"Belastingdienst hield datakluis op slot tijdens verzamelen gegevens parlementaire enquête" |
|
Nicole Moinat (PVV), Gidi Markuszower (PVV) |
|
Rob Jetten (D66) |
|
|
|
|
Bent u bekend met deze berichten?1 2 3 4 5 6 7
Ja.
Op welke wijze gaat u de plechtige belofte van uw ambtsvoorganger die destijds persoonlijk excuses aangeboden heeft aan de gedupeerde toeslagenouders alsnog waarmaken en de toeslagenouders recht doen, nu blijkt dat relevante documentatie over hun eigen zaak jarenlang bewust of onbewust is achtergehouden in de datakluis?
Wij begrijpen dat de datakluis bij veel gedupeerde toeslagenouders, burgers en ondernemers nieuwe vragen oproept. De toeslagenaffaire heeft het vertrouwen van ouders die slachtoffer zijn geworden van de toeslagenaffaire in de overheid ernstig geschaad. Daarbij erkennen wij nogmaals dat hier fouten zijn gemaakt, hier niet adequaat op is gehandeld en dat verbetering nodig is. Het herstel van de financiële en emotionele schade van gedupeerde toeslagenouders is nodig en urgent. Ook erkent dit kabinet onverkort de ernst van de toeslagenaffaire en de impact daarvan op de levens van ouders, kinderen en hun naasten. Voormalig Minister-President Rutte heeft namens het kabinet excuses aangeboden voor de toeslagenaffaire. De inspanning van de Staatssecretaris Herstel Toeslagen is erop gericht de hersteloperatie spoedig, rechtmatig en met aandacht voor de zorgen van ouders te volbrengen.
Het kabinet acht het van groot belang dat alle relevante informatie zorgvuldig wordt geïnventariseerd en betrokkenen inzage krijgen in de op hen betrekking hebbende gegevens. Dat geldt voor gedupeerde toeslagenouders, maar eveneens voor burgers en ondernemers die voorkomen in FSV, RAM of de datakluis. Het kabinet werkt eraan om deze informatie zorgvuldig en zo spoedig mogelijk beschikbaar te stellen. In de Kamerbrief van 10 juli 2026 naar aanleiding van het onafhankelijk onderzoek van BDO is geschetst op welke wijze wij de komende tijd de omvangrijke datakluis zullen doorzoeken en verwerken. Daarin is – ten opzichte van de Kamerbrieven van 15 april 2026 en 22 mei 2026 – nadrukkelijk een derde spoor toegevoegd, namelijk de wijze waarop wij recht willen doen aan de verzoeken van burgers en bedrijven om toegang tot informatie uit of over de datakluis. De Kamer wordt, zoals eerder toegezegd, geïnformeerd over de voortgang en de wijze waarop betrokkenen toegang krijgen tot hun eigen dossier. Voor het kabinet blijft het uitgangspunt dat herstel alleen mogelijk is als openheid en transparantie vooropstaan. In de Kamerbrief van 10 juli 2026 bent u geïnformeerd over het instellen van een externe commissie per 1 oktober 2026.
In onze brief van 15 april 2026 hebben wij reeds aangegeven dat we ervoor waken dat documenten die relevant zijn voor PEFD, POK of andere leveringen, zullen worden gedeeld. Daarnaast benadrukken wij dat het aantreffen van deze gegevens geen invloed heeft op eerder genomen besluiten waarin ouders als gedupeerde zijn aangemerkt over de situatie van gedupeerden in het herstelproces. Ook verandert het niets aan de uitgangspunten van de hersteloperatie dat het verhaal van de ouder altijd leidend is en dat zij ruimhartig worden gecompenseerd voor geleden schade.
Wanneer krijgen de toeslagenouders, maar ook andere burgers en ondernemers die voorkomen in Fraude Signalering Voorziening (FSV), Riscio Analyse Model (RAM) en overige onderdelen van de datakluis, inzage en afschrift van de stukken die specifiek op henzelf betrekking hebben?
Zie antwoord vraag 2.
Bent u, gelet op de urgentie en de politieke gevoeligheid van deze kwestie, bereid deze vragen persoonlijk en binnen één week te beantwoorden?
De vragen zijn zo snel als mogelijk beantwoord. Omdat er meer vragen zijn gesteld over dit onderwerp hebben wij ervoor gekozen de Kamer in één keer te infomeren. De vragen zijn op verzoek van de Minister-President door ons beantwoord, aangezien de vragen betrekking hebben op onze portefeuilles.
Oliebedrijven en raffinaderijen die extra winsten (overwinsten) maken tijdens de Iran-oorlog |
|
Jimmy Dijk (SP) |
|
Eelco Heinen (VVD), Eerenberg |
|
|
|
|
Bent u bekend met het artikel van het AD, gepubliceerd op 20 juli 2026: «Marktwaakhond zet prijsopbouw van benzine en diesel online, zoveel verdienen raffinaderijen per liter»?1
Ja.
Volgens de Autoriteit Consument en Markt (ACM) hebben de hogere brandstofprijzen geleid tot overwinsten bij olieproducenten. Vindt u deze overwinsten acceptabel? Zo ja, waarom? Zo nee, waarom niet?
Het kabinet begrijpt het ongemak dat bedrijven profiteren van de oorlog in het Midden-Oosten. Voor de olieproductie geldt dat de winsten voor het overgrote deel in het buitenland neerslaan en in Nederland niet kunnen worden belast. Voor de Nederlandse raffinagesector is aannemelijk dat de winstmarges zijn toegenomen. Het kabinet heeft echter geen zicht op individuele prijsafspraken. Doordat raffinaderijen deels met vaste-prijscontracten werken, blijft de invloed van actueel hogere marktprijzen op hun winsten mogelijk uit. Bovendien is deze markt nauw verweven met die van andere Europese landen. Het kabinet heeft daarom eerder aangegeven eerst in Europees verband te willen optrekken
De ACM geeft aan dat de winstmarge van oliebedrijven en raffinaderijen hoger ligt dan vóór de oorlog in Iran. Hoe verklaart u dit?
Als gevolg van de oorlog in het Midden-Oosten is een deel van de olie- en raffinagecapaciteit weggevallen wat leidt tot hogere marktprijzen. Dit stimuleert oliebedrijven en raffinaderijen om zo veel mogelijk te produceren, wat zij op dit moment gelukkig ook doen. Op termijn zal dit de prijsstijging beperken. Specifiek voor diesel geldt hierbij dat Europa netto-importeur is geworden en de raffinagecapaciteit schaars is. Dit onderstreept het belang van voldoende raffinagecapaciteit in Nederland om leveringszekerheid te garanderen. De dieselprijs is de afgelopen maanden daardoor harder gestegen dan de benzineprijs. Het is hierbij wel belangrijk om de huidige cijfers in perspectief te plaatsen: de energiesector is sterk cyclisch en deze marges volgen op periodes waarin de raffinagesector juist aanzienlijk slechtere tijden heeft gekend.
Bent u het ermee eens dat de automobilist en consumenten via hogere transportkosten de prijs betalen voor de hoge winsten van oliebedrijven en raffinaderijen? Zo ja, waarom? Zo nee, waarom niet?
Ja, schaarste van een bepaald goed, in dit geval olie en olieproducten, leidt altijd tot hogere prijzen. De oorlog in het Midden-Oosten zorgt ervoor dat olie tegen een hogere prijs ingekocht moet worden. Dit leidt tot extra opbrengsten in het buitenland en zorgt ervoor dat we collectief armer worden. Ook in de raffinagesector is er sprake van schaarste, wat zorgt voor een verdere stijging van de brandstofprijs. Dit is met name bij diesel het geval. Belangrijke kanttekening daarbij is dat dit slechts één klein onderdeel vormt van de totale koopkrachtontwikkeling van huishoudens. Volgens de laatste cijfers van het CPB komt de mediane koopkrachtgroei van huishoudens in 2026 uit op +0,6%.
Bent u het ermee eens dat de automobilist lagere prijzen aan de pomp zou kunnen betalen, mits daar politiek toe wordt besloten? Zo ja, hoe zou dit volgens u het beste kunnen? Zo nee, waarom niet?
De oorlog in het Midden-Oosten zorgt ervoor dat we collectief armer worden, want als land betalen we meer voor de olie die we moeten importeren uit het buitenland. De toegenomen marges in de olieproductie en raffinage zijn de reden dat automobilisten een hogere prijs aan de pomp betalen. In het voorjaar heeft het kabinet breed gewogen welke maatregelen genomen worden om de koopkracht van burgers en bedrijven te ondersteunen. Het kabinet heeft toen gekozen voor een gerichte aanpak, zoals het verhogen van de onbelaste reiskostenvergoeding van 23 naar 25 cent per kilometer. Ook heeft het kabinet een tijdelijke korting op treinreizen geïntroduceerd, waar bijna 400 duizend mensen deze zomer gebruik van hebben gemaakt. Een verlaging van de brandstofaccijns heeft als nadeel dat het ongericht is en de prikkel om brandstof te besparen vermindert, terwijl er sprake is van een aanbodcrisis en brandstof besparen dus belangrijk is. Mede door deze ongerichtheid heeft het verlagen van de brandstofaccijns een groot budgettair beslag. Het verlagen van de accijns op diesel en benzine met 1 cent kost circa 0,1 mld. per jaar, wat in de begroting gedekt zou moeten worden.
Wat maakt dat u deze overwinsten van oliebedrijven en raffinaderijen niet méér belast dan nu het geval is? Wat maakt dat u nog niet over bent gegaan tot het invoeren van een overwinstbelasting zoals u eerder aangaf te overwegen wanneer onderzoek zou uitwijzen dat er sprake zou zijn van overwinsten?
Het kabinet begrijpt het ongemak dat er bedrijven zijn die profiteren van de oorlog in het Midden-Oosten. Er zijn duidelijke signalen dat de commerciële winstmarges in de oliesector zijn toegenomen. Voor Nederlandse bedrijven gaat het voornamelijk om de raffinagesector. Het is hierbij wel belangrijk om de huidige cijfers in perspectief te plaatsen: de energiesector is sterk cyclisch en deze marges volgen op periodes waarin de raffinagesector juist aanzienlijk slechtere tijden heeft gekend. Tegelijkertijd is de winst uiteindelijk een uitkomst van de prijs die op de markt tot stand komt. Hierop ingrijpen is verstorend voor de markt, terwijl de Nederlandse raffinagesector met een marktaandeel van circa 10% in de totale Europese raffinageproductie belangrijk is voor de Europese leveringszekerheid. Ingrijpen vermindert de prikkel voor bedrijven om te investeren. Als bedrijven verwachten (al dan niet achteraf) dat extra winsten worden afgeroomd, zullen ze minder geneigd zijn om risico’s te nemen of te investeren in nieuwe energieprojecten. Dit heeft mogelijk een negatief effect op het investeringsklimaat in Nederland. Een nationale overwinstbelasting voor de oliesector moet daarom zorgvuldig worden gewogen, temeer omdat de vormgeving juridisch niet eenvoudig is en de hogere winsten al worden belast via de vennootschapsbelasting. Het kabinet heeft daarom eerder aangegeven eerst in Europees verband te willen optrekken. Tot nu toe heeft de Europese Commissie geen nadere uitgebreidere analyse gedeeld. Het kabinet geeft nog steeds de voorkeur aan een Europese analyse en aanpak, waarbij er ruimte is voor de specifieke nationale omstandigheden.
Deelt u de mening dat de belasting op de overwinsten van oliebedrijven en raffinaderijen omhoog moet om voor financiële verlichting te zorgen aan de pomp? Zo ja, waarom? Zo nee, waarom niet?
Zie het antwoord op vraag 6.
Vindt u het belangrijker dat oliebedrijven gigantische winsten maken of dat de automobilist een acceptabele prijs aan de pomp betaalt?
Zie het antwoord op vraag 6.
Op 13 juli 2026 kostte een liter benzine aan een Nederlandse pomp gemiddeld 2,27 euro. Daarvan ging 0,40 euro naar btw en 0,85 euro naar accijns. Vindt u het rechtvaardig dat een automobilist in Nederland veel meer btw en accijns aan de pomp betaalt dan in andere Europese landen? Zo ja, waarom? Zo nee, waarom niet?
De brandstofaccijns zijn een belangrijke inkomstenbron voor de overheid en zorgt ervoor dat de Nederlandse overheid geld uit kan geven aan bijvoorbeeld de zorg en goed onderwijs. Tegelijkertijd begrijpt het kabinet de zorgen over de hoge brandstofprijs. De afgelopen paar jaar is de brandstofaccijns daarom tijdelijk verlaagd en voor 2027 heeft het kabinet opnieuw geld gereserveerd voor een tijdelijke verlaging. Voor 2027 is hiervoor 0,9 mld. euro gereserveerd. Een verdere verlaging van de brandstofaccijns betekent dat de belastingen op andere grondslagen omhoog moet of dat bezuinigd moet worden op de uitgaven. Dat vindt het kabinet onwenselijk en kiest hier daarom niet voor.
Bent u bereid om de komende weken een overwinstbelasting voor oliebedrijven en raffinaderijen in te voeren? Zo ja, per wanneer? Zo niet, waarom niet?
Het kabinet begrijpt het ongemak dat er bedrijven zijn die profiteren van de oorlog in het Midden-Oosten. Er zijn duidelijke signalen dat de commerciële winstmarges in de oliesector zijn toegenomen. Voor Nederlandse bedrijven gaat het voornamelijk om de raffinagesector. Het is hierbij wel belangrijk om de huidige cijfers in perspectief te plaatsen: de energiesector is sterk cyclisch en deze marges volgen op periodes waarin de raffinagesector juist aanzienlijk slechtere tijden heeft gekend. Tegelijkertijd is de winst uiteindelijk een uitkomst van de prijs die op de markt tot stand komt. Hierop ingrijpen is verstorend voor de markt, terwijl de Nederlandse raffinagesector met een marktaandeel van circa 10% in de totale Europese raffinageproductie belangrijk is voor de Europese leveringszekerheid. Ingrijpen vermindert de prikkel voor bedrijven om te investeren. Als bedrijven verwachten (al dan niet achteraf) dat extra winsten worden afgeroomd, zullen ze minder geneigd zijn om risico’s te nemen of te investeren in nieuwe energieprojecten. Dit heeft mogelijk een negatief effect op het investeringsklimaat in Nederland. Een nationale overwinstbelasting voor de oliesector moet daarom zorgvuldig worden gewogen, temeer omdat de vormgeving juridisch niet eenvoudig is en de hogere winsten al worden belast via de vennootschapsbelasting. Het kabinet heeft daarom eerder aangegeven eerst in Europees verband te willen optrekken. Ter uitvoering van de motie van de leden Klaver en Paternotte2 heeft het kabinet tijdens de Ecofinraad van 4 en 5 mei opgeroepen tot een nadere analyse van het ontstaan van eventuele overwinsten bij olie- en gasbedrijven als gevolg van de huidige hoge prijzen. Daarnaast heeft het kabinet opgeroepen op EU-niveau de juridische mogelijkheden te verkennen voor het invoeren van een belasting op overwinsten als er inderdaad sprake is van overwinsten, op zowel de Ecofinraad van 4 en 5 mei als op de informele Energieraad van 12 en 13 mei. Tot nu toe heeft de Europese Commissie geen nadere uitgebreidere analyse gedeeld. Het kabinet geeft nog steeds de voorkeur aan een Europese analyse en aanpak, waarbij er ruimte is voor de specifieke nationale omstandigheden.
Wilt u bovenstaande vragen één voor één beantwoorden?
De vragen zijn zoveel mogelijk één voor één beantwoord.
De Raad van State uitspraak van 1 juli over gewortelde kinderen |
|
Lisa Westerveld (GroenLinks-PvdA) |
|
Bart van den Brink (CDA) |
|
|
|
|
Bent u bekend met de uitspraken van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State van 1 juli 2026 dat u geen goede belangenafweging heeft gemaakt over de afsluitende regeling «kinderpardon» tussen het belang van Nederland en de belangen van kinderen?
Ja.
Volgt uit deze uitspraken dat de drie gezinnen waarover deze gaan een verblijfsvergunning krijgen?
In deze drie zaken heeft de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State expliciet opgedragen om aan de betrokken kinderen en hun ouders een verblijfsvergunning te verlenen op grond van het privéleven (artikel 8 EVRM).1 De IND zal uitvoering geven aan deze uitspraken. Verder kan ik niet ingaan op individuele zaken.
Erkent u dat het uitzetten van deze kinderen na zo veel jaren verblijf in Nederland ronduit schadelijk is voor hun ontwikkeling, zoals de Raad van State doet?
In algemene zin geldt dat het belang van het kind een eerste overweging is die zwaar meeweegt bij de belangenafweging bij een aanvraag op basis van artikel 8 EVRM. Dit volgt uit vaste rechtspraak van het EHRM.2 Hier valt ook het risico op ontwikkelingsschade onder (hierbij wordt onder meer gekeken naar deskundigenrapporten, de leeftijd van het kind en medische of psychische omstandigheden), als onderdeel van een individuele, brede belangenafweging waar alle relevante elementen in worden betrokken. In de belangenafweging worden de algemene belangen van de Nederlandse staat afgewogen tegen de persoonlijke belangen van de vreemdeling om in Nederland familie- of gezinsleven uit te oefenen. Hierbij wordt onder andere gekeken naar de openbare orde, het economisch belang van Nederland, de duur van het verblijf van de vreemdeling en belemmeringen om het familie- of gezinsleven elders uit te oefenen. Dat is dus altijd een individuele afweging en dat maakt ook dat ik geen generieke kwalificatie voor alle gevallen kan geven.
Wanneer zullen de gezinnen hierover geïnformeerd worden en hoe zal het verdere proces eruitzien?
De IND geeft uitvoering aan de uitspraken. Verder kan ik niet ingaan op deze individuele zaken.
Welke verdere consequenties heeft het oordeel van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State dat u geen goede belangenafweging heeft gemaakt door de belangen van het kind en het belang van het privéleven van het gezin minder zwaar te wegen dan het feit dat zij onrechtmatig in Nederland verblijven? Heeft dit consequenties voorbij deze drie gezinnen?
De Afdeling bestuursrechtspraak heeft geoordeeld dat in deze drie zaken over de afsluitende regeling «kinderpardon» geen toereikende belangenafweging is gemaakt tussen het belang van Nederland en de belangen van kinderen.De interpretatie van de afdelingsuitspraken is op dit moment onderwerp van nadere bestudering.
Gaat u in het vervolg het belang van het kind zwaarder laten meewegen ten opzichte van het belang van de overheid in het geval dat zij langtijdig geworteld zijn, zoals de Raad van State ook oordeelt?
Zie antwoord vraag 5.
De afsluiting van de Merwedebrug en de staat van de Nederlandse infrastructuur |
|
Peter van Duijvenvoorde (FVD) |
|
Vincent Karremans (VVD) |
|
|
|
|
Heeft u kennisgenomen van het bericht dat de Merwedebrug per direct en voor onbepaalde tijd is afgesloten voor vrachtverkeer?
Ja
Wanneer werd voor het eerst geconstateerd dat het staal in de boogconstructie minder sterk was dan eerder werd aangenomen?
In voorbereiding voor werkzaamheden van het project A27 Houten – Hooipolder, waarbij een nieuwe brug naast de bestaande gebouwd gaat worden, zijn in 2025 en 2026 aanvullende herberekeningen en inspecties uitgevoerd. Hieruit bleek dat naast inspecties ook aanvullend materiaalonderzoek gewenst was. Afgelopen maanden zijn deze aanvullende onderzoeken door Rijkswaterstaat en TNO uitgevoerd. Op 16 juli zijn de voorlopige resultaten door TNO met Rijkswaterstaat gedeeld. De materiaaleigenschappen bleken slechter te zijn dan verwacht en hiermee was er noodzaak om met spoed de constructieve veiligheid van de brug opnieuw te beoordelen. Op 17 juli is op basis hiervan opgeschaald en is op zaterdag 18 juli om 17.30 uur een vrachtwagenverbod ingesteld.
Wanneer bent u hierover geïnformeerd?
Ik ben op 17 juli door Rijkswaterstaat geïnformeerd.
Welke onderzoeken en inspecties hebben geleid tot het besluit de brug met onmiddellijke ingang af te sluiten?
Zie beantwoording van vraag 2.
Waarom is gekozen voor een onmiddellijke afsluiting, terwijl de inspecties al eerder hadden plaatsgevonden?
Zie beantwoording van vraag 2.
Welke alternatieven zijn overwogen alvorens tot volledige afsluiting voor vrachtverkeer over te gaan?
Er zijn diverse opties overwogen; van volledige of gedeeltelijke afsluiting voor alle verkeer tot een relatief beperkte gewichtsbeperking. Er is overwogen om het verkeer naar 1 rijstrook terug te brengen, maar dat leverde onvoldoende gewichtsbeperking op om tot een acceptabele belasting van de brug te komen. Daarmee zou echter niet aan de constructieve veiligheid worden voldaan. Alles overwegende is er gekozen voor afsluiting voor vrachtverkeer zwaarder dan 3,5 ton en touringcars. De belasting op de brug van verkeer lichter dan 3,5 ton is relatief gering en vormt nu geen veiligheidsrisico voor de brug.
Waarom mogen lijnbussen, hulpdiensten en zwaar beladen bestelbussen met aanhanger de brug nog wel gebruiken, terwijl vrachtverkeer volledig wordt geweerd? Hoe verhoudt dit zich tot de constructieve overwegingen die aan het verbod ten grondslag liggen?
Gezien de kwaliteit van het staal is de noodzaak om per direct de (zware) belasting van de brug sterk te verminderen door een vrachtwagenverbod. Bestelbussen en personenauto’s zijn minder zwaar dan veel vrachtwagens en dragen maar beperkt bij aan de belasting van de brug. Alleen lichte bestelbussen tot 3,5 ton zijn toegelaten (voertuigcategorieën N1 en M1). Nood- en hulpdiensten en lijnbussen zijn de enige uitzonderingen die wordt gemaakt, omdat dit in verhouding niet vaak voorkomt en daarmee getolereerd kan worden voor wat betreft de constructieve veiligheid.
