Klopt het dat een presentatie of notitie van het Instituut Mijnbouwschade Groningen (IMG) over de verhaalbaarheid van schadevergoedingen eerder in het openbare deel van het archief van de parlementaire enquête aardgaswinning Groningen (PEAG) raadpleegbaar was?
Dat klopt.
Klopt het dat dit document thans niet langer in het openbare deel van dat archief beschikbaar is? Sinds wanneer is dat het geval?
Dat klopt, dit document is niet meer beschikbaar in het openbare deel van het archief sinds 14 oktober 2024.
Is dit document verplaatst naar een besloten of vertrouwelijk deel van het archief, of is het geheel uit het archief verwijderd? Kunt u de exacte handelwijze, datum en grondslag uiteenzetten?
In tegenstelling tot de titel van de Kamervragen is het document niet verdwenen. Dit document is op verzoek van het IMG verplaatst naar het vertrouwelijke deel van het archief omdat het gaat om een verschoningsgerechtigd stuk, en dus vertrouwelijke informatie, die niet in het openbare archief opgenomen had moeten worden.
Op wiens verzoek is de openbaarheidsstatus van dit document gewijzigd? Wie heeft dat verzoek gedaan, bij wie is het ingediend en wie heeft het besluit genomen?
Zie vraag 3. De status is op verzoek van het IMG bij brief van 4 oktober 2024, gericht aan de griffier van de Parlementaire Enquêtecommissie Aardgaswinning Groningen, gewijzigd. Die commissie heeft vervolgens op dat verzoek besloten en het document op 14 oktober 2024 naar het vertrouwelijke deel van het archief verplaatst.
Waren uw ministerie, de toenmalig verantwoordelijke bewindspersoon, het IMG of de landsadvocaat betrokken bij of op de hoogte van dit verzoek? Zo ja, wat was ieders rol daarbij?
Zie vraag 4. Het IMG heeft het verzoek gedaan. Het ministerie en de landsadvocaat waren daarvan op de hoogte vanwege de lopende arbitrageprocedure tegen NAM, waarin NAM om de presentatie heeft verzocht, welk verzoek is geweigerd door het scheidsgerecht.
Welke bepaling van de Wet op de parlementaire enquête 2008, de Regeling parlementair en extern onderzoek of andere toepasselijke regels biedt volgens u de grondslag om na afloop van een parlementaire enquête een document alsnog uit het openbare deel van het archief te halen of onder beperkingen te brengen?
Op grond van artikel 40 van de Wet op de parlementaire enquête 2008 kunnen beperkingen worden gesteld aan de openbaarheid van documenten die onder de betreffende enquêtecommissie berusten of hebben berust, zolang de documenten onder de commissie of daarna onder de Kamer berusten. Waar het hier om gaat is een document dat, omdat het gaat om een verschoningsgerechtigd stuk, nooit onderdeel van het openbare archief had moeten zijn. Dat is rechtgezet.
Is over de wijziging van de status van dit document juridisch advies ingewonnen door de griffie van de Tweede Kamer of een andere instantie? Zo ja, door wie, wanneer en bent u bereid dat advies met de Kamer te delen?
Daar ben ik niet mee bekend.
Klopt het dat de PEAG-commissie of haar staf van dit document kennis heeft kunnen nemen? Zo ja, is dit document betrokken bij de oordeelsvorming, het feitenrelaas of de rapportage van de commissie? Zo nee, waarom niet?
De PEAG commissie en/of haar staf heeft van dit document kennis kunnen nemen omdat zij zowel openbaar geleverde documenten als vertrouwelijk geleverde documenten heeft ontvangen van het IMG. Ik kan geen inschatting geven of het betreffende document een rol heeft gespeeld in het onderzoek van de commissie.
Heeft het IMG de in de presentatie vervatte inzichten over de verhaalbaarheid van schade en de duur van de schadeafhandeling vóór of tijdens 2022 gedeeld met het ministerie? Zo ja, op welke data, in welke vorm en met welke ambtelijke en politieke geadresseerden?
Ik ben niet in het bezit van de presentatie en daarom ook niet bekend met de inhoud van de presentatie.
Is de toenmalig verantwoordelijke Minister expliciet geïnformeerd over het risico dat delen van het gehanteerde schadebeleid mogelijk buiten de aansprakelijkheidskaders van Nederlandse Aardolie Maatschappij (NAM) vallen? Zo ja, wanneer en via welke stukken, nota’s of presentaties?
De toenmalige Staatssecretaris was ermee bekend dat NAM zich niet kan verenigen met de opgelegde heffingen omdat zij meent dat delen van de werkwijze van het IMG haar aansprakelijkheid te buiten gaan. Voor het overige verwijs ik naar het antwoord op de Kamervragen van het lid Clemminck (2026Z05645).
Klopt het dat het IMG in deze presentatie signaleert dat delen van het schadebeleid niet zonder meer binnen de aansprakelijkheid van NAM vallen? Zo nee, wilt u dan feitelijk weergeven welke conclusie het IMG op dit punt wel trok?
Zie het antwoord op vraag 9.
Klopt het dat het IMG in deze presentatie signaleert dat onder het huidige beleid geen duidelijke exitstrategie bestaat en dat, zolang nieuwe scheuren worden vastgesteld, vergoedingen kunnen blijven doorlopen? Zo nee, wat is volgens u een juiste lezing van die passage?
Zie mijn antwoord op vraag 9.
Kunt u toelichten hoe uw antwoord op vraag 4 uit eerdere schriftelijke vragen (2026Z05645), namelijk dat niet kan worden uitgesloten dat kosten uiteindelijk voor rekening van de Staat komen, zich verhoudt tot uw antwoord op vraag 15, namelijk dat daarvoor geen begrotingsvoorziening of reservering nodig wordt geacht?
Het is in de systematiek van het kas-verplichtingenstelsel ongebruikelijk voor de Rijksbegroting om begrotingsvoorzieningen te treffen voor budgettaire risico’s. Door middel van de Tijdelijke wet Groningen (TwG) zijn er via heffingen en facturen kosten bij NAM in rekening gebracht. Dit wordt door NAM en de aandeelhouders van NAM bestreden in verschillende juridische procedures en gezien die procedures bestaan er budgettaire risico’s ofwel kans op begrotingstegenvallers.
In dit verband is het goed er op te wijzen dat het financiële risico voor de Staat kleiner is dan de opgelegde heffingen aan NAM. Conform de afspraken die zijn gemaakt met Shell en ExxonMobil over de afdrachtensystematiek draagt de Staat (bij benadering) uiteindelijk 73% van de opgelegde heffingen en komt 27% voor rekening van NAM.
Over welke concrete kostencategorieën bestaat op dit moment een juridisch geschil tussen de Staat enerzijds en NAM, Shell en ExxonMobil anderzijds? Kunt u dit uitsplitsen naar fysieke schade, waardedaling, versterken, daadwerkelijk herstel, forfaitaire of ruimhartige regelingen, verduurzamingsmaatregelen, knelpuntenregelingen en overige posten?
Er lopen op dit moment verschillende juridische procedures. Deze zien op fysieke schade, waardedaling en de versterkingsoperatie. Daarnaast zijn er ook bezwaren ingediend tegen heffingsbesluiten voor gemaakte kosten op het gebied van immateriële schade en de forfaitaire vergoedingen. Ik zal de Kamer periodiek op de hoogte blijven houden van de voortgang van deze juridische procedures door middel van Kamerbrieven, zoals mijn ambtsvoorgangers in het verleden ook hebben gedaan1.
Heeft het ministerie intern scenario’s, bandbreedtes, risicoregisters of andere analyses opgesteld over de mogelijke financiële risico’s voor de Staat indien kosten niet of slechts gedeeltelijk op NAM verhaalbaar blijken? Zo ja, wanneer zijn deze opgesteld, geactualiseerd of besproken?
Deze vraag ligt in het verlengde van vraag 12 van de schriftelijke vragen van het lid Clemminck (2026Z05645). Conform de beantwoording van die vragen ben ik graag bereid in een vertrouwelijke (technische) briefing de Kamer hierover te informeren, maar gelet op de procespositie van de Staat vind ik een antwoord op deze vraag hier niet passend.
Welke concrete vervolgstappen zet het kabinet indien uit rechterlijke uitspraken of arbitrale vonnissen blijkt dat relevante delen van de schadekosten niet verhaalbaar zijn op NAM? Is er in dat geval een aanvullend begrotings- of dekkingsplan?
Ik kan geen antwoord geven op deze vraag, zoals ook in het antwoord op vraag 13 heb aangegeven, omdat ik niet vooruit wil lopen op uitspraken of arbitrale vonnissen over de aanhangige juridische procedures.
Bent u bereid de Kamer vertrouwelijk te briefen over de inhoud, status en betekenis van de IMG-presentatie en van eventuele onderliggende of vergelijkbare analyses, nu u in eerdere beantwoording aangaf bereid te zijn tot een vertrouwelijke technische briefing?
Zoals ik in vraag 3 heb aangegeven is de presentatie van het IMG niet openbaar, omdat het valt onder het verschoningsrecht, en beschik ik daar niet over. Ook in een vertrouwelijke briefing kan ik dan ook niet ingaan op de inhoud van deze presentatie.
Bent u bereid de Algemene Rekenkamer expliciet te verzoeken in haar onderzoek ook aandacht te besteden aan de vraag in hoeverre het huidige schadebeleid leidt tot niet-verhaalbare lasten voor de Staat en tot welke budgettaire risico’s dat kan leiden?
Uit de TwG volgt welke kosten bij NAM in rekening moeten worden gebracht. Per heffingsbesluit wordt beoordeeld en toegelicht of de kosten die zijn gemaakt in het kader van de schadeafhandeling en versterkingsoperatie op basis van de TwG kunnen worden geheven. De heffingsbesluiten zijn bestuursrechtelijke besluiten. Aangezien het hier gaat over juridische interpretaties die momenteel voor liggen bij de bestuursrechter vind ik het niet opportuun om de Algemene Rekenkamer te verzoeken aandacht te schenken aan het onderscheid tussen verhaalbare en niet-verhaalbare kosten op NAM.
Kunt u deze vragen afzonderlijk beantwoorden uiterlijk vóór 12 juni 2026, zodat de Kamer vóór de aangekondigde uitspraak van de rechtbank Noord-Nederland daarover kan beschikken?
Ja.
De inzet op blauwe waterstof in de industrie |
|
Henk Jumelet (CDA) |
|
Stientje van Veldhoven (D66) |
|
|
|
|
Heeft u kennisgenomen van het artikel «Oost-Groningen zet in op blauwe waterstof als betaalbare stap richting duurzame industrie. «Wie tempo wil maken kan hier niet omheen»»1?
