vastrentende waarden is een onderdeel van het strategische beleggingsbeleid. Het strategisch beleggingsbeleid wordt vastgesteld op basis van de risicohouding van de deelnemers. De risicohouding weerspiegelt het beleggingsrisico dat deelnemers kunnen en willen nemen. Pensioenfondsen moeten in hun beleggingsbeleid rekening houden met het prudent person-beginsel wat inhoud dat zij handelen in het belang van hun deelnemers en gepensioneerden. DNB houdt toezicht op de vaststelling en uitvoering van het beleggingsbeleid en dat het beleggingsbeleid in lijn is met het prudent person-beginsel.
De versnelde verzwakking van de Atlantische omloopstroming (AMOC) |
|
Laurens Dassen (Volt) |
|
Sjoerd Sjoerdsma (D66), Vincent Karremans (VVD), Stientje van Veldhoven (D66) |
|
|
|
|
Bent u bekend met het onderzoek gepubliceerd op 16 april 2026 in Science Advances1, waaruit blijkt dat de Atlantic Meridional Overturning Circulation (AMOC) sneller verzwakt dan gemiddelde klimaatmodellen voorspelden en mogelijk al rond het midden van deze eeuw een kantelpunt bereikt, en wat is uw appreciatie van deze bevindingen?2
Welke gevolgen heeft het nieuwe inzicht dat de AMOC voor het einde van deze eeuw met meer dan 50% kan vertragen, mede door de versnelde smelting van het Groenlandse landijs, voor de ambitie en urgentie van het Nederlandse klimaatbeleid, en bent u bereid het klimaatbeleid hierop aan te scherpen?
Deelt u de conclusie van de onderzoekers dat de tijd voor halve maatregelen voorbij is en dat de bevindingen over de AMOC dwingen tot een fundamentele versnelling van de klimaattransitie, en zo ja, welke concrete beleidsmaatregelen overweegt u op korte termijn te nemen die verder gaan dan het bestaande beleid?
Wordt het risico dat een ineenstorting van de AMOC zichzelf versterkt doordat opgeslagen koolstof vrijkomt uit de oceaan en zo de opwarming verder versnelt, meegenomen in de klimaatrisicoscenario’s van het ministerie, en zo niet, bent u bereid dit alsnog te laten onderzoeken?
Bent u bereid om de gevolgen van een mogelijke AMOC-ineenstorting voor de Nederlandse economie, voedselvoorziening en het waterbeheer systematisch in kaart te brengen?
Zijn de huidige Nederlandse waterkeringen en overstromingsscenario’s gebaseerd op actuele AMOC-risicomodellen, en zo niet, wanneer worden deze geactualiseerd?
Beschikt u over voldoende capaciteit en middelen om de gevolgen van AMOC-verzwakking voor Nederland structureel te monitoren en door te vertalen naar beleidsrelevante scenario’s?
Worden de nieuwste AMOC-scenario’s, waarbij wetenschappers stellen dat het kantelpunt mogelijk al rond het midden van deze eeuw bereikt wordt, actief meegenomen in langetermijnbeslissingen over infrastructuur, ruimtelijke ordening en waterveiligheid, en zo ja, op welke wijze?
Bent u bereid in Europees verband het gevaar van een ineenstorting van de AMOC aan te kaarten en het klimaatbeleid hierop aan te scherpen, en zo nee, waarom niet?
Op welke wijze integreert u de klimaatrechtvaardigheidsaspecten van een mogelijke AMOC-ineenstorting, die ernstige gevolgen heeft voor landbouw, voedselzekerheid en zeespiegelstijging in Afrika en de Amerika’s in regio’s die nauwelijks bijdragen aan de uitstoot die dit veroorzaakt, in het Nederlandse beleid voor ontwikkelingssamenwerking en internationaal klimaatbeleid?
Hoe beoordeelt u de uitkomst dat de routekaart van COP30-gastland Brazilië geen verwijzing naar fossiele brandstoffen bevat, mede vanwege de invloed van lobbyisten uit de industrie, en welke concrete stappen onderneemt Nederland om bij COP30 alsnog een ambitieuze afbouw van fossiele brandstoffen op de agenda te krijgen?
Het bericht ‘AIVD: IS-aanhangers en rechts-extremisten steeds jonger’ |
|
Fatimazhra Belhirch (D66) |
|
David van Weel (VVD) |
|
|
|
|
Bent u bekend met het bericht «AIVD: IS-aanhangers en rechts-extremisten steeds jonger»?1
Ja.
Kunt u reflecteren op de bevinding dat radicalisering steeds vaker plaatsvindt onder jongeren en kinderen? Zijn de huidige beleidsinstrumenten om radicalisering te voorkomen volgens u voldoende toegesneden op minderjarigen? Zo ja, waar blijkt dat uit? Zo nee, welke mogelijkheden ziet u om deze groep beter te bereiken?
Radicalisering op jonge leeftijd is een groeiende zorg die ons allen aangaat. De afgelopen jaren zijn meer jongeren, soms op zeer jonge leeftijd, aangehouden voor het voorbereiden van een aanslag of vanwege andere misdrijven met een terroristisch oogmerk. De Algemene Inlichtingen en Veiligheidsdienst (AVID) en de Nationaal Coördinator Terrorismebestrijding en Veiligheid (NCTV) waarschuwen al langere tijd voor de snelle (online) radicalisering waarin steeds meer jongeren verstrikt raken.2 Ook het Openbaar Ministerie (OM) en de Raad voor de Kinderbescherming (RvdK) hebben hun zorgen geuit over het aantal en de jonge leeftijd waarop jongeren verdacht worden van bovengenoemde strafbare feiten.3 Jongeren bevinden zich in een fase waarin zij zoeken naar identiteit, betekenis en persoonlijke waarden, wat hen ontvankelijker kan maken voor ideologieën die sterke, duidelijke antwoorden bieden op complexe vragen. Wanneer er bij jongeren – naast de identiteitsontwikkeling in hun jeugd – ook persoonlijke problematiek speelt, maakt dit deze jongeren makkelijker beïnvloedbaar en vatbaar voor geweld en extremisme.
Nederland heeft een gevestigde robuuste (lokale) aanpak op het tegengaan van radicalisering, extremisme en terrorisme. Deze aanpak is ideologie onafhankelijk en in principe toepasbaar op iedere doelgroep en leeftijd. Gezien de actuele ontwikkelingen van een groeiende groep radicaliserende jongeren, heeft de NCTV samen met ketenpartners het beleid ten aanzien van jongeren getoetst, met als doel te bepalen of onderdelen doorontwikkeling behoeven. In samenwerking met ketenpartners is geconstateerd dat de (lokale) aanpak op minderjarigen toepasbaar is en dat keten breed aanscherpingen en intensiveringen nodig zijn, zoals een betere bewustwording voor het onderwerp radicalisering bij jeugdprofessionals en de (online) signaleringsstructuur.
Een van de aanscherpingen betreft de versterking van de aandacht voor preventie. Daarom gaat mijn departement gezamenlijk met het Ministerie van Sociale Zaken en Werkgelegenheid in gesprek met het veld en jongeren zelf over het verder verbeteren van de preventieve inzet, onder meer middels een bijeenkomst dit najaar met experts uit de verschillende domeinen, zoals het sociaal-, onderwijs- en het veiligheidsdomein.
