Het artikel waaruit blijkt dat alleen Nederlandse chauffeurs een boete krijgen als ze over de Merwedebrug rijden |
|
Hidde Heutink (PVV) |
|
Vincent Karremans (VVD), David van Weel (VVD) |
|
|
|
|
Bent u bekend met het artikel «Alleen Nederlandse chauffeurs krijgen boete als ze over Merwedebrug rijden: «Pure concurrentievervalsing»» en kunt aangeven of het klopt dat alleen Nederlandse chauffeurs een boete krijgen als ze over de Merwedebrug rijden? Zo nee, kunt u toelichten waar de bevindingen van het AD vandaan komen en waarom deze onjuist zijn?1
Bent u indien het antwoord op de vorige vraag bevestigend is bereid om het uitschrijven van bekeuringen aan Nederlandse chauffeurs te staken zolang buitenlandse chauffeurs geen bekeuring kunnen krijgen? Zo nee, waarom niet?
Bent u het eens met de stelling dat louter het bekeuren van Nederlandse chauffeurs discriminatie is en dat dit past in de trend bij de overheid waarin Nederlanders overmatig worden benadeeld ten opzichte van niet-Nederlanders? Zo ja, waarom? Zo nee, waarom niet?
Kunt u bevestigen dat het gelijkheidsbeginsel en het discriminatieverbod vereisen dat overtreders ongeacht nationaliteit op gelijke wijze worden behandeld? Zo ja, hoe wordt daarop toegezien en hoe gaat u deze evidente discriminerende situatie oplossen?
Acht u het indien buitenlandse overtreders niet of moeilijk kunnen worden beboet dan rechtvaardig dat Nederlandse ondernemers hierdoor relatief zwaarder worden getroffen?
Hoe lang verwacht u dat het verbod voor vrachtverkeer op de Merwedebrug nog noodzakelijk blijft en wanneer verwacht u duidelijkheid te kunnen geven over de duur van de maatregel?
Wanneer gaat u eindelijk eens (adequaat) investeren in de infrastructuur teneinde te voorkomen dat het bekeuren van vrachtwagenchauffeurs überhaupt nodig is?
De migranteninvasie in de Spaanse enclave Ceuta |
|
Annelotte Lammers (PVV) |
|
Bart van den Brink (CDA) |
|
|
|
|
Bent u bekend met het bericht dat duizenden illegale migranten de Spaanse enclave Ceuta zijn binnengedrongen nadat de Marokkaanse grensbewaking zich plotseling had teruggetrokken?1 2
Ja, ik ben bekend met dit bericht.
Deelt u de mening dat dit opnieuw laat zien dat de buitengrenzen van Europa zo lek zijn als een mandje en dat ook na de inwerkingtreding van het Migratiepact Europese landen onvoldoende controle over hun eigen landsgrenzen hebben en dus ook de Europese buitengrenzen? Zo nee, waarom niet?
De situatie zoals we deze donderdag en vrijdag zagen bij Ceuta is onacceptabel, zeer onwenselijk en uitzonderlijk, die bovendien van 72 mensen het leven heeft gekost. Het kabinet betreurt dit. Het kabinet heeft, in afstemming met andere lidstaten, geëist dat er snel en adequaat gehandeld zou worden in deze crisissituatie. Spanje moest direct de buitengrens van Europa versterken en alles richten op de terugkeer van de irreguliere migranten om daarmee risico’s op secundaire migratie tegen te gaan. Spanje heeft daarmee in lijn de buitengrenzen versterkt, onder andere met een drijvende barrière, en is gestart met de grootschalige terugkeer. Spanje moet deze inzet blijven continueren. Nederland zal bij de informele JBZ-raad daarom erop aandringen dat Spanje alles op alles blijft zetten om ook de nog niet teruggekeerde irreguliere migranten terug te laten keren naar Marokko en de buitengrens verder te versterken zodat er geen aanzuigende werking ontstaat voor anderen die ook irregulier naar Spanje willen komen. Met de nu gepleegde inzet lijkt het Schengengebied niet geschonden. Het is van belang dat Frontex het aantal mensen dat daadwerkelijk is teruggekeerd verifieert en ook de situatie aan de grens blijft monitoren en hierover rapporteert. Het kabinet zal daarom tijdens de informele JBZ-raad hier nadrukkelijk om vragen, en hier uw Kamer van op de hoogte stellen via het verslag van de JBZ-raad.
Het Asiel en Migratiepact regelt het EU-asielsysteem. Onderdeel hiervan zijn de inrichting van de asielprocedures regulier en aan de buitengrens, de afspraken over overdrachten van personen in de asielprocedure en een solidariteitsmechanisme tussen lidstaten. Het beheren van de Europese buitengrens wordt daarentegen geregeld in het Schengengrenscode. Voor het beheren van de buitengrens biedt het EU-instrumentarium verschillende belangrijke handvatten om ook in situaties als deze controle te houden over deze delen van de buitengrens. Het Asiel en Migratiepact is daarom in de reactie niet in beeld. Voor de gebieden Ceuta en Melilla gelden daarbij speciale Schengenregels. Er zijn standaard controles tussen Ceuta en Melilla en het vasteland van Spanje (en andere Schengenstaten). Doorreizen vanuit Ceuta naar de rest van Schengen gaat daarom enkel gecontroleerd.
De Schengengrenscode biedt aanvullende maatregelen om irreguliere migratiebewegingen tegen te gaan. In uitzonderlijke, dreigende situaties kunnen onder meer de tijdelijke herinvoering van grenscontroles aan binnengrenzen, intensivering van bewaking en controles aan de buitengrens, risico-gestuurde politiecontroles in het binnengrensgebied, en EU-ondersteuning worden ingezet. Spanje heeft vrijdag, 31 juli jl., direct extra maatregelen aangekondigd, waaronder extra fysieke grensbescherming en een centrum voor snelle terugkeer van de irregulier overgestoken migranten in Ceuta.
Naast Marokko en Spanje heeft ook de Europese Commissie voortvarend gereageerd. De Commissie heeft gezorgd dat Frontex klaar stond om, indien dat nodig was en daartoe een formeel verzoek zou ontvangen, Spanje additioneel te ondersteunen (momenteel biedt Frontex al ondersteuning in Ceuta). Het is van belang dat Frontex het aantal mensen dat daadwerkelijk is teruggekeerd verifieert en ook de situatie aan de grens blijft monitoren en hierover rapporteert. Het kabinet zal daarom tijdens de informele JBZ-raad hier nadrukkelijk om vragen, en hier uw Kamer van op de hoogte stellen via het verslag van de JBZ-raad.
Bent u bekend met de beelden waarop te zien is dat de Spaanse autoriteiten de hekken openzetten voor illegale migranten?3
Het kabinet heeft de beelden waarnaar wordt gerefereerd bekeken, het is onduidelijk wat er precies te zien is en het kabinet gaat hierover niet speculeren.
Spanje heeft reeds jaren afspraken met Marokko om de grensovergangen bij Ceuta en Melilla goed te bewaken. Spanje heeft zich ingezet om de openbare orde en veiligheid in het gebied te herstellen, de grens bij Ceuta verder fysiek te versterken en de irreguliere migranten zo snel als mogelijk te laten terugkeren. Spanje moet deze inzet blijven continueren. Nederland zal hier blijvend op aandringen.
Hoe beoordeelt u deze handelwijze van Spanje, mede in het licht van de gemaakte afspraken in het Migratiepact?
Zie antwoord vraag 3.
Hoe groot acht u de kans dat een deel van deze illegale migranten uiteindelijk zal doorreizen naar Nederland? En kunt u uiteenzetten waar u dit op baseert?
Zoals hierboven aangegeven is Spanje gestart met de grootschalige terugkeer naar Marokko. Verder is het, zoals hierboven beschreven, niet zomaar mogelijk om vanuit Ceuta door te reizen in het Schengengebied, iedereen die wil doorreizen wordt gecontroleerd. Spanje heeft aangegeven dat geen van deze migranten is doorgereisd naar het verdere Schengengebied. Spanje moet deze inzet blijven continueren. Nederland zal bij de informele JBZ-raad daarom erop aandringen dat Spanje alles op alles blijft zetten om ook de nog niet teruggekeerde irreguliere migranten terug te laten keren naar Marokko en de buitengrens verder te versterken zodat er geen aanzuigende werking ontstaat voor anderen die ook irregulier naar Spanje willen komen. Met de nu gepleegde inzet lijkt het Schengengebied niet geschonden. Het is van belang dat Frontex het aantal mensen dat daadwerkelijk is teruggekeerd verifieert en ook de situatie aan de grens blijft monitoren en hierover rapporteert. Het kabinet zal daarom tijdens de informele JBZ-raad hier nadrukkelijk om vragen, en hier uw Kamer van op de hoogte stellen via het verslag van de informele JBZ-raad.
Het is evident de Nederland haar eigen grenzen bewaakt. In Nederland voert daarom de Koninklijke Marechaussee (KMar) te allen tijde informatie- en risicogestuurde grenscontroles op de luchthavens uit en zijn er politiecontroles bij de binnengrens. Op basis daarvan worden specifieke vluchten met een hoger risico op irreguliere migratie gecontroleerd en wordt er risicogestuurd opgetreden bij de binnengrens. Indien de situatie daartoe aanleiding geeft, kunnen verscherpte controles aan de Nederlandse grens door de Koninklijke Marechaussee worden uitgevoerd. Mochten er in Nederland asielzoekers worden aangetroffen die zijn aangekomen in Ceuta, worden deze personen overgedragen aan Spanje conform de afspraken in de Asiel en Migratiebeheer Verordening (AMbV), zodat Nederland geen extra druk op ons asielstelsel krijgt door de situatie in Ceuta. De ervaring van de afgelopen jaren is dat Spanje dergelijke overdrachten altijd in lijn met de AMbV uitvoert.
De Europese Commissie heeft mede op verzoek van Nederland op zaterdag 1 augustus jl. een crisisberaad (IPCR) georganiseerd om alle lidstaten te informeren en operationele stappen ten behoeve van een gecoördineerde EU-aanpak te identificeren. Ook heeft Nederland met 214 andere EU-lidstaten op zaterdag 1 augustus jl. een brief gestuurd aan de Europese Commissie, het Iers Voorzitterschap van de Europese Raad en de Voorzitter van de Europese Raad waarin de lidstaten zorg uitten over de gebeurtenissen in Ceuta, benadrukten dat alle nodige maatregelen genomen moeten worden om de grenzen te versterken en verzochten om een extra online JBZ-raad. Deze JBZ-raad vindt op dinsdag 4 augustus plaats. De Minister van Asiel en Migratie neemt hieraan deel. Het kabinet blijft de ontwikkelingen op Ceuta nauwgezet volgen, en blijft bijdragen aan een gecoördineerde EU-aanpak. Om de situatie verder te monitoren en eventuele benodigde vervolgstappen in kaart te brengen, komen vandaag, maandag 3 augustus, de EU-ambassadeurs bijeen. Op dinsdag 4 augustus vindt er, op verzoek van Nederland, Spanje en de meeste EU-lidstaten, een online informele JBZ-raad plaats, waaraan de Minister van Asiel en Migratie zal deelnemen.
Welke concrete maatregelen neemt u om te voorkomen dat migranten die via Spanje de Europese Unie zijn binnengekomen uiteindelijk in Nederland terechtkomen? Indien u geen maatregelen neemt kunt u uitleggen waarom u die niet neemt?
Zie antwoord vraag 5.
Bent u bereid om de grenzen te sluiten dan wel extra grenscontroles uit te voeren dan wel andere maatregelen te treffen om te kunnen controleren of deze migranten niet alsnog Nederland binnenkomen? Zo nee, waarom niet?
Zie antwoord vraag 5.
Bent u bereid in Europees verband te pleiten voor onmiddellijke sluiting van de Europese buitengrenzen en een zerotollerancebeleid te voeren ten aanzien van alle illegale grensoverschrijdingen? Zo nee, waarom niet?
Zie antwoord vraag 5.
Hoe beoordeelt u de rol van de Marokkaanse autoriteiten, die volgens de berichtgeving de grensbewaking hebben verminderd of beëindigd, waardoor duizenden migranten ongehinderd de grens konden oversteken?
Het kabinet gaat niet speculeren over het ontstaan van deze situatie. Wel ziet het kabinet dat de samenwerking met Marokko van cruciaal belang is om de situatie onder controle te brengen en te houden. De Europese Commissie, Spanje en andere lidstaten werken nauw met Marokko samen om de grenzen effectief te bewaken en terugkeer mogelijk te maken. De Minister van Buitenlandse Zaken heeft op vrijdagochtend, 31 juli jl., de noodzaak snel te handelen benadrukt bij de Marokkaanse Minister van Buitenlandse Zaken. Marokko stelt zich hierin constructief op en werkt voortvarend mee aan de terugkeer van de migranten.
Bent u bereid de Europese Commissie op te roepen maximale druk uit te oefenen op Marokko om zijn grenzen effectief te bewaken en migranten terug te nemen? Zo nee, waarom niet?
De samenwerking met Marokko is van cruciaal belang om de situatie onder controle te brengen en te houden. Deze samenwerking is nauw. De Europese Commissie, Spanje en andere EU-lidstaten werken al nauw met Marokko samen om de grenzen effectief te bewaken. Ook heeft de Commissie aangeboden te ondersteunen bij het onder controle krijgen van de situatie. De Minister van Buitenlandse Zaken heeft op vrijdagochtend de noodzaak snel te acteren benadrukt bij de Marokkaanse Minister van Buitenlandse Zaken. Bovendien heeft Marokko constructief gehandeld en werkt het voortvarend mee aan de terugkeer van de migranten.
Deelt u de mening dat de voortdurende instroom van illegale en niet-gescreende migranten een ernstig veiligheidsrisico vormt voor Nederland? Zo nee, waarom niet?
Zie beantwoording van vraag 2. Het is niet mogelijk om zonder controle door te reizen vanuit Ceuta naar de rest van het Schengengebied. Met de nu gepleegde inzet lijkt het Schengengebied niet geschonden. Het is van belang dat Frontex het aantal mensen dat daadwerkelijk is teruggekeerd verifieert en ook de situatie aan de grens blijft monitoren en hierover rapporteert. Het kabinet zal daarom tijdens de informele JBZ-raad hier nadrukkelijk om vragen, en hier uw Kamer van op de hoogte stellen via het verslag van de informele JBZ-raad. Het is evident de Nederland haar eigen grenzen bewaakt. Mochten er in Nederland asielzoekers worden aangetroffen die zijn aangekomen in Ceuta, worden deze personen overgedragen aan Spanje conform de afspraken in de Asiel en Migratiebeheer Verordening (AMbV), zodat Nederland geen extra druk op ons asielstelsel krijgt door de situatie in Ceuta. De ervaring van de afgelopen jaren is dat Spanje dergelijke overdrachten altijd in lijn met de AMbV uitvoert.
Tegelijkertijd is het effectief beheren van de buitengrenzen en het screenen van personen die het grensgebied binnenkomen noodzakelijk voor de EU om te kunnen controleren en besluiten wie er het grensgebied binnenkomt.
Nederland blijft daarom ook steun toezeggen aan lidstaten die hulp nodig hebben om hun buitengrenzen te versterken. De EU moet in onderlinge solidariteit blijven investeren in het versterken van de buitengrenzen, het tegengaan van irreguliere migratie en de terugkeer van vertrekplichtige migranten. Effectief buitengrensbeheer, inclusief screening, door de volledige en consequente implementatie van de Schengengrenscode, is voor de EU noodzakelijk om te kunnen controleren en besluiten wie er de EU binnenkomt. Een stevige Schengengovernance, met een duidelijke toezichthoudende rol voor de Europese Commissie als hoeder van de Verdragen, is daarbij onmisbaar. Tegelijkertijd vraagt het ook, meer dan voorheen, dat lidstaten de aanbevelingen uit de Schengenevaluaties opvolgen om hun implementatie te versterken. Ook pleit het kabinet onverminderd voor het transparant maken en open bespreken van de tekortkomingen en het bespreken hiervan tijdens de Schengenraad. Dit draagt bij eraan bij dat lidstaten spoedig verbeterslagen maken en biedt de mogelijkheid voor lidstaten om waar nodig elkaar te kunnen ondersteunen.
Indien het antwoord op vraag 11 nee is, hoe beoordeelt u in dat licht de berichtgeving waarin een illegale migrant zegt al eerder door Nederland te zijn uitgezet om een gevangenisstraf van vijf jaar te ontlopen?4
Zie antwoord vraag 11.
Hoe beoordeelt u de uitspraken van de Spaanse Minister van Binnenlandse Zaken over de reden voor de plotselinge toestroom van migranten?5
De Spaanse Minister van Binnenlandse Zaken heeft gewezen op mogelijke rol van mensensmokkel. Het kabinet dringt erop aan dat goed onderzoek gedaan wordt naar de oorsprong van deze situatie en of mensensmokkel hier een specifieke rol heeft gehad
Deelt u de mening dat, gelet op deze gebeurtenissen, het Migratiepact niet werkt, omdat er nog steeds geen functionerende Europese grenscontrole is, illegale grensoverschrijdingen blijven plaatsvinden en er op dit moment niets geregeld is voor terugkeer?
Zie beantwoording op voorgaande vragen. De situatie zoals we vorige week zagen is onacceptabel, zeer onwenselijk en uitzonderlijk. Tegelijkertijd namen Spanje en Marokko de nodige stappen om de situatie weer onder controle te krijgen en zijn direct gestart met de organisatie van grootschalige terugkeer en het versterken van de buitengrens. Met de nu gepleegde inzet lijkt het Schengengebied niet geschonden. Het is van belang dat Frontex het aantal mensen dat daadwerkelijk is teruggekeerd verifieert en ook de situatie aan de grens blijft monitoren en hierover rapporteert.
In algemene zin is het van belang om irreguliere migratie richting de EU minder aantrekkelijk te maken en weerbaar te zijn als EU, dat er een sterk EU-intern asiel- en migratiesysteem staat en dat de EU effectief samenwerkt met landen buiten de EU. Het kabinet onderstreept daarom het belang van de volledige implementatie van het Asiel- en Migratiepact en de terugkeerverordening (zodra deze van kracht wordt), en het versterken en bestendigen van partnerschappen met landen buiten de EU. De langetermijnvisie van het kabinet is dat asielaanvragen buiten Europa kunnen worden ingediend en afgehandeld. Het kabinet zet zich daarom doorlopend in voor het verder brengen en operationaliseren van innovatieve oplossingen waaronder de terugkeerhub.
Bent u bereid om, gelet op de gebrekkige grenscontroles en inzet van de Spaanse regering om de situatie in Ceuta onder controle te krijgen, de Solidariteitbijdrage die voortvloeit uit het Migratiepact niet meer aan Spanje te betalen? Zo nee, waarom niet?
Zie de antwoorden op voorgaande vragen. Een dergelijke inzet is niet aan de orde.
Kunt u uiteenzetten welke instrumenten uit het Migratiepact in een situatie als deze daadwerkelijk in werking treden en op welke wijze deze bijdragen aan het beperken van irreguliere migratie?
Zoals hierboven aangegeven is Spanje gestart met de grootschalige terugkeer naar Marokko. Verder is het, zoals hierboven beschreven, niet zomaar mogelijk om vanuit Ceuta door te reizen in het Schengengebied, iedereen die wil doorreizen wordt gecontroleerd. Spanje heeft aangegeven dat geen van deze migranten is doorgereisd naar het verdere Schengengebied. Spanje moet deze inzet blijven continueren. Nederland zal bij de informele JBZ-raad daarom erop aandringen dat Spanje alles op alles blijft zetten om ook de nog niet teruggekeerde irreguliere migranten terug te laten keren naar Marokko en de buitengrens verder te versterken zodat er geen aanzuigende werking ontstaat voor anderen die ook irregulier naar Spanje willen komen. Met de nu gepleegde inzet lijkt het Schengengebied niet geschonden. Het is van belang dat Frontex het aantal mensen dat daadwerkelijk is teruggekeerd verifieert en ook de situatie aan de grens blijft monitoren en hierover rapporteert. Het kabinet zal daarom tijdens de informele JBZ-raad hier nadrukkelijk om vragen, en hier uw Kamer van op de hoogte stellen via het verslag van de informele JBZ-raad.
Welke gevolgen heeft deze situatie volgens u voor de geloofwaardigheid en uitvoerbaarheid van het Migratiepact?
