Het artikel 'Brancheclubs mordicus tegen invoedingstarief' |
|
Felix Klos (D66) |
|
Sophie Hermans (minister klimaat en groene groei, minister infrastructuur en waterstaat) (VVD) |
|
|
|
|
Heeft u kennisgenomen van het artikel «Brancheclubs mordicus tegen invoedingstarief», waarin wordt gesteld dat de invoering van een invoedingstarief voor elektriciteitsproducenten kan leiden tot hogere systeemkosten en hogere energierekeningen voor consumenten en bedrijven?1
Ja.
Wat betekent een invoedingstarief voor bestaande projecten die zijn gerealiseerd zonder rekening te houden met een dergelijk tarief?
Vooropgesteld: er is nog geen formeel besluit van de ACM over de vormgeving, hoogte, invoerdatum of overgangsperiode van een eventueel invoedingstarief. Ook zijn de effecten sterk afhankelijk van eventueel flankerend beleid én de regulatoire en marktgerelateerde ontwikkelingen in de met Nederland verbonden elektriciteitsmarkten. Daardoor zijn de effecten van een eventueel invoedingstarief slechts kwalitatief en met een beperkte mate van zekerheid in te schatten.
De inschatting is dat producenten een invoedingstarief slechts in beperkte mate door kunnen rekenen in hun verkoopprijzen. Dit komt ten eerste omdat veel producenten werken met bestaande prijsafspraken en ten tweede omdat Nederlandse producenten in de Noordwest-Europese elektriciteitsmarkt doorgaans niet prijszettend zijn. Dit zorgt ervoor dat de invoering van een invoedingstarief een negatieve impact kan hebben op de winstgevendheid van elektriciteitsproductie in Nederland. Marktpartijen hebben in reactie op een consultatievoorstel van de ACM deze zomer gewezen op de mogelijke impact op hun business cases en waarschuwen dat een invoedingstarief kan leiden tot faillissementen en het vroegtijdig uit gebruik nemen van bestaande productielocaties. De ordegrootte van deze mogelijke negatieve impact is mede afhankelijk van de vormgeving, hoogte, invoerdatum en overgangsperiode van een invoedingstarief.
Bij al getenderde, maar nog niet gerealiseerde wind op zee projecten bestaat het risico dat de ontwikkelaar de businesscase niet meer rond gerekend krijgt en de ontwikkeling staakt. Dit heeft grote extra kosten tot gevolg omdat TenneT ver van tevoren al investeringen doet in het net op zee. Deze kosten lopen op naarmate de realisatie van windparken wordt uitgesteld. Ditzelfde geldt ook voor Nederlandse projecten voor hernieuwbare energie op land die nog niet zijn gerealiseerd, maar die al wel een subsidiebeschikking hebben. De subsidieparameters staan immers al vast, terwijl de kosten van de productie zouden stijgen als gevolg van de instelling van een invoedingstarief. Ook voor de nog open te stellen subsidietender voor wind op zee in 2026 (TOWOZ) vormt het invoedingstarief en de onzekerheid daarover een aanzienlijk risico dat de investeringsbereidheid vanuit marktpartijen zou kunnen beperken. Dat kan resulteren in een lagere slagingskans van de tender. Hetzelfde geldt voor de slagingskans van toekomstige «Contracts for Difference»-tenders (CfD's) voor ondersteuning van hernieuwbare energie op land en wind op zee, afhankelijk van duidelijkheid over het invoedingstarief, de vormgeving en de mogelijkheden voor de markt om het risico voldoende in te prijzen. Een invoedingstarief kan ten slotte ook een negatief effect hebben op de business case van en de investeringsbereidheid in kernenergie.
De mate waarin deze effecten zullen optreden of voorkomen kunnen worden, zijn afhankelijk van de definitieve keuzes van de ACM over het invoedingstarief, eventueel flankerend beleid, invoeringstermijn en overgangsperiode, en van ontwikkelingen in elektriciteitsmarkten waar Nederland mee is verbonden. Een belangrijk deel van deze negatieve effecten zouden naar verwachting uitblijven wanneer sprake zou zijn van een Europees geharmoniseerde invoering van een invoedingstarief, of een invoedingstarief waarvan de hoogte beter aansluit bij die in verbonden elektriciteitsmarkten. Dit zou echter niet problemen voorkomen die ontstaan bij projecten met een bestaande SDE++ subsidiebeschikking. Dit wordt nader toegelicht in antwoorden op vraag 4 en 5.
Wat is, op basis van de huidige inzichten, de verwachte impact van een invoedingstarief op de investeringsbereidheid en de businesscase van nieuwe wind- en zonne-energieprojecten, en in andere kapitaalintensieve energieprojecten zoals kerncentrales?
Zie antwoord vraag 2.
Welke gevolgen verwacht u dat een invoedingstarief heeft voor het tijdig halen van de klimaatdoelstellingen voor 2030, in het bijzonder met oog op de uitrol van hernieuwbare elektriciteitsproductie van eigen bodem?
De projecten die bijdragen aan nationale productie van hernieuwbare elektriciteit zijn onmisbaar voor de klimaatdoelstellingen voor 2030. Voor de ontwikkeling of operatie van deze projecten is een acceptabele business case nodig, anders komen de projecten niet tot stand. Als het invoedingstarief niet geabsorbeerd, doorberekend of gecompenseerd kan worden, zal dit een negatief effect hebben op de business case van deze projecten en daarmee op de hoeveelheid nationale productie van hernieuwbare elektriciteit. Projecten die op tijd worden gerealiseerd om bij te dragen aan de klimaatdoelstellingen voor 2030 hebben waarschijnlijk al een subsidiebeschikking ontvangen. Bij deze projecten is het, zoals in het antwoord op vraag 5 hieronder is toegelicht, niet goed mogelijk om rekening te houden met de financiële effecten van een invoedingstarief. Voor projecten voor hernieuwbare energie op land die nog niet zijn gerealiseerd, maar die al wel een subsidiebeschikking hebben, bestaat daardoor een wezenlijk risico op non-realisatie. Er bestaat daarom, afhankelijk van de vormgeving, hoogte, invoerdatum en overgangsperiode, een risico dat een invoedingstarief de realisatie van klimaatdoelstellingen voor 2030 in de weg staat of moeilijker maakt.
Ziet u mogelijkheden om de financiële impact van een invoedingstarief voor bestaande en nieuwe projecten te mitigeren, bijvoorbeeld via de Stimulering Duurzame Energieproductie en Klimaattransitie (SDE++) of een opvolgende subsidieregeling?
Er is op dit moment geen budget of juridische grondslag om eventuele compensatie te bieden voor de negatieve gevolgen van een invoedingstarief voor bestaande, al getenderde of vergunde projecten. Voor projecten met een bestaande SDE++ beschikking is het effect van het invoedingstarief extra nadelig: ten eerste verhoogt deze de kosten voor opwek, zonder dat de subsidie stijgt. In de subsidieparameters ligt namelijk besloten dat de subsidie alleen meebeweegt met veranderende elektriciteitsprijzen, niet met veranderende netkosten. Ten tweede wordt de subsidie voor deze partijen daardoor ook nog gekort, als gevolg van en voor zover de elektriciteitsprijs stijgt door de invoering van het invoedingstarief. Dit komt doordat de subsidie berekend wordt op basis van een vastgestelde kostprijs per kilowattuur, verminderd met de actuele elektriciteitsprijs, en deze eerste niet meebeweegt met de verhoogde kosten en deze tweede wel met de verhoging van de elektriciteitsprijs.
Voor toekomstige, nieuwe projecten geldt dat er in de subsidiebedragen eventueel rekening kan worden gehouden met de hogere kosten, dit betekent wel dat de subsidie-intensiteit van deze productie-installaties voor hernieuwbare elektriciteit omhooggaat. Dit betekent dat met de beschikbare middelen minder opwek van hernieuwbare elektriciteit gestimuleerd kan worden. Dit geldt niet alleen voor zon-PV en windenergie, maar bijvoorbeeld ook voor kernenergie, als daarvoor in de toekomst steun geboden wordt. Bovendien is de uitvoerbaarheid van het rekening houden met de financiële impact van een invoedingstarief sterk afhankelijk van de wijze waarop een invoedingstarief wordt vormgegeven. Bepaalde varianten van een invoedingstarief leiden tot onvoorspelbare en wisselende hoogtes, waardoor ook het benodigde subsidiebedrag elk jaar zou veranderen. Pas als duidelijk is hoe het invoedingstarief exact vormgegeven wordt kan onderzocht worden hoe dit eventueel in subsidies verwerkt kan worden. Voor de TOWOZ en SDE++ ronde van 2026 is dit niet meer mogelijk.
Hoe beoordeelt u het risico dat kosten die via een invoedingstarief bij producenten worden neergelegd, uiteindelijk via subsidies weer moeten worden gecompenseerd, waardoor per saldo geen kostenbesparing maar juist extra systeemkosten ontstaan?
Het invoedingstarief zullen producenten moeten betalen per eenheid energie die zij invoeden in het elektriciteitsnet. Het zorgt daardoor voor een hogere kostprijs van de productie van elektriciteit. Producenten zullen dit proberen door te berekenen in de verkoopprijs. Het lijkt waarschijnlijk dat producenten dit slechts gedeeltelijk kunnen doen. Voor het deel van dit tarief dat niet kan worden doorberekend, resulteert dit in een hogere onrendabele top van hernieuwbare elektriciteit. Deze onrendabele top vertaalt zich in een hogere subsidiebehoefte. In het geval van zon-PV en windenergie op land en op zee zal stimulering vanaf 2027 door middel van CfD's plaatsvinden, die het verschil tussen de kostprijs en de marktprijs van elektriciteit dekken met financiële middelen van de overheid. Dat betekent dat er bij invoering van een invoedingstarief meer middelen nodig zijn om dezelfde hoeveelheid elektriciteit uit hernieuwbare energieprojecten te produceren. Het lijkt dus waarschijnlijk dat de hogere kosten voor producenten deels door de overheid zullen moeten worden gecompenseerd. Dit betekent dat met dezelfde beschikbare middelen minder opwek van hernieuwbare elektriciteit gestimuleerd kan worden.
De totale systeemkosten zijn daarnaast ook afhankelijk van andere factoren, die zeer moeilijk zijn in te schatten. Een invoedingstarief leidt tot een herverdeling van netkosten tussen afnemers en invoeders, waarbij de afnemers minder netkosten gaan betalen en de invoeders meer. Een voordeel van een invoedingstarief kan daarnaast zijn dat deze producenten prikkelt tot efficiënter netgebruik, zoals het vermijden van invoedingspieken. Dit kan op termijn de noodzaak voor dure netverzwaringen voorkomen. De verslechterde concurrentiepositie van Nederlandse elektriciteitscentrales kan tegelijkertijd zorgen voor nieuwe problemen die de netkosten verhogen. Netbeheer Nederland benoemt dat er bepaalde centrales nodig blijven om netondersteunende diensten te leveren en voor congestiemanagement. Indien deze centrales dreigen te sluiten als gevolg van een invoedingstarief kan het nodig zijn dat netbeheerders hogere vergoedingen moet gaan betalen om deze centrales open te houden. Een gevolg kan ook zijn dat er (hogere) vergoedingen betaald worden via een capaciteitsmechanisme. Dergelijke effecten zijn zeer moeilijk in te schatten en het netto-effect op de elektriciteitskosten van afnemers is daardoor onzeker.
Een kwantitatieve schatting van deze effecten en het uiteindelijke resultaat is pas te maken wanneer er sprake is van een concreet voorstel van de ACM voor een invoedingstarief.
Ziet u risico’s dat een invoedingstarief, door het afremmen van investeringen in binnenlandse productie, ook een negatieve impact kan hebben op de leveringszekerheid van energie in Nederland?
Een invoedingstarief kan, met name wanneer deze sterk afwijkt qua hoogte of vormgeving van invoedingstarieven in het buitenland, een negatieve invloed hebben op de mogelijkheid van productiecentrales en batterijen om hun jaarlijkse vaste kosten terug te kunnen verdienen. Deze partijen zijn naar verwachting echter nodig om bij te dragen aan de voorzieningszekerheid van elektriciteit. Gegeven het voornemen om met een capaciteitsmechanisme de leveringszekerheid te borgen, is het echter onwaarschijnlijk dat een invoedingstarief zal leiden tot een verslechtering van de voorzieningszekerheid. Wel kan een invoedingstarief de kosten van een capaciteitsmechanisme verhogen.
Hoe verhoudt een invoedingstarief zich tot andere maatregelen die netefficiënt gedrag kunnen bevorderen?
Ja, het kabinet is bekend met de conclusies uit de appreciatie van het IBO.
De belangrijkste toegevoegde waarde van een invoedingstarief is dat het producenten prikkelt tot efficiënter netgebruik, waardoor op termijn de kosten van het elektriciteitsnet kunnen afnemen. Een dergelijke prikkel via de nettarieven is binnen de huidige kaders niet vorm te geven, omdat voor invoeding nu geen nettarief wordt gerekend. Tegelijkertijd kunnen vergelijkbare prikkels voor efficiënter netgebruik deels ook via andere instrumenten worden georganiseerd, zoals flexibele aansluit- en transportvoorwaarden, flexibiliteitscontracten, en via aanpassingen in de tendervoorwaarden voor wind op zee of de subsidievoorwaarden van de SDE++. Zo wordt in de SDE++ vereist dat zon-PV slechts op 50% van het piekvermogen wordt aangesloten, om hoge netkosten ter facilitering van piekbelasting te voorkomen. Deze instrumenten zijn moeilijk categorisch te vergelijken met een invoedingstarief, omdat zij op uiteenlopende manieren kunnen worden vormgegeven en vaak verschillende effecten hebben voor verschillende partijen. Of de alternatieve instrumenten een sterkere negatieve impact zouden hebben op de business case is afhankelijk van de vormgeving, hoogte, invoerdatum en overgangsperiode van een eventueel invoedingstarief.
Bent u bekend met de conclusies uit de appreciatie van het Interdepartementaal beleidsonderzoek (IBO) «Bekostiging van de Elektriciteitsinfrastructuur' (Kamerstuk 29 023, nr. 567), waarin wordt gewezen op aanzienlijke potentiële kostenbesparingen door flexibel netgebruik, en kunt u toelichten in hoeverre deze alternatieven effectiever of doelmatiger zijn dan een invoedingstarief?
Zie antwoord vraag 8.
In hoeverre wordt bij de afweging rond een invoedingstarief gekeken naar de concurrentiepositie van Nederland ten opzichte van andere Europese landen? Wordt een vergelijkbaar tarief elders in Europa ingevoerd, en zo ja, met welke effecten op investeringen en netcongestie?
In haar consultatiedocument over het invoedingstarief heeft de ACM aangegeven dat het mogelijk is om de maximale hoogte van het invoedingstarief te beperken met het oog op de concurrentiepositie van Nederlandse producenten. De ACM stelt echter ook dat een verlaagd tarief minder kostenreflectief is en minder goede prikkels geeft voor efficiënt netgedrag.
Binnen Europa is slechts zeer beperkt sprake van harmonisatie van nettarieven voor elektriciteit. Hierdoor bestaan tussen lidstaten grote verschillen. In ca. 60% van lidstaten bestaat geen of verwaarloosbaar invoedingstarief. Het aandeel lidstaten met een invoedingstarief lijkt over de jaren wel licht te groeien. In de 40% van de lidstaten met een invoedingstarief is het aandeel van de totale netkosten dat in lidstaten met een substantieel invoedingstarief wordt toegerekend aan invoeders uiteenlopend, verschillend voor transmissie en distributie. Ook worden in lidstaten met een invoedingstarief verschillende soorten kostenposten wel en niet daarin opgenomen. In lidstaten waar een invoedingstarief bestaat, is vervolgens in veel gevallen sprake van ontheffingen of verlagingen van het invoedingstarief, bijvoorbeeld voor kleine producenten, voor bepaalde technieken (zoals offshore wind of batterijen), of vanwege de inzet van een installatie voor bepaalde systeemdoeleinden. Dit maakt een directe vergelijking met andere lidstaten niet goed mogelijk.
De nettarievenstructuur binnen veel lidstaten is in beweging. De ACM heeft aangegeven dat zij rekenschap geeft van de tariefstructuren en ervaringen in omringende landen.
De stijgende kosten en zorgen over de leveringszekerheid door het invoedingstarief |
|
Daniël van den Berg (JA21) |
|
Sophie Hermans (minister klimaat en groene groei, minister infrastructuur en waterstaat) (VVD) |
|
|
|
|
Bent u bekend met het artikel «Huishouden dupe extra kosten stroomnet» en met de door de Autoriteit Consument en Markt (ACM) aangekondigde voorbereiding van een invoedingstarief voor grote elektriciteitsproducenten?1
Ja.
Erkent u de nadelen van een invoedingstarief die in het artikel genoemd worden?
Vooropgesteld: er is nog geen formeel besluit van de ACM over de vormgeving, hoogte, invoerdatum of overgangsperiode van een eventueel invoedingstarief. Ook zijn de effecten sterk afhankelijk van eventueel flankerend beleid én de regulatoire en marktgerelateerde ontwikkelingen in de met Nederland verbonden elektriciteitsmarkten. Daardoor zijn de effecten van een eventueel invoedingstarief slechts kwalitatief en met een beperkte mate van zekerheid in te schatten. Niettemin herkent het kabinet de in het artikel geschetste nadelen als mogelijke gevolgen van de invoering van een invoedingstarief.
De inschatting is dat producenten een invoedingstarief slechts in beperkte mate door kunnen rekenen in hun verkoopprijzen. Dit komt ten eerste omdat veel producenten werken met bestaande prijsafspraken en ten tweede omdat Nederlandse producenten in de Noordwest-Europese elektriciteitsmarkt doorgaans niet prijszettend zijn. Dit zorgt ervoor dat de invoering van een invoedingstarief een negatieve impact kan hebben op de winstgevendheid van elektriciteitsproductie in Nederland. Marktpartijen hebben in reactie op een consultatievoorstel van de ACM deze zomer gewezen op de mogelijke impact op hun business cases en waarschuwen dat een invoedingstarief kan leiden tot faillissementen en vroegtijdige uitgebruikname van bestaande productielocaties. Het speelveld voor Nederlandse producenten kan verslechteren en de import van elektriciteit kan daardoor relatief aantrekkelijk worden. De afhankelijkheid van buitenlandse productie kan daardoor groter worden. De ordegrootte van deze mogelijke negatieve gevolgen zijn mede afhankelijk van de vormgeving, hoogte, invoerdatum en overgangsperiode van een invoedingstarief.
Bij al getenderde, maar nog niet gerealiseerde wind op zee projecten bestaat het risico dat de ontwikkelaar de businesscase niet meer rond gerekend krijgt en de ontwikkeling staakt. Dit heeft grote extra kosten tot gevolg omdat TenneT ver van tevoren al investeringen doet in het net op zee. Deze kosten lopen op naarmate de realisatie van windparken wordt uitgesteld. Ditzelfde geldt ook voor Nederlandse projecten voor hernieuwbare energie op land die nog niet zijn gerealiseerd, maar die al wel een subsidiebeschikking hebben. De subsidieparameters staan immers al vast, terwijl de kosten van de productie zouden stijgen als gevolg van de instelling van een invoedingstarief. Ook voor de nog open te stellen subsidietender voor wind op zee in 2026 (TOWOZ) vormt het invoedingstarief en de onzekerheid daarover een aanzienlijk risico dat de investeringsbereidheid vanuit marktpartijen zou kunnen beperken. Dat kan resulteren in een lagere slagingskans van de tender. Hetzelfde geldt voor de slagingskans van toekomstige «Contracts for Difference»-tenders (CfD's) voor ondersteuning van hernieuwbare energie op land en wind op zee, afhankelijk van duidelijkheid over het invoedingstarief, de vormgeving en de mogelijkheden voor de markt om het risico voldoende in te prijzen. Een invoedingstarief kan ten slotte ook een negatief effect hebben op de business case van en de investeringsbereidheid in kernenergie.
Er is op dit moment geen budget of juridische grondslag om eventuele compensatie te bieden voor de negatieve gevolgen van een invoedingstarief voor bestaande, al getenderde of vergunde projecten. Voor projecten met een bestaande SDE++ beschikking is het effect van het invoedingstarief extra nadelig: ten eerste verhoogt deze de kosten voor opwek, zonder dat de subsidie stijgt. In de subsidieparameters ligt namelijk besloten dat de subsidie alleen meebeweegt met veranderende elektriciteitsprijzen, niet met veranderende netkosten. Ten tweede wordt de subsidie voor deze partijen daardoor ook nog gekort, als gevolg van en voor zover de elektriciteitsprijs stijgt door de invoering van het invoedingstarief. Dit komt doordat de subsidie berekend wordt op basis van een vastgestelde kostprijs per kilowattuur, verminderd met de actuele elektriciteitsprijs, en deze eerste niet meebeweegt met de verhoogde kosten en deze tweede wel met de verhoging van de elektriciteitsprijs.
Voor toekomstige, nieuwe projecten geldt dat er in de subsidiebedragen eventueel rekening kan worden gehouden met de hogere kosten, dit betekent wel dat de subsidie-intensiteit van deze productie-installaties voor hernieuwbare elektriciteit omhooggaat. Dit betekent dat met de beschikbare middelen minder opwek van hernieuwbare elektriciteit gestimuleerd kan worden. Dit geldt niet alleen voor zon-PV en windenergie, maar bijvoorbeeld ook voor kernenergie, als daarvoor in de toekomst steun geboden wordt. Bovendien is de uitvoerbaarheid van het rekening houden met de financiële impact van een invoedingstarief sterk afhankelijk van de wijze waarop een invoedingstarief wordt vormgegeven. Bepaalde varianten van een invoedingstarief leiden tot onvoorspelbare en wisselende hoogtes, waardoor ook het benodigde subsidiebedrag elk jaar zou veranderen. Pas als duidelijk is hoe het invoedingstarief exact vormgegeven wordt kan onderzocht worden hoe dit eventueel in subsidies verwerkt kan worden. Voor de TOWOZ en SDE++ ronde van 2026 is dit niet meer mogelijk.
De mate waarin deze effecten zullen optreden of voorkomen kunnen worden, zijn afhankelijk van de definitieve keuzes van de ACM over het invoedingstarief, eventueel flankerend beleid, invoeringstermijn en ingroeipad, en van ontwikkelingen in elektriciteitsmarkten waar Nederland mee is verbonden. Een belangrijk deel van deze, negatieve effecten zouden naar verwachting uitblijven wanneer sprake zou zijn van een Europees geharmoniseerde invoering van een invoedingstarief, of een invoedingstarief waarvan de hoogte beter aansluit bij die in verbonden elektriciteitsmarkten.
Klopt het een invoedingstarief de afhankelijkheid van buitenlandse productie kan vergroten?
