Bent u bekend met het bericht «113.nl: structurele privacy schending in digitale zorgverlening» dat 12 mei 2026 verscheen op het onafhankelijke security & privacy journalistiek platform «Hackedemia», dat breed in de media, zoals BNR en Hart van Nederland, werd overgenomen?1
Ja.
Bent u bekend met het gegeven dat 113.nl werkte met een session-recording- en heatmaptool, fingerprinting- en trackingtools?
Het kabinet heeft hiervan kennisgenomen door het bericht van Hackedemia.nl.
Bent u bekend met het gegeven dat enkele van deze tools niet vermeld stonden in het cookiebeleid, DPIA’s (Data Protection Impact Assessment) ontbraken en de opgehaalde data werd uitgestuurd naar derden?
Zie antwoord vraag 2.
Wat is uw reactie op de bevindingen dat een kwetsbare groep, verkerend in acute psychische nood, op dergelijke wijze werd blootgesteld aan privacyschendingen?
Het kabinet vindt het belangrijk dat persoonsgegevens op een veilige en rechtmatige manier worden verwerkt. Mensen die contact zoeken met 113 zitten in een bijzonder kwetsbare positie en moeten erop kunnen vertrouwen dat hun gegevens veilig zijn. Om dergelijke medische gegevens te beschermen is de NEN 7510 norm (informatiebeveiliging in de zorg) verplicht gesteld voor alle zorgaanbieders. Stichting 113 Zelfmoordpreventie werkt in overeenstemming met deze norm.
Het onderzoek uit het artikel van Hackemedia heeft uitgewezen dat Stichting 113 niet op de voorgeschreven manier gegevens verwerkte. Uit de update van hetzelfde artikel blijkt dat Stichting 113 Zelfmoordpreventie op een manier heeft gereageerd die door de onderzoekers als adequaat wordt aangeduid, en de onderzoekers bedanken Stichting 113 Zelfmoordpreventie voor de voortvarendheid in oppakken van de bevindingen van de onderzoekers.
Daarnaast heeft Stichting 113 laten weten dat de bevindingen van Hackedemia uitsluitend toezagen op de wijze waarop technische gegevens, waaronder cookiegegevens, werden verwerkt bij het bezoek aan de website van Stichting 113. Deze gegevens kunnen inderdaad worden aangemerkt als persoonsgegevens. De bevindingen hadden echter geen betrekking op de inhoudelijke behandeling van hulpvragen of op de vertrouwelijkheid van contacten tussen hulpzoekers en Stichting 113. Er zijn geen aanwijzingen dat chatgesprekken, telefonische contacten of andere vormen van hulpverlening zijn gecompromitteerd of voor onbevoegden toegankelijk zijn geweest. Dergelijke inhoudelijke hulpverleningsgegevens worden niet gedeeld met derden.
Voor zover Hackedemia de verwerking van persoonsgegevens door Stichting 113 heeft onderzocht, beperkte dat onderzoek zich tot gegevensverwerkingen die plaatsvinden in het kader van het gebruik van de website en niet tot de kern van de hulpverlening door Stichting 113. De bevindingen van Hackedemia zijn volgens Stichting 113 desondanks uiterst serieus genomen.
Is bekend bij welke zorgorganisaties dit probleem nog meer voorkomt? Zo nee, wat gaat u er concreet aan doen om hier een landsdekkend overzicht van te verkrijgen?
Het gebruik van dergelijke techniek is onderworpen aan regels die hoofdzakelijk in de telecommunicatiewet zijn opgenomen. Het toezicht op de naleving van deze regels is belegd bij onafhankelijke toezichthouders. Een overzicht waar en in welke mate dit probleem verder voorkomt is niet bekend bij het kabinet. Het kabinet onderschrijft echter het belang ervan om deze problematiek onder de aandacht te brengen bij de relevante toezichthouders en zal dan ook de bevindingen van de onderzoeker bij hen onder de aandacht brengen.
Hoe denkt u het vertrouwen in die organisatie en soortgelijke organisaties te herstellen en te voorkomen dat mensen in nood niet meer durven bellen?
Met haar reactie op het trackingonderzoek van Hackedemia heeft Stichting 113 Zelfmoordpreventie op dat punt onmiskenbaar een stap gezet om het vertrouwen te bevorderen.
Bent u het eens met de stelling dat 113 snel en adequaat heeft gehandeld en ziet u mogelijkheden om de uit deze casus voortgekomen controlelijst (checklist) als standaard te handhaven? Graag een onderbouwing van uw beantwoording.
Met de stelling is het kabinet het eens. Wat betreft de controlelijst stelt het kabinet vast dat deze is toegesneden op een concreet onderzoek. Het kabinet onderschrijft uiteraard het belang dat wettelijke kaders worden nageleefd. Op welke manier dat wordt geborgd, is in de eerste plaats aan verwerkingsverantwoordelijken zelf. De beoordeling daarvan is aan de onafhankelijke toezichthouders.
Welke stappen gaat u ondernemen om dergelijke privacyschendingen in de zorgsector in de toekomst effectief te voorkomen?
Het is aan de zorgorganisaties zelf om te voldoen aan de geldende wet -en regelgeving. Toezicht op de naleving en de handhaving van deze geldende normen liggen bij de Autoriteit Persoonsgegevens en Autoriteit Consument en Markt.
Om privacy schendingen in de zorgsector te voorkomen is de NEN 7510 norm verplicht gesteld in de wet. Daarmee zijn er – bovenop de regels die de Algemene Verordening Gegevensbescherming (AVG) en de Telecommunicatiewet stellen – al regels om privacy schendingen in de zorgsector te voorkomen.
Het Centrum Seksueel Geweld als toegangspoort voor zedenzaken |
|
Ingrid Coenradie (PVV) |
|
David van Weel (VVD) |
|
|
|
|
Kunt u uiteenzetten hoe de huidige instroom van meldingen, aangiften en signalen van seksuele misdrijven verloopt en welke rol het Centrum Seksueel Geweld (CSG) daarin momenteel vervult?
Hoe verloopt de samenwerking tussen het CSG, de politie, de zedenrecherche, het Openbaar Ministerie en Slachtofferhulp Nederland in de praktijk?
Welke gegevens worden tussen deze organisaties gedeeld, welke ICT-koppelingen ondersteunen deze gegevensuitwisseling en welke juridische of praktische belemmeringen bestaan daarbij?
Hoe beoordeelt u de huidige capaciteit binnen de zedenketen, mede in het licht van vacatures, ziekteverzuim, doorlooptijden, werkvoorraden en een mogelijk verdere stijging van de instroom?
Bent u het ermee eens dat een vorm van triage aan de voorkant noodzakelijk kan zijn om schaarse opsporingscapaciteit zo effectief mogelijk in te zetten? Zo nee, waarom niet?
Is in het verleden onderzocht of het CSG een formele intake-, poortwachters- of triagefunctie kan vervullen voor meldingen van seksuele misdrijven? Zo ja, wat waren de uitkomsten?
Welke wettelijke, organisatorische, financiële, privacyrechtelijke of andere belemmeringen staan een dergelijke rol van het CSG eventueel in de weg?
Welke voordelen en risico’s ziet u in een grotere rol van het CSG bij de beoordeling, doorgeleiding en prioritering van meldingen van seksuele misdrijven?
Deelt u de opvatting dat niet iedere melding van seksueel grensoverschrijdend gedrag automatisch hoeft te leiden tot een strafrechtelijk traject, mits slachtoffers wel snel toegang houden tot passende zorg, ondersteuning en bescherming?
Welke alternatieve routes naast strafvervolging bestaan er momenteel voor slachtoffers en hoe worden zij hierover geïnformeerd?
Beschikt u over gegevens waaruit blijkt welke behoeften slachtoffers hebben ten aanzien van zorg, herstel, bescherming en strafvervolging? Zo ja, hoe zien deze gegevens eruit?
In hoeveel gevallen kiezen slachtoffers uiteindelijk niet voor aangifte nadat zij informatie of begeleiding hebben ontvangen, zowel absoluut als procentueel?
Deelt u de opvatting dat voor sommige slachtoffers erkenning, hulpverlening of herstel belangrijker kan zijn dan een strafproces en hoe wordt hiermee binnen de zedenketen rekening gehouden?
Welke eerdere onderzoeken, pilots, evaluaties of beleidsinitiatieven zijn uitgevoerd naar centrale intake, triage of ketensamenwerking binnen de aanpak van seksuele misdrijven en welke lessen zijn daaruit getrokken?
Zijn er internationale voorbeelden bekend waarbij gespecialiseerde centra zoals het CSG een centrale intakefunctie vervullen en welke lessen kunnen daaruit worden getrokken?
Deelt u de opvatting dat het CSG kan bijdragen aan een betere selectie en doorgeleiding van zaken die zich daadwerkelijk lenen voor strafrechtelijke afdoening? Zo ja, welke stappen zijn nodig om dit mogelijk te maken
Bent u bereid samen met politie, Openbaar Ministerie, het CSG, Slachtofferhulp Nederland en zorgpartners een verkenning uit te voeren naar een toekomstbestendige inrichting van de zedenketen, waarbij specifiek wordt gekeken naar centrale intake, triage, digitalisering, gegevensuitwisseling en capaciteitsverdeling? Zo ja, binnen welk tijdspad kan de Kamer hierover worden geïnformeerd? Zo nee, waarom niet?
De voorgenomen aanscherping van de Wapenwet |
|
Shanna Schilder (PVV) |
|
David van Weel (VVD) |
|
|
|
|
Heeft u kennisgenomen van het bericht dat het kabinet de Wapenwet wil aanscherpen met onder meer psychologische en lichamelijke controles voor houders van een wapenverlof?1
Erkent u dat houders van een wapenverlof reeds behoren tot de strengst gecontroleerde burgers van Nederland en zich moeten houden aan een uitgebreid stelsel van vergunningen, controles, screenings en opslagvoorschriften?
Waarom kiest u ervoor opnieuw extra verplichtingen op te leggen aan legale jagers, sportschutters en verzamelaars, terwijl het illegale wapenbezit onder criminelen onverminderd groot blijft? Heeft u dan wel de prioriteiten op orde?
Klopt het dat politie en justitie nu al moeite hebben om alle bestaande controles en toezichtmaatregelen rond verlofhouders uit te voeren? Zo ja, waarom acht u verdere uitbreiding van het stelsel dan uitvoerbaar? Zo nee, waar blijkt dat uit?
Op basis van welke concrete cijfers concludeert u dat psychologische en lichamelijke keuringen van alle verlofhouders daadwerkelijk zullen leiden tot een veiliger Nederland?
Waarom richt u zich op burgers die reeds bekend zijn bij de overheid, beschikken over een vergunning en zich al aan uitgebreide regels houden, in plaats van de aanpak van illegaal wapenbezit en vuurwapengeweld verder op te voeren?
Deelt u de opvatting dat het wrang is dat legale verlofhouders opnieuw worden geconfronteerd met extra controles, keuringen en beperkingen, terwijl veel Nederlanders dagelijks zien dat vuurwapengeweld, straatterreur en ernstige criminaliteit door veelplegers een steeds groter probleem vormen? Zo nee, waarom niet?
Welke problemen worden met deze maatregelen opgelost die niet reeds met de bestaande bevoegdheden, controles en screenings kunnen worden aangepakt?
Bent u bereid af te zien van nieuwe lasten voor legale verlofhouders zolang niet is aangetoond dat de bestaande regelgeving onvoldoende is en zolang de handhaving van de huidige regels niet volledig op orde is? Zo nee, waarom niet?
Het bericht ‘Hakenkruizen en vandalisme: grote zorgen bij moslimorganisaties na incidenten’ |
|
Mahjoub Mathlouti (D66), Mpanzu Bamenga (D66) |
|
David van Weel (VVD), Pieter Heerma (CDA) |
|
|
|
|
Bent u bekend met het bericht «Hakenkruizen en vandalisme: grote zorgen bij moslimorganisaties na incidenten»?1
Deelt u de opvatting dat het volstrekt onacceptabel is dat burgers geïntimideerd worden met geweld, vandalisme en discriminerende symbolen?
Herkent u het geschetste beeld dat er sprake lijkt te zijn van een toename van gewelds- en vandalisme-incidenten bij moskeeën?
Gezien de hoeveelheid incidenten en de specifieke kenmerken ervan, in hoeverre is hier naar uw mening sprake van een patroon van gerichte aanvallen met een discriminerend karakter?
Wat gaat u doen om een voortzetting van de reeks incidenten tegen te gaan, daders aan te pakken en slachtoffers te beschermen?
Heeft u veiligheidsmaatregelen getroffen naar aanleiding van de recente incidenten? Zo ja, welke?
Bent u bereid om met de belangenorganisaties die hun zorgen hebben uitgesproken in gesprek te treden over wat er nodig is om de veiligheid en het gevoel van veiligheid te herstellen en moslimdiscriminatie tegen te gaan en de Kamer over de uitkomsten te informeren?
Kunt u uw reactie in het NOS-bericht, waarin u stelt dat u extra middelen voor de bescherming van moskeeën niet aan de orde acht, verder toelichten?
Klopt het dat er geen centrale registratie bestaat van het aantal incidenten met geweld en/of vandalisme rond moskeeën?
Bent u bereid blijvend te inventariseren hoe vaak dergelijke incidenten plaats hebben gevonden en plaatsvinden rond moskeeën en andere religieuze instellingen die geregeld doelwit van intimidatie zijn, zodat inzichtelijk kan worden of nadere veiligheidsmaatregelen nodig zijn?
Het artikel dat de hogere energieprijzen vooral de armste huishoudens treffen |
|
Hidde Heutink (PVV) |
|
Stientje van Veldhoven (D66) |
|
|
|
|
Bent u bekend met de inhoud van de studie van het CPB waaruit blijkt dat huishoudens in de laagste inkomensgroep in het negatieve scenario tot wel 6% van hun inkomen meer kwijt zijn aan energie? Zo ja, wat is uw eerste reactie hierop?1
Ja. Uit de studie van het CPB blijkt dat de inkomenseffecten van hogere energie- en brandstofprijzen voor de meeste huishoudens beperkt zijn, maar dat er ook groepen zijn die hierdoor merkbaar harder geraakt worden2. Het gaat daarbij met name om huishoudens met een inkomen tot modaal die relatief veel gas verbruiken, veel kilometers rijden of beide doen. In een negatief scenario kan het inkomenseffect voor deze huishoudens oplopen tot 6% van het besteedbaar inkomen. Het Kabinet heeft bijzondere aandacht voor huishoudens die minder financiële ruimte hebben. Daarom zijn in het voorjaar extra middelen vrijgemaakt zodat huishoudens kunnen meekomen in de energietransitie en voor het openstellen van het Noodfonds. Op deze manier komt de ondersteuning terecht bij de huishoudens die dat het meeste nodig hebben.
Bent u het eens met de stelling dat het onrechtvaardig is dat hogere inkomensgroepen zich dankzij overheidssubsidies voor zonnepanelen, warmtepompen en elektrische auto’s beter hebben kunnen beschermen tegen energieprijsstijgingen, terwijl de laagste inkomens dit niet konden en nu de rekening gepresenteerd krijgen? Zo ja, waarom? Zo nee, waarom niet?