Extra inzet op de ontwikkeling van kennis – over radicalisering bij jongeren en de risico’s voor hen – is van groot belang bij professionals: van jongerenwerkers en docenten, tot jeugdbescherming en jeugdreclassering. Het Rijksopleidingsinstituut tegengaan Radicalisering (ROR) biedt hiervoor de trainingen, workshops en presentaties aan, zoals de training voor zorg-, jeugd- en welzijnsprofessionals en de vaardigheidstraining «Omgaan met extreme idealen».
In hoeverre beschikken gemeenten, scholen, jeugdzorginstellingen en wijkteams over de expertise en capaciteit om signalen van radicalisering onder jongeren vroegtijdig te herkennen en adequaat op te volgen? Hoe kunnen we deze organisaties beter betrekken bij het signaleren en voorkomen van radicalisering?
De partners uit het veiligheids-, sociaal-, zorg- en onderwijsdomein werken samen aan het signaleren en voorkomen van radicalisering binnen de lokale aanpak. In deze lokale aanpak radicalisering, waar gemeenten regie op voeren, wordt daarom doorlopend aandacht besteed aan en geïnvesteerd in de capaciteit van lokale professionals om tijdig signalen van radicalisering te herkennen en hiernaar te kunnen handelen. Het signaleren van deze radicalisering kent evenwel uitdagingen, zoals een beperkt online zicht van lokale professionals of de complexiteit bij het inschatten of sprake is van grootspraak of daadwerkelijke geweldsbereidheid onder jongeren. Ook kan het radicaliseringsproces bij jongeren razendsnel verlopen. Dit kan het lastig maken om tijdig en effectief in te grijpen.
Sinds 2015 worden gemeenten financieel ondersteund met Versterkingsgelden voor hun aanpak. Met deze gelden worden ook lokale professionals getraind om hun kennis en vaardigheden in het tegengaan van radicalisering en extremisme te vergroten. Daarnaast kunnen gemeenten voor advies en ondersteuning terecht bij hun lokaal adviseur van de NCTV en worden lokale professionals ondersteund door hulpverlenende organisaties, bijvoorbeeld met het Landelijk Steunpunt Extremisme (LSE) en de gemeente. In aanvulling op de doorlopende inzet, worden dit jaar ook bijeenkomsten in een pilotregio georganiseerd, speciaal voor professionals uit het jeugddomein. Hierbij wordt extra inzet gepleegd op een groep jeugdprofessionals, welke nog niet betrokken zijn in de (lokale) aanpak van radicalisering, extremisme en terrorisme. Bijvoorbeeld door extra informatie te verstrekken over de dreiging, de rol van de professional in de aanpak en het handelingsperspectief dat zij hebben. Door op lokaal niveau deze professionals kennis te laten maken met de aanpak, hen samen te brengen, en kennis te vergroten, zullen nieuwe samenwerkingen tot stand komen tussen de partners binnen het preventieve veld en/of de persoonsgerichte aanpak. Het kabinet zet voortdurend in op het vergroten en versterken van het signalerende netwerk, overeenkomstig het coalitieakkoord, waarin is opgenomen dat de aanpak op radicalisering – en dus ook de lokale aanpak – wordt versterkt. Hier zijn aanvullende middelen voor vrijgemaakt. Momenteel wordt bekeken op welke wijze deze middelen het effectiefst bijdragen aan het versterken van de aanpak.
De toenemende rol van de online leefwereld in het radicaliseringsproces van jongeren is opvallend en heeft ook gevolgen voor de preventieve partners in het lokaal domein. Het Ministerie van SZW zet zich daarom via lokale overheden en (jeugd)professionals in op het vergroten van bewustwording, kennis en vaardigheden, handelingsperspectief en samenwerking op de preventie van (online) radicalisering onder jongeren met specifieke aandacht voor het structureel betrekken van het online domein bij lokale preventie.4
Kunt u uiteenzetten welke maatregelen en beleidstrajecten op dit moment lopen om online radicalisering tegen te gaan, specifiek gericht op sociale media, gamingplatforms en online chatgroepen? Zijn er al resultaten bekend, bijvoorbeeld van de re-direct methode, die u met de Kamer kan delen?
Online platformen hebben de verantwoordelijkheid hun gebruikers te beschermen en illegale content te modereren. Ik spreek met platformen over de online dreiging, mijn zorgen over online radicalisering, extremisme en terrorisme en om de platformen normerend aan te spreken op hun verantwoordelijkheid. Dit jaar is gestart met de doorontwikkeling van deze dialoog. Ik ben voornemens de dialoog uit te breiden, naar (bijvoorbeeld) de AI-sector en in het najaar een bijeenkomst te organiseren met de in Nederland door jongeren meest gebruikte sociale media-en gamingplatformen om mogelijkheden voor betere samenwerking te verkennen, ter bestrijding van online radicalisering, extremisme en terrorisme.
Voor een overzicht van maatregelen en beleidstrajecten om online radicalisering tegen te gaan, verwijs ik uw Kamer naar de voortgangsbrief Versterkte Aanpak Online (VAO) inzake extremisme en terrorisme, die recent is verzonden aan uw Kamer.5
Kunt u aangeven of u aanvullende maatregelen overweegt om online radicalisering en de verspreiding van extremistisch gedachtegoed tegen te gaan, in bijzonder op het gebied van contentmoderatie, toezicht op online platforms en afspraken met onder andere social mediabedrijven?
Op dit moment wordt wetgeving geëvalueerd die relevant is voor de bestrijding van online radicalisering, extremisme en terrorisme. Dit biedt mogelijkheden om daar waar noodzakelijk aanscherpingen aan te brengen. In de recent verzonden Voortgangsbrief Versterkte Aanpak Online kan uw Kamer nadere informatie vinden over de relevante wetgeving die wordt geëvalueerd.6
Met de Verordening Terroristische Online-Inhoud (TOI-verordening) en de Digital Services Act (DSA) beschikt de Europese Unie over concrete instrumenten om bepaalde illegale online inhoud aan te pakken. De handhaving van de TOI-verordening is in Nederland belegd bij de ATKM, en het toezicht op in Nederland gevestigde platformen binnen de reikwijdte van de DSA bij de Autoriteit Consument & Markt (ACM). Het toezicht op Very Large Online Platforms (VLOPs) onder de DSA ligt primair bij de Europese Commissie.
In aanvulling op de aandacht voor de mogelijke inzet van verwijderverzoeken in de evaluatie van de Uitvoeringswet TOI, loopt een beleidsverkenning naar dit instrument als aanvulling op verwijderbevelen vanuit de ATKM. Er is sprake van een toename van (gewelddadig) extremistisch content waarbij duiding van het terroristisch karakter moeizaam is en daarom niet altijd binnen de reikwijdte van de ATKM valt. Op dit moment worden de juridische en operationele mogelijkheden en implicaties van aanvullende mogelijkheden om deze content te laten verwijderen in kaart gebracht. Ik streef ernaar uw Kamer dit najaar te informeren middels de Voortgangsbrief Versterkte Aanpak Online.
