Het voordeel van meer gebruik van steenkolen ten opzichte van geïmporteerd gas |
|
Daniël van den Berg (JA21) |
|
Stientje van Veldhoven (D66) |
|
|
|
|
Klopt het dat het vullen van de Nederlandse gasvoorraden op dit moment door de huidige gasprijzen in bepaalde scenario’s duurder kan uitpakken dan de verwachte gasprijs in de komende winter? Bent u bereid dit te kwantificeren aan de hand van actuele marktprijzen en winter-forwardprijzen?
Kunt u per gasopslag aangeven wat de actuele vulgraad is, welke vuldoelen gelden, welke volumes nog moeten worden ingekocht en tegen welke verwachte kosten?
Welke financiële risico’s lopen inwoners, gebruikers van het gasnetwerk, marktpartijen, Energie Beheer Nederland (EBN) en de Nederlandse Staat wanneer gas nu tegen relatief hoge prijzen wordt ingekocht om de voorraden te vullen, terwijl de gasprijs in de winter lager blijkt te liggen?
Kunt u aangeven welk deel van het in Nederland opgeslagen gas naar verwachting daadwerkelijk beschikbaar blijft voor Nederlandse huishoudens, bedrijven en elektriciteitsproductie, en welk deel mogelijk via de interne Europese gasmarkt naar het buitenland stroomt?
Welke gevolgen heeft het voor EBN en uiteindelijk voor de Rijksbegroting wanneer EBN of andere door de Staat aangewezen partijen gas inkopen tegen hoge zomerprijzen en dit gas later tegen lagere marktprijzen moeten verkopen of beschikbaar stellen? Kunt u aangeven hoe eventuele verliezen worden gedragen en of deze uiteindelijk bij de belastingbetaler terecht kunnen komen?
Deelt u de opvatting dat het vanuit betaalbaarheid en leveringszekerheid onwenselijk is als Nederland tegen te hoge kosten gasvoorraden vult, terwijl dat gas vervolgens niet primair ten goede komt aan Nederlandse huishoudens en bedrijven?
Hoeveel aardgas wordt in Nederland gemiddeld ingezet voor elektriciteitsproductie, en welk deel daarvan is volgens u direct of indirect nodig om schommelingen in wind- en zonne-energie op te vangen?
Kunt u berekenen hoeveel aardgas Nederland kan besparen wanneer bestaande kolencentrales tijdelijk meer elektriciteit produceren en gascentrales daardoor minder draaiuren maken?
Welke technische, juridische, vergunningtechnische en Europese belemmeringen bestaan er op dit moment om Nederlandse kolencentrales tijdelijk extra te laten draaien met als doel gas te besparen?
Bent u bereid op korte termijn te onderzoeken of de inzet van bestaande kolencentrales tijdelijk kan worden verruimd zolang gasprijzen hoog zijn, gasvoorraden kostbaar moeten worden gevuld en de leveringszekerheid onder druk staat? Kunt u dit onderzoek vóór Prinsjesdag aan de Kamer sturen?
Welke gevolgen zou een tijdelijke hogere inzet van kolencentrales hebben voor de elektriciteitsprijs, de gasvraag, de netstabiliteit en de energierekening van huishoudens en het mkb?
Hoe weegt u het risico dat Nederland door het huidige beleid afhankelijker wordt van duur geïmporteerd LNG, terwijl bestaande Nederlandse kolencentrales mogelijk tijdelijk kunnen bijdragen aan het beperken van gasverbruik en LNG-import?
Hoeveel LNG heeft Nederland in 2024, 2025 en tot dusver in 2026 geïmporteerd, uitgesplitst naar land van herkomst? Welk deel daarvan is afkomstig uit de Verenigde Staten en in hoeverre bestaat dit LNG uit, of hangt het samen met, Amerikaans schaliegas?
Bent u bereid de volledige levenscyclusuitstoot van elektriciteitsproductie met Nederlandse kolencentrales te vergelijken met elektriciteitsproductie met gascentrales op basis van geïmporteerd Amerikaans LNG of schaliegas?
Klopt het dat in bepaalde scenario’s, afhankelijk van de aannames over methaanlekkage en LNG-ketenemissies, elektriciteitsproductie met steenkool mogelijk een lagere totale ketenemissie kan hebben dan elektriciteitsproductie met uit Amerika geïmporteerd schaliegas/LNG?
Bent u bereid vóór Prinsjesdag een kosten-batenanalyse aan de Kamer te sturen van een scenario waarin Nederlandse kolencentrales tijdelijk extra draaien om aardgas te besparen, gasopslagkosten te beperken en de afhankelijkheid van LNG-import te verminderen?
Bent u bereid vóór Prinsjesdag een concreet scenario uit te werken waarin Nederland (tijdelijk) meer inzet op bestaande kolencapaciteit en minder op gasgestookte elektriciteitsproductie, inclusief de effecten op leveringszekerheid, energiekosten, gasvoorraden, importafhankelijkheid en CO2-uitstoot?
Kunt u deze vragen één voor één uitwerken?
Het recht op reparatie |
|
Jantine Zwinkels (CDA) |
|
Stientje van Veldhoven (D66) |
|
|
|
|
Hoe reflecteert u op de huidige stand van zaken van Right to Repair en de concrete uitvoering van deze wetgeving?
Bent u bekend met het TNO-onderzoek1 waaruit blijkt dat consumenten door reparatie en revisie van onder meer wasmachines, smartphones en e-bikeaccu’s tientallen tot honderden euro’s kunnen besparen en producten jarenlang langer kunnen gebruiken? Hoe beoordeelt u deze uitkomsten in het licht van de circulaire economie en het verminderen van grondstoffengebruik?
Welke nationale maatregelen kunnen er op korte termijn worden genomen om reparatie aantrekkelijker te maken en bent u bereid hiervoor concrete voorstellen uit te werken?
Bent u bereid om in nationale aanbestedingen voorwaarden op te nemen die producenten stimuleren producten terug te nemen, te hergebruiken en repareerbaar te ontwerpen? Zo nee, waarom niet?
Hoe beoordeelt u de mogelijkheid om de bewijslast binnen de wettelijke garantieperiode verder richting producenten te verschuiven, zodat consumenten eenvoudiger aanspraak kunnen maken op kosteloze reparatie of vervanging bij defecten?
Welke financiële middelen zijn momenteel beschikbaar om reparatiebedrijven, revisiebedrijven en ondernemingen die producten circulair en repareerbaar ontwerpen op te schalen? In hoeverre acht u deze middelen voldoende om reparatie in Nederland structureel de norm te maken?
Het bericht 'Gaswinning Warffum voorlopig niet hervat: werkzaamheden NAM mislukt' |
|
Sandra Beckerman (SP) |
|
Stientje van Veldhoven (D66) |
|
|
|
|
Bent u bekend met het bericht dat de werkzaamheden van de Nederlandse Aardolie Maatschappij (NAM) aan de gasput bij Warffum zijn mislukt en dat de NAM aangeeft te kijken naar vervolgstappen?1
Ja.
Welke mogelijkheden biedt de huidige winningsvergunning de NAM nog om gas te winnen bij Warffum, naast werkzaamheden aan de bestaande put? Kunt u een volledig overzicht geven van wat de vergunning de NAM tot en met 2032 toestaat?
Met het besluit tot instemming met het winningsplan van maart 2025 mag de NAM tot en met 2032 maximaal nog 2213 miljoen Nm3 gas winnen.
Is het juridisch mogelijk dat de NAM op basis van de huidige vergunning een nieuwe put boort bij Warffum, zonder dat daarvoor een aanvullende vergunning of besluit van de overheid vereist is? Zo ja, welke democratische en inhoudelijke toets vindt dan nog plaats voordat met zo'n nieuwe boring begonnen mag worden?
Nee. Voor een nieuwe put zou een wijziging van het winningsplan nodig zijn en een omgevingsvergunning. De gebruikelijke juridische procedures, zoals vastgelegd in de Mijnbouwwet en de Omgevingswet, zullen in dat geval van toepassing zijn op deze aanvragen. Zo zal voor de wijziging van het winningsplan advies worden gevraagd aan TNO, SodM en de decentrale overheden. Tegen eventuele besluiten kan bezwaar en beroep worden aangetekend. Ik merk voor de volledigheid op dat ik op dit moment geen aanvraag voor een nieuwe put van de NAM heb ontvangen.
Heeft u een actuele risicoanalyse laten uitvoeren naar de seismische gevolgen van eventuele nieuwe boringen of andere ingrepen bij Warffum? Zo nee, bent u bereid dit alsnog te doen voordat de NAM nieuwe stappen zet, en de Kamer over de uitkomsten te informeren?
Bij een eventuele wijzing van het winningsplan zal de NAM informatie moeten aanleveren over het seismisch risico. Deze informatie wordt getoetst door TNO en SodM. Ik laat nu dan ook geen risicoanalyse uitvoeren naar een eventuele nieuwe boring.
Nu de NAM stelt dat dit niet het definitieve einde is van de gaswinning bij Warffum, deelt u de mening dat gaswinning in Groningen, inclusief Warffum, definitief beëindigd moet worden, gelet op de aanhoudende schade en onveiligheid voor omwonenden? Zo nee, op welke gronden acht u verdere winning verantwoord?
Nee. Ik kijk zeer zorgvuldig naar aanvragen voor activiteiten in de diepe ondergrond en vraag hierover advies aan onder meer TNO en SodM. Alleen als dit veilig en verantwoord kan, verleen ik een vergunning.
Op basis van de huidige Mijnbouwregelgeving bestaat ook geen mogelijkheid om een algemene permanente stop op gaswinning in te voeren in een specifiek gebied.
Nu de rechtszaak bij de Raad van State nog twee jaar kan duren, wat gaat u doen om te voorkomen dat de NAM in die tussenliggende periode onomkeerbare stappen zet, zoals het boren van een nieuwe put, die de uitkomst van die procedure de facto zinloos maken?
Als de NAM een nieuwe put wil boren moet de NAM een omgevingsvergunning aanvragen en een aanpassing van het winningsplan indienen. Deze aanvragen zal ik indien dit zich zou voordoen toetsen aan het wettelijke kader. Het feit dat er een rechtszaak loopt bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State tegen het huidige instemmingsbesluit op het winningsplan, staat buiten een dergelijke beoordeling.
Op welke wijze worden omwonenden, gemeenten en provincie Groningen betrokken bij de besluitvorming over eventuele vervolgstappen van de NAM?
Zie mijn antwoord bij vraag 3.
Bent u bereid de winningsvergunning voor het Warffumer gasveld in te trekken of op te schorten, nu gebleken is dat de bestaande put technisch niet meer produceerbaar is? Zo nee, waarom niet?
Nee. Op basis van het geldende wettelijke kader is ingestemd met de aanvraag van de NAM om langer gas te winnen uit het gasveld Warffum. Ik kan voor een individuele aanvraag geen besluiten nemen buiten het wettelijke kader. Dit geldt ook voor het intrekken of opschorten van reeds genomen besluiten. Hiervoor moet een juridische grondslag zijn en die is niet aanwezig.
Deelt u de opvatting van de inspecteur-generaal van SodM dat het besluit om gaswinning bij Warffum toe te staan is genomen op basis van een advies van vóór de parlementaire enquête, en dat SodM op grond van de huidige bredere veiligheidsdefinitie nu anders zou adviseren? Zo ja, waarom is de vergunning dan niet alsnog ingetrokken of herzien?2
De vraag of SodM nu anders zou adviseren kan ik niet beantwoorden. Ik vind het belangrijk om te benadrukken dat zeer zorgvuldig naar de aanvraag van de NAM is gekeken, alvorens een besluit is genomen. Hiervoor is zoals gebruikelijk advies gevraagd aan onder meer TNO, SodM en de Mijnraad. Deze adviseurs hebben aangegeven dat de winning technisch veilig kan plaatsvinden. Daarbij heeft het toenmalig kabinet recht willen doen aan de zorgen. Om deze reden is met de NAM afgesproken dat het seismisch risicobeheersplan wordt aangescherpt voor het gasveld Warffum. De NAM zal de winning uit het gasveld Warffum bij een beving eerder stilleggen dan bij de andere kleine gasvelden in Nederland.3
Zoals bij vraag 8 aangegeven, dient er een juridische grondslag te zijn om een vergunning in te trekken of te herzien en die is niet aanwezig.
Deelt u de gemengde gevoelens van de inspecteur-generaal van SodM over het vergunningsproces bij Warffum?
Zoals bij vraag 9 aangegeven heeft, op basis van de wettelijke kaders, een zorgvuldig proces plaatsgevonden.
Bent u het ermee eens dat het onacceptabel is dat Warffum er volgens de eigen toezichthouder doorheen is geglipt?
Zoals bij vraag 9 aangegeven, heeft, op basis van de wettelijke kaders, een zorgvuldig proces plaatsgevonden.
Bent u, net als bij de gaswinning onder de Waddenzee, bereid om met de NAM te zoeken naar een alternatieve oplossing zodat de gaswinning bij Warffum alsnog definitief niet wordt hervat?
Nee. Bij de aanvraag Ternaard speelden specifieke omstandigheden: juridisch, ruimtelijk en procedureel. Juist vanwege die unieke combinatie heeft het toenmalig kabinet aanleiding gezien om een afwijkend besluit te overwegen en uiteindelijk tot een vaststellingsovereenkomst te komen. Dat besluit stond dus in directe relatie tot die bijzondere context. Dat betekent ook dat dit elders niet zal plaatsvinden; een uitzondering vormt geen nieuw beleidskader. Het uitgangspunt blijft dat beslissingen over gaswinning worden genomen binnen het bestaande wettelijke kader, de daarin vastgelegde verantwoordelijkheden en toetsingskaders. Daarbij wil ik benadrukken dat vergunningen voor activiteiten in de diepe ondergrond alleen worden verleend als dit veilig en verantwoord kan.
Een dreigend tekort aan benzine en kerosine |
|
Hidde Heutink (PVV) |
|
Vincent Karremans (VVD), Stientje van Veldhoven (D66) |
|
|
|
|
Bent u op de hoogte van de bevindingen van de Rabobank?1
Ja.
In hoeverre rijmt de uitkomst van dit onderzoek van de Rabobank met uw woorden van 18 april 2026, waarin u aangeeft dat er voldoende voorraad kerosine is?2
De uitspraken van de Minister van Infrastructuur en Waterstaat over de kerosinevoorraad tijdens het Vragenuur van 18 april zijn in overeenstemming met de uitkomst van het Rabobank-onderzoek. Beiden hebben betrekking op verschillende scenario’s en op de korte respectievelijk langere termijn.