Ja
Deelt u de constatering dat de ontwikkeling van blauwe waterstof in Nederland achterblijft, terwijl dit volgens het rapport «Naar een eerste regionaal industrieel waterstofcluster rond Oost-Groningen» van de New Energy Coalition wél een noodzakelijke tussenstap is om CO2-reductie te bewerkstelligen in de industrie?
Koolstofarme waterstof speelt een belangrijke rol in de verduurzaming van de industrie. Tegelijkertijd is het van belang onderscheid te maken tussen bestaande en nieuwe toepassingen en tussen verschillende vormen van koolstofarme waterstof. In de beantwoording van de volgende vragen ga ik hier nader op in.
Kunt u verduidelijken welke concrete rol u ziet voor blauwe waterstof in het energiesysteem van de toekomst, zowel als vervanger in het opschalen van de Nederlandse waterstofketen en als tijdelijk alternatief voor aardgas?
In de Kamerbrief voortgang waterstofbeleid van 14 juli 20252 is de beleidsverkenning koolstofarme waterstof. In deze verkenning heeft het kabinet aangegeven dat het beleid voor koolstofarme waterstof zich vooral richt op het verduurzamen van bestaande grijze waterstofproductie, waterstofproductie uit restafval en de verduurzaming van restgassen in de petrochemie. Daarbij merk ik op dat blauwe waterstof op systeemniveau geen vervanger van aardgas is. Voor de productie ervan is door energieverliezen in de keten juist meer aardgas vereist dan de hoeveelheid die wordt vervangen. Nieuwe productie van blauwe waterstof uit aardgas vergroot daarmee de afhankelijkheid van aardgas(import) in plaats van deze te verminderen.
Directe elektrificatie is de voorkeursroute voor de verduurzaming van de industrie. Waterstof is met name een optie voor proceswarmte op hoge temperaturen of processen die een vlam vereisen. Voor deze toepassingen ziet het kabinet een mogelijke rol weggelegd voor koolstofarme waterstof. De beschikbaarheid van een alternatief zoals groen gas zal mede bepalen of nieuwe koolstofarme waterstofprojecten noodzakelijk zijn om de beoogde sectoren te verduurzamen. De in het voorjaar 2025 aangekondigde bijmengverplichting voor CO2-vrije energiedragers (waterstof) in gascentrales en bijbehorende subsidie voor ombouw van gascentrales is komen te vervallen. Hierdoor wordt op korte termijn geen grootschalige vraag voorzien in regelbaar vermogen met inzet van (blauwe) waterstof.
Op dit moment werkt het kabinet aan de actualisatie van het Nationaal Plan Energiesysteem (NPE), dat een gedetailleerd beeld geeft van de rol van waterstof in ons energiesysteem, inclusief een reflectie op de rol van koolstofarme waterstof. Momenteel vindt een uitgebreide consultatie met de sector plaats over de actualisatie van het NPE. Het NPE bouwt hierbij voort op voornoemde beleidsverkenning koolstofarme waterstof.
Hoe beoordeelt u de huidige ontwikkeling en de concurrentiepositie van blauwe waterstof in Nederland ten opzichte van omringende landen?
In het algemeen heeft Nederland een goede uitgangspositie voor blauwe waterstof indien wordt gekeken naar bestaand aardgasinfrastructuur met inbegrip van LNG-faciliteiten en de waterstof- en CO2-infrastructuur die in ontwikkeling is. De onzekerheden rondom marktontwikkeling, kosten en vraag naar additioneel koolstofarme waterstof zijn groot. Bij blauwe waterstof blijft Nederland grotendeels afhankelijk van import van fossiele grondstoffen in plaats van deze af te bouwen. De vergelijking met omringende landen is niet eenvoudig te maken. Dit is mede afhankelijk van de samenstelling en omvang van de energie-intensieve industrie en de toekomstige industriële vraag naar waterstof in relatie tot andere verduurzamingsroutes als elektrificatie, groen gas en CCS, en de beleidskeuze voor de rol van waterstof in CO2-vrije elektriciteitsproductie.
Hoe verklaart u het huidige trage tempo van projecten voor blauwe waterstof, mede in het licht van recente uitstel of afstel van grootschalige initiatieven?
Ik heb kennisgenomen van de verschillende initiatieven voor nieuwe blauwe waterstofproductie en de besluiten die een aantal initiatiefnemers hebben genomen om hun projecten uit te stellen of stop te zetten. Dit illustreert de onzekerheden die er zijn over de vraag naar koolstofarme waterstof om te komen tot lange-termijnafnamecontracten. Dit komt ook omdat vraag naar koolstofarme waterstof uit buurlanden achterblijft, terwijl deze doorgaans een belangrijke potentiële afzetmarkt biedt voor nieuwe projecten die koolstofarme waterstof willen produceren. Het kabinet maakt nu tempo met het verduurzamen van bestaande grijze waterstofproductie en industriële restgassen, omdat hier het grootste potentieel zit, ook richting de klimaatdoelen voor 2030.
Welke maatregelen worden genomen om te voorkomen dat projecten op het gebied van blauwe waterstof uitwijken naar het buitenland vanwege ongunstige randvoorwaarden in Nederland?
Zoals beschreven onder vragen 3 en 5, focust de beleidsinzet van het kabinet op het gebied van koolstofarme waterstof zich op het verduurzamen van het bestaande gebruik van grijze waterstof, waterstofproductie uit restafval en de verduurzaming van restgassen in de petrochemie. Voor projecten die op deze wijze koolstofarme waterstof willen produceren, heeft het kabinet ook maatregelen genomen om ze van de grond te krijgen, bijvoorbeeld via aanpassingen in de SDE++. In aanvulling hierop zet het kabinet in op het op orde krijgen van de randvoorwaarden om de industrie in Nederland te verduurzamen. Hierbij is de inzet van hernieuwbare en koolstofarme waterstof een middel en geen doel.
In hoeverre ziet u het gebrek aan stabiel en voorspelbaar beleid als belangrijke belemmering voor investeringsbeslissingen in o.a. de industrie op het gebied van blauwe waterstof?
Het kabinet is zich ervan bewust dat de industrie gebaat is bij duidelijkheid en lange-termijnzekerheid om investeringsbeslissingen te kunnen nemen. Zo is het kabinet aan de slag met de implementatie van de herziene richtlijn hernieuwbare energie (RED-III) en het realiseren van de benodigde infrastructuur voor waterstof- en CO2-transport en -opslag. Met de beleidsverkenning koolstofarme waterstof in de Kamerbrief voortgang waterstofbeleid van 14 juli 2025 is invulling gegeven aan de beoogde beleidsinzet op koolstofarme waterstof, zoals beschreven onder vragen 3 en 5.
Hoe voorkomt u dat een te absolute focus op groene waterstof op korte termijn de ontwikkeling van blauwe waterstof vertraagt, terwijl deze ontwikkeling juist kan bijdragen aan snelle CO2-reductie?
In het beleid wordt ingezet op zowel de opschaling van hernieuwbare waterstof als de verduurzaming van bestaande grijze waterstofproductie en industriële restgassen door toepassing van CCS. Het kabinet ziet potentieel om via deze vormen van koolstofarme waterstof op snelle wijze CO2-reductie in de industrie te realiseren en hiervoor worden via de SDE++ middelen voor vrijgemaakt. Daarnaast zet het kabinet zich ook in op het realiseren van de benodigde infrastructuur voor waterstof- en CO2-transport en -opslag. Vanwege verplichtingen in RED-III moet het kabinet ook fors inzetten op het opschalen van hernieuwbare waterstof voor de industrie, wat tevens ook de bandbreedte bepaalt voor de inzet van koolstofarme waterstof.
Hoe voorkomt u dat de volgorde die u tijdens het commissiedebat Waterstof, groen gas en andere energiedragers op 4 maart 2026 schetste met betrekking tot de voorwaarden voor de inzet van blauwe waterstof (eerst het systeem en pas daarna concrete randvoorwaarden en ondersteuning) in de praktijk leidt tot uitstel en vertraging, terwijl snelheid maken met CO2-reductie juist een reden is om blauwe waterstof in te zetten?
Zie de beantwoording op vragen 3, 5 en 6.
Bent u bereid om vooruitlopend op het volledige systeemplaatje op korte termijn in ieder geval de voorlopige kaders en voorwaarden voor de productie en inzet van blauwe waterstof te schetsen, zodat kansrijke projecten niet onnodig vertragen of Nederland verlaten? Zo nee, waarom niet?
De voorlopige kaders en voorwaarden voor de verschillende routes voor de productie en inzet van koolstofarme waterstof zijn geschetst in voornoemde Kamerbrief van 14 juli 2025 en in deze beantwoording nader toegelicht. Het kabinet zal in de actualisatie van het NPE schetsen hoe koolstofarme waterstof past in de bredere systeemontwikkeling.
Windturbines op land |
|
Henk Vermeer (BBB) |
|
Stientje van Veldhoven (D66) |
|
|
|
|
Kunt u bevestigen dat Nederland het enige EU-land is dat jaargemiddelde geluidsnormen voor windturbines hanteert, terwijl landen als Duitsland, België en het Verenigd Koninkrijk korte-termijnnormen gebruiken (variërend van per uur tot per 10 minuten)?
De EU schrijft niet voor welke geluidmaat gebruikt moet worden voor normering, lidstaten kunnen hierin eigen keuzes maken. Er is geen uniforme benadering van de geluidnormen voor windturbines en er zijn veel verschillen tussen landen. In Europa hanteren Nederland – als enige EU-land – en Noorwegen een jaargemiddelde geluidnorm voor windturbines. De verschillen berusten vooral op vertrouwdheid met bepaalde maten, maar hebben op zichzelf geen consequenties voor de bescherming, aangezien deze wordt bepaald door de hoogte van de norm.
Waarom wijkt Nederland af van deze internationale praktijk van kortere beoordelingsperioden, vooral gezien het feit dat gezondheidseffecten zoals slaapverstoring juist samenhangen met piekgeluiden en niet met jaargemiddelden?
Met het gebruik van een jaargemiddelde geluidmaat wordt juist rekening gehouden met de effecten op de gezondheid van omwonenden. Hiermee wordt aangesloten bij de advieswaarden voor omgevingsgeluid van de WHO en bij de uit wetenschappelijk onderzoek beschikbare hinderrelaties. Het plan-MER laat zien dat een jaargemiddelde norm in de praktijk ook het maximaal optredende geluidsniveau van een windturbine begrenst en bovendien ook de tijdsduur begrenst dat het geluid maximaal mag zijn.