Kunt u uiteenzetten of er best practices uit andere (Europese) landen zijn geïnventariseerd ten aanzien van het tegengaan van online radicalisering? Welke van deze maatregelen acht u kansrijk voor toepassing in Nederland of bent u bereid nader te onderzoeken?
Nederland heeft samen met Frankrijk het co-voorzitterschap van de Project Based Collaboration (PBC) online. Het PBC is onderdeel van de EU Knowledge Hub met een focus op de preventie van online radicalisering, specifiek gericht op de radicalisering van jongeren. Het afgelopen jaar is waardevolle informatie opgehaald. Het komende jaar zullen drie aanvullende sessies georganiseerd worden waarin het opstellen van strategieën gericht op innovatie, verantwoordelijkheid van platformen, en vroeg signalering mechanismes aan bod komen. In het kader van dit PBC worden trends, ontwikkelingen en «best practices» van de verschillende lidstaten uitgewisseld. Eind 2026 levert de Europese Commissie een stappenplan op dat EU-lidstaten kan helpen in het opzetten van een effectieve strategie tegen online extremisme en terrorisme.
Aanvullend contact buiten de EU vindt ook plaats. Zo worden regelmatig ervaringen gewisseld met Australië. Het uitwisselen van deze «best practices», werkt ondersteunend aan de doorontwikkeling van initiatieven zoals de ReDirect-methode. Ook worden internationale contacten benut om te spreken over onderwerpen die terugkomen in het coalitieakkoord, zoals een minimumleeftijd voor sociale media en levert het interessante informatie op ten behoeve van een verkenning naar een aanvullende maatregel als een zorgplicht.
Kunt u aangeven in hoeverre Nederland samen met andere Europese landen optrekt bij het toezicht op digitale platforms en de handhaving van contentmoderatie als het gaat om de aanpak extremistische content? Welke trajecten lopen er binnen de Europese Unie die kunnen bijdragen aan een effectieve aanpak van online radicalisering?
In het tegengaan van online extremisme en terrorisme is internationale samenwerking essentieel. Het internet overstijgt iedere landsgrens. Voor een effectieve bestrijding is een krachtig geluid en eensgezind optreden vanuit in ieder geval de Europese Unie (EU), en bij voorkeur ook andere landen, noodzakelijk. Nederland zet voortdurend actief in op het stimuleren van samenwerking op Europees en Internationaal niveau. Graag verwijs ik uw Kamer voor meer informatie hierover naar de recent verstuurde Voortgangsbrief Versterkte Aanpak Online.
Kunt u reageren op de bevinding van de AIVD dat bewindspersonen, deurwaarders, journalisten, rechters en lokale bestuurders in toenemende mate bedreigingen ontvangen uit de anti-institutionele hoek, met als gevolg dat zij hun functie soms willen neerleggen? Kunt u uiteenzetten welke ondersteuning wordt geboden aan deze hoeders van de democratie?
Bedreigingen aan het adres van (lokale) bestuurders zijn onacceptabel, uit welke hoek deze ook komen. In april heb ik mij uitgesproken over bedreigingen richting het openbaar bestuur en die boodschap wil ik graag herhalen. Verschillen van mening horen bij de democratie; agressie, bedreiging en intimidatie niet. De berichten over toenemende mate van bedreigingen vind ik dan ook zorgelijk. Ter ondersteuning van het lokale bestuur zijn er vanuit het programma Weerbaar bestuur van het Ministerie van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties (BZK) verschillende voorzieningen beschikbaar, zoals een veiligheidsscan voor lokale bestuurders en bewustwordingssessies van het Ondersteuningsteam Weerbaar Bestuur (OTWB). Bij meer dan 170 gemeenten heeft een bewustwordingssessie plaatsgevonden, waarbij de nadruk ligt op weerbaarheid. Ook biedt het OTWB een hulplijn aan die 24/7 bereikbaar is voor alle politieke ambtsdragers om praktische adviezen te geven. Daarnaast draagt BZK bij aan de financiering van trainingen van het ROR. Het ROR biedt trainingen aan ambtenaren en bestuurders van decentrale overheden om de omgang met anti-institutionele tendensen te verbeteren en de weerbaarheid van instituties tegen anti-institutionele tendensen te vergroten. Ook verleent de Expertise-unit Sociale Stabiliteit (ESS), in opdracht van BZK, ondersteuning aan gemeenten bij een aanpak op anti-institutionele tendensen. Hiertoe organiseert de ESS kennis- en leerbijeenkomsten voor gemeenten en professionals uit het sociaal domein in verschillende regio’s in het land om de bewustwording, kennis en netwerkvorming op anti-institutionele tendensen te versterken.
Kunt u reflecteren op de bevinding dat minderjarigen soms worden ingezet voor spionageactiviteiten in opdracht van Rusland zonder dat zij zich hiervan bewust zijn? Kunt u aangeven hoe het staat met de uitvoering van de motie Paternotte over een brede bewustwordingscampagne via social media over de risico's van digitale spionage en buitenlandse wervingspogingen (Kamerstuk 30 821, nr. 308)?
Ik vind het volstrekt onacceptabel als jongeren gerekruteerd worden, door Rusland of andere statelijke actoren, om voor hen acties uit te voeren. De bevindingen hierover van de inlichtingen- en veiligheidsdiensten, zoals ook aangegeven in het recente jaarverslag 2025 van de AIVD, neem ik zeer serieus. Het kabinet maakt zich dan ook hard voor het verhogen van de weerbaarheid van jongeren.
Momenteel werkt het kabinet aan een brede bewustwordingscampagne gericht op jongeren over de risico’s van digitale spionage en buitenlandse wervingspogingen, conform de motie Paternotte. Daarbij wordt nadrukkelijk gekeken hoe deze boodschap kan aansluiten bij bestaande campagnes gericht op jongeren en hun omgeving over de gevaren van het online domein, en deze kan versterken. Uw Kamer wordt op een nader moment over de exacte uitvoering geïnformeerd.
Kunt u deze vragen beantwoorden vóór het debat over terrorisme/extremisme op 27 mei 2026?
Ja.
Het versoepelen van regels voor zonnepanelen en laadpalen |
|
Habtamu de Hoop (PvdA), Sjoukje van Oosterhout (GroenLinks-PvdA) |
|
Vincent Karremans (VVD), Stientje van Veldhoven (D66) |
|
|
|
|
Bent u ervan op de hoogte dat het Britse Ministerie van Energie op 21 april 2026 met een plan is gekomen om naar aanleiding van de Iranoorlog het opwekken van hernieuwbare energie te stimuleren door het vereenvoudigen van de regels rond het plaatsen van zonnepanelen, warmtepompen en laadpalen, inclusief laadpalen voor mensen zonder oprit?1
Ja.
Kunt u een overzicht bieden van de regels die in Nederland van kracht zijn bij het installeren van respectievelijk zonnepanelen, warmtepompen, laadpalen op opritten en laadpalen van mensen zonder een oprit?
