Waterproblematiek als gevolg van klimaatverandering |
|
Felix Klos (D66), Marieke Vellinga-Beemsterboer (D66) |
|
Vincent Karremans (VVD) |
|
|
|
|
Kunt u toelichten wat de opschaling van de Landelijke Coördinatiecommissie Waterverdeling naar het niveau «dreigend watertekort» op 1 juli concreet betekent en of u verwacht dat Nederland deze zomer opschaalt naar «feitelijk watertekort»?1
Van watertekort is sprake als de vraag naar water vanuit verschillende maatschappelijke en ecologische behoeften groter is dan het aanbod met een voor de behoefte geschikte kwaliteit. Watertekort ontstaat geleidelijk.
Op 16 juli is de Kamer per brief2 geïnformeerd over de opschaling. In de brief is opgenomen dat op 1 juli de Landelijke Coördinatiecommissie Waterverdeling (LCW) is opgeschaald naar het niveau «dreigend watertekort» (niveau 1). Ook wordt de Kamer in de brief geïnformeerd over de concrete genomen maatregelen. Op advies van de LCW heeft de voorzitter van het Management Team Watertekorten (MTW) donderdag 16 juli 2026 besloten om op te schalen naar een «feitelijk watertekort» (niveau 2). De criteria voor opschaling zijn vastgelegd in het Landelijk draaiboek Waterverdeling en Droogte3.
Het MTW bestaat uit Rijkswaterstaat, waterschappen, drinkwaterbedrijven, provincies en betrokken Ministeries (LNV, EZK en IenW). Zij bereiden bovenregionale maatregelen voor, om het water zo goed mogelijk te verdelen. Denk bij maatregelen aan schutbeperking, onttrekkingsverboden en aangepaste inzet van de stuwen op de Rijntakken. De leden van het MTW vertalen dit naar besluiten in de eigen bestuurlijke kolom. Waterschappen, Rijkswaterstaat en provincies hebben elk hun eigen structuren, verantwoordelijkheden en besluitvorming.
Deelt u de analyse van de voorzitter van de Landelijke Coördinatiecommissie Waterverdeling dat de huidige droogte steeds meer overeenkomsten vertoont met het uitzonderlijke jaar 1976 en dat de kans op zulke zomers door klimaatverandering toeneemt?2
Ja, ik deel deze analyse. De aanhoudende droogte zorgt ervoor dat er een grotere vraag is naar water dan wat er ons land binnenkomt via regen en rivieren. Elke droogte is anders, maar tot nu toe zijn er veel overeenkomsten met de droogte uit 1976. Zo zijn de rivierafvoeren historisch laag, en is op 15 juli de laagste juli-afvoer van 780 m/s, uit 1976, onderschreden. Ook het neerslagtekort loopt steeds verder op. Deze is vergelijkbaar met het droge jaar 2018 maar blijft voorlopig nog onder het neerslagtekort van 1976.
De KNMI-klimaatscenario’s5 laten zien dat perioden van droogte vaker zullen optreden en langer zullen aanhouden naarmate het klimaat verandert.
Kunt u toelichten welke keuzes u in de verdringingsreeks voorziet als de droogte de rest van de zomer aanhoudt en op welk moment u de Kamer daarover informeert?3
De huidige droogte heeft op dit moment vooral gevolgen voor functies die vallen onder categorie 4 van de wettelijke verdringingsreeks (bijlage 1). Voor de functies in de categorieën 1 tot en met 3 doen zich momenteel geen bovenregionale waterverdelingsvraagstukken voor.
De Kamer wordt geïnformeerd wanneer er wordt op- danwel afgeschaald naar een ander niveau of wanneer er sprake is van ingrijpende bestuurlijke besluiten met aanzienlijke maatschappelijke of financiële gevolgen. Dit laatste ligt waarschijnlijk pas in de rede wanneer wordt opgeschaald van niveau 2 naar niveau 3 van de droogtekolom, en de watertekorten ook gevolgen hebben voor functies in de categorieën 1 tot en met 3 van de verdringingsreeks.
Welke maatregelen in dat geval nodig zijn, hangt af van de aard van de watertekorten en algehele situatie op dat moment. Het is daarom niet mogelijk daar nu op vooruit te lopen.
Kunt u toelichten hoe u de zoetwatervoorziening voor drinkwater, landbouw, natuur en industrie borgt nu de verzilting in het benedenrivierengebied verder toeneemt en regionaal al onttrekkings- en beregeningsverboden gelden?4
De Kamerbrief8 van 16 juli biedt overzicht van de reeds genomen maatregelen. Zo hebben waterbeheerders al vroeg in het jaar geanticipeerd op mogelijke droogte door het peil lokaal en in het IJssel- en Markermeer te verhogen. Plaatselijk worden pompen ingezet om kanalen en het regionale watersysteem van extra water te voorzien en verschillende maatregelen zijn al ingezet om de verzilting te beperken en waterpeilen te kunnen handhaven. Denk aan het extra inlaten van water, het sluiten van de Haringvlietsluizen, beperkt spuien bij de Afsluitdijk en de inzet van de Klimaatbestendige wateraanvoer (KWA). Waterbeheerders hebben hiermee de gevolgen van de droogte gedeeltelijk kunnen opvangen en/of uitstellen. Hoe langer de droogte aanhoudt, hoe ingewikkelder het wordt om functies lager in de verdringingsreeks (categorie 4) van zoetwater te voorzien. De gevolgen van droogte kunnen niet altijd en overal voorkomen worden.
Kunt u specifiek toelichten in hoeverre de huidige droogte en verzilting een concreet risico vormen voor een feitelijk drinkwatertekort voor consumenten op de korte en middellange termijn?
De huidige droogte en verzilting vormen geen risico op een drinkwatertekort en brengen dan ook geen concrete gevolgen mee voor de consument. Er is momenteel voldoende drinkwater beschikbaar en de levering van drinkwater blijft stabiel. Risico’s voor de drinkwaterwinning zijn beheersbaar door de preëmptieve peilopzet van het IJsselmeer begin dit jaar, het inschakelen van de Klimaatbestendige wateraanvoer (KWA) voor West-Nederland en andere genomen maatregelen uit de Kamerbrief9. Wel is belangrijk bewust met kraanwater om te gaan. Het vaste advies van de drinkwaterbedrijven is dat minder water gebruiken altijd beter is – het hele jaar door.
Het is bekend dat de drinkwatervoorziening op de middellange termijn steeds meer onder druk komt te staan. Onder andere door langere periodes van droogte, maar ook door een groeiende vraag. De beschikbaarheid van voldoende, schoon en betaalbaar drinkwater wordt voor een belangrijk deel bepaald door de beschikbaarheid en kwaliteit van de drinkwaterbronnen. Om de komende jaren onze drinkwaterbeschikbaarheid ook veilig te stellen werken de drinkwaterbedrijven en provincies in het kader van het Actieprogramma beschikbaarheid drinkwaterbronnen aan maatregelen om de productiecapaciteit van drinkwater in 2030 ook structureel te vergroten. Tegelijkertijd werken we met de uitvoering van het Nationaal Plan van aanpak drinkwaterbesparing samen met veel stakeholders aan het terugbrengen van de vraag naar drinkwater met 20% in 2035, zowel voor consumenten als voor zakelijke gebruikers.
Hoe beoordeelt u de ecologische gevolgen van deze droogte, zoals vissterfte, blauwalg, botulisme, droogvallende nevengeulen en een landelijk verhoogd risico op natuurbranden?
Het risico op vissterfte, blauwalg, botulisme, droogvallende nevengeulen en natuurbranden is jaarlijks terugkerend en lokaal verschillend, maar naarmate de droogte aanhoudt neemt dit risico overal toe. Zo zijn onlangs in het noordelijke deel van de Krimpenerwaard grote aantallen dode vissen en watervogels aangetroffen, vermoedelijk ten gevolge van een botulisme-uitbraak door de hoge watertemperaturen. Het handelen ten aanzien van het verhoogde risico op natuurbranden is vastgelegd in het Landelijk Crisisplan Natuurbranden10.
Kunt u aangeven welke gevolgen de aanhoudende droogte heeft voor de staat van kades, dijken en funderingen?
De droogte heeft vooralsnog beperkte gevolgen voor de staat van kades en dijken omdat we op tijd ingrijpen waar dat nodig is. Waterbeheerders controleren locaties waar door uitdroging risico’s kunnen ontstaan en nemen maatregelen om deze te beschermen. Het recentelijk afsluiten van de Twentekanalen is hier een voorbeeld van. De stabiliteit van keringen heeft de hoogste prioriteit in de verdringingsreeks.
Funderingen zijn als zodanig niet opgenomen in de verdringingsreeks, maar waterbeheerders nemen wel maatregelen om bodemdaling door droogte (klink en zetting) te voorkomen. Hiermee wordt ook schade aan funderingen door de huidige droogte beperkt.
Kunt u toelichten wat de lage waterstanden nu al betekenen voor de binnenvaart, waar schepen minder diep mogen varen, minder lading kunnen meenemen en verladers te maken krijgen met hogere transportkosten, laagwatertoeslagen en langere doorlooptijden?
De huidige lage waterstanden in Nederland hebben aanzienlijke gevolgen voor de binnenvaartsector. Door de verminderde vaardiepte mogen binnenvaartschepen minder diep varen, wat direct leidt tot een verminderd laadvermogen per schip. Hierdoor neemt de beschikbare transportcapaciteit af, terwijl de vraag naar vervoer onverminderd blijft. Uit ervaringen in 2018 en 2022 hebben wij gezien dat de transportprijzen in dergelijke periodes -tijdelijk- enorm kunnen stijgen. Bovendien leiden lage waterstanden tot langere wachttijden bij sluizen, omdat deze minder vaak schepen doorlaten om water te besparen, wat de vertragingen in de logistieke keten verergert. Verladers en bedrijven moeten hun planning aanpassen, bijvoorbeeld door voorraden op te bouwen of alternatieve transportmodaliteiten te overwegen.
De recente stremming van de Twentekanalen illustreert hoe ingrijpend de gevolgen van droogte voor de binnenvaart en de regionale economie kunnen zijn. Door het sluiten van de sluizen bij Eefde is de vaarverbinding tussen de IJssel en belangrijke Twentse industrie- en overslaglocaties (tijdelijk) weggevallen. Bedrijven die afhankelijk zijn van aanvoer en afvoer over water worden daardoor gedwongen op zoek te gaan naar mogelijke alternatieven zoals het wegvervoer of andere logistieke oplossingen, hetgeen extra kosten en organisatorische uitdagingen met zich brengt. Wij blijven in goed gesprek met de sector en zijn ons bewust dat hierdoor niet alleen de binnenvaart wordt geraakt, maar ook verladers, industriële bedrijven, overslagterminals en andere schakels in de logistieke keten. De uiteindelijke duur van dergelijke stremmingen als gevolg van droogte is vooraf vaak onzeker.
Houdt het kabinet rekening met dreigende tekorten aan specifieke goederen en grondstoffen in Nederland als gevolg van de beperkte toevoer via de commerciële binnenvaart en zo ja, welke goederen betreft dit en hoe wordt dit gemonitord?
Het kabinet is zich bewust van de risico’s op tekorten als gevolg van beperkte toevoer via de binnenvaart en monitort dit actief. Binnen het kader van de Mobiliteitsvisie wordt gewerkt aan het verhogen van de leveringszekerheid door risicovolle afhankelijkheden in kaart te brengen. Daarnaast hebben wij een langlopend programma dat de klimaatimpact inzichtelijk maakt in zgn. stresstesten en mogelijke maatregelen in kaart brengt in een Uitvoeringsagenda. Vooralsnog zijn er geen signalen van specifieke tekorten van goederen. De voorraden en de mate van transportalternatieven, bijvoorbeeld vervoer via de weg, bepaalt mede de continuïteit van commerciële partijen. Het kabinet blijft de situatie nauwlettend volgen in samenwerking met brancheorganisaties, waterschappen, Rijkswaterstaat en andere betrokken partijen.
Kunt u aangeven of het kabinet een raming maakt van de economische schade van de droogte van 2026 voor Nederlandse handels-, productie- en industriebedrijven? Zo nee, kunt u toezeggen dit wel te doen?
Er zijn evaluaties gemaakt van de economische effecten van droogte In de droge jaren 201811 en 202212. Indien de droogte van dit jaar verder doorzet zal ook over dit seizoen een economische evaluatie worden gemaakt.
Op dit moment ontwikkelt het kabinet een dashboard dat de schade van (dreigende) watertekorten voor de huidige en aankomende perioden in beeld kan brengen. Een van de doelen van dit dashboard is om jaarlijkse droogterapportages te kunnen maken die ingaan op de economische effecten. De informatie in dit dashboard kan al worden gebruikt voor een evaluatie van economische effecten van de droogte dit jaar.
Welke risico's ziet u door de aanhoudende droogte, hoge watertemperaturen en lage rivierstanden voor de koelwatercapaciteit van elektriciteitscentrales en in hoeverre brengt dit de leveringszekerheid van energie in Nederland in gevaar?
Op dit moment is de leveringszekerheid van energie niet in gevaar als gevolg van de huidige droogte. Wel is de watertemperatuur hoger dan normaal en is het risico dat bij verdere daling van rivierafvoeren en aanhoudende hoge luchttemperatuur dat het lozen van koelwater op de rivieren dan sterk moet worden beperkt of gestaakt.
De elektriciteitscentrales in Nederland liggen zeer beperkt aan rivieren en veelal langs de kust of aan water met invloed van het getij, waar opwek blijvend mogelijk is doordat de watertemperatuur daar lager is. Bij de elektriciteitscentrales aan de Maas en de Amer kan eventueel een koeltoren worden ingezet, waardoor veel minder warmte wordt toegevoegd aan de rivier.
Leveringszekerheid van energie zit in categorie 2 van de verdringingsreeks. Dat betekent dat de watervraag voor de leveringszekerheid van energie voorrang krijgt op economische functies indien dat nodig is. In zeer uitzonderlijke gevallen kan voor de leveringszekerheid van elektriciteit de inzet van centrales ook bij hoge watertemperaturen worden toegelaten, bijvoorbeeld als ook op Europese schaal onvoldoende elektriciteit beschikbaar is.
Deelt u de opvatting dat extreme droogte en extreem hoogwater twee uitingen zijn van hetzelfde onderliggende probleem, namelijk klimaatverandering, en dat het waterdossier daarmee onlosmakelijk ook een klimaatdossier is?
Het waterdossier is ook, maar niet alleen, een klimaatdossier. De oorzaak van de toenemende wateropgaven ligt in de combinatie van klimaatveranderingen en sociaal-economische ontwikkeling.
Door klimaatverandering verandert het wateraanbod. De Deltascenario’s13 laten zien dat het zomers droger en ’s winters natter wordt en de extremen extremer zullen worden en vaker zullen optreden. Het weerbeeld wordt grilliger, de Rijn- en Maasafvoeren gaan veranderen en de zeespiegel stijgt met verzilting in de kustgebieden als gevolg.
Tegelijkertijd laten de Deltascenario’s zien dat ook sociaal-economische ontwikkelingen een rol spelen. De vraag naar zoetwater groeit door bevolkingsgroei, economische ontwikkeling en nieuwe water-intensieve activiteiten (bijv. datacentra en waterstoffabrieken). Ook bepalen de ruimtelijke keuzes die we nu en in het verleden gemaakt hebben de waterbeschikbaarheid en het risico op wateroverlast.
Op welke wijze werkt u samen met de Minister van Klimaat en Groene Groei (KGG) om te zorgen dat mitigatie en adaptatie op het klimaat- en waterterrein elkaar versterken?
De ontwerpNationale Klimaatadaptatiestrategie (NAS; Kamerbrief 31 793, nr. 301) is een rijksbrede strategie, waarbij de betrokken ministeries (waaronder die van IenW en EZK/KGG) nauw hebben samengewerkt. Zo bevat de Ontwerp-NAS een aanpak voor een klimaatbestendige energieinfrastructuur. In het Programma Energiehoofdinfrastructuur wordt bekeken waar nieuwe energie-infrastructuur ruimtelijk geordend kan worden om zo te werken naar een klimaatneutraal energiesysteem in 2050. Klimaatadaptatie wordt hierbij integraal meegewogen. Het kabinet blijft verder gecommitteerd aan klimaatmitigatie en zet met volle kracht in op het halen van de klimaatdoelen.
Bent u bekend met de stelling van hydrometeoroloog Jan Verkade dat de enige échte, structurele oplossing voor de toenemende droogte- en waterproblematiek ligt in het drastisch verminderen van de CO₂-uitstoot? Deelt u deze visie en is het kabinet bereid om op basis hiervan extra (mitigerende) maatregelen te treffen om gegarandeerd aan de nationale en internationale klimaatafspraken te voldoen?
Ik deel de visie dat het verminderen van de CO2-uitstoot belangrijk is. Het kabinet werkt daarom aan het behalen van de klimaatdoelen en de implementatie en realisatie van maatregelen. Maar zelfs als we morgen alle klimaatdoelen halen, dan krijgt Nederland de komende jaren alsnog te maken met extremer weer. Bovendien heeft de mate waarin de rest van de wereld de klimaatdoelen behaalt, ook een groot effect op de klimaatverandering in Nederland.
Daarom zet ik tegelijk in op adaptatie, zoals het vergroten van de sponswerking van onze landschappen zodat we water beter kunnen vasthouden, en het flexibiliseren van het hoofdwatersysteem zodat we het schaarse water slimmer kunnen verdelen waar dit het meest nodig is.
Door klimaatverandering neemt het belang van sterke internationale samenwerking verder toe. Nederland is immers voor een groot deel afhankelijk van het rivierwater dat vanuit bovenstrooms gelegen landen ons land instroomt. Binnen de internationaal rivierencommissies zet Nederland zich daarom actief in voor afspraken over de rivierafvoer.
Bent u van mening dat Nederland genoeg doet om de effecten van klimaatverandering tegen te gaan via mitigatie en adaptatie? Zo nee, waar is extra inzet nodig en welke rol ziet u voor zichzelf daarin?
Uit de evaluatie van de NAS’16 (2022)14 blijkt dat zowel de Rijksoverheid als veel decentrale overheden en bedrijven al aan de slag zijn gegaan met klimaatrisico’s. Maar hieruit blijkt ook dat die inzet onvoldoende is gezien het huidige tempo van klimaatverandering. Met de (ontwerp)NAS’26 streeft het kabinet naar duidelijkheid over onze ambities en doelen en zetten we op de korte termijn stappen waarmee we ons voorbereiden op de benodigde veranderingen op de middellange termijn. Om de benodigde snelheid te behalen is het echter nodig om – in samenwerking met belanghebbenden – keuzes te maken waar welke maatregelen worden genomen. Dit vergt eveneens capaciteit en middelen bij alle betrokken partijen.
Het kabinet zet verder in op de implementatie en realisatie van de klimaatmitigatiemaatregelen die reeds zijn afgesproken, op langetermijnbeleid en een slimme Europese aanpak zodat we de klimaatdoelen voor 2040 en 2050 conform afspraak halen. Behalen van het klimaatdoel van 2030 blijft lastig, maar we houden de ambitie vast.
Kunt u per hoofdaanbeveling van het Planbureau voor de Leefomgeving (PBL)-rapport «Voorbij de risico's»5 op het waterdossier aangeven welke door u in de Ontwerp Nationale Klimaatadaptatiestrategie is overgenomen en welke niet en wat de reden is bij de aanbevelingen die u niet heeft overgenomen?
Het onderzoek van het PBL is meegenomen in de ontwerpNAS. Zo zijn de risicoanalyses in alle hoofdstukken mede gebaseerd op dit onderzoek en hanteren we in de adaptatiepadenkaarten een vergelijkbare indeling van intensiverende en transformerende maatregelen. Een intensiverende maatregel voor zoetwaterbeschikbaarheid is bijvoorbeeld het verder optimaliseren van de flexibiliteit van het hoofdwatersysteem. Daarbij kunnen we, afhankelijk van de specifieke droogteomstandigheden en aan de hand van de wettelijk vastgelegde verdringingsreeks, het water slim verdelen naar waar dat het meest nodig is. Een transformerende maatregel is bijvoorbeeld het beter vasthouden van grondwater. Hiervoor kan een functiewijziging nodig zijn. In de Ontwerp-NAS worden echter geen beleidskeuzes voor het waterdomein gemaakt. Dit gebeurt in het Nationaal Waterprogramma dat in 2027 ter inzage wordt gelegd, maar ook op regionaal niveau, onder andere ook aan de hand van de stapsgewijze aanpak van Deltaprogramma Ruimtelijke Adaptatie waarin gemeenten, waterschappen en provincies samenwerken.
Kunt u toelichten of het Deltaprogramma Zoetwater, de Nationale Klimaatadaptatiestrategie en het uitgangspunt «water en bodem sturend» in hun huidige vorm toereikend zijn voor zomers als deze, of dat u versnelling nodig acht en wat die versnelling dan concreet zou inhouden?
Het aanbod van zoetwater in de neemt in de zomerperiode af, terwijl de vraag toeneemt. Toekomstige waterschaarste, in zomers zoals deze met lage rivierafvoeren, kunnen niet volledig worden voorkomen. De genoemde programma’s helpen ons voor te bereiden op deze waterschaarste. We zien dat al uitgevoerde maatregelen de effecten van schaarste tot nu toe hebben weten te beperken.
De programma’s geven richting aan een bredere aanpak waarin de nadruk verschuift van het treffen van maatregelen in het watersysteem naar aanpassingen in het ruimtegebruik en de ruimtelijke inrichting. Belangrijk hiervoor is dat maatschappelijke partijen en gebruikers beter inzicht krijgen in de lokale veranderingen in waterbeschikbaarheid door klimaatverandering, en de inspanningen van overheden en waterbeheerders om dit gebiedsgericht te beperken, of niet, afhankelijk van hun doelen en strategie. Aanvullend op een goede samenwerking en voldoende capaciteit en financiering bij alle betrokkenen, is voorwaardelijk ook voldoende kennis, duidelijkheid en transparantie. Deze nieuwe aanpak wordt momenteel concreet uitgewerkt in het Nationaal Waterprogramma (NWP) welke in 2027 ter inzage wordt gelegd.
Kunt u een reflectie geven op het bericht dat Waterschappen pleiten voor Europese regels om te voorkomen dat Nederland niet alleen een «restje rivierwater» krijgen?6
Nederland is afhankelijk van het water uit de rivier dat vanuit bovenstrooms gelegen landen ons land instroomt. Deze afhankelijkheid geldt omgekeerd ook: bovenstroomse gebieden zijn afhankelijk van voldoende zoetwater in Nederland voor bijvoorbeeld scheepvaart en daarmee de bevoorrading van eigen industrie. Internationale samenwerking is daarom essentieel om de waterbeschikbaarheid te waarborgen. Het beeld dat Nederland alleen een «restje rivierwater» krijgt deel ik daarom niet.