Het kabinet vindt het belangrijk dat ook huishoudens met een lager inkomen kunnen profiteren van verduurzaming en zich daarmee beter kunnen beschermen tegen te hoge energieprijzen of het risico op sterke fluctuatie van die prijzen. Daarom zijn er verschillende gerichte maatregelen om deze huishoudens te ondersteunen.
Het kabinet en medeoverheden realiseren zich bovendien dat naast geld vaak meer nodig is. Via gemeenten worden huishoudens met een slecht geïsoleerde woning geholpen met subsidies, energiecoaches, energiefixers en begeleiding bij de uitvoering van maatregelen. Ook kunnen huishoudens met een lager inkomen gebruik maken van aanvullende regelingen. Zo verstrekt het Nationaal Warmtefonds leningen tegen aantrekkelijke voorwaarden, met 0% rente bij een inkomen lager dan 60.000 euro, om verduurzamingsmaatregelen te kunnen financieren. Met het energiehuis wordt toegewerkt naar één herkenbare plek waar huishoudens terechtkunnen voor informatie, advies, financiering en ondersteuning.
De Investeringssubsidie duurzame energie en energiebesparing (ISDE) is voor iedereen beschikbaar om het nemen van isolatiemaatregelen, een warmtepomp en/of een zonneboiler te stimuleren.
Klopt het dat verduurzamingsbeleid van de afgelopen jaren in de praktijk voornamelijk ten goede is gekomen aan hogere inkomens? Zo nee, kunt u dit met cijfers onderbouwen?
Veel subsidies die gericht zijn op het stimuleren van energiebesparende maatregelen in woningen en mobiliteit werden voorheen veel gebruikt door mensen met hoge middeninkomens en hoge inkomens. Uit cijfers van het CBS over 2024 blijkt dat van de toegekende subsidies voor woningen 29,4% terechtkwam bij huishoudens met een verzamelinkomen van meer dan € 100.000. Bij de ISDE was dit ongeveer 33%.
Voor huishoudens in een kwetsbare positie is vaak aanvullende financiële en praktische ondersteuning nodig om verduurzamingsmaatregelen te kunnen nemen en gebruik te kunnen maken van landelijke subsidies. Daarom zet de overheid gericht in op ondersteuning van huishoudens die dit het hardst nodig hebben, onder meer via het Nationaal Isolatieprogramma, energiecoaches en energiefixers.
Daarnaast zijn maatregelen getroffen zoals het uitfaseren van de labels E, F en G uiterlijk in 2028 in de huursector, het Nationaal Warmtefonds, het Isolatieoffensief en het Energiehuis. Zo heeft inmiddels ruim de helft van de particuliere leningnemers bij het Nationaal Warmtefonds een verzamelinkomen tot € 60.000. Voor deze groep geldt bovendien een rentepercentage van 0%.
Hoeveel huishoudens in de laagste inkomensgroep beschikken momenteel over een slecht geïsoleerde woning? En bij hoeveel van deze woningen is een woningcorporatie verantwoordelijk voor de verduurzaming en onderhoud?
In 2024 hadden ongeveer 241 duizend huishoudens zowel een laag inkomen (<130% van de lage inkomensgrens) als een woning met een lage energetische kwaliteit (LILEK). Dit komt overeen met 2,9% van alle huishoudens.3
De bredere groep huishoudens met energiearmoede bestond in 2024 uit ongeveer 510.000 huishoudens, oftewel 6,1% van alle huishoudens. Van deze groep woonde 74,6% in een corporatiewoning, 17,2% in een overige huurwoning en 8,1% in een koopwoning.
Erkent u dat de hoge brandstofprijzen en de beslissing van de regering om de accijns niet te verlagen ervoor zorgt dat de groep mensen die een auto nodig heeft voor hun werk, ook binnen de laagste inkomensgroepen, nog meer in de knel komt? Zo ja, waarom? Zo nee, waarom niet?
De prijs van ruwe olie fluctueert aanzienlijk, inmiddels is de prijs van weer gedaald vergeleken met een aantal weken terug. Wanneer de prijs van ruwe olie hoger wordt kan dit wel een negatieve impact hebben op de bereikbaarheid van laagste inkomensgroepen, omdat de brandstofkosten ten opzichte van het totale besteedbaar inkomen kunnen toenemen. Dit is echter sterk afhankelijk van autobezit en van de hoeveelheid kilometers die gereden wordt.
Een accijnskorting zou ook voor een groot deel terecht komen bij hogere inkomens, omdat daar zowel meer autobezit als meer gereden kilometers zijn. Het kabinet kiest voor gerichtere maatregelen, die niet tot gevolg hebben dat de vraag naar fossiele brandstoffen verder stijgen nu de commerciële reserves van brandstoffen nog schaars zijn.
Erkent u dat de hoge brandstofprijzen ervoor zorgen dat mensen die afhankelijk zijn van een auto op deze manier vereenzamen, zich noodgedwongen isoleren van de samenleving en niet langer onderdeel uitmaken van de samenleving? Zo ja, wat bent u voornemens hier aan te gaan doen?
Sociale isolatie en vereenzaming zijn complexe problemen die het gevolg kunnen zijn van uiteenlopende persoonlijke, sociale en financiële omstandigheden, maar ook samenhangen met de mate waarin mensen in staat zijn hulp in te schakelen. Het kabinet verhoogt de maximale onbelaste reiskostenvergoeding en versnelt de inruilregeling voor oude fossiele auto’s voor huishoudens met lagere (midden)inkomens. Gemeentes hebben daarnaast zelf vaak sociaal beleid als het gaat om het creëren van ontmoetingsplekken in de wijk, die op korte afstand zijn en lopend te bereiken (buurtcentra, buurttuinen etc.).
Welke maatregelen neemt het kabinet om ervoor te zorgen dat werkende Nederlanders hun werk kunnen blijven uitvoeren, ondanks de torenhoge brandstofprijzen?
Het kabinet verhoogt de maximale onbelaste reiskostenvergoeding met terugwerkende kracht voor heel 2026 van € 0,23 naar € 0,25 per kilometer. Daarnaast wordt de openstelling van de inruilregeling voor oude fossiele auto’s voor huishoudens met lagere (midden)inkomens versneld naar het vierde kwartaal van 2026. Daarnaast houdt het kabinet de brandstofprijzen en koopkrachtontwikkelingen van burgers nauwgezet in de gaten. Mocht hier aanleiding voor zijn, dan kan het kabinet nieuwe gerichte maatregelen overwegen in de jaarlijkse koopkrachtbesluitvorming in augustus.
Deelt u de mening dat het onacceptabel is dat de energietransitie de allerarmsten in ons land het hardst raakt, en dat dit beleid fundamenteel herzien moet worden? Zo ja, welke stappen gaat u zetten om herziening van dit beleid te bewerkstelligen? Zo nee, hoe verklaart u de bevindingen van het CPB dan?
Het Kabinet wil er voor zorgen dat alle groepen mee kunnen in de transitie. Dit kabinet zet daarom al meerdere jaren stappen in het verduurzamen van huur- en koopwoningen en zet daar met het Isolatieoffensief en het Energiehuis extra kracht bij. Ook wordt op dit moment gewerkt aan een voorstel voor het Europese Sociaal Klimaatfonds waarin op zowel de woningbouw als mobiliteit plannen worden opgenomen voor de lagere inkomens. In het voorjaar van 2027 ligt de brede beleidsherziening van het energie- en klimaatbeleid voor, waarbij de overheid ook aandacht zal schenken aan de gevolgen voor kwetsbare huishoudens.
Bent u van plan de aanbeveling van het CPB, dat de overheid actief moet ingrijpen om lagere inkomens te helpen fossiele energie te vervangen, over te nemen? Zo ja, hoe? Zo nee, waarom niet?
Ja, het kabinet deelt het belang om huishoudens met een lager inkomen te ondersteunen bij het verminderen van hun afhankelijkheid van fossiele energie. Daarom zet het kabinet onder meer in op gerichte ondersteuning bij woningisolatie en op een sloop- en vervangingsregeling voor particuliere auto’s.
Via het Nationaal Isolatieprogramma en gemeenten kunnen huishoudens met een slecht geïsoleerde woning aanvullende subsidies, begeleiding en ontzorging krijgen. Met het Energiehuis wordt toegewerkt naar één herkenbare plek voor informatie, advies, financiering en ondersteuning. Ook wordt ingezet op gerichte communicatie om huishoudens beter te bereiken.
Daarnaast kunnen huishoudens met een lager inkomen via het Nationaal Warmtefonds gebruikmaken van leningen tegen 0% rente. In de huursector wordt ingezet op het uitfaseren van slechte energielabels en het verduurzamen van sociale en particuliere huurwoningen. Zo verkleint het kabinet de afhankelijkheid van fossiele energie voor lagere inkomens via maatregelen op het gebied van wonen en mobiliteit.
Het artikel ‘Kabinet trekt enkele tonnen uit voor Joodse studenten’ |
|
Mona Keijzer |
|
Letschert |
|
Bent u bekend met bovenstaand artikel?1
Ja.
Welke «centrale Joodse studentenorganisatie» heeft formeel om financiële middelen gevraagd bij het Ministerie van OCW en welke persoon/personen heeft/hebben dit verzoek namens deze centrale Joodse studentenorganisatie gedaan?
Wanneer is dit verzoek precies gedaan?
Welke specifieke Joodse studentenorganisaties, stichtingen en/of verenigingen zijn aangesloten bij deze centrale Joodse studentenorganisatie?
Welk schriftelijk plan, activiteitenvoorstel of projectvoorstel lag aan de financiering ten grondslag?
Welke concrete activiteiten, doelstellingen en beoogde resultaten waren in dit plan opgenomen en/of welke concrete problemen moesten volgens het plan worden aangepakt?
Welk bedrag is uiteindelijk beschikbaar gesteld, aan welke rechtspersoon of persoon zijn deze middelen toegekend en op grond van welke subsidieregeling, wettelijke bevoegdheid of andere financieringsconstructie is dit gebeurd?
Op basis van welke criteria heeft het ministerie vastgesteld dat de indiener(s) van het voorstel voldoende representatief waren voor de doelgroep waarvoor de middelen bedoeld zijn?
In hoeverre valt deze subsidieverstrekking onder de aanbestedingsplicht?
Subsidies vallen onder het bestuursrecht en de Algemene wet bestuursrecht (Awb), niet onder het inkooprecht. Wanneer de Rijksoverheid een subsidie verleent, zijn de reguliere Europese en nationale aanbestedingsregels in beginsel niet van toepassing op het verleningsproces. Om te beoordelen of de besteding van overheidsmiddelen op de juiste wijze geschiedt en geen staatssteun oplevert wordt – zoals gebruikelijk – bij elke ingediende aanvraag een staatssteuncheck uitgevoerd.
Bent u het ermee eens dat de Kamer voor een goede controle van de besteding van publieke middelen volledig moet kunnen vaststellen wie het initiatief heeft genomen, wie het plan heeft opgesteld, wie als gesprekspartner van het ministerie heeft opgetreden en aan wie de middelen uiteindelijk zijn toegekend?
Transparantie is van belang zodat de Kamer in staat is haar controlerende taak uit te oefenen. Zoals bij de beantwoording van vragen 2 t/m 8 genoemd, wordt na de formele besluitvorming voldoende informatie openbaar. Bij individuele subsidieverstrekkingen kent de Kamer geen directe operationele controle, dat betekent o.a. dat zij aan de voorkant van processen niet gaat over de verdeling van middelen. Die exclusieve bestuursbevoegdheid ligt bij de Minister als bestuursorgaan.
Indien dat niet zo is, waarom niet? Indien dat wel zo is, waarom is dat niet gedaan?
In dit specifieke geval is van een subsidiebesluit (nog) geen sprake, slechts van een reservering ten behoeve van verstrekking van middelen ten behoeve van Joodse studenten en medewerkers. In algemene zin controleert de Tweede Kamer via de Grondwet en de Comptabiliteitswet de Minister, die op haar beurt via het bestuursrecht (Awb) toezicht houdt op de individuele subsidierelaties. De Tweede Kamer treedt dus niet op als de bezwaarschriftcommissie of directe controleur van één of meerdere specifieke subsidieontvanger(s).
Bent u zodoende bereid de volledige subsidieaanvraag, het projectplan, de begroting, de beoordelingsstukken, de subsidiebeschikking, de verantwoordingsvoorwaarden en een chronologisch overzicht van alle relevante contacten en besluiten te doen toekomen aan de Kamer?
Zie mijn antwoord op vragen 2 t/m 8.
Ben u ervan op de hoogte dat er in Nederland meerdere Joodse studentenorganisaties zijn en bent u het met mij eens dat deze organisaties evengoed aanspraak zouden moeten kunnen maken op publieke middelen?
Ja, ik ben daarvan op de hoogte. Voor wat betreft hun aanspraak verwijs ik u naar mijn antwoord op vragen 2 t/m 8 en 10–11.
Op welke wijze dienen deze organisaties hun plan/initiatief bij u onder de aandacht te brengen?
Nee, zie mijn antwoord op vragen 10 en 11.
Bent u bereid alsnog een tender uit te schrijven of een gangbare en transparante subsidieprocedure in te richten waarop alle Joodse studentenorganisaties, die dat wensen, kunnen reageren?
Zie antwoord vraag 14.
Het bericht ‘Sterke toename cryptobetalingen voor aankoop online kinderporno’ |
|
Tijs van den Brink (CDA), Inge van Dijk (CDA) |
|
David van Weel (VVD), Eelco Heinen (VVD) |
|
|
|
|
Heeft u kennisgenomen van de bevindingen van de Financial Intelligence Unit Nederland (FIU-Nederland) dat het aantal en volume van cryptobetalingen voor online kinderporno toenemen?1 Hoe beoordeelt u deze ontwikkeling?
Kunt u aangeven hoe het aantal meldingen, onderzoeken en veroordelingen die voortkomen uit signalen over cryptobetalingen voor online kinderporno zich de afgelopen vijf jaar heeft ontwikkeld?
Deelt u de zorg dat de groei van cryptobetalingen voor online seksueel kindermisbruik laat zien dat criminelen steeds vaker gebruikmaken van internationale cryptonetwerken en aanbieders buiten het bereik van Europese toezichthouders en opsporingsdiensten?
Acht u de huidige capaciteit van de FIU, politie, Fiscale inlichtingen- en opsporingsdienst (FIOD) en het Team Bestrijding Kinderpornografie en Kindersekstoerisme voldoende om de toenemende stroom van cryptogerelateerde signalen te analyseren en op te volgen?
Herkent u het beeld dat de FIU schetst dat sinds de invoering van het Europese vergunningenstelsel voor cryptodienstverleners minder informatie rechtstreeks in Nederland beschikbaar komt, en welke gevolgen heeft dit voor toezicht, opsporing en handhaving?
Welke lacunes of beperkingen zijn er in de huidige Europese regelgeving waardoor crypto-aanbieders nog steeds relatief eenvoudig diensten kunnen verlenen aan criminelen?