Zoals hierboven aangegeven is Spanje gestart met de grootschalige terugkeer naar Marokko. Verder is het, zoals hierboven beschreven, niet zomaar mogelijk om vanuit Ceuta door te reizen in het Schengengebied, iedereen die wil doorreizen wordt gecontroleerd. Spanje heeft aangegeven dat geen van deze migranten is doorgereisd naar het verdere Schengengebied. Spanje moet deze inzet blijven continueren. Nederland zal bij de informele JBZ-raad daarom erop aandringen dat Spanje alles op alles blijft zetten om ook de nog niet teruggekeerde irreguliere migranten terug te laten keren naar Marokko en de buitengrens verder te versterken zodat er geen aanzuigende werking ontstaat voor anderen die ook irregulier naar Spanje willen komen. Met de nu gepleegde inzet lijkt het Schengengebied niet geschonden. Het is van belang dat Frontex het aantal mensen dat daadwerkelijk is teruggekeerd verifieert en ook de situatie aan de grens blijft monitoren en hierover rapporteert. Het blijft van belang dat alle EU-lidstaten dit instrumentarium volledig implementeren. Daar roept Nederland consequent toe op, zo ook in het in EU-verband ingelaste crisisberaad van afgelopen weekend.
Een massale bestorming van de Spaanse exclave Ceuta door bijna 50.000 migranten |
|
Ulysse Ellian (VVD) |
|
Bart van den Brink (CDA) |
|
|
|
|
Bent u bekend met het bericht «Bijna 50.000 migranten aangekomen in Spaanse exclave Ceuta na massale bestorming vanuit Marokko, zeker 18 doden»?1
Ja.
Deelt u de mening dat het schandalig en onbestaanbaar is dat bijna 50.000 migranten de EU-buitengrenzen bestormen in Ceuta? Zo nee, waarom niet?
Ja, ontstane situatie in Ceuta is onacceptabel, zeer zorgelijk en een uitzonderlijke situatie. Het kabinet heeft, in afstemming met andere lidstaten, geëist dat er snel en effectief opgetreden zou worden. Nederland heeft daarom op vrijdagochtend, 31 juli jl. direct contact opgenomen met de Minister van Buitenlandse Zaken van Marokko, de Minister van Buitenlandse Zaken van Spanje en de Eurocommissaris van Binnenlandse Zaken van de Europese Commissie
Acht u Spanje in staat om de grens(controle) in Ceuta weer onder controle te krijgen? Kunt u met spoed de Spaanse regering aanspreken op hun verantwoordelijkheid om deze massale bestorming een halt toe te roepen? Zo nee, waarom niet?
Ja. Spanje heeft, in nauwe samenwerking met Marokko en de Europese Commissie acuut opgetreden, door te starten met de grootschalige terugkeer en de versterking van de grens. Maatregelen die Spanje heeft genomen op vrijdag 31 juli zijn onder andere extra fysieke grensbescherming, een zee barrière, inzet van het leger en een centrum voor snelle terugkeer van de irregulier overgestoken migranten in Ceuta. Spanje en Marokko hebben op grote schaal personen laten terugkeren naar Marokko. Spanje moet deze inzet blijven continueren. Nederland zal bij de informele JBZ-raad daarom erop aandringen dat Spanje alles op alles blijft zetten om ook de nog niet teruggekeerde irreguliere migranten terug te laten keren naar Marokko en de buitengrens verder te versterken zodat er geen aanzuigende werking ontstaat voor anderen die ook irregulier naar Spanje willen komen. Met de nu gepleegde inzet lijkt het Schengengebied niet geschonden.
Naast Marokko en Spanje heeft ook de Europese Commissie voortvarend gereageerd. De Commissie heeft gezorgd dat Frontex klaar stond om, indien dat nodig was en daartoe een formeel verzoek zou ontvangen, Spanje additioneel te ondersteunen (momenteel biedt Frontex al ondersteuning in Ceuta). Het is van belang dat Frontex het aantal mensen dat daadwerkelijk is teruggekeerd verifieert en ook de situatie aan de grens blijft monitoren en hierover rapporteert. Het kabinet zal daarom tijdens de informele JBZ-raad hier nadrukkelijk om vragen, en hier uw Kamer van op de hoogte stellen via het verslag van de informele JBZ-raad.
Bent u bereid aan uw Spaanse ambtsgenoot mede te delen dat u verwacht dat Spanje aan geen van deze migranten een verblijfsvergunning af zal geven vanwege de aanzuigende werking die hierdoor zal ontstaan? Bent u hierbij ook van plan om mede te delen dat deze migranten onder geen enkel beding naar het Europese vasteland mogen worden overgebracht? Zo nee, waarom niet?
Zoals reeds aangegeven is Spanje gestart met de grootschalige terugkeer naar Marokko. Spanje heeft aangegeven dat geen van deze irreguliere migranten is doorgereisd naar het verdere Schengengebied. Spanje moet deze inzet blijven continueren. Nederland zal bij de informele JBZ-raad daarom erop aandringen dat Spanje alles op alles blijft zetten om ook de nog niet teruggekeerde irreguliere migranten terug te laten keren naar Marokko en de buitengrens verder te versterken zodat er geen aanzuigende werking ontstaat voor anderen die ook irregulier naar Spanje willen komen. Met de nu gepleegde inzet lijkt het Schengengebied niet geschonden. Het is van belang dat Frontex het aantal mensen dat daadwerkelijk is teruggekeerd verifieert en ook de situatie aan de grens blijft monitoren en hierover rapporteert. Het kabinet zal daarom tijdens de informele JBZ-raad hier nadrukkelijk om vragen, en hier uw Kamer van op de hoogte stellen via het verslag van de JBZ-raad.
Op zaterdagochtend 1 augustus jl. heeft Nederland samen met 21 andere lidstaten2 een brief gestuurd aan de Europese Commissie, het Iers Voorzitterschap van de Europese Raad en de Voorzitter van de Europese Raad, om nogmaals het belang van een acute aanpak te benadrukken en te vragen om een gecoördineerde aanpak om mensensmokkel, instrumentalisering van migranten en hybride dreigingen tegen te gaan en zo de EU weerbaarder te maken. In deze brief hebben de ondertekenaars ook benoemd dat de recente uitspraak van het Spaanse Hooggerechtshof en grootschalige regularisaties als aanzuigende factor kunnen werken, benadrukt dat smokkelaars geen ruimte mogen krijgen en aangegeven dat de perceptie moet worden weggenomen dat dergelijke illegale binnenkomst direct leiden tot legaal verblijf.
De Commissie staat blijvend nauw in contact met Spanje. De Minister van Asiel en Migratie heeft op vrijdagochtend Eurocommissaris Brunner opgeroepen om snel ondersteuning te bieden en te komen tot een gecoördineerde EU-aanpak om de buitengrens te versterken en de migranten te laten terugkeren. Daarnaast heeft de Europese Commissie mede op verzoek van Nederland op zaterdag 1 augustus jl. een crisisberaad (IPCR) georganiseerd om alle lidstaten te informeren over de ontwikkelingen en operationele stappen te identificeren ten behoeve van een gecoördineerde EU-aanpak. Om de situatie verder te monitoren en eventuele benodigde vervolgstappen in kaart te brengen, komen vandaag, maandag 3 augustus, de EU-ambassadeurs bijeen. Op dinsdag 4 augustus vindt er, op verzoek van Nederland, Spanje en de meeste EU-lidstaten, een online informele JBZ-raad plaats, waaraan de Minister van Asiel en Migratie zal deelnemen.
Kunt u verzekeren dat elke optie in het Europese Asiel- en Migratiepact om deze migranten te weren uit Europa zal worden gebruikt? Zo nee, waarom niet?
Zie antwoord vraag 4.
Deelt u de mening dat deze illegale migranten teruggestuurd moeten worden? Zo nee, waarom niet?
Ja, zie ook voorgaande beantwoording. Zoals reeds heeft Spanje gestart, o.a. naar aandringen van Nederland, met de grootschalige terugkeer naar Marokko. Spanje heeft aangegeven dat geen van deze migranten is doorgereisd naar het verdere Schengengebied. Spanje moet deze inzet blijven continueren. Nederland zal bij de informele JBZ-raad daarom erop aandringen dat Spanje alles op alles blijft zetten om ook de nog niet teruggekeerde irreguliere migranten terug te laten keren naar Marokko en de buitengrens verder te versterken zodat er geen aanzuigende werking ontstaat voor anderen die ook irregulier naar Spanje willen komen. Met de nu gepleegde inzet lijkt het Schengengebied niet geschonden. Het is van belang dat Frontex het aantal mensen dat daadwerkelijk is teruggekeerd verifieert en ook de situatie aan de grens blijft monitoren en hierover rapporteert.
Op welke manier bent u bereid Spanje te ondersteunen bij de terugkeerprocedures van deze illegale migranten?
Zoals reeds aangegeven is Spanje gestart met de grootschalige terugkeer naar Marokko. Spanje heeft aangegeven dat geen van deze irreguliere migranten is doorgereisd naar het verdere Schengengebied. Spanje moet deze inzet blijven continueren. Nederland zal bij de informele JBZ-raad daarom erop aandringen dat Spanje alles op alles blijft zetten om ook de nog niet teruggekeerde irreguliere migranten terug te laten keren naar Marokko en de buitengrens verder te versterken zodat er geen aanzuigende werking ontstaat voor anderen die ook irregulier naar Spanje willen komen. Het is van belang dat Frontex het aantal mensen dat daadwerkelijk is teruggekeerd verifieert en ook de situatie aan de grens blijft monitoren en hierover rapporteert.
Als verdere ondersteuning nodig is dan is Nederland en de Europese Commissie daartoe bereid. Daarnaast blijft de Commissie nauw in contact met Spanje. Ook heeft de Europese Commissie mede op verzoek van Nederland op zaterdag 1 augustus jl. een crisisberaad (IPCR) georganiseerd om alle lidstaten te informeren over de ontwikkelingen en operationele stappen te identificeren ten behoeve van een gecoördineerde EU-aanpak.
Wat is de rol van Marokko bij deze bestorming? Meent u dat de Marokkaanse autoriteiten alles hebben gedaan om deze bestorming tegen te houden?
Het kabinet ziet dat de samenwerking met Marokko van cruciaal belang is om de situatie onder controle te brengen en te houden. De Europese Commissie, Spanje en andere EU-lidstaten werken nauw met Marokko samen om de grenzen effectief te bewaken en terugkeer mogelijk te maken. De Minister van Buitenlandse Zaken heeft op vrijdagochtend de noodzaak snel te acteren benadrukt bij de Marokkaanse Minister van Buitenlandse Zaken. Marokko heeft zich constructief opgesteld en voortvarend meegewerkt aan de terugkeer van de migranten.
Welke rol speelt het Spaanse voorstel om meer dan een miljoen illegale migranten in het land te legaliseren en de uitspraak van het Spaanse hooggerechtshof dat op zee onderschepte migranten niet meer rechtstreeks teruggestuurd mogen worden bij deze bestorming?
In de brief die Nederland op zaterdagochtend 1 augustus jl. heeft verstuurd samen met 21 andere lidstaten3 aan de Europese Commissie, is benoemd dat de recente uitspraak van het Spaanse Hooggerechtshof en grootschalige regularisaties als aanzuigende factor kunnen werken. Welke effect deze ontwikkelingen precies hebben gehad is moeilijk te kwantificeren. Nederland zal in de JBZ-raad vragen om een onderzoek naar de oorzaken en de tekortkomingen uitgevoerd door de Europese Commissie om hierover meer helderheid te krijgen.
Bent u bereid om bij aanhoudende en ernstige problemen van het buitengrenstoezicht van Spanje extra grenscontroles uit te laten voeren op alle directe vluchten afkomstig vanuit Spanje om te voorkomen dat deze migranten door zullen reizen naar Nederland? Zo nee, waarom niet?
Spanje heeft aangegeven dat geen van de migranten die irregulier in Ceuta zijn aangekomen, zijn doorgereisd naar de EU.
Het is evident de Nederland haar eigen grenzen bewaakt. In Nederland voert daarom de Koninklijke Marechaussee (KMar) te allen tijde informatie- en risicogestuurde grenscontroles op de luchthavens uit en zijn er politiecontroles bij de binnengrens. Op basis daarvan worden specifieke vluchten met een hoger risico op irreguliere migratie gecontroleerd en wordt er risicogestuurd opgetreden bij de binnengrens. Indien de situatie daartoe aanleiding geeft, kunnen verscherpte controles aan de Nederlandse grens door de Koninklijke Marechaussee worden uitgevoerd. Mochten er in Nederland asielzoekers worden aangetroffen die zijn aangekomen in Ceuta, worden deze personen overgedragen aan Spanje conform de afspraken in de Asiel en Migratiebeheer Verordening (AMbV), zodat Nederland geen extra druk op ons asielstelsel krijgt door de situatie in Ceuta. De ervaring van de afgelopen jaren is dat Spanje dergelijke overdrachten altijd in lijn met de AMbV uitvoert.
Bent u van plan om bij aanhoudende en ernstige problemen van het buitengrenstoezicht van Spanje bij de Europese Commissie een klacht in te dienen met als doel het starten van een inbreukprocedure tegen Spanje? Zo nee, waarom niet?
Spanje heeft de situatie nu onder controle. Echter benadrukt het kabinet dat de situatie in Ceuta een ongekende schending is van de integriteit van de buitengrens van Europa en alles moet er dan ook op gericht zijn om dit in de toekomst te voorkomen. Er zal een grondig onderzoek moeten plaatsvinden door de Europese Commissie over hoe deze situatie heeft kunnen ontstaan. Het kabinet benadrukt dat het cruciaal is dat Spanje, in samenwerking met Marokko en ondersteund door de Europese Commissie, beziet hoe de buitengrens bij Ceuta versterkt kan worden en hoe dit in de toekomst voorkomen kan worden. De Commissie moet, als hoeder van de verdragen, hierin een leidende rol hebben en rapporteren aan de lidstaten over de uitkomsten van deze evaluatie. Het kabinet zal tijdens de informele JBZ-raad hierop aandringen. Bij het verslag over de informele JBZ-raad zal uw Kamer over bovenstaande punten opnieuw worden geïnformeerd.
Bent u bereid om, gezien de omvang van deze bestorming, te pleiten voor een extra JBZ-Raad? Zo nee, waarom niet?
Ja, Nederland heeft samen met 21 andere lidstaten op zaterdagochtend 1 augustus jl. opgeroepen tot een extra informele JBZ-raad. Deze vindt op dinsdag 4 augustus plaats.
Wat vindt u van het standpunt van de Italiaanse regering over opschorting van Schengen en is dit voor het kabinet een reële mogelijkheid?
Met de aanscherping van de Schengengrenscode in 2022 is het instrumentarium dat een lidstaat ter beschikking heeft om te reageren op situaties van ernstige bedreigingen voor de openbare orde en binnenlandse veiligheid substantieel uitgebreid. Elke lidstaat kan binnen de Schengengrenscode tijdelijke interne grenscontroles herinvoeren wanneer sprake is van een ernstige bedreiging voor de openbare orde of binnenlandse veiligheid, mits er wordt voldaan aan de voorwaarden.
Naar het oordeel van het kabinet biedt de Schengengrenscode adequate mogelijkheden voor lidstaten om te reageren met onder meer informatie en risico-gestuurde politiecontroles in het binnengrensgebied. Door het adequate optreden Spanje heeft direct de buitengrenzen versterkt, onder andere met een drijvende barrière, en is gestart met de grootschalige terugkeer. Spanje moet deze inzet blijven continueren. Nederland zal erop aandringen dat Spanje alles op alles blijft zetten om ook de nog niet teruggekeerde irreguliere migranten terug te laten keren naar Marokko en de buitengrens verder te versterken zodat er geen aanzuigende werking ontstaat voor anderen die ook irregulier naar Spanje willen komen. Met de nu gepleegde inzet lijkt het Schengengebied niet geschonden. Het is van belang dat Frontex het aantal mensen dat daadwerkelijk is teruggekeerd verifieert en ook de situatie aan de grens blijft monitoren en hierover rapporteert. Het kabinet zal daarom tijdens de informele JBZ-raad hier nadrukkelijk om vragen, en hier uw Kamer van op de hoogte stellen via het verslag van de JBZ-raad. Het is evident de Nederland haar eigen grenzen bewaakt. In Nederland voert daarom de Koninklijke Marechaussee (KMar) te allen tijde informatie- en risicogestuurde grenscontroles op de luchthavens uit en zijn er politiecontroles bij de binnengrens. Op basis daarvan worden specifieke vluchten met een hoger risico op irreguliere migratie gecontroleerd en wordt er risicogestuurd opgetreden bij de binnengrens. Indien de situatie daartoe aanleiding geeft, kunnen verscherpte controles aan de Nederlandse grens door de Koninklijke Marechaussee worden uitgevoerd. Mochten er in Nederland asielzoekers worden aangetroffen die zijn aangekomen in Ceuta, worden deze personen overgedragen aan Spanje conform de afspraken in de Asiel en Migratiebeheer Verordening (AMbV), zodat Nederland geen extra druk op ons asielstelsel krijgt door de situatie in Ceuta. De ervaring van de afgelopen jaren is dat Spanje dergelijke overdrachten altijd in lijn met de AMbV uitvoert.
Daarnaast is het binnen de kaders van de Schengengrenscode niet mogelijk om zonder controle door te reizen vanuit Ceuta. Het kabinet acht het van belang dat Schengenlidstaten transparant en open tekortkomingen en verbeterpunten in het Schengengebied bespreken, om te zorgen dat lidstaten spoedig verbeterslagen maken, en waar nodig elkaar kunnen ondersteunen.
Kunt u deze vragen afzonderlijk en binnen zeven dagen beantwoorden?
Enkel waar dit de beantwoording ten goede kwam, zijn vragen samengenomen.
Berichtgeving omtrent de gevolgen van hitte voor ouderen |
|
Jan Struijs (50PLUS), Corrie van Brenk (PvdA) |
|
Mirjam Sterk (CDA) |
|
|
|
|
Bent u bekend met bovenstaande berichtgeving?1
Ja.
Hoe oordeelt u over het bericht dat tijdens de vorige hittegolf ca. 900 mensen meer overleden dan gemiddeld, met name 80-plussers?
Het overlijden van mensen gaat allereerst om het verdriet voor familie en vrienden, ongeacht de oorzaak. Bij eerdere hittegolven hebben we gezien dat er sprake is van oversterfte. Dat benadrukt dat hitte een reëel gezondheidsrisico is en dat aandacht voor dit onderwerp gerechtvaardigd is.
Hoe oordeelt u over de stelling dat er een wettelijke verplichting op het plaatsen van airco’s in verpleeghuizen zou moeten komen, omdat de meest kwetsbare ouderen grote risico’s lopen door de extreme hitte?
Het is belangrijk dat verpleeghuizen aandacht hebben voor de kwaliteit van leven van ouderen. Ook in een periode van extreme hitte. Naast airco’s zijn er ook andere effectieve maatregelen om de risico’s van extreme hitte voor kwetsbare ouderen te beperken. Ik vind een wettelijke verplichting om airco’s te plaatsen daarom niet passen.
Welke andere maatregelen kunnen worden genomen om kwetsbare verpleeghuisbewoners beter te beschermen tegen de hitte?
Dit is afhankelijk van de lokale situatie en de behoefte van de bewoners. Het kan gaan om aanpassingen in de zorgverlening zoals het beleid rond vochtinname van bewoners. Ook zijn er andere aanpassingen dan airconditioning mogelijk in en rond het gebouw, zoals goede zonwering, plafondventilators of voldoende groenvoorzieningen met schaduw in de directe omgeving van het verpleeghuis.
Hoe oordeelt u over de berichtgeving dat juist zelfstandig wonende ouderen een zo mogelijk groter risico lopen tijdens hittegolven, omdat zij minder goed in de gaten worden gehouden dan mensen die in een instelling wonen?
Ook in de thuissituatie moeten ouderen zo veel mogelijk beschermd zijn tegen de schadelijke effecten van hittegolven. Allereerst hebben zij hier zelf een verantwoordelijkheid om zich te beschermen tegen de gevolgen van hitte. Zij kunnen daarbij worden geholpen door hun mantelzorger of de thuiszorg.