Zoals eerder aangegeven beschikken Nederland en Europa op dit moment over voldoende voorraden kerosine. Er is momenteel dus geen sprake van acute tekorten. Tegelijkertijd is het noodzakelijk dat wij ons voorbereiden op scenario’s voor het geval de situatie in het Midden-Oosten verder escaleert of langdurig aanhoudt.
Het onderzoek van Rabobank kan gezien worden als een analyse van juist dat langdurige scenario. De bank wijst op het risico dat de beschikbaarheid van kerosine na verloop van tijd onder druk kan komen te staan wanneer de verstoring van aanvoer via de Straat van Hormuz langere tijd aanhoudt bij een vergelijkbaar blijvende vraag.
Hoe lang is de huidige Europese olievoorraad nog toereikend? Kunt u daarbij het meest negatieve en meest positieve scenario ook uitlichten? Kunt u ook toelichten hoe lang Nederland zelfstandig kan functioneren met die voorraad?
Nederland en Europa beschikken over relatief grote olievoorraden die voor vijf maanden toereikend zijn. De daadwerkelijke duur waarvoor deze voorraden volstaan, hangt sterk af van de ontwikkeling van de verstoring, de mate waarin handelsstromen zich aanpassen, de vraagontwikkeling en de inzet van raffinaderijen. Een vaste termijn is daarom niet goed te geven. Het Ministerie van Infrastructuur en Waterstaat zet in op zoveel mogelijk energiebesparing door de energie-efficiëntie in de luchtvaart verder te verbeteren. Leveringen ruwe olie gaan door en de vraag kan worden bediend. We zien dat handelsstromen en raffinaderijen zich aanpassen op de ontwikkelingen in de oliemarkt. Er komt op dit moment meer import uit landen als de Verenigde Staten en Nigeria en de raffinagesector schaalt productie op naar waar de vraag het grootst is; op dit moment kerosine en diesel. Tegelijkertijd zien we wel dat er krapte ontstaat in de markt en dat prijzen stijgen en volatiel blijven. De markt staat dus onder druk, maar er is in Nederland op dit moment geen sprake van tekorten.
In Nederland en Noordwest-Europa is op dit moment voldoende voorraad beschikbaar. De beschikbare dekking verschilt per product: voor kerosine is deze beperkter dan voor diesel en benzine, maar ook daar is nog voorraad beschikbaar. Voor diesel en benzine is de dekking ruimer en gaat het eerder om maanden dan om weken, afhankelijk van handelsstromen, raffinage-inzet en vraagontwikkeling.
Bent u van mening dat de Nederlander niet nóg meer de dupe mag worden van de situatie rondom de Straat van Hormuz en bent u bereid maatregelen te nemen ten voordele van de Nederlander? Zo ja, welke maatregelen wilt u nemen? Zo nee, waarom niet?
De situatie in het Midden-Oosten is veranderlijk en onvoorspelbaar. Ook in Nederland zijn de economische gevolgen merkbaar. Dit leidt bij mensen tot begrijpelijke zorgen over prijzen, energie en bestaanszekerheid. Het kabinet heeft daarom op 20 april een pakket aan maatregelen gepresenteerd.3 Met dat pakket wordt ondersteuning geboden aan huishoudens en bedrijven die door de hogere energieprijzen acuut in de problemen kunnen komen. Zo is de maximale onbelaste reiskostenvergoeding verhoogd, en krijgen bedrijven meer toegang tot financiering en liquiditeit via een uitbreiding van de toegang tot garantieregelingen. Bovendien zet het kabinet in op verhoging van de weerbaarheid, door de afhankelijkheid van fossiele energie af te bouwen. Huishoudens worden geholpen met energiebesparing en isolatie, voor bedrijven worden verduurzamingsmaatregelen aantrekkelijker door de verhoging van het aftrekpercentage van de Energie-investeringsaftrek (EIA) en het wegvervoer wordt tijdelijk ondersteund door een verlaging van de vrachtwagenheffing.
Het kabinet heeft in de Kamerbrief Acties Weerbaarheid Energieschok verschillende scenario's geschetst voor het geval dat de situatie rondom de Straat van Hormuz zou verslechteren. Een mogelijke inzet van nieuwe maatregelen vraagt om een zorgvuldige weging. De realiteit is ook dat de economische effecten niet altijd weg te nemen zijn door te compenseren. Maatregelen die de energieprijs dempen, hebben immers als direct effect dat de vraag toeneemt en de schaarste toeneemt.
Bent u concreet bezien bereid de accijns op benzine te schrappen, al dan niet te verlagen, als er fysieke brandstoftekorten dreigen te ontstaan? Zo nee, waarom niet?
In de Kamerbrief Acties Weerbaarheid Energieschok4 van 20 april jl. heeft het kabinet een aantal concrete maatregelen aangekondigd en uiteengezet welk type maatregel kan worden overwogen in scenario’s waarin de situatie verder verslechtert. Denk aan situaties waarin de Straat van Hormuz langdurig blijft gesloten of als er sprake is van een fysiek brandstoftekort. Dit vraagt op dat moment een zorgvuldige weging, waar het kabinet nu niet op gaat vooruitlopen.
Kunt u garanderen dat een verhoging van de brandstofaccijns in elk geval van tafel is, zolang de blokkade van de Straat van Hormuz nog aan de orde is? Zo nee, waarom niet?
Zie antwoord vraag 5.
Welke alternatieven worden door het kabinet onderzocht voor het geval de straat van Hormuz dicht zal blijven en de aanvoer van energie via die weg onbetaalbaar zal worden?
Het kabinet bereidt zich voor op alle mogelijke scenario's. We houden rekening met mogelijk langdurige verstoringen en potentieel grote economische gevolgen. Hoe langer het conflict duurt en hoe meer energie-infrastructuur beschadigd raakt, hoe groter de impact op de prijzen en leveringszekerheid. Het kabinet is opgeschaald naar fase 1 van het Landelijk Crisisplan Olie waarin de situatie intensief wordt gemonitord om tijdig voorbereid te zijn op mogelijke verdere verslechtering.
Zoals genoemd zien we op dit moment dat de wereldwijde oliemarkt zich aanpast en effectief is in het opvangen van de aanbodverstoring. De oliemarkt is wereldwijd en ongereguleerd. Dit betekent dat marktpartijen kunnen importeren uit andere delen van de wereld en handelsstromen kunnen verplaatsen, hetzij tegen een hogere prijs als gevolg van concurrentie.
Er is op dit moment geen sprake van fysieke tekorten en Nederland en Europa beschikken over relatief grote voorraden, waarmee bij een aanhoudende aanbodverstoring maanden vooruit kan. Voor het mogelijk inzetten van de strategische voorraden zijn we in continu contact met het IEA, de Europese Commissie, andere lidstaten en marktpartijen. Om die zo effectief mogelijk te laten zijn en weglekeffecten te voorkomen is het belang ze op strategische en gecoördineerde wijze in te zetten. Het kabinet is voorbereid om de strategische voorraden in te zetten wanneer signalen rond de leveringszekerheid daartoe aanleiding geven.
Bent u van mening dat bestaanszekerheid, energiezekerheid en betaalbaarheid prioriteit moeten genieten boven (ideologisch) klimaatbeleid en dat dus maatregelen ten voordele van de portemonnee van de Nederlander altijd de voorkeur moeten genieten? Zo ja, waarom? Zo nee, waarom niet?
De crisis in het Midden-Oosten onderstreept het belang om de afhankelijkheid van buitenlandse energiebronnen, zoals olie en gas, te verminderen. Dit vergroot de leveringszekerheid en leidt tot stabielere energieprijzen voor burgers en bedrijven. Het toewerken naar meer hernieuwbare energie van eigen bodem en het halen van de klimaatdoelen gaan dus hand in hand.
In hoeverre overweegt het kabinet de snelheid waarmee Nederland afstand neemt van de eigen gasproductie en fossiele levenszekerheid, nu internationale energieaanvoerlijnen steeds instabieler lijken? En waarom?
Gezien de huidige geopolitieke situatie zet het kabinet in op verdere vraagbeperking en het zo veel mogelijk beperken van de importafhankelijkheid van gas. In het kader van de importafhankelijkheid blijft gaswinning op de Noordzee en land van belang, mits dat veilig en verantwoord gewonnen kan worden en met oog voor de omgeving. Hierover zijn afspraken gemaakt in het Sectorakkoord Gaswinning in de Energietransitie.
De Timmermans-taks |
|
Geert Wilders (PVV), Alexander Kops (PVV) |
|
Stientje van Veldhoven (D66) |
|
|
|
|
Bent u bekend met het bericht ««Timmermans-taks» tegen CO2-uitstoot gaat ons tot 70 euro per maand extra kosten: «Ingrepen van politiek nodig»»?1
Bent u ervan op hoogte dat de energierekening en autorijden voor heel veel mensen onbetaalbaar is geworden en circa 500.000 huishoudens in energiearmoede leven?
Deelt u de mening dat het onacceptabel is dat door de aanstaande Europese CO2-heffing Emissions Trading System (ETS2) – de Timmermans-taks – gas, benzine en diesel nóg duurder zullen worden en dat huishoudens daardoor tot € 70 per maand, oftewel € 840 per jaar méér gaan betalen? Zo nee, hoe kunt u deze absurde lastenverhogende klimaattaks verdedigen?
Deelt u de conclusie dat de € 720 miljoen uit het Europees Sociaal Klimaatfonds, waarop Nederland ter compensatie van ETS2 beroep kan doen, neer zou komen op eenmalig € 85 per huishouden en dus niets anders is dan een doekje voor het bloeden?
Wat vindt u ervan dat de energierekening inmiddels voor meer dan de helft (58%) uit belastingen (energiebelasting en btw) en transportkosten bestaat en dat de Nederlanders, op Zweden na, het meest voor hun gas van heel Europa betalen? Wat vindt u ervan dat de Nederlandse benzineprijzen, op enkele landen na, tot de allerhoogste ter wereld behoren?
Deelt u dan ook de conclusie dat niet alleen de gestegen energieprijzen problematisch zijn, maar dat óók de belastingen op energie in Nederland veel te hoog zijn? Deelt u de mening dat deze belastingen niet steeds verder omhoog, maar juist omlaag moeten en dat er überhaupt geen nieuwe energiebelastingen, zoals ETS2, ingevoerd moeten worden?
Bent u ertoe bereid de Timmermans-taks naar de prullenbak te verwijzen en de Nederlanders te behoeden voor deze links-ideologische klimaatgekte? Zo nee, hoe reageert u dan op de oproep van het Planbureau voor de Leefomgeving (PBL) om «snel passende maatregelen te nemen om alle negatieve effecten voor kwetsbare huishoudens te beperken»? Gaat u dat doen? Zo ja, aan welke maatregelen denkt u? Zo nee, waarom niet?
Bent u bekend met het bericht in de Volkskrant «IPCC schrapt rampscenario: opwarming hooguit nog «maar» 3,5 graden in 2100»1 en met het recent gepubliceerde peer-reviewed artikel van Van Vuuren et al., The Scenario Model Intercomparison Project for CMIP7 (ScenarioMIP-CMIP7), in Geoscientific Model Development2?
Kunt u bevestigen dat de auteurs stellen dat de hoge emissieniveaus uit CMIP6, gekwantificeerd als SSP5-8.5, voor de 21e eeuw niet langer plausibel zijn, mede door kostentrends voor hernieuwbare energie, de opmars van kernenergie, bestaand klimaatbeleid en recente emissietrends?
Kunt u bevestigen dat de temperatuurprojecties in het artikel voor de voorgestelde CMIP7-scenarioset uitkomen op een bandbreedte van ongeveer 1,5 graden tot bijna 3,5 graden opwarming in 2100 ten opzichte van 1850–1900, terwijl IPCC AR6 voor SSP5-8.5 voor 2081–2100 een schatting van 4,4 graden rapporteerde, met een zeer waarschijnlijke bandbreedte van 3,3 tot 5,7 graden?
Kunt u bevestigen dat de recente scenarioherijking niet alleen de bovenkant van de scenariobandbreedte raakt, maar dat de auteurs ook aangeven dat meerdere zeer lage CMIP6-emissietrajecten inmiddels niet meer consistent zijn met waargenomen trends in de periode 2020–2030?
Deelt u de opvatting dat deze ontwikkeling vraagt om een scherper onderscheid tussen scenario’s, prognoses, plausibiliteit, waarschijnlijkheid, stresstests en beleidsreferenties in kabinetsstukken en publieke communicatie?
Deelt u de opvatting dat klimaatbeleid moet worden gebaseerd op realistische scenario’s en niet mag worden gedomineerd door scenario’s die niet langer als realistische beleidsbasis gelden?
Bent u bereid voortaan bij grote klimaat- en energiebesluiten expliciet te vermelden op welk klimaatscenario of welke scenariobandbreedte het besluit is gebaseerd, welk zichtjaar wordt gebruikt, of het gaat om een centrale beleidsreferentie of om een stresstest, en wat dit betekent voor de inschatting van kosten, baten en risico’s?
Kunt u de Kamer een overzicht sturen van alle Nederlandse klimaatbeleidsstukken, PBL-, CPB-, KNMI- en RIVM-doorrekeningen, adaptatiestrategieën, maatschappelijke kosten-batenanalyses (mkba’s), schadeanalyses, risicokaarten, kabinetscommunicatie en processtukken sinds 2019 waarin RCP8.5, SSP5-8.5, SSP3-7.0 of vergelijkbare high-endscenario’s zijn gebruikt?
Welke Nederlandse klimaatmaatregelen, normen, investeringsbeslissingen of financiële onderbouwingen zouden materieel anders worden beoordeeld als SSP5-8.5 niet langer als realistische beleidsreferentie wordt gebruikt, maar uitsluitend als historisch vergelijkingspunt of extreme stresstest?
Welke gevolgen heeft deze wetenschappelijke herijking volgens u voor de proportionaliteit en betaalbaarheid van klimaatbeleid voor huishoudens, het midden- en kleinbedrijf (mkb), de industrie, mobiliteit en landbouw, in het bijzonder waar het gaat om energieprijzen, nationale koppen op Europees beleid, netverzwaring, subsidies en verplichtingen?