Welke mogelijkheden ziet u om binnen de Europese Unie te komen tot een intensievere en meer structurele uitwisseling van gegevens over verdachte cryptotransacties, specifiek gericht op seksueel kindermisbruik, mensenhandel, terrorismefinanciering en georganiseerde criminaliteit?
Bent u bereid zich in Europees verband in te zetten voor een gezamenlijke aanpak van cryptodienstverleners en wisselkantoren die onvoldoende meewerken aan het voorkomen, melden en opsporen van ernstige criminaliteit?
Bent u bereid om met andere Europese lidstaten in gesprek te gaan om ervaringen uit te wisselen over de samenwerking met de FIU in het kader van onderscheppen van verdachte geldstromen?
Hoe beoordeelt u de mogelijkheden om informatie uit te wisselen tussen het strafrecht enerzijds en bestuursrecht anderzijds als het gaat om signalen die kunnen worden gekoppeld aan meldingen van seksueel geweld en kinderporno?
Herkent u de problemen waar de FIU op wijst bij het verkrijgen van informatie uit derde landen en jurisdicties waar cryptodienstverleners zijn gevestigd, en welke mogelijkheden ziet u om via de Europese Unie, de Financial Action Task Force (FATF) en andere internationale samenwerkingsverbanden de informatie-uitwisseling met deze landen te verbeteren?
Welke aanvullende maatregelen zijn volgens u in Nederland mogelijk, binnen de bestaande Europese regelgeving, om cryptobetalingen die verband houden met online seksueel kindermisbruik sneller te detecteren, te blokkeren en strafrechtelijk te onderzoeken?
Het bericht ‘Ook vrouwen en kinderen moeten nu buiten wachten in Ter Apel, dat steeds meer op een tentenkamp lijkt’ |
|
Robert van Asten (D66) |
|
Bart van den Brink (CDA) |
|
|
|
|
Kunt u aangeven hoeveel personen de afgelopen weken geen toegang hebben gekregen tot het aanmeldcentrum in Ter Apel en daardoor waren aangewezen op noodopvang buiten of in de directe omgeving? Bent u bereid deze cijfers periodiek met de Kamer te delen zolang de huidige situatie voortduurt?1
Klopt het dat ook (zwangere) vrouwen, kinderen, mensen met een beperking en andere kwetsbare personen nu soms buiten moeten wachten? Zo ja, hoe verhoudt dit zich tot de wettelijke zorgplicht van de overheid en de verplichtingen onder de EU-Opvangrichtlijn, die bijzondere bescherming van kwetsbare groepen voorschrijft?
Kunt u bevestigen dat het beleid om kwetsbare personen altijd toegang te verlenen tot het aanmeldcentrum per of rond 12 juni jl. is gewijzigd of opgeschort? Zo ja, wat was hiervan de oorzaak?
In hoeverre hangt de verslechterde toegang voor kwetsbare personen samen met de invoering van het nieuwe proces van de Immigratie- en Naturalisatiedienst (IND) als gevolg van het Europese migratiepact? Welk specifiek onderdeel van dat nieuwe proces veroorzaakt dit knelpunt en wanneer verwacht u dat dit is opgelost?
Bent u in gesprek met het Centraal Orgaan opvang asielzoekers (COA), Vluchtelingenwerk en het Rode Kruis over het waarborgen van de veiligheid en sfeer rondom het terrein? Zien zij de omstandigheden verslechteren?
Hoe wordt op dit moment, in samenwerking met het Rode Kruis, gewerkt aan een nationaal opschalingsplan waarop kan worden teruggevallen? Op welke termijn kan een dergelijk plan naar de Kamer worden gestuurd?
Welke additionele maatregelen worden verkend om op korte termijn verlichting te bieden aan het aanmeldcentrum in Ter Apel?
Het bericht 'Oranje op scherm kijken peperduur terwijl het in België gratis kan: ‘Wij zijn het braafste jongetje van de klas’' |
|
Arend Kisteman (VVD) |
|
Letschert , Herbert |
|
|
|
|
Bent u bekend met het artikel «Oranje op scherm kijken peperduur terwijl het in België gratis kan: «Wij zijn het braafste jongetje van de klas»» uit de Telegraaf van 13 juni 2026, mede gebaseerd op uw Kamerbrief over dit onderwerp van 11 juni 2026?1, 2
Ja.
Zou u het goed vinden als het uitzenden van voetbalwedstrijden op schermen tot 5000 bezoekers voor ondernemers gratis zou zijn?
Zoals eerder is aangegeven in de Kamerbrief van 11 juni 2026 met de reactie op de twee moties over het WK-voetbal, gunt het kabinet eenieder om van het WK-voetbal te genieten.3 Samen voetbal kijken zorgt voor saamhorigheid en verbinding. Maar er zijn ook regels van toepassing op het vertonen van sportwedstrijden buiten de huiselijke kring (de zogenoemde public viewings). Zoals toegelicht in de brief zijn er verschillende situaties waarop verschillende regels van toepassing zijn. Het gaat onder andere om het dienstbaarheidsverbod uit de Mediawet 2008, mede gebaseerd op Europese staatssteunregels, en om de contractuele bepalingen uit de overeenkomst van de NOS met de FIFA inzake de uitzendrechten voor het WK-voetbal. Uit deze regels vloeit voort dat er een vergoeding gevraagd moet worden voor vertoningen met een commercieel karakter buiten de huiselijke kring.
De betreffende (horeca)ondernemers behalen een direct economisch voordeel door de vertoning van de wedstrijden, omdat uit ervaring blijkt dat deze op dat moment leidt tot een toename van het aantal bezoekers en daarmee tot extra omzet. Dit voordeel manifesteert zich voorafgaand, tijdens en ook na de vertoning en staat in rechtstreeks verband met de beschikbaarstelling van de uitzending. Tegen die achtergrond is de toepasselijkheid van het dienstbaarheidsverbod niet afhankelijk van het overschrijden van een bezoekersdrempel van 5.000 personen. De economische bevoordeling doet zich immers voor ongeacht de omvang van het publiek, zodat ook viewing evenementen met lagere bezoekersaantallen onder de reikwijdte van het dienstbaarheidsverbod vallen.
Waar baseert u het op dat de NOS door het gratis uitzenden van het WK-voetbal tot 5.000 personen, dienstbaar zou zijn aan het maken van een meer dan normale winst van (horeca)ondernemers en dat het daarmee het dienstbaarheidsverbod in de Mediawet zou schenden, bijvoorbeeld indachtig onderzoek dat aantoont dat het WK-voetbal nauwelijks zorgt voor extra horeca-omzet omdat mensen hun bestedingspatroon verschuiven?3
Het vertonen van WK-wedstrijden in horecagelegenheden of op andere locaties is een commerciële exploitatie van de uitzendingen die zorgt voor (meer) bezoekers en bijdraagt aan meer omzet voor de ondernemers op dat moment. Ook worden speciale WK-vertoningen georganiseerd waarbij het doel nadrukkelijk is om winst te genereren middels kaartverkoop en/of door extra omzet uit de verkoop van eten en drinken. Aan de andere kant staat het horecaondernemers altijd vrij om geen WK-vertoningen te organiseren als de inschatting wordt gemaakt dat dit commercieel niet interessant is.
Dat de uitzendingen van WK-wedstrijden een substantieel commercieel voordeel kunnen opleveren, blijkt onder meer uit de vele speciaal georganiseerde WK-evenementen. Ook blijkt een aanzienlijke stijging van het aantal pintransacties en de horecaomzet tijdens wedstrijden van het Nederlands elftal.5 Dat de extra horeca-inkomsten tijdens WK-wedstrijden worden gevolgd door mogelijk lagere inkomsten op momenten dat er geen WK-wedstrijden zijn, is niet relevant voor de toepassing van het dienstbaarheidsbeginsel.
Waar baseert u het op dat derden een concurrentievoordeel behalen als de NOS voor het uitzenden van het WK-voetbal tot 5.000 personen geen vergoeding vraagt, bijvoorbeeld indachtig het feit dat in dat geval iedere (horeca)ondernemer hiervan kan profiteren en er tussen (horeca)ondernemers onderling dus geen concurrentievoordeel ontstaat?
Het dienstbaarheidsverbod uit de Mediawet verbiedt publieke omroepen bij te dragen aan het behalen van een meer dan normale winst (of concurrentievoordeel) door commerciële partijen. Dit beginsel is een uitwerking van het EU-verbod op ongeoorloofde staatssteun, dat beoogt te voorkomen dat publieke middelen worden aangewend ter bevoordeling van marktpartijen.
Zie verder ook het antwoord op vraag 2.
Waarom is de NOS in Nederland wel in het bezit van de rechten voor public viewings terwijl de Vlaamse Radio- en Televisieomroeporganisatie (VRT) in België dit niet is? Acht u het wenselijk dat de NOS bij volgende grote voetbaltoernooien niet in het bezit van deze public viewing is, om te voorkomen dat zij, volgens u, geld moet vragen voor deze public viewings?
De NOS verkrijgt de public viewing-rechten als onderdeel van het totale rechtenpakket dat met de FIFA wordt overeengekomen. Over deze rechten wordt niet afzonderlijk onderhandeld. De huidige overeenkomst ziet overigens op zowel het WK 2026 als het WK 2030. Het niet door de NOS verwerven van de public viewing-rechten betekent overigens niet dat dan voor het commerciële gebruik van deze rechten geen vergoeding verschuldigd zou zijn. In dat geval zullen organisatoren zoals horecaondernemingen of gemeenten de benodigde rechten rechtstreeks bij de FIFA moeten afnemen. De FIFA hanteert daarbij een tariefstructuur die afhankelijk is van het verwachte bezoekersaantal. Zo geldt bijvoorbeeld een vergoeding van 1.000 USD voor evenementen tot en met 1.000 bezoekers, 2.000 USD voor 1.001 tot en met 2.000 bezoekers en 4.000 USD voor evenementen van 2.001 tot en met 5.000 bezoekers.
Daarnaast ontslaat een rechtstreekse licentie bij de FIFA de (horeca)ondernemers niet van de verplichting om toestemming te verkrijgen voor de auteursrechtelijke openbaarmaking van de betreffende uitzending. Daarvoor is in Nederland nog steeds een afzonderlijke licentie van de NOS vereist. In dat scenario zouden organisatoren derhalve met twee afzonderlijke licentieverleners moeten contracteren en twee afzonderlijke licenties moeten verkrijgen.
Een belangrijk verschil met Nederland is dat België niet beschikt over een collectieve beheersorganisatie vergelijkbaar met Videma in Nederland. De Vlaamse publieke omroep VRT is verantwoordelijk voor de licentieverlening voor de openbaarmaking van haar uitzendingen, maar verwijst ondernemers daarnaast naar de FIFA voor het verkrijgen van de benodigde public viewing-licentie. Hierdoor kunnen organisatoren geconfronteerd worden met verschillende rechthebbenden en afzonderlijke licenties met voorwaarden. In Vlaanderen kan deze onduidelijkheid leiden tot onzekerheid bij ondernemers die publieke vertoningen van wedstrijden willen organiseren.
Bent u van mening dat het gratis uitzenden van het WK-voetbal door de NOS tot 5.000 bezoekers tot «maatschappelijke problemen» leidt en/of een groot risico voor het «publiek belang» kent, welke kernwaarden van het toezichtkader van het Commissariaat van de Media vormen? Zo ja, waarom? Zo nee, waarom doet u dan geen moreel appel op het Commissariaat van de Media om in deze casus niet te handhaven op deze bepaling uit de Mediawet?
Het maatschappelijk belang dat hier aan de orde is, is de naleving van nationale en internationale (wettelijke) normen en het onafhankelijk toezicht daarop. Het Commissariaat voor de Media is de onafhankelijke toezichthouder voor de Nederlandse mediasector. Als zelfstandig bestuursorgaan opereert het Commissariaat volledig onafhankelijk, zonder politieke of bestuurlijke inmenging. Juist voor de mediasector is het van belang dat het toezicht onafhankelijk is, mede gelet op het belang van deze sector voor de onafhankelijke nieuwsvoorziening en de democratische rechtsorde. Daarom wil ik als Minister geen moreel appel doen en de deur openzetten voor andere oproepen vanuit de politiek.
Maatschappelijke problemen en/of een groot risico voor het publiek belang zijn algemene uitgangspunten die het Commissariaat voor de Media hanteert in het kader van de prioritering binnen zijn toezichtstrategie maar als onafhankelijke toezichthouder bepaalt het Commissariaat – binnen de bevoegdheden die de Mediawet hem geeft – zelf op welke zaken hij zich in zijn toezicht richt.
De NOS dient zich als publieke omroep te houden aan de regels uit de Mediawet, waaronder het dienstbaarheidsverbod. Op het moment dat het Commissariaat signalen krijgt of uit eigen onderzoek blijkt dat de NOS zich niet aan de Mediawet houdt, is het aan de onafhankelijke toezichthouder om een handhavingstraject te starten. Het past mij niet om een moreel appel te doen op het Commissariaat om dat niet te doen, of mij anderszins te mengen in de uitvoering van het toezicht door het Commissariaat.
Waarom geeft u in de genoemde Kamerbrief als reactie op de motie niet aan dat u voor de lange termijn werkt aan een wetswijziging om deze situatie bij een Europees Kampioenschap over twee jaar te voorkomen? Bent u daartoe bereid?
Het dienstbaarheidsverbod is een algemeen beginsel uit de Mediawet 2008 en is tot stand gekomen na langdurige gesprekken met de Europese Commissie over de financiering van de publieke omroep. De Europese Commissie heeft in 2010 bij de afronding van die zaak aangegeven dat het dienstbaarheidsverbod belangrijk is om te zorgen dat de financiering van de publieke omroep conform de staatssteunregels verloopt en dat de publieke omroep zich marktconform gedraagt.6 De Europese staatssteunregels bieden naar mijn mening geen ruimte om voor specifieke evenementen zoals een EK- of WK-voetbal een (wettelijke) uitzondering te maken op het dienstbaarheidsverbod uit de Mediawet. Ik zie dan ook geen mogelijkheden om hiervoor een wetswijziging in gang te zetten. Het dienstbaarheidsverbod is gebaseerd op Europese staatssteunregels en is juist bedoeld om ondernemers te beschermen. De publieke omroep dient zich marktconform te gedragen en voorkomen moet worden dat de ene groep ondernemers (bovenmatig) kan profiteren terwijl een andere groep dat niet kan. Zonder het dienstbaarheidsverbod zou er dus oneerlijke concurrentie kunnen plaatsvinden, ofwel doordat de publieke omroep met eigen activiteiten marktverstorend werkt, ofwel doordat bepaalde marktpartijen de markt verstoren vanwege voordelen die zij van de publieke omroep verkrijgen.
Waarom geeft u in de Kamerbrief niet duidelijker aan het wenselijk te vinden als (horeca)ondernemers en Oranjesupporters ook in de overige 60% van de Nederlandse gemeenten kunnen genieten van ruimere openingstijden?