Zie antwoord vraag 2.
Klopt het dat nieuwe projecten om elektriciteit op te wekken hierdoor lastiger worden?
Zie antwoord vraag 2.
Deelt u de conclusies uit de studies van Aurora Energy, SiRM en CE Delft dat de energierekening voor afnemers waarschijnlijk stijgt?
Het netto-effect op de energierekening van afnemers is moeilijk vooraf in te schatten en hangt in grote mate af van de vormgeving, hoogte, invoerdatum en ingroeipad van een eventueel invoedingstarief. Daarnaast zijn er eventuele, flankerende maatregelen die kunnen worden genomen om de nadelige effecten van een invoedingstarief te beperken. Daarnaast zal het effect ook verschillen, afhankelijk van het type aansluiting en het verbruiksprofiel van elke afnemer.
Uit de doorrekeningen van onderzoeksbureau Aurora (in opdracht van Energie Nederland) en CE Delft (in opdracht van de ACM) blijkt dat het invoedingstarief zich vertaalt in een hogere elektriciteitsprijs. Dit wordt ook bevestigd door een onafhankelijke studie van TenneT. De stijging van de (basislast) elektriciteitsprijs is echter lager dan de hoogte van het invoedingstarief. Zonder aanvullend beleid is de verwachting op basis van voorgenoemde studies dat hierdoor ca. 20 tot 50% procent van het invoedingstarief terugkomt in een hogere basislast elektriciteitsprijs. Ook is het de verwachting in deze studies dat de invoer van elektriciteit gaat toenemen. Het invoedingstarief kan daardoor het effect hebben dat producenten in Nederland minder investeren in nieuwe centrales en in het verlengen van de levensduur van bestaande centrales.
De bijdrage van producenten aan de netkosten zorgen ervoor dat de nettarieven voor afnemers op het elektriciteitsnet in beginsel lager vastgesteld kunnen worden. Op deze manier is het mogelijk dat afnemers erop vooruitgaan.
De verslechterde concurrentiepositie van Nederlandse elektriciteitscentrales kan tegelijkertijd zorgen voor nieuwe problemen die de netkosten verhogen. Netbeheer Nederland benoemt dat er bepaalde centrales nodig blijven om netondersteunende diensten te leveren en voor congestiemanagement. Indien deze centrales dreigen te sluiten als gevolg van een invoedingstarief kan het nodig zijn dat netbeheerders hogere vergoedingen moet gaan betalen om deze centrales open te houden. Een gevolg kan ook zijn dat er (hogere) vergoedingen betaald worden via een capaciteitsmechanisme. Dergelijke effecten zijn zeer moeilijk in te schatten en het netto-effect op de elektriciteitskosten van afnemers is daardoor onzeker.
Deze verslechtering van de concurrentiepositie zou beperkt blijven wanneer de invoering van het invoedingstarief meer gekoppeld zou worden aan Europese ontwikkelingen of de situatie in onze buurlanden. De ACM heeft aangegeven dat zij rekenschap geeft van de tariefstructuren en ervaringen in omringende landen.
Welke gevolgen heeft een invoedingstarief voor de leveringszekerheid van elektriciteit?
Een invoedingstarief kan, met name wanneer deze sterk afwijkt qua hoogte of vormgeving van invoedingstarieven in het buitenland, een negatieve invloed hebben op de mogelijkheid van productiecentrales en batterijen om hun jaarlijkse vaste kosten terug te kunnen verdienen. Deze partijen zijn naar verwachting echter nodig om bij te dragen aan de voorzieningszekerheid van elektriciteit. Gegeven het voornemen om met een capaciteitsmechanisme de leveringszekerheid te borgen, is het echter onwaarschijnlijk dat een invoedingstarief zal leiden tot een verslechtering van de voorzieningszekerheid. Wel kan een invoedingstarief de kosten van een capaciteitsmechanisme verhogen.
Kunt u uiteenzetten wat de ACM onder het voorgenomen invoedingstarief verstaat, welke definitie van «grote producenten» wordt gehanteerd en worden er uitzonderingen overwogen?
Een invoedingstarief is een tarief dat aangeslotenen moeten betalen om elektriciteit in te voeden op het net. Voor de infrastructuurgerelateerde kosten van het elektriciteitsnet geldt een Europees-wettelijk vastgelegd maximumtarief voor invoeders. Voor de systeemkosten (kosten voor inkoop congestie- en balanceringsdiensten en netverliezen) geldt geen Europese begrenzing.
De ACM is voornemens om het invoedingstarief op dit moment alleen uit te werken voor grootverbruikers. Dit zijn gebruikers met een aansluiting met een aansluitcapaciteit van meer dan 3 keer 80 Ampère, hier vallen onder andere onder wind op zee, kerncentrales, gascentrales, windparken en zonneparken. Voor kleinverbruikers wordt momenteel een nieuwe nettariefstructuur uitgewerkt en de ACM wil dit proces niet doorkruisen. Voor kleinschalige zon op dak, bijvoorbeeld op een woonhuis, gaat het invoedingstarief dus niet gelden.
De ACM heeft nog geen definitieve keuzes gemaakt over uitzonderingen. Het consultatiedocument van de ACM bespreekt de mogelijkheid van een uitzondering voor producenten op zee en voor bi-directionele gebruikers (waaronder batterij-opslag). De ACM heeft hier nog geen besluit over genomen.
Op basis van welke wettelijke grondslag en (tarief)codes heeft de ACM volgens u de bevoegdheid om een invoedingstarief in te voeren, en welke formele rol heeft u de daarbij (welke interventies zijn wél/niet mogelijk)?
De Europese Elektriciteitsrichtlijn schrijft dwingend voor dat de onafhankelijke nationale regulerende instantie, in Nederland de ACM, exclusief bevoegd moet zijn om de tarieven of tariefreguleringsmethode en de tariefstructuren van netbeheerders vast te stellen of goed te keuren. In het Nederlands recht is dit geïmplementeerd in de Energiewet. De bevoegdheid voor de ACM om de tarieven en tariefreguleringsmethode vast te stellen is vastgelegd in artikel 3.106, eerste lid, in combinatie met artikel 3.107 van de Energiewet. Voorts moeten op grond van artikel 3.107, vierde lid van de Energiewet tariefstructuren worden opgesteld die ingevolge artikel 3.119 in combinatie met de artikelen 3.120 en 3.121 van de Energiewet die goedkeuring moeten hebben van de ACM en de ACM kan daarvoor ook zelf voorstellen indienen als zij dat nodig acht. De Minister heeft hierbij geen rol en kan ook geen instructies geven aan de ACM gelet op de onafhankelijkheid van de ACM, zoals onder meer volgt uit de artikelen 9 en 10 van de Instellingswet Autoriteit Consument en Markt.
Klopt het dat u bij brief van 25 april 2025 (p. 13) waarschuwt dat een invoedingstarief bij nieuwe projecten leidt tot een hogere onrendabele top en daarmee meer subsidie? Kunt u de onderliggende berekeningen aan de Kamer sturen?2
De kwalitatieve aanname dat een invoedingstarief bij nieuwe projecten resulteert in een hogere onrendabele top klopt. Het invoedingstarief zullen producenten moeten betalen per eenheid energie die zij invoeden in het elektriciteitsnet. Het zorgt daardoor voor een hogere kostprijs van de productie van elektriciteit. Producenten zullen dit proberen door te berekenen in de verkoopprijs. Het lijkt waarschijnlijk dat producenten dit slechts gedeeltelijk kunnen doen. Voor het deel dat dit tarief niet kan worden doorberekend, resulteert dit in een hogere onrendabele top van hernieuwbare elektriciteit. Deze onrendabele top vertaalt zich in een hogere subsidiebehoefte. In het geval van zon-PV en windenergie op land en op zee zal stimulering vanaf 2027 door middel van CfD's plaatsvinden, welke het verschil tussen de kostprijs en de marktprijs van elektriciteit dekken. Dat betekent dat er bij invoering van een invoedingstarief meer middelen nodig zijn om dezelfde hoeveelheid elektriciteit uit hernieuwbare energieprojecten te produceren.
Zonder een concreet voorstel van de ACM voor een invoedingstarief is het niet mogelijk om de effecten en extra subsidiebehoefte goed uit te rekenen.
Kunt u uitsluiten dat huishoudens, het midden- en kleinbedrijf en de industrie per saldo meer gaan betalen door invoering van een invoedingstarief? Zo nee, welke maatregelen neemt u om dit te voorkomen? En hoe hoog is de stijging?
Zoals hierboven aangegeven is geen duidelijkheid over de vormgeving, hoogte, invoerdatum en overgangsperiode voor het invoedingstarief. De totale systeemkosten zijn daarnaast ook afhankelijk van andere factoren, die zeer moeilijk zijn in te schatten. Het kabinet kan op dit moment daarom niet uitsluiten of bevestigen dat aangeslotenen per saldo meer gaan betalen door de invoering van een invoedingstarief. Noch kan het kabinet vooruitlopen op eventuele compenserende maatregelen of een betrouwbare inschatting geven van de hoogte van een eventuele stijging.
Heeft u er kennis van genomen dat in de aangeleverde informatie wordt gesteld dat Nederlandse (gas)centrales efficiënter zijn maar door het invoedingstarief «na» Duitse centrales in de merit order kunnen komen? Herkent u dit mechanisme en wat betekent dit voor prijsniveau en de systeemkosten?
Dit is inderdaad een mogelijk gevolg van de invoering van een invoedingstarief, afhankelijk van de vormgeving van het tarief en ontwikkelingen in Nederland en Duitsland. De Duitse en Nederlandse elektriciteitsmarkten zijn goed met elkaar geïntegreerd en een vervanging van Nederlandse door Duitse producenten in de merit order is mogelijk bij een voldoende hoog, Nederlands invoedingstarief. Indien Nederland een relatief hoog invoedingstarief zou invoeren en Duitsland niet, ontstaat er een ongelijk(er) speelveld tussen Nederlandse en Duitse elektriciteitsproducenten.
Zoals toegelicht in het antwoord op vraag 5 is het uiteindelijke effect op het prijsniveau en de systeemkosten zeer moeilijk in te schatten en afhankelijk van eventueel flankerend beleid en ontwikkelingen in het buitenland.
Klopt het dat Duitsland, de grootste handelspartner van Nederland, geen vergelijkbaar invoedingstarief kent? Hoe is dit geregeld in de overige landen waarmee Nederland via interconnecties op het elektriciteitsnet is aangesloten (België, het Verenigd Koninkrijk, Noorwegen en Denemarken)? En welke inzet pleegt u om te voorkomen dat Nederland zich uit de markt prijst of eenzijdig nadeel creëert?
Elk land heeft een eigen stelsel voor de nettarieven, in de EU-lidstaten gebaseerd op gezamenlijke Europese principes zoals «de gebruiker betaalt». De vormgeving en hoogte van de nettarieven is divers, niet altijd direct vergelijkbaar en bovendien in beweging. Op basis van een relatief recente studie van de Europese toezichthouder ACER naar de nettarieven in Europa en een onderzoek van Sia Partners, uitgevoerd in opdracht van de Belgische transmissiesysteembeheerder Elia uit 2023 is niettemin enige informatie beschikbaar over het invoedingstarief in de met Nederland verbonden lidstaten en derde landen.3
Sia heeft het «gewogen gemiddelde invoedingstarief» in kaart gebracht. Dit omvat uitsluitend gereguleerde nettariefcomponenten voor invoeding van elektriciteit.
Land
Gewogen gemiddeld invoedingstarief 2022 (€/MWh)
Nederland
0,02
Duitsland
0,00
België
0,62
Verenigd Koninkrijk
18,99
Noorwegen
2,50
Denemarken
0,55
Bij deze cijfers wordt het volgende opgemerkt:
Zoals uitgewerkt in de antwoorden op vraag 8 heeft het kabinet geen formele rol bij het vormgeven van de tariefregulering. In gesprek met de ACM heeft het kabinet de nadelige gevolgen die een invoedingstarief kan hebben op de energiemarkt benadrukt en haar verzocht daar zo veel mogelijk rekening mee te houden.
Als u erkent dat de maatschappelijke en budgettaire gevolgen groot kunnen zijn, bent u dan bereid het wettelijk kader zo aan te passen dat dit type tariefwijziging niet kan worden doorgezet?
Zoals blijkt uit het antwoord op vragen 8 en 12 staat het nationale wettelijk kader dit niet toe. Het Europese wettelijk kader biedt daar ook geen ruimte voor. De Europese Elektriciteitsrichtlijn schrijft dwingend voor dat de onafhankelijke nationale regulerende instantie, in Nederland de ACM, exclusief bevoegd moet zijn om de tarieven of tariefreguleringsmethode en de tariefstructuren van netbeheerders vast te stellen of goed te keuren. Daarbij mag de onafhankelijke nationale regulerende instantie geen instructies verlangen of ontvangen van regeringen of andere publieke of private partijen, waaronder ook de nationale wetgever. Dat heeft het Europese Hof van Justitie in een aantal uitspraken in 2020 en 2021 nog eens bevestigd.
Het bericht ‘Twee ondergrondse warmtebuffers ingezakt, waarschuwing aan andere gemeentes’ |
|
Jimmy Dijk |
|
Sophie Hermans (minister klimaat en groene groei, minister infrastructuur en waterstaat) (VVD) |
|
Wat is uw reactie op het bericht «Twee ondergrondse warmtebuffers ingezakt, waarschuwing aan andere gemeentes»?1
Vanuit de berichtgeving begrijp ik het volgende: twee ondergrondse warmtebuffers met heet water zijn kort na elkaar ingestort in Nagele en Wernhout. Gemeente Noordoostpolder waarschuwt andere gemeenten met een soortgelijke warmtebuffer voor veiligheidsrisico’s van zulke installaties. Er is onderzoek gedaan, maar dit is nog niet openbaar. Wel deelt de onderzoeker dat blijkt dat de constructies materialen bevatten die niet goed bestand zijn tegen langdurige blootstelling aan heet water, wat kan leiden tot verzakkingen.
Het is betreurenswaardig dat de toepassingen van deze eerste generatie innovatieve warmteopslagsystemen in Nagele en Wernhout niet succesvol zijn gebleken in het verduurzamen van de lokale warmtevraag en daarbij schade aan de omgeving hebben toegebracht. Vooral voor de getroffen bewoners is dit erg vervelend. Het is bij materiële schade gebleven en er wordt nu onderzoek gedaan naar de onderliggende oorzaak en eventuele risico’s voor andere locaties.
Innovaties brengen risico’s met zich mee. Het gaat hier om de toepassing van een eerste generatie experimentele warmtebuffersysteem. Deze innovaties zijn als onderdeel van de Proeftuin Aardgasvrije Wijken door het Rijk gesteund. Destijds was het doel om te onderzoeken of een dergelijk innovatief systeem de warmtetransitie in de wijk verder kan brengen. Doel is mede leren van de ervaringen van zo’n systeem en vervolgens lessen trekken waar de energietransitie verder mee geholpen wordt.
Welke regels bestaan er voor handhaving en toezicht voor de bouw en installatie van dit soort ondergrondse warmtebuffers en vergelijkbare constructies? Zijn er instanties die controleren of de juiste bouwmaterialen en methoden worden toegepast? Zo nee, waarom niet?
Ondergrondse warmtebuffers en vergelijkbare constructies vallen onder de reikwijdte van de Omgevingswet (destijds Wet algemene bepalingen omgevingsrecht, oftewel Wabo) en zijn vergunningplichtig. Dit betekent dat voor dergelijke constructies een vergunningaanvraag moet worden gedaan bij de desbetreffende gemeente. In de aanvraag moet aannemelijk worden gemaakt dat het bouwwerk voldoet aan de minimale eisen die in het Besluit bouwwerken leefomgeving (Bbl) gesteld worden ten aanzien van onder andere de constructieve veiligheid.
Gemeenten zijn verantwoordelijk voor het beoordelen van vergunningsaanvragen en het toezien op de naleving van de verleende vergunning voor vergunningplichtige bouwwerken. Dit geldt dus ook voor dit soort ondergrondse warmtebuffers. In algemene zin geldt dat gemeenten zelf bepalen op welke manier bouwplannen getoetst worden aan de regels van het Bbl en of het aannemelijk is dat hieraan voldaan wordt. Daarbij kunnen gemeenten op basis van eigen risico-inschattingen bepalen welke onderdelen van de toetsing prioriteit hebben en welke informatie aangeleverd dient te worden voor de vergunningsbeoordeling. De gemeente is tevens het bevoegd gezag voor handhaving en toezicht bij dergelijke vergunningplichtige bouwwerken.
In hoeverre is de Inspectie Leefomgeving en Transport betrokken bij de handhaving en toezicht op de aanleg van ondergrondse warmtebuffers en andere vormen van warmtenetten?
De Inspectie Leefomgeving en Transport (ILT) heeft de bevoegdheid om toezicht te houden op de uitvoering van de Europese verordening bouwproducten, de basis voor het aanbrengen van CE-markering op bouwproducten. Ook ziet de ILT toe op de aanleg van bodemenergiesystemen waarbij warmte en koude uit de bodem worden gebruikt voor verwarming en koeling van gebouwen. Er is echter geen rol voor de ILT bij toezicht en handhaving op de aanleg van ondergrondse warmtebuffers en andere vormen van warmtenetten.
Bent u bereid samen met de gemeente Noordoostpolder en andere gemeenten met ondergrondse warmtebuffers in gesprek te gaan om preventieve maatregelen op te stellen om soortgelijke ongevallen in andere delen van het land te voorkomen? Zo nee, waarom niet, en welke maatregelen gaat u wel nemen om soortgelijke ongevallen te voorkomen?
De gemeente Noordoostpolder heeft vanuit haar verantwoordelijkheid over de verleende vergunning het Ministerie van Volkshuisvesting en Ruimtelijke Ordening (VRO) geïnformeerd over de ontstane situatie en heeft uit voorzorg diverse andere gemeenten met vergelijkbare projecten een brief gestuurd met informatie over de casus Nagele en een onderzoeksrapport in verband met de verzakking2. Daarmee kan elke gemeente een eigen risicoafweging maken. De verantwoordelijkheid voor het verlenen van vergunningen, toezicht en handhaving op de veiligheid van constructies zoals dit soort ondergrondse warmtebuffers ligt bij de gemeente als bevoegd gezag. Vanuit het kabinet is het Ministerie van VRO het eerste aanspreekpunt indien nodig.
Welke consequenties zijn er voor bouwbedrijf HoCoSto voor de schade aan de buitenruimte in Nagele? Welke boetes en straffen zijn er voor de veroorzakers van dit soort incidenten?
De mate waarin een bedrijf aansprakelijk is voor directe of zelfs indirecte schade is een privaatrechtelijk vraagstuk en is afhankelijk van de contractuele afspraken die zijn gemaakt tussen in dit geval HoCoSto B.V. en Energiek Nagele.
Het bedrijf dat het project in Nagele heeft gerealiseerd is echter in 2023 failliet gegaan. Hoewel met behulp van een externe financier de bedrijfsactiviteiten een doorstart hebben kunnen realiseren in een nieuwe entiteit, HoCoSto Renewables B.V., is dit gebeurd zonder overname van de aansprakelijkheden van de oorspronkelijke entiteit.
Is dit incident een milieudelict? Zo ja, welke maatregelen gaan uw ministerie, de NVWA en mogelijk het OM nemen?
Het is niet aan het kabinet om uitspraken te doen over de vraag of een concreet geval is aan te merken als een eventueel milieudelict. Het is daarbij aan het Openbaar Ministerie (OM) om al dan niet over te gaan tot vervolging. Als het OM overgaat tot vervolging en beslist een verdachte te dagvaarden is het uiteindelijk aan de rechter om te oordelen of sprake is van een milieudelict of niet.
In hoeverre betaalt HoCoSto mee aan herstel van de warmtebuffers en de buitenruimte? Deelt u de mening dat vervuilers mee moeten betalen aan de schade die zij verrichten? Zo nee, waarom niet?
Het bedrijf HoCoSto B.V. was verantwoordelijk voor de realisatie van het project in Nagele en is in 2023 failliet gegaan. Zie hiervoor ook het antwoord op vraag 5. De nieuwe entiteit die de bedrijfsactiviteiten heeft overgenomen is niet aansprakelijk en zal daarom niet betalen aan het herstel.
Zoals aangegeven bij het antwoord op vraag 1 is het project in Nagele deel van het Programma Aardgasvrije Wijken (PAW). In de eerste ronde (2018), waar Energiek Nagele onderdeel van is, ontving de gemeente een decentralisatie-uitkering. De gemeente had daardoor veel ruimte om zelf invulling te geven aan de besteding van de middelen. Binnen dit project zijn nog PAW-middelen beschikbaar die de gemeente nu inzet voor het ontmantelen, verwijderen en afvoeren van de installatie, evenals voor aanvullend onderzoek.
Deelt u de mening dat private belangen als winst een belangrijke fase als de energietransitie kunnen belemmeren, doordat bedrijven bijvoorbeeld de aanleg van warmtenetten zo goedkoop mogelijk willen doen waardoor de kans op fouten en ongelukken vergroot? Zo ja, bent u dan bereid stappen te nemen om een publiek energiebedrijf in nationale handen op te richten? Zo nee, waarom deelt u de mening niet en waarom bent u niet bereid energie in volledig publieke handen te nemen?
Het kabinet deelt deze mening niet. We zien dat ook private bedrijven zich inzetten op het versnellen van de energietransitie. Sturing op publieke belangen is geregeld in de recent aangenomen Wet collectieve warmte, waar een verplicht publiek meerderheidsaandeel in bestaande en nieuwe warmte-infrastructuur het uitgangspunt is en is in de oprichting van een nationale deelneming warmte voorzien. Zo wordt de publieke regie versterkt en zal de warmtesector op termijn voor de levering en het transport van warmte voor de meerderheid in publieke handen vallen. Daarmee wordt gewaarborgd dat publieke belangen verankerd worden in de besluitvorming van de warmtebedrijven en de opschaling van investeringen in de warmtetransitie in de gebouwde omgeving. Momenteel worden op veel plekken in het land initiatieven genomen voor de oprichting van publieke warmtebedrijven. Daarnaast voert het kabinet verkennende gesprekken over de overname van de private warmtebedrijven. De oprichting van een nationaal energiebedrijf acht het kabinet in dit licht niet nodig, en staat bovendien op gespannen voet met de wenselijkheid van lokaal of provinciaal aandeelhouderschap gelet op regionaal draagvlak en betrokkenheid.