Bent u bereid de komende Klimaatnota, Energienota en relevante begrotingsstukken te voorzien van een scenarioparagraaf waarin per hoofdmaatregel wordt aangegeven op welk klimaatscenario, emissiepad en welke kosten-batenveronderstellingen de maatregel berust?
Bent u bereid PBL, CPB, KNMI en RIVM te vragen bij toekomstige beleidsdoorrekeningen expliciet aan te geven of uitkomsten robuust zijn onder centrale scenario’s, plausibele high-endscenario’s en extreme stresstestscenario’s, en waar conclusies afhankelijk zijn van een inmiddels minder plausibel high-endscenario?
Bent u bekend met het VU/IVM-onderzoek The Impacts of Climate Change on Bonaire, uitgevoerd in opdracht van Greenpeace Nederland, en kunt u bevestigen dat daarin onder meer SSP5-8.5 en een «SSP5-8.5 Low Confidence»-variant zijn gebruikt?
Kunt u de Kamer een analyse sturen van welke onderdelen van de Bonaire-zaak en de onderliggende rapporten afhankelijk zijn van SSP5-8.5 of van de «SSP5-8.5 Low Confidence»-variant?
Acht u het wetenschappelijk en bestuurlijk verantwoord wanneer beleidsmakers, belangenorganisaties of procespartijen effecten voor Bonaire presenteren op basis van SSP5-8.5 of «SSP5-8.5 Low Confidence», zonder duidelijk te vermelden dat SSP5-8.5 in de nieuwe ScenarioMIP-CMIP7-literatuur niet langer als plausibel high-endemissieniveau voor de 21e eeuw wordt beschouwd?
Bent u bereid de nieuwe ScenarioMIP-CMIP7-inzichten expliciet te betrekken bij de onderbouwing van dat hoger beroep, nu het kabinet heeft aangekondigd in hoger beroep te gaan in de Klimaatzaak Greenpeace Bonaire en schorsing van de uitspraak te vragen?
Zal de Staat in hoger beroep betogen dat rechterlijke verplichtingen tot nationale, bindende emissiedoelen niet mogen worden gebaseerd op scenario’s die wetenschappelijk niet langer als plausibele beleidsreferentie gelden, maar hooguit als extreme stresstest kunnen dienen?
Kunt u voor Bonaire aangeven welke middelen inmiddels zijn gereserveerd of beschikbaar komen voor klimaatadaptatie, per maatregel uitgesplitst naar budget, verantwoordelijke partij, planning, onderliggend scenario en verwacht risicoreducerend effect?
Deelt u de opvatting dat inwoners van Bonaire het meest geholpen zijn met concrete, lokale adaptatiemaatregelen tegen hitte en wateroverlast en dat eventuele nationale emissiedoelen afzonderlijk en aantoonbaar proportioneel moeten worden onderbouwd?
Kunt u toezeggen dat inwoners van Bonaire niet worden gebruikt als juridisch argument voor steeds zwaardere nationale klimaatdoelen, maar daadwerkelijk worden geholpen met concrete maatregelen die hun veiligheid, leefbaarheid en weerbaarheid vergroten?
Deelt u de opvatting dat de nieuwe scenario’s nopen tot klimaatrealisme: minder alarmistische communicatie, meer transparantie over onzekerheden, meer aandacht voor betaalbaarheid en meer focus op adaptatie die aantoonbaar werkt?
Kunt u deze vragen afzonderlijk beantwoorden?
Het rapport 'No fuel, no fight: The Dutch fuel industry and European military readiness' |
|
Alisha Müller (VVD), Peter de Groot (VVD) |
|
Stientje van Veldhoven (D66), Derk Boswijk (CDA) |
|
|
|
|
Bent u bekend met het recente rapport van The Hague Centre for Strategic Studies (HCSS) getiteld «No fuel, no fight: the Dutch fuel industry and European military readiness»?1
Hoe beoordeelt u de toenemende tekorten aan kerosine en diesel in het licht van de voortdurende afbouw van de nationale productiecapaciteit? In hoeverre deelt u de expliciete zorgen van de onderzoekers over de risico’s die deze trend met zich meebrengt voor de stabiliteit en capaciteit van de Nederlandse kritieke energie-infrastructuur?
Hoe weegt u de strategische waarde van de Nederlandse energie-infrastructuur voor de bredere leveringszekerheid van diesel en kerosine binnen de Europese Unie, zeker gezien de Nederlandse rol als logistiek knooppunt?
Bent u bereid om samen met de Ministeries van I&W, Defensie en EZK in kaart te brengen hoe de toekomstige afhankelijkheden van brandstoffen zich ontwikkelen en wat de concrete gevolgen hiervan zijn voor defensie, de burgerluchtvaart en kritieke energie-infrastructuur?
Wat is uw reactie op de prognose uit het rapport dat de importafhankelijkheid voor brandstoffen in 2040 zal stijgen naar 46% voor Nederland en maar liefst 72% voor de gehele Europese Unie? Welke risico’s ziet u hierin voor onze strategische autonomie?
Hoe reflecteert u op de aanbeveling dat de Nederlandse overheid, in EU-verband, een kritieke ondergrens voor productiecapaciteit moet vaststellen en de noodzakelijke instrumenten moet inzetten om deze capaciteit operationeel te houden voor de vitale brandstofvoorziening?
Onderschrijft u de conclusie dat Nederland en de EU stevenen op een verhoogde kwetsbaarheid door een groeiende afhankelijkheid van externe brandstofimporten? Welke stappen ziet u om deze trend te keren?
Op welke wijze borgt u het behoud van de kritieke energie-infrastructuur op Nederlands grondgebied? In hoeverre worden hierbij de specifieke vereisten voor militaire mobiliteit en de collectieve Europese verdediging meegewogen?
Hoe beoordeelt u de bevinding dat de huidige Methaanverordening potentieel 90% van de huidige wereldwijde olie-import diskwalificeert en de kosten voor het Europese bedrijfsleven kan laten oplopen tot 80 miljard euro?
Bent u bereid de conclusies uit dit rapport te integreren in de aangekondigde «Toekomstvisie brandstoffen- en chemiegrondstoffenproductie»? Zo ja, op welke termijn kan de Kamer deze visie tegemoet zien?
Bent u, mede in het licht van de bevindingen over de leveringszekerheid, bereid om de extra voorwaarden voor de indirecte kostencompensatie (IKC-ETS) voor de raffinagesector te heroverwegen, aangezien dit momenteel fungeert als een nationale kop op Europese regelgeving?
Hoe kijkt u aan tegen de gereedstelling van de krijgsmacht en de risico’s van brandstoftekorten die kunnen optreden in de toekomst?
Kunt u uiteenzetten hoe hij tegen de conclusie aankijkt dat in geval van een conflict de krijgsmacht voorrang moet krijgen op de beschikbaarheid van brandstoffen?
Welk specifiek beleid voert het Ministerie van Defensie op het hebben van voldoende brandstoffen in het geval van een conflict?
Kunt u ingaan op de conclusies in het rapport in het licht van de huidige brandstofstrategie van Defensie, ook in NAVO en Europees verband?
Welke aanvullende maatregelen gaat u nemen naar aanleiding van de conclusies van het rapport?
Kunt u deze vragen 1 voor 1 beantwoorden?
Het geschrapte ‘rampscenario’ van het IPCC |
|
Lidewij de Vos (FVD) |
|
Stientje van Veldhoven (D66) |
|
|
|
|
Heeft u kennisgenomen van het bericht dat het Intergovernmental Panel on Climate Change (IPCC) zijn meest extreme rampscenario (4 tot 6 graden opwarming in 2100) heeft geschrapt?1
Heeft u kennisgenomen van de analyse dat meer dan 80 procent van de mediaberichtgeving gebaseerd zou zijn op dit inmiddels achterhaalde scenario?2
Hoe beoordeelt u de berichtgeving zoals genoemd in vraag 1 en 2?
Bent u van mening dat de afgelopen jaren een vertekend en te alarmistisch beeld van de klimaatontwikkelingen is geschetst? Zo ja, waarom wel? Zo nee, waarom niet?
In hoeverre is het huidige Nederlandse klimaatbeleid gebaseerd op aannames en modellen van het IPCC, die inmiddels door datzelfde IPCC zijn bijgesteld? Kunt u uw antwoord toelichten?
Acht u het verantwoord om door te gaan met beleid dat een zeer grote economische en maatschappelijke impact heeft, terwijl de onder dat beleid liggende en van het IPCC afkomstige aannames en modellen inmiddels door datzelfde IPCC zijn bijgesteld? Zo ja, waarom wel? Zo nee, welke wijzigingen bent u bereid door te voeren?
Bent u bereid een volledige herijking uit te voeren van het Nederlandse klimaatbeleid? Zo nee, waarom niet? Zo ja, op welke termijn?
Bent u bereid om, in het licht van deze ontwikkelingen, maatregelen te nemen om de lasten voor burgers te verlagen, bijvoorbeeld door het klimaatbeleid (deels) te schrappen of zelfs terug te draaien? Kunt u uw antwoord toelichten?
Hoe gaat u voorkomen dat beleid in de toekomst wordt gebaseerd op extreme en onrealistische scenario’s?
Heeft u kennisgenomen van het bericht dat alle klimaatrechtszaken van de afgelopen jaren zouden verwijzen naar het inmiddels geschrapte rampscenario van het IPCC?3
Hoe beoordeelt u de berichtgeving zoals genoemd in vraag 10?
Erkent u dat, als de berichtgeving zoals genoemd in vraag 10 klopt, dit verstrekkende gevolgen heeft voor de juridische grondslagen op basis waarvan rechters de Nederlandse staat en Nederlandse bedrijven hebben veroordeeld tot vergaand en kostbaar klimaatbeleid? Kunt u uw antwoord toelichten?
Bent u bereid te laten onderzoeken in hoeverre de vonnissen in klimaatrechtszaken direct of indirect steunen op het rampscenario van het IPCC, dat inmiddels door datzelfde IPCC is geschrapt? Bent u bereid de Kamer over de uitkomsten van dit onderzoek te informeren? Zo ja, op welke termijn? Zo nee, waarom niet?
In de klimaatrechtszaak inzake Bonaire (ECLI:NL:RBDHA:2026:1344) gaat de rechter onder punt 4.21 uit van een zeespiegelstijging van 27 cm in 2050 en 85 cm in 2100, gebaseerd op het inmiddels door het IPCC geschrapte «rampscenario» SSP5-8.5; hoe beoordeelt u het feit dat deze rechterlijke uitspraak met verstrekkende gevolgen mede gebaseerd is op scenario’s van het IPCC die inmiddels door datzelfde IPCC zijn geschrapt? Kunt u uw antwoord toelichten?
Bent u bereid om in het hoger beroep tegen de uitspraak inzake Bonaire expliciet mee te nemen dat de rechtbank zich mede heeft gebaseerd op het inmiddels door het IPCC geschrapte SSP5-8.5-scenario, en dat de onderbouwing van de uitspraak daarmee wezenlijk is gewijzigd? Zo ja, waarom wel? Zo nee, waarom niet?
Kunt u deze vragen zo spoedig mogelijk en afzonderlijk van elkaar beantwoorden?
Bescherming van Bonaire tegen de klimaatcrisis |
|
Christine Teunissen (PvdD) |
|
Stientje van Veldhoven (D66), Rob Jetten (D66) |
|
|
|
|
Heeft u kennisgenomen van het NOS-artikel over het bezoek van premier Jetten aan Bonaire1, bezien in samenhang met het nieuwe rapport van Greenpeace waaruit blijkt dat de kosten van klimaatverandering op Bonaire in de toekomst fors zullen oplopen2?
Hoe beoordeelt u het feit dat u naar Bonaire afreist met niets meer dan woorden, terwijl de inwoners van het eiland al jaren wachten op daadwerkelijke bescherming tegen de gevolgen van de klimaatcrisis?
Welke boodschap denkt u af te geven aan de inwoners van Bonaire door in hoger beroep te gaan tegen de uitspraak in de klimaatzaak, terwijl diezelfde inwoners juist dringend meer bescherming nodig hebben?
Begrijpt u dat het hoger beroep door veel inwoners van Bonaire zal worden ervaren alsof de Staat hun veiligheid, gezondheid en toekomst nog altijd niet serieus neemt?
Kunt u toelichten hoe u voorkomt dat Caribisch Nederland bij een volgend bezoek opnieuw met lege handen blijft achter in beleid, bescherming en middelen?
Kunt u aangeven welke gesprekken er zijn gevoerd met het Openbaar Lichaam Bonaire over klimaatverandering en klimaatmitigatie en -adaptatie? Hoe zijn deze gesprekken verlopen?
Overweegt u de eilanden nog eens in de zomer te bezoeken, zodat u zelf kunt ervaren hoe ondraaglijk de hitte daar werkelijk kan worden?
Waarom kiest u ervoor om tijd en geld te steken in een hoger beroep, terwijl die energie ook direct kan worden ingezet voor uitvoering, bescherming en financiering van urgente maatregelen op Bonaire?
Deelt u de conclusie van Greenpeace dat de kosten voor bescherming van Bonaire fors kunnen oplopen als nu niet wordt ingegrepen? Zo nee, op welke grond wijkt u daarvan af?
Welke nieuwe feiten of omstandigheden uit het recente rapport van Greenpeace zijn voor u aanleiding geweest om de schade en kosten van uitblijvend beleid op Bonaire opnieuw te beoordelen?
Kunt u aangeven welke concrete aanvullende maatregelen u op korte termijn neemt om Bonaire beter te beschermen tegen zeespiegelstijging, droogte, hittestress en andere klimaatrisico’s?
Bent u bereid om de financiering voor de bescherming van Bonaire structureel te borgen door deze onder te brengen in het Deltafonds of een vergelijkbare systematiek van meerjarige begrotingsreserveringen in plaats van te werken met incidentele bijdragen?
Bent u bereid om, gelet op het bezoek aan Bonaire, het hoger beroep in de klimaatzaak opnieuw te bezien en prioriteit te geven aan snelle uitvoering van beschermende maatregelen?
Kunt u deze vragen afzonderlijk en ruim voor het plenaire debat over de gerechtelijke uitspraak inzake de klimaatzaak Bonaire beantwoorden?
Hogere CO₂-uitstoot door de export van Nederlandse elektriciteit |
|
Daniël van den Berg (JA21) |
|
Stientje van Veldhoven (D66) |
|
|
|
|
Bent u bekend met het bericht «Nederland exporteert voor miljard euro naar buren dankzij zonnepanelen en gascentrales»1?
