Heeft u kennisgenomen van het bericht van Omroep Gelderland «Minister Yeşilgöz informeerde de Kamer verkeerd over incident tracker op marineschip»?1
Ja.
Klopt het dat de tracker van Omroep Gelderland nog aan boord was van de Zr.Ms. Evertsen terwijl het schip toen al klaar was met een oefening waarbij het verzenden van een AIS-signaal verplicht was?
Ja. Zoals gemeld aan uw Kamer (referentie 2026Z08829) op 23 april jl., is het schip vertrokken voor een oefening nadat de tracker, via post aan boord was gekomen bij het havenbezoek. Het automatic identification system (AIS) heeft gedurende de gehele oefening aangestaan, waardoor het schip te volgen was via openbare trackingwebsites. Het AIS is aan het einde van de oefening uitgezet, waarna het schip koers zette naar het operatiegebied. Het schip is vervolgens een korte periode zichtbaar geweest door de tracker terwijl het AIS was uitgeschakeld. Voordat het schip in het operatiegebied was, is de tracker aangetroffen en onbruikbaar gemaakt. Er is derhalve geen operationeel risico geweest.
Klopt het dat de tracker van Omroep Gelderland op zaterdagochtend 28 maart, toen het schip in de buurt van Cyprus was, nog niet was uitgeschakeld?
Zie antwoord vraag 2.
Had de Zr.Ms. Evertsen op zaterdagochtend 28 maart haar missie al hervat?
Zie antwoord vraag 2. Op 27 maart is de tracker via de militaire post aan boord gekomen. Op 28 maart heeft de bemanning de tracker aangetroffen en onbruikbaar gemaakt, voordat het schip haar missie hervatte.
Kunt u ons heel precies informeren wat de feiten zijn met betrekking tot de aanwezigheid van de tracker op het schip en hoe zich dit verhoudt tot de feiten gemeld door Omroep Gelderland op 21 april? Als u de Kamer onvolledig heeft geïnformeerd, of verkeerde informatie heeft gegeven, waarom is dat gebeurd?
Zie antwoord vraag 2 en vraag 4. Zoals ik uw Kamer meldde tijdens de plenaire afronding, was het operationele risico beperkt, mede doordat het AIS was ingeschakeld tijdens de oefening. Naar aanleiding van het artikel van Omroep Gelderland van 21 april jl., heb ik dit verduidelijkt in de brief die uw Kamer op 23 april jl. ontving.
Wanneer was u ervan op de hoogte dat verstrekte informatie niet klopte en waarom heeft u toen de Tweede Kamer niet geïnformeerd?
Zie antwoord vraag 2 en vraag 5. Ik heb de Kamer proactief op de hoogte gebracht tijdens de plenaire afronding van 16 april jl. Om onduidelijkheid te voorkomen heb ik naar aanleiding van het artikel van Omroep Gelderland van 21 april jl., en op verzoek van het lid Piri, op 23 april jl. uw Kamer opnieuw geïnformeerd.
Hoe beoordeelt u uw uitspraken dat de aanwezigheid van de tracker aan boord van het schip geen risico vormde voor het schip? Hoe verhoudt zich deze uitspraak met de aanwezigheid van de tracker op het moment dat het schip mogelijk haar werkelijke missie al had hervat?
Zie antwoord vraag 2 en vraag 4. Voordat het schip in het operatiegebied was, is de tracker aangetroffen en onbruikbaar gemaakt. Er is derhalve geen operationeel risico geweest.
Welke stappen hebt u ondernomen om te voorkomen dat kwaadwillenden de locatie van militaire schepen, landvoertuigen of militair materieel of personeel op missie kunnen achterhalen?
Zoals gemeld heeft Defensie haar richtlijnen aangepast om dergelijke post eerder te onderscheppen.
Bent u ervan op de hoogte dat Defensie meer informatie deelt over bijvoorbeeld het versturen van post aan defensiemedewerkers op marineschepen dan andere landen, bijvoorbeeld Duitsland, dat doen? Waarom kiest Nederland hiervoor en ziet u aanleiding om vanuit veiligheidsoverwegingen dit te wijzigen? Zo niet, waarom niet?
Zie antwoord vraag 8. Defensie hecht er aan dat het personeel op een veilige en verantwoorde wijze post kan ontvangen van het thuisfront. Het thuisfront is een essentiële steun voor onze militairen die vaak lang van huis zijn.
Waarom heeft u geen artikel 100-brief gestuurd met betrekking tot de missie van de Zr.Ms. De Ruyter?
Op 17 februari 2026 is uw Kamer door mij en de Minister van Buitenlandse Zaken middels een Kamerbrief geïnformeerd over de beoogde maritieme presentie van Zr.Ms. De Ruyter in de Indo-Pacific (Kenmerk 29 521, nr. 504).
Gedurende de reis levert Zr.Ms. De Ruyter associated support aan een aantal operaties wanneer het door de betreffende operatiegebieden vaart. Dit betekent dat het schip waarnemingen deelt met deze operaties, maar niet onder de bevelsstructuur valt.
Hoe verschilt de missie van de Zr.Ms. De Ruyter van de missie van de Zr.Ms. Karel Doorman begin 2024 waarbij associated support wel genoeg reden gaf voor een artikel 100-brief?
Onderweg naar de Indo-Pacific passeert Zr.Ms. De Ruyter de Rode Zee. Gedurende deze doorvaart zal het schip associated support leveren aan de EU-operatie Aspides.
In 2024 is Zr.Ms. Karel Doorman ingezet binnen Aspides. Het schip heeft destijds voor een periode van vier maanden gezorgd voor logistieke ondersteuning en medische capaciteit in direct support van de operatie. Daarnaast heeft het schip gefungeerd als vlaggenschip van de operatie. Gelijktijdig heeft het schip associated support geboden aan de VS-geleide Operatie Prosperity Guardian. Omdat Zr.Ms. Karel Doorman middels direct support voor een langere periode heeft bijgedragen aan Aspides is de Kamer destijds conform het artikel 100 Toetsingskader 2014 geïnformeerd.
Bent u bereid om heel zorgvuldig te kijken naar missies van Defensie en als er twijfel is of een missie in aanmerking komt voor een artikel 100-procedure, deze procedure wel te volgen in plaats van dit niet te doen?
Het kabinet hecht eraan de Kamer zorgvuldig en tijdig te informeren over de inzet van de krijgsmacht ter handhaving of bevordering van de internationale rechtsorde conform artikel 100 van de Grondwet. Het Toetsingskader 2014 wordt daarbij toegepast en is nadrukkelijk bedoeld voor de besluitvorming van de regering en het overleg daarover met het parlement als het gaat om uitzending van militaire eenheden die in de uitoefening van hun taak wellicht ook wapengeweld moeten toepassen of het risico lopen daaraan te worden blootgesteld. Indien dat het geval is wordt de Kamer conform het toetsingskader geïnformeerd.
Het bericht dat de eigenaar van Ticketmaster schuldig is bevonden aan monopolie en te hoge prijzen voor concerten |
|
Jan Schoonis (D66) |
|
Herbert |
|
|
|
|
Bent u bekend met het bericht «Eigenaar Ticketmaster schuldig aan monopolie en te hoge prijzen voor concerten in VS»?1
Ja, ik ben bekend met de berichtgeving over het betreffende jury-oordeel in deze rechtszaak in de Verenigde Staten tegen het bedrijf Live Nation, dat onder andere eigenaar is van Ticketmaster.
Herkent u dat dezelfde combinatie van ticketverkoop, concertpromotie en afspraken met zalen ook in Nederland grotendeels via dit ene concern verloopt?
Het concern Live Nation is ook in Nederland op verschillende aanverwante markten een belangrijke speler, onder meer via dochterbedrijven Ticketmaster en Mojo Concerts. Dat neemt niet weg dat de marktstructuur en concurrentiedruk in Nederland en Europa anders is dan in de Verenigde Staten.
Er zijn in Nederland bijvoorbeeld ook andere partijen actief die toegangskaarten voor concerten, festivals en andere evenementen verkopen, evenementen initiëren en promotie verzorgen. Zalen, poppodia en festivals in Nederland kunnen daarmee in beginsel kiezen uit verschillende bedrijven die namens de organisatie de kaartverkoop verzorgen. Daarnaast kent Nederland een andere opzet van het podia- en zaalaanbod, met een sterke inbedding in het lokale en regionale cultuuraanbod. De conclusies in de Amerikaanse rechtszaak zijn dan ook niet één-op-één toepasbaar op de situatie in Nederland.
Krijgt u signalen van consumenten, kleinere zalen en onafhankelijke promotors over prijzen, service fees en voorwaarden bij Ticketmaster?
Het kabinet is niet bekend met signalen van consumenten en kleinere zalen over prijzen, service fees en voorwaarden bij Ticketmaster. De Autoriteit Consument en Markt (ACM) doet in de regel geen mededelingen over signalen die zien op de naleving van de consumenten- en mededingingsregels door individuele partijen. Ten aanzien van Ticketmaster ontvangt de ACM maandelijks slechts enkele signalen over uiteenlopende onderwerpen met betrekking tot de (door)verkoop van toegangskaarten, bijvoorbeeld over het herroepingsrecht. Echter die signalen duiden niet op een achterliggend collectief consumentenprobleem.
TicketSwap heeft bij de ACM in 2023 een handhavingsverzoek ingediend, omdat Ticketmaster de doorverkoopmogelijkheden van mobiele tickets zou beperken. De ACM heeft de gedragingen van Ticketmaster onderzocht en een aantal mededingingsrisico’s geïdentificeerd. Ticketmaster heeft aan de ACM toezeggingen gedaan om aan deze risico’s tegemoet te komen. Hiervoor verwijs ik verder naar het antwoord op vraag 6.
Bent u bereid de New Competition Tool zo vorm te geven dat deze ook kan worden ingezet tegen structurele marktmacht in verticaal geïntegreerde markten zoals ticketing, zonder dat er een recente fusie nodig is?
Het doel van een nieuwe marktremediebevoegdheid (MRB; oftewel: New Competition Tool) voor de ACM is dat hiermee structurele concurrentieverstoringen in markten gerichtkunnen worden geadresseerd. Uitgangspunt bij de verdere vormgeving van deze bevoegdheid is dat concurrentieverstoringen als gevolg van toegenomen marktconcentraties of marktmacht onder de reikwijdte kunnen vallen. Gedacht moet worden aan concurrentieverstoringen waarbij geen sprake is van een overtreding van de Mededingingswet.
Met een MRB kan de ACM gericht onderzoek doen naar dergelijke concurrentieverstoringen en tijdelijke maatregelen (remedies) opleggen of aan de wetgever adviseren die specifiek gericht zijn op het geconstateerde marktfalen. Indien concurrentieverstoringen in de ticketing markt worden geconstateerd, kan de MRB worden ingezet om maatregelen te nemen in deze markt. Hiervoor is een recente fusie geen vereiste.
Wat vindt u van dynamic pricing en service fees die pas aan het einde van het bestelproces zichtbaar worden? Zijn de huidige consumentenregels hier toereikend, en worden ze in de praktijk nageleefd?
Een verkoopprijs moet onder het consumentrecht aan het begin van het bestelproces reeds worden vermeld inclusief onvermijdbare bijkomende kosten zoals servicekosten. Als de onvermijdbare bijkomende kosten vast zijn, moeten ze in de verkoopprijs zijn verwerkt. Als de onvermijdbare bijkomende kosten variabel zijn, dan moeten ze bij de verkoopprijs worden vermeld.
Dynamische beprijzing, waarbij de ticketprijs fluctueert, is in opkomst bij de verkoop van toegangskaarten. In andere markten, zoals bij hotels, vliegtickets en taxi’s is dit al langer gebruikelijk.2 Het is primair aan organisatoren en artiesten om hier bij de verkoop van toegangskaarten zelf afwegingen in te maken. In het kader van de aankomende Digital Fairness Act wordt door de Europese Commissie een maatregel overwogen rondom dynamische beprijzing van tickets. Op basis van deze mogelijke maatregel zouden ticketverkopers verplicht kunnen worden om transparant te zijn over hoeveel tickets er beschikbaar zijn voor de startprijs en/of de huidige prijs weer te geven op het moment dat consumenten in de virtuele wachtrij staan. Ik sta positief tegenover deze mogelijke maatregel. Het voorstel van de Europese Commissie voor de Digital Fairness Act wordt in Q4 van dit jaar verwacht.
Welke bestaande bevoegdheden – artikel 24 Mededingingswet, (Europese) mededingings- en consumentenregels – kunt u nu al inzetten, vooruitlopend op nieuwe wetgeving?
De Autoriteit Consument en Markt (ACM) kan op grond van haar bestaande bevoegdheden onderzoek doen en handhavend optreden als sprake is van een overtreding van de mededingings- of consumentenregels. Zo kan de ACM besluiten tot een onderzoek naar misbruik van een economische machtspositie. ACM is hierin onafhankelijk en bepaalt haar eigen prioriteiten.
In 2024 heeft de ACM een toezeggingsbesluit genomen over Ticketmaster om mededingingsrisico’s weg te nemen bij de doorverkoop van tickets. De ACM had onderzoek gedaan naar de voorwaarden van Ticketmaster bij de doorverkoop van mobiele tickets. Ticketmaster heeft in dat kader toegezegd dat consumenten die hun mobiele Ticketmaster-tickets willen doorverkopen dat kunnen blijven doen buiten het platform van Ticketmaster. Onlangs heeft de Rechtbank Rotterdam naar aanleiding van een handhavingsverzoek van het bedrijf Ticketswap besloten om het besluit van de ACM volledig in stand te laten.3
Op dit moment zie ik zelf geen reden tot aanvullend (wetgevend) ingrijpen in de markt voor ticketing.
Zet u zich in Brussel in voor een Europese aanpak van marktmacht in de ticketingsector?
De Europese mededingingsregels bieden in beginsel een afdoende kader om misbruik van marktmacht op Europees niveau tegen te gaan. Voor wat betreft de problematiek rond woekerhandel bij de (door)verkoop van tickets heeft het kabinet in 2025 aangegeven eventuele toekomstige Europese initiatieven voor een effectieve aanpak voor de gehele EU te zullen steunen.
In het kader van het eerder vermelde voorstel voor een Digital Fairness Act (verwacht in Q4 2026) wordt door de Europese Commissie een maatregel overwogen op basis waarvan professionele doorverkoop van tickets voor winst verboden zou worden. Nederland heeft aangegeven een positieve grondhouding te hebben ten aanzien van deze beleidsoptie en aandacht gevraagd de handhaafbaarheid hiervan. Sommige partijen die tickets professioneel doorverkopen zijn namelijk buiten de EU gevestigd.
Kunt u de Kamer vóór het zomerreces informeren over de voortgang van de call-in bevoegdheid en NCT, gesprekken met de ACM over ticketing, en de Nederlandse inzet in Europa?
Voor wat betreft de Nederlandse markt voor (door)verkoop van toegangskaarten is de Kamer laatst bij brief van 27 maart 20254 geïnformeerd dat uit gesprekken met ACM en stakeholders naar voren kwam dat de markt zich snel ontwikkelt en innoveert en dat daarbij geen van de belanghebbenden een verbod op doorverkoop wil. Zodra er ontwikkelingen zijn met betrekking tot doorverrkoop in Europa, zal ik uw Kamer daarover informeren.
Momenteel werk ik aan de voorbereiding van een conceptwetsvoorstel ter invoering van een marktremediebevoegdheid. In het commissiedebat marktordening en consumentenbescherming van 19 maart jl. heb ik toegezegd om in het najaar met een internetconsultatie te willen starten en uw Kamer voorafgaand nader te informeren. Eerder vind ik gelet op de nog te maken beleidskeuzes en te melden voortgang niet opportuun.
Voor de call-in bevoegdheid heeft het Kamerlid Bushoff (PRO) op 16 april jl. een initiatiefwetsvoorstel bij uw Kamer ingediend.5 Ik heb uw Kamer aangegeven hier in beginsel positief tegenover te staan. Wanneer het initiatiefwetsvoorstel in uw Kamer wordt behandeld, zal ik daar namens het kabinet op reageren.
Het afschaffen van het laag btw-tarief op sierteelt |
|
Maarten Goudzwaard (JA21) |
|
Eerenberg |
|
|
|
|
Kunt u duidelijkheid scheppen in de ramingsmethodiek achter de begrote jaarlijkse btw-opbrengst van 328 miljoen euro van het afschaffen van het laag btw-tarief op sierteelt?
De basis voor deze raming zijn de btw-bestanden van het CBS, waarin de bestedingen van huishoudens en vrijgestelde sectoren zijn ingedeeld in tariefgroepen. Hierin is gekeken naar de bestedingen aan sierteelt, waarvan een uitsplitsing beschikbaar is. De meest recente cijfers zijn van 2024 en er is aangenomen dat de btw op sierteeltproducten meegroeit met de algehele geraamde btw-opbrengsten. Conform de ramingsafspraken met het CPB worden bij btw-tariefswijzigingen in de ex-ante beleidsraming geen expliciete gedragseffecten meegenomen in de raming.1 De achterliggende gedachte hierbij is dat indien consumenten uitwijken naar substituten binnen consumptieve bestedingen, deze eveneens btw-belast zijn, waardoor er per saldo geen substantieel effect op de btw-grondslag wordt verwacht. Het ramingsmemo wordt momenteel voorgelegd aan het CPB, welke de ramingen valideert.
Bent u bekend met het WUR-rapport doorrekening effecten van btw-verhoging op sierteeltproducten in Nederland en de Europese Unie (2023-120)?
Ja. Over dit rapport is reeds op ambtelijk niveau gesproken met de WUR.
Hoe verklaart u het verschil tussen de maximale netto btw-opbrengst van 159 miljoen euro volgens het WUR-rapport en de begrote 328 miljoen euro volgens de Voorjaarsnota?
Er zijn met name twee redenen dat de raming van de maatregel in de Voorjaarsnota (€ 328 miljoen) afwijkt van de geraamde netto btw-opbrengst uit het WUR-rapport (€ 159 miljoen). Ten eerste worden conform de ramingsafspraken met het CPB bij btw-tariefswijzigingen in de ex-ante beleidsraming geen expliciete gedragseffecten meegenomen in de raming terwijl bij de inschatting van de WUR raming het gedragseffect van consumenten wel is meegenomen. Dat verklaart ongeveer twee derde van het verschil tussen de ramingen. De achterliggende gedachte om geen gedragseffect mee te nemen, is dat indien consumenten uitwijken naar substituten in de vorm van andere consumptieve bestedingen, deze eveneens btw-belast zijn, waardoor er per saldo geen substantieel effect op de btw-grondslag wordt verwacht. Ten tweede maken bredere economische effecten, zoals mogelijk verlies van banen, geen onderdeel uit van de raming van het directe effect van een beleidsmaatregel terwijl deze in het WUR-rapport wel worden meegenomen. Dit verklaart ongeveer een derde van het verschil en uit zich bijvoorbeeld in de effecten op sociale zekerheid en andere belastinginkomsten. De reden hiervoor is dat dit soort doorwerkingen zeer onzeker en lastig toe te rekenen zijn aan een specifieke maatregel. Bovendien kunnen uitgaven (en werkgelegenheid) verschuiven, waardoor elders de belastingopbrengsten worden gecompenseerd. Tot slot vinden tegelijkertijd allerlei andere (economische) ontwikkelingen plaats die de belastingontvangsten beïnvloeden, zoals de effecten van hogere inflatie op consumptie. Al deze bredere economische effecten worden meegenomen in de doorrekening door het CPB van de macro-economische ontwikkelingen, waarbij het CPB kijkt naar de effecten van beleid op de totale prijzen, consumptie en inkomens. Op deze CPB doorrekening worden de ramingen van de belastingontvangsten (waaronder die van de btw) zoals terug te vinden in de begrotingsstukken weer gebaseerd. Zo maken deze effecten uiteindelijk wel degelijk onderdeel uit van de inschattingen van het EMU-saldo.
In hoeverre zijn de financiële gevolgen van het mogelijke verlies van 2.440 voltijdbanen, waaronder extra uitgaven aan sociale zekerheid en lagere belastinginkomsten uit arbeid, volgens het WUR-rapport meegenomen in de Voorjaarsnota?
Zie antwoord vraag 3.
Het verlaagde btw-tarief is onder andere ingevoerd om bloemen en planten betaalbaar te maken en werkgelegenheid te stimuleren: hoe verhoudt het besluit van het kabinet zich tot deze voormalige doelstelling?
Uit de evaluatie van de verlaagde btw-tarieven van Dialogic (2023) volgt dat het verlaagde btw-tarief op sierteeltproducten doeltreffend is op de hierboven genoemde beleidsdoelen, maar dat dit een ondoelmatig instrument is. Zo komt het fiscale voordeel niet specifiek terecht bij lagere inkomensgroepen en is het bestedingsaandeel aan sierteeltproducten per inkomensgroep vergelijkbaar. Hierdoor profiteren hogere inkomens in absolute zin het meest van dit verlaagde btw-tarief. Ten aanzien van het creëren van werkgelegenheid geldt dat de kosten volgens de onderzoekers € 70.000 tot € 100.000 per voltijdsbaan bedragen, méér dan het inkomen dat doorgaans aan deze baan gekoppeld is.
Daarnaast geven onderzoekers aan dat onduidelijk is waarom doelen ten aanzien van omzet en werkgelegenheid specifiek fiscaal voor deze sector moeten worden nagestreefd.
Heeft u onderzocht of deze maatregel per saldo contraproductief kan uitpakken voor de belastingopbrengst, indien de vraaguitval groter blijkt dan geraamd?
Er is geen specifiek onderzoek gedaan naar benoemd effect bij een grotere vraaguitval. Bij btw-tariefswijzigingen worden zoals toegelicht hierboven in de raming geen gedragseffecten meegenomen voor het bepalen van de (directe) opbrengst van een maatregel. Deze maatregel is wel meegenomen in de analyse van het coalitieakkoord door het CPB.
Welke meer doelmatige alternatieven heeft u overwogen alvorens te kiezen voor afschaffing van het verlaagde btw-tarief op sierteelt?