Het Rapport Wennink |
|
Daniël van den Berg (JA21) |
|
Eelco Heinen (minister financiën, minister economische zaken en klimaat) (VVD), Sophie Hermans (minister klimaat en groene groei, minister infrastructuur en waterstaat) (VVD), Vincent Karremans (VVD) |
|
|
|
|
Kunt u bevestigen dat volgens Netbeheer Nederland het aantal unieke verzoeken op de wachtlijst midden- en laagspanning in 2025 is opgelopen tot 14.044 en het wachtlijstvermogen tot 9,1GW?1
Ja. Volgens de laatste cijfers van Netbeheer Nederland (stand op 1 juli 2025) en zoals gecommuniceerd in de Kamerbrief Aanpak Netcongestie van oktober jl. staan er 14.044 verzoeken van grootverbruikers in de wachtrij voor midden- en laagspanning bij de regionale netbeheerders, voor afname van in totaal 9,1 GW. Daarnaast staan er 8.539 verzoeken van grootverbruikers voor invoeding op midden- en laagspanning bij de regionale netbeheerders op de wachtrij, met een totaal vermogen van 4,6 GW.2 In maart 2026 zal Netbeheer Nederland met een update van deze cijfers komen.
Hoeveel aanvragen op wachtlijsten betreffen (a) MKB, (b) grootverbruik/industrie, (c) maatschappelijke instellingen, en wat zijn de mediane wachttijden per categorie en regio?
Informatie over hoeveel partijen er van verschillende categorieën op de wachtlijst staan is niet beschikbaar. In de meest recente voortgangsrapportage netcongestie3 is wel aangegeven dat er 362 partijen in de prioriteitscategorie nationale veiligheid en 295 partijen in de prioriteitscategorie basisbehoeften op de wachtrij staan. Dit zijn met name (maatschappelijke) instellingen, maar kunnen ook bedrijven zijn die vallen onder een van deze categorieën uit het prioriteringskader. De netbeheerders werken aan het verbeteren van het inzicht in de categorieën van bedrijven op de wachtrij. De mediane wachttijd van partijen op de wachtrij is niet beschikbaar. De capaciteitskaart van Netbeheer Nederland4 laat wel zien wanneer de belangrijkste knelpunten per gebied zijn opgelost en geven daarmee een indicatie van de wachttijd per gebied.
Deelt u de analyse dat netcongestie zowel schaalvergroting als verduurzaming vertraagt en dat in regionale industrie bijna driekwart van verduurzamingsplannen niet tijdig kan doorgaan door tekort aan energie-infrastructuur?
Netcongestie zit inderdaad zowel uitbreiding als verduurzaming van bedrijven in de weg. In de cluster energiestrategie (CES) van cluster 6, waar de regionale industrie gevestigd is, is inderdaad opgenomen dat 73% van de verduurzamingsplannen niet voor 2030 kan doorgaan door het ontbreken van energie-infrastructuur (publicatie januari 2025). De grootste knelpunten die in het rapport worden genoemd zijn, naast netcongestie, de lange afstand tot de hoofdinfrastructuur, het uitblijven van tijdige infrastructuur voor waterstof en CO2, en onvoldoende beschikbaarheid van bio/groen gas en warmte.
Welke concrete stabiliteits- en veiligheidsmarges leiden er volgens u toe dat netten gemiddeld slechts 30% benut worden, en welke ruimte ziet u voor risicogebaseerde herijking zonder leveringszekerheid te schaden?2
Stabiliteits- en veiligheidsmarges hebben betrekking op het aanhouden van reservecapaciteit. TenneT is wettelijk verplicht om voor het hoogspanningsnet extra componenten aan te leggen (de zogenaamde «vluchtstrook» of reservecapaciteit) zodat stroom beschikbaar blijft tijdens onderhoud of een storing. Uitval op het TenneT-net kan namelijk uitval voor een hele provincie betekenen. Door de grote uitbreidingsopgave van het net zal de gereserveerde ruimte voor onderhoud ook de komende jaren hard nodig zijn. Het Ministerie van KGG onderzoekt samen met de ACM en de netbeheerders de mogelijkheden om het elektriciteitsnet zwaarder te belasten. Hierbij wordt ook geanalyseerd hoeveel procent van het net momenteel gebruikt wordt. Het onderzoek verkent ook de mogelijkheden rondom het nemen van meer risico en mogelijke beleidsopties rondom het zwaarder belasten van het net. Het onderzoek zal eind maart bij de komende voortgangsrapportage worden gedeeld met de Kamer. Hierbij wordt ook gekeken naar de daadwerkelijke gemiddelde benutting van het net. Of dit daadwerkelijk 30% is, is nog niet bekend. Een gemiddelde benutting zegt overigens weinig over de daadwerkelijke benutting in een specifiek gebied. Dit is immers sterk afhankelijk van de specifieke situatie, veiligheidseisen en bijvoorbeeld hoe groot de verwachte groei achter de meter is tot het moment van uitbreiding.
Veiligheidsmarges hebben ook betrekking op de wijze waarop netbeheerders omgaan met de verwachte elektriciteitsvraag. Deze prognoses zijn van belang bij het bepalen of er netcongestie kan optreden. Dit betreft bijvoorbeeld de verwachte toename van de elektriciteitsvraag bij bestaande aansluitingen. Daarbij zijn de voorspellingen en onzekerheden rondom deze groei cruciaal. Het kabinet werkt samen met de netbeheerders, de ACM en het bedrijfsleven aan een doorbraakaanpak voor betere benutting van het net. Het verbeteren van de prognoses maakt hier onderdeel van uit. De Kamer wordt binnenkort geïnformeerd over de uitkomsten van deze doorbraakaanpak.
Hoeveel «Zeeland-achtige» flexibiliteitsdeals (zoals TenneT-Air Liquide) zijn sinds 2024 gesloten, en welke juridische/financiële/ACM-belemmeringen remmen opschaling?
TenneT heeft nog één andere vergelijkbare afspraak gesloten.6 In beide gevallen werd (een deel van) reeds toegekende vaste («firm») capaciteit omgezet naar een tijdsduurgebonden contract (TDTR). Hierbij kan TenneT het transportrecht maximaal 15% van het aantal uren in het jaar beperken en krijgt het bedrijf een korting op de nettarieven. In beide gevallen was er sprake van specifieke omstandigheden: het bedrijf was bereid reeds toegekende firm capaciteit om te zetten naar flexibele capaciteit en er was genoeg capaciteit beschikbaar op de rustige momenten om de aanvraag in te kunnen passen. De vrijgekomen transportcapaciteit kon vervolgens worden uitgegeven aan partijen op de wachtrij. Deze nieuwe contractvorm is mogelijk sinds 2024.
Naast deze twee zijn er sindsdien nog negentien andere TDTR-contracten gesloten. Dit betreft partijen op de wachtrij die met dit contract (flexibel) konden worden aangesloten, zonder effect op andere partijen op de wachtrij. Flexibiliteit via alternatieve transportrechten zoals de TDTR is vooral aantrekkelijk voor een bedrijf als oplossing om, ondanks de wachtrij, toch (flexibele) transportcapaciteit te kunnen krijgen.
Ruimte voor nieuwe of zwaardere aansluitingen wordt wel gerealiseerd met congestiemanagementproducten (capaciteitssturingscontract en redispatch). Hierbij passen bestaande grote netgebruikers, tegen vergoeding, hun elektriciteitsbehoefte aan wanneer het net overbelast dreigt te raken. Dit maakt het voor de netbeheerder mogelijk om extra aan te sluiten. Bij de volgende voortgangsrapportage in maart wordt het aantal in 2025 afgesloten congestiemanagementcontracten bij de landelijke en regionale netbeheerders gepubliceerd.
In de laatste brief over de voortgang aanpak netcongestie7 zijn de knelpunten benoemd die grootschalige uitrol van alternatieve transportcontracten in de weg staan. Netbeheerders moeten ervaring opdoen met het aan de man brengen van deze nieuwe producten. Zij moeten daarvoor meer transparantie bieden in waar welke flexibiliteit nodig is. Marktpartijen moeten worden bewogen om flexibeler met gebruik en invoeding van elektriciteit om te gaan. Het kabinet werkt samen met de netbeheerders, de ACM en het bedrijfsleven aan een doorbraakaanpak voor betere benutting van het net. Oplossingen om deze knelpunten te doorbreken maken hier onderdeel van uit. De Kamer wordt binnenkort geïnformeerd over de uitkomsten van deze doorbraakaanpak.
Erkent u dat regionale afstemming over locaties voor energieprojecten tot 10 jaar kan duren en dat dit samenhangt met te weinig ruimtelijke regie op elektriciteitsinfrastructuur? Welke maximale doorlooptijden gaat u hanteren voor locatiekeuze en vergunningen voor netprojecten?3
Het kabinet herkent de duur van 10 jaar voor het gehele realisatieproces van energie-infrastructuurprojecten. Dit omvat meer dan alleen afstemming over locaties. Hierin zit ook technische verkenning, milieu-effectonderzoeken, vergunningverlening volgend op het locatiebesluit, bezwaar- en beroepsprocedures, en de bouw van het project. Het kabinet werkt aan het verkorten van deze totale doorlooptijd, zoals aangegeven in de Kamerbrief «sneller uitbreiden elektriciteitsnet» van 25 april 20259. Onderdeel hiervan is het wetgevingsprogramma netcongestie. Per 1 januari 2026 geldt bijvoorbeeld een standaard gedoogplicht voor onderzoekswerkzaamheden waardoor de voorbereidingen tot locatiekeuze minder vertraging kunnen oplopen.
Het uitgangspunt blijft een zorgvuldig doorlopen proces. Voor vergunningverlening en bezwaar- en beroepsprocedures bestaan vrij scherpe maximale termijnen. Daarom wordt onderzocht hoe processtappen simultaan kunnen verlopen en zo efficiënt mogelijk ingericht om de doorlooptijd te minimaliseren. Met de wettelijke maatregel «Versnelde beroepsprocedure voor elektriciteitsprojecten vanaf 21kV» die uiterlijk begin 2027 in werking treedt, worden stappen in de beroepsprocedure overgeslagen met mogelijk 1,5 jaar verkorting van doorlooptijden. Uiteindelijke inwerkingtreding is afhankelijk van de grondslag in de Wet Regie Volkshuisvesting die momenteel voor behandeling in de Eerste Kamer ligt.
Het kabinet werkt ook aan versnelling van de locatiekeuze binnen de projectprocedure. Een groot deel van deze procedure is door (Europese) wetgeving verplicht, het kabinet onderzoekt de mogelijkheden om binnen deze kaders te versnellen. De doorlooptijd van dit proces kan één of meerdere jaren duren. In verband met de complexiteit en beslag op de ruimte kan dit proces sneller bij 110/150kV projecten dan 220/380kV. Het kabinet werkt aan versnelling met afspraken over het trechteren van locaties. Met steun van gemeenten en provincies kaderen we het afwegen van alternatieve locaties en de inrichting van een zo snel mogelijke én zorgvuldige procedure. Om de ruimtelijke regie verder te versterken wordt er aan de hand van de projectenaanpak ook gewerkt aan het sneller aanwijzen van bevoegd gezag. KGG faciliteert deze snellere aanwijzing door in een vroeg stadium gesprekken te organiseren tussen TenneT en decentrale overheden. Met deze beleidsmatige en wettelijke stappen voorkomen we te lange procedures, versnelt tussentijdse besluitvorming en kan het Rijk ingrijpen bij impasses.
Ook het formatierapport «Routes naar realisatie: keuzes voor het klimaat en de energietransitie»10 gaat in op knelpunten t.a.v. de lange doorlooptijden van energieprojecten en brengt beleidsopties in kaart, zoals proactieve ruimtelijke sturing via actief grondbeleid.
Kunt u bevestigen dat elektriciteitskosten in Nederland 20–50% hoger liggen dan buurlanden en dat industriële elektriciteitsprijzen tot de helft hoger kunnen zijn? Welke maatregelen neemt u om prijspariteit met België en Duitsland te bereiken en op welke termijn?4
In 2024 en 2025 heeft het kabinet onderzoek laten uitvoeren naar de elektriciteitskosten in Nederland ten opzichte van buurlanden. Hieruit blijkt inderdaad dat de elektriciteitskosten voor industriële grootverbruikers in Nederland fors hoger liggen. In de Kamerbrieven van 25 april 202512 en 16 september 202513 is de Kamer over verschillende maatregelen geïnformeerd die het kabinet op nationaal niveau neemt om de energierekening voor bedrijven en consumenten te verlagen. Zo is de indirecte kostencompensatie ETS (IKC-ETS) verlengd tot en met 2028 en werkt het kabinet opties uit om de nettarieven te verlagen, gericht op besluitvorming door een nieuw kabinet.
Deelt u de inschatting dat nettarieven richting 2040 meer dan verdubbelen bij ~5% groei per jaar? Hoeveel komt hiervan neer bij huishoudens, MKB en industrie, en welke dempingsopties onderzoekt u?5
De elektriciteitsnettarieven kunnen bij ongewijzigd beleid inderdaad meer dan verdubbelen. Het kabinet heeft dit in de kabinetsreactie op het IBO-rapport Bekostiging van de Elektriciteitsinfrastructuur eveneens aangegeven.15 De geraamde stijging richting 2040 is echter met aanzienlijke onzekerheden omgeven. In de kabinetsreactie op het IBO heeft het kabinet meerdere opties geschetst om de kosten van netbeheerders, en daarmee de tarieven van aangeslotenen, te dempen. Deze opties zijn onder meer energiebesparing, het flexibiliseren van het netgebruik door aangeslotenen, het beter benutten en zwaarder belasten van de netten, locatiesturing en het maken van andere keuzes voor het toekomstig energiesysteem. Zie in onderstaande figuur de verdeling van de groei van de netkosten per categorie aangeslotenen.
Ook het anders verdelen van de kosten in de tijd in de vorm van een zogenoemde amortisatierekening is onderzocht. Hierbij wordt een deel van de kosten doorgeschoven naar toekomstige gebruikers. Op Prinsjesdag heeft het kabinet moeten concluderen dat de rationale en juridische mogelijkheid hiervoor ontbreekt.16 In dezelfde brief geeft het kabinet aan dat ook een eventuele subsidie aan TenneT tot de mogelijkheid behoort om de netkosten te dempen. Een dergelijke maatregel heeft significante en langjarige budgettaire consequenties, zoals ook blijkt uit het formatierapport «Routes naar Realisatie»17. Besluitvorming hierover is aan een nieuw kabinet.
Bent u bereid de optie uit te werken om de energiebelasting op elektriciteit voor grootverbruik richting het EU-minimum te brengen?
Het kabinet onderschrijft het belang van concurrerende energieprijzen en een gelijk speelveld voor de industrie. Het verlagen van de energiebelasting op elektriciteit kan hieraan bijdragen, zoals ook beschreven in het in het vorige antwoord genoemde rapport Routes naar Realisatie. Het belang van een dergelijke belastingverlaging voor de industrie zal moeten worden afgewogen tegen de doelstellingen van de energiebelasting, namelijk het genereren van overheidsinkomsten en het stimuleren van energiebesparing. Daarbij is ook relevant dat een verlaging van de energiebelasting op elektriciteit slechts een beperkt effect zou hebben op de elektriciteitskosten van grote industriële bedrijven, doordat net- en elektriciteitstarieven een groter onderdeel vormen van de energiekosten, en doordat een deel van de industrie al is vrijgesteld van energiebelasting. Besluitvorming hierover is aan een nieuw kabinet.
Welke nationale koppen bovenop Europees beleid dragen volgens u aantoonbaar bij aan concurrentienadeel, en welke koppen heroverweegt u in het licht van investeringszekerheid en industriebehoud?6
Er zijn diverse factoren die bijdragen aan concurrentienadeel. Dat kunnen nationale koppen zijn, zoals de CO2-heffing voor de industrie, maar ook een hoger tarief in de energiebelasting of het feit dat in Nederland de volumecorrectieregeling (VCR) – conform EU-regels – is afgeschaft terwijl andere landen deze nog steeds hanteren. Een uitgebreid overzicht van factoren die invloed hebben op het concurrentievermogen is te vinden in de Speelveldtoets19. Daaruit blijkt dat de hoge elektriciteitskosten in vergelijking met buurlanden één van de belangrijkste factoren zijn. Het kabinet probeert dit speelveld gelijker te trekken door onder andere de indirecte kostencompensatie ETS (IKC-ETS) te verlengen. Met het pakket voor Groene Groei20 heeft het kabinet eerder al ingezet op het herstellen van het gelijk speelveld en verbeteren van het concurrentievermogen door het effectief buiten werking stellen van de CO2-heffing en niet invoeren van de plasticsheffing. Tegelijkertijd heeft Nederland relatief veel subsidies voor de industriesector ten opzichte van buurlanden21 en zijn er andere factoren die een positief effect op de concurrentiepositie van de Nederlandse industrie hebben zoals opgebouwde expertise, logistieke hubs, goede infrastructuur en een hoog opgeleide bevolking.
Deelt u dat netcongestie een belangrijk obstakel is voor AI-proposities en dat hyperscale-datacenters door beleid feitelijk in 340 van 342 gemeenten niet mogelijk zijn?7
Het kabinet erkent dat netcongestie een belangrijk obstakel is. Voldoende datacentercapaciteit is randvoorwaardelijk voor het realiseren van de Nederlandse AI-ambities. Wachtlijsten voor aansluitingen en bouwstops belemmeren de groei van deze sector. Het recente advies van Peter Wennink benadrukt terecht de urgentie om netcongestie aan te pakken via betere netbenutting, flexibiliteit, prioritering en publiek-private samenwerking.
In 2023 is in de algemene maatregel van bestuur (AMvB) in het Besluit kwaliteit leefomgeving (paragraaf 5.1.7.7) een instructieregel opgenomen waaruit volgt dat de bouw van hyperscale datacenters – met een vermogen van meer dan 70 MW en een ruimtebeslag van meer dan 10 hectare – op dit moment inderdaad feitelijk in slechts twee gemeenten mogelijk is. Dit beleid voorziet in landelijke regie op deze zeer grootschalige faciliteiten vanwege hun impact op leefomgeving, energievoorziening en infrastructuur, en is daarmee niet toe te schrijven aan netcongestie. Er bestaan geen landelijke restricties voor vestiging van datacenters onder de drempelwaardes van hyperscale datacenters uit deze AMvB. Grote datacenters kunnen worden gebouwd zolang zij niet tegelijk aan beide criteria voldoen. De besluitvorming hierover is een bevoegdheid van gemeenten en provincies. Zij bepalen of, en onder welke voorwaarden zij datacenters op hun grondgebied toestaan.
Datacenters die onder de criteria van deze AMvB ontwikkeld mogen worden kunnen evengoed een waardevolle bijdrage leveren aan de ontwikkeling van AI-capaciteit en digitale infrastructuur.
Gezien het projectvoorstel «AI Gigafabriek» >100.000 GPU’s en 250–750 MW IT-capaciteit noemt, welke harde randvoorwaarden stelt het kabinet aan netinpassing, flexibiliteit en restwarmte zodat dit niet tot extra congestie leidt?
De precieze grootte van de omvang van een AI-gigafabriek staat niet vast en kan verschillen per projectvoorstel. AI-infrastructuur vormt de fundering onder moderne AI-modellen en -toepassingen. Het kabinet verwelkomt daarom AI-infrastructuur initiatieven en investeringen waar zij positief bijdragen aan een evenwichtige ontwikkeling van het nationale en Europese AI-ecosysteem.
Dit kunnen volledig private AI-infrastructuur projecten zijn.
Met betrekking tot het specifieke publiek-private Europese AI-gigafabrieken initiatief heeft het kabinet nog geen definitieve besluitvorming afgerond of formele keuze gemaakt om mee te financieren aan een AI-gigafabriek binnen de EuroHPC call voor AI-gigafabrieken die nog opengesteld moet worden.23 De precieze randvoorwaarden voor ondersteuning en co-financiering van een AI-gigafabriek worden op dit moment nog uitgewerkt door de Europese Commissie en zullen bij openstelling van de call bekend zijn. Wel is in de amendering van de EuroHPC-verordening al benadrukt dat voor AI-gigafabrieken energie-efficiëntie en duurzaamheid deel zullen uitmaken van de criteria die de Commissie wil meenemen in het selectieproces.
Het versnellen van energieonafhankelijkheid en een betaalbare energierekening. |
|
Sjoukje van Oosterhout (GroenLinks-PvdA) |
|
Stientje van Veldhoven (D66) |
|
|
|
|
Bent u op de hoogte van het feit dat Spanje in deze nieuwe energiecrisis een van de Europese landen is met de goedkoopste energierekeningen juist dankzij de grote toename van hernieuwbare energie?1
Wat kan Nederland volgens u leren van de toegenomen weerbaarheid en goedkopere energierekeningen in Spanje?
Bent u op de hoogte van de vaststelling dat de transitie naar net zero voor het Verenigd Koninkrijk goedkoper zou uitkomen dan de kostprijs van één enkele fossiele energiecrisis?2
Wat kan Nederland volgens u hiervan leren?
Werkt u naar aanleiding van de olie- en gascrisis aan een versnellingsplan voor hernieuwbare energie en energiebesparing?
Hoe zult u bijvoorbeeld uitwerking geven aan de aangenomen motie Van Oosterhout c.s. om versneld de 1 GW wind op zee uit te rollen (Kamerstuk 36 800 XXIII, nr. 26)?
Welke mogelijkheden ziet u bovenop het coalitieakkoord om toch nog versneld te vergroenen om zo weerbaarder te worden, de energierekeningen van mensen en bedrijven te doen dalen en te vermijden dat de onvermijdelijk volgende olie- of gascrisis Nederland nóg meer geld gaat kosten?
Welke investeringen in verduurzaming zouden er vervroegd kunnen worden in de tijd om sneller te kunnen genieten van die voordelen van meer weerbaarheid en goedkopere energierekeningen?
Bent u op de hoogte van het Spoedplan voor minder aardgas van de Nederlandse Vereniging Duurzame Energie (NVDE)?3
Welke elementen uit dit plan kunnen volgens u versneld uitgevoerd worden?
Welke delen kunnen volgens u niet versneld uitgevoerd worden en waarom niet?
Indien bepaalde blokkades de uitvoering van die delen in de weg staan, wat zou er nodig zijn om die blokkades op te heffen?
Zou u deze vragen kunnen beantwoorden voor het commissiedebat Hernieuwbare energie van 1 april a.s.?
De juridische implicaties van het on hold zetten van gaswinning |
|
Sjoukje van Oosterhout (GroenLinks-PvdA) |
|
Stientje van Veldhoven (D66) |
|
|
|
|
Zou een tijdelijk staken van reeds vergunde gaswinning om bepaalde onderzoeken naar de gevolgen ervan af te wachten, neerkomen op contractbreuk met de gaswinningsbedrijven?
Heeft u binnen de huidige wetgeving juridische mogelijkheden om een algemene tijdelijke of permanente stop op nieuwe gasboringen in te voeren in een specifiek gebied, inclusief wanneer er exploratievergunningen zijn toegekend? Is er daarbij een verschil tussen projecten die nog in een proefboorfase zitten en projecten die al volop gas aan het winnen zijn? Zo ja, welke mogelijkheden heeft u?