De regels voor het plaatsen van zonnepanelen, warmtepompen en laadpalen zijn deels landelijk en deels lokaal vastgelegd. De landelijke regels zijn vastgelegd in het Besluit bouwwerken leefomgeving (verder: Bbl) en hebben betrekking op onder meer de veiligheid van de betreffende bouwwerken. De lokale regels zijn vastgelegd in het gemeentelijk omgevingsplan en gaan met name over het uiterlijk en de plaatsing. Met name bij de plaatsing van zonnepanelen spelen ook de regels en mogelijk een vergunningplicht in het kader van de natuurbescherming in de Omgevingswet. Naast de inhoudelijke regels geldt ook in een aantal gevallen een vergunningplicht voor het mogen plaatsen van de bouwwerken. Op hoofdlijn geldt voor de vergunningplicht het volgende:
Wat is de rationale achter elk van die regels?
De reden voor het opnemen van technische en ruimtelijk regels is primair gelegen in respectievelijk de veiligheid, gezondheid, bruikbaarheid en duurzaamheid wat betreft het Bbl en de kwaliteit van de leefomgeving in het kader van het gemeentelijke omgevingsplan. Indien sprake is van een vergunningplicht in het kader van natuurbescherming of erfgoed, berust deze doorgaans op de noodzaak om voorafgaand aan de plaatsing van de betreffende bouwwerken een individuele afweging te maken. In veel gevallen is de plaatsing dan niet verboden maar onder specifieke voorwaarden toegestaan.
Specifiek voor het installeren van laadinfrastructuur biedt het Bbl eisen om de uitrol te versnellen en de aanleg van laadinfrastructuur efficiënter in te richten. Daarnaast hebben gemeenten beleidsvrijheid om zelf de afweging te kunnen maken of het plaatsen van laadpalen bij bewoners zonder oprit gewenst is.
Welke van die regels overweegt u te schrappen of te wijzigen om de installatie van zonnepanelen, warmtepompen en laadpalen makkelijker te maken voor burgers?
Wat betreft de landelijke regels zijn er niet of nauwelijks belemmeringen bij het installeren van zonnepanelen, warmtepompen en laadpalen. Alleen bij plaatsing van warmtepompen speelt in een aantal gevallen de vergunningplicht. Bij de uitwerking van het kabinetsvoornemen voor de normering van (hybride) warmtepompen, zal het kabinet bezien of en op welke wijze de ruimtelijke regels voor vergunningsvrij plaatsen kunnen worden aangepast zodat ook hier geen belemmering ontstaat. Het Nationaal Kennisplatform Laadinfrastructuur publiceert voor de zomer een handreiking voor gemeenten over de keuzen die zij kunnen maken ten aanzien van laadpalen van bewoners zonder oprit, ook wel Verlengd Private Aansluitingen (VPA’s) genoemd. Het Ministerie van Infrastructuur en Waterstaat heeft met de medeoverheden in de Nationale Agenda Laadinfrastructuur in kaart gebracht wat de voor- en nadelen van VPA’s zijn en hoe daar beleid op kan worden gevoerd. Gemeenten hebben de bevoegdheid en de lokale informatie die nodig is om hier passend beleid op te voeren.
Bent u reeds de uitvoerbaarheid van de in categorie 3 van het instrumentarium energieschok opgenomen punt 15 (het uitbreiden van laadinfrastructuur) aan het verkennen?2 Zo ja, tegen wanneer verwacht u de Kamer daarover te kunnen informeren?
Ja. De Staatssecretaris van Infrastructuur en Waterstaat informeert de Kamer hierover voor de zomer in de Nationale Routekaart Bidirectioneel Laden.
Bent u bereid budget vrij te maken voor de in categorie 3 van het instrumentarium energieschok opgenomen punt 16 (verlaging en harmonisatie tarief publiek laden elektrische auto’s)? Zo ja, op welke termijn? Zo nee, waarom niet?
In het huidige energiepakket is deze maatregel niet opgenomen. Komende tijd werkt IenW deze maatregel verder uit ter voorbereiding op toekomstige besluitvorming over nieuwe maatregelen.
Bent u er zich van bewust dat, gezien externe laadpasaanbieders (e-Mobility Service Providers) vaak hun eigen roamingtarieven en marges hanteren, het kan voorkomen dat gebruikers via deze laadpassen een hoger tarief betalen om te laden, ook al is de laadpaal in kwestie op een lager tarief ingesteld? Wat kunt u doen om de transparantie naar gebruikers hierin te verbeteren?
Ja, de Staatssecretaris van Infrastructuur en Waterstaat is zich hiervan bewust. Laadpasaanbieders kunnen een opslag rekenen voor hun diensten. Ook in dit geval moet de laadprijs transparant zijn. Zo borgen we dat gebruikers een bewuste keuze kunnen maken en bevorderen we gezonde marktwerking. Zij onderneemt verschillende acties op prijstransparantie waarover zij u voor de zomer in de kamerbrief laadinfrastructuur zal informeren.
Bent u bereid om de uitrol van bi-directioneel laden te versnellen? Zo ja, hoe?
Ja, de Staatssecretaris van Infrastructuur en Waterstaat informeert de Kamer hierover voor de zomer in de Nationale Routekaart Bidirectioneel Laden.
Bent u bereid om consumenten meer zeggenschap of in elk geval inzicht te geven over snel of langzaam laden?
De Staatssecretaris van Infrastructuur en Waterstaat vindt het belangrijk dat consumenten inzicht en zeggenschap hebben over snel of langzaam laden. In de Nationale Agenda Laadinfrastructuur werkt de Staatssecretaris van Infrastructuur en Waterstaat aan de klantreis van slim laden waarin wordt uitgewerkt wat elektrische rijders kunnen verwachten en hoe marktpartijen hier invulling aan geven.
Het bericht 'Huurverhoging valt bewoners van grootste flat van Nederland rauw op het dak' |
|
Habtamu de Hoop (PvdA) |
|
Boekholt-O’Sullivan |
|
|
|
|
Heeft u kennisgenomen van het feit dat de inwoners van de L-flat, de grootste flat van Nederland, en de Geroflat in Zeist te maken krijgen met een huurverhoging?1
Ja.
Bent u bekend met het feit dat de mensen die in deze flats wonen al maanden niet de volledige beschikking hebben tot hun balkons, omdat deze onveilig zijn en daarom ondersteund worden door metalen palen?
Ik ben bekend met de berichtgeving dat de mensen die in deze flats wonen al maanden niet de volledige beschikking hebben over hun balkons, omdat deze onveilig zouden kunnen zijn en daarom ondersteund worden door metalen palen.
Vooropgesteld vind ik het van belang dat huurders volledig en op een veilige manier over hun woning kunnen beschikken; daarvoor betalen zij immers de huur. In de bouwregelgeving en ook de huurregelgeving zijn hiervoor dan ook diverse waarborgen opgenomen. Voor deze waarborgen verwijs ik naar mijn antwoorden op de vragen 3, 4 en 5.