Door klimaatverandering neemt de noodzaak van een sterke Europese samenwerking verder toe. Nederland is al lang actief om in Europees verband afspraken te maken en zet daarbij vooral in op afspraken binnen de riviercommissies. Onder meer binnen de Internationale Commissie ter bescherming van de Rijn (ICBR) en de Internationale Maascommissie (IMC). Deze Rijn- en Maascommissies gaan o.a. over waterkwaliteit en waterkwantiteit. De afspraken zijn vastgelegd in verdragen. Doel van de verdragen is het bereiken van een duurzaam en integraal waterbeheer van de internationale stroomgebieden.
Met de Europese Water Resilience Strategy zet de Europese Commissie samen met lidstaten in op een efficiënter gebruik van water en het verder versterken van de internationale samenwerking.
Bent u bekend met de berichtgeving dat de burgemeester van Valkenburg aan de Geul vijf jaar na de watersnood van 2021 spreekt van «een ramp na de ramp», omdat particulieren achterbleven met een restschuld van 15 tot 45 procent en hoe beoordeelt u die kwalificatie?7
Ja, ik ben bekend met de berichtgeving.
Gedupeerden hebben schadevergoedingen verkregen vanuit de afgesloten verzekeringen. Voor schade die onverzekerbaar is hebben gedupeerden een tegemoetkoming ontvangen op basis van de Wet tegemoetkoming schade bij rampen (Wts). Deze wet geldt als vangnet en biedt de mogelijkheid aan de overheid om een tegemoetkoming aan gedupeerden te verstrekken. Het gaat dus niet om een schadevergoeding en is niet kostendekkend. Dit is een belangrijk onderscheid.
De Wts is ruimhartiger toegepast dan louter juridisch voorgeschreven, Zo zijn voertuigen die schade hebben ondervonden door de wateroverlast in principe verzekerbaar door een all-risk verzekering en vallen daarmee buiten de werking van de Wts. Toch heeft het kabinet besloten bij hoge uitzondering en eenmalig de voertuigen die slechts WA-verzekerd waren toch onder de werking van de regeling van de Wts voor het hoogwater Limburg 2021 te brengen.
Naast deze ruimhartige toepassing van de Wts heeft het kabinet bovendien coulancehalve aanvullend de beleidsregel financiële nood in het leven geroepen. Door toepassing van de Wts en deze beleidsregel is absoluut ruimhartig opgetreden.
Met de term «ruimhartig» is overigens nooit bedoeld dat gedupeerden volledig schadeloos worden gesteld en dat is, zoals hierboven uiteengezet, ook niet het doel van de Wts. Het uitgangspunt blijft dat burgers en bedrijven voor verzekerbare schade zijn aangewezen op particuliere verzekeringen; de Wts is uitsluitend bedoeld als vangnet voor onverzekerbare schade.
Kunt u toelichten hoe het kan dat van de door Deltares becijferde schade van circa 433 miljoen euro ten minste vijftien miljoen euro die voor gedupeerden bestemd was hen nooit heeft bereikt en bent u bereid te bezien of die middelen alsnog ten goede kunnen komen aan de resterende schade in het gebied?8
Deltares heeft in hun rapport Een watersysteemanalyse – wat leren we van het hoogwater van juli 2021? een totaaloverzicht opgenomen van tegemoetkomingen en uitgekeerde schade per eind 2022. Dit betrof € 433 miljoen. Onderdeel van dit totaaloverzicht is onder andere de omzetdervingsregeling. Het Rijk heeft in 2023 een voorshot van € 24 miljoen verleend aan de provincie Limburg voor een eenmalige tegemoetkoming in omzetderving bij mkb'ers. Dit bedrag omvatte zowel de tegemoetkomingen als de uitvoeringskosten en de afhandeling van bezwaar- en beroepsprocedures, maar was verder beperkt onderbouwd omdat er destijds nog geen beeld was van de daadwerkelijk in-aanmerking-komende schade.
Het voorschot is verstrekt in de vorm van een specifieke uitkering (SPUK) met daar bijkomende voorwaarden. Zo moest, bijvoorbeeld, uitkering ervan in overeenstemming zijn met de Europese mededingingsregels, met name de staatssteunregels, en een eventuele onderuitputting moest terugkomen bij het rijk.
De provincie Limburg voerde de regeling in twee tranches uit, maar uiteindelijk raakte lang niet alle middelen bestemd. Conform de voorwaarden van de SPUK wordt het resterende bedrag daarom terugbetaald aan het Rijk. Dit is deels nog lopend vanwege een laatste beroeps- en bezwarenprocedure. Het kabinet is verder niet van plan de resterende middelen opnieuw als schadetegemoetkoming beschikbaar te stellen aan de provincie.
Wat zegt het volgens u over de uitvoerbaarheid van de regelingen dat gemeenten als Gulpen-Wittem en Meerssen speciale medewerkers moesten aanstellen om inwoners door het «woud aan regels» te loodsen9 en welke opvolging geeft u aan de conclusie van het Wetenschappelijk Onderzoek- en Datacentrum (WODC) dat de Wet tegemoetkoming schade bij rampen niet toekomstbestendig is?10
Communicatie over de regelingen zijn ruim opgezet en breed uitgedragen in samenwerkingen tussen het Ministerie van Justitie en Veiligheid, de Rijksdienst voor Ondernemend Nederland, gemeenten en lokale hulpverlenende partijen. Het staat gemeenten uiteraard vrij om additioneel verdere ondersteuning in te schakelen waar zij dat nodig achten.
Ten aanzien van de conclusie van het WODC dat de Wts in de huidige vorm niet toekomstbestendig is, is bij Kamerbrief van 7 november 2025 de Kamer geïnformeerd dat binnen het Ministerie van Justitie en Veiligheid wordt bezien hoe opvolging gegeven kan worden aan de gedane suggesties om deze wet wél toekomstbestendig te maken.
Kunt u aangeven hoe hoog de verzekeringsgraad tegen overstromings- en wateroverlastschade nu is onder huishoudens en onder mkb'ers, welk streefcijfer u hanteert en met welke instrumenten u die graad wilt verhogen?
Het kabinet heeft geen generieke streefcijfers voor verzekerbaarheid. Uiteraard is het wel wenselijk dat de verzekerbaarheid wordt bevorderd. Hierop is in de voornoemde brief van 7 november 2025 reeds ingegaan, kortheidshalve verwijs ik u daarom naar deze brief.
Kunt u toelichten of het beperken van de langdurige nasleep van een watercrisis, dus herstel, schadeafhandeling en verzekerbaarheid, expliciet onderdeel is van de derde laag van de meerlaagsveiligheid en van het Hoogwaterbeschermingsprogramma (HWBP)? Zo niet, kunt u toezeggen dit onderdeel te laten zijn van de Nationale Klimaatadaptatiestrategie?
«Meerlaagsveiligheid» is de basis van het beleid voor waterveiligheid en wateroverlast. Naar aanleiding van de wateroverlast en hoogwater in Limburg is meerlaagsveiligheid uitgebreid met twee lagen, laag 0: waterbewust handelen en laag 4 waterrobuust herstel. De eerste laag is preventie: het voorkómen van een overstroming of van wateroverlast. Dit is de belangrijkste pijler van het waterveiligheidsbeleid. Het Hoogwaterbeschermingsprogramma (HWBP) is een alliantie van alle 21 waterschappen en het Rijk. Via dit programma worden de primaire waterkeringen versterkt, zodat ze voor 1 januari 2050 voldoen aan de wettelijke gestelde omgevingswaarden (norm). Het gaat hier om preventie en is dus geen directe maatregel voor herstel na een crisis. Waterrobuust herstel is opgenomen in de Ontwerp Nationale Klimaatadaptatiestrategie (NAS) onder opgave 4.2 Veerkracht en weerbaarheid bij wateroverlast door extreme regen. Verdere uitwerking van het herstel na wateroverlast situaties zal plaatsvinden in de Nationale Aanpak Wateroverlast die eind 2026 gepubliceerd zal worden.
In de Nationale Klimaatadaptatiestrategie kondigt u een klimaatadaptatieladder en een herziene klimaatschadeschatter aan, maar kunt u aangeven wanneer die ladder er ligt, of daarin ook wordt vastgelegd welk deel van de restschade bij inwoners en ondernemers mag blijven liggen en hoe deze ladder zich verhoudt tot de Wet tegemoetkoming schade bij rampen, waarvan het WODC concludeerde dat die niet toekomstbestendig is?
De klimaatadaptatieladder wordt volgens de Ontwerp-NAS’26 uiterlijk 2029 opgeleverd. De ladder gaat over de keten van investeren, schade en herstel, en gaat over alle klimaatrisico's. Doel is om duidelijk te maken (voor verschillende doelgroepen) wie welke risico's en kosten draagt, inclusief schade die niet of moeilijk te verzekeren is. De eventuele herziening van de Wts heeft een eigen beloop maar de uiteindelijke uitkomst ervan zal worden meegenomen in de klimaatadaptatieladder. Een antwoord op de vraag over de restschade die bij inwoners en ondernemers komt te liggen is daarom op dit moment niet te geven.
Kunt u deze vragen binnen de gebruikelijke termijn van drie weken beantwoorden, in plaats van verlenging tot zes weken, gezien de urgentie van het onderwerp?
Ja.
Het artikel Israël doet officieel weer mee met Songfestival: 'AVROTROS in de knel |
|
Mona Keijzer |
|
Letschert |
|
Bent u bekend met het bericht dat Israël ook in 2027 zal deelnemen aan het Eurovisie Songfestival en dat AVROTROS eind augustus of begin september een besluit zal nemen over Nederlandse deelname?1
Ja.
Bent u van mening dat Nederland moet mee doen aan het EurovisieSongfestival?
De Nederlandse Publieke Omroep gaat over de eigen programmatische keuzes. Vanwege de redactionele onafhankelijkheid die is vastgelegd in de Mediawet 2008 en de persvrijheid die volgt uit de grondwettelijke vrijheid van meningsuiting, heb ik als Minister geen rol in dit soort keuzes.
Deelt u de opvatting dat voorkomen moet worden dat Nederland door interne discussies bij een omroep afwezig is op een van de grootste culturele evenementen van Europa? Zo nee, waarom niet?
Zie mijn antwoord op vraag 2.
Welke afspraken bestaan er momenteel tussen de Europese radiounie (EBU), de Nederlandse Publieke Omroep (NPO) en AVROTROS over de Nederlandse deelname aan het Eurovisie Songfestival?
De NPO is officieel de lid-organisatie van de EBU maar is niet verantwoordelijk voor de inhoud van de programma's. Waar het gaat om het Songfestival wordt direct geschakeld tussen de AVROTROS en de EBU. AVROTROS is de omroep die inhoudelijk invulling geeft aan het Eurovisie Songfestival: de AVROTROS selecteert de Nederlandse inzending, draagt zorg voor de Nederlandse delegatie en verzorgt de registratie en uitzending(en) rond het Songfestival.
Indien AVROTROS besluit af te zien van deelname in 2027, welke mogelijkheden bestaan er om de organisatie van de Nederlandse deelname onder te brengen bij een andere publieke omroep, zoals Omroep MAX of de NOS? Bent u bereid daarover in gesprek te gaan?
Of er wordt deelgenomen aan het Eurovisie Songfestival en welke omroep die deelname verzorgt is aan de NPO en omroepen zelf. Wettelijk gezien zijn er geen beperkingen om het verzorgen van deelname aan het Eurovisie Songfestival bij een andere omroep dan AVROTROS onder te brengen. Het is niet aan mij daarover het gesprek aan te gaan; zie mijn antwoord op vraag 2. Ik kan u wel melden dat de NPO mij desgevraagd heeft laten weten dat er tijdig gesprekken gevoerd zullen worden over deelname en welke omroep die in 2027 zou kunnen verzorgen, mocht AVROTROS besluiten niet te willen deelnemen.
Welke termijnen gelden voor het aanwijzen van een deelnemende omroep, de selectie van een Nederlandse artiest en van de inzending, en andere noodzakelijke voorbereidingen voor deelname aan het Eurovisie Songfestival 2027?
Ik heb geen inzicht in de voorbereidingen van deelname aan het Eurovisie Songfestival en welke tijdpaden daarmee gepaard gaan; ik ga daar ook niet over. De EBU is een samenwerkingsverband van publieke omroepen. Deelname door commerciële omroepen is daarmee uitgesloten. Zoals ik in mijn antwoord op vraag 5 heb aangegeven, heeft de NPO mij laten weten tijdig in gesprek te gaan over deelname door een andere omroep wanneer AVROTROS besluit niet deel te nemen.
Wat is de deadline voor zo’n besluit om een andere omroep of commerciële tv-zender daar toe uit te nodigen?
Zie antwoord vraag 6.
Bent u bereid, indien AVROTROS niet deelneemt en een alternatief binnen het publieke bestel niet tijdig beschikbaar blijkt, te onderzoeken welke mogelijkheden er bestaan om de Nederlandse deelname op andere wijze, via bijvoorbeeld de commerciële media, te waarborgen zodat Nederland niet door onnodige discussies bij een omroep afwezig is bij het Eurovisie Songfestival 2027?
Zie mijn antwoord op vraag 2.
Kunt u deze vragen afzonderlijk binnen drie weken beantwoorden?
In verband met het zomerreces is beantwoording binnen drie weken helaas niet gelukt.
De uitzending van Argos "Kleuter zonder klas" |
|
Sarath Hamstra (CDA), Etkin Armut (CDA) |
|
Judith Tielen (VVD) |
|
|
|
|
Bent u bekend met de uitzending van Argos «Kleuter zonder klas»?1 Zo ja, hoe beoordeelt u de daarin geschetste problematiek?
Ja, ik herken de daarin geschetste problematiek en laat hier daarom extra
onderzoek naar doen.
Klopt het dat het aantal kinderen dat aangewezen is op het speciaal onderwijs en dat thuiszit, de afgelopen jaren is toegenomen? Zo ja, welke oorzaken liggen hieraan ten grondslag?
Het aantal kinderen dat aangewezen is op het (voortgezet) speciaal onderwijs2 en (langdurig) niet naar school gaat3 is de afgelopen jaren toegenomen. In schooljaar 2017–2018 waren er 414 leerlingen met absoluut verzuim waarbij het laatst genoten onderwijs het (voortgezet) speciaal onderwijs was, in schooljaar 2024–2025 waren dit 790 leerlingen. Daarnaast waren in schooljaar 2017–2018 244 leerlingen langdurig ongeoorloofd afwezig en is dit aantal in schooljaar 2024–2025 gestegen naar 417 leerlingen. De stijging van het aantal kinderen die langdurig geen onderwijs volgen kent vaak complexe en uiteenlopende oorzaken. In de praktijk spelen vaak meerdere oorzaken een rol en is er sprake van een wisselwerking tussen factoren en multiproblematiek. In onderzoek worden de volgende factoren genoemd: i. individuele (kindgebonden) factoren, zoals faalangst of chronische vermoeidheid, ii. factoren in de directe omgeving van het kind, zoals een conflictueuze echtscheiding of financiële problemen, iii. factoren in het schoolsysteem, zoals pesten, uitsluiting en een onveilig schoolklimaat of iv. externe factoren, zoals nieuwkomers of administratieve ruis4.
Kunt u voor de jaren 2024 en 2025 aangeven hoeveel kinderen onderwijs volgden in het speciaal onderwijs en hoeveel kinderen gedurende die jaren thuiszaten?
Aantal ingeschreven leerlingen
2024
2025
SO
30.228
30.517
VSO
38.553
38.728
(V)SO
17–18
18–19
19–20
20–21
21–22
22–23
23–24
24–25
Aantal absoluut verzuim1
414
524
574
552
454
673
690
790
Aantal langdurig relatief verzuim2
244
503
253
293
272
311
375
417
Van absoluut verzuim is sprake als kinderen en jongeren die leer- of kwalificatieplichtig zijn geen schoolinschrijving hebben.
Van langdurig relatief verzuim is sprake als ingeschreven leerlingen meer dan vier weken ongeoorloofd afwezig zijn.
Hoeveel kleuters staan momenteel op een wachtlijst voor plaatsing in het speciaal onderwijs?
We hebben geen cijfers van het aantal kleuters dat op een wachtlijst staat om (direct) geplaatst te worden in het speciaal onderwijs (so).
Klopt het dat een toenemend aantal kleuters niet start in het regulier basisonderwijs, omdat zij worden geweigerd of direct worden doorverwezen naar het speciaal onderwijs?
Hier zijn geen duidelijke cijfers van. Eind 2026 wordt u geïnformeerd over de onderzoeksresultaten van het onderzoek dat nu wordt gedaan naar de directe instroom van kleuters in het speciaal onderwijs. Verder vind ik het belangrijk om te noemen dat het bij voorbaat weigeren van kleuters in het regulier onderwijs ongewenst is.
Is het basisscholen toegestaan om uitsluitingsgronden te hanteren voordat zij hebben onderzocht of een passende onderwijsplek kan worden geboden? Zo nee, welke mogelijkheden hebben ouders wanneer hiervan toch sprake is?
Een basisschool kan een kind weigeren wanneer de school vol is, de ouders aangeven niet achter de godsdienst of levensbeschouwing van de school staan, het kind nog niet zindelijk is of als er in de gemeente afspraken zijn over de verdeling van kinderen over scholen. Een basisschool mag een kind niet weigeren wanneer het kind extra ondersteuning of hulp nodig heeft. Als de school de ondersteuning zelf niet kan bieden moet de school het kind een zo passend mogelijke plek op een andere school aanbieden. Wanneer ouders het niet eens zijn met de beslissing van een school om een kind te weigeren kunnen zij binnen 6 weken nadat de school schriftelijk heeft laten weten dat er geen plek is voor het kind via brief of e-mail bezwaar maken. De school moet dan binnen vier weken op het bezwaar reageren. Als school en ouders het oneens blijven kunnen zij naar de rechter5.
Is bekend hoe groot de groep kinderen is die zich aanmeldt bij een basisschool, maar al vóór aanvang van het onderzoek naar een passende plaatsing wordt afgewezen?
Nee, het is niet bekend hoe groot deze groep kinderen is.
Kunt u toelichten hoe de zorgplicht, mede in het licht van de in de uitzending geschetste situaties, dient te worden ingevuld?
Met de zorgplicht passend onderwijs zijn schoolbesturen verplicht om kinderen en jongeren een passende plek in het onderwijs te bieden. Bij aanmelding van een leerling moet de school onderzoeken of zij de leerling de benodigde ondersteuning kan bieden. Als dit niet het geval is, dan is de school verplicht om een passende plek op een andere school te zoeken voor de leerling. Dit kan met hulp van het samenwerkingsverband passend onderwijs, dat een dekkend netwerk van ondersteuningsvoorzieningen moet realiseren. In de tussentijd moet de school zo passend mogelijk onderwijs bieden aan de leerling.
Bent u van oordeel dat de zorgplicht in het door Argos aangehaalde voorbeeld op juiste wijze is nageleefd? Kunt u uw antwoord toelichten?
Helaas komt het in de praktijk voor dat scholen de zorgplicht niet goed naleven, bijvoorbeeld door niet goed te onderzoeken of de school de benodigde ondersteuning aan de leerling kan bieden of door de aanmelding van een leerling niet in behandeling te nemen en leerlingen direct weg te sturen. Dergelijke voorbeelden zijn te zien in de uitzending van Argos. Dit is zeer onwenselijk. De zorgplicht is er niet voor niets, maar om bij te dragen aan goed onderwijs voor ieder kind moeten scholen de zorgplicht wel naleven. Daarom neem ik maatregelen om de zorgplicht aan te scherpen, zoals toegelicht in mijn brief van 20 mei 20266.
Wordt in het onderzoek naar de groei van het gespecialiseerd onderwijs ook gekeken naar het bestaan van een mogelijke onderliggende ontwikkeling of zogenoemde «onderstroom» en de oorzaken daarvan?
Ja, in het onderzoek wordt ook gekeken naar de directe instroom van kleuters in het speciaal onderwijs (so).
Wanneer verwacht u de resultaten van dit onderzoek met de Kamer te kunnen delen?
Ik verwacht deze resultaten in eind 2026 met uw Kamer te delen. zonder-school
Het tekort aan voogden |
|
Lisa Westerveld (GroenLinks-PvdA) |
|
Mirjam Sterk (CDA), van Bruggen |
|
|
|
|
Herkent u het beeld dat wordt geschetst door Dagblad Trouw en Onderzoeksplatform Investico over het tekort aan voogden voor kinderen aan ouders die geen gezag meer hebben?1
Wij herkennen het beeld dat ook bij voogdij sprake kan zijn van een wachtlijst.
Is bij uw ministeries bekend dat het hier gaat over 200 kinderen? Zo ja, hoe vaak wordt hierover gerapporteerd door de jeugdbeschermingsorganisaties en aan wie?
Nee, de specificatie van de wachtlijst naar maatregel is landelijk niet beschikbaar. Mede op basis van de motie Hijink informeer ik uw Kamer sinds eind 2022 over het totaal van de wachtlijsten bij de GI’s; daarbij wordt geen onderscheid gemaakt naar het soort jeugdbeschermingsmaatregel. Over peildatum 1 oktober 2026 wordt de halfjaarlijkse monitor uitgevoerd. Ik ben in overleg met de GI’s om te bezien of ik u in november 2026 kan informeren over de wachtlijsten specifiek voor de voogdij en de jeugdreclassering per 1 oktober. Deze gegevens zouden dan beschikbaar kunnen zijn ten behoeve van het door uw Kamer nog te plannen wetgevingsoverleg.
Kunt u in kaart brengen hoe het aantal kinderen dat geen voogd heeft zich sinds de decentralisatie van de jeugdzorg heeft ontwikkeld in aantallen per jeugdbeschermingsorganisatie? Hoe verklaart u de verschillen? En waren er voor de decentralisatie van de jeugdzorg ook kinderen zonder voogd?
Eind 2022 zijn mede op basis van motie Hijink afspraken met de GI’s gemaakt over de definitie en rapportage van de wachtlijsten. Vanaf eind 2022 zijn dan ook gestandaardiseerd gegevens beschikbaar over het totaal aantal kinderen dat bij de GI’s wacht op een vaste jeugdbeschermer. Omdat vóór deze periode nog geen sprake was van gestandaardiseerde wachtlijstgegevens, zijn vóór de periode «eind 2022» geen wachtlijstgegevens beschikbaar. Ook zijn er geen gestandaardiseerde wachtlijstgegevens beschikbaar van vóór de decentralisatie. Omdat deze gegevens er niet zijn, kan ik niet aangeven hoe het aantal kinderen dat geen voogd heeft zich sinds de decentralisatie van de jeugdzorg heeft ontwikkeld in aantallen per jeugdbeschermingsorganisatie. Ook kan omdat deze gegevens er niet zijn, niet aangeven of er voor de decentralisatie ook kinderen zonder voogd waren.