Het kabinet heeft breder gekeken naar negatief geëvalueerde fiscale regelingen om een deel van de financieringsopgave te vullen en heeft er voor gekozen om het verlaagde btw-tarief op sierteelt af te schaffen. Deze maatregel is doelmatig omdat de belastingopbrengsten worden verhoogd en tegelijkertijd een ondoelmatige fiscale regeling wordt afgeschaft.
Welke lessen trekt u uit Spanje, waar een vergelijkbare btw-verhoging op sierteelt in 2012 één van de oorzaken was van een omzetdaling van ruim 25 procent en aanzienlijke bedrijfssluitingen, waarna de maatregel weer is teruggedraaid?
Het kabinet erkent dat het afschaffen van een verlaagd btw-tarief waarschijnlijk zal leiden tot een omzetdaling, met name in de detailhandel. De verwachting is echter dat het effect in Nederland minder sterk zal zijn dan destijds in Spanje. Hiervoor zijn een aantal redenen. De maatregel is in Spanje in 2012 ingevoerd ten tijde van de financiële en economische crisis2. Voorafgaand aan deze btw-verhoging nam de binnenlandse vraag naar bloemen en planten al sterk af door de economische situatie, waarin meerdere bezuinigingen werden doorgevoerd en Spanje een relatief hoog werkloosheidspercentage had. De btw-verhoging heeft de afname in de vraag naar bloemen en planten in Spanje waarschijnlijk verder versterkt. Daarnaast wordt in Spanje een groter deel van de omzet door binnenlandse consumptie bepaald, terwijl in Nederland circa 80%-85% van de sierteeltsector gericht is op de export. Bij export is in Nederland geen btw verschuldigd en wordt (in lijn met de btw-richtlijn) het btw-nultarief toegepast. De afnemer is hierover dan in zijn lidstaat btw verschuldigd tegen het aldaar geldende btw-tarief.
Bent u bereid de ramingen te actualiseren, waarbij op onderzoek gebaseerde prijselasticiteiten expliciet worden meegenomen en deze voordat verdere besluitvorming plaatsvindt aan de Kamer te sturen?
De raming is recent geactualiseerd op basis van het CEP 2026. Conform de ramingsafspraken met het CPB worden bij btw-tariefswijzigingen in de ex-ante beleidsraming geen expliciete gedragseffecten, en daarmee prijselasticiteiten, meegenomen in de raming. Bredere economische effecten van beleid worden doorgerekend door het CPB, het Ministerie van Financiën baseert de begrotingstukken daar vervolgens weer op.
Kunt u toelichten hoe de maatregel zich verhoudt tot het doel van vergroening van stedelijk gebied en de publieke ruimte?
Dit kabinet vindt vergroening belangrijk. Het stimuleren van vergroening van stedelijk gebied en de publieke ruimte is echter niet voorbehouden aan het hanteren van een verlaagd btw-tarief. Uit de evaluatie van verlaagde tarieven in 20233 blijkt dat een generieke btw-verlaging in algemene zin geen doelmatig instrument is om specifieke beleidsdoelen (zoals vergroening) te realiseren. Een groot aantal gemeenten, provincies en waterschappen bieden reeds gerichte subsidies aan om vergroeningsmaatregelen te nemen. Specifiek voor de vergroening van de publieke ruimte geldt daarnaast dat voor gemeentes en provincies btw-uitgaven voor openbaar groen onder het btw-compensatiefonds compensabel zijn. Dit betekent dat het overbrengen van sierteelt naar het algemene btw-tarief voor gemeentes en provincies niet tot een hogere btw-last leidt.
De verkoop van niet-preferente geneesmiddelen |
|
Julian Bushoff (PvdA) |
|
Sophie Hermans (VVD) |
|
|
|
|
Op welke wettelijke bepaling, regelgeving of contractuele afspraak baseerde u uw uitspraak tijdens het commissiedebat Eerstelijnszorg op 1 april 2026 dat apotheken gedurende zes weken een niet-preferent middel mogen blijven afleveren nadat het preferente middel na een tekort weer beschikbaar is?
Wat zijn de huidige regels en wettelijke bepalingen voor de vergoedingen en verstrekkingen van geneesmiddelen binnen het preferentiebeleid?
Wat zijn daarbij specifiek de regels voor verkoop en vergoedingen wanneer preferente middelen na een periode van tekorten weer leverbaar zijn? Wat betekent dit voor de verkoop en vergoedingen van niet-preferente middelen?
Klopt het dat niet-preferente middelen niet meer verstrekt mogen worden wanneer het preferente middel weer beschikbaar is of slechts tegen de laagste prijsgarantie (LPG) worden vergoed?
Klopt het dat aflevering van niet-preferentie middelen negatief meetelt in de preferentiegraad van apotheken en invloed heeft op de contractonderhandelingen voor het volgende jaar?
Klopt het dat de enige coulanceregelingen rondom het preferentiebeleid gelden rondom de jaarwisseling en bij geplande grote preferentiewissels, en dat dit slechts bij een beperkt aantal zorgverzekeraars geldt?
Deelt u de opvatting dat dit beleid leidt tot medicijnenverspilling in tijden van schaarste en financiële risico’s voor apothekers, die niet-preferente middelen op de plank (moeten) laten liggen?
Deelt u de mening dat de huidige situatie meer ruimte vraagt om de risico’s en verspilling aan te pakken?
Hoe kijkt u naar de mogelijkheid om apotheken bij de (terug)komst van een preferent aangewezen geneesmiddel meer tijd te geven om de bestaande voorraad van het niet-preferente middel uit te verkopen? Hoe beziet u hierbij de mogelijkheid tot het invoeren van een uitverkooptermijn van niet-preferente middelen na een tekortperiode?
Het bericht dat steeds meer dak- en thuisloze kinderen in de klas zitten als gevolg van woningnood |
|
Nicole Moinat (PVV), René Claassen (PVV) |
|
Judith Tielen (VVD), Sophie Hermans (VVD) |
|
|
|
|
Bent u bekend met het bericht dat leraren steeds vaker dak- en thuisloze kinderen in de klas zien en dat scholen hiervoor steeds vaker hulp moeten inschakelen?1
Deelt u de constatering dat woningnood directe en ernstige gevolgen heeft voor de ontwikkeling en onderwijskansen van kinderen? Zo ja, hoe beoordeelt u deze ontwikkeling?
Hoeveel minderjarige kinderen in Nederland verkeren momenteel in een situatie van dak- of thuisloosheid? Kunt u deze cijfers uitsplitsen naar leeftijd, regio en type onderwijsdeelname?
In hoeverre is er zicht op «verborgen dakloosheid», zoals kinderen die tijdelijk bij familie of kennissen verblijven? Acht u de huidige registratie toereikend?
Welke ondersteuning ontvangen scholen momenteel om deze kwetsbare groep leerlingen te begeleiden, zowel op sociaal als medisch vlak?
Deelt u de opvatting dat het niet de kerntaak van het onderwijs is om structurele maatschappelijke problemen zoals dakloosheid op te vangen? Zo ja, hoe voorkomt u dat deze verantwoordelijkheid alsnog bij scholen terechtkomt?
Welke rol spelen jeugdzorg, gemeenten en de publieke gezondheidszorg bij de ondersteuning van deze kinderen, en is deze inzet naar uw oordeel voldoende?
Hoe wordt voorkomen dat deze kinderen onderwijsachterstanden oplopen als gevolg van instabiele woonomstandigheden, stress en verzuim?
Hoeveel gezinnen met minderjarige kinderen vallen momenteel buiten de reguliere opvang of hulpverlening, en wat zijn daarvan de oorzaken?
Welke concrete maatregelen neemt u om dakloosheid onder minderjarigen terug te dringen en verdere toename te voorkomen?
Het bericht 'COA mag pendelbus asielboot niet stopzetten en gaat in gesprek met gemeente over toekomst' |
|
Jeltje Straatman (CDA) |
|
Bart van den Brink (CDA) |
|
|
|
|
Bent u bekend met het bericht «COA mag pendelbus asielboot niet stopzetten en gaat in gesprek met gemeente over toekomst»?1
Klopt het dat er op dit moment nog een pendelbus rijdt van en naar de asielopvanglocatie MS Galaxy en dat deze vanaf mei wordt geschrapt?
Klopt het dat de pendelbus oorspronkelijk was bedoeld voor naar school gaande kinderen, maar dat deze doelgroep inmiddels niet meer woont op het asielschip?
Kunt u inzichtelijk maken in welke mate momenteel gebruik wordt gemaakt van de pendelbus?
Hoe is de financiering van de pendelbus opgebouwd en hoeveel kost deze bus per maand? Betaalt het Rijk mee aan deze pendelbus?
Kunt u aangeven wat het standpunt van de gemeente Amsterdam betekent voor de (toekomst van de) opvangplekken op de opvanglocatie, nu de gemeente tegen het Centraal Orgaan opvang asielzoekers (COA) heeft gezegd dat de pendelbus behouden moet blijven?
Kunt u uiteenzetten welke juridische verplichtingen bestaan om de bereikbaarheid van een opvanglocatie te borgen en in hoeverre die verplichtingen noodzakelijkerwijs neerkomen op een aparte pendelbus in plaats van regulier Openbaar Vervoer (OV) of andere voorzieningen?
Bent u het eens met de stelling dat alleen in uitzonderlijke gevallen pendelbussen ingezet moeten worden en dat zoveel als mogelijk voor asielzoekers dezelfde voorzieningen moeten gelden als voor Nederlanders?
De illegale kleding inzamelaars |
|
Ani Zalinyan (GroenLinks-PvdA) |
|
Stientje van Veldhoven (D66) |
|
|
|
|
Bent u op de hoogte van het bericht «Inspectie opent jacht op illegale kledinginzamelaars: celstraf tot 4 jaar mogelijk»?1
Ja.
Hoe groot schat u de omvang van illegale kledinginzameling in Nederland op dit moment en kunt u schetsen hoe dit er praktisch uit ziet?
Er zijn bij het ministerie geen cijfers of schattingen bekend over de omvang van illegale kledinginzameling in Nederland. Op basis van de Massabalans textiel 2022 is bekend dat het overgrote deel van het textiel wordt ingezameld via de gemeentelijke containers en kringloopbedrijven. Een veel kleiner gedeelte textiel wordt ingeleverd via andere inzamelingskanalen. Er is sprake van illegale inzameling wanneer kledingbakken zonder vergunning of zonder contract met de gemeente in de openbare ruimte worden geplaatst. Textielstromen die via illegale textielinzameling worden ingeleverd, worden niet geregistreerd en vallen daarmee mogelijk deels of volledig buiten de huidige monitoringscijfers. Een schatting over de omvang van illegale kledinginzameling in Nederland valt op dit moment niet te maken. Daarvoor zou meer informatie bekend moeten zijn van gemeenten.
Welke vormen van fraude, misleiding of andere strafbare feiten komen bij illegale kledinginzameling het meest voor?
Het Rijk heeft geen inzicht in de strafbare feiten die bij illegale kledinginzameling het meest voorkomen omdat het primair een taak is van gemeenten om op te treden tegen illegale textielcontainers.
Wel houdt de Inspectie Leefomgeving en Transport (ILT) toezicht op de EVOA. De Europese Verordening Overbrenging Afvalstoffen (EVOA) heeft tot doel om de illegale transporten van afval van, door en naar Nederland te voorkomen. Textiel dat wordt afgedankt door eindgebruikers is afval, en de overbrenging van afgedankt textiel moet voldoen aan de EVOA. Dit kan bijvoorbeeld betekenen dat een vergunning verplicht is. Een dergelijke vergunning wordt door betrokken illegale partijen waarschijnlijk niet altijd aangevraagd. Als ongesorteerd ingezameld textiel zonder de vereiste vergunning de grens wordt overgebracht, is er sprake van een economisch delict. Over het aantal delicten hebben we op dit moment geen cijfers.
Hoe vaak is de afgelopen vijf jaar bestuursrechtelijk of strafrechtelijk opgetreden tegen illegale kledinginzamelaars, en hoeveel zaken hebben geleid tot boetes, dwangsommen, veroordelingen of gevangenisstraffen?
Het is niet bekend bij het ministerie of en hoe vaak er de afgelopen vijf jaar bestuursrechtelijk of strafrechtelijk is opgetreden. Het is de verantwoordelijkheid van gemeenten om op te treden tegen illegale textielcontainers.
In hoeverre worden gemeenten momenteel voldoende ondersteund bij het herkennen en tegengaan van malafide kledinginzamelingspraktijken?
Gemeenten worden vanuit het Rijk in het algemeen ondersteund bij het maken van doelmatig afvalbeheerbeleid via het uitvoeringsprogramma Van Afval Naar Grondstof – Huishoudelijk Afval (VANG-HHA). Binnen dit uitvoeringsprogramma werkt het Rijk samen met gemeenten en inzamelaars om gemeenten onder andere te voorzien van advies op maat, kennisproducten en netwerken. In het werkplan voor het jaar 2026 is ook aandacht voor het onderwerp illegale textielinzameling.
Gemeenten zijn verantwoordelijk voor de gescheiden inzameling van huishoudelijke afvalstoffen, waaronder textiel. Organisaties die textiel inzamelen in de publieke ruimte hebben hiervoor toestemming nodig van de gemeente. Het is aan de desbetreffende gemeente om op te treden tegen organisaties die inzamelen zonder toestemming. Om de problematiek van illegale textielcontainers aan te pakken, heeft de Koninklijke Nederlandse Vereniging voor afval- en Reinigingsdiensten (de NVRD) een stappenplan voor de handhaving ontwikkeld. Het doel is om gemeenten te helpen om de illegale textielinzameling beter te reguleren en deze waardevolle textielstroom te beschermen.
Klopt het dat illegale inzamelaars niet alleen consumenten misleiden, maar ook bonafide goede doelen, kringlooporganisaties en gecertificeerde textielinzamelaars financieel benadelen? Zo ja, kunt u dit nader toelichten?
Het is de verwachting dat kringlopen en gecertificeerde textielinzamelaars mogelijk financieel nadeel ondervinden wanneer illegale textielinzamelaars textiel inzamelen dat anders bij hen terecht zou zijn gekomen. Zeker wanneer het goede kwaliteit textiel betreft dat nog geschikt is voor hergebruik. Aan deze stroom kan namelijk nog geld verdiend worden.
Welke gevolgen heeft illegale kledinginzameling voor de circulaire economie, textielrecycling en het behalen van nationale duurzaamheidsdoelen?
De verwachting is dat illegale inzameling nadelige gevolgen kan hebben voor het behalen van de doelen ten aanzien van inzameling, hergebruik en recycling. Op basis van informatie van de NVRD blijkt dat er vermoedens zijn dat illegaal ingezamelde kleding niet goed wordt hergebruikt of gerecycled, of gedumpt wordt. Omdat dit zich in het illegale circuit afspeelt, is het lastig te achterhalen wat er exact met deze stromen gebeurt en wat de effecten hiervan zijn.
Welke mogelijkheden ziet u om de vergunningverlening, registratieplicht of certificering van kledinginzamelaars landelijk te versterken, zodat malafide partijen minder ruimte krijgen?
Het is de vraag of het aanscherpen van vergunningverlening, registratieplicht of certificering zou helpen om de illegale inzamelaars aan te pakken. Illegale inzamelaars opereren op dit moment al buiten de wettelijke kaders en zullen dat blijven doen wanneer er aanscherpingen volgen. Het aanscherpen van de bestaande kaders zal dan vooral tot extra regeldruk leiden voor partijen die zich wel aan de bestaande regels houden. Het versterken van de bestaande wettelijke kaders lijkt daarom geen passende oplossing.
In eerste instantie ligt het initiatief bij gemeenten om illegale containers aan te pakken. Het Rijk blijft hierover in gesprek met gemeenten via het VANG-programma. Eventuele signalen van gemeenten over de noodzaak voor een nationale aanpak, komen via die weg bij het ministerie terecht. De eerste stap voor gemeenten is nu om de problematiek beter in beeld te krijgen.
Bent u bereid te onderzoeken of consumenten beter geïnformeerd kunnen worden over hoe zij betrouwbare kledinginzamelaars kunnen herkennen, bijvoorbeeld, heel simpel, via een kernmerk op containers?
Hier loopt al een onderzoek naar. Met een regionale pilot naar illegale textielinzameling, waar de ILT onderdeel van is, wordt onder andere verkend hoe consumenten geïnformeerd kunnen worden over hoe ze betrouwbare textielbakken kunnen herkennen. Daarnaast zijn producenten sinds de invoering van uitgebreide producentenverantwoordelijkheid (UPV) voor textiel verantwoordelijk voor de organisatie en financiering van een passend inzamelingsysteem. Onder deze verantwoordelijkheid valt ook het informeren van burgers over waar en hoe textiel ingeleverd kan worden.
Welke aanvullende maatregelen overweegt het kabinet om illegale kledinginzameling structureel terug te dringen, en wanneer kunt u de kamer hierover informeren?
Het kabinet overweegt geen aanvullende maatregelen anders dan de eerder genoemde lopende activiteiten, waaronder de regionale pilot naar illegale textielinzameling, ondersteuning via het VANG-HHA programma en handhaving door de ILT van de EVOA.
Het Dorus Rijkersplein in Egmond aan Zee |
|
Sandra Beckerman (SP) |
|
Boekholt-O’Sullivan |
|
|
|
|
Bent u bekend met de situatie van de bewoners van de flat Dorus Rijkersplein in Egmond aan Zee, die door woningcorporatie Kennemerwonen worden geconfronteerd met een plotselinge omslag van renovatieplannen naar sloopplannen?
Ik ben bekend met de situatie van enkele complexen aan het Dorus Rijkersplein in Egmond aan Zee waarbij woningcorporatie Kennemer Wonen overweegt deze te slopen of te renoveren.
Kunt u bevestigen dat Kennemerwonen tot en met januari 2025 heeft gesproken en geschreven over verbetering, duurzaamheidswerkzaamheden en renovatie, en dat in mei 2025 plotseling sloop als enige optie op tafel is gelegd, terwijl er geen aantoonbare nieuwe feiten zijn die deze radicale koerswijziging rechtvaardigen?
Dit kan ik niet bevestigen. Ik heb na contact met Aedes begrepen dat er nog geen beslissing is genomen over sloop en vervangende nieuwbouw of renovatie. Kennemer Wonen heeft aangegeven de opties voor sloop en vervangende nieuwbouw of renovatie nog te zullen onderzoeken. Ik ga ervanuit dat elke woningcorporatie, en in dit geval Kennemer Wonen, alvorens zij tot de beslissing komt tot slopen of renovatie onderbouwd een afweging maakt.
Erkent u dat het onacceptabel is dat woningcorporaties bewoners jarenlang een renovatieperspectief bieden, om vervolgens zonder gedegen participatieproces over te gaan op sloop?
Het moeten verlaten van je woning voor sloop en nieuwbouw is voor bewoners heel ingrijpend. Een tijdige en duidelijke communicatie over de voornemens is daarom essentieel om ook bewoners zo goed mogelijk mee te nemen in een afweging. Hiervoor is door Aedes en de Woonbond in 2024 het Nationaal sloop- en renovatiestatuut opgesteld. Hiermee wordt het belang van vroegtijdige betrokkenheid van bewoners erkend en gewaarborgd. In dit geval begrijp ik dat er nog geen besluit is genomen.
Deelt u de mening dat dit een sloopoverval is die bewoners in grote onzekerheid en stress achterlaat, zoals ook de Nationale ombudsman heeft gesignaleerd in zijn rapport uit 2024?1
Zie antwoord vraag 3.
Erkent u dat het onbegrijpelijk is om toch voor sloop te kiezen, terwijl Kennemerwonen zelf heeft verklaard dat de bouwkundige staat van het gebouw redelijk is en bouwkundigen de geconstateerde gebreken beschouwen als herstelbaar binnen regulier groot onderhoud? Erkent u dat dit patroon structureel voorkomt bij Nederlandse woningcorporaties?
Het is in beginsel aan woningcorporaties om, met alle betrokken partners op lokaal niveau, te bepalen wat in een specifieke situatie de beste optie is. Er wordt hierbij van woningcorporaties verwacht dat zij, in overleg met die partners, bij het realiseren van de opgave alle belangen zorgvuldig tegen elkaar afwegen: van bewoners, maar ook van toekomstige huurders, de leefbaarheid in de wijk, het gemeentelijk beleid, de eigen portefeuillestrategie en de financiële consequenties. Ik heb geen signalen dat woningcorporaties structureel voor sloop kiezen als regulier onderhoud een meer wenselijke optie is.
Erkent u dat aan het complex Dorus Rijkersplein al substantiële investeringen zijn gedaan en dat sloop in dat licht niet alleen sociaal onrechtvaardig maar ook economisch onverantwoord en kapitaalvernietigend is?
Over het algemeen is renovatie duurzamer dan sloop met vervangende nieuwbouw, maar is dit niet altijd goedkoper en hangt van verschillende eigenschappen van het gebouw af. Een voordeel van renovatie is dat de levensduur van bestaande gebouwen wordt verlengd. Het is echter niet altijd mogelijk om te bestaande gebouwen te kunnen renoveren. Het bestaande gebouw moet zich hiervoor lenen en dat is niet altijd het geval. Het is aan de woningcorporatie om hierin de eigen afweging te maken, waarbij ook het totale financiële plaatje een rol speelt. Woningcorporaties hebben in totaal bijna 2,2 miljoen sociale huurwoningen, het is niet aan mij om een oordeel te hebben over of in een individueel geval renovatie of sloop/nieuwbouw logischer is. Dat is aan de corporatie, in samenspraak met de lokale partners.
Bent u bekend met het gegeven dat renovatie in de meeste gevallen aanzienlijk goedkoper is dan sloop-nieuwbouw, en zo ja, waarom wordt naar uw mening hier dan zo vaak toch niet voor gekozen?
Zie antwoord vraag 6.
Erkent u dat sloop van huurwoningen niet alleen fysieke gebouwen maar ook hechte gemeenschappen vernietigt, en bent u bereid te bewerkstelligen dat corporaties de sociale cohesie van bewoners expliciet meewegen als factor in de afweging tussen sloop en renovatie?