Heeft het ministerie meegekeken op de veiligheid van de balkons en de tijdelijke oplossing? Is er bij deze specifieke flat onderzoek gedaan nadat eind 2015 een onderzoeksplicht is ingesteld door toenmalig Minister Blok voor eigenaren van galerijflats met balkons? Wat is er na dit onderzoek gedaan? Ziet de Minister reden om nu weer een soortgelijke actie te ondernemen?
De verantwoordelijk voor de veiligheid van de balkons en tijdelijke oplossing is aan de gebouweigenaar en het toezicht hierop is belegd bij de gemeente. Het ministerie heeft daarbij geen rol. Dit geldt ook voor de uitvoering van de eerdere onderzoeksplicht bij galerijflats2. Of deze onderzoeksplicht is uitgevoerd bij de specifieke flat en wat er na dit onderzoek is gedaan is ter beoordeling van de gemeente. Daarnaast geldt altijd een algemene zorgplicht voor de gebouweigenaar om de balkons blijvend te laten voldoen aan de veiligheidseisen. Ik zie daarom geen reden voor een nieuwe wettelijke onderzoeksplicht.
Begrijpt u dat het voor huurders niet duidelijk is wanneer er sprake zal zijn van een duurzame oplossing en dit mogelijk nog jaren op zich laat wachten? Wat vindt u ervan dat huurders mogelijk jarenlang in onzekerheid zitten? Ziet de Minister mogelijkheden om de werkzaamheden te versnellen?
Ik vind het van belang dat huurders duidelijkheid hebben over de ernst van de huidige situatie en in hoeverre deze een beletsel kan zijn om op veilige of normale wijze gebruik te maken van het gehuurde. In eerste instantie is het aan de verhuurder om deze duidelijkheid te bieden en om indien nodig werkzaamheden te versnellen. Vervolgens voorziet de regelgeving in taken bij de gemeente, de huurcommissie en de rechter. Het ministerie heeft geen wettelijke mogelijkheden om te interveniëren in deze specifieke kwestie.
Daarmee zie ik de volgende drie mogelijkheden voor een huurder om werkzaamheden te laten versnellen. In de eerste plaats kunnen huurders zich tot de gemeente wenden met het verzoek tot handhaving van de bouwregelgeving inzake de balkons. In de tweede plaats hebben de huurders de mogelijkheid zich tot de Huurcommissie of rechter te wenden inzake de huurprijs. De Huurcommissie of rechter kan vervolgens tot het oordeel komen dat de gebreken zodanig ernstig zijn, dat zij een huurverlaging rechtvaardigen. In het algemeen stimuleert een dergelijk oordeel een verhuurder de nodige werkzaamheden uit te laten voeren; tot die tijd blijft namelijk de huurverlaging van kracht. In de derde plaats kunnen huurders zich tot de rechter wenden zodat de rechter de verhuurder verplicht om de nodige werkzaamheden uit te laten voeren. Bij een spoedeisend belang kan dat leiden tot een procedure bij de rechter in kort geding.
Bent u het eens dat het niet eerlijk is dat mensen die betalen voor een woning mét balkon, maar hier geen volledig gebruik van kunnen maken, ook nog eens een huurverhoging krijgen? Zo nee, snapt u ten minste dat dit gevoelens van oneerlijkheid oproept bij de bewoners? Wat zijn de mogelijkheden voor compensatie in dit soort gevallen?
Ik begrijp dat mensen die een woning huren met gebreken en een huurverhoging krijgen, dat als oneerlijk ervaren. Zoals aangegeven in antwoord op vraag 4 hebben huurders de mogelijkheid zich tot de Huurcommissie of rechter te wenden inzake de huurprijs. Indien de Huurcommissie in een uitspraak gebreken heeft geconstateerd, kan een voorstel tot huurverhoging wettelijk niet leiden tot huurverhoging. Met het op 21 april 2026 door uw Kamer aanvaarde wetsvoorstel toekomstbestendige Huurcommissie3 wordt deze regel ook van toepassing verklaard op huurverhogingen op grond van een beding in de overeenkomst4. Zoals aangegeven in mijn antwoord op vraag 4, kunnen huurders zich ook tot de rechter wenden zodat die de verhuurder verplicht om de nodige werkzaamheden uit te laten voeren. Huurders kunnen bij de rechter ook een schadevergoeding eisen.
Klopt het dat de huurders van woningcorporatie Woongroen die vallen onder een collectief energiecontract binnenkort ook nog eens te maken krijgen met een naheffing in verband met de gestegen energieprijzen?
Het ministerie heeft geen rol inzake individuele situaties waarbij verhuurders van woonruimten collectieve energie leveren aan hun huurders. Hierbij geldt dat de verhuurder de levering van energie in rekening kan brengen via de servicekosten. De wettelijke regeling voorziet erin dat een verhuurder voor de servicekosten een maandelijks voorschotbedrag in rekening kan brengen. Voorts voorziet de wettelijke regeling erin, dat een verhuurder uiterlijk zes maanden na het einde van elk kalenderjaar een afrekening verzorgt op basis van de reëel gemaakte kosten.
Deze afrekening kan leiden tot de conclusie dat de huurder een bedrag terug moet ontvangen of nog een extra bedrag moet betalen. Hieraan kunnen verschillende oorzaken aan ten grondslag liggen, zoals een lager of hoger verbruik, of ook gestegen energieprijzen. De huurder die het niet eens is met een afrekening heeft de mogelijkheid zich tot de Huurcommissie of rechter te wensen. Het op 21 april 2026 door uw Kamer aanvaarde wetsvoorstel toekomstbestendige Huurcommissie5 maakt dat de Huurcommissie een gebruiksvriendelijk formulier kan opstellen waarmee verhuurders de betalingsverplichting inzake de servicekosten van de huurder specificeren. Dit draagt bij aan een voor huurder en verhuurder meer begrijpelijke en voorzienbare procedure bij de Huurcommissie.
Heeft u gesprekken gevoerd met bewoners of de corporatie? Zo nee, bent u bereid op korte termijn in gesprek te gaan?
Zoals aangegeven in antwoord op vraag 3 is het aan de gemeente om te beoordelen of zij over moeten gaan tot handhaving. Zoals aangegeven in mijn antwoorden op vraag 4 en 5 kunnen huurders zich wenden tot de huurcommissie en rechter. Het ligt dan ook niet in de rede dat ik treed in de verantwoordelijkheid van de gemeente, de huurcommissie of de rechter door op korte termijn in overleg te gaan met de bewoners of de corporatie.
Wat kunt u in overleg of samenwerking met de woningcorporatie Woongroen en de gemeente Zeist doen om deze bewoners tegemoet te komen en duidelijkheid te geven?
Zie antwoord vraag 7.
Kunt u deze vragen beantwoorden voor het plenaire debat over de Woningbouwopgave?
Ja.
Het artikel 'UvA student sails with flotilla to Gaza: 'We are preparing for the worst'' |
|
Annette Raijer (PVV) |
|
Letschert |
|
|
|
|
Bent u bekend met het artikel «UvA student sails with flotilla to Gaza: «We are preparing for the worst»»?1
Ja.
Kunt u aangeven of u het wenselijk vindt dat docenten studenten aanmoedigen om dergelijke gevaarlijke reizen naar onder andere Gaza te ondernemen? Zo nee, welke maatregelen gaat u hierop ondernemen?