Kunt u aangeven of en zo ja wanneer de Tweede Kamer hierover geïnformeerd is? Klopt het dat dit niet proactief gebeurt en zo ja, wat is de reden daarvoor? Worden gemeenteraden hierover wel periodiek geïnformeerd? Zo nee, wie houdt hier wel toezicht op?
Sinds 2022 informeren we uw Kamer over de hoogte van de totale wachtlijst bij de GI’s zonder onderscheid naar soort maatregel. De GI’s hebben een handelingsperspectief opgesteld met daarin de gezamenlijke werkwijze wanneer door capaciteitsgebrek een wachtlijst moet worden ingesteld. Hierin is tevens opgenomen dat GI’s de gemeenten (en de andere ketenpartners) informeren over de wachtlijst. In het handelingsperspectief is niet opgenomen dat de gemeenten geïnformeerd worden naar soort maatregelen die door de GI’s worden uitgevoerd. Het is ons niet bekend of individuele GI’s alsnog dit onderscheid maken als zij de gemeenten informeren.
Is in de afgelopen jaren ingezet op meer voogden of andere manieren om te voorkomen dat kinderen zonder voogd komen te zitten? Zo ja, wat is er gedaan en wat heeft dit opgeleverd? Wat zijn uw plannen de komende jaren?
Op landelijk niveau zijn in 2023 afspraken gemaakt over een landelijk tarief waarbij de werkdruk bij de jeugdbescherming en jeugdreclassering met gemiddeld 30% verminderd wordt. Daarnaast is ingezet op het aantrekken van meer jeugdbeschermers en jeugdreclasseerders door een subsidieregeling voor zij-instromers.2 Op landelijk niveau zijn eind 2025 afspraken gemaakt over het terugdringen van de totale wachtlijsten. Voor een uitwerking van die maatregelen verwijzen we u naar de brief van 2 december 20253. In de komende brief ten behoeve van het jeugddebat van 30 september informeren we u nader over de voortgang van deze maatregelen.
Heeft u in beeld wat de gevolgen zijn voor deze kinderen en hun (pleeg)gezinnen? Waar kunnen kinderen zich melden die voor specifieke besluiten toestemming nodig hebben van iemand die gezag heeft? Hoe wordt het opgelost wanneer zo’n situatie zich voordoet, bijvoorbeeld als het gaat over medische besluiten, school of besluiten die in het belang van het kind genomen moeten worden?
De inspecties hebben in september 2025 een kritisch toezichtsrapport4 gepubliceerd waarbij zij hebben opgenomen wat de gevolgen zijn voor de kinderen die moeten wachten op een vaste jeugdbeschermer of jeugdreclasseerder. Daarbij is door inspecties geen onderscheid gemaakt naar het soort maatregel.
De GI blijft te allen tijde verantwoordelijk voor de veiligheid van het kind. Hierbij wordt gebruikt gemaakt van het handelingsperspectief. Als sprake is van besluiten waarvoor de inzet van een voogd noodzakelijk is, verloopt deze via een jeugdbeschermer van het wachtlijstteam. De GI’s geven aan dat als er gehandeld moet worden in een voogdijzaak, er gehandeld wordt, b.v. bij beslissingen over onder meer onderwijs, medische behandeling, omgang, jeugdhulp en financiële, administratieve en juridische zaken. GI’s werken continue aan het realiseren van vaste jeugdbeschermers in alle zaken zodat de uitvoering verbeterd. Het rapport van de inspecties laat zien dat het nog niet in alle gevallen goed gaat. Ook de verhalen die zijn beschreven door het dagblad Trouw en Investico geven daar voorbeelden van.
Heeft u in beeld wat het gemiddeld aantal voogden is dat kinderen hebben? Bent u bekend met signalen van zowel kinderen, hun biologische ouders of hun pleegouders over steeds weer nieuwe voogden? Zo ja, heeft u plannen om deze situatie te verbeteren?
Wij hebben géén inzicht in het gemiddeld aantal voogden dat een kind begeleid. Als gevolg van personeelsverloop of langdurige ziekte zullen vaak meerdere voogden bij de begeleiding van een kind betrokken zijn. We verwijzen u naar het inspectierapport van september 20255 waarin de inspectie een uitvraag heeft gedaan, waarbij aan jeugdigen en ouders onder meer is gevraagd hoeveel jeugdzorgwerkers (jeugdbeschermers en jeugdreclasseerders) bij de uitvoering van voogdij, OTS en jeugdreclassering betrokken zijn geweest.
Mede op grond van de rapporten van de inspectie over de hoge werkdruk bij de GI’s, is zijn eind 2023 een landelijk tarief tot stand gekomen via bestuurlijke afspraken tussen toenmalig Minister Weerwind (Rechtsbescherming), toenmalig Staatssecretaris Van Ooijen (VWS) en de Vereniging van Nederlandse Gemeenten (VNG). Hiermee werd een aanzienlijke verlaging van de werkdruk/aantal kinderen gerealiseerd van gemiddeld bijna 30%. Hierdoor is meer tijd per kind beschikbaar en wordt als gevolg van de lager werkdruk ook een daling verwacht van het personeelsverloop en het ziekteverzuim.
Bent u het eens met hoogleraar jeugdrecht Mariëlle Bruning die stelt dat jeugdbeschermingsorganisaties ««per direct» moeten ingrijpen, om alle kinderen over wie zij de voogdij hebben, zo snel mogelijk een voogd te geven. Zij moeten de eerste capaciteit die vrijkomt aan deze kinderen toewijzen. De staat is verantwoordelijk voor deze kinderen, maar niemand neemt die verantwoordelijkheid. Ik vind dat een bedreiging voor de rechtsstaat.»? Zo ja, wat gaat u doen?
Zoals mijn voorgangers en ik u de afgelopen periode helaas al vaker hebben moeten berichten, is al lange tijd sprake van een wachtlijst voor deze kinderen; ook voor kinderen met een voogdijmaatregel. Wachten op de uitvoering van een maatregelen voor kinderbescherming is uiteraard zeer onwenselijk, maar dat is wel de huidige realiteit als gevolg van de schaarste van personeel door arbeidsmarktproblematiek.
Ik vind het in de bestaande situatie, waarin er een tekort is aan jeugdbeschermers, passend dat de kinderen waarbij sprake is van grotere risico’s, eerder in aanmerking komen voor een jeugdbeschermer dan kinderen waarbij de risico’s minder groot worden ingeschat. Het kan dan inderdaad zo zijn dat een kind dat een OTS heeft, eerder een vaste jeugdbeschermer krijgt toegekend dan een kind met een voogdijmaatregel.
Het artikel “Regering-Trump start campagne om Internationaal Strafhof Den Haag te isoleren” |
|
Hanneke van der Werf (D66) |
|
Berendsen |
|
|
|
|
Heeft de regering van de Verenigde Staten de Nederlandse regering op de hoogte gesteld van het plan om het internationaal strafhof (ICC) te isoleren?1
Ja. Zo heeft de Amerikaanse regering op 18 augustus jl. een ambtsdrager en een medewerker van het Internationaal Strafhof op de Amerikaanse sanctielijst geplaatst.
Welke gevolgen kunnen de Amerikaanse maatregelen hebben voor medewerkers van het Internationaal Strafhof en hun gezinsleden, bijvoorbeeld wanneer banken hun rekeningen blokkeren, creditcards worden ingetrokken, verzekeraars hun dienstverlening beëindigen of digitale dienstverleners hun e-mail-, cloud- of telefoonvoorzieningen afsluiten? Welke maatregelen neemt u om te voorkomen dat medewerkers van het Hof hierdoor niet meer in hun dagelijkse levensbehoeften kunnen voorzien?
De opgelegde Amerikaanse sancties hebben gevolgen voor gesanctioneerde individuele ambtsdragers en hun gezinsleden. Daarbij gaat het bijvoorbeeld om gevolgen op het gebied van bancaire dienstverlening, verzekeringen en digitale dienstverlening.
Als verdragspartij en gastland van het Hof heeft Nederland een aantal bijzondere verplichtingen om het functioneren van het Hof te faciliteren. Deze verplichtingen zijn vastgelegd in het Zetelverdrag tussen het Internationaal Strafhof en het Gastland.
Nederland zet zich in om deze gevolgen van maatregelen en sancties zoveel mogelijk te voorkomen en te mitigeren. Zo is er doorlopend overleg met het Hof en gesanctioneerde functionarissen over de impact van sancties en over mitigerende maatregelen. Op basis van deze gesprekken is er, samen met betrokken ministeries, contact met relevante dienstverleners om zogenoemde overcompliance te voorkomen en alternatieve oplossingen uit te werken waar dat nodig is.
Daarnaast bekijkt Nederland ook naar aanleiding van deze laatste ontwikkeling samen met het Hof en gelijkgezinde partners welke stappen genomen kunnen worden om het Hof te blijven beschermen waar nodig. Nederland zal zich aan de gastlandverplichtingen blijven houden, ook als dat door aanvullende maatregelen of sancties meer inzet vergt.
Hoe beschermt u medewerkers van het Internationaal Strafhof tegen reisbeperkingen en andere vormen van persoonlijke intimidatie, bijvoorbeeld wanneer zij geen visum meer krijgen, niet via Amerikaanse luchthavens kunnen reizen, familieleden niet kunnen bezoeken of worden geconfronteerd met dreiging, doxing of online intimidatie? Welke praktische en consulaire ondersteuning kan Nederland hen in dergelijke gevallen bieden?
Het is van groot belang dat ambtsdragers en medewerkers van het Internationaal Strafhof hun werk onafhankelijk en ongestoord kunnen doen. Reisbeperkingen, visumproblemen en intimidatiepogingen kunnen dat bemoeilijken. Het is zaak dat de 125 verdragspartijen er samen voor zorgen dat het Hof zo onbelemmerd mogelijk kan blijven functioneren.
Zoals eerder gesteld, staat Nederland in nauw contact met het Hof over veiligheidszorgen en praktische gevolgen van Amerikaanse sancties. Waar passend kan Nederland, in overleg met het Hof, diplomatieke ondersteuning bieden, bijvoorbeeld door problemen bij derde landen aan te kaarten in bilateraal of in EU-verband, of in de context van de Vergadering van verdragspartijen bij het Statuut van Rome.
Vanwege veiligheidsoverwegingen doet het kabinet publiekelijk nooit uitspraken over veiligheidsmaatregelen. Wel kan ik u verzekeren dat ten aanzien van intimidatie en inmengingsactiviteiten de betrokken gezagen in nauw contact staan met de Nederlandse veiligheids – en opsporingsdiensten en waar nodig passende maatregelen treffen.
Bent u het ermee eens dat deze campagne op gespannen voet staat met de plicht van Nederland als gastland om het ICC, diens rechters, aanklagers en medewerkers adequate bescherming te bieden, zodat zij onafhankelijk en ongestoord hun werk kunnen doen? Welke concrete risico’s brengt deze Amerikaanse campagne volgens u met zich mee voor de nakoming van de verplichtingen van Nederland als gastland?
Zie antwoord op vraag 2.
Verwerpt u de kwalificatie van de Amerikaanse Minister van Buitenlandse Zaken dat het Internationaal Strafhof en landen die het Hof ondersteunen een «oorlog» tegen de Verenigde Staten zouden voeren? Zo ja, bent u bereid dat ook rechtstreeks en publiekelijk tegenover de Amerikaanse regering duidelijk te maken?
De positie van de VS over het Internationaal Strafhof is niet nieuw, wel is de toon zorgelijk, evenals de directe druk op alle verdragspartijen. We voeren hierover al geruime tijd gesprekken met de VS en spreken ons uit over acties die het Hof ondermijnen. Die gesprekken gaan onverminderd door, ook rechtstreeks met de regering-Trump, waarbij onder meer onze zorgen over de campagne tegen het Internationaal Strafhof worden overgebracht en de daarbij gehanteerde kwalificaties worden ontkracht.
Nederland heeft daarnaast publiekelijk verklaard dat het als gastland en verdragspartij achter het Hof en zijn medewerkers staat en acties die het Hof ondermijnen ten zeerste afkeurt. Nederland geeft daarbij aan dat internationale hoven en tribunalen hun mandaat zonder (politieke) inmenging moeten kunnen uitvoeren. Deze boodschap heeft Nederland ook uitgedragen richting Europese lidstaten, Europese instellingen en Verdragspartijen bij het Statuut van Rome.
Heeft de Amerikaanse regering Nederland gevraagd of onder druk gezet om de politieke, diplomatieke, financiële, juridische of praktische steun aan het Internationaal Strafhof te verminderen? Zo ja, welke middelen of mogelijke consequenties zijn daarbij genoemd?
De inzet van de VS ten aanzien van het Internationaal Strafhof is recent door de VS uiteengezet in o.a. een persverklaring uitgebracht door het VS State Department. Deze boodschap heeft de VS inmiddels herhaald in bilaterale contacten.
Kunt u uitsluiten dat Nederland als gevolg van Amerikaanse druk zijn financiering, samenwerking, rechtshulp of overige steun aan het Internationaal Strafhof zal verminderen?
Nederland staat pal achter het Hof en zijn medewerkers en zal zich, samen met gelijkgezinde partners, onverminderd blijven inzetten om het Hof te beschermen en ondersteunen waar nodig. Het Internationaal Strafhof is de belichaming van het idee dat de vervolging van de meest ernstige misdrijven een gedeelde verantwoordelijkheid is van de internationale gemeenschap, zodat deze misdrijven niet onbestraft blijven.
Welke concrete noodmaatregelen zijn voorbereid voor het geval de Verenigde Staten sancties instellen tegen het Hof als organisatie, of Amerikaanse ondernemingen en financiële instellingen verbieden diensten aan het Hof te verlenen? Kunt u daarbij afzonderlijk ingaan op bancaire dienstverlening, betalingen, verzekeringen, IT- en clouddiensten, telecommunicatie en internationaal reizen?
Het kabinet anticipeert op verschillende scenario’s, waaronder mogelijke sancties tegen het Hof als organisatie, of bredere beperkingen op dienstverlening door Amerikaanse ondernemingen en financiële instellingen aan het Hof.
De getroffen voorbereidingen en het doorlopende werk dat het Hof hier met ondersteuning van gastland Nederland en andere verdragspartijen en dienstverleners op verricht kan vanwege de vertrouwelijkheid niet in detail worden toegelicht. Op alle in de vraag genoemde terreinen is en wordt op verschillende niveaus gewerkt aan mitigerende maatregelen en alternatieven.
Zoals gezegd doet Nederland dit niet alleen, het kabinet zet zich er doorlopend voor in om ook in EU-verband en met de andere 124 verdragspartijen dergelijke maatregelen voor te bereiden. Ook omdat dienstverlening aan het Hof ook buiten Nederland plaatsvindt.
Concreet heeft Nederland zich bijvoorbeeld al ingezet voor de mogelijkheid tot inzet en de verhoging van het Contingency Fund bij het Internationaal Strafhof en EU-maatregelen voor bescherming (incl. de voorbereiding van snelle activering van het Blocking Statute in EU-verband wanneer de Commissie daartoe een voorstel doet). Ook was Nederland aanjager en organisator van expertbijeenkomsten met EU-lidstaten, Verdragspartijen en dienstverleners over mitigatie om tot praktische oplossingen te komen om het hof te ondersteunen en mitigatiemaatregelen af te stemmen.
Wat is de huidige stand van zaken van de Nederlandse inzet voor Europese tegenmaat regelen, waaronder toepassing of uitbreiding van het Europese Blocking Statute? Bent u bereid nu actief te pleiten voor toepassing daarvan ter bescherming van het Hof en zijn medewerkers?
Zoals reeds aan de Kamer is gemeld, dringt Nederland steevast aan op een gezamenlijke aanpak in de EU om het Hof te beschermen en in algemene zin stappen te zetten op het terrein van EU-weerbaarheid en autonomie. In dat kader pleit Nederland actief voor het treffen van alle benodigde voorbereidingen voor toepassing van het Blocking Statute.
Indien de VS overgaat tot aanvullende maatregelen die het functioneren van het Hof significant belemmeren zal het kabinet, in nauwe samenwerking met het Hof en andere verdragspartijen, bezien welke stappen kunnen worden genomen om het Hof te blijven beschermen en ondersteunen waar nodig – waaronder toepassing van het Blocking Statute.
Het is aan de Europese Commissie om een voorstel te doen voor aan- en toepassing van het Blocking Statute. Dergelijke actie vraagt echter om een zorgvuldige afweging. Alle aspecten moeten daarbij worden meegewogen zoals timing, effectiviteit, diplomatieke inzet en belangen van het bedrijfsleven.
Het verslavend ontwerp van Instagram en Facebook |
|
Barbara Kathmann (GroenLinks-PvdA) |
|
Aerdts |
|
|
|
|
Bent u bekend met de bevindingen van de Europese Commissie over het verslavende ontwerp van Instagram en Facebook1 en de berichtgeving hierover?2
Ja.
Wat is uw reactie op de bevindingen van de Europese Commissie? Deelt u de analyse dat Meta willens en wetens gebruikmaakt van verslavend ontwerp, ten koste van de privacy en gezondheid van haar miljarden gebruikers?
Ik ben blij om te zien dat de Europese Commissie haar toezichthoudende taak op de Digital Services Act (hierna: «DSA») doortastend oppakt. En dat de regels uit de Digital Services Act inderdaad handvatten bieden om op te treden tegen verslavend ontwerp van online platforms, zoals in dit geval Facebook en Instagram. Over de motieven van Meta ga ik niet speculeren.
Vindt u dat het onderzoek van de Europese Commissie snel genoeg is verlopen, aangezien al lang en breed bekend is dat Meta verslavend ontwerp toepast op Instagram en Facebook?
Het nemen van een niet-nalevingsbesluit kost tijd. Er moet deugdelijk en zorgvuldig onderzoek worden verricht. Er moet voldoende overtuigend bewijs zijn om in te kunnen grijpen en het besluit staande te kunnen houden in een eventuele juridische procedure erover. Ten behoeve van de rechtsbescherming is het bovendien belangrijk om belanghebbenden de gelegenheid te bieden om opmerkingen te maken en die te onderzoeken of te wegen. Het is daarom goed te verklaren dat dit besluit niet al is genomen in de weken of maanden na inwerkingtreding van de DSA in november 2024. Sinds die datum heeft de Europese Commissie ontzettend veel werk verricht. Zo heeft de Europese Commissie vanaf nul een onderdeel binnen haar organisatie moeten opbouwen om toezicht te houden, mensen geworven, en inmiddels tal van onderzoeken verricht, besluiten genomen, en rechtszaken gevoerd. Ik vind daarom dat de Europese Commissie doortastend en voorspoedig te werk is gegaan, en vertrouw erop dat zij dat blijft doen.
Wat is er nodig om de Digital Services Act sneller, effectiever en harder in te kunnen zetten tegen techbedrijven die verslavend ontwerp toepassen? Wat is hiervoor de inzet van dit kabinet?
Een evaluatie van de DSA op EU-niveau, en in Nederland van de Uitvoeringswet digitaledienstenverordening, is voorzien in 2027. De uitkomsten en de opvolging daarvan worden verwacht in de tweede helft van 2027. In dit kader zal het kabinet uiteraard aandacht hebben voor mogelijke aanpassingen van de DSA die de effectiviteit ervan en het optreden door toezichthouders kunnen verbeteren. Als toezichthouders op de DSA in Nederland worden de Autoriteit Consument en Markt en de Autoriteit Persoonsgegevens daarbij betrokken.
Kunt u uitleggen wanneer Meta technische aanpassingen moet doorvoeren op Instagram en Facebook? Welke aanpassingen zijn dit?
Meta heeft eerst de mogelijkheid om te reageren op de bevindingen van de Europese Commissie. Dit kan bijvoorbeeld inhouden dat ze aanpassingen van het ontwerp voorstelt om te trachten zo de bezwaren van de Europese Commissie weg te nemen. De DSA noch het voorlopige besluit van de Europese Commissie schrijven voor hoe zij dat moet doen. Wel heeft de Europese Commissie voorbeelden gegeven van mogelijke maatregelen die Meta kan nemen, zoals «(...) door belangrijke verslavende functies zoals «autoplay» en «infinite scroll» standaard uit te schakelen, effectieve «schermtijdonderbrekingen» te implementeren en het aanbevelingssysteem aan te passen om het minder betrokkenheidsgericht te maken».3 Welke aanpassingen er uiteindelijk moeten worden gemaakt is ter beoordeling van de Europese Commissie als bevoegd toezichthouder en in laatste instantie aan het Hof van Justitie.
Hoe hoog is de boete die Meta riskeert? Vindt u de boete hoog genoeg om het bedrijf tot actie te dwingen?
De DSA maakt het mogelijk om een boete op te leggen ter hoogte van maximaal 6% van de wereldwijde omzet in het vorige boekjaar. Volgens de voorlopige jaarrapportage van Meta blijkt dat die omzet in 2025 bijna $ 201 miljard bedroeg, oftewel zo’n € 176 miljard.4 Momenteel zou de maximale boete dus ruim € 10 miljard kunnen bedragen. Er is daarnaast ook de mogelijkheid om een last onder dwangsom op te leggen ter hoogte van maximaal 5% van de gemiddelde dagelijkse inkomsten of de wereldwijde jaaromzet in het vorige boekjaar per dag.
Wanneer moet Meta de aanpassingen doorvoeren? Is hier een harde deadline voor? Zo niet, bent u bereid hiervoor te pleiten bij de Europese Commissie?
Meta heeft eerst de mogelijkheid om te reageren op de bevindingen van de Europese Commissie waarna die dat zal moeten beoordelen, eventueel aanvullend onderzoek moet verrichten en al dan niet uiteindelijk een niet-nalevingsbesluit moet nemen. Op dit moment is niet te zeggen hoelang dat nog gaat duren. Hoewel ik uiteraard ook graag zo snel mogelijk veranderingen zie, hebben we dit soort regels om rechtsbescherming te bieden. Ik wil en moet bovendien de onafhankelijkheid van de toezichthouders in acht nemen en ga me daarom niet mengen in deze of andere toezichtzaken.
Vertrouwt u er op dat Meta de aanpassingen zal doorvoeren? Op welke manieren kunnen de Europese Commissie of afzonderlijke lidstaten de druk opvoeren om dit tijdig te doen?
Als er uiteindelijk een niet-nalevingsbesluit van de Europese Commissie volgt, en dat standhoudt wanneer er een rechtszaak volgt, dan vertrouw ik erop dat Meta daar opvolging aan geeft en de benodigde aanpassingen maakt. De Europese Commissie kan ter waarborging hiervan een boete of last onder dwangsom opleggen. Zie daarvoor ook het antwoord op vraag 6.
Hoe kunt u, samen met het Nederlandse veld van experts, burgerrechtenorganisaties en toezichthouders, bijdragen aan de stappen die de Europese Commissie zet tegen Meta?