Welke technische grens is gehanteerd bij het bepalen welke voertuigen nog wel en welke niet meer over de brug mogen rijden?
De grenzen die hiervoor gebruikt worden zijn vastgelegd in de NEN8700 waarin de normen zijn vastgelegd voor de toetsing van de constructieve veiligheid in bestaande bouw en verbouw. Op basis hiervan kan bepaald worden welke gewichtsklassen van voertuigen nog toelaatbaar zijn gegeven de draagkracht van de brug.
Hoe lang verwacht u dat de afsluiting zal duren?
Op dit moment worden er nadere onderzoeken uitgevoerd naar de sterkte van de brug en passende maatregelen daarbij. De resultaten tot nu toe bevestigen de eerdere conclusies dat de brug niet voldoet aan de geldende normen, en bevestigen de noodzaak van de genomen maatregelen. Duidelijkheid over de duur van de maatregelen kan gegeven worden als er genoeg zicht is op de sterkte van de brug en de maatregelen die nodig zijn om de beperkingen op te mogen heffen. Omdat de onderzoeken nog lopen is daar nu nog geen antwoord op te geven.
Wanneer verwacht u de Kamer hierover nader te informeren?
Zodra daar aanleiding toe is, wordt de Kamer geïnformeerd.
Hoeveel vrachtwagens maakten vóór de afsluiting dagelijks gebruik van de Merwedebrug?
Voor de afsluiting reden er tussen de 7.000 en 8.000 vrachtauto's per dag per rijrichting over de brug.
Welke extra verkeersdruk verwacht u op de alternatieve routes?
Omdat het alleen een afsluiting voor vrachtverkeer is, is de verwachting dat de totale extra verkeerdruk op alternatieve routes beperkt is. Een indicatie van de extra reistijd voor het vrachtvervoer als gevolg van het omrijden op rustige momenten is tot 30–45 minuten, wat tijdens drukke momenten kan oplopen naar 45–60 minuten.
Welke gevolgen heeft de afsluiting voor de doorstroming op de A15, A16, A2 en overige omleidingsroutes?
Zie vraag 12. Als er al sprake is van extra verkeerdruk, is dat op de A16 (Moerdijkbrug) en de A2 en A59. Lokale alternatieven zijn beperkt vanwege het ontbreken van een rivierovergang.
Welke gevolgen heeft de toegenomen drukte op de omleidingsroutes voor de aanrijtijden van hulpdiensten in de regio? Hoe wordt de bereikbaarheid van nooddiensten geborgd?
Minimaal, zie ook beantwoording vraag 12. Met nood- en hulpdiensten is hierover afstemming. Zij kunnen gebruik blijven maken van de Merwedebrug.
Welke gevolgen heeft de afsluiting voor het vervoer van gevaarlijke stoffen, nu door gelijktijdige beperkingen op onder meer de N3 en de A27 het aantal geschikte routes sterk afneemt? Hoe borgt u de veiligheid én de continuïteit van dit transport?
De geschatte extra reistijd voor vrachtverkeer als gevolg van het verbod van vrachtwagens op de Merwedebrug wordt ingeschat op rustige momenten op 30–45 minuten, tijdens drukke momenten kan dit oplopen tot 45 tot 60 minuten. Voor het vervoer van gevaarlijke stoffen is de verwachting dat dit helaas meer is, omdat – afhankelijk van de bestemming – de alternatieve verplichte routes beperkter zijn en er mogelijk verder omgereden moet worden.
Is onderzocht welke gevolgen de afsluiting heeft voor de bereikbaarheid van bedrijven, havens, distributiecentra en industriële locaties in de regio?
Nee, de afweging is gemaakt op basis van veiligheid. De resultaten van het materiaalonderzoek waren onverwacht en dusdanig urgent dat onmiddellijke afsluiting voor vrachtverkeer onvermijdelijk was. Laat onverlet dat het duidelijk is dat impact voor bedrijven in de nabijheid van de brug het grootst is.
Bent u bekend met signalen dat individuele transportbedrijven tienduizenden euro's per week of zelfs per dag extra kosten verwachten? Hoe beoordeelt u deze signalen?
De signalen zijn mij bekend. De afsluiting van de Merwedebrug is echter niet zonder reden. De resultaten van het materiaalonderzoek waren dusdanig dat er direct ingegrepen moest worden. Daarbij is gekozen voor een maatregel die ertoe leidt dat de constructieve veiligheid van de brug kan worden gewaarborgd en de andere weggebruikers, de hulpdiensten en het openbaar vervoer nog veilig gebruik kunnen blijven maken van de brug. Transportbedrijven kunnen een beroep doen op de regeling voor nadeelcompensatie.
Gaat u de economische schade voor ondernemers en de logistieke sector in kaart brengen?
In dit soort gevallen treedt de Regeling Nadeelcompensatie in werking. Partijen die schade lijden kunnen bij Rijkswaterstaat een verzoek om nadeelcompensatie indienen.
Welke gevolgen verwacht u voor consumentenprijzen indien deze extra transportkosten langere tijd aanhouden?
Hierover kan ik geen uitspraken doen, omdat dit van heel veel factoren afhankelijk is.
Deelt u de opvatting dat deze keer voorkomen moet worden dat compensatie voor ondernemers uitblijft, zoals dat volgens ondernemers het geval was na de afsluiting van 2016, waarbij de schade grotendeels werd afgedaan als ondernemersrisico? Op welke wijze zorgt u ervoor dat de bestaande regeling voor nadeelcompensatie ditmaal wel toereikend is voor de getroffen ondernemers?
Op grond van artikel 4:126 van de Algemene wet bestuursrecht bestaat er aanspraak op nadeelcompensatie voor zover er schade wordt geleden die uitgaat boven het normale maatschappelijke risico en die een benadeelde in vergelijking met anderen onevenredig zwaar treft. De «Beleidsregel nadeelcompensatie Infrastructuur en Waterstaat 2024» biedt een laagdrempelige toegang tot een beoordeling. Dat zal ook bij de huidige afsluiting het geval zijn.
Bent u bereid ondernemers tegemoet te komen indien de afsluiting langdurig blijkt?
Ja. De «Beleidsregel nadeelcompensatie Infrastructuur en Waterstaat 2024» houdt rekening met de omstandigheden. Zo moet bij het bepalen van het normaal maatschappelijk risico worden betrokken of de afsluiting een normale of niet-normale maatregel is en ook of er sprake is van een langdurige maatregel. Een onafhankelijke commissie brengt hierover advies uit.
Bent u bereid tijdelijk een uitzondering te maken op de kilometerheffing voor de extra omrijkilometers die rechtstreeks voortvloeien uit deze afsluiting?
Nee, de Wet vrachtwagenheffing biedt geen mogelijkheid voor een tijdelijke uitzondering van extra omrijkilometers. Eigenaren van vrachtwagens moeten per gereden kilometer betalen voor het gebruik van het heffingsnetwerk. Het heffingsnetwerk is vastgelegd in de wet. Verder zou een dergelijke uitzondering niet uitvoerbaar zijn. Ondernemers kunnen wel via Rijkswaterstaat een beroep doen op de wettelijk vastgelegde regeling voor Nadeelcompensatie. Overigens geldt in de periode van 1 september tot en met 31 december van dit jaar een tijdelijke verlaging van de tarieven van de vrachtwagenheffing met 22,3%. Daarmee komt het kabinet ondernemers tegemoet vanwege de hoge brandstofprijzen als gevolg van het conflict in het Midden-Oosten.
Heeft Rijkswaterstaat onderzocht of gecontroleerd nachtelijk vrachtverkeer onder voorwaarden mogelijk zou zijn? Zo nee, waarom niet?
Vanuit constructieve veiligheid dient de belasting op de brug te worden verminderd. Dit geldt voor zowel overdag als ’s nachts. Personenauto's vormen door hun geringe gewicht ten opzichte van vrachtwagens maar een klein percentage van de belasting op de brug door het wegverkeer. Vrachtwagens veroorzaken het grootste gedeelte van de belasting. In de nacht neemt de belasting op de brug door minder personenverkeer maar weinig af. Het toelaten van vrachtverkeer tijdens de nacht zal waarschijnlijk leiden tot meer vrachtverkeer en dus een hogere belasting. Een belasting die voor deze brug op dit moment volgens de berekeningen niet toelaatbaar is.
Hoe beoordeelt u de kritiek dat de informatievoorziening en bewegwijzering in de eerste dagen onvoldoende waren?
De resultaten van het materiaalonderzoek waren onverwacht en dusdanig urgent dat onmiddellijke afsluiting voor vrachtverkeer onvermijdelijk was. De informatie over de afsluiting voor vrachtverkeer en touringcars is zo snel als mogelijk naar buiten gecommuniceerd. Het kost inderdaad enige tijd om de bebording en bewegwijzering goed op orde te krijgen. Deze is afgelopen week samen met de politie nagelopen en verder versterkt. Regelmatig wordt dit nog gecontroleerd en bezien of verdere aanpassingen noodzakelijk zijn.
Welke maatregelen neemt u om sluipverkeer door dorpen en woonkernen te voorkomen?
Zie vraag 13. Omdat er plaatselijk weinig alternatieven zijn om de rivier over te steken is de verwachting dat er weinig lokaal sluipverkeer zal zijn.
Welke gevolgen verwacht u van de gelijktijdige werkzaamheden aan de Papendrechtse brug, de Algerabrug en de afsluiting van de Merwedebrug voor de bereikbaarheid van Zuidwest-Nederland?
Zie ook de beantwoording van vraag 14. De gecombineerde afsluiting van de Papendrechtse en Algerabrug laat tot nu toe nog weinig effect zien op de bereikbaarheid van Zuidwest-Nederland als geheel. De verwachting op voorhand was dat de afsluiting van de Papendrechtsebrug circa 30 minuten vertraging oplevert. Aangezien de afsluiting van de Merwedebrug alleen effect heeft op het vrachtverkeer, heeft dit daarom geen aanvullend effect voor het gehele verkeersbeeld. Hierbij moet worden aangetekend dat dit beeld is opgebouwd in de relatieve rustige vakantieperiode.
Waarom is de vervanging van de Merwedebrug niet eerder gerealiseerd, terwijl al langer bekend was dat vervanging noodzakelijk was?
Tijdens de vorige tijdelijke afsluiting van de Merwedebrug in het najaar van 2016 werkte IenW al volop aan de planuitwerking voor de verbreding van de A27 tussen Houten en het knooppunt Hooipolder, inclusief de vervanging van onder andere de Merwedebrug. In 2020 is het Tracébesluit A27 Houten-Hooipolder onherroepelijk geworden. Vervolgens vond tijdens en na de Covid-periode de voorbereiding van de realisatie plaats en zijn begin 2023 de reguliere onderdelen gegund. Voor de complexe en risicovolle onderdelen, waaronder de Merwedebrug, eerst een ontwerpfase plaats door de aannemer en RWS.
Over de voortgang van de A27 Houten – Hooipolder is uw Kamer regelmatig geïnformeerd. Zo is in de MIRT-brief najaar 20241 gemeld dat het programma te maken heeft met aanzienlijk hogere kosten dan eerder was voorzien. Oorzaken hiervan betreffen prijsstijgingen, huidige marktspanning, een te lage initiële raming en voortschrijdend inzichten (onder andere onderschatting complexiteit en een slechtere staat van het areaal). 11 mei jl.2 is aan uw Kamer geïnformeerd dat de ontwerpfase van de Merwedebrug West is afgerond. Dit heeft geleid tot het definitief opdragen van de uitvoeringswerkzaamheden waarmee het project formeel is overgegaan in de realisatiefase.
Kan de bouw van de nieuwe Merwedebrug worden versneld nu de bestaande brug is afgesloten? Welke gevolgen heeft de eerdere fasering en versobering van het project A27 Houten-Hooipolder voor de duur van de huidige situatie?
De bestaande brug is enkel afgesloten voor vrachtverkeer, het andere verkeer blijft gewoon gebruik maken van de Merwedebrug.
In de huidige planning voor de bouw van de nieuwe Merwedebrug is reeds fors ingezet op slimme bouwfasering om met name de eerste (westelijke) brug zo snel mogelijk beschikbaar te hebben ter vervanging van de huidige brug. Deze planning resulteert naar verwachting in een openstelling van de nieuwe Merwedebrug West in 20313.
De bouw van de nieuwe brug is complex. Zeker ook omdat de nieuwe brug op korte afstand wordt gebouwd van de bestaande brug. De bouwwerkzaamheden kunnen namelijk van invloed zijn op de huidige brug (zettingen, trillingen).
Voorkomen moet worden dat de bestaande brug door de werkzaamheden beschadigd raakt. De recent bekend geworden slechtere staat van de huidige brug, vergroot de bouwcomplexiteit en legt daarmee extra druk op de bouwplanning. Zo mag ook het bouwverkeer voor de bouw van de nieuwe Merwedebrug geen gebruik maken van de bestaande brug. Dit heeft consequenties voor de bouwlogistiek. De impact wordt op dit moment onderzocht. Een verdere versnelling van de bouw ligt hiermee niet voor de hand.
Welke onderhoudswerkzaamheden zijn de afgelopen tien jaar aan de Merwedebrug uitgevoerd?
De Merwedebrug heeft het einde van de technische levensduur bereikt. De onderhoudsopgave wordt dan groter en onvoorspelbaarder. De brug wordt regelmatig geïnspecteerd en daarbij geldt voor een aantal onderdelen in een verhoogd inspectieregime. De inspecties vormen de basis voor het onderhoud aan de brug. Het onderhoud betrof de afgelopen jaren zowel de verhardingen (deklagen en onderlagen) als de constructie zelf. Denk daarbij aan: reparatie en vervanging van de voegovergangen, herstel van scheuren en het verwijderen van corrosie (met name op het beweegbare deel). Ook het vervangen van de opleggingen en het conserveren van de hangerkabels is in de afgelopen periode nodig geweest om de brug beschikbaar en veilig te houden.
Welke lessen zijn getrokken uit de afsluiting van de Merwedebrug in 2016 en waarom hebben deze niet kunnen voorkomen dat opnieuw een langdurige afsluiting noodzakelijk is?
Bij de huidige afsluiting van de brug zijn de rapporten en aanbevelingen van de afsluiting in 2016 bij de hand genomen. Ook toen werd de brug voor verkeer zwaarder dan 3,5 ton afgesloten. De aanbevelingen hadden met name betrekking op een betere betrokkenheid van medeoverheden en andere belangrijke partijen, wat nu ook zorgvuldiger is gedaan. De aanleiding voor de afsluiting was echter verschillend: toen was er sprake van vermoeiing van de verbindingen in de brug en daar zijn ook passende maatregelen op getroffen, zoals bijvoorbeeld het aanbrengen van verstevigingen en verscherpte inspecties, zie ook beantwoording vraag 29. Het onderzoek heeft uitgewezen dat het staal van de brug een andere kwaliteit heeft dan mocht worden aangenomen.
Hoeveel bruggen, tunnels, sluizen en viaducten in beheer van het Rijk bevinden zich momenteel in een staat waarbij aanvullende beperkingen of onverwachte afsluitingen niet kunnen worden uitgesloten?
Jaarlijks publiceren Rijkswaterstaat en ProRail rapportages over de technische staat van de infrastructuur in Nederland. Op 8 december 2025 zijn de meest recente rapportages met de Kamer gedeeld.4 De eerstvolgende Staat van de Infrastructuur wordt dit najaar gepubliceerd.
In de RWS-rapportage wordt ook gerapporteerd over kunstwerken die in een zodanige slechte staat verkeren dat gebruiksbeperkingen zijn opgelegd en/of die onder een verhoogd inspectieregime staan. In de meest recente rapportage gaat het om respectievelijk 80 objecten met een gebruiksbeperking en 104 objecten die onder een verhoogd inspectieregime staan.5 In de beleidsbrief van 24 april jl. is aangekondigd dat als we niets doen, het de verwachting is dat dit aantal in 2030 verdubbeld is. RWS stelt verschillende maatregelen in om de veiligheid op deze kunstwerken te waarborgen. Tegelijkertijd zijn de beschikbare middelen in het Deltafonds en Mobiliteitsfonds en de beschikbare capaciteit helaas niet toereikend om alle opgaven en (nieuwe) ambities te bekostigen en uit te kunnen voeren. Dat betekent onvermijdelijk dat we scherpe keuzes moeten maken. Niet alles kan en niet alles kan tegelijkertijd. Over het afweegproces om te komen tot een prioritering is de Kamer van 19 juni jl. geïnformeerd.
Bij hoeveel rijkskunstwerken is momenteel sprake van uitgesteld onderhoud?
Jaarlijks publiceren Rijkswaterstaat en ProRail rapportages over de technische staat van de infrastructuur in Nederland. Daarin wordt onder meer inzicht geboden in de locaties waar onderhoudswerkzaamheden zijn uitgesteld en waarvoor op peildatum juli 2025 nog geen uitvoering is gepland in de periode 2026–2028. Voor RWS gaat het in totaal om 136 objecten per peildatum juli 2025. Dit is overigens een momentopname; de situatie kan gedurende het jaar wijzigen.
Welk bedrag is volgens u nodig om de huidige onderhoudsachterstand van Rijkswaterstaat volledig weg te werken?
De Algemene Rekenkamer heeft in haar verantwoordingsonderzoek over 2024 het tekort voor exploitatie, onderhoud en vernieuwing van de netwerken van Rijkswaterstaat geraamd op € 34,5 miljard voor de periode tot en met 20385. Het betreft de instandhouding van het hoofdwegennet, hoofdvaarwegennet en hoofdwatersysteem.
Acht u de huidige onderhoudsbudgetten voldoende om de veiligheid, betrouwbaarheid en economische functie van de Nederlandse infrastructuur structureel te waarborgen? Zo ja, waaruit blijkt dat?
De middelen die beschikbaar zijn in het Deltafonds en Mobiliteitsfonds zijn niet toereikend om alle opgaven en (nieuwe) ambities op het gebied van infrastructuur te bekostigen. Niet alles kan en niet alles kan tegelijkertijd. Dat betekent onvermijdelijk dat we scherpe keuzes moeten maken. Op 16 maart jl.6 is de Kamer geïnformeerd over de grote opgaven binnen het Mobiliteitsfonds en het Deltafonds en de noodzaak om scherpe keuzes te maken; enerzijds wat we moeten en willen en anderzijds wat we kunnen met het geld dat we hebben. Over het afweegproces om te komen tot een prioritering is de Kamer op 19 juni jl.7 geïnformeerd.
Bent u bereid de Kamer vóór de behandeling van de begroting Infrastructuur en Waterstaat een integraal overzicht te sturen van:
Zie beantwoording van vraag 31, 32, 33 en 34.
Deelt u de opvatting dat het steeds vaker onverwacht moeten afsluiten van bruggen, viaducten en andere vitale infrastructuur erop wijst dat Nederland te lang heeft geleund op uitgesteld onderhoud? Zo nee, waarom niet?
Ja, daarom ben ik samen met de Staatssecretaris van I&W bezig met het proces rondom het afweegkader, om de basis van onze netwerken weer op orde te brengen. Daarvoor is het noodzakelijk om samen met uw Kamer scherpe keuzes te maken en te prioriteren wat nu nodig is, wat later kan en wat we niet meer doen. Zie ook beantwoording van vraag 31, 32, 33 en 24.
Handhaving monogamie |
|
Diederik van Dijk (SGP) |
|
David van Weel (VVD) |
|
|
|
|
Bent u bekend met het bericht «Bijzonder huwelijk: Natasja (51) trouwt niet alleen met Erik (51), maar óók met Berlinda (55)»?1
Ja.
Zijn u meer situaties bekend van een schijnhuwelijk met meer dan twee personen waarbij een buitengewoon ambtenaar van de burgerlijke stand (babs) een rol vervult?
De term «schijnhuwelijk» wordt gebruikt voor de situatie waarin een huwelijk wordt aangegaan met als doel om een verblijfsvergunning voor een buitenlander te verkrijgen. Ambtenaren van de burgerlijke stand verlenen geen medewerking aan een schijnhuwelijk.
Dat geldt eveneens voor een bigaam huwelijk. Werkt een ambtenaar van de burgerlijke stand, willens en wetens, mee aan de voltrekking van een bigaam huwelijk, dan pleegt hij een misdrijf. Er zijn geen situaties bekend waarin een ambtenaar van de burgerlijke stand meewerkte aan een dergelijk bigaam huwelijk.
Ziet u het belang om het huwelijk als een uniek verbond van twee personen te beschermen, mede gezien de problemen die bij polygamie bestaan en die de overheid door middel van beleid probeert te bestrijden?
Het Nederlandse huwelijksrecht is ingericht op een huwelijk tussen twee personen. Dat waarborgt rechtszekerheid en gelijkwaardigheid binnen de relatie en biedt duidelijke kaders voor onder meer afstamming, gezag, erfrecht en vermogensrecht. Bigamie is strafbaar op grond van artikel 237 van het Wetboek van Strafrecht. Polygame verhoudingen kunnen leiden complexe, moeilijk te handhaven rechtsposities. Het kabinet ziet geen aanleiding van dit uitgangspunt af te wijken.
Wat vindt u, gelet op de wettelijke norm van monogamie en de strafbepaling inzake bigamie, van situaties waarin bewust de schijn wordt gecreëerd dat sprake is van een huwelijk met meer dan twee personen?
