| Ingediend | 3 september 2026 |
|---|---|
| Beantwoord | 3 september 2026 (na 0 dagen) |
| Indiener | Don Ceder (CU) |
| Beantwoord door | Berendsen |
| Onderwerpen | internationaal organisatie en beleid |
| Bron vraag | https://zoek.officielebekendmakingen.nl/kv-tk-2026Z17841.html |
| Bron antwoord | https://zoek.officielebekendmakingen.nl/ah-tk-20252026-2927.html |
Ja.
In het advies van het Internationaal Gerechtshof wordt het geldende internationaal recht uitgelegd, wat geldt voor alle staten, dus ook voor Nederland. Het kabinet erkent in navolging van het IGH-advies dat de Israëlische bezetting van de Palestijnse Gebieden onrechtmatig is.
De grondslag van het besluit is artikel 2, eerste lid, van de Sanctiewet 1977, die het mogelijk maakt om bij algemene maatregel van bestuur (AMvB) regels te stellen ter voldoening aan verdragen, besluiten of aanbevelingen van organen van volkenrechtelijke organisaties, dan wel aan internationale afspraken, met betrekking tot de handhaving of het herstel van de internationale vrede en veiligheid of de bevordering van de internationale rechtsorde dan wel de bestrijding van terrorisme. Zowel het IGH-advies als de genoemde resoluties van de Veiligheidsraad en Algemene Vergadering van de Verenigde Naties zijn aanbevelingen van organen van een volkenrechtelijke organisatie in de zin van de Sanctiewet 1977 en hebben voorts betrekking op de uitleg en toepassing van het internationaal recht. De regering kan daarom op grond van de Sanctiewet 1977 bij AMvB regels stellen ter voldoening aan deze aanbevelingen van volkenrechtelijke organen van de VN.
Het evacueren van de eigen burgerbevolking die het onrechtmatig heeft overgebracht naar bezet gebied is een verplichting van Israël, niet van derde staten. Dat is geldend internationaal recht. De praktische invulling van dit vraagstuk zal onderdeel moeten zijn van de afspraken tussen de partijen over een tweestatenoplossing. Uiteindelijk zullen afspraken hierover onderdeel moeten zijn van een breed akkoord waarin beide partijen hun veiligheid en identiteit gewaarborgd zien. Het kabinet kan niet vooruitlopen op de invulling hiervan. De visie van het kabinet is daarmee dat het internationaal recht leidend is, en de invulling van de evacuatie van kolonisten in de praktijk onderdeel moeten zijn van afspraken tussen de partijen; dit heeft het kabinet willen laten reflecteren in de beantwoording van de feitelijke vragen.
Zie het antwoord op vraag 4.
Het IGH-advies bevat geen expliciete definitie van de term kolonist («settler»), maar refereert aan kolonisten als bewoners van nederzettingen en buitenposten.
Het IGH-advies 2024 verwijst naar een rapport van de Hoge Commissaris van de Verenigde Naties voor de Mensenrechten, waarin staat dat per 2023 ongeveer 465.000 kolonisten zich in de Westelijke Jordaanoever bevonden en ongeveer 230.000 kolonisten in Oost-Jeruzalem.
Ja, zie het antwoord op vraag 7.
Zie het antwoord op vraag 4.
Zie het antwoord op vraag 4.
Het Israëlisch optreden in de bezette gebieden leidt er toe dat de gehele bezetting als zodanig onrechtmatig is. Daarnaast richt het Tijdelijk Sanctiebesluit zich op de mogelijke oorsprong van goederen, en niet op de al dan niet rechtmatige eigenaar van een bepaald stuk grond.
Zie het antwoord op vraag 11.
In het advies van het Internationaal Gerechtshof wordt het geldende internationaal recht uitgelegd en de verplichtingen die daaruit volgen. Wat het kabinet in de feitelijke vragen heeft willen reflecteren, is zijn positie dat de status van Jeruzalem onderdeel zal moeten zijn van een breed akkoord waarin de beide partijen hun veiligheid en identiteit gewaarborgd zien. Het kabinet benadrukt hierbij dat alle religieuze groepen, waaronder Joden, altijd welkom en veilig moeten zijn in heel Jeruzalem, Westelijke Jordaanoever en de Golanhoogvlakte. Zie ook het antwoord op vraag 4.
Nederland heeft de verplichting niet bij te dragen aan de door Israël gecreëerde onrechtmatige situatie in de bezette Gebieden. Het kabinet heeft echter een bepaalde beleidsvrijheid hoe het invulling geeft aan zijn internationaalrechtelijke verplichting. Het kabinet zal blijven wegen, mede gegeven de actuele situatie ter plaatse, hoe het exact invulling geeft aan die verplichting en hoe het dus omgaat met dit Tijdelijke Sanctiebesluit en andere maatregelen.
Zie het antwoord op vraag 14.
Zie het antwoord op vraag 4 en vraag 13.
Voor zover het producten betreft uit een postcodegebied dat op de EU-postcodelijst staat, inclusief de nederzettingen op de door Israël geannexeerde Golanhoogvlakte, valt dat product in beginsel onder de reikwijdte van dit besluit.
De vragen zijn zo spoedig mogelijk beantwoord.