Wanneer mogelijk laat ik de Europese Commissie weten dat zij de steun van het kabinet heeft bij het uitvoeren haar toezicht op de DSA, ongeacht welke digitale dienst. Het is tegelijkertijd niet aan mij om mij in een individuele casus te mengen gericht tegen één bedrijf.
Ik zie tegelijkertijd dat burgerrechtenorganisaties en andere experts graag een bijdrage leveren aan de effectieve uitvoering van de DSA. Zoals bijvoorbeeld de rechtszaak van Bits of Freedom tegen Meta5 eerder dit jaar, of de zaak van Mékic tegen X.6 Ik juich het van harte toe dat ook private organisaties en personen gebruik maken van de rechten die de DSA hen biedt. De jurisprudentie die hierdoor ontstaat, evenals de besluiten van toezichthouders, zullen uiteindelijk leiden tot de met de DSA beoogde veranderingen in de bredere industrie.
Kunt u de vragen afzonderlijk van elkaar beantwoorden?
Ja.
Wat is er gedaan sinds het in oktober 2024 aannemen van de motie van de leden Van der Werf en Becker over expertise op het terrein van femicide landelijk samenbrengen ter ondersteuning van een laagdrempelige 24/7-hulplijn?
Hoe staat het met de toezegging uit de voortgangsbrief van december 2025 dat u de meerwaarde van een onafhankelijke toegang tot hulp en ondersteuning via het Europese nummer 116 verder zou willen verkennen? Waarom is hierover niets terug te vinden in de meest recente voortgangsbrief van 3 juli 2026? Kunt u aangeven welke concrete stappen sinds december 2025 zijn gezet?
Kunt u toezeggen dat u niet gaat wachten op de verdere ontwikkeling van Veilig Thuis en een eventuele landelijke chatfunctie van Veilig Thuis voordat u aan de slag gaat met de verdere ontwikkeling van een laagdrempelig landelijk meldpunt, zoals nummer 116 voor onafhankelijke toegang tot hulp en ondersteuning voor slachtoffers van geweld in afhankelijkheidsrelaties?
Deelt u de mening dat een chatfunctie van Veilig Thuis niet de lading dekt van de verzoeken van de Kamer om een laagdrempelige landelijke hulplijn te realiseren? Zo nee, waarom niet?
Beschikt u over landelijke cijfers waaruit blijkt hoeveel slachtoffers die zich in een (acuut) onveilige situatie bevinden zelf contact opnemen met Veilig Thuis? Wordt daarnaast geregistreerd hoeveel van deze slachtoffers voor het eerst over het geweld vertellen en om hulp vragen («first disclosure»)? Zo ja, kunt u deze cijfers met de Kamer delen? Zo nee, waarom niet en bent u bereid deze gegevens structureel te laten monitoren?
Bent u bekend met de voortgangsbrief van december 2025 met daarin een reactie op de petitie van Valente over 116? Op welke wijze zijn de voorstellen uit deze petitie en de daaropvolgende gesprekken met Valente betrokken bij de verdere uitwerking van uw beleid sinds december 2025?
Welke concrete voorwaarden moeten volgens u worden vervuld voordat het besluit tot de verdere ontwikkeling van 116 als onafhankelijke toegang tot hulp en ondersteuning wordt uitgevoerd, en kunt u de Kamer hierover uiterlijk op Prinsjesdag 2026 informeren?
Bent u bereid om alles op alles te zetten om voor de begrotingsbehandeling in 2026 een laagdrempelige 24/7 hulplijn die ook telefonisch bereikbaar is, bij voorkeur via het nummer 116, operationeel te hebben? Zo nee, waarom niet?
Kunt u de Kamer inzicht geven in de praktische en financiële consequenties van het realiseren van een hulplijn met daarachter een samenwerkingsverband van bestaande organisaties? Indien u niet van mening bent dat dit haalbaar is, kunt u dit onderbouwen met een overzicht van de belangrijkste knelpunten en de daarbij horende kosten?
Het opnieuw weggeven van Nederlands belastinggeld aan Gaza terwijl Hamas eerdere hulpgelden liet verdwijnen |
|
Gidi Markuszower (PVV) |
|
Berendsen , Sjoerd Sjoerdsma (D66) |
|
|
|
|
Hoeveel van de door de Europese Unie (EU) bijeengebrachte circa 883,6 miljoen euro voor Gaza wordt door Nederland opgehoest1 2? Kunt u dit bedrag exact noemen en aangeven op welke begrotingspost dit wordt gedekt?
De EUR 883,6 miljoen van het Team Gaza Initiative van de Europese Unie, is een bundeling van bilaterale bijdragen van individuele lidstaten en de Europese Unie (EU). Deze bijdragen betreffen financiële toezeggingen die ten minste doorlopen tot juli 2026, en geplande bijdragen vanuit ontwikkelingsbegrotingen die gericht zijn op vroegtijdig herstel. De steun moet te scharen zijn onder drie gestelde prioriteiten: 1. herstel van de toegang tot basisvoorzieningen op sociaal en economisch gebied, 2. rehabilitatie van de basisinfrastructuur voor sociale en economische dienstverlening, en 3. ondersteuning van door Palestijnen geleide bestuursinstellingen en -functies. Nederland heeft EUR 71 miljoen bijgedragen vanuit bestaande toezeggingen en reeds lopende programma’s die voldoen aan deze criteria. Dit behelst vanuit de begroting van Buitenlandse Handel en Ontwikkelingssamenwerking: 3 miljoen euro onder artikel 1.2, EUR 4.5 miljoen onder artikel 1.3,EUR 33 miljoen onder artikel 2.2, EUR 5 miljoen onder artikel 4.1 en EUR 24,5 miljoen voor artikel 4.3.
Bent u bekend met de publieke erkenning van Mahmoud al-Habbash, adviseur van de president van de Palestijnse Autoriteit, Abbas, dat eerdere hulpgelden voor Gaza via Hamas zijn ingezameld en vervolgens gewoon zijn «verdwenen»3?
Ja.
Erkent u het risico dat het geen hypothetisch scenario is dat ook dit nieuwe pakket van 900 miljoen euro4 in de zakken van Hamas verdwijnt, maar een patroon dat door de eigen topadviseur van Abbas zelf is bevestigd5? Zo nee, op basis van welke harde garantie meent u dat het dit keer wel goed gaat?
Binnen het Team Gaza Initiative zijn individuele lidstaten en de Europese Commissie verantwoordelijk voor due diligencevoor hun eigen projecten en financiering. Alle EU-lidstaten onderschrijven de Europese Consensus over Humanitaire Hulp6, alsook de Good Humanitarian Donorship (GHD) Principles7, waar het belang van deze processen onderschreven wordt.
Na de gebeurtenissen op 7 oktober 2023 zijn de due diligence-processen die ervoor moeten waken dat Nederlands geld niet (in)direct ten goede komt van terroristische organisaties tegen het licht gehouden. Daaruit bleek dat er geen signalen zijn dat geld voor Nederlandse en EU-ontwikkelingshulp voor de Palestijnse Gebieden terecht is gekomen bij onbedoelde bestemmingen en dat de processen op orde zijn, zoals gesteld in de brief die op 11 oktober 2023 met de Kamer is gedeeld, alsook in de beantwoording op de reeds gestelde Kamervragen door Groep Markuszower.8, 9
Het kabinet besluit altijd zorgvuldig om bepaalde organisaties te financieren, waarbij het voltooien van een Organisational Risk and Integrity Assessment (ORIA) essentieel is. Dit assessment toetst onder andere op governance-structuren en de integriteit van organisaties. Organisaties waarmee Nederland samenwerkt doen bovendien controle en screening van alle medewerkers (zowel nationale als internationale staf) en partners aan de hand van onder meer de sanctielijsten van de VN, EU en nationale instanties. Nederlandse hulpgelden kunnen niet zomaar verdwijnen. Er worden afspraken gemaakt over tussentijdse monitoring, (onafhankelijke) evaluatie en audits van activiteiten met Nederlandse steun.
De context in Gaza is bijzonder complex en gevaarlijk voor noodhulporganisaties. De door Israël opgelegde beperkingen bemoeilijken de invoer en distributie van hulp, en de aanwezigheid van Hamas en andere gewapende groepen en criminele bendes vormt een extra complicatie voor de veilige, ordentelijke distributie van hulp. Het kabinet staat in nauw contact met de professionele humanitaire partners over de distributie van hulp en de uitdagingen hierbij. Het kabinet is bekend met signalen dat Hamas een kwalijke rol speelt wat betreft de catastrofale humanitaire situatie in Gaza en dat de organisatie de voedseldistributie verstoort. Zo spreekt de plaatsvervangend VN-coördinator voor het Midden-Oosten Vredesproces, Ramiz Alakbarov, in een statement van intimidatie, geweld en belemmering, waaronder smokkelpogingen en het doelbewust aanvallen en misbruiken van humanitaire operaties.
Robuuste due dilligence procedures moeten ervoor waken dat Nederlands geld niet ten goede komt aan terroristische organisaties. Hoewel deze geen volledige garanties bieden helpen ze wel om risico’s te minimaliseren. Het kabinet heeft daarnaast vertrouwen in het werk van partnerorganisaties waar Nederland mee werkt. Dit zijn professionele organisaties met een bewezen goede staat van dienst, óók in buitengewoon moeilijke omstandigheden, zoals die als Gaza, waar risico’s nooit volledig uit te bannen zijn. Het kabinet hanteert een zero-tolerance for inaction beleid ten aanzien van misbruik van financiële middelen. Als uit het toezicht blijkt dat er mogelijk sprake is van fraude, verduistering of andersoortige malversaties, dan treedt het kabinet daartegen op. Het kabinet informeert de Kamer altijd via de geëigende procedures over malversaties en ontvreemding van hulp.
Kunt u concreet, met naam en toenaam, aangeven welke «vertrouwde partners» dit geld gaan beheren en welk sluitend controlemechanisme uitsluit dat ook maar één euro bij Hamas of aan Hamas gelieerde structuren terechtkomt6? Zo u dat niet kunt, erkent u dan dat dit pakket in de praktijk een blanco cheque is aan een terreurorganisatie?
Zoals gesteld in vraag 3, neemt het kabinet de beslissing om bepaalde organisaties te financieren altijd zorgvuldig, waarbij de verschillende due diligence-processen gevolgd worden. De bestaande financiering die Nederland heeft aangedragen voor het Team Gaza Initiative, wordt ingezet door vertrouwde partners waarmee Nederland veelvuldig en in verschillende contexten samenwerkt. Het gaat hier o.a. over verscheidene VN-organisaties. Voornaamste lopende bijdragen zijn aan UNICEF, UNDP, Wereldbank en Mercy Corps voor projecten gericht op watervoorziening, landbouw en voedsel en rechtstaatsopbouw.
Waarom blijft u, ondanks jarenlange en nu ook door de Palestijnse Autoriteit zelf bevestigde verduistering van hulpgelden door Hamas7, keer op keer Nederlands belastinggeld toezeggen aan dit soort ondoorzichtige constructies?
Het kabinet verwerpt de aantijging dat het belastinggeld toezegt aan ondoorzichtige constructies.
Bent u bereid de Nederlandse bijdrage aan dit pakket per direct stop te zetten nu vaststaat dat eerdere hulpgelden voor Gaza structureel in handen van Hamas zijn verdwenen? Erkent u dat ontwikkelingshulp aan het buitenland direct zou moeten worden afgeschaft en dat Nederlands belastinggeld uitsluitend aan de eigen bevolking moet worden besteed, bijvoorbeeld aan zorg, veiligheid en koopkracht, in plaats van aan buitenlandse bandieten en corrupte regimes? Zo nee, waarom vindt u het financieren van buitenlandse bandieten belangrijker dan het besteden van belastinggeld aan Nederlanders?
Zie bovenstaande beantwoording. Hulp aan mensen in nood is sinds jaar en dag een bepalend onderdeel van de Nederlandse ontwikkelingssamenwerking. Deze heeft breed draagvlak in de samenleving, uit solidariteit en verlicht eigenbelang.
Gaza verkeert nog steeds in een uiterst ernstige humanitaire crisis, waarbij voedselonzekerheid, gebrekkige toegang tot schoon water, massale ontheemding, de verwoesting van de gezondheidszorg en voortdurende veiligheidsrisico's elkaar versterken. Bijna alle Palestijnen in Gaza zijn afhankelijk van humanitaire hulp. Zonder humanitaire hulp zouden 1,9 miljoen mensen in Gaza te maken krijgen met ernstige voedselnood. Het kabinet gaat deze hulp niet stopzetten.
Meer aandacht in het onderwijs voor (het voorkomen van) geweld tegen vrouwen en meisjes |
|
Bente Becker (VVD) |
|
Judith Tielen (VVD), Letschert |
|
|
|
|
Bent u bekend met de petitie «Van achter de voordeur naar het klaslokaal» van de Federatie Nabestaanden Geweldsslachtoffers, Valente en de Blijf Groep?
Ja.
Wat vindt u van de oproep om aan gendergelijkwaardigheid, relationele veiligheid en geweldpreventie expliciet aandacht te besteden in de klas als onderdeel van het burgerschapsonderwijs en/of seksuele vorming en ziet u mogelijkheden om deze elementen expliciet op te nemen in de SLO-documenten of in de wijze waarop de Inspectie toeziet op de naleving ervan? Zo ja, op welke termijn? Zo nee, waarom niet?
Ik onderschrijf ten zeerste het belang van maatschappelijke aandacht voor thema’s zoals gendergelijkwaardigheid, relationele veiligheid en geweldpreventie. De cijfers over de afgelopen tien jaar geven aanleiding tot grote zorg. In Nederland maken veel vrouwen geweld mee in hun leven en iedere vrouw die sterft aan femicide is er één te veel. Alle onderzoeken hieromtrent onderstrepen de noodzaak van blijvende aandacht voor dit onderwerp.
Het vernieuwde curriculum maakt dat de nieuwe generatie meer leert over deze thema’s en daarin kennis en vaardigheden opdoet die bijdragen aan meer weerbaarheid tegen grensoverschrijdend gedrag en seksueel geweld. In de nieuwe kerndoelen burgerschap voor zowel het primair als voortgezet onderwijs is aandacht voor de gevaren van stereotypering en voor het belang van de gelijkwaardige behandeling van mensen, ondanks verschillen in bijvoorbeeld geslacht of seksuele gerichtheid.1 Dit thema vormt ook een centraal onderdeel van de wettelijke burgerschapsopdracht, die al langer eisen stelt aan onder meer de inhoud van het onderwijs.2 Daarnaast besteden de vernieuwde kerndoelen aandacht aan de handelingsmogelijkheden bij grensoverschrijding, geweld en misbruik.3 Ook in het mbo bestaan kwalificatie-eisen voor het burgerschapsonderwijs die aanknopingspunten bieden om deze thema’s in het onderwijs te integreren, afgestemd op de studentenpopulatie.
De Inspectie van het Onderwijs (hierna: inspectie) ziet in den brede op de naleving van het (vernieuwde) curriculum én op de wettelijke burgerschapsopdracht. De inspectie houdt toezicht op het onderwijsaanbod en of dat voldoet aan de wettelijke vereisten.
Hierbij kijkt de inspectie onder anderen of de school leerdoelen heeft gesteld om respect voor gelijkwaardigheid onder leerlingen te bevorderen, deze leerdoelen in een samenhangende leerlijn aanbiedt en herkenbaar in de praktijk wordt gebracht. Wanneer de inspectie concrete risico’s ziet op één of meer onderdelen van deze gelijkwaardigheid, kan worden getoetst of het onderwijsaanbod op dit specifieke onderdeel volstaat.
Wat vindt u ervan dat professionals en organisaties in het veld belangrijke hiaten zien in de wijze waarop scholen binnen de kerndoelen en eindtermen aandacht besteden aan gendergerelateerd geweld en het voorkomen daarvan en bent u het met de indieners van de petitie eens dat dit nog onvoldoende gebeurt?
Deze belangrijke thema’s hebben een stevigere plek gekregen binnen de vernieuwde kerndoelen, waarmee er bovenop de al langer geldende wettelijke burgerschapsopdracht een brede basis wordt gelegd. Scholen worden daarnaast ook door organisaties ondersteund om onderwerpen zoals gendergerelateerd geweld in te bedden in hun curriculum. Dit biedt leraren meer handvatten om aan deze onderwerpen structureel aandacht te geven.
De vernieuwde kerndoelen treden naar verwachting per 1 augustus 2027 in werking. De inspectie zal vanaf 2031 handhavend toezien op het vernieuwde curriculum.
Heeft u cijfers van de mate waarin op scholen expliciet aandacht wordt besteed aan gendergelijkwaardigheid, relationele veiligheid en geweldpreventie? Zo nee, bent u bereid de Inspectie hiernaar te vragen?
Op dit moment zijn scholen in het funderend onderwijs verplicht om uitvoering te geven aan de wettelijke burgerschapsopdracht en de kerndoelen. De inspectie houdt hier toezicht op. Met de invoering van de vernieuwde kerndoelen moeten alle scholen meer aandacht besteden aan deze thema’s. Er wordt niet bijgehouden hoeveel uren scholen aandacht besteden aan deze thema’s.
Op welke manier is het herkennen van signalen en het veilig en zorgvuldig handelen wanneer een kind mogelijk met geweld (zelf of in het gezin) te maken heeft, op dit moment onderdeel van de opleidingen in het onderwijs en bent u bereid te werken aan een verbetering voor meer structurele aandacht hiervoor en zo ja, op welke wijze?
De huidige kennisbases voor de hbo-lerarenopleidingen (vastgesteld in 2017) hebben met name aandacht voor diversiteit en veiligheid in het onderwijs en de klas. In de nieuwe Generieke kennisbasis deel I is expliciet toegevoegd aan de eisen dat startende leraren kennis moeten hebben over de Meldcode huiselijk geweld en kindermishandeling en hieraan moeten kunnen voldoen. Deze meldcode omvat zowel het herkennen als het zorgvuldig handelen. Deze nieuwe generieke kennisbasis deel I wordt de komende jaren bij alle lerarenopleidingen van de hogescholen geïmplementeerd.
In het mbo is voor de opleiding onderwijsassistent in de kwalificatie vastgesteld dat de beginnend beroepsoefenaar kennis moet hebben van de meldcode huiselijk geweld en kindermishandeling. Verder moet iedere mbo-, hbo- en wo-instelling een actuele meldcode en een wettelijke verplicht afwegingskader hebben. Hiermee wordt de aandacht zowel in het mbo, hbo als wo bij opleidingen voor dit thema structureel geborgd via een landelijk norm. Ik zie op dit moment daarom geen aanleiding voor het nemen van aanvullende stappen.
Op welke wijze is het lesgeven over gendergelijkwaardigheid, relationele veiligheid en geweldpreventie momenteel onderdeel van de opleidingen in het onderwijs en bent u bereid te werken aan een verbetering voor meer structurele aandacht hiervoor en zo ja, op welke wijze?
Deze thema’s komen op verschillende plekken terug in de landelijke eisen aan startbekwame leraren die de opleidingen gezamenlijk hebben vastgelegd in de kennisbases in het hbo. Aansluitend op de invoering van de vernieuwde kerndoelen worden ook de kennisbases van de lerarenopleidingen vernieuwd en geïmplementeerd. In het concept-leergebied burgerschap voor de pabo’s is opgenomen dat de startbekwame leraar betekenis moet kunnen geven aan het onderwijs over samenleven in een democratische rechtstaat vanuit basiswaarden. Het gaat hierbij onder andere om het verkennen van aspecten van diversiteit zoals gender en seksuele voorkeur. Relationele veiligheid krijgt meer invulling in de kennisbasis biologie voor het vo en mbo. Startbekwame tweedegraads leraren biologie moeten les kunnen geven in thema’s als relaties en seksualiteit, lichamelijke ontwikkeling en zelfbeeld, seksuele diversiteit en wensen en grenzen stellen (fysiek en online).
In het mbo is voor de opleiding onderwijsassistent in de kwalificatie vastgesteld dat de beginnend beroepsoefenaar snel en effectief moet kunnen handelen in geval van (signalen) van onveiligheid van de kinderen.
Ook wordt met het wetsvoorstel Vereisten mbo-docenten basisvaardigheden geregeld dat mbo-docenten burgerschap die niet over een passende lerarenopleiding beschikken, een aanvullend opleidingstraject op het gebied van de vakinhoud en vakdidactiek van burgerschap moeten volgen.4 Het wetsvoorstel wordt komend najaar naar de Kamer gestuurd. De beoogde inwerkingtreding is 1 augustus 2027.
De vernieuwde kerndoelen en aangescherpte kennisbases geven voldoende richting aan de inhoud van de opleidingen. Ik zie daarom geen reden om op dit moment aanvullende stappen te zetten. Mocht in de toekomst blijken dat er toch aanvullende aandacht nodig is, dan kan ik binnen het Opleidingsberaad Leraren onderzoeken of aanvullende stappen nodig zijn.
Zijn er op dit moment voldoende lesmethodes waar scholen gebruik van kunnen maken als zij aandacht willen besteden aan gendergelijkwaardigheid, relationele veiligheid en geweldpreventie en zo ja, waar kunnen scholen deze vinden? Zo nee, wat kunt u vanuit uw rol doen om meer laagdrempelige lesmethodes hiervoor beschikbaar te krijgen?
Er zijn geen signalen dat er onvoldoende lesmateriaal beschikbaar zou zijn dat scholen bij deze thema’s kan ondersteunen. Scholen die aan deze thema’s nadere aandacht willen besteden kunnen kiezen uit verschillende leermiddelen en lesmaterialen die passen bij hun specifieke onderwijscontext en leerlingen.
Bent u bereid het gesprek aan te gaan met de indieners van de petitie om gezamenlijk tot een aanpak te komen waarmee het onderwijs beter in staat wordt gesteld een rol te spelen in het voorkomen en het herkennen van gendergerelateerd geweld en relationele onveiligheid?
Leerkrachten hebben met het vernieuwde curriculum goede handvatten om thema’s zoals gendergelijkheid en het tegengaan van geweld steviger te verankeren in het onderwijs. Mocht blijken dat er aanscherping of aanvullende maatregelen nodig zijn zal ik op dat moment kijken wat passende vervolgstappen zijn.
In hoeverre acht u, vanuit uw zicht op de praktijk van scholen, de huidige mogelijkheden voor het tijdig delen van informatie over signalen en meldingen over gendergerelateerd geweld tussen scholen, politie en Veilig Thuis voldoende en bent u bereid hier navraag over te doen bij scholen?
Met de Wet verplichte meldcode huiselijk geweld en kindermishandeling zijn scholen verplicht om te beschikken over een meldcode en hun medewerkers in staat te stellen deze toe te passen. Hiermee bestaat er een helder kader voor het delen van informatie en signalen wanneer mogelijk sprake is van kindermishandeling, waaronder gendergerelateerd geweld. De Landelijke Vereniging Aandachtsfunctionarissen Kindermishandeling (LVAK) heeft de afgelopen periode trainingen gegeven aan onderwijsprofessionals over goed gebruik van de meldcode en de rol van Veilig Thuis.