Ook zijn er initiatieven van gemeenten om risicogroepen te inventariseren, hittekaarten te maken en koelteplekken in beeld te brengen. Deze lokale initiatieven ondersteun ik vanuit mijn rol door de bescherming tegen hitte een plaats te geven in de handreiking «Huisbezoeken 75+». Dit is een handreiking opgenomen in de Toolkit voor gemeenten | Eén tegen eenzaamheid.
Wat bent u voornemens te doen om thuiswonende ouderen collectief beter te beschermen in geval van een hittegolf, gezien het feit dat het overheidsbeleid erop gericht is dat ouderen langer zelfstandig wonen?
Zie vraag 5 en 8.
Bent u bereid het onderwerp bescherming tegen hitte op te nemen in de handreiking voor gemeenten «Huisbezoeken 75plus»?
Ja, ik zal het onderwerp hitte opnemen in deze handreiking.
Op welke wijze bent u van plan voorlichting en bewustzijn rondom de gevolgen van een hittegolf voor thuiswonende ouderen te verbeteren, zowel voor de ouderen zelf als voor hun omgeving?
In de Hitte aanpak 2025 en de ontwerp-Nationale Klimaatadaptatiestrategie ’26 beschrijft het kabinet welke maatregelen het wil nemen om in samenwerking met onder andere gemeenten, woningbouwverenigingen en GGD’en, Nederland beter voor te bereiden op toenemende hitte. Een doel van de Hitte aanpak is het verdubbelen van het aantal lokale hitteplannen. In die plannen kunnen gemeenten een aanpak uitwerken voor bescherming en ondersteuning van hun inwoners die het beste past bij hun gemeente, buurt en wijk. Voorlichting en bewustzijn kunnen onderdeel zijn van deze lokale hitteplannen.
Bent u bereid in overleg te gaan met Aedes over een betere isolatie van woningen, niet alleen bescherming tegen de kou, maar ook tegen de hitte?
Ook mijn collega van Volkshuisvesting en Ruimtelijke Ordening vindt het belangrijk om ouderen te beschermen tegen hitte. Vanuit haar portefeuille voert zij hierover met Aedes overleg. De Minister van VRO zet samen met Aedes stevig in op het isoleren van corporatiewoningen en is doorlopend met Aedes in gesprek over de verduurzamingsopgave. Daarbij is ook volop aandacht voor het tegengaan van hittestress.
Hebben gemeenten inzicht in waar kwetsbare groepen wonen, zodat zij hen in geval van hittegolven koele plekken kunnen aanbieden?
Het is mij niet bekend in hoeverre gemeenten daar een compleet beeld van hebben.
Het kabinet dat het onnodig moeilijk wil maken om arme mensen in Nederland aan de bijstand te helpen |
|
Jimmy Dijk (SP) |
|
Hans Vijlbrief (D66), Eelco Heinen (VVD) |
|
|
|
|
Bent u bekend met het artikel van Follow the Money «Kabinet wil het onnodig moeilijk maken om arme mensen aan bijstand te helpen1»?
Ja, het artikel is bekend en samen met de reactie van het Ministerie van SZW gepubliceerd. In de reactie heb ik aangegeven dat proactieve dienstverlening een goede manier is om mensen te bereiken die ondersteuning nodig hebben bij werk, inkomen, opleiding en meedoen in de samenleving. Ik heb bewust gekozen het wetsvoorstel eenvoudig te houden voor een snelle, eerste stap. Later kunnen we de mogelijkheden voor proactieve dienstverlening uitbreiden.
Wat vindt u ervan dat ongeveer 200.000 huishoudens in Nederland niet weten dat zij recht hebben op een algemene bijstandsuitkering?
Uit data-analyse van de Nederlandse Arbeidsinspectie (NLA)2 blijkt dat in december 2021 naar schatting 160.000 huishoudens potentieel recht hadden op een (aanvullende) algemene bijstandsuitkering omdat het eigen inkomen in die maand december onder het sociaal minimum lag. Ruim een derde van al deze potentiële niet-gebruikers (d.w.z. 58.000 huishoudens) had volgens de NLA ook in de voorgaande 12 maanden recht op een (aanvullende) algemene bijstandsuitkering maar deed daar geen beroep op.
Voor de aanvullende inkomensvoorziening ouderen (AIO)3 en de Toeslagenwet (TW)4 zijn de schattingen over het niet-gebruik vergelijkbaar. Daarom zet het kabinet in op het tegengaan van het niet-gebruik met het wetsvoorstel proactieve dienstverlening SZW.
Deelt u de mening dat mensen moeten krijgen waar zij recht op hebben, ook in het geval zij daar zelf niet van op de hoogte zijn? Zo ja, waarom? Zo nee, waarom niet?
Het is belangrijk dat uitkeringen en voorzieningen toegankelijk zijn voor de mensen die het nodig hebben. Het voorkomt dat hun inkomen onder het sociaal minimum belandt. En het helpt hen naar werk, opleiding en meedoen in de samenleving.
«Als er door de Nederlandse overheid – lees: de Belastingdienst – iets te halen valt, dan kunnen gegevens moeiteloos worden gedeeld. Maar als de overheid iets moet brengen zoals een uitkering waar iemand recht op heeft, dan is informatie delen opeens erg ingewikkeld». Herkent u deze ervaring en begrijpt u dat dit door mensen zo wordt ervaren? Zo ja, waarom? Zo nee, waarom niet?
Het klopt dat meer gegevensuitwisseling tussen uitvoeringsorganisaties kan bijdragen aan een verbetering van de dienstverlening. Tegelijkertijd is het belangrijk dat uitvoeringsorganisaties zorgvuldig omgaan met gegevens van burgers. Hier is dus wel een goede wettelijke basis voor nodig. De fiscale geheimhoudingsplicht staat in beginsel in de weg aan wat de Belastingdienst deelt voor niet-fiscale doeleinden. Gegevens die de Belastingdienst heeft voor de uitvoering van haar taken mogen niet zomaar gedeeld worden. Om de belastingwetgeving te kunnen uitvoeren beschikt de inspecteur – de Belastingdienst – over bevoegdheden om informatie (onder dwang) in te winnen. Dit brengt mee dat de inspecteur ertoe is gehouden om zorgvuldig met die fiscale gegevens om te gaan. Die asymmetrie dient juist ter bescherming van burgers en bedrijven, en complementeert het systeem van heffing en inning. Bij de beoordeling of de fiscale geheimhouding doorbroken kan worden moet worden nagegaan of de gegevensdeling noodzakelijk is om het voorgestelde doel te bereiken, of de verstrekking van gegevens over de fiscale positie van betrokkenen in verhouding staat tot het doel (proportionaliteit) en of er alternatieven zijn (subsidiariteit). Als hieraan is voldaan moet een deugdelijke wettelijke grondslag worden geregeld.
Kiest u er bewust voor mensen die hier recht op hebben, niet aan een bijstandsuitkering te helpen? Zo ja, waarom? Zo nee, leg uit waarom niet.
Integendeel, het wetsvoorstel proactieve dienstverlening SZW zet in op het bereiken van mensen die recht hebben op ondersteuning, maar daarvan nog geen gebruikmaken.
In welke mate heeft uw antwoord op de vorige vraag te maken met het mensbeeld dat elk individu zelf verantwoordelijk is om op de hoogte te zijn van alle regelingen waar iemand potentieel recht op heeft?
Het wetsvoorstel proactieve dienstverlening SZW is gebaseerd op onderzoek naar de oorzaken van het buiten beeld blijven van mensen die ondersteuning nodig hebben.5 Die oorzaken worden verdeeld in drie categorieën: oorzaken op het niveau van de regelgeving, oorzaken op het niveau van de uitvoering en oorzaken op het niveau van de burger. Proactieve dienstverlening richt zich op het wegnemen van oorzaken van niet-gebruik op het niveau van de uitvoering en op het niveau van de burger. Het richt zich op het persoonlijk informeren van mensen en het eenvoudiger kunnen aanvragen van uitkeringen en voorzieningen.
Bent u het met de SP eens dat juist de proactieve benadering maakt dat de kloof tussen overheid en burger wat verder gedicht kan worden? Zo ja waarom? Zo nee, waarom niet?
Bijvoorbeeld het onderzoek «Burgerperspectief proactieve dienstverlening» laat zien dat respondenten positief staan tegenover het terugdringen van niet-gebruik van inkomensondersteunende regelingen door de overheid. Wanneer de overheid de burger de hand reikt en tegemoetkomt, bevordert dit een gevoel van vertrouwen. Deze inzichten zijn verwerkt in het wetsvoorstel proactieve dienstverlening SZW.6
Deelt u de mening dat óók de Belastingdienst de relevantie informatie moet delen met de gemeenten om de wet Proactieve Dienstverlening goed te laten functioneren? Zo ja waarom? Zo nee, waarom niet?
Het kabinet zet in op betere uitwisseling van gegevens om de dienstverlening te verbeteren. Voor fiscale gegevens is het daarnaast van belang dat deze niet zomaar gebruikt en gedeeld mogen worden vanwege de fiscale geheimhoudingsplicht, zoals ook toegelicht in het antwoord op vraag 4. De Belastingdienst staat positief tegenover de verlening van medewerking aan proactieve dienstverlening, mits goed geregeld en indien verder is voldaan aan hetgeen wat verder onder vraag 4 is vermeld.
Hoe gaat u ervoor zorgen dat gemeenten wel de benodigde informatie krijgen zodat zij mensen die recht hebben op verschillende vormen van bijstand en inkomensondersteuning wel proactief kunnen benaderen?
Het wetsvoorstel en het ontwerpbesluit proactieve dienstverlening SZW geven gemeenten nieuwe mogelijkheden om inwoners te bereiken die mogelijk recht hebben op uitkeringen en voorzieningen, zoals algemene bijstand. Mede afhankelijk van het verloop van de Kamerbehandeling kunnen die mogelijkheden worden uitgebreid.7 Zo kan aan dit wetsvoorstel een deugdelijke juridische grondslag worden toegevoegd voor gegevens van de Belastingdienst met een aanvulling op het ontwerpbesluit proactieve dienstverlening SZW.
De Nederlandse overheid bespaart op dit moment naar schatting 1 miljard euro vanwege het niet uitkeren van de algemene bijstandsuitkering. Waar gebruikt het kabinet dit geld voor? Kunt u dit specifiek uiteenzetten?
De regel is dat realistisch wordt geraamd. Het gebruik van uitkeringen en voorzieningen wordt zo realistisch mogelijk ingeschat. De raming houdt rekening met het werkelijke gebruik in voorgaande jaren, de conjunctuur en met maatregelen, zoals proactieve dienstverlening, die kunnen leiden tot meer gebruik. Niet-gebruikte middelen zijn er daarom niet.
Welk belang weegt volgens u zwaarder, dat van fiscale geheimhouding of bestaanszekerheid? Leg uit waarom u dit vindt.
Fiscale geheimhouding en bestaanszekerheid sluiten elkaar niet uit. Bij de beoordeling of de fiscale geheimhouding doorbroken kan worden moet worden nagegaan of gegevensdeling noodzakelijk is om het voorgestelde doel te bereiken, zoals ook in het antwoord op vraag 4 aangegeven, en daarnaast of de verstrekking van gegevens over de fiscale positie van betrokkenen in verhouding staat tot het doel (proportionaliteit) en of er alternatieven zijn (subsidiariteit). Als hieraan is voldaan moet een deugdelijke wettelijke grondslag worden geregeld. Meer in het algemeen: zowel eerbiediging van de persoonlijke levenssfeer als bestaanszekerheid zijn grondrechten en worden niet tegen elkaar afgewogen.
Door het niet mogelijk maken van het delen van informatie door de Belastingdienst aan de gemeenten, wordt zeer sterk de indruk gewekt dat u liever niet heeft dat mensen de bijstandsuitkering aanvragen. Erkent u dit? Zo ja, waarom? Zo nee, wat is uw argumentatie om Nederlanders ervan te overtuigen dat hier geen sprake van is?
Voor nu is gekozen voor eenvoud, zodat mensen snel geholpen kunnen worden. Uitbreiding in de toekomst is mogelijk. Zie ook het antwoord op vraag 9.
Afgelopen week diende ik tevens schriftelijke vragen in naar aanleiding van de verborgen datakluis met 64 miljoen dossiers. Ook in dit dossier houdt de Belastingdienst structureel relevante informatie achter. Wat maakt dat de Belastingdienst zoveel transparantie eist van haar burgers en dit zelf niet doet als dit onwelgevallig uit lijkt te komen?
Voor gedetailleerde informatie over de datakluis verwijst de Staatssecretaris van Fiscaliteit, Belastingdienst en Douane naar de Kamerbrief van 15 april 2026 over het onderwerp8 en naar de antwoorden op de genoemde schriftelijke vragen.9 Dit staat los van de fiscale geheimhouding en van de fiscale informatieverplichtingen.
Wilt u deze vragen één voor één beantwoorden?
Ja.
Het uitblijven van een besluit over nationale normen voor windturbines op land |
|
Sjoukje van Oosterhout (GroenLinks-PvdA) |
|
Bertram , Stientje van Veldhoven (D66) |
|
|
|
|
Herinnert u zich de toezegging, gedaan tijdens het commissiedebat Hernieuwbare Energie op 15 april 2026 en die is herhaald in het antwoord van 22 mei 2026 op Kamervragen van de leden Huidekooper en Klos over milieunormen voor windturbines op land1, om de Kamer vóór de zomer te informeren over de nieuwe landelijke normen voor windturbines op land?
Ja.
Kunt u bevestigen dat dit besluit wel op de agenda van de ministerraad van 10 juli 2026 stond maar daarna niet naar de Kamer is gestuurd? Zo ja, wat is hiervan de reden?
Ja, het onderwerp stond op de agenda van de ministerraad van 10 juli jl. Daar heeft echter geen finale besluitvorming plaatsgevonden waardoor het informeren van de Kamer niet mogelijk is gebleken. Het onderwerp is in de ministerraad van 28 augustus opnieuw behandeld.
Klopt het dat de overbruggingsregeling voor bestaande windparken opnieuw is verlengd, ditmaal tot en met 31 december 2027? Betekent dit dat de eerdergenoemde inwerkingtredingsdatum van 1 januari 2027 voor de definitieve milieunormen niet langer haalbaar wordt geacht?2
Het kabinet is voornemens de overbruggingsregeling te verlengen. Het voorstel hiertoe ligt nu bij de Raad van State. Inwerkingtreding van de nieuwe normen zal niet voor 1 januari 2027 kunnen plaatsvinden.
Welke gevolgen heeft dit hernieuwde uitstel voor provincies en gemeenten die bij hun ruimtelijke besluitvorming over windparken op land wachten op landelijke duidelijkheid?
Met de Kamerbrief die na de ministerraad van 28 augustus is verzonden, wordt de Kamer geïnformeerd dat het ontwerpbesluit voor het einde van dit jaar voor voorhang wordt aangeboden. Hiermee wordt zo spoedig mogelijk duidelijkheid gecreëerd over de landelijke milieu- en afstandsnormen voor windturbines op land. In de tussentijd kunnen provincies en gemeenten zelf normen stellen om ruimtelijke besluitvorming over windparken doorgang te laten vinden en zorgt de tijdelijke overbruggingsregeling ervoor dat de huidige milieunormen blijven gelden voor bestaande windparken.
Welke gevolgen heeft dit hernieuwde uitstel voor de realisatiegraad van wind op land, die volgens het Nationaal Programma Regionale Energiestrategie (NP RES) steeds verder afneemt?
Zoals blijkt uit de Monitor Wind op Land3, neemt de verwachte toekomstige realisatiegraad en pijplijn voor windturbines af. Naast factoren als netcongestie, vertraging door bezwaar- en beroepsprocedures en beperkingen als gevolg van defensieactiviteiten, draagt ook de onzekerheid over het uitblijven van duidelijkheid over landelijke afstandsnormen voor windturbines op land hieraan bij. Het ontbreken daarvan is daarmee niet de enige, maar wel één van de factoren die de realisatie van windturbines beperkt.
Erkent u dat het verder uitstellen van een besluit ervoor zorgt dat de uitrol van wind op land stagneert en de RES-doelen niet worden gehaald en dat de Nederlandse energie-afhankelijkheid hierdoor langer in stand wordt gehouden? Zo ja, gaat u dan zo spoedig mogelijk landelijke milieunormen vaststellen?
Zoals benoemd in het antwoord op vraag 5 heeft de onzekerheid over het uitblijven van landelijke normen inderdaad bijgedragen aan een daling in de verwachte toekomstige realisatiegraad en pijplijn voor windturbines op land.
Bent u ermee bekend dat de provincie Gelderland voornemens is een afstandsnorm in de provinciale Omgevingsverordening op te nemen en deze in september 2026 vast te stellen?
Ja, zoals blijkt uit Statenstukken Uitwerking Initiatiefvoorstel RES en 2x tip – Impact afstandsnorm en Andere vormen van opwek4 zal de Omgevingsverordening worden voorgelegd aan de Staten in het derde kwartaal van 2026.
Bent u ermee bekend dat deze afstandsnorm ervoor zorgt dat het RES-doel in Gelderland waar de provincie zich ook aan heeft gecommitteerd, niet meer wordt gehaald, zoals uit een eigen analyse van de provincie blijkt?3
Uit de Statenstukken Uitwerking Initiatiefvoorstel RES en 2x tip – Impact afstandsnorm en Andere vormen van opwek blijkt dat de Provincie Gelderland concludeert dat een afstandsnorm van twee keer de tiphoogte ertoe leidt dat Regio Foodvalley niet de RES-doelstelling voor windenergie op land kan behalen.
Omdat de Gelderse RES-regio’s hebben afgesproken elkaars RES-opgave niet over te nemen, concludeert de provincie Gelderland dat de Gelderse RES-doelstelling niet haalbaar is. Daarbij benoemen de provincie Gelderland dat de RES-doelstelling in Gelderland ook zonder afstandsnorm al onder druk staat door o.a. netcongestie en de aanwezigheid van de wespendief.
Het kabinet heeft de Kamer op 28 augustus 2026 geïnformeerd dat het voornemens is om in het Ontwerpbesluit windturbines leefomgeving een instructieregel op te nemen op grond waarvan bij het nemen van ruimtelijke besluiten, zoals het vaststellen van een omgevingsplan, rekening moet worden gehouden met een afstand van twee keer de tiphoogte tussen een windturbine en de dichtstbijzijnde woning.
«Rekening houden met» betekent dat de afstandsnorm zwaar weegt in de belangenafweging die in het kader van dergelijke besluiten plaatsvindt, maar niet dwingt tot een bepaalde uitkomst. Gemotiveerd kan een kleinere afstand worden gehanteerd. Dat biedt ruimte voor het nastreven van de RES-doelstelling in Gelderland en om aanvullende opwek mogelijk te maken.
Zoals benoemd in de Kamerbrief Versterking van de Decentrale Ontwikkelingen in het Energiesysteem6, zal de Minister van Klimaat en Groene Groei, in het licht van de actualisatie van het Nationaal Plan Energiesysteem, toewerken naar nieuwe richtwaarden voor de opwek van zon en wind op land voor 2040, en deze laten landen in de te maken energieafspraken met medeoverheden.
Is de afstandsnorm die Gelderland beoogt afwijkend van de milieunormen die u beoogt? Zo ja, kunt u uitleggen waarin deze norm van Gelderland afwijkt?
Met de Kamerbrief die na de MR van 28 augustus is verzonden, wordt de Kamer geïnformeerd dat er gekozen is voor een afstandsnorm van twee keer tiphoogte met uitzonderingen, en de ruimte om daar beargumenteerd naar beneden toe van af te wijken.
Bent u het ermee eens dat het zeer wenselijk is dat er zo snel mogelijk landelijke milieunormen voor windmolens op land worden vastgesteld die enerzijds milieueffecten van windmolens op land beperken, maar wel zorgen dat de RES-doelen binnen de afgesproken termijn worden behaald?
Ja.
Bent u het ermee eens dat het onwenselijk is dat gemeenten en provincies eigen, van elkaar afwijkende normen gaan vaststellen die ervoor zorgen dat de al jaren gewenste duidelijkheid rond de milieunormen voor windmolens op land voor omwonenden, initiatiefnemers, gemeenten en provincies blijft ontbreken?
Ja. Met de Kamerbrief die na de MR van 28 augustus is verzonden, biedt het kabinet meer duidelijkheid over de nieuwe normen voor windturbines op land.