Kunt u bevestigen dat de directeur-generaal van het Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu (RIVM) in een Landelijk Orgaan Wetenschappelijke Integriteit-procedure (LOWI) heeft verklaard dat de RIVM-factsheet over windturbinegeluid «niet gelezen kan worden als de laatste stand van de wetenschap», maar slechts een «weergave van beleidsonderbouwing» is? Zo ja, hoe kan dit vervolgens de basis vormen voor gemeentelijke en provinciale besluitvorming?
Nee. Deze RIVM-factsheet geeft een overzicht van wat op het moment van opstellen (2021) bekend was over gezondheidseffecten van geluid van windturbines. De uitspraak van de DG-RIVM had betrekking op één passage in deze factsheet, namelijk over de gebruikte blootstelling-responsrelatie. Deze blootstelling-responsrelatie is destijds gekozen als onderbouwing van het Nederlandse beleid. De uitspraak ging niet over de hele factsheet.
Bent u bereid de gezondheidskundige basis van de normen te actualiseren op basis van recentere buitenlandse onderzoeken, zoals de Duitse dose-effect relatie (2022), die wel met feitelijke metingen is gevalideerd?
Het vaststellen van de milieunormen doorloopt het reguliere besluitvormingsproces van een algemene maatregel van bestuur. Bij de keuzes die ten grondslag liggen aan de nieuwe concept-windturbinenormen spelen de conclusies uit het plan-MER een belangrijke rol. In het plan-MER is de stand van de kennis over de relatie tussen windturbinegeluid en hinder tegen het licht gehouden. Indien na vaststelling van de AMvB, recent gepubliceerd onderzoek aantoont dat het beeld over hinder wezenlijk wijzigt, kan dit aanleiding vormen om dit proces opnieuw te doorlopen.
Hoe beoordeelt u de berekening1 dat bij Level day-evening-night (Lden) 45 decibel (dB) circa 40% van de omwonenden ernstige hinder ervaart? Bent u bereid een wetenschappelijke toets uit te laten voeren op deze berekening?
Het RIVM voert momenteel een blootstelling-responsonderzoek uit naar de relatie tussen windturbinegeluid en hinder en slaapverstoring in de Nederlandse context. Het gaat daarbij, net als in het Duitse onderzoek, om de kans op ernstige hinder bij een bepaalde blootstelling, niet om het percentage van alle omwonenden van een windpark dat naar verwachting ernstige hinder ervaart. Wanneer de resultaten van het Nederlandse onderzoek van het RIVM beschikbaar komen, zal het RIVM deze op een zorgvuldige manier naast eerdere bevindingen leggen, waaronder die van het Duitse onderzoek. De resultaten worden eind 2026 verwacht en de Kamer zal over de rapportage van het RIVM geïnformeerd worden.
Bent u bereid onafhankelijk veldonderzoek te laten uitvoeren naar de verspreiding van PFAS, BPA en andere schadelijke stoffen afkomstig van slijtage van windturbinebladen, zoals nu door meerdere experts wordt aanbevolen?
Nee. Primair is het aan het bevoegd gezag om voorwaarden te stellen ter voorkoming van schade aan gezondheid of milieu en daarop te handhaven. Daarbij zijn er geen aanwijzingen dat slijtage van windturbinebladen een bedreiging vormt voor gezondheid en milieu. Eerder onderzoek gaf aan dat de emissies marginaal zijn2 Daarom is er nu geen aanleiding om hier nader onderzoek naar te laten doen.
Kunt u uitleggen waarom het voorzorgsprincipe niet wordt toegepast zolang er geen duidelijkheid is over zowel chemische emissies als mogelijke effecten van infra- en laagfrequent geluid?
Het voorzorgsprincipe houdt in dat bij serieuze indicaties van risico’s voor gezondheid of milieu, vooruitlopend op definitief bewijs, maatregelen getroffen worden ter voorkoming van die schade. In dit geval zijn dergelijke indicaties niet beschikbaar, noch voor chemische emissies, noch voor infra- en laagfrequent geluid. Het voorzorgsprincipe is bijvoorbeeld wel toegepast bij het gebruik van blusschuim en bestrijdingsmiddelen die significante bronnen zijn van PFAS-emissies naar het milieu.
Kunt u bevestigen dat volgens het Nationaal Plan Energiesysteem (NPE) de directe elektriciteitsvraag van 2050 (273 terawattuur (TWh)) volledig kan worden gedekt door wind op zee, zon en kernenergie, ook zonder extra wind op land? (NPE-cijfers: 315 TWh wind op zee, 135 TWh zon, 56 TWh kernenergie)
Nee. Naast de directe elektriciteitsvraag moet ook de vraag voor elektrolyse worden meegenomen. Daarnaast moet het aanbod en vraag ook in de tijd met elkaar worden afgestemd, wat vraagt om een bepaalde mate van overdimensionering. In de geplande actualisatie van het NPE is zij voornemens om de bijgewerkte cijfers van het verwachte CO2-vrije elektriciteitsaanbod uit kernenergie, windenergie op land, windenergie op zee en zon-PV op basis van de bijgestelde vraag te schetsen. Zij is van plan om hier ook o.a. de veranderende kosten voor waterstof in mee te nemen.
Waarom handhaaft het NPE dan een doorgroeiambitie van 29 TWh extra wind op land, terwijl uit de beantwoording van eerdere Kamervragen blijkt dat de waterstofgerelateerde vraag in Nederland waarschijnlijk grotendeels goedkoper via import wordt ingevuld?
Windenergie op land wordt niet gebruikt om te voldoen aan de waterstofgerelateerde vraag. Windenergie op land is nodig om woningbouw, bedrijvigheid en mobiliteit mogelijk te maken. Het is namelijk met zon-PV de meest kosteneffectieve manier om hernieuwbare energie op te wekken. Het draagt bij aan de diversificatie van het opwekportfolio in Nederland en op die manier aan meer energieonafhankelijkheid. Ook kan windenergie op land dichter bij de vraag en dus netefficiënt worden ingepast, en daarmee bijdragen aan het verminderen van netcongestie. Een goede inpassing van windenergie op land en betrokkenheid van omwonenden is van belang. Windenergie op land is daarom essentieel voor een betrouwbaar, betaalbaar en duurzaam energiesysteem, naast windenergie op zee, zon-PV en kernenergie.
In de actualisatie van het NPE is de Minister van KGG van plan om o.a. in te gaan op een nieuwe richtwaarde voor windenergie op land richting 2040. Ook is zij van plan om in te gaan op de relatie met waterstofproductie en -import in Nederland.
Kunt u bevestigen dat maatschappelijke kosten zoals slaapverstoring, stress, zorgkosten, uitval op werk en school, woningwaardedaling en leefomgevingsschade niet worden meegenomen in de huidige maatschappelijke kosten-batenanalyse (mkba) en systeemverkenningen voor het energiesysteem?
Om de beleidsinzet voor de energietransitie te bepalen worden verschillende perspectieven en systeemanalyses meegenomen. Er is niet één MKBA die hieraan ten grondslag ligt. Het RIVM doet in opdracht van EZK uitgebreid onderzoek naar gezondheidseffecten, zoals slaapverstoring en stress, waarvan de resultaten worden meegewogen in beleid, zoals de milieunormen voor windturbines. Het kabinet neemt deze inzichten mee in de beleidskeuzes, net als andere inzichten over de impact op leefomgeving zoals bijvoorbeeld ruimtegebruik. In het NPE wordt op nationaal niveau bepaald wat de beleidsinzet is voor de energietransitie. De Minister van KGG zal een geactualiseerd NPE rond de zomer naar de Kamer sturen. De vertaling naar de regio’s gebeurt in samenwerking met de decentrale overheden. Hierbij wordt niet alleen gekeken naar het kostenperspectief, maar ook naar de impact op de leefomgeving en ruimtelijke inpassing. Indien nodig wordt op basis daarvan het landelijke beeld in het NPE weer bijgesteld.
Bent u bereid een integrale mkba uit te voeren waarin wind op land, wind op zee, kernenergie en import in verschillende scenario’s worden vergeleken, zodat de politiek een transparante keuze kan maken?
De Minister van KGG ziet geen meerwaarde in een aparte nationale MKBA. De impact op de leefomgeving van verschillende energieoplossingen wordt al onderzocht en meegewogen. Bovendien is de impact erg afhankelijk van specifieke locaties, waardoor een generieke MKBA op nationaal niveau weinig meerwaarde heeft voor besluiten in de regio.
Kunt u bevestigen dat wind op land vanwege de lagere vollasturen en grotere fluctuaties een ongunstiger productieprofiel heeft dan wind op zee, waardoor in de praktijk meer bijstook in gascentrales nodig is? Zo nee, kunt u dit onderbouwen met historische productiedata?
Windenergie op land heeft een lagere capaciteitsfactor dan windenergie op zee, en daardoor wordt er per geïnstalleerd vermogen minder energie opgewekt. Tegelijkertijd zijn de kosten van windenergie op land significant lager dan die van windenergie op zee. Windenergie op land en windenergie op zee zijn nodig om ook 's nachts elektriciteit op te wekken en sluiten goed aan bij het opwekprofiel van zon-PV. Op dit moment zijn er periodes waarop de zon niet schijnt en de wind niet waait. Op deze momenten zijn er andere bronnen nodig, zoals gas- of kerncentrales of flexibele oplossingen.
Bent u bereid dit CO2-verschil structureel te laten doorrekenen door Planbureau voor de Leefomgeving (PBL) of TNO, zodat de klimaatimpact van extra wind op land objectief beoordeeld kan worden?
Nee. Het CO2-reductiepotentieel van de verschillende klimaattechnieken zoals windenergie op land en windenergie op zee wordt al door PBL doorgerekend om de maximale subsidiebedragen vast te stellen voor de Stimulering Duurzame Energieproductie en Klimaattransitie (SDE++), Tijdelijk Ondersteuningsmechanisme Windenergie Op Zee (TOWOZ) en in de toekomst ook voor de tweerichtingscontracten voor zonne- en windenergie. Daaruit komt een objectieve maatstaf om de emissiereductie en kosten per techniek met elkaar te vergelijken: de subsidie-intensiteit (euro/tCO2).
Hoe rijmt u dat in officiële communicatie en in het Klimaatakkoord wordt gesteld dat windmolens «bij voorkeur op zee» moeten worden geplaatst, terwijl tegelijkertijd de ambitie voor wind op land wordt vergroot ondanks het al bereiken van de oorspronkelijke 35 TWh-doelstelling?
In het toekomstige energiesysteem is zowel windenergie op land als windenergie op zee nodig, zoals ook vermeld in het NPE 2023. De 35 TWh-doelstelling is voor 2030, ook daarna blijft de doorgroei van windenergie op land nodig. Daarom is de Minister van KGG van plan om in de actualisatie van het NPE een nieuwe richtwaarde voor windenergie op land op te nemen. Zie ook het antwoord op vraag 9.