Ik kan mij heel goed voorstellen dat voor bewoners de sociale cohesie en de hechte gemeenschappen die zijn opgebouwd belangrijk zijn. Bij de afweging tussen sloop en nieuwbouw of renovatie spelen deze factoren en bijvoorbeeld ook het behoud van de identiteit van de wijk een rol. Het is echter ook in dit geval aan de woningcorporatie om te bepalen welk gewicht zij geven aan het mogelijk verbreken van de sociale cohesie en hechte gemeenschappen die zijn ontstaan in de afweging die zij maken voor sloop met vervangende nieuwbouw of renovatie.
Bent u op de hoogte van het feit dat de bewonerscommissie van het Dorus Rijkersplein stelselmatig wordt belemmerd in haar werk, doordat Kennemerwonen gevraagde technische rapporten niet of slechts deels verstrekt, communicatie via derden laat lopen in plaats van rechtstreeks met de bewonerscommissie te communiceren, en notulen van overleggen worden betwist? Deelt u de mening dat dit in strijd is met de verplichtingen die de Woningwet en de Wet op het overleg huurders verhuurder aan corporaties opleggen?
De woningcorporaties zijn verplicht om, op grond van artikel 55b van de Woningwet, een reglement op te stellen voor het slopen en ingrijpend renoveren van haar woningen en het hierbij betrekken van de betrokken bewoners. De wet stelt – met uitzondering van een regeling voor de verhuiskostenvergoeding – echter geen specifieke eisen aan de inhoud van zo’n reglement, omdat de context waarbinnen sloop en renovatie plaatsvinden lokaal en regionaal kan verschillen. Mocht de corporatie zich hier niet aan houden dan kunnen bewoners stappen naar de huurcommissie of de civiele rechter. Het is niet aan mij om in een individueel geval te oordelen of er sprake is van schending van de Wet op het overleg huurders en verhuurder.
Erkent u dat de enorme psychische druk die bewoners ervaren als gevolg van sloopplannen een ernstig maatschappelijk probleem is, dat al eerder door de Nationale ombudsman is gesignaleerd? Welke verantwoordelijkheid ziet u hierin als Minister?
Ik verwijs hierbij naar mijn antwoord op vraag 3. Verder wil ik hier nog aan toevoegen dat ik momenteel een onderzoek uitvoer naar de effecten van sloop en nieuwbouw op onder andere de bewoners, verduurzaming (waaronder het klimaat en de CO2 uitstoot) en de woningvoorraad. In het onderzoek wordt ook een afwegingskader geschetst, waarbij transparanter wordt hoe een afweging tot sloop- nieuwbouw tot stand kan komen. Hierdoor wordt meer inzichtelijk hoe een woningcorporatie tot haar keus kan komen. Ik verwacht de Kamer hier voor de zomer over te informeren.
Erkent u dat het risico onverantwoord groot is dat als gevolg van stikstofproblematiek en de nabijheid van Natura 2000-gebieden nieuwbouw helemaal niet mogelijk blijkt, zoals ook al gebleken is bij het nabijgelegen plan Delversduin? Erkent u dat bewoners worden opgezadeld met de consequenties van een onrealistisch bouwplan?
Het is niet aan mij om dit te beoordelen. De optie voor sloop en vervangende nieuwbouw wordt momenteel nog onderzocht. Hierbij zal ook worden onderzocht of bij dit project stikstof vrijkomt. Als blijkt dat er stikstof vrijkomt, zal moeten worden aangetoond dat het niet leidt tot verslechtering van de staat van nabijgelegen Natura 2000-gebieden. Ten slotte is het aan de provincie Noord-Holland om als bevoegd gezag te beoordelen of een natuurvergunning kan worden verleend of niet. Het kabinet werkt verder aan een pakket aan maatregelen voor generieke stikstofreductie, zodat de stikstofdruk op Natura 2000-gebieden wordt verlaagd en Nederland van het stikstofslot af kan.
Erkent u dat sloop-nieuwbouw leidt tot een hogere uitstoot van broeikasgassen en stikstof dan renovatie, en dat dit haaks staat op de klimaatdoelstellingen en stikstofdoelstellingen van Nederland? Deelt u de mening dat de CO2- en stikstofuitstoot van sloop altijd integraal meegewogen moet worden in de afweging tussen sloop en renovatie?
Hergebruik, renovatie en transformatie van bestaande gebouwen is veelal duurzamer dan nieuwbouw, maar niet elk gebouw leent zich daarvoor, zeker daar waar de energetische schil lastig is te verbeteren. Maar ook een wens om te verdichten of een wijk meer divers te maken kan een reden zijn om over te gaan tot sloop. Ik ben van mening dat per gebouw moet worden gekeken wat de beste circulaire strategie is als het gaat om hergebruik, renovatie en/of transformatie dan wel nieuwbouw. Daarbij zouden inderdaad de CO2-uitstoot en andere milieuaspecten moeten worden meegewogen. Als wel tot sloop wordt besloten dan verdient het de voorkeur om circulair te slopen. Dit houdt in dat wordt gekeken welke bouwelementen, -producten en -materialen uit het pand kunnen worden gedemonteerd om vervolgens in een nieuw gebouw of bij renovatie te worden hergebruikt. Ik ondersteun deze werkwijze met de Aanpak Circulair Slopen en Hergebruik.2
Bent u bereid het democratische tekort te herstellen door bewoners een gelijkwaardig instemmingsrecht te geven bij sloopbeslissingen? Bij renovatie geldt namelijk een instemmingsrecht van 70% van de huurders, maar bij sloop niet.
Nee, ik acht het niet noodzakelijk om een instemmingsrecht van 70% te geven bij sloopbeslissingen. Op grond van huidige wet- en regelgeving is het voor de bewoner die niet instemt met sloop (en daarmee geen instemming geeft over het beëindigen van zijn of haar huurovereenkomst), mogelijk om zonder actie van zijn of haar kant te bewerkstelligen dat de rechter zich zal buigen over de vraag of de huurovereenkomst eenzijdig door de verhuurder kan worden beëindigd. De mogelijkheid dat de rechter zich hierover buigt acht ik voldoende.
Bent u bereid om de situatie van de bewoners van het Dorus Rijkersplein in Egmond aan Zee actief onder de aandacht te brengen bij Kennemerwonen, en er bij de corporatie op aan te dringen het sloopplan te heroverwegen en alsnog een volwaardige renovatieoptie uit te werken in echte samenspraak met de bewoners?
Zoals ik in mijn antwoord op vraag 2 heb aangegeven, worden de opties op sloop en renovatie nog onderzocht en zal woningcorporatie Kennemer Wonen hierover met bewoners in gesprek gaan. Ik kan mij heel goed voorstellen dat, als wordt besloten tot sloop, dit een grote impact heeft op de wijk en de gemeenschap. Het blijft echter een afweging van de corporatie, in overleg met lokale partijen. Bij die afweging en het lokale gesprek kan ook de gemeente en de lokale politiek een rol spelen.
De deelname van Taiwan aan multilaterale organisaties |
|
Kati Piri (PvdA), Tom van der Lee (GL) |
|
Berendsen |
|
|
|
|
Op welke manier geeft u uitvoering aan de motie van het lid Paternotte c.s. Kamerstuk 26 150, nr. 227), de motie van de leden Van der Burg en Paternotte (Kamerstuk 35 207, nr. 94) en de motie van het lid Piri c.s. (Kamerstuk 21 501-02, nr. 2871) die allen het kabinet oproepen om voor betekenisvolle deelname van Taiwan aan multilaterale organisaties te pleiten?
In lijn met de drie genoemde moties, blijft het kabinet zich inzetten voor betekenisvolle deelname van Taiwan aan internationale bijeenkomsten, waar dit in het belang is voor de internationale gemeenschap, bijvoorbeeld op het gebied van veiligheid van de burgerluchtvaart, het tegengaan van klimaatverandering, volksgezondheid en internationale criminaliteitsbestrijding. Dat geldt ook voor betekenisvolle deelname door Taiwan aan technische samenwerking en bijeenkomsten in WHO-kader.
Bent u bereid om, net als vorig jaar, voorafgaand en tijdens de eerstvolgende World Health Assembly publiekelijk stelling te nemen dat Taiwan aan de bijeenkomsten van de WHO zou moeten mogen deelnemen?
Ja. Net als vorig jaar is Nederland ook dit jaar met een aantal gelijkgestemde landen opgetrokken om in de aanloop naar de World Health Assembly (WHA) (18-23 mei jl.) te ijveren voor betekenisvolle deelname van Taiwan, onder andere als waarnemer bij de WHA. Ook in het algemeen WHA-debat heeft Nederland op 19 mei jl. een verklaring uitgesproken waarin Taiwan wordt genoemd in de context van betekenisvolle deelname.
Klopt het dat u de Joint Letter1 mede heeft ondertekend namens Nederland en u zich daarmee achter deze voorgestelde versoepelingen schaart? Zo ja, wat waren voor u de doorslaggevende overwegingen om deze lijn te steunen?
Ja, het klopt dat Nederland de Joint Letter (hierna «gezamenlijke brief») heeft ondertekend. Deze brief is als bijlage bij de beantwoording van deze Kamervragen meegestuurd. In de Clean Industrial Deal van februari 2025 kondigde de Europese Commissie al een studie naar de doeltreffendheid van het Europese beleidskader2 aan. Sindsdien geven meerdere projectontwikkelaars aan te wachten met investeren tot er meer uitsluitsel is over mogelijke wijzigingen.
De voorgestelde aanpassingen zijn noodzakelijk omdat de ontwikkeling van elektrolysecapaciteit in Nederland, die nodig is voor de verduurzaming van de industrie- en transportsector, anders dreigt stil te vallen. Nederland ziet de gezamenlijke brief als een strategisch passende manier om gewenste aanpassingen kansrijker te maken en bedrijven sneller uit de onzekerheid over Europese beleidswijzigingen te halen.
Kunt u concreet aangeven welke onderdelen van de RFNBO-criteria Nederland wenst te versoepelen en waarom? Hoe verhoudt dit zich tot het verlengen van de overgangsperiode voor additionaliteit, het langer toestaan van maandelijkse in plaats van uur-tot-uur temporele correlatie en het aanpassen of verruimen van de sunset clause voor elektriciteitssystemen met een hoog aandeel hernieuwbare energie?
Vooropgesteld, het kabinet is voorstander van de zogenaamde RFNBO-criteria («Renewable Fuels of Non-Biological Origin») die moeten borgen dat waterstofproductie hernieuwbaar is, zoals de additionaliteitsregel en de regel dat hernieuwbare elektriciteit en de waterstof die daarmee geproduceerd wordt gelijktijdig opgewekt wordt (uur-tot-uur temporele correlatie).
Het geeft waterstofproducenten immers een prikkel om CO2-uitstoot te reduceren en de onregelmatige, weersafhankelijke opbrengst uit zon en wind te faciliteren.
Het kabinet kiest niet zozeer voor een versoepeling maar voor een latere inwerkingtreding van die criteria zodat de eisen beter aansluiten bij de verwachte marktontwikkeling voor hernieuwbare waterstof.
Voor Nederland zijn het verlengen van de overgangsperiode van additionaliteit en het langer toestaan van maandelijkse temporele correlatie de twee belangrijkste aandachtspunten. Momenteel is er ca. 400 MW aan elektrolysecapaciteit in aanbouw. Zonder bovengenoemde aanpassingen zal de beoogde 1,2 GW aan elektrolysecapaciteit in 2030 niet gerealiseerd kunnen worden.
Ten eerste is de regel dat elektrolyseprojecten die per 2028 en daarna gereed zijn geen gebruik meer mogen maken van gesubsidieerde hernieuwbare elektriciteit om waterstof te produceren (de zogenaamde additionaliteitsregel) een knelpunt. Veel elektrolyseprojecten zijn door – veelal onvoorziene – vertragingen in de ontwikkeling van infrastructuur en de vraag naar hernieuwbare waterstof pas na 2028 operationeel. Bovendien hebben (nieuwe) windparken, waarvan de elektriciteit nodig is voor de productie van hernieuwbare waterstof, weer subsidie nodig. Hierdoor is er nauwelijks geschikte elektriciteit over om hernieuwbare waterstof van te maken.
Ten tweede komt de ontwikkeling van transport- en opslaginfrastructuur voor waterstof langzamer dan verwacht op gang. Voornamelijk opslaginfrastructuur is van belang om (weersafhankelijke) productie en gebruik van hernieuwbare waterstof beter op elkaar aan te laten sluiten, zodat op die manier beter kan worden voldaan aan de productie eis die stelt dat hernieuwbare elektriciteit binnen hetzelfde uur geproduceerd moet worden als de waterstof die ermee gemaakt wordt. Opslaginfrastructuur zorgt er immers voor dat waterstof niet meteen gebruikt hoeft te worden op het moment dat deze door gunstige weersomstandigheden geproduceerd kan worden.
Ten derde wordt door projectontwikkelaars aangegeven dat er bij grootschalige inzet van elektrolysers nog ervaring opgedaan moet worden met een veilige en verantwoorde afstemming van de draaiuren van elektrolysers op het onregelmatige aanbod van hernieuwbare elektriciteit. Voor deze leercurve is ook meer tijd nodig.
De uurlijkse correlatie-eis kan pas functioneren als (opslag)infrastructuur gerealiseerd is en er voldoende ervaring is opgedaan met een flexibele inzet van elektrolysers.
De latere inwerkingtreding van beide criteria is noodzakelijk voor het creëren van de schaal aan elektrolysecapaciteit die nodig is voor de verduurzaming van de industrie en de transportsector.
Zie specifiek de beantwoording van vraag 4 voor de verhouding van de specifieke inzet van Nederland zoals hierboven beschreven met betrekking tot de «sunset clause»3.
Hoe kijkt u naar de herziening van de RFNBO-regels nog voordat de evaluatie heeft plaatsgevonden, specifiek voor de investeringszekerheid voor bedrijven die al hebben geïnvesteerd in groene waterstof?
Het kabinet onderschrijft het belang van investeringszekerheid voor bedrijven die vroeg hebben geïnvesteerd in hernieuwbare waterstof. Toen de huidige RFNBO-regels werden vastgesteld was het vooruitzicht nog dat wind-op-zee parken subsidievrij ontwikkeld konden worden, dat de benodigde infrastructuur tijdig gereed zou zijn en dat er voldoende ervaring met grootschalige inzet van elektrolysers zou zijn opgedaan. Bij de aangekondigde gerichte herziening van de productieregels voor hernieuwbare waterstof (de «RFNBO-regels») in de Accelerate EU Energy Union communicatie, heeft de Europese Commissie expliciet aangegeven dat bestaande investeringen in hernieuwbare waterstof beschermd zullen worden. Het kabinet verwelkomt dit standpunt en vindt daarnaast dat bestaande projecten ook gebruik moeten kunnen maken van de aangepaste regels als zij dat willen.
Op welke wijze borgt u dat aanpassingen aan onder meer de «sunset clause» en temporele correlatie niet leiden tot hogere emissies in RFNBO-waterstofproductie en dus een beperktere bijdrage aan de Nederlandse klimaatdoelen?
Zoals aangegeven bij de beantwoording van vraag 2 moeten de voorgestelde aanpassingen per saldo een positieve bijdrage leveren aan de klimaatdoelen.
Ze moeten er namelijk toe leiden dat de benodigde schaal aan elektrolysecapaciteit die nodig is voor de verduurzaming van de industrie en mobiliteit tot ontwikkeling komt. Hogere emissies in de elektriciteitssector vallen op korte termijn niet bij voorbaat uit te sluiten. Maar in Europese wet- en regelgeving zijn diverse eisen en (bindende) doelen vastgelegd die ervoor moeten zorgen dat aanpassingen in de sunset-clause en temporele correlatie niet leiden tot hogere emissies bij hernieuwbare waterstofproductie en tot een verzwakking van de stimulans om hernieuwbare energie uit te bouwen.
Ten eerste blijven de Europese doelen voor hernieuwbare energie voor 2030 die in de Hernieuwbare Energierichtlijn (REDIII) zijn vastgelegd onveranderd.
Ten tweede zou de eventuele toename van emissies in de Nederlandse elektriciteitssector op Europees niveau gecompenseerd moeten worden omdat onder het ETS de totale hoeveelheid CO2-uitstootrechten in de Europese Unie vaststaan. Voor de extra draaiuren die gascentrales eventueel gaan maken om extra elektriciteit te produceren moeten zij immers extra rechten kopen die andere CO22-uitstoters in de EU dan niet meer kunnen gebruiken. Daarom is Nederland ook voorstander van een sterk en ambitieus ETS omdat dit tot een EU-brede verduurzamingsprikkel leidt en langdurige beleidszekerheid geeft aan de betreffende sectoren.
Ten derde blijft, wat betreft de lidstaten die de gezamenlijke brief hebben ondertekend, de eis bestaan dat hernieuwbare waterstof 70% CO2 moet reduceren ten opzichte van het fossiele alternatief (bijvoorbeeld grijze waterstof). Aangezien waterstofprojecten door een onafhankelijke partij gecertificeerd moeten worden om in aanmerking te komen voor subsidies, wordt zo geborgd dat alleen waterstof die met voldoende hernieuwbare elektriciteit geproduceerd wordt gesteund wordt. Ook voor «clean countries/regions» gelden bovenstaande vereisten en doelen, die de duurzaamheid van de waterstof moeten borgen.
Ten slotte kan tijdige ontwikkeling van voldoende elektrolysecapaciteit langs de kust juist helpen om een gestaag uitroltempo van hernieuwbare elektriciteit te borgen zolang transportschaarste op het elektriciteitsnet een direct gebruik van hernieuwbare elektriciteit bemoeilijkt.
Op welke wijze borgt u dat aanpassing van de «sunset clause» niet leidt tot de verzwakking van de stimulans om hernieuwbare energie uit te bouwen?
Zie antwoord vraag 4.
Kunt u toelichten wat Nederland precies verstaat onder «clean countries/regions», welke objectieve criteria daarbij worden gehanteerd, en hoe wordt geborgd dat EU-landen met een beperkt aandeel hernieuwbare elektriciteitsproductie niet onterecht profiteren van dit label?
Zie antwoord vraag 4.
Onderschrijft u dat maandelijkse temporele correlatie kan leiden tot substantieel hogere broeikasgasemissies dan uur-correlatie, terwijl de geproduceerde waterstof toch als hernieuwbaar wordt aangemerkt – en dat dit kan leiden tot emissies vergelijkbaar met koolstof-arme waterstof?
Ten aanzien van de specifieke waterstofproductie kan maandelijkse temporele correlatie leiden tot hogere broeikasgasemissies in het Nederlandse elektriciteitssysteem dan bij uurlijkse temporele correlatie.
Maar zoals aangegeven bij de beantwoording van vraag 4, 5 en 6 moeten eventuele hogere emissies op systeemniveau en in Europees verband gecompenseerd worden onder het ETS waar een CO2-emissieplafond geldt. Overigens geldt voor hernieuwbare en koolstofarme waterstof dezelfde CO2-reductie-eis van minimaal 70% ten opzichte van het fossiele alternatief voor die hernieuwbare waterstof (bijvoorbeeld grijze waterstof). Kortom, beide vormen van waterstof moeten in gelijke mate bijdragen aan CO2-reductie.
Kunt u inzicht geven in het kostenverschil tussen waterstofproductie onder uur- en onder maandelijkse temporele correlatie, waardoor dit kostenverschil ontstaat (bijvoorbeeld benuttingsgraad, elektriciteitsprijzen, opslag of netkosten), en in hoeverre dit verschil specifiek voor Nederland groter of kleiner is dan voor andere Europese lidstaten?
Er is geen consensus over het specifieke kostenverschil, alhoewel het rapport van de Europese Rekenkamer over het industriebeleid van de EU inzake hernieuwbare waterstof4 aangeeft dat toepassing van uurlijkse temporele correlatie de productiekosten verhoogt, waardoor het slechter concurreert met uit fossiele brandstoffen geproduceerde waterstof.
In algemene zin kunnen de volgende elementen tot hogere kosten leiden bij toepassing van uurlijkse temporele correlatie:
Voor waterstofprojecten waarbij de elektrolyser direct gekoppeld is aan een hernieuwbare elektriciteitsbron zal het gemakkelijker zijn om aan de uurlijkse correlatie te voldoen. Dit is over het algemeen het geval op plaatsen, veelal buiten de EU, waar zon, wind en ruimte voldoende beschikbaar zijn.
Het uitgangspunt bij het Europees waterstofbeleid is dat de productie zo veel mogelijk moet plaatsvinden op plaatsen waar deze het goedkoopst is en deze via de aanleg van transportinfrastructuur beschikbaar wordt gesteld op plaatsen elders waar de vraag naar hernieuwbare waterstof zich voordoet en de productieomstandigheden minder gunstig zijn.
Daarom is naast opschaling van nationale productie van hernieuwbare waterstof de inzet op import(infrastructuur) een belangrijk onderdeel van het Nederlandse waterstofbeleid.
Bent u bereid zich in Europees verband in te zetten voor alternatieven die de economische haalbaarheid van RFNBO-projecten verbeteren – bijvoorbeeld contracts for difference of vraagbeleid – zonder afbreuk te doen aan kernprincipes als additionaliteit, uurcorrelatie en de gestelde sunset clause?
Zoals bij de beantwoording van vraag 2 is aangegeven, is Nederland voorstander van criteria die de duurzaamheid van de geproduceerde waterstof borgen. Maar het is prioriteit om de toepassing van die criteria aan te passen aan de huidige realiteit waarin hernieuwbare elektriciteit opnieuw gesubsidieerd moet worden, de ontwikkeling van transport- en opslaginfrastructuur vertraagd is en er meer ervaring opgedaan moet worden met de inzet van elektrolysers.
Naast deze aanpassing zet het kabinet zich op andere manieren actief in voor het verbeteren van de economische haalbaarheid van RFNBO-projecten. Zo zet Nederland zich in voor het creëren van vraagzekerheid, enerzijds via langjarige normering van waterstofgebruik op product- of sectoraal niveau en anderzijds via subsidies. Beide beleidsopties worden bij voorkeur op Europees niveau uitgewerkt.