Welke juridische mogelijkheden heeft u om reeds verleende vergunningen voor gasboringen weer in te trekken?
Heeft u juridische mogelijkheden om reeds lopende gaswinningsprojecten tijdelijk of permanent stil te leggen in een specifiek gebied? Zo ja, welke?
In welke van deze gevallen zullen betrokken bedrijven financieel gecompenseerd moeten worden en in welke gevallen is dat niet nodig?
Zijn er omstandigheden waarin u meer ruimte heeft om vergunningen in te trekken of vergunde projecten stil te leggen, bijvoorbeeld in het geval van nieuwe inzichten over risico’s die bij op het moment van vergunningverlening niet bekend waren of als minder riskant werden ingeschat?
De impact van de EU Methane Emissions Regulation op de leveringszekerheid van aardgas |
|
Henk Jumelet (CDA) |
|
Stientje van Veldhoven (D66) |
|
|
|
|
Bent u bekend met het rapport «EU Methane Emissions Regulation – Analysis of Market Impacts»?1
Hoe beoordeelt u, mede in het licht van de huidige instabiele geopolitieke situatie en het belang van leveringszekerheid, de bevindingen uit het rapport dat door de importvereisten volgend uit de Europese Methane Regulation vanaf 2027 mogelijk tot 43% van de huidige gasimport van de EU (circa 114 bcm) en 87% van de ruwe olie niet meer aan de regelgeving voldoet en daarmee niet geïmporteerd kan worden?
Hoe beoordeelt u het risico dat deze regelgeving daardoor zal leiden tot een aanbodtekort aan aardgas in Europa, aangezien het rapport concludeert dat de hoeveelheid gas die aan de EU-eisen voldoet mogelijk lager is dan de Europese vraag vanaf 2027?
Deelt u de zorg uit het rapport dat een door regelgeving veroorzaakt aanbodtekort kan leiden tot sterk stijgende gasprijzen en mogelijke vraagvernietiging, met gevolgen voor huishoudens, elektriciteitsproductie en energie-intensieve industrieën?
Welke mogelijkheden ziet het u om bij de verdere implementatie van de Europese Methaanverordening te voorkomen dat de leveringszekerheid van aardgas in gevaar komt, bijvoorbeeld door aanpassingen in de eisen rond monitoring, rapportage en verificatie voor importeurs? In hoeverre zijn dergelijke aanpassingen volgens u wenselijk en mogelijk?
In hoeverre en onder welke voorwaarden bent u bereid zich in Europees verband in te zetten voor een pragmatische implementatie of gerichte aanpassing van de regelgeving, zoals in het rapport wordt voorgesteld, om verstoringen van de Europese gas- en olievoorziening te voorkomen?
Veiligheids- en gezondheidsrisico’s van windturbines |
|
Henk Vermeer (BBB) |
|
Bertram , van Bruggen |
|
|
|
|
Gelet op de antwoorden op eerdere Kamervragen over de veiligheidsrisico’s van windturbines en de daarin genoemde verwijzingen naar rapportages van de Onderzoeksraad voor Veiligheid (OVV)1 heeft het lid Vermeer de volgende aanvullende vragen.
Waarom wordt in uw beantwoording gesteld dat er geen significante veiligheidsrisico’s zijn, terwijl de OVV-kwartaalrapportage juist wél benoemt dat windturbines bijdragen aan verdichting van VFR-verkeersstromen2 en daarmee een verhoogde kans op luchtbotsingen?
Waarom heeft de OVV nooit een volledig onderzoek uitgevoerd naar veiligheidsrisico’s van windturbines, terwijl burgers voor hun veiligheid volledig afhankelijk zijn van overheid, bedrijven en instellingen?
Welke veiligheidsperimeter wordt gehanteerd rond een brandende windturbine, wie stelt deze instructies vast en zijn deze eenduidig bekend bij alle brandweerkorpsen en veiligheidsregio’s?
Hoe wordt gecontroleerd wat er gebeurt met brokstukken, brandresten en gesmolten materialen die van grote hoogte verspreid worden en tot welke afstand wordt dit onderzocht?
Welke concrete eisen stellen vergunningverlenende partijen aan initiatiefnemers met betrekking tot communicatie over risico’s en noodprocedures voor omwonenden?
Wat zijn de actuele externe veiligheidsafstanden voor windturbines, hoe wordt de rekenmethodiek vastgesteld, door wie, en wanneer zijn deze afstanden voor het laatst aangepast op basis van incidentcasuïstiek zoals bij Nieuwleusen?
Hoe wordt van exploitanten verwacht dat zij milieuschade beperken wanneer brandbestrijding bij windturbines feitelijk niet mogelijk is en welke normen of eisen gelden hiervoor?
Naar welke specifieke wet- en regelgeving wordt verwezen wanneer wordt gesteld dat de bestrijdbaarheid en gevolgen voor de leefomgeving voldoende zijn ondervangen, terwijl u tegelijk aangeeft dat brandbestrijding op hoogte niet kan plaatsvinden?
Op welke turbinehoogte is de brandweeraandachtskaart met een standaardveiligstellingsafstand van 500 meter gebaseerd en is deze afstand nog actueel gezien de aanzienlijke toename in turbinehoogtes?
Windturbines op land |
|
Henk Vermeer (BBB) |
|
Stientje van Veldhoven (D66) |
|
|
|
|
Kunt u bevestigen dat Nederland het enige EU-land is dat jaargemiddelde geluidsnormen voor windturbines hanteert, terwijl landen als Duitsland, België en het Verenigd Koninkrijk korte-termijnnormen gebruiken (variërend van per uur tot per 10 minuten)?
Waarom wijkt Nederland af van deze internationale praktijk van kortere beoordelingsperioden, vooral gezien het feit dat gezondheidseffecten zoals slaapverstoring juist samenhangen met piekgeluiden en niet met jaargemiddelden?
Kunt u bevestigen dat de directeur-generaal van het Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu (RIVM) in een Landelijk Orgaan Wetenschappelijke Integriteit-procedure (LOWI) heeft verklaard dat de RIVM-factsheet over windturbinegeluid «niet gelezen kan worden als de laatste stand van de wetenschap», maar slechts een «weergave van beleidsonderbouwing» is? Zo ja, hoe kan dit vervolgens de basis vormen voor gemeentelijke en provinciale besluitvorming?
Bent u bereid de gezondheidskundige basis van de normen te actualiseren op basis van recentere buitenlandse onderzoeken, zoals de Duitse dose-effect relatie (2022), die wel met feitelijke metingen is gevalideerd?
Hoe beoordeelt u de berekening1 dat bij Level day-evening-night (Lden) 45 decibel (dB) circa 40% van de omwonenden ernstige hinder ervaart? Bent u bereid een wetenschappelijke toets uit te laten voeren op deze berekening?
Bent u bereid onafhankelijk veldonderzoek te laten uitvoeren naar de verspreiding van PFAS, BPA en andere schadelijke stoffen afkomstig van slijtage van windturbinebladen, zoals nu door meerdere experts wordt aanbevolen?
Kunt u uitleggen waarom het voorzorgsprincipe niet wordt toegepast zolang er geen duidelijkheid is over zowel chemische emissies als mogelijke effecten van infra- en laagfrequent geluid?
Kunt u bevestigen dat volgens het Nationaal Plan Energiesysteem (NPE) de directe elektriciteitsvraag van 2050 (273 terawattuur (TWh)) volledig kan worden gedekt door wind op zee, zon en kernenergie, ook zonder extra wind op land? (NPE-cijfers: 315 TWh wind op zee, 135 TWh zon, 56 TWh kernenergie)
Waarom handhaaft het NPE dan een doorgroeiambitie van 29 TWh extra wind op land, terwijl uit de beantwoording van eerdere Kamervragen blijkt dat de waterstofgerelateerde vraag in Nederland waarschijnlijk grotendeels goedkoper via import wordt ingevuld?
Kunt u bevestigen dat maatschappelijke kosten zoals slaapverstoring, stress, zorgkosten, uitval op werk en school, woningwaardedaling en leefomgevingsschade niet worden meegenomen in de huidige maatschappelijke kosten-batenanalyse (mkba) en systeemverkenningen voor het energiesysteem?
Bent u bereid een integrale mkba uit te voeren waarin wind op land, wind op zee, kernenergie en import in verschillende scenario’s worden vergeleken, zodat de politiek een transparante keuze kan maken?
Kunt u bevestigen dat wind op land vanwege de lagere vollasturen en grotere fluctuaties een ongunstiger productieprofiel heeft dan wind op zee, waardoor in de praktijk meer bijstook in gascentrales nodig is? Zo nee, kunt u dit onderbouwen met historische productiedata?
Bent u bereid dit CO2-verschil structureel te laten doorrekenen door Planbureau voor de Leefomgeving (PBL) of TNO, zodat de klimaatimpact van extra wind op land objectief beoordeeld kan worden?
Hoe rijmt u dat in officiële communicatie en in het Klimaatakkoord wordt gesteld dat windmolens «bij voorkeur op zee» moeten worden geplaatst, terwijl tegelijkertijd de ambitie voor wind op land wordt vergroot ondanks het al bereiken van de oorspronkelijke 35 TWh-doelstelling?
Cumulatieve hydrodynamische effecten van offshore windparken op de Noordzee |
|
Henk Vermeer (BBB) |
|
Stientje van Veldhoven (D66) |
|
|
|
|
Bent u bekend met de recent gepubliceerde studie «Cumulative hydrodynamic impacts of offshore wind farms on North Sea currents and surface temperatures»1, waaruit blijkt dat offshore windparken substantiële veranderingen veroorzaken in stromingen, menging en temperatuur in de Noordzee?
Hoe beoordeelt u de conclusie dat grootschalige uitrol van windparken de gemiddelde oppervlakte-stromingssnelheid met 10% tot 20% kan verlagen, en lokaal zelfs meer dan 20%? Welke implicaties heeft dit volgens u voor veiligheid, scheepvaart, ecologie en morfologie?
De studie laat zien dat zowel wind- als getijwakes turbulentie en mengprocessen veranderen, met sterke lokale hotspots bij turbinefundaties en grootschalige afname van verticale menging buiten windparken. In hoeverre worden deze hydrodynamische veranderingen momenteel meegenomen in MER-procedures en vergunningverlening?
Welke risico’s ziet u voor zuurstofhuishouding, eutrofiëring en visbestanden, met name in kwetsbare gebieden zoals de Oyster Grounds, aangezien de studie aantoont dat stratificatie in grote delen van de Noordzee sterker wordt door verminderde verticale menging, inclusief het ondieper worden van de pycnocline met circa 2 meter?
Waarom kent het Nederlandse ruimtelijke beleid momenteel geen minimale afstandsnormen gebaseerd op hydrodynamische of ecologische criteria, aangezien de studie benadrukt dat turbine-spacing (1.000 meter versus 3.000 meter) een cruciale factor is voor de omvang van hydrodynamische verstoring?
Hoe beoordeelt u de conclusie dat de totale impact van toekomstige windparken lijkt op een additionele antropogene klimaatforcing, met hydrodynamische en thermische veranderingen die zich op bekkenniveau verspreiden? Vindt u dat dit type effecten voldoende worden erkend in internationale afspraken binnen Noordzeesamenwerking?
Acht u het wenselijk om conform de aanbeveling van de onderzoekers over te stappen op volledig gekoppelde atmosfeer-oceaanmodellen bij de beoordeling van offshore windprojecten, gezien het feit dat atmosferische terugkoppelingen (zoals veranderende windpatronen) de huidige resultaten nog kunnen versterken?
Kunt u aangeven hoe het huidige Nederlandse beleid borgt dat cumulatieve, grensoverschrijdende en langjarige hydrodynamische effecten voldoende worden meegenomen, aangezien de studie suggereert dat cumulatieve effecten een grotere rol spelen dan tot nu toe aangenomen en zich honderden kilometers van de windparken kunnen manifesteren?
Bent u bereid om, samen met buurlanden rond de Noordzee, een actualisatie van de gezamenlijke strategische impactanalyses uit te voeren waarin deze nieuwe bevindingen expliciet worden geïntegreerd, zodat toekomstige windenergieontwikkeling niet leidt tot onvoorziene grootschalige veranderingen van het Noordzeesysteem?
Indien u dat niet van plan bent, waarom niet?
Het bericht dat QatarEnergy zich beroept op overmacht. |
|
Hidde Heutink (PVV) |
|
Stientje van Veldhoven (D66) |
|
|
|
|
Bent u op de hoogte gesteld door QatarEnergy dat zij zich beroepen op overmacht en daarom op dit moment hun contractuele verplichtingen niet kunnen nakomen?1
Kunt u aangeven of er sprake is van contractbreuk met QatarEnergy (27-jarig contract)?
Zijn er passages in het contract waarop Nederland zich in dit soort situaties zich kan beroepen?
Bent u bereid om een schadeclaim in te dienen bij QatarEnergy?
Bent u bereid om (al dan niet vertrouwelijk) het contract met QatarEnergy ter inzage aan de Kamer te leggen?
Wat zijn de gevolgen voor Nederland nu QatarEnergy zich beroept op overmacht en de productie van LNG stopt?
Vindt u het niet ongelofelijk dom dat wij de gasvoorraad van Nederlandse bodem, de grootste van Europa, gaan dichtmetselen terwijl we zien dat onze leverancier van LNG in één keer de toevoer kan stoppen, om welke reden dan ook?
Bent u bereid om het Groninger gasveld opnieuw in gebruik te nemen, exclusief voor nationaal gebruik, mits u de Groningers ruimhartig en zonder bureaucratische hobbels compenseert, om zo de komende 20 jaar voor vaste (goedkope) prijzen gas aan alle Nederlanders te leveren? Zo nee, waarom niet?
Bent u het ermee eens dat het opnieuw in gebruik nemen van het Groninger gasveld goed is voor de Nederlandse economie en dus zorgt voor meer rust in de portemonnee? Zo nee, waarom niet?
Bent u bereid om deze vragen voor dinsdag 15:00 uur te beantwoorden en in de tussentijd direct te beginnen met het winnen van gas van Nederlandse bodem? Zo nee, waarom niet?
Het bericht 'Oorlog in Iran kan energierekening gaan raken nu gasvoorraad erg laag is' |
|
Lidewij de Vos (FVD) |
|
Stientje van Veldhoven (D66) |
|
|
|
|
Bent u bekend met het bericht «Oorlog in Iran kan energierekening gaan raken nu gasvoorraad erg laag is»?1 Hoe beoordeelt u dit bericht?
Bent u bekend met het bericht «TNO: niet alle gasputten Groningen dichtmetselen, acuut tekort denkbaar»?2 Hoe beoordeelt u de uitspraken van TNO?
Erkent u dat het heropenen van het Groninger gasveld zou betekenen dat de energierekening omlaag gaat voor Nederlanders? Zo nee, waarom niet?
Deelt u de mening dat het in tijden van geopolitieke instabiliteit en oorlog onwenselijk is om afhankelijk te zijn van het importeren van gas uit het buitenland? Kunt u uw antwoord toelichten?
Klopt het dat het gasveld in Groningen het grootste in Europa is?
Erkent u dat de gasvoorraad in Groningen door de recente geopolitieke ontwikkelingen veel meer waard is geworden? Bent u bereid dit te benutten? Zo nee, waarom niet? Zo ja, hoe wilt u dit aanpakken?
Acht u het in het Nederlands belang om de gasputten in Groningen vol te storten met cement en daarmee de mogelijkheid uit te sluiten een beroep te kunnen doen op de gasvoorraad in geval van nood? Bent u bereid om het volstorten met cement stop te zetten, of in ieder geval te pauzeren? Kunt u uw antwoord toelichten?
Bent u bereid om de gaswinning in Groningen, zelfs al zij het maar tijdelijk, te hervatten om de energiezekerheid van Nederland veilig te stellen? Zo nee, waarom niet?
Kunt u deze vragen zo spoedig mogelijk, in ieder geval voor het debat over Iran, en afzonderlijk van elkaar beantwoorden?
De gevolgen van het conflict in het Midden-Oosten voor de Europese energiezekerheid en de Nederlandse gasvoorziening |
|
Laurens Dassen (Volt) |
|
Stientje van Veldhoven (D66) |
|
|
|
|
Bent u bekend met de huidige situatie in het Midden-Oosten, waaronder de Iraanse aanvallen op energiefaciliteiten in Qatar en de blokkering van de Straat van Hormuz, en de effecten die dit conflict heeft op de wereldwijde prijzen voor fossiele brandstoffen?
Kunt u toelichten waarom de Nederlandse gasvoorraad op dit moment historisch laag is in vergelijking met voorgaande jaren en met andere Europese landen, en hoe dit zich verhoudt tot de toegenomen geopolitieke risico’s voor de energiezekerheid?
Herkent u de uitspraak van een woordvoerder van Gasunie op 24 februari jl. dat Nederland zich geen zorgen hoeft te maken over de gasvoorraden zolang er zich geen uitzonderlijke omstandigheden voordoen zoals het sluiten van de Straat van Hormuz? Deelt u de zorg dat deze omstandigheid zich nu feitelijk voordoet en wat zijn naar uw oordeel de gevolgen hiervan voor de Nederlandse leveringszekerheid op korte termijn?
Heeft u inzicht in de mogelijke gevolgen voor de leveringszekerheid indien de gasprijzen verder stijgen of de aanvoer langdurig wordt verstoord? Zo ja, beschikt u over een concreet plan om deze risico’s op te vangen en bent u bereid de hoofdlijnen hiervan met de Kamer te delen?
Overweegt u om, in navolging van andere landen en in Europees verband, strategische olie- en gasreserves aan te leggen of uit te breiden als buffer tegen geopolitieke verstoringen van de energieaanvoer? Zo nee, waarom niet?
Herkent u de analyse dat de Europese afhankelijkheid van externe energiebronnen en het gebrek aan interne Europese coördinatie de positie van Europa verzwakt bij geopolitieke conflicten die de energiezekerheid raken? Zo ja, welke stappen onderneemt Nederland om de positie te verbeteren?
Het AggregateEU-platform voor gezamenlijke Europese gasinkoop bestaat sinds de energiecrisis na de Russische invasie van Oekraïne, maar wordt tot op heden slechts beperkt benut; waarom wordt dit mechanisme niet beter benut als reactie op de huidige crisis, en wat zijn volgens u de concrete obstakels hiervoor?
Zijn er op dit moment concrete afspraken met buurlanden over onderlinge bijstand bij energietekorten, en wat houden deze afspraken in? Zo nee, bent u bereid dergelijke afspraken alsnog te maken?
Welke lessen trekt u uit de huidige situatie voor de versnelling van de energietransitie, en hoe voorkomt u dat kortetermijndruk op leveringszekerheid leidt tot nieuwe fossiele afhankelijkheden?
Kunt u deze vragen afzonderlijk en binnen de geldende termijn beantwoorden?
De ruimte voor efficiënte biomassaketels in warmtetransitiegebieden |
|
André Flach (SGP) |
|
Boekholt-O’Sullivan |
|
|
|
|
Kunt u aangeven op welke wijze u tot uw stelling bent gekomen dat een goede, efficiënte bioketel met eenvoudige aanvullingen, zoals isolatie en inregelen, aan de voorgestelde grenswaarde van 0,7 voor de energieprestatie van technische bouwsystemen voor ruimteverwarming in het Ontwerpbesluit gemeentelijke instrumenten warmtetransitie kan voldoen (Kamerstuk 36 387, nr. 50)?
Wat zijn de aanvullingen die nodig zijn voor een bioketel om aan de grenswaarde van 0,7 te voldoen en in hoeverre acht u deze aanvullingen eenvoudig te zijn?
Kunt u de bijbehorende berekeningen met de Kamer delen?
Op welke wijze gaat u, zoals aangegeven tijdens het genoemde tweeminutendebat, de vinger aan de pols houden om na te gaan of er in de praktijk problemen ontstaan nadat het genoemde besluit in werking is getreden?
De aanhoudende problemen met zwerfstroom bij veehouderijbedrijven |
|
André Flach (SGP), Chris Stoffer (SGP) |
|
Sophie Hermans (minister klimaat en groene groei, minister infrastructuur en waterstaat) (VVD), Thierry Aartsen (VVD), Femke Wiersma (minister landbouw, visserij, voedselzekerheid en natuur) (BBB) |
|
|
|
|
Heeft u kennisgenomen van de aanhoudende problemen met zwerfstroom bij onder meer veehouderijbedrijven1?
Kunt u in afstemming met onder meer provincies, gemeenten en sectororganisaties aangeven in hoeverre in andere regio’s in het land bij veehouderijbedrijven ook problemen ervaren worden die mogelijk in verband staan met zwerfstroom?
Deelt u de mening dat het vanwege de toenemende elektrificatie goed is om tijdig onderzoek te doen naar mogelijke risico’s van zwerfstroom en de mogelijkheden om dit te voorkomen?
Waarom is door de provincie Zuid-Holland gevraagd multidisciplinair onderzoek naar de zwerfstroomproblematiek geweigerd2, terwijl verschillende experts wijzen op de mogelijkheid van bedrijfsoverstijgende oorzaken3, 4?
Bent u alsnog bereid het gevraagde multidisciplinaire onderzoek op te pakken?
Het rapport van de Algemene Rekenkamer 'Energiebesparing: stimuleren of verplichten?' van 15 januari 2026. |
|
Felix Klos (D66), Christine Teunissen (PvdD), Sjoukje van Oosterhout (GroenLinks-PvdA) |
|
Sophie Hermans (minister klimaat en groene groei, minister infrastructuur en waterstaat) (VVD) |
|
|
|
|
Bent u op de hoogte van het rapport van de Algemene Rekenkamer, waarin wordt geconcludeerd dat er voor ruim € 50 miljoen overlap bestaat tussen vier subsidieregelingen voor energiebesparing en de wettelijke energiebesparingsplicht?1
Deelt u de conclusies van de Algemene Rekenkamer over de omvang van de overlap en de geïdentificeerde regelingen?
Welk deel van de recent beschikbare subsidiebudgetten voor energiebesparing bij bedrijven is ingezet voor maatregelen die reeds onder bestaande wettelijke verplichtingen vallen, uitgesplitst naar regeling en jaar, en acht u deze inzet doelmatig?
Hoe verklaart u dat er volgens de Algemene Rekenkamer nog steeds onvoldoende zicht is op welke bedrijven precies onder de energiebesparingsplicht vallen, terwijl deze plicht al sinds 1993 bestaat?
Hoe bent u voornemens het door de Algemene Rekenkamer gesignaleerde gebrek aan inzicht in informatie, effectiviteit en overlap van regelingen te verbeteren?