Zoals werd aangegeven in de Kamerbrief van 11 juni 2026 is de regulering van openingstijden (van horeca) een lokale aangelegenheid. Het kabinet is naar aanleiding van de moties in gesprek gegaan met de VNG en heeft de oproep gedaan aan gemeenten om horecaondernemingen tegemoet te komen wanneer zij plannen hebben om WK-wedstrijden te vertonen en daarvoor ruimere openingstijden vereist zijn. De praktijk heeft laten zien dat gemeenten horecaondernemers deze ruimte ook hebben geboden. Steeds meer gemeenten verruimden de openingstijden. Waar in maart 2026 slechts 11% van de gemeenten ruimere openingstijden dan de reguliere sluitingstijden had ingesteld voor het WK, was dat ten tijde van de brief opgelopen naar circa 40%. Later is dit nog verder gestegen naar circa 55%.7 Zoals ook aangegeven in de brief heeft het Rijk geen eigen bevoegdheid om openingstijden landelijk te regelen of gemeenten te verplichten tijdelijk ruimere openingstijden te hanteren.
Kunt u deze vragen deze week nog beantwoorden, aangezien het WK al is begonnen?
U vroeg mij deze vragen binnen een week te beantwoorden. Dat is helaas niet gelukt aangezien ik voor de beantwoording van de vragen afhankelijk was van informatie van derden en ik de antwoorden ook nog interdepartementaal diende af te stemmen. Op 10 juli 2026 heb ik u een uitstelbrief gestuurd voor de beantwoording van deze (en andere) Kamervragen.
De betrokkenheid van de tabaksindustrie bij het Nederlandse cannabisexperiment |
|
Mirjam Bikker (CU) |
|
Sophie Hermans (VVD), David van Weel (VVD) |
|
|
|
|
Heeft u kennisgenomen van het bericht «Van Marlboro naar marihuana: tabaksreus stapt in legale Nederlandse wiet»?1
Ja, wij hebben kennisgenomen van dit bericht.
Gaat u ingrijpen of is dit een «markteffect» dat u niet kunt veranderen?
In het bericht wordt aangegeven dat een onderneming uit de tabaksindustrie indirect eigenaar zou worden van een teeltbedrijf dat deelneemt aan het Experiment gesloten coffeeshopketen (hierna: wietexperiment).
Over ontwikkelingen bij individuele deelnemers aan het wietexperiment kan het kabinet geen uitspraken doen. Wel kan in het algemeen het volgende worden aangegeven.
Het experiment is vormgegeven binnen een wettelijk kader2 waarin is vastgelegd aan welke eisen aangewezen telers moeten voldoen. Omstandigheden die voor de aanwijzing of instandhouding daarvan van belang kunnen zijn, worden beoordeeld op grond van het wettelijk kader. Ten aanzien van de aandeelhoudersstructuur geldt in algemene zin dat aangewezen telers – net zoals alle ondernemingen in Nederland – zelf de verantwoordelijkheid hebben voor de inrichting van hun bedrijf. Het wettelijk kader bevat geen bepaling die deelname uitsluit op basis van de achtergrond van aandeelhouders. Het kabinet kan eigendomsoverdrachten dus niet blokkeren. Wel kan, indien daartoe aanleiding bestaat en de voorwaarden daarvoor zijn vervuld, een toets op grond van de Wet bevordering integriteitsbeoordelingen door het openbaar bestuur (hierna: Wet Bibob) worden uitgevoerd. Een wijziging in de aandeelhoudersstructuur kan aanleiding zijn voor een onderzoek op grond van de Wet Bibob. Bovendien worden alle aangewezen telers elke twee à drie jaar getoetst middels een Bibob-onderzoek, conform de motie van de leden Michon-Derkzen en Bikker.3 Afhankelijk van de uitkomsten van het onderzoek wordt beoordeeld welke gevolgen daaraan verbonden worden. Een uiterste consequentie is het intrekken van de aanwijzing.
Hoe kijkt u naar het feit dat een internationale tabaksgigant, die decennialang heeft verdiend aan nicotineverslaving, betrokken is geraakt bij één van de grootste telers binnen het Nederlandse cannabisexperiment?
Het kabinet snapt de zorgen die hierover leven. De tabaksindustrie draagt niet bij aan de volksgezondheid met de verkoop van verslavende producten als tabak, sigaretten en vapes. Bovendien kenmerkt deze industrie zich door marketing- en lobbyactiviteiten die schadelijk zijn gebleken voor de volksgezondheid. Het wettelijk kader bevat generieke eisen voor alle deelnemende telers, onder andere vanuit het oogpunt van preventie.
Hieronder vallen een volledig reclameverbod, verpakkings- en etiketteringseisen en verplichte kwaliteitstesten door laboratoria. Daarnaast is ieder cannabisproduct voorzien van een bijsluiter met informatie over de effecten en risico’s van cannabisgebruik, inclusief adviezen om de risico’s van het gebruik van cannabis te beperken. Voor coffeeshops in de deelnemende gemeenten geldt bovendien de verplichting om hun personeel te scholen in het geven van voorlichting over cannabisgebruik en de daaraan verbonden risico’s en om bezoekers te verwijzen bij problematisch gebruik. Deze coffeeshops dienen ook voorlichtingsmateriaal over cannabisgebruik en de bijbehorende risico’s van gebruik beschikbaar te hebben. De Inspectie Justitie & Veiligheid, de Nederlandse Voedsel- en Warenautoriteit en de deelnemende experimentgemeenten houden toezicht op de naleving van de eisen door de telers en de coffeeshops.
In de afgelopen jaren hebben de commerciële strategieën van de tabaksindustrie jarenlang ernstige schade toegebracht aan de volksgezondheid door nieuwe gebruikers aan zich te binden, is dat voor u een doel bij het wietexperiment?
Nee, het aantrekken van nieuwe gebruikers behoort uitdrukkelijk niet tot de doelstellingen van het experiment. Het wietexperiment heeft tot doel te onderzoeken of een gereguleerde en op kwaliteit gecontroleerde productie en distributie van cannabis mogelijk is en welke effecten dit heeft op volksgezondheid, criminaliteit en veiligheid. Het wietexperiment is ook gestart om gehoor te geven aan de problemen die burgemeesters ervaren met het huidige gedoogbeleid.
Bestaan er momenteel specifieke waarborgen binnen het wietexperiment om te voorkomen dat partijen met een achtergrond in de tabaksindustrie invloed uitoefenen op productie, marketing, prijsstelling of productontwikkeling? Zo ja, welke zijn dat en acht u deze voldoende? Zo nee, waarom niet?
De Wet experiment gesloten coffeeshopketen bevat geen bepaling die deelname uitsluit op basis van de achtergrond van aandeelhouders. Binnen de geldende wet- en regelgeving zijn wel generieke eisen opgenomen voor alle deelnemende telers, zoals onder antwoord 3 toegelicht.
Wilt u normalisering van wietgebruik? Zo ja, waarom? Zo nee, waarom staat u dan toe dat een commerciële partij met een negatieve voorgeschiedenis daar wel aan bij gaat dragen?
Normalisering van cannabisgebruik vindt het kabinet onwenselijk. Het Nederlandse drugsbeleid is daarom gericht op het voorkomen van drugsgebruik, daaronder valt ook het gebruik van cannabis. Het gebruik van drugs is namelijk nooit zonder risico’s. Tegelijkertijd is het wietexperiment gestart om gehoor te geven aan de problemen die burgemeesters ervaren met het huidige gedoogbeleid. Het kabinet vindt het daarom belangrijk om te onderzoeken wat de effecten zijn van een gereguleerde cannabisketen op volksgezondheid, criminaliteit en veiligheid. Dat helpt bij het besluit over het vervolg van het cannabisbeleid. Ten aanzien van de aandeelhoudersstructuur geldt in algemene zin dat aangewezen telers – net zoals alle ondernemingen in Nederland – zelf de verantwoordelijkheid hebben voor de inrichting van hun bedrijf.
Het wettelijk kader bevat geen bepaling die deelname uitsluit op basis van de achtergrond van aandeelhouders. Het kabinet kan eigendomsoverdrachten dus niet blokkeren. Binnen de geldende wet- en regelgeving zijn wel generieke eisen opgenomen voor alle deelnemende telers, zoals onder antwoord 2 en 3 toegelicht.
Vindt u het verantwoord dat bedrijven uit een industrie waarvan uit recent onderzoek blijkt dat jeugdverslaving geen onbedoeld neveneffect, maar een expliciet onderdeel van het verdienmodel is, mogen deelnemen aan een experiment waarbij volksgezondheid expliciet een van de toetsingscriteria is? Zo ja, hoe rechtvaardigt u dit?2
Het onderzoek waaraan u refereert bevestigt de ernstige zorgen over de werkwijze van de tabaks- en nicotine-industrie ten aanzien van jeugdigen. Het kabinet neemt die zorgen serieus. Bij de opzet van het experiment is ervoor gekozen dat elke legale commerciële partij die voldoet aan de gestelde eisen en criteria, in aanmerking kan komen voor een aanwijzing als teler. Om negatieve effecten vanwege commerciële belangen zoveel mogelijk te voorkomen, zijn binnen het wietexperiment verschillende waarborgen en preventiemaatregelen getroffen, zoals toegelicht in de beantwoording van vraag 3. Het kabinet is van mening dat de huidige kennis over en ervaring met de tabaksindustrie zal moeten worden betrokken bij het vormgeven van het toekomstige cannabisbeleid.
Ziet u naast juridische-, gezondheids- en veiligheidsoverwegingen ook morele overwegingen bij het in stand houden van een wietexperiment? Zo ja, hoe verhouden die zich tot deze ontwikkeling?
Aan het gebruik van cannabis zijn altijd gezondheidsrisico’s verbonden en het reguleren van de productie (al dan niet in een experiment) zorgt er niet voor dat cannabis veilig of niet schadelijk is. Tegelijkertijd is het wietexperiment gestart om gehoor te geven aan de problemen die burgemeesters ervaren met het huidige gedoogbeleid. Het kabinet vindt het daarom belangrijk om te onderzoeken wat de effecten zijn van een gereguleerde cannabisketen op volksgezondheid, criminaliteit en veiligheid. Dat helpt bij het besluit over het vervolg van het cannabisbeleid. Het kabinet heeft daarom in het coalitieakkoord afgesproken om het wietexperiment voort te zetten, en, zoals in het wettelijk kader is vastgelegd, ook te evalueren. Op basis van de uitkomsten worden de vervolgstappen bepaald.
Bent u van mening dat het onverantwoord is om het gebruik van cannabis verder te normaliseren, terwijl uit cijfers blijkt dat 42,6% van de 18-jarigen ooit cannabis heeft gebruikt en 23,7% dit in de afgelopen maand deed?3 Zo ja, hoe rechtvaardigt u dit beleid vanuit het oogpunt van volksgezondheid en de bescherming van jongeren?
Het wietexperiment creëert uitsluitend een gereguleerde toevoer van cannabis naar de reeds bestaande coffeeshops. Het doel van het kabinet is niet dat meer mensen cannabis gaan gebruiken. Aan het gebruik van cannabis zijn namelijk altijd gezondheidsrisico’s verbonden. Om die reden zijn binnen het wietexperiment verschillende waarborgen en preventiemaatregelen getroffen, zoals toegelicht in de beantwoording van vraag 3.
Ontwikkelingen in drugsgebruik en de houding van jongeren ten aanzien van drugs worden nauwlettend gevolgd via monitoring. Het Trimbos-instituut verricht doorlopend onderzoek naar factoren die van invloed kunnen zijn op drugsgebruik onder minderjarigen en jongeren. Het is bekend dat drugsgebruik en normalisering doorgaans het resultaat zijn van een samenspel van verschillende factoren. Er is meestal niet één afzonderlijke oorzaak aan te wijzen. Het kabinet ondersteunt dit onderzoek, onder meer via financiering van het Trimbos-instituut, zodat trends en mogelijke risicofactoren op tijd in kaart worden gebracht.
Moet het cannabisgebruik afnemen van u en welk effect beoogt u met het wietexperiment?
Het Nederlandse drugsbeleid is gericht op het voorkomen van drugsgebruik, daaronder valt ook het gebruik van cannabis. Aan het gebruik van cannabis zijn namelijk altijd gezondheidsrisico’s verbonden en het reguleren van de productie (al dan niet in een experiment) zorgt er niet voor dat cannabis veilig of niet schadelijk is. Het kabinet wil vanwege deze risico’s niet dat door dit experiment meer mensen cannabis gaan gebruiken, maar beoogt met het experiment inzicht te krijgen in de vraag of het mogelijk is om een gesloten, gereguleerde cannabisketen te creëren en welke effecten dit heeft op de volksgezondheid, criminaliteit en veiligheid. Deze effecten worden inzichtelijk gemaakt door het onafhankelijk onderzoeksconsortium6 en kunnen bijdragen aan het gesprek over de toekomst van het Nederlandse cannabisbeleid. Ook zullen beleidsmatig geleerde lessen van het wietexperiment onderdeel zijn van dit gesprek. Het kabinet is van mening dat de mogelijke invloed van de tabaksindustrie op de cannabismarkt hier onderdeel van is en zal moeten worden betrokken bij het toekomstige cannabisbeleid.
Kunt u met de huidige wetgeving tabaksproducenten weren of zijn aanvullende wettelijke beperkingen noodzakelijk om te voorkomen dat producenten van tabaksproducten ook actief worden op de Nederlandse cannabismarkt?
De Wet experiment gesloten coffeeshopketen bevat geen expliciete bepaling die deelname uitsluit op basis van de achtergrond van aandeelhouders, zoals toegelicht in de beantwoording van vraag 2.
Deelt u de opvatting dat het wrang en zorgwekkend is dat bedrijven die jarenlang hebben geprofiteerd van nicotineverslaving nu hun verdienmodel verleggen naar cannabis, terwijl de overheid tegelijkertijd inzet op preventie en het terugdringen van middelengebruik? Zo ja, wordt het geen tijd om het wietexperiment in rook te laten opgaan en er een punt achter te zetten?
Nee. In het coalitieakkoord is afgesproken om het wietexperiment voort te zetten. Het kabinet beoogt met het experiment inzicht te krijgen in de vraag of het mogelijk is om een gesloten, gereguleerde cannabisketen te creëren en welke effecten dit heeft op de volksgezondheid, criminaliteit en veiligheid. Deze effecten worden in kaart gebracht door het onafhankelijk onderzoeksconsortium. Het is belangrijk om van deze uitkomsten te leren; deze zullen het gesprek over de toekomst van het Nederlandse cannabisbeleid immers verder brengen.
Het interview van vicepremier Yeşilgöz met NOS Stories over dakloze jongeren |
|
Lisa Westerveld (GL) |
|
Mirjam Sterk (CDA), Dilan Yeşilgöz-Zegerius (VVD) |
|
|
|
|
Wat verstaat u precies onder «alles op alles zetten» om het aantal dakloze mensen in 2030 naar nul te brengen?1
Dit kabinet wil zich tot het uiterste inspannen om dakloosheid te voorkomen en terug te dringen. Het Nationaal Actieplan Dakloosheid (NAD) blijft de basis voor de aanpak van dit kabinet, waarbij wordt ingezet op preventie en passende huisvesting volgens het principe van Wonen Eerst. Uit de tussentijdse evaluatie2 blijkt echter dat we in het huidige tempo de doelstelling om in 2030 dakloosheid te beëindigen, niet gaan halen. Daarom zijn aanvullende maatregelen nodig en daarvoor geven de onderzoekers een aantal adviezen, waar dit kabinet opvolging aan zal geven. Voor het debat over de aanpak van dakloosheid in november zal ik u daar nader over informeren.