Het kabinet doet geen uitspraken over individuele casuïstiek.
In algemene zin is het reisadvies van het Ministerie van Buitenlandse Zaken voor de Gazastrook rood. Dat betekent dat het advies is aan Nederlanders: wat uw situatie ook is, reis hier niet heen, het is er te gevaarlijk. Ook waarschuwt het ministerie in het reisadvies dat de Nederlandse vertegenwoordiging niet kan helpen als Nederlanders in de Gazastrook in de problemen komen. Het reisadvies is helder, het is onverstandig dit te negeren.
Kunt u bevestigen dat studenten alleen recht hebben op studiefinanciering wanneer zij hun studie daadwerkelijk volgen en niet door eigen toedoen of vrijwillige uitstapjes bewust studievertraging veroorzaken? Zo nee, waarom niet?
Nee, voor een aanspraak op studiefinanciering is het niet vereist dat iemand daadwerkelijk de studie volgt. Ook vervalt hun aanspraak niet op het moment dat zij door eigen toedoen bewust studievertraging veroorzaken. De aanspraak op studiefinanciering is verbonden aan de inschrijving bij een opleiding die aanspraak geeft op studiefinanciering, en daarnaast aan het voldoen aan de overige leeftijds- en nationaliteitseisen. Daarbij is wel het aantal maanden prestatiebeurs dat een student kan ontvangen gemaximeerd. Bij studievertraging kan een student gedurende de opleiding dus in de leenfase terecht komen en geen recht meer hebben op een prestatiebeurs. Wanneer de student niet binnen de diplomatermijn een diploma haalt, wordt de prestatiebeurs bovendien niet omgezet in een gift. Het is aan de student zelf om tegen deze achtergrond keuzes te maken om ingeschreven te blijven staan of de studie (tijdelijk) te stoppen.
Kunt u bewerkstelligen dat studenten die deelnemen aan extremistische activiteiten hun recht op studiefinanciering verliezen en bovendien worden geschorst of van hun onderwijsinstelling worden verwijderd? Zo nee, waarom niet?
Waar het gaat om studiefinanciering vervalt de aanspraak alleen als is vastgesteld dat de student een uitreiziger is.2 Daarvan is sprake als uit een melding van bevoegde opsporingsdiensten of inlichtingen- en veiligheidsdiensten blijkt dat er een gegronde reden bestaat dat de student zich buiten Nederland bevindt met het doel zich aan te sluiten bij een terroristische organisatie.3 Op basis daarvan kan ik als Minister van OCW besluiten de aanspraak op studiefinanciering te laten vervallen.
Waar het gaat om schorsing of verwijdering van een student van de onderwijsinstelling, heb ik als Minister van OCW daartoe geen mogelijkheden. Die bevoegdheid ligt bij het bestuur van de onderwijsinstellingen op grond van de Wet op het hoger onderwijs en wetenschappelijk onderzoek (hierna: WHW). Wanneer een student de huisregels overtreedt en een veilige leer- en/of werkomgeving voor studenten en/of medewerkers schaadt, kan het instellingsbestuur die student voor maximaal een jaar de toegang tot de gebouwen en terreinen ontzeggen of de inschrijving voor eenzelfde periode beëindigen. Wanneer een student de huisregels overtreedt, ernstige overlast heeft veroorzaakt en ook na waarschuwingen daarmee niet is gestopt, kan het instellingsbestuur die student de toegang tot de instelling definitief ontzeggen of zijn inschrijving beëindigen.4 Een instellingsbestuur neemt een dergelijk besluit niet lichtvaardig en de impact is groot, mede ook tegen het licht van het recht op onderwijs. Daarom wordt tegen dit soort besluiten vaak in beroep gegaan bij een rechter. Uit de rechtspraak blijkt het belang van een gedegen belangenweging en proces, voordat tot zo’n beslissing kan worden overgegaan. Een schorsing moet evenredig zijn aan de mate waarin de huisregels zijn overtreden. Daarbij moet waar mogelijk de onderwijsvoortgang niet onevenredig worden belemmerd als gevolg van een maatregel. Ook moet eerst gekeken worden of op andere manieren het gedrag kan worden gewijzigd. Als dit na aanhoudende pogingen niet lukt, kan een student definitief worden uitgeschreven.
Welke maatregelen wil u nemen om vroegtijdige radicalisering in het onderwijs, vooral de breed geaccepteerde linkse radicalisatie, aan te pakken om deze situaties in de toekomst te voorkomen?
Ik heb geen signalen dat er sprake is van breed geaccepteerde linkse radicalisatie in het onderwijs.
Het werkbezoek aan Marokko |
|
Kati Piri (PvdA) |
|
Berendsen |
|
|
|
|
Bent u bekend met het bericht «De lange arm van Marokko: actiegroep waarschuwt Kamer voor spionage en intimidatie in Nederland»?[1]
Ja.
Heeft u bij uw werkbezoek aan Marokko bij uw ambtsgenoot aangedrongen te stoppen met de spionage en intimidatie van Marokkaanse Nederlanders in Nederland? Zo nee, waarom niet?
De Nederlandse overheid is alert op ongewenste buitenlandse inmenging van andere landen in Nederland. Wanneer het kabinet constateert dat er sprake is van statelijke inmenging, worden landen hier consequent op aangesproken. Het staat andere landen, ook Marokko, vrij om banden te onderhouden met mensen met de Marokkaanse nationaliteit die in Nederland wonen. Voor alle landen geldt: mits dit geschiedt op basis van vrijwilligheid en binnen de grenzen van onze rechtsstaat. Deze boodschap wordt structureel en breed uitgedragen door de Nederlandse overheid. Ook in de goede en open relatie met Marokko.
Heeft u uw ambtsgenoot aangesproken op de arrestatie van meer dan vijfduizend mensen die vorig jaar demonstreerden tegen corruptie en de staat van de gezondheidszorg in Marokko? Zo nee, waarom niet?
Ik heb tijdens mijn bezoek een breed scala aan onderwerpen besproken met mijn ambtsgenoot. De demonstraties en arrestaties waar u naar verwijst zijn bij dit eerste bezoek niet aan bod gekomen. Recht op demonstratie en vrijheid van meningsuiting zijn een groot goed, en worden ook in gesprekken met Marokkaanse autoriteiten besproken.
Heeft u gepoogd om het mensenrechtenvraagstuk expliciet in de gezamenlijke verklaring op te nemen? Zo nee, waarom niet?
We hebben met Marokko een open en gelijkwaardige dialoog waarbinnen ook mensenrechten aan bod komen. Tijdens het bezoek van Minister Bourita aan Nederland in december 2025 is daarnaast afgesproken een informele bilaterale mensenrechtendialoog op te zetten. Dit voornemen is expliciet opgenomen in de gezamenlijke verklaring van het bezoek van december jl. Opnieuw vastleggen was daarom niet nodig in onze optiek. Met Marokko werken we aan het laten plaatsvinden van de informele bilaterale mensenrechtendialoog in Nederland later dit jaar.