Hoe beoordeelt u de effectiviteit van de huidige energiebesparingsplicht en de handhaving daarvan in termen van daadwerkelijk gerealiseerde energiebesparing en CO2-reductie, en beschikt u over een sectorale onderbouwing van deze effecten?
Bent u, conform de aanbeveling van de Algemene Rekenkamer, bereid subsidieregelingen zodanig aan te passen dat financiering van maatregelen die onder de energiebesparingsplicht vallen uitsluitend mogelijk is bij aantoonbare aanvullende besparing boven op de wettelijke plicht, en zo ja, op welke termijn?
Hoe waarborgt u dat deze aanpassingen aansluiten bij de invoering van de nieuwe regels voor de energiebesparingsplicht?
Hoe voorkomt u dat aanpassingen aan de energiebesparingsplicht afbreuk doen aan de urgentie en de noodzaak om – mede in het licht van Europese richtlijn – juist meer energiebesparing te realiseren in Nederland?
Erkent u de gebrekkige handhaving, en gebrek aan informatie over doelmatigheid van de handhaving van de energiebesparingsplicht, zoals geconstateerd door de Algemene Rekenkamer?
Kunt u toezeggen om eventueel vrijkomende middelen in te zetten voor het versterken van de handhaving van de energiebesparingsplicht?
Het artikel 'Brancheclubs mordicus tegen invoedingstarief' |
|
Felix Klos (D66) |
|
Sophie Hermans (minister klimaat en groene groei, minister infrastructuur en waterstaat) (VVD) |
|
|
|
|
Heeft u kennisgenomen van het artikel «Brancheclubs mordicus tegen invoedingstarief», waarin wordt gesteld dat de invoering van een invoedingstarief voor elektriciteitsproducenten kan leiden tot hogere systeemkosten en hogere energierekeningen voor consumenten en bedrijven?1
Ja.
Wat betekent een invoedingstarief voor bestaande projecten die zijn gerealiseerd zonder rekening te houden met een dergelijk tarief?
Vooropgesteld: er is nog geen formeel besluit van de ACM over de vormgeving, hoogte, invoerdatum of overgangsperiode van een eventueel invoedingstarief. Ook zijn de effecten sterk afhankelijk van eventueel flankerend beleid én de regulatoire en marktgerelateerde ontwikkelingen in de met Nederland verbonden elektriciteitsmarkten. Daardoor zijn de effecten van een eventueel invoedingstarief slechts kwalitatief en met een beperkte mate van zekerheid in te schatten.
De inschatting is dat producenten een invoedingstarief slechts in beperkte mate door kunnen rekenen in hun verkoopprijzen. Dit komt ten eerste omdat veel producenten werken met bestaande prijsafspraken en ten tweede omdat Nederlandse producenten in de Noordwest-Europese elektriciteitsmarkt doorgaans niet prijszettend zijn. Dit zorgt ervoor dat de invoering van een invoedingstarief een negatieve impact kan hebben op de winstgevendheid van elektriciteitsproductie in Nederland. Marktpartijen hebben in reactie op een consultatievoorstel van de ACM deze zomer gewezen op de mogelijke impact op hun business cases en waarschuwen dat een invoedingstarief kan leiden tot faillissementen en het vroegtijdig uit gebruik nemen van bestaande productielocaties. De ordegrootte van deze mogelijke negatieve impact is mede afhankelijk van de vormgeving, hoogte, invoerdatum en overgangsperiode van een invoedingstarief.
Bij al getenderde, maar nog niet gerealiseerde wind op zee projecten bestaat het risico dat de ontwikkelaar de businesscase niet meer rond gerekend krijgt en de ontwikkeling staakt. Dit heeft grote extra kosten tot gevolg omdat TenneT ver van tevoren al investeringen doet in het net op zee. Deze kosten lopen op naarmate de realisatie van windparken wordt uitgesteld. Ditzelfde geldt ook voor Nederlandse projecten voor hernieuwbare energie op land die nog niet zijn gerealiseerd, maar die al wel een subsidiebeschikking hebben. De subsidieparameters staan immers al vast, terwijl de kosten van de productie zouden stijgen als gevolg van de instelling van een invoedingstarief. Ook voor de nog open te stellen subsidietender voor wind op zee in 2026 (TOWOZ) vormt het invoedingstarief en de onzekerheid daarover een aanzienlijk risico dat de investeringsbereidheid vanuit marktpartijen zou kunnen beperken. Dat kan resulteren in een lagere slagingskans van de tender. Hetzelfde geldt voor de slagingskans van toekomstige «Contracts for Difference»-tenders (CfD's) voor ondersteuning van hernieuwbare energie op land en wind op zee, afhankelijk van duidelijkheid over het invoedingstarief, de vormgeving en de mogelijkheden voor de markt om het risico voldoende in te prijzen. Een invoedingstarief kan ten slotte ook een negatief effect hebben op de business case van en de investeringsbereidheid in kernenergie.
De mate waarin deze effecten zullen optreden of voorkomen kunnen worden, zijn afhankelijk van de definitieve keuzes van de ACM over het invoedingstarief, eventueel flankerend beleid, invoeringstermijn en overgangsperiode, en van ontwikkelingen in elektriciteitsmarkten waar Nederland mee is verbonden. Een belangrijk deel van deze negatieve effecten zouden naar verwachting uitblijven wanneer sprake zou zijn van een Europees geharmoniseerde invoering van een invoedingstarief, of een invoedingstarief waarvan de hoogte beter aansluit bij die in verbonden elektriciteitsmarkten. Dit zou echter niet problemen voorkomen die ontstaan bij projecten met een bestaande SDE++ subsidiebeschikking. Dit wordt nader toegelicht in antwoorden op vraag 4 en 5.
Wat is, op basis van de huidige inzichten, de verwachte impact van een invoedingstarief op de investeringsbereidheid en de businesscase van nieuwe wind- en zonne-energieprojecten, en in andere kapitaalintensieve energieprojecten zoals kerncentrales?
Zie antwoord vraag 2.
Welke gevolgen verwacht u dat een invoedingstarief heeft voor het tijdig halen van de klimaatdoelstellingen voor 2030, in het bijzonder met oog op de uitrol van hernieuwbare elektriciteitsproductie van eigen bodem?
De projecten die bijdragen aan nationale productie van hernieuwbare elektriciteit zijn onmisbaar voor de klimaatdoelstellingen voor 2030. Voor de ontwikkeling of operatie van deze projecten is een acceptabele business case nodig, anders komen de projecten niet tot stand. Als het invoedingstarief niet geabsorbeerd, doorberekend of gecompenseerd kan worden, zal dit een negatief effect hebben op de business case van deze projecten en daarmee op de hoeveelheid nationale productie van hernieuwbare elektriciteit. Projecten die op tijd worden gerealiseerd om bij te dragen aan de klimaatdoelstellingen voor 2030 hebben waarschijnlijk al een subsidiebeschikking ontvangen. Bij deze projecten is het, zoals in het antwoord op vraag 5 hieronder is toegelicht, niet goed mogelijk om rekening te houden met de financiële effecten van een invoedingstarief. Voor projecten voor hernieuwbare energie op land die nog niet zijn gerealiseerd, maar die al wel een subsidiebeschikking hebben, bestaat daardoor een wezenlijk risico op non-realisatie. Er bestaat daarom, afhankelijk van de vormgeving, hoogte, invoerdatum en overgangsperiode, een risico dat een invoedingstarief de realisatie van klimaatdoelstellingen voor 2030 in de weg staat of moeilijker maakt.
Ziet u mogelijkheden om de financiële impact van een invoedingstarief voor bestaande en nieuwe projecten te mitigeren, bijvoorbeeld via de Stimulering Duurzame Energieproductie en Klimaattransitie (SDE++) of een opvolgende subsidieregeling?
Er is op dit moment geen budget of juridische grondslag om eventuele compensatie te bieden voor de negatieve gevolgen van een invoedingstarief voor bestaande, al getenderde of vergunde projecten. Voor projecten met een bestaande SDE++ beschikking is het effect van het invoedingstarief extra nadelig: ten eerste verhoogt deze de kosten voor opwek, zonder dat de subsidie stijgt. In de subsidieparameters ligt namelijk besloten dat de subsidie alleen meebeweegt met veranderende elektriciteitsprijzen, niet met veranderende netkosten. Ten tweede wordt de subsidie voor deze partijen daardoor ook nog gekort, als gevolg van en voor zover de elektriciteitsprijs stijgt door de invoering van het invoedingstarief. Dit komt doordat de subsidie berekend wordt op basis van een vastgestelde kostprijs per kilowattuur, verminderd met de actuele elektriciteitsprijs, en deze eerste niet meebeweegt met de verhoogde kosten en deze tweede wel met de verhoging van de elektriciteitsprijs.
Voor toekomstige, nieuwe projecten geldt dat er in de subsidiebedragen eventueel rekening kan worden gehouden met de hogere kosten, dit betekent wel dat de subsidie-intensiteit van deze productie-installaties voor hernieuwbare elektriciteit omhooggaat. Dit betekent dat met de beschikbare middelen minder opwek van hernieuwbare elektriciteit gestimuleerd kan worden. Dit geldt niet alleen voor zon-PV en windenergie, maar bijvoorbeeld ook voor kernenergie, als daarvoor in de toekomst steun geboden wordt. Bovendien is de uitvoerbaarheid van het rekening houden met de financiële impact van een invoedingstarief sterk afhankelijk van de wijze waarop een invoedingstarief wordt vormgegeven. Bepaalde varianten van een invoedingstarief leiden tot onvoorspelbare en wisselende hoogtes, waardoor ook het benodigde subsidiebedrag elk jaar zou veranderen. Pas als duidelijk is hoe het invoedingstarief exact vormgegeven wordt kan onderzocht worden hoe dit eventueel in subsidies verwerkt kan worden. Voor de TOWOZ en SDE++ ronde van 2026 is dit niet meer mogelijk.
Hoe beoordeelt u het risico dat kosten die via een invoedingstarief bij producenten worden neergelegd, uiteindelijk via subsidies weer moeten worden gecompenseerd, waardoor per saldo geen kostenbesparing maar juist extra systeemkosten ontstaan?
Het invoedingstarief zullen producenten moeten betalen per eenheid energie die zij invoeden in het elektriciteitsnet. Het zorgt daardoor voor een hogere kostprijs van de productie van elektriciteit. Producenten zullen dit proberen door te berekenen in de verkoopprijs. Het lijkt waarschijnlijk dat producenten dit slechts gedeeltelijk kunnen doen. Voor het deel van dit tarief dat niet kan worden doorberekend, resulteert dit in een hogere onrendabele top van hernieuwbare elektriciteit. Deze onrendabele top vertaalt zich in een hogere subsidiebehoefte. In het geval van zon-PV en windenergie op land en op zee zal stimulering vanaf 2027 door middel van CfD's plaatsvinden, die het verschil tussen de kostprijs en de marktprijs van elektriciteit dekken met financiële middelen van de overheid. Dat betekent dat er bij invoering van een invoedingstarief meer middelen nodig zijn om dezelfde hoeveelheid elektriciteit uit hernieuwbare energieprojecten te produceren. Het lijkt dus waarschijnlijk dat de hogere kosten voor producenten deels door de overheid zullen moeten worden gecompenseerd. Dit betekent dat met dezelfde beschikbare middelen minder opwek van hernieuwbare elektriciteit gestimuleerd kan worden.
De totale systeemkosten zijn daarnaast ook afhankelijk van andere factoren, die zeer moeilijk zijn in te schatten. Een invoedingstarief leidt tot een herverdeling van netkosten tussen afnemers en invoeders, waarbij de afnemers minder netkosten gaan betalen en de invoeders meer. Een voordeel van een invoedingstarief kan daarnaast zijn dat deze producenten prikkelt tot efficiënter netgebruik, zoals het vermijden van invoedingspieken. Dit kan op termijn de noodzaak voor dure netverzwaringen voorkomen. De verslechterde concurrentiepositie van Nederlandse elektriciteitscentrales kan tegelijkertijd zorgen voor nieuwe problemen die de netkosten verhogen. Netbeheer Nederland benoemt dat er bepaalde centrales nodig blijven om netondersteunende diensten te leveren en voor congestiemanagement. Indien deze centrales dreigen te sluiten als gevolg van een invoedingstarief kan het nodig zijn dat netbeheerders hogere vergoedingen moet gaan betalen om deze centrales open te houden. Een gevolg kan ook zijn dat er (hogere) vergoedingen betaald worden via een capaciteitsmechanisme. Dergelijke effecten zijn zeer moeilijk in te schatten en het netto-effect op de elektriciteitskosten van afnemers is daardoor onzeker.
Een kwantitatieve schatting van deze effecten en het uiteindelijke resultaat is pas te maken wanneer er sprake is van een concreet voorstel van de ACM voor een invoedingstarief.
Ziet u risico’s dat een invoedingstarief, door het afremmen van investeringen in binnenlandse productie, ook een negatieve impact kan hebben op de leveringszekerheid van energie in Nederland?
Een invoedingstarief kan, met name wanneer deze sterk afwijkt qua hoogte of vormgeving van invoedingstarieven in het buitenland, een negatieve invloed hebben op de mogelijkheid van productiecentrales en batterijen om hun jaarlijkse vaste kosten terug te kunnen verdienen. Deze partijen zijn naar verwachting echter nodig om bij te dragen aan de voorzieningszekerheid van elektriciteit. Gegeven het voornemen om met een capaciteitsmechanisme de leveringszekerheid te borgen, is het echter onwaarschijnlijk dat een invoedingstarief zal leiden tot een verslechtering van de voorzieningszekerheid. Wel kan een invoedingstarief de kosten van een capaciteitsmechanisme verhogen.
Hoe verhoudt een invoedingstarief zich tot andere maatregelen die netefficiënt gedrag kunnen bevorderen?
Ja, het kabinet is bekend met de conclusies uit de appreciatie van het IBO.
De belangrijkste toegevoegde waarde van een invoedingstarief is dat het producenten prikkelt tot efficiënter netgebruik, waardoor op termijn de kosten van het elektriciteitsnet kunnen afnemen. Een dergelijke prikkel via de nettarieven is binnen de huidige kaders niet vorm te geven, omdat voor invoeding nu geen nettarief wordt gerekend. Tegelijkertijd kunnen vergelijkbare prikkels voor efficiënter netgebruik deels ook via andere instrumenten worden georganiseerd, zoals flexibele aansluit- en transportvoorwaarden, flexibiliteitscontracten, en via aanpassingen in de tendervoorwaarden voor wind op zee of de subsidievoorwaarden van de SDE++. Zo wordt in de SDE++ vereist dat zon-PV slechts op 50% van het piekvermogen wordt aangesloten, om hoge netkosten ter facilitering van piekbelasting te voorkomen. Deze instrumenten zijn moeilijk categorisch te vergelijken met een invoedingstarief, omdat zij op uiteenlopende manieren kunnen worden vormgegeven en vaak verschillende effecten hebben voor verschillende partijen. Of de alternatieve instrumenten een sterkere negatieve impact zouden hebben op de business case is afhankelijk van de vormgeving, hoogte, invoerdatum en overgangsperiode van een eventueel invoedingstarief.
Bent u bekend met de conclusies uit de appreciatie van het Interdepartementaal beleidsonderzoek (IBO) «Bekostiging van de Elektriciteitsinfrastructuur' (Kamerstuk 29 023, nr. 567), waarin wordt gewezen op aanzienlijke potentiële kostenbesparingen door flexibel netgebruik, en kunt u toelichten in hoeverre deze alternatieven effectiever of doelmatiger zijn dan een invoedingstarief?
Zie antwoord vraag 8.
In hoeverre wordt bij de afweging rond een invoedingstarief gekeken naar de concurrentiepositie van Nederland ten opzichte van andere Europese landen? Wordt een vergelijkbaar tarief elders in Europa ingevoerd, en zo ja, met welke effecten op investeringen en netcongestie?
In haar consultatiedocument over het invoedingstarief heeft de ACM aangegeven dat het mogelijk is om de maximale hoogte van het invoedingstarief te beperken met het oog op de concurrentiepositie van Nederlandse producenten. De ACM stelt echter ook dat een verlaagd tarief minder kostenreflectief is en minder goede prikkels geeft voor efficiënt netgedrag.
Binnen Europa is slechts zeer beperkt sprake van harmonisatie van nettarieven voor elektriciteit. Hierdoor bestaan tussen lidstaten grote verschillen. In ca. 60% van lidstaten bestaat geen of verwaarloosbaar invoedingstarief. Het aandeel lidstaten met een invoedingstarief lijkt over de jaren wel licht te groeien. In de 40% van de lidstaten met een invoedingstarief is het aandeel van de totale netkosten dat in lidstaten met een substantieel invoedingstarief wordt toegerekend aan invoeders uiteenlopend, verschillend voor transmissie en distributie. Ook worden in lidstaten met een invoedingstarief verschillende soorten kostenposten wel en niet daarin opgenomen. In lidstaten waar een invoedingstarief bestaat, is vervolgens in veel gevallen sprake van ontheffingen of verlagingen van het invoedingstarief, bijvoorbeeld voor kleine producenten, voor bepaalde technieken (zoals offshore wind of batterijen), of vanwege de inzet van een installatie voor bepaalde systeemdoeleinden. Dit maakt een directe vergelijking met andere lidstaten niet goed mogelijk.
De nettarievenstructuur binnen veel lidstaten is in beweging. De ACM heeft aangegeven dat zij rekenschap geeft van de tariefstructuren en ervaringen in omringende landen.
De stijgende kosten en zorgen over de leveringszekerheid door het invoedingstarief |
|
Daniël van den Berg (JA21) |
|
Sophie Hermans (minister klimaat en groene groei, minister infrastructuur en waterstaat) (VVD) |
|
|
|
|
Bent u bekend met het artikel «Huishouden dupe extra kosten stroomnet» en met de door de Autoriteit Consument en Markt (ACM) aangekondigde voorbereiding van een invoedingstarief voor grote elektriciteitsproducenten?1
Ja.
Erkent u de nadelen van een invoedingstarief die in het artikel genoemd worden?
Vooropgesteld: er is nog geen formeel besluit van de ACM over de vormgeving, hoogte, invoerdatum of overgangsperiode van een eventueel invoedingstarief. Ook zijn de effecten sterk afhankelijk van eventueel flankerend beleid én de regulatoire en marktgerelateerde ontwikkelingen in de met Nederland verbonden elektriciteitsmarkten. Daardoor zijn de effecten van een eventueel invoedingstarief slechts kwalitatief en met een beperkte mate van zekerheid in te schatten. Niettemin herkent het kabinet de in het artikel geschetste nadelen als mogelijke gevolgen van de invoering van een invoedingstarief.
De inschatting is dat producenten een invoedingstarief slechts in beperkte mate door kunnen rekenen in hun verkoopprijzen. Dit komt ten eerste omdat veel producenten werken met bestaande prijsafspraken en ten tweede omdat Nederlandse producenten in de Noordwest-Europese elektriciteitsmarkt doorgaans niet prijszettend zijn. Dit zorgt ervoor dat de invoering van een invoedingstarief een negatieve impact kan hebben op de winstgevendheid van elektriciteitsproductie in Nederland. Marktpartijen hebben in reactie op een consultatievoorstel van de ACM deze zomer gewezen op de mogelijke impact op hun business cases en waarschuwen dat een invoedingstarief kan leiden tot faillissementen en vroegtijdige uitgebruikname van bestaande productielocaties. Het speelveld voor Nederlandse producenten kan verslechteren en de import van elektriciteit kan daardoor relatief aantrekkelijk worden. De afhankelijkheid van buitenlandse productie kan daardoor groter worden. De ordegrootte van deze mogelijke negatieve gevolgen zijn mede afhankelijk van de vormgeving, hoogte, invoerdatum en overgangsperiode van een invoedingstarief.
Bij al getenderde, maar nog niet gerealiseerde wind op zee projecten bestaat het risico dat de ontwikkelaar de businesscase niet meer rond gerekend krijgt en de ontwikkeling staakt. Dit heeft grote extra kosten tot gevolg omdat TenneT ver van tevoren al investeringen doet in het net op zee. Deze kosten lopen op naarmate de realisatie van windparken wordt uitgesteld. Ditzelfde geldt ook voor Nederlandse projecten voor hernieuwbare energie op land die nog niet zijn gerealiseerd, maar die al wel een subsidiebeschikking hebben. De subsidieparameters staan immers al vast, terwijl de kosten van de productie zouden stijgen als gevolg van de instelling van een invoedingstarief. Ook voor de nog open te stellen subsidietender voor wind op zee in 2026 (TOWOZ) vormt het invoedingstarief en de onzekerheid daarover een aanzienlijk risico dat de investeringsbereidheid vanuit marktpartijen zou kunnen beperken. Dat kan resulteren in een lagere slagingskans van de tender. Hetzelfde geldt voor de slagingskans van toekomstige «Contracts for Difference»-tenders (CfD's) voor ondersteuning van hernieuwbare energie op land en wind op zee, afhankelijk van duidelijkheid over het invoedingstarief, de vormgeving en de mogelijkheden voor de markt om het risico voldoende in te prijzen. Een invoedingstarief kan ten slotte ook een negatief effect hebben op de business case van en de investeringsbereidheid in kernenergie.
Er is op dit moment geen budget of juridische grondslag om eventuele compensatie te bieden voor de negatieve gevolgen van een invoedingstarief voor bestaande, al getenderde of vergunde projecten. Voor projecten met een bestaande SDE++ beschikking is het effect van het invoedingstarief extra nadelig: ten eerste verhoogt deze de kosten voor opwek, zonder dat de subsidie stijgt. In de subsidieparameters ligt namelijk besloten dat de subsidie alleen meebeweegt met veranderende elektriciteitsprijzen, niet met veranderende netkosten. Ten tweede wordt de subsidie voor deze partijen daardoor ook nog gekort, als gevolg van en voor zover de elektriciteitsprijs stijgt door de invoering van het invoedingstarief. Dit komt doordat de subsidie berekend wordt op basis van een vastgestelde kostprijs per kilowattuur, verminderd met de actuele elektriciteitsprijs, en deze eerste niet meebeweegt met de verhoogde kosten en deze tweede wel met de verhoging van de elektriciteitsprijs.
Voor toekomstige, nieuwe projecten geldt dat er in de subsidiebedragen eventueel rekening kan worden gehouden met de hogere kosten, dit betekent wel dat de subsidie-intensiteit van deze productie-installaties voor hernieuwbare elektriciteit omhooggaat. Dit betekent dat met de beschikbare middelen minder opwek van hernieuwbare elektriciteit gestimuleerd kan worden. Dit geldt niet alleen voor zon-PV en windenergie, maar bijvoorbeeld ook voor kernenergie, als daarvoor in de toekomst steun geboden wordt. Bovendien is de uitvoerbaarheid van het rekening houden met de financiële impact van een invoedingstarief sterk afhankelijk van de wijze waarop een invoedingstarief wordt vormgegeven. Bepaalde varianten van een invoedingstarief leiden tot onvoorspelbare en wisselende hoogtes, waardoor ook het benodigde subsidiebedrag elk jaar zou veranderen. Pas als duidelijk is hoe het invoedingstarief exact vormgegeven wordt kan onderzocht worden hoe dit eventueel in subsidies verwerkt kan worden. Voor de TOWOZ en SDE++ ronde van 2026 is dit niet meer mogelijk.