Bent u bereid in overleg te treden met de Minister van J&V en de Minister van VWS om het onderwijs op te nemen als één van de pijlers in het Actieplan Stop geweld tegen vrouwen?
Ik onderschrijf nogmaals het belang van maatschappelijke aandacht voor bovengenoemde thema’s. Het toevoegen van het onderwijs als één van de pijlers acht ik op dit moment niet gepast. Het vernieuwde curriculum maakt meer en gerichtere aandacht mogelijk voor bovengenoemde thema’s. Dit zie ik als een solide basis en een stap in de goede richting.
Het invoeren van chatcontrole |
|
Barbara Kathmann (GroenLinks-PvdA) |
|
David van Weel (VVD), Aerdts |
|
|
|
|
Bent u bekend met het bericht «Europees Parlement stemt in controversiële spoedprocedure alsnog voor het checken van berichten op beelden van kindermisbruik»?1
Wat vindt u van het verlengen van «chatcontrol 1.0»2 en de manier waarop dit via een spoedprocedure, mede onder druk van de Europese Commissie en grote techbedrijven, is geforceerd?
Wat is de zienswijze van dit kabinet op deze vorm van chatcontrole? Volgt u nog steeds de beide aangenomen moties-Kathmann (Kamerstukken 32 317, nr. 891 & 32 317, nr. 981) die vragen om zich tegen chatcontrole te verzetten?
Wat zijn de gevolgen van deze stemming voor de privacy van Nederlandse burgers, nu vrijwillige chatcontrol niet alleen opnieuw is ingevoerd, maar is uitgebreid ten opzichte van de vorige vrijstelling?
Op welke manier mogen techbedrijven AI toepassen om berichtenverkeer tussen burgers te surveilleren? Kunt u duidelijk maken wat voor techniek hiervoor wordt toegepast door de relevante bedrijven?
Hoe wordt voorkomen dat onschuldige burgers op basis van valse positieven verdacht worden gemaakt en worden gemeld bij de politie of Europol?
Deelt u de zorgen van de indiener dat, zolang het scannen van online berichtenverkeer is toegestaan, er een reëel risico is dat deze techniek ook voor andere doeleinden zal worden gebruikt als gevolg van «mission creep»?
Hoe staat het met de onderhandelingen voor de CSAM-verordening, waar een vorm van chatcontrole tot dusver altijd een onderdeel van is geweest? Wanneer verwacht u dat hierover een stemming zal plaatsvinden?
Bent u bereid de Kamer een beslismoment voor te leggen als er een belangrijke (voor)stemming nadert met betrekking tot chatcontrole, zodat zij tijdig en goed geïnformeerd de kabinetsinzet kan sturen?
Kunt u bevestigen dat Nederland zich ten alle tijden en onomwonden zal verzetten tegen voorstellen die het scannen van versleutelde berichten mogelijk maken, al dan niet via een omweg?
Kunt u deze vragen afzonderlijk en zo spoedig mogelijk beantwoorden?
Het fiscale voordeel van familiehypotheken in relatie tot de maximale leencapaciteit |
|
Henk-Jan Oosterhuis (D66), Jan Schoonis (D66) |
|
Eerenberg , Eelco Heinen (VVD) |
|
|
|
|
Klopt het dat de rente die wordt betaald op een hypotheek bij een familielid mag worden afgetrokken van de inkomstenbelasting? Onder welke voorwaarden mag dit?
Klopt het dat wanneer de geldverstrekker (het familielid) de rente kwijtscheldt, er geen recht meer is op hypotheekrenteaftrek? Kan kwijtschelding van rentebetalingen gelijk worden gesteld als een jaarlijkse schenking van de rentebetaling?
Bent u er mee bekend dat veel banken via een «schenk-leenconstructie», waarbij in een schriftelijke overeenkomst wordt vastgelegd dat de hypotheekverstrekker jaarlijks de rente (en aflossing) terug schenkt, toestaan dat een familiehypotheek boven op de maximale leencapaciteit komt? In hoeverre past dit binnen de wettelijke kaders?
Hoe kijkt u naar de mogelijke effecten van overkreditering doordat banken deze eis stellen? Wordt op deze manier niet effectief de leencapaciteit van met name starters met vermogende ouders vergroot, verder dan wettelijk via leennormen (LTI) toegestaan is? Ter illustratie: ABN Amro biedt tot 50% extra LTI-ruimte bij familiehypotheken, Rabobank accepteert familieleningen tot 50% van de woningwaarde.
Welk effect heeft deze feitelijke vergroting van de leencapaciteit op de huizenprijzen?
In hoeverre is er in bovengenoemde constructie – het terugschenken van de rentebetalingen – sprake van een marktconforme lening? Kunt uitleggen in hoeverre deze «schenk-leenconstructie» effect heeft op de aanspraak op hypotheekrenteaftrek bij familiehypotheken? Is er nog steeds sprake van een marktconforme rente, of is er dan sprake van een onzakelijke lening of schenking waarbij het recht op hyptheekrenteaftrek vervalt?
Bent u van mening dat het tegenstrijdig is dat de bank de familiehypotheek boven op de maximale leencapaciteit laat komen, omdat de betaalde rente wordt terug geschonken, terwijl over de betaalde rente wel hypotheekrenteaftrek wordt genoten? Zo nee, waarom niet?
Deelt u de mening dat de «schenk-leenconstructie» evenals de afgeschafte «jubelton» zorgt voor een grotere ongelijkheid op de woningmarkt, omdat kinderen van vermogende ouders hierdoor een grotere leenruimte dan starters die alleen een hypotheek bij een commerciële kredietverstrekker hebben?
Ziet u aanleiding om deze constructie te onderzoeken: hoe kredietverstrekkers hiermee omgaan, hoe de belastingconstructie wordt toegepast en welke beleidsopties er zijn om deze constructie tegen te gaan?
Abortus op sociale indicatie bij 22 of 23 weken zwangerschap |
|
Diederik van Dijk (SGP) |
|
Sophie Hermans (VVD) |
|
|
|
|
Bent u ervan op de hoogte dat er een landelijke «pilot» gaande is vanuit de commissie Gynaecoloog en Maatschappij van de Nederlandse Vereniging voor Obstetrie en Gynaecologie (NVOG) om via de reguliere geboortezorg in ziekenhuizen abortussen op sociale indicatie te gaan uitvoeren bij 22 of 23 weken zwangerschap?
Kunt u aangeven welke ziekenhuizen zich al hebben aangemeld voor deze pilot?
Kunt u bevestigen dat het de bedoeling van de NVOG is om dergelijke abortussen (naar verwachting enkele honderden per jaar) via regionale spreiding in meerdere Nederlandse ziekenhuizen uit te gaan voeren?
Deelt u de mening dat dit een zeer onwenselijke ontwikkeling is?
Erkent u dat dit gaat over een verruiming van de abortuspraktijk?
Erkent u dat dit type abortussen omstreden en beladen zijn?
Deelt u de mening dat over een dergelijke fundamentele wijziging van de abortuspraktijk eerst een politiek debat moet worden gevoerd, waarbij alle aspecten, zowel ethisch als juridisch, uitgebreid aan bod komen?
Bent u bereid om deze ontwikkeling tegen te houden totdat de Kamer zich hierover fundamenteel heeft kunnen uitspreken?
Sinds wanneer bent u op de hoogte van dit initiatief? Waarom heeft u de Kamer hier niet eerder over geïnformeerd?
Kunt u ook de toolkit en het praktische protocol die zijn gemaakt door de betreffende werkgroep vanuit de NVOG met de Kamer delen?
Bent u bekend met de brief van de Inspectie Gezondheidszorg en Jeugd (IGJ) uit 2021 aan de NVOG en het Nederlands Genootschap van Abortusartsen (NGvA) over abortus op sociale indicatie in week 22 en 23? Kunt u deze brief met de Kamer delen?
Indien u bekend was met deze brief, waarom heeft u de Kamer hierover nooit geïnformeerd? Indien u niet bekend was met deze brief, hoe is het mogelijk dat de Kamer niet actief betrokken wordt bij een dergelijke ingrijpende wijziging van de abortuspraktijk?
Kunt u aangeven of deze nieuwe werkwijze ook een formele status heeft? Zijn de richtlijnen van de NVOG en het NGvA hierop aangepast? Zo nee, hoe kan het dat deze fundamentele wijziging van de abortuspraktijk doorgevoerd kan worden zonder dat dit in overeenstemming is met geldende richtlijnen? Zo ja, waarom zijn deze aangepaste richtlijnen niet openbaar gemaakt?
Kunt u uitleggen waarom ziekenhuizen tot op heden zich bewust hebben beperkt tot abortussen op grond van medische indicatie (prenatale diagnostiek) en geen tweede trimester abortussen op grond van «sociale indicatie» uitvoeren?
Hoe verhoudt deze wijziging van de abortuspraktijk zich tot interne protocollen van ziekenhuizen over medicamenteuze zwangerschapsafbreking gedurende het tweede trimester, waarin duidelijk staat dat zij zich beperken tot abortus op grond van medische indicatie?
Moet elk ziekenhuis verplicht gaan meewerken aan abortussen op sociale indicatie in week 22 en 23?
Wat is het standpunt van de Nederlandse Vereniging van Ziekenhuizen over deze ontwikkelingen?
Kunt u bevestigen dat het feit dat abortusklinieken en ziekenhuizen er tot op heden bewust voor kiezen om geen abortussen in week 22 en week 23 uit te voeren in de twee evaluaties van de Wet afbreking zwangerschap nooit als urgent probleem naar voren is gekomen? Wat zegt dit en waarom zou dit nu wel moeten worden geproblematiseerd?
Erkent u de waarde van het ongeboren leven zoals dat tot uitdrukking wordt gebracht in het Wetbroek van Strafrecht? Ziet u ook de waarde in van een wettelijke grens ter bescherming van het leven van het ongeboren kind?
Erkent u dat de wettelijke grens zoals bepaald in het Wetboek van Strafrecht niet automatisch betekent dat de overheid of zorgverleners verplicht zijn om datgene wat binnen de grenzen van de wet ligt in alle gevallen mogelijk te maken?
Deelt u de mening dat het juist verstandig is om de grenzen van het strafrecht in dezen niet op te zoeken (zoals tot op heden ook het geval was)?
Kunt u bevestigen dat in de afgelopen maanden in diverse ziekenhuizen al abortussen op sociale indicatie vanaf week 22 hebben plaatsgevonden?
Bent u ervan op de hoogte dat medewerking aan dit type abortussen door zorgverleners als beladen en controversieel wordt ervaren?
Kunt u bevestigen dat zorgverleners op grond van de Wet afbreking zwangerschap nooit gedwongen mogen worden om medewerking te verlenen aan een abortus?
Kunt u bevestigen dat gynaecologen en verpleegkundigen in ziekenhuizen die dit type abortussen willen gaan uitvoeren nooit verplicht of onder druk gezet kunnen worden om hieraan mee te werken?
Kunt u aangeven wat het standpunt van de beroepsvereniging van verzorgenden en verpleegkundigen (V&VN) over deze ontwikkelingen is? Hoe wordt V&VN hierbij betrokken?
Kunt u aangeven hoe binnen de pilot zorgverleners worden voorbereid op de consequenties van deze wijziging van de abortuspraktijk?
Kunt u uitleggen hoe een abortus bij 22 of 23 weken zwangerschap in zijn werk gaat?
Klopt het dat hierbij in principe geen gebruik wordt gemaakt van feticide, maar dat de bevalling opgewekt wordt waarna het kindje op een natuurlijke manier geboren wordt?
Bent u op de hoogte van het feit dat een baby bij een medicamenteuze zwangerschapsafbreking in het tweede trimester volgens gynaecologen «niet zelden» levend ter wereld komt?1 Kunt u uitleggen hoe het kindje vervolgens komt te overlijden?
Kunt u aangeven hoe vaak het precies voorkomt dat in dergelijke gevallen een kindje levend ter wereld komt? Wat is hierover bekend in medisch-wetenschappelijke literatuur? Kunt u hierbij specifiek ingaan op medicamenteuze abortussen vanaf 22 weken zwangerschap?
Kunt u aangeven waarom in Nederland de abortuspraktijk vanaf 22 weken nu wordt uitgebreid, terwijl in andere landen zoals Zweden en Duitsland al levensreddend wordt opgetreden bij een vroeggeboorte van 22 weken?
Erkent u dat er dus alle reden is om ook in Nederland een discussie te starten over het verlagen van zowel de behandel- als de abortusgrens naar 22 weken? En zo nee, kunt u dit beargumenteren?
Kunt u aangeven welke complicaties er kunnen optreden bij een abortus in week 22 of week 23? Hoe groot is het risico op die complicaties?
Wat is er bekend over de pijnbeleving bij kinderen die bij 22 of 23 weken worden geaborteerd, zowel voor de geboorte als na de geboorte (als kindjes levend ter wereld komen)?
Ruim 200 Nederlandse kinderen hebben geen vaste voogd |
|
Nicole Moinat (PVV) |
|
Mirjam Sterk (CDA) |
|
|
|
|
Bent u bekend met het artikel «Ruim 200 Nederlandse kinderen hebben geen vaste voogd» van Investico en Trouw van 14 juli 2026?1 2
Ja.
Wat is uw reactie op de bevinding dat ruim 200 kinderen geen vaste voogd hebben, terwijl het gezag van hun ouders door de rechter is beëindigd en de overheid daarmee verantwoordelijk is voor hun bescherming?
Als de overheid ingrijpt in het gezag van ouders en de kinderrechter een maatregel voor kinderbescherming oplegt, dan moeten het kind en de ouders kunnen rekenen op een snelle inzet van een jeugdbeschermer. Zoals ik u de afgelopen periode helaas al vaker heb moeten berichten, is al lange tijd sprake van een wachtlijst voor een vaste jeugdbeschermer voor deze kinderen; ook voor kinderen met een voogdijmaatregel.3 Dat vind ik uiteraard zeer onwenselijk, maar dat is wel de huidige realiteit.
De GI’s hanteren een gezamenlijk handelingsperspectief als kinderen en gezinnen noodgedwongen op de wachtlijst voor een vaste jeugdbeschermer komen te staan. Dit perspectief is een door de GI’s gezamenlijk opgestelde minimale werkwijze voor wachtlijstbeheer in geval van personele onderbezetting. Spoedmaatregelen, zoals een voorlopige ondertoezichtstelling (OTS), worden altijd direct opgepakt. Ook zaken waarbij sprake is van directe kind-onveiligheid worden direct opgepakt.
Als bij een GI sprake is van onvoldoende beschikbare medewerkers dan wordt op basis van risicotaxatie bepaald welke kinderen direct geholpen moeten worden en welke kinderen noodgedwongen moeten wachten. Dat kunnen zowel kinderen met een OTS-maatregel als een met een voogdij maatregel zijn.
Bij voogdij kan sprake zijn van een meer stabiele opvoedsituatie (door bijvoorbeeld een langdurige plaatsing in pleeggezin of een gezinshuis) dan bij een OTS. In dat geval kan de afweging gemaakt worden dat een voogdijkind op de wachtlijst wordt geplaatst omdat bij een OTS-kind meer risico’s spelen.
Ook wordt afgestemd met het betrokken professioneel netwerk over hoe de veiligheid wordt gemonitord en hoe vorm wordt gegeven aan de evaluatie van de kindveiligheid en voortgang op de hulpverleningsdoelen. Vaak is al een professioneel netwerk betrokken omdat de hulp in vrijwillig kader is gestart of omdat de hulp al eerder door een jeugdbeschermer is gestart – maar het kind nu op de interne wachtlijst staat omdat er nog géén opvolger is gevonden voor de jeugdbeschermer die de organisatie verlaten heeft. De veiligheid van het kind wordt periodiek gemonitord door het wachtlijstteam van de GI. Op basis van deze monitoring wordt direct een jeugdbeschermer ingezet als dat nodig is.
De inspecties hebben in september 2025 kritische rapporten geschreven over de problemen bij de gecertificeerde instellingen (GI’s).4 Daarbij constateren de inspecties dat de belangrijkste oorzaken gelegen zijn in arbeidsmarktproblemen en ontbrekende of ontoegankelijke passende hulp. Dit zijn factoren waar de GI’s zelf weinig directe invloed op hebben. In reactie op deze rapporten hebben we in de brief van 2 december 2025 aangegeven als Rijk hier het voortouw in te nemen om samen met gemeenten en GI’s gezamenlijk afspraken te maken om in het hier en nu mede op basis van de aanbevelingen van de inspecties te zorgen voor betere bescherming en tijdige hulp voor kinderen en hun ouders.5 De GI’s werken in dat kader aan het verbeteren van de interne werkprocessen op basis van «good practices» uit de sector en met het verbeteren van de «betekenisvolle contacten» tussen jeugdbeschermer en met name het kind. Ten behoeve van het jeugddebat op 30 september 2026 zullen we uw Kamer informeren over de stand van zaken van deze verbeteracties.
Deelt u de mening dat het onaanvaardbaar is dat juist deze kwetsbare kinderen geen vaste voogd hebben die hen persoonlijk kent, hun veiligheid bewaakt en namens hen belangrijke beslissingen neemt? Zo nee, waarom niet?
Ik vind het bij alle kinderen onwenselijk dat ze moeten wachten op een vaste jeugdbeschermer, ook voor voogdijkinderen. Gegeven de situatie dat sprake is van onvoldoende beschikbare medewerkers is het echter voorstelbaar dat op basis van een risicotaxatie gekozen wordt om het kind met de grootste risico’s eerst te helpen.
Hoeveel kinderen hebben momenteel geen vaste voogd? Kunt u dit uitsplitsen per gecertificeerde instelling, aangeven hoe lang zij gemiddeld en maximaal zonder vaste voogd zitten en in welke vorm van opvang zij verblijven?
De specificatie van de wachtlijst naar maatregel is landelijk niet beschikbaar. Mede op basis van de motie Hijink informeer ik uw Kamer sinds eind 2022 over het totaal van de wachtlijsten bij de GI’s; daarbij wordt geen onderscheid gemaakt naar het soort jeugdbeschermingsmaatregel. Over peildatum 1 oktober 2026 wordt de halfjaarlijkse monitor uitgevoerd. Ik ben in overleg met de GI’s om te bezien of ik u in november 2026 kan informeren over de wachtlijsten specifiek voor de voogdij en de jeugdreclassering per 1 oktober. Deze gegevens zouden dan beschikbaar kunnen zijn ten behoeve van het door uw Kamer nog te plannen wetgevingsoverleg.
Wie draagt gedurende deze periode de eindverantwoordelijkheid voor de veiligheid van deze kinderen en voor besluiten over onder meer medische behandelingen, onderwijs, jeugdhulp, contact met ouders en familieleden en officiële documenten? Hoe wordt daarbij gewaarborgd dat deze besluiten worden genomen door iemand die het kind daadwerkelijk kent?
De GI blijft te allen tijde verantwoordelijk voor de veiligheid van het kind. Als sprake is van besluiten waarvoor de inzet van een voogd noodzakelijk is, verloopt dit via een jeugdbeschermer van het wachtlijstteam. De GI’s geven aan dat er gehandeld wordt, b.v. bij beslissingen over onder meer onderwijs, medische behandeling, omgang, jeugdhulp en financiële, administratieve en juridische zaken. Dit gaat nog niet in alle gevallen goed. Ook de verhalen die zijn beschreven door Trouw en Investico geven daar voorbeelden van. GI’s werken continue aan het realiseren van vaste jeugdbeschermers in alle zaken zodat de uitvoering verbeterd. Daarnaast wordt gewerkt aan het verminderen van de wachtlijsten op basis van «good practices» en wordt gewerkt aan het verbeteren va de betekenisvolle contacten. Ten behoeve van het jeugddebat op 30 september 2026 zullen we uw Kamer informeren over de stand van zaken van deze verbeteracties.
Hoe wordt gedurende de periode zonder vaste voogd geborgd dat ieder kind regelmatig persoonlijk wordt gesproken en dat voortdurend zicht bestaat op zijn of haar veiligheid en ontwikkeling?
De GI’s hebben in het handelingsperspectief opgenomen dat de veiligheid van het kind beoordeeld wordt, na aanmelding dient het eerste contact met het gezin binnen 10 dagen plaats te vinden en dient informatievoorziening plaats te vinden. Per GI is de wijze van en de frequentie van het contact uitgewerkt. De bedoeling is dat het kind ook altijd gesproken wordt en afhankelijk van de situatie ook apart. Ook worden met het professionele en sociale netwerk rondom het kind afspraken gemaakt om de GI te informeren als daartoe aanleiding is.
Hoeveel belangrijke beslissingen zijn het afgelopen jaar vertraagd doordat geen vaste voogd beschikbaar was en welke gevolgen heeft dit gehad voor de betrokken kinderen?
Er wordt niet geregistreerd welke belangrijke beslissingen het afgelopen jaar zijn vertraagd doordat geen vaste voogd beschikbaar was.
Zijn bij u, de Inspectie Gezondheidszorg en Jeugd of de Inspectie Justitie en Veiligheid incidenten, calamiteiten of onveilige situaties bekend waarbij het ontbreken van een vaste voogd een rol heeft gespeeld? Zo ja, hoeveel en wat was de aard daarvan?
Bij de inspecties zijn calamiteiten, incidenten en onveilige situaties bekend waarbij het ontbreken van een vaste voogd een rol heeft gespeeld. Gegevens over het aantal en de aard van de incidenten, calamiteiten of onveilige situaties door het ontbreken van een voogd hebben de inspecties niet, omdat dit niet als zodanig wordt geregistreerd. Wel hebben de inspecties in diverse publicaties aandacht gevraagd voor de problematiek van het niet (tijdig) hebben van een vaste jeugdbeschermer/voogd:
De inspecties maken in rapporten vaak geen onderscheid tussen voogden of jeugdbeschermers (die ook de voogd kunnen zijn). Daarom spreken ze in rapporten vaak van jeugdzorgwerkers.
Hoe verhoudt het ontbreken van een vaste voogd zich tot de wettelijke taak van gecertificeerde instellingen om uitvoering te geven aan een door de rechter opgelegde voogdijmaatregel?
De wet bepaalt dat een kind waarvoor een maatregel voor kinderbescherming is uitgesproken, dan wel waarvoor jeugdreclassering is opgelegd, binnen 5 werkdagen een (gezins)voogd of een jeugdreclasseringsmedewerker krijgt toegewezen. Zoals de inspectie ook constateert kan, mede door arbeidsmarktproblematiek, niet ieder kind in de praktijk direct van een vaste jeugdbeschermer of jeugdreclasseerder worden voorzien. In die gevallen wordt gewerkt volgens het handelingsperspectief (zie het antwoord op vraag 2).