Ja.
Klopt het dat Nederland in 2025 voor het vierde jaar op rij netto-exporteur van elektriciteit was?
Ja. Dit blijkt uit de recent gepubliceerde Annual Market Update 2025 door TenneT.2
Klopt het dat de netto-export van elektriciteit in 2025 circa 14 TWh bedroeg en een waarde vertegenwoordigde van meer dan één miljard euro? Zo nee, welke cijfers hanteert het kabinet?
Ja.
Kunt u aangeven welk deel van de in 2025 geëxporteerde elektriciteit is opgewekt met welke energiebron?
Nee, dat onderscheid is niet te maken.
Kunt u uitsplitsen hoe de kosten en baten van elektriciteitsexport zijn verdeeld over de verschillende stakeholders, waaronder netbeheerders, producenten, de industrie, huishoudens en de Staat? Kortom, wat is de totale (maatschappelijke) balans van de export van elektriciteit?
Nee, een dergelijke uitsplitsing en het geven van een totale (maatschappelijke) balans is niet mogelijk. Voor zover de elektriciteitsexport opwek uit gas- of kolencentrales zou betreffen, staan in de totale (maatschappelijke) balans voor de producent tegenover de inkomsten uit de verkoop van elektriciteit, ook de kosten van de inkoop van gas of kolen voor die opwek en de kosten van de benodigde emissierechten. Die totale kosten worden bij export doorberekend aan de klanten in het buitenland.
Klopt het dat de toegenomen elektriciteitsexport niet alleen samenhangt met extra zonneproductie, maar juist ook met extra productie uit gascentrales en kolencentrales?
Zoals in het antwoord op vraag 4 is aangegeven, is het onderscheid naar energiebron van de export niet te maken. Wel weten we dat de toename van de gehele productie ten opzichte van 2024 bestaat uit opwekking via gascentrales (+4.7 TWh), zonne-energie (+3.7 TWh) en kolencentrales (+2.4 TWh).
Klopt het dat de CO2-uitstoot van de Nederlandse stroomproductie is gestegen van circa 23 megaton naar circa 25 megaton? Zo ja, welk deel van deze stijging is toe te rekenen aan elektriciteitsproductie voor export?
Ja, dat klopt. De in het antwoord op vraag 2 genoemde Annual Market Update van TenneT verklaart de toename in CO2-uitstoot vooral door meer opwek uit kolen. Tegelijk is, zoals in het antwoord op vraag 4 aangegeven, het onderscheid naar energiebron van de geëxporteerde elektriciteit en daarmee naar CO2-uitstoot niet te maken. Het is daarmee niet duidelijk welk deel van de stijging in CO2-uitstoot is toe te rekenen aan elektriciteitsproductie voor export
Telt de CO2-uitstoot van in Nederland opgewekte elektriciteit die vervolgens wordt geëxporteerd volledig mee in de Nederlandse emissiecijfers en bij de Nederlandse klimaatdoelen?
Ja.
Acht u het wenselijk dat Nederland de CO2-uitstoot draagt van elektriciteitsproductie die uiteindelijk in het buitenland wordt verbruikt?
Dit is een inherent onderdeel van het Europese systeem en de wijze waarop de elektriciteitsmarkt is ingericht. Deze geïntegreerde elektriciteitsmarkt zorgt voor meer zekerheid op energievoorziening, lagere prijzen voor consumenten en bedrijven, en efficiënter gebruik van infrastructuur en investeringen. In dit geval kan het ook zorgen voor uiteindelijk minder CO2-uitstoot in Europa als geheel, omdat hierbij geldt dat de Nederlandse centrales over het algemeen minder uitstoten dan de inefficiëntere kolen- of gascentrales uit andere Europese landen.
Wie betaalt uiteindelijk de extra kosten van de CO2-uitstoot die ontstaat doordat Nederlandse gas- en kolencentrales elektriciteit produceren voor export naar het buitenland?
Alle gas- en kolencentrales in de EU betalen zelf voor hun CO2-uitstoot. Omdat gas- en kolencentrales dit doorberekenen in de prijs waartegen zij elektriciteit verkopen, betalen dus uiteindelijk de elektriciteitsverbruikers in andere landen voor de CO2 van de productie die wordt geëxporteerd.
Klopt het dat de gemiddelde Nederlandse stroomprijs in 2025 is gestegen naar circa 87 euro per MWh, mede door hogere CO2-prijzen en hogere gasprijzen? Welk aandeel van deze prijsstijging is toe te rekenen aan CO2-kosten voor geëxporteerde elektriciteit?
Ja, het klopt dat de Nederlandse stroomprijs in 2025 is gestegen tot ca. 87 euro per MWh. Omdat de elektriciteitsprijzen in Nederland op een Europese elektriciteitsmarkt tot stand komen, zijn de CO2-kosten voor geëxporteerde elektriciteit niet specifiek aan deze prijsstijging toe te rekenen. De CO2-prijs varieert door het jaar heen, maar was gemiddeld in 2025 € 74 per ton CO2. Deze gemiddelde CO2-prijs verhoogt de elektriciteitsprijs op de Europese elektriciteitsmarkt met circa € 30 per MWh als gascentrales de prijs zetten en met circa € 60 per ton als kolencentrales dit doen. Zoals in het antwoord op vraag 10 is aangegeven, betalen de elektriciteitsverbruikers in andere landen voor de ETS-kosten van elektriciteit die wordt geëxporteerd naar hun land.
Kunt u uitsluiten dat Nederlandse huishoudens en bedrijven via hogere elektriciteitsprijzen, nettarieven, belastingen, heffingen of indirecte ETS-kosten meebetalen aan de productie van elektriciteit die naar het buitenland wordt geëxporteerd?
Via de SDE++ is subsidie beschikbaar voor de opwek van elektriciteit. Hier betalen Nederlandse gebruikers via belastingen aan mee. Een deel van deze elektriciteit kan ook worden geëxporteerd. Daartegenover staat dat Nederland op veel momenten ook stroom uit andere landen importeert die soms daar gesubsidieerd is. Het systeem werkt dus beide kanten op. Voor de ETS kosten op het gebruik van fossiele brandstoffen geldt dat die, zoals hierboven in het antwoord op vraag 10 is geschetst, worden doorberekend aan de gebruiker, waar die zich ook bevindt.
Kunt u inzichtelijk maken hoe de ETS-kosten bij elektriciteitsproductie voor export precies worden doorberekend?
Gas- en kolencentrales zullen de ETS-kosten meenemen bij de prijs waarvoor zij bereid zijn elektriciteit te verkopen. Bij verkoop op de beurs van de zogenoemde day ahead market weten deze producenten niet aan wie zij de elektriciteit verkopen en dus ook niet of de elektriciteit in Nederland of daarbuiten verbruikt wordt.
Kunt u deze vragen afzonderlijk beantwoorden?
Ja.
Amsterdam dat tot 9 miljard euro van het Rijk wil voor de aanleg van een warmtenet |
|
Daniël van den Berg (JA21) |
|
Stientje van Veldhoven (D66) |
|
|
|
|
Bent u bekend met de uitspraken van de Amsterdamse wethouder Zita Pels dat de stad 9 miljard euro nodig heeft voor de aanleg van warmtenetten en dat het Rijk voor een deel van deze kosten zou moeten opdraaien?1
Bent u reeds door de gemeente Amsterdam, de gemeente Diemen of een van de andere stakeholders benaderd over een investering in dit warmtenet? Om welk bedrag zou dit gaan?
Hoe verhoudt deze claim van slechts twee gemeenten zich tot het totale landelijke budget dat beschikbaar is voor de warmtetransitie in de gehele gebouwde omgeving?
Hoe worden deze budgetten gefinancierd? Welke uitvoerende partijen zijn hiervoor verantwoordelijk? Welke rol speelt Energie Beheer Nederland (EBN) hierin?
Is er een onafhankelijke businesscase bekend die aantoont dat een investering van 9 miljard euro maatschappelijk rendabel is vergeleken met andere verduurzamingsopties, zoals individuele (hybride) warmtepompen?
In hoeverre vindt u het moreel verdedigbaar dat de landelijke belastingbetaler opdraait voor de specifieke infrastructurele keuzes en de daaruit voortvloeiende tekorten van de gemeente Amsterdam?
In hoeverre vindt u het moreel verdedigbaar dat de landelijke belastingbetaler opdraait voor de versnelde verduurzamingsdoelen, zoals aardgasvrij in 2040, en de daaruit voortvloeiende tekorten van de gemeente Amsterdam?
Hoe legt u aan burgers in krimpregio’s of landelijke gebieden uit dat Amsterdamse infrastructuur met miljarden aan landelijk belastinggeld wordt gesubsidieerd, terwijl deze regio’s achterblijven?
Is het niet de verantwoordelijkheid van de gemeente zelf om, indien zij kiest voor een gemeentelijk warmtebedrijf, de financiering hiervan rond te krijgen zonder het Rijk als pinautomaat te gebruiken?
In hoeverre verstoort een dergelijke enorme staatssteun de marktwerking en de concurrentiepositie van andere, wellicht goedkopere, duurzame warmtebronnen?
Bent u bereid om te eisen dat Amsterdam eerst álle alternatieve, minder kostbare scenario’s (zoals all-electric of hybride warmtepompen) onderzoekt voordat er überhaupt over steun vanuit het Rijk gesproken kan worden?
Hoe groot acht u het risico op lock-in-effecten, waarbij bewoners decennialang vastzitten aan een duur warmtenet omdat de overheid er 9 miljard in heeft gestoken, terwijl er in de toekomst betere technieken beschikbaar komen?
Wat zijn de gevolgen voor de energierekening van de Amsterdamse burger als deze 9 miljard niet door het Rijk, maar via de tarieven van het warmtebedrijf zou worden opgehaald?
Wat zijn de gevolgen voor de rekening van de Nederlandse belastingbetaler wanneer deze moet opdraaien voor deze Amsterdamse kosten?
Gelooft u dat de 9 miljard euro daadwerkelijk voldoende is, gezien de historie van grote infrastructurele projecten in Amsterdam (zoals de Noord/Zuidlijn)?
Is er een maximumbedrag per woning dat het Rijk bereid is bij te dragen aan de warmtetransitie? Zo ja, hoe verhoudt de Amsterdamse claim per aansluiting zich tot dit maximum?
Hoe beoordeelt u de dreiging van wethouder Pels over «de komende winter» in relatie tot een infrastructureel project dat decennia in beslag neemt?
Bent u bereid om klip-en-klaar uit te spreken dat het Rijk deze onredelijke financiële eisen niet gaat honoreren?
Hoe rijmt u deze miljardenclaim met de noodzaak tot bezuinigingen en een behoedzaam begrotingsbeleid zoals afgesproken in het coalitieakkoord?
Is het niet effectiever om de 9 miljard euro te investeren in een landelijke isolatieaanpak, waardoor bij miljoenen huishoudens de energiekosten dalen, in plaats van in de financiering van een duur en onrendabel warmtenet dat ook nog duurder is voor de gebruikers?
Kunt u toezeggen dat het Rijk pas over enige vorm van financiële ondersteuning praat nadat er een volledige, onafhankelijke audit is uitgevoerd naar de doelmatigheid van het Amsterdamse transitiebeleid tot nu toe en de Kamer hier volledig over geïnformeerd is?
Het bericht dat het Rijk al maanden wist dat ze het dorp Moerdijk weg wilden hebben |
|
Jimmy Dijk (SP) |
|
Stientje van Veldhoven (D66), Vincent Karremans (VVD), Boekholt-O’Sullivan , Herbert |
|
|
|
|
Klopt het dat nog voordat met de bewoners van Moerdijk gesproken is het ministerie al de conclusie had getrokken dat het dorp Moerdijk weg moest?1
Op welk moment precies zijn welke (concept) besluiten genomen en was informatie hierover beschikbaar en definitief? Kan dit verwerkt worden in een duidelijke tijdlijn met interne publicatie- en beslismomenten?
Waarom is deze informatie niet eerder met het dorp gedeeld?
Ziet u in dat hiermee ten onrechte de indruk is gewekt dat bewoners zeggenschap hebben in dit proces? Wat denkt u dat hiervan het gevolg is voor het vertrouwen van mensen in de overheid?
Waarom is deze informatie niet eerder met de Kamer gedeeld ondanks herhaalde informatieverzoeken en duidelijke aandacht van het parlement?
Gaat u alle beschikbare informatie met het parlement delen vóór het debat over het dorp Moerdijk?
Hoe reageert u op de stelling dat u het parlement en de bewoners van Moerdijk een valse voorstelling van zaken heeft gegeven?
Kunt u deze vragen een voor een en uiterlijk voorafgaand aan het debat over het dorp Moerdijk beantwoorden?
De versnelde verzwakking van de Atlantische omloopstroming (AMOC) |
|
Laurens Dassen (Volt) |
|
Sjoerd Sjoerdsma (D66), Vincent Karremans (VVD), Stientje van Veldhoven (D66) |
|
|
|
|
Bent u bekend met het onderzoek gepubliceerd op 16 april 2026 in Science Advances1, waaruit blijkt dat de Atlantic Meridional Overturning Circulation (AMOC) sneller verzwakt dan gemiddelde klimaatmodellen voorspelden en mogelijk al rond het midden van deze eeuw een kantelpunt bereikt, en wat is uw appreciatie van deze bevindingen?2
Welke gevolgen heeft het nieuwe inzicht dat de AMOC voor het einde van deze eeuw met meer dan 50% kan vertragen, mede door de versnelde smelting van het Groenlandse landijs, voor de ambitie en urgentie van het Nederlandse klimaatbeleid, en bent u bereid het klimaatbeleid hierop aan te scherpen?
Deelt u de conclusie van de onderzoekers dat de tijd voor halve maatregelen voorbij is en dat de bevindingen over de AMOC dwingen tot een fundamentele versnelling van de klimaattransitie, en zo ja, welke concrete beleidsmaatregelen overweegt u op korte termijn te nemen die verder gaan dan het bestaande beleid?
Wordt het risico dat een ineenstorting van de AMOC zichzelf versterkt doordat opgeslagen koolstof vrijkomt uit de oceaan en zo de opwarming verder versnelt, meegenomen in de klimaatrisicoscenario’s van het ministerie, en zo niet, bent u bereid dit alsnog te laten onderzoeken?