Milieunormen voor windturbines op land |
|
Felix Klos (D66), Dion Huidekooper (D66) |
|
Stientje van Veldhoven (D66), Bertram |
|
|
|
|
Bent u bekend met de brede oproep van onder andere bouwbedrijven, netbeheerders, gemeenten en milieuorganisaties om te kiezen voor milieunormen voor windturbines op land op basis van geluid en slagschaduw, in plaats van vast te houden aan generieke afstandsnormen?1
Ja.
Hoe beoordeelt u de stelling dat generieke afstandsnormen een slechte voorspeller zijn van ervaren hinder door windturbines, in vergelijking met normen gebaseerd op geluid en slagschaduw?
Een generieke afstandsnorm biedt op zichzelf geen aanvullende bescherming tegen hinder voor bewoners in de nabijheid van windturbines.2 Het geluidniveau op de gevel van een woning kan niet een-op-een vertaald worden naar een vaste afstand tot de windturbine, omdat dit van vele factoren afhankelijk is. Voorbeelden hiervan zijn: het type windturbine, bodemgesteldheid, bebouwing/obstakels/begroeiing in de omgeving, en weersomstandigheden. De mate van hinder door slagschaduw wordt niet alleen bepaald door de afstand vanaf de windturbine, maar ook door de oriëntatie van het windpark, de blootstellingsduur en de frequentie van het passeren van de wieken. Een afstandsnorm zal daarom normering voor geluid en slagschaduw niet kunnen vervangen en kan alleen als aanvullende norm gehanteerd worden om duidelijkheid en zekerheid te bieden aan omwonenden.
Kunt u toelichten in hoeverre het uitblijven van definitieve, werkbare milieunormen momenteel leidt tot stilstand of vertraging van windprojecten, met name op locaties waar de ruimte schaars is, zoals nabij bedrijventerreinen, infrastructuur en havens?
De Monitor Wind op Land laat zien dat de realisatiegraad van windturbines op land na 2021 afneemt. Ook zitten er minder projecten voor de realisatie van windturbines op land in de pijplijn. Dit komt door meerdere factoren, zoals netcongestie, vertragingen door bezwaar- en beroepsprocedures, beperkingen als gevolg van defensieactiviteiten, en door onzekerheid over de besluitvorming rond landelijke milieunormen.3
Sinds de uitspraak van de Raad van State in juni 2021 (het Nevele-arrest) wordt er gewerkt aan nieuwe landelijke milieunormen; welke specifieke factoren hebben ertoe geleid dat dit proces tot op heden nog niet is afgerond, en op welk moment kan de Kamer de normen tegemoetzien?
Het vorige kabinet heeft besloten de indiening van de AMvB milieunormen aan de Tweede Kamer aan het volgende kabinet te laten. Het nieuwe kabinet beraadt zich momenteel over de afstandsnormen. In het commissiedebat Hernieuwbare Energie van 15 april jl. is toegezegd voor de zomer de Tweede Kamer hierover te informeren.
In hoeverre kunnen landelijke normen voor geluid en slagschaduw bijdragen aan zowel de bescherming van omwonenden als aan het vergroten van onze energieonafhankelijkheid?
Bij de totstandkoming van de geluidsnormen in het ontwerpbesluit is uitgegaan van de bestaande kennisbasis over de relatie tussen windturbinegeluid en gezondheid. Deze toont aan dat er een duidelijk verband is tussen het geluidniveau van windturbines en de kans op hinder. De geluidnormen regelen daarom het beschermingsniveau voor omwonenden tegen hinder door windturbinegeluid.
Ook zijn in het ontwerpbesluit bepalingen opgenomen ter beperking van hinder van slagschaduw. Voor beide normeringen geldt dat deze enerzijds voldoende bescherming moeten bieden aan omwonenden en anderzijds plaatsingsruimte moet bieden aan windenergie omdat dit nodig is in het voorzien van leveringszekerheid en onafhankelijkheid van energie, en voor het behalen van klimaatdoelstellingen.
Naar verwachting leiden de nieuwe milieunormen tot meer duidelijkheid en zekerheid voor investeerders en exploitanten, wat bijdraagt aan het vergroten van de investeringsbereidheid in windturbines die bijdraagt aan het voorzien van leveringszekerheid.
Bent u bereid om landelijke milieunormen voor windturbines op land vast te stellen die gebaseerd zijn op geluid, slagschaduw en externe veiligheid, met ruimte voor lokaal maatwerk om specifieke gebiedskansen (zoals in havengebieden) te benutten?
Het ontwerpbesluit bevat landelijke milieunormen voor geluid, slagschaduw en externe veiligheid. Voor geluid en externe veiligheid geldt dat hierbij ruimte wordt gelaten voor lokaal maatwerk door het gebruik van grenswaardes en standaardwaarden. Dit biedt het bevoegd gezag ruimte om lokaal een goede afweging te kunnen maken van economische en maatschappelijke belangen, zoals de gezondheidsbescherming van bewoners en de duurzame energiedoelstellingen.4
Kunt u reflecteren op de mogelijke negatieve effecten van starre afstandsnormen voor de technologische innovatie, zoals de ontwikkeling van stillere, efficiëntere en hogere windturbines?
Innovatie is essentieel in de doorontwikkeling van windturbines. Deze markt is constant in ontwikkeling en aan innovatie onderhevig, en betreft een Europese en mondiale markt aangelegenheid. Met een generieke afstandsnorm geldt in het algemeen dat deze minder ruimte biedt om effecten van innovaties te accommoderen.
Hoe beoordeelt u het risico dat generieke afstandsnormen dwingen tot de bouw van meer, maar lagere turbines, en wat zijn daarvan de gevolgen voor de maatschappelijke kosten, de efficiëntie van het stroomnet en de impact op de biodiversiteit?
Nieuwe milieunormen kunnen de mogelijkheden voor grotere windturbines op land beperken. De maatschappelijke kosten, efficiëntie van het stroomnet en impact op de biodiversiteit worden per project beoordeeld, hier kunnen beperkt generieke uitspraken over worden gedaan. Ter ondersteuning van een zorgvuldige belangenafweging geldt een mer-beoordelingsplicht bij een park van 3 turbines of meer waarmee de milieueffecten en de effecten op biodiversiteit in beeld worden gebracht.
In hoeverre vormen generieke afstandsnormen een barrière voor de broodnodige «repowering» (het vervangen van oude door moderne turbines) op bestaande locaties, en acht u deze belemmering wenselijk in het licht van de klimaatdoelen en onze energie-afhankelijkheid?
Het repoweren van windturbines is van groot belang om ook in onze toekomstige vraag naar elektriciteit te kunnen voorzien. Dit laten recente studies naar de potentie van windturbines op land ook zien.5 Generieke afstandsnormen kunnen de mogelijkheden voor repowering beperken. Deze overweging neemt het kabinet mee in de besluitvorming over de milieunormen.
De berichten dat de nieuwe kerncentrales in Eemshaven of Terneuzen gaan komen |
|
Sjoukje van Oosterhout (GroenLinks-PvdA) |
|
de Bat |
|
|
|
|
Bent u bekend met de berichten «Eemshaven in Groningen toch weer in beeld voor nieuwe kerncentrales» en «Twee grote kerncentrales? Ook Terneuzen staat niet te springen»?1, 2
Herinnert u zich de toezegging van het vorige kabinet aan de provincie Groningen dat er in Groningen geen kerncentrales zouden komen, mede als erkenning van de gaswinningsproblematiek en de aardbevingsschade die de regio heeft getroffen? Bent u het ermee eens dat het huidige kabinet gebonden is aan deze toezegging? Bent u bereid deze belofte onvoorwaardelijk te herbevestigen?
Aangezien de Kamer zich eerder heeft uitgesproken tegen het opleggen van kerncentrales aan Groningen, hoe verhoudt het toch doorzetten van de Eemshaven als onderzoekslocatie zich tot deze uitspraak van de Kamer? Beschouwt u dit als een schending van eerder gemaakte afspraken?
Heeft u kennisgenomen van de stelling van wethouder Dijkhuis van gemeente Het Hogeland dat Den Haag het gebied «erin gerommeld» heeft? Hoe reflecteert u hierop? Wat doet deze keuze volgens u met de bestuurlijke verhoudingen tussen het kabinet en Groningen? Welke concrete stappen gaat u zetten om het vertrouwen te herstellen?
Heeft u kennisgenomen van de stelling van Tennet dat plaatsing van kerncentrales in Terneuzen grootschalige knelpunten in het hoogspanningsnet veroorzaakt waardoor windturbines zullen moeten worden uitgeschakeld? Hoe weegt u dit verlies aan hernieuwbare capaciteit van wind op zee af tegen de veronderstelde winst van nieuwe kerncentrales op die locatie?
Heeft u er kennis van genomen dat Tennet als oplossing voor het gebrek aan afnemers in Zeeland schetst dat stroom uit kerncentrales naar waterstofproductie of nieuwe datacenters zou moeten gaan? Is kabinet bereid miljarden aan publieke investeringen in het net te doen ten behoeve van stroomafname door energie-intensieve (tech)bedrijven? Zo ja, hoe verhoudt dit zich tot het publieke belang?
Is het vestigen van een vaorkeursrecht op grond in zowel Eemshaven als Terneuzen, terwijl beide locaties aantoonbare en door Tennet erkende technische en/of maatschappelijke bezwaren kennen, niet in feite al een locatiekeuze in plaats van een stap in een open onderzoeksfase?
Wanneer is voor u een locatie technisch of maatschappelijk ongeschikt genoeg om definitief af te vallen, aangezien het afgelopen jaar zeven locaties zijn onderzocht, waarvan vijf zijn afgevallen vanwege ruimtelijke, ecologische of netgerelateerde bezwaren, terwijl de twee overgebleven locaties eveneens aanzienlijke bezwaren kennen? Wat moet er gebeuren om de plannen voor twee kerncentrales definitief te staken?
Kunt u deze vragen voorafgaand aan het commissiedebat Kernenergie op 2 juli 2026 beantwoorden?
Het artikel dat de hogere energieprijzen vooral de armste huishoudens treffen |
|
Hidde Heutink (PVV) |
|
Stientje van Veldhoven (D66) |
|
|
|
|
Bent u bekend met de inhoud van de studie van het CPB waaruit blijkt dat huishoudens in de laagste inkomensgroep in het negatieve scenario tot wel 6% van hun inkomen meer kwijt zijn aan energie? Zo ja, wat is uw eerste reactie hierop?1
Bent u het eens met de stelling dat het onrechtvaardig is dat hogere inkomensgroepen zich dankzij overheidssubsidies voor zonnepanelen, warmtepompen en elektrische auto’s beter hebben kunnen beschermen tegen energieprijsstijgingen, terwijl de laagste inkomens dit niet konden en nu de rekening gepresenteerd krijgen? Zo ja, waarom? Zo nee, waarom niet?