In de praktijk doen de GI’s meer dan beschreven in het handelingsperspectief en maken zij zoals hierboven beschreven afspraken met het sociale en professionele netwerk om de veiligheid zo goed mogelijk te borgen. En bij directe onveiligheid wordt meteen gehandeld. Dit neemt niet weg dat met het werken volgens het handelingsperspectief niet de gebruikelijke begeleiding van een reguliere uitvoering gerealiseerd kan worden. In die zijn krijgen kinderen en ouders niet de bescherming die zij mogen verwachten. Zie de antwoorden op vraag 2 en 5 voor een overzicht van de maatregelen die ingezet worden om de wachtlijsten te verminderen en het gebruik van het handelingsperspectief onnodig te maken. Ook in gevallen waarin het handelingsperspectief wordt ingezet, hebben de ouders uiteraard recht op gebruikelijke rechtsbescherming volgens het wettelijk kader van de ondertoezichtstelling of de voogdij maatregel. Het handelingsperspectief is een oplossing voor het ontbreken van een vaste voogd, maar biedt niet hetzelfde niveau van bescherming, er is immers geen vaste voogd. Ik acht het huidige handelingsperspectief en de veldnorm bij onderbezetting onder de huidige omstandigheden en gezien de inzet op verbetermaatregelen een toereikend alternatief.
Hoe beoordeelt u het feit dat een kinderrechter weliswaar een gecertificeerde instelling als voogd benoemt, maar dat er geen wettelijke waarborg bestaat dat een kind binnen een bepaalde termijn een vaste jeugdbeschermer of voogd krijgt die het kind persoonlijk kent en de voogdij feitelijk uitvoert? Acht u dit verenigbaar met de rechtsbescherming en de belangen van deze kinderen?
Zie antwoord vraag 9.
Acht u het huidige Handelingsperspectief en de veldnorm bij onderbezetting toereikend voor kinderen van wie het ouderlijk gezag is beëindigd, gelet op de eerdere constateringen van de inspecties dat hierdoor onvoldoende zicht kan bestaan op de veiligheid van kinderen?
Zie antwoord vraag 9.
Waarom is niet eerder landelijk inzichtelijk gemaakt hoeveel kinderen zonder vaste voogd zitten, terwijl de inspecties al jaren waarschuwen voor personeelstekorten, hoge werkdruk en onvoldoende continuïteit binnen de jeugdbescherming?
Mede op basis van de motie Hijink – waarin al gerefereerd wordt aan de signalen van de inspecties – informeren we uw Kamer over het totaal aantal kinderen dat op een vaste jeugdbeschermer wacht. De inspecties geven in hun rapportages aan dat sprake is van onvoldoende continuïteit in de jeugdbescherming maar maken bij de wachtlijsten geen onderscheid naar het soort maatregel. Zoals bij het antwoord vraag 2 en 3 is aangegeven wordt op basis van een risicobepaling bepaald of een kind direct geholpen moet worden dan wel dat het kind noodgedwongen op de wachtlijst komt te staan. Omdat wordt uitgegaan van risico’s voor het kind en niet van het soort maatregel is niet eerder landelijk inzichtelijk gemaakt hoeveel kinderen zonder vaste voogd zitten.
Welke concrete maatregelen neemt u om ervoor te zorgen dat rechterlijke voogdijbeslissingen daadwerkelijk kunnen worden uitgevoerd en dat ieder kind tijdig een vaste voogd krijgt?
In brief van 2 december 2025 hebben we u geïnformeerd over de maatregelen die genomen worden om de wachtlijsten in de jeugdbescherming en jeugdreclassering te verminderen.10 Daarbij hebben we aangegeven dat de GI’s gaan werken aan het verbeteren van hun werkwijze op basis van «good practices» en dat ze aan de slag gaan met het verbeteren van betekenisvolle contacten. Ten behoeve van het debat met uw Kamer van 30 september 2026 infomeren we u over de stand van zaken.
Naast het werken aan «good practices» werkt het Rijk aan een aanpassing van het stelsel met de Hervormingsagenda Jeugd en specifiek voor de jeugdbeschermingsketen met het Toekomstscenario Kind- en Gezinsbescherming. Op 8 juli 2026 hebben we uw Kamer geïnformeerd over de «veranderingsstrategie» Kind- en Gezinsbescherming en de acties die in dat kader genomen worden om kinderen eerder te beschermen en daarmee te voorkomen dat een maatregel voor Kinderbescherming noodzakelijk is en daarmee de druk op de wachtlijsten te verminderen. Met deze concrete verbetermaatregelen streven we ernaar de uitvoering van jeugdbeschermingsmaatregelen bij GI’s te verbeteren en de druk van stelselproblematiek te verminderen.
Bent u bereid de gecertificeerde instellingen opdracht te geven kinderen zonder vaste voogd met voorrang een vaste voogd toe te wijzen en de Kamer te informeren over de voortgang hiervan?
Er is al lange tijd sprake van een wachtlijst voor kinderen zonder vaste voogd; ook voor kinderen met een voogdijmaatregel. Wachten op de uitvoering van een maatregelen voor kinderbescherming is uiteraard zeer onwenselijk, maar dat is wel de huidige realiteit als gevolg van de schaarste van personeel door arbeidsmarktproblematiek.
Ik vind het in de bestaande situatie, waarin er een tekort is aan jeugdbeschermers, passend dat de kinderen waarbij sprake is van grotere risico’s, eerder in aanmerking komen voor een jeugdbeschermer dan kinderen waarbij de risico’s minder groot worden ingeschat. Het kan dan inderdaad zo zijn dat een kind dat een OTS heeft, eerder een vaste jeugdbeschermer krijgt toegekend dan een kind met een voogdijmaatregel.
Bent u bereid de Kamer binnen 6 weken te informeren over het exacte aantal kinderen zonder vaste voogd, de duur van de wachtperiode per gecertificeerde instelling en de maatregelen waarmee deze situatie zo spoedig mogelijk wordt beëindigd?
Op dit moment beschik ik niet over de gegevens over het aantal voogdijkinderen dat wacht op een vaste voogd. Over peildatum 1 oktober 2026 wordt de halfjaarlijkse monitor uitgevoerd. Ik ben in overleg met de GI’s om te bezien of ik de wachtlijsten kan specificeren voor de voogdij en de jeugdreclassering per 1 oktober. Ik kan u dan in november hierover informeren ten behoeve van het door uw Kamer nog te plannen wetgevingsoverleg.
In de brief ten behoeve van het jeugddebat van 30 september zal ik u nader informeren over de stand van zaken van de in de brief van 2 december 2025 opgenomen maatregelen.11
De veiligheidssituatie in Ter Apel |
|
Lidewij de Vos (FVD) |
|
Bart van den Brink (CDA), David van Weel (VVD) |
|
|
|
|
Heeft u kennisgenomen van het bericht dat het Rode Kruis en Vluchtelingenwerk de veiligheidssituatie op het voorterrein van het asielzoekerscentrum in Ter Apel zo ernstig inschatten dat zij hun medewerkers hebben teruggetrokken?1
Ja.
Heeft u kennisgenomen van het feit dat dit gebeurde nadat vorige week onder andere (minimaal) twee steekpartijen plaatsvonden in het asielzoekerscentrum?
Ja.
Heeft u kennisgenomen van het feit dat op de eerste avond dat medewerkers van het Rode Kruis en Vluchtelingenwerk afwezig waren opnieuw meerdere vechtpartijen plaatsvonden bij het asielzoekerscentrum?2 3
Ja.
Klopt het dat ook buiten de hekken van het asielzoekerscentrum incidenten hebben plaatsgevonden, zoals het Rode Kruis heeft aangegeven?4 Kunt u uw antwoord toelichten?
Ja, zie in dit verband ook mijn nadere toelichting bij brief aan uw Kamer van 13 juli jl.5
Zijn naar aanleiding van de steek- en vechtpartijen in en rondom het asielzoekerscentrum gedurende de afgelopen twee weken aanhoudingen verricht en zo ja, hoeveel? Zo nee, hoe beoordeelt u dit?
In de eerste twee weken van juli zijn elf aanhoudingen verricht. Een deel van de verdachten waren eerder bekend bij de politie.
Wat betekent het voor de veiligheid van omwonenden dat in zo’n korte tijd zoveel geweldsdelicten plaatsvinden? Kunt u uw antwoord toelichten?
De overlastproblematiek en incidenten op het voorterrein zetten de veiligheid van medebewoners, medewerkers en vrijwilligers en dorpsbewoners nog verder onder druk. Dat vind ik onacceptabel. Daarom heb ik bij brief aan uw Kamer van 13 juli jl. extra maatregelen aangekondigd.6
Erkent u dat asielzoekers nog altijd vrij Ter Apel in kunnen en de veiligheid van omwonenden dus op geen enkele wijze kan worden gegarandeerd? Kunt u uw antwoord toelichten?
Overlast en crimineel gedrag wordt niet getolereerd. Uitgangspunt is dat bij strafbare feiten normerend wordt opgetreden. Dat vereist nauwe samenwerking tussen de strafrechtketen, vreemdelingenketen en lokale driehoek. Voor verdachten moet duidelijk zijn dat het plegen van een misdrijf direct gevolgen heeft in de vorm van lik-op-stuk. De inzet van de vreemdelingenketen is erop gericht om overlastgevers te sanctioneren. Dat betekent dat bij overlastgevend gedrag met zware impact, waar mogelijk aanvullend op strafrechtelijke maatregelen, ook vanuit de vreemdelingenketen een vrijheidsbeperkende maatregel kan worden opgelegd.
Hoe beoordeelt u het feit dat er volgens inwoners van het asielzoekerscentrum «elke dag wordt gevochten»?5
Overlast, intimidatie, bedreiging en criminaliteit door wie dan ook is onacceptabel, bij COA en in de openbare ruimte. Om die reden zijn aanvullende maatregelen genomen. Om te komen tot een structurele oplossing zijn verschillende maatregelen essentieel. Naast de reeds ingezette maatregelen om meer grip op migratie te krijgen door verlaging van de instroom en versnelde en effectieve terugkeer met bijzondere aandacht voor overlastgevende en criminele vreemdelingen, blijf ik me inzetten voor fatsoenlijke opvang en de uitvoering van de Spreidingswet om de druk op de opvang te verkleinen. Ook is snelle doorstroming van statushouders naar gemeentelijke huisvesting van belang. Het is hierbij cruciaal dat eenieder in veiligheid het werk uit kan voeren.
Wat vindt u ervan dat inwoners van Ter Apel nachtelijke onrust en een gevoel van onveiligheid ervaren?6
Zie antwoord vraag 8.
Welke veiligheidsmaatregelen – denk aan het vastzetten van overlastgevers, preventief fouilleren, invoering van een avondklok voor asielzoekers, enzovoort – bent u bereid te nemen teneinde de veiligheid van omwonenden per direct te verbeteren? Kunt u uw antwoord toelichten?
Het is onaanvaardbaar dat inwoners van Ter Apel, maar ook medebewonershulpverleners en medewerkers op het azc, zich onveilig voelen door incidenten. Daarom heb ik zoals toegelicht bij brief van 13 juli jl.9 extra maatregelen genomen om de veiligheidssituatie in Ter Apel te versterken.
Bent u tijdens uw afgelopen bezoek aan Ter Apel ook daadwerkelijk in het asielzoekerscentrum geweest?7 Zo ja, wat was uw indruk van de situatie? Zo nee, waarom niet?
Nee, ik heb een bezoek gebracht aan de boa’s van de flexpool boa, waarmee ik naar het centrum van Ter Apel en het voorterrein bij het AZC ben geweest. Verder ben ik in gesprek gegaan met de burgemeesters van Westerwolde en Emmen. Ook heb ik besprekingen gevoerd met de verschillende ondernemers in het centrum van Ter Apel en Nieuw- Weerdinge en heb ik gesproken met inwoners.
Klopt het dat u tijdens uw afgelopen bezoek aan Ter Apel hebt gesproken met ondernemers? Zo ja, wat zeiden zij tegen u?
Ik heb tijdens mijn werkbezoek een wandeling gemaakt door het centrum van Ter Apel en een bezoek gebracht aan de ondernemers. Zij gaven mij inzage in de overlast die zij ervaren door een relatief kleine groep overlastgevers van het azc.
Heeft u ook gesproken met omwonenden van het asielzoekerscentrum? Zo ja, wat gaven zij aan? Zo nee, waarom bent u niet met hen in gesprek geweest?
Ik heb gesproken met een aantal ondernemers, maar ook inwoners tijdens mijn wandeling met de boa’s van de flexpool boa’s in het centrum van Ter Apel. De inwoners hebben hun zorgen geuit en ook met hen heb ik gesproken over extra maatregelen om de veiligheidssituatie in Ter Apel te verbeteren.
Erkent u dat de belangen van asielzoekers ten koste gaan van de belangen van (de veiligheid van) Nederlanders (en vice versa)? Kunt u uw antwoord toelichten?
Mensen die in Nederland asiel aanvragen hebben recht op opvang. Daarnaast is het bieden van bescherming aan vreemdelingen op de vlucht voor oorlog en geweld een wettelijke en humanitaire verplichting. Dit mag niet ten koste gaan van de leefbaarheid en veiligheid.
Welke belangen hebben voor u prioriteit: de belangen van asielzoekers of de belangen van (de veiligheid van) Nederlanders? Kunt u uw antwoord toelichten?
Zie antwoord vraag 14.
Bent u het eens met de stelling dat geweldplegers in en rondom het asielzoekerscentrum in Ter Apel geen plek verdienen in Nederland en (na eventuele berechting) zo snel mogelijk moeten worden teruggestuurd naar hun landen van herkomst? Zo ja, hoe gaat u dat regelen? Zo nee, waarom niet?
Uitgangspunt is dat bij strafbare feiten normerend wordt opgetreden. Dat vereist nauwe samenwerking tussen de strafrechtketen, vreemdelingenketen en lokale driehoek. Voor verdachten moet duidelijk zijn dat het plegen van een misdrijf direct gevolgen heeft in de vorm van lik-op-stuk. De inzet van de vreemdelingenketen is erop gericht om de asielprocedures van overlastgevers snel- en slagvaardig af te doen, waarbij de IND na een onherroepelijke veroordeling altijd beziet of intrekking of weigering van een asielvergunning mogelijk is, en de DTenV direct na afwijzing voortvarend inzet op terugkeer naar land van herkomst of overdracht naar de verantwoordelijke lidstaat.
Lijkt het u verstandig om asielzoekers, onder wie zich ernstige bedreigingen voor de openbare orde en veiligheid bevinden, te verspreiden over Nederland? Zo ja, waarom wel? Zo nee, bent u dan bereid om de Spreidingswet in te trekken?
Wanneer vreemdelingen strafbare feiten plegen, is het van belang dat de straf- en
vreemdelingrechtelijke consequenties hiervan worden bezien. Het uitgangspunt van het openbare-ordebeleid is dat vreemdelingen die (ernstige) misdrijven plegen niet in aanmerking komen voor verblijf in Nederland. Na een afwijzend besluit of een intrekking van de IND start de DTenV het terugkeerproces. Dit kan, afhankelijk van de situatie, vanuit strafdetentie of (aansluitend in) vreemdelingenbewaring plaatsvinden. Om te komen tot een structurele oplossing zijn verschillende maatregelen essentieel. Naast de reeds ingezette maatregelen om meer grip op migratie te krijgen door verlaging van de instroom en versnelde en effectieve terugkeer met bijzondere aandacht voor overlastgevende en criminele vreemdelingen, blijf ik me inzetten voor fatsoenlijke opvang en de uitvoering van de Spreidingswet. Ook is snelle doorstroming van statushouders naar gemeentelijke huisvesting van belang.
Hoe beoordeelt u het feit dat de asielinstroom in de week van 29 juni tot en met 5 juli 890 personen bedroeg en dit aantal weinig tot niet afwijkt van de wekelijkse asielinstroom in de afgelopen maanden?
Het aantal van 890 personen asielinstroom is in lijn met de actuele prognoses binnen de Migratieketen. Deze aantallen omvatten naast nieuwe eerste asielaanvragen ook nareizigers en herhaalde aanvragen. De directe effecten van de inwerkingtreding van het Europees Asiel- en Migratiepact op de asielinstroom zijn nog niet in concrete cijfers uit te drukken omdat de wetgeving pas een maand geleden in werking is getreden.
Wat gaat u doen om de asielinstroom te beperken? Kunt u uw antwoord toelichten?
Het kabinet zet zich op verschillende manieren in om de instroom te beperken. Zo wordt uitvoering gegeven aan de Wet Tweestatusstelsel en wordt uitvoering gegeven aan het Europese Migratiepact dat op 12 juni jl. in werking is getreden. Hierin zijn verschillende instroombeperkende maatregelen opgenomen die de instroom van asielzoekers en nareizigers naar Nederland moet verminderen. Hierbij kan gedacht worden aan strengere controles aan de buitengrenzen en strengere eisen die gesteld worden aan de mogelijkheid om na te reizen. Binnen de EU wordt nareis tegengegaan door het Europees Asiel- en Migratiepact. Door intensievere samenwerking met derde landen worden asielprocedures sneller afgehandeld en het «veilig derde land»-concept verruimd, waardoor nareis vaker kan worden geweigerd of behandeld in landen buiten Europa.
Bent u bereid om per direct een asielstop in te voeren? Zo nee, waarom niet?
Zoals al vaker aangegeven bestaat er geen juridische ruimte voor een asielstop.
Dit kabinet kiest voor meer grip op migratie door de instroom te verlagen en vertrek van uitgeprocedeerde asielzoekers te verhogen.
Kunt u deze vragen zo spoedig mogelijk en afzonderlijk van elkaar beantwoorden?
Ja, ik heb het zo snel mogelijk beantwoord. Omwille van de leesbaarheid heb ik soms de beantwoording van vragen samengetrokken.
Het bericht ‘’Hulporganisaties stoppen met werkzaamheden bij Ter Apel: 'Kan niet langer veilig'’’ |
|
Diederik Boomsma (CDA), Simon Ceulemans (JA21) |
|
Bart van den Brink (CDA) |
|
|
|
|
Bent u bekend met het bericht «Hulporganisaties stoppen met werkzaamheden bij Ter Apel: «Kan niet langer veilig»»?1
Ja.
Kunt u een feitelijk overzicht geven van de (gewelds)incidenten die zich de afgelopen weken op en rond het voorterrein van het aanmeldcentrum in Ter Apel hebben voorgedaan, uitgesplitst naar aantal, aard en ernst? Wat is de stand van zaken rond aanhoudingen en verdere vervolgstappen?
In dat verband verwijs ik u naar de tertaalrapportages die door het college van B&W van de gemeente Westerwolde periodiek met de Raad wordt gedeeld2. Daarnaast publiceert de politie de politiecijfers proactief op de website: data.politie.nl. Op deze website worden driemaandelijks de maandcijfers van de politie gepubliceerd op gemeente/plaats-niveau.
Om hoeveel personen gaat het bij de door het Rode Kruis genoemde «kleine groep overlastgevers»? Is dit een vaste groep of een steeds wisselende groep qua samenstelling?
Voor zover nu bekend, werd de overlast veroorzaakt door een relatief kleine groep mensen, vaak met een kansarme asielaanvraag, die op de locatie Ter Apel verbleef of mensen van elders zonder een asielaanvraag.
Wat is bekend over hun nationaliteit, hun verblijfslocatie, hun verblijfsstatus en de fase van hun asielprocedure? Gaat het hierbij inderdaad weer om veiligelanders?
Zie antwoord vraag 3.
Hoeveel van deze personen waren al eerder in beeld wegens overlastgevend of crimineel gedrag? Hoe en met welke maatregelen is tegen hen opgetreden en met welk resultaat?
In de eerste twee weken van juli zijn elf aanhoudingen verricht. Een deel van de verdachten waren eerder bekend bij de politie. Alle elf zaken worden door het Interventieteam van de IND met voorrang behandeld ten behoeve van snelle en slagvaardige afdoening van asielprocedure. De strafrechtelijke afdoening dient eerst te zijn afgerond, voordat aansluitende vreemdelingenrechtelijke maatregelen kunnen worden getroffen.
Waarom kan deze groep al geruime tijd ernstige overlast en agressie op het voorterrein blijven veroorzaken? Welke juridische of praktische belemmeringen staan volgens u in de weg om hier daadkrachtig tegen op te treden?
Het COA heeft op 20 mei jl. het besluit moeten nemen om over te gaan tot gecontroleerde toegang voor de opvanglocatie in Ter Apel, vanwege de aanhoudende druk op deze locatie door het landelijke tekort aan opvangplekken. Hierdoor is het niet mogelijk om asielzoekers vanuit Ter Apel voldoende door te laten stromen naar locaties elders in Nederland. Door deze gecontroleerde toegang is de situatie ontstaan dat asielzoekers die niet in aanmerking komen voor opvang op grond van de kwetsbaarheidstoets tijdelijk op het voorterrein bij de opvanglocatie verblijven.
In de afgelopen zeven weken hebben verschillende incidenten plaatsgevonden op het voorterrein in Ter Apel. De overlast werd veroorzaakt door een relatief kleine groep mensen, vaak met een kansarme asielaanvraag, die op de locatie Ter Apel verbleef of mensen van elders zonder een asielaanvraag. Er zijn verschillende maatregelen genomen om de veiligheid van de hulpverleners, medewerkers en asielzoekers te kunnen borgen.Dit heeft er helaas niet voor gezorgd dat de situatie in Ter Apel structureel verbeterd is. Om die reden zijn aanvullende maatregelen genomen waar ik uw Kamer per brief3 op 13 juli jl. over geïnformeerd.
Deelt u de mening dat deze groep geen minuut langer iets op het voorterrein, in Ter Apel en in Nederland te zoeken heeft? Zo nee, waarom niet? Zo ja, deelt u de mening dat alle inzet erop gericht moet zijn deze groep per direct Nederland uit te krijgen?
Uitgangspunt is dat bij strafbare feiten normerend wordt opgetreden. Dat vereist nauwe samenwerking tussen de strafrechtketen, vreemdelingenketen en lokale driehoek. Voor verdachten moet duidelijk zijn dat het plegen van een misdrijf direct gevolgen heeft in de vorm van lik-op-stuk. De inzet van de vreemdelingenketen is erop gericht om de asielprocedures van overlastgevers snel- en slagvaardig af te doen, waarbij de IND na een onherroepelijke veroordeling altijd beziet of intrekking of weigering van een asielvergunning mogelijk is, en de DTenV direct na afwijzing voortvarend inzet op terugkeer naar land van herkomst of overdracht naar de verantwoordelijke lidstaat.
Bent u bereid deze personen aansluitend met voorrang in bewaring te stellen en zo snel mogelijk uit te zetten of over te dragen aan de verantwoordelijke lidstaat? Zo nee, waarom niet, en welke maatregel stelt u dan in de plaats daarvan voor?
Zie antwoord vraag 7.
Welke maatregelen zijn en worden getroffen om te voorkomen dat deze groep voor nog meer ellende en overlast in het dorp Ter Apel en omgeving gaat zorgen?