Bent u bereid om de gevolgen van een mogelijke AMOC-ineenstorting voor de Nederlandse economie, voedselvoorziening en het waterbeheer systematisch in kaart te brengen?
Zijn de huidige Nederlandse waterkeringen en overstromingsscenario’s gebaseerd op actuele AMOC-risicomodellen, en zo niet, wanneer worden deze geactualiseerd?
Beschikt u over voldoende capaciteit en middelen om de gevolgen van AMOC-verzwakking voor Nederland structureel te monitoren en door te vertalen naar beleidsrelevante scenario’s?
Worden de nieuwste AMOC-scenario’s, waarbij wetenschappers stellen dat het kantelpunt mogelijk al rond het midden van deze eeuw bereikt wordt, actief meegenomen in langetermijnbeslissingen over infrastructuur, ruimtelijke ordening en waterveiligheid, en zo ja, op welke wijze?
Bent u bereid in Europees verband het gevaar van een ineenstorting van de AMOC aan te kaarten en het klimaatbeleid hierop aan te scherpen, en zo nee, waarom niet?
Op welke wijze integreert u de klimaatrechtvaardigheidsaspecten van een mogelijke AMOC-ineenstorting, die ernstige gevolgen heeft voor landbouw, voedselzekerheid en zeespiegelstijging in Afrika en de Amerika’s in regio’s die nauwelijks bijdragen aan de uitstoot die dit veroorzaakt, in het Nederlandse beleid voor ontwikkelingssamenwerking en internationaal klimaatbeleid?
Hoe beoordeelt u de uitkomst dat de routekaart van COP30-gastland Brazilië geen verwijzing naar fossiele brandstoffen bevat, mede vanwege de invloed van lobbyisten uit de industrie, en welke concrete stappen onderneemt Nederland om bij COP30 alsnog een ambitieuze afbouw van fossiele brandstoffen op de agenda te krijgen?
Het versoepelen van regels voor zonnepanelen en laadpalen |
|
Habtamu de Hoop (PvdA), Sjoukje van Oosterhout (GroenLinks-PvdA) |
|
Stientje van Veldhoven (D66), Vincent Karremans (VVD) |
|
|
|
|
Bent u ervan op de hoogte dat het Britse Ministerie van Energie op 21 april 2026 met een plan is gekomen om naar aanleiding van de Iranoorlog het opwekken van hernieuwbare energie te stimuleren door het vereenvoudigen van de regels rond het plaatsen van zonnepanelen, warmtepompen en laadpalen, inclusief laadpalen voor mensen zonder oprit?1
Ja.
Kunt u een overzicht bieden van de regels die in Nederland van kracht zijn bij het installeren van respectievelijk zonnepanelen, warmtepompen, laadpalen op opritten en laadpalen van mensen zonder een oprit?
De regels voor het plaatsen van zonnepanelen, warmtepompen en laadpalen zijn deels landelijk en deels lokaal vastgelegd. De landelijke regels zijn vastgelegd in het Besluit bouwwerken leefomgeving (verder: Bbl) en hebben betrekking op onder meer de veiligheid van de betreffende bouwwerken. De lokale regels zijn vastgelegd in het gemeentelijk omgevingsplan en gaan met name over het uiterlijk en de plaatsing. Met name bij de plaatsing van zonnepanelen spelen ook de regels en mogelijk een vergunningplicht in het kader van de natuurbescherming in de Omgevingswet. Naast de inhoudelijke regels geldt ook in een aantal gevallen een vergunningplicht voor het mogen plaatsen van de bouwwerken. Op hoofdlijn geldt voor de vergunningplicht het volgende:
Wat is de rationale achter elk van die regels?
De reden voor het opnemen van technische en ruimtelijk regels is primair gelegen in respectievelijk de veiligheid, gezondheid, bruikbaarheid en duurzaamheid wat betreft het Bbl en de kwaliteit van de leefomgeving in het kader van het gemeentelijke omgevingsplan. Indien sprake is van een vergunningplicht in het kader van natuurbescherming of erfgoed, berust deze doorgaans op de noodzaak om voorafgaand aan de plaatsing van de betreffende bouwwerken een individuele afweging te maken. In veel gevallen is de plaatsing dan niet verboden maar onder specifieke voorwaarden toegestaan.
Specifiek voor het installeren van laadinfrastructuur biedt het Bbl eisen om de uitrol te versnellen en de aanleg van laadinfrastructuur efficiënter in te richten. Daarnaast hebben gemeenten beleidsvrijheid om zelf de afweging te kunnen maken of het plaatsen van laadpalen bij bewoners zonder oprit gewenst is.
Welke van die regels overweegt u te schrappen of te wijzigen om de installatie van zonnepanelen, warmtepompen en laadpalen makkelijker te maken voor burgers?
Wat betreft de landelijke regels zijn er niet of nauwelijks belemmeringen bij het installeren van zonnepanelen, warmtepompen en laadpalen. Alleen bij plaatsing van warmtepompen speelt in een aantal gevallen de vergunningplicht. Bij de uitwerking van het kabinetsvoornemen voor de normering van (hybride) warmtepompen, zal het kabinet bezien of en op welke wijze de ruimtelijke regels voor vergunningsvrij plaatsen kunnen worden aangepast zodat ook hier geen belemmering ontstaat. Het Nationaal Kennisplatform Laadinfrastructuur publiceert voor de zomer een handreiking voor gemeenten over de keuzen die zij kunnen maken ten aanzien van laadpalen van bewoners zonder oprit, ook wel Verlengd Private Aansluitingen (VPA’s) genoemd. Het Ministerie van Infrastructuur en Waterstaat heeft met de medeoverheden in de Nationale Agenda Laadinfrastructuur in kaart gebracht wat de voor- en nadelen van VPA’s zijn en hoe daar beleid op kan worden gevoerd. Gemeenten hebben de bevoegdheid en de lokale informatie die nodig is om hier passend beleid op te voeren.
Bent u reeds de uitvoerbaarheid van de in categorie 3 van het instrumentarium energieschok opgenomen punt 15 (het uitbreiden van laadinfrastructuur) aan het verkennen?2 Zo ja, tegen wanneer verwacht u de Kamer daarover te kunnen informeren?
Ja. De Staatssecretaris van Infrastructuur en Waterstaat informeert de Kamer hierover voor de zomer in de Nationale Routekaart Bidirectioneel Laden.
Bent u bereid budget vrij te maken voor de in categorie 3 van het instrumentarium energieschok opgenomen punt 16 (verlaging en harmonisatie tarief publiek laden elektrische auto’s)? Zo ja, op welke termijn? Zo nee, waarom niet?
In het huidige energiepakket is deze maatregel niet opgenomen. Komende tijd werkt IenW deze maatregel verder uit ter voorbereiding op toekomstige besluitvorming over nieuwe maatregelen.
Bent u er zich van bewust dat, gezien externe laadpasaanbieders (e-Mobility Service Providers) vaak hun eigen roamingtarieven en marges hanteren, het kan voorkomen dat gebruikers via deze laadpassen een hoger tarief betalen om te laden, ook al is de laadpaal in kwestie op een lager tarief ingesteld? Wat kunt u doen om de transparantie naar gebruikers hierin te verbeteren?
Ja, de Staatssecretaris van Infrastructuur en Waterstaat is zich hiervan bewust. Laadpasaanbieders kunnen een opslag rekenen voor hun diensten. Ook in dit geval moet de laadprijs transparant zijn. Zo borgen we dat gebruikers een bewuste keuze kunnen maken en bevorderen we gezonde marktwerking. Zij onderneemt verschillende acties op prijstransparantie waarover zij u voor de zomer in de kamerbrief laadinfrastructuur zal informeren.
Bent u bereid om de uitrol van bi-directioneel laden te versnellen? Zo ja, hoe?
Ja, de Staatssecretaris van Infrastructuur en Waterstaat informeert de Kamer hierover voor de zomer in de Nationale Routekaart Bidirectioneel Laden.
Bent u bereid om consumenten meer zeggenschap of in elk geval inzicht te geven over snel of langzaam laden?
De Staatssecretaris van Infrastructuur en Waterstaat vindt het belangrijk dat consumenten inzicht en zeggenschap hebben over snel of langzaam laden. In de Nationale Agenda Laadinfrastructuur werkt de Staatssecretaris van Infrastructuur en Waterstaat aan de klantreis van slim laden waarin wordt uitgewerkt wat elektrische rijders kunnen verwachten en hoe marktpartijen hier invulling aan geven.
Windturbines en netaansluitingen |
|
Henk Vermeer (BBB) |
|
Stientje van Veldhoven (D66) |
|
|
|
|
Klopt het dat een windturbine zonder netaansluiting geen aanspraak kan maken op SDE++-subsidie en dat die aansluiting binnen een wettelijke realisatietermijn gerealiseerd moet zijn?
Dat klopt. Zonder netaansluiting kan een windturbine geen stroom aan het net leveren. De SDE++ keert subsidie uit per geproduceerde en aan het net geleverde kWh elektriciteit, waardoor subsidie zonder netaansluiting niet mogelijk is. De windturbine dient binnen vier jaar na de beschikkingsdatum in gebruik genomen te worden, waarbij een ontheffingstermijn van maximaal twee jaar mogelijk is.
Welke wettelijke realisatietermijn is hierbij van toepassing, en op welk concreet moment vangt deze termijn aan?
Zie antwoord vraag 1.
Is een leveringsovereenkomst bij aanvraag van de subsidie ook een voorwaarde voor verlening van de subsidie?
Een leveringsovereenkomst is geen voorwaarde voor verlening van de subsidie.
Welke invloed heeft het stilzetten van windturbines bij te veel stroomaanbod voor de hoogte van de SDE-subsidie?
Windturbines ontvangen SDE++-subsidie per geproduceerde en aan het net geleverde kWh elektriciteit. Als windturbines stil staan, produceren zij geen elektriciteit en ontvangen zij gedurende die periode dus geen SDE++-subsidie.
Is er een transportgarantie nodig bij de aanvraag van de subsidie?
Nee. Wel is er een transportindicatie van de netbeheerder nodig bij de aanvraag. Daarmee wordt aangetoond dat er transportcapaciteit beschikbaar is op het moment van de aanvraag. Dit geeft geen garantie dat de installatie kan worden aangesloten op het net.
Betekent de netcongestie situatie in de provincies Flevoland, Gelderland en Utrecht ook dat nog niet aangesloten windturbines ook geen aansluiting op het net krijgen?
TenneT maakt per gebied inzichtelijk hoeveel ruimte er is om elektriciteit terug te leveren aan het net via congestieonderzoeken voor invoeding. Daaruit blijkt dat er op dit moment wegens invoedingscongestie in Flevoland, Gelderland en Utrecht geen ruimte is voor nieuwe projecten die elektriciteit willen terugleveren.
Ontwikkelaars van windparken regelen normaal gesproken eerst een aansluit- en transportovereenkomst met de netbeheerder voordat zij het windpark gaan bouwen. Zonder zo’n overeenkomst is een project niet rendabel, omdat de opgewekte stroom dan niet kan worden geleverd en verkocht.
De illegale kleding inzamelaars |
|
Ani Zalinyan (GroenLinks-PvdA) |
|
Stientje van Veldhoven (D66) |
|
|
|
|
Bent u op de hoogte van het bericht «Inspectie opent jacht op illegale kledinginzamelaars: celstraf tot 4 jaar mogelijk»?1
Ja.
Hoe groot schat u de omvang van illegale kledinginzameling in Nederland op dit moment en kunt u schetsen hoe dit er praktisch uit ziet?
Er zijn bij het ministerie geen cijfers of schattingen bekend over de omvang van illegale kledinginzameling in Nederland. Op basis van de Massabalans textiel 2022 is bekend dat het overgrote deel van het textiel wordt ingezameld via de gemeentelijke containers en kringloopbedrijven. Een veel kleiner gedeelte textiel wordt ingeleverd via andere inzamelingskanalen. Er is sprake van illegale inzameling wanneer kledingbakken zonder vergunning of zonder contract met de gemeente in de openbare ruimte worden geplaatst. Textielstromen die via illegale textielinzameling worden ingeleverd, worden niet geregistreerd en vallen daarmee mogelijk deels of volledig buiten de huidige monitoringscijfers. Een schatting over de omvang van illegale kledinginzameling in Nederland valt op dit moment niet te maken. Daarvoor zou meer informatie bekend moeten zijn van gemeenten.
Welke vormen van fraude, misleiding of andere strafbare feiten komen bij illegale kledinginzameling het meest voor?
Het Rijk heeft geen inzicht in de strafbare feiten die bij illegale kledinginzameling het meest voorkomen omdat het primair een taak is van gemeenten om op te treden tegen illegale textielcontainers.
Wel houdt de Inspectie Leefomgeving en Transport (ILT) toezicht op de EVOA. De Europese Verordening Overbrenging Afvalstoffen (EVOA) heeft tot doel om de illegale transporten van afval van, door en naar Nederland te voorkomen. Textiel dat wordt afgedankt door eindgebruikers is afval, en de overbrenging van afgedankt textiel moet voldoen aan de EVOA. Dit kan bijvoorbeeld betekenen dat een vergunning verplicht is. Een dergelijke vergunning wordt door betrokken illegale partijen waarschijnlijk niet altijd aangevraagd. Als ongesorteerd ingezameld textiel zonder de vereiste vergunning de grens wordt overgebracht, is er sprake van een economisch delict. Over het aantal delicten hebben we op dit moment geen cijfers.
Hoe vaak is de afgelopen vijf jaar bestuursrechtelijk of strafrechtelijk opgetreden tegen illegale kledinginzamelaars, en hoeveel zaken hebben geleid tot boetes, dwangsommen, veroordelingen of gevangenisstraffen?
Het is niet bekend bij het ministerie of en hoe vaak er de afgelopen vijf jaar bestuursrechtelijk of strafrechtelijk is opgetreden. Het is de verantwoordelijkheid van gemeenten om op te treden tegen illegale textielcontainers.
In hoeverre worden gemeenten momenteel voldoende ondersteund bij het herkennen en tegengaan van malafide kledinginzamelingspraktijken?
Gemeenten worden vanuit het Rijk in het algemeen ondersteund bij het maken van doelmatig afvalbeheerbeleid via het uitvoeringsprogramma Van Afval Naar Grondstof – Huishoudelijk Afval (VANG-HHA). Binnen dit uitvoeringsprogramma werkt het Rijk samen met gemeenten en inzamelaars om gemeenten onder andere te voorzien van advies op maat, kennisproducten en netwerken. In het werkplan voor het jaar 2026 is ook aandacht voor het onderwerp illegale textielinzameling.