Hoe rijmt u deze uitspraken met het coalitieakkoord waarin geen enkel concreet plan staat voor dakloze mensen?
De inzet op het terugdringen van dakloosheid is niet afhankelijk van het coalitieakkoord. Tijdens het debat over het eindverslag van de informateur heeft de Minister-President al erkend dat het een omissie is dat er niets over dakloosheid in het coalitieakkoord staat. Als er één thema is waar we elkaar van links tot recht op kunnen vinden, is het de aanpak van dak- en thuisloosheid. Niemand zou dakloosheid mee hoeven maken. Het kabinet gaat daarom met de bestaande middelen die hier structureel voor zijn gereserveerd onverminderd aan de slag met de uitvoering van het Nationaal Actieplan Dakloosheid.
Waaruit blijkt precies dat het kabinet, in de woorden van de vicepremier «heel hoge prioriteit» geeft aan dakloze jongeren? Kunt u uiteenzetten wat er precies wordt gedaan voor deze groep of welke concrete maatregelen het kabinet op korte termijn neemt?
In 2024 heeft het kabinet een aantal gerichte, aanvullende acties uitgewerkt om jongerendakloosheid te voorkomen, wat heeft geresulteerd in de Actie-agenda Voorkomen van jongerendakloosheid (16–27 jaar).3 Het kabinet zet zich onverminderd in om deze maatregelen uit te voeren. Daarnaast wordt binnen het NAD ingezet op preventie en passende huisvesting volgens het principe van Wonen Eerst en richten deze generieke maatregelen zich óók op jongeren. Begin juni van dit jaar is door Housing First Nederland en woningcorporatie Portaal met steun van de rijksoverheid de Startmotor Wonen Eerst Jongeren gelanceerd. Hierbij spreken (bestuurders van) vijf Nederlandse steden de gezamenlijke
ambitie uit om (dreigend) dakloze jongeren versneld aan een eigen, stabiele woonplek te helpen. Het doel is om Wonen Eerst uit te laten groeien tot de landelijke norm.
Kunt u uw bewering dat er «heel veel» in het coalitieakkoord staat over de geestelijke gezondheidszorg (ggz) en over preventie, onderbouwen?
In het coalitieakkoord zijn verschillende passages opgenomen over het belang van preventie, bestaanszekerheid, wonen en mentale gezondheid. Daarnaast zet het kabinet zich in om, zoals beschreven in het akkoord, de capaciteit voor complexe ggz casuïstiek te vergroten. Voor de specifieke aanpak van dakloosheid vormt het NAD de basis. Daarin staat preventie centraal en wordt ingezet op het voorkomen van dakloosheid, het tijdig signaleren van risico's en het bieden van passende ondersteuning.
Hoeveel extra budget gaat u vrijmaken om uw woorden na te komen, in de wetenschap dat het budget dat is gekoppeld aan het Nationaal Actieplan Dakloosheid, aantoonbaar onvoldoende is om de beloften waar te maken?
Op dit moment zijn geen aanvullende budgettaire besluiten genomen specifiek voor het NAD. Aanvullende maatregelen zullen worden uitgevoerd binnen de huidige structurele middelen.
Bent u bereid gemeenten te ondersteunen, die concrete plannen hebben om dakloze jongeren, of jongeren die dreigen dakloos te raken, aan een woonplek te helpen? Zo ja, hoe precies?
Het Rijk ondersteunt gemeenten door o.a. de Startmotor Wonen Eerst Jongeren, die gericht is op het realiseren van meer woningen voor dakloze jongeren, mede mogelijk te maken. Als er in de toekomst andere kansrijke initiatieven/plannen zijn, ben ik bereid om daarnaar te kijken.
Kunt u deze vragen afzonderlijk van elkaar beantwoorden?
Ja.
Het artikel ‘Huurmarkt voor 'happy few': vierkantemeterprijzen verdubbeld en aanbod drastisch gedaald’ |
|
Jurgen Nobel (VVD) |
|
Boekholt-O’Sullivan |
|
|
|
|
Bent u bekend met het artikel «Huurmarkt voor «happy few»: vierkantemeterprijzen verdubbeld en aanbod drastisch gedaald»?1
Ja.
Hoe kijkt u naar de constatering dat de vierkantemeterprijzen zijn verdubbeld terwijl het aanbod is gedaald en er in het lage segment van de vrije huursector nauwelijks aanbod is?
In het artikel wordt gesteld dat het aanbod in de gehele vrije sector is afgenomen en dat via het platform Pararius vrijwel geen middenhuurwoningen meer te krijgen zijn, die worden aangeduid als «het lage segment». Hoewel Pararius niet representatief is voor de hele vrije sector, zie ook ik signalen dat er huurwoningen worden uitgepond – ook in het vrije segment. Dit was voorzien tijdens de invoering van de Wet betaalbare huur, maar is desondanks een beweging die ik wil afremmen. Daarom is het van belang de algemene investeringsbereidheid te verbeteren en ook zo snel mogelijk meer huurwoningen te bouwen. Om deze reden heb ik op 20 april aangekondigd de Wet betaalbare huur (Wbh) al voor de evaluatie te gaan optimaliseren.2 Met deze optimalisatie wordt het woningswaarderingsstelsel (WWS) gericht aangepast om zo verlichting te bieden op specifieke knelpunten die ervaren worden door vooral particuliere verhuurders. Deze maatregelen zijn ter advisering aangeboden aan de Raad van State met als doel ze per 1 januari 2027 in te voeren. Daarnaast bevat de optimalisatie het voorstel om de nieuwbouwopslag te verlengen met 4 jaar. Hiermee wil ik ontwikkelaars een meerjarige zekerheid bieden, en ervoor zorgen dat de middenhuurwoningen die wij zo hard nodig hebben ook daadwerkelijk worden gebouwd. In het kader van de Taskforce versnelling woningbouw kijk ik naar verdere maatregelen die hieraan bijdragen. Hierover wordt meer bekend na de zomer.
Is er volgens u een verband tussen de 65.000 woningen die zijn uitgepond afgelopen jaar en de stijging van de vierkantemeterprijs?
Uit cijfers van het Kadaster volgt inderdaad dat er afgelopen jaar ca. 65.000 woningen zijn verkocht door private verhuurders aan eigenaar-bewoners. De cijfers van het Kadaster betreffen alle huurwoningen in zowel het sociale-, midden- en vrije segment. De data van Pararius betreft een selectie van de woningen in het vrije segment. De woningen die na invoering van de Wet betaalbare huur in het middensegment zijn terecht gekomen, vormen dus geen onderdeel van deze cijfers. Daarnaast zit de vierkantemeterprijs al sinds 2015 in de lift.3 Deze stijgende trend is de aanleiding geweest voor de Wet betaalbare huur. Dit is het gevolg van algehele schaarste aan woningen.
Ik erken dat het uitponden druk zet op het aanbod aan huurwoningen. De reden dat verhuurders besluiten hun woningen te verkopen, is een combinatie aan maatregelen in het huur- en fiscale beleid en veranderde (macro)-economische omstandigheden. Bij invoering van de Wet betaalbare huur is rekening gehouden met het gevolg dat huurwoningen verkocht worden, wat nu is terug te zien in de cijfers. Om bij te dragen aan een demping van het aantal uitpondingen, wordt de Wet betaalbare huur per 1 januari 2027 geoptimaliseerd.
Hoe verklaart u dat het aanbod verschuift naar het hogere segment en in het lagere segment nauwelijks woningen beschikbaar zijn?
De data van Pararius heeft betrekking op een beperkt deel van het aanbod aan huurwoningen, namelijk een deel van het vrije segment op basis van huurprijs. In deze vraag gaat het dan ook om het hogere en lagere segment binnen het aanbod op Pararius, dus enkel binnen de vrije sector. In het artikel stelt Jasper de Groot, oprichter van Pararius, dat het huidige aanbod op Pararius met name woningen met een hoge prijs zijn en dat er in het lagere segment (hij geeft als voorbeeld een middenhuurwoning) bijna niks beschikbaar is.
De Wet betaalbare huur is ingevoerd als gevolg van schaarste aan betaalbare, kwalitatieve huurwoningen. Deze woningen, die in het middensegment vallen, vormen echter niet allemaal onderdeel van de data van Pararius. De data van Pararius geeft dus geen beeld van de volledige huursector.
Ondanks dat de middenhuurwoningen op Pararius niet representatief zijn voor het landelijke aanbod, zie ik wel dat er al lange tijd een tekort is aan betaalbare middenhuur. Daarom optimaliseer ik vanaf 2027 de Wbh, neemt het kabinet maatregelen om de investeringsbereidheid te verbeteren met de Taskforce versnelling woningbouw, en blijven we ondertussen doorgaan met bouwen.
Bent u het eens dat met name door het aanbod te vergroten, de huurprijzen afnemen? Hoe beoordeelt u dit in lijn met de recente regulering waardoor huurprijzen juist zijn toegenomen?
In algemene zin onderschrijf ik het principe dat een groter aanbod zorgt voor lagere prijzen. Helaas zien we dat de krapte binnen de huursector al lange tijd toeneemt, ook vooraf aan de Wbh. Daarom stimuleer ik de nieuwbouw van middenhuurwoningen ook, bijvoorbeeld via de woningbouwimpuls (WBI) en Realisatiestimulans. Door de wijziging van het Europese DAEB Vrijstellingsbesluit zijn er meer mogelijkheden ontstaan om steun te verlenen voor (de bouw van) middenhuur woningen. Deze ruimte wil ik optimaal benutten. Het kabinet wil woningcorporaties betere financieringsmogelijkheden geven zodat zij vanaf 2029 de afgesproken bouw van 5.000 middenhuurwoningen per jaar gaan halen. De Woningwet zal hiervoor worden aangepast. Na de wetswijziging kunnen corporaties goedkoper geld lenen voor de bouw van middenhuurwoningen.
Om het woningtekort te verminderen zijn jaarlijks minstens 12.000 nieuwe middenhuurwoningen nodig. Dat lukt alleen als private investeerders ook middenhuur blijven bouwen. Om dit aantrekkelijker te maken neemt het kabinet ook voor hen maatregelen. Zo wordt de overdrachtsbelasting voor verhuurders volgend jaar verlaagd van 8 naar 7 procent, wordt de Wbh voor de evaluatie geoptimaliseerd en is het verbeteren van het investeringsklimaat onderdeel van de Taskforce Versnelling Woningbouw.
Vooraf aan de middenhuurregulering was te zien dat woningen bij een bewonerswisseling steeds vaker doorschoven naar het duurdere segment. Dat kwam omdat, als gevolg van toenemende krapte, huurwoningen die wel een middenhuurkwaliteit hadden steeds vaker voor meer dan een middenhuurprijs verhuurd werden. De Wbh is onder andere ingevoerd om te zorgen dat huurwoningen met een middenhuurkwaliteit voor een middenhuurprijs verhuurd worden. Voor middenhuurwoningen waarvan de huur verlaagd moet worden, kan het aantrekkelijk zijn voor de verhuurder om de middenhuurwoning te verkopen. Echter, als deze vooraf aan de Wbh niet voor een middenhuurprijs verhuurd werd, zie ik dit niet als een verloren middenhuurwoning, maar als een huurwoning die blijkbaar alleen voor een vrije segmenthuurprijs verhuurd kon worden.
Hoe bent u van plan regulering aan te passen zodat het weer aantrekkelijk wordt om een pand te verhuren? Welke prikkels wilt u op korte termijn toe passen bij verhuurders om te stimuleren dat men niet verkoopt, maar verhuurt?
Ik ben voornemens per 1 januari 2027 de optimalisatie van de Wbh in werking te laten treden. Hiermee wordt aan verhuurders op specifieke door hen aangegeven knelpunten verlichting geboden in de verhuur van gereguleerde huurwoningen. Deze maatregelen zijn bedoeld om bij te dragen aan een afremming van het uitpondeffect dat we nu zien.
Welke maatregelen bent u van plan te treffen op korte termijn om het investeringsklimaat op de huurmarkt te herstellen?
Ik erken dat er maatregelen genomen moeten worden om het investeringsklimaat te verbeteren. In lijn met het coalitieakkoord wordt de overdrachtsbelasting verlaagd van 8% naar 7% en wordt de opkoopbescherming fors ingeperkt. Daarnaast ligt het wetsvoorstel Wet werkelijk rendement box 3 voor in de Eerste Kamer, met een beoogde invoeringsdatum van 1 januari 2028. Hierbij geldt voor vastgoed een vermogenswinstbelasting: er wordt pas belasting geheven op de waardestijging bij verkoop. Particuliere investeerders geven aan hier goed mee uit de voeten te kunnen. In september komt de Taskforce Versnelling Woningbouw met een integraal actieplan om het aanbod van betaalbare woningen toe te laten nemen. Het verbeteren van het investeringsklimaat voor zowel private partijen als corporaties is onderdeel hiervan.
Kunt u deze vragen één voor één beantwoorden?
Zeker.
De aanpak van complexe omgangsproblemen |
|
Lisa Westerveld (GL) |
|
van Bruggen , Mirjam Sterk (CDA) |
|
|
|
|
Bent u bekend met het artikel «Hoe een omstreden concept kinderen van hun ouders scheidt: «Zolang ik niet leuk doe met mijn moeder, mag ik mijn vader niet zien»»?1
Hoe reflecteert u op de in het artikel beschreven zaken waarin kinderen tegen hun uitdrukkelijke wens langdurig worden gescheiden van een ouder op basis van aannames over ouderverstoting? Hoe wordt toezicht gehouden op de (mogelijke) schade en effectiviteit van de maatregel?
In hoeverre sluiten de in het artikel beschreven maatregelen aan bij de uitgangspunten van het programma Scheiden zonder Schade en Een Goed Begin, met name de punten omtrent het beperken van schade aan kinderen en het voorkomen van escalatie centraal staan? Welke lessen uit het programma Scheiden zonder Schade en Een Goed Begin zijn inmiddels verwerkt in de werkwijze van de jeugdbescherming, de Raad voor de Kinderbescherming en de rechtspraak?
Welke mogelijkheden hebben kinderen zelf om bezwaar te maken tegen beslissingen die hun woonplaats of contact met ouders ingrijpend veranderen? Vindt u de bestaande mogelijkheden voldoende toegankelijk en effectief?
Hoe verhoudt de aanpak zoals beschreven in dit artikel zich tot artikel 12 van het VN-Kinderrechtenverdrag, waarin het recht van kinderen om gehoord te worden in procedures die hen raken vastgelegd staat? Hoe wordt geborgd dat kinderen daadwerkelijk worden gehoord en dat hun verklaringen niet op voorhand terzijde worden geschoven vanuit de veronderstelling dat zij gemanipuleerd zouden zijn?