De kernboodschap van het rapport van de Europese Rekenkamer is dat de streefcijfers die de Europese Commissie voor de Europese productie en import van hernieuwbare waterstof heeft gesteld onrealistisch zijn en dat een reality check noodzakelijk is. Het kabinet onderschrijft die boodschap. In de Klimaat en Energienota 2025 is besloten om de verwachtingen en het richtdoel voor elektrolysecapaciteit in 2030 en 2035 bij te stellen.
In de update van het Nationaal Plan Energiesysteem, die met Prinsjesdag gepubliceerd wordt, gaat het kabinet dieper in op de verwachte ontwikkeling van de waterstofmarkt.
Hoe kijkt u naar rapporten, zoals die van de Europese Rekenkamer, die tal van andere oorzaken benoemen voor een trage uitrol van groene waterstof, en waarom komt u niet met een bredere aanpak om dit op te lossen?
Zie antwoord vraag 9.
De Nederlandse inzet tijdens de toetsingsconferentie van het non-proliferatieverdrag |
|
Sarah Dobbe (SP) |
|
Berendsen |
|
|
|
|
Kunt u aangeven wie namens de Nederlandse regering aanwezig zullen zijn bij de aanstaande toetsingsconferentie van het Non-Proliferatieverdrag (NPV) in New York en met welke inzet zij deelnemen?1
Nederland werd op hoogambtelijk en ambtelijk niveau vertegenwoordigd. De Nederlandse delegatie werdt geleid door de ontwapeningsambassadeur, tevens Permanent Vertegenwoordiger bij de Ontwapeningsconferentie te Genève. Tijdens het opening (high level) segment in de eerste week was Nederland vertegenwoordigd door de directeur-generaal Politieke Zaken van het Ministerie van Buitenlandse Zaken, in de hoedanigheid van Vice-Minister. De delegatie bestond verder uit vertegenwoordigers van het inisterie van Buitenlandse Zaken, vanuit het departement (Den Haag), de permanente vertegenwoordigingen in New York, Genève en Wenen alsook de ambassade in Washington.
De Nederlandse inzet is uiteengezet in de Kamerbrief «De Nederlandse inzet voor de NPV Toetsingsconferentie 2026» (Kamerstuk 33 783, nr. 53), die op 17 april 2026 aan uw Kamer is gestuurd.
Bent u het ermee eens dat, in tijden van hoogopgelopen spanningen, het opzeggen van wapenbeheersingsverdragen, uitbreiding van nucleaire arsenalen en agressieoorlogen door kernmachten, nucleaire ontwapening nóg belangrijker is geworden?
Zoals in voornoemde Kamerbrief (Kamerstuk 33 783, nr. 53) is beschreven, blijft een kernwapenvrije wereld het uiteindelijke doel van de NAVO en ook van Nederland. In deze veranderende wereld maakt het kabinet doorlopend een afweging tussen het streven naar een wereld zonder kernwapens en de veiligheidssituatie van het moment. Eenzijdige ontwapening door NAVO-bondgenoten maakt de wereld voor Nederland niet veiliger. Ontwapening is een complex proces van lange adem. Het bereiken van dit doel is van veel partijen afhankelijk en gekoppeld aan de mondiale veiligheidssituatie, waardoor het een proces met stapsgewijze, incrementele vooruitgang en soms – al dan niet tijdelijke – achteruitgang is.
Deelt u onze zorgen dat het NPV onder toenemende druk staat? Kunt u uw antwoord toelichten?
De bredere architectuur op het terrein van wapenbeheersing, non-proliferatie en ontwapening staat inderdaad onder druk. Cruciale afspraken en verdragen lopen af of worden beëindigd en de bereidheid om de dialoog aan te gaan en multilaterale compromissen te zoeken is aan erosie onderhevig. Het Non-proliferatieverdrag (NPV) geniet echter nog steeds brede steun van de internationale gemeenschap. Alleen kernwapenbezitters India, Israël, Pakistan en Noord-Korea (in 2003 uitgetreden) en Zuid-Soedan zijn geen partij bij het NPV. Bovendien waren 190 van de 191 verdragspartijen bij de tiende Toetsingsconferentie in augustus 2022 bereid de slottekst te ondersteunen, ondanks aanzienlijke compromissen die alle landen hebben moeten accepteren. Enkel Rusland was destijds tegen.
Zal Nederland zich tijdens de toetsingsconferentie uitspreken voor uitvoering van artikel 6 van het verdrag, dat staten verplicht nucleair te ontwapenen? Zo ja, kunt u aangeven welke concrete stappen op dit punt worden voorgesteld?
Nederland blijft zich inzetten voor alomvattende, onomkeerbare en controleerbare nucleaire ontwapening in lijn met artikel VI van het NPV en heeft tijdens het algemene debat van de NPV Toetsingsconferentie benoemd dat kernwapens geleidelijk moeten worden afgebouwd en uiteindelijk volledig geëlimineerd. Het huidige tijdsgewricht vraagt echter om realisme ten aanzien van de ontwapeningsdoelen van het NPV. Het vertrouwen tussen kernwapenstaten is momenteel laag en dit beperkt op korte termijn het uitzicht op significante ontwapeningsstappen. Nederland hecht daarom waarde aan versterking van de non-proliferatiearchitectuur en maatregelen die de kans op gebruik van kernwapens verlagen. Hierbij valt onder meer te denken aan meer transparantie over nucleaire doctrines en uitbreidingen van arsenalen, vertrouwenwekkende maatregelen tussen kernwapenbezitters en het verder ontwikkelen van technieken om toekomstige reducties en ontwapening te monitoren en verifiëren.
Zoals ook bij het antwoord op vraag 2 aangegeven, blijft gelden dat een wereld waarin NAVO-bondgenoten eenzijdig ontwapenen en andere landen niet, voor Nederland geen veiligere wereld is. Zolang kernwapens bestaan in de wereld, blijft de NAVO een nucleaire alliantie en blijft nucleaire afschrikking een essentiële rol spelen bij het behouden van strategisch evenwicht en het voorkomen van de inzet van kernwapens.
Bent u van mening dat zogenoemde moderniseringsprogramma’s voor kernwapens, die de levensduur van deze massavernietigingswapens decennia rekken, en ook het uitbreiden van kernwapenarsenalen haaks staan op artikel 6 van het NPV? Zo nee, waarom niet?
Al geruime tijd zijn de meeste kernwapenbezitters bezig met het moderniseren van hun kernwapenarsenalen. Deze moderniseringsprogramma’s staan op zichzelf niet haaks op artikel VI van het NPV en kunnen bijvoorbeeld gericht zijn op het blijvend garanderen van de veiligheid, beveiliging en effectiviteit van deze wapens. Dit geldt in ieder geval voor de moderniseringsprogramma’s van de arsenalen van NAVO-bondgenoten Frankrijk, het Verenigd Koninkrijk en de Verenigde Staten.
Tegelijkertijd breidt China op ondoorzichtige wijze zijn kernwapenarsenaal uit en ontwikkelt Rusland nieuwe overbrengingsmiddelen die de strategische balans tussen kernwapenstaten ondermijnen.
Zoals bij de beantwoording van vraag 4 is aangegeven heeft Nederland tijdens het algemene debat van de NPV Toetsingsconferentie onderstreept dat kernwapens, overeenkomstig artikel VI, geleidelijk moeten worden afgebouwd en uiteindelijk volledig geëlimineerd. Daarbij zijn kernwapenstaten opgeroepen om met prioriteit stappen te zetten op thema’s als risicoreductie en transparantie, zodat nucleair conflict voorkomen wordt en het onderlinge vertrouwen onder kernwapenbezitters zich kan herstellen, en daarmee inspanningen op het gebied van ontwapening, non-proliferatie en wapenbeheersing weer plaats kunnen vinden. Tevens heeft Nederland China opgeroepen de rappe uitbreiding van het kernwapenarsenaal te herzien en zich voor wapenbeheersing in te spannen. Tot slot heeft Nederland de drie landen met de grootste kernwapenarsenalen – de Verenigde Staten, Rusland en China – opgeroepen een nieuwe strategische wapenbeheersingsovereenkomst overeen te komen, maar daar is wel een basis van onderling vertrouwen voor nodig.
Zoals bij de beantwoording van vraag 2 en vraag 4 is aangegeven, is enig realisme waar het gaat om ontwapening in het huidig tijdsgewricht van belang.
Bent u bereid om zich tijdens de toetsingsconferentie uit te spreken tegen modernisering van kernwapens en uitbreiding van arsenalen? Zo nee, waarom niet?
Zie antwoord vraag 5.
Bent u bereid om zich tijdens de toetsingsconferentie uit te spreken tegen uitbreiding van kernwapenarsenalen? Zo nee, waarom niet?
Zie antwoord vraag 5.
Kunt u aangeven hoe de meerderheid van lidstaten bij het NPV aankijkt tegen zogeheten nuclear sharing, waar Nederland in NAVO-verband aan deelneemt? Klopt het dat dit wordt gezien als niet in lijn met van het verdrag?
Sinds enkele jaren worden de zogeheten nuclear sharing arrangementsvan NAVO door bepaalde NPV verdragspartijen, in het bijzonder Rusland en China, bekritiseerd. Deze kritiek neemt toe, waarbij sommige landen stellen dat de NAVO-afspraken niet in lijn zouden zijn met het NPV. Deze NAVO-afspraken bestaan echter reeds decennia en zijn volledig in lijn met het NPV. Ze waren onderdeel van de onderhandelingen over het NPV en geen van de verdragspartijen heeft formeel bezwaar aangetekend tegen de afspraken bij de ondertekening van het verdrag in 1968, de inwerkingtreding in 1970 of in de decennia daarna.
Bent u bereid om tijdens de toetsingsconferentie erop aan te dringen dat in het slotdocument stevige taal wordt opgenomen over de catastrofale gevolgen van inzet van kernwapens en daaraan te koppelen dat een kernoorlog nooit gevochten mag worden?
Nederland onderkent in algemene zin de verwoestende humanitaire en klimatologische gevolgen van kernwapens. Het valt echter niet met zekerheid vast te stellen dat het gebruik van kernwapens onder alle omstandigheden in strijd met het humanitair oorlogsrecht zou zijn, zoals werd opgemerkt in het advies van het Internationaal Gerechtshof uit 1996 (Legality of the Threat or Use of Nuclear Weapons).
Deelt u de opvatting dat kernwapens, vanwege hun ongekende vernietigende kracht waarmee geen onderscheid gemaakt kan worden tussen burgers en militairen, niet in lijn met het oorlogsrecht ingezet kunnen worden? Zult u dit uitdragen tijdens de conferentie?
Zie antwoord vraag 9.
Is de Nederlandse delegatie voorstander van positieve woorden in het slotdocument over het verdrag inzake het verbod op kernwapens (Treaty on the Prohibition on Nuclear Weapons, TPNW), specifiek dat dit verdrag wordt verwelkomd en landen worden opgeroepen zich erbij aan te sluiten? Zo nee, waarom niet?
Nederland is niet aangesloten bij het Verdrag inzake het verbod op kernwapens (TPNW) omdat het haaks staat op onze NAVO-verplichtingen. Daarnaast is Nederland van mening dat effectieve ontwapening alleen kansrijk is met betrokkenheid van kernwapenstaten en met robuuste verificatie. Nederland zet daarom in op versterking van het NPV-kader en praktische maatregelen die bijdragen aan risicoreductie, toekomstige reducties en ontwapening.
Bent u voorstander van een Midden-Oosten vrij van kernwapens en andere massavernietigingswapens? Zo nee, waarom niet? Zo ja, wat doet Nederland om dit te bespoedigen?
Nederland is voorstander van zones vrij van kernwapens en andere massavernietigingswapens. Voor het Midden-Oosten is dit in lijn met de resolutie die hierover werd aangenomen door de NPV Toetsingsconferentie in 1995. De instelling van dergelijke zones kan, zoals beschreven in het actieplan van de NPV Toetsingsconferentie in 2010, alleen plaatsvinden door middel van vrijwillige overeenkomsten tussen alle staten in de regio.
De regionale veiligheidssituatie noopt tot realisme over de haalbaarheid op korte termijn van een dergelijke zone in het Midden-Oosten. In de tussentijd moedigt Nederland alle belanghebbenden, en met name de staten in de regio, aan om deel te nemen aan overleggen om tot een inclusief en op consensus gebaseerd proces te komen voor de uitvoering van de resolutie uit 1995.
Zal Nederland zich tijdens de toetsingsconferentie uitspreken voor meer transparantie over kernwapens? Zo nee, waarom niet? Zo ja, op welke maatregelen wordt dan concreet aangedrongen en wat doet Nederland zelf voor extra transparantie?
Transparantie is belangrijk om onderling vertrouwen te verbeteren, nucleaire risico’s te verminderen en op den duur stappen te zetten op het gebied van ontwapening. Het verbeteren van transparantie is daarom een langdurige Nederlandse prioriteit binnen het NPV. Middels het cross-regionale Non-Proliferation and Disarmament Initiative (NPDI) dringt Nederland bijvoorbeeld aan op transparantie over nucleaire doctrines en arsenalen; versterkte nationale rapportage over NPV-implementatie; en interactieve dialogen over nationale implementatie, met name die van kernwapenstaten, tijdens verdragsbijeenkomsten.2 Tevens financiert Nederland samen met Canada een tweetal projecten van de onafhankelijke denktank British American Security Information Council (BASIC) – nl. de NPT Monitor en de Nuclear Transparency Inventory – die erop gericht zijn de implementatie van het NPV door verdragspartijen alsmede de transparantiepraktijken van kernwapenstaten te volgen. Tenslotte heeft Nederland zoals gebruikelijk een nationaal implementatierapport ingediend voorafgaand aan de Toetsingsconferentie.3
Kunt u nader toelichten wat de precieze plannen zijn in het kader van samenwerking met Frankrijk op het gebied van nucleaire wapens? Waarom wordt hierover relatief weinig informatie gedeeld?
Op 2 maart jl. is uw Kamer op de hoogte gesteld van de beoogde samenwerking met Frankrijk op het gebied van nucleaire en conventionele afschrikking in Europa (Kamerstuk 33 279, nr. 40). Dit betreft een strategische dialoog ter versterking van de Europese dimensie van de Franse nucleaire doctrine. Het Kabinet beziet momenteel hoe deze samenwerking wordt ingevuld.
Gezien de aard van deze onderwerpen kan het Kabinet, conform de met de Kamer overeengekomen praktijk, weinig tot geen nadere details over de beoogde samenwerking met Frankrijk openbaar maken. Wanneer wenselijk en mogelijk, zal het kabinet uw Kamer op passende wijze op de hoogte houden van de ontwikkelingen.
Is uitgesloten dat samenwerking met Frankrijk het NPV schendt? Zo ja, hoe wordt dit uitgesloten? Kunt u toelichten hoe het NPV naar uw opvatting de samenwerking met Frankrijk begrenst?
Ja. De beoogde samenwerking met Frankrijk is niet in strijd met de verplichtingen van het NPV. Dit is voor zowel Nederland als Frankrijk een leidend principe. Op dit moment kunnen er geen aanvullende uitspraken worden gedaan over de beoogde samenwerking.
Heeft Nederland samenwerking met Frankrijk op het gebied van nucleaire wapens toegezegd? Wat is de status van de gesprekken hierover? Indien het kabinet voornemens is samenwerking met Frankrijk op dit gebied toe te zeggen, wordt de Kamer daar, voorafgaande aan besluitvorming, over geïnformeerd en betrokken?
Zie antwoord vraag 14.
Wat is de status van nucleaire wapens van de Verenigde Staten op vliegbasis Volkel? Hoe verhoudt zich de aanwezigheid van nucleaire wapens op vliegbasis Volkel met het NPV?
Vanwege veiligheidsredenen en bondgenootschappelijke afspraken doet het kabinet geen mededelingen over aantallen of locaties van nucleaire wapens in Europa. Ten aanzien van de verhouding van de praktijk van nucleair sharing tot het NPV verwijs ik graag naar mijn antwoord op vraag 8.
De gedupeerde Kind- en Jeugdpsychologen |
|
Diederik van Dijk (SGP) |
|
Sophie Hermans (VVD) |
|
|
|
|
Bent u bekend met het artikel «Twentse psychologen vallen tussen wal en schip: «Ik moet jongeren op hun 18de weer op straat zetten»»?1
Ja, ik ben bekend met het artikel.
Erkent u dat vanuit het Ministerie van Volksgezondheid, Welzijn en Sport duidelijke verwachtingen zijn gewekt bij Kind- en Jeugdpsychologen (K&J-psychologen) ten aanzien van de overgangsregeling naar GZ-psycholoog? Bent u van mening dat u heeft gehandeld in overeenstemming met de algemene beginselen van behoorlijk bestuur richting zorgverleners die daarom met de K&J-opleiding is begonnen? Kunt u in uw beantwoording in het bijzonder ingaan op het vertrouwensbeginsel?
Ik ben bekend met de zorgen van een deel van de beroepsgroep K&J-psychologen en de wijze waarop zij de communicatie rondom het conceptwetsvoorstel heeft ervaren. Zij zijn van mening dat gedurende beleidsvoorbereiding van een mogelijk wetsvoorstel verwachtingen zijn gewekt over het reguleren van één nieuw beroep «gz-psycholoog-generalist» (een samenvoeging van de K&J-psycholoog NIP en de gz-psycholoog). De stelling dat hierbij vanuit het kabinet verwachtingen zijn gewekt over de doorgang van het wetsvoorstel, deel ik niet.
In het wetgevingsproces is het gebruikelijk dat over voorgenomen beleid en concepten voor wetsvoorstellen wordt gecommuniceerd, zoals via nieuwsberichten, brieven aan uw Kamer en tijdens de internetconsultatie.
De communicatie vanuit het Ministerie van VWS over het conceptwetsvoorstel had betrekking op een beleidsvoornemen dat nog in voorbereiding was en nog in consultatie moest gaan. Er was geen sprake van een ingediend voorstel of aangenomen wet. Dit onderscheid is belangrijk om te begrijpen waarom nieuwsberichten over dit conceptwetsvoorstel zich beperken tot hoofdlijnen en waarom er nog geen details over de verdere uitwerking en voorwaarden konden worden verstrekt. Uiteraard is VWS niet verantwoordelijk voor communicatie of verwachtingen die door derden in het veld worden geuit.
Na een analyse van de ruim 2.300 overwegend negatieve reacties op de internetconsultatie bleek dat het voorstel onvoldoende bijdraagt aan de beoogde doelstellingen, zoals het vereenvoudigen van de beroepenstructuur en het verbeteren van transparantie. Onder meer bleek uit de reacties dat het voorstel juist tot meer verwarring kan leiden, zowel bij zorgprofessionals als bij cliënten. Bovendien was er voor het voorstel onvoldoende draagvlak onder BIG-geregistreerde en niet-BIG geregistreerde beroepsgroepen. Hiernaast kan omzetting van K&J- psychologen naar een BIG-beroep leiden tot onnodige hoge zorgkosten, is dit niet proportioneel, en niet nodig voor het borgen van de kwaliteit van zorg, de patiëntveiligheid en continuïteit van jeugdhulp. Om voornoemde redenen is de Tweede Kamer op 21 november 2024 via de Verzamelbrief Wet BIG 2024 geïnformeerd over het besluit om het conceptwetsvoorstel ter vereenvoudiging van de beroepenstructuur in de psychologische zorg niet door te zetten.2
Zoals mijn voorganger in het tweeminutendebat op 26 november 20253 heeft aangegeven, heeft een groep K&J-psychologen vooruitlopend op politieke besluitvorming, geheel op eigen initiatief geanticipeerd op het conceptwetsvoorstel door te kiezen voor bepaalde opleidingen met het oog op de mogelijk toekomstige situatie.4 Tijdens een wetgevingsproces kunnen plannen regelmatig wijzigen of worden ingetrokken. Een wetsvoorstel is pas definitief nadat het door beide Kamers is aanvaard en vervolgens tot wet is verheven. Tot dat moment zijn conceptwetsvoorstellen uitsluitend beleidsvoornemens waarop geen aanspraken kunnen worden gebaseerd. Het zorgvuldigheidsbeginsel is in acht genomen door het conceptwetsvoorstel in consultatie te brengen en de reacties zorgvuldig te analyseren voordat een besluit werd genomen over het al dan niet voortzetten van het voorstel. De internetconsultatie liet zien dat het voorstel de beoogde doelen niet zou realiseren, zelfs negatieve effecten met zich mee zou brengen, en op onvoldoende draagvlak kon rekenen, hetgeen het besluit om het conceptwetsvoorstel niet door te zetten rechtvaardigt. In dat licht deel ik niet de conclusie dat door het Ministerie van VWS duidelijke verwachtingen zijn gewekt over dat de in het conceptvoorstel voorgestelde beroepenstructuur ongewijzigd zou worden ingevoerd of dat een overgangsregeling zou volgen. Ik ben daarom van mening dat is gehandeld in overeenstemming met de algemene beginselen van behoorlijk bestuur, waaronder het zorgvuldigheids- en vertrouwensbeginsel.
Overigens staat het zorgverleners vrij om op basis van een beleidsvoornemen keuzes te maken in opleiding of loopbaan, maar deze keuzes worden dan gemaakt in een context waarin het wetgevingsproces nog niet is afgerond en uitkomsten kunnen wijzigen of niet doorgaan. Net als bij andere conceptwetsvoorstellen en beleidsvoornemens die uiteindelijk niet worden doorgezet, leidt het niet doorzetten van dit conceptwetsvoorstel en de communicatie hierover niet tot een overgangs- of coulanceregeling voor K&J-psychologen die zich hebben omgeschoold.
Zoals in mijn brief op 18 maart 2026 aan uw Kamer5 gemeld is dit op 4 februari 2026 door mijn ambtsvoorganger in het rondetafelgesprek met veldpartijen uit de ggz6 nogmaals toelicht. Veldpartijen hebben bevestigd dat zij dit standpunt begrijpen. Bovendien is tijdens het rondetafelgesprek afgesproken dat partijen met elkaar onderzoeken hoe K&J-psychologen breed ingezet kunnen worden.