Gemeenten zijn verantwoordelijk voor de gescheiden inzameling van huishoudelijke afvalstoffen, waaronder textiel. Organisaties die textiel inzamelen in de publieke ruimte hebben hiervoor toestemming nodig van de gemeente. Het is aan de desbetreffende gemeente om op te treden tegen organisaties die inzamelen zonder toestemming. Om de problematiek van illegale textielcontainers aan te pakken, heeft de Koninklijke Nederlandse Vereniging voor afval- en Reinigingsdiensten (de NVRD) een stappenplan voor de handhaving ontwikkeld. Het doel is om gemeenten te helpen om de illegale textielinzameling beter te reguleren en deze waardevolle textielstroom te beschermen.
Klopt het dat illegale inzamelaars niet alleen consumenten misleiden, maar ook bonafide goede doelen, kringlooporganisaties en gecertificeerde textielinzamelaars financieel benadelen? Zo ja, kunt u dit nader toelichten?
Het is de verwachting dat kringlopen en gecertificeerde textielinzamelaars mogelijk financieel nadeel ondervinden wanneer illegale textielinzamelaars textiel inzamelen dat anders bij hen terecht zou zijn gekomen. Zeker wanneer het goede kwaliteit textiel betreft dat nog geschikt is voor hergebruik. Aan deze stroom kan namelijk nog geld verdiend worden.
Welke gevolgen heeft illegale kledinginzameling voor de circulaire economie, textielrecycling en het behalen van nationale duurzaamheidsdoelen?
De verwachting is dat illegale inzameling nadelige gevolgen kan hebben voor het behalen van de doelen ten aanzien van inzameling, hergebruik en recycling. Op basis van informatie van de NVRD blijkt dat er vermoedens zijn dat illegaal ingezamelde kleding niet goed wordt hergebruikt of gerecycled, of gedumpt wordt. Omdat dit zich in het illegale circuit afspeelt, is het lastig te achterhalen wat er exact met deze stromen gebeurt en wat de effecten hiervan zijn.
Welke mogelijkheden ziet u om de vergunningverlening, registratieplicht of certificering van kledinginzamelaars landelijk te versterken, zodat malafide partijen minder ruimte krijgen?
Het is de vraag of het aanscherpen van vergunningverlening, registratieplicht of certificering zou helpen om de illegale inzamelaars aan te pakken. Illegale inzamelaars opereren op dit moment al buiten de wettelijke kaders en zullen dat blijven doen wanneer er aanscherpingen volgen. Het aanscherpen van de bestaande kaders zal dan vooral tot extra regeldruk leiden voor partijen die zich wel aan de bestaande regels houden. Het versterken van de bestaande wettelijke kaders lijkt daarom geen passende oplossing.
In eerste instantie ligt het initiatief bij gemeenten om illegale containers aan te pakken. Het Rijk blijft hierover in gesprek met gemeenten via het VANG-programma. Eventuele signalen van gemeenten over de noodzaak voor een nationale aanpak, komen via die weg bij het ministerie terecht. De eerste stap voor gemeenten is nu om de problematiek beter in beeld te krijgen.
Bent u bereid te onderzoeken of consumenten beter geïnformeerd kunnen worden over hoe zij betrouwbare kledinginzamelaars kunnen herkennen, bijvoorbeeld, heel simpel, via een kernmerk op containers?
Hier loopt al een onderzoek naar. Met een regionale pilot naar illegale textielinzameling, waar de ILT onderdeel van is, wordt onder andere verkend hoe consumenten geïnformeerd kunnen worden over hoe ze betrouwbare textielbakken kunnen herkennen. Daarnaast zijn producenten sinds de invoering van uitgebreide producentenverantwoordelijkheid (UPV) voor textiel verantwoordelijk voor de organisatie en financiering van een passend inzamelingsysteem. Onder deze verantwoordelijkheid valt ook het informeren van burgers over waar en hoe textiel ingeleverd kan worden.
Welke aanvullende maatregelen overweegt het kabinet om illegale kledinginzameling structureel terug te dringen, en wanneer kunt u de kamer hierover informeren?
Het kabinet overweegt geen aanvullende maatregelen anders dan de eerder genoemde lopende activiteiten, waaronder de regionale pilot naar illegale textielinzameling, ondersteuning via het VANG-HHA programma en handhaving door de ILT van de EVOA.
Klopt het dat u de Joint Letter1 mede heeft ondertekend namens Nederland en u zich daarmee achter deze voorgestelde versoepelingen schaart? Zo ja, wat waren voor u de doorslaggevende overwegingen om deze lijn te steunen?
Ja, het klopt dat Nederland de Joint Letter (hierna «gezamenlijke brief») heeft ondertekend. Deze brief is als bijlage bij de beantwoording van deze Kamervragen meegestuurd. In de Clean Industrial Deal van februari 2025 kondigde de Europese Commissie al een studie naar de doeltreffendheid van het Europese beleidskader2 aan. Sindsdien geven meerdere projectontwikkelaars aan te wachten met investeren tot er meer uitsluitsel is over mogelijke wijzigingen.
De voorgestelde aanpassingen zijn noodzakelijk omdat de ontwikkeling van elektrolysecapaciteit in Nederland, die nodig is voor de verduurzaming van de industrie- en transportsector, anders dreigt stil te vallen. Nederland ziet de gezamenlijke brief als een strategisch passende manier om gewenste aanpassingen kansrijker te maken en bedrijven sneller uit de onzekerheid over Europese beleidswijzigingen te halen.
Kunt u concreet aangeven welke onderdelen van de RFNBO-criteria Nederland wenst te versoepelen en waarom? Hoe verhoudt dit zich tot het verlengen van de overgangsperiode voor additionaliteit, het langer toestaan van maandelijkse in plaats van uur-tot-uur temporele correlatie en het aanpassen of verruimen van de sunset clause voor elektriciteitssystemen met een hoog aandeel hernieuwbare energie?
Vooropgesteld, het kabinet is voorstander van de zogenaamde RFNBO-criteria («Renewable Fuels of Non-Biological Origin») die moeten borgen dat waterstofproductie hernieuwbaar is, zoals de additionaliteitsregel en de regel dat hernieuwbare elektriciteit en de waterstof die daarmee geproduceerd wordt gelijktijdig opgewekt wordt (uur-tot-uur temporele correlatie).
Het geeft waterstofproducenten immers een prikkel om CO2-uitstoot te reduceren en de onregelmatige, weersafhankelijke opbrengst uit zon en wind te faciliteren.
Het kabinet kiest niet zozeer voor een versoepeling maar voor een latere inwerkingtreding van die criteria zodat de eisen beter aansluiten bij de verwachte marktontwikkeling voor hernieuwbare waterstof.
Voor Nederland zijn het verlengen van de overgangsperiode van additionaliteit en het langer toestaan van maandelijkse temporele correlatie de twee belangrijkste aandachtspunten. Momenteel is er ca. 400 MW aan elektrolysecapaciteit in aanbouw. Zonder bovengenoemde aanpassingen zal de beoogde 1,2 GW aan elektrolysecapaciteit in 2030 niet gerealiseerd kunnen worden.
Ten eerste is de regel dat elektrolyseprojecten die per 2028 en daarna gereed zijn geen gebruik meer mogen maken van gesubsidieerde hernieuwbare elektriciteit om waterstof te produceren (de zogenaamde additionaliteitsregel) een knelpunt. Veel elektrolyseprojecten zijn door – veelal onvoorziene – vertragingen in de ontwikkeling van infrastructuur en de vraag naar hernieuwbare waterstof pas na 2028 operationeel. Bovendien hebben (nieuwe) windparken, waarvan de elektriciteit nodig is voor de productie van hernieuwbare waterstof, weer subsidie nodig. Hierdoor is er nauwelijks geschikte elektriciteit over om hernieuwbare waterstof van te maken.
Ten tweede komt de ontwikkeling van transport- en opslaginfrastructuur voor waterstof langzamer dan verwacht op gang. Voornamelijk opslaginfrastructuur is van belang om (weersafhankelijke) productie en gebruik van hernieuwbare waterstof beter op elkaar aan te laten sluiten, zodat op die manier beter kan worden voldaan aan de productie eis die stelt dat hernieuwbare elektriciteit binnen hetzelfde uur geproduceerd moet worden als de waterstof die ermee gemaakt wordt. Opslaginfrastructuur zorgt er immers voor dat waterstof niet meteen gebruikt hoeft te worden op het moment dat deze door gunstige weersomstandigheden geproduceerd kan worden.
Ten derde wordt door projectontwikkelaars aangegeven dat er bij grootschalige inzet van elektrolysers nog ervaring opgedaan moet worden met een veilige en verantwoorde afstemming van de draaiuren van elektrolysers op het onregelmatige aanbod van hernieuwbare elektriciteit. Voor deze leercurve is ook meer tijd nodig.
De uurlijkse correlatie-eis kan pas functioneren als (opslag)infrastructuur gerealiseerd is en er voldoende ervaring is opgedaan met een flexibele inzet van elektrolysers.
De latere inwerkingtreding van beide criteria is noodzakelijk voor het creëren van de schaal aan elektrolysecapaciteit die nodig is voor de verduurzaming van de industrie en de transportsector.
Zie specifiek de beantwoording van vraag 4 voor de verhouding van de specifieke inzet van Nederland zoals hierboven beschreven met betrekking tot de «sunset clause»3.
Hoe kijkt u naar de herziening van de RFNBO-regels nog voordat de evaluatie heeft plaatsgevonden, specifiek voor de investeringszekerheid voor bedrijven die al hebben geïnvesteerd in groene waterstof?
Het kabinet onderschrijft het belang van investeringszekerheid voor bedrijven die vroeg hebben geïnvesteerd in hernieuwbare waterstof. Toen de huidige RFNBO-regels werden vastgesteld was het vooruitzicht nog dat wind-op-zee parken subsidievrij ontwikkeld konden worden, dat de benodigde infrastructuur tijdig gereed zou zijn en dat er voldoende ervaring met grootschalige inzet van elektrolysers zou zijn opgedaan. Bij de aangekondigde gerichte herziening van de productieregels voor hernieuwbare waterstof (de «RFNBO-regels») in de Accelerate EU Energy Union communicatie, heeft de Europese Commissie expliciet aangegeven dat bestaande investeringen in hernieuwbare waterstof beschermd zullen worden. Het kabinet verwelkomt dit standpunt en vindt daarnaast dat bestaande projecten ook gebruik moeten kunnen maken van de aangepaste regels als zij dat willen.
Op welke wijze borgt u dat aanpassingen aan onder meer de «sunset clause» en temporele correlatie niet leiden tot hogere emissies in RFNBO-waterstofproductie en dus een beperktere bijdrage aan de Nederlandse klimaatdoelen?
Zoals aangegeven bij de beantwoording van vraag 2 moeten de voorgestelde aanpassingen per saldo een positieve bijdrage leveren aan de klimaatdoelen.
Ze moeten er namelijk toe leiden dat de benodigde schaal aan elektrolysecapaciteit die nodig is voor de verduurzaming van de industrie en mobiliteit tot ontwikkeling komt. Hogere emissies in de elektriciteitssector vallen op korte termijn niet bij voorbaat uit te sluiten. Maar in Europese wet- en regelgeving zijn diverse eisen en (bindende) doelen vastgelegd die ervoor moeten zorgen dat aanpassingen in de sunset-clause en temporele correlatie niet leiden tot hogere emissies bij hernieuwbare waterstofproductie en tot een verzwakking van de stimulans om hernieuwbare energie uit te bouwen.
Ten eerste blijven de Europese doelen voor hernieuwbare energie voor 2030 die in de Hernieuwbare Energierichtlijn (REDIII) zijn vastgelegd onveranderd.
Ten tweede zou de eventuele toename van emissies in de Nederlandse elektriciteitssector op Europees niveau gecompenseerd moeten worden omdat onder het ETS de totale hoeveelheid CO2-uitstootrechten in de Europese Unie vaststaan. Voor de extra draaiuren die gascentrales eventueel gaan maken om extra elektriciteit te produceren moeten zij immers extra rechten kopen die andere CO22-uitstoters in de EU dan niet meer kunnen gebruiken. Daarom is Nederland ook voorstander van een sterk en ambitieus ETS omdat dit tot een EU-brede verduurzamingsprikkel leidt en langdurige beleidszekerheid geeft aan de betreffende sectoren.
Ten derde blijft, wat betreft de lidstaten die de gezamenlijke brief hebben ondertekend, de eis bestaan dat hernieuwbare waterstof 70% CO2 moet reduceren ten opzichte van het fossiele alternatief (bijvoorbeeld grijze waterstof). Aangezien waterstofprojecten door een onafhankelijke partij gecertificeerd moeten worden om in aanmerking te komen voor subsidies, wordt zo geborgd dat alleen waterstof die met voldoende hernieuwbare elektriciteit geproduceerd wordt gesteund wordt. Ook voor «clean countries/regions» gelden bovenstaande vereisten en doelen, die de duurzaamheid van de waterstof moeten borgen.
Ten slotte kan tijdige ontwikkeling van voldoende elektrolysecapaciteit langs de kust juist helpen om een gestaag uitroltempo van hernieuwbare elektriciteit te borgen zolang transportschaarste op het elektriciteitsnet een direct gebruik van hernieuwbare elektriciteit bemoeilijkt.
Op welke wijze borgt u dat aanpassing van de «sunset clause» niet leidt tot de verzwakking van de stimulans om hernieuwbare energie uit te bouwen?
Zie antwoord vraag 4.
Kunt u toelichten wat Nederland precies verstaat onder «clean countries/regions», welke objectieve criteria daarbij worden gehanteerd, en hoe wordt geborgd dat EU-landen met een beperkt aandeel hernieuwbare elektriciteitsproductie niet onterecht profiteren van dit label?
Zie antwoord vraag 4.
Onderschrijft u dat maandelijkse temporele correlatie kan leiden tot substantieel hogere broeikasgasemissies dan uur-correlatie, terwijl de geproduceerde waterstof toch als hernieuwbaar wordt aangemerkt – en dat dit kan leiden tot emissies vergelijkbaar met koolstof-arme waterstof?