Bij brief van 13 juli jl. heb ik uw Kamer nader geïnformeerd over extra maatregelen4.
Kunt u deze vragen afzonderlijk en zo spoedig mogelijk beantwoorden?
Omwille van de leesbaarheid heb ik soms de beantwoording van vragen samengetrokken.
Tekorten aan parkeerplaatsen nieuwe locatie politie-eenheid Den Haag |
|
Ingrid Coenradie (PVV) |
|
David van Weel (VVD) |
|
|
|
|
Bent u bekend met de grote zorgen onder politiepersoneel over de bereikbaarheid van de nieuwe locatie van de politie-eenheid Den Haag, waar ongeveer 3.000 medewerkers worden gehuisvest terwijl er slechts ongeveer 300 parkeerplaatsen beschikbaar zijn?
Ja, ik ben bekend met de signalen hierover.
Klopt het dat voor het overgrote deel van de medewerkers geen parkeergelegenheid beschikbaar is en dat van hen wordt verwacht dat zij gebruikmaken van een combinatie van auto, fiets, tram en lange loopafstanden om hun werkplek te bereiken?
Voor het nieuwe eenheidsbureau zijn circa 300 parkeerplaatsen voor woon-werkverkeer beschikbaar. Bij nieuwe gebouwen gelden de gemeentelijke parkeernormen die deel uitmaken van de omgevingsvergunning. Daar wordt op dit moment aan voldaan. Daarnaast is in het kader van de Rapportageverplichting Werkgebonden Personenmobiliteit (WPM), die ziet op zakelijk verkeer en woon-werkverkeer, gekeken naar het beperken en verduurzamen van vervoersbewegingen.
Bij de planvorming van het nieuwe eenheidsbureau is uitgegaan van de destijds vastgestelde mobiliteitsvisie, de geldende gemeentelijke parkeernorm en het toen geldende landelijke parkeerbeleid. De gemeentelijke parkeernorm is gebaseerd op de toekomstige Hoogwaardig Openbaar Vervoer (HOV)-verbinding in de Binckhorst in Den Haag, waarvan de realisatie is uitgesteld. De politie-eenheid Den Haag is intensief in contact met de gemeente Den Haag om te zoeken naar alternatieve mogelijkheden.
Hoe rijmt u deze gang van zaken met uw verantwoordelijkheid als werkgever om ervoor te zorgen dat politiemedewerkers op een veilige, haalbare en redelijke wijze hun werkplek kunnen bereiken?
De korpschef en ik vinden het van groot belang dat politiemedewerkers op een veilige, haalbare en redelijke wijze hun werkplek kunnen bereiken. In het vaststellen van de parkeerbehoefte is gebruik gemaakt van gegevens over woon-werkafstanden, operationele noodzaak, dienstroosters en het gebruik van openbaar vervoer.
Deelt u de opvatting dat het onacceptabel is dat medewerkers die soms al anderhalf uur enkele reis moeten afleggen, vervolgens worden geconfronteerd met extra reistijd door het ontbreken van fatsoenlijke parkeervoorzieningen of goed openbaar vervoer?
De korpschef en ik beseffen dat deze situatie voor veel politiemedewerkers een verandering betekent. De politie blijft bezien met welke praktische maatregelen het nieuwe eenheidsbureau bereikbaar is en blijft. Over het woon-werkverkeer van politiemedewerkers zijn in verschillende arbeidsvoorwaardenakkoorden van de sector politie afspraken gemaakt.
Klopt het dat eerder werd uitgegaan van een Park & Ride-oplossing, maar dat deze voorziening uiteindelijk niet beschikbaar blijkt te zijn? Zo ja, wanneer is dit duidelijk geworden en waarom zijn medewerkers hierover niet tijdig en transparant geïnformeerd?
Nee, een Park+Ride-voorziening maakte geen deel uit van de oorspronkelijke uitgangspunten van de planvorming.
Hoe kan het dat een nieuw politiegebouw voor duizenden medewerkers van de politie-eenheid Den Haag in gebruik wordt genomen zonder dat de bereikbaarheid en parkeercapaciteit vooraf afdoende zijn geregeld?
Zie het antwoord op vraag 2.
Bent u het ermee eens dat dit getuigt van slecht werkgeverschap en dat hiermee het signaal wordt afgegeven dat de belangen van politiemedewerkers ondergeschikt zijn gemaakt aan vastgoed- en huisvestingsplannen?
Zoals ik in mijn antwoord op vraag 3 aangaf, vind ik het van groot belang dat politiemedewerkers op een veilige, haalbare en redelijke wijze hun werkplek kunnen bereiken. De politie blijft bezien met welke praktische maatregelen het nieuwe eenheidsbureau bereikbaar is en blijft.
Hoe beoordeelt u het feit dat medewerkers aangeven dat kritiek op deze situatie nauwelijks serieus wordt genomen en dat reactiemogelijkheden op interne communicatie over het parkeerbeleid zijn uitgeschakeld?
De signalen dat politiemedewerkers zich zorgen maken worden door de politie uiterst serieus genomen. Naar aanleiding van de signalen heeft de politie een aanvullende analyse uitgevoerd naar de parkeerbehoefte en zijn verschillende oplossingsrichtingen onderzocht. De medezeggenschap is in het gehele traject betrokken bij het verkennen van alle opties en heeft er ook aan bijgedragen dat er nog extra parkeerplekken gerealiseerd zijn.
In de interne communicatie wordt het uitgangspunt gehanteerd dat het goede gesprek over arbeidsomstandigheden, bereikbaarheid en mobiliteit tussen medewerker en leidinggevende moet plaatsvinden.
Welke aanvullende kosten en extra reistijd verwacht u dat individuele politiemedewerkers jaarlijks moeten maken als gevolg van het huidige parkeer- en bereikbaarheidsbeleid?
Die vraag kan ik niet eensluidend beantwoorden. De gevolgen verschillen per medewerker en zijn onder meer afhankelijk van woonlocatie en dienstrooster. Voor woon-werkverkeer zijn in verschillende arbeidsvoorwaardenakkoorden van de sector politie afspraken gemaakt over vergoedingen en tegemoetkomingen bij woon-werkverkeer.
Bent u bereid op zeer korte termijn te zorgen voor voldoende parkeercapaciteit, een volwaardige Park & Ride-voorziening of andere structurele oplossingen, zodat medewerkers niet worden opgezadeld met disproportionele reistijd en onveilige situaties?
De politie blijft bezien met welke praktische maatregelen het nieuwe eenheidsbureau bereikbaar is en blijft.
Kunt u deze vragen afzonderlijk beantwoorden en daarbij aangeven welke concrete maatregelen u op korte termijn zult treffen om de bereikbaarheid van de nieuwe locatie van de politie-eenheid Den Haag op orde te brengen?
Ja.
Het rapport van Amnesty International over etnische zuivering op de Westelijke Jordaanoever |
|
Kati Piri (GroenLinks-PvdA) |
|
Berendsen |
|
|
|
|
Erkent u dat Israël etnische zuivering, door u gedefinieerd als «het met geweld of dwang overbrengen of verwijderen van de burgerbevolking», pleegt op de Westelijke Jordaanoever? Zo nee, waarom niet?
Etnische zuivering als zodanig heeft geen eenduidige juridische definitie. Dit geldt wel voor de handelingen die onder deze omschrijving kunnen vallen, waaronder bijvoorbeeld gedwongen verplaatsing. Het Internationaal Gerechtshof (IGH) stelde reeds in zijn advies van 19 juli 2024 dat het beleid van Israël ten aanzien van de Palestijnse Gebieden, waaronder gedwongen uithuiszettingen, grootschalige sloop van huizen en beperkingen in bewegingsvrijheid, de lokale bevolking geen andere keus laat dan te vertrekken. Daarmee druist dat beleid in tegen het verbod op gedwongen verplaatsing zoals vastgelegd in het humanitair oorlogsrecht. Nederland respecteert deze conclusie van het IGH.
Erkent u dat het kolonistengeweld en het faciliteren daarvan onderdeel zijn van het Israëlische staatsbeleid? Zo nee, waarom niet?
Het kabinet beschikt niet over eigenstandige informatie die nodig zou zijn om met zekerheid vast te stellen dat het kolonistengeweld onderdeel is van het Israëlische staatsbeleid.
Erkent u dat Israël de oorlogsmisdaad van onwettige overbrenging begaat? Zo nee, waarom niet?
Naast de vaststelling genoemd in het antwoord op vraag 1 concludeert het IGH in zijn advies van 19 juli 2024 dat Israëlisch beleid en maatregelen indruisen tegen het verbod op gedwongen overbrenging van delen van de eigen burgerbevolking naar het bezette gebied zoals vastgelegd in het humanitair oorlogsrecht. Dit beleid omvat alle maatregelen die door Israël worden genomen om overbrenging van de delen van de eigen bevolking naar het bezette gebied te organiseren of aan te moedigen, waaronder het bieden van (economische) prikkels voor de vestiging van Israëlische personen en bedrijven op de Westelijke Jordaanoever.
Erkent u dat Israël de misdaad tegen de menselijkheid van gedwongen verplaatsing of deportatie begaat? Zo nee, waarom niet?
Zie het antwoord op vraag 1.
Bent u voorstander van het uitbreiden van persoonsgerichte sancties tegen Benjamin Netanyahu, Israel Katz en Orit Stock vanwege hun nauwe betrokkenheid bij de etnische zuivering van Palestijnen op de Westelijke Jordaanoever? Zo nee, waarom niet?
Het kabinet zet zich actief in voor aanvullende maatregelen tegen gewelddadige kolonisten en hun organisaties. Nederland is daarnaast voorstander van het Europees sanctioneren van Israëlische veiligheidsminister Ben-Gvir en Israëlische Minister van Defensie Smotrich. Vooralsnog is voor het sanctioneren van deze personen onvoldoende draagvlak binnen de EU, waarmee dat ook zal gelden voor aanvullende persoonsgerichte sancties tegen Israëlische bewindspersonen.
Bent u voorstander van een verbod op handel, diensten, investeringen en andere vormen van samenwerking die bijdragen aan de onrechtmatige bezetting, de apartheid en de etnische zuivering van Palestijnen? Zo nee, waarom niet?
Op 22 september 2026 worden de nationale maatregelen van kracht die ervoor zorgen dat goederen afkomstig uit de onrechtmatige nederzettingen in de door Israël bezette gebieden worden geweerd van de Nederlandse markt.1 Het kabinet verwacht uw Kamer op korte termijn te kunnen informeren over de verkenning ten aanzien van diensten en investeringen.
Bent u voorstander van een verbod op de export van militaire goederen naar Israël die gebruikt kunnen worden ten behoeve van de mensenrechtenschendingen? Zo ja, worden de goederen uitgevoerd onder vergunningen NL0074CDIU0192355 (Delen, gereedschappen en technologie voor F-16 gevechtsvliegtuigen), NL0074CDIU0193354 (Zichtsysteem voor een voertuig), NL0074CDIU0189830 (Delen en technologie voor onderzeeboten) en NL0074CDIU0193376 (Elektronica voor helmen voor gebruik in militaire vliegtuigen) niet gebruikt in de bezette gebieden? Zo nee, waarom niet?
Het kabinet toetst alle individuele vergunningaanvragen voor de uit- en doorvoer van militaire en dual-use goederen per geval zorgvuldig aan de relevante Europese exportcontrolekaders. Daar waar duidelijke risico’s bestaan dat militaire goederen of dual-use goederen kunnen worden gebruikt voor ernstige schendingen van mensenrechten of het humanitair oorlogsrecht wordt een vergunningaanvraag afgewezen.
In de praktijk betekent dit dat het kabinet alleen vergunningen toewijst voor de uitvoer van militaire goederen die enkel defensief kunnen worden ingezet, zoals onderdelen voor het Iron Dome-luchtafweersysteem, en voor uitvoer van goederen ten behoeve van productie of onderhoud waarbij het eindgebruik niet in Israël ligt. Dat geldt eveneens voor de genoemde vergunningen.
Bent u voorstander van het opschorten van visumvrij reizen voor kolonisten? Zo nee, waarom niet?
Israëliërs reizen visumvrij naar de EU, dat gaat op basis van nationaliteit.
Zijn Nederlandse diplomaten sinds uw aantreden op bezoek gegaan bij Palestijnse gemeenschappen die getroffen worden door kolonistengeweld en onwettige overbrenging en/of gedwongen verplaatsing of deportatie door de Israëlische autoriteiten? Zo nee, waarom niet? Bent u voornemens om hen daartoe te instrueren? Zo nee, waarom niet?
Ja, de Nederlandse vertegenwoordiging in Ramallah brengt geregeld bezoeken aan gemeenschappen op de Westelijke Jordaanoever die onder druk staan door nederzettinguitbreidingen en die geraakt worden door kolonistengeweld. Nederland steunt sinds 2023 het West Bank Protection Consortium, een samenwerkingsverband van maatschappelijke organisaties dat is opgericht om de gedwongen verplaatsing van Palestijnen op de Westelijke Jordaanoever te voorkomen. Het consortium biedt deze gemeenschappen materiële en juridische bijstand.
De economische activiteiten van Spar in Rusland |
|
Kati Piri (GroenLinks-PvdA) |
|
Berendsen |
|
|
|
|
Bent u bekend met het artikel «In Rusland opent de ene na de andere Spar zijn deuren: hoe kan dat?» in het Algemeen Dagblad d.d. 10 juli 2026?1
Ja.
Is het voor Nederlandse supermarkten juridisch toegestaan om in Rusland direct, dan wel via licenties economisch actief te zijn?
Het kabinet doet geen uitspraken over individuele gevallen. In zijn algemeenheid kan gesteld worden dat economische activiteiten van Nederlandse bedrijven in Rusland niet verboden zijn. Wel moeten zij volledig voldoen aan de geldende EU-sancties en andere toepasselijke wet- en regelgeving. Er gelden omvangrijke sancties tegen Rusland. Binnen de kaders van de sanctiemaatregelen is het ontplooien van economische activiteiten in Rusland juridisch toegestaan.
Vindt u het moreel laakbaar als Nederlandse supermarkten in Rusland actief zijn? Zo nee, waarom niet?
Naast de bestaande sanctiemaatregelen hanteert het kabinet een actief ontmoedigingsbeleid voor Nederlandse bedrijven die actief zijn op de Russische markt of dat overwegen, vanwege de voortdurende Russische agressieoorlog in Oekraïne. Het ontplooien van economische activiteiten kan de inkomsten van de Russische regering vergroten en die kunnen worden ingezet om de oorlog tegen Oekraïne te financieren. Daarnaast brengt zakendoen in Rusland aanzienlijke risico’s met zich mee, zoals het aanwenden van de onteigende activa van Europese bedrijven voor de oorlogsvoering en risico op sanctieovertreding. In het geval van onteigening kan de Nederlandse overheid niets voor de betrokken Nederlandse bedrijven doen.
Bent u bereid zich in te spannen voor een expliciet verbod voor Nederlandse supermarkten om in Rusland direct, dan wel via licenties economisch actief te zijn? Zo ja, welke stappen onderneemt u daartoe? Zo nee, waarom niet?
Het kabinet spant zich voortdurend in voor het verzwaren van de EU sancties op Rusland. Voor aanvullende sancties is altijd EU-unanimiteit noodzakelijk. Daarbij ligt de prioriteit van het kabinet bij maatregelen met een directe impact op het Russische militair-industrieel complex en het Russische verdienvermogen op mondiale grondstoffen- en energiemarkten. Tot op heden zijn minder sancties aangenomen die de Russische voedselsector raken, mede vanwege het belang dat een groot aantal lidstaten – waaronder Nederland – hecht aan het beperken van de impact van sancties op de mondiale voedselzekerheid. Tegelijkertijd liggen wat het kabinet betreft in principe alle opties op tafel.
Bent u het eens met sanctierechtadvocaat Yvo Amar, die stelt dat overeenkomsten altijd kunnen worden beëindigd, al kost het «soms alleen wel veel geld en moeite»? Bent u het eens met de observatie in het artikel dat «een vermoeden van mogelijke schending van de sancties tegen Rusland» al een legitieme onderbouwing kan zijn? Zo nee, waarom niet?
Van ondernemingen mag worden verwacht dat zij passende maatregelen treffen om naleving van de sanctieregelgeving te waarborgen en waar nodig risico's op overtredingen zorgvuldig te beoordelen. Of in een concreet geval een vermoeden van een mogelijke schending van sanctieregelgeving een toereikende grond vormt voor het beëindigen van de contractuele relatie is afhankelijk van diverse factoren: de feiten en omstandigheden van het geval, de toepasselijke contractuele afspraken en het geldende recht. Over contractuele afspraken tussen commerciële partijen kunnen door het kabinet geen uitspraken worden gedaan.
Bent u het eens met sanctierechtadvocaat Heleen over de Linden, die stelt dat Europese bedrijven tegenwoordig steeds beter beschermd zijn tegen claims uit Rusland, waardoor het «voor Russische bedrijven inmiddels «nagenoeg onmogelijk» is om succesvol juridisch verhaal te halen»? Zo nee, waarom niet? Bent u in dat geval bereid zich in te spannen voor nog betere bescherming van Europese bedrijven tegen schadeclaims naar aanleiding van contractbreuk wegens (vermoedens van) sanctieovertredingen?
De EU heeft de afgelopen jaren verschillende maatregelen genomen om Europese bedrijven meer rechtszekerheid te bieden bij de naleving van sancties. Zo bevat de EU-sanctieregelgeving onder meer bepalingen die beogen te voorkomen dat claims worden toegewezen voor schade die voortvloeit uit de naleving van EU-sancties. Tegelijkertijd geldt in algemene zin dat de juridische positie van ondernemingen afhankelijk is van de feiten en omstandigheden van het individuele geval, waaronder de inhoud van contracten, het toepasselijke recht en de relevante nationale en internationale regelgeving. Het is aan ondernemingen om, zo nodig met juridisch advies, hun eigen positie te beoordelen.
Klopt het dat u van plan bent scherfvesten van Chinees-Israëlische makelij te kopen? Zo ja, kunt u schetsen hoe u tot deze keuze bent gekomen en hoeveel geld hiermee gemoeid is?
Deelt u de opvatting dat de Nederlandse krijgsmacht in een tijd van toenemende geopolitieke spanningen zo min mogelijk afhankelijk moet zijn van landen waarmee Nederland strategische belangenconflicten kan hebben? Zo nee, waarom niet?
Hoe verhoudt de keuze voor scherfwerende platen met Chinese componenten zich tot de ambitie van het kabinet om strategische afhankelijkheden in vitale sectoren, waaronder defensie, terug te dringen?
Waarom is in deze aanbesteding of contractuele afspraak niet uitgesloten dat onderdelen of grondstoffen afkomstig zijn uit China, gezien de toenemende aandacht voor economische veiligheid en strategische afhankelijkheden? Kan de Minister aangeven welke risicoanalyse is gemaakt ten aanzien van de afhankelijkheid van Chinese grondstoffen en productieketens voor deze essentiële beschermingsmiddelen?
Kan de Minister toelichten in hoeverre bij de inkoop van defensiematerieel niet alleen wordt gekeken naar het eindproduct, maar ook naar de herkomst van kritieke halffabricaten en grondstoffen binnen de toeleveringsketen? Welke maatregelen neemt de Minister om te voorkomen dat strategische afhankelijkheden van landen als China via de achterdeur in NAVO-toeleveringsketens terechtkomen?
Hoe wordt er in het algemeen toezicht gehouden op afhankelijkheden binnen de toeleveringsketens van landen als China bij de inkoop van defensiematerieel? Heeft de Minister overzicht van de afhankelijkheden in de toeleveringsketens van Defensiematerieel? Zo nee, is de Minister voornemens dit overzicht te maken, zodat ook een afbouwpad kan worden gedefinieerd?
Is de Minister bereid om bij toekomstige defensieaankopen een expliciete toets uit te voeren op strategische afhankelijkheden, waaronder de herkomst van kritieke grondstoffen en onderdelen? Zo nee, waarom niet?
Welke Nederlandse en Europese alternatieven voor deze scherfvesten zijn onderzocht voordat Defensie besloot gebruik te maken van deze leverancier? En waarom is er uiteindelijk niet gekozen voor een leverancier uit Nederland of Europa, terwijl volgens de Nederlandse Industrie voor Defensie en Veiligheid (NIDV) Nederlandse bedrijven beschikken over vergelijkbare capaciteiten?
Kan de Minister aangeven welke criteria bij deze aanschaf de doorslag hebben gegeven? In welke mate waren daarbij prijs, leveringszekerheid, strategische autonomie, Europese samenwerking en de positie van de Nederlandse defensie-industrie meegewogen? Deelt de Minister de mening dat bij defensieaankopen niet uitsluitend naar de aanschafprijs moet worden gekeken, maar ook naar de bredere economische en strategische effecten, zoals behoud van kennis, productiecapaciteit en werkgelegenheid in Nederland en Europa?
Hoe beoordeelt de Minister de kritiek van de NIDV dat het kabinet enerzijds inzet op meer productie in Nederland en Europa, maar anderzijds bij eigen inkoop onvoldoende rekening houdt met de positie van de Nederlandse defensie-industrie?
Erkent de Minister dat strategische autonomie niet alleen gaat over militaire capaciteit, maar ook over het beschikken over eigen industriële en technologische kennis? En erkent zij dat aankopen als aangehaald in deze set vragen niet in lijn zijn met de ambities uit de Defensienota 2026 en de Defensie Strategie voor Industrie en Innovatie?
Kan de Minister aangeven welk aandeel van de Nederlandse defensie-uitgaven momenteel terechtkomt bij Nederlandse en Europese bedrijven en welk aandeel bij leveranciers van buiten de Europese Unie?
Hoe voorkomt de Minister dat Nederland door afzonderlijke nationale aankopen juist de Europese defensiesamenwerking en de ontwikkeling van een sterke Europese defensie-industrie belemmert?
Is de Minister bereid deze specifieke aanschaf opnieuw te beoordelen vanuit het uitgangspunt van strategische autonomie en Europese samenwerking? Zo nee, waarom niet?
Is er bij deze aankoop rekening gehouden met het feit dat scherfvesten goed moeten aansluiten op het vrouwenlichaam? Zo nee, ziet de Minister ook de kans om met regionale samenwerking meer maatwerk toe te passen?
Overwegende dat Defensie gaat werken met Chinese 3D-printers, kan de Minister toelichten welke cybersecurity- en contra-inlichtingenrisico’s zijn onderzocht voordat is besloten om 3D-printers van een Chinese fabrikant in gebruik te nemen voor het produceren van onderdelen voor de Nederlandse krijgsmacht?
Hoe waarborgt de Minister dat digitale ontwerpen, technische tekeningen en andere gevoelige informatie over defensiematerieel niet toegankelijk kunnen worden voor buitenlandse partijen, waaronder partijen die onder invloed van de Chinese overheid kunnen staan?