Hoe voorkomt u dat er door het ontbreken van landelijke regie een wildgroei aan afstandsnormen op regionaal niveau (zoals o.a. in Drenthe en Gelderland) gaat ontstaan?
Met de Kamerbrief die na de MR van 28 augustus is verzonden, is de Kamer geïnformeerd over de keuze voor een instructieregel die bepaalt dat bij het vaststellen van een omgevingsplan rekening moet worden gehouden met een afstand van twee keer de tiphoogte tussen windturbine(s) en de dichtstbijzijnde woning. Deze instructieregel wordt de komende periode uitgewerkt in de ontwerp-AMvB, die nog dit jaar aan het parlement zal worden verzonden in het kader van de voorhang. Met deze instructieregel wordt op nationaal niveau voorzien in één uniforme afstandsnorm. Daarmee wordt voorkomen dat provincies eigen instructieregels over de afstand tot windturbines kunnen stellen.
Wat is uw standpunt over een afstandsnorm voor windmolens op land? Kunt u hierbij uw antwoorden van 22 mei 2026 op Kamervragen van de leden Huidekooper en Klos over milieunormen voor windturbines op land, waarin u het gebrek aan meerwaarde c.q. de nadelen van een afstandsnorm noemt, hierbij betrekken? Kunt u hierbij ook de brief van o.a. VNG, NVDE en VNO NCW over milieunormen betrekken?4
Zoals ook hierboven beantwoord, is de Kamer na de MR van 28 augustus geïnformeerd dat het kabinet kiest om de in het ontwerpbesluit opgenomen afstandsnorm van twee keer de tiphoogte van een windturbine met uitzonderingen te behouden. Een afstandsnorm biedt geen extra bescherming tegen hinder van windturbines, deze wordt immers al door de milieunormen over bijvoorbeeld geluid verzekerd. De afstandsnorm biedt enkel duidelijkheid aan burgers, omwonenden en bestuurders over de afstand tussen woningen en windturbines. In de verzonden Kamerbrief wordt toegelicht hoe de keuze recht doet aan het belang van de energieopgave enerzijds en aan de zorgen van omwonenden anderzijds.
Kunt u een concrete datum noemen waarop de Kamer de toegezegde brief alsnog kan verwachten? Kunt u toezeggen dat het besluit over landelijke normen alsnog in de eerstvolgende ministerraad, die gepland is voor 14 augustus 2026, wordt genomen?
De Kamer is op 28 augustus jl. over het besluit van het kabinet geïnformeerd.
Kunt u deze vragen uiterlijk 1 september 2026 beantwoorden, zodat er snel meer duidelijkheid komt?
Ja.
Het bericht "Schietinstructeur Defensie gemangeld door werkgever na persoonlijke vete van collega’s" |
|
Tamara ten Hove (PVV), Shanna Schilder (PVV) |
|
David van Weel (VVD), Derk Boswijk (CDA) |
|
|
|
|
Bent u bekend met het artikel «Schietinstructeur Defensie gemangeld door werkgever na persoonlijke vete van collega’s»?1
Ja.
Herkent u het beeld dat in de praktijk individuele ambtenaren vanuit hun eigen overtuiging een zodanig grote invloed op beleid kunnen uitoefenen dat effectief leidinggeven vanaf hogerhand onmogelijk wordt? Zo nee, waarom niet?
Nee, ik herken dit beeld niet.
Hebben de secretaris-generaal en/of de commandant der strijdkrachten u geïnformeerd over deze zaak en de genomen keuzes? Zo ja, wanneer en in welke vorm? Zo nee, waarom niet?
Ik ben op hoofdlijnen geïnformeerd over deze zaak. Over de precieze wijze en het moment van informeren doe ik geen nadere mededelingen om redenen van privacy bij individuele casuïstiek.
Gaat u de illegaal handelende ambtenaren van de zogenaamde «werkgroep» per direct op non-actief zetten en/of ontslaan, of blijft de enige werknemer van Defensie die consequenties ervaart de legaal handelende schietinstructeur? Zo ja, waarom? Zo nee, waarom niet?
Ik herken mij niet in uw kwalificatie, noch in de geschetste situatie.
Acht u het wenselijk dat melding maken van disfunctioneren van het apparaat bij hogere rangen door Defensie geduid wordt als een vorm van «werkweigering»? Zo ja, waarom? Zo nee, wat gaat u eraan doen die cultuur te veranderen?
Het melden van ongewenst gedrag, het doen van een integriteitsmelding of het melden van disfunctioneren is geen werkweigering. Van werkweigering is bijvoorbeeld sprake wanneer iemand zich zonder toestemming niet meldt voor de toegewezen functie, waarbij de afwezigheid evenmin achteraf gerechtvaardigd is. Er is dus ook geen reden om de cultuur hierop te veranderen.
Hoe voorkomt u dat correctiemechanismen binnen Defensie (en andere overheidsinstanties) zich bij hun beoordeling louter baseren op interne rapportages van diezelfde organisatie waartegen de klachten zijn ingediend?
Daarvan is geen sprake. Bij het beoordelen van klachten wordt niet alleen gekeken naar het standpunt van de organisatie waarover wordt geklaagd maar nadrukkelijk ook naar het standpunt van de klager en andere relevante informatie.
Hoeveel vaststellingsovereenkomsten en andere vormen van beëindiging van de arbeidsovereenkomst zijn in de afgelopen vijf jaar binnen Defensie gesloten?
De bevoegdheid tot het sluiten van vaststellingsovereenkomsten is op verschillende commandantenniveaus in de organisatie belegd. Defensie houdt hiervan geen centrale registratie bij. Daarom kan ik niet aangeven hoeveel van dit soort overeenkomsten zijn gesloten.
In hoeveel van de onder vraag zeven genoemde beëindigingen was sprake van omstandigheden die ook maar enigszins van vergelijkbare aard zijn met de onderhavige zaak, waaronder beëindiging van het dienstverband naar aanleiding van een arbeidsconflict, een integriteitskwestie, een melding, een klacht of een vergelijkbare aanleiding? Kan de Kamer een geanonimiseerde uitsplitsing naar categorie van aanleiding ontvangen?
Zie het antwoord op vraag 7; omdat ik niet kan aangeven hoeveel van dit soort overeenkomsten zijn gesloten, kan ik ook geen uitsplitsing maken per categorie.
Deelt u de mening dat het onbegrijpelijk is dat Defensie meent «geen partij» te zijn in deze zaak, ondanks dat de complete besluitvorming gebaseerd is op interne rapportages van Defensie, het een (opgezegde) arbeidsovereenkomst bij Defensie betreft, de secretaris-generaal als ook de commandant der strijdkrachten zijn geïnformeerd en de complete zaak is gebaseerd op handelen in zijn functie als militair? Zo nee, waarom niet?
Nee, ik deel deze mening niet. Defensie is geen partij bij het verstrekken of intrekken van privéwapenverloven.
Welke concrete stappen gaat u ondernemen om deze en vergelijkbare samenspanningen van ambtenaren te doorbreken en serieuze consequenties daaraan te verbinden?
Ik herken mij niet in uw kwalificatie. Van samenspanningen is geen sprake.
De ondermijning van het vuurwerkverbod |
|
Ines Kostić (PvdD) |
|
Bertram , David van Weel (VVD) |
|
|
|
|
Bent u bekend met het interview van burgemeester Pechtold in de Volkskrant van 3 juli 2026, waarin hij aangeeft dat inwoners ondanks het verbod de ruimte krijgen om wat vuurwerk af te steken en dat het verbod onmogelijk te handhaven is?1
Ja.
Bent u bekend met de uitspraak van de burgemeester dat mensen soms de rand moeten kunnen opzoeken en dat hij mensen die ruimte wil geven ook als het betekent dat er af en toe wat vuurwerk wordt afgestoken?
Ja.
Deelt u de mening dat uitlatingen van een burgemeester, waarin hij aankondigt een landelijk vastgestelde wet niet te zullen handhaven en aankondigt dat hij «wat vuurwerk» zal toelaten, de wet ondermijnt en daarmee ook het draagvlak en de duidelijkheid van de nieuwe norm worden aangetast? Zo nee, wat is dan de boodschap die burgers volgens u met zulke uitspraken meekrijgen?
De Wet veilige jaarwisseling die per 1 augustus in werking is getreden, regelt het landelijk vuurwerkverbod voor consumenten, met uitzondering van F1-vuurwerk. Dit betekent dat het bezit van vuurwerk en het afsteken daarvan door consumenten is verboden, tenzij er sprake is van een door de burgemeester verleende ontheffing. Dit is een duidelijke landelijke norm, die voor alle burgers geldt. Uitspraken in de media doen niet af aan de gelding van die norm. Het niet naleven van deze norm is strafbaar. Hierop kan worden gehandhaafd, zowel door boa’s als politie onder de verantwoordelijkheid van het lokaal gezag.
Deelt u de zorg dat de uitspraken van de burgemeester de autoriteit van buitengewone opsporingsambtenaren (boa's) en politieagenten kunnen ondergraven, doordat overtreders zich in de praktijk kunnen beroepen op zijn woorden? Zo nee, waar baseert u zich op? Zijn hier gesprekken over gevoerd met boa's en de politie?
Het is niet vast te stellen of burgers zich in de praktijk op dergelijke uitspraken zullen beroepen. De bevoegdheden van boa’s en politie vloeien voort uit de wet en worden hierdoor niet aangetast. Eenduidige communicatie in lijn met het landelijke vuurwerkverbod is echter wel wenselijk en van belang. Het draagt bij aan een heldere normstelling en ondersteunt boa’s en politie bij de uitvoering van hun handhavingstaak. Naar aanleiding van deze specifieke uitspraken zijn geen afzonderlijke gesprekken gevoerd met boa’s of de politie.
Deelt u de mening dat het door de uitspraken van de burgemeester van Delft mogelijk moeilijker wordt voor omliggende gemeentes om goed te handhaven, omdat de norm vager is doordat de burgemeester van Delft zegt dat in Delft wel «wat vuurwerk» afgestoken kan worden? Zo nee, wat is dan de boodschap die burgers volgens u met zulke uitspraken meekrijgen bij het vuurwerkverbod?
Nee. Het landelijke vuurwerkverbod geldt in alle gemeenten en vormt daarmee een landelijke en duidelijke norm. Het is echter van belang dat alle betrokken overheden hierover eenduidig communiceren. Daarnaast is het aan elk lokaal gezag om te bepalen of er ontheffingen worden verleend aan verenigingen of stichtingen voor het afsteken van vuurwerk.
Deelt u de vrees dat de uitspraken van burgemeester Pechtold andere burgemeesters kunnen aanmoedigen om het vuurwerkverbod eveneens minder streng te handhaven, met als gevolg groeiende verschillen tussen gemeenten en afnemende naleving door inwoners? Zo ja, wat gaat u hieraan doen? Zo nee, waarom niet?
Er geldt een duidelijk wettelijk kader. De inzet en prioritering van handhaving is en blijft wel een verantwoordelijkheid van het lokaal gezag. In de lokale driehoek worden afspraken gemaakt over de inzet van de politie, lokale prioriteiten en de strafrechtelijke handhaving. Gemeenten bepalen dan ook zelf hoe zij toezicht en handhaving organiseren, rekening houdend met de lokale situatie en beschikbare capaciteit. De burgemeester legt hiervoor verantwoording af aan de gemeenteraad. Daarnaast is het aan de burgemeester om te bepalen hoe er in zijn/haar gemeente met de ontheffingsmogelijkheid wordt omgegaan.
Is er vanuit het kabinet contact geweest met burgemeester Pechtold naar aanleiding van zijn uitspraken? Zo nee, gaat u het gesprek alsnog voeren met het doel om te zorgen dat de nieuwe norm bij alle burgers duidelijk landt?
Nee, er is naar aanleiding van de uitspraken geen contact geweest met burgemeester Pechtold. Overleg met burgemeesters en gemeenten omtrent de uitwerking van de Wet veilige jaarwisseling vindt plaats via reguliere overlegstructuren. Zo is er regelmatig overleg met de Vereniging van Nederlandse Gemeenten (VNG), wordt op ambtelijk en bestuurlijk niveau via een expert- en regiegroep afgestemd over de uitwerking van het handhavingsplan waarin gemeenten en andere partners zijn vertegenwoordigd en vindt regulier overleg plaats binnen het Strategisch Beraad Veiligheid (SBV). Met de relevante partners wordt gewerkt aan het zo goed en eenduidig mogelijk laten landen van de nieuwe regelgeving, bijvoorbeeld door het uitwerken van handreikingen voor gemeenten en het ontwikkelen van duidelijke communicatie richting burgers.
Kunt u een volledig overzicht geven, inclusief een tijdlijn, van alle acties die het kabinet onderneemt om de nieuwe norm dat consumenten geen vuurwerk meer mogen afsteken, goed te laten landen, in lijn met adviezen van politie en (gedrags)wetenschappers? Kunt u per actie uitgebreid toelichten wat deze precies inhoudt en hoe deze precies wordt ingevuld? Wat houdt de publiekscampagne precies in en hoe lang loopt die? Is dat het enige wat wordt gedaan om de nieuwe norm goed te laten landen bij mensen?
Zie het antwoord op vraag 9.
Hoe worden gemeenten door het kabinet precies geholpen om de nieuwe norm goed te laten inbedden onder burgers dat consumenten geen vuurwerk meer mogen afsteken, in lijn met adviezen van politie en (gedrags)wetenschappers? Kunt u hier zo precies mogelijk in zijn, met een volledige opsomming van acties (inclusief tijdlijn) die het kabinet hiervoor heeft ondernomen en nog gaat ondernemen? Kunt u per actie uitgebreid toelichten wat deze precies inhoudt en hoe deze exact wordt ingevuld?
Hiervoor verwijs ik naar het handhavingsplan dat op 16 maart jl. met uw Kamer is gedeeld en de onlangs verzonden Verzamelbrief vuurwerk van 1 juli jl.2 In deze stukken wordt een overzicht gegeven welke acties zijn uitgevoerd en welke nog volgen om de nieuwe norm goed te laten landen en om gemeenten en uitvoeringspartners te ondersteunen richting de jaarwisseling, inclusief een tijdspad. Bij de totstandkoming en uitvoering van het handhavingsplan is nauw samengewerkt met onder meer VNG, gemeenten, politie, OM, ILT en gedragswetenschappers, zowel van het Ministerie van Justitie en Veiligheid als voor het Centrum voor Criminaliteitspreventie en Veiligheid. Ook is input opgehaald bij onder andere het jongerenpanel van HALT, het jongerenpanel van de politie en via de online community «Nederland denkt mee» van de dienst Publiek en Communicatie via het Ministerie van Algemene Zaken. Acties uit het handhavingsplan zien op communicatie, preventie, handhaving, opsporing en de aanpak in de grensregio’s en internationaal. Deze richten zich onder meer op verschillende risicofactoren en dragen bij aan een duurzame gedragsverandering zoals beoogd met de Wet veilige jaarwisseling. Onderdeel hiervan is een landelijke communicatiecampagne, gebaseerd op gedragsinzichten. Van 17 augustus tot en met 9 oktober loopt de landelijke campagne en deze heeft als boodschap dat burgers vuurwerk, anoniem en straffeloos, kunnen inleveren tijdens georganiseerde inleveracties, omdat het bezit, afsteken en vervoeren van vuurwerk3 vanaf 1 augustus voor consumenten verboden is. De landelijke campagne behelst een onlinevideo, een radiospot, online communicatie, gerichte media en praktische informatie over de inleverdagen op www.leverjevuurwerkin.nl. De inleveracties zelf zijn verspreid door het hele land georganiseerd, in ruim 30 gemeenten, en vinden plaats van 1 september tot 9 oktober 2026. Hiermee worden burgers herinnerd aan de nieuwe norm en wordt de kans geboden hun vuurwerk in te leveren.
Op basis waarvan heeft het kabinet de afweging gemaakt dat de acties onder antwoorden op vraag 8 en 9 voldoende zijn?
Het handhavingsplan is één van de drie voorwaarden waaraan diende te worden voldaan voor inwerkingtreding van de Wet veilige jaarwisseling. De daarin opgenomen acties zien toe op communicatie, preventie, handhaving, opsporing en de aanpak in de grensregio’s en internationaal. Deze richten zich onder meer op verschillende risicofactoren en dragen bij aan een duurzame gedragsverandering zoals beoogd met de Wet veilige jaarwisseling. De acties uit het handhavingsplan zijn tot stand gekomen in nauwe samenwerking met een breed scala aan partijen, waaronder de VNG, gemeenten, politie, OM, Halt, ILT. De betrokken partijen hebben ieder vanuit hun eigen deskundigheid en verantwoordelijkheid een bijdrage geleverd aan de uitwerking van deze thema’s en het effectief laten landen van de nieuwe norm in de samenleving. Het handhavingsplan dient daarbij als handreiking voor gemeenten, politie en andere betrokken partijen bij de voorbereiding op en uitvoering van hun lokale aanpak. Daarmee is sprake van een breed gedragen plan dat aansluit bij de uitvoeringspraktijk. Daarbij geldt dat de eerste jaarwisselingen onder het nieuwe regime nadrukkelijk in het teken staan van leren, evalueren en waar nodig bijstellen van de aanpak. Op 16 maart jl. is het geactualiseerde handhavingsplan ook aan uw Kamer aangeboden,4 waarna het Inwerkingtredingsbesluit in het kader van de voorhang op 8 mei jl.5 aan de Eerste en Tweede Kamer is aangeboden. De Eerste Kamer heeft op 2 juni jl. besloten in te stemmen met de uitwerking van de voorwaarden en daarmee met de inwerkingtreding van de Wet op 1 augustus 2026. Ook in de voorhangprocedure van de Tweede Kamer is geen bezwaar gekomen tegen de inwerkingtreding van de wet.
Overweegt het kabinet om de vuurwerkregels kort na de aankomende jaarwisseling te evalueren en mogelijk aan te scherpen, waarbij ook de mogelijkheid om ontheffingen te verlenen wordt geschrapt, gezien alle kritiek van burgemeesters op de ontheffingen en de besluiten van ondertussen al een kwart gemeentes om geen ontheffingen af te geven?2
Net zoals de afgelopen jaren, zal de jaarwisseling worden gemonitord, en wordt de Tweede Kamer kort na de jaarwisseling geïnformeerd over het landelijk beeld van de afgelopen jaarwisseling. Het Besluit veilige jaarwisseling, waarin op initiatief van de Tweede Kamer de ontheffingsmogelijkheid voor burgemeesters is uitgewerkt, zal in samenhang met de Wet veilige jaarwisseling na drie jaar worden geëvalueerd. Zoals toegezegd wordt de Kamer nader geïnformeerd over het tijdspad van de evaluatie.7 In deze brief, die in het najaar aan de Kamer zal worden verstuurd, zal tevens worden ingegaan op de wijze van monitoring.
Kunt u deze vragen zo snel mogelijk en één voor één beantwoorden?
Ja.
De langdurige storing van kerncentrale Borssele |
|
Sjoukje van Oosterhout (GroenLinks-PvdA) |
|
Stientje van Veldhoven (D66), Vincent Karremans (VVD) |
|
|
|
|
Bent u bekend met het bericht dat kerncentrale Borssele sinds 27 juni 2026 twee weken buiten bedrijf was vanwege een lekkage in het nucleaire gedeelte?1
Ja.
Klopt het dat, drie weken na afronding van deze onderhoudsstop, de centrale opnieuw moest worden stilgelegd vanwege een lekkage?
Ja. De reden hiervoor was een kleine lekkage aan een afsluiter in het nucleaire deel van de kerncentrale. Om dit zorgvuldig en volgens protocol te verhelpen, is de centrale tijdelijk uit bedrijf genomen.
Wat zijn de gevolgen van deze lekkage en het stilleggen van de kerncentrale?
De lekkage en het stilleggen van de centrale heeft geen gevolgen gehad voor de medewerkers van EPZ, omwonenden en de kerncentrale. De afsluiter die lekte is vervangen. Tijdens de reparatiewerkzaamheden vond EPZ in dezelfde ruimte een leiding in mindere staat. EPZ heeft een deel van deze leiding vervangen. Op 16 juli jl. is de kerncentrale volgens protocol weer veilig in bedrijf gegaan.
EPZ heeft de toezichthouder Autoriteit Nucleaire Veiligheid en Stralingsbescherming (ANVS) gedurende het gehele proces op de hoogte gehouden van de ontwikkelingen.