Ten aanzien van de specifieke waterstofproductie kan maandelijkse temporele correlatie leiden tot hogere broeikasgasemissies in het Nederlandse elektriciteitssysteem dan bij uurlijkse temporele correlatie.
Maar zoals aangegeven bij de beantwoording van vraag 4, 5 en 6 moeten eventuele hogere emissies op systeemniveau en in Europees verband gecompenseerd worden onder het ETS waar een CO2-emissieplafond geldt. Overigens geldt voor hernieuwbare en koolstofarme waterstof dezelfde CO2-reductie-eis van minimaal 70% ten opzichte van het fossiele alternatief voor die hernieuwbare waterstof (bijvoorbeeld grijze waterstof). Kortom, beide vormen van waterstof moeten in gelijke mate bijdragen aan CO2-reductie.
Kunt u inzicht geven in het kostenverschil tussen waterstofproductie onder uur- en onder maandelijkse temporele correlatie, waardoor dit kostenverschil ontstaat (bijvoorbeeld benuttingsgraad, elektriciteitsprijzen, opslag of netkosten), en in hoeverre dit verschil specifiek voor Nederland groter of kleiner is dan voor andere Europese lidstaten?
Er is geen consensus over het specifieke kostenverschil, alhoewel het rapport van de Europese Rekenkamer over het industriebeleid van de EU inzake hernieuwbare waterstof4 aangeeft dat toepassing van uurlijkse temporele correlatie de productiekosten verhoogt, waardoor het slechter concurreert met uit fossiele brandstoffen geproduceerde waterstof.
In algemene zin kunnen de volgende elementen tot hogere kosten leiden bij toepassing van uurlijkse temporele correlatie:
Voor waterstofprojecten waarbij de elektrolyser direct gekoppeld is aan een hernieuwbare elektriciteitsbron zal het gemakkelijker zijn om aan de uurlijkse correlatie te voldoen. Dit is over het algemeen het geval op plaatsen, veelal buiten de EU, waar zon, wind en ruimte voldoende beschikbaar zijn.
Het uitgangspunt bij het Europees waterstofbeleid is dat de productie zo veel mogelijk moet plaatsvinden op plaatsen waar deze het goedkoopst is en deze via de aanleg van transportinfrastructuur beschikbaar wordt gesteld op plaatsen elders waar de vraag naar hernieuwbare waterstof zich voordoet en de productieomstandigheden minder gunstig zijn.
Daarom is naast opschaling van nationale productie van hernieuwbare waterstof de inzet op import(infrastructuur) een belangrijk onderdeel van het Nederlandse waterstofbeleid.
Bent u bereid zich in Europees verband in te zetten voor alternatieven die de economische haalbaarheid van RFNBO-projecten verbeteren – bijvoorbeeld contracts for difference of vraagbeleid – zonder afbreuk te doen aan kernprincipes als additionaliteit, uurcorrelatie en de gestelde sunset clause?
Zoals bij de beantwoording van vraag 2 is aangegeven, is Nederland voorstander van criteria die de duurzaamheid van de geproduceerde waterstof borgen. Maar het is prioriteit om de toepassing van die criteria aan te passen aan de huidige realiteit waarin hernieuwbare elektriciteit opnieuw gesubsidieerd moet worden, de ontwikkeling van transport- en opslaginfrastructuur vertraagd is en er meer ervaring opgedaan moet worden met de inzet van elektrolysers.
Naast deze aanpassing zet het kabinet zich op andere manieren actief in voor het verbeteren van de economische haalbaarheid van RFNBO-projecten. Zo zet Nederland zich in voor het creëren van vraagzekerheid, enerzijds via langjarige normering van waterstofgebruik op product- of sectoraal niveau en anderzijds via subsidies. Beide beleidsopties worden bij voorkeur op Europees niveau uitgewerkt.
De kernboodschap van het rapport van de Europese Rekenkamer is dat de streefcijfers die de Europese Commissie voor de Europese productie en import van hernieuwbare waterstof heeft gesteld onrealistisch zijn en dat een reality check noodzakelijk is. Het kabinet onderschrijft die boodschap. In de Klimaat en Energienota 2025 is besloten om de verwachtingen en het richtdoel voor elektrolysecapaciteit in 2030 en 2035 bij te stellen.
In de update van het Nationaal Plan Energiesysteem, die met Prinsjesdag gepubliceerd wordt, gaat het kabinet dieper in op de verwachte ontwikkeling van de waterstofmarkt.
Hoe kijkt u naar rapporten, zoals die van de Europese Rekenkamer, die tal van andere oorzaken benoemen voor een trage uitrol van groene waterstof, en waarom komt u niet met een bredere aanpak om dit op te lossen?
Zie antwoord vraag 9.
De conferentie in Santa Marta en het Fossil Fuel Treaty Initiative |
|
Christine Teunissen (PvdD) |
|
Stientje van Veldhoven (D66) |
|
|
|
|
Kunt u schetsen hoe de inbreng voor de routekaart eruit zal zien, aangezien u in de brief aan de Kamer (Kamerstuk 31 793, nr. 299) stelt dat Colombia en Nederland een constructieve impuls willen geven aan de ontwikkeling van een routekaart voor de transitie weg van fossiele brandstoffen, zoals aangekondigd door het Braziliaanse voorzitterschap van COP30?
De Nederlandse inbreng voor de Routekaart van het Braziliaanse COP30 voorzitterschap is onderdeel van de EU-inbreng.1 Daarnaast was het COP30-voorzitterschap aanwezig bij de conferentie in Colombia, om enerzijds de Braziliaanse plannen voor de Routekaart toe te lichten, en anderzijds uit de discussies mee te nemen wat voor het verdere proces van de Routekaart nuttig kan zijn. Colombia en Nederland zijn gevraagd om het eindrapport met de samenvatting van alle discussies formeel aan hen te overhandigen. Dit zal plaatsvinden tijdens de London Climate Action Week eind juni. Verder zullen Nederland en Colombia de resultaten van de conferentie ook overhandigen aan de Secretaris-Generaal van de Verenigde Naties.
Verwacht u concrete tijdslijnen voor uitfasering van de verschillende fossiele brandstoffen in te brengen, waar de koploperlanden zich aan moeten committeren?
Nee. Zoals met uw Kamer gewisseld in aanloop naar de conferentie, is er in Santa Marta niet onderhandeld over nieuwe afspraken, maar is de focus bewust gelegd op uitvoering van bestaande afspraken.
Wat bedoelt u met bredere terugkoppeling van de conferentie aan het COP-voorzitterschap? Welke andere terugkoppelingen gaat u doen naast de inbreng voor de roadmap, en met welke intentie?
Er namen 57 landen deel aan de conferentie. Deze groep vertegenwoordigt een derde van het mondiale fossiele energieverbruik en een vijfde van de mondiale productie van fossiele brandstoffen. Nederland en Colombia zullen nu de uitkomsten van de conferentie met zoveel mogelijk landen en betrokkenen delen. De inzet is daarbij om te laten zien wat landen op nationaal niveau en gezamenlijk al kunnen doen om de transitie weg van fossiele brandstoffen te realiseren en te versnellen. In dit kader zullen de uitkomsten onder meer worden aangeboden aan het COP30-voorzitterschap en aan de Secretaris-Generaal van de Verenigde Naties, António Guterres. Vanzelfsprekend ben ik ook in gesprek met het COP31-voorzitterschap om te bespreken hoe we de uitkomsten van de conferentie tijdens COP31 het best onder de aandacht kunnen brengen. Hierover heb ik tijdens de Copenhagen Climate Ministerial constructieve gesprekken gevoerd met de verantwoordelijk Ministers van beide inkomende voorzitters, Turkije en Australië.
Worden de uitkomsten van de Santa Marta conferentie door Nederland meegenomen in het Nationaal Plan Energiesysteem (NPE) dat uiterlijk rond Prinsjesdag 2026 naar de Kamer komt?
Ja, de uitkomsten van de Santa Marta conferentie worden in de actualisatie van het Nationaal Plan Energiesysteem (NPE) meegenomen.
Erkent u dat voor een geloofwaardige inzet op de conferentie in Santa Marta, een stevige nationale inzet vereist is, aangezien in de brief wordt verwezen naar het Uitfaseerplan fossiele brandstofsubsidies; in dit uitfaseerplan staat: «Vanwege de demissionaire status van dit kabinet is een verdere afbouw van fossiele brandstofsubsidies dan reeds aangekondigd aan een volgend kabinet.»?
De conferentie kende geen inhoudelijke onderhandelingen omtrent nationale inzet. Bovendien had Nederland als covoorzitter de verantwoordelijkheid voor het geheel van de conferentie, niet alleen de eigen inbreng. Maar uiteraard is ook gedurende de conferentie de Nederlandse inzet op de uitfasering van fossiele brandstofsubsidies stevig neergezet. Daarbij heeft Nederland aangegeven hoe het kabinet jaarlijks via de Miljoenennota transparantie over eigen fossiele subsidies geeft. Ook is gerefereerd naar de keuze voor structurele maatregelen in tijden van energiecrisis om de afhankelijkheid van fossiele brandstoffen verder af te bouwen. Ten slotte onderstreept het Nederlands voorzitterschap van de Coalition on Phasing Out Fossil Fuel Incentives Including Subsidies (COFFIS) de Nederlandse internationale inzet op uitfasering van en transparantie over fossiele brandstofsubsidies. Het kabinet heeft zich op de conferentie in Santa Marta wederom hard gemaakt voor deelname aan deze coalitie en het committeren aan de doelen die COFFIS nastreeft.
Wanneer komt u met plannen voor verdere afbouw van fossiele subsidies in Nederland?
Nederland werkt aan een routekaart voor de verantwoorde afbouw van fossiel, in de vorm van de Actualisatie van het Nationaal Plan Energiesysteem. Deze Actualisatie wordt dit jaar nog gepubliceerd met een onderdeel over de verantwoorde afbouw van fossiel. De afbouw van fossiele brandstoffen moet hand in hand gaan met de afbouw van fossiele brandstofsubsidies. Het kabinet zet voornamelijk in op uitfasering van deze subsidies in EU-verband. Het belangrijkste onderdeel hiervan is de inzet op een sterk EU-ETS. De herziening van het EU-ETS die dit jaar loopt is hierbij cruciaal.2
Nederland pleit onder andere voor uitbreiding van het EU-ETS naar andere sectoren, waaronder afvalverbrandingsinstallaties en kleine zeeschepen. Ook blijft het kabinet zich inzetten voor verbeterde transparantie over fossiele subsidies op EU-niveau, onder meer door hier nadrukkelijk aandacht voor te vragen bij de herziening van de Europese governance-verordening.3 Nederland heeft daartoe een consultatiereactie ingediend met aanbevelingen om de methode voor de monitoring en rapportage van fossiele regelingen te verbeteren.4 Hierbij is het voor Nederland belangrijk dat het totaal van heffingen en subsidies in kaart wordt gebracht, net zoals Nederland in de Miljoenennota doet; daarnaast wordt – in aansluiting op de Nederlandse inzet en die van de EU-werkgroep onder COFFIS – gepleit voor een Europese aanpak omtrent uitfasering. Juist tijdens de energiecrisis is een gecoördineerde aanpak nog belangrijker vanwege het zoveel mogelijk behouden en creëren van een gelijk speelveld. Voor Nederland is het daarbij belangrijk dat maatregelen die kunnen leiden tot fossiele brandstofsubsidies van tijdelijke aard zijn en de transitie naar een klimaatneutrale economie niet ondermijnen.
Wat is uw inzet op het agendapunt ISDS tijdens de conferentie in Santa Marta, gezien de internationaal steeds sterker wordende roep om het huidige ISDS-systeem te hervormen?
Het investeerder-staatgeschillenbeslechtingsmechanisme (Investor-State Dispute Settlement, ISDS)5 was één van de onderwerpen die landen gedurende de conferentie ter tafel brachten. Nederland is al langere tijd voorstander is van een hervorming van het ISDS-mechanisme en zet in op een modernisering van het systeem op zowel nationaal-, Europees- als multilateraal niveau. Zo vormt de Nederlandse Modeltekst Investeringsbeschermingsovereenkomsten6, die een gemoderniseerde vorm van ISDS bevat, de onderhandelingsinzet van Nederland bij bilaterale onderhandelingen hierover. In deze Modeltekst zijn bijvoorbeeld verschillende bepalingen over duurzame ontwikkeling opgenomen, waaronder een bepaling die voorziet in een herbevestiging van de plichten voorvloeiend uit multilaterale overeenkomsten op het gebied van milieubescherming, zoals de Overeenkomst van Parijs.
Bent u bereid om, samen met Colombia en andere gelijkgezinde staten, te verkennen of een internationale coalitie kan worden gevormd gericht op de gezamenlijke afbouw van ISDS?
Nederland is voorstander van de hervorming van het ISDS-systeem, in plaats van afbouw. Dat doen we, naast modernisering op nationaal niveau, ook in internationaal verband, zowel op Europees als op multilateraal niveau (VN en OESO), in nauwe samenwerking met gelijkgestemde landen.
Kunt u daarnaast toezeggen om op korte termijn – mede vanwege de energiecrisis – de prikkels in kaart te brengen die op dit moment het gebruik van fossiele brandstoffen stimuleren; en daarbij naast prijsprikkels (fossiele subsidies en productkortingen) ook reclame, sponsoring en influencers mee te nemen?
Dit doet het kabinet reeds jaarlijks in de Miljoenennota; ook zijn ze weergegeven in het Uitfaseerplan fossiele brandstofsubsidies. Ten aanzien van reclame en sponsoring verwijs ik naar een eerdere beantwoording van Kamervragen door mijn voorganger van 24 april 2025.7 In algemene zin geldt dat reclame, waaronder sponsoring en influencers, onder toezicht staat van de Reclame Code Commissie en/of het Commissariaat voor de Media. Er bestaat momenteel geen eensluidende, breed gedeelde en ook juridisch geaccepteerde definitie van fossiele reclame. Dit geldt eveneens voor overige prikkels in de vraag. Een separate inventarisatie is tot slot inhoudelijk complex door de kort-cyclische aard van reclameboodschappen.
Wat is uw standpunt ten aanzien van verantwoord desinvesteren uit fossiele brandstofactiva?