Bent u bereid om alsnog spoedig in overleg te treden met deze groep van ongeveer 1.000 K&J-psychologen die door het intrekken van het wetsvoorstel (financieel) gedupeerd is, om met hen tot een passende overgangsregeling te komen, zoals de motie Bushoff/Van den Hil (Kamerstuk 29 282, nr. 598) eerder al vroeg?
Met het organiseren van een rondetafelgesprek met relevante veldpartijen heb ik uitvoering gegeven aan de motie Bushoff/Van den Hil.7 Zoals ook in mijn brief van 18 maart 20268 aan uw Kamer gemeld, had het rondetafelgesprek van 4 februari 2026 als doel om vanuit een faciliterende rol veldpartijen met elkaar in gesprek te brengen over knelpunten in de praktijk rond de inzet van K&J-psychologen, in het bijzonder in relatie tot het Landelijk Kwaliteitsstatuut ggz en het regiebehandelaarschap, en om ruimte te bieden voor het bespreken van mogelijke verbeteringen in de inzet en benutting van deze beroepsgroep.
De agenda voor dit rondetafelgesprek is in overleg met het Nederlands Instituut van Psychologen (NIP), de beroepsvereniging van psychologen, waaronder zowel K&J-psychologen als gz-psychologen, opgesteld. Voor dit rondetafelgesprek zijn de partijen uitgenodigd die betrokken zijn bij de betreffende veldnormen en kaders. Het NIP heeft aangegeven de belangen van K&J-psychologen te vertegenwoordigen. Daarnaast is aan het collectief van K&J-psychologen kenbaar gemaakt dat zij hun inbreng via het NIP konden aanleveren.
In reactie op de motie is uw Kamer ook geïnformeerd over het feit dat aan beleidsvoornemens bij een conceptwetsvoorstel geen rechten kunnen worden ontleend en dat een overgangsregeling voor K&J-psychologen niet aan de orde is.9 Ik ben continu in overleg met vertegenwoordigers van beroepsverenigingen, brancheorganisaties en cliëntenorganisaties en verwijs hierbij ook graag naar mijn antwoord op uw tweede vraag en het feit dat veldpartijen hebben bevestigd dat zij dit standpunt begrijpen.
Waarom heeft u niet overwogen om de wijziging van de wet BIG te beperken tot het opnemen van de K&J-psycholoog, aangezien uit de analyse van KPMG bleek dat de kritiek op het wetsvoorstel zich vrijwel uitsluitend richtte op het samenvoegen van de beroepen klinisch psycholoog en psychotherapeut?2
Ik herken die conclusie niet, aangezien uit de analyse van de internetconsultatie door KPMG niet blijkt dat de kritiek zich vrijwel uitsluitend richtte op de voorgestelde samenvoeging van de beroepen klinisch psycholoog en psychotherapeut.11
Uit de analyse blijkt dat in totaal 2.295 reactie op het conceptwetsvoorstel inhoudelijk zijn geanalyseerd. KPMG concludeert dat circa 85% van de respondenten negatief stond tegenover het wetsvoorstel in de voorgestelde vorm. Daarbij hadden de reacties betrekking op meerdere onderdelen van het voorstel en niet uitsluitend op één specifieke samenvoeging. In de analyse wordt onder meer gewezen op zorgen over de nieuwe beroepenstructuur, de gehanteerde terminologie, de uitvoerbaarheid van het voorstel, het draagvlak binnen de sector en de mogelijke gevolgen voor verschillende beroepsgroepen. Ook zijn afzonderlijke reacties van K&J-psychologen in de analyse betrokken. Daarnaast liepen de reacties uiteen ten aanzien van het deskundigheidsgebied van de nieuwe gz-psycholoog-generalist, waaronder de samenvoeging van gz-psychologen en K&J-psychologen, en de gevolgen daarvan voor de afbakening en herkenbaarheid van verschillende beroepsgroepen. Ook blijkt uit deze analyse dat veel respondenten van mening waren dat het conceptwetsvoorstel onvoldoende zou bijdragen aan de beoogde doelstellingen, waaronder het vereenvoudigen van de beroepenstructuur in de psychologische zorg en het vergroten van de transparantie voor patiënten en verwijzers en juist zou leiden tot meer onduidelijkheid.
Zoals in de brief aan uw Kamer van 12 november 202412 toegelicht is mede op basis van de zorgvuldige analyse van de reacties uit de internetconsultatie geconcludeerd om het gehele conceptwetsvoorstel niet door te zetten.
Erkent u dat een overgangsregeling voor K&J-psychologen een belangrijke bijdrage kan leveren aan het verminderen van de wachtlijsten in de volwassen-ggz?
Ik deel de veronderstelling niet dat een overgangsregeling voor K&J-psychologen een belangrijke bijdrage kan leveren aan het verminderen van de wachtlijsten in de volwassen-ggz. De instroom in de opleiding tot gz-psycholoog wordt op dit moment toereikend geacht om te voorzien in de verwachte zorgvraagontwikkeling. Het niet doorzetten van het conceptwetsvoorstel heeft geen effect op de capaciteit van de betrokken zorgmedewerkers. De instroom in de opleiding tot gz-psycholoog wordt op dit moment toereikend geacht om te voorzien in de verwachte zorgvraagontwikkeling. Zoals aan uw Kamer op 22 mei 2026 gemeld, stel ik voor de gz-psycholoog opleidingsplaatsen beschikbaar conform het demografische scenario van het Capaciteitsorgaan verminderd met het gemiddeld aantal onbeschikte opleidingsplekken van de afgelopen drie jaar.13 Ik verwacht dat dit aantal gecombineerd met de reeds 21.451 in het BIG-register geregistreerde gz-psychologen14 voor wat betreft deze beroepsgroep voldoende zal bijdragen aan de zorg in de ggz. Het is belangrijk dat er niet meer wordt opgeleid dan door het Capaciteitsorgaan geadviseerd om een zogenoemde varkenscyclus te voorkomen.
De oorzaken van de oplopende wachttijden in de geestelijke gezondheidszorg zijn divers en niet zonder meer terug te voeren op uitsluitend het aantal BIG-geregistreerde gz-psychologen. Zoals in mijn brief aan uw Kamer op 22 mei 202615 gemeld zie ik dat het ophogen van het aantal opleidingsplekken van gz-psychologen in algemene zin16, niet bijdraagt aan meer capaciteit in de gespecialiseerde ggz omdat – zoals ook in diverse rapporten17 geconstateerd – de uitstroom van gz-psychologen uit de ggz-instellingen naar de vrijgevestigde praktijken hoog is. Het moge duidelijk zijn dat met het meer opleiden van gz-psychologen de verschuiving naar complexere zorg niet zomaar te realiseren valt. Om de verschuiving naar complexere zorg te bevorderen zal ik een verkenning starten naar alternatieven voor de huidige financiering, die middels een beschikbaarheidsbijdrage loopt, van opleidingsplekken voor gz-psychologen. Daarbij zal ik nadrukkelijk de mogelijkheden verkennen om de acute en complexe ggz beter in staat te stellen om prikkels in te bouwen zodat de door hen opgeleide gz-psychologen langer voor de acute en complexe ggz blijven behouden. Tegelijkertijd kan het bestaande proces, dat zorgvuldig is vormgegeven, niet zomaar worden vervangen. Ook dat zal ik meenemen in de verkenning.
Hiernaast spelen ook organisatorische factoren een rol. De Inspectie Gezondheidszorg en Jeugd (IGJ) signaleert dat een gebrek aan samenwerking tussen zorgaanbieders leidt tot langere wachttijden en dat er nog onvoldoende afspraken zijn gemaakt over de verdeling van verantwoordelijkheden voor cliënten die op een wachtlijst staan. Hierdoor kent het terugdringen van de wachttijden in de ggz geen simpele oplossing, maar is een brede aanpak en een lange adem nodig. Met het IZA, het Gezond en Actief Leven Akkoord (GALA), de Aanpak Mentale gezondheid van ons allemaal en het Aanvullend Zorg en Welzijnsakkoord zetten we samen met aanbieders en verzekeraars belangrijke stappen.18
Bent u het ermee eens dat het voor de overgang van 18– naar 18+ zeer wenselijk is dat K&J-psychologen via de BIG-registratie ook aan de slag kunnen als GZ-psycholoog? Erkent u dat dit bijdraagt aan betere kwaliteit van zorg?
De overgang van 18- naar 18+ vraagt om goede samenwerking en afstemming tussen zorgprofessionals in de jeugd- en volwassen-ggz, maar daarvoor is een specifieke overgang van K&J-psychologen naar registratie als GZ-psycholoog niet noodzakelijk.
K&J-psychologen kunnen zorg verlenen aan jongvolwassenen van 18 tot circa 23 jaar en aan ouders binnen de gezinscontext en kunnen bovendien zonder BIG-registratie voor jongeren van 18 jaar en ouder, namelijk tot en met 19 jaar, regiebehandelaar zijn. Vanaf 18-jarige leeftijd valt de zorg in beginsel onder de Zorgverzekeringswet en is het Landelijk Kwaliteitsstatuut ggz (LKS) van toepassing.
Daarnaast bestaat er een overgangsregeling19 voor cliënten die tijdens hun behandeling 18 jaar worden: zij kunnen hun behandeling tijdelijk voortzetten onder de Zorgverzekeringswet bij hun bestaande behandelaar, mits deze is geregistreerd in het SKJ- of BIG-register. De regeling waarborgt continuïteit van zorg en geldt maximaal 365 dagen na het bereiken van de 18-jarige leeftijd.
Voor inzet van de K&J-psychologen in het jeugdveld is een BIG-registratie geen voorwaarde. Voor alle zorgmedewerkers in de jeugdhulp is de norm van de verantwoorde werktoedeling van toepassing, en het daaraan gekoppelde kwaliteitskader jeugd. De focus ligt daarbij op de inzet van SKJ óf BIG-geregistreerde zorgmedewerkers, rekening houdend met het niveau van kennis/vaardigheden, en het kunnen werken volgens hun beroepscode en richtlijnen. De K&J-psychologen kunnen zich bij het SKJ registeren, hier is niets aan veranderd.
De term regiebehandelaar volgt uit afspraken die veldpartijen zelf hebben gemaakt in het Landelijk Kwaliteitsstatuut ggz en is alleen van toepassing op curatieve GGZ die valt onder de Zorgverzekeringswet (18+). Voor de volwassen ggz geldt op grond van het LKS dat het regiebehandelaarschap is voorbehouden aan zorgverleners met een BIG-registratie. K&J-psychologen zonder BIG-registratie kunnen in de volwassen ggz wel werkzaamheden verrichten binnen de behandeling, maar kunnen geen regiebehandelaar zijn en dus geen eindverantwoordelijkheid dragen. Deze eis volgt uit de veldnorm, het LKS, en niet uit de Wet BIG. De Wet BIG zelf stelt geen eisen aan het regiebehandelaarschap. De eis uit het LKS kan als beperkend worden ervaren voor een brede en flexibele inzet van K&J-psychologen. Aangezien deze beperking voortvloeit uit veldafspraken en niet uit wettelijke bepalingen, ligt het in de rede dat het veld zelf ruimte creëert voor meer flexibiliteit in de inzet van K&J-psychologen.
Zoals in de brief van 18 maart 202620 aan uw Kamer gemeld, is hierover, naar aanleiding van de motie van de leden Bushoff (GroenLinks-PvdA) en Van den Hil (VVD) en de toezegging van mijn ambtsvoorganger in het tweeminutendebat op 26 november 2025, in een rondetafelgesprek op 4 februari 2026 uitgebreid gesproken met veldpartijen in de ggz die onderdeel zijn van het LKS.21 Tijdens het rondetafelgesprek is afgesproken dat partijen met elkaar onderzoeken waar het LKS de brede inzetbaarheid van K&J-psychologen precies raakt en welke eventuele aanpassingen helpend kunnen zijn om de ervaren beperkingen op te lossen. Afgesproken is dat partijen dit gezamenlijk oppakken en met elkaar bespreken in het bestuurlijk overleg over het LKS. Ik heb er alle vertrouwen in dat partijen dit in het vervolg samen oppakken en hierover concrete afspraken zullen maken.
Het uitgangspunt van de Wet BIG is dat beroepen alleen worden gereguleerd indien dat noodzakelijk is voor het bewaken van de patiëntveiligheid en kwaliteit van de individuele beroepsbeoefenaar.22 Het Zorginstituut Nederland heeft in 2022 aangegeven dat zwaardere regulering van het beroep K&J-psycholoog door opname in het BIG-register in dat licht niet noodzakelijk is, omdat de kwaliteit van de zorg reeds voldoende wordt gewaarborgd, onder meer via het Kwaliteitsregister Jeugd.23 K&J-psychologen kunnen al werken in de jeugdhulp en kunnen dat blijven doen, aangezien voor deze groep de norm van de verantwoorde werktoedeling van toepassing is.
Verzoeken tot regulering van beroepen komen niet altijd voort uit overwegingen van patiëntveiligheid of kwaliteit van de individuele zorgverlener, maar hangen samen met bijvoorbeeld verwachtingen over positie, beloning of declaratiemogelijkheden.24 Dit acht ik onwenselijk. Onnodige regulering kan de inzetbaarheid en mobiliteit van zorgprofessionals beperken en daarmee negatieve effecten hebben op de arbeidsmarkt, zoals tekorten en verminderde flexibiliteit. Daarom is het van belang terughoudend om te gaan met regulering en alleen in te zetten waar dit daadwerkelijk noodzakelijk is voor de kwaliteit van de individuele beroepsuitoefening en patiëntveiligheid.
Erkent u dat de overgangsregeling van 365 dagen die op dit moment geldt, tekortschiet voor een goede overgang? Deelt u de mening dat het onwenselijk is dat jongvolwassenen door het ontbreken van een goede overgangsregeling noodgedwongen opnieuw op een wachtlijst komen?
Zoals ik in mijn brief van 18 maart 202625 aan uw Kamer gemeld, kunnen K&J-psychologen zorg verlenen aan jongvolwassenen van 18 tot circa 23 jaar en aan ouders binnen de gezinscontext. Vanaf 18-jarige leeftijd valt de zorg in beginsel onder de Zorgverzekeringswet en is het Landelijk Kwaliteitsstatuut ggz (LKS) van toepassing. De hierin opgenomen overgangsregeling26 van jeugd-ggz naar volwassen-ggz is sinds 1 januari 2017 van toepassing en is opgesteld in samenwerking tussen zorgaanbieders, beroepsgroepen, zorgverzekeraars en andere relevante betrokkenen.27
De periode rond het achttiende levensjaar is een kwetsbare fase voor jongeren met psychische problematiek. Het is daarom van belang om de continuïteit van zorg te waarborgen bij de overgang van jeugdhulp naar zorg op grond van de zorgverzekeringswet (Zvw). De overgangsregeling dient hierin ter ondersteuning door behoud van de opgebouwde behandelrelatie voor een periode van één jaar mogelijk te maken.
De overgangsregeling in het LKS kent een maximale duur van 365 dagen en is erop gericht de continuïteit van zorg te waarborgen, door afronding van de behandeling of een zorgvuldige overdracht naar de volwassen-ggz mogelijk te maken. Het is de bedoeling dat de overgangsregeling in het LKS wordt benut als overbruggingsperiode om een soepele overgang zonder abrupte beëindiging van zorg te realiseren. Dit betekent dat deze periode gebruikt wordt als overbrugging van de jeugd-ggz naar de volwassen-ggz in het geval dat de behandeling niet in deze periode kan worden afgerond. Binnen deze periode staat een zorgvuldige voorbereiding op de overgang centraal.
Samen met gemeenten, jeugdhulpaanbieders en zorgverzekeraars wordt ingezet op verdere verbetering van de overgang van jeugdhulp naar de volwassen-ggz als geheel. Dit onderwerp maakt daarom onderdeel uit van de Versterkingsagenda Mentale Gezondheid en GGZ.
Deelt u de mening dat dit, in tegenstelling tot wat u eerder in Kamerbrieven stelde, juist een besparing kan opleveren in plaats van hogere kosten?
Die conclusie deel ik niet. Zoals eerder aan uw Kamer is toegelicht, is geconcludeerd dat omzetting van K&J-psychologen naar een BIG-beroep kan leiden tot hogere zorgkosten. Deze hogere zorgkosten vormden één van de redenen voor het niet doorzetten van het conceptwetsvoorstel en is gebaseerd op de impactanalyse van SIRM.28 In dit rapport is expliciet berekend dat de opname van K&J-psychologen in artikel 3 Wet BIG zou leiden tot een stijging van loonkosten met circa € 6 miljoen per jaar, uitgaande van ongeveer 460 fte K&J psychologen en een gemiddeld loonverschil van € 12.000 per fte. Wanneer deze berekening wordt doorgetrokken naar een groep van bijvoorbeeld 1.000 K&J-psychologen zal dit naar verwachting naar rato hoger uitkomen.
De beschikbaarheid van opleidingsplaatsen en de daaraan verbonden publieke bekostiging is gebaseerd op de instroombehoefte op basis van de raming door het Capaciteitsorgaan. Daar bovenop heeft het Zorginstituut Nederland in 2022 geconcludeerd dat er geen sprake is van een eenduidige opleiding tot Kinder- en Jeugdpsycholoog NIP die voldoet aan de criteria voor opname in artikel 3 van de Wet BIG. Daarbij heeft het Zorginstituut vastgesteld dat meerdere routes kunnen leiden tot registratie als Kinder- en Jeugdpsycholoog NIP, die inhoudelijk van elkaar verschillen en geen uniforme eindtermen kennen.29 Dit onderscheidt zich van de opleiding tot gz-psycholoog, die is vormgegeven als een wettelijk gereguleerde BIG-opleiding met een landelijk vastgesteld curriculum, uniforme opleidingseisen en publiekrechtelijke kwaliteitsborging. Voor de instroom in de opleiding tot gz-psycholoog is daarbij niet alleen de eerdere opleiding van betrokkenen relevant, maar ook de eisen die specifiek verbonden zijn aan het BIG-beroep gz-psycholoog en de daarmee samenhangende verantwoordelijkheden.
Dat in het veld wordt gesproken over overlap of inhoudelijke verwantschap tussen opleidingen, doet niet af aan het feit dat het gaat om twee verschillende opleidingen en beroepen met onderscheidende kaders en eindtermen. Dat K&J-psychologen en gz-psychologen in de praktijk vergelijkbare werkzaamheden kunnen verrichten in het jeugddomein, laat dit onverlet. De keuze om al dan niet te starten met de opleiding tot gz-psycholoog blijft een individuele keuze binnen deze bestaande structuur.
Ten slotte, zoals genoemd in de kabinetsreactie van 22 mei 2026 op de raming van het Capaciteitsorgaan, ben ik voornemens om vanaf 2028 voor een beperkt aantal psychologen een verkort opleidingstraject te realiseren.30 Dit om perspectief te bieden aan psychologen die al langere tijd wachten op een vervolgopleiding tot gz-psycholoog en reeds veel werkervaring hebben. Hierbij zal de randvoorwaarde gelden dat dit niet zal leiden tot een uitbreiding van het aantal opleidingsplaatsen hoger dan de door het Capaciteitsorgaan geraamde aantallen.
Erkent u dat een overgangsregeling voor K&J-psychologen, in tegenstelling tot wat u eerder aangaf, juist leidt tot een méér flexibele arbeidsmarkt, aangezien zij vanwege ontbrekende regelgeving nu niet kunnen doorstromen naar functies waar de meeste tekorten zijn?
Het doel van de Wet BIG is om de patiëntveiligheid te bewaken en de kwaliteit van de individuele beroepsbeoefenaar te bevorderen. Zoals ik op 18 maart 2026 aan uw Kamer heb gemeld komen verzoeken tot regulering van beroepen niet altijd voort uit overwegingen van patiëntveiligheid of kwaliteit van zorg, maar hangen deze samen met bijvoorbeeld verwachtingen over positie, beloning of declaratiemogelijkheden.31 Dit acht ik onwenselijk. Onnodige regulering kan de inzetbaarheid en mobiliteit van zorgprofessionals beperken en daarmee negatieve effecten hebben op de arbeidsmarkt, zoals tekorten en verminderde flexibiliteit en onnodige administratieve lasten. Daarom is het van belang terughoudend om te gaan met regulering en alleen in te zetten waar dit daadwerkelijk noodzakelijk is voor de kwaliteit van de individuele beroepsuitoefening en patiëntveiligheid.
Daarnaast wordt in het Integraal Zorgakkoord (IZA) en het Aanvullend Zorg- en Welzijnsakkoord (AZWA) juist ingezet op het beter benutten van de beschikbare zorgcapaciteit door middel van taakdifferentiatie en taakherschikking, waarbij taken worden verdeeld op basis van competenties en bekwaamheid. In dat kader wordt ook gewerkt aan een betere en doelmatigere invulling van opleidings- en instroomcapaciteit binnen de ggz, waaronder voor het specialisme klinisch psycholoog, zodat schaarse capaciteit zo effectief mogelijk wordt ingezet binnen het bestaande stelsel.
Daarmee wordt binnen het bestaande stelsel beoogd de inzet van professionals te optimaliseren en de schaarse capaciteit zo doelmatig mogelijk in te zetten.
Erkent u vervolgens ook dat het gelijkschakelen van K&J-psychologen met GZ-psychologen kan leiden tot minder administratieve lastendruk?
Zie antwoord vraag 9.
Klopt het dat het mogelijk is om, zoals in de Twentse gemeenten blijkbaar het geval is, af te wijken van het Landelijk Kwaliteitsinstituut GGZ (LKS) dat K&J-psychologen zonder BIG-registratie geen regiebehandelaar kunnen zijn? Geldt dit dan uitsluitend voor de Jeugdwet (jeugd-ggz) of ook voor de Zorgverzekeringswet (volwassen-ggz)?
K&J-psychologen kunnen zorg verlenen aan jongvolwassenen van 18 tot circa 23 jaar en aan ouders binnen de gezinscontext en kunnen bovendien zonder BIG-registratie voor jongeren van 18 jaar en ouder, namelijk tot en met 19 jaar, regiebehandelaar zijn. Vanaf 18-jarige leeftijd valt de zorg in beginsel onder de Zorgverzekeringswet en is het Landelijk Kwaliteitsstatuut ggz (LKS) van toepassing.
