| Ingediend | 9 maart 2026 |
|---|---|
| Beantwoord | 14 april 2026 (na 36 dagen) |
| Indiener | Henk Vermeer (BBB) |
| Beantwoord door | Stientje van Veldhoven (D66) |
| Onderwerpen | economie energie natuur en milieu overige economische sectoren |
| Bron vraag | https://zoek.officielebekendmakingen.nl/kv-tk-2026Z04655.html |
| Bron antwoord | https://zoek.officielebekendmakingen.nl/ah-tk-20252026-1623.html |
Ja.
Dit onderzoek draagt bij aan het vergroten van de wetenschappelijke kennis over de effecten van windenergie op zee op de omstandigheden op de Noordzee. Het sluit aan bij onderzoek dat ikzelf hiernaar laat uitvoeren, bijvoorbeeld via het Wind op Zee Ecologisch Programma (Wozep) en het Monitorings- en Onderzoeksprogramma Scheepvaartveiligheid Wind op Zee (MosWoz).
In het Wozep-programma wordt sinds 2019 onderzoek verricht naar effecten van windenergie op het Noordzee ecosysteem, waaronder de hydrodynamische effecten van de uitrol van offshore wind in de Nederlandse én de internationale Noordzee. Hieruit zijn meerdere rapportages2 voortgekomen.
Offshore windparken kunnen leiden tot (lokale) veranderingen in de waterkolom. Wat deze veranderingen daadwerkelijk inhouden voor het mariene leven, waaronder vis, is nog in onderzoek. De huidige kennis biedt vooralsnog geen aanleiding om de uitrol van windenergie op zee aan te passen.
Ik wijs er overigens op dat de door het lid Vermeer geciteerde studie uitgaat van deels hypothetische windparken, bovenop de werkelijke Nederlandse situatie. Naar verwachting zijn de uiteindelijke effecten dus kleiner dan deze studie schetst.
Voor scheepvaartveiligheid is in Nederland het MosWoz-programma opgezet. Binnen dit programma laat ik onderzoek uitvoeren naar de effecten op de scheepvaartveiligheid van windparken op zee. De door het lid Vermeer genoemde vragen met betrekking tot scheepvaartveiligheid komen in dit programma aan de orde.
Zoals in het antwoord op vraag 1 is aangegeven worden deze effecten door het kabinet onderkend en vindt hier vervolgonderzoek naar plaats. De verschillende milieueffectrapportages (MER) bij de kavelbesluiten voor windenergie op zee besteden ook aandacht aan de hydrodynamische veranderingen als gevolg van windparken. Het is verplicht in de MER-procedures voor de kavelbesluiten de meest recente wetenschappelijke inzichten mee te nemen, inclusief alle onzekerheden, dus ook deze.
Zie de antwoorden op de vragen 1 en 2. In de door het lid Vermeer geciteerde studie en de door mij aangehaalde studies worden veranderingen geconstateerd. Wat deze veranderingen ecologisch inhouden, onder andere ten aanzien van de visbestanden, is nog onderwerp van onderzoek. Zodra duidelijk is wat de effecten van de veranderingen zijn op de ecologie en de visbestanden neemt het kabinet deze kennis mee in haar beleid.
Tot op heden is de kennis van hydrodynamische of ecologische aspecten nog onvoldoende robuust om deze te vertalen naar minimale afstandsnormen. Bij het ontwerp van de Nederlandse windparken op zee wordt tot nu toe vooral gestuurd op relatief compacte windparken om buiten de windparken zoveel mogelijk ruimte over te laten voor andere activiteiten, zoals visserij. Overigens zijn de afstanden tussen de windturbines dan nog steeds groter dan 1.000 meter. Het vergroten van de onderlinge afstanden tussen de windturbines laat ik onderzoeken voor toekomstige windparken op zee vanwege de mogelijk positieve effecten op de businesscase van windparken op zee en op de Noordzeenatuur. Dit betekent echter wel dat bij een gelijkblijvende bijdrage van windenergie op zee aan ons energiesysteem meer ruimte op zee benodigd zal zijn.
Ik kan nog geen conclusies beoordelen omdat het onderzoek hiernaar nog in volle gang is, waaronder binnen de programma’s Wozep en MONS. Daarnaast wordt hiervoor internationale samenwerking op het gebied van modelontwikkeling en -validatie opgezet. Ook de betekenis van de gemodelleerde veranderingen voor de Noordzeenatuur is nog in onderzoek bij de genoemde onderzoeksprogramma’s.
Vooralsnog is er vanuit het Wozep-programma geconcludeerd dat het nog niet zinvol is om in te zetten op dit type van modelverbetering, zolang nog niet duidelijk is of en hoe de doorwerking van effecten op hydrodynamische omstandigheden doorwerken in de voedselketen of naar beschermde diersoorten.
Zie het antwoord op vraag 3.
In het kader van de internationale samenwerking neemt ons land onder andere deel aan een werkstroom binnen het Greater North Sea Basin Initiative (GNSBI) om een zo compleet mogelijk beeld te verkrijgen van alle drukfactoren op de Noordzeenatuur. Daar wordt uitgewisseld over methodiekontwikkeling, tussen landen en andere regionale organisaties zoals OSPAR en ICES, om de cumulatieve druk van bijvoorbeeld visserij, scheepvaart, mijnbouw, maar ook windenergie op zee op vergelijkbare wijze inzichtelijk te maken.
Ik onderken dat het belangrijk is om de effecten van windparken op de Noordzee en de daar aanwezige natuur in kaart te brengen en heb daar, in samenwerkingen met de andere departementen, onderzoeksprogramma’s voor opgezet. Ook internationaal vraag ik aandacht hiervoor. Met de huidige kennis is er echter geen aanleiding om de uitrol van windenergie op zee aan te passen.