Zijn er Europese alternatieven overwogen? Zo ja, welke en waarom zijn deze afgevallen? Zo nee, waarom niet?
Deelt de Minister de opvatting dat strategische technologieën zoals industriële 3D-printcapaciteiten voor defensietoepassingen onderdeel zouden moeten zijn van een Nederlandse of Europese technologische basis? Zo ja, welke stappen zet het kabinet om de ontwikkeling en inzet van Europese alternatieven te stimuleren?
Overwegende dat de Verenigde Staten het gebruik van 3D-printers van strategische concurrenten zoals China voor militaire toepassingen aan banden hebben gelegd vanwege mogelijke veiligheidsrisico’s, kan de Minister toelichten waarom Nederland tot een andere risico-inschatting komt en welke afwegingen maken dat deze technologie hier wel wordt toegelaten binnen de krijgsmacht?
Het Limburgse spoor |
|
Habtamu de Hoop (GroenLinks-PvdA) |
|
Bertram |
|
|
|
|
Kent u het bericht «Eerste Limburgse spooroverleg is een succes: Infrabel wil kostenraming maken voor heropening spoorlijn 20»?1
Hier heb ik kennis van genomen.
Klopt het dat de spoorbrug, de Sint Servaasbrug en de Wilhelminabrug gezamenlijk bepalend zijn voor zowel de hydraulische doorstroming als bevaarbaarheid van de Maas? En wordt onderzocht welke aanpassingen aan deze drie bruggen noodzakelijk kunnen zijn om de doelstellingen op het gebied van hoogwaterveiligheid en scheepvaart te realiseren?
De Maas heeft de afgelopen decennia op veel plekken meer ruimte gekregen door een combinatie van delfstoffenwinning en hoogwaterbescherming. In Maastricht zelf zijn daarbij geen maatregelen genomen, waardoor de breedte van het rivierbed hier significant kleiner is dan boven- en benedenstroom van de stad. De Sint Servaasbrug, Wilhelminabrug en Spoorbrug Maastricht liggen op het smalste deel van de rivier, waarbij de pijlers van de bruggen voor extra opstuwing zorgen. De pijlers van de Spoorbrug Maastricht zorgen bijvoorbeeld al voor een opstuwend effect van vijf centimeter.
Doordat de Maas in Maastricht relatief smal is ten opzichte van de delen ten noorden en zuiden van de stad nemen bij hogere rivierafvoeren de stroomsnelheden snel toe. Deze hoge stroomsnelheden hebben onder andere een negatief effect op de bevaarbaarheid van dit traject. Schepen hebben dan meer ruimte nodig, waardoor het passeren van andere schepen lastiger wordt. Daarnaast wordt het passeren van de bruggen risicovoller door de beperkte breedte. Specifiek bij de Spoorbrug Maastricht speelt de afwijkende oriëntatie van de beweegbare opening aan de westoever, terwijl de doorgaande vaarroute tussen Julianakanaal en Sint Servaasbrug zich langs de oostoever bevindt. De sloop van de Spoorbrug Maastricht leidt tot een aanzienlijke verbetering van de nautische veiligheid.
In het project Zuidelijk Maasdal wordt onderzocht hoe de waterstanden in het centrum van Maastricht kunnen worden verlaagd met het oog op hoogwaterveiligheid. Daarnaast onderzoekt het project welke maatregelen nodig zijn om de bevaarbaarheid bij hogere afvoeren te verbeteren.
Wat is de reden dat de besluitvorming over de spoorbrug vooruitlopend op de uitkomsten van deze integrale studie afzonderlijk behandeld wordt?
Het proces voor onttrekking van de spoorlijn en sloop van de Spoorbrug Maastricht liep reeds voor de start van het project Zuidelijk Maasdal. Beide trajecten samenvoegen zou tot vertraging van het proces rondom de besluitvorming van de Spoorbrug Maastricht leiden. Dat is onwenselijk omdat de onderhoudskosten voor de Spoorbrug Maastricht dan langer door zouden lopen waardoor ook de verkenning in omvang zou toenemen. Daarnaast zou het nautisch en waterveiligheidsknelpunt blijven bestaan. Het voorkeursalternatief van de studie Toekomstbeeld Spoorbrug Maastricht betreft de sloop van de Spoorbrug Maastricht in combinatie met de realisatie en een langzaamverkeersverbinding. Dit is als uitgangspunt gehanteerd voor het project Zuidelijk Maasdal.
Welke alternatieven zijn onderzocht waarbij waterveiligheid, scheepvaart, de langzaamverkeersverbinding en een toekomstige spoorverbinding Maastricht-Hasselt in één integraal ontwerp worden meegenomen?
In het Toekomstbeeld Spoorbrug Maastricht zijn integrale alternatieven onderzocht voor waterveiligheid, scheepvaart, een langzaamverkeersverbinding en de monumentale waarde van de Spoorbrug Maastricht. Een integraal ontwerp met een toekomstige spoorverbinding Maastricht-Hasselt is niet onderzocht vanwege het ontbreken van concrete initiatieven of een realistisch perspectief.
Klopt het dat de huidige spoorbrug nautische beperkingen kent, onder meer vanwege de ligging van de oostelijke pijler, de positie van het hefdeel en de beperkte doorvaartbreedte?
Dat klopt. De oostelijke pijler van de Spoorbrug Maastricht staat schuin op de huidige stroomrichting in de rivier. Dit geeft een atypische stroming rondom de pijler en daarnaast is het daardoor lastiger de breedte van de doorvaartopening onder de brug in te schatten. Het hefdeel bevindt zich aan de westelijke oever, terwijl de doorvaartopening van de Wilhelminabrug en de invaart van het Julianakanaal zich aan de oostoever bevinden. Dit betekent dat schepen moeten slingeren over de Maas, hetgeen vooral bij hogere afvoeren tot risico’s leidt. Door de afnemende doorvaarthoogte moeten meer schepen dan door het hefdeel varen. Bovendien hebben schepen door de hoge stroomsnelheden meer moeite om de manoeuvre te maken. Ook kunnen er geen schepen tegemoetkomen terwijl andere schepen oversteken of onder het hefdeel varen.
Daarnaast vormt de Spoorbrug Maastricht een obstakel voor schepen die vanuit sluis Bosscherveld naar het Julianakanaal varen en vice versa. Om te voorkomen dat deze bij de splitsing op de landtong worden gedrukt door de stroming, moeten zij een stuk stroomopwaarts varen en dan draaien. Daarvoor is alleen tussen de Spoorbrug Maastricht en de Wilhelminabrug voldoende ruimte. Deze schepen moeten daarom twee keer de Spoorbrug Maastricht passeren.
Worden in de studie Zuidelijk Maasdal ook varianten onderzocht met behoud van de spoorbrug, met een verhoogde spoorbrug of met een nieuwe spoorbrug zonder pijlers in de hoofdvaarroute? Zo nee, waarom niet?
Het project Zuidelijk Maasdal hanteert het uitgangspunt dat de Spoorbrug Maastricht wordt gesloopt. Zowel in het bepalen van de nautische opgave als in de uitwerking van de oplossingen wordt daarom een situatie zonder Spoorbrug Maastricht beschouwd.
Voorafgaand aan het project Zuidelijk Maasdal is in 2017 door Rijkswaterstaat een onderzoek uitgevoerd naar de nautische veiligheid in Maastricht. Hierin zijn wel eventuele aanpassingen aan de Spoorbrug Maastricht bekeken, namelijk het verhogen van de brug door deze vast te verhogen of beweegbaar te maken. Het vast verhogen van de brug bleek toen niet haalbaar omdat de aansluitingen van het spoor dan ook verhoogd en verlengd moeten worden. Dit was niet in te passen met het stationsemplacement aan de oostzijde omdat de aansluitingen dan te steil zouden worden. Ook het beweegbaar maken van de brug is als technisch zeer ingewikkeld en kostbaar aangemerkt en daarom niet nader uitgezocht.
Klopt het dat de spoorverbinding Maastricht-Luik momenteel door Arriva wordt geëxploiteerd, terwijl de concessieverantwoordelijkheid nog onder het hoofdrailnet valt? Wat is de stand van zaken en planning van de voorgenomen decentralisatie en welke gevolgen heeft dit voor de geplande frequentieverhoging van de Drielandentrein? Is dit nog te realiseren in deze kabinetsperiode?
De Drielandentrein wordt in samenwerking tussen NS, Arriva en NMBS geëxploiteerd. Enkel het Nederlandse deel van de verbinding tussen Maastricht en Luik valt onder de Hoofdrailnetconcessie. In de Hoofdrailnetconcessie zijn bepalingen opgenomen met betrekking tot de decentralisatie. Tijdens het BO MIRT van januari 2026 hebben IenW en de provincie Limburg afgesproken dat decentralisatie plaatsvindt vanaf 2028 of als dit redelijkerwijs niet mogelijk blijkt vanaf de volgende regionale concessieperiode (vanaf eind 2031). Hier zijn het ministerie en de provincie dus over in gesprek. De geambieerde frequentieverhoging vereist aan de Nederlandse zijde van de grens veiligheidsverbeteringen aan overwegen bij Eijsden.
Klopt het dat in de Bestuurlijke Overleggen Meerjarenprogramma Infrastructuur, Ruimte en Transport (MIRT) afspraken zijn gemaakt over de sanering van de spoorwegovergang tussen Maastricht en Eijsden, terwijl nog geen definitieve afspraken zijn gemaakt over de uitvoering van de frequentieverhoging Maastricht-Luik?
Dat klopt.
Op welke wijze hangen de voorgenomen frequentieverhoging Maastricht-Luik, de sloop van de spoorbrug en de aanleg van de langzaamverkeersbrug bestuurlijk, juridisch en financieel met elkaar samen? Klopt het dat er in de bestuurlijke afspraken geen koppeling is gelegd tussen de sloop van de spoorbrug en het realiseren van de frequentieverhoging van de Drielandentrein Maastricht – Luik en dat deze frequentieverhoging dus ook kan doorgaan als de brug niet wordt gesloopt?
Op het BO MIRT van eind 2025 en begin 2026 hebben IenW en provincie Limburg afgesproken om de AROV-middelen2 te herbestemmen aan een viertal projecten. Dit is een integrale aanpak, waarmee wij afspreken dat al deze projecten worden uitgevoerd. Hieronder vallen onder andere de sloop van de Spoorbrug Maastricht en het verbeteren van overwegen tussen Maastricht en Eijsden ten behoeve van een frequentieverhoging van de Drielandentrein tussen Maastricht en Luik.
Klopt het dat de rijksbijdrage voor de langzaamverkeersbrug afhankelijk is gemaakt van het tijdig verkrijgen van een vergunning voor de sloop van de spoorbrug? Zo ja, wat is de inhoudelijke onderbouwing van deze afhankelijkheid? Zijn tevens alternatieven onderzocht waarbij de aanleg van de langzaamverkeersbrug niet afhankelijk is van een besluit over de spoorbrug?
Rijkswaterstaat stelt vanuit scheepvaartveiligheid eisen aan de minimale afstand tussen bruggen over de vaarweg. Een nieuwe langzaamverkeersbrug en Spoorbrug Maastricht zouden te dicht op elkaar komen te liggen. De realisatie van een nieuwe langzaamverkeersbrug is daarom enkel mogelijk als de Spoorbrug Maastricht gesloopt is.
Welke financiële risico's dragen het Rijk, de provincie Limburg en de gemeente Maastricht ieder afzonderlijk indien de huidige planning rond de spoorbrug wordt gewijzigd en/of indien de kosten voor de sloop van de spoorbrug, de aanpassingen van de overwegveiligheid tussen Maastricht en Eijsden of de realisatie van de langzaamverkeersbrug hoger uitvallen dan de genoemde bedragen in de afsprakenlijst Bestuurlijke Overleggen MIRT 6 en 7 november 2024?
IenW en de provincie Limburg leggen de financiële afspraken vast in een nader af te spreken bestuursovereenkomst.
Welke betekenis kent u toe aan de toezegging van Infrabel om een kostenraming te maken voor de heropening van spoorlijn 20? Bent u bereid dit onderzoek te ondersteunen met kennis van ProRail? Zo nee, waarom niet?
Het traject Maastricht – Lanaken is in 2009 door ProRail gereactiveerd voor goederenvervoer. Helaas heeft er sinds de reactivering slechts één trein gereden. Het traject heeft een lage maximale snelheid en is niet voorzien van bovenleiding. Exploitatie voor reizigersvervoer zal grote investeringen vragen van meerdere tientallen miljoenen. Deze investering weegt niet op tegen de baten. Mede op basis van de beoordeling van ProRail concludeer ik dat heropening van het traject Maastricht – Lanaken niet realistisch is.
Welke rol ziet het kabinet voor de spoorverbinding Maastricht-Hasselt binnen het grensoverschrijdende mobiliteitsbeleid en de bereikbaarheid van de Euregio Maas-Rijn nu een tramverbinding niet doorgaat en een busverbinding nooit een acceptabele reistijd kan behalen?
IenW ziet geen rol voor spoorvervoer in de grensoverschrijdende mobiliteit tussen de regio Maastricht en de regio Hasselt. Binnen de regio werken de Nederlandse en Belgische partners samen via de huidige OV-verbindingen om reizigers een alternatief te bieden voor spoorvervoer. Dit geschiedt per bus. De Vlaamse vervoersmaatschappij De Lijn rijdt in diverse lijnvoeringen vanuit Vlaanderen naar Maastricht.
Welke gesprekken voert het kabinet met de Belgische federale overheid, Infrabel en de betrokken Belgische regio’s over de toekomst van de spoorverbinding Maastricht-Hasselt? Bent u bereid gezamenlijk met de Federale en Vlaamse overheid te komen met een visie op het toekomstige openbaar vervoer systeem in de grensregio waarin de spoorlijn Hasselt-Maastricht een centrale rol speelt?
IenW en de Belgische federale overheid hebben middels de gezamenlijke verklaring spoordossiers februari jl. ambities uitgesproken omtrent verbindingen tussen Nederland en België. Hier blijven we over in gesprek. Het staat regionale overheden daarnaast vrij om gezamenlijk een visie op te stellen naar het toekomstig openbaar vervoerssysteem in de grensregio Hasselt-Maastricht.
Bent u bekend met de ambitie van vervoerder Arriva om het grensoverschrijdende spoorvervoer verder uit te breiden, waaronder een mogelijke spoorverbinding Maastricht-Hasselt? Heeft u hierover overleg gehad met Arriva en andere betrokken partijen en wat waren daarvan de conclusies?
Ja, ik ben bekend met de ambitie van vervoerder Arriva. Het ministerie heeft, naar aanleiding van de reactie van Arriva op de internetconsultatie die in oktober-november 2025 open stond, een gesprek gevoerd met Arriva. In een later gesprek in 2026 heeft Arriva hun toekomstvisie en een rapport van een ingenieursbureau toegelicht. In de rapportage zien adviseurs van een adviesbureau het exploiteren van een treinverbinding als «zeer ambitieus». Grote aanpassingen aan de infrastructuur zijn benodigd in zowel Nederland als België.
Heeft het kabinet onderzocht welke gevolgen het definitief verwijderen van de bestaande spoorbrug heeft voor de mogelijkheid om op termijn een rechtstreekse spoorverbinding Maastricht-Hasselt te realiseren? Zo ja, wat zijn deze conclusies? Zo nee, waarom niet?
Het traject Maastricht – Lanaken is in 2009 door ProRail gereactiveerd voor goederenvervoer. Helaas heeft er, zoals eerder toegelicht, sinds de reactivering slechts één trein gereden. In 2020 is het spoor aan Nederlandse zijde buiten gebruik gesteld. In 2020 is door de Belgische Minister middels een ministeriële toelating toestemming gegeven aan Infrabel om de spoorlijn aan Belgische zijde van de grens niet meer te onderhouden. De Spoorbrug Maastricht in huidige vorm en staat voldoet niet aan de vereisten voor een rechtstreekse spoorverbinding Maastricht-Hasselt. Zoals aangegeven in de beantwoording op vraag 6, heeft Rijkswaterstaat meerdere scenario’s onderzocht. Eventuele her-ingebruikname van de Spoorbrug Maastricht vraagt dat de constructie wordt verhoogd ten behoeve van de scheepvaart, wat feitelijk nieuwbouw betekent. Dit is zeer lastig in te passen in de omgeving en kostbaar. Zoals aangegeven in de beantwoording op vraag 14, hebben IenW en de Belgische federale overheid ambities uitgesproken omtrent verbindingen tussen Nederland en België. Hier blijven we over in gesprek. Het staat regionale overheden daarnaast vrij om gezamenlijk een visie op te stellen over het toekomstig openbaar vervoerssysteem in de grensregio Hasselt-Maastricht.
Bent u bekend met het belang dat Nederland, België en Duitsland hechten aan een goede grensoverschrijdende bereikbaarheid van de Euregio Maas-Rijn in het kader van de kandidatuur voor de Einstein Telescope? Op welke wijze worden de verbetering van de internationale spoorverbindingen, waaronder Maastricht-Luik, Maastricht-Aken en een mogelijke heropening van Maastricht-Hasselt, betrokken bij de verdere uitwerking van de Nederlandse bijdrage aan het bidboek?
De Euregio Maas-Rijn onderscheidt zich in Europees perspectief en van andere kandidaat-regio's voor de vestiging van de Einstein Telescope onder meer door het sterke internationale leef- en vestigingsklimaat. Dat maakt de Euregio aantrekkelijk voor onderzoekers en innovatieve bedrijven die willen samenwerken bij de technologieontwikkeling en de exploitatie van de Einstein Telescope. Goede grensoverschrijdende verbindingen en verdere verbeteringen van die verbindingen zijn dus van groot belang voor die grensoverschrijdende samenwerking en daarmee voor de kansen voor de Euregio als vestigingslocatie. Dit is dus een belangrijk onderdeel van de Nederlandse bijdrage aan het Bidbook van de Euregio Maas-Rijn voor de Einstein Telescope. IenW ziet geen rol voor spoorvervoer in de grensoverschrijdende mobiliteit tussen de regio Maastricht en de regio Hasselt.
Deelt u de opvatting dat onomkeerbare infrastructurele besluiten die de toekomstige internationale spoorbereikbaarheid van de Euregio Maas-Rijn kunnen beperken, zorgvuldig moeten worden afgewogen? Bent u daarom bereid de besluitvorming over de toekomstige spoorfunctie van de Maasovergang expliciet te betrekken bij de bredere visie op de internationale bereikbaarheid en de economische ontwikkeling van de Euregio Maas-Rijn, mede gelet op de recente bestuurlijke afspraken in België om de mogelijkheden voor heropening van spoorlijn 20 verder te onderzoeken?
Ik ben van mening dat onomkeerbare infrastructurele besluiten zorgvuldig moeten worden afgewogen. Om die reden hebben mijn voorganger en ik afgelopen periode een intensief traject doorlopen, waar mijn voorganger middels een internetconsultatie betrokkenen gevraagd heeft hun mening te delen. Vervolgens is mijn voorganger met een groot aantal partijen in gesprek gegaan om deze argumenten te kunnen betrekken in de afweging. Ook hebben mijn voorganger en ik het voorgenomen besluit meermaals besproken met Minister Crucke. Er volgt nog een allesomvattend gesprek tussen Minister Crucke en mij rond verschillende infrastructurele besluiten die genomen moeten worden. Op basis van de argumenten zie ik vooralsnog geen aanleiding om het voorgenomen besluit te heroverwegen en nader onderzoek te doen.
Deelt u de opvatting dat onomkeerbare besluiten over de bestaande spoorbrug bij voorkeur worden genomen nadat zowel de integrale studie Zuidelijk Maasdal als de aangekondigde Belgische kostenraming voor de heropening van spoorlijn 20 beschikbaar zijn, zodat besluiten over waterveiligheid, scheepvaart, de toekomstige internationale spoorverbinding Maastricht-Hasselt en ruimtelijke ontwikkeling in samenhang kunnen worden genomen? Bent u bereid voorafgaand aan een dergelijk besluit de maatschappelijke, economische en vervoerkundige gevolgen voor een mogelijke toekomstige spoorverbinding Maastricht-Hasselt expliciet in kaart te brengen?
Het project Zuidelijk Maasdal heeft als uitgangspunt dat de Spoorbrug Maastricht gesloopt wordt. Het uitstellen van het besluit over de Spoorbrug Maastricht leidt tot een wijziging van het uitgangspunt voor het project. Dit heeft direct gevolgen voor de planning en het budget van de verkenningsfase, waardoor ook de uitvoering van andere onderdelen van de integrale scope, zoals de verbetering van de waterveiligheid in het gebied, vertraging oplopen.
Hoe staat het met het oplossen van de problematiek met betrekking tot het nog steeds niet kunnen gebruiken van de ov-chipkaart en OV-pay op het deeltraject Maastricht-Luik van de drielandentrein? Waarom duren deze problemen inmiddels zo lang?
De vervoerders op de Drielandentrein slagen er op dit moment niet in het Nederlandse check-in-check-out-systeem met paaltjes uit te breiden naar de Belgische stations op de Drielandentrein. Daarom kunnen reizigers daar nu geen gebruik maken van zowel de OV-chipkaart en OVpay. Tijdens het implementatietraject is recent gebleken dat in tegenstelling tot eerdere verwachtingen een goede integratie van het Belgische tarievensysteem in het Nederlandse OV-chipkaart-systeem met correcte beprijzing niet mogelijk is. Daarom is door de vervoerders geadviseerd om van een implementatie van in- en uitchecken met de OV-chipkaart op het Belgische deel af te zien tot de volledige migratie naar OVpay in 2027. Dit is namelijk technisch wel compatibel met de integratie van het Belgisch systeem.
Herinnert u zich de antwoorden van uw ambtsvoorganger van 3 maart 2025 op eerdere schriftelijke vragen d.d. 5 februari 2025 over de problemen met de drielandentrein uit 2025?2 Kunt u aangeven of de destijds genoemde acties om de punctualiteit te verbeteren en de rituitval tegen te gaan duidelijk effect hebben gehad? Zo nee, welke extra acties zijn er noodzakelijk om de uitvoering van deze treindienst te verbeteren?
Ja, dat herinner ik mij. Zoals aangegeven in de beantwoording van de Kamervragen inzake de afspraken met België over spoordossiers4, rijdt de Drielandentrein momenteel in het algemeen zoals beoogd op het gehele traject Aachen-Heerlen-Maastricht-Liège Guillemins en vice versa. Door (geplande) werkzaamheden in Duitsland en door stakingen in België was het de afgelopen periode niet mogelijk zonder hinder te rijden. Behoudens deze (externe) oorzaken is de betrouwbaarheid van de verbinding sinds de start fors verbeterd. De prestaties op het traject van en naar Duitsland voldoen echter niet aan de (Nederlandse) normen, omdat er beperkte capaciteit op dit traject is, waarvoor overbelastverklaringen zijn opgesteld.