Daarnaast bestaat er een overgangsregeling32 voor cliënten die tijdens hun behandeling 18 jaar worden: zij kunnen hun behandeling tijdelijk voortzetten onder de Zorgverzekeringswet bij hun bestaande behandelaar, mits deze is geregistreerd in het SKJ- of BIG-register. De regeling waarborgt continuïteit van zorg en geldt maximaal 365 dagen na het bereiken van de 18-jarige leeftijd.
Voor inzet van de K&J-psychologen in het jeugdveld is een BIG-registratie geen voorwaarde. Voor alle zorgmedewerkers in de jeugdhulp is de norm van de verantwoorde werktoedeling van toepassing, en het daaraan gekoppelde kwaliteitskader jeugd. De focus ligt daarbij op de inzet van SKJ óf BIG-geregistreerde zorgmedewerkers, rekening houdend met het niveau van kennis/vaardigheden, en het kunnen werken volgens hun beroepscode en richtlijnen. De K&J-psychologen kunnen zich bij het SKJ registeren, hier is niets aan veranderd.
De term regiebehandelaar volgt uit afspraken die veldpartijen zelf hebben gemaakt in het Landelijk Kwaliteitsstatuut ggz en is alleen van toepassing op curatieve GGZ die valt onder de Zorgverzekeringswet (18+). Voor de volwassen ggz geldt op grond van het LKS dat het regiebehandelaarschap is voorbehouden aan zorgverleners met een BIG-registratie. K&J-psychologen zonder BIG-registratie kunnen in de volwassen ggz wel werkzaamheden verrichten binnen de behandeling, maar kunnen geen regiebehandelaar zijn en dus geen eindverantwoordelijkheid dragen. Deze eis volgt uit de veldnorm, het LKS, en niet uit de Wet BIG. De Wet BIG zelf stelt geen eisen aan het regiebehandelaarschap. De eis uit het LKS kan als beperkend worden ervaren voor een brede en flexibele inzet van K&J-psychologen. Aangezien deze beperking voortvloeit uit veldafspraken en niet uit wettelijke bepalingen, ligt het in de rede dat het veld zelf ruimte creëert voor meer flexibiliteit in de inzet van K&J-psychologen.
Binnen het LKS is het zogenoemde «comply or explain»-principe van toepassing.33 Dit principe houdt in dat zorgaanbieders zich in beginsel aan het LKS houden, maar daar incidenteel en gemotiveerd van kunnen afwijken in hun eigen kwaliteitsstatuut. Zorgverzekeraars, IGJ en NZa houden hier toezicht op.
Partijen kunnen in beginsel zelf afspraken maken over de invulling van dit principe binnen het LKS. Daarbij geldt wel dat eventuele uitzonderingen zeer specifiek moeten worden uitgewerkt, bijvoorbeeld naar type zorgsetting en doelgroep. Het Ministerie van VWS heeft hierbij geen inhoudelijke rol.
Het onderwerp van de brede inzetbaarheid van K&J-psychologen binnen het LKS is ook aan de orde geweest tijdens het rondetafelgesprek dat op 4 februari 2026 met veldpartijen uit de ggz heeft plaatsgevonden.34 In dat gesprek is afgesproken dat partijen met elkaar onderzoeken hoe K&J-psychologen breder kunnen worden ingezet, onder andere door te kijken naar de mogelijkheden binnen de veldafspraken in LKS. Tijdens het rondetafelgesprek is afgesproken dat partijen met elkaar onderzoeken waar het LKS de brede inzetbaarheid van K&J-psychologen precies raakt en welk eventuele aanpassingen helpend kunnen zijn om de ervaren beperkingen op te lossen. Afgesproken is dat partijen dit gezamenlijk oppakken en met elkaar bespreken in het bestuurlijk overleg over het LKS. Ik heb er alle vertrouwen in dat partijen dit in het vervolg samen oppakken en hierover concrete afspraken zullen maken.
Klopt het dat u tijdens het tweeminutendebat Onderzoeks- en Wetenschapsbeleid d.d. 16 april 2026 instemmend heeft gereageerd op een opmerking van het lid Rooderkerk waarin werd gesteld dat in de uitwerking 1.1 van de gedragscode staat dat de wetenschapsbeoefenaar weet dat wetenschap uiteindelijk gericht is op waarheidsvinding?1
Ja.
Heeft u daarbij gedoeld op de passage «De wetenschapsbeoefenaar weet dat wetenschap uiteindelijk is gericht op waarheidsvinding en dat hij daarom bij de presentatie van de aard en reikwijdte van zijn resultaten zo precies mogelijk dient te zijn. Hij zal dus niet liegen over zijn bevindingen of over daaraan verbonden onzekerheden. Zorgvuldigheid strekt zich ook uit tot het presenteren van twijfels en contra indicaties»?
Ja.
Bent u ervan op de hoogte dat deze passage niet voorkomt in de geldende Nederlandse gedragscode wetenschappelijke integriteit, maar afkomstig is uit de oude Nederlandse Gedragscode Wetenschapsbeoefening (herziening 2014) van de VSNU?2
Ja.
Klopt het dat in de Nederlandse gedragscode wetenschappelijke integriteit (2018) expliciet is opgenomen dat de Nederlandse Gedragscode Wetenschapsbeoefening (herziening 2014) wordt ingetrokken?
Ja. Met de start van de Nederlandse Gedragscode Wetenschappelijke Integriteit 2018 (NGWI2018) is de Nederlandse Gedragscode Wetenschapsbeoefening 2014 (NGW2014) ingetrokken omdat duidelijk moet zijn welke code van toepassing is bij een eventuele klachtenprocedure. Om die reden is de NGW2014 van toepassing gebleven op voltooide onderzoeken voor de inwerkingtreding van de NGWI2018 en voor gestarte onderzoeksactiviteiten die bij de inwerkingtreding van de NGWI2018 nog niet waren voltooid.
Klopt het dat in de geldende versie van 2018 de woorden «objectiviteit» en «waarheidsvinding» niet worden benoemd als normatief uitgangspunt en evenmin als zelfstandig kernbegrip worden gehanteerd?3
Ja. De Nederlandse Gedragscode Wetenschappelijke Integriteit 2018 is opgebouwd langs vijf fundamentele principes: eerlijkheid, zorgvuldigheid, transparantie, onafhankelijkheid en verantwoordelijkheid en spreekt niet over normatieve uitgangspunten of kernbegrippen. Deze principes komen voor een groot deel overeen met de principes uit de NGW2014. In beide codes worden de principes verder uitgelegd, waarbij in de NGW2014 de woorden «objectiviteit» en «waarheidsvinding» gebruikt zijn. In de NGWI2018 is gekozen voor andere woorden om de principes uit te werken.
Hoe reflecteert u op het feit dat de Kamer is geïnformeerd op basis van een passage die niet voorkomt in de geldende gedragscode wetenschappelijke integriteit?
Mijn reactie ging in de snelheid van het debat, het ging inderdaad ten onrechte over de vorige versie.
Indien door deze Kamervragen vast komt te staan dat de woorden objectiviteit en waarheidsvinding niet voor komen in de vigerende gedragscode van 2018, bent u dan bereid de motie alsnog «Oordeel Kamer» te geven?
Ik ben niet bereid om de motie Oordeel Kamer te geven. In de motie wordt gevraagd om invloed uit te oefenen op de inhoud van de NGWI, vanwege de onafhankelijkheid van deze code heb ik daar als Minister geen invloed op. De NGWI is een code die door instellingen uit het veld zelf wordt opgesteld. Zij zijn verantwoordelijk voor het creëren van een werkomgeving waarin wetenschappelijke integriteit is geborgd.
Bent u bereid deze vragen uiterlijk 11 mei 2026 te beantwoorden?
Ja.
Het bericht dat de grootste dronebouwer van Oekraïne geen zaken doet met Nederland, door 'te veel bureaucratie’ |
|
Tamara ten Hove (PVV) |
|
Derk Boswijk (CDA) |
|
|
|
|
Bent u bekend met het artikel «Grootste dronebouwer van Oekraïne komt niet naar Nederland, «te veel bureaucratie»?1
Ja.
Welke concrete regelgeving of procedures vormden volgens u de grootste knelpunten voor Fire Point om een productielijn in Nederland op te zetten en hoe werkt u eraan om deze knelpunten in de toekomst te voorkomen?
Zowel het Ministerie van Defensie als het Ministerie van Economische Zaken en Klimaat waren niet op de hoogte van de interesse van deze droneproducent om productie te verplaatsen naar Nederland. Er hebben dan ook geen gesprekken plaatsgevonden met de betreffende producent over mogelijke vestiging in Nederland. Om deze reden is er niet in kaart gebracht welke Nederlandse of Europese regels of vergunningsplichten belemmerend zouden zijn voor de betreffende producent.
Om te leren van Oekraïense innovaties zet het kabinet in op het versterken van de industriesamenwerking met Oekraïne. Nederland neemt actief deel aan het initiatief Build With Ukraine, waarmee coproductie met Oekraïense bedrijven in Nederland mogelijk gemaakt wordt. Dit creëert een win-win-win: de productiecapaciteit van bewezen effectieve systemen voor Oekraïne wordt vergroot, de Nederlandse industrie wordt opgeschaald en we krijgen toegang tot innovaties van het slagveld. Op 10 oktober jl. heeft Nederland hierover een Memorandum van Overeenstemming (MoU) getekend met Oekraïne. Op 16 april jl. is een belangrijke volgende stap gezet – VDL heeft een licentieovereenkomst getekend met het Oekraïense GreentechHarvest voor de productie van twee typen drones in Born. Dit is het eerste coproductieproject tussen Nederland en Oekraïne. We zoeken actief naar volgende projecten waarin de kracht van de Oekraïense en Nederlandse defensie-industrie elkaar kunnen versterken. Indien Oekraïense bedrijven zoals Fire Point de ambitie hebben om in Nederland te produceren staat het kabinet open om de mogelijkheden te verkennen, bijvoorbeeld door het betrekken van Nederlandse bedrijven en bestaande productiefaciliteiten.
Heeft Defensie na het besluit van Fire Point nog contact opgenomen met het bedrijf, en zo ja, welke concrete acties zijn ondernomen om alsnog (delen van) de productie naar Nederland te halen of een alternatieve samenwerking te realiseren?
Ja. Defensie heeft Fire Point uitgenodigd voor een gesprek naar aanleiding van de berichtgeving. Dit gesprek heeft nog niet plaatsgevonden.
Hoe verhoudt de Nederlandse bureaucratische doorlooptijd zich tot die in Denemarken, waar Fire Point wél een fabriek voor raketbrandstof gaat bouwen, en welke lessen trekt het kabinet hieruit voor het Nederlandse vestigingsklimaat voor defensiebedrijven?
De Nederlandse insteek van Build With Ukraine is de productie van Oekraïense systemen door Nederlandse bedrijven en in bestaande productiefaciliteiten, in plaats van de vestiging van Oekraïense bedrijven op Nederlands grondgebied, zoals bij Denemarken het geval is. Dit maakt in onze situatie productie sneller mogelijk gezien de grote druk op de fysieke leefomgeving.
Het kabinet deelt de ambitie om innovatie en opschaling te versnellen. Het Ministerie van Economische Zaken en Klimaat zet hiervoor in op twee sporen: vermindering van regeldruk en verbetering van het vestigingsklimaat. Het Deense voorbeeld van versnelde defensieprojecten neemt het Ministerie van Economische Zaken en Klimaat mee in de afwegingen. Echter, Nederland heeft een eigen juridisch en bestuurlijk kader, waarin we moeten zoeken naar praktische oplossingen die passen bij onze context. In nauw overleg met collega’s van de betrokken ministeries worden knelpunten in kaart gebracht en waar mogelijk opgelost. De Kamer wordt tijdig geïnformeerd over de voortgang en eventuele beleidswijzigingen.
Hoeveel Oekraïense of andere buitenlandse defensiebedrijven hebben de afgelopen twee jaar interesse getoond in vestiging of productie in Nederland en bij hoeveel van deze bedrijven is dit niet doorgegaan vanwege bureaucratie?
Nederland wil de industriesamenwerking met Oekraïne versterken om te leren van Oekraïense innovaties. Dit gebeurt niet alleen via coproductie. Het Ministerie van Defensie en EZK hebben, o.a. in samenwerking met de brancheorganisatie Nederlandse Industrie voor Defensie & Veiligheid (NIDV), verschillende handelsmissies naar Oekraïne georganiseerd met Nederlandse defensie bedrijven. Hieruit is een groot aantal samenwerkingsverbanden ontstaan tussen Nederlandse en Oekraïense bedrijven die verschillende vormen en intensiteiten kennen. Dit gaat van de levering, ontwikkeling en productie van systemen tot het gezamenlijk innoveren, moderniseren en onderhouden van systemen. Bedrijven willen zelf niet altijd over deze samenwerking in de openbaarheid treden en de contacten zijn soms alleen van bedrijf tot bedrijf in verband met commerciële vertrouwelijkheid. Het is dan ook onmogelijk te zeggen hoeveel bedrijven dit exact betreft, en of regelgeving een struikelblok heeft gevormd. Wel kunnen we bevestigen dat er met meerdere bedrijven en samenwerkingsverbanden gesprekken worden gevoerd over mogelijke productie in Nederland.
Wat zijn de ambities van het kabinet betreffende langeafstandswapens en hoe wilt u dit realiseren als een fabriek op Nederlands grondgebied niet lukt?
De krijgsmacht moet in staat zijn om te vechten en te winnen. Daarom wil Defensie beschikken over de capaciteit om moeilijk bereikbare militaire doelen van een tegenstander op grote afstand uit te schakelen. Voorbeelden hiervan zijn vijandelijke luchtverdedigings- en vuursteunsystemen, logistieke opslaglocaties en hoofdkwartieren. Deze wapens kunnen al in de eerste fase van een conflict essentiële capaciteiten van de tegenstander uitschakelen en leveren een belangrijke bijdrage aan de versterking van de gezamenlijke afschrikking en de verdediging. Daarom zet Defensie in op de versterking van deze capaciteit door de aanschaf van verschillende typen langeafstandsbewapening, de aanvulling van de inzetvoorraden munitie en het versterken van de Nederlandse en Europese productiecapaciteit.
Hiervoor maakt Defensie waar mogelijk gebruik van vraagbundeling met partnerlanden of verwerving via de NATO Supply and Procurement Agency (NSPA). Daarnaast worden via het Foreign Military Sales (FMS) proces verschillende kapitale munitie-artikelen verworven waarvoor op korte en middellange termijn geen Europese alternatieven beschikbaar zijn. De verkenning van coproductie van kapitale munitie loopt momenteel nog.
Indien antwoorden op één of meer vragen vertrouwelijk zijn, is het dan mogelijk om vertrouwelijk gebrieft te worden?
Dit is niet aan de orde.
Kunt u deze vragen beantwoorden vóór het commissiedebat Materieel van 3 juni 2026?
Ja.
Het bericht dat veel Nederlandse studenten die zich aanmelden voor numerus fixus studies waar veel behoefte aan is buiten de boot vallen |
|
Diederik Boomsma (CDA) |
|
Letschert |
|
|
|
|
Bent u bekend met het artikel van een hoogleraar Process analytics aan de TU/e, in Cursor, het journalistieke medium van de TU/e, over de numerus fixus op de studie bouw- en werktuigkunde en het gevolg dat veel Nederlandse aanmelders worden afgewezen, hoewel die ten opzichte van buitenlandse kandidaten een kleine minderheid vormen?1
Ja
Hoeveel Nederlandse kandidaten zijn uiteindelijk tot elk van de studies bouw- en werktuigkunde en informatica toegelaten? (Bij werktuigbouwkunde hebben volgens Cursor slechts 279 van de 1.445 aanmelders de Nederlandse nationaliteit, bij bouwkunde is dat 236 van de 509 aanmelders en bij informatica slechts 95 van de 820)
Het proces van plaatsing en inschrijving voor studiejaar 2026–2027 loopt op dit moment nog. Daarom zijn cijfers over de resultaten van de selectieprocedure waarover in het artikel wordt geschreven nog niet te geven. Om die reden zijn hieronder de cijfers voor studiejaar 2025–2026 weergegeven.
Aanmeldingen en instroom bij bacheloropleidingen TU/e met een numerus fixus naar herkomst voor studiejaar 2025–20262
NL (%)
EER (%)
niet-EER (%)
Totaal
Vooraanmeldingen
382
(30,0%)
340
(36,2%)
217
(23,1%)
939
(100%)
Deelgenomen aan selectie
274
(50,3%)
198
(36,3%)
73
(13,4%)
545
(100%)
Toegelaten/plaats aangeboden
244
(47,7%)
194
(38,0%)
70
(13,7%)
511
(100%)
Ingeschreven per 1 oktober 2025
194
(58,7%)
110
(33,2%)
27
(8,2%)
331
(100%)
NL (%)
EER (%)
niet-EER (%)
Totaal
Vooraanmeldingen
336
(16,3%)
841
(40,9%)
881
(42,8%)
2058
(100%)
Deelgenomen aan selectie
242
(19,4%)
591
(47,3%)
416
(33,3%)
1249
(100%)
Toegelaten/plaats aangeboden
122
(17,1%)
382
(53,7%)
208
(29,2%)
712
(100%)
Ingeschreven per 1 oktober 2025
88
(24,8%)
165
(46,5%)
102
(28,7%)
355
(100%)
NL (%)
EER (%)
niet-EER (%)
Totaal
Vooraanmeldingen
454
(23,8%)
841
(44,2%)
609
(40,0%)
1904
(100%)
Deelgenomen aan selectie
336
(27,2%)
599
(48,5%)
301
(24,4%)
1236
(100%)
Toegelaten/plaats aangeboden
232
(26,7%)
446
(51,4%)
190
(21,9%)
868
(100%)
Ingeschreven per 1 oktober 2025
192
(40,9%)
204
(43,5%)
73
(15,6%)
469
(100%)
Zoals is te zien, valt er een hoop studenten af tussen de vooraanmeldingen en de uiteindelijke deelname aan selectie, en wordt aan veel meer studenten een plaats aangeboden dan uiteindelijk ook daadwerkelijk worden ingeschreven. Dit heeft verschillende redenen. Veel studenten melden zich bij meerdere opleidingen aan en kiezen pas later waar ze ook daadwerkelijk meedoen aan de selectie of waar ze een aangeboden plaats accepteren. Ook vallen studenten af die niet aan de vooropleidingseisen voldoen. Ter vergelijking: ook bij niet-selecterende opleidingen valt een groot deel van de studenten die zich aanmelden nog af, voordat de opleiding is gestart. De TU/e laat weten dat van de 7570 vooraanmeldingen bij niet-selecterende opleidingen uiteindelijk slechts 1870 studenten zijn gestart.
Voor de context, en omdat de opleiding Luchtvaart- en Ruimtevaarttechniek van de TU Delft in deze vragen expliciet genoemd wordt, geef ik hierbij ook de instroomcijfers voor de opleiding Luchtvaart- en ruimtevaarttechniek.
NL (%)
EER (%)
niet-EER (%)
Totaal
Vooraanmeldingen1
668 (19,7%)
1560
(45,9%)
1168 (34,4%)
3396
(100%)
Ingeschreven per 1 oktober 20252
101
(23,1%)
261
(59,7%)
75
(17,2%)
437
(100%)
Bron: TU Delft.
Bron: DUO.
Hoe beoordeelt u dat niet één klasgenoot van de zoon van de auteur – allen uit de regio Eindhoven – is toegelaten tot de studie werktuigbouwkunde of bouwkunde, terwijl de regio Eindhoven een grote behoefte heeft aan werktuigbouwkundigen en informatici, de TU/e studenten afwijst die al in Eindhoven wonen en die studies willen volgen en bent u het ermee eens dat dit onwenselijk is?
Voor de genoemde klasgenoten is het natuurlijk jammer dat zij niet direct kunnen worden toegelaten. Het is heel fijn als studenten kunnen starten op de opleiding van hun eerste keus. Tegelijkertijd is dit vanwege capaciteitsgebrek en onvoldoende beschikbaarheid van docenten niet altijd overal mogelijk. Nederland kent een zeer toegankelijk onderwijsstelsel, waarbij in principe iedereen die een havo- of vwo-diploma heeft behaald met het juiste vakkenpakket, meteen toelaatbaar is voor een bacheloropleiding. Er zijn slechts zeer beperkt uitzonderingen hierop. Een numerus fixus is hier een voorbeeld van. Instellingen mogen enkel een numerus fixus instellen als een opleiding onvoldoende capaciteit heeft om alle studenten die zich aanmelden ook daadwerkelijk toe te laten, bijvoorbeeld omdat er onvoldoende docenten beschikbaar zijn om kwalitatief goed onderwijs te kunnen geven.
Van alle Nederlandse bacheloropleidingen heeft, op basis van cijfers van DUO, slechts 5% zo’n numerus fixus. De ervaring leert dat uiteindelijk veel kandidaten hun plaats niet accepteren, bijvoorbeeld omdat ze zich bij meerdere opleidingen hebben aangemeld voor selectie en pas nadat zij de uitslag daarvan hebben gehoord een keuze maken. Vaak maken ook studenten die lager op de ranglijst staan nog een reële kans om een plaats aangeboden te krijgen. Uiteindelijk kan slechts ± 5% van de aspirant-studenten niet starten op de eerste keus opleiding. Zij kunnen wel altijd terecht bij een tweede keus opleiding.3
Ik ben in dit kader overigens verheugd om te zien dat Nederlandse studenten het op basis van de cijfers van de TU/e bij antwoord 2 goed lijken te doen in de selectie. In alle gevallen is, afgezet tegen het aandeel internationale studenten, het percentage Nederlandse studenten dat start aan de opleiding groter dan het percentage Nederlandse studenten dat zich voor de opleiding had aangemeld en meedeed aan de selectie.