Klopt het dat verduurzamingsbeleid van de afgelopen jaren in de praktijk voornamelijk ten goede is gekomen aan hogere inkomens? Zo nee, kunt u dit met cijfers onderbouwen?
Hoeveel huishoudens in de laagste inkomensgroep beschikken momenteel over een slecht geïsoleerde woning? En bij hoeveel van deze woningen is een woningcorporatie verantwoordelijk voor de verduurzaming en onderhoud?
Erkent u dat de hoge brandstofprijzen en de beslissing van de regering om de accijns niet te verlagen ervoor zorgt dat de groep mensen die een auto nodig heeft voor hun werk, ook binnen de laagste inkomensgroepen, nog meer in de knel komt? Zo ja, waarom? Zo nee, waarom niet?
Erkent u dat de hoge brandstofprijzen ervoor zorgen dat mensen die afhankelijk zijn van een auto op deze manier vereenzamen, zich noodgedwongen isoleren van de samenleving en niet langer onderdeel uitmaken van de samenleving? Zo ja, wat bent u voornemens hier aan te gaan doen?
Welke maatregelen neemt het kabinet om ervoor te zorgen dat werkende Nederlanders hun werk kunnen blijven uitvoeren, ondanks de torenhoge brandstofprijzen?
Deelt u de mening dat het onacceptabel is dat de energietransitie de allerarmsten in ons land het hardst raakt, en dat dit beleid fundamenteel herzien moet worden? Zo ja, welke stappen gaat u zetten om herziening van dit beleid te bewerkstelligen? Zo nee, hoe verklaart u de bevindingen van het CPB dan?
Bent u van plan de aanbeveling van het CPB, dat de overheid actief moet ingrijpen om lagere inkomens te helpen fossiele energie te vervangen, over te nemen? Zo ja, hoe? Zo nee, waarom niet?
Dreigende elektriciteitstekorten |
|
Alexander Kops (PVV) |
|
Stientje van Veldhoven (D66) |
|
|
|
|
Hoe alarmerend is voor u de berichtgeving dat er volgens netbeheerder Tennet niet – zoals eerder voorspeld – vanaf 2030, maar al vanaf 2028 elektriciteitstekorten dreigen, waardoor delen van het land urenlang zonder elektriciteit komen te zitten?1
Deelt u de mening dat het onacceptabel en beschamend is dat – in Nederland waar het hebben van elektriciteit ooit, zoals het hoort, vanzelfsprekend was – de norm van een jaarlijks elektriciteitstekort van maximaal vier uur ruimschoots overschreden zal worden?
Deelt u de mening dat het ronduit zorgwekkend is dat elektriciteitstekorten zich met name in de winter in de ochtend- en avonduren zullen voordoen, terwijl dat júíst de momenten zijn waarop huishoudens relatief veel energie verbruiken? Kunt u garanderen dat huishoudens níét in het donker en de kou komen te zitten?
Deelt u de mening dat het volstrekt tegenstrijdig en onuitlegbaar is:
Hoe reageert u op Tennet dat stelt: «Vorig jaar adviseerden we nog om zo’n capaciteitsmechanisme te besturen. Dat heeft het kabinet ook gedaan. Maar nu is de tijd van bestuderen en adviesrapporten wel voorbij»? Komt u met een capaciteitsmechanisme? Zo ja, zal dit – zoals door Tennet geadviseerd – in de winter van 2029–2030 operationeel zijn? Zo nee, wat is dan wél uw oplossing?
Wat bedoelt u met uw uitspraak: «Ik wil een «verzekering» afsluiten die de risico’s op uitval vermindert, zodat Tennet ervoor kan zorgen dat er ook op termijn voldoende elektriciteit is»? Wat voor «verzekering» precies?
Deelt u, resumerend, bovenal de conclusie dat het veel beter is om:
Het Tennet Rapport: Monitor Voorzieningszekerheid, gepubliceerd op 10 juni 2026 |
|
Daniël van den Berg (JA21) |
|
Stientje van Veldhoven (D66) |
|
|
|
|
Heeft u kennisgenomen van de Monitor Voorzieningszekerheid 2026 van TenneT?
Welke aanvullende maatregelen gaat u nemen om te voorkomen dat Nederland vanaf 2030 niet langer voldoet aan de geldende norm voor voorzieningszekerheid van maximaal 4 uur en onder de wettelijke norm terechtkomt?
Welke economische schade verwacht u wanneer de voorzieningszekerheidsnorm gedurende meerdere jaren wordt overschreden, en zijn hierover risicoanalyses uitgevoerd?
Waarom acht u elektriciteitsimport uit omringende landen een voldoende betrouwbare pijler onder het Nederlandse beleid voor voorzieningszekerheid, terwijl hier ook sprake is van schaarste?
Deelt u de opvatting dat uiterlijk in de winter van 2029–2030 een capaciteitsmechanisme operationeel moet zijn? Zo nee, waarom niet?
Wanneer verwacht u de formele voorzieningszekerheidsstandaard conform Europese regelgeving vast te stellen, zodat de invoering van een capaciteitsmechanisme juridisch mogelijk wordt?
Welke concrete stappen moeten tussen nu en 2029 nog worden gezet voor invoering van een capaciteitsmechanisme, en welke risico’s ziet u voor vertraging?
Kunt u uitsluiten dat bestaande gascentrales vóór invoering van een capaciteitsmechanisme economisch onrendabel worden en daardoor sluiten?
Bent u bereid om vooruitlopend op een definitief capaciteitsmechanisme tijdelijke maatregelen te treffen om bestaand regelbaar vermogen beschikbaar te houden?
Acht u de verwachte omvang van het Nederlandse kernvermogen van circa 0,5 GW tot 2035 voldoende om bij te dragen aan de voorzieningszekerheid ondanks dat TenneT aangeeft dat er een behoefte bestaat aan extra regelbaar vermgen? Zo ja, waarop baseert u dat oordeel?
Welke bijdrage verwacht u dat nieuwe kerncentrales vóór 2040 daadwerkelijk kunnen leveren aan de voorzieningszekerheid?
Hoeveel gigawatt aan gascentrales, batterijen of andere regelbare capaciteit zou volgens u kunnen worden vervangen door de geplande uitbreiding van kernenergie?
Heeft u onderzocht of versnelling van kernenergieprojecten kan bijdragen aan het verminderen van verwachte tekorten in de elektriciteitsvoorziening? Zo ja, wat waren daarvan de uitkomsten?
Hoe wordt het wegvallen van circa 4 GW regelbaar kolenvermogen vóór 2030 vervangen?
Welke hoeveelheid nieuw regelbaar vermogen moet volgens u vóór 2030 beschikbaar komen om het wegvallen van kolencentrales volledig te compenseren?
Bent u bereid te onderzoeken of bestaande kolencentrales tijdelijk kunnen worden aangehouden als strategische reserve voor noodsituaties?
Hoe beoordeelt u de mogelijkheid om bestaande kolencentrales om te bouwen naar biomassa voor extra capaciteit?
Hoe verhoudt het uitstel van elektrificatieprojecten als gevolg van beperkte netcapaciteit zich tot het kabinetsbeleid om de industrie versneld te verduurzamen?
Hoeveel uur leveringszekerheid kunnen de verwachte batterijvolumes volgens u bieden tijdens langdurige windarme winterperiodes?
Welke zekerheid bestaat er dat de geplande waterstofcentrales daadwerkelijk vóór 2030 operationeel zijn en over voldoende waterstof kunnen beschikken?
Erkent u dat Nederland ook na 2035 afhankelijk zal blijven van regelbaar gasgestookt vermogen voor de leveringszekerheid? Zo nee, waarom niet?
Welke gevolgen verwacht u voor de elektriciteitsprijs van huishoudens en bedrijven indien de tekorten oplopen tot het niveau dat TenneT in 2035 voorziet?
Kunt u aangeven hoeveel gigawatt regelbaar vermogen volgens de huidige inzichten ontbreekt indien geen capaciteitsmechanisme wordt ingevoerd?
Kunt u de vragen afzonderlijk beantwoorden?
De extreem lage gasvoorraden |
|
Alexander Kops (PVV) |
|
Stientje van Veldhoven (D66) |
|
|
|
|
Bent u bekend met het bericht «Energietekort dreigt komende winter door extreem lage gasvoorraad: huishoudens staan voor hogere energierekening»?1
Hoe reageert u op de waarschuwingen van de Gasunie dat het vultempo van de gasvoorraden zorgelijk laag is om voor komende winter huishoudens en bedrijven genoeg buffer te bieden, dat het besluit over de aanleg van een strategische gasvoorraad te lang duurt en dat er, kortom, meer urgentie moet komen om energietekorten en nog hogere energierekeningen te voorkomen?
Bent u ervan op de hoogte dat de Gasunie al in maart jl. waarschuwde «dat Nederland onvoldoende is voorbereid op grote gastekorten» en opriep om een strategische gasvoorraad op te bouwen?2 Wat hebt u sindsdien gedaan om het vullen van de voorraden en het aanleggen van een strategische voorraad te versnellen?
Op welke vulgraad verwacht u, met het huidige te lage tempo, in oktober uit te komen, en wat zal dat doen met de leveringszekerheid en energieprijzen? Wat gaat u doen om op een vulgraad van minimaal 80% uit te komen?
Klopt het dat inkopers (commerciële bedrijven) weten dat Nederland vroeg of laat moet vullen en daarom zo lang mogelijk wachten zodat het Rijk hen met een bonus verleidt om de bergingen toch te vullen? Wat gaat u doen om deze opportunistische prikkel weg te nemen en ervoor te zorgen dat de voorraden alsnog tijdig en voldoende worden gevuld?
Hoe reflecteert u op uw uitspraak om «samen met EBN te zoeken naar de balans tussen leveringszekerheid voor volgende winter, het beperken van marktverstoring en kosten zo laag mogelijk houden»? Deelt u de conclusie dat dit, tot dusverre, niet is gelukt?
Hoe reageert u op het advies van hoogleraar Martien Visser om ondanks het prijsopdrukkende effect de voorraden te vullen, omdat «de prijsgevolgen van te lege bergingen aan het begin van de winter veel groter zijn»?
Wat gaat u doen om verdere stijging van de energieprijzen te voorkomen? Sterker nog, bent u bereid de btw op energie van 21% naar 9% én de energiebelasting te verlagen?