Welke lessen trekt u bij de aanpak van complexe omgangsproblemen uit de ervaringen van organisaties zoals Villa Pinedo, die de belangen en ervaringen van kinderen van gescheiden ouders centraal stellen?
Hoe reflecteert u op de internationale ontwikkelingen op het gebied van complexe omgangsproblemen, zoals bijvoorbeeld de keuze van het hooggerechtshof in Italië om het gebruik van de theorie omtrent ouderverstoring als onwettelijk te bestempelen en de keuze van Spanje om een verbod in te stellen op het gebruik van het concept ouderverstoting in familierechtzaken? Hoe verhouden deze ontwikkelingen zich tot de Nederlandse praktijk?
Hoe reflecteert u op het feit dat een omstreden en wetenschappelijk betwiste theorie over ouderverstoting ten grondslag ligt aan methoden en interventies die diep ingrijpen in het gezinsleven en kinder- en mensenrechten? Welke eisen stelt u aan de wetenschappelijke onderbouwing van dergelijke interventies?
Wat is momenteel de stand van zaken van de uitvoering van elk van de aanbevelingen uit het Adviesrapport van het Expertteam Ouderverstoting? Kunt u per aanbeveling aangeven welke acties zijn ondernemen en of ze volledig, gedeeltelijk of nog niet zijn uitgevoerd? Wat zijn de concrete opbrengsten van de implementatie van elk van de aanbevelingen?
Zijn het aantal gevallen van contactverlies teruggedrongen sinds de start van Scheiden zonder Schade en Een Goed Begin, zoals uw ambtsvoorganger aangaf te verwachten?2 Zo ja, waar blijkt dat uit? Zo nee, hoe verklaart u dit?
Wat is momenteel de stand van zaken van de implementatie van Scheiden zonder Schade en Een Goed Begin? Kunt u per onderdeel aangeven welke maatregelen ingevoerd zijn en welke concrete opbrengsten deze programma’s hebben (gehad) voor kinderen en ouders?
Het bericht ‘Zweden krijgt omstreden wet voor snellere uitzetting overlastgevende migranten’ |
|
Annelotte Lammers (PVV) |
|
Bart van den Brink (CDA) |
|
|
|
|
Bent u bekend met het bericht dat het Zweedse parlement op maandag 15 juni 2026 heeft ingestemd met de zogenoemde «goed-gedragwet», op grond waarvan autoriteiten verblijfsvergunningen kunnen intrekken wegens wangedrag?1
Ja. Ik ben bekend met het bericht over de Zweedse regeling waarbij het gedrag of de levenswijze van vreemdelingen zwaarder kan worden betrokken bij de beoordeling van verblijfsvergunningen.
Bent u het eens met de stelling dat dit een goed en voorbeeldwaardig voorstel is? Zo nee, waarom niet?
Het kabinet volgt ontwikkelingen in andere landen, maar ziet in de Zweedse regeling geen aanleiding om in Nederland een algemene gedragstoets of levenswijzetoets in te voeren. Nederland beschikt reeds over instrumenten om in vreemdelingrechtelijke context opvolging te geven aan criminaliteit, ernstige overlast, fraude, misbruik en risico’s voor de nationale veiligheid. Een brede toets op levenswijze, schulden of algemene normnaleving past niet goed binnen de Nederlandse verblijfsrechtelijke systematiek. Van belang is bovendien dat de Zweedse regeling niet ziet op alle verblijfsrechten. Zover thans bekend ziet de regeling enkel op nationale verblijfsvergunningen; EU-gerelateerde verblijfsrechten en verblijfsrechten die voortvloeien uit internationale verplichtingen, waaronder asielvergunningen, vallen daarbuiten. De reikwijdte is daarmee beperkter dan in de vraagstelling wordt gesuggereerd.
Deelt u de opvatting dat vreemdelingen die zich misdragen, schulden veroorzaken, zwart werken, belasting ontduiken of banden onderhouden met extremistische organisaties hun verblijfsrecht in geen geval mogen behouden? Zo nee, waarom niet?
Iedereen die zich in Nederland bevindt moet zich aan de wet houden. Wanneer een vreemdeling onherroepelijk is veroordeeld voor een misdrijf, kan dat reden zijn om de verblijfsvergunning in te trekken.
Ik verwijs verder naar mijn brief van 9 juni jl., waarin ik heb aangekondigd om het beleid inzake de zogenoemde «glijdende schaal» aan te passen.2
De Zweedse regeling lijkt slechts op één punt aanvullend te zijn op de Nederlandse systematiek: bij specifiek nationale verblijfsvergunningen zouden ook niet-strafrechtelijke gedragingen, zoals structurele schulden, oneerlijke inkomstenverwerving of het niet naleven van besluiten van autoriteiten, explicieter kunnen meewegen bij de verblijfsbeoordeling. Ook in die gevallen geldt in Zweden echter geen automatische verblijfsbeëindiging.
In Nederland bestaat geen algemene levenswijzetoets, maar is een onherroepelijke veroordeling wegens een misdrijf het aanknopingspunt voor verblijfsbeëindiging. Voor EU-gerelateerde verblijfsrechten en internationale bescherming gelden bovendien dwingende EU-kaders en verdragsverplichtingen. Louter «schulden» of algemene normnaleving kwalificeren in dat kader niet als zelfstandige grond voor beëindiging van verblijf. Het kabinet acht een algemene levenswijzetoets naar Zweeds voorbeeld, wat aanzienlijk subjectiever is dan de Nederlandse toets op openbare orde, daarom niet aangewezen.
Kunt u exact uiteenzetten op welke punten deze Zweedse wet verder gaat dan de huidige Nederlandse wet- en regelgeving en daarbij per onderdeel aangeven waarom Nederland op dit punt achterblijft?
Zie antwoord vraag 3.
Kunt u aangeven waarom landen als België, Duitsland en Zweden veel verdergaande maatregelen kunnen nemen, terwijl de partijleider van het CDA, de heer Bontebal, stelt: «Je kunt niet veel meer doen dan wij als Nederland nu hebben gedaan»?
Vergelijkingen met België, Duitsland, Zweden of andere EU-landen moeten zorgvuldig worden gemaakt. Nationale stelsels verschillen en maatregelen die in een ander land worden getroffen kunnen niet zonder meer worden overgenomen in de Nederlandse rechtsorde. Het kabinet herkent daarenboven niet dat andere EU-landen op relevante onderdelen verder gaan als het gaat om het weigeren of intrekken van verblijfsrecht. Nederland beschikt onder meer over mogelijkheden tot afwijzing en intrekking van verblijfsrecht, ongewenstverklaring en het opleggen van een besluit tot signalering of een inreisverbod, met inachtneming van EU-recht en internationale verplichtingen.
Kunt u aangeven hoeveel vreemdelingen in Nederland onder een regeling naar Zweeds voorbeeld zouden vallen, uitgesplitst naar lopende vergunningsaanvragen en reeds verleende verblijfsvergunningen?
Nee, dit is niet mogelijk. Als aangegeven geldt de betreffende levenswijzetoets enkel voor specifiek nationale Zweedse verblijfsvergunningen en is daarnaast altijd sprake van een individuele weging. Zie ook de beantwoording bij vraag 5.
De Nederlandse registratie is ingericht op bestaande Nederlandse wettelijke gronden, zoals openbare orde, nationale veiligheid, fraude, misbruik en het niet voldoen aan verblijfsvoorwaarden. Er wordt niet geregistreerd op een categorie als «levenswijze».
Indien exacte cijfers ontbreken, kunt u dan een onderbouwde inschatting geven en toelichten waarom deze cijfers niet beschikbaar zijn?
Zie antwoord vraag 6.
Welke reden heeft u om een vergelijkbaar wetsvoorstel niet op de kortst mogelijke termijn naar de Kamer te sturen?
Ik verwijs u hiervoor naar het antwoord op vraag 2 en de verdere uiteenzettingen in deze vragenset.
De veroordeling van Syriër Rafiq al-Q |
|
Tom Russcher (FVD) |
|
Bart van den Brink (CDA) |
|
|
|
|
Bent u bekend met het vonnis van de rechtbank Den Haag waarbij de Syriër Rafiq al-Q. is veroordeeld tot 26 jaar gevangenisstraf wegens negentien misdrijven tegen de menselijkheid, waaronder foltering, mishandeling en verkrachting, gepleegd in dienst van het Assad-regime?1
Ja.
Hoe heeft het kunnen gebeuren dat de Immigratie- en Naturalisatiedienst (IND) in 2021 asiel heeft verleend aan iemand die aantoonbaar betrokken was bij mensenrechtenschendingen?
Allereerst is het belangrijk om te benadrukken dat ik geen mededelingen kan doen in individuele zaken. In zijn algemeenheid kan ik het volgende delen.
In elke asielzaak besteedt de IND op meerdere momenten binnen de asielprocedure gerichte aandacht aan signalen die kunnen wijzen op betrokkenheid bij oorlogsmisdrijven, misdrijven tegen de menselijkheid, misdrijven tegen de vrede of ernstige niet-politieke misdrijven. Signalering vindt plaats op meerdere momenten: vanaf het moment dat het OVA-proces2 start bij de IND en de asielaanvraag formeel is ingediend, bij raadpleging van nationale en internationale politie- en justitiële databases, en tijdens contacten met de vreemdeling – waaronder gehoren, verblijf bij het COA en contacten met DTenV. Ook vindt er een check op de openbare sociale media-accounts plaats en er wordt gekeken welke relevante informatie op internet over de vreemdeling te vinden is. Wanneer zich specifieke 1F-signalen of nationale veiligheidsrisico’s voordoen kan de behandeling worden belegd bij respectievelijk de 1F Unit of het Team Speciale Zaken van de IND en worden signalen binnen de wettelijke kaders gedeeld met de inlichtingen- en veiligheidsdiensten.
Ondanks alle inspanningen, betrachte zorgvuldigheid en alertheid kan het voorkomen dat ten tijde van de besluitvorming informatie nog niet beschikbaar of verifieerbaar is. Wanneer relevante informatie over mogelijke strafbare feiten of 1F-indicaties pas later naar boven komt, kan de IND, waar aan de voorwaarden is voldaan, de vergunning intrekken.
Welke screening heeft de IND uitgevoerd voorafgaand aan de asielvergunning van Rafiq al-Q.?
Zie antwoord vraag 2.
Wat zegt het feit dat Al-Q. en zijn gezin zich voordeden als oorlogsvluchtelingen die uiteindelijk niet opgespoord werden door overheidsinstanties maar door andere Syriërs die hem herkenden, over de effectiviteit van het huidige screeningsproces en over de capaciteiten van onze eigen instanties?
Zoals uiteengezet in antwoord op vraag 2, besteden organisaties binnen de vreemdelingenketen doorlopend aandacht aan signalen die wijzen op betrokkenheid bij 1F-misdrijven. Signalen kunnen ook later worden opgevangen, bijvoorbeeld door meldingen van burgers of slachtoffers en kunnen dan worden opgevolgd. Op basis van deze signalen kan de IND bepalen welk handelingsperspectief mogelijk is, en indien passend overgaan tot intrekking van het verblijfsrecht. Tevens wordt bekeken of een inreisverbod, een ongewenstverklaring of een besluit tot signalering mogelijk is. Het onderkennen van 1F-signalen in de asielprocedure is echter een doorlopend proces dat continue ketenbrede alertheid vereist.
Hoeveel asielaanvragen van Syrische onderdanen zijn sinds 2013 ingewilligd zonder systematische toetsing aan internationale opsporingsregisters en databases van oorlogsmisdadigers, zoals die van het Internationaal Strafhof, Interpol of de VN-commissie voor Syrië?
De standaardwerkwijze is dat in elke asielprocedure relevante internationale en nationale politie/justitiële databases worden geraadpleegd.
Kunt u een onafhankelijk onderzoek instellen naar de vraag hoe Al-Q. door de asielprocedure is gekomen?
Het Nederlandse asielstelsel hanteert een zorgvuldige toetsing om te voorkomen dat plegers van internationale misdrijven in Nederland een veilige haven hebben. Voortdurende versterking van procedures, informatie-uitwisseling en screening zijn altijd noodzakelijk om tijdig signalen van mogelijke betrokkenheid bij internationale misdrijven te onderkennen en dit proces heeft dan ook standaard de aandacht van het kabinet. Het kan echter nooit volledig worden voorkomen dat informatie pas later of niet volledig aan het licht komt. Tegen die achtergrond zie ik geen aanleiding om een onafhankelijk onderzoek in te stellen.
Hoeveel vergelijkbare gevallen zijn er mogelijk, waarbij personen die betrokken waren bij staatsterrorisme, etnische zuivering of andere zware misdrijven in conflictlanden in Nederland verblijven met een geldige asielvergunning?
Het aantal vergelijkbare gevallen van personen die betrokken waren bij zware misdrijven en met een vergunning in Nederland verblijven wordt niet bijgehouden. Wel wordt geregistreerd in welke gevallen 1F is tegengeworpen, waar uitsluiting van verblijfsrecht uit volgt. Zoals volgt uit de Rapportagebrief Internationale Misdrijven3, liepen er in 2025 in totaal 102 1F-onderzoeken, waarvan in 38 gevallen 1F is tegengeworpen en geen verblijfsvergunning is verleend of deze is ingetrokken.
Wat is er na de aanhouding van Al-Q. in december 2023 gebeurd met zijn asielvergunning, en op welk moment is deze ingetrokken?
Ik ga niet in op individuele casuïstiek. In algemene zin geldt: indien betrokkene zijn vergunning verliest en het verblijfsrecht van gezinsleden uitsluitend is afgeleid van het verblijfsrecht van de hoofdpersoon, dan heroverweegt de IND deze besluiten.
Bent u bereid de verblijfsstatus van de gezinsleden van Al-Q., die eveneens in Nederland verblijven op basis van een afgeleide asielvergunning, te heroverwegen?
Zie antwoord vraag 8.
Hoe gaat u in de toekomst voorkomen dat mensen zoals Rafiq al-Q. ons land in kunnen komen?
Uw Kamer is in 20234 en 20245 geïnformeerd over evaluaties en verbetermaatregelen rondom het onderkennen van signalen van mogelijke betrokkenheid bij internationale of terroristische misdrijven. Naar aanleiding daarvan zijn reeds maatregelen genomen, waaronder het eerder positioneren van de screening en prioriteit op snelle screening van de nieuwe instroom direct tijdens en na het OVA-proces, met tijdelijke extra capaciteit om doorlooptijden te verkorten. Het Nederlandse asielstelsel hanteert een zorgvuldige toetsing om te voorkomen dat plegers van internationale misdrijven in Nederland een veilige haven hebben. Daarbij is, zoals aangegeven bij vraag zes, voortdurende versterking van procedures, informatie-uitwisseling en screening altijd noodzakelijk om tijdig signalen van mogelijke betrokkenheid bij internationale misdrijven te onderkennen en daarom heeft dit ook standaard de aandacht van het kabinet.
Welke lessen trekt u uit deze zaak voor de inrichting van de asielprocedure en welke concrete beleidswijzigingen overweegt u naar aanleiding van deze veroordeling?
Zie antwoord vraag 10.