Hoe beoordeelt u het feit dat driekwart van de vooraanmeldingen bestaat uit buitenlandse studenten, waarmee de kansen voor Nederlanders aanzienlijk kleiner zijn geworden? (Aan de TU Delft heeft de Engelstalige bachelor Lucht- en ruimtevaarttechniek (LR) plek voor zo’n 440 eerstejaars, waarvoor ongeveer 3.000 studenten zich hebben aangemeld)
Het Nederlandse vervolgonderwijs leidt primair op voor de Nederlandse gemeenschap en arbeidsmarkt.4 Ik ben er trots op dat in Nederland onderwijs van zulke hoogwaardige kwaliteit wordt aangeboden, dat dit studenten trekt van over de hele wereld. De opleiding Luchtvaart- en ruimtevaarttechniek is hier een voorbeeld van. We kunnen dit internationale talent heel goed gebruiken, zeker ook in de technieksector. Die internationalisering moet wel in balans zijn, zodat kwaliteit, toegankelijkheid en doelmatigheid van het onderwijs geborgd blijven.
De instroom bij een opleiding zoals Luchtvaart- en ruimtevaart beoordeel ik vanuit het breder perspectief op het onderwijsstelsel, dat ook voor Nederlandse aspirant-studenten goed toegankelijk is. Gezien het feit dat op dit moment slechts een beperkt aantal bacheloropleidingen in de technieksector een numerus fixus heeft,5 maak ik mij nog geen zorgen over de toegankelijkheid van het stelsel – en hierbinnen de techniekopleidingen – voor Nederlandse studenten. Hoe vervelend het ook is dat een aspirant-student niet (meteen) kan worden toegelaten tot de opleiding van de eerste keuze, is er binnen Nederland altijd een hoogwaardig alternatief beschikbaar in de technieksector dat wel vrij toegankelijk is, regelmatig ook (gedeeltelijk) in het Nederlands.6 Het kan wel zijn dat daarvoor verder gereisd moet worden.
Tegelijkertijd zien we dat het aantal aanmeldingen bij deze zeer populaire studies nog altijd sterk stijgt. Het aantal aanmeldingen voor Luchtvaart- en ruimtevaarttechniek is vanaf 2022 bijvoorbeeld bijna verdubbeld van ruim 2200 naar bijna 4400 aanmeldingen in 2026. Die stijging komt met name van internationale studenten. Het aandeel niet-EER-studenten steeg van 30% naar 42%. Het is ook zeer moeilijk om te sturen op aanmeldingen. Wel kan er binnen bepaalde grenzen ingegrepen worden op wie wordt toegelaten. De reeds aangekondigde mogelijkheid voor een fixus op niet-EER-studenten zou de toegankelijkheid voor Nederlandse studenten en andere EU-studenten op deze opleidingen dus ten goede komen (zie ook antwoord 9). Instellingen vragen ook al jaren om deze mogelijkheid. Voor het overige kan alleen worden geselecteerd op basis van (ten minste twee) kwalitatieve selectiecriteria. Daarbinnen gaan instellingen zelf over de invulling van hun selectieprocedure. Selecteren op basis van nationaliteit is niet mogelijk.
Ervan uitgaande dat de Nederlandse kandidaten voor Lucht- en ruimtevaart even goed scoren op de toelatingstoetsen als hun buitenlandse concurrenten, zou dat betekenen dat zij uiteindelijk 100 van de 440 plaatsen innemen; hoe beoordeelt u deze uitkomst?
Zie antwoord vraag 4.
Bent u het ermee eens dat het de primaire taak van de Nederlandse regering is om het mogelijk te maken voor Nederlandse studenten om deze studies te kunnen volgen, bij voorkeur en indien zij dat wensen, in hun eigen regio? Graag een toelichting.
Zie antwoord vraag 4.
Bent u het ermee eens dat het een onwenselijk gevolg is van het hanteren van een numerus fixus bij een Engelstalige opleiding dat Nederlandse studenten uit de eigen regio een hoge kans hebben om buiten de boot te vallen? Graag een toelichting.
Op dit moment zijn er geen indicaties dat grote groepen studenten buiten de boot vallen als gevolg van een numerus fixus bij een Engelstalige opleiding. Mocht dat in de toekomst wel dreigen te gebeuren, dan kunnen de in het wetsvoorstel Wet internationalisering in balans voorgestelde aanvullende fixusinstrumenten mogelijk een oplossing bieden (zie ook antwoord 9), naast de reeds bestaande mogelijkheid om bij bacheloropleidingen een aparte fixus in te stellen voor een Nederlandstalig en Engelstalig traject binnen dezelfde opleiding.
De universiteiten hebben eerder in hun zelfregieplannen rondom internationalisering ook voorgesteld om vaker een Nederlandstalig traject naast een Engelstalig traject te starten. Ik juich het van harte toe als instellingen dit vaker doen. Daarbij is wel voorwaardelijk dat er voldoende Nederlandstalig personeel beschikbaar is. Ik zal dit meenemen in mijn gesprekken met de instellingen over internationalisering en de zelfregie.
Zou een oplossing zijn om bij Engelstalige opleidingen waarvoor een numerus fixus bestaat, in ieder geval ook een traject aan te bieden met een belangrijk deel aan Nederlandstalige lessen en hoe ziet u de wenselijkheid van dergelijke stappen?
Zie antwoord vraag 7.
Is het (juridisch) mogelijk om opleidingen te verplichten om een minimum aantal plaatsen te reserveren voor Nederlandse studenten?
Het stelsel van toelating en selectie bij numerus fixusopleidingen is gestoeld op de gedachte dat de meest geschikte student een van de beperkte plaatsen krijgt toegewezen. Er is binnen het EU-recht geen ruimte om daarbij onderscheid te maken naar nationaliteit en dus Nederlanders voorrang te geven. Wel kan het onder voorwaarden mogelijk gemaakt worden om onderscheid te maken tussen EER- en niet-EER-studenten. Het wetsvoorstel Wet internationalisering in balans bevat een wijziging van de WHW om dit mogelijk te maken. De voorgestelde niet-EER-fixus zou echter altijd een instrument zijn voor instellingen zelf om in te zetten. Het is niet mogelijk om instellingen te verplichten hier gebruik van te maken.
Mede naar aanleiding van de afspraken in het coalitieakkoord wordt nu gewerkt aan een nota van wijziging voor dit wetsvoorstel, waardoor de behandeling van de wet vertraging oploopt. Ik heb uw Kamer eerder toegezegd u rond de zomer te informeren over het vervolg van dit wetsvoorstel.
Welke mogelijke oplossingen ziet u om ervoor te zorgen dat Nederlandse studenten ook terecht kunnen bij de studies en op die onderwijsinstellingen waar ze willen studeren, met name bij studies die opleiden voor tekorten in de arbeidsmarkt?
Vooropgesteld wil ik nogmaals benadrukken dat veruit de meeste Nederlandse studenten (95%) terecht kunnen bij de studie en onderwijsinstelling waar ze bij voorkeur willen studeren. Slechts 5% moet, als gevolg van een negatieve uitkomst van selectie, uitwijken naar een tweede keus opleiding.7 Ook in de technische sectoren waar het hier om gaat, heeft slechts 4,2% van de opleidingen een capaciteitsbeperking.8 In sommige gevallen van techniek-opleidingen met een numerus fixus, is er zelfs aan een andere Nederlandse universiteit een vrij toegankelijk alternatief beschikbaar.9 Er is in Nederland dus altijd voldoende ruimte om studenten op te leiden in de technieksector; in een enkel geval zal een aspirant-student echter moeten gaan voor een alternatieve techniekopleiding.
Het kabinet investeert daarnaast binnen het project Beethoven ook in het vergroten van de capaciteit van opleidingen binnen de technieksector. Voor 2025 en 2026 is incidenteel ruim € 80 miljoen beschikbaar gesteld voor het initiële onderwijs in de vier regio’s (Brainport, Twente, Zuid-Holland, Noorden). In totaal is incidenteel € 450 miljoen beschikbaar gesteld tot en met 2030 voor het initiële onderwijs en voor leven lang leren. Structureel is vanaf 2031 een bedrag van € 80 miljoen beschikbaar.
Bij welke opleidingen in Nederland met een numerus fixus, die opleiden voor sectoren waar tekorten in bestaan, worden Nederlandse studenten vaak afgewezen mede door de grote belangstelling van buitenlandse studenten?
Het ministerie noch DUO beschikken over aanmeldcijfers bij numerus fixusopleidingen. Bij DUO worden alleen daadwerkelijke inschrijvingen geregistreerd. Op basis van de beschikbare informatie is het niet mogelijk om een vergelijking te maken tussen aanmeldingen en toelatingen. Als die informatie er wel was geweest, was het overigens ook moeilijk geweest om een causaal verband vast te stellen tussen de grote belangstelling van buitenlandse studenten voor bepaalde studies, en de kans om toegelaten te worden voor Nederlandse studenten. Zoals eerder aangegeven is niet alleen de selectieprocedure bepalend voor de vraag of een student die zich heeft aangemeld voor een opleiding, ook daadwerkelijk (kan) start(en) met die opleiding. Studenten maken in veel gevallen ook zelf vrijwillig de keus om toch aan een andere opleiding te beginnen.
Ik wil hier nogmaals benadrukken dat slechts 5% van de Nederlandse aspirant-studenten uiteindelijk niet aan de opleiding van de eerste keus kan beginnen, en er in Nederland altijd een alternatief beschikbaar is, ook in de technieksector, dat zonder selectie toegankelijk is.
Welke ondersteuning is er voor Nederlandse studenten die zich willen inschrijven in studie met numerus fixus met selectie op academische kwaliteit om meer kans te maken om een hoog inschrijfnummer te krijgen?
Sommige instellingen bieden ondersteuning ter voorbereiding op de selectieprocedure, maar daarbij kan geen onderscheid worden gemaakt tussen Nederlandse aspirant-studenten en aspirant-studenten van buiten Nederland, vanwege het verbod op discriminatie op basis van nationaliteit binnen de EER. Ook zijn er commerciële bureaus die aspirant-studenten tegen betaling kunnen voorbereiden op selectie, hetgeen ik met het oog op kansengelijkheid een onwenselijke situatie vindt, maar wat helaas niet verboden kan worden binnen de vrije markt.
Het bericht 'Kinderen weggehaald uit gezinshuis waar vuurwapens werden gevonden. ‘Dit verdient niet de schoonheidsprijs’' |
|
Ráchel van Meetelen (PVV) |
|
Mirjam Sterk (CDA) |
|
|
|
|
Bent u bekend met het bericht dat kinderen maandenlang verbleven in een Fries gezinshuis waar vuurwapens, munitie en zelfs materiaal in verband met ricine zijn aangetroffen, en beseft u hoe ontluisterend dit is voor het vertrouwen in de jeugdzorg?1
Ja. Bij een uithuisplaatsing moeten kinderen en hun ouders erop kunnen vertrouwen dat het kind op een veilige plek terechtkomt. Het incident bij dit Fries gezinshuis waar vuurwapens en munitie zijn aangetroffen schaadt dit vertrouwen.
Hoe kan het in vredesnaam dat kinderen die door de overheid uit hun thuissituatie zijn gehaald zogenaamd voor hun veiligheid, vervolgens terechtkomen in een gezinshuis van een potentiële terrorist en waar zulke levensgevaarlijke spullen aanwezig blijken te zijn? Welke screening heeft bijvoorbeeld ooit plaatsgevonden op dit gezinshuis, op de gezinshuisouders en op hun directe leefomgeving, en hoe kan het dat die screening kennelijk totaal onvoldoende was?
Wettelijk is vastgelegd dat elke jeugdhulpmedewerker – en dus ook elke gezinshuisouder – beschikt over een geldig Verklaring Omtrent Gedrag (VOG). Beide gezinshuisouders beschikten over een geldig VOG. Gezinshuisouders zijn daarnaast gescreend (onder meer door de hoofdaannemer2) en zijn daarnaast ook regelmatig bezocht door de hoofdaannemer, door een gedragsdeskundige en andere betrokkenen bij de zorg aan de jeugdigen in dit gezinshuis. In deze casus hebben professionals en omstanders kennelijk geen eerdere signalen gehad van wapenbezit, bezit van andere gevaarlijke stoffen of van mogelijk terroristische motieven van de gezinshuisouder.
Waarom zijn deze kinderen niet onmiddellijk weggehaald na de inval van 11 juni 2025, maar hebben zij nog maanden in deze onaanvaardbare situatie moeten verblijven? Wie nam dat besluit, op basis waarvan, en acht u dat besluit achteraf nog steeds verdedigbaar? Welke instanties waren bijvoorbeeld op welk moment op de hoogte van de inval, de aangetroffen wapens en de verdere veiligheidsrisico’s, en wie heeft vervolgens nagelaten om direct in te grijpen?
De drie jeugdigen in dit gezinshuis zijn niet direct na de inval overgeplaatst. Dit is een afweging geweest van de betrokken organisaties. Ik heb begrepen dat over de mogelijke gevolgen voor de drie jeugdigen uitgebreid overleg is geweest met de betrokken organisaties, met de kinderen zelf en met de biologische ouders. Bovendien bleek uit de afstemming tussen het Openbaar Ministerie en de Inspectie Gezondheidszorg en Jeugd (IGJ) dat er geen direct gevaar zou zijn voor de veiligheid van de kinderen in dit gezinshuis, omdat de gezinshuisvader niet meer in het huis verbleef.
Hoeveel andere gezinshuizen, pleeggezinnen of vergelijkbare jeugdhulplocaties zijn de afgelopen vijf jaar in beeld geweest wegens wapens, geweld, extremisme, criminaliteit, terrorisme of andere acute veiligheidsrisico’s? Kunt u daarvan een volledig overzicht naar de Kamer sturen? Indien registratie ontbreekt, bent u bereid ervoor te zorgen dat een registratiesysteem landelijk wordt ingesteld, zodat de Kamer helder inzicht krijgt?
Er worden geen cijfers bijgehouden van het aantal gezinshuizen, pleeggezinnen of andere jeugdhulplocaties waar geweld, extremisme, criminaliteit, terrorisme of andere soortgelijke acute veiligheidsrisico’s zijn. Bij het Landelijk Meldpunt Zorg van de IGJ kunnen professionals en burgers signalen delen of meldingen doen over mogelijk onveilige situaties in de jeugdhulp. Bij misdrijven of andere acute situaties in verband met criminele activiteiten van jeugdhulpmedewerkers, adviseert de IGJ ook te melden bij de politie. Een apart registratiesysteem voor dit type meldingen is op dit moment niet aan de orde.
Welke directe maatregelen gaat u nu nemen om te voorkomen dat kinderen elders in Nederland op dit moment nog in een vergelijkbaar onveilige jeugdhulpsetting verblijven en bent u bereid alle gezinshuizen in Nederland versneld door te lichten op veiligheid, antecedenten, wapenbezit, criminele contacten en signalen van radicalisering of extremisme, en de Kamer vóór het zomerreces over de uitkomsten te informeren?
Met de gezinshuissector span ik mij in voor veilige en kwalitatief goede zorg. Daartoe worden kwaliteitscriteria voor de gezinshuizen momenteel herzien, vanuit het netwerk Kwaliteit en Blijvend Leren (KBL). Een geldig VOG is niet voldoende, daarom zal in deze kwaliteitscriteria ook specifiek aandacht zijn voor de screening en selectie van gezinshuisouders. Daarnaast heeft de IGJ in 2025 verschillende aanbevelingen gedaan ter verbetering van de kwaliteit en veiligheid van gezinshuiszorg. Met de sector geef ik hier opvolging aan.
Kunt u zich indenken hoe de ouders van deze uithuisgeplaatste kinderen zich moeten voelen nu blijkt dat hun kinderen in een gezinshuis met vuurwapens, munitie en ricine-gerelateerd materiaal verbleven? Zo ja, begrijpt u dat dit ook bij andere ouders van uit huis geplaatste kinderen leidt tot diep wantrouwen, angst en onzekerheid over de veiligheid van hun kind? En wat gaat u concreet doen om dat wantrouwen en die onzekerheid weg te nemen?
Ja. Zoals ik aangaf in mijn antwoord onder 1, moeten kinderen en hun ouders bij een uithuisplaatsing erop kunnen vertrouwen dat het kind op een veilige plek terechtkomt. Het incident bij dit Fries gezinshuis waar vuurwapens en munitie zijn aangetroffen schaadt dit vertrouwen. Ik maak me sterk voor een veilige jeugdzorg. Dat doe ik samen met professionals, aanbieders en gemeenten. Specifiek voor gezinshuizen werken we aan een verbeterslag in kwaliteit, zie ook mijn antwoord onder 5.
Het bericht 'Privacy-adviseur Binnenlandse Zaken: overname van DigiD bedreigt veiligheid van Nederland' |
|
Hidde Heutink (PVV) |
|
Herbert , Eric van der Burg (VVD) |
|
|
|
|
Bent u op de hoogte van het artikel?1
Ja.
Kunt u zich herinneren dat in het plenaire debat van 11 februari 2026, in reactie op vragen van het lid Heutink over het driesporenbeleid, u heeft geantwoord dat er, totdat de processen van die drie sporen zijn doorlopen, er niets zou gebeuren? Zo nee, wat heeft u dan wel gezegd?
In het plenaire debat van 11 februari 2026 is door de toenmalige Minister van Economische Zaken aangegeven dat het kabinet, zoals de Wet ongewenste zeggenschap telecommunicatie (WOZT, hoofdstuk 14a, Telecommunicatiewet) voorschrijft, de beoordeling van het BTI, en daarnaast het oordeel van de ACM, afwacht. Aanvullend is door mijn voorganger aangegeven dat er tot die tijd geen onomkeerbare stappen gezet kunnen worden en een overname pas doorgang kan vinden als er groen licht wordt gegeven.
Op 11 februari 2026 was de geschetste situatie de realiteit. De concentratietoets door de ACM op grond van de Mededingingswet is afgerond zonder bezwaar, op 26 februari 2026. Met het afronden van de concentratietoets, ontstond een situatie waarin de transactie wel doorgang kon vinden, maar er een verbod of verbod onder opschortende voorwaarden opgelegd zou kunnen worden conform de WOZT.
De WOZT kent, in tegenstelling tot andere wettelijke investeringstoetsen en de ACM-toets die toen nog niet was afgerond, geen expliciete standstill-verplichting die een overname tussen partijen verbiedt zolang de toetsing loopt. De WOZT biedt wel de mogelijkheid om bestaande of aanstaande overwegende zeggenschap te verbieden, of een verbod op te leggen onder opschortende voorwaarden, als de overwegende zeggenschap kan leiden tot een bedreiging van het publiek belang.
De uitspraak dat er geen onomkeerbare stappen gezet konden worden betekent dat de kopende partij middels de WOZT verplicht kan worden om de zeggenschap terug te brengen zodat niet langer sprake is van overwegende zeggenschap.
Op 25 mei 2026 heb ik, gezien het risico voor het publiek belang, de overname op advies van het BTI volledig verboden. Dit verbod is opgelegd, voordat de transactie daadwerkelijk geïmplementeerd werd.
Klopt het dat er na afronding van spoor twee al een handtekening door de koper en verkoper gezet zou kunnen worden? Zo nee, waarom niet?
Spoor 2 had geen invloed op het zetten van een handtekening. Door koper en verkoper was reeds een koopcontract ondertekend waarin rekening was gehouden met een mogelijke ACM-toets en een mogelijke toetsing onder de WOZT.
Als blijkt dat er na afronding van spoor twee al een handtekening gezet zou kunnen worden, hoe kunt u dan zeggen dat er totdat de drie sporen zijn doorlopen er niets zou gebeuren?
Ik verwijs u naar de beantwoording van vraag 2 en vraag 3.
Bestaat er een mogelijkheid dat u in uw reactie geantwoord heeft vanuit de context? Zo ja, kunt u dit uitgebreid toelichten en de context delen met de Kamer? Zo nee, waar komt dit antwoord dan vandaan?
Het kabinet is van oordeel dat de informatievoorziening inhoudelijk juist en volledig is geweest. De uitspraken in het debat van 11 februari 2026 waren gedaan in de feitelijke en juridische context op dat moment. Het antwoord op die vraag is en blijft ontkennend.
Deelt u de mening dat u de Kamer destijds gerust heeft gesteld door te stellen dat er niets zou gebeuren, en er dus ook geen handtekening zou worden gezet, totdat de drie sporen zijn afgerond? Deelt u deze mening, nu u dit artikel leest, nog steeds? Zo ja, waarom? Zo nee, wat was dan de mening van het kabinet ten tijde van het debat geweest?
Het kabinet deelt deze lezing niet. De uitspraken in het debat zagen op het voorkomen van onomkeerbare stappen door de koper en verkoper. Dat standpunt is onveranderd.
Het aangehaalde artikel in de Volkskrant betreft de publieke uitingen van een functionaris van Logius over door hem ervaren risico’s. Deze uitingen zijn en worden op persoonlijke titel gedaan, dus niet namens de Staatssecretaris van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties en de Staatssecretaris van Digitale Economie en Soevereiniteit of Logius.
De toetsing is inmiddels afgerond en heeft geleid tot een volledig verbod op de overname op 25 mei 2026. Dit doet geen afbreuk aan de juistheid van de ingenomen positie in het debat.
Uit welke wet blijkt dat het treffen van mitigerende maatregelen randvoorwaardelijk is om tot koop en verkoop door partijen over te gaan? Graag een uitgebreide toelichting.
Zoals in de eerdere antwoorden hierboven is aangegeven en in het debat van
11 februari 2026 is overgebracht, was een beoordeling door de ACM op grond van de Mededingingswet en een toetsing op grond van de WOZT voor de transactie vereist. Daarom geldt er op grond van beide wetten een meldingsplicht aan de hand waarvan vervolgens een beoordeling of toetsing plaatsvindt. Of er mitigerende maatregelen opgelegd zouden worden op grond van de resultaten van deze beoordeling door de ACM of op grond van de toetsing op grond van de WOZT, hing af van de specifieke weging van de feiten en de gevolgen voor respectievelijk de mededinging op de Nederlandse markt en de bedreiging van het publiek belang als bedoeld in de WOZT. Als op grond van één van beide wetten mitigerende voorschriften zouden worden opgelegd, dan volgt daaruit dat de transactie niet kan worden gerealiseerd of de transactie moet worden teruggedraaid als niet aan de voorwaarden wordt voldaan (zie artikel 41, vierde lid, Mededingingswet of artikel 14a.4, eerste lid, en 14a.7, eerste lid, Telecommunicatiewet). In het geval van deze casus is niet aan mitigerende voorschriften toegekomen, omdat de ACM geen vergunning noodzakelijk achtte en krachtens de WOZT een verbod is opgelegd.