Tweerichtingsladen als oplossing van netcongestie |
|
Habtamu de Hoop (PvdA), Sjoukje van Oosterhout (GroenLinks-PvdA) |
|
de Bat |
|
|
|
|
Bent u bekend met het project van Kia en Hyundai samen met Vattenfall om het voor particuliere klanten met een elektrische auto mogelijk te maken elektriciteit aan het net terug te leveren tijdens piekmomenten en daarmee geld te verdienen (tweerichtinngsladen)?1
Bent u ermee bekend of andere automerken en/of elektriciteitsleveranciers een dergelijk aanbod ontwikkelen in Nederland?
Is het elektriciteitsnet overal in Nederland klaar om tweerichtingsladen toe te staan? Zo nee, wat moet er gebeuren opdat het net wel tweerichtingsladen toestaat?
Zult u ervoor zorgen dat de mogelijkheid tot tweerichtingsladen standaard is voorzien in alle nieuwe wijken? Zo ja, hoe? Zo nee, waarom niet?
Welke andere maatregelen overweegt u om tweerichtingsladen aan te moedigen als deel van de oplossing voor netcongestie? Kan dit voorwaardelijk worden gemaakt bij de aanleg van nieuwe woonwijken of bedrijventerreinen?
Hoe beoordeelt u de contractvorm waarbij de koper van een bepaald automerk vasthangt aan één specifieke elektriciteitsleverancier?
Is er bij dergelijke contractvormen een risico van marktconcentratie waarbij de leverancier vervolgens de prijzen voor de klant kan verhogen aangezien klanten omwille van automerk niet meer van leverancier kunnen veranderen willen ze nog toegang hebben tot tweerichtingsladen?
Hoe kunt u borgen dat klanten ondanks hun autokeuze toch nog een vrije keuze hebben van elektriciteitsleverancier met behoud van de mogelijkheid tot tweerichtingsladen?
Kunt u deze vragen afzonderlijk beantwoorden?
Kernenergie |
|
Sjoukje van Oosterhout (GroenLinks-PvdA) |
|
de Bat |
|
|
|
|
Kunt u voor de geplande nieuwe kerncentrales een raming van de financieringslasten bij verschillende scenario’s wat betreft bouwtijd (bijvoorbeeld 10, 14 en 18 jaar) en wat betreft rente (bijvoorbeeld 2,3%, 3,8% en 7,0%) bezorgen, daarbij rekening houdende met de studie van Witteveen+Bos die aangeeft dat de financieringslasten al snel tot 70% van de totale bouwkosten kunnen oplopen?
Gezien uw voornemen een renteloze lening te verstrekken voor de bouw van kerncentrales, bent u ook bereid renteloze leningen te verstrekken voor andere energieinvesteringen?
Gezien de rente die TenneT als netbeheerder moet betalen oploopt tot 5%, bent u bereid om ook aan TenneT en andere netbeheerders renteloze leningen te verstrekken voor deze investeringen, die essentieel zijn voor de oplossing van de netcongestie? Zo nee, kunt u dat motiveren?
Aangezien investeerders in hernieuwbare bronnen zoals zon, wind en warmte voor leningen aangewezen zijn op de kapitaalsmarkt, bent u bereid om ook aan deze investeerders renteloze leningen te verstrekken voor hun investering in de toekomstige energievoorziening van Nederland? Zo nee, kunt u dat motiveren?
Welke bedrag zal voor de investering in twee, of vier, kerncentrales via bijkomede staatsschuld gefinancierd worden?
Welk deel van de inkomsten van nieuwe kerncentrales zal naar het Rijk vloeien? Op welke termijn verwacht het Rijk dat het geïnvesteerde bedrag terugverdiend is en welke rendement verwacht het Rijk op deze investering te halen doorheen de hele levenscyclus van de nieuwe kerncentrales, daarbij rekening houdende met alle kosten inclusief die voor berging van afval en ontmanteling van de centrales?
Gezien geen enkele marktpartij wil investeren in een kerncentrale in Borssele, waarom maakt u de keuze hier niet het oordeel van de marktwerking te volgen, terwijl de laatste supermarkt van Borssele dit jaar wel gesloten is door marktwerking en de Rijksoverheid geen maatregelen nam om de aanwezigheid van een supermarkt in het dorp te garanderen?
Welk marktfalen ligt ten grondslag aan de oprichting en financiering van het staatsbedrijf NEO? Is onderzocht op welke andere wijzen de energievoorziening veiliggesteld kan worden, daarbij in ogenschouw nemend dat TNO in het rapport van (bijlage 4 bij de brief van 17 oktober 2025) aangeeft dat een betrouwbare energievoorziening zonder kerncentrales tegen dezelfde kosten mogelijk is?
Gezien eventuele nieuwe kerncentrales ingezet zouden worden voor het leveren van baseload en daarmee continu en op vol vermogen 10 á 20% van de benodigde elektriciteit zouden opwekken en gezien de overige 80 á 90% van de elektriciteit van zonnepanelen en windmolens zou komen, hoeveel uren per jaar verwacht u dat een deel van de zonne- en windenergie dan zouden worden afgeschakeld («curtailment») omwille van de inflexibiliteit van de kerncentrales?
Kunt u een schatting geven van de hoeveelheid elektriciteit die zo niet zal worden geoogst?
Kunt u een schatting geven tot hoeveel inkomstenderving dit leidt bij de exploitanten van de zonnepanelen en windmolens? Kunt u een schatting geven van welke capaciteit aan zon- en windprojecten niet gebouwd zullen worden door de verslechtering van het verdienmodel ten gevolge van de bouw van nieuwe kerncentrales?
Kunt u een schatting geven van de bedragen die u in deze uren aan de kerncentrales moet uitkeren op basis van de prijsgarantie die u aan hen geeft (het «Contract for Difference»)?
Kunt u, gezien uit eerdere antwoorden op vragen van de Kamer1, 2 bleek dat de Nederlandse kerncentrale afhankelijk is van Rusland door de dominante positie in de uraniumketen aangeven in hoeverre de inspanningen van het kabinet hebben geresulteerd in een vermindering van deze afhankelijkheid?
Verwacht u dat de nieuwe kerncentrales geheel onafhankelijk van Rusland en staten in diens invloedssfeer kunnen opereren? Op welke termijn zal dit gerealiseerd zijn?
Welke garanties kunt u daarvoor geven? En waar zal de splijtstof voor nieuwe kerncentrales vandaan komen?
Op welke wijze zijn de in oktober 2025 door IPSOS bevraagde inwoners van Groningen, Zuid-Holland en Zeeland vooraf geïnformeerd over de verschillende aspecten rondom de bouw van kerncentrales?
Waarom zijn de inwoners van deze provincies nog niet geïnformeerd over de resultaten van de enquête?
Wanneer heeft bureau IPSOS de bevindingen met u gedeeld? Kunt u deze rapportage met de Kamer en met de ge-enquêteerden delen?
Welke rol kan een subjectieve peiling als deze spelen bij de locatiekeuze, die op de objectieve gegevens uit de MER en de IEA zal moeten zijn gebaseerd?
Kunt u duidelijkheid verschaffen over de hoeveelheid kernafval die de nieuwe centrales zullen produceren door de volgende feitelijke gegevens te delen met de Kamer:
Hoe kijkt u naar de Eemshaven als potentiële locatie voor nieuwe kerncentrales in het licht van de morele ereschuld van het Rijk naar Groningen na de schade ten gevolge van het opboren van gas in de provincie en in het licht van de toezeggingen van uw voorgangers dat de locatie Eemshaven slechts is meegenomen omdat het juridisch niet anders kon?
Kunt u deze vragen afzonderlijk beantwoorden voor het eerstvolgende commissiedebat Kernenergie?
Het voordeel van meer gebruik van steenkolen ten opzichte van geïmporteerd gas |
|
Daniël van den Berg (JA21) |
|
Stientje van Veldhoven (D66) |
|
|
|
|
Klopt het dat het vullen van de Nederlandse gasvoorraden op dit moment door de huidige gasprijzen in bepaalde scenario’s duurder kan uitpakken dan de verwachte gasprijs in de komende winter? Bent u bereid dit te kwantificeren aan de hand van actuele marktprijzen en winter-forwardprijzen?
Kunt u per gasopslag aangeven wat de actuele vulgraad is, welke vuldoelen gelden, welke volumes nog moeten worden ingekocht en tegen welke verwachte kosten?
Welke financiële risico’s lopen inwoners, gebruikers van het gasnetwerk, marktpartijen, Energie Beheer Nederland (EBN) en de Nederlandse Staat wanneer gas nu tegen relatief hoge prijzen wordt ingekocht om de voorraden te vullen, terwijl de gasprijs in de winter lager blijkt te liggen?
Kunt u aangeven welk deel van het in Nederland opgeslagen gas naar verwachting daadwerkelijk beschikbaar blijft voor Nederlandse huishoudens, bedrijven en elektriciteitsproductie, en welk deel mogelijk via de interne Europese gasmarkt naar het buitenland stroomt?
Welke gevolgen heeft het voor EBN en uiteindelijk voor de Rijksbegroting wanneer EBN of andere door de Staat aangewezen partijen gas inkopen tegen hoge zomerprijzen en dit gas later tegen lagere marktprijzen moeten verkopen of beschikbaar stellen? Kunt u aangeven hoe eventuele verliezen worden gedragen en of deze uiteindelijk bij de belastingbetaler terecht kunnen komen?
Deelt u de opvatting dat het vanuit betaalbaarheid en leveringszekerheid onwenselijk is als Nederland tegen te hoge kosten gasvoorraden vult, terwijl dat gas vervolgens niet primair ten goede komt aan Nederlandse huishoudens en bedrijven?
Hoeveel aardgas wordt in Nederland gemiddeld ingezet voor elektriciteitsproductie, en welk deel daarvan is volgens u direct of indirect nodig om schommelingen in wind- en zonne-energie op te vangen?
Kunt u berekenen hoeveel aardgas Nederland kan besparen wanneer bestaande kolencentrales tijdelijk meer elektriciteit produceren en gascentrales daardoor minder draaiuren maken?
Welke technische, juridische, vergunningtechnische en Europese belemmeringen bestaan er op dit moment om Nederlandse kolencentrales tijdelijk extra te laten draaien met als doel gas te besparen?
Bent u bereid op korte termijn te onderzoeken of de inzet van bestaande kolencentrales tijdelijk kan worden verruimd zolang gasprijzen hoog zijn, gasvoorraden kostbaar moeten worden gevuld en de leveringszekerheid onder druk staat? Kunt u dit onderzoek vóór Prinsjesdag aan de Kamer sturen?
Welke gevolgen zou een tijdelijke hogere inzet van kolencentrales hebben voor de elektriciteitsprijs, de gasvraag, de netstabiliteit en de energierekening van huishoudens en het mkb?
