| Ingediend | 28 april 2026 |
|---|---|
| Beantwoord | 11 mei 2026 (na 13 dagen) |
| Indiener | Caroline van der Plas (BBB) |
| Beantwoord door | Bart van den Brink (CDA) |
| Onderwerpen | migratie en integratie organisatie en beleid |
| Bron vraag | https://zoek.officielebekendmakingen.nl/kv-tk-2026Z09080.html |
| Bron antwoord | https://zoek.officielebekendmakingen.nl/ah-tk-20252026-1881.html |
Mijn uitspraken ten tijde van genoemd debat zijn mij bekend.
Zoals meermaals met de Kamer is gedeeld2, is het voor het goede functioneren van het parlementaire proces noodzakelijk dat er ruimte bestaat voor vertrouwelijke contacten tussen deelnemers aan dat proces. Dat geldt met het oog op de eenheid van kabinetsbeleid in het bijzonder voor communicatie tussen de leden van het kabinet onderling. Om geen onnodige onduidelijkheid over de gang van zaken te laten bestaan, ben ik desalniettemin tijdens het in vraag 1 genoemde debat al op deze kwestie ingegaan. Ik heb aangegeven dat ik enkele collega bewindspersonen kort voor de stemmingen vooraf wilde informeren over hoe ik zou reageren mocht een van de wetsvoorstellen worden verworpen. Dat betroffen de Minister-President en eerste vicepremier. Ik heb daaraan verder niets toe te voegen.
Ik verwijs u naar het antwoord op vraag 2. Buiten degenen die ik noemde in het antwoord op vraag 2 heb ik vanzelfsprekend hierover ook contact gehad met mijn ministerie. In de aanloop naar de stemmingen heb ik vanaf maandag met hierbij betrokken ambtenaren gesproken over de mogelijke scenario’s voor het verloop van de stemmingen en hoe daarna vervolgens te handelen. Dat was niet zoals de vraagstelling suggereert als zodanig een «plan B». Wat de scenario’s van de gesneuvelde onderdelen van de asielnoodmaatregelenwet inhouden, heb ik ook toegelicht tijdens het genoemde debat. Drie onderdelen van de Asielnoodmaatregelenwet worden niet ook geregeld in de Uitvoerings- en implementatiewet Asiel- en Migratiepact 2026, te weten de afschaffing van de rechterlijke dwangsom, de uitbreiding van de mogelijkheden voor ongewenstverklaring en de strafbaarstelling van terugkeerfrustreerders. Ik heb er kennis van genomen dat leden Diederik van Dijk en Boomsma inmiddels opnieuw een amendement over het afschaffen van rechterlijke dwangsommen in vreemdelingenzaken hebben ingediend. Ditmaal in het kader van het traject dat zal gaan leiden tot de Wet terugkeer en vreemdelingenbewaring.3
Voor de uitbreiding van de ongewenstverklaring heb ik inmiddels een nota van wijziging ingediend in datzelfde traject. Voorts kom ik met een zorgvuldig proces rondom de strafbaarstelling van de terugkeerfrustreerders om te voorkomen dat het politiek rommelige proces dat hieraan in de vorige periode vooraf is gegaan, opnieuw plaatsvindt, en om ervoor te zorgen dat ertoe doende advisering plaatsvindt en er voldoende gesprek is met maatschappelijke organisaties. Over de ontwikkelingen langs deze drie lijnen zal ik vanzelfsprekend op de gebruikelijke wijze met uw Kamer communiceren en verantwoording afleggen.
Zie antwoord vraag 3.
Zie antwoord vraag 3.
Zie antwoord vraag 3.
De inzet is te allen tijde geweest ervoor te zorgen dat de wetsvoorstellen het zouden halen. Zoals al opgemerkt heb ik in de aanloop naar de stemmingen op 21 april vanaf maandag 20 april met hierbij betrokken ambtenaren gesproken over de mogelijke scenario’s voor het verloop van de stemmingen en hoe daarna vervolgens te handelen.
Tijdens het meergenoemde commissiedebat gaf ik al aan dat niet voorafgaand aan de stemmingen in de ministerraad of anderszins over alternatieven is besloten.
Zoals in het antwoord op vraag 7 al is aangegeven is vanaf maandag 20 april gesproken over de mogelijke scenario’s. Na de stemmingen gaf ik de opdracht om daadwerkelijk alternatieven uit te werken.
Zie antwoord vraag 3.
Zie antwoord vraag 3.
Dat is bij mij niet bekend. Voor het overige verwijs ik naar het antwoord op de vragen 2 tot en met 6, 10, 11 en 16.
Zie antwoord vraag 12.
Het is niet aan mij wat van invloed is op het stemgedrag van leden van de senaat. Verder verwijs ik naar het antwoord op de vragen 12 en 13.
De inzet is te allen tijde geweest ervoor te zorgen dat de wetsvoorstellen het zouden halen. Het voorbereiden op mogelijke uitkomsten van de stemmingen doet geen afbreuk aan de geloofwaardigheid van het wetgevingstraject richting de Eerste Kamer. Verder verwijs ik u naar de antwoorden op vragen 7 en 9.
Zie antwoord vraag 3.
De vragen zijn zo spoedig mogelijk beantwoord.