De mate waarin deze effecten zullen optreden of voorkomen kunnen worden, zijn afhankelijk van de definitieve keuzes van de ACM over het invoedingstarief, eventueel flankerend beleid, invoeringstermijn en ingroeipad, en van ontwikkelingen in elektriciteitsmarkten waar Nederland mee is verbonden. Een belangrijk deel van deze, negatieve effecten zouden naar verwachting uitblijven wanneer sprake zou zijn van een Europees geharmoniseerde invoering van een invoedingstarief, of een invoedingstarief waarvan de hoogte beter aansluit bij die in verbonden elektriciteitsmarkten.
Klopt het een invoedingstarief de afhankelijkheid van buitenlandse productie kan vergroten?
Zie antwoord vraag 2.
Klopt het dat nieuwe projecten om elektriciteit op te wekken hierdoor lastiger worden?
Zie antwoord vraag 2.
Deelt u de conclusies uit de studies van Aurora Energy, SiRM en CE Delft dat de energierekening voor afnemers waarschijnlijk stijgt?
Het netto-effect op de energierekening van afnemers is moeilijk vooraf in te schatten en hangt in grote mate af van de vormgeving, hoogte, invoerdatum en ingroeipad van een eventueel invoedingstarief. Daarnaast zijn er eventuele, flankerende maatregelen die kunnen worden genomen om de nadelige effecten van een invoedingstarief te beperken. Daarnaast zal het effect ook verschillen, afhankelijk van het type aansluiting en het verbruiksprofiel van elke afnemer.
Uit de doorrekeningen van onderzoeksbureau Aurora (in opdracht van Energie Nederland) en CE Delft (in opdracht van de ACM) blijkt dat het invoedingstarief zich vertaalt in een hogere elektriciteitsprijs. Dit wordt ook bevestigd door een onafhankelijke studie van TenneT. De stijging van de (basislast) elektriciteitsprijs is echter lager dan de hoogte van het invoedingstarief. Zonder aanvullend beleid is de verwachting op basis van voorgenoemde studies dat hierdoor ca. 20 tot 50% procent van het invoedingstarief terugkomt in een hogere basislast elektriciteitsprijs. Ook is het de verwachting in deze studies dat de invoer van elektriciteit gaat toenemen. Het invoedingstarief kan daardoor het effect hebben dat producenten in Nederland minder investeren in nieuwe centrales en in het verlengen van de levensduur van bestaande centrales.
De bijdrage van producenten aan de netkosten zorgen ervoor dat de nettarieven voor afnemers op het elektriciteitsnet in beginsel lager vastgesteld kunnen worden. Op deze manier is het mogelijk dat afnemers erop vooruitgaan.
De verslechterde concurrentiepositie van Nederlandse elektriciteitscentrales kan tegelijkertijd zorgen voor nieuwe problemen die de netkosten verhogen. Netbeheer Nederland benoemt dat er bepaalde centrales nodig blijven om netondersteunende diensten te leveren en voor congestiemanagement. Indien deze centrales dreigen te sluiten als gevolg van een invoedingstarief kan het nodig zijn dat netbeheerders hogere vergoedingen moet gaan betalen om deze centrales open te houden. Een gevolg kan ook zijn dat er (hogere) vergoedingen betaald worden via een capaciteitsmechanisme. Dergelijke effecten zijn zeer moeilijk in te schatten en het netto-effect op de elektriciteitskosten van afnemers is daardoor onzeker.
Deze verslechtering van de concurrentiepositie zou beperkt blijven wanneer de invoering van het invoedingstarief meer gekoppeld zou worden aan Europese ontwikkelingen of de situatie in onze buurlanden. De ACM heeft aangegeven dat zij rekenschap geeft van de tariefstructuren en ervaringen in omringende landen.
Welke gevolgen heeft een invoedingstarief voor de leveringszekerheid van elektriciteit?
Een invoedingstarief kan, met name wanneer deze sterk afwijkt qua hoogte of vormgeving van invoedingstarieven in het buitenland, een negatieve invloed hebben op de mogelijkheid van productiecentrales en batterijen om hun jaarlijkse vaste kosten terug te kunnen verdienen. Deze partijen zijn naar verwachting echter nodig om bij te dragen aan de voorzieningszekerheid van elektriciteit. Gegeven het voornemen om met een capaciteitsmechanisme de leveringszekerheid te borgen, is het echter onwaarschijnlijk dat een invoedingstarief zal leiden tot een verslechtering van de voorzieningszekerheid. Wel kan een invoedingstarief de kosten van een capaciteitsmechanisme verhogen.
Kunt u uiteenzetten wat de ACM onder het voorgenomen invoedingstarief verstaat, welke definitie van «grote producenten» wordt gehanteerd en worden er uitzonderingen overwogen?
Een invoedingstarief is een tarief dat aangeslotenen moeten betalen om elektriciteit in te voeden op het net. Voor de infrastructuurgerelateerde kosten van het elektriciteitsnet geldt een Europees-wettelijk vastgelegd maximumtarief voor invoeders. Voor de systeemkosten (kosten voor inkoop congestie- en balanceringsdiensten en netverliezen) geldt geen Europese begrenzing.
De ACM is voornemens om het invoedingstarief op dit moment alleen uit te werken voor grootverbruikers. Dit zijn gebruikers met een aansluiting met een aansluitcapaciteit van meer dan 3 keer 80 Ampère, hier vallen onder andere onder wind op zee, kerncentrales, gascentrales, windparken en zonneparken. Voor kleinverbruikers wordt momenteel een nieuwe nettariefstructuur uitgewerkt en de ACM wil dit proces niet doorkruisen. Voor kleinschalige zon op dak, bijvoorbeeld op een woonhuis, gaat het invoedingstarief dus niet gelden.
De ACM heeft nog geen definitieve keuzes gemaakt over uitzonderingen. Het consultatiedocument van de ACM bespreekt de mogelijkheid van een uitzondering voor producenten op zee en voor bi-directionele gebruikers (waaronder batterij-opslag). De ACM heeft hier nog geen besluit over genomen.
Op basis van welke wettelijke grondslag en (tarief)codes heeft de ACM volgens u de bevoegdheid om een invoedingstarief in te voeren, en welke formele rol heeft u de daarbij (welke interventies zijn wél/niet mogelijk)?
De Europese Elektriciteitsrichtlijn schrijft dwingend voor dat de onafhankelijke nationale regulerende instantie, in Nederland de ACM, exclusief bevoegd moet zijn om de tarieven of tariefreguleringsmethode en de tariefstructuren van netbeheerders vast te stellen of goed te keuren. In het Nederlands recht is dit geïmplementeerd in de Energiewet. De bevoegdheid voor de ACM om de tarieven en tariefreguleringsmethode vast te stellen is vastgelegd in artikel 3.106, eerste lid, in combinatie met artikel 3.107 van de Energiewet. Voorts moeten op grond van artikel 3.107, vierde lid van de Energiewet tariefstructuren worden opgesteld die ingevolge artikel 3.119 in combinatie met de artikelen 3.120 en 3.121 van de Energiewet die goedkeuring moeten hebben van de ACM en de ACM kan daarvoor ook zelf voorstellen indienen als zij dat nodig acht. De Minister heeft hierbij geen rol en kan ook geen instructies geven aan de ACM gelet op de onafhankelijkheid van de ACM, zoals onder meer volgt uit de artikelen 9 en 10 van de Instellingswet Autoriteit Consument en Markt.
Klopt het dat u bij brief van 25 april 2025 (p. 13) waarschuwt dat een invoedingstarief bij nieuwe projecten leidt tot een hogere onrendabele top en daarmee meer subsidie? Kunt u de onderliggende berekeningen aan de Kamer sturen?2
De kwalitatieve aanname dat een invoedingstarief bij nieuwe projecten resulteert in een hogere onrendabele top klopt. Het invoedingstarief zullen producenten moeten betalen per eenheid energie die zij invoeden in het elektriciteitsnet. Het zorgt daardoor voor een hogere kostprijs van de productie van elektriciteit. Producenten zullen dit proberen door te berekenen in de verkoopprijs. Het lijkt waarschijnlijk dat producenten dit slechts gedeeltelijk kunnen doen. Voor het deel dat dit tarief niet kan worden doorberekend, resulteert dit in een hogere onrendabele top van hernieuwbare elektriciteit. Deze onrendabele top vertaalt zich in een hogere subsidiebehoefte. In het geval van zon-PV en windenergie op land en op zee zal stimulering vanaf 2027 door middel van CfD's plaatsvinden, welke het verschil tussen de kostprijs en de marktprijs van elektriciteit dekken. Dat betekent dat er bij invoering van een invoedingstarief meer middelen nodig zijn om dezelfde hoeveelheid elektriciteit uit hernieuwbare energieprojecten te produceren.
Zonder een concreet voorstel van de ACM voor een invoedingstarief is het niet mogelijk om de effecten en extra subsidiebehoefte goed uit te rekenen.
Kunt u uitsluiten dat huishoudens, het midden- en kleinbedrijf en de industrie per saldo meer gaan betalen door invoering van een invoedingstarief? Zo nee, welke maatregelen neemt u om dit te voorkomen? En hoe hoog is de stijging?
Zoals hierboven aangegeven is geen duidelijkheid over de vormgeving, hoogte, invoerdatum en overgangsperiode voor het invoedingstarief. De totale systeemkosten zijn daarnaast ook afhankelijk van andere factoren, die zeer moeilijk zijn in te schatten. Het kabinet kan op dit moment daarom niet uitsluiten of bevestigen dat aangeslotenen per saldo meer gaan betalen door de invoering van een invoedingstarief. Noch kan het kabinet vooruitlopen op eventuele compenserende maatregelen of een betrouwbare inschatting geven van de hoogte van een eventuele stijging.
Heeft u er kennis van genomen dat in de aangeleverde informatie wordt gesteld dat Nederlandse (gas)centrales efficiënter zijn maar door het invoedingstarief «na» Duitse centrales in de merit order kunnen komen? Herkent u dit mechanisme en wat betekent dit voor prijsniveau en de systeemkosten?
Dit is inderdaad een mogelijk gevolg van de invoering van een invoedingstarief, afhankelijk van de vormgeving van het tarief en ontwikkelingen in Nederland en Duitsland. De Duitse en Nederlandse elektriciteitsmarkten zijn goed met elkaar geïntegreerd en een vervanging van Nederlandse door Duitse producenten in de merit order is mogelijk bij een voldoende hoog, Nederlands invoedingstarief. Indien Nederland een relatief hoog invoedingstarief zou invoeren en Duitsland niet, ontstaat er een ongelijk(er) speelveld tussen Nederlandse en Duitse elektriciteitsproducenten.
Zoals toegelicht in het antwoord op vraag 5 is het uiteindelijke effect op het prijsniveau en de systeemkosten zeer moeilijk in te schatten en afhankelijk van eventueel flankerend beleid en ontwikkelingen in het buitenland.
Klopt het dat Duitsland, de grootste handelspartner van Nederland, geen vergelijkbaar invoedingstarief kent? Hoe is dit geregeld in de overige landen waarmee Nederland via interconnecties op het elektriciteitsnet is aangesloten (België, het Verenigd Koninkrijk, Noorwegen en Denemarken)? En welke inzet pleegt u om te voorkomen dat Nederland zich uit de markt prijst of eenzijdig nadeel creëert?
Elk land heeft een eigen stelsel voor de nettarieven, in de EU-lidstaten gebaseerd op gezamenlijke Europese principes zoals «de gebruiker betaalt». De vormgeving en hoogte van de nettarieven is divers, niet altijd direct vergelijkbaar en bovendien in beweging. Op basis van een relatief recente studie van de Europese toezichthouder ACER naar de nettarieven in Europa en een onderzoek van Sia Partners, uitgevoerd in opdracht van de Belgische transmissiesysteembeheerder Elia uit 2023 is niettemin enige informatie beschikbaar over het invoedingstarief in de met Nederland verbonden lidstaten en derde landen.3
Sia heeft het «gewogen gemiddelde invoedingstarief» in kaart gebracht. Dit omvat uitsluitend gereguleerde nettariefcomponenten voor invoeding van elektriciteit.
Land
Gewogen gemiddeld invoedingstarief 2022 (€/MWh)
Nederland
0,02
Duitsland
0,00
België
0,62
Verenigd Koninkrijk
18,99
Noorwegen
2,50
Denemarken
0,55
Bij deze cijfers wordt het volgende opgemerkt:
Zoals uitgewerkt in de antwoorden op vraag 8 heeft het kabinet geen formele rol bij het vormgeven van de tariefregulering. In gesprek met de ACM heeft het kabinet de nadelige gevolgen die een invoedingstarief kan hebben op de energiemarkt benadrukt en haar verzocht daar zo veel mogelijk rekening mee te houden.
Als u erkent dat de maatschappelijke en budgettaire gevolgen groot kunnen zijn, bent u dan bereid het wettelijk kader zo aan te passen dat dit type tariefwijziging niet kan worden doorgezet?
Zoals blijkt uit het antwoord op vragen 8 en 12 staat het nationale wettelijk kader dit niet toe. Het Europese wettelijk kader biedt daar ook geen ruimte voor. De Europese Elektriciteitsrichtlijn schrijft dwingend voor dat de onafhankelijke nationale regulerende instantie, in Nederland de ACM, exclusief bevoegd moet zijn om de tarieven of tariefreguleringsmethode en de tariefstructuren van netbeheerders vast te stellen of goed te keuren. Daarbij mag de onafhankelijke nationale regulerende instantie geen instructies verlangen of ontvangen van regeringen of andere publieke of private partijen, waaronder ook de nationale wetgever. Dat heeft het Europese Hof van Justitie in een aantal uitspraken in 2020 en 2021 nog eens bevestigd.
Het bericht ‘Google en Microsoft houden energieverbruik van hyperscale-datacenters geheim voor de overheid’ |
|
Felix Klos (D66), Sarah El Boujdaini (D66) |
|
Sophie Hermans (minister klimaat en groene groei, minister infrastructuur en waterstaat) (VVD), Vincent Karremans (VVD), van Marum |
|
|
|
|
Heeft u kennisgenomen van het NRC-artikel «Google en Microsoft verzwijgen energiegebruik van hyperscale-datacenters; Datacentra Techbedrijven zwijgen over energieverbruik»?1
Hoe beoordeelt u het feit dat Microsoft en Google rapportages weigeren over het energieverbruik van hun datacenters in Nederland in Eemshaven en bij Middenmeer niet aanleveren?
Deelt u de opvatting dat zonder gedetailleerde verbruiksdata geen goed beleid mogelijk is voor energie-infrastructuur?
Deelt u de analyse in het artikel dat gebrek aan transparantie over het energieverbruik van datacenters goed onderzoek naar netcapaciteit, de maatschappelijke impact van digitalisering, waaronder AI belemmert?
Waarom wordt er gesteld dat openbaarmaking van deze energiegegevens juridisch niet kunnen worden afgedwongen bij tech bedrijven zoals Microsoft en Google, terwijl Europese regels dit wel verplichten? Is hier sprake van onwil of onduidelijkheid in de uitvoering?
Hoe kan het dat de Europese Energie-efficiëntierichtlijn (EED) bedrijven verplicht om energie- en waterverbruik te rapporteren, maar dat grote datacenters in Nederland lege formulieren kunnen indienen zonder gevolgen?
Bent u bereid om consequenties te verbinden aan bedrijven die niet voldoen aan Europese transparantie-eisen over energieverbruik?
Bent u bereid om, in het licht van de groei van AI en het toenemende energieverbruik daarvan, strengere nationale eisen te stellen aan transparantie van (Amerikaanse) grootverbruikers?
Kunt u toezeggen dat het kabinet actief gaat afdwingen dat Europese openbaarmakingsregels voor energieverbruik van datacenters van Big Tech, daadwerkelijk worden nageleefd?
Deelt u de analyse in het artikel dat Microsoft en Google Europese transparantieregels over energieverbruik ondermijnen en dat Nederland daarin te weinig tegenwicht biedt?
Bent u bereid om de energieverbruik gegevens van de datacenters van Amerikaanse tech bedrijven, waaronder die van Microsoft en Google, alsnog op te eisen?
Kunt u deze vragen afzonderlijk van elkaar beantwoorden?
Het bericht ‘Google en Microsoft houden energieverbruik van hyperscale-datacenters geheim voor de overheid’ |
|
Jimmy Dijk |
|
Vincent Karremans (VVD), Sophie Hermans (minister klimaat en groene groei, minister infrastructuur en waterstaat) (VVD) |
|
Wat is uw reactie op het bericht «Google en Microsoft houden energiegebruik van hyperscale-datacenters geheim voor de overheid»?1
Deelt u de opmerking dat techbedrijven zich moeten houden aan de wet, en daarom hun energieverbruik moeten delen, in lijn met de Energy Efficiency Directive (EED)?
Zijn netbeheerders in bezit van data over het energieverbruik van datacenters? Zo nee, waarom niet? Zo ja, kunt u samen met netbeheerders deze data met de Kamer delen?
Herkent u de in het artikel genoemde cijfers dat de stroomverbruik van datacenters binnen vijf jaar naar 15 procent van het totale stroom in Nederland zal groeien? Zo nee, welke ontwikkelingen ziet u wel voor zich? Zo ja, kunt u dat toelichten?
Deelt u de mening dat een grote inzet op datacenters geen verstandige keuze is, aangezien veel delen van Nederland kampen met netcongestie en de ontwikkelingen en winsten die voortvloeien uit datacenters niet terecht komen bij Nederlandse huishoudens?
Welke toegevoegde waarde hebben datacenters voor de Nederlandse economie en samenleving, als de winsten doorvloeien naar Amerikaanse techbedrijven en Nederland geen zeggenschap heeft over de technologie?
Deelt u de mening dat technologie geen doel maar een middel is, en dat technologische ontwikkelingen zoals «Artificial Intelligence' (AI) ook bredere maatschappelijke doelen, zoals het verlagen van werkdruk en het verminderen van werk, moet dienen? Zo nee, waarom niet? Zo ja, deelt u dan ook de mening dat publieke zeggenschap over AI essentieel is om het als middel te gebruiken?
Heeft u zicht op ontwikkelingen op de arbeidsmarkt door de introductie van AI? Zijn er functies die nu of in de komende jaren geraakt worden door AI? Welke stappen worden gezet om mensen die door AI hun baan (zullen) kwijtraken om en bij te scholen voor behoud van werk?
Het artikel ‘Woede om miljoenenorder: vier miljoen slimme meters komen straks uit China’ |
|
Eric van der Burg (VVD), Peter de Groot (VVD), Pieter Grinwis (CU), Jan Paternotte (D66), Henk Jumelet (CDA), Derk Boswijk (CDA), Felix Klos (D66) |
|
David van Weel (minister justitie en veiligheid, minister asiel en migratie) (VVD), Sophie Hermans (minister klimaat en groene groei, minister infrastructuur en waterstaat) (VVD) |
|
|
|
|
Bent u bekend met de berichtgeving dat netbeheerders circa vier miljoen slimme meters gaan inkopen bij Chinese leveranciers? Zo ja, wat is uw oordeel hierover?1
Ja, ik ben bekend met deze berichtgeving. De berichtgeving gaat over de meetmodule, een onderdeel van de slimme meter dat alleen het elektriciteitsverbruik op digitale wijze meet. Deze meetmodule introduceert daarmee geen risico voor de leveringszekerheid van energie.
De verzending en de versleuteling van data naar de netbeheerders en de communicatie met andere apparaten loopt niet via deze meetmodule. De meetmodule bevat ook geen schakelaar en kan niet op afstand worden uitgeschakeld waardoor er geen effect is op de beschikbaarheid van energie. De leveranciers van het betreffende onderdeel en andere niet-geautoriseerde partijen kunnen niet meelezen met de data van de nieuwe generatie slimme meter. De veiligheid van de data wordt door de netbeheerders gewaarborgd door middel van encryptie en autorisaties. In de beantwoording van vraag 7, 8, 9 en 10 wordt dataveiligheid nader verdiept. Het kabinet is tegen deze achtergrond van oordeel dat de betreffende inkoop geen ontoelaatbaar risico vormt voor Nederlandse consumenten.
Welke afwegingen zijn gemaakt over de economische afhankelijkheid van China bij de keuze voor deze leveranciers?
Betrouwbare waardeketens voor vitale energie-infrastructuur zijn essentieel voor het waarborgen van de leveringszekerheid en onze nationale veiligheid. Leveringszekerheid in de product waardeketen is één van de onderdelen van de risicoanalyse die is uitgevoerd door de netbeheerders. Om risico’s ten aanzien van de leveringszekerheid te mitigeren, is onder andere besloten voor elke hardware component in de slimme meter voor twee verschillende leveranciers te kiezen. Eén van de twee leveranciers dient afkomstig te zijn uit een land dat partij is bij de multilaterale Overeenkomst inzake overheidsopdrachten (Government Procurement Agreement – GPA). Deze overeenkomst beoogt wederzijdse openstelling van overheidsopdrachten tussen deelnemende landen op basis van transparantie, non-discriminatie en rechtszekerheid. De Europese Unie onderhoudt met deze GPA-partijen structurele en wederkerige handelsrelaties die zijn gebaseerd op internationale afspraken, hetgeen bijdraagt aan een betrouwbare samenwerking binnen de publieke aanbestedingen.
In dit geval betekent dit dat de meetmodule die Kaifa Technology levert, ook wordt geleverd door het Franse Sagemcom. Indien noodzakelijk kunnen de netbeheerders een beroep doen op de Franse leverancier om alle leveringen over te nemen en de dienstverlening te continueren. Dit houdt in dat, indien één van de partijen niet in staat is om te leveren, de andere partij over voldoende capaciteit beschikt om de levering tot 100% te continueren. Hierdoor is de leveringszekerheid van dit onderdeel geborgd. Voor dit leveranciersmodel is ook gekozen om de Europese productie van meetmodules te versterken en beschikbaar te houden.
Voor de verschillende onderdelen van het systeem is een uitgebreide marktconsultatie gedaan. Voor de componenten die niet als risicovol beschouwd zijn, is gekozen voor maximale concurrentie om de maatschappelijke kosten zo laag mogelijk te houden.
Is onderzocht of voldoende capaciteit bestaat bij Europese of Nederlandse producenten om deze meters te leveren? Zo ja, wat zijn de uitkomsten?