Hoe weegt u het risico dat Nederland door het huidige beleid afhankelijker wordt van duur geïmporteerd LNG, terwijl bestaande Nederlandse kolencentrales mogelijk tijdelijk kunnen bijdragen aan het beperken van gasverbruik en LNG-import?
Hoeveel LNG heeft Nederland in 2024, 2025 en tot dusver in 2026 geïmporteerd, uitgesplitst naar land van herkomst? Welk deel daarvan is afkomstig uit de Verenigde Staten en in hoeverre bestaat dit LNG uit, of hangt het samen met, Amerikaans schaliegas?
Bent u bereid de volledige levenscyclusuitstoot van elektriciteitsproductie met Nederlandse kolencentrales te vergelijken met elektriciteitsproductie met gascentrales op basis van geïmporteerd Amerikaans LNG of schaliegas?
Klopt het dat in bepaalde scenario’s, afhankelijk van de aannames over methaanlekkage en LNG-ketenemissies, elektriciteitsproductie met steenkool mogelijk een lagere totale ketenemissie kan hebben dan elektriciteitsproductie met uit Amerika geïmporteerd schaliegas/LNG?
Bent u bereid vóór Prinsjesdag een kosten-batenanalyse aan de Kamer te sturen van een scenario waarin Nederlandse kolencentrales tijdelijk extra draaien om aardgas te besparen, gasopslagkosten te beperken en de afhankelijkheid van LNG-import te verminderen?
Bent u bereid vóór Prinsjesdag een concreet scenario uit te werken waarin Nederland (tijdelijk) meer inzet op bestaande kolencapaciteit en minder op gasgestookte elektriciteitsproductie, inclusief de effecten op leveringszekerheid, energiekosten, gasvoorraden, importafhankelijkheid en CO2-uitstoot?
Kunt u deze vragen één voor één uitwerken?
Amsterdam dat tot 9 miljard euro van het Rijk wil voor de aanleg van een warmtenet |
|
Daniël van den Berg (JA21) |
|
Stientje van Veldhoven (D66) |
|
|
|
|
Bent u bekend met de uitspraken van de Amsterdamse wethouder Zita Pels dat de stad 9 miljard euro nodig heeft voor de aanleg van warmtenetten en dat het Rijk voor een deel van deze kosten zou moeten opdraaien?1
Bent u reeds door de gemeente Amsterdam, de gemeente Diemen of een van de andere stakeholders benaderd over een investering in dit warmtenet? Om welk bedrag zou dit gaan?
Hoe verhoudt deze claim van slechts twee gemeenten zich tot het totale landelijke budget dat beschikbaar is voor de warmtetransitie in de gehele gebouwde omgeving?
Hoe worden deze budgetten gefinancierd? Welke uitvoerende partijen zijn hiervoor verantwoordelijk? Welke rol speelt Energie Beheer Nederland (EBN) hierin?
Is er een onafhankelijke businesscase bekend die aantoont dat een investering van 9 miljard euro maatschappelijk rendabel is vergeleken met andere verduurzamingsopties, zoals individuele (hybride) warmtepompen?
In hoeverre vindt u het moreel verdedigbaar dat de landelijke belastingbetaler opdraait voor de specifieke infrastructurele keuzes en de daaruit voortvloeiende tekorten van de gemeente Amsterdam?
In hoeverre vindt u het moreel verdedigbaar dat de landelijke belastingbetaler opdraait voor de versnelde verduurzamingsdoelen, zoals aardgasvrij in 2040, en de daaruit voortvloeiende tekorten van de gemeente Amsterdam?
Hoe legt u aan burgers in krimpregio’s of landelijke gebieden uit dat Amsterdamse infrastructuur met miljarden aan landelijk belastinggeld wordt gesubsidieerd, terwijl deze regio’s achterblijven?
Is het niet de verantwoordelijkheid van de gemeente zelf om, indien zij kiest voor een gemeentelijk warmtebedrijf, de financiering hiervan rond te krijgen zonder het Rijk als pinautomaat te gebruiken?
In hoeverre verstoort een dergelijke enorme staatssteun de marktwerking en de concurrentiepositie van andere, wellicht goedkopere, duurzame warmtebronnen?
Bent u bereid om te eisen dat Amsterdam eerst álle alternatieve, minder kostbare scenario’s (zoals all-electric of hybride warmtepompen) onderzoekt voordat er überhaupt over steun vanuit het Rijk gesproken kan worden?
Hoe groot acht u het risico op lock-in-effecten, waarbij bewoners decennialang vastzitten aan een duur warmtenet omdat de overheid er 9 miljard in heeft gestoken, terwijl er in de toekomst betere technieken beschikbaar komen?
Wat zijn de gevolgen voor de energierekening van de Amsterdamse burger als deze 9 miljard niet door het Rijk, maar via de tarieven van het warmtebedrijf zou worden opgehaald?
Wat zijn de gevolgen voor de rekening van de Nederlandse belastingbetaler wanneer deze moet opdraaien voor deze Amsterdamse kosten?
Gelooft u dat de 9 miljard euro daadwerkelijk voldoende is, gezien de historie van grote infrastructurele projecten in Amsterdam (zoals de Noord/Zuidlijn)?
Is er een maximumbedrag per woning dat het Rijk bereid is bij te dragen aan de warmtetransitie? Zo ja, hoe verhoudt de Amsterdamse claim per aansluiting zich tot dit maximum?
Hoe beoordeelt u de dreiging van wethouder Pels over «de komende winter» in relatie tot een infrastructureel project dat decennia in beslag neemt?
Bent u bereid om klip-en-klaar uit te spreken dat het Rijk deze onredelijke financiële eisen niet gaat honoreren?
Hoe rijmt u deze miljardenclaim met de noodzaak tot bezuinigingen en een behoedzaam begrotingsbeleid zoals afgesproken in het coalitieakkoord?
Is het niet effectiever om de 9 miljard euro te investeren in een landelijke isolatieaanpak, waardoor bij miljoenen huishoudens de energiekosten dalen, in plaats van in de financiering van een duur en onrendabel warmtenet dat ook nog duurder is voor de gebruikers?
Kunt u toezeggen dat het Rijk pas over enige vorm van financiële ondersteuning praat nadat er een volledige, onafhankelijke audit is uitgevoerd naar de doelmatigheid van het Amsterdamse transitiebeleid tot nu toe en de Kamer hier volledig over geïnformeerd is?
Het versoepelen van regels voor zonnepanelen en laadpalen |
|
Sjoukje van Oosterhout (GroenLinks-PvdA), Habtamu de Hoop (PvdA) |
|
Stientje van Veldhoven (D66), Vincent Karremans (VVD) |
|
|
|
|
Bent u ervan op de hoogte dat het Britse Ministerie van Energie op 21 april 2026 met een plan is gekomen om naar aanleiding van de Iranoorlog het opwekken van hernieuwbare energie te stimuleren door het vereenvoudigen van de regels rond het plaatsen van zonnepanelen, warmtepompen en laadpalen, inclusief laadpalen voor mensen zonder oprit?1
Kunt u een overzicht bieden van de regels die in Nederland van kracht zijn bij het installeren van respectievelijk zonnepanelen, warmtepompen, laadpalen op opritten en laadpalen van mensen zonder een oprit?
Wat is de rationale achter elk van die regels?
Welke van die regels overweegt u te schrappen of te wijzigen om de installatie van zonnepanelen, warmtepompen en laadpalen makkelijker te maken voor burgers?
Bent u reeds de uitvoerbaarheid van de in categorie 3 van het instrumentarium energieschok opgenomen punt 15 (het uitbreiden van laadinfrastructuur) aan het verkennen?2 Zo ja, tegen wanneer verwacht u de Kamer daarover te kunnen informeren?
Bent u bereid budget vrij te maken voor de in categorie 3 van het instrumentarium energieschok opgenomen punt 16 (verlaging en harmonisatie tarief publiek laden elektrische auto’s)? Zo ja, op welke termijn? Zo nee, waarom niet?
Bent u er zich van bewust dat, gezien externe laadpasaanbieders (e-Mobility Service Providers) vaak hun eigen roamingtarieven en marges hanteren, het kan voorkomen dat gebruikers via deze laadpassen een hoger tarief betalen om te laden, ook al is de laadpaal in kwestie op een lager tarief ingesteld? Wat kunt u doen om de transparantie naar gebruikers hierin te verbeteren?
Bent u bereid om de uitrol van bi-directioneel laden te versnellen? Zo ja, hoe?
Bent u bereid om consumenten meer zeggenschap of in elk geval inzicht te geven over snel of langzaam laden?
Windturbines en netaansluitingen |
|
Henk Vermeer (BBB) |
|
Stientje van Veldhoven (D66) |
|
|
|
|
Klopt het dat een windturbine zonder netaansluiting geen aanspraak kan maken op SDE++-subsidie en dat die aansluiting binnen een wettelijke realisatietermijn gerealiseerd moet zijn?
Dat klopt. Zonder netaansluiting kan een windturbine geen stroom aan het net leveren. De SDE++ keert subsidie uit per geproduceerde en aan het net geleverde kWh elektriciteit, waardoor subsidie zonder netaansluiting niet mogelijk is. De windturbine dient binnen vier jaar na de beschikkingsdatum in gebruik genomen te worden, waarbij een ontheffingstermijn van maximaal twee jaar mogelijk is.
Welke wettelijke realisatietermijn is hierbij van toepassing, en op welk concreet moment vangt deze termijn aan?
Zie antwoord vraag 1.
Is een leveringsovereenkomst bij aanvraag van de subsidie ook een voorwaarde voor verlening van de subsidie?
Een leveringsovereenkomst is geen voorwaarde voor verlening van de subsidie.
Welke invloed heeft het stilzetten van windturbines bij te veel stroomaanbod voor de hoogte van de SDE-subsidie?
Windturbines ontvangen SDE++-subsidie per geproduceerde en aan het net geleverde kWh elektriciteit. Als windturbines stil staan, produceren zij geen elektriciteit en ontvangen zij gedurende die periode dus geen SDE++-subsidie.
Is er een transportgarantie nodig bij de aanvraag van de subsidie?
Nee. Wel is er een transportindicatie van de netbeheerder nodig bij de aanvraag. Daarmee wordt aangetoond dat er transportcapaciteit beschikbaar is op het moment van de aanvraag. Dit geeft geen garantie dat de installatie kan worden aangesloten op het net.
Betekent de netcongestie situatie in de provincies Flevoland, Gelderland en Utrecht ook dat nog niet aangesloten windturbines ook geen aansluiting op het net krijgen?