Hoeveel kost de gevangenisstraf die Rafiq al-Q. in Nederland zal uitzitten de Nederlandse belastingbetaler, inclusief het proces, bewaking en zorgkosten?
Over de kosten van individuele gevallen kunnen geen uitspraken worden gedaan. Daarnaast wordt opgemerkt dat in deze zaak nog geen sprake is van een onherroepelijk vonnis. De procedure is daarmee nog niet tot een einde gekomen.
Deelt u de mening dat het onwenselijk is dat buitenlandse oorlogsmisdadigers hun celstraf uitzitten op kosten van de Nederlandse belastingbetaler?
Uitgangspunt blijft dat opsporing en vervolging zoveel mogelijk plaatsvinden in het land waar de misdrijven zijn gepleegd. Dat is echter niet altijd mogelijk of voor de hand liggend. Wanneer opsporing, vervolging en berechting van internationale misdrijven in Nederland plaatsvindt, wordt een opgelegde gevangenisstraf in beginsel in Nederland ondergaan. De daarmee gemoeide kosten zijn gerechtvaardigd vanuit het fundamentele belang om straffeloosheid te voorkomen bij dergelijke ernstige schendingen van het internationale recht.
In 2023 is – mede dankzij Nederland – het Verdrag van Ljubljana – Den Haag voor internationale samenwerking bij de opsporing en vervolging van genocide, misdrijven tegen de menselijkheid, oorlogsmisdrijven en andere internationale misdrijven tot stand gekomen. Dit verdrag is niet alleen relevant voor rechtshulp en uitlevering, maar voorziet ook in mogelijkheden voor strafoverdracht. Nederland blijft zich wereldwijd inzetten voor brede aansluiting bij dit verdrag. Op dit moment is Syrië niet aangesloten bij enig verdrag op basis waarvan er strafoverdracht met Nederland kan plaatsvinden.
Wanneer haalt uw kabinet de banden aan met Syrië, zodat dit soort criminelen hun celstraf daar kunnen uitzitten, zodat de Nederlandse belastingbetaler niet meer het levensonderhoud hoeft te voorzien van buitenlandse misdadigers en criminelen?
Het kabinet investeert in de bilaterale relatie met Syrië, onder andere door bezoeken op politiek en ambtelijk niveau. Tijdens deze bezoeken wordt onder meer gesproken over de verdieping van de brede samenwerkingsrelatie. Vanuit Nederland wordt daarbij ook aandacht gevraagd voor het multilaterale Verdrag van Ljubljana – Den Haag. Daarnaast wordt gesproken over de terugkeer van Syriërs vanuit Nederland vanuit vreemdelingrechtelijk perspectief.
Het bericht 'Bestuurders Tata Steel krijgen toch extraatje voor inspanning in ‘moeilijke tijden’ |
|
Sjoukje van Oosterhout (GroenLinks-PvdA) |
|
Stientje van Veldhoven (D66) |
|
|
|
|
Bent u bekend met het bericht van het Financieele Dagblad over de beloningen van bestuurders van Tata Steel Nederland?1
Ja.
Hoe beoordeelt u het dat Tata Steel Nederland in een periode waarin met het Rijk wordt onderhandeld over een mogelijke subsidie van € 2 miljard voor de verduurzaming van de staalproductie en een ontslagronde, extra beloningen aan bestuurders uitkeert?
Het kabinet snapt dat dit bericht vragen oproept. Het besluit over het beloningsbeleid van een private onderneming is echter aan de onderneming zelf. Wel is in artikel 10 van de Joint letter of intent (JLoI) met Tata Steel Nederland (TSN), Tata Steel Limited (TSL) en de Provincie Noord-Holland (PNH) opgenomen dat de onderneming een passend, redelijk en uitlegbaar beloningsbeleid voert. De daadwerkelijke invulling hiervan is onderdeel van de uitwerking van de JLoI in een maatwerkovereenkomst.
Zijn afspraken over bestuurdersbeloningen, dividenduitkeringen, kapitaaluitkeringen aan aandeelhouders en het inkopen van eigen aandelen onderdeel van de onderhandelingen over de maatwerkafspraken met Tata Steel?
In artikel 10 van de JLoI is opgenomen dat TSN een passend, redelijk en uitlegbaar beloningsbeleid moet implementeren. De daadwerkelijke invulling hiervan is onderdeel van de uitwerking in een maatwerkovereenkomst.
Bent u bereid om dergelijke afspraken op te nemen voor gedurende de looptijd van de subsidie?
De gesprekken over de uitwerking van de JLoI lopen op dit moment en ik kan dan ook niet vooruitlopen op de precieze invulling van deze afspraken. Conform artikel 10 JLoI, is het de inzet van partijen om tot afspraken te komen over het beloningsbeleid in een maatwerkafspraak.
Bent u verder bekend met de passages uit het Jaarverslag van Tata Steel waarin de financiering van het groen staal plan wordt uitgewerkt?
Ja.
Beschikt u over concrete aanwijzingen dat Tata Steel Limited bereid is substantieel eigen vermogen beschikbaar te stellen voor het Groen Staal-project in IJmuiden? Zo ja, om welke omvang gaat het?
In artikel 7 van de JLoI zijn afspraken gemaakt over de investering en financiering van en door TSL en TSN. Deze afspraken laten de investeringsbereidheid van TSL en TSN zien. Ook is duidelijk dat de staat maximaal 2 miljard zal bijdragen. De verdere uitwerking van de JLoI is onderwerp van gesprek en daar kan het kabinet nu niet op vooruitlopen. Zoals bekend vindt de staat het belangrijk dat TSL significant bijdraagt en op enige wijze garant staat en dit komt dus ook duidelijk naar voren in de afspraken die in de JLoI zijn gemaakt.
Heeft de verhouding tussen eigen vermogen en vreemd vermogen gevolgen voor de omvang of voorwaarden van de eventuele staatssteun?
Het is in beginsel aan het bedrijf zelf om de financiering precies uit te werken. Hierover wordt gesproken in de onderhandelingen voor de maatwerkovereenkomst.
Welke minimale financiële bijdrage van Tata Steel Limited acht u redelijk alvorens publieke middelen beschikbaar worden gesteld?
De verdeling van de financiële bijdrage is vastgelegd in de JLoI die onder andere door de staat, TSL en TSN ondertekend is. In de JLoI staat opgenomen dat de totale investeringskosten voor de projecten tussen de 4–6,5 miljard euro zijn. De bijdrage van de staat is gemaximeerd op 2 miljard euro, ongeacht waar het bedrag in de bandbreedte van 4–6,5 miljard euro op uitkomt. Er staat in artikel 7.1.1. sub a van de JLoI dan ook expliciet opgenomen dat de staat niet verantwoordelijk is voor eventuele benodigde resterende financiering bovenop dit bedrag. De investering van TSL en TSN en de bijdrage van de staat zijn proportioneel en dienen in lijn te zijn met de Europese regels voor staatssteun. Als de investering van TSN en TSL lager uitvalt dan de verwachte bandbreedte zal de bijdrage van de staat ook lager worden. TSL en TSN dragen het risico als de kosten hoger worden dan voorzien.
Bent u bekend met de uitspraak van misdaadjournalist Paul Vugts in de Parool Misdaadpodcast van 11 juni 2026, waarin hij stelt dat Amsterdamse ambtenaren hem zouden hebben benaderd nadat hij had gepubliceerd over Syrische asielzoekers die verantwoordelijk zouden zijn voor een golf van straatroven in Amsterdam, met de boodschap dat dergelijke berichtgeving «rechts in de kaart» zou spelen?1
Ja.
Deelt u de mening dat het buitengewoon zorgelijk is wanneer ambtenaren feitelijke journalistieke berichtgeving beoordelen aan de hand van de vraag welke politieke stroming daar mogelijk baat bij zou hebben?
In algemene zin is het niet ongebruikelijk dat de overheid, bijvoorbeeld via woordvoerders of persvoorlichters, contact onderhoudt met journalisten. Het is de taak van deze ambtenaren om vragen van journalisten te beantwoorden en het overheidsbeleid toe te lichten of onder de aandacht te brengen. Daarbij geldt dat een ambtenaar zijn werk politiek neutraal en op basis van deskundigheid moet doen. Journalisten moeten hun werk in vrijheid kunnen doen.
Deelt u de mening dat de waarheidsvinding door journalisten nooit ondergeschikt mag worden gemaakt aan de vraag of feiten «links», «rechts» of enig ander politiek kamp in de kaart spelen?
Ja. Journalisten moeten hun werk in vrijheid kunnen doen. Zij hanteren hierbij de journalistieke kernbeginselen, zoals hoor en wederhoor en het verifiëren van bronnen. Deze werkwijze draagt eraan bij dat een onderwerp vanuit verschillende perspectieven wordt belicht. Het is vervolgens aan de lezer, kijker of luisteraar om zich op basis van de door de journalist verstrekte informatie een eigen oordeel te vormen.
Acht u het verenigbaar met de persvrijheid wanneer overheidsfunctionarissen journalisten benaderen met de suggestie dat bepaalde feiten beter niet gepubliceerd kunnen worden omdat deze een politiek onwenselijk effect zouden kunnen hebben?
In algemene zin kan ik zeggen dat de persvrijheid in het geding komt als er van overheidswege censuur zou worden toegepast, bijvoorbeeld het op basis van politieke motieven uitvaardigen van een verbod iets te publiceren. Dat is in Nederland niet toegestaan. Daarnaast is het onacceptabel als de overheid «zachte druk» uitoefent op journalisten of media. Zulke druk kan een zogenoemd chilling effect veroorzaken, waardoor journalisten uit vrees voor negatieve gevolgen overgaan tot zelfcensuur. Ook dat is onwenselijk en dient te worden voorkomen.
Deelt u de mening dat het kwalificeren van feitelijke berichtgeving als iets wat «rechts in de kaart speelt» een vorm van politieke framing is die niet thuishoort in het contact tussen overheid en journalistiek?
Graag verwijs ik u naar het antwoord op vraag 2.
Deelt u de mening dat een overheid die journalisten probeert te bewegen om feiten niet of minder prominent te publiceren uit angst voor electorale of ideologische gevolgen, zich begeeft op een hellend vlak richting politieke beïnvloeding van de pers?
Ik verwijs u naar het antwoord op vraag 4.
Vindt u het acceptabel dat ambtenaren kennelijk niet primair bezwaar zouden hebben tegen de feitelijke juistheid van berichtgeving, maar tegen de mogelijke politieke interpretatie daarvan?
Ik verwijs u naar het antwoord op vragen 3 en 4.
Deelt u de mening dat de taak van journalisten is om relevante feiten boven tafel te krijgen en te publiceren en niet om bij iedere publicatie af te wegen of die publicatie «rechts in de kaart» zou kunnen spelen?
Ja. Journalisten werken volgens journalistieke kernbeginselen. De Raad voor de Journalistiek vat dit in de Leidraad kernachtig samen: «Goede journalistiek is waarheidsgetrouw en nauwgezet, onpartijdig en fair, controleerbaar en integer.»2 Het is aan de journalist om, vaak in overleg met zijn redactie, de afweging te maken hoe deze beginselen in een concreet geval worden toegepast.
Bent u bereid uit te spreken dat feiten over criminaliteit, migratie, asiel en openbare veiligheid niet mogen worden verzwegen of afgezwakt omdat de politieke consequenties daarvan bepaalde partijen of stromingen zouden kunnen bevoordelen?
Ja. Een gezond debat wordt gevoerd met de juiste feiten. Journalisten hebben een belangrijke rol in het brengen van deze feiten, zodat de lezer, kijker of luisteraar zelf een afweging kan maken en een mening kan vormen.
Deelt u de mening dat het bestrijden van «rechtse» politieke duiding nooit een taak kan is van gemeentelijke ambtenaren in hun contact met journalisten?
Onder verwijzing naar het antwoord op vraag 2 kan ik zeggen dat in contacten met journalisten, het de taak van ambtenaren is om vragen van journalisten te beantwoorden en het overheidsbeleid toe te lichten of onder de aandacht te brengen. Daarbij geldt zoals hiervoor aangegeven dat een ambtenaar zijn werk te allen tijde politiek neutraal en op basis van deskundigheid moet doen. Het bestrijden van een bepaalde politieke duiding behoort niet tot de taak van een ambtenaar.
Bent u bereid bij de gemeente Amsterdam na te vragen of de term «rechts in de kaart spelen», of woorden van gelijke strekking, daadwerkelijk is gebruikt in contact met Paul Vugts of met andere journalisten?
De lokale gemeenteraad, in dit geval de Amsterdamse, heeft tot taak het college van burgemeester en wethouders te controleren. In de Amsterdamse gemeenteraad zijn tevens raadsvragen gesteld over deze kwestie, waarmee de gemeenteraad dus invulling geeft aan deze verantwoordelijkheid.
Bent u bereid daarbij ook na te gaan of binnen de gemeente Amsterdam interne richtlijnen, instructies of communicatiestrategieën bestaan waarin wordt gesproken over het voorkomen van berichtgeving die «rechts», «populistisch», «extreemrechts» of andere politieke stromingen in de kaart zou kunnen spelen?
Ik verwijs hiervoor naar het antwoord op vraag 11.
Kunt u uitsluiten dat er binnen de gemeente Amsterdam of andere overheidslagen beleid, instructies of informele werkwijzen bestaan om berichtgeving over asielzoekers, statushouders, migranten of criminaliteit te ontmoedigen wanneer deze politiek ongewenst wordt geacht?
Ten aanzien van de situatie in de gemeente Amsterdam zijn er raadsvragen gesteld, zoals benoemd in het antwoord op vraag 11. Ik heb geen signalen ontvangen dat er bij overheden gebruikt wordt gemaakt van beleid, instructies of informele werkwijzen over het ontmoedigen van bepaalde berichtgeving.
Bent u bereid te onderzoeken of overheidscommunicatieafdelingen journalisten vaker benaderen met politieke argumenten over de mogelijke impact van hun berichtgeving, in plaats van met feitelijke correcties of wederhoor?
Ik heb geen signalen ontvangen dat ambtenaren regelmatig journalisten benaderen met politieke argumenten. Ik zie derhalve geen aanleiding voor een onderzoek.
Bent u bereid heldere richtlijnen op te stellen of aan te scherpen waarin wordt vastgelegd dat overheidsfunctionarissen journalisten niet mogen aanzetten tot het achterwege laten van berichtgeving op grond van het argument dat deze «rechts in de kaart» zou spelen?
Nee. Ik verwijs hiervoor naar de beantwoording van de voorgaande vragen.
Deelt u de mening dat juist het achterhouden of ontmoedigen van feitelijke berichtgeving over gevoelige onderwerpen het wantrouwen in overheid en media voedt?
Zorgvuldige en eerlijke communicatie door de overheid is essentieel voor het vertrouwen van burgers in de overheid. De media hebben tot taak om in informatie te voorzien, de macht te controleren en een podium te bieden aan diverse geluiden. De journalistieke sector heeft hiervoor zelf standaarden opgesteld, zoals bijvoorbeeld in de eerder aangehaalde Leidraad van de Raad voor de Journalistiek.
Bent u bereid publiekelijk afstand te nemen van iedere vorm van overheidsdruk op journalisten die is gebaseerd op de politieke gevolgen van hun berichtgeving?