De huidige geopolitieke ontwikkelingen maken duidelijk dat disrupties van internationale waardeketens voor fossiele brandstoffen en olieproducten nog altijd veel invloed hebben op energie- en mobiliteitsprijzen, die doorwerken in onze economie. Daarom zet dit kabinet zich in voor een divers aanbod van energie en grondstoffen en een afbouw van de vraag naar fossiele brandstoffen, door over te stappen op schone energie. Alleen als de vraag substantieel daalt, zal de prikkel tot productie van fossiele brandstoffen en bijbehorende investeringen afnemen. In lijn met de daarover gesloten sectorakkoorden zal het kabinet op gecontroleerde wijze en in lijn met het afnemen van de vraag afbouwen, zonder echter in de tussentijd de importafhankelijkheid te laten oplopen.
Bent u bekend met het Fossil Fuel Treaty Initiative1?
Ik ben hier mee bekend.
Deelt u de opvatting dat het niet ondertekenen van de Treaty de geloofwaardigheid van Nederland als organisator van de conferentie ondermijnt? Zo nee, waarom niet?
Nee, die opvatting deel ik niet. Voor de conferentie zijn landen uitgenodigd die actief werken aan hun transitie weg van fossiele brandstoffen. Dat waren landen die de Treaty steunen, maar ook landen die lid zijn van andere internationale coalities en initiatieven, zoals de Beyond Oil and Gas Alliance (BOGA), het Clean Energy Transition Partnership (CETP) en onze eigen coalitie gericht op het uitfaseren van fossiele subsidies, COFFIS. Verschillende landen zijn lid van een of meerdere coalities, maar niet van allemaal en dat is voor de geloofwaardigheid van de conferentie ook niet nodig gebleken. De deelnemende landen zijn uitgenodigd op basis van onder meer hun bereidheid om op constructieve wijze te praten over de transitie weg van fossiele brandstoffen.
Bent u bereid dit initiatief te ondertekenen? Zo nee, waarom niet? Zo ja, op welke termijn kunt u tot ondertekening overgaan?
Nederland deelt hetzelfde doel als dit initiatief – een wereld zonder fossiele brandstoffen – maar ziet een verschillend pad daar naartoe. De bestaande afspraken in het VN-klimaatverdrag en de Overeenkomst van Parijs bieden samen met verschillende (multilaterale) fora en overlegorganen voor Nederland op dit moment voldoende houvast om toe te werken naar een klimaatneutrale toekomst waarin we de langetermijn opwarming van de aarde beperken tot 1.5°C – inclusief het uitfaseren van fossiele brandstoffen.
Kunt u deze vragen beantwoorden voorafgaand aan de conferentie in Santa Marta op 24 april?
Vanwege de voorbereidingen van de conferentie is het niet mogelijk gebleken de vragen voor 24 april te beantwoorden.
Groen gas |
|
Henk Vermeer (BBB) |
|
Stientje van Veldhoven (D66) |
|
|
|
|
Kunt u toelichten waarom is besloten om de GvO correctie voor de subsidieregeling voor groen gas toe te passen met terugwerkende kracht over 2025, terwijl deze korting in de voorlopige correctiebedragen en voorschotberekeningen voor 2025 niet was aangekondigd?
Het is binnen de systematiek van de SDE-regelgeving bekend dat (jaarlijkse) voorlopige correctiebedragen bedoeld zijn voor de (jaarlijkse) subsidievoorschotten en een jaar later worden bijgesteld op basis van de (jaarlijkse) definitieve correctiebedragen. Dit betekent dat er dus geen sprake is van terugwerkende kracht als de definitieve correcties afwijken (naar beneden of naar boven) van de daaraan voorafgaande voorlopige correcties. Volgens de staatssteunregels moeten de inkomsten voor de waarde van Garanties van Oorsprong (GvO) van groen gas in mindering worden gebracht zodra in het onafhankelijke advies van PBL hier een waarde voor kan worden bepaald. Die waarde van de GvO van groen gas was bij de voorlopige correctiebedragen 2025 voor groen gas nog niet bekend, maar ten tijde van de definitieve correctiebedragen 2025 wel en dus moet daar dan rekening mee worden gehouden.
Erkent u dat groen gasondernemers hierdoor geen reële mogelijkheid hadden om hun contracten, prijsafspraken of productie keuzes aan te passen, aangezien zij mochten vertrouwen op de officiële publicaties van eind 2024 waarin geen GvO correctie voor 2025 was opgenomen?
Zoals hierboven toegelicht is er sprake van een op voorhand bekend systeem binnen de SDE++. Producenten van groen gas hebben overigens in tegenstelling tot andere technieken binnen de SDE++ als voordeel dat ze gebruik kunnen maken van verschillende manieren van stimulering (keuze tussen SDE++-subsidie of verplichtingen voor energie en vervoer). Groengasprojecten kunnen dus per maand besluiten voor welke stimulering ze in aanmerking willen komen. Zij kunnen hier bij het aangaan van hun contracten rekening mee houden.
Hoe beoordeelt u de situatie waarin ondernemers die – op basis van de gepubliceerde cijfers – in 2025 bewust kozen voor gesubsidieerde productie, nu worden geconfronteerd met substantiële financiële achteruitgang die bij tijdige communicatie voorkomen had kunnen worden?
Zoals aangegeven bij vraag 1 is het binnen de systematiek van de SDE-regelgeving bekend dat voorlopige correctiebedragen bedoeld zijn voor de jaarlijkse subsidievoorschotten en een jaar later kunnen worden bijgesteld op basis van de definitieve correctiebedragen. Ik herken mij niet in het beeld dat de communicatie niet tijdig was. In de Kamerbrief over de SDE++ 2023 van 17 februari 2023 was opgenomen dat gecorrigeerd zal worden voor de GvO-waarde voor groengasprojecten vanaf 2023, zodra deze te bepalen is. In het eindadvies voor de SDE++ 2025 (gepubliceerd op 21 februari 2025) heeft het Planbureau voor de Leefomgeving voor het eerst een waarde voor de GvO opgenomen. Vervolgens is hier via een Kamerbrief van 6 juni 2025 op gewezen. Daarna heeft RVO het ook nog opgenomen in communicatie naar projecten.
Bent u bereid compensatie of herstelopties te overwegen voor ondernemers die door de retroactieve korting financieel zijn benadeeld, mede gezien het feit dat een deel van hen bij tijdige kennisgeving had gekozen voor ongesubsidieerde productie, wat financieel gunstiger zou zijn geweest?
Nee. Zoals eerder toegelicht is er sprake van een op voorhand bekend systeem met jaarlijkse bijstellingen en is compensatie of een hersteloperatie daarom niet aan de orde.
Waarom acht u deze maatregel zó noodzakelijk dat u ervoor kiest ondernemers met terugwerkende kracht te belasten, terwijl een aangekondigde invoering vanaf 2026 beter zou passen bij voorspelbaar, realistisch en uitvoerbaar energiebeleid, zoals ook in diverse beleidsadviezen en politieke programma’s wordt benadrukt?
Zoals hiervoor aangegeven, er is geen sprake van aanpassing met terugwerkende kracht maar van een op voorhand bekend systeem met jaarlijkse bijstellingen waar de subsidieontvangers rekening mee houden. Een belangrijk uitgangspunt van de SDE++ is om de hoogte van de subsidie te baseren op een zo goed mogelijke inschatting van de marktwaarde van het product. Dat geldt zeker voor groen gas waar de waarde van GvO’s substantieel kan zijn. Het bewust later invoeren van de correctie voor de waarde van GvO’s voor groen gas staat op gespannen voet met de hiervoor geschetste uitgangspunten en zou kunnen leiden tot niet toegestane overstimulering.
Het kabinet realiseert zich terdege dat de sector wacht op perspectief. Het opschalen van de groengasproductie is een belangrijk element voor het verduurzamen en weerbaar maken van de energievoorziening. Vanwege dit belang zet het kabinet in op inwerkingtreding van een bijmengverplichting voor groen gas per 1 januari 2027. Dit biedt deze producenten namelijk zekerheid op lange termijn en stimuleert zo verdere opschaling. Het wetsvoorstel hiertoe is onlangs ingediend bij de Tweede Kamer.
Overwinsten van olie- en gasbedrijven |
|
Sjoukje van Oosterhout (GroenLinks-PvdA), Christine Teunissen (PvdD) |
|
Stientje van Veldhoven (D66), Eelco Heinen (VVD) |
|
|
|
|
Kent u het rapport Excess Oil Profits in Times of War van Energy Comment Hamburg1, waarin wordt geanalyseerd dat oliemaatschappijen in de EU sinds het uitbreken van de oorlog in het Midden-Oosten dagelijks meer dan € 80 miljoen extra winst maken door hogere marges op diesel en benzine?
Hoe beoordeelt u de analyse dat de brandstofprijzen aan de pomp veel sterker zijn gestegen dan de onderliggende prijs van ruwe olie, en dat dit wijst op buitensporige winstmarges in de fossiele brandstofsector?
Herkent u de conclusie dat de marges vooral zijn opgelopen in lidstaten met een hoge koopkracht, waaronder Nederland?
Het rapport concludeert dat oliemaatschappijen in Nederland vanwege de oorlog in het Midden-Oosten per dag 2,9 miljoen euro overwinst maken door hogere marges te rekenen voor de prijs van benzine en met name diesel, en dat in geen enkel ander Europees land de prijsstijging van diesel zo fors is als in Nederland; hoe kijkt u aan tegen dit rapport en deze conclusies?
Is er in dit geval volgens u sprake van «graaiflatie», waarbij bedrijven misbruik maken van geopolitieke spanningen om winsten te behalen ten koste van burgers? Zo nee, waarom niet?
Deelt u de opvatting dat het maatschappelijk onwenselijk is dat fossiele bedrijven extra profiteren van geopolitieke spanningen en oorlog, terwijl burgers de rekening betalen? Zo nee, waarom niet?
Hoe gaat u ervoor zorgen dat olie- en gasbedrijven geen misbruik kunnen maken van oorlogssituaties of andere rampen om vervolgens de prijzen op te stuwen?
Welke mogelijkheden ziet u om overwinsten van olie- en gasbedrijven tijdelijk of permanent extra te belasten, zodat deze middelen kunnen worden ingezet voor verlaging van energierekeningen en versnelling van de energietransitie?
Welke nationale of Europese wetgeving is nodig om oorlogswinst of overwinsten van fossiele energiebedrijven zwaarder te belasten?
Welke gesprekken heeft u hierover gevoerd met Europese collega’s of in EU-verband, en bent u bereid dit onderwerp actief op de Europese agenda te zetten?
Zal Nederland de oproep aan de Europese Commissie van Duitsland, Italië, Spanje, Portugal en Oostenrijk rond overwinstbelastingen steunen? Ja nee, waarom niet?
Hoe gaat u uitvoering geven aan de aangenomen motie Teunissen over overwinsten van oliebedrijven inzetten voor tijdelijke steun aan kwetsbare huishoudens?
Tijdens het debat over de economische gevolgen van de oorlog in het Midden-Oosten gaf de Minister van Financiën aan dat er op dit moment procedures lopen met energiebedrijven, onder andere vanwege definitiekwesties; kunt u aangeven hoeveel juridische procedures er zijn aangespannen door bedrijven tegen de Nederlandse Staat, met betrekking tot de tijdelijke solidariteitsbijdrage uit 2022?
Kunt u een zo volledig mogelijk overzicht geven van alle lopende juridische procedures – zowel nationaal als internationaal – met betrekking tot de tijdelijke solidariteitsbijdrage uit 2022, inclusief de betrokken partijen, het type procedure en de huidige stand van zaken?
Kunt u nader toelichten welke beroepsprocedures in september en oktober bij Nederlandse rechtbanken starten, en welke zaken momenteel aanhangig zijn bij het Europese Hof van Justitie? Wat zijn de centrale juridische geschilpunten in deze procedures?
Kunt u bevestigen welke energiebedrijven betrokken zijn bij deze procedures, en op welke gronden zij de solidariteitsbijdrage aanvechten?
Kunt u bevestigen of en in hoeverre de solidariteitsbijdrage onderdeel uitmaakt van bredere juridische geschillen met bedrijven zoals Shell en ExxonMobil, bijvoorbeeld in het kader van de arbitrages rond de afbouw van de gaswinning in Groningen?
Kunt u bevestigen of bedrijven internationale arbitrageprocedures zijn gestart tegen Nederland in relatie tot fiscale maatregelen zoals de solidariteitsbijdrage of andere belastingmaatregelen (zoals de conditionele bronbelasting op renten, royalty’s en dividenden)? Zo ja, om welke zaken gaat het en op basis van welke verdragen worden deze claims ingediend?
Kunt u bevestigen of Petrogas een arbitrageprocedure is gestart op basis van het bilaterale investeringsverdrag tussen Nederland en Oman, en of deze procedure (mede) betrekking heeft op de solidariteitsbijdrage en/of andere fiscale maatregelen?2
U gaf aan dat de solidariteitsbijdrage «waarschijnlijk kwetsbaar» was en dat deze kwetsbaarheid zich nu materialiseert; kunt u nader specificeren waar deze juridische kwetsbaarheid precies uit bestaat?
Welke implicaties hebben deze lopende procedures voor de mogelijkheid om in de toekomst nieuwe belastingen op overwinsten of andere crisisgerelateerde heffingen in te voeren?
Welke bredere juridische risico’s ziet u voor het invoeren of aanpassen van belastingmaatregelen die gericht zijn op het tegengaan van excessieve winsten, belastingontwijking of het beschermen van het publieke belang?
Hoe beoordeelt u het feit dat energiebedrijven, die aanzienlijke winsten hebben behaald als gevolg van geopolitieke crisis, juridische procedures starten tegen maatregelen die bedoeld zijn om deze winsten gedeeltelijk af te romen ten behoeve van huishoudens en de samenleving?
Bent u het ermee eens dat geschillen over belastingmaatregelen primair thuishoren bij de nationale rechter en – in voorkomend geval – het Europese Hof van Justitie, en niet in private arbitrageprocedures?
Welke juridische en financiële risico’s ziet u voortvloeien uit Nederlandse bilaterale investeringsverdragen met investor-state dispute settlement (ISDS) clausules in relatie tot fiscale maatregelen zoals de solidariteitsbijdrage?
Hoe verhouden deze risico’s zich tot het bredere kabinetsbeleid ten aanzien van investeringsbescherming en de hervorming of beëindiging van ISDS, mede in het licht van recente discussies over beleidsruimte voor klimaat- en energiebeleid?
Kunnen deze vragen worden beantwoord voorafgaand aan het plenaire debat over de maatregelen van het kabinet inzake de hoge energie- en brandstofprijzen?