Zolang geen sprake is van een wettelijke huwelijksvoltrekking, is er geen sprake van bigamie. Tegelijkertijd past terughoudendheid en duidelijkheid bij ceremoniële bijeenkomsten met een formeel karakter vanwege betrokkenheid vanuit de overheid, om verwarring te voorkomen. Het is belangrijk om richting betrokkenen en aanwezigen duidelijk te maken dat een ceremonie geen rechtsgevolg heeft. Gemeenten kunnen hun buitengewoon ambtenaren van de burgerlijke stand (babs) daarop instrueren en, waar nodig, arbeidsrechtelijke maatregelen treffen als verwarring wordt veroorzaakt.
In hoeverre wordt in de informatievoorziening richting de babs en bij hun beëdiging aandacht besteed aan de wettelijke norm van monogamie en de betekenis ervan voor de verantwoordelijkheid van de babs?
Het is op grond van de wet verboden om gelijktijdig met meer dan één persoon te trouwen. Van een babs mag worden verwacht dat hij daarmee bekend is. Werkt hij toch, willens en wetens, mee aan de voltrekking van een bigaam huwelijk, dan pleegt hij een misdrijf.
Vindt u het te verenigen met de verantwoordelijkheid van de babs in het naleven van de wettelijke normen dat hij bewust meewerkt aan situaties waarin de schijn van bigamie wordt gewekt, bijvoorbeeld door in de ceremonie een plaats te geven aan het gebruik van aktes en getuigen? Zo ja, waarom? Zo nee, in hoeverre wordt het handelen van de babs meegewogen bij een nieuwe beëdiging?
Gemeenten signaleren een maatschappelijke behoefte aan huwelijksachtige ceremonies. Vaak gaat het om een herbevestiging van een langdurig huwelijk, soms ook, om de bevestiging van een nadrukkelijk buitenhuwelijkse relatie. De gemeente heeft geen formele rol in deze ceremonies. Wanneer een aangewezen gemeentelijke babs optreedt als ceremoniespreker zou dat wel tot verwarring kunnen leiden over de vraag of sprake is van een ceremonie of van een echt huwelijk. Gemeenten verlangen daarom gewoonlijk van door hen aangestelde babsen dat deze er duidelijk over zijn of zij een officieel huwelijk voltrekken of dat zij alleen een ceremonie uitvoeren. Houdt de babs zich niet aan de afspraken dan kan de gemeente besluiten om de arbeidsovereenkomst met de babs te beëindigen.
In hoeverre is bij de beëdiging van een babs voor een enkele dag bekend op welke situatie de beëdiging betrekking heeft? Vindt u ook dat een beëdiging voor situaties van schijnhuwelijken, waaronder bigame schijnhuwelijken, niet aan de orde kan zijn?
Bij beëdiging van een babs voor één dag is duidelijk op welke huwelijksvoltrekking of partnerschapsregistratie de beëdiging betrekking heeft. Gemeenten zullen vanzelfsprekend geen babs aanwijzen voor de voltrekking van een bigaam huwelijk.
Bent u bereid in overleg te treden met de Vereniging van Nederlandse Gemeenten (VNG) en de Raad voor de rechtspraak om meer duidelijkheid te creëren over de rol van de babs in het bewaken van de wettelijke positie van het monogame huwelijk?
Ik zie daarvoor geen aanleiding. De babs voltrekt enkel huwelijken tussen twee personen.
Het bericht dat er cruciale informatie over de jacht op Wolf Bram pas maanden later boven tafel kwam |
|
Tamara ten Hove (PVV) |
|
Silvio Erkens (VVD) |
|
|
|
|
Bent u bekend met het bericht «Jacht op wolf Bram verliep in diepste geheim en cruciale info komt pas maanden later boven tafel?»1
Ja.
Wat doet u precies om faunabeheerders en specifiek zij die belast zijn met het oplossen van een maatschappelijk probleem zoals overlast gevende wolven te beschermen, nu uit nieuwe documenten blijkt dat jagers veel last hadden van pro-wolfactivisten?
Ik betreur het zeer als uitvoerders van een vergunning hinder ondervinden bij het uitvoeren van hun werkzaamheden. Iedereen moet veilig zijn werkzaamheden kunnen uitvoeren. Het beleid rond overlastgevende wolven ligt echter primair bij provincies en gemeenten. Zij dragen er zorg voor dat de uitvoering goed wordt geregeld en het is aan eenieder om zich correct te gedragen tegenover anderen.
Ik ga tijdens het Nationaal Wolvenberaad met provincies en burgemeesters in gesprek waarbij ik ook zal bespreken welke ondersteuning ik kan bieden bij het uitvoeren van het beleid rond probleemwolven.
Hoe bestaat het dat activisten een wildcamera kapotmaken en er een fysieke confrontatie plaatsvindt met een faunabeheerder en deze activisten niet worden vervolgd? Wat is ervoor nodig om dit alsnog voor elkaar te krijgen?
Zowel de eigenaar van een camera als een faunabeheerder kan in zo’n geval aangifte doen. Zo’n aangifte wordt dan in behandeling genomen door het Openbaar Ministerie (OM). Dit kan ook achteraf. Het OM is niet bekend met aangiftes over het kapotmaken van wildcamera’s of van fysieke confrontaties.
Kunt u aangeven hoe vaak faunabeheerders de afgelopen vijf jaar bedreigd zijn en of dit tot vervolging heeft geleid? Indien nee, waarom niet? Heeft u de mensen in beeld die dit doen? Indien nee, waarom niet?
Het OM beschikt niet over gegevens over hoe vaak faunabeheerders worden bedreigd, omdat daarvan geen aangifte is gedaan. Daarnaast worden beschikbare registraties niet uitgesplitst naar de hoedanigheid van betrokkenen, zoals faunabeheerders. Om die redenen zijn hierover geen specifieke cijfers beschikbaar.
Kunt u een lijst met alle vernielingen en vermissingen van spullen, veroorzaakt door activisten om het werk van faunabeheerders te belemmeren, in de afgelopen vijf jaar met de Kamer delen? Indien nee, waarom niet?
Het OM beschikt niet over gegevens over hoe vaak eigendommen van faunabeheerders worden vernield of weggenomen indien daarvan geen aangifte wordt gedaan. Daarnaast worden beschikbare registraties niet uitgesplitst naar de hoedanigheid van betrokkenen, zoals faunabeheerders of activisten. Om die redenen zijn hierover geen specifieke cijfers beschikbaar.
Deelt u de mening dat wolf Bram vanwege het bijten van vier mensen en het doodbijten van twee honden een groot maatschappelijk probleem bleek en dat wat dat betreft de faunabeheerders vanuit de provincie als bevoegd gezag volledige ondersteuning verdienen? Zo ja, hoe kan het kabinet hier een bijdrage aan leveren?
Ja, er was sprake van een probleemwolf. In mijn amvb heb ik de definities van probleemwolven vastgelegd, zodat er duidelijkheid ontstaat over situaties zoals die zich in de provincie Utrecht hebben voorgedaan. Met de amvb lever ik een bijdrage aan het oplossen van dit maatschappelijk probleem.
Deelt u de mening dat de uitvoering van deze taak onder grote maatschappelijke druk is uitgevoerd, er grote zorgen waren over de verdere escalatie van het gedrag van deze wolf en mogelijke fatale gevolgen voor mensen? Bent u bereid om provincies hier meer in te ondersteunen en erop toe te zien dat de uitvoerende faunabeheerders vanuit alle overheidsdiensten volledige ondersteuning en medewerking krijgen?
Ja, die mening deel ik. Ik heb dan ook waardering voor zowel de zorgvuldigheid die de provincie heeft getoond bij het tot stand komen van de afschotvergunning als voor de uitvoering hiervan. Met de amvb beoog ik de provincies te ondersteunen in de uitvoering van hun beleid rond probleemwolven. Ik heb aan de provincies mijn ondersteuning toegezegd daar waar zij in de praktijk wellicht tegen juridische procedures als gevolg van de amvb aanlopen. Verder, wanneer mensen zich bijvoorbeeld niet aan toegangsregels van gebieden houden, kunnen uitvoerders die hier hinder van ondervinden dit melden bij een terreinbeherende organisatie die vervolgens kan optreden. Zie ook het antwoord op vraag 2.
Kunt u deze vragen voorafgaand aan het debat over de Wolf in Nederland van 1 september 2026 beantwoorden?
Ja.
Het bericht dat de Inspectie Gezondheidszorg en Jeugd (IGJ) moet krimpen van 950 naar 650 arbeidsplaatsen |
|
Marijke Synhaeve (D66) |
|
Mirjam Sterk (CDA) |
|
|
|
|
Bent u bekend met de berichten «IGJ moet krimpen van 950 naar 650 arbeidsplaatsen»1 en «Zwaarbelaste toezichthouder op de zorg moet ook nog eens inkrimpen»2?
Ja.
Wanneer en op welke wijze is de Kamer specifiek geïnformeerd over deze ingrijpende krimpopgave bij de Inspectie Gezondheidszorg en Jeugd (IGJ)?
De Tweede Kamer is eerder geïnformeerd over de financiële taakstellingen waarmee de Rijksoverheid en daarmee ook de IGJ te maken hebben3. Bij de IGJ gaat het onder meer om kortingen en taakstellingen vanaf 2022 en om het aflopen van incidenteel toegekende budgetten, zoals de WAU-middelen. In het Jaarbeeld IGJ 2025 is aangegeven dat de IGJ als gevolg hiervan haar formatie heeft moeten verlagen. Ook is aangegeven dat deze bezuinigingen de komende jaren effect zullen hebben en dat de IGJ hiervoor een meerjarig plan opstelt.
De omvang van de reductie en de wijze waarop de IGJ deze de komende jaren wil realiseren, zijn onderdeel van de verdere uitwerking door de IGJ. De IGJ is verantwoordelijk voor de inrichting van haar organisatie binnen de geldende financiële en wettelijke kaders.
Klopt het, zoals in het artikel van Zorgvisie wordt bericht, dat het Ministerie van VWS vanaf het begin bij deze opgave is betrokken? Kunt u toelichten op welke momenten en op welk niveau dit is gebeurd, en wat de inzet van u daarbij is geweest?
Het Ministerie van VWS is vanuit zijn verantwoordelijkheid voor de IGJ betrokken bij de financiële en organisatorische kaders waarbinnen de IGJ haar taken uitvoert. Daarbij geldt dat de IGJ als toezichthouder onafhankelijk is in de uitvoering van haar toezicht.
De huidige personele opgave is het gevolg van de financiële kaders en de daaruit voortvloeiende taakstellingen waarmee de IGJ te maken heeft. De precieze vertaling daarvan naar de organisatie en de personele formatie is de verantwoordelijkheid van de IGJ.
De IGJ en VWS zijn hierover met elkaar in gesprek. Voor het kabinet staat daarbij voorop dat de IGJ haar wettelijke taken als onafhankelijk toezichthouder effectief en risicogericht moet kunnen blijven uitvoeren, opdat zij haar rol bij het borgen en verbeteren van de kwaliteit en veiligheid van de zorg kan blijven vervullen. De beschikbare capaciteit en de prioriteiten binnen het toezicht moeten daarom met elkaar in balans zijn.
De IGJ werkt aan een verdere ontwikkeling van haar toezicht, onder meer door meer datagedreven te werken en keuzes te maken in de wijze waarop toezicht wordt uitgevoerd.
Op welke manier is de arbeidsbesparing die het bestuur van de IGJ denkt te behalen onderbouwd? Kunt u inzichtelijk maken hoe groot de besparing is per zorgsector en per deeltaak van de IGJ?
De veranderopgave van de IGJ vloeit zowel voort uit de ontwikkelingen in de zorg als uit de verwachte afname van het beschikbare budget. Om met minder mensen effectief toezicht te kunnen blijven houden, zal de IGJ haar toezicht nog meer risicogericht, gedifferentieerd en sector overstijgend vormgeven.
De IGJ zet daarbij onder meer in op het versterken van haar informatiepositie, proactief en risicogericht toezicht, een regionale oriëntatie, sectoroverstijgend werken, de inzet van multidisciplinaire teams en een bredere inzet van specialistische kennis. Ook wil de IGJ individuele signalen selectiever opvolgen en specifieke toezichtafspraken maken met aanbieders die aantoonbaar professioneel sturen op kwaliteit en veiligheid. Daarnaast werkt de IGJ aan een versterking van de inzet van data en risicoanalyses, zodat de beschikbare toezicht capaciteit gerichter kan worden ingezet.
De precieze personele gevolgen van deze veranderingen en de verdeling daarvan over de verschillende taken zijn nog niet definitief vastgesteld. Daarom kan op dit moment geen onderbouwde uitsplitsing van de arbeidsbesparing per zorgsector of deeltaak worden gegeven.
Kan de IGJ met deze verminderde capaciteit alle taken blijven uitvoeren die zij momenteel uitvoert, mede gelet op het jaarlijks stijgende aantal meldingen, de al twee jaar geldende vacaturestop en de oplopende werkdruk?
De IGJ maakt ieder jaar keuzes binnen de grote diversiteit aan taken. De veranderingen in de zorg en het feit dat het financiële kader van de IGJ de komende zes jaar krimpt, vragen om een andere inrichting van het toezicht en om scherpe inhoudelijke keuzes. Deze plannen worden momenteel uitgewerkt. Het Ministerie van VWS is vanuit zijn verantwoordelijkheid voor de IGJ betrokken bij de financiële en organisatorische kaders waarbinnen de IGJ haar taken uitvoert.
Deelt u de verwachting van de inspecteur-generaal dat datagericht en risicogericht werken de krimp grotendeels kan opvangen? Waarop is die verwachting gebaseerd, mede in het licht van de kanttekening van hoogleraar gezondheidsrecht Legemaate dat voor veel inspectietaken mensen nodig blijven zoals tuchtzaken en het bezoeken van instellingen?
Het kabinet steunt de inzet van de IGJ om door meer data- en risicogericht te werken de beschikbare toezicht capaciteit zo effectief mogelijk in te zetten.
Tegelijkertijd blijven professionele beoordeling, specialistische kennis en toezicht op locatie voor verschillende toezichtstaken noodzakelijk. Datagedreven werken is daarom vooral een middel om de beschikbare capaciteit gerichter in te zetten en geen volledige vervanging van menselijk toezicht.
Hoe rijmt deze krimpopgave met de inzet van het kabinet, op basis van het coalitieakkoord, op de aanpak van zorgfraude, mede gezien het bericht dat onlangs al een fraudeteam van de IGJ is opgeheven?
De krimpopgave en de aanpak van zorgfraude staan los van elkaar. Het is daarom niet juist om uit de krimpopgave te concluderen dat het kabinet minder prioriteit geeft aan de aanpak van zorgfraude. De aanpak van zorgfraude is juist een expliciete prioriteit van het kabinet, onder meer naar aanleiding van het coalitieakkoord en het Aanvullend Zorg- en Welzijnsakkoord (AZWA).
Ook de beëindiging van het tijdelijke programma Integere Bedrijfsvoering en Zorgverwaarlozing (IBZ) van de IGJ staat hier los van. De IGJ beschouwt zorgfraude als een prioriteit en heeft aangegeven dat de binnen het programma opgebouwde kennis, ervaring en werkwijzen worden geborgd in de lijnorganisatie. De IGJ blijft toezicht houden op zorgfraude en blijft samenwerken met andere partijen binnen de fraudeketen.
Op welke manier kan worden gegarandeerd dat de reductie in personeel de aanpak van misstanden in de jeugdzorg niet in het gedrang brengt?
De kwaliteit en veiligheid van jeugdhulp en de bescherming van kinderen en jongeren zijn belangrijke prioriteiten van het kabinet. De IGJ houdt toezicht op de kwaliteit en veiligheid van de jeugdhulp. De IGJ zal in haar toezicht aandacht blijven besteden aan de misstanden in de jeugdzorg. De wijze waarop de IGJ dit doet, wordt jaarlijks bepaald.
Kunt u garanderen dat deze ingrijpende krimpopgave bij de IGJ niet ten koste gaat van de uitvoering van de motie van het lid Synhaeve c.s. (Kamerstuk 31 839, nr. 1155) waarin jeugdhulpaanbieders en hun medewerkers altijd vooraf gescreend worden in plaats van de huidige situatie waarin de IGJ reactief handelt?
Het kabinet onderzoekt momenteel hoe deze motie kan worden uitgevoerd.
Is u bekend dat de IGJ voor oktober een meerjarenbeleidsplan en begin 2027 een reorganisatieplan prsenteert? Bent u bereid de Kamer over beide plannen te informeren voordat onomkeerbare stappen worden gezet?
Ja, het kabinet is bekend met de voorgenomen planning van de IGJ. De IGJ is onafhankelijk en maakt binnen de geldende wettelijke en financiële kaders haar eigen afwegingen over de inrichting en uitvoering van het toezicht. Tegelijkertijd draagt de Minister van VWS ministeriële verantwoordelijkheid voor de IGJ. Daarom vindt regelmatig inhoudelijk overleg plaats tussen het Ministerie van VWS en de IGJ, onder meer over de prioritering en de te maken keuzes.
De IGJ werkt momenteel aan een nieuw Meerjarenbeleidsplan en het Jaarplan 2027. Zoals ook bij het huidige meerjarenbeleidsplan en jaarplan is gebeurd, zal het kabinet deze plannen na vaststelling aan de Kamer sturen.
Kunt u deze vragen voor het commissiedebat «Goed bestuur en toezicht in de zorg (+IGJ en Zorgfraude)» en afzonderlijk van elkaar beantwoorden?
Ja.
Het bericht ‘Aantal Nederlandse muziekstudenten op conservatoria fors gedaald’ |
|
Eveline Tijmstra (CDA) |
|
Letschert |
|
|
|
|
Heeft u kennisgenomen van het bericht dat het aantal Nederlandse studenten op de conservatoria de afgelopen jaren fors is afgenomen en wat is uw reactie op deze ontwikkeling?1
Ja, ik heb hiervan kennisgenomen. De indruk dat het aantal Nederlandse studenten dat begint aan een opleiding op een conservatorium afneemt, was een van de aanleidingen voor een onderzoek dat in opdracht van OCW is uitgevoerd door onderzoeksbureau Blueyard dat heeft geresulteerd in het rapport «Toegang tot de top. Strategische verkenning naar toptalentontwikkeling in klassieke muziek en dans in Nederland». Ik stuur het rapport als bijlage mee met deze beantwoording.
Is het aandeel Nederlandse studenten alleen in relatieve zin of ook in absolute zin gedaald en zo ja, met hoeveel en wat zijn hiervan volgens u de oorzaken?
Het NOS-artikel gaat alleen in op de masteropleidingen, maar de bacheloropleidingen zijn ook relevant. In de cijfers zijn ook de opleidingen Docent Muziek niet meegenomen. Deze studenten worden opgeleid tot muziekdocent in het funderend onderwijs en daarbuiten, bijvoorbeeld als zzp’er of bij een cultureel centrum.
Hieronder vindt u een overzicht van de cijfers van Nederlandse en internationale studenten van de bachelor- en mastermuziekopleidingen tussen 2006 en heden, inclusief de absolute aantallen:
Op grond van bovenstaande data constateer ik dat de berichtgeving over terugval van het percentage Nederlandse studenten enige nuancering nodig heeft. Uit de cijfers blijkt dat het percentage Nederlandse bachelorstudenten in de loop van de tijd niet is gedaald, maar het percentage Nederlandse masterstudenten wel. NOS geeft over de masterstudenten aan dat het percentage tussen 2006/2007 en 2025/2026 is teruggevallen van 52% naar 22%. Ik constateer een afname van 43% naar 22%.
De verdeling tussen Nederlandse en internationale studenten loopt per conservatorium wel uiteen; sommige conservatoria hebben een meer internationaal profiel dan andere. Daarbij gaan instellingen zelf over de invulling van hun selectieprocedure. Selecteren op basis van nationaliteit is niet mogelijk.
Het is duidelijk dat het kunstonderwijs in Nederland relatief veel internationale studenten aantrekt. De commissie Bussemaker constateert in «ACT! Naar een assertief, collectief en transformatief kunstonderwijs» dat Nederlandse kunstopleidingen internationaal worden erkend als toonaangevend.2 Het onderzoeksrapport «Toegang tot de top» geeft aan dat het Sectorplan HBO-kunstonderwijs 2011 «Focus op toptalent» hier mogelijk een rol in heeft gespeeld.3 In lijn met de focus destijds op (internationaal) toptalent in het hbo en wo als geheel, was het doel van dit sectorplan om het Nederlandse kunstonderwijs zijn vooraanstaande internationale positie verder te laten versterken. Kunstopleidingen zijn zich gaan ontwikkelen vanuit een bewuste onderwijsvisie met een internationaal en intercultureel karakter. Deze internationale uitwisseling draagt bij aan het Nederlandse culturele en creatieve werkveld en cultuuraanbod. Tegelijkertijd kan geconstateerd worden dat indertijd al is gewaarschuwd dat Nederland de eigen voedingsbodem voor talent dan ook moest onderhouden4. Er bestaat zo mogelijk een spanningsveld tussen de focus op excellentie en internationaal toonaangevend onderwijs en voldoende ruimte behouden voor de toegankelijkheid en het opleiden van het Nederlands talent.
Deelt u de zorg dat de afnemende instroom van Nederlandse studenten aan conservatoria mede het gevolg is van een afgenomen aanbod van toegankelijk en betaalbaar buitenschools muziekonderwijs in gemeenten, onder meer door het verdwijnen van muziekscholen? Zo nee, waarom niet?
Een van de conclusies in het onderzoeksrapport «Toegang tot de top» is dat talentontwikkeling bestaat uit een ecosysteem van verschillende elementen die elkaar beïnvloeden en gelijktijdig met elkaar samenwerken. Het bestaan van buitenschools muziekonderwijs is daarin één van die elementen, maar zeker niet het enige. Ik vind het wenselijk dat dit gehele ecosysteem goed werkt en dat alle talenten binnen het ecosysteem voldoende mogelijkheden hebben om zich te ontwikkelen.