De kerncentrale heeft een elektrisch vermogen van 485 MW. Dat betekent dat de centrale 11.640 MWh elektriciteit per dag kan leveren als de centrale 24 uur op vol vermogen kan draaien. De centrale was aan het begin van de zomer 19 dagen buiten bedrijf. In die periode had 221.160 MWh elektriciteit opgewekt kunnen worden.
Wanneer gaat de centrale weer stroom leveren? Hoeveel stroom is er door dit onderhoud minder opgewekt dan voorzien?
Zie antwoord vraag 3.
Is de storing gerelateerd aan de leeftijd van de reactor? Zijn er nog leveranciers om dit soort storingen te verhelpen?
Er is geen verband tussen het optreden van de lekkage en de leeftijd van de reactor. Zoals aangegeven is de lekkage gerepareerd en is de kerncentrale weer veilig in bedrijf.
Hoe verhoudt dit incident zich met de voorgenomen bedrijfsduurverlenging van Borssele?
Er is geen relatie tussen deze ongewone gebeurtenis en de voorgenomen bedrijfsduurverlenging van de kerncentrale Borssele. Voordat de bedrijfsduurverlenging van de kerncentrale vergund kan worden door de ANVS, zal zij uiteraard uitvoerig verouderingsaspecten en de daarbij behorende eisen om de veiligheid te borgen onderzoeken, als onderdeel van het vergunningsverleningsproces.
In hoeverre wordt de ervaring met de betrouwbaarheid en onderhoudsgevoeligheid (en de daarmee verbonden kosten) van de bestaande centrale in Borssele meegewogen in de besluitvorming over de twee nieuwe, aanzienlijk grotere kerncentrales?
Het kabinet beschouwt kernenergie als een betrouwbare en waardevolle aanvulling op de Nederlandse energiemix. Net als andere grote energiecentrales heeft een kerncentrale periodiek onderhoud nodig. De kosten hiervoor vormen een vast onderdeel van de structurele operationele uitgaven en worden meegenomen in de business case voor de nieuwe centrales.
Bent u bereid de Kamer, zodra de centrale weer in bedrijf is, een overzicht te sturen over de oorzaak en gevolgen van deze storing, inclusief het oordeel van de Autoriteit Nucleaire Veiligheid en Stralingsbescherming (ANVS)?
Jaarlijks stuurt de Staatssecretaris van IenW de rapportage Ongewone Gebeurtenissen met daarin de meldplichtige gebeurtenissen bij nucleaire installaties (opgesteld door de ANVS) aan de Kamer en publiceert de ANVS deze op haar website. Dat zal in de toekomst zo blijven. Ook deze ongewone gebeurtenis zal in de rapportage over 2026 gemeld worden. Een actueel overzicht van ongewone gebeurtenissen is ook te vinden op de website van de ANVS2.
Racistisch en seksistisch geweld en intimidatie tegen mensen die asiel zoeken en inwoners die zich uitspreken voor opvang |
|
Christine Teunissen (PvdD) |
|
Rob Jetten (D66) |
|
|
|
|
Heeft u gezien dat inwoners van Engelen en Bokhoven die steun hebben uitgesproken voor vreedzaam samenleven door middel van een poster slachtoffer zijn geworden van intimidatie, bedreigingen en bekladdingen van woningen en andere eigendommen? Wat is uw reactie daarop?1
Heeft u gezien dat in Geesteren de auto van een Syrisch gezin in brand is gestoken, nadat eerder tot drie keer toe stenen met intimiderende en bedreigende briefjes door de ruiten van hun woning waren gegooid? Wat is uw reactie daarop?2
Heeft u gezien dat in Engelen de auto van mensen die een «Samen Leven»-poster hadden opgehangen in het water is geduwd? Wat is uw reactie daarop?3
Wat vindt u ervan dat inwoners van Engelen zich de afgelopen maanden al niet vrij voelden om hun mening te geven over een opvanglocatie voor kinderen die asiel zoeken in Nederland, omdat ze geïntimideerd werden door tegenstanders, waarbij onder meer hakenkruizen in appgroepen werden verspreid?4
Deelt u de analyse van onder andere Jelle Postma, voormalig AIVD'er en expert op het gebied van maatschappelijke manipulatie, dat hiermee een nieuwe, zorgelijke fase ingaat, waarbij geweld en intimidatie zich nu niet alleen maar richten op de overheid, maar ook op gewone burgers? Deelt u zijn analyse dat er «blijkbaar een gevoel is ontstaan dat je anderen straffeloos mag intimideren om je zin door te drijven»? Zo nee, wat is dan uw analyse?5
Erkent u dat een klimaat waarin inwoners zich niet meer vrij voelen zich publiekelijk uit te spreken over de opvang van asielzoekers, uit angst voor intimidatie of geweld, een bedreiging vormt voor de democratische rechtsstaat? Zo ja, welke verantwoordelijkheid ziet u daarin voor het kabinet?
Erkent u dat u als Minister-President een belangrijke verantwoordelijkheid heeft om u steeds tijdig en duidelijk uit te spreken tegen niet alleen haat en ophitsing richting mensen die asiel zoeken, maar ook tegen het geweld en de intimidatie die steeds meer plaatsvinden? Zo nee, waarom niet?
Waarom heeft u of een lid van uw kabinet zich tot nu toe niet helder uitgesproken over wat er in Engelen, Bokhoven en Geesteren heeft plaatsgevonden en waarom heeft het kabinet nog geen actie ondernomen? Gaat u het Syrische gezin en de inwoners van Engelen en Bokhoven die slachtoffer zijn geworden van haat en geweld bezoeken om uw steun en medeleven te betuigen? Zo nee, waarom niet?
Bent u bereid om te (laten) onderzoeken of de doelgerichte intimidatie, bedreigingen, brandstichting en vernielingen die in Engelen, Bokhoven en Geesteren hebben plaatsgevonden, mede gelet op het kennelijke doel om angst aan te jagen en maatschappelijke of politieke besluitvorming over de opvang van asielzoekers te beïnvloeden, gedreven zijn door terroristische motieven? Zo nee, waarom niet?
Kunt u deze vragen in elk geval beantwoorden voor de aankomende Algemene Politieke Beschouwingen?
Het bericht “Veel jonge lhbti+'ers voelen zich onveilig thuis en op school” |
|
Alisha Müller (VVD) |
|
Judith Tielen (VVD) |
|
|
|
|
Bent u bekend met het artikel «Veel jonge lhbti+'ers voelen zich onveilig thuis en op school»1, waarin vier op de tien jonge lhbtiq+'ers aangeeft zich niet veilig te voelen op school en een kwart zich thuis onveilig voelt?
Ja, daar ben ik mee bekend.
Deelt u de mening dat vrijheid het recht is om jezelf te kunnen zijn en de plicht de ander te accepteren? En dat religieuze, culturele of andere opvattingen nooit een rechtvaardiging mogen vormen voor intimidatie van of geweld tegen lhbtiq+-jongeren?
Ja, deze mening deel ik. Gelijkwaardigheid en vrijheid zijn fundamentele waarden in onze democratische rechtsstaat. In Nederland moeten lhbtiq+ personen overal en altijd veilig en vrij zichzelf kunnen zijn. De vrijheid van de één mag nooit ten koste gaan van de vrijheid van de ander. Intimidatie van of geweld tegen lhbtiq+ personen is onacceptabel.
Herkent u het geschetste beeld en de gepresenteerde cijfers? Hoe beoordeelt u de bevinding dat de onveiligheid zich niet alleen op straat of op school voordoet, maar in aanzienlijke mate ook in de eigen thuissituatie?
Ja, ik herken het geschetste beeld. Verschillende onderzoeken laten zien dat lhbtiq+ personen nog altijd een hogere mate van onveiligheid ervaren. Dit blijkt ook uit de Landelijke Veiligheidsmonitor (hierna: LVM) in het funderend onderwijs, die inzicht biedt in de ervaren veiligheid op school van onder anderen lhbt leerlingen.2 Die signalen zijn dus helaas niet nieuw. Toch ben ik geschrokken van deze cijfers. Het is aangrijpend dat zoveel lhbtiq+ jongeren zich ook thuis onveilig voelen. Thuis zou juist een veilige omgeving moeten zijn.
Beschikt uw ministerie over historische data om te beoordelen of hier sprake is van een stijgende trend in het gevoel van onveiligheid onder lhbtiq+-jongeren, of dat er sprake is van een continue/structurele problematiek?
Ja, het Ministerie van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap voert periodiek onderzoek uit naar de ervaren veiligheid van leerlingen in het primair en voortgezet onderwijs. Dit onderzoek gaat niet over de thuissituatie van lhbtiq+ jongeren. Lhbt leerlingen3 voelen zich minder veilig, worden vaker gepest en maken vaker geweld mee dan niet-lhbt leerlingen in het funderend onderwijs.
Dit geldt voor zowel het primair als voortgezet onderwijs.4 Tabel 1 geeft een overzicht van de veiligheidscijfers in het voortgezet onderwijs, uitgesplitst naar verschillende jaren.
2014
2016
2018
2021
2022
Veiligheidsgevoel
Lh(b)t
83,0%
86,8%
89,9%
95%
95%
Niet-lhbt
94,2%
95,6%
97,1%
98%
98%
Pesten
Lh(b)t
24,1%
18,0%
7,7%
13%
17%
Niet-lhbt
10,5%
7,4%
4,7%
4%
6%
Verbaal geweld
Lh(b)t
40,0%
39,5%
29,8%
N.b.
36%
Niet-lhbt
29,0%
26,3%
26,9%
N.b.
30%
De percentages in de jaren 2014, 2016 en 2018 laten het gemiddelde zien over lesbische, homoseksuele en transgender leerlingen. In deze monitors is geen uitsplitsing gemaakt naar biseksuele leerlingen. In 2018 was het aantal transgender respondenten laag, waardoor resultaten gevoelig zijn voor toevallige afwijkingen.
Heeft u inzicht in de redenen dan wel de achtergrond van deze stagnatie in het veiligheidsgevoel van jonge lhbtiq+'ers? Kunt u die inzichten delen?
Het onderzoek De lhbtiq+-opvattingen van jongeren van de Universiteit van Amsterdam (2025) geeft inzicht in de lhbtiq+-opvattingen van jongeren.5 De onderzoekers concluderen dat de lhbtiq+-opvattingen van jongeren een complex samenspel van factoren zijn, dat niet te reduceren valt tot één factor. De lhbtiq+-opvattingen van jongeren hangen samen met de mate van conservatisme, geslacht, godsdienst en leerweg. Daarnaast zijn er signalen dat de opkomst van de manosfeer en religieus conservatisme een rol spelen. Medio 2027 publiceert de Universiteit van Amsterdam aanvullend onderzoek met daarin aandacht voor de rol van sociale media en de manosfeer. Ook verschijnt de Gezondheidsmonitor Jeugd 2026 volgend jaar, met cijfers over de lhbtiq+-opvattingen van jongeren in alle GGD-regio’s in Nederland. Op basis van de resultaten hiervan weeg ik af welk aanvullend onderzoek nodig is.
Klopt het dat scholen wettelijk verplicht zijn om de sociale veiligheid van leerlingen te waarborgen? Hoe verklaart u tegen die achtergrond dat vier op de tien ondervraagde lhbtiq+-jongeren zich desondanks niet veilig voelen op school?
Scholen hebben een zorgplicht voor de veiligheid op school. Dat betekent dat scholen samen met leraren, leerlingen en medezeggenschap, veiligheidsbeleid maken om incidenten te voorkomen (preventie) en af te handelen, jaarlijks (of vaker) de veiligheid van leerlingen onderzoeken, een coördinator hebben om pestgedrag tegen te gaan, een contactpersoon hebben bij wie leerlingen terecht kunnen als zij worden gepest, handelen in lijn met de meld-, overleg- en aangifteplicht seksuele misdrijven en ervoor zorgen dat elk personeelslid een geldige Verklaring Omtrent het Gedrag (VOG) heeft.
Het onderzoek van de NOS is weliswaar niet representatief, maar schetst een zorgelijk beeld dat ik herken. Ook uit recent onderzoek in opdracht van Stichting School & Veiligheid blijkt dat lhbtiq+ leerlingen meer negatieve uitspraken richting zich krijgen dan niet-lhbtiq+ leerlingen6. In de Staat van het Onderwijs signaleert iets meer dan de helft van de schoolleiders in het voortgezet onderwijs negatieve uitingen over lhbtiq+ personen.7 Verklaringen hiervoor bevinden zich niet enkel binnen het domein van het onderwijs, maar in de hele samenleving.
Heeft u inzicht in het aantal scholen dat de afgelopen vijf schooljaren door de onderwijsinspectie is aangesproken omdat zij onvoldoende zorg droegen voor de sociale veiligheid van lhbtiq+-leerlingen? Welke consequenties werden daaraan verbonden?
De inspectie houdt toezicht op de naleving van de zorgplicht voor sociale veiligheid van alle leerlingen op een school op basis van de wettelijke vereisten. Onderdeel daarvan is dat de inspectie erop let of leerlingen uit minderheidsgroepen, zoals lhbtiq+ leerlingen, zich veilig voelen. Wanneer een school niet voldoet aan haar wettelijke zorgplicht, volgt een herstelopdracht en kan bij uitblijven van herstel een financiële sanctie volgen. Als de inspectie een herstelopdracht geeft op de standaard veiligheid, is dat voor de sociale veiligheid als geheel, bijvoorbeeld doordat er geen aanspreekpunt pesten of antipest-coördinator aanwezig is op school. Hierbij wordt niet geregistreerd in hoeverre de veiligheid van een specifieke groep de aanleiding is voor de herstelopdracht.
Op basis van steekproeven van de inspectie kreeg 8% van de scholen in het primair onderwijs een herstelopdracht voor de standaard veiligheid. In het speciaal onderwijs gold dat voor 16% van de scholen en in het voortgezet onderwijs betrof dat 28% van de scholen.
Hebben schoolleiders op dit moment volgens u voldoende mogelijkheden om direct en zo nodig disciplinair op te treden tegen het discrimineren van dan wel het gebruik van geweld tegen leerlingen? Zo nee, wat hebben zij nodig?
Discriminatie op grond van seksuele gerichtheid is verboden en strafbaar. Scholen en schoolleiders hebben de mogelijkheid om op te treden. Dat begint uiteraard met goed veiligheidsbeleid, het uitvoeren van de burgerschapsopdracht en een positief pedagogisch klimaat op school. Als het nodig is, kunnen scholen ook repressieve maatregelen treffen. Bijvoorbeeld schorsing, verwijdering en aangifte. Verder ondersteunt Stichting School & Veiligheid scholen bij het werken aan een veilige school. Ook de VO-raad en PO-Raad ontvangen subsidie om samen met scholen en ouders te werken aan een positieve pedagogische schoolcultuur.
Welke concrete maatregelen neemt u om ervoor te zorgen dat schoolbesturen signalen van onveiligheid voortaan direct onderzoeken en daar daadwerkelijk consequenties aan verbinden? Hoe ondersteunt u scholen daarin?
Scholen hebben een zorgplicht voor de veiligheid. Dat houdt ook in dat scholen optreden bij onveiligheid. De inspectie houdt toezicht op de naleving van wettelijke plichten en kan indien nodig handhavend optreden door middel van het opleggen van een herstelopdracht. Stichting School & Veiligheid ondersteunt scholen bij het werken aan een veilig schoolklimaat. Daarnaast ondersteunt het kabinet scholen bij het versterken van de sociale veiligheid door te investeren in praktische ondersteuning. Via COC Nederland wordt onder meer de Paarse Vrijdag-aanpak verder ontwikkeld, inclusief ondersteuningsmateriaal voor scholen, trainingen en handvatten voor schoolleiders en leraren.
Welke onderdelen van het inmiddels verworpen wetsvoorstel vrij en veilig onderwijs acht u nog steeds noodzakelijk om deze problematiek aan te pakken en wanneer komt het kabinet met een nieuw voorstel om de ontstane lacunes te dichten?
Voor mij staat voorop dat alle leerlingen zich veilig moeten voelen op school. Om die reden beraad ik mij momenteel over een vervolg. Zodra daar meer duidelijk over is, informeer ik de Tweede Kamer hierover. De maatregelen die onderdeel waren van dit wetsvoorstel kunnen niet zonder meer opnieuw ingezet worden in beleid of wetgeving. Zaken als een evaluatie van het veiligheidsbeleid of het hebben van een vertrouwenspersoon zijn helaas nog niet gebruikelijk op alle scholen.
Hoe worden jongeren die zich in hun thuissituatie onveilig voelen vanwege hun geaardheid of genderidentiteit ondersteund en hoe wordt hierin samengewerkt met gemeenten, de jeugdzorg en maatschappelijke organisaties?
Leerlingen die zich onveilig voelen kunnen in het onderwijs terecht bij leraren, mentoren, vertrouwenspersonen of zorgcoördinatoren. Jongeren die een luisterend oor nodig hebben, kunnen contact opnemen met de Kindertelefoon, Switchboard en Genderpraatjes. Op www.injebol.nl kunnen jongeren terecht voor betrouwbare informatie over mentale gezondheid, laagdrempelige ondersteuning en doorverwijzingen naar meer specifieke vormen van ondersteuning. Op dit platform is ook informatie te vinden over seksualiteit en seksuele gerichtheid.
Deze jongeren kunnen ook terecht bij het lokale wijkteam of Veilig Thuis voor advies en ondersteuning. Gemeenten zijn op grond van de Jeugdwet verantwoordelijk voor het organiseren van passende jeugdhulp en de samenwerking met onder meer onderwijs en sociaal domein. Maatschappelijke organisaties, zoals COC Nederland, bieden laagdrempelige ondersteuning, informatie en contact met lotgenoten.
Het kabinet werkt ook aan preventie van onveiligheid bij lhbtiq+ personen en specifiek jongeren. Zo financiert het kabinet het programma Regenboogsteden die op lokaal niveau werken aan het verbeteren van de sociale acceptatie en sociale veiligheid van lhbtiq+ personen. Op school kunnen jongeren zich ook aansluiten bij Gender & Sexuality Alliances (GSA’s), een initiatief van COC Nederland. Dit zijn groepen die leerlingen zelf vormen om steun en herkenning te vinden bij elkaar.
Welke indicatoren en meetinstrumenten worden gebruikt om te bepalen of beleidsmaatregelen daadwerkelijk leiden tot een veiliger klimaat voor lhbtiq+-jongeren op scholen en in de samenleving?
In opdracht van het Ministerie van Justitie en Veiligheid publiceert het Centraal Bureau voor de Statistiek de tweejaarlijkse Veiligheidsmonitor. Deze monitor bevat cijfers over de ervaren leefbaarheid en veiligheidsbeleving in de woonbuurt, waaronder die van lhbtiq+ personen.8 Daarnaast geeft de tweejaarlijkse Lhbtiqa+-monitor inzicht in onder andere de veiligheid, discriminatie en gezondheid van lhbtiq+ personen in Nederland.9 Deze monitor wordt uitgevoerd in opdracht van het Ministerie van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap.
Uw Kamer ontvangt de eerstvolgende monitor in Q4 van dit jaar.
Ik werk momenteel aan het Wetsvoorstel borging gegevensverwerkingen funderend onderwijs. Dit wetsvoorstel ligt momenteel in uw Kamer. Dit wetsvoorstel bevat een wettelijke taak en grondslag om tweejaarlijks de veiligheid van leerlingen en personeel in het funderend onderwijs te monitoren middels de LVM. Het wetsvoorstel en de onderliggende regeling regelen dat de LVM inzicht geeft in de veiligheid van lhbtiq+ leerlingen. Daarmee komt er actueel zicht op de trends en trendontwikkelingen in de veiligheid van lhbtiq+ leerlingen. Dit kan betrokken worden bij de beoordeling en evaluatie van het landelijke beleid.
Een van de beleidsmaatregelen ter bevordering van de veiligheid van lhbtiq+ leerlingen op school is het hebben van een GSA. Het Nederlands Jeugd Instituut heeft GSA’s erkend als goed onderbouwde interventie. Daarnaast laat veel onderzoek positieve effecten van GSA’s zien op de veiligheid en het welbevinden van lhbtiq+ jongeren. Ook weten we dat het bespreekbaar maken van diversiteit zorgt voor een veiliger schoolklimaat. Ik wil hier graag nader onderzoek naar laten doen binnen de Versterkte aanpak lhbtiq+ veiligheid.