Heeft u bij dit werkbezoek, in lijn met de breed aangenomen motie Piri en Dobbe (Kamerstuk 32 735, nr. 407), de druk op de Marokkaanse regering opgevoerd om Nasser Zefzafi en andere politieke gevangenen vrij te laten? Zo ja, op welke manier heeft u dat tijdens dit werkbezoek gedaan? Zo nee, waarom niet? Op welke manier bent u dan wel voornemens om de motie uit te voeren?
In het verslag van de Raad Buitenlandse Zaken van 20 oktober 2025 (Kamerstuk 21 501-02, nr. 3265) informeerde ik u over de manier waarop uitvoering is gegeven aan de motie Piri en Dobbe (Kamerstuk 32 735, nr. 407). De Nederlandse zorg over politieke gevangenen, zoals de heer Zefzafi, is op hoogambtelijk niveau uitgesproken. Nederland zal zich hier sterk voor blijven maken.
Kunt u bovenstaande vragen elk afzonderlijk beantwoorden? [1] EW Magazine, 25 maart 2026, «De lange arm van Marokko: actiegroep waarschuwt Kamer voor spionage en intimidatie in Nederland» (https://www.ewmagazine.nl/buitenland/article/2026/03/lange-arm-marokko-intimidatie-activisten-nederland-109409w/)
Ja.
Generieke vrijstelling tewerkstellingsvergunning (TWV) voor de zeevisserij |
|
Femke Wiersma (BBB) |
|
van Essen |
|
|
|
|
Bent u bekend met het feit dat de commerciële zeevisserij, in tegenstelling tot de koopvaardij en zeegaande waterbouw, geen gebruik kan maken van de generieke vrijstelling van de tewerkstellingsvergunning (TWV) zoals opgenomen in het Besluit uitvoering Wav 2022?
Ja.
Hoe beoordeelt u het verschil in behandeling tussen de zeevisserij en andere maritieme sectoren, terwijl zij vergelijkbare arbeid op zee verrichten?
De aard van de andere genoemde maritieme sectoren en de zeevisserij is niet volledig vergelijkbaar. De aard van deze maritieme sectoren is het vervoer van goederen en mensen of het uitvoeren van infrastructurele projecten, waarbij er over het algemeen minder aanknopingspunten zijn met Nederland en de Nederlandse arbeidsmarkt. In dergelijke gevallen ligt een vrijstelling meer voor de hand, gelet op één van doelstellingen van de Wet arbeid vreemdelingen, namelijk de bescherming van de Nederlandse en Europese arbeidsmarkt en daarmee de belangen van de Nederlandse/EU werknemers. Daar waar er meer aanknopingspunten zijn, bijvoorbeeld bij zeeschepen die worden gebruikt als werktuig voor weg of waterbouw binnen Nederland, is een TWV wel vereist. De zeevisserij heeft tot doel het vangen en verwerken van vis, waarbij de zeevisserijschepen voor een groot deel een Nederlandse haven uitvaren en regelmatig terugkeren naar de haven voor het aanlanden van vis. In deze sector zijn er dus over het algemeen meer aanknopingspunten met Nederland en de Nederlandse arbeidsmarkt.
Deelt u de mening dat dit onderscheid leidt tot een structureel zwaardere toegangsdrempel tot arbeidskrachten van buiten de Europese Unie (EU) voor de zeevisserij?
Zoals aangegeven in het antwoord op vraag 2 is één van doelstellingen van de Wet arbeid vreemdelingen de bescherming van de Nederlandse en Europese arbeidsmarkt en daarmee de belangen van de Nederlandse/EU werknemers. Werkgevers moeten dus eerst kijken of er Nederlands/Europees arbeidsaanbod is voordat zij kijken naar arbeidsmigranten uit derde landen.
Dit sluit aan bij de huidige bredere arbeidsmarktkrapte aanpak van het kabinet en het principe van gerichte arbeidsmigratie die zich richt op hoogproductieve sectoren en maatschappelijke uitdagingen. Dit zorgt voor prikkels bij werkgevers om, in plaats van naar arbeidsaanbod buiten de EU te kijken, arbeidstekorten eerst binnenlands in te vullen, arbeidsvoorwaarden- en arbeidsomstandigheden te verbeteren of arbeidsbesparende innovaties door te voeren.
In tegenstelling tot de andere maritieme sectoren, moeten eigenaren van zeevissersschepen een TWV (bij werkzaamheden korter dan drie maanden) of een GVVA (bij werkzaamheden langer dan drie maanden) aanvragen indien zij een werknemer met een nationaliteit van buiten de EU aannemen. UWV beoordeelt deze aanvragen aan de hand van een aantal voorwaarden, waaronder:
De toegangsdrempel voor arbeidskrachten van buiten de EU is daarmee voor de zeevisserij niet hoger dan voor zeeschepen die worden gebruikt als werktuig voor weg of waterbouw binnen Nederland. De reden hiervoor is hierboven beschreven.
Bent u bekend met signalen uit de sector dat aanvragen voor TWV's voor vissers regelmatig worden ontmoedigd of afgewezen door het Uitvoeringsinstituut Werknemersverzekeringen (UWV) en wat is uw reactie daarop?
Ik heb dit nagevraagd bij het UWV. Het UWV herkent deze signalen niet. Uit de cijfers van het UWV blijkt dat het merendeel van de aanvragen positief is beoordeeld. Het UWV heeft hierbij gekeken naar afgegeven werkvergunningen op basis van twee regelingen:
Voor een tewerkstellingsvergunning voor de zeevisserij zijn er in:
Voor een GVVA voor de functie van:
Hoe verhoudt deze ongelijke behandeling zich tot het streven naar een gelijk speelveld binnen het Europees Gemeenschappelijk Visserijbeleid?
De regulering van de toegang tot de arbeidsmarkt behoort niet tot één van de doelen van het Europees Gemeenschappelijk Visserijbeleid. Conform artikel 79, vijfde lid, van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie, is het aan de lidstaten om te bepalen hoeveel onderdanen van derde landen zij toelaten om daar arbeid te verrichten.
Kunt u aangeven in hoeverre de huidige regelgeving met betrekking tot het aanvragen van een TWV bijdraagt aan bemanningstekorten in de Nederlandse zeevisserijsector?
De TWV-aanvraag via de Wav bevat een toets op de aanwezigheid van prioriteit genietend aanbod in Nederland en in de EU. Doel hiervan is dat bedrijven eerst kijken naar Nederlands/Europees arbeidsaanbod alvorens te kijken naar arbeidsmigranten uit derde landen. TWV’s zorgen hiermee voor prikkels bij werkgevers om arbeidstekorten eerst binnenlands (of Europees) op te lossen, bijvoorbeeld door arbeidsomstandigheden en -voorwaarden te verbeteren (of arbeidsbesparende innovaties door te voeren). Dit sluit daarmee aan bij de bredere aanpak van arbeidsmarktkrapte. Wanneer prioriteit genietend aanbod niet beschikbaar is, is het bij arbeidstekorten mogelijk om een TWV te krijgen. De huidige regelgeving rond de aanvraag van TWV’s is daarmee geen oorzaak van arbeidsmarktkrapte. Dat blijkt ook uit de cijfers vanuit het UWV (zie antwoord op vraag 4).