Onderschrijft u dat cultuureducatie en muziekonderwijs bijdragen aan de brede ontwikkeling van kinderen, onder meer op het gebied van concentratie, taalontwikkeling, sociale vaardigheden, creativiteit en welzijn en welke plaats geeft het kabinet deze maatschappelijke waarde in het cultuur- en onderwijsbeleid?
Ik onderschrijf dat cultuureducatie (waaronder muziekonderwijs) bijdraagt aan de brede ontwikkeling van kinderen. Cultuureducatie leert kritisch en creatief denken, zorgt voor de ontwikkeling van sociale en culturele vaardigheden en draagt bij aan creatieve ontplooiing en talentontwikkeling. Vanwege deze maatschappelijke waarde zet het kabinet zich in om kinderen en jongeren in contact te laten komen met kunst en cultuur op school en daarbuiten. Cultuureducatie is onderdeel van het curriculum in het funderend onderwijs via de kerndoelen kunst en cultuur. Muziek is hierbinnen een verplichte discipline. Voor het gehele leergebied kunst en cultuur zijn geactualiseerde kerndoelen opgesteld die naar verwachting per 1 augustus 2027 in werking zullen treden. Naast deze wettelijke taak voor scholen stimuleert het Ministerie van OCW, gezamenlijk met onder andere provincies en gemeenten, cultuureducatie in den brede op school en daarbuiten met programma’s zoals Cultuureducatie met Kwaliteit, de Cultuurkaart in het vo en mbo, het programma Méér Kunst en Cultuur in School en Omgeving, en de cultuurcoaches.
Heeft het kabinet inzicht in de verschillen tussen gemeenten en regio’s in de beschikbaarheid, bereikbaarheid en betaalbaarheid van muziekonderwijs en cultuureducatie voor kinderen en in de gevolgen van gemeentelijke bezuinigingen en beleidskeuzes?
In het recent opgeleverde onderzoeksrapport «Geografische spreiding van cultuur» zijn acht verschillende sectoren onderzocht, waaronder cultuurbeoefening. Voor de sector cultuurbeoefening is gekeken naar organisaties gericht op cultuureducatie en cultuurparticipatie. In dit onderzoek is muziekonderwijs meegenomen onder de brede noemer cultuurbeoefening. Het rapport laat zien dat basisvoorzieningen, zoals cultuurbeoefening, relatief gelijkmatig over het land verspreid en toegankelijk zijn.5
Het rapport biedt ook inzicht in de overheidsuitgaven aan cultuur. Wat betreft de totale uitgaven aan cultuurbeoefening komt het grootste deel vanuit gemeenten. Op gemeentelijk niveau zijn verschillen in de uitgaven aan cultuurbeoefening zichtbaar: er is sprake van enkele uitschieters en van een groep gemeenten met relatief lage uitgaven per inwoner aan cultuurbeoefening ten opzichte van het gemiddelde. Gemeenten die dit betreft kennen geen duidelijke overeenkomsten, waardoor aannemelijk is dat de verschillen samenhangen met lokale beleidskeuzes.6
De «Monitor gemeentelijk beleid voor cultuurbeoefening op school en in de vrije tijd 2026» laat ook zien dat het grootste gedeelte van de gemeenten (88%) beleid heeft voor cultuurbeoefening, meestal voor zowel school als de vrije tijd. Van deze gemeenten richt 60% zich met diverse beleidsinstrumenten op centra voor de kunsten en muziekscholen.7
Deelt u de opvatting dat de mogelijkheid om een instrument te leren bespelen niet afhankelijk mag zijn van de gemeente waarin een kind woont? Zo ja, welke rol ziet u voor het Rijk om deze verschillen te verkleinen?
Het is aan gemeenten om te bepalen hoe zij de lokale infrastructuur voor cultuurbeoefening ondersteunen en wat, zoals bijvoorbeeld muziekscholen. Wel zijn er tussen het Rijk, de Vereniging van Nederlandse Gemeenten (VNG) en het Interprovinciaal Overleg (IPO) Bestuurlijke Afspraken Cultuurbeoefening 2025–2028 afgesloten. Hierin is een van de ambities dat wordt ingezet op een sterk ecosysteem voor cultuurbeoefening, waarin iedereen de mogelijkheid heeft een leven lang cultuur te beoefenen. Onder deze ambitie valt onder andere de afspraak dat de ondertekenende partijen vanuit de eigen verantwoordelijkheid gezamenlijk werken aan basisvoorzieningen voor onder andere cultuureducatie en – participatie, amateurkunst en talentontwikkeling in stad, dorp, landelijk gebied en het Caribisch deel van het Koninkrijk.
Hoe kijkt u naar de rol van muziekscholen en Lokaal Muziekles, waar muzikaal talent begint, als onderdeel van het culturele ecosysteem van Nederland en welke rol ziet u hierin voor het kabinet?
Muziekscholen hebben een belangrijke functie als kweekvijver voor muzikaal talent. Naast gemeentelijk gesubsidieerde muziekscholen en kunstcentra waar ook muziekles wordt gegeven, zijn er ook particuliere instellingen – zoals Lokaal Muziekles – en zzp’ers die muzieklessen aanbieden en die een belangrijke rol hebben bij talentontwikkeling. Zoals ik bij antwoord 6 aangaf, heb ik bestuurlijke afspraken gemaakt met IPO en VNG om te werken aan basisvoorzieningen voor onder andere cultuureducatie en talentontwikkeling, het is hierbij aan gemeenten om te bepalen hoe zij dit ondersteunen.
In hoeverre verwacht u dat het eerder ingezette beleid voor de versterking van amateurkunst, bijvoorbeeld via de Regeling Versterking landelijke infrastructuur amateurkunst, voldoende effect heeft om de beschikbaarheid en toegankelijkheid van muziekonderwijs en cultuureducatie voor kinderen te verbeteren?
Dit jaar is de regeling Versterking landelijke infrastructuur amateurkunst opengesteld voor de periode 2026–2028. De focus van deze regeling ligt op het versterken van de landelijke infrastructuur amateurkunst door bijvoorbeeld samenwerkingen tussen provinciale steuninstellingen, amateurkunstinstellingen en amateurkunstgroepen. Ik verwacht dat dit positief effect gaat hebben op de beschikbaarheid, toegankelijkheid en ondersteuning van muziekonderwijs en cultuureducatie voor kinderen. Daarnaast ziet het beleid op cultuureducatie erop toe dat kinderen via school in aanraking komen met kunst en cultuur, waaronder muziek. Momenteel wordt gewerkt aan een aanpak om het beleidsinstrumentarium voor cultuureducatie en de infrastructuur die daarmee de afgelopen jaren is opgebouwd te verankeren, samenhangender en steviger te maken voor de periode na 2029. Ook daarvan verwacht ik dat cultuureducatie – waaronder muziek – toegankelijker wordt voor kinderen in heel Nederland.
Welke gevolgen verwacht u van de afnemende instroom van Nederlandse conservatoriumstudenten voor de toekomstige beschikbaarheid van professionele musici, muziekdocenten en orkestleden?
In de professionele Nederlandse orkesten zijn al veel internationale musici werkzaam en dat is op zich geen bezwaar; de klassieke muzieksector is nu eenmaal een internationale sector. Ik ben wel van mening dat de infrastructuur in Nederland zodanig moet zijn dat in Nederland opgroeiende toptalenten een kans hebben om een opleiding te volgen aan het conservatorium en uiteindelijk door te stromen naar professionele orkesten. Zoals in «Toegang tot de top» wordt beschreven is de sector bovendien circulair: toptalenten worden zelf docent, dirigent of rolmodel en houden daarmee de ontwikkeling van nieuwe generaties talent in stand. Internationale studenten gaan dit naar verwachting minder vaak doen: er zijn duidelijke signalen dat zij de kennis van het Nederlands ontberen die nodig is om aan te sluiten op de Nederlandstalige arbeidsmarkt en ze zijn vaker georiënteerd op de internationale arbeidsmarkt. Dat kan het ecosysteem onder druk zetten.
Vindt u dat Nederland een verantwoordelijkheid heeft om te zorgen voor een duurzame voedingsbodem voor eigen muzikaal talent? Zo ja, hoe geeft u daar invulling aan samen met provincies en gemeenten?
Ik vind het wenselijk dat er een rijk muziekleven is in Nederland, met voldoende mogelijkheden voor in Nederland opgegroeide kinderen om op het hoogste niveau mee te doen. Ook onderzoeksrapport «Toegang tot de top» constateert dat er gaten lijken te zitten in het ecosysteem. Ik zet me er daarom voor in dat de voorwaarden hiervoor verbeteren. In de Bestuurlijke Afspraken Cultuurbeoefening 2025–2028 is talentontwikkeling onderwerp van gesprek met de provincies en gemeenten. Het onderzoeksrapport «Toegang tot de top» is aanleiding om hierover het gesprek voort te zetten.
Kunt u uiteenzetten hoe het kabinet uitvoering geeft aan het voornemen uit het coalitieakkoord om extra aandacht te hebben voor talentontwikkeling, muziekscholen en landelijke dekking van cultuurvoorzieningen?
Talentontwikkeling heeft vele verschillende aspecten en spelers. Naast de inzet met provincies en gemeenten via de Bestuurlijke Afspraken Cultuurbeoefening 2025–2028 (zie de antwoorden op vragen 6, 7 en8 zie ik ook een rol voor de Rijkscultuurfondsen in het kader van hun opdracht voor het cultuurbestel 2029 en verder. Mijn ambitie is om zowel met de andere overheden als de Rijkscultuurfondsen stappen te zetten om lacunes waar mogelijk op te vullen.
De afhandeling van geweld en belediging van politieagenten |
|
Ingrid Coenradie (PVV) |
|
David van Weel (VVD) |
|
|
|
|
Bent u bekend met signalen van politieagenten dat zaken betreffende geweld tegen politieagenten en belediging van politieagenten in de praktijk regelmatig worden geseponeerd of slechts beperkt strafrechtelijk worden afgedaan?
Nee, deze signalen ken ik in zijn algemeenheid niet. Het Openbaar Ministerie (OM) neemt deze zaken juist zeer ernstig op. Deze worden met prioriteit behandeld en het sepotpercentage is in deze zaken lager dan gemiddeld. In 2025 werd volgens het jaarbericht van het OM 31 procent van de totale uitstroom onvoorwaardelijk geseponeerd1, terwijl in Veilig Publieke Taak-zaken in 2025 slechts 14 procent onvoorwaardelijk werd geseponeerd2 en in Geweld Tegen Politieambtenaren (GTPA)-zaken slechts 17,8 procent. Laatstgenoemde percentage blijkt uit de tabel in het antwoord op vraag 2. Een onvoorwaardelijke sepot betekent dat het OM onvoorwaardelijk afziet van vervolging. Bij een voorwaardelijk sepot zijn er voorwaarden verbonden aan het sepot, bijvoorbeeld verplichte begeleiding door Reclassering Nederland. Dit betekent niet dat er geen sepots voorkomen, bijvoorbeeld als het wettig en overtuigend bewijs ontbreekt of als een andere afdoening prevaleert om een duurzame afdoening te verkrijgen.
Hoeveel aangiften en processen-verbaal wegens geweld en belediging tegen politieagenten zijn in de afgelopen vijf jaar door het Openbaar Ministerie (OM) afgedaan met een sepot of een voorwaardelijk sepot? Kunt u deze cijfers per jaar uitsplitsen?
Het OM spant zich samen met de politie in voor mensen met een veilige publieke taak (VPT). In verband hiermee worden ook de Eenduidige Landelijke Afspraken (ELA) bij agressie en geweld tegen functionarissen met een publieke taak geactualiseerd. Dit zijn opsporings- en vervolgingsafspraken van de politie en het OM. Deze afspraken zien op de strafrechtelijke aanpak van agressie en geweld tegen functionarissen met een publieke taak. De huidige versie van de ELA geldt sinds 2010. In 2025 heb ik toegezegd de ELA te zullen herzien en om daarbij de bevindingen uit de praktijk en de verschillende evaluaties te betrekken3. Naar verwachting ontvangt uw Kamer in het derde kwartaal van 2026 de herziene versie van de ELA.
Om de vervolging van VPT-zaken voor de samenleving inzichtelijk te maken publiceert het OM ieder jaar in april een memo overzicht en duiding VPT. In onderstaande tabel staat het totaal aantal ter vervolging ingestroomde VPT-zaken over de jaren 2021 t/m 2025. Onder het totaal aantal ingestroomde VPT-zaken staan de aantallen die onder de door het OM met de maatschappelijke kwalificatie Geweld Tegen Politieambtenaren (GTPA) ter vervolging zijn ingestroomd en daaronder zijn de aantallen voorwaardelijke – en onvoorwaardelijk sepots opgenomen.
9.823
9.911
9.113
9.110
9.811
– Vw sepot
322
407
366
358
383
– Ov sepot
793
902
842
767
810
% GTPA geseponeerd
17,1%
18,9%
19,8%
18,5%
17,8%
Wat zijn de meest voorkomende sepotgronden in zaken waarin politieagenten slachtoffer zijn van geweld of belediging? Kunt u hiervan een overzicht geven?
De meest voorkomende sepotgrond bij een onvoorwaardelijke sepot is «onvoldoende bewijs». Bij een voorwaardelijke sepot is dat «ander dan strafrechtelijk ingrijpen prevaleert». In dat geval prevaleert bijvoorbeeld bestuursrechtelijk of tuchtrechtelijk ingrijpen.
Hoeveel zaken wegens geweld en/of belediging van politieagenten hebben in de afgelopen vijf jaar geleid tot een strafbeschikking, transactie of veroordeling door de rechter? Kunt u deze cijfers per jaar uitsplitsen?
De cijfers die ik van het OM heb ontvangen, zijn niet uitgesplitst naar geweld en/of belediging. Over de afdoening van GTPA-zaken kan ik de onderstaande cijfers verstrekken. Hierin staat weergeven hoeveel zaken zijn afgedaan met een transactie/ OM-strafbeschikking en hoeveel zaken aan de rechter zijn voorgelegd. Het totaal aantal zaken dat is geseponeerd treft u in de tabel bij het antwoord op vraag 2.
1.143
1.403
1.273
1.304
1.669
4.132
4.045
3.897
3.922
3.650
Herkent u de signalen uit de politiepraktijk dat ernstige beledigingen van agenten, waaronder bedreigende en intimiderende uitlatingen tijdens de uitoefening van hun functie, met regelmaat worden geseponeerd? Zo ja, hoe beoordeelt u deze ontwikkeling? Zo nee, waarop baseert u dat?
Deze signalen herken ik in zijn algemeenheid niet. Zie hiervoor ook het antwoord op vraag 2. Daarbij hecht ik eraan het volgende op te merken. Intimiderende en bedreigende uitlatingen kunnen een grote impact hebben op agenten en zijn moreel verwerpelijk. Vanuit strafrechtelijk perspectief geldt echter dat intimiderende en bedreigende uitlatingen niet altijd een strafbaar feit opleveren. Waar het wel een (mogelijk) strafbaar feit oplevert, pakt het OM deze zaken met prioriteit op.
Van het OM heb ik, zoals hiervoor weergegeven, jaarcijfers ontvangen van het totaal aantal GTPA-zaken die ter vervolging zijn ingestroomd. Daarbij is tevens het aantal voorwaardelijke en onvoorwaardelijke sepots gegeven. Zie hiervoor ook de antwoorden op vraag 1, 3 en 4.
Deelt u de opvatting dat een consequente bestraffing van geweld en ernstige belediging van politieagenten essentieel is voor het gezag van de politie, de veiligheid van onze dienders en de norm dat agressie tegen hulpverleners onacceptabel is? Zo nee, waarom niet?
Geweld en agressie tegen mensen met een publieke taak is onacceptabel en dit geldt zeer zeker ook voor politiemedewerkers. Een krachtige strafrechtelijke aanpak van geweld en agressie tegen alle functionarissen met een publieke taak is essentieel.
De politie heeft als werkgever een belangrijke rol in de ondersteuning van politiemedewerkers die tijdens het uitvoeren van hun werk te maken krijgen met geweld en agressie. Zo is er binnen de politie een Integrale Aanpak Geweld Tegen Politieambtenaren. Deze aanpak is gericht op de bescherming van politiemedewerkers door opleiding, registratie en vroegsignalering. De leidinggevenden vervullen een ondersteunende rol in de zorg en aandacht voor de mentale weerbaarheid van hun medewerkers. Ook wordt er in debriefings aandacht besteed aan het delen van nare ervaringen tijdens de dienst. Indien dit het geval is worden de betreffende politiemedewerkers 3 á 4 weken later uitgenodigd voor een groepsgesprek samen met een psycholoog. Ook is het Team Collegiale Ondersteuning ingericht voor ondersteuning voor en door collega’s na ingrijpende en schokkende gebeurtenissen in het werk.
Verder benoemt het OM in het requisitoir de bijzondere positie van het slachtoffer en motiveert de strafeis met inachtneming van de toepasselijke aanwijzingen van het College, als ook een afwijking daarvan. In beginsel wordt door het OM in VPT-zaken een aanmerkelijk hogere sanctie opgelegd of straf geëist. Voor mij is op basis van de geleverde informatie niet aannemelijk dat geweld en agressie van politiemedewerkers niet consequent wordt vervolgd en bestraft.
Ik informeer u op korte termijn over de herziening van de ELA bij agressie en geweld tegen functionarissen met een publieke taak tussen de politie en het OM. Met deze herziening wordt beoogd om de politie en het OM nog beter in staat te stellen om VPT-delicten met meer prioriteit en kwaliteit af te handelen.
Bent u bereid samen met het OM te onderzoeken of de huidige afdoeningspraktijk in zaken van geweld en belediging van politieagenten in overeenstemming is met het uitgangspunt dat agressie en geweld tegen publieke functionarissen een hoge opsporings- en vervolgingsprioriteit hebben? Zo nee, waarom niet?
Zie antwoord vraag 6.
Deelt u de opvatting dat de overheid haar eigen politieagenten in de steek laat wanneer geweld en ernstige belediging van politieagenten niet consequent worden vervolgd en bestraft? Zo nee, waarom niet?
Zie antwoord vraag 6.
Herinnert u zich uw Kamerbrief van 13 juli jl. waarin u aangeeft niets de doen met de Kameruitspraak om te onderzoeken of slachtoffers van Hawija individueel kunnen worden gecompenseerd?
Ja.
Erkent u dat de Kamerbrief geen nieuwe informatie of argumenten bevat die de leden niet al tot zich hadden genomen voor de stemming over de motie?
Het is aan de leden zelf om te bepalen welke argumenten zij meenemen in hun overwegingen voor een stemming.
Erkent u dat er in de motie niet wordt gesproken over de aansprakelijkheid van de gevolgen van de wapeninzet door de Nederlandse staat, en deze motie dus ook los staat van de rechtszaak die wordt gevoerd door slachtoffers?
Ja.
Klopt het dat andere partnerlanden en Nederland zelf in het verleden vrijwillige (ex gratia) betalingen hebben uitgekeerd aan burgerslachtoffers zonder dat er sprake was van aansprakelijkheid? Zo ja, hoe verhoudt zich dit tot het argument dat het uitkeren van individuele vrijwillige betalingen in de zaak Hawija «de verwachting zou wekken dat er ook bij toekomstige, legitieme wapeninzet – die correct en binnen de kaders van het humanitair oorlogsrecht wordt uitgevoerd – een vrijwillige vergoeding op individueel niveau zou volgen»?
Als uitgangspunt geldt dat Defensie bij een legitieme krijgshandeling onder het humanitair oorlogsrecht niet verplicht is tot compensatie voor burgerslachtoffers. Dat kan anders liggen in geval van onrechtmatig geweldgebruik of een rechterlijke uitspraak. Het beleid van Defensie ten aanzien van vrijwillige financiële compensatie (zogenoemde ex-gratia betalingen) is gericht op maatwerk.1 Nederland heeft in het verleden, bijvoorbeeld in Afghanistan in de periode 2002–2021, net als meerdere partnerlanden vrijwillige vergoedingen op individueel niveau uitgekeerd.2 De aard van de inzet in Afghanistan verschilde wezenlijk van die in Irak tegen ISIS: in Afghanistan was sprake van een wederopbouwmissie, terwijl de inzet in Irak gericht was op het bestrijden van ISIS. Dergelijke variabelen, zoals de aard van de wapeninzet en de context van een conflict, zorgen voor verschillende afwegingen bij het al dan niet toekennen van vrijwillige individuele financiële vergoedingen.
Voorkomen moet worden dat de verwachting ontstaat dat bij toekomstig, rechtmatig geweldgebruik op een legitiem doel tijdens een gewapend conflict3, een vrijwillige vergoeding op individueel niveau zou volgen terwijl er geen reden is om van het hiervoor beschreven uitgangspunt af te wijken.
Kunt u bevestigen dat de afgelopen jaren telkens tevens praktische bezwaren zijn geuit tegen individuele vergoedingen – zoals dat het onmogelijk is om te achterhalen wie er schade hebben geleden –, zonder dat hier serieus onderzoek naar is gedaan? Zo nee, op welke wijze is deze optie onderzocht?
De vraag wat het kabinet voor de slachtoffers en nabestaanden kan doen, is een belangrijk en terugkerend onderdeel geweest van de inspanningen van Defensie. Het kabinet heeft de opties in kaart gebracht voor een vrijwillige vergoeding aan (de nabestaanden van) de slachtoffers en/of gemeenschap, zoals eerder aan uw Kamer gemeld.4 Over de overwegingen om niet over te gaan tot individuele vergoeding is uw Kamer de afgelopen jaren meermaals geïnformeerd, zoals ook uiteengezet in de Kamerbrief «Reactie-BOOS-uitzending over Hawija» van 19 mei 2026.5 Alhoewel niet doorslaggevend, klopt het dat er verschillende praktische bezwaren zijn geuit als onderdeel van deze overwegingen, waardoor het kabinet het nog altijd zeer moeilijk acht om op een verantwoorde wijze individuele vergoeding te realiseren.