Bent u bereid om de veiligheidsbeleving van jonge lhbtiq+'ers (zowel op school als in de thuissituatie) jaarlijks expliciet op te nemen als vast meetpunt in bijvoorbeeld voortgangsbrieven?
Met de LVM zoals beschreven in het antwoord op vraag 12 wordt tweejaarlijks inzicht gegeven in de veiligheidsbeleving van lhbtiq+’ers op school. Deze rapportage wordt ook met de Kamer gedeeld. Ook de tweejaarlijkse Veiligheidsmonitor en Lhbtiqa+-monitor worden met uw Kamer gedeeld.
Nederlandse financiering van Palestijnse ngo’s die terrorisme legitimeren en aanmoedigen |
|
Annelotte Lammers (PVV) |
|
Sjoerd Sjoerdsma (D66) |
|
|
|
|
Bent u bekend met het rapport van NGO Monitor1 over Europese financiering van Palestijnse ngo’s die steun uitspreken voor «verzet in al zijn vormen»?
Ja.
Bent u bekend met de verklaring van 11 juli 2026, ondertekend door onder andere het Al Mezan Center for Human Rights en het Palestinian Centre for Human Rights en waarbij de Independent Commission for Human Rights als waarnemer staat vermeld, waarin steun wordt uitgesproken voor «verzet in al zijn vormen»?
Ja.
Bent u van mening dat «verzet in al zijn vormen» in deze context niets anders is dan verhullende taal voor geweld en terrorisme en dat de betrokken organisaties daarmee terrorisme legitimeren en aanmoedigen? Zo nee, welke vormen van geweld worden door deze organisaties dan expliciet uitgesloten?
Nee, die mening deelt het kabinet niet. De betreffende zin in de verklaring luidt als volgt: «Our resistance in all its forms to occupation, apartheid and colonisation is being increasingly sanctioned, criminalized, undermined and delegitimized, despite being rooted in international law.» Tevens roepen de ondertekenaars in de verklaring de internationale gemeenschap op om Palestijnse maatschappelijke organisaties te steunen in hun werk om een einde te maken aan het geweld waarmee ze te maken krijgen. Wat het kabinet betreft is er geen sprake van legitimering of aanmoediging van geweld of terrorisme in deze verklaring. Verder wijst het kabinet ook op bestaande kritiek op de handelwijze van NGO Monitor, zoals benoemd in de beantwoording van eerdere Kamervragen over NGO Monitor2 en de kabinetsreactie op andere rapporten van NGO Monitor3.
Deelt u de mening dat het volstrekt onacceptabel en moreel verwerpelijk is dat Nederlands belastinggeld terechtkomt bij organisaties die terrorisme legitimeren en aanmoedigen? Zo nee, waarom niet?
Het is evident dat Nederlands belastinggeld niet bedoeld is voor de ondersteuning van organisaties die terrorisme legitimeren en aanmoedigen. Na de gebeurtenissen op 7 oktober 2023 zijn de due diligence-processen die ervoor moeten waken dat Nederlands geld niet (in)direct ten goede komt van terroristische organisaties tegen het licht gehouden. Daaruit bleek dat er geen signalen zijn dat geld voor Nederlandse en EU-ontwikkelingshulp voor de Palestijnse Gebieden terecht is gekomen bij onbedoelde bestemmingen en dat de processen op orde zijn, zoals gesteld in de brief die op 11 oktober 20234 met de Kamer is gedeeld, alsook in de beantwoording op de reeds gestelde Kamervragen door Groep Markuszower.5
Bent u ervan op de hoogte dat deze organisaties de door het kabinet gesteunde tweestatenoplossing afwijzen vanuit een anti-Israël agenda en een strijd voeren tegen het bestaansrecht van Israël? Zo ja, waarom verstrekt u deze organisaties Nederlands belastinggeld?
De betreffende organisaties hebben als doel om mensenrechten in de bezette Palestijnse gebieden te bevorderen en te beschermen. Dit is in lijn met het kabinetsbeleid.
Klopt het dat Nederland de Independent Commission for Human Rights tussen 2023 en 2027 rechtstreeks met ongeveer € 1,86 miljoen financiert en voor de periode 2024 tot en met 2028 daarnaast € 22,85 miljoen heeft toegezegd aan het UNDP-programma Sawasya III, waarbinnen Al Mezan en het Palestinian Centre for Human Rights tot december 2028 als ontvangers zijn aangemerkt?
Nederland verstrekt inderdaad de genoemde financiële bijdrage aan de Independent Commission for Human Rights (ICHR). De genoemde bijdrage aan het UNDP-programma Sawasya III is ook correct, maar Al Mezan en het Palestinian Centre for Human Rights (PCHR) ontvingen alleen in de periode 2024–2025 financiering van dit programma. De besluiten voor partnerorganisaties worden jaarlijks door middel van een aanbestedingsprocedure genomen.
Kunt u een volledig overzicht verstrekken van de Nederlandse financiering die via Sawasya III reeds aan Al Mezan en het Palestinian Centre for Human Rights is verstrekt en tot december 2028 nog zal worden verstrekt, uitgesplitst per organisatie en kalenderjaar en met vermelding van de juridische grondslag, het uitvoerende of tussenliggende financieringskanaal en de datum van iedere betaling, en daarbij tevens aangeven welke andere organisaties die de verklaring hebben ondertekend of gesteund direct of indirect Nederlands belastinggeld ontvangen?
Via het Sawasya III programma, uitgevoerd door een coalitie van UNDP, UNWomen en UNICEF voor de periode 2024–2028, is er tot nu toe een totaalbedrag van USD 568.080 verstrekt aan Al Mezan, de PCHR, en de Women's Centre for Legal Aid and Counselling. Toekomstige financiering voor deze organisaties is nog niet bekend, gezien de jaarlijkse aanbestedingsprocedures. Zie ook het antwoord op vraag 6.
Welke conclusies heeft het onderzoek opgeleverd dat Nederland in 2025 instelde naar de banden tussen de Independent Commission for Human Rights en Hamas?
De Independent Commission for Human Rights(ICHR) is de onafhankelijke nationale mensenrechteninstelling in de Palestijnse Gebieden met het mandaat om als ombudsman op te treden. De ICHR monitort en rapporteert over mensenrechtenschendingen van de zogenaamde plichtsdragers in de Palestijnse Gebieden, te weten Israël, de Palestijnse Autoriteit en Hamas. In dat kader heeft de ICHR tussen 2020 en 7 oktober 2023 mensenrechtentrainingen verzorgd ten behoeve van de politie in Gaza. Hoewel de politie in Gaza als organisatie geen onderdeel is van Hamas, oefent Hamas als de facto autoriteit wel controle uit in de aansturing. Dit vormde aanleiding om bij de ICHR navraag te doen. Op basis daarvan kon geconcludeerd worden dat de ICHR geen banden heeft met Hamas. Ook heeft de ICHR individuele deelnemers gescreend op basis van EU en VN terrorisme-listings. Daarbij is geconcludeerd dat deelnemers geen Hamasleden waren. De ICHR heeft na 7 oktober 2023 besloten deze trainingen te stoppen.
Kunt u uiteenzetten wat u wist over de banden tussen de Independent Commission for Human Rights en Hamas en tussen Al Mezan en het Palestinian Centre for Human Rights en de PFLP, hoeveel Nederlands belastinggeld sinds de start van het onderzoek nog aan deze organisaties is verstrekt en waarom de financiering niet onmiddellijk is stopgezet?
Er zijn voor zover bekend geen banden tussen de ICHR en Hamas of tussen Al Mezan en het PCHR en de PFLP. Zie voor het overzicht van financiering het antwoord op vragen 7.
Is het ondertekenen of ondersteunen van een verklaring waarin steun wordt uitgesproken voor «verzet in al zijn vormen» volgens u verenigbaar met de geldende subsidievoorwaarden en de regels ter voorkoming van terrorismefinanciering? Zo ja, wat zijn deze voorwaarden en regels dan nog waard?
Nee. Zie het antwoord op vraag 2, 3, en 4.
Bent u bereid alle directe en indirecte Nederlandse financiering aan de Independent Commission for Human Rights, Al Mezan en het Palestinian Centre for Human Rights per direct stop te zetten, binnen de UNDP hetzelfde te eisen en de reeds verstrekte middelen terug te vorderen vanwege de genoemde banden met terroristische organisaties en het legitimeren en aanmoedigen van terrorisme? Zo nee, waarom blijft u deze organisaties financieren?
Zie antwoord vraag 10.
Het antwoord op vragen van het lid Keijzer over de kosten van adviesraden, commissies en non-gouvernementele organisaties van ministeries |
|
Mona Keijzer |
|
Eric van der Burg (VVD) |
|
Kunt u bijgevoegd aan de beantwoording van deze vragen een volledig overzicht verstrekken van alle adviesorganen die worden beschouwd als adviesorganen in de zin van Artikel 79 van de Grondwet? Zo nee, waarom niet?
De vaste colleges van advies in de zin van artikel 79 Grondwet zijn de Wetenschappelijke Raad voor het Regeringsbeleid (WRR), de Sociaaleconomische Raad (SER) en de vaste adviescolleges die zijn ingesteld op grond van artikel 4 van de Kaderwet adviescolleges. Bijgevoegd aan deze beantwoording verstrek ik een lijst van deze adviescolleges, waarbij per college de wettelijke grondslag en de adviestaak worden vermeld.
In mijn beantwoording van de eerdere schriftelijke vragen van het lid Keijzer heb ik reeds toegezegd voor het einde van het derde kwartaal een eenmalig overzicht te verstrekken van de financiële middelen die bij de departementen begroot zijn voor de adviescolleges die adviseren over beleid en wetgeving.1 Deze toezegging omvatte daarmee onder meer alle adviescolleges in de zin van artikel 79 van de Grondwet. Ik heb uw Kamer dit overzicht op 10 september jl. doen toekomen.2
Kunt u per adviesorgaan in de zin van Artikel 79 van de Grondwet de taken, de jaarlijkse financiële middelen tot en met 2030, begrotingsartikel en de overige apparaats- en uitvoeringskosten aangeven? Zo nee, waarom niet?
Zie antwoord vraag 1.
Kunt u per adviescollege onder de Kaderwet specifiek de taken, de jaarlijkse financiële middelen tot en met 2030, begrotingsartikel en de overige apparaats- en uitvoeringskosten aangeven? Zo nee, waarom niet?1
De vaste adviescolleges die zijn ingesteld op grond van artikel 4 van de Kaderwet adviescolleges zijn betrokken in mijn antwoord op vragen 1 en 2.
Op grond van de Kaderwet adviescolleges kunnen daarnaast tijdelijke (artikel 5) en eenmalige (artikel 6) adviescolleges worden ingesteld. Deze adviescolleges adviseren wel over beleid en wetgeving, maar zijn geen colleges in de zin van artikel 79 van de Grondwet omdat zij niet permanent zijn. Op dit moment zijn er twee tijdelijke adviescolleges actief op grond van artikel 5 van de Kaderwet adviescolleges en één eenmalig adviescollege op grond van artikel 6 van de Kaderwet adviescolleges. De grondslag en taken van deze adviescolleges heb ik ook opgenomen in de lijst die ik als bijlage bij deze beantwoording meezend.
De financiële middelen voor deze tijdelijke (art. 5) en eenmalige (art. 6) adviescolleges heb ik reeds opgenomen het overzicht van geraamde uitgaven aan adviescolleges die adviseren over beleid en wetgeving, dat ik uw Kamer op 10 september jl. heb verstrekt.
Kunt u per externe commissie met een adviestaak die actief is binnen de rijksoverheid de taken, de jaarlijkse financiële middelen tot en met 2030, begrotingsartikel en de overige apparaats- en uitvoeringskosten aangeven? Zo nee, waarom niet?2
Mijn ministerie houdt het rijksbrede overzicht van externe commissies zo goed als mogelijk bij in het Register van Overheidsorganisaties.5 Daarin wordt voor elke vermelde commissie ook een verwijzing naar de grondslag en taken opgenomen. Op dit moment wordt gewerkt aan een interdepartementale inventarisatie om het totaalbeeld van externe commissies te actualiseren en aan te vullen. Het kabinet vindt het, met de vragensteller, van belang dat het advieslandschap inzichtelijk is. Zodra deze inventarisatie is afgerond, zal ik de opbrengst hiervan uiterlijk eind oktober delen met uw Kamer. In de beantwoording van de eerdere schriftelijke vragen van het lid Keijzer heb ik al toegelicht dat voor externe commissies begrote uitgaven doorgaans niet separaat op de departementale begroting worden vermeld. Ik zal bezien op welke wijze het mogelijk is om, zodra de voornoemde inventarisatie is afgerond, ook inzicht te bieden in de kosten van externe commissies.
Kunt u een integraal overzicht verstrekken van alle non-gouvernementele organisaties die in de periode 2026 tot en met 2030 vanuit één of meer ministeries jaarlijks meer dan € 1 miljoen aan subsidie ontvangen of zullen ontvangen, waarbij per organisatie wordt aangegeven welk ministerie of welke ministeries de subsidie verstrekken en welk bedrag per jaar wordt verstrekt? Zo nee, waarom niet?
Een dergelijk overzicht is niet beschikbaar. In de beantwoording van de eerdere schriftelijke vragen van het lid Keijzer heb ik reeds uitgebreid toegelicht hoe het kabinet via de begrotingsstukken aan de Kamer verantwoording aflegt over subsidies.
Kunt u toezeggen om voor het einde van het zomerreces deze vragen te beantwoorden met daarbij de gevraagde overzichten (incl. de gevraagde overzichten van vorige vragen) en niet te verwijzen naar een op een later moment te verstrekken overzicht? Zo niet, hoe denkt u dan dat de Kamer haar controlerende taak goed kan uitvoeren wanneer zij niet beschikt over een volledig overzicht van alle adviesorganen, adviescolleges en externe adviescommissies, inclusief hun taken en de daarmee gemoeide publieke middelen?3
Ik onderschrijf volledig het belang van tijdige informatievoorziening aan de Kamer voor haar controlerende taak. Ik heb deze schriftelijke vragen, evenals de eerder gestelde schriftelijke vragen over hetzelfde onderwerp, zo spoedig mogelijk beantwoord. Beide sets schriftelijke vragen bevatten enkele omvangrijke informatieverzoeken. Daarbij vond ik het, met het oog op de geldende termijn voor de beantwoording van schriftelijke vragen van uw Kamer, wenselijk om niet de gehele beantwoording te laten vertragen door het ontbreken van een deel van de informatie die benodigd is om één van de vragen te kunnen beantwoorden. Daarom heb ik toegezegd deze informatie op een later moment, binnen een redelijke termijn, alsnog te verstrekken.7
De uitspraken van minister van staat Timmermans |
|
Mona Keijzer |
|
Rob Jetten (D66) |
|
Bent u bekend met het interview waarin de heer Timmermans uitspraken doet over het conflict tussen Israël en de Palestijnen?1
Ja.
Hoe beoordeelt u de uitspraken van de heer Timmermans dat in het Midden-Oosten sprake zou zijn van de «uitroeiing van een volk» en dat Palestijnen «letterlijk in zee worden gedreven»?
De hoedanigheid van «Minister van staat» wordt bij hoge uitzondering verleend en slechts aan iemand die zich op hoog niveau jegens de staat gedurende langere periode verdienstelijk heeft gemaakt. Er geldt geen ministeriële verantwoordelijkheid voor uitspraken die Ministers van staat doen en waarover zij zichzelf kunnen verantwoorden.
Kan het kabinet reageren op de rapporten en onderzoeken waarnaar onder meer Andrew Fox verwijst en die volgens hem belangrijke onderdelen van de genocidebeschuldigingen tegen Israël weerspreken?2 3 4 5 6
Zie het antwoord op vraag 2.
Deelt u de opvatting dat deze bevindingen op gespannen voet staan met de uitspraken van de heer Timmermans dat Palestijnen worden «uitgeroeid»? Zo nee, waarom niet?
Zie het antwoord op vraag 2.
Acht u deze uitspraken verenigbaar met de bijzondere positie en voorbeeldfunctie die verbonden zijn aan de titel Minister van staat? Zo ja, waarom?
Zie het antwoord op vraag 2.
Is voorafgaand aan de benoeming van de heer Timmermans tot Minister van staat meegewogen dat hij zich regelmatig publiekelijk uitlaat over actuele en politiek gevoelige thema’s? Zo ja, op welke wijze?
De hoedanigheid van «Minister van staat» wordt bij hoge uitzondering verleend en slechts aan iemand die zich op hoog niveau jegens de staat gedurende langere periode verdienstelijk heeft gemaakt. Het leidt geen twijfel dat de heer Timmermans hieraan voldoet.
Kunt u toelichten in hoeverre van Ministers van staat wordt verwacht dat zij boven de dagelijkse partijpolitieke strijd staan?
Zie het antwoord op vraag 2.
Het niet voldoen aan de uitspraak van de rechter inzake de Bonaire-klimaatzaak |
|
Christine Teunissen (PvdD) |
|
Stientje van Veldhoven (D66) |
|
|
|
|
Vindt u dat iedereen in Nederland zich aan rechterlijke bevelen moet houden, inclusief de Staat? Ziet u ook het gevaar van ondermijning van de rechtsstaat door de Staat zelf als zij zich niet aan rechterlijke uitspraken houdt?
Ja.
Erkent u de urgentie van het voldoen aan het Bonaire-vonnis in het licht van de klimaatcrisis?
Ja.
Klopt de bevinding van de NOS dat het kabinet de datum waarop het kabinet inzage moet geven in de emissieruimte van Nederland, namelijk gisteren, naast zich neerlegt?
Nee, dat klopt niet. De rechtbank Den Haag heeft bij herstelvonnis van 18 maart 20261 bevestigd dat de Staat 18 maanden de tijd heeft om de (resterende) emissieruimte voor Nederland inzichtelijk te maken. Die termijn is nog niet verstreken.
Erkent u dat het in kaart brengen van de emissieruimte het allereerste begin zou zijn van wat er moet gebeuren, en dat het een slecht signaal is dat het kabinet die eerste stap zelfs negeert?
Ik erken het belang van het in kaart brengen van de emissieruimte. Het inzichtelijk maken daarvan hangt samen met de reductiedoelen voor de gehele economie die op basis van rechtsoverweging 12.2 door de Staat moeten worden vastgesteld. Als de doelen zijn vastgesteld kan daaruit de (resterende) emissieruimte voor Nederland opgemaakt worden.
Realiseert u zich dat het uitvoeren van het vonnis hierdoor in het geding komt, aangezien het kabinet binnen 18 maanden bindende klimaatdoelen moet hebben vastgesteld, gebaseerd op de resterende emissieruimte?
De uitvoering van het vonnis komt hierdoor niet in het geding. De Staat werkt momenteel aan de uitvoering van het vonnis.
Hoe denkt u alsnog tijdig aan de uitspraak te voldoen bij het ontbreken van een onderbouwde berekening van de emissieruimte? Kunt u dit uiteenzetten in een gedegen planning?
Zoals genoemd in het antwoord op vraag 5 wordt hard gewerkt aan het tijdig uitvoeren van het vonnis.
Waarom heeft u nog geen advies gevraagd aan de Wetenschappelijke Klimaatraad of het Planbureau voor de Leefomgeving om een berekening te maken van de resterende emissieruimte voor Nederland? Bent u bereid dat alsnog te doen? Zo nee, waarom niet?
De Staat baseert zich bij het vaststellen van reductiedoelen op wetenschappelijke rapporten van het IPCC. Dat doet de Staat omdat de rechtbank zich in het vonnis ook op deze rapporten van het IPCC baseert. Daar wil de Staat bij aansluiten. Volgend op de vastgestelde doelen zal de (resterende) emissieruimte voor Nederland berekend worden. Vanwege deze aanpak wordt het niet nodig geacht om de genoemde instellingen hierover om advies te vragen.
Onderschrijft het kabinet het bevel van de rechtbank dat de Staat inzichtelijk moet maken wat de resterende emissieruimte voor Nederland is waarvan de Staat uitgaat bij het nemen en uitvoeren van klimaatmaatregelen, en dat gisteren, een half jaar na de uitspraak, dit inzicht gegeven moet worden? Zo ja, waarom voldoet het kabinet hier niet aan?