Er is geen plaats voor overheidsdruk op journalisten om zo hun berichtgeving te beïnvloeden.
Kunt u deze vragen afzonderlijk beantwoorden?
Ja.
Een omstreden concept dat kinderen van hun ouders scheidt |
|
Hanneke van der Werf (D66), Marijke Synhaeve (D66) |
|
van Bruggen |
|
|
|
|
Bent u bekend met het bericht «Hoe een omstreden concept kinderen van hun ouders scheidt: «Zolang ik niet leuk doe met mijn moeder, mag ik mijn vader niet zien»»?1
Acht u het wenselijk dat jeugdbeschermers op basis van een theorie die niet vaststaat en waarbij internationaal ernstige zorgen zijn over de schadelijke gevolgen van deze theorie, dergelijke ingrijpende beslissingen kunnen nemen over kinderen?
Welke jeugdbeschermingsorganisaties in Nederland werken vanuit deze of een vergelijkbare theorie en hoeveel kinderen zijn er – gebaseerd op deze theorie – uit huis geplaatst?
Op welke wijze wordt voorkomen dat onbewezen of onvoldoende wetenschappelijk onderbouwde werkwijzen – en in dit geval bewezen ineffectieve werkwijzen – een rol spelen bij beslissingen die kunnen leiden tot dermate ingrijpende maatregelen zoals beperking van contact met een ouder of gedwongen plaatsing bij een van beide ouders?
Deelt u de opvatting dat het volstrekt ongewenst is dat een werkwijze waarover onder wetenschappers en deskundigen aanzienlijke discussie bestaat in de praktijk leidt tot beslissingen waarbij kinderen, tegen hun uitdrukkelijke wens in, contact met een ouder verliezen of hun veilige plek thuis verliezen?
Deelt u de opvatting dat deze kinderen recht hebben op een onafhankelijke beoordeling van hun gevoelens, ervaringen en veiligheidsbeleving, en hoe wordt dit in de praktijk gewaarborgd?
Welke waarborgen bestaan er om te voorkomen dat signalen van onveiligheid, verwaarlozing of mishandeling onterecht worden geïnterpreteerd als uitingen van zogenaamde ouderverstoting, waardoor kinderen mogelijk juist niet beschermd worden tegen onveilige situaties?
Deelt u de opvatting dat bij ingrijpende beslissingen over kinderen de veiligheid van het kind leidend moet zijn, en hoe wordt getoetst of dit ook daadwerkelijk gebeurt wanneer beslissingen worden gebaseerd op een theorie waarvan de validiteit ter discussie staat?
Hoe bent u van plan om overzicht te krijgen van regionale handelwijzen en praktijken in de jeugdbescherming en jeugdzorg teneinde misstanden als deze te voorkomen en in te kunnen grijpen waar nodig?
Klopt het dat medio 2025 ambtelijk is gesignaleerd dat mogelijk defensiegevoelige infrastructuurgegevens openbaar beschikbaar waren op websites en in registers van de overheid, maar dat deze gegevens nog steeds online staan?1
Deelt u de opvatting dat bij een concreet risico op sabotage van militaire infrastructuur de nationale veiligheid leidend moet zijn en dat informatie daarom bij twijfel op zijn minst eerst tijdelijk moet worden afgeschermd, waarna de juridische discussie kan worden afgerond? Zo nee, waarom niet?
Kan de Minister van Defensie andere ministeries daadwerkelijk opdragen defensiegevoelige informatie onmiddellijk af te schermen? Zo nee, wie kan binnen het kabinet bij een acute dreiging wel een bindend besluit nemen?
Welke maatregelen zijn direct na de ambtelijke signalering van deze veiligheidsrisico’s medio 2025 genomen?
Klopt het dat pas in het najaar van 2025 is begonnen met het verwijderen of afschermen van deze informatie? Kunt u toelichten waarom dit na de eerste signalering nog maanden heeft geduurd?
Wat is de reden dat de Ministeries van Infrastructuur en Waterstaat en Economische Zaken en Klimaat vooralsnog geen volledige uitvoering hebben gegeven aan het verzoek van de Minister van Defensie om de kwetsbare informatie per direct offline te halen?
Waarom is pas in maart 2026 een interdepartementale werkgroep «Openbaarheid en nationale veiligheid» ingesteld, terwijl al sinds medio 2025 bekend was dat mogelijk gevoelige informatie openbaar was?
Deelt u de opvatting dat het instellen van een ambtelijke werkgroep geen alternatief kan zijn voor een onmiddellijk bestuurlijk besluit wanneer informatie per direct offline moet worden gehaald vanwege risico’s op spionage en sabotage? Zo nee, waarom niet?
Zijn de MIVD, AIVD en de NCTV betrokken bij deze ambtelijke werkgroep? Zo nee, waarom niet? Zo ja, hoe beoordelen zij dat deze gevoelige informatie nog niet offline is gehaald?
Erkent u dat deze gang van zaken – eerst signaleren, vervolgens maanden overleggen, daarna een werkgroep instellen en uiteindelijk nog steeds geen volledige verwijdering realiseren – niet past bij de snelheid en slagkracht die nodig zijn in de huidige veiligheidssituatie? Zo nee, waarom niet?
Bent u bereid zo spoedig mogelijk alle gegevens die Defensie als potentieel sabotagegevoelig beoordeelt in ieder geval tijdelijk af te schermen? Zo nee, waarom niet?
Bent u bereid één bewindspersoon aan te wijzen die doorzettingsmacht krijgt bij conflicten tussen openbaarmakingsverplichtingen en de nationale veiligheid, zodat niet opnieuw maandenlang interdepartementaal overleg nodig is voordat wordt ingegrepen? Zo nee, waarom niet?
Het artikel ‘Rijkswaterstaat stopt met asfalteren in Noord-Nederland, want het geld is op: radicaal besluit leidt tot geschokte reacties’ |
|
Maarten Goudzwaard (JA21) |
|
Vincent Karremans (VVD) |
|
|
|
|
Bent u bekend met het artikel «Rijkswaterstaat stopt met asfalteren in Noord-Nederland, want het geld is op: radicaal besluit leidt tot geschokte reacties»?1
Ja.
Was u vooraf op de hoogte van deze onderhoudsstop? Zo ja, waarom is niet eerder ingegrepen om reeds geplande werkzaamheden te voltooien?
Ja, de tekorten op de instandhoudingsopgave maken onderdeel uit van de grote financiële opgave op het Mobiliteitsfonds en Deltafonds. Daarover is de Tweede Kamer op 16 maart jl. geïnformeerd. Voor exploitatie en onderhoud moet Rijkswaterstaat scherpe keuzes maken en werkzaamheden in tijd naar achteren schuiven om binnen de financiële kaders te blijven voor 2026–2030. Het voorlopig stopzetten van de aanbesteding van het groot onderhoud aan wegen in Groningen, Friesland en Drenthe in de jaren 2027–2028 is hier een concreet voorbeeld van.
Het gaat hierbij om niet-acuut noodzakelijk onderhoud waarbij de veiligheid en bereikbaarheid ook bij uitstel niet direct in het geding zijn. Het leidt daarbij ook niet tot snelheidsbeperkende maatregelen of afsluitingen. Waar nodig worden aanvullende maatregelen genomen om de verkeersveiligheid te blijven waarborgen.
Het verschuiven van werkzaamheden binnen de programmering is op zichzelf niet nieuw en maakt deel uit van de reguliere uitvoeringspraktijk van Rijkswaterstaat. Werkzaamheden kunnen bijvoorbeeld worden verschoven omdat zij gecombineerd kunnen worden met andere projecten, vanwege beperkingen in de beschikbare uitvoeringscapaciteit of vanwege de beschikbare financiële middelen.
In de brief van 16 maart jl. is tevens geconcludeerd dat de grote financiële opgaven op het Mobiliteitsfonds en Deltafonds het noodzakelijk maakt om over de volle breedte van de opgaven, het MIRT en de fondsen te prioriteren (Kamerstuk 36 800 A, nr. 39). De uitgestelde werkzaamheden worden meegenomen in deze grote prioritering, waarvoor in de brief van 19 juni jl. het afweegkader is gedeeld. Aan de hand hiervan zal middels een transparant proces, in afstemming met de Kamer en de regio's worden geprioriteerd, waarmee de basis van onze infrastructuur de komende jaren weer op orde wordt gebracht.
Was u op de hoogte van het feit dat om dezelfde reden eerder ook al werkzaamheden in de regio zijn geschrapt, zoals in het artikel te lezen is?
Naast het uitstellen van onderhoudswerkzaamheden in Noord-Nederland zijn geen andere projecten in die regio om dezelfde reden uitgesteld. Wel is eerder dit jaar besloten het geplande groot onderhoud aan de A12 naar een later moment te verschuiven.
Was het de bedoeling dat ook projecten die zich zo dicht bij de uitvoeringsfase bevinden (binnen twee jaar) opnieuw zouden worden beoordeeld, aangezien Rijkswaterstaat meldt dat deze projecten ook worden meegenomen in de herprioritering?
Om binnen de financiële kaders voor de periode 2026–2030 te blijven, moet Rijkswaterstaat scherpe keuzes maken in de programmering van werkzaamheden. Omdat dit geen lopend project is, er sprake is van niet-acuut noodzakelijk onderhoud en de veiligheid en bereikbaarheid niet in het geding zijn, is ervoor gekozen de aanbesteding van de preventieve onderhoudswerkzaamheden die voor 2027 en 2028 waren voorzien, niet voort te zetten.
Vindt u het evenwichtig dat de onderhoudsstop aan het wegennet disproportioneel het noorden treft, een regio waar minder openbaar vervoer beschikbaar is?
Rijkswaterstaat moet prioriteiten stellen, om binnen de financiële kaders voor 2026–2030 te blijven. Daarom wordt kritisch gekeken naar al het werk wat nog niet verplicht is en wordt continu de vraag gesteld: moet dit werk echt nu of kan dit ook later? Deze vraag speelt ook in andere delen van het land. Op basis van het afweegkader zullen alle werkzaamheden worden getoetst aan de met de Tweede Kamer besproken criteria. Noodzakelijk acuut onderhoud wordt overigens overal in het land wel uitgevoerd, zodat de veiligheid en bereikbaarheid op het Hoofdwegennet (HWN) geborgd blijven. Tegelijkertijd wordt er ook in Noord-Nederland dit jaar, net als vorig jaar, veel groot onderhoud aan de wegen uitgevoerd.
Zo nee, hoe verklaart u dat deze onderhoudsstop zich zo concentreert in dit deel van het land?
Zie het antwoord op vraag 5.
Wat is de economische impact van de onderhoudsstop op de economie van Noord-Nederland en op het handelsverkeer?
Het voorlopig stopzetten van de aanbesteding van het groot onderhoud aan wegen in Groningen, Friesland en Drenthe in de jaren 2027–2028 heeft geen effect op de verkeersveiligheid en de beschikbaarheid van het netwerk voor economisch verkeer.
Rijkswaterstaat blijft vanzelfsprekend de noodzakelijke maatregelen treffen om de veiligheid en bereikbaarheid te garanderen. Voor de lange termijn zullen via toetsing aan het afweegkader nog prioriteiten moeten worden gesteld.
Wat betekent deze onderhoudsstop in Noord-Nederland voor het goederenvervoer richting Noord-Duitsland en Denemarken?
Zie het antwoord op vraag 7.
Hoe rijmt u de hoge opbrengsten uit belastingen en heffingen voor weggebruikers, zoals de motorrijtuigenbelasting, accijnzen en andere heffingen, met het beperkte budget voor het meest basale onderhoud?
De belastingen gaan naar de Algemene middelen. De overheid zet deze middelen vervolgens in voor collectieve voorzieningen in Nederland, waaronder de infrastructuur. Met deze middelen wordt jaarlijks onder andere fors geïnvesteerd in de Nederlandse infrastructuur via het Mobiliteitsfonds en het Deltafonds. Zo investeert het kabinet incidenteel € 7 miljard en structureel € 0,5 miljard extra in onder andere instandhouding. Mede daardoor beschikt Nederland over een sterk en goed functionerend netwerk van wegen, vaarwegen, bruggen, tunnels en waterwerken. Tegelijkertijd bereikt een groot deel van deze infrastructuur, die in de jaren zestig en zeventig is aangelegd, het einde van de technische levensduur. Om de infrastructuur ook in de toekomst veilig, betrouwbaar en beschikbaar te houden, zijn daarom extra investeringen in instandhouding nodig. Daarnaast is het nodig om te prioriteren.
Is het te verwachten dat dergelijke onderhoudsstops zich ook zullen voordoen in Oost-, Zuid-, West- of Midden-Nederland?
Op basis van de aangekondigde brede prioritering wordt vastgesteld hoe de programmering voor de komende jaren eruit komt te zien. Met deze prioritering willen we de basis van onze infrastructuur weer op orde te brengen en beschikbare middelen zo doelmatig mogelijk inzetten.
De veiligheid is door het uitstellen van het onderhoud niet in het geding en er is daarom geen sprake van snelheidsverlagende maatregelen en afsluitingen. Daar waar de veiligheid wel in het geding is neemt Rijkswaterstaat altijd de noodzakelijke maatregelen. De werkzaamheden die in uitvoering zijn gaan gewoon door.
Heeft u zicht op de onderhoudsopgave bij provincies, aangezien N-wegen ook deel uitmaken van deze onderhoudsstop? Zo ja, kan u deze toelichten?
De onderhoudsopgave van provincies en gemeenten valt onder hun eigen verantwoordelijkheid. Ook zij staan voor aanzienlijke uitdagingen op het gebied van beheer en onderhoud en vernieuwing. Ik blijf daarom goed met provincies en gemeenten in gesprek, mede ook omdat de uitkomsten van de prioritering gevolgen zullen hebben voor hun netwerken. Deze gesprekken zal ik blijven voeren, onder meer bij bestuurlijke overleggen MIRT die in het najaar van 2026 plaatsvinden.
Daarnaast stemmen Rijkswaterstaat, provincies en gemeenten de planning en uitvoering van werkzaamheden op hoofd- en onderliggende netwerken zoveel mogelijk op elkaar af, zodat de bereikbaarheid gewaarborgd blijft en hinder voor gebruikers wordt beperkt.
In hoeverre speelt bij provincies een vergelijkbaar tekort voor de onderhoudsopgave als bij het Rijk?
Zie het antwoord op vraag 11.
Welke impact heeft deze onderhoudsstop op het aankomende afwegingskader voor de prioritering van infrastructuurprojecten?
Binnen de huidige financiële kaders is het noodzakelijk om onderhoudsmaatregelen zorgvuldig te prioriteren en waar nodig te faseren. Het geheel aan exploitatie en onderhoud inclusief uitgestelde werkzaamheden wordt meegenomen in deze prioritering op basis van het met de Tweede Kamer besproken afweegkader. In september zal ik de Kamer informeren over de uitwerking van het afweegkader. Deze uitwerking zal vervolgens met de Kamer en de regio’s worden besproken. De keuzes die hieruit voortvloeien worden in de Voorjaarsnota 2027 verwerkt.