Kunt u bevestigen dat reeds in 2020, toen er werd gekozen door het toenmalige kabinet om niet over te gaan tot individuele compensatie, hierover verschil van mening was tussen de Ministeries van Buitenlandse Zaken en Defensie? Zo ja, kunt u die stukken met de Kamer delen?
Binnen zowel het Ministerie van Defensie als Buitenlandse Zaken is zorgvuldig nagedacht over de opties voor een vrijwillige vergoeding aan (de nabestaanden van) de slachtoffers en/of de gemeenschap.6 Er is meermaals ambtelijk overleg geweest over de wenselijkheid en haalbaarheid van deze opties. Het uiteindelijke besluit ligt echter bij het kabinet dat destijds op basis van verschillende overwegingen heeft besloten niet over te gaan tot het uitkeren vrijwillige tegemoetkomingen op individueel niveau, zoals ook benoemd in de Kamerbrief «Reactie BOOS-uitzending over Hawija» van 19 mei 2026.7 De daaropvolgende kabinetten hebben dit onderschreven. Allereerst stelt het kabinet dat de aanval op de ISIS-autobommenfabriek in de nacht van 2 op 3 juni 2015 rechtmatig was, omdat deze in overeenstemming met het humanitair oorlogsrecht werd uitgevoerd, en de Staat dus niet aansprakelijk is voor de geleden schade. Om deze reden heeft het kabinet in beginsel destijds besloten niet over te gaan tot het uitkeren van vrijwillige vergoedingen op individueel niveau. Daarnaast is meegenomen in het besluit dat het vrijwillig aanbieden van vergoedingen op individueel niveau de verwachting zou wekken dat er ook bij toekomstige, legitieme wapeninzet – die correct en binnen de kaders van het humanitair oorlogsrecht wordt uitgevoerd – een vrijwillige vergoeding op individueel niveau zou volgen. Dit terwijl er in dit geval geen sprake is van aansprakelijkheid en er daarom geen reden is om van het uitgangspunt af te wijken, om zo geen onterechte verwachtingen voor de toekomst te scheppen. Hoewel niet doorslaggevend gelden in deze casus ten overvloede verschillende praktische bezwaren, waardoor het kabinet het nog altijd zeer moeilijk acht om op een verantwoorde wijze individuele tegemoetkoming te realiseren. Zo is het jaren na de aanval haast onmogelijk om te achterhalen wie in Hawija welke schade heeft ondervonden door de secundaire explosie en om, conform de motie Fritsma8, (voormalige) ISIS-sympathisanten hiervan uit te sluiten. Stukken hieromtrent zijn openbaar gemaakt op basis van de Wet open overheid.9
Denkt u dat het moeilijk is om conform de motie-Fritsma vast te stellen dat de vijf omgekomen kinderen van Abdullah Rashid Saleh geen ISIS-sympathisanten waren? Zo ja, waarom?
De motie-Fritsma verzoekt de regering «op actieve wijze zeker te stellen dat geen cent van de door Nederland betaalde schadevergoedingen aan de gemeenschap van Hawija terechtkomt bij (oud-)IS’ers».10 Gelet op het besluit van het kabinet om over te gaan tot vrijwillige vergoeding van de gemeenschap, zijn er geen stappen ondernomen om tot vormgeving of uitvoering van een individueel tegemoetkomingstraject te komen.11 Defensie heeft dan ook geen onderzoek gedaan naar persoonsdossiers van individuele slachtoffers en spreekt zich niet uit over individuele casuïstiek.
Hoe kan het tot rechtsongelijkheid leiden als mensen niet voldoende kunnen bewijzen dat zij slachtoffer zijn van de Nederlandse wapeninzet in Hawija? Is er bij eerdere vrijwillige betalingen ook uitgekeerd aan slachtoffers die daar geen enkel bewijs voor hebben aangeleverd?
Een individuele tegemoetkoming zou, indien daartoe zou worden besloten, betrekking moeten hebben op de volledige groep die daarvoor op basis van gehanteerde criteria in aanmerking zou komen, en niet op slechts een deel van deze groep. Dit vraagstuk is echter niet aan de orde, aangezien reeds is besloten om niet over te gaan tot individuele tegemoetkomingen.12
Bent u bereid om conform de aangenomen Kamermotie alsnog te onderzoeken of individuele compensatie mogelijk zou kunnen zijn en de Kamer hierover binnen zes maanden te informeren? Zo nee, waarom niet?
Nee. De vraag wat het kabinet voor de slachtoffers en nabestaanden kan doen is een belangrijk en terugkerend onderdeel geweest van de inspanningen van Defensie. Ten aanzien van de overwegingen om niet over te gaan tot individuele tegemoetkoming is uw Kamer de afgelopen jaren meermaals geïnformeerd, zoals ook uiteengezet in de Kamerbrief «Reactie motie Lid Piri (PRO), juni 2026» en «Reactie-BOOS-uitzending over Hawija» van 19 mei 2026.13 Defensie zet zich onverminderd in voor de invulling van de circa 10 miljoen voor aanvullende projecten om de getroffen gemeenschap tegemoet te komen in Hawija, waarbij de behoeften van de gemeenschap zorgvuldig worden meegenomen.
Kunt u de bovenstaande vragen elk afzonderlijk beantwoorden?
Ja.
Het bericht ‘Cliëntenraad vreest sluiting laatste zorgvilla’s Expertcare’ |
|
Vicky Maeijer (PVV) |
|
Mirjam Sterk (CDA) |
|
|
|
|
Bent u bekend met het bericht «Cliëntenraad vreest sluiting laatste zorgvilla’s Expertcare»1
Ja.
Klopt het dat multinational B. Braun heeft gedreigd de resterende locaties al voor 31 december a.s. te sluiten als het gerechtshof ingrijpt?
Ik heb kennisgenomen van de berichtgeving waarnaar u verwijst. Vanuit het Ministerie van VWS was niemand aanwezig bij de zitting van de Ondernemingskamer. Ik kan de gang van zaken tijdens die zitting daarom niet uit eigen waarneming bevestigen. Bovendien geeft het (tijdelijk) bestuur van Villa ExpertCare (VEC) hierover een andere lezing dan uit de berichtgeving naar voren komt. Het is niet aan mij om in een lopende gerechtelijke procedure te beoordelen welke lezing juist is.
Mijn inzet blijft onverminderd gericht op het waarborgen van de continuïteit van zorg voor de kinderen die nog zorg ontvangen bij Villa ExpertCare. Daarover ben ik voortdurend in gesprek met de betrokken partijen, waaronder VEC, zorgverzekeraars, zorgkantoren, de Inspectie Gezondheidszorg en Jeugd (IGJ), de Nederlandse Zorgautoriteit (NZa) en de onafhankelijk intermediair die is aangesteld om het proces van zorgbemiddeling te ondersteunen.
Deelt u de mening dat B. Braun hier een nieuwe ondergrens heeft bereikt door de rechtbank, de ouders en de kinderen te chanteren met dreigende sluiting van de laatste zorgvilla’s Expertcare met als doel de rechtsgang te frustreren? Zo nee, waarom niet?
Ik begrijp de grote zorgen en emoties die leven bij ouders, kinderen en medewerkers. De situatie is voor alle betrokkenen zeer ingrijpend. Het is echter niet aan mij om kwalificaties te geven over het handelen van private partijen of over stellingen die onderdeel uitmaken van een lopende gerechtelijke procedure. Zoals aangegeven in het antwoord op vraag 2 was het ministerie niet bij de zitting aanwezig en lopen de lezingen van partijen over het verloop daarvan uiteen; ook dat maakt een oordeel op dit moment niet aan mij. Ongeacht de exacte lezing van de gebeurtenissen vind ik wel dat de zorg voor deze kwetsbare kinderen nooit een instrument mag zijn in een zakelijk of juridisch geschil, en ik verwacht dat alle betrokken partijen zich dat terdege realiseren.
Hoe gaat u ervoor zorgen dat de deuren van de twee zorglocaties geopend blijven totdat er een passende zorgplek is gevonden voor alle overgebleven kinderen?
Zoals ik uw Kamer eerder heb geïnformeerd, staat voor mij voorop dat voor ieder kind passende vervolgzorg beschikbaar moet zijn voordat de zorg wordt beëindigd. Om de zorgbemiddeling te versnellen en de zorgvuldigheid van het proces te versterken, heb ik een onafhankelijk intermediair aangesteld. Daarnaast werken zorgverzekeraars en zorgkantoren vanuit hun wettelijke zorgplicht aan passende vervolgzorg voor iedere individuele cliënt. Voor alle cliënten zijn bovendien cliëntspecifieke noodscenario's uitgewerkt voor het geval de continuïteit van zorg onverwacht onder druk komt te staan.
Voor de twee resterende locaties, Wezep en Rijswijk, heeft VEC aangeven dat deze in ieder geval tot en met 31 december aanstaande openblijven. Mijn inzet blijft erop gericht dat deze toezegging wordt nagekomen en dat de continuïteit van zorg voor ieder kind wordt geborgd.
De IGJ houdt toezicht op de kwaliteit en veiligheid van de zorg en op een zorgvuldige overdracht van cliënten. Op 11 augustus heeft de IGJ twee toezichtsrapporten uitgebracht over de locaties Wezep en Rijswijk. Voor locatie Wezep heeft de IGJ verbetermaatregelen opgelegd. De IGJ blijft de uitvoering van deze verbetermaatregelen en de ontwikkelingen op beide locaties nauwlettend volgen.
Bent u van plan wetgeving voor te bereiden om te voorkomen dat een onderneming na ernstig falen nog zorg mag aanbieden, bijvoorbeeld een tijdelijk of permanent verbod om als zorgaanbieder op te treden na ernstige overtredingen? Zo ja, wanneer kan de Kamer deze verwachten? Zo nee, waarom niet?
Op dit moment ben ik niet voornemens wetgeving voor te bereiden die voorziet in een algemeen tijdelijk of permanent verbod voor een onderneming om als zorgaanbieder op te treden. Wel heb ik eerder aangekondigd dat ik deze casus op een later moment, nadat er voor de kinderen van VEC een oplossing is gevonden, grondig zal evalueren. Bij die evaluatie zal ik ook de toereikendheid van het bestaande wettelijke instrumentarium betrekken, om te bezien of dit voldoende mogelijkheden biedt om in vergelijkbare situaties tijdig en effectief in te grijpen.
'Aanstelling Judith Kuypers als Nationaal Coördinator Geweld tegen Vrouwen en Huiselijk Geweld' |
|
Ingrid Coenradie (PVV) |
|
Mirjam Sterk (CDA) |
|
|
|
|
Hoe is de selectie van de Nationaal Coördinator Geweld tegen Vrouwen en Huiselijk Geweld tot stand gekomen?
Hoeveel kandidaten waren er voor de rol als Nationaal Coördinator Geweld tegen Vrouwen en Huiselijk Geweld?
Wat was de afweging van het kabinet om iemand te kiezen met ervaring uit de praktijk van een bepaalde instelling, ten opzichte van iemand die geen directe verbintenis heeft gehad met een specifieke instelling?
Deelt u de mening dat er beter voor een onafhankelijk persoon gekozen kon worden, in plaats van iemand met een groot verleden met het stelsel van de zorg voor vrouwen en huiselijk geweld?
Gezien het verleden van mevrouw Kuypers, hoe voorkomt u bepaalde vooroordelen en vooringenomenheid over met name Veilig Thuis bij de Nationaal Coördinator Geweld tegen Vrouwen en Huiselijk Geweld?
Op basis waarvan is er vertrouwen in haar onafhankelijke rol en welke maatregelen worden genomen om (de schijn van) belangenverstrengeling tegen te gaan?
Hoe kijkt u naar het feit dat de Nationaal Coördinator Geweld tegen Vrouwen en Huiselijk Geweld het stelsel juist kritisch moet kunnen beoordelen, maar tegelijktijdig zelf jarenlang onderdeel is geweest van dat huidige stelsel?
Op het moment dat er een kritisch onderzoek nodig is naar de prestaties van Veilig Thuis van de afgelopen jaren, is de Nationaal Coördinator Geweld tegen Vrouwen en Huiselijk Geweld dan ook bereid om dit te onderzoeken over de periode waarin zij zelf betrokken was?
Kunt u zich voorstellen dat er veel slachtoffers zich niet gehoord voelen door instanties als Veilig Thuis en zich nu wederom weer niet gehoord voelen door de overheid met deze keuze voor de Nationaal Coördinator Geweld tegen Vrouwen en Huiselijk Geweld?
Hoe worden slachtoffers en ervaringsdeskundigen de komende periode betrokken bij de hervorming van het stelsel en het werk van de Nationaal Coördinator Geweld tegen Vrouwen en Huiselijk Geweld?
Onderschrijft u dat één van de belangrijke punten van de aanpak een betere samenwerking is tussen de verschillende partijen? Hoe borgt u dat er veel meer gezamenlijk wordt opgepakt en wordt behandeld vanuit een gedeelde verantwoordelijkheid?
Hoe zorgt u ervoor dat de rol van de Nationaal Coördinator Geweld tegen Vrouwen en Huiselijk Geweld ook echt het verschil kan maken en doorbraken kan forceren?
Het bericht de aanpak van de asielinstroom in Duitsland |
|
Gidi Markuszower (PVV) |
|
Bart van den Brink (CDA) |
|
|
|
|
Bent u bekend met dit bericht?1
Kunt u bevestigen dat Duitsland tussen 2023 en 2025 een daling van 65 procent van het aantal nieuwe asielzoekers heeft laten zien, dat mei 2026 in Duitsland de rustigste maand sinds 2012 was, en dat de situatie in Nederland in die periode juist verslechterde, met een stijging van het aantal asielaanvragen in het eerste kwartaal van 2026 ten opzichte van een jaar eerder? Zo nee, wat zijn volgens u de juiste cijfers?
Bent u bereid een totale asielstop in te voeren, wat de enige maatregel is die de asielcrisis werkelijk oplost? Zo nee, waarom niet?
Deelt u de opvatting dat, zolang u weigert een totale asielstop in te voeren, u op zijn minst verplicht bent al het mogelijke te doen om de asielinstroom te beperken, en dus ten minste de maatregelen te nemen die in Duitsland aantoonbaar werken?
Deelt u de opvatting dat structurele grenscontroles, zoals Duitsland die hanteert, bijdragen aan een lagere asielinstroom, gezien uit het artikel blijkt dat de Duitse regering naar strenge grenscontroles wijst als (mede)verklaring voor de lagere instroom?
Wat moet u concreet doen – juridisch, operationeel en in samenwerking met de Koninklijke Marechaussee – om vergelijkbare structurele grenscontroles aan alle Nederlandse landsgrenzen in te voeren, en binnen welke termijn acht u dit haalbaar?
Welk effect op de asielinstroom verwacht u van het invoeren van dergelijke grenscontroles, en op basis waarvan schat u dit effect in?
Indien u deze maatregel niet per direct invoert, waarom niet?
Deelt u de opvatting dat een bankkaartregeling, zoals genoemd in het artikel, ook in Nederland zou bijdragen aan het tegengaan van misbruik van staatssteun door mensensmokkelaars?
Welke wet- en regelgeving moet u wijzigen en welke uitvoeringsstappen bij het Centraal Orgaan opvang asielzoekers (COA) moet u zetten om deze bankkaartregeling ook in Nederland in te voeren? Op welke termijn acht u dit uitvoerbaar?
Welk effect verwacht u van deze maatregel, zowel op het tegengaan van mensensmokkel als op de asielinstroom in algemene zin?
Indien u deze maatregel niet per direct invoert, waarom niet? Uit het artikel blijkt dat afgewezen asielzoekers in Duitsland het risico lopen te worden teruggestuurd naar landen als Afghanistan en Syrië.
Klopt het dat Nederland dit uitgangspunt ten aanzien van Afghanistan en Syrië niet op dezelfde wijze als Duitsland hanteert, waarbij afgewezen asielzoekers het risico lopen te worden teruggestuurd naar andere landen als Afghanistan en Syrië? Zo nee, kunt u dit toelichten?
Wat moet u doen – in het landenbeleid, in de samenwerking met herkomstlanden en in de uitvoering door de Dienst Terugkeer en Vertrek – om terugkeer naar Afghanistan en Syrië ook in Nederland als reëel beleidsuitgangspunt te hanteren?
Welk effect verwacht u hiervan op de asielinstroom vanuit deze landen en op het aantal afgewezen asielzoekers dat daadwerkelijk vertrekt?
Indien u deze maatregel niet per direct invoert, waarom niet?
Kunt u de gemiddelde doorlooptijd van de Nederlandse asielprocedure geven, en bevestigen dat deze aanmerkelijk langer is dan in Duitsland, aangezien uit het artikel blijkt dat asielzoekers in Duitsland gemiddeld na 11 maanden uitsluitsel krijgen en in Bremen zelfs na 9 maanden?
Wat moet de Immigratie- en Naturalisatiedienst (IND) doen om de doorlooptijd van de Nederlandse asielprocedure terug te brengen naar een vergelijkbaar niveau als in Duitsland?
Welk effect verwacht u hiervan op de kosten van noodopvang en op de druk op het opvangsysteem?
Indien u deze maatregel niet per direct invoert, waarom niet?
Deelt u de opvatting dat een vergelijkbaar tweetrapssysteem zoals in het artikel genoemd, met een tijdslimiet en een eigen zoekplicht voor statushouders, de doorstroom uit Nederlandse azielzoekerscentra (azc) zou bevorderen?
Wat moet u doen om een dergelijk systeem van overgangslocaties met een zoekplicht en tijdslimiet ook in Nederland in te voeren?
Welk effect verwacht u hiervan op de doorstroom uit azc’s en op de druk op de sociale huurwoningmarkt?
Indien u deze maatregel niet per direct invoert, waarom niet?
Wat moet u doen om een vergelijkbaar begeleidingsprogramma met werken, taallessen, persoonlijke begeleiding en dat kinderen naar school gaan met als doel een «zachte landing» en betere integratie, tijdens de overgangsfase na statusverlening in Nederland in te voeren?
Welk effect verwacht u hiervan op de integratie van statushouders?
Indien u deze maatregel niet per direct invoert, waarom niet?
Deelt u de opvatting dat, zolang er geen asielstop wordt ingevoerd, Nederland op zeer korte termijn ten minste de hierboven genoemde Duitse maatregelen zou moeten overnemen?
Kunt u per maatregel afzonderlijk aangeven binnen welke termijn u deze zou kunnen invoeren indien u daartoe besluit?
Kunt u deze vragen afzonderlijk en binnen de reguliere termijn beantwoorden?
De afsluiting van de Merwedebrug voor vrachtverkeer |
|
Luciënne Boelsma-Hoekstra (CDA) |
|
Vincent Karremans (VVD) |
|
|
|
|
Heeft u kennisgenomen van het bericht dat de Merwedebrug op de A27 per direct wordt gesloten voor vrachtverkeer, omdat de constructieve veiligheid voor zwaar verkeer niet langer kan worden gegarandeerd?1
Ja.
Op welk moment heeft Rijkswaterstaat voor het eerst signalen ontvangen dat de sterkte van de boogconstructie mogelijk onvoldoende was? Kunt u een tijdlijn geven van de onderzoeken, bevindingen en besluitvorming?
Bij de voorbereiding van de werkzaamheden voor het project A27 Houten – Hooipolder, waarbij een nieuwe brug naast de bestaande gebouwd gaat worden, zijn in 2025 en 2026 aanvullende herberekeningen en inspecties uitgevoerd. Hieruit bleek dat naast inspecties ook aanvullend materiaalonderzoek gewenst was. Afgelopen maanden zijn deze aanvullende onderzoeken door Rijkswaterstaat en TNO uitgevoerd. Op 16 juli zijn de voorlopige resultaten door TNO aan Rijkswaterstaat gedeeld. De materiaaleigenschappen bleken slechter te zijn dan verwacht en hiermee was er noodzaak om met spoed de constructieve veiligheid van de brug te herbeoordelen. Op 17 juli is op basis hiervan opgeschaald en is op zaterdag 18 juli 17.30 een vrachtwagenverbod ingesteld.
Waren er eerder signalen bekend die aanleiding hadden kunnen zijn om maatregelen te treffen? Zo nee, waarom niet? Zo ja, waarom is er pas op dit moment besloten tot een verbod voor vrachtverkeer en niet eerder gekozen voor maatregelen?
Nee, zie beantwoording van vraag 2: op 16 juli 2026 is uit onderzoek gebleken dat de constructieve sterkte van de brug beneden de toelaatbare norm kwam.
Hoe kan het dat nu blijkt dat het staal van de brug minder sterk is dan eerder werd aangenomen? Is sprake van nieuwe onderzoeksmethoden, nieuwe inzichten of eerdere mogelijke onjuiste aannames?
Bij de Merwedebrug was i.v.m. de voorbereiding voor de werkzaamheden van de bouw van de nieuwe Merwedebrug materiaalonderzoek nodig. Uit dit materiaalonderzoek is gebleken dat de sterkte van het staal van de brug aanmerkelijk minder is dan verwacht en waarmee dus ook geen rekening gehouden was.
Welke lessen zijn er getrokken toen de Merwedebrug in 2016 moest worden afgesloten voor vrachtverkeer vanwege haarscheurtjes in de constructie? En hoe kan het dat die maatregelen kennelijk onvoldoende waren om een nieuwe ingrijpende maatregel te voorkomen?
Bij de huidige afsluiting van de brug zijn de rapporten en aanbevelingen van de afsluiting in 2016 bij de hand genomen. Ook toen werd de brug voor verkeer zwaarder dan 3,5 ton afgesloten. De aanbevelingen hadden met name betrekking op een betere betrokkenheid van medeoverheden en andere belangrijke partijen, wat nu ook zorgvuldiger is gedaan. De aanleiding voor de afsluiting was echter verschillend: toen was er sprake van vermoeiing van de verbindingen in de brug waardoor scheurtjes waren ontstaan en daar zijn toen ook passende maatregelen op getroffen, zoals het aanbrengen van verstevigingen en verscherpte inspecties. Uit het hiervoor genoemde onderzoek blijkt dat het staal van de brug een andere kwaliteit heeft dan verwacht en waarmee dus ook geen rekening mee gehouden was.