Bent u bereid om geen onomkeerbare stappen te zetten en dus geen goedkeuring te verlenen inzake de overname van Solvinity door Kyndril voordat alle feiten op tafel liggen en voordat de Kamer hier een uitspraak over heeft gedaan?
Het kabinet merkt op dat er geen onomkeerbare stap, in de zin van de daadwerkelijke eigendomsoverdracht, is gezet. Op 25 mei 2026 heb ik de overname op advies van het BTI volledig verboden. Er heeft geen eigendomsoverdracht plaatsgevonden voor 25 mei 2026.
In algemene zin heeft de Kamer in de systematiek van de WOZT geen formele rol in het toetsingsbesluit. De beslissingsbevoegdheid berust bij de Staatsecretaris van Economische Zaken en Klimaat, op basis van onafhankelijk advies van het BTI. Dit is een bestuursrechtelijke procedure; het besluit is vatbaar voor bezwaar en beroep bij de bestuursrechter. Parlementaire goedkeuring vooraf maakt geen deel uit van dit wettelijk kader. Wel heb ik conform de aangenomen motie (Kamerstukken II 2025/26, 26 643, nr. 1474) de Kamer een vertrouwelijke technische briefing aangeboden.
Kunt u garanderen dat deze klokkenluider beschermd wordt en op geen enkele wijze benadeeld wordt en nu en in de toekomst op een veilige plek zijn werk kan verrichten?
Vanuit goed werkgeverschap en ter bescherming van de privacy van betrokkene(n) worden geen uitspraken gedaan over (de behandeling van) individuele casuïstiek. In zijn algemeenheid geldt dat zowel interne als externe meldingen van integriteitsschendingen of vermoedens van misstanden vertrouwelijk worden behandeld conform de daarvoor geldende wettelijke en/of departementale kaders. Hierbij hoort ook dat melders geen benadeling mogen ondervinden vanwege het doen van een melding.
Het artikel 'Privacy-adviseur Binnenlandse Zaken: overname van DigiD bedreigt veiligheid van Nederland' |
|
Daniël van den Berg (JA21) |
|
Eric van der Burg (VVD), Aerdts |
|
|
|
|
Bent u bekend met het bericht «Privacy-adviseur Binnenlandse Zaken: overname van DigiD bedreigt veiligheid van Nederland»?1?
Ja.
Hoe kwalificeert u het naar buiten treden van de Centrale Privacy Officer (CPO) van Logius in deze casus als het buiten de eigen rol treden door via media en procedures politieke druk uit te oefenen?
De berichtgeving in verschillende media is op persoonlijke titel gedaan en de mediaoptredens en de inhoud daarvan zijn niet afgestemd met het departement. Ik kan geen uitspraken doen over zaken betreffende individuele medewerkers en individuele casuïstiek.
Ten aanzien van de inhoud kan ik melden dat, zoals eerder is toegelicht aan uw Kamer, het niet mogelijk is om voor augustus 2026 over te stappen naar een andere partij zonder dat hierbij de continuïteit en veiligheid van de dienstverlening van Logius in gevaar komt. Een dergelijk traject is langdurig en vraagt een overdracht en een zorgvuldige voorbereiding en uitvoering. Derhalve heb ik op 27 maart 2026 het besluit genomen dat Logius haar contract met Solvinity mag verlengen met twee jaar. De ondertekening van deze verlenging zal begin mei 2026 plaatsvinden. Op dit moment wordt uitgewerkt onder welke voorwaarden Logius haar IT-fundament zo snel mogelijk opnieuw kan gaan aanbesteden. De Landsadvocaat is nauw bij dit proces betrokken. In juni zullen wij uw Kamer in meer detail informeren.
Welke formele interne escalatiekanalen stonden voor deze functionaris open, welke van deze kanalen zijn feitelijk benut en klopt de bewering dat toegang tot de bewindspersoon of de politieke leiding is geweigerd?
In het algemeen geldt dat voor het afgeven van een signaal of het doen van een melding over een vermoeden van een integriteitsschending of misstand de meldregeling van het Ministerie van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties drie mogelijkheden beschrijft. In beginsel worden signalen of meldingen gedaan bij de direct leidinggevende van een medewerker. Een medewerker kan er ook voor kiezen een melding te doen bij het Meldpunt Integriteit. Tot slot kan een medewerker – desgewenst anoniem – een melding doen bij een vertrouwenspersoon. Meldingen worden vertrouwelijk in ontvangst genomen en behandeld. Ik kan daarom geen uitspraken doen over het benutten van de genoemde kanalen of mogelijke acties die in individuele casuïstiek zijn genomen.
Is in deze casus formeel een melding gedaan op grond van de Wet bescherming klokkenluiders en, zo ja, onder welke kwalificatie of categorie is die melding gedaan?
Ik kan geen uitspraken doen over zaken betreffende individuele medewerkers en individuele casuïstiek.
Kunt u aangeven of in deze casus onderzoek wordt gedaan naar mogelijke ongeoorloofde openbaarmaking van interne informatie en, zo nee, waarom niet? Indien daarvan wel sprake is, op basis van welke normen, procedures en mogelijke disciplinaire of strafrechtelijke kaders vindt dat onderzoek plaats?
Op dit moment wordt geen onderzoek gedaan. Het stuk waaruit geciteerd lijkt, is breder binnen het departement beschikbaar is. Het is niet duidelijk hoe de informatie openbaar is geworden. Er wordt aangifte gedaan van het vermoeden van een schending van de geheimhoudingsplicht. In artikel 9 van de Ambtenarenwet 2017 is vastgelegd dat ambtenaren verplicht zijn tot geheimhouding van vertrouwelijke informatie, waarvan zij het geheime karakter kennen of redelijkerwijs moeten vermoeden. Een schending van deze verplichting kan leiden tot strafrechtelijke vervolging. De aangifte is niet gericht tegen specifieke personen.
Hoe beoordeelt u, mede in het licht van de voor ambtenaren geldende regels over contacten met de media, het in het artikel opgenomen citaat van een bron met jarenlange ervaring in de top van ministeries die volgens het artikel niet officieel met de media mocht spreken?2
Ik kan geen uitspraken doen over zaken betreffende individuele medewerkers en individuele casuïstiek. Onder andere de Gedragscode Integriteit Rijk geeft concrete kaders voor externe contacten en meningsuitingen. In algemene zin geldt dat van ambtenaren wordt verwacht dat zij zich in contacten met derden, zoals de media, horen te gedragen zoals een goed ambtenaar betaamt. In de Aanwijzingen inzake externe contacten van rijksambtenaren is hierover bepaald dat een ambtenaar in functionele contacten met derden, zich er rekenschap van moet geven dat hij als zodanig optreedt namens of ten behoeve van de Minister. Ambtenaren handelen of spreken niet voor zichzelf, maar met het oog op het door de Minister of ministerraad vastgesteld beleid. Een ambtenaar heeft overigens wel het recht op vrijheid van meningsuiting tenzij de goede vervulling van zijn functie of de het goede functioneren van de openbare dienst, voor zover deze in verband staat met zijn functievervulling, niet in redelijkheid is verzekerd (artikel 10 Ambtenarenwet 2017). Wanneer daar sprake van is, is afhankelijk van de concrete omstandigheden van het geval.
Deelt u de opvatting dat politiek wordt bedreven in de Tweede Kamer der Staten-Generaal en in het kabinet, en niet vanuit de ambtelijke organisatie via mediaoptredens en rechtszaken tegen de Staat?
In onze democratische rechtsstaat hebben ambtenaren een adviserende rol en besluit uiteindelijk de politiek. Zie ook het antwoord op vraag 10.
Welke disciplinaire, integriteitsrechtelijke of rechtspositionele kaders gelden wanneer een ambtenaar vertrouwelijke of interne informatie gebruikt om lopende politieke besluitvorming publiekelijk te beïnvloeden?
Onder andere Titel 10 van Boek 7 van het Burgerlijk Wetboek, de Ambtenarenwet 2017, de Cao Rijk en de Gedragscode Integriteit Rijk bieden onder meer integriteitsrechtelijke, rechtspositionele en disciplinaire kaders voor ambtenaren. Welke kaders van toepassing zijn en hoe deze worden ingezet, is afhankelijk van de omstandigheden in een specifieke zaak.
Acht u het, gelet op deze casus, verdedigbaar dat het kabinet de regie in dit dossier heeft, wanneer ambtenaren op deze wijze naar buiten treden, de Staat aanklagen en zich daarover ook openlijk uitlaten op sociale media?3
Verwezen wordt naar de antwoorden op vraag 6, 7, 8 en 10.
Is het kabinet bereid onomwonden uit te spreken dat ambtenaren mogen waarschuwen, adviseren en, waar de wet dat toestaat, melden, maar dat zij geen parallel politiek strijdtoneel via media en procedures mogen organiseren tegen het eigen kabinetsbeleid?
Rijksbreed wordt een werkklimaat bevorderd waarbij medewerkers op de werkvloer hun vragen en dilemma’s- bij collega’s en leidinggevenden kunnen uitspreken en samen met hen kunnen onderzoeken hoe hier het beste mee om te gaan. Het bieden van ruimte voor reflectie en dialoog op de werkvloer behoort volgens het kabinet niet alleen tot goed werkgeverschap, maar is juist ook noodzakelijk om als rijksdienst effectief te kunnen functioneren en de neutraliteit te behouden.
Na het ambtelijk advies besluit uiteindelijk de bewindspersoon. De politieke weging kan tot een ander besluit leiden dan ambtelijk werd geadviseerd. De bewindspersoon legt daarover verantwoording af aan het parlement. Vervolgens voeren ambtenaren uit wat politiek is besloten, ook als de politieke weging tot een ander besluit heeft geleid dan werd geadviseerd. Als de uitvoering van een politiek besluit onbedoelde gevolgen heeft, is het de taak van ambtenaren om die signalen terug te leggen bij de verantwoordelijk bewindspersoon zodat die het besluit kan heroverwegen. Ook dan besluit uiteindelijk de politiek.
Verder wordt verwezen naar het antwoord bij vraag 6.
Zou u de vragen afzonderlijk van elkaar willen beantwoorden?
Ja.
Buitenproportionele eisen voor vrijwilligers in de traditionele scheepvaart |
|
Luciënne Boelsma-Hoekstra (CDA) |
|
Vincent Karremans (VVD) |
|
|
|
|
Kunt u, in aanvulling op uw eerdere beantwoording van schriftelijke vragen op hetzelfde onderwerp, een nadere duiding geven van de kosten die gepaard gaan met de vereiste van het bezig van het kwalificatiecertificaat schipper? Kunt u in ieder geval ingaan op welke kosten gepaard gaan met een verplichte tweejaarlijkse medische keuring?1
De kosten voor het behalen van het algemene kwalificatiecertificaat schipper zijn afhankelijk van de route die gekozen wordt om dit certificaat te behalen. Deze routes zijn vastgesteld in de Richtlijn beroepskwalificaties voor de binnenvaart. De opleiding tot schipper is een opleiding op MBO-3 niveau. De kosten voor een MBO-opleiding zijn op dit moment € 1.458,– per jaar. Daarbij komen nog de overige kosten voor bijvoorbeeld studiemateriaal, het aanvragen van een certificaat en de medische keuring.
Het is ook mogelijk het certificaat te behalen via het afleggen van examens bij het CBR. Welke route dan gevolgd kan worden is afhankelijk van de reeds aanwezige werkervaring. Ook gelden dan verschillende eisen voor wat betreft de te behalen vaartijd en opleidingsduur. Wanneer alleen gekeken wordt naar de kosten voor de examens schipper bij het CBR, dan komen deze in totaal op ongeveer € 1.200,–. Wordt bijvoorbeeld een traject gevolgd via een beroepsbegeleidende leerweg, dan zijn de kosten voor de opleiding daarnaast € 735,– per jaar. Ook hier moet rekening worden gehouden met de extra kosten, zoals hiervoor genoemd.
In alle gevallen geldt, dat er een aanzienlijk grotere tijdsinvestering gevraagd wordt voor het behalen van het algemene kwalificatiecertificaat schipper dan voor het kwalificatiecertificaat voor open rondvaartboten, hetgeen ook effect heeft op de kosten. De vereiste vaartijd voor het kwalificatiecertificaat schipper ligt tussen de 180 en 540 dagen, afhankelijk van de gekozen route en de reeds opgedane werkervaring. Dit is aanzienlijk meer dan de 30 dagen, die vereist zijn voor het behalen van het kwalificatiecertificaat voor de schipper van open rondvaartboten.
Het maximale tarief voor een medische keuring in de binnenvaart is vastgesteld in de Regeling tarieven transportsectoren en is op dit moment € 175,–. In de praktijk worden deze keuringen aangeboden vanaf € 80,–.
Kunt u aangeven welke punten in de genoemde gesprekken met de vertegenwoordiging van de Enterse Zompen en het praambedrijf in Leeuwarden naar voren gebracht zijn, en hoe hier vervolgens opvolging aan gegeven is?
In de aanloop naar de vaststelling van de eisen aan het kwalificatiecertificaat voor de open rondvaartboten zijn meerdere gesprekken gevoerd met vertegenwoordigers uit deze sector. Deze gesprekken hebben er met name toe geleid, dat de eisen nog meer werden afgestemd op het feit dat in deze sector veel vrijwilligers werkzaam zijn.
Tijdens het gesprek met de vertegenwoordiging van de Enterse zompen werd onder andere naar voren gebracht, dat de schippers intern al werden opgeleid en inmiddels veel ervaring hadden. Dit bleek voor veel organisaties te gelden, die met vrijwilligers werken. Bij de eisen voor het behalen van het kwalificatiecertificaat open rondvaartboot is mede hierom bepaald, dat organisaties zelf een opleidingsplan bij het CBR ter goedkeuring kunnen indienen en de opleiding en de eerste twee praktijktoetsen kunnen verzorgen. Voorts is voor bestaande bewezen ervaren schippers een overgangsregeling opgenomen: zij mogen direct de derde praktijktoets afleggen en hoeven ook het theoretisch examen niet af te leggen.
Klopt het dat in de Richtlijn (EU) 2017/2397 is bepaald dat lidstaten personen die uitsluitend actief zijn op nationale binnenwateren, die niet in verbinding staan met het vaarwegennet van een andere lidstaat, kunnen vrijstellen van de in de richtlijn opgenomen verplichtingen? Kunt u aangeven of is overwogen om van deze mogelijkheid gebruik te maken? En indien ja, waarom hier niet toe besloten is?
Het klopt het dat in de Richtlijn (EU) 2017/2397 is bepaald dat lidstaten personen die uitsluitend actief zijn op nationale binnenwateren, die niet in verbinding staan met het vaarwegennet van een andere lidstaat, kunnen vrijstellen van de in de richtlijn opgenomen verplichtingen en van die mogelijkheid is wel degelijk gebruik gemaakt. De richtlijn stelt daarbij echter tevens de eis dat het vervangende certificaat een afdoende veiligheidsniveau moet bieden. Het Klein Vaarbewijs, dat te behalen is met het uitsluitend afleggen van een theoretisch examen, biedt voor het bedrijfsmatig vervoeren van meer dan 12 personen dit vereiste veiligheidsniveau niet. Daarom is voor schippers van open rondvaartboten gebruik gemaakt van genoemde vrijstellingsmogelijkheid, door het ontwikkelen van het speciaal op deze sector afgestemde certificaat. Voor dit certificaat gelden aanzienlijk minder zware eisen, terwijl toch een afdoende veiligheidsniveau wordt geboden, afgestemd op deze sector. Het accent ligt sterk op ervaring in de praktijk. Er hoeft slechts één theoretisch examen te worden afgelegd, dat gericht is op kennis van verkeersregels en -tekens.
Klopt het dat binnen dezelfde richtlijn de mogelijkheid wordt geboden om een kwalificatiecertificaat af te geven onder afwijkende voorwaarden, mits daarmee een afdoende veiligheidsniveau wordt gewaarborgd? Kunt u aangeven of is overwogen om van deze mogelijkheid gebruik te maken? En indien ja, waarom hier niet toe besloten is?
Zoals bij het antwoord op vraag 3 aangegeven is met het speciaal voor de open rondvaartsector ontwikkelde kwalificatiecertificaat gebruik gemaakt van deze mogelijkheid. De eisen voor het behalen van dit kwalificatiecertificaat open rondvaartboten zijn aanzienlijk lichter dan voor het behalen van het algemene Kwalificatiecertificaat schipper, terwijl toch een afdoende veiligheidsniveau wordt geboden, waar de passagiers aan boord van deze schepen op kunnen vertrouwen.
Bent u het ermee eens dat met een combinatie van een Klein Vaarbewijs en een intern verzwaarde praktijkopleiding een passend veiligheidsniveau gewaarborgd kan worden?
Zoals aangegeven bij het antwoord op vraag 3 stelt de richtlijn de eis, dat het af te geven vervangende certificaat een afdoende veiligheidsniveau moet bieden. Het af te geven certificaat zou in dit voorstel het Klein Vaarbewijs zijn en dat biedt voor het vervoer van meer dan 12 passagiers een onvoldoende veiligheidsniveau. De resultaten van een intern verzwaarde opleiding maken geen onderdeel uit van het Klein Vaarbewijs en op een interne opleiding wordt geen toezicht gehouden.
Ik ben dan ook van mening dat met een Klein Vaarbewijs en een intern verzwaarde opleiding niet wordt voldaan aan de eisen van de richtlijn. Misschien nog belangrijker dan dat is, dat in de regelgeving dan onvoldoende gegarandeerd wordt dat de veiligheid van de passagiers op deze passagiersschepen wordt gewaarborgd. Dit is iets waar passagiers op moeten kunnen rekenen, zoals ook door de Onderzoeksraad voor Veiligheid is benoemd in hun rapporten naar aanleiding van de ongevallen op de Nieuwe Maas en in het Schuitengat.
Tot slot vind ik het belangrijk dat er in de praktijk wordt getoetst of het vereiste veiligheidsniveau door de schipper bereikt wordt. Daarom ligt het accent bij het kwalificatiecertificaat voor open rondvaartboten sterk op praktijkervaring en het toetsen ervan. Dit ontbreekt volledig bij het Klein Vaarbewijs en kan bij een interne opleiding niet worden gecontroleerd.
De aanstaande Toetsingsconferentie van het NPV in New York |
|
Kati Piri (PvdA) |
|
Berendsen |
|
|
|
|
Op welk niveau is Nederland vertegenwoordigd bij de aanstaande Toetsingsconferentie van het Non-Proliferatieverdrag (NPV) in New York van 27 april tot 22 mei?
Nederland is tijdens de 11e Toetsingsconferentie van het Non-Proliferatieverdrag (NPV) van 27 april tot en met 22 mei 2026 op hoogambtelijk en ambtelijk niveau vertegenwoordigd. De Nederlandse delegatie wordt geleid door onze ontwapeningsambassadeur, tevens Permanent Vertegenwoordiger bij de Ontwapeningsconferentie te Genève. Tijdens het opening/high level segment in de eerste week is Nederland vertegenwoordigd door de directeur-generaal Politieke Zaken van het Ministerie van Buitenlandse Zaken, die zich in het buitenland onder de titel van Vice-Minister mag presenteren. De delegatie bestaat verder uit vertegenwoordigers van het Ministerie van Buitenlandse Zaken vanuit Den Haag, de permanente vertegenwoordigingen in New York, Genève, Wenen en de ambassade in Washington, met specifieke verantwoordelijkheden voor de verschillende onderdelen van het Non Proliferatie Verdrag (ontwapening, non proliferatie, vreedzaam gebruik).
Kunt u de Nederlandse inzet voor de Toetsingsconferentie delen met de Tweede Kamer, zoals is gedaan voor de vorige Toetsingsconferenties in 2015 en 2022 (Kamerstuk 33 783, nr. 48)?
Ja. Hiertoe verwijs ik u naar de Nederlandse inzet zoals is uiteengezet in de Kamerbrief «De Nederlandse inzet voor de NPV Toetsingsconferentie 2026» (Kamerstuk 33 783, nr. 53), die op 17 april 2026 aan uw Kamer is gestuurd.
Is de naleving van het NPV in letter en geest nog steeds kabinetsbeleid? Zo nee, waarom niet?
Ja. De naleving van het NPV in letter en geest is en blijft kabinetsbeleid.
In de Kamerbrief van 17 april 2026 wordt het NPV expliciet beschreven als de hoeksteen van de mondiale veiligheid op het gebied van nucleaire wapenbeheersing, non-proliferatie en ontwapening. Het kabinet benadrukt daarin dat de drie pijlers van het NPV als gelijkwaardig en onderling verbonden worden beschouwd en dat Nederland zich inzet voor alomvattende, onomkeerbare en controleerbare nucleaire ontwapening in lijn met artikel VI. Nederland houdt zich onverminderd aan de verplichtingen uit het NPV en andere relevante verdragen en afspraken. Tegelijk blijft gelden dat een wereld waarin NAVO-bondgenoten eenzijdig ontwapenen en andere landen niet, voor Nederland geen veiligere wereld is. Zolang kernwapens bestaan in de wereld, blijft de NAVO een nucleaire alliantie en blijft nucleaire afschrikking een essentiële rol spelen bij het behouden van strategisch evenwicht en het voorkomen van de inzet van kernwapens.
Kunt u deze vragen beantwoorden voor aanvang van de Toetsingsconferentie?
De vragen zijn zo snel mogelijk beantwoord. Daarbij verwijs ik naar de Kamerbrief «De Nederlandse inzet voor de NPV Toetsingsconferentie 2026» van 17 april 2026 (Kamerstuk 33 783, nr. 53), waarin de Nederlandse inzet en beleidslijn uitgebreid zijn toegelicht.