Zie antwoord vraag 2.
Welke risicoanalyses zijn uitgevoerd met betrekking tot nationale veiligheid en cybersecurity bij het gebruik van slimme meters, die geproduceerd zijn door bedrijven gevestigd in China?
De netbeheerders hebben een risicoanalyse en onderzoek uitgevoerd. Hierbij is gebruik gemaakt van verschillende analyses, waaronder het Dreigingsbeeld Statelijke Actoren (DBSA) en het Cybersecuritybeeld Nederland, beide gepubliceerd door de NCTV. Daarnaast hebben de netbeheerders de Algemene Inlichtingen- en Veiligheidsdienst (AIVD) bevraagd over risico's in dit aanbestedingstraject. In overleg met de netbeheerders en het Ministerie van Klimaat en Groene Groei heeft de AIVD in algemene zin het dreigingsbeeld, conform bovengenoemde analyses, geschetst op het concept van de nieuwe generatie slimme meter. Mede op basis van deze informatie hebben de netbeheerders maatregelen toegepast waarmee er geen ontoelaatbaar risico is.
De slimme meter is modulair ontworpen en voor de afzonderlijke componenten is een risicobeoordeling opgesteld. De beschikbare analyses en informatie zijn bij het opstellen van deze risicobeoordelingen meegenomen. De risicobeoordeling heeft geresulteerd in mitigerende maatregelen, waaronder die ten aanzien van productleveringszekerheid en dataveiligheid. Er is dus vooraf rekening gehouden met mogelijke risico's voor bijvoorbeeld de energie- en productleveringszekerheid en de dataveiligheid van consumenten bij het vormgeven van de aanbesteding.
Daarnaast zijn de netbeheerders gehouden aan de nationale en Europese aanbestedingsregels. Ter verdere bevordering van de bescherming van vitale processen in de energiesector zijn in de nieuwe Energiewet – die sinds 1 januari van kracht is – regels opgenomen voor de bescherming van deze processen. Deze regels worden momenteel nader uitgewerkt in onderliggende regelgeving.
Zijn er specifieke dreigingsanalyses voor mogelijke beïnvloeding van het energiesysteem (bijvoorbeeld verbruikscijfers manipuleren of storingen veroorzaken) wanneer apparaten in handen zijn van derde landen met potentiële tegenstellingen?
Zie antwoord vraag 4.
Hebben de AIVD, MIVD of NCTV hierover advies uitgebracht richting het kabinet of netbeheerders? Kunt u die adviezen openbaar maken of samenvatten?
Zie antwoord vraag 4.
Welke data worden precies verzameld door deze slimme meters en op welke frequentie (bijvoorbeeld per minuut, per uur)?
De netbeheerders houden zich aan de wettelijke voorschriften omtrent databeheer en privacy en zijn op grond van de Energiewet2 verplicht hun gegevens te beveiligen en te beschermen. De huidige circa 8 miljoen slimme meters voldoen aan de gestelde (technische) eisen in het Besluit op afstand uitleesbare meetinrichtingen (BOAUM), die gelden onder de Energiewet.3 Ook bij de nieuwe generatie slimme meter geven de netbeheerders uitvoering aan de eisen uit het BOAUM. In deze eisen is onder meer vereist dat de meters zodanig beveiligd zijn tegen fraude met, misbruik van of inbreuk op de meters dat een passend beveiligingsniveau is gegarandeerd. Hierbij moet rekening gehouden worden met de internationale stand van de techniek en de uitvoeringskosten.
Conform het BOAUM registreert de meter het actuele vermogen (in Watt) en per kwartier de meterstand. De netbeheerders lezen de meters maximaal één keer per dag uit, vaak in de nacht. De netbeheerder leest enkel datgene uit wat noodzakelijk is voor het functioneren van het elektriciteitssysteem in den brede, wat ook is vastgelegd in de Energiewet en onderliggende regelgeving. Onder de Energiewet4 is de netbeheerder bevoegd per aansluiting de kwartierstanden uit te lezen ten behoeve van de onbalansverrekening als onderdeel van de balanceringstaak van TenneT.
Naast het regime van de Energiewet geldt, voor zover het gaat om persoonsgegevens, ook de Algemene verordening gegevensbescherming (AVG). Bij elke verwerking van persoonsgegevens geldt voor de netbeheerders dat deze verwerking rechtmatig moet zijn in het licht van de voorwaarden in artikel 6 AVG. Ten aanzien van de omgang met slimme meterdata voor de uitvoering van hun wettelijke taken hebben de netbeheerders de «Gedragscode Slim Netbeheer» opgesteld die in februari 2022 door de Autoriteit Persoonsgegevens is goedgekeurd.5
Wordt er onderscheid gemaakt tussen noodzakelijke data voor het energienetbeheer en privacygevoelige data? Zo ja, hoe worden die gescheiden?
Zie antwoord vraag 7.
Welke maatregelen zijn getroffen om te waarborgen dat gegevensuitwisseling volledig conform de Algemene verordening gegevensbescherming (AVG) en EU-privacyregels verloopt?
Zie antwoord vraag 7.
Welke technische safeguards zijn ingebouwd om te voorkomen dat externe (buitenlandse) fabrikanten of andere externe partijen toegang krijgen tot het backend-systeem waarmee meters data uitwisselen?
Zoals hiervoor opgemerkt gelden voor de netbeheerders verplichtingen ten aanzien van gegevensbescherming en -beveiliging. Voor het uitlezen van de nieuwe generatie slimme meters wordt door de netbeheerders een centraal systeem opgezet. De netbeheerders ontwikkelen dit systeem zelf en maken daarbij geen gebruik van buitenlandse fabrikanten, om de veiligheid van de data te waarborgen. De veiligheid van de data wordt door de netbeheerders gewaarborgd door middel van encryptie.
Is er nog een mogelijkheid dat de Rijksoverheid ingrijpt en deze aanbesteding terugdraait, indien blijkt dat de veiligheid teveel in het geding komt?
Het waarborgen van productleveringszekerheid en nationale veiligheid is voor het kabinet van groot belang. De beoordeling van de netbeheerders dat de meetmodule een laag risicoprofiel kent, in combinatie met de genomen mitigerende maatregelen passend bij dit risicoprofiel, resulteert erin dat het kabinet vanuit veiligheidsoverwegingen op dit moment geen reden ziet om in te grijpen bij deze aanbesteding. Indien het kabinet in de toekomst risico’s vaststelt voor de nationale veiligheid of leveringszekerheid zal het maatregelen treffen om een dergelijk risico te mitigeren.
Het bericht ‘Twee ondergrondse warmtebuffers ingezakt, waarschuwing aan andere gemeentes’ |
|
Jimmy Dijk |
|
Sophie Hermans (minister klimaat en groene groei, minister infrastructuur en waterstaat) (VVD) |
|
Wat is uw reactie op het bericht «Twee ondergrondse warmtebuffers ingezakt, waarschuwing aan andere gemeentes»?1
Vanuit de berichtgeving begrijp ik het volgende: twee ondergrondse warmtebuffers met heet water zijn kort na elkaar ingestort in Nagele en Wernhout. Gemeente Noordoostpolder waarschuwt andere gemeenten met een soortgelijke warmtebuffer voor veiligheidsrisico’s van zulke installaties. Er is onderzoek gedaan, maar dit is nog niet openbaar. Wel deelt de onderzoeker dat blijkt dat de constructies materialen bevatten die niet goed bestand zijn tegen langdurige blootstelling aan heet water, wat kan leiden tot verzakkingen.
Het is betreurenswaardig dat de toepassingen van deze eerste generatie innovatieve warmteopslagsystemen in Nagele en Wernhout niet succesvol zijn gebleken in het verduurzamen van de lokale warmtevraag en daarbij schade aan de omgeving hebben toegebracht. Vooral voor de getroffen bewoners is dit erg vervelend. Het is bij materiële schade gebleven en er wordt nu onderzoek gedaan naar de onderliggende oorzaak en eventuele risico’s voor andere locaties.
Innovaties brengen risico’s met zich mee. Het gaat hier om de toepassing van een eerste generatie experimentele warmtebuffersysteem. Deze innovaties zijn als onderdeel van de Proeftuin Aardgasvrije Wijken door het Rijk gesteund. Destijds was het doel om te onderzoeken of een dergelijk innovatief systeem de warmtetransitie in de wijk verder kan brengen. Doel is mede leren van de ervaringen van zo’n systeem en vervolgens lessen trekken waar de energietransitie verder mee geholpen wordt.
Welke regels bestaan er voor handhaving en toezicht voor de bouw en installatie van dit soort ondergrondse warmtebuffers en vergelijkbare constructies? Zijn er instanties die controleren of de juiste bouwmaterialen en methoden worden toegepast? Zo nee, waarom niet?
Ondergrondse warmtebuffers en vergelijkbare constructies vallen onder de reikwijdte van de Omgevingswet (destijds Wet algemene bepalingen omgevingsrecht, oftewel Wabo) en zijn vergunningplichtig. Dit betekent dat voor dergelijke constructies een vergunningaanvraag moet worden gedaan bij de desbetreffende gemeente. In de aanvraag moet aannemelijk worden gemaakt dat het bouwwerk voldoet aan de minimale eisen die in het Besluit bouwwerken leefomgeving (Bbl) gesteld worden ten aanzien van onder andere de constructieve veiligheid.
Gemeenten zijn verantwoordelijk voor het beoordelen van vergunningsaanvragen en het toezien op de naleving van de verleende vergunning voor vergunningplichtige bouwwerken. Dit geldt dus ook voor dit soort ondergrondse warmtebuffers. In algemene zin geldt dat gemeenten zelf bepalen op welke manier bouwplannen getoetst worden aan de regels van het Bbl en of het aannemelijk is dat hieraan voldaan wordt. Daarbij kunnen gemeenten op basis van eigen risico-inschattingen bepalen welke onderdelen van de toetsing prioriteit hebben en welke informatie aangeleverd dient te worden voor de vergunningsbeoordeling. De gemeente is tevens het bevoegd gezag voor handhaving en toezicht bij dergelijke vergunningplichtige bouwwerken.
In hoeverre is de Inspectie Leefomgeving en Transport betrokken bij de handhaving en toezicht op de aanleg van ondergrondse warmtebuffers en andere vormen van warmtenetten?
De Inspectie Leefomgeving en Transport (ILT) heeft de bevoegdheid om toezicht te houden op de uitvoering van de Europese verordening bouwproducten, de basis voor het aanbrengen van CE-markering op bouwproducten. Ook ziet de ILT toe op de aanleg van bodemenergiesystemen waarbij warmte en koude uit de bodem worden gebruikt voor verwarming en koeling van gebouwen. Er is echter geen rol voor de ILT bij toezicht en handhaving op de aanleg van ondergrondse warmtebuffers en andere vormen van warmtenetten.
Bent u bereid samen met de gemeente Noordoostpolder en andere gemeenten met ondergrondse warmtebuffers in gesprek te gaan om preventieve maatregelen op te stellen om soortgelijke ongevallen in andere delen van het land te voorkomen? Zo nee, waarom niet, en welke maatregelen gaat u wel nemen om soortgelijke ongevallen te voorkomen?
De gemeente Noordoostpolder heeft vanuit haar verantwoordelijkheid over de verleende vergunning het Ministerie van Volkshuisvesting en Ruimtelijke Ordening (VRO) geïnformeerd over de ontstane situatie en heeft uit voorzorg diverse andere gemeenten met vergelijkbare projecten een brief gestuurd met informatie over de casus Nagele en een onderzoeksrapport in verband met de verzakking2. Daarmee kan elke gemeente een eigen risicoafweging maken. De verantwoordelijkheid voor het verlenen van vergunningen, toezicht en handhaving op de veiligheid van constructies zoals dit soort ondergrondse warmtebuffers ligt bij de gemeente als bevoegd gezag. Vanuit het kabinet is het Ministerie van VRO het eerste aanspreekpunt indien nodig.
Welke consequenties zijn er voor bouwbedrijf HoCoSto voor de schade aan de buitenruimte in Nagele? Welke boetes en straffen zijn er voor de veroorzakers van dit soort incidenten?
De mate waarin een bedrijf aansprakelijk is voor directe of zelfs indirecte schade is een privaatrechtelijk vraagstuk en is afhankelijk van de contractuele afspraken die zijn gemaakt tussen in dit geval HoCoSto B.V. en Energiek Nagele.
Het bedrijf dat het project in Nagele heeft gerealiseerd is echter in 2023 failliet gegaan. Hoewel met behulp van een externe financier de bedrijfsactiviteiten een doorstart hebben kunnen realiseren in een nieuwe entiteit, HoCoSto Renewables B.V., is dit gebeurd zonder overname van de aansprakelijkheden van de oorspronkelijke entiteit.
Is dit incident een milieudelict? Zo ja, welke maatregelen gaan uw ministerie, de NVWA en mogelijk het OM nemen?
Het is niet aan het kabinet om uitspraken te doen over de vraag of een concreet geval is aan te merken als een eventueel milieudelict. Het is daarbij aan het Openbaar Ministerie (OM) om al dan niet over te gaan tot vervolging. Als het OM overgaat tot vervolging en beslist een verdachte te dagvaarden is het uiteindelijk aan de rechter om te oordelen of sprake is van een milieudelict of niet.
In hoeverre betaalt HoCoSto mee aan herstel van de warmtebuffers en de buitenruimte? Deelt u de mening dat vervuilers mee moeten betalen aan de schade die zij verrichten? Zo nee, waarom niet?
Het bedrijf HoCoSto B.V. was verantwoordelijk voor de realisatie van het project in Nagele en is in 2023 failliet gegaan. Zie hiervoor ook het antwoord op vraag 5. De nieuwe entiteit die de bedrijfsactiviteiten heeft overgenomen is niet aansprakelijk en zal daarom niet betalen aan het herstel.
Zoals aangegeven bij het antwoord op vraag 1 is het project in Nagele deel van het Programma Aardgasvrije Wijken (PAW). In de eerste ronde (2018), waar Energiek Nagele onderdeel van is, ontving de gemeente een decentralisatie-uitkering. De gemeente had daardoor veel ruimte om zelf invulling te geven aan de besteding van de middelen. Binnen dit project zijn nog PAW-middelen beschikbaar die de gemeente nu inzet voor het ontmantelen, verwijderen en afvoeren van de installatie, evenals voor aanvullend onderzoek.
Deelt u de mening dat private belangen als winst een belangrijke fase als de energietransitie kunnen belemmeren, doordat bedrijven bijvoorbeeld de aanleg van warmtenetten zo goedkoop mogelijk willen doen waardoor de kans op fouten en ongelukken vergroot? Zo ja, bent u dan bereid stappen te nemen om een publiek energiebedrijf in nationale handen op te richten? Zo nee, waarom deelt u de mening niet en waarom bent u niet bereid energie in volledig publieke handen te nemen?
Het kabinet deelt deze mening niet. We zien dat ook private bedrijven zich inzetten op het versnellen van de energietransitie. Sturing op publieke belangen is geregeld in de recent aangenomen Wet collectieve warmte, waar een verplicht publiek meerderheidsaandeel in bestaande en nieuwe warmte-infrastructuur het uitgangspunt is en is in de oprichting van een nationale deelneming warmte voorzien. Zo wordt de publieke regie versterkt en zal de warmtesector op termijn voor de levering en het transport van warmte voor de meerderheid in publieke handen vallen. Daarmee wordt gewaarborgd dat publieke belangen verankerd worden in de besluitvorming van de warmtebedrijven en de opschaling van investeringen in de warmtetransitie in de gebouwde omgeving. Momenteel worden op veel plekken in het land initiatieven genomen voor de oprichting van publieke warmtebedrijven. Daarnaast voert het kabinet verkennende gesprekken over de overname van de private warmtebedrijven. De oprichting van een nationaal energiebedrijf acht het kabinet in dit licht niet nodig, en staat bovendien op gespannen voet met de wenselijkheid van lokaal of provinciaal aandeelhouderschap gelet op regionaal draagvlak en betrokkenheid.
Het Rapport Wennink |
|
Daniël van den Berg (JA21) |
|
Eelco Heinen (minister financiën, minister economische zaken en klimaat) (VVD), Sophie Hermans (minister klimaat en groene groei, minister infrastructuur en waterstaat) (VVD), Vincent Karremans (VVD) |
|
|
|
|
Kunt u bevestigen dat volgens Netbeheer Nederland het aantal unieke verzoeken op de wachtlijst midden- en laagspanning in 2025 is opgelopen tot 14.044 en het wachtlijstvermogen tot 9,1GW?1
Ja. Volgens de laatste cijfers van Netbeheer Nederland (stand op 1 juli 2025) en zoals gecommuniceerd in de Kamerbrief Aanpak Netcongestie van oktober jl. staan er 14.044 verzoeken van grootverbruikers in de wachtrij voor midden- en laagspanning bij de regionale netbeheerders, voor afname van in totaal 9,1 GW. Daarnaast staan er 8.539 verzoeken van grootverbruikers voor invoeding op midden- en laagspanning bij de regionale netbeheerders op de wachtrij, met een totaal vermogen van 4,6 GW.2 In maart 2026 zal Netbeheer Nederland met een update van deze cijfers komen.
Hoeveel aanvragen op wachtlijsten betreffen (a) MKB, (b) grootverbruik/industrie, (c) maatschappelijke instellingen, en wat zijn de mediane wachttijden per categorie en regio?
Informatie over hoeveel partijen er van verschillende categorieën op de wachtlijst staan is niet beschikbaar. In de meest recente voortgangsrapportage netcongestie3 is wel aangegeven dat er 362 partijen in de prioriteitscategorie nationale veiligheid en 295 partijen in de prioriteitscategorie basisbehoeften op de wachtrij staan. Dit zijn met name (maatschappelijke) instellingen, maar kunnen ook bedrijven zijn die vallen onder een van deze categorieën uit het prioriteringskader. De netbeheerders werken aan het verbeteren van het inzicht in de categorieën van bedrijven op de wachtrij. De mediane wachttijd van partijen op de wachtrij is niet beschikbaar. De capaciteitskaart van Netbeheer Nederland4 laat wel zien wanneer de belangrijkste knelpunten per gebied zijn opgelost en geven daarmee een indicatie van de wachttijd per gebied.
Deelt u de analyse dat netcongestie zowel schaalvergroting als verduurzaming vertraagt en dat in regionale industrie bijna driekwart van verduurzamingsplannen niet tijdig kan doorgaan door tekort aan energie-infrastructuur?
Netcongestie zit inderdaad zowel uitbreiding als verduurzaming van bedrijven in de weg. In de cluster energiestrategie (CES) van cluster 6, waar de regionale industrie gevestigd is, is inderdaad opgenomen dat 73% van de verduurzamingsplannen niet voor 2030 kan doorgaan door het ontbreken van energie-infrastructuur (publicatie januari 2025). De grootste knelpunten die in het rapport worden genoemd zijn, naast netcongestie, de lange afstand tot de hoofdinfrastructuur, het uitblijven van tijdige infrastructuur voor waterstof en CO2, en onvoldoende beschikbaarheid van bio/groen gas en warmte.
Welke concrete stabiliteits- en veiligheidsmarges leiden er volgens u toe dat netten gemiddeld slechts 30% benut worden, en welke ruimte ziet u voor risicogebaseerde herijking zonder leveringszekerheid te schaden?2
Stabiliteits- en veiligheidsmarges hebben betrekking op het aanhouden van reservecapaciteit. TenneT is wettelijk verplicht om voor het hoogspanningsnet extra componenten aan te leggen (de zogenaamde «vluchtstrook» of reservecapaciteit) zodat stroom beschikbaar blijft tijdens onderhoud of een storing. Uitval op het TenneT-net kan namelijk uitval voor een hele provincie betekenen. Door de grote uitbreidingsopgave van het net zal de gereserveerde ruimte voor onderhoud ook de komende jaren hard nodig zijn. Het Ministerie van KGG onderzoekt samen met de ACM en de netbeheerders de mogelijkheden om het elektriciteitsnet zwaarder te belasten. Hierbij wordt ook geanalyseerd hoeveel procent van het net momenteel gebruikt wordt. Het onderzoek verkent ook de mogelijkheden rondom het nemen van meer risico en mogelijke beleidsopties rondom het zwaarder belasten van het net. Het onderzoek zal eind maart bij de komende voortgangsrapportage worden gedeeld met de Kamer. Hierbij wordt ook gekeken naar de daadwerkelijke gemiddelde benutting van het net. Of dit daadwerkelijk 30% is, is nog niet bekend. Een gemiddelde benutting zegt overigens weinig over de daadwerkelijke benutting in een specifiek gebied. Dit is immers sterk afhankelijk van de specifieke situatie, veiligheidseisen en bijvoorbeeld hoe groot de verwachte groei achter de meter is tot het moment van uitbreiding.
Veiligheidsmarges hebben ook betrekking op de wijze waarop netbeheerders omgaan met de verwachte elektriciteitsvraag. Deze prognoses zijn van belang bij het bepalen of er netcongestie kan optreden. Dit betreft bijvoorbeeld de verwachte toename van de elektriciteitsvraag bij bestaande aansluitingen. Daarbij zijn de voorspellingen en onzekerheden rondom deze groei cruciaal. Het kabinet werkt samen met de netbeheerders, de ACM en het bedrijfsleven aan een doorbraakaanpak voor betere benutting van het net. Het verbeteren van de prognoses maakt hier onderdeel van uit. De Kamer wordt binnenkort geïnformeerd over de uitkomsten van deze doorbraakaanpak.
Hoeveel «Zeeland-achtige» flexibiliteitsdeals (zoals TenneT-Air Liquide) zijn sinds 2024 gesloten, en welke juridische/financiële/ACM-belemmeringen remmen opschaling?
TenneT heeft nog één andere vergelijkbare afspraak gesloten.6 In beide gevallen werd (een deel van) reeds toegekende vaste («firm») capaciteit omgezet naar een tijdsduurgebonden contract (TDTR). Hierbij kan TenneT het transportrecht maximaal 15% van het aantal uren in het jaar beperken en krijgt het bedrijf een korting op de nettarieven. In beide gevallen was er sprake van specifieke omstandigheden: het bedrijf was bereid reeds toegekende firm capaciteit om te zetten naar flexibele capaciteit en er was genoeg capaciteit beschikbaar op de rustige momenten om de aanvraag in te kunnen passen. De vrijgekomen transportcapaciteit kon vervolgens worden uitgegeven aan partijen op de wachtrij. Deze nieuwe contractvorm is mogelijk sinds 2024.
Naast deze twee zijn er sindsdien nog negentien andere TDTR-contracten gesloten. Dit betreft partijen op de wachtrij die met dit contract (flexibel) konden worden aangesloten, zonder effect op andere partijen op de wachtrij. Flexibiliteit via alternatieve transportrechten zoals de TDTR is vooral aantrekkelijk voor een bedrijf als oplossing om, ondanks de wachtrij, toch (flexibele) transportcapaciteit te kunnen krijgen.