Welke gevolgen van deze afsluiting verwacht u voor de bereikbaarheid van Midden- en Zuid-Nederland, de logistieke sector, de economie en ondernemers?
Omdat het alleen een afsluiting voor vrachtverkeer is, is de verwachting dat het effect op de bereikbaarheid van Midden- en Zuid-Nederland als geheel beperkt zal zijn, hoewel dit voor ondernemingen in de nabije omgeving van de brug een groter effect kan hebben. Voor het vrachtverkeer is de inschatting dat de extra reistijd als gevolg van de afsluiting op rustige momenten 30–45 minuten zal bedragen en de extra reistijd tijdens drukke momenten kan oplopen tot 45 tot 60 minuten voor 7.000 tot 8.000 vrachtwagens per dag per rijrichting over de brug.
Bent u het met eens met de stelling dat er aanvullende maatregelen moeten worden genomen om de hinder voor weggebruikers, omwonenden en transportbedrijven en de economische schade te beperken? Zo nee, waarom niet? Zo ja, welke maatregelen worden hiervoor genomen? Welke alternatieve routes zijn er beschikbaar en zijn die voldoende toegerust voor de extra verkeersdruk?
Door het vrachtwagenverbod moet vrachtverkeer gebruikmaken van alternatieve routes. Personenauto's en ander verkeer kunnen de brug blijven gebruiken. Lijnbussen en hulpdiensten vallen niet onder het verbod voor vrachtverkeer. Deze uitzondering is noodzakelijk om de bereikbaarheid van de regio te waarborgen. Met het weren van vrachtverkeer wordt de verkeersdruk van zware voertuigen sterk verminderd, terwijl het openbaar vervoer beschikbaar blijft voor reizigers en de hulpverlening op peil blijft.
Vrachtverkeer wordt omgeleid via de A15, A16 en A59 of via de A15, A2 en A59. Het vervoer van gevaarlijke stoffen maakt gebruik van de A2. De alternatieve routes zullen naar verwachting het extra aanbod aankunnen. Door werkzaamheden onder andere aan de Papendrechtsebrug en omleidingen voor het vrachtverkeer moeten weggebruikers rekening houden met drukte op de Nederlandse wegen, waardoor de reistijd kan oplopen. We monitoren de verkeerssituatie en nemen waar nodig aanvullende verkeersmaatregelen. Ondernemers kunnen eventueel een beroep doen op de regeling voor nadeelcompensatie.
Welke verkeersmaatregelen worden getroffen om sluipverkeer en overbelasting van omliggende wegen en bruggen te voorkomen?
Zie beantwoording van vraag 7. Lokale alternatieven zijn beperkt vanwege de grote rivieren die dat niet toestaan, waardoor sluipverkeer naar verwachting beperkt zal blijven.
Is onderzocht of tijdelijke versterkingsmaatregelen of tussentijdse reparaties mogelijk zijn om (een deel van) het vrachtverkeer eerder weer veilig over de Merwedebrug te laten rijden? Zo ja, welke mogelijkheden zijn onderzocht en waarom zijn deze wel of niet uitvoerbaar? Zo nee, bent u bereid de mogelijkheid van tijdelijke versterkingsmaatregelen of tussentijdse reparatie te verkennen?
Met de constatering dat de staalkwaliteit van de brug minder sterk is dan eerder werd aangenomen, is een eenvoudige versterking of reparatie vrijwel zeker niet genoeg: de brug als geheel is te zwak. Op dit moment worden er nadere onderzoeken uitgevoerd naar de sterkte van de brug en passende maatregelen daarbij. De resultaten tot nu toe bevestigen de eerdere conclusies dat de brug niet voldoet aan de geldende normen, en bevestigen de noodzaak van de genomen maatregelen. Duidelijkheid over de duur van de maatregelen kan gegeven worden als er genoeg zicht is op de sterkte van de brug en de maatregelen die nodig zijn om de beperkingen op te mogen heffen. Omdat de onderzoeken nog lopen is daar nu nog geen antwoord op te geven.
Hoe vaak zal de Merwedebrug de komende periode worden geïnspecteerd en welke criteria worden gehanteerd om te beoordelen of aanvullende beperkingen noodzakelijk of juist versoepelingen mogelijk zijn?
Op dit moment worden er nadere onderzoeken uitgevoerd naar de sterkte van de brug en passende maatregelen daarbij.
Welke bruggen kunnen met vergelijkbare problemen te maken krijgen vanwege constructie of materiaal? Bent u bereid dit in kaart te brengen en kun u hiervan een overzicht geven, inclusief de eventuele verkeersbeperkingen die worden voorzien?
Jaarlijks publiceren Rijkswaterstaat en ProRail rapportages over de technische staat van de infrastructuur in Nederland. Op 8 december 2025 zijn de meest recente rapportages met de Kamer gedeeld.2 De eerstvolgende Staat van de Infrastructuur wordt dit najaar gepubliceerd.
In de RWS-rapportage wordt ook gerapporteerd over kunstwerken die in een zodanige slechte staat verkeren dat er gebruiksbeperkingen zijn opgelegd en/of die onder een verhoogd inspectieregime staan. In de meest recente rapportage gaat het om respectievelijk 80 objecten (waarvan 72 bruggen en viaducten) met een gebruiksbeperking en 104 objecten (waarvan 72 bruggen en viaducten) die onder een verhoogd inspectieregime staan.3
Zijn de huidige inspectie- en monitoringsprogramma's van Rijkswaterstaat voldoende om dit soort problemen tijdig te signaleren? Zo ja, hoe verklaart u dat deze maatregel nu alsnog onverwacht noodzakelijk blijkt?
Bij instandhouding spelen altijd onzekerheden. Er is veel in beeld, maar niet alles is voorspelbaar. Alle kunstwerken worden periodiek geïnspecteerd (regulier inspectieprogramma) en er vinden tijdens regulier onderhoud schouwen plaats. Indien nodig zullen aanvullende technische inspecties en herberekeningen worden uitgevoerd of monitoring plaatsvinden. Uitkomst van een inspectie of herberekening kan, zoals bij de Merwedebrug, onverwacht slechter zijn dan verwacht en dan zijn acute maatregelen noodzakelijk. Bij de Merwedebrug is dit aan het licht gekomen na materiaalonderzoek bij de voorbereiding voor de werkzaamheden van de bouw van de nieuwe Merwedebrug, zie ook beantwoording vraag 2.
Welke gevolgen heeft deze situatie voor de planning van de vervanging van de Merwedebrug? Is versnelling in uw ogen mogelijk en wenselijk?
In de huidige planning voor de bouw van de nieuwe Merwedebrug is reeds fors ingezet op slimme bouwfasering om met name de eerste (westelijke) brug zo snel mogelijk beschikbaar te hebben ter vervanging van de huidige brug. Deze planning resulteert naar verwachting in een openstelling van de nieuwe Merwedebrug West in 20314.
De bouw van de nieuwe brug is complex. Zeker ook omdat de nieuwe brug op korte afstand wordt gebouwd van de bestaande brug. De bouwwerkzaamheden kunnen namelijk van invloed zijn op de huidige brug (zettingen, trillingen). Voorkomen moet worden dat de bestaande brug door de werkzaamheden beschadigd raakt. De recent bekend geworden slechtere staat van de huidige brug, vergroot de bouwcomplexiteit en legt daarmee extra druk op de bouwplanning. Zo mag ook het bouwverkeer voor de bouw van de nieuwe Merwedebrug geen gebruik maken van de bestaande brug. Dit heeft consequenties voor de bouwlogistiek. De impact wordt op dit moment onderzocht. Een verdere versnelling van de bouw ligt hiermee niet voor de hand.
Verwacht u dat vergelijkbare acute verkeersbeperkingen de komende jaren vaker zullen voorkomen vanwege de verouderde staat van Nederlandse bruggen en viaducten? Zo ja, welke maatregelen neemt u om dergelijke situaties zoveel mogelijk te voorkomen en welke invloed heeft dit op het net vastgestelde afweegkader?
Ja. In de beleidsbrief van 24 april jl. is aan de Kamer onder meer gemeld dat in juli 2025 er 80 kunstwerken waren met (gewichts- of doorvaart-) beperkingen voor de Rijkswegen en de Rijksvaarwegen. Daarbij is aangekondigd dat als we niets doen, het de verwachting is dat dit aantal in 2030 verdubbeld is. Het kabinet heeft zich als doel gesteld om de negatieve trend van meer en/of langer durende beperkingen als gevolg van achterstanden in het onderhoud deze kabinetsperiode te doorbreken.
In het afweegproces5 vormen constructieve en waterveiligheid het vertrekpunt voor de verdere prioritering van de instandhoudingsopgaven en de ontwikkelingsopgaven binnen het MIRT.
Bent u bereid de Kamer periodiek te informeren over de uitkomsten van het aanvullende onderzoek, de voortgang van eventuele tijdelijke maatregelen en de gevolgen voor de bereikbaarheid en de planning van de vervanging van de Merwedebrug?
Zodra daar aanleiding toe is, wordt de Kamer over de uitkomsten geïnformeerd.
Heeft u kennisgenomen van de conclusie van het Duitse Openbaar Ministerie dat de sabotage van de Nord Stream-pijpleidingen volgens de Duitse aanklagers plaatsvond op bevel van Oekraïense staatsautoriteiten en deelt u de opvatting dat, indien deze conclusie juist blijkt te zijn, sprake is van een ongekende aanval op vitale Europese infrastructuur door een land dat Nederland al jaren politiek, financieel en militair steunt? Zo nee, waarom niet?1
Het kabinet volgt de berichten over het onderzoek van het Duitse Openbaar Ministerie nauwgezet. Sabotage van energie-infrastructuur is onaanvaardbaar en dreigingen ten aanzien hiervan worden serieus genomen. Juist daarom is zorgvuldigheid geboden. Het kabinet wacht de uitkomsten van de Duitse rechtsgang af.
Deelt u de mening dat voormalig Minister-President Rutte de Nederlandse bevolking en de Tweede Kamer op het verkeerde been heeft gezet door de suggestie dat Oekraïne of de Verenigde Staten betrokken konden zijn bij het opblazen van de Nord Stream-pijpleidingen als «echt onzin» af te doen, terwijl de Duitse federale aanklagers nu tot de conclusie zijn gekomen dat de sabotage volgens hun onderzoek plaatsvond op bevel van Oekraïense staatsautoriteiten? Zo nee, waarom niet?2
Zie antwoord vraag 1.
Deelt u de mening dat Oekraïne, indien de conclusie van de Duitse federale aanklagers standhoudt dat Oekraïense staatsautoriteiten opdracht hebben gegeven tot de sabotage van de Nord Stream-pijpleidingen, niet zonder politieke gevolgen aanspraak kan blijven maken op Nederlandse politieke, financiële en militaire steun? Zo nee, waarom niet? Welke concrete politieke gevolgen verbindt het kabinet hieraan?
De Russische agressie tegen Oekraïne raakt de veiligheid van heel Europa. Oekraïne verdedigt zich tegen een illegale invasie en strijdt ook voor onze veiligheid en normen en waarden. De Nederlandse politieke, financiële en militaire steun aan Oekraïne is onderdeel van het bredere beleid om de Oekraïense soevereiniteit en territoriale integriteit te ondersteunen. Deze steun sluit aan bij de gezamenlijke inzet van een groot aantal landen om de illegale Russische agressie tegen te gaan.
Deze steun staat niet ter discussie en wordt breed gedragen in kabinet en parlement. Het kabinet acht het niet passend om vooruit te lopen op mogelijke uitkomsten van een lopende juridische procedure.
Bent u bereid, indien komt vast te staan dat Oekraïense staatsautoriteiten verantwoordelijk zijn voor de sabotage van de Nord Stream-pijpleidingen, Oekraïne aansprakelijk te stellen voor alle directe en indirecte schade die Nederland en de Nederlandse samenleving hierdoor hebben geleden en deze schade volledig op Oekraïne te verhalen? Zo nee, waarom niet?
Zie antwoord vraag 3.
Ecoregelingen |
|
Jan Arie Koorevaar (CDA) |
|
van Essen |
|
|
|
|
Bent u op de hoogte van het nieuwsbericht «Negatieve beschikkingen eco-regeling 2025: LTO blijft aandringen op herbeoordeling»1 waaruit blijkt dat maar weinig herbeoordelingen van afgewezen eco-regelingen leiden tot het terugdraaien van een afwijzing?
Ja, ik ben bekend met het nieuwsbericht.
Hoeveel van de toegezegde 1345 herbeoordelingen zijn intussen gedaan?
N.a.v. motie Koorevaar (Kamerstuk 21 501-32, nr. 1789) heeft RVO inmiddels alle 1.345 van de toegezegde herbeoordelingen uitgevoerd. De motie verzocht om beschikkingen opnieuw te beoordelen die hadden geleid tot substantiële verlagingen of afkeuringen van vergoedingen binnen de Eco-regeling, waarbij menselijke beoordeling een zwaardere rol krijgt. Aanvullend heeft RVO ook de dossiers waarin de eco-activiteit «Groenbedekking» was afgekeurd door doodgevroren gewas en dit financiële gevolgen had, opnieuw beoordeeld.
Hoeveel van de herbeoordelingen leiden tot een positieve beschikking waar die eerder negatief was?
Van de inmiddels herbeoordeelde dossiers heeft RVO in 386 gevallen vastgesteld dat het herbeoordelen van de eco-activiteit Groenbedekking alsnog heeft geleid tot een hogere vergoeding
Hoeveel andere bezwaren op de (pro-forma) beschikkingen 2025 heeft de Rijksdienst voor Ondernemend Nederland (RVO) intussen ontvangen en wat is de stand van zaken (aandeel ingediend versus afgehandeld) van de ingediende bezwaren 2025?
RVO heeft inmiddels 5.306 bezwaren ontvangen tegen de beschikkingen over 2025. Daarvan zijn 168 bezwaren afgehandeld en zijn 5.138 bezwaren nog in behandeling. RVO registreert in de bezwaarprocedure niet op welke specifieke onderdelen van een beschikking bezwaar wordt gemaakt. Een bezwaar kan bovendien betrekking hebben op meerdere onderdelen van een aanvraag. Daardoor kan niet worden aangegeven welk deel van de bezwaren specifiek betrekking heeft op specifieke activiteiten.
Is beheer (maaien en klepelen) van percelen waarvoor de eco-regeling minimaal 80 procent groenbedekking vereist is, toegestaan?
Of beheer van een perceel is toegestaan, hangt af van de betreffende eco-activiteit en de daarbij behorende subsidievoorwaarden. Voor verschillende eco-activiteiten is beheer, waaronder maaien en klepelen, toegestaan. Voor de eco-activiteit Groene braak geldt dat het perceel gedurende de vereiste periode minimaal 80% zichtbaar bedekt moet zijn met het aangegeven gewas. Maaien of klepelen is daarbij toegestaan, maar het maaisel moet op het perceel blijven liggen en mag niet worden afgevoerd. Het uitvoeren van beheer laat de verplichting om gedurende de vereiste periode aan de voorwaarden voor bedekking te voldoen onverlet.
Is het AMS-systeem in staat om voldoende bodembedekking door droog/afgestorven/afgevroren/gemaaid/geklepeld gewas te herkennen en te beoordelen?
Het AMS is ontwikkeld om op basis van satellietbeelden en algoritmen te beoordelen of aan de subsidievoorwaarden wordt voldaan. In specifieke situaties, bijvoorbeeld bij doodgevroren, verdroogd of gemaaid gewas, kan de interpretatie van satellietbeelden complex zijn. Door AMS als afwijkend beoordeelde («rode») percelen worden daarom alsnog door een medewerker beoordeeld, die naast satellietdata ook andere gegevens bij de beoordeling kan betrekken. En aanvullend houdt RVO rekening met vorstgevoelige gewassen en vorstperiodes bij de eco-activiteit Groenbedekking. Bij de eco-activiteit Groene braak is de werkwijze aangepast om beter rekening te houden met onder andere maaien, droogte en klepelen. De wijze waarop beelden worden geïnterpreteerd en wanneer aanvullende menselijke beoordeling nodig is, wordt door RVO continu verder ontwikkeld en verbeterd.
Het AMS-systeem en de praktijk lijken niet overeen te komen. Hoe gaat u om met deze zorg en hoe kalibreert u het AMS-systeem op de praktijk (inclusief weersomstandigheden/klimaat/groeiverloop/et cetera)?
Het AMS wordt jaarlijks gevalideerd aan de hand van onder meer veldwaarnemingen, controles ter plaatse en analyses van de uitkomsten. De resultaten van de herbeoordelingen van Groenbedekking geven geen aanleiding om te concluderen dat sprake is van structureel onjuiste beoordelingen door het AMS. Wel blijkt dat menselijke beoordeling in specifieke situaties, bijvoorbeeld bij mogelijke gewasschade door weersomstandigheden, van meerwaarde blijft. Samen met RVO blijf ik daarom bezien hoe de toepassing van AMS en de aanvullende menselijke beoordeling verder kunnen worden verbeterd, waarbij ook rekening wordt gehouden met weersomstandigheden, het groeiverloop en andere agronomische omstandigheden.
Veel boeren ontvingen de beschikking 2025 pas laat in het voorjaar van 2026, toen de betreffende percelen alweer in gebruik waren voor het bouwjaar 2026. Als die boeren bezwaar willen maken, maar geen foto of satellietmateriaal of andere data beschikbaar hebben om hun gelijk te onderbouwen, wat kunnen zij dan wel doen om het bezwaar te onderbouwen?
Ook wanneer een agrariër niet beschikt over eigen foto’s of andere bewijsmiddelen, kan deze bezwaar maken tegen een beschikking. RVO betrekt bij de beoordeling van het bezwaar de beschikbare gegevens die relevant zijn voor de beoordeling, waaronder de satellietbeelden en andere gegevens die bij de oorspronkelijke beoordeling zijn gebruikt.
Agrariërs kunnen daarnaast zelf beschikbare informatie aanleveren die hun bezwaar ondersteunt, zoals teeltregistraties, gegevens over uitgevoerde werkzaamheden of andere relevante bedrijfsgegevens. Satellietdata, in de vorm van luchtfoto's, zijn openbaar en te vinden via het satellietdataportaal van de Netherlands Space Agency (NLSA). De aanvullende beoordeling van de beschikbare gegevens kan bij RVO worden opgevraagd.
Als een boer die bezwaar maakt tegen een beschikking vraagt om de satellietbeelden van de RVO, krijgt de boer die dan altijd ook voor de hele periode waarop de beschikking betrekking heeft? Zo nee, waarom niet? Wat kan een boer in dat geval doen?
Een agrariër kan RVO verzoeken om de beschikbare gegevens die ten grondslag liggen aan de beoordeling van een eco-activiteit, waaronder de gebruikte satellietbeelden. RVO verstrekt de beelden en gegevens die bij de beoordeling van de betreffende eco-activiteit zijn gebruikt en die betrekking hebben op de relevante verplichtingsperiode.
Als een agrariër van mening is dat bepaalde relevante gegevens ontbreken, kan hij of zij dit bij RVO aangeven en deze informatie betrekken bij een bezwaarprocedure.
Klopt het dat het aantal deelnemers aan de eco-regeling met ruim 6 procent is gedaald ten opzichte van 2025? Wat vindt u hiervan? Wat wilt u doen om deze trend te keren?
Van de 43.276 GLB-deelnemers, hebben 32.052 boeren gekozen voor deelname aan de Eco-regeling. Dat is circa 6% minder dan in 2025. Ik neem deze daling uiteraard serieus. Uit een analyse van RVO blijkt dat de oorzaken divers zijn. Een deel van de voormalige deelnemers heeft in 2026 geen GLB-aanvraag meer ingediend, bijvoorbeeld vanwege een bedrijfsbeëindiging of bedrijfsoverdracht. Daarnaast is er een groep die wel een GLB-aanvraag heeft ingediend, maar ervoor heeft gekozen niet meer deel te nemen aan de Eco-regeling. Bij een deel van deze groep kan een lagere beschikking dan aangevraagd invloed hebben gehad op deze keuze. Ik vind het belangrijk dat de Eco-regeling aantrekkelijk blijft voor agrariërs. Daarom werk ik aan de aangekondigde aanpassingen van de regeling in 2027, waaronder een flexibelere puntensystematiek en uitbetaling op basis van de daadwerkelijk behaalde waarde van eco-activiteiten (Kamerstuk 28 625, nr. 383).
Boeren worden in 2026 opnieuw geconfronteerd met grote hitte en droogte. De RVO heeft de peildatum voor enkele eco-activiteiten uitgesteld naar 1 juli. De hitte en droogte duren echter voort en dit heeft grote invloed op de mate waarin boeren de eisen aan deelname aan de eco-regeling kunnen naleven. Wilt u toezeggen om bij de controles op de naleving van de eco-activiteiten in 2026 hier mee rekening te houden en coulance te betrachten bij afwijkingen? Wat kan u praktisch doen om een herhaling van 2025 te voorkomen? Wilt u toezeggen om controles voor een bepaalde tijd op te schorten als de boer aangeeft dat het moment bijzonder ongelukkig gekozen is gezien de droogte?
