| Ingediend | 30 juli 2026 |
|---|---|
| Beantwoord | 14 september 2026 (na 46 dagen) |
| Indiener | Mona Keijzer |
| Beantwoord door | Eric van der Burg (VVD) |
| Onderwerpen | bestuur rijksoverheid |
| Bron vraag | https://zoek.officielebekendmakingen.nl/kv-tk-2026Z16588.html |
| Bron antwoord | https://zoek.officielebekendmakingen.nl/ah-tk-20252026-3045.html |
De vaste colleges van advies in de zin van artikel 79 Grondwet zijn de Wetenschappelijke Raad voor het Regeringsbeleid (WRR), de Sociaaleconomische Raad (SER) en de vaste adviescolleges die zijn ingesteld op grond van artikel 4 van de Kaderwet adviescolleges. Bijgevoegd aan deze beantwoording verstrek ik een lijst van deze adviescolleges, waarbij per college de wettelijke grondslag en de adviestaak worden vermeld.
In mijn beantwoording van de eerdere schriftelijke vragen van het lid Keijzer heb ik reeds toegezegd voor het einde van het derde kwartaal een eenmalig overzicht te verstrekken van de financiële middelen die bij de departementen begroot zijn voor de adviescolleges die adviseren over beleid en wetgeving.1 Deze toezegging omvatte daarmee onder meer alle adviescolleges in de zin van artikel 79 van de Grondwet. Ik heb uw Kamer dit overzicht op 10 september jl. doen toekomen.2
Zie antwoord vraag 1.
De vaste adviescolleges die zijn ingesteld op grond van artikel 4 van de Kaderwet adviescolleges zijn betrokken in mijn antwoord op vragen 1 en 2.
Op grond van de Kaderwet adviescolleges kunnen daarnaast tijdelijke (artikel 5) en eenmalige (artikel 6) adviescolleges worden ingesteld. Deze adviescolleges adviseren wel over beleid en wetgeving, maar zijn geen colleges in de zin van artikel 79 van de Grondwet omdat zij niet permanent zijn. Op dit moment zijn er twee tijdelijke adviescolleges actief op grond van artikel 5 van de Kaderwet adviescolleges en één eenmalig adviescollege op grond van artikel 6 van de Kaderwet adviescolleges. De grondslag en taken van deze adviescolleges heb ik ook opgenomen in de lijst die ik als bijlage bij deze beantwoording meezend.
De financiële middelen voor deze tijdelijke (art. 5) en eenmalige (art. 6) adviescolleges heb ik reeds opgenomen het overzicht van geraamde uitgaven aan adviescolleges die adviseren over beleid en wetgeving, dat ik uw Kamer op 10 september jl. heb verstrekt.
Mijn ministerie houdt het rijksbrede overzicht van externe commissies zo goed als mogelijk bij in het Register van Overheidsorganisaties.5 Daarin wordt voor elke vermelde commissie ook een verwijzing naar de grondslag en taken opgenomen. Op dit moment wordt gewerkt aan een interdepartementale inventarisatie om het totaalbeeld van externe commissies te actualiseren en aan te vullen. Het kabinet vindt het, met de vragensteller, van belang dat het advieslandschap inzichtelijk is. Zodra deze inventarisatie is afgerond, zal ik de opbrengst hiervan uiterlijk eind oktober delen met uw Kamer. In de beantwoording van de eerdere schriftelijke vragen van het lid Keijzer heb ik al toegelicht dat voor externe commissies begrote uitgaven doorgaans niet separaat op de departementale begroting worden vermeld. Ik zal bezien op welke wijze het mogelijk is om, zodra de voornoemde inventarisatie is afgerond, ook inzicht te bieden in de kosten van externe commissies.
Een dergelijk overzicht is niet beschikbaar. In de beantwoording van de eerdere schriftelijke vragen van het lid Keijzer heb ik reeds uitgebreid toegelicht hoe het kabinet via de begrotingsstukken aan de Kamer verantwoording aflegt over subsidies.
Ik onderschrijf volledig het belang van tijdige informatievoorziening aan de Kamer voor haar controlerende taak. Ik heb deze schriftelijke vragen, evenals de eerder gestelde schriftelijke vragen over hetzelfde onderwerp, zo spoedig mogelijk beantwoord. Beide sets schriftelijke vragen bevatten enkele omvangrijke informatieverzoeken. Daarbij vond ik het, met het oog op de geldende termijn voor de beantwoording van schriftelijke vragen van uw Kamer, wenselijk om niet de gehele beantwoording te laten vertragen door het ontbreken van een deel van de informatie die benodigd is om één van de vragen te kunnen beantwoorden. Daarom heb ik toegezegd deze informatie op een later moment, binnen een redelijke termijn, alsnog te verstrekken.7
Het lid Keijzer (Keijzer) heeft mij op 30 juli jl. schriftelijke vragen gesteld over «het antwoord op de vragen over de kosten van adviesraden, commissies en non-gouvernementele organisaties van ministeries» (kenmerk 2026Z16588). Het is het niet mogelijk de vragen binnen de gebruikelijke termijn te voldoen omdat nog niet alle benodigde informatie is ontvangen voor een zorgvuldige beantwoording. Ik zal uw Kamer de beantwoording zo spoedig mogelijk doen toekomen.