Erkent u dat de instroom in maritieme opleidingen en het aantal beschikbare Nederlandse en EU-werknemers voor zeevisserij structureel afneemt? Zo ja, welke consequenties verbindt u hieraan?
De instroom en uitstroom van studenten in het maritiem onderwijs wordt jaarlijks gemonitord. De afgelopen periode was er sprake van een lichte afname van 1,7% van het aantal aanmeldingen. Dat past helaas in de neerwaartse trend van de instroom van studenten in het maritiem onderwijs. Wel was er sprake van een lichte toename van het aantal behaalde diploma’s van 3,7%. In eerste instantie geldt dat werkgevers zelf verantwoordelijk zijn voor de arbeidsvoorwaarden en – omstandigheden in de sector, zodat een sector aantrekkelijk blijft voor werknemers. Arbeidsmigratie kan bijdragen aan tijdelijke verlichting van tekorten.
Om de sector te promoten en het tij te keren wordt wel door diverse partijen gewerkt aan verschillende initiatieven. Behoud van Nederlandse gekwalificeerde zeevarenden, inclusief vissers, is van belang om de maritieme kennis, kunde en infrastructuur in Nederland te behouden. Dat vraagt inspanningen van reders, sociale partners en het maritiem onderwijs. Zo is er sprake van een nieuwe sectorbrede imagocampagne «Mpowered», en projecten als GaTochVaren! In het kader van NederlandMaritiemLand wordt uitvoering gegeven aan de Human Capital Agenda.
De visserijsector werkt tevens samen met de overheid om nieuwe aanwas van arbeidskrachten in de sector te krijgen. De sector werkt samen met SZW aan de totstandkoming van het Ontwikkelpad visserij. Wanneer dit gereed is vraagt de sector officiële erkenning door de Minister van SZW. Dan kunnen opleidingen in het Ontwikkelpad in aanmerking komen voor de SLIM-Scholingssubsidie. De SLIM-Scholingssubsidie is een tijdelijke regeling voor werkgevers om opleidingen te subsidiëren uit onder meer het Ontwikkelpad visserij om instroom, doorstroom en overstappen naar deze branche te stimuleren.
Vanuit de overheid wordt bijgedragen door o.a. de modernisering van de regelgeving voor de bemanningen; met aandacht voor opleiding en training van zeevarenden, meer ruimte voor herintreders en zij-instromers, en een betere uitwisseling van zeevarenden tussen de deelsectoren. Tevens wordt in overleg met sectorpartijen gewerkt aan een oplossing om ervoor te zorgen dat zeevarenden uit de lidstaten aanvullend kunnen worden opgeleid zodat zij aan boord van Nederlandse vissersvaartuigen kunnen worden ingezet. Tevens wordt de huidige overeenkomst met België over de wederzijdse erkenning van vaarbevoegdheidsbewijzen van vissers op onderdelen uitgebreid met als doel te komen tot meer uitwisseling van personeel.
Deelt u de analyse dat het voor de zeevisserij noodzakelijk is om – net als andere maritieme sectoren personeel van buiten de EU te kunnen aantrekken om operationeel te blijven?
Ik verwijs hiervoor naar het antwoord p[vraag 7. Naast de acties voor het behoud van de Nederlandse zeevarenden wordt met name gekeken naar opties om personeel afkomstig uit de EU in te kunnen zetten.
Waarom is er destijds voor gekozen om zeevissersschepen expliciet uit te sluiten van de schepelingendienst-vrijstelling?
In het Besluit uitvoering Wet buitenlandse arbeidskrachten van 1979 staat een vrijstelling voor de zeevaart, maar niet voor de zeevisserij. De nota van toelichting van dit besluit geeft geen expliciete toelichting over het uitsluiten van zeevissersschepen. De beslissing om de zeevisserij niet uit te sluiten van de tewerkstellingsplicht is in lijn met de rationale van de Wav zoals beschreven in het antwoord op vraag 2.
Bent u bereid te onderzoeken of de zeevisserij onder voorwaarden kan worden opgenomen in de generieke vrijstelling van de TWV, vergelijkbaar met de koopvaardij en waterbouw?
Ik ben bezig om met de verschillende stakeholders te kijken naar de vraag van de sector. Het arbeidsmigratiebeleid valt onder de beleidsverantwoordelijkheid van de Minister van SZW. Bij dit vraagstuk zijn verder verschillende ministeries, zoals bijvoorbeeld het Ministerie van IenW, de sociale partners in de sector, ILT, UWV en de NLA betrokken. Ieder vanuit hun eigen rol en verantwoordelijkheden. Dit vraagstuk vergt een zorgvuldige afweging van verschillende belangen, waarbij ook naar andere mogelijke en bestaande oplossingen voor het bemanningstekort in deze sector zal worden gekeken, zoals beschreven in vraag 6 en 7. Ik wil niet vooruitlopen op de uitkomst van deze afwegingen.
Hoe beoordeelt u het voorstel om deze vrijstelling te koppelen aan registratie in het Nederlands Register van Vissersvaartuigen (NRV) om handhaafbaarheid te waarborgen?
Zoals aangegeven in antwoord op vraag 10 wil ik niet vooruitlopen op de uitkomst van het nagaan van de verschillende mogelijkheden voor oplossingen van het bemanningstekort in de visserij. Ik kan dit voorstel daarom op dit moment (nog) niet beoordelen.
Ziet u mogelijkheden om via het NRV een duidelijke en controleerbare afbakening te creëren van de doelgroep voor een eventuele vrijstelling?
Voor het antwoord op deze vraag verwijs ik naar de antwoorden bij de vragen 10 en 11. Ook deze vraag zal ik niet kunnen beantwoorden voor de eerder beschreven afwegingen zijn gemaakt.
Welke risico’s ziet u bij het invoeren van een dergelijke vrijstelling en hoe kunnen deze volgens u worden ondervangen?
Zoals ik bij het antwoord op vraag 10 heb aangegeven ben ik bezig met dit vraagstuk. Daarin zullen we ook de risico’s van een mogelijke vrijstelling onderzoeken.
Bent u bereid om, in overleg met de sector en uitvoeringsorganisaties zoals UWV en de Nederlansdse Arbeidsinspectie (NLA), te komen tot een voorstel voor gelijkschakeling van maritieme sectoren op dit punt?
Ik ben bezig om de vraag van de sector te bezien samen met de andere betrokkenen, zoals genoemd bij het antwoord op vraag 10. Deze vraag vergt een zorgvuldige afweging, waarbij onder andere de hierboven genoemde initiatieven van de sector en overheid, uitvoerbaarheid en handhaafbaarheid een onderdeel zijn. Ik wil niet vooruitlopen op de uitkomst daarvan.
Op welke termijn kunt u de Kamer informeren over mogelijke beleidsaanpassingen of vervolgstappen?
Ik wil de Kamer na de zomer verder informeren. Een nadere invulling is onder meer afhankelijk van de capaciteit die hiervoor beschikbaar is bij betrokken stakeholders.