Ik heb voor dit jaar, vanwege de droogte, reeds besloten om voor drie eco-activiteiten de beoordelingsdatum te verschuiven naar 1 juli. Ook hanteert RVO dit jaar voor controles van verschillende activiteiten een langere periode voor het insturen van een geotagfoto, zodat agrariërs langer de gelegenheid hebben om een representatieve foto van de uitvoering van een activiteit aan te leveren. De Europese GLB verordeningen bieden verder ruimte om bij extreme weersomstandigheden, zoals droogte, overmacht te bieden aan landbouwers die door deze omstandigheden zijn getroffen. Van die ruimte wil ik gebruik maken door heel Nederland aan te wijzen als gebied waar sprake is van extreme droogte en daarbij overmacht toe te kennen voor twee conditionaliteitsvoorwaarden en een aantal subsidievoorwaarden binnen de eco-regeling.
Welke lessen leert u naar aanleiding van de vele problemen met de eco-regeling voor het toekomstige Gemeenschappelijk Landbouwbeleid (GLB) 2028–2034? Wilt u toezeggen hierover met de sector te blijven overleggen?
De ervaringen met de huidige Eco-regeling laten zien dat onder andere voorspelbaarheid en doenbaarheid belangrijke voorwaarden zijn voor een succesvolle Eco-regeling. Ik zet mij daarom in voor een GLB waarin doelgerichtheid en werkbaarheid hand in hand gaan. Daarbij vind ik het van belang dat agrariërs voldoende handelingsperspectief hebben en dat de administratieve lasten beperkt blijven. Ik blijk hierover nadrukkelijk in gesprek met sectorpartijen, uitvoeringsorganisaties en andere betrokkenen, zowel bij de verdere uitwerking van de Eco-regeling vanaf 2027 als in de Nederlandse inzet voor het GLB na 2027.
De aanpak van nepreviews |
|
Sandra Beckerman (SP) |
|
Aerdts |
|
|
|
|
In 2021 zijn nepreviews verboden bij wet, in 2024 werd echter geconcludeerd dat de problemen met nepbeoordelingen niet afnemen maar toenemen, herkent u dit beeld?1
Ik ben bekend met de publicatie van BEUC uit december 2025. BEUC geeft daarin aan dat consumenten nog steeds worden blootgesteld aan nepbeoordelingen en dat de huidige regelgeving nog onvoldoende effectief is om deze praktijken tegen te gaan.
Consumenten gebruiken online reviews bij het vergelijken van producten en diensten en wegen deze informatie mee bij hun aankoopbeslissing. De betrouwbaarheid van reviews is daarbij van belang. Nepbeoordelingen kunnen consumenten daarom misleiden en ertoe leiden dat zij een andere aankoopbeslissing nemen dan zij zouden hebben gedaan wanneer zij over betrouwbare informatie hadden beschikt.
Ik herken het beeld dat de aanpak van nepbeoordelingen in de praktijk complex is. Het is mij niet bekend dat deze problemen zouden zijn toegenomen. De opkomst van AI kan ervoor zorgen dat nepreviews makkelijker opgesteld kunnen worden. Tegelijkertijd biedt AI ook mogelijkheden om dergelijke content sneller op te sporen.
Erkent u dat consumenten misleid worden en de verkeerde keuzes maken doordat de aanpak van nepreviews nog niet afdoende werkt? Kunt u uw antwoord toelichten?
Zie antwoord vraag 1.
Bent u van mening dat lidstaten nu voldoende mogelijkheden hebben om nepreviews aan te kunnen pakken? Zo ja, waarom? Zo nee, waarom niet en welke extra maatregelen zijn volgens u nodig?
Het (laten) plaatsen van valse beoordelingen of aanbevelingen is sinds mei 2022 in Nederland expliciet verboden voor handelaren.2 Ook is het voor handelaren verboden om te beweren dat beoordelingen van producten zijn ingediend door consumenten die het product daadwerkelijk hebben gebruikt of aangekocht, zonder dat de handelaar redelijke en proportionele stappen heeft genomen om dit na te gaan. Dit geldt ook voor review-websites. Ik ben daarom van mening dat er voldoende wettelijke mogelijkheden zijn om handelaren aan te kunnen pakken die gebruik maken van nepbeoordelingen.
De Autoriteit Consument & Markt (ACM), die belast is met de handhaving van onderhavige wetgeving, concludeert dat het nog zeer lastig is om op te treden tegen het aanbieden en verkopen van nepinteracties en -recensies, erkent u dit en steunt u hun wens voor uitbreiding van de Digital Fairness Act?
De ACM heeft in 2024 handhavingsacties ondernomen rondom nepbeoordelingen.3 In dit kader heeft de ACM onder meer 14 verkopers verzocht te stoppen met het aanbieden en plaatsen van nepreviews. De helft van de aangesproken partijen heeft dit ook daadwerkelijk gedaan. De ACM beoordeelde dit als een geschikte eerste stap met impact.4
Optreden tegen partijen die nepbeoordelingen verkopen is voor de ACM gecompliceerd, onder meer omdat deze partijen regelmatig vanuit een ander land (ook buiten de EU) opereren. Ook moet de ACM aannemelijk maken dat de nepbeoordelingen daadwerkelijk geplaatst zijn (door de verkoper van nepbeoordelingen of door de handelaar die de nepbeoordelingen heeft gekocht).
De ACM verzoekt in haar inzet rondom de aankomende Digital Fairness Act (hierna: DFA) om ook het verkopen van nepbeoordelingen zelf te verbieden.5 Ik heb begrip voor deze wens van de ACM, omdat de ACM daarmee effectiever zou kunnen optreden. Het aanbieden van nepbeoordelingen is namelijk makkelijker te bewijzen dan het (laten) plaatsen van deze nepbeoordelingen. Een complicerende factor hierbij is echter dat de verkoop van nepbeoordelingen een transactie tussen twee bedrijven is en daardoor lastig binnen de reikwijdte van het consumentenrecht past. Het consumentenrecht ziet namelijk op de relatie tussen de handelaar en de consument en in principe niet op een transactie tussen een handelaar en toeleverancier. Een mogelijk alternatief zou kunnen zijn om het opstellen van nepbeoordelingen op verzoek van een handelaar als oneerlijke handelspraktijk aan te merken.
Steunt u het voorstel van de ACM om het aanbieden en verkopen van neprecensies of -interacties te verbieden? Kunt u uw antwoord toelichten?
Zie antwoord vraag 4.
Welke stappen wilt u zetten om de Europese Commissie te overtuigen van een verbod op de verkoop van neprecensies en -interacties?
De inzet van de Nederlandse regering6 en van de ACM7 rondom de DFA is separaat in een eerdere fase van het proces aan de Europese Commissie (hierna: EC) kenbaar gemaakt. Door de ACM is haar voorstel rondom de verkoop van nepbeoordelingen hierin meegenomen. Het wetgevend voorstel van de EC voor de DFA wordt in het vierde kwartaal van dit jaar verwacht. Het wetgevingsproces bevindt zich reeds in een vergevorderd stadium waarbij zeer beperkt ruimte is voor de Commissie om nog aanvullende beleidsvoorstellen mee te nemen. Het kabinet zal de verdere inzet rondom de DFA bepalen nadat het wetgevend voorstel van de EC is gepubliceerd en daartoe een BNC-fiche opstellen.
Hoe beoordeelt u het voorstel van de ACM om externe leveranciers of tussenpersonen aansprakelijk te stellen voor de oneerlijke beïnvloedingstechnieken die zij ontwikkelen of helpen ontwikkelen en faciliteren?
Het voorstel van de ACM voor de aansprakelijkheid van derde partijen is breder van aard dan de problematiek rondom nepbeoordelingen. Het zou hierbij bijvoorbeeld kunnen gaan om verkopers van designs en templates voor websites waar mogelijk verboden handelspraktijken in worden gebruikt. Volgens de ACM maakt een groot deel van Nederlandse online webwinkels gebruik van dergelijke derde partijen, waardoor het de effectiviteit van handhaving ten goede kan komen om ook deze leveranciers rechtstreeks aan te kunnen spreken.
Het is goed de mogelijkheid van een wettelijke aansprakelijkheid van externe leveranciers in ogenschouw te nemen en in Europees verband de voor- en nadelen daarvan te beoordelen, als ook te kijken naar andere oplossingen. Dit zou bijvoorbeeld kunnen plaatsvinden in het kader van de aankomende onderhandelingen over de DFA. Dit zou dan moeten gebeuren tegen de achtergrond dat consumenten onder het huidige consumenten- en contractenrecht een hoog niveau van bescherming hebben.
Het consumentenrecht kent al regels inzake oneerlijke handelspraktijken, zoals misleidende handelspraktijken (bijv. artikel 6:193 g BW). Als er sprake is van een oneerlijke handelspraktijk, dan kan de consument de overeenkomst vernietigen. Daarnaast kunnen consumenten voor producten die zij online hebben gekocht gebruik maken van het herroepingsrecht en het product binnen 14 dagen retourneren. Ook hebben consumenten in Nederland recht op een goed product zolang zij dat redelijkerwijs mogen verwachten. Als het product bij normaal gebruik toch snel kapotgaat, dan moet de verkoper dit probleem verhelpen (bijvoorbeeld door het product te repareren, vervangen of het geld terug te geven). Als het product stuk gaat binnen een jaar, dan wordt aangenomen dat het product ondeugdelijk was op het moment van de aankoop. Het is dan aan de verkoper om het tegendeel te bewijzen. Na een jaar is het aan de consument om te bewijzen dat hij het product normaal heeft gebruikt en niet door zijn toedoen kapotgegaan is. Schade die door een product wordt veroorzaakt, dient de verkoper op grond van wanprestatie te vergoeden (artikel 7:24 lid 1 BW).
Hierbij merk ik nog op dat een consument op grond van het huidige recht ook een derde (iemand met wie hij geen contractuele relatie heeft) kan aanspreken op grond van onrechtmatige daad. Dit lijkt in het geval van bijvoorbeeld nepreviews wel een moeizame weg voor de in de vraag genoemde externe leveranciers. Niet alleen zal het voor een consument moeilijk zijn om te achterhalen wie de nepreviews heeft verstrekt aan de verkoper, als dit al mogelijk is. Ook zal de consument aan dienen te tonen dat hij schade heeft als gevolg van de nepreviews (schade en causaal verband). Bij de aankoop van een product zijn immers meer aspecten van belang dan de nepreviews, waaronder de prijs, de kwaliteit en de door de verkoper verstrekte informatie.
Deelt u onze mening dat schade die aangebracht wordt aan consumenten vergoed moet kunnen worden?
Zie antwoord vraag 7.
Bent u voorstander van een uitbreiding van het consumentenrecht met een wettelijke aansprakelijkheid voor externe leveranciers?
Zie antwoord vraag 7.
Deelt u voorts onze mening dat consumenten meer mogelijkheden moeten krijgen om gepersonaliseerde content van grote bedrijven te weigeren?
Ik vind dat consumenten effectieve controle moeten hebben over het gebruik van (persoons)gegevens en hun voorkeuren voor gepersonaliseerde data. Voor consumenten kan het soms onvoldoende duidelijk zijn wanneer en hoe zij toestemming hebben gegeven voor het gebruik van hun data en wat de gevolgen daarvan zijn. Dit kan onder andere het gevolg zijn van een gebrek aan transparantie over hoe de personalisatie van content precies tot stand komt, of van misleidende patronen, ingewikkelde formulieren of toestemmingsmoeheid. Hierdoor bestaat het risico dat consumenten hun ware voorkeuren niet (kunnen) uiten. Het kabinet zet zich daarom in voor de verbetering van deze situatie, onder meer binnen het kader van de DFA en ePrivacyrichtlijn.8
Gepersonaliseerde content staat nu standaard ingeschakeld, deelt u de mening van de ACM dat dit moet worden omgedraaid en dat algemene content de standaardinstelling moet zijn? Kunt u uw antwoord toelichten?
De ACM schetst in haar document9 een drietal beleidsopties die niet logischerwijs allemaal gelijktijdig zouden moeten worden ingevoerd. Één daarvan is dat algemene, niet-gepersonaliseerde content de standaardinstelling zou moeten zijn.
Zoals aangegeven in het antwoord op vraag 10 ben ik van mening dat consumenten effectieve controle moeten hebben over hun personalisatievoorkeuren. Ik sta daarom in de basis positief tegenover een «opt-in» of «opt-out» systeem zoals geschetst door de ACM en dit is ook een richting die door de EC verkend lijkt te worden in het kader van de DFA. Of een dergelijk systeem een effectieve en proportionele maatregel zou zijn, moet daarom ook blijken uit de impact assessment van de EC voor de DFA. Hierbij vind ik het van belang dat de maatregel ook realistisch uitvoerbaar moet zijn voor kleinere handelaren en dat de maatregel de effectieve controle van consumenten daadwerkelijk vergroot. Ik wacht de voorstellen van de EC en de resultaten van de impact assessment daarom met interesse af.
De AMC wil ook dat er meer transparantie en consistentie wordt geëist van handelaren over hoe ze gepersonaliseerde content aanbieden, deelt u deze mening? Zo nee, waarom niet? Zo ja, wilt u zich inzetten voor verbetering van de EU-wetgeving over consumentenbescherming en privacy zodat dit kan worden afgedwongen?
Ja, deze mening deel ik. Zoals aangegeven bij het antwoord op vraag 10 kan het voor consumenten soms onvoldoende duidelijk zijn wanneer zij toestemming hebben gegeven voor het gebruik van hun data en wat de gevolgen daarvan zijn. Conform mijn inzet voor de aankomende DFA ben ik in dit kader ook van mening dat algemene voorwaarden makkelijker te begrijpen moeten zijn, bijvoorbeeld via standaardisatie.10 Dit kan consumenten helpen betere keuzes te maken voordat ze zich aanmelden voor digitale diensten.
Daarnaast zet het kabinet zich op het gebied van privacy in om het voor burgers makkelijker te maken om hun rechten uit te oefenen. Dit doet zij in de lopende onderhandelingen over de Omnibus Digitaal.
Tot slot stelt de ACM voor om consumenten een «één-klik» optie te geven om gepersonaliseerde reclame te weigeren, wilt u zich hiervoor inzetten?
De «één-klik» optie is een van de andere opties die door de ACM geschetst is om meer grip te krijgen op gepersonaliseerde content. Ik ben van mening dat consumenten controle moeten hebben over hun (persoonlijke) data en personalisatie voorkeuren, en dat er keuzevrijheid moet zijn voor de consument. Dat wil zeggen: de consument moet zelf kunnen bepalen of hij gepersonaliseerde content of niet-gepersonaliseerde/standaard content wil zien. Zoals weergegeven in het BNC-fiche over de Omnibus Digitaal, welke op 12 december 2025 met uw Kamer is gedeeld, staat het kabinet positief tegenover oplossingen om het voor burgers makkelijker te maken hun rechten uit te oefenen. Het steunen van deze voorstellen in Europees verband is daarom reeds onderdeel van de kabinetsinzet. Voor een «opt-out» voor de gepersonaliseerde content zou het vooral van belang zijn dat deze effectief is en op een makkelijke manier toegankelijk. Daarnaast moet het ook voor kleinere handelaren realistisch zijn om een dergelijke opt-out te realiseren.
Het bericht dat rechters verkeersboetes te hoog vinden en dit mogelijk gevolgen heeft voor kabinetsbeleid |
|
Ismail El Abassi (DENK) |
|
David van Weel (VVD) |
|
|
|
|
Bent u bekend met het bericht «Spectaculair: rechters vinden verkeersboetes te hoog, mogelijk gevolgen voor kabinetsbeleid» van het AD d.d. 3 juli 2026?1
Ja.
Bent u bekend met de recente uitspraken van de rechtbank Midden-Nederland en de daarin opgenomen rechtsoverwegingen waaruit blijkt dat de verhoging van de boetebedragen uit 2024 en 2025 onverbindend is verklaard wegens strijd met het evenredigheidsbeginsel?2
Ja.
Hoe reflecteert u op het oordeel van drie kantonrechters dat de verhogingen van de verkeersboetes in 2024 en 2025 onredelijk zijn en neerkomen op verkapte belastingheffing bij verkeersovertreders?3
De rechtspraak laat een wisselend beeld zien. In enkele recente zaken heeft de kantonrechter inderdaad geoordeeld dat het besluit waarmee de verkeersboetes in 2024 en 2025 zijn verhoogd onverbindend is in verband met strijd met het evenredigheidsbeginsel. De in deze zaken opgelegde verkeersboetes zijn daarom verlaagd naar het niveau in 20234. In verschillende andere zaken hebben rechters echter geoordeeld dat de verhogingen van de verkeersboetes niet onrechtmatig waren en dat geen sprake is van strijd met het evenredigheidsbeginsel.5 De komende tijd moet blijken hoe andere (hogere) rechters tegen deze materie aan kijken. Ik zal deze ontwikkelingen nauwlettend volgen.
Ten aanzien van «détournement de pouvoir» kan worden opgemerkt dat het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden, de hoogste rechter voor verkeerszaken die worden afgedaan op grond van de Wet administratiefrechtelijke handhaving verkeersvoorschriften, eerder heeft geoordeeld dat met de verhoging van de sanctietarieven per 1 maart 2024 niet is gehandeld in strijd daarmee of met het specialiteitsbeginsel.6 Ook heeft het hof in deze zaak geoordeeld dat het bedrag van de opgelegde sanctie in redelijke verhouding staat tot de aard en de ernst van de onderhavige gedraging, zodat ook hier geen sprake is van strijd met het evenredigheidsbeginsel.7
Hoe beoordeelt u, in het licht van het voorgaande, de kritiek dat de overheid daarmee haar boekje te buiten gaat wanneer zij een wettelijke bevoegdheid voor verkeersveiligheid inzet voor een ander, oneigenlijk budgettair doel, oftewel détournement de pouvoir?
Zie antwoord vraag 3.
In hoeverre acht u uw beleid rechtsstatelijk houdbaar, nu de overheid burgers met steeds hogere verkeersboetes aanspreekt op naleving van de wet, terwijl diezelfde overheid deze boetes mede inzet als begrotingsinstrument en daarmee volgens meerdere rechters (on)geschreven regels, zoals het evenredigheidsbeginsel, schendt?4
Zoals in het antwoord op de vragen 3 en 4 is aangegeven laat de rechtspraak nog een wisselend beeld zien. Het is zaak om het verdere verloop van rechtelijke procedures eerst af te wachten.
Waarom heeft u geen dragende juridische motivering gegeven voor de verhouding tussen de verhoogde boetes op grond van de Wet administratiefrechtelijke handhaving verkeersvoorschriften (hierna: Wahv) en boetes voor commune delicten, terwijl zowel het Openbaar Ministerie als de Raad van State nadrukkelijk op deze disbalans heeft gewezen?
Ik heb eerder meerdere malen erkend dat er sprake is van een disbalans tussen de Wahv-boetes en de boetes voor commune delicten en dat deze disbalans onwenselijk is. De benodigde bezuinigingen om de disbalans op te lossen, acht dit kabinet op dit moment niet wenselijk.
Deelt u de opvatting dat het maatschappelijk moeilijk uitlegbaar is dat foutparkeren op een gehandicaptenplaats kan leiden tot een hogere boete dan een geldboete die in de strafrechtpraktijk regelmatig wordt opgelegd voor mishandeling? Zo nee, waarom niet?
Op grond van de meest recente Oriëntatiepunten voor straftoemeting en LOVS-afspraken (juli 2026) geldt voor een eenvoudige mishandeling die bestaat uit een droge klap of schop (met alleen pijn en geen letsel) als oriëntatiepunt een geldboete van € 700,–.9 Voor het onterecht parkeren op een gehandicaptenparkeerplaats die specifiek is toegekend aan een bepaald kenteken (voor het parkeren voor de eigen woning of voor de werkplek) is het boetebedrag € 500,–. Voor het onterecht parkeren op een algemene gehandicaptenparkeerplaats geldt een boete van € 400,–. Het bezetten van een parkeerplaats voor een minder valide persoon beperkt direct de mobiliteit van mensen met een beperking. Een stevige normstelling en een hoge boete is derhalve en in algemene zin op zijn plaats.
Hoe gaat u nu voorkomen dat een wettelijke bevoegdheid die bedoeld is voor verkeersveiligheid, normhandhaving en bestraffing van verkeersovertredingen, wordt ingezet voor het dichten van begrotingsgaten?
Zoals ik reeds eerder meerdere malen heb toegezegd zal ik de verkeersboetes niet beleidsmatig verhogen en enkel jaarlijks indexeren. In het kader van de beleidsreactie op de evaluatie van de Wet administratiefrechtelijke handhaving verkeersvoorschriften (Wahv) bekijk ik momenteel welke mogelijkheden er zijn om te waarborgen dat verkeersboetes ook in de toekomst primair worden ingezet als instrument voor verkeersveiligheid en niet als begrotingsmiddel.
Kunt u de verhoging van de verkeersboetes in 2024 en 2025 uitsplitsen naar aard en hoogte, waarbij per boetecategorie inzichtelijk wordt gemaakt welk deel voortvloeit uit inflatiecorrectie en welk deel uit een beleidsmatige keuze, en hoeveel deze beleidsmatige verhogingen exact hebben opgeleverd voor de staatskas?
De verhoging van de verkeersboetes op grond van de Wahv bedroeg in 2024 10%. Daarvan was 5,7% inflatiecorrectie en 4,3% een beleidsmatige aanvullende verhoging. Deze beleidsmatige verhoging heeft extra opbrengsten van (bij benadering) ongeveer 37 miljoen euro opgeleverd. De strafrechtelijke verkeersboetes zijn in dat jaar enkel geïndexeerd op basis van de inflatie van 5,7%. In 2025 zijn de verkeersboetes, zowel de Wahv-boetes als de strafrechtelijke verkeersboetes, enkel met 3,2% geïndexeerd.
Bij eerdere beleidsmatige verhogingen van de verkeersboetes, zijn ook de strafrechtelijke tarieven altijd met hetzelfde percentage verhoogd.
Kunt u vervolgens uiteenzetten hoe deze extra opbrengsten budgettair zijn verwerkt, waaraan zij zijn besteed en welk concreet maatschappelijk of verkeersveiligheidseffect daarmee is bereikt?