Ruimte voor nieuwe of zwaardere aansluitingen wordt wel gerealiseerd met congestiemanagementproducten (capaciteitssturingscontract en redispatch). Hierbij passen bestaande grote netgebruikers, tegen vergoeding, hun elektriciteitsbehoefte aan wanneer het net overbelast dreigt te raken. Dit maakt het voor de netbeheerder mogelijk om extra aan te sluiten. Bij de volgende voortgangsrapportage in maart wordt het aantal in 2025 afgesloten congestiemanagementcontracten bij de landelijke en regionale netbeheerders gepubliceerd.
In de laatste brief over de voortgang aanpak netcongestie7 zijn de knelpunten benoemd die grootschalige uitrol van alternatieve transportcontracten in de weg staan. Netbeheerders moeten ervaring opdoen met het aan de man brengen van deze nieuwe producten. Zij moeten daarvoor meer transparantie bieden in waar welke flexibiliteit nodig is. Marktpartijen moeten worden bewogen om flexibeler met gebruik en invoeding van elektriciteit om te gaan. Het kabinet werkt samen met de netbeheerders, de ACM en het bedrijfsleven aan een doorbraakaanpak voor betere benutting van het net. Oplossingen om deze knelpunten te doorbreken maken hier onderdeel van uit. De Kamer wordt binnenkort geïnformeerd over de uitkomsten van deze doorbraakaanpak.
Erkent u dat regionale afstemming over locaties voor energieprojecten tot 10 jaar kan duren en dat dit samenhangt met te weinig ruimtelijke regie op elektriciteitsinfrastructuur? Welke maximale doorlooptijden gaat u hanteren voor locatiekeuze en vergunningen voor netprojecten?3
Het kabinet herkent de duur van 10 jaar voor het gehele realisatieproces van energie-infrastructuurprojecten. Dit omvat meer dan alleen afstemming over locaties. Hierin zit ook technische verkenning, milieu-effectonderzoeken, vergunningverlening volgend op het locatiebesluit, bezwaar- en beroepsprocedures, en de bouw van het project. Het kabinet werkt aan het verkorten van deze totale doorlooptijd, zoals aangegeven in de Kamerbrief «sneller uitbreiden elektriciteitsnet» van 25 april 20259. Onderdeel hiervan is het wetgevingsprogramma netcongestie. Per 1 januari 2026 geldt bijvoorbeeld een standaard gedoogplicht voor onderzoekswerkzaamheden waardoor de voorbereidingen tot locatiekeuze minder vertraging kunnen oplopen.
Het uitgangspunt blijft een zorgvuldig doorlopen proces. Voor vergunningverlening en bezwaar- en beroepsprocedures bestaan vrij scherpe maximale termijnen. Daarom wordt onderzocht hoe processtappen simultaan kunnen verlopen en zo efficiënt mogelijk ingericht om de doorlooptijd te minimaliseren. Met de wettelijke maatregel «Versnelde beroepsprocedure voor elektriciteitsprojecten vanaf 21kV» die uiterlijk begin 2027 in werking treedt, worden stappen in de beroepsprocedure overgeslagen met mogelijk 1,5 jaar verkorting van doorlooptijden. Uiteindelijke inwerkingtreding is afhankelijk van de grondslag in de Wet Regie Volkshuisvesting die momenteel voor behandeling in de Eerste Kamer ligt.
Het kabinet werkt ook aan versnelling van de locatiekeuze binnen de projectprocedure. Een groot deel van deze procedure is door (Europese) wetgeving verplicht, het kabinet onderzoekt de mogelijkheden om binnen deze kaders te versnellen. De doorlooptijd van dit proces kan één of meerdere jaren duren. In verband met de complexiteit en beslag op de ruimte kan dit proces sneller bij 110/150kV projecten dan 220/380kV. Het kabinet werkt aan versnelling met afspraken over het trechteren van locaties. Met steun van gemeenten en provincies kaderen we het afwegen van alternatieve locaties en de inrichting van een zo snel mogelijke én zorgvuldige procedure. Om de ruimtelijke regie verder te versterken wordt er aan de hand van de projectenaanpak ook gewerkt aan het sneller aanwijzen van bevoegd gezag. KGG faciliteert deze snellere aanwijzing door in een vroeg stadium gesprekken te organiseren tussen TenneT en decentrale overheden. Met deze beleidsmatige en wettelijke stappen voorkomen we te lange procedures, versnelt tussentijdse besluitvorming en kan het Rijk ingrijpen bij impasses.
Ook het formatierapport «Routes naar realisatie: keuzes voor het klimaat en de energietransitie»10 gaat in op knelpunten t.a.v. de lange doorlooptijden van energieprojecten en brengt beleidsopties in kaart, zoals proactieve ruimtelijke sturing via actief grondbeleid.
Kunt u bevestigen dat elektriciteitskosten in Nederland 20–50% hoger liggen dan buurlanden en dat industriële elektriciteitsprijzen tot de helft hoger kunnen zijn? Welke maatregelen neemt u om prijspariteit met België en Duitsland te bereiken en op welke termijn?4
In 2024 en 2025 heeft het kabinet onderzoek laten uitvoeren naar de elektriciteitskosten in Nederland ten opzichte van buurlanden. Hieruit blijkt inderdaad dat de elektriciteitskosten voor industriële grootverbruikers in Nederland fors hoger liggen. In de Kamerbrieven van 25 april 202512 en 16 september 202513 is de Kamer over verschillende maatregelen geïnformeerd die het kabinet op nationaal niveau neemt om de energierekening voor bedrijven en consumenten te verlagen. Zo is de indirecte kostencompensatie ETS (IKC-ETS) verlengd tot en met 2028 en werkt het kabinet opties uit om de nettarieven te verlagen, gericht op besluitvorming door een nieuw kabinet.
Deelt u de inschatting dat nettarieven richting 2040 meer dan verdubbelen bij ~5% groei per jaar? Hoeveel komt hiervan neer bij huishoudens, MKB en industrie, en welke dempingsopties onderzoekt u?5
De elektriciteitsnettarieven kunnen bij ongewijzigd beleid inderdaad meer dan verdubbelen. Het kabinet heeft dit in de kabinetsreactie op het IBO-rapport Bekostiging van de Elektriciteitsinfrastructuur eveneens aangegeven.15 De geraamde stijging richting 2040 is echter met aanzienlijke onzekerheden omgeven. In de kabinetsreactie op het IBO heeft het kabinet meerdere opties geschetst om de kosten van netbeheerders, en daarmee de tarieven van aangeslotenen, te dempen. Deze opties zijn onder meer energiebesparing, het flexibiliseren van het netgebruik door aangeslotenen, het beter benutten en zwaarder belasten van de netten, locatiesturing en het maken van andere keuzes voor het toekomstig energiesysteem. Zie in onderstaande figuur de verdeling van de groei van de netkosten per categorie aangeslotenen.
Ook het anders verdelen van de kosten in de tijd in de vorm van een zogenoemde amortisatierekening is onderzocht. Hierbij wordt een deel van de kosten doorgeschoven naar toekomstige gebruikers. Op Prinsjesdag heeft het kabinet moeten concluderen dat de rationale en juridische mogelijkheid hiervoor ontbreekt.16 In dezelfde brief geeft het kabinet aan dat ook een eventuele subsidie aan TenneT tot de mogelijkheid behoort om de netkosten te dempen. Een dergelijke maatregel heeft significante en langjarige budgettaire consequenties, zoals ook blijkt uit het formatierapport «Routes naar Realisatie»17. Besluitvorming hierover is aan een nieuw kabinet.
Bent u bereid de optie uit te werken om de energiebelasting op elektriciteit voor grootverbruik richting het EU-minimum te brengen?
Het kabinet onderschrijft het belang van concurrerende energieprijzen en een gelijk speelveld voor de industrie. Het verlagen van de energiebelasting op elektriciteit kan hieraan bijdragen, zoals ook beschreven in het in het vorige antwoord genoemde rapport Routes naar Realisatie. Het belang van een dergelijke belastingverlaging voor de industrie zal moeten worden afgewogen tegen de doelstellingen van de energiebelasting, namelijk het genereren van overheidsinkomsten en het stimuleren van energiebesparing. Daarbij is ook relevant dat een verlaging van de energiebelasting op elektriciteit slechts een beperkt effect zou hebben op de elektriciteitskosten van grote industriële bedrijven, doordat net- en elektriciteitstarieven een groter onderdeel vormen van de energiekosten, en doordat een deel van de industrie al is vrijgesteld van energiebelasting. Besluitvorming hierover is aan een nieuw kabinet.
Welke nationale koppen bovenop Europees beleid dragen volgens u aantoonbaar bij aan concurrentienadeel, en welke koppen heroverweegt u in het licht van investeringszekerheid en industriebehoud?6
Er zijn diverse factoren die bijdragen aan concurrentienadeel. Dat kunnen nationale koppen zijn, zoals de CO2-heffing voor de industrie, maar ook een hoger tarief in de energiebelasting of het feit dat in Nederland de volumecorrectieregeling (VCR) – conform EU-regels – is afgeschaft terwijl andere landen deze nog steeds hanteren. Een uitgebreid overzicht van factoren die invloed hebben op het concurrentievermogen is te vinden in de Speelveldtoets19. Daaruit blijkt dat de hoge elektriciteitskosten in vergelijking met buurlanden één van de belangrijkste factoren zijn. Het kabinet probeert dit speelveld gelijker te trekken door onder andere de indirecte kostencompensatie ETS (IKC-ETS) te verlengen. Met het pakket voor Groene Groei20 heeft het kabinet eerder al ingezet op het herstellen van het gelijk speelveld en verbeteren van het concurrentievermogen door het effectief buiten werking stellen van de CO2-heffing en niet invoeren van de plasticsheffing. Tegelijkertijd heeft Nederland relatief veel subsidies voor de industriesector ten opzichte van buurlanden21 en zijn er andere factoren die een positief effect op de concurrentiepositie van de Nederlandse industrie hebben zoals opgebouwde expertise, logistieke hubs, goede infrastructuur en een hoog opgeleide bevolking.
Deelt u dat netcongestie een belangrijk obstakel is voor AI-proposities en dat hyperscale-datacenters door beleid feitelijk in 340 van 342 gemeenten niet mogelijk zijn?7
Het kabinet erkent dat netcongestie een belangrijk obstakel is. Voldoende datacentercapaciteit is randvoorwaardelijk voor het realiseren van de Nederlandse AI-ambities. Wachtlijsten voor aansluitingen en bouwstops belemmeren de groei van deze sector. Het recente advies van Peter Wennink benadrukt terecht de urgentie om netcongestie aan te pakken via betere netbenutting, flexibiliteit, prioritering en publiek-private samenwerking.
In 2023 is in de algemene maatregel van bestuur (AMvB) in het Besluit kwaliteit leefomgeving (paragraaf 5.1.7.7) een instructieregel opgenomen waaruit volgt dat de bouw van hyperscale datacenters – met een vermogen van meer dan 70 MW en een ruimtebeslag van meer dan 10 hectare – op dit moment inderdaad feitelijk in slechts twee gemeenten mogelijk is. Dit beleid voorziet in landelijke regie op deze zeer grootschalige faciliteiten vanwege hun impact op leefomgeving, energievoorziening en infrastructuur, en is daarmee niet toe te schrijven aan netcongestie. Er bestaan geen landelijke restricties voor vestiging van datacenters onder de drempelwaardes van hyperscale datacenters uit deze AMvB. Grote datacenters kunnen worden gebouwd zolang zij niet tegelijk aan beide criteria voldoen. De besluitvorming hierover is een bevoegdheid van gemeenten en provincies. Zij bepalen of, en onder welke voorwaarden zij datacenters op hun grondgebied toestaan.
Datacenters die onder de criteria van deze AMvB ontwikkeld mogen worden kunnen evengoed een waardevolle bijdrage leveren aan de ontwikkeling van AI-capaciteit en digitale infrastructuur.
Gezien het projectvoorstel «AI Gigafabriek» >100.000 GPU’s en 250–750 MW IT-capaciteit noemt, welke harde randvoorwaarden stelt het kabinet aan netinpassing, flexibiliteit en restwarmte zodat dit niet tot extra congestie leidt?
De precieze grootte van de omvang van een AI-gigafabriek staat niet vast en kan verschillen per projectvoorstel. AI-infrastructuur vormt de fundering onder moderne AI-modellen en -toepassingen. Het kabinet verwelkomt daarom AI-infrastructuur initiatieven en investeringen waar zij positief bijdragen aan een evenwichtige ontwikkeling van het nationale en Europese AI-ecosysteem.
Dit kunnen volledig private AI-infrastructuur projecten zijn.
Met betrekking tot het specifieke publiek-private Europese AI-gigafabrieken initiatief heeft het kabinet nog geen definitieve besluitvorming afgerond of formele keuze gemaakt om mee te financieren aan een AI-gigafabriek binnen de EuroHPC call voor AI-gigafabrieken die nog opengesteld moet worden.23 De precieze randvoorwaarden voor ondersteuning en co-financiering van een AI-gigafabriek worden op dit moment nog uitgewerkt door de Europese Commissie en zullen bij openstelling van de call bekend zijn. Wel is in de amendering van de EuroHPC-verordening al benadrukt dat voor AI-gigafabrieken energie-efficiëntie en duurzaamheid deel zullen uitmaken van de criteria die de Commissie wil meenemen in het selectieproces.
Het bericht ‘Kabinet negeert alarmbellen rond nieuwe Zeeuwse kerncentrales’ |
|
Christine Teunissen (PvdD) |
|
Sophie Hermans (minister klimaat en groene groei, minister infrastructuur en waterstaat) (VVD) |
|
|
|
|
Heeft u kennisgenomen van het artikel «Kabinet negeert alarmbellen rond nieuwe Zeeuwse kerncentrales»?1
Ja.
Klopt het dat op uw ministerie al sinds 2024 meerdere rapporten bekend zijn (onder meer van Deltares, Arcadis en de Commissie voor de milieueffectrapportage) waarin wordt gewezen op mogelijke ecologische en juridische risico’s bij de waterkoeling van kerncentrales in de Westerschelde?
Kunt u bevestigen dat deze rapporten reeds beschikbaar waren vóór het versturen van uw voortgangsbrief van mei 2025 aan de Kamer? Zo ja, waarom zijn deze koelwaterwaarschuwingen toen niet met de Kamer gedeeld?
Kunt u toelichten op welke wijze deze rapporten zijn meegenomen in het huidige locatieonderzoek voor nieuwe kerncentrales?
Hoe beoordeelt u de conclusie van Deltares dat de Westerschelde tijdens de levensduur van de geplande kerncentrales structureel te warm kan worden om als koelwaterbron te dienen zonder schending van Europese regelgeving?
Hoe beoordeelt u de mogelijke impact van opwarming van het koelwater in de Westerschelde op de ecologische toestand van het Natura 2000-gebied en op de bedrijfsvoering van de geplande kerncentrales?
Herkent u het beeld dat er al sprake is van regelmatige onderwaterhittegolven in de Westerschelde? Wat betekent dit voor de toekomstige bedrijfszekerheid van nieuwe kerncentrales in Borssele of Terneuzen?
Kunt u uitsluiten dat de geplande kerncentrales incidenteel of structureel moeten worden stilgelegd wegens te warm koelwater, zoals reeds gebeurt bij Franse kerncentrales tijdens warmteperiodes?
Klopt het dat de provincie Zeeland in de «Borselse voorwaarden» heeft vastgelegd dat er geen koeltorens mogen komen, waardoor waterkoeling de enige resterende optie lijkt?
In de provinciale voorwaarden wordt aangegeven dat een koeltoren veel impact heeft op de lokale leefbaarheid en het landschap. De provincie Zeeland wil daarom geen koeltorens. De signalen rondom koelwater betekenen niet automatisch dat er koeltorens nodig zijn zoals bijvoorbeeld bij de kerncentrale Doel in België. Er zijn ook andere mitigerende maatregelen mogelijk. Bijvoorbeeld tijdelijke stilstand, het plannen van onderhoudsvensters of andere vormen van (bij)koeling. In het huidige locatieonderzoek worden dit soort maatregelen verkend om te zien in hoeverre deze voor de diverse onderzoekslocaties aan de orde zouden kunnen zijn.
Kunt u aangeven wat de meerkosten zouden zijn van kerncentrales met koeltorens ten opzichte van waterkoeling, mede gezien de bevindingen van de International Atomic Energy Agency (IAEA) dat koeltorens vier tot vijf keer duurder zijn?
Ongeacht de koelwateroplossing zijn de kosten hiervan sterk afhankelijk van de daadwerkelijke locatie. Zowel de bodem, de afstand tot de kust, of het een open of gesloten water toe- en uitvoer is, zijn dusdanig bepalend voor de kosten van het koelwatersysteem als geheel, dat daar nu nog niet op vooruit gelopen kan worden. Na de locatiekeuze en de techniekkeuze zal een ontwerp gemaakt worden voor het koelwatersysteem, op basis waarvan een kosteninschatting gemaakt kan worden.
Bent u bereid de Kamer inzicht te geven in de financiële en juridische risico’s van beide koelingsopties (directe waterkoeling versus koeltorens) alvorens verdere besluiten worden genomen over de oprichting van het staatsbedrijf NEO NL en de locatiekeuze?
Vanzelfsprekend houdt het kabinet de Kamer van de risico’s op de hoogte via de reguliere voortgangsbrieven. De financiële risico's van koelwateroplossingen zijn sterk afhankelijk van de locatiekeuze. Daarom zal eerst tot een locatie moeten worden gekomen, voordat de koelwateroplossing ontworpen kan worden en daarmee de financiële en juridische risico’s in beeld gebracht. Het gebruik van koeltorens of van doorstroomkoeling kent op zichzelf geen juridische risico’s maar moet gezien worden als een technische uitdaging met impact op aspecten zoals landschap, milieu, investeringskosten en bedrijfseconomie. Daarbij moet voldaan worden aan Nederlandse wet- en regelgeving. Het ontwerp van de koelwateroplossing wordt pas na de locatiekeuze bepaald, waarbij vooralsnog wordt uitgegaan van doorstroomkoeling tenzij dit niet kan vanwege bijvoorbeeld ecologische beperkingen. Dit wordt in de planMER beoordeeld. De oprichting van NEO NL is voorzien in Q1 2026 parallel aan de plan MER en Integrale Effectenanalyse (IEA). De (voorbereiding van de) locatiekeuze is een van de taken die niet wordt overgedragen naar NEO NL bij de verzelfstandiging. Zoals gesteld wordt de Kamer na de zomer op de hoogte gebracht van de locatiekeuze en worden de onderzoeken die deze keuze onderbouwen gepubliceerd.
Hoe verhoudt de inzet op Zeeland zich tot de verplichting onder artikel 4 van de Kaderrichtlijn Water om verslechtering van de waterkwaliteit te voorkomen, zeker gezien de huidige chemische belasting van de Westerschelde?
In de planMER wordt voor alle locaties onderzocht in hoeverre de thermische en chemische lozingen van de kerncentrales de waterkwaliteit beïnvloeden. Hierbij wordt het Toetsingskader Waterkwaliteit gehanteerd waarin de Kaderrichtlijn is uitgewerkt. De techniekleveranciers zullen gedurende het inkoopproces een ontwerp voorstellen voor de door het kabinet aangewezen locatie, rekening houdend met deze randvoorwaarden. De uiteindelijke beoordeling of het ontwerp voldoet aan de Nederlandse wet- en regelgeving vindt vervolgens plaats bij de vergunningaanvraag.
Hoe zorgt u ervoor dat de Kamer volledig geïnformeerd wordt over de ecologische, juridische en financiële risico’s in het besluitvormingsproces over de kerncentrales?
Zodra alle onderzoeken zijn afgerond zal de Kamer een totaalbeeld per locatie ontvangen. In dat beeld zullen effecten en risico’s van juridische, financiële en ecologische aard worden meegenomen. Dit moment is voorzien direct na de zomer van 2026. Op dat moment zal de ontwerp Voorkeursbeslissing samen met de Integrale Effectenanalyse en planMER ter inzage worden gelegd. Als de wettelijke adviezen en de binnengekomen reacties zijn verwerkt, wordt de Voorkeursbeslissing definitief. Ook hier wordt de Kamer over geïnformeerd door middel van de voortgangsbrieven die periodiek verzonden worden. Hierna zal de planuitwerkingsfase starten waarvoor een project-MER zal worden opgesteld. Dit nieuwe onderzoek naar de effecten op het milieu en de leefomgeving zal meer detail hebben dan de planMER. Deze project-MER zal de vergunningaanvragen en het uiteindelijke Projectbesluit onderbouwen.
Kunt u toezeggen dat er geen onomkeerbare stappen worden gezet in de voorbereiding van de nieuwe kerncentrales (zoals de oprichting of kapitalisatie van NEO NL), voordat de Kamer volledig inzicht heeft gekregen in de koelwaterproblematiek en de ecologische haalbaarheid van de locaties in Zeeland? Zo nee, waarom niet?
Het kabinet beoogt bij de vormgeving van de verschillende werksporen snelheid te behouden én de beperking van risico's in acht te nemen. In de Kamerbrief van 17 oktober jl.8 is op pagina 9 de routekaart te zien met de verschillende trajecten. De oprichting van NEO NL is voorzien in Q1 2026 parallel aan de plan MER en Integrale Effectenanalyse (IEA) waarin de effecten van de verschillende locaties in beeld worden gebracht. In de ontwerpVoorkeursbeslissing zal het Kabinet de voorkeurslocatie beschrijven en motiveren. Deze wordt naar verwachting direct na de zomer van 2026 gepubliceerd. Na het verwerken van adviezen en reacties wordt de Voorkeursbeslissing definitief vastgesteld.
De techniekleveranciers zullen gedurende het inkoopproces een ontwerp voorstellen voor de door het kabinet aangewezen locatie. Deze ontwerpen zullen van elkaar verschillen. Na de keuze voor de uiteindelijke techniekleverancier zal een definitief ontwerp gemaakt worden. Met het definitieve ontwerp kunnen de volledige ecologische effecten in kaart worden gebracht door middel van een project-MER. Het kabinet werkt tegelijkertijd aan meerdere parallelle werksporen, waarmee de gewenste snelheid wordt behouden en tegelijk de risico's in acht worden genomen door de verschillende trajecten te laten interacteren.
Conform de motie van het lid de Groot (31 239-438) zal in de eerstvolgende nieuwbouwbrief begin volgend jaar teruggekomen worden op het behouden van de snelheid die gewenst is in dit project. Het kabinet blijft stappen zetten maar neemt geen besluiten met potentiële ecologische of financiële effecten zonder daarover de Tweede Kamer voorafgaand te informeren.