Het kabinet werkt hard aan de uitvoering van het vonnis. Een onderdeel van het vonnis is dat de Staat de emissieruimte inzichtelijk moet maken. Hiervoor geldt echter geen termijn van 6, maar van 18 maanden. Zie ook het antwoord op vraag 3.
Kunt u de beschikbare berekeningen delen met de Kamer, aangezien de Staat tijdens de rechtszaak heeft aangegeven reeds te beschikken over emissiegegevens? Zo nee, waarom niet?
Gelijktijdig met de wetswijziging die nodig is voor de uitvoering van het vonnis zal inzichtelijk gemaakt worden hoe de omvang van de emissieruimte is bepaald.
Bent u bereid alsnog de emissieruimte die nog mogelijk is binnen het Akkoord van Parijs inzichtelijk te maken, zoals de rechter heeft bevolen? Zo nee, waarom niet?
Ja, deze emissieruimte zal inzichtelijk worden gemaakt gelijktijdig met de wetswijziging die nodig is voor de uitvoering van het vonnis.
Het artikel Schatting RIVM: honderden sterfgevallen meer dan verwacht tijdens hitte vorige week |
|
Jimmy Dijk (SP) |
|
Boekholt-O’Sullivan , Vincent Karremans (VVD), Sophie Hermans (VVD) |
|
|
|
|
Heeft u kennisgenomen van de schatting van het Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu (RIVM) dat tijdens de hittegolf van eind juni 2026 ongeveer 480 mensen meer zijn overleden dan verwacht?1
Hoe beoordeelt u het feit dat er in één week honderden mensen, voornamelijk mensen van 80 jaar en ouder, zijn overleden als gevolg van extreme hitte? Deelt u de mening dat dit geen natuurverschijnsel is waar we ons bij neer moeten leggen, maar een falen van de bescherming van kwetsbare mensen?
Kunt u aangeven waarom de oversterfte juist in het oosten en zuiden van het land het hoogst was? In hoeverre speelt hierbij mee dat de zorg en het welzijnswerk in deze regio's onder druk staan door bezuinigingen en personeelstekorten?
Hoeveel van de overleden ouderen woonden zelfstandig thuis, en hoeveel in een verpleeghuis of andere zorginstelling? Bent u bereid dit door het RIVM te laten uitzoeken?
Erkent u dat het jarenlange beleid om ouderen zo lang mogelijk thuis te laten wonen, in combinatie met het sluiten van verzorgingshuizen, ertoe heeft geleid dat veel kwetsbare ouderen tijdens een hittegolf alleen thuis zitten zonder toezicht, koeling of hulp bij het drinken? Zo nee, waarom niet?
Hoeveel verpleeghuizen en zorginstellingen in Nederland beschikken op dit moment niet over airconditioning of andere adequate koeling in de verblijfsruimten van bewoners? Bent u bereid hier een landelijke inventarisatie naar te doen?
Welke rol speelt de kwaliteit van woningen bij hittesterfte? Erkent u dat mensen met een laag inkomen vaker in slecht geïsoleerde woningen wonen die in de zomer veel te heet worden en dat hitte daarmee ook een kwestie van ongelijkheid is?
Bent u bereid om verhuurders te verplichten maatregelen tegen hitte te nemen?
Erkent u dat hittegolven door klimaatverandering vaker en heviger zullen voorkomen en dat structurele maatregelen dus noodzakelijk zijn?
Bent u bekend met onderzoeken waaruit blijkt dat wijken met lagere inkomens gemiddeld aanzienlijk warmer zijn dan rijkere wijken, doordat er minder groen, meer steen en asfalt en dichtere bebouwing is? Hoe beoordeelt u het feit dat juist de mensen met de minste middelen in de heetste wijken wonen?
Deelt u de mening dat het onaanvaardbaar is dat je portemonnee bepaalt hoe heet je wijk wordt en daarmee hoe groot je gezondheidsrisico is tijdens een hittegolf? Zo nee, waarom niet?
Is bekend of de oversterfte tijdens de afgelopen hittegolf hoger was in wijken met een lagere sociaaleconomische status? Bent u bereid het RIVM opdracht te geven de oversterfte uit te splitsen naar wijk en inkomensniveau, zodat duidelijk wordt waar de klappen vallen?
Welke gerichte rijkssteun is er op dit moment beschikbaar om de armste en heetste wijken af te koelen, bijvoorbeeld door vergroening, het planten van bomen, het vervangen van steen door groen en het aanleggen van schaduw en waterpartijen? Kunt u een overzicht geven van de beschikbare middelen en waar deze terechtkomen?
Erkent u dat gemeenten met veel kwetsbare wijken vaak juist de gemeenten zijn met de minste financiële ruimte, en dat zonder extra rijksmiddelen de vergroening van deze wijken niet van de grond komt? Bent u bereid een gericht fonds in te stellen voor het hittebestendig maken van de heetste, armste wijken, waarbij de wijken met de grootste hitteproblemen als eerste aan de beurt komen?
Hoeveel procent van de woningen in de armste wijken heeft toegang tot een koele buitenruimte, zoals een park of schaduwrijk plein, binnen loopafstand? Bent u bereid een norm in te voeren voor de maximale afstand tot koele, groene openbare ruimte, zoals ook wordt bepleit voor groennormen in de stad?
Bent u bereid om samen met gemeenten tijdens hittegolven gekoelde publieke ruimtes open te stellen in de heetste wijken zodat bewoners zonder airconditioning ergens terechtkunnen? Ziet u hierbij ook een rol voor de heropening van buurthuizen die de afgelopen jaren zijn wegbezuinigd?
Het bericht dat tanken in Nederland veel duurder is dan in de rest van Europa |
|
Gidi Markuszower (PVV) |
|
Eerenberg |
|
|
|
|
Bent u bekend met het bericht «Pijn aan de pomp: waarom is tanken in Nederland toch zo veel duurder dan in de rest van Europa?»1
Ja.
Hoe verhouden de Nederlandse brandstofprijzen aan de pomp zich tot de rest van Europa? Kunt u daarbij een onderscheid maken tussen benzine, diesel en lpg?
De prijsverschillen kunnen deels worden verklaard door verschillen in belastingen, waaronder zowel de accijns als de btw, maar ook andere factoren spelen een rol.
€ 844,69
€ 654,50
€ 600,16
€ 552,29
€ 470,40
€ 600,16
€ 199,27
€ 220,86
€ –
Sinds 1 januari 2026
Sinds 1 juli 2026
Sinds 1 april 2023
Voor LPG is de accijns omgerekend naar liters, o.b.v. een dichtheid van 0,54 kg/L. Het accijnstarief per 1.000 kg is € 369,02 in Nederland en € 409 in Duitsland.
Uit tabel 2 volgt dat Nederland voor benzine een hogere accijns kent dan zowel België als Duitsland. De Nederlandse benzineaccijns ligt circa 24 cent per liter boven die van België en circa 19 cent per liter boven die van Duitsland. Omdat over de accijns tevens btw wordt geheven, is het verschil in de totale belastingdruk iets groter. Daarbij geldt dat Nederland en België een btw-tarief van 21% kennen, terwijl Duitsland een btw-tarief van 19% hanteert. Volgens gegevens van het Weekly Oil Bulletin3 was de gemiddelde benzineprijs in Nederland € 2,290, in België € 1,814 (48 cent lager) en in Duitsland € 2,143 (15 cent lager). Ten opzichte van België is het prijsverschil dus groter dan het verschil in de totale belastingdruk, terwijl ten opzichte van Duitsland het prijsverschil juist kleiner is. Dit laat zien dat naast belastingen ook andere prijsbepalende factoren een belangrijke rol spelen.
Voor diesel volgt uit tabel 2 dat Nederland een hogere accijns kent dan Duitsland en een lagere accijns dan België. De Nederlandse dieselaccijns ligt circa 8 cent per liter onder die van België en circa 8 cent per liter boven die van Duitsland. Volgens gegevens van het Weekly Oil Bulletin was de gemiddelde dieselprijs in Nederland € 2,323, in België € 2,157 (17 cent lager) en in Duitsland € 2,149 (17 cent lager). In de vergelijking met Duitsland kunnen de belastingen een groot deel van het prijsverschil verklaren. In de vergelijking met België kan het prijsverschil niet worden verklaard door de accijns en moet voornamelijk worden gezocht in andere factoren. Een belangrijk verschil is dat in België wordt gewerkt met een systeem van maximumprijzen. Een dergelijk systeem begrenst de prijs die aan de pomp in rekening mag worden gebracht en kan daarmee voorkomen dat stijgingen van de marktprijs volledig en direct worden doorberekend aan consumenten. Een systeem van maximumprijzen kent tegelijkertijd aandachtspunten, waar uw Kamer dit voorjaar over is geïnformeerd.4 Zo kan een maximumprijs de werking van de brandstoffenmarkt verstoren en bij schaarste tekorten versterken. Daarbij is relevant dat de marges in de tankstationsector beperkt zijn. Zo bedroeg het bedrijfsresultaat in 2023 circa 4% van de netto omzet. Ook de ACM ziet geen aanwijzingen dat gemiddelde winstmarges tankstations zijn gestegen.5 Indien ondernemers voor de begrenzing van hun marge zouden worden gecompenseerd, ontstaan daarentegen budgettaire kosten voor de overheid.
Voor LPG volgt uit tabel 2 dat Nederland een hogere accijns kent dan België en een lagere accijns dan Duitsland. De Nederlandse LPG-accijns ligt circa 2 cent per liter lager dan in Duitsland en circa 20 cent per liter boven die van België. Volgens gegevens van het Weekly Oil Bulletin was de gemiddelde LPG-prijs in Nederland € 0,930, in België € 0,817 (11 cent lager) en in Duitsland € 1,090 (16 cent hoger). Ook hier blijkt dat het verschil in belastingen slechts een beperkt deel van het totale prijsverschil verklaart en ook andere prijsbepalende factoren een belangrijke rol spelen.
Het beeld is daarmee genuanceerd. De totale belastingdruk (accijns en btw) is een belangrijke factor bij de uiteindelijke pompprijs, maar de vergelijking met België en Duitsland laat zien dat verschillen in de belastingdruk niet één-op-één overeenkomen met de verschillen in de consumentenprijs. Ook factoren zoals de internationale productprijs, raffinage- en distributiekosten, kosten voor verplichte bijmenging en markt- en concurrentieomstandigheden zijn van invloed op de prijs die de consument aan de pomp betaalt. Het kabinet deelt daarom niet de opvatting dat de Nederlandse belastingen op brandstoffen zijn «doorgeschoten». De hoogte van de accijnzen is het resultaat van een beleidsmatige afweging tussen de financiering van collectieve voorzieningen, de betaalbaarheid van mobiliteit en klimaat- en milieudoelstellingen.
Meer achtergrond over de ontwikkeling van brandstofaccijns en pompprijzen zijn te vinden in een analyse van vorig jaar, verzonden met een kamerbrief over de hervorming autobelastingen.6
Kunt u een geheel overzicht verstrekken van de brandstofaccijnzen per EU-land en daarbij een onderscheid maken tussen benzine, diesel en lpg? Graag een toelichting hierop.
Onderstaande tabel bevat per land de consumentenprijzen, inclusief belastingen, per 1.000 liter op 27 juli 2026, zoals gepubliceerd in het Weekly Oil Bulletin van de Europese Commissie.2
1.874,00
2.051,00
1.888,38
2.140,86
816,00
1.515,00
1.679,00
629,10
1.616,00
1.771,00
735,00
1.517,17
1.638,91
1.746,19
1.814,46
913,23
2.485,55
2.290,24
1.812,00
1.877,00
969,00
2.177,91
2.270,10
2.057,14
2.168,45
1.007,90
2.191,00
2.186,00
1.092,75
2.017,00
2.041,00
1.657,90
1.720,64
971,80
1.757,70
1.751,70
1.960,82
2.140,63
757,68
1.885,00
1.936,00
938,75
1.792,71
1.995,18
749,64
1.764,00
1.889,00
740,00
1.340,00
1.210,00
2.385,06
2.392,73
930,89
1.719,18
1.817,74
711,64
1.990,00
2.026,00
896,00
1.768,11
1.995,27
873,31
1.765,00
1.737,00
778,00
1.626,04
1.788,19
957,84
1.644,51
1.722,27
1.052,12
1.454,57
1.824,62
Bij de vergelijking van consumentenprijzen dient te worden opgemerkt dat lidstaten hun nationale belastingstelsel verschillend hebben ingericht. Naast accijnzen kunnen ook andere indirecte belastingen of heffingen onderdeel uitmaken van de consumentenprijs. Daarnaast verschillen de btw-tarieven tussen lidstaten.
Klopt het dat de verschillen tussen de brandstofprijzen in Nederland en de rest van de EU voornamelijk worden verklaard door belastingen? Zo ja, deelt u de mening dat de Nederlandse belastingen op brandstoffen doorgeschoten zijn? Zo nee, hoe verklaart u dan deze verschillen?
Zie antwoord vraag 2.
Klopt het dat óók over de brandstofaccijns belasting over de toegevoegde waarde (btw) wordt geheven? Zo ja, beschouwt u accijnzen als toegevoegde waarde? Zo nee, waarom heft u dan belasting over belasting? Graag een toelichting op uw antwoord.
Ja, het klopt dat over de brandstofaccijns btw wordt geheven. Dit volgt uit de Europese btw-richtlijn.7
Uit de Europese btw-richtlijn volgt dat belastingen, rechten en heffingen, met uitzondering van de btw zelf, onderdeel zijn van de maatstaf van heffing voor de btw, voor zover zij rechtstreeks met de levering samenhangen.8 Dit betekent dat ook accijnzen die in de prijs van brandstof zijn begrepen, worden meegenomen in de grondslag waarover btw wordt berekend.
Deze systematiek is in EU-verband overeengekomen zodat lidstaten de verhouding tussen btw en andere verbruiksbelastingen niet eenvoudig kunnen verschuiven. Het voorkomt dat lidstaten met belastingen zouden kunnen «schuiven» om nationaal dezelfde belastingopbrengst te behouden, maar tegelijkertijd de btw-opbrengst en daarmee hun bijdrage aan de EU te verlagen.
De heffing van btw over de brandstofaccijns is daarmee niet zozeer een nationale keuze maar een gevolg van het Europese uitgangspunt van een geharmoniseerd btw-stelsel.
Hoeveel belastinginkomsten haalt de overheid jaarlijks op met belastingen op benzine, diesel en lpg? Graag een overzicht van de laatste 15 jaar, uitgesplitst naar accijns en btw.
Onderstaande tabel laat de opbrengst zien van 2014 t/m 2025 van accijns en de btw op brandstof, uitgesplitst naar benzine, diesel en LPG in miljoenen euro.
Accijns
Btw
Accijns
Btw
Accijns
Btw
€ 3.968
€ 1.537
€ 3.679
€ 1.872
€ 98
€ 74
€ 4.099
€ 1.447
€ 3.656
€ 1.619
€ 98
€ 58
€ 4.224
€ 1.406
€ 3.744
€ 1.521
€ 100
€ 55
€ 4.310
€ 1.503
€ 3.804
€ 1.659
€ 102
€ 61
€ 4.431
€ 1.598
€ 3.801
€ 1.798
€ 101
€ 66
€ 4.559
€ 1.654
€ 3.810
€ 1.809
€ 102
€ 60
€ 3.827
€ 1.296
€ 3.303
€ 1.408
€ 88
€ 49
€ 4.068
€ 1.576
€ 3.512
€ 1.707
€ 94
€ 66
€ 3.761
€ 1.949
€ 3.077
€ 2.346
€ 82
€ 81
€ 4.179
€ 1.935
€ 3.038
€ 1.934
€ 81
€ 65
€ 4.577
€ 1.982
€ 3.294
€ 1.907
€ 88
€ 65
€ 4.544
€ 1.920
€ 3.138
€ 1.784
€ 84
€ 63
Klopt het dat hogere brandstofprijzen leiden tot hogere belastinginkomsten voor de Nederlandse overheid en vervolgens leiden tot hogere EU-afdrachten? Graag een toelichting.
Hogere brandstofprijzen leiden niet automatisch tot hogere belastinginkomsten voor de Nederlandse overheid.
De accijns op brandstoffen is een vast bedrag per liter en is daarom niet afhankelijk van de hoogte van de brandstofprijs. Hogere brandstofprijzen leiden daardoor niet tot hogere accijnsopbrengsten per verkochte liter. Sterker nog: hogere prijzen dempen de vraag naar brandstof, waardoor het aantal getankte liters lager uitvalt en daarmee zorgen hogere prijzen voor een lagere accijnsopbrengst.
Voor de btw geldt dat een hogere brandstofprijs, bij een gelijkblijvend verkoopvolume, leidt tot een hogere btw-opbrengst per liter. In een eerdere schatting over inkomsten uit brandstof9 bleken in maart 2026 de btw-inkomsten € 18 miljoen hoger dan verwacht, en de accijnsinkomsten € 10 miljoen lager dan verwacht, waardoor er per saldo € 8 miljoen aan inkomsten overbleef. Belangrijk is om dit in perspectief te plaatsen: € 18 miljoen extra aan btw op brandstof is relatief klein afgezet tegen de totale btw-ontvangst van ruim € 21 miljard in april. Bovendien staat hier tegenover dat hogere uitgaven aan brandstof kunnen leiden tot een verschuiving in het consumptiepatroon, waarbij huishoudens minder uitgeven aan andere goederen en diensten. Daarnaast kunnen hogere brandstofprijzen leiden tot een lager brandstofverbruik of meer tanken over de grens. Door deze substitutie- en gedragseffecten is het uiteindelijke netto-effect op de totale belastinginkomsten onzeker.
Voor zover er meer btw-inkomsten als gevolg van hogere brandstofprijzen zijn, leiden die tot een hogere grondslag voor de btw-afdracht aan de EU-begroting. Een hogere btw-afdracht leidt, ceteris paribus, tot een lagere bni-afdracht. De bni-afdracht is namelijk de sluitpost van de financiering van de EU-begroting. De totale som van de verschillende type afdrachten op EU-niveau neemt namelijk niet toe, alleen de verdeling tussen het type afdrachten verschuift. Hierdoor leiden hogere brandstofprijzen niet automatisch tot hogere afdrachten aan de EU-begroting.
Bent u het eens met de conclusie dat hogere brandstofprijzen leiden tot een verslechtering van de koopkracht van burgers en dat lagere accijnzen deze verslechtering van de koopkracht dempen? Zo nee, waarom niet?
Een verlaging van de brandstofaccijns kan, voor zover deze wordt doorberekend in de consumentenprijs, de brandstofkosten voor gebruikers verlagen en daarmee het koopkrachtverlies beperken. Een generieke verlaging van de brandstofaccijns is echter een relatief ongericht beleidsinstrument indien het doel is om de koopkracht van alle huishoudens te verbeteren. Huishoudens die veel brandstof gebruiken, profiteren daarvan in absolute zin meer dan huishoudens die weinig of geen gebruik maken van een auto. Daarnaast leidt een accijnsverlaging tot lagere belastinginkomsten en moet de budgettaire derving worden gedekt.
Klopt het dat het Kwartje van Kok in 1991 als tijdelijke en niet als permanente maatregel is ingevoerd? En klopt het dat deze accijns nog steeds wordt geheven? Zo ja, bent u van mening dat de Nederlandse overheid hiermee de burger al 35 jaar heeft voorgelogen en dat hierdoor de betrouwbaarheid van de overheid ernstig wordt aangetast? Graag een toelichting op uw antwoord.
In het Regeerakkoord Balkenende II is opgenomen dat de opbrengst van het zogenoemde Kwartje van Kok, gelet op de herkomst daarvan, vooral zou worden aangewend voor investeringen in wegen en daarnaast voor onderhoud van openbaar vervoer en vaarwegen. Er is destijds dus gekozen voor een terugsluis via infrastructuuruitgaven en niet voor een afzonderlijke verlaging van de accijns.
Het kabinet deelt daarom niet de kwalificatie dat de overheid burgers hiermee heeft «voorgelogen». De hoogte van de brandstofaccijns is sindsdien steeds onderwerp geweest van politieke besluitvorming door opeenvolgende kabinetten en parlementen.
Bent u het ermee eens dat een verlaging van de brandstofaccijns met 25 cent per liter leidt tot een koopkrachtverbetering van de Nederlandse burger? Zo nee, waarom niet? Zo ja, bent u bereid de brandstofaccijnzen met 25 cent per liter te verlagen, zodat Nederlanders niet in de knel komen?