Alle ontvangsten op grond van de Wahv zijn onderdeel van de Rijksbegroting. Er is geen nadere specificatie waaraan deze zijn besteed.
Hoe beoordeelt u het risico dat ook andere rechters de verhogingen van 2024, 2025 en 2026 exceptief gaan toetsen en onverbindend verklaren wegens strijd met het evenredigheidsbeginsel?
Het is niet aan mij om daar op vooruit te lopen. De rechtspraak laat tot nu toe een wisselend beeld zien. Vanzelfsprekend volg ik deze ontwikkeling nauwlettend. Ik verwijs hiervoor ook naar het antwoord op de vragen 3 en 4.
Bent u zich ervan bewust dat, wanneer deze zaken uiteindelijk bij het gerechtshof of de Hoge Raad terechtkomen en ook daar wordt geoordeeld dat de verhogingen van de verkeersboetes uit 2024 en 2025 in strijd zijn met het evenredigheidsbeginsel, dit kan dwingen tot verlaging van de hoogte van verkeersboetes in Nederland?
Ja. Zie ook het antwoord op de vragen 3 en 4 ten aanzien van het huidige beeld van de rechtspraak.
Op 3 juli 2026 heeft de advocaat-generaal bij het parket van de Hoge Raad advies uitgebracht. Hij stelt dat Wahv-verhogingen door hun afschrikwekkende en bestraffende karakter niet kunnen worden afgedaan als louter incassomaatregel. Hoe rechtvaardigt u dat deze verhogingen automatisch worden opgelegd zonder de rechtsbescherming die hoort bij een criminal charge onder Artikel 6 van het Europees Verdrag voor de Rechten van de Mens?5
De conclusie van de advocaat-generaal is een advies aan de Hoge Raad. De prejudiciële vraag over de ophogingen bij Wahv-boetes is momenteel in behandeling bij de Hoge Raad. De vraag of de ophogingen in strijd zijn met artikel 6 EVRM en – indien deze vraag bevestigend wordt beantwoord – welke eventuele gevolgen dit heeft voor de inrichting van de rechtsbescherming moet dus nog worden beantwoord.
Welke concrete maatregelen neemt u naar aanleiding van de uitspraken van de rechtbank Midden-Nederland en de conclusie van de advocaat-generaal bij de Hoge Raad?
Ik vind het belangrijk om te benadrukken dat de uitspraken van de rechtbank Midden-Nederland en de conclusie van de advocaat-generaal op twee verschillende aspecten zien. Waar de uitspraken van de rechtbank Midden-Nederland raken aan de hoogte van verkeersboetes zelf, gaat de conclusie van de advocaat-generaal over de verhogingen van verkeersboetes bij niet-tijdige betaling van een verkeersboete.
Los van de toezegging dat ik de verkeersboetes niet beleidsmatig zal verhogen (zie ook het antwoord op vraag 8), onderneem ik naar aanleiding van de uitspraken van de rechtbank Midden-Nederland nu geen stappen. Zoals eerder in het antwoord op vragen 3 en 4 aangegeven laten de uitspraken nog een wisselend beeld zien. Ik acht het van belang om eerst af te wachten hoe andere (hogere) rechters tegen deze materie aan kijken en wil daar niet op vooruitlopen.
Wat betreft de conclusie van de advocaat-generaal bij de Hoge Raad geldt het volgende. De Hoge Raad heeft de vraag als gezegd op dit moment in behandeling. Na de uitspraak van de Hoge Raad kan de procedure bij de rechtbank Den Haag, die de prejudiciële vraag heeft gesteld, worden voortgezet.
Er kan niet vooruit worden gelopen op rechterlijke uitspraken. Zoals eerder aangegeven in de beantwoording van vraag 18 van de feitelijke vragen van de VKC JenV naar aanleiding van het rondetafelgesprek op 15 april jl. bereiden het CJIB en het Ministerie van Justitie en Veiligheid zich wel voor op mogelijke scenario’s. Als de uitkomst van de procedure helder is, zal uw Kamer nader worden geïnformeerd over de eventuele implicaties en hoe dit wordt opgepakt.
Bent u bereid om, mede naar aanleiding van deze rechterlijke uitspraken, met een integraal voorstel te komen om verkeersboetes, verhogingen en aanmaningskosten proportioneel te maken en te voorkomen dat verkeersboetes mensen onnodig in problematische schulden duwen? Zo nee, waarom niet?
Zoals in het antwoord op de vragen 3 en 4 is aangeven, laat de rechtspraak nu nog een wisselend beeld zien. De komende tijd moet blijken hoe andere (hogere) rechters tegen deze materie aan kijken. Zoals u weet zie ik op dit moment ook geen mogelijkheden voor wijzigingen in het verkeersboetebeleid. De benodigde bezuinigingen hiervoor acht dit kabinet op dit moment niet wenselijk.
De PowCast met voormalig plofkraker Steven Kilian over contrabande in Justitieel Complex Zaanstad |
|
Ulysse Ellian (VVD) |
|
van Bruggen |
|
|
|
|
Bent u bekend met de aflevering van de PowCast met voormalig plofkraker Steven Kilian, waarin hij spreekt over zijn detentieperiode in Justitieel Complex Zaanstad?1
Ik ben bekend met de aflevering.
Wat vindt u ervan dat in deze aflevering het beeld wordt geschetst van Justitieel Complex Zaanstad als een «feestbajes», waar gedetineerden volgens betrokkene konden beschikken over telefoons, drugs en andere verboden spullen?
Ik vind het onaanvaardbaar dat gedetineerden in een penitentiaire inrichting zouden kunnen beschikken over binnengesmokkelde telefoons, drugs en andere verboden goederen. De Dienst Justitiële Inrichtingen (DJI) zet zich dan ook hard in om invoer van contrabande tegen te gaan, door toepassing van verscherpte techniek en controles. De Taskforce «penitentiaire inrichtingen (PI) schoonvegen» die, naar aanleiding van motie van het Kamerlid Ellian (24 587, nr. 1077), op 11 februari jl. is gestart, zal de aanpak om contrabande te weren verder versterken. De Kamer zal, overeenkomstig deze motie, in september 2026 worden geïnformeerd over de resultaten van deze Taskforce.
Kunt u per genoemde categorie aangeven of bij de Dienst Justitiële Inrichtingen (hierna: DJI) bekend is of dit in Justitieel Complex Zaanstad heeft plaatsgevonden: het binnensmokkelen van contrabande zoals mobiele telefoons op cel, cocaïne of andere drugs, het voor handen krijgen van kostbaar vlees tijdens kerst dat niet door DJI beschikbaar is gesteld, het verstoppen van drugs in het washok door het verkrijgen van privileges als wasmeester en prostitutiebezoek door middel van bezoek zonder toezicht?
Voor wat betreft de aangetroffen contrabande kan ik stellen dat er in 2025 359 stuks aan verboden goederen zijn aangetroffen in Justitieel Complex Zaanstad. Voor een verdere uitsplitsing verwijs ik naar eerder beantwoordde Kamervragen welke een overzicht bieden van de aangetroffen contrabande per PI in 2023, 2024 en 2025.2 Voor wat betreft de overige punten geldt dat DJI bekend is met de volgende incidenten in het JC Zaanstad:
In 2023 is in het JC Zaanstad een medewerker de toegang tot de inrichting ontzegd omdat hij etenswaren, waaronder vlees, mee naar binnen had gebracht voor gedetineerden. Na onderzoek door het Bureau Integriteit is deze medewerker ontslagen.
Er zijn in 2022 in een washok meerdere mobiele telefoons gevonden bij een bijzondere spitactie, in een periode waarin het JC Zaanstad veel last had van drones. Het JC Zaanstad heeft toen passende maatregelen getroffen, onder meer door het intensiveren van dergelijke zoekacties. Overigens was het JC Zaanstad een van de eerste inrichtingen in Nederland met dronedetectie.
Het verstoppen van drugs in een washok is in het JC Zaanstad niet bekend.
Prostitutiebezoek is in het JC Zaanstad niet vastgesteld.
Bent u het ermee eens dat deze praktijken afbreuk doen aan de strafdoelen van detentie en er sprake is van een afbreuk van de rechtsstaat wanneer criminelen in detentie door kunnen gaan met het ondermijnen van het gezag?
Ik ben het ermee eens dat het binnensmokkelen van verboden goederen afbreuk doet aan de strafdoelen van detentie en dat er sprake is van afbreuk van de rechtstaat wanneer criminelen in detentie het gezag ondermijnen. Zoals in de beantwoording bij vraag 2 gesteld zet DJI zich hard in om invoer van contrabande tegen te gaan door toepassing van verscherpte techniek en controles. De genoemde Taskforce PI schoonvegen, die naar aanleiding van motie Ellian is ingesteld, zal de aanpak om contrabande te weren verder versterken.
Welke lessen trekt u uit het verhaal dat een gedetineerde volgens eigen zeggen als wasmeester over extra privileges beschikte, waaronder toegang tot een washok en daar kennelijk contrabande kon verstoppen?
Ik ga niet in op individuele casuïstiek. In algemene zin geldt dat DJI een samenstel aan maatregelen treft ter voorkoming van het verbergen van contrabande in het washok. Zo wordt de wasmeester geselecteerd uit het plusprogramma voor goed gedrag en wordt, gelet op de aard van deze functie en de bijhorende toegang tot ruimtes, voortdurend gemonitord. Daarnaast is het washok een van de ruimtes die standaard gecontroleerd wordt op de aanwezigheid van contrabande. Op basis van signalen en risicoanalyses worden deze controles geïntensiveerd en spitacties uitgevoerd.
Welke controles gelden voor gedetineerden met interne functies, zoals wasmeester, schoonmaker of andere werkzaamheden waarbij zij toegang hebben tot ruimtes of materialen die andere gedetineerden niet hebben?
Functies zoals wasmeester, schoonmaker of anderszins worden toegekend aan gedetineerden die wegens goed gedrag in het plusprogramma verblijven, en pas nadat de voordracht voor deze werkzaamheden is besproken in het Multidisciplinair Overleg. Vanaf het moment dat deze speciale functies zijn toegekend, wordt de gedetineerde doorlopend gemonitord. Desgewenst worden er inlichtingen ingewonnen bij het Bureau Inlichtingen en Veiligheid, een bureau dat in elke inrichting voorhanden is, juist om ondermijning en ander ongewenst c.q. ongeoorloofd gedrag tegen te gaan.
Welke voorschriften gelden er voor bezoek zonder toezicht en hoe kan het dat door middel van bezoek zonder toezicht prostitutiebezoek plaats heeft kunnen vinden? Kunt u hierop reflecteren?
Bezoek van prostituees is niet toegestaan. Het is voor gedetineerden mogelijk om in aanmerking te komen voor bezoek zonder toezicht. Dit geldt alleen voor gedetineerden waarvan geen veiligheidsrisico’s uitgaan, in normaal beveiligde inrichtingen. Aan dit bezoek zonder toezicht zijn, zoals in de beantwoording van vraag 3 weergegeven, voorwaarden gesteld. Er dient sprake te zijn van een duurzame relatie, wat aangetoond dient te worden door bijvoorbeeld het overleggen van een huwelijksakte of samenlevingscontract.3 Bezoek van prostituees is daarmee niet toegestaan.
Wat vindt u van de uitspraak dat een gedetineerde die «de jongens rustig houdt» en ervoor zorgt dat personeel veilig kan werken, in ruil daarvoor «van alles» kan regelen? Herkent u dit risico van het afnemen van penitentiaire scherpte wanneer een gedetineerde zich ogenschijnlijk voorbeeldig gedraagt? Zo ja, wat gaat u hiertegen doen?
Detentie kent het systeem van promoveren en degraderen waarbij ongewenst gedrag wordt bestraft en gewenst gedrag juist wordt beloond met meer interne vrijheden. Een besluit tot promotie tot een plusprogramma is voorbehouden aan de vestigingsdirecteur, en wordt niet op de werkvloer genomen. Het behouden van penitentiaire scherpte vind ik uiterst belangrijk. Dit geldt voor alle regimes en alle gedetineerden, ongeacht hun status. DJI investeert dan ook structureel in de opleiding en weerbaarheid van hun medewerkers zodat de orde en veiligheid in detentie op correcte wijze gewaarborgd kan worden.
Kunt u bevestigen of is onderzocht of er in dit geval sprake is geweest van ongeoorloofde contacten, privileges of een relatie tussen een gedetineerde en een penitentiair inrichtingswerker? Zo ja, wat is daaruit gekomen? Zo nee, bent u bereid dit alsnog te laten onderzoeken?
Ik ga niet in op individuele casuïstiek. Mochten dergelijke incidenten zich voordoen, dan wordt dit door DJI onderzocht en worden er passende maatregelen getroffen. Voor een uitgebreidere toelichting hierop verwijs ik naar de beantwoording van vraag 10.
Uit de voorvallenlijst van DJI blijkt dat relaties tussen gevangenispersoneel en gedetineerden vaker voorkomen. Wat doet u eraan om dit te voorkomen?
Iedereen die voor DJI komt werken, ongeacht de werkrelatie, wordt bij de start van de werkzaamheden over de gedragscode geïnformeerd. DJI-medewerkers worden getraind in de omgang met justitiabelen. De gedragscode en de kernwaarden komen aan de orde bij de centrale onboarding en integriteit is een belangrijke leerlijn die in alle (basis)opleidingen terugkomt en waar nadrukkelijk aandacht aan wordt besteed. Niet alleen tijdens de opleiding maar ook bij de beëdiging van nieuwe collega’s en op de werkvloer wordt hier aandacht en invulling aan gegeven.
Het is van belang dat medewerkers zich kunnen uitspreken in situaties betreffende afstand/nabijheid tussen medewerker en justitiabele. Hiervoor is een sociaal veilig werkklimaat nodig. Met de aanpak van DJI gericht op sociale veiligheid wordt bevorderd dat medewerkers signalen kunnen herkennen en zich veilig kunnen uitspreken. Hierdoor wordt het lerend vermogen van DJI als organisatie gestimuleerd: niet alleen via onboarding en opleiding, maar ook door reflectie op situaties die zich in het werk voordoen.
In algemene zin geldt dat een niet-professionele relatie tussen een medewerker en een gedetineerde onverenigbaar is met werken binnen een PI. Het is vastgelegd in de gedragscode DJI dat een relatie tussen een medewerker en een justitiabele niet is toegestaan. Als daarvan toch sprake blijkt te zijn, en dit voldoende is onderbouwd, volgt in de regel ontslag. In andere gevallen – bijvoorbeeld wanneer signalen onvoldoende concreet zijn of wanneer onderzoek nog loopt – kan een schorsing aan orde zijn. Besluiten over personeelsmaatregelen worden zorgvuldig genomen door de directie van de penitentiaire inrichting, op basis van de beschikbare informatie op dat moment. Deze moeten juridisch standhouden. Sancties binnen DJI worden altijd afgestemd op de specifieke omstandigheden van een casus. Daarbij wordt gekeken naar de aard en ernst van het gedrag, de uitkomsten van onderzoek, juridische kaders en het arbeidsrecht.
Welke maatregelen neemt u om te voorkomen dat resocialisatie en vrijheden binnen detentie ertoe leiden dat gedetineerden over telefoons, drugs of andere contrabande kunnen beschikken en daarmee de veiligheid van personeel, medegedetineerden en de samenleving in gevaar brengen?
Bij de beslissing over het al dan niet toekennen van externe vrijheden in het kader van de re-integratie, wordt een afweging gemaakt tussen het gedrag gedurende de detentie, risico's en slachtofferbelangen. Dit gebeurt op grond van artikel 15 van de Rtvi. Ook worden adviezen van ketenpartners meegenomen in de beslissing. Per individuele casus wordt bepaald of maatregelen nodig zijn om het verlof zo veilig mogelijk te kunnen realiseren. Bijvoorbeeld door begeleid verlof of elektronisch toezicht. Daarnaast wordt een urinecontrole afgenomen zodra een gedetineerde terugkeert van verlof.
Zoals in de beantwoording van vraag 8 gesteld vind ik het behouden van penitentiaire scherpte uiterst belangrijk, ook wanneer het aankomt op vrijheden voor bepaalde gedetineerden met oog op hun re-integratie.
Welke maatregelen neemt u om, zoals in het coalitieakkoord omschreven staat, de handhaving op contrabande te verscherpen?
DJI zet zich hard in om contrabande tegen te gaan. Door middel van een gelaagd proces wordt er op contrabande gecontroleerd binnen een PI. Dit gelaagd proces bestaat onder andere uit de basiscontroles die plaatsvinden bij binnenkomst van justitiabelen maar ook van die van bezoekers en medewerkers van DJI. Ook de periodieke (cel)inspecties maken deel uit van dit gelaagd proces, naast de zoekacties van het interne bijstandsteam en de zoekacties die samen met of enkel door de Landelijke Bijzondere Bijstandseenheid en de inzet van speurhonden plaatsvinden.
Daarbij wordt ingezet op de verscherpte handhaving onder meer door de Taskforce «PI Schoonvegen». Verder is per 1 juli jl. via een aanpassing van de Geweldsinstructie penitentiaire inrichtingen voor DJI-medewerkers de bevoegdheid gecreëerd om drones boven en op terrein van PI’s met een extra of uitgebreid beveiligingsniveau te weren. Dit zal naar verwachting een belangrijke bijdrage leveren om drones met contrabanden te weren.
Bent u bekend met de berichtgeving1 dat Defensie na uitgebreid overleg heeft geoordeeld dat vijf windturbines van circa 250 meter hoog bij Windpark Buitenpolders geen belemmering vormen voor de militaire vliegveiligheid, terwijl vier van de vijf turbines binnen het beperkingengebied van 15 kilometer rond Vliegbasis Gilze-Rijen liggen? Klopt deze berichtgeving? Zo ja, wanneer is dit oordeel afgegeven, betreft dit een voorlopig of definitief oordeel, welke concrete onderzoeken, risicoanalyses en militaire adviezen liggen hieraan ten grondslag en bent u bereid deze met de Kamer te delen?
Ja, Defensie is bekend met de berichtgeving. De veronderstelling dat Defensie heeft ingestemd met een uitgewerkt windparkproject is niet terecht.
Defensie is, daarbij ondersteund door het Rijksvastgoedbedrijf, de afgelopen jaren als belanghebbende uitgebreid betrokken geweest bij de studies voor het vaststellen van het zoekgebied voor het plaatsen van windmolens in de gemeente Waalwijk. Defensie heeft in dit gebied haar relevante belangen nadrukkelijk ingebracht. De gemeente heeft de belangen van Defensie betrokken in de besluitvorming.
Defensie blijft ook in de volgende fasen van de ruimtelijke procedure als belanghebbende betrokken om te beoordelen of het defensiebelang niet wordt geschaad. Deze beoordeling is mogelijk zodra vanuit de gemeente en/ of de zonneparkbeheerder met Defensie wordt gedeeld waar welke turbines worden gepland.
Welke veiligheidsrisico's brengen de vijf windturbines van circa 250 meter hoog volgens Defensie met zich mee voor militairen, militaire luchtvaartuigen en de operationele inzet vanaf Vliegbasis Gilze-Rijen, gelet op het feit dat deze windturbines ongeveer 100 meter hoger zijn dan de hoogte waarbij binnen het beperkingengebied een afzonderlijke vliegveiligheidsbeoordeling door Defensie is vereist? Welke gevolgen heeft dit oordeel voor de huidige en toekomstige militaire inzet, waaronder laagvliegoefeningen, helikopteroperaties en toekomstige uitbreidingsmogelijkheden, en zijn aan dit oordeel voorwaarden verbonden, bijvoorbeeld ten aanzien van de maximale hoogte, exacte locatie of operationele beperkingen? Zo ja, welke?
Defensie beoordeelt ruimtelijke projecten, zoals een windpark, zowel op veiligheidsaspecten, als op de mate waarin operationele- en oefenmogelijkheden daardoor worden beïnvloed.
In relatie tot deze ontwikkeling is voor Defensie vooral de vliegroute van en naar het helikopter laagvlieggebied «Maas/Waal» voor de helikopters van Gilze-Rijen van belang. In dit gebied heeft de gemeente Waalwijk geen windturbines gepland.
De aanwezigheid van het genoemde 15 km beperkingengebied (de zgn. «Outer Horizontal Surface») betekent niet op voorhand dat er geen windprojecten mogelijk zijn. Nadere beoordeling van het definitieve plan zal dit moeten uitwijzen. Tevens moet standaard elk windproject worden beoordeeld op de mate waarin radarbeelden worden verstoord.
Is Defensie bij de beoordeling van Windpark Buitenpolders volledig zelfstandig en uitsluitend op basis van militaire en vliegveiligheidskundige overwegingen tot haar oordeel gekomen, of hebben andere ministeries, provinciale of gemeentelijke overheden of initiatiefnemers invloed uitgeoefend op de totstandkoming van dit oordeel? Zo ja, op welke wijze?
Zie het antwoord op vraag 1 en 2. Door medeoverheden of andere partijen is geen invloed uitgeoefend op de totstandkoming van dit oordeel.
Deelt u de opvatting dat de veiligheid van onze militairen altijd zwaarder moet wegen dan klimaat- en duurzaamheidsbeleid? Kunt u bevestigen dat Defensie nooit concessies zal doen aan de veiligheid van militairen of de operationele inzetbaarheid van de krijgsmacht om de realisatie van windturbines of andere duurzame energieprojecten mogelijk te maken? Zo nee, waarom niet?
Voor Defensie hebben operationele inzetbaarheid en veiligheid van personeel, zowel militair als burger, prioriteit. Bij nieuwe ruimtelijke ontwikkelingen wordt daarom beoordeeld of deze de operationele gereedstelling raken van de krijgsmacht of een risico vormen voor de veiligheid van het defensiepersoneel. Waar mogelijk werkt Defensie zoveel mogelijk mee aan het vinden van duurzame oplossingen.