Het kabinet begrijpt de achterliggende zorg over de gevolgen van hogere brandstofprijzen voor burgers en bedrijven. Om bij te dragen aan de betaalbaarheid van de brandstofkosten van personenauto’s geldt op dit moment een tijdelijke verlaging van de brandstofaccijnzen van 15,7 cent op benzine, 10,2 cent op diesel en 3,7 cent op LPG. Het kabinet is voornemens de tijdelijke verlaging van de benzineaccijns met een jaar te verlengen, door een korting van 17,7 cent te geven. De precieze omvang van de accijnskorting wordt daarbij mede bepaald door de budgettaire gevolgen. Het accijnstarief voor benzine blijft hiermee volgend jaar op bijna hetzelfde niveau als dit jaar (84,5 cent/liter in 2026, en 85,2 cent/liter in 2027).
Ten aanzien van een aanvullende verlaging van de benzineaccijns met 25 cent per liter wijst het kabinet erop dat de huidige prijsstijgingen samenhangen met een verminderd aanbod op de brandstofmarkt. Het kabinet is daarom terughoudend met verdere vraagondersteunende maatregelen. Bij de afweging over eventuele aanvullende maatregelen worden daarnaast de doelmatigheid, de verdelingseffecten en de gevolgen voor de klimaat- en mobiliteitsdoelstellingen betrokken.
Zoals toegelicht in de Kamerbrief van 16 maart en tijdens het plenaire debat van 23 maart over de economische gevolgen van de oorlog in het Midden-Oosten, bereidt het kabinet zich voor op het scenario waarin de brandstofvoorziening verder onder druk komt te staan en energieprijzen fors en langdurig stijgen. In dat kader heeft het kabinet verschillende potentiële opties in kaart gebracht voor gerichte maatregelen, zodat deze wanneer nodig ingezet kunnen worden. Daarover is op 20 april 2026 het maatregelenpakket Acties Weerbaarheid Energieschok naar de Tweede Kamer gestuurd.10
De datakluis bij het Ministerie van Financiën |
|
Mona Keijzer , Henk Vermeer (BBB), Jan Struijs (50PLUS), Gidi Markuszower (PVV) |
|
Rob Jetten (D66) |
|
|
|
|
Bent u bekend met het artikel «Laat Financiën niet wegkomen met dit onderzoek naar de achtergehouden datakluis» van Pieter Omtzigt en Renske Leijten en met het onderliggende BDO-rapport voor het Ministerie van Financiën, waaruit blijkt dat sinds 2019 een datakluis bestaat met 64 miljoen documenten die niet aan het parlement, niet aan toeslagenouders, niet aan Woo-verzoekers en niet aan de parlementaire enquêtecommissie fraudebestrijding en dienstverlening zijn verstrekt?1 2
Ja.
Sinds wanneer was de politieke en ambtelijke top van het Ministerie van Financiën op de hoogte van het bestaan van de datakluis en de daarin opgeslagen documenten?
De datakluis is in 2019 ontstaan als mitigerende maatregel naar aanleiding van een advies van de ADR, hierover is de Kamer destijds geïnformeerd3. Ook is de inrichting van de datakluis besproken in het Directieteam Belastingdienst. Dit blijkt ook uit het BDO-rapport en de geleverde stukken bij de Kamerbrief van 10 juli 2026. Het bestaan van de datakluis is daarmee bekend bij de ambtelijke en politieke leiding van destijds vanaf het moment van ontstaan. Er is nog geen zicht op de volledige inhoud van de datakluis.
Welke bewindspersonen zijn sinds 2019 geïnformeerd over het bestaan van deze datakluis, en wat waren hun beweegredenen om dit geheim te houden?
Voor het antwoord op deze vraag baseren wij ons op de tijdlijn die op 10 juli 2026 aan uw Kamer is verzonden. Daaruit blijkt dat de volgende bewindspersonen op de hoogte konden zijn of zijn van het bestaan van de datakluis:
Het BDO-rapport noch de tijdlijn bevat aanwijzingen dat de datakluis bewust niet is betrokken in eerdere informatievoorziening met als doel om informatie achter te houden. Wij hebben aangegeven het te betreuren is dat de Belastingdienst niet adequaat heeft gehandeld toen de datakluis had moeten worden meegenomen in de zoekslag ten behoeve van de PEFD of andere informatieverzoeken en dat het lang heeft geduurd voordat de informatie juist, tijdig en volledig mogelijk het kabinet en uw Kamer heeft bereikt.
Op welke momenten tussen 2019 en 2026 is er met de bewindspersonen en met de topambtenaren gesproken over de datakluis en de inhoud daarvan, en op welke momenten hebben zij hierover mondeling of schriftelijk informatie ontvangen? Kunt u daarvan een precies overzicht geven?
De tijdlijn die met onze brief van 10 juli 2026 is meegestuurd geeft inzicht in belangrijke formeel vastgelegde momenten in de periode 2017 en 2026, waaronder contacten tussen ambtenaren en bewindspersonen
Kunt u de volgende stukken die in het BDO-rapport genoemd worden per ommegaande aan de Kamer doen toekomen: het memo «Juridisch Kader datakluis» (voetnoot 15)3, e-mail 22 juni 2022.pdf (voetnoot 106), e-mail juni 2025 (paragraaf 387 van het BDO-rapport), alle nota’s die aan de bewindspersonen en/of de (plaatsvervangend) secretaris-generaal zijn voorgelegd, Nota BD inventarisatie datakluis.pdf (voetnoot 148)?
De door u gevraagde documenten zijn reeds openbaar gemaakt als bijlage bij onze Kamerbrief van 10 juli 2026.
Zijn de geïsoleerde persoonlijke omgevingen overgedragen aan en/of opgevraagd door het Openbaar Ministerie? Zo ja, wanneer, en zo nee, waarom niet? Bent u bereid dat alsnog te doen?
Naar aanleiding van de aangifte van het vermoeden van strafbare feiten door de Staatssecretarissen van Financiën op 19 mei 2020 heeft de Belastingdienst onder meer mailboxen en digitale omgevingen van organisatieonderdelen en teams die voorkomen in de aangifte in een afgeschermde omgeving opgeslagen. Afgeschermde omgevingen bestaan naast de datakluis en zijn in de loop der tijden bij de Belastingdienst ontstaan naar aanleiding van uiteenlopende verzoeken, waaronder interne verzoeken, strafrechtelijke trajecten en andere formele opdrachten. Het veiligstellen in deze afgeschermde omgeving was bedoeld om aan een eventuele vordering van het Openbaar Ministerie te voldoen. U leest dit als zodanig terug in het rapport van BDO. Het is aan het Openbaar Ministerie om een toelichting te geven op de wijze waarop zij dit onderzoek hebben verricht en welke informatie daarvoor is opgevraagd of bekeken. Het Openbaar Ministerie stelde vast dat geen sprake was van een strafrechtelijke verdenking en daarmee zien wij geen aanleiding – ongevraagd – informatie aan het Openbaar Ministerie te verstrekken.
Deelt u de opvatting dat het, gezien het feit dat het Ministerie van Financiën en de Belastingdienst eerder jarenlang 14 wetten hebben overtreden waardoor burgers ernstig in de problemen zijn gekomen, ongepast is de Belastingdienst nog langer zelf opdrachtgever te laten zijn van een onderzoek naar zichzelf, nu er mogelijk nieuwe overtredingen zijn van de Grondwet (Artikel 68, informatierecht), de Wet open overheid en het Wetboek van Strafrecht (artikel 192b, het niet verschaffen van informatie aan een parlementaire enquêtecommissie)?
Wij delen de opvatting dat het verstandig is om de Belastingdienst niet zelf opdrachtgever te laten zijn van onderzoek over de datakluis bij de Belastingdienst. Daarom heeft BDO, een partij die nooit eerder iets voor de Belastingdienst heeft onderzocht, het onderzoek uitgevoerd en wordt er een onafhankelijke externe commissie ingesteld die toegang krijgt tot alle informatie die zij noodzakelijk acht voor haar werkzaamheden.
Bent u bereid ervoor te zorgen dat hiervan aangifte wordt gedaan en dat de Rijksrecherche en het Openbaar Ministerie onderzoek doen naar alle mogelijke overtredingen c.q. (ambts)misdrijven?
Uit het onderzoek van BDO komen geen aanwijzingen naar voren dat opzettelijk gegevens zijn achtergehouden in de datakluis met als doel voordeel te behalen, bepaalde gegevens te verbergen of bepaalde belastingplichtigen te benadelen.
Ook als er door of binnen het ministerie of de Belastingdienst fouten zijn gemaakt, zal dit nog niet betekenen dat sprake is van strafbaar gedrag.
Kunt u deze vragen zelf en binnen drie weken beantwoorden, aangezien het volstrekt ongepast is dat de bewindspersonen voor Financiën dit doen?
De vragen zijn beantwoord binnen drie weken. De vragen zijn op verzoek van de Minister-President door ons beantwoord, aangezien de vragen betrekking hebben op onze portefeuilles.
Het bericht dat Sea-Watch meewerkt aan mensenhandel |
|
Annelotte Lammers (PVV) |
|
Bart van den Brink (CDA) |
|
|
|
|
Bent u bekend met de column «Schijnheilige ngo Sea-Watch doet mee aan meedogenloze mensenhandel» en met de berichtgeving dat de Italiaanse justitie de kapitein van Sea-Watch 5 onderzoekt wegens mogelijke hulp bij illegale immigratie?1
Ja, hiermee ben ik bekend.
Bent u bekend met de berichtgeving over Frontex-beelden waarop te zien zou zijn dat gemaskerde mannen ongeveer negentig migranten op zee overdragen aan Sea-Watch 5 en vervolgens terugvaren richting de Libische kust?2
Zie antwoord vraag 1.
Deelt u de mening dat dit niets te maken heeft met het redden van drenkelingen, maar neerkomt op het faciliteren van mensensmokkel en illegale immigratie? Zo nee, waarom niet?
Naar het kabinet begrepen heeft wordt het hierboven aangehaalde voorval momenteel onderzocht door de Italiaanse autoriteiten. Het kabinet kan geen uitspraken doen over lopende (strafrechtelijke) onderzoeken en zich mengen in de rechtsgang van andere lidstaten.
Deelt u de mening dat ngo’s die migranten rechtstreeks overnemen van mensensmokkelaars feitelijk fungeren als verlengstuk van criminele mensenhandelaren en hun meedogenloze verdienmodel in stand houden? Zo nee, waarom niet?
Het kabinet onderschrijft dat personen en organisaties niet dienen bij te dragen aan criminele activiteiten van mensensmokkelaars en mensenhandelaren. Het kabinet vindt het daarnaast onwenselijk wanneer de activiteiten en aanwezigheid van private schepen – bijvoorbeeld op de Middellandse Zee – bij zouden dragen aan het voortduren van mensensmokkel over zee. Het is aan de nationale (opsporings-)autoriteiten onderzoek te doen of strafbare gedragingen hebben plaatsgevonden, en zo nodig over te gaan tot strafrechtelijke vervolging. In Nederland is deze bevoegdheid voorbehouden aan het Openbaar Ministerie. Het is dan ook niet aan het kabinet om uitspraken te doen over wanneer tot vervolging wordt overgegaan en waar deze grens precies ligt.
Heeft u bij de Italiaanse en Duitse autoriteiten en bij Frontex de beelden, communicatiegegevens, vaarroutes en beschikbare onderzoeksbevindingen opgevraagd? Zo nee, waarom niet?
Het is primair aan de autoriteiten die de zaak nader onderzoeken om dergelijke beelden en gegevens te beschouwen en te wegen. Mochten er daarnaast relevante aspecten zijn die van belang zijn vanuit het Nederlands perspectief, dan is het aan de nationale opsporingsautoriteiten – en niet aan het kabinet – om dergelijke informatie volgens de daartoe ingerichte kanalen te verzoeken.
Kunt u garanderen dat geen euro Nederlands of Europees belastinggeld direct of indirect terechtkomt bij Sea-Watch of aan Sea-Watch gelieerde organisaties? Zo nee, kunt u exact uiteenzetten hoeveel publiek geld sinds 2021 is verstrekt, via welke organisaties en voor welke projecten?
Voor zover het kabinet bekend is, bestaat er geen directe of indirecte subsidierelatie vanuit Nederland of de EU naar Sea-Watch of juridisch aan Sea-Watch gelinkte rechtspersonen. Volgens de site en het jaarverslag van Sea-Watch zelf wordt de organisatie bovendien volledig bekostigd door private donoren.
Kunt u aangeven hoeveel door Sea-Watch naar Europa gebrachte vreemdelingen sinds 2015 vervolgens in Nederland asiel hebben aangevraagd en hoeveel van hen een verblijfsvergunning hebben gekregen?
Omdat in de asielcijfers geen koppeling wordt gemaakt met een eventueel ontschepingsmoment zijn hierover geen cijfers beschikbaar.
Bent u bereid iedere vorm van Nederlandse financiering aan Sea-Watch per direct op te schorten en in Europees verband hetzelfde te eisen, ten minste zolang het Italiaanse strafrechtelijke onderzoek loopt? Zo nee, waarom niet?
Zoals aangegeven onder vraag 6 is dat nu niet aan de orde.
Bent u bereid te pleiten voor strafrechtelijke vervolging, terugvordering van alle verstrekte publieke middelen en definitieve uitsluiting van Sea-Watch van Nederlandse en Europese subsidies? Zo nee, waarom niet?
Zoals aangegeven onder vraag 3, 4, en 6 is dat niet aan de orde.
Bent u bekend met het bericht «Holocaustoverlevende en kranslegger Deborah (84) woedend om discussie rond herdenking Rotterdam: «Het is een schande, het is pure Jodenhaat»» in De Telegraaf en met het blog «The ambassador at Loods 24» van dr. Eliyahu V. Sapir, waarin wordt ingegaan op de politieke druk rond de Holocaustherdenking bij Loods 24, de rol van burgemeester Schouten van Rotterdam en de positie van de organiserende Joodse instellingen?1 2
Ja.
Bent u van oordeel dat de aanwezigheid van de door de organisatoren uitgenodigde Israëlische ambassadeur op zichzelf afbreuk kan doen aan de waardigheid van deze Holocaustherdenking? Zo ja, op welke gronden? Zo nee, neemt het kabinet dan afstand van het door burgemeester Schouten gelegde verband tussen de aanwezigheid van de ambassadeur en de waardigheid van de herdenking?
Inmiddels heeft de herdenking plaatsgevonden. Hierbij waren de Israëlische ambassadeur en de burgemeester aanwezig. De burgemeester heeft haar zienswijze hierover kenbaar gemaakt. Een beoordeling van het handelen van de burgemeester is niet aan mij, zij legt hiervoor verantwoording af aan de gemeenteraad. Burgemeesters opereren in een veranderende en ingewikkelde maatschappelijke context. De burgemeester heeft hierbij beste zicht op de situatie ter plaatse.
Deelt u de opvatting dat een burgemeester in het kader van diens verantwoordelijkheid voor de openbare orde en veiligheid overleg mag voeren met betrokken partijen, maar dat dit overleg er niet toe mag leiden dat politieke partijen, actiegroepen of andere derden invloed verkrijgen op het programma of de gastenlijst van een Holocaustherdenking die zij niet organiseren, behoudens concrete juridische of veiligheidsgronden? Zo nee, waarom niet?
Het is aan de burgemeester besluiten te nemen in het kader van de handhaving van de openbare orde. De burgemeester bepaalt bij wie – in het kader van een juiste besluitvorming – informatie wordt ingewonnen en hoe deze wordt gewogen.
Deelt u de opvatting dat de organisatie van een Holocaustherdenking, waaronder de keuze van sprekers en genodigden, behoudens concrete juridische of veiligheidsgronden, behoort te worden bepaald door de organiserende stichting en de betrokken Joodse instellingen en niet door een overheid mag worden aangepast als reactie op politieke druk? Zo nee, waarom niet?
De stichting gaat inderdaad zelf over de organisatie van een herdenking. Een beoordeling van de uitlatingen van de burgemeester in het kader hiervan is niet aan mij. De burgemeester legt alleen verantwoording af aan de gemeenteraad, zoals verwoord in artikel 180 van de Gemeentewet.
Erkent u het risico dat de reactie van de burgemeester de indruk wekt dat politieke druk een effectief en legitiem middel is om invloed uit te oefenen op het programma of de gastenlijst van een Joodse herdenking? Zo ja, welke maatregelen is het kabinet bereid te nemen om duidelijk te maken dat dergelijke druk geen aanspraak kan maken op medezeggenschap over de organisatie van Joodse herdenkingen? Zo nee, waarom niet?
De burgemeester gaat zelf over haar uitlatingen. Het is daarnaast aan de burgemeester besluiten te nemen in het kader van herdenkingen. Over haar handelen legt zij verantwoording af aan de gemeenteraad, dat is niet aan mij om te beoordelen. Daarnaast is het van het grootste belang dat het gesprek hierover eerst en vooral op gemeentelijk niveau moet worden gevoerd. Juist ook omdat dat debat dan kan plaatsvinden op basis van alle relevante – ter plaatse veel beter bekende – feiten en omstandigheden.
Bent u bereid ondubbelzinnig uit te spreken dat de aanwezigheid van de door de organisatoren uitgenodigde Israëlische ambassadeur op zichzelf geen afbreuk doet aan de waardigheid van een Holocaustherdenking en dat politieke bezwaren tegen het beleid van de Israëlische regering geen grond vormen om druk uit te oefenen op de organisatoren teneinde de gastenlijst of het programma van een Holocaustherdenking aan te passen? Zo nee, waarom niet?
Zie mijn antwoord op vraag 2.
Deelt u de opvatting dat kritiek op het beleid van de Israëlische regering legitiem kan zijn, maar dient te worden gericht tot de daarvoor verantwoordelijke politieke actoren en niet mag worden afgewenteld op Joodse instellingen of als voorwaarde mag worden gesteld voor de wijze waarop die instellingen Holocaustslachtoffers herdenken? Hoe verhoudt deze casus zich tot het door het kabinet onderschreven uitgangspunt dat Joden niet individueel of collectief verantwoordelijk mogen worden gehouden voor het handelen van de Staat Israël?
Het uitgangspunt dat Joodse individuen en gemeenschappen in Nederland niet verantwoordelijk mogen worden gehouden voor het beleid van de regering van de staat Israël geldt onverkort. Het staat burgers in een democratie vrij om kritiek te hebben op beleid van welke regering dan ook. Dit rechtvaardigt echter niet dat individuele personen of gemeenschappen verantwoordelijk worden gehouden voor beleid van een regering waarmee zij slechts worden geassocieerd. Dit is ongepast.
Bent u ermee bekend dat een Israëlische ambassadeur reeds in 2018 heeft gesproken tijdens de herdenking bij Loods 24, dat de Israëlische ambassadeur ook in 2025 tot de sprekers behoorde en dat de organisatoren hebben verklaard dat al jarenlang een Israëlische ambassadeur of een andere officiële vertegenwoordiger van de staat Israël aan de herdenking deelneemt? Deelt u de opvatting dat de aanwezigheid van een Israëlische vertegenwoordiger daarmee een bestendig onderdeel vormt van de door de organisatoren gekozen opzet van de herdenking en geen nieuw politiek element is dat in 2026 aan de herdenking is toegevoegd?
Daar ben ik mee bekend. De organisatie van de herdenking is aan de organisatoren. De burgemeester kan op grond van de Wet openbare manifestaties (Wom) hier kaders aan stellen.
Bent u bereid de Nationaal Coördinator Antisemitismebestrijding met spoed te verzoeken een beoordeling te geven van de politieke druk die op de organisatoren van de Holocaustherdenking bij Loods 24 is uitgeoefend, de reactie van burgemeester Schouten daarop en de mogelijke gevolgen daarvan voor de autonomie en veiligheid van Joodse herdenkingen in Nederland, en de Kamer over die beoordeling te informeren? Zo nee, waarom niet?
De Nationaal Coördinator Antisemitisme Bestrijding heeft een coördinerende en adviserende rol. Hij brengt de aard en omvang van antisemitisme in Nederland in kaart, en adviseert het Kabinet, de ministeries en lokale overheden over de bestrijding ervan, op basis van patronen en trends. De strekking van uw verzoek valt hier niet onder.