TenneT maakt per gebied inzichtelijk hoeveel ruimte er is om elektriciteit terug te leveren aan het net via congestieonderzoeken voor invoeding. Daaruit blijkt dat er op dit moment wegens invoedingscongestie in Flevoland, Gelderland en Utrecht geen ruimte is voor nieuwe projecten die elektriciteit willen terugleveren.
Ontwikkelaars van windparken regelen normaal gesproken eerst een aansluit- en transportovereenkomst met de netbeheerder voordat zij het windpark gaan bouwen. Zonder zo’n overeenkomst is een project niet rendabel, omdat de opgewekte stroom dan niet kan worden geleverd en verkocht.
Klopt het dat een presentatie of notitie van het Instituut Mijnbouwschade Groningen (IMG) over de verhaalbaarheid van schadevergoedingen eerder in het openbare deel van het archief van de parlementaire enquête aardgaswinning Groningen (PEAG) raadpleegbaar was?
Dat klopt.
Klopt het dat dit document thans niet langer in het openbare deel van dat archief beschikbaar is? Sinds wanneer is dat het geval?
Dat klopt, dit document is niet meer beschikbaar in het openbare deel van het archief sinds 14 oktober 2024.
Is dit document verplaatst naar een besloten of vertrouwelijk deel van het archief, of is het geheel uit het archief verwijderd? Kunt u de exacte handelwijze, datum en grondslag uiteenzetten?
In tegenstelling tot de titel van de Kamervragen is het document niet verdwenen. Dit document is op verzoek van het IMG verplaatst naar het vertrouwelijke deel van het archief omdat het gaat om een verschoningsgerechtigd stuk, en dus vertrouwelijke informatie, die niet in het openbare archief opgenomen had moeten worden.
Op wiens verzoek is de openbaarheidsstatus van dit document gewijzigd? Wie heeft dat verzoek gedaan, bij wie is het ingediend en wie heeft het besluit genomen?
Zie vraag 3. De status is op verzoek van het IMG bij brief van 4 oktober 2024, gericht aan de griffier van de Parlementaire Enquêtecommissie Aardgaswinning Groningen, gewijzigd. Die commissie heeft vervolgens op dat verzoek besloten en het document op 14 oktober 2024 naar het vertrouwelijke deel van het archief verplaatst.
Waren uw ministerie, de toenmalig verantwoordelijke bewindspersoon, het IMG of de landsadvocaat betrokken bij of op de hoogte van dit verzoek? Zo ja, wat was ieders rol daarbij?
Zie vraag 4. Het IMG heeft het verzoek gedaan. Het ministerie en de landsadvocaat waren daarvan op de hoogte vanwege de lopende arbitrageprocedure tegen NAM, waarin NAM om de presentatie heeft verzocht, welk verzoek is geweigerd door het scheidsgerecht.
Welke bepaling van de Wet op de parlementaire enquête 2008, de Regeling parlementair en extern onderzoek of andere toepasselijke regels biedt volgens u de grondslag om na afloop van een parlementaire enquête een document alsnog uit het openbare deel van het archief te halen of onder beperkingen te brengen?
Op grond van artikel 40 van de Wet op de parlementaire enquête 2008 kunnen beperkingen worden gesteld aan de openbaarheid van documenten die onder de betreffende enquêtecommissie berusten of hebben berust, zolang de documenten onder de commissie of daarna onder de Kamer berusten. Waar het hier om gaat is een document dat, omdat het gaat om een verschoningsgerechtigd stuk, nooit onderdeel van het openbare archief had moeten zijn. Dat is rechtgezet.
Is over de wijziging van de status van dit document juridisch advies ingewonnen door de griffie van de Tweede Kamer of een andere instantie? Zo ja, door wie, wanneer en bent u bereid dat advies met de Kamer te delen?
Daar ben ik niet mee bekend.
Klopt het dat de PEAG-commissie of haar staf van dit document kennis heeft kunnen nemen? Zo ja, is dit document betrokken bij de oordeelsvorming, het feitenrelaas of de rapportage van de commissie? Zo nee, waarom niet?
De PEAG commissie en/of haar staf heeft van dit document kennis kunnen nemen omdat zij zowel openbaar geleverde documenten als vertrouwelijk geleverde documenten heeft ontvangen van het IMG. Ik kan geen inschatting geven of het betreffende document een rol heeft gespeeld in het onderzoek van de commissie.
Heeft het IMG de in de presentatie vervatte inzichten over de verhaalbaarheid van schade en de duur van de schadeafhandeling vóór of tijdens 2022 gedeeld met het ministerie? Zo ja, op welke data, in welke vorm en met welke ambtelijke en politieke geadresseerden?
Ik ben niet in het bezit van de presentatie en daarom ook niet bekend met de inhoud van de presentatie.
Is de toenmalig verantwoordelijke Minister expliciet geïnformeerd over het risico dat delen van het gehanteerde schadebeleid mogelijk buiten de aansprakelijkheidskaders van Nederlandse Aardolie Maatschappij (NAM) vallen? Zo ja, wanneer en via welke stukken, nota’s of presentaties?
De toenmalige Staatssecretaris was ermee bekend dat NAM zich niet kan verenigen met de opgelegde heffingen omdat zij meent dat delen van de werkwijze van het IMG haar aansprakelijkheid te buiten gaan. Voor het overige verwijs ik naar het antwoord op de Kamervragen van het lid Clemminck (2026Z05645).
Klopt het dat het IMG in deze presentatie signaleert dat delen van het schadebeleid niet zonder meer binnen de aansprakelijkheid van NAM vallen? Zo nee, wilt u dan feitelijk weergeven welke conclusie het IMG op dit punt wel trok?
Zie het antwoord op vraag 9.
Klopt het dat het IMG in deze presentatie signaleert dat onder het huidige beleid geen duidelijke exitstrategie bestaat en dat, zolang nieuwe scheuren worden vastgesteld, vergoedingen kunnen blijven doorlopen? Zo nee, wat is volgens u een juiste lezing van die passage?
Zie mijn antwoord op vraag 9.
Kunt u toelichten hoe uw antwoord op vraag 4 uit eerdere schriftelijke vragen (2026Z05645), namelijk dat niet kan worden uitgesloten dat kosten uiteindelijk voor rekening van de Staat komen, zich verhoudt tot uw antwoord op vraag 15, namelijk dat daarvoor geen begrotingsvoorziening of reservering nodig wordt geacht?
Het is in de systematiek van het kas-verplichtingenstelsel ongebruikelijk voor de Rijksbegroting om begrotingsvoorzieningen te treffen voor budgettaire risico’s. Door middel van de Tijdelijke wet Groningen (TwG) zijn er via heffingen en facturen kosten bij NAM in rekening gebracht. Dit wordt door NAM en de aandeelhouders van NAM bestreden in verschillende juridische procedures en gezien die procedures bestaan er budgettaire risico’s ofwel kans op begrotingstegenvallers.
In dit verband is het goed er op te wijzen dat het financiële risico voor de Staat kleiner is dan de opgelegde heffingen aan NAM. Conform de afspraken die zijn gemaakt met Shell en ExxonMobil over de afdrachtensystematiek draagt de Staat (bij benadering) uiteindelijk 73% van de opgelegde heffingen en komt 27% voor rekening van NAM.
Over welke concrete kostencategorieën bestaat op dit moment een juridisch geschil tussen de Staat enerzijds en NAM, Shell en ExxonMobil anderzijds? Kunt u dit uitsplitsen naar fysieke schade, waardedaling, versterken, daadwerkelijk herstel, forfaitaire of ruimhartige regelingen, verduurzamingsmaatregelen, knelpuntenregelingen en overige posten?
Er lopen op dit moment verschillende juridische procedures. Deze zien op fysieke schade, waardedaling en de versterkingsoperatie. Daarnaast zijn er ook bezwaren ingediend tegen heffingsbesluiten voor gemaakte kosten op het gebied van immateriële schade en de forfaitaire vergoedingen. Ik zal de Kamer periodiek op de hoogte blijven houden van de voortgang van deze juridische procedures door middel van Kamerbrieven, zoals mijn ambtsvoorgangers in het verleden ook hebben gedaan1.
Heeft het ministerie intern scenario’s, bandbreedtes, risicoregisters of andere analyses opgesteld over de mogelijke financiële risico’s voor de Staat indien kosten niet of slechts gedeeltelijk op NAM verhaalbaar blijken? Zo ja, wanneer zijn deze opgesteld, geactualiseerd of besproken?
Deze vraag ligt in het verlengde van vraag 12 van de schriftelijke vragen van het lid Clemminck (2026Z05645). Conform de beantwoording van die vragen ben ik graag bereid in een vertrouwelijke (technische) briefing de Kamer hierover te informeren, maar gelet op de procespositie van de Staat vind ik een antwoord op deze vraag hier niet passend.
Welke concrete vervolgstappen zet het kabinet indien uit rechterlijke uitspraken of arbitrale vonnissen blijkt dat relevante delen van de schadekosten niet verhaalbaar zijn op NAM? Is er in dat geval een aanvullend begrotings- of dekkingsplan?
Ik kan geen antwoord geven op deze vraag, zoals ook in het antwoord op vraag 13 heb aangegeven, omdat ik niet vooruit wil lopen op uitspraken of arbitrale vonnissen over de aanhangige juridische procedures.
Bent u bereid de Kamer vertrouwelijk te briefen over de inhoud, status en betekenis van de IMG-presentatie en van eventuele onderliggende of vergelijkbare analyses, nu u in eerdere beantwoording aangaf bereid te zijn tot een vertrouwelijke technische briefing?
Zoals ik in vraag 3 heb aangegeven is de presentatie van het IMG niet openbaar, omdat het valt onder het verschoningsrecht, en beschik ik daar niet over. Ook in een vertrouwelijke briefing kan ik dan ook niet ingaan op de inhoud van deze presentatie.
Bent u bereid de Algemene Rekenkamer expliciet te verzoeken in haar onderzoek ook aandacht te besteden aan de vraag in hoeverre het huidige schadebeleid leidt tot niet-verhaalbare lasten voor de Staat en tot welke budgettaire risico’s dat kan leiden?
Uit de TwG volgt welke kosten bij NAM in rekening moeten worden gebracht. Per heffingsbesluit wordt beoordeeld en toegelicht of de kosten die zijn gemaakt in het kader van de schadeafhandeling en versterkingsoperatie op basis van de TwG kunnen worden geheven. De heffingsbesluiten zijn bestuursrechtelijke besluiten. Aangezien het hier gaat over juridische interpretaties die momenteel voor liggen bij de bestuursrechter vind ik het niet opportuun om de Algemene Rekenkamer te verzoeken aandacht te schenken aan het onderscheid tussen verhaalbare en niet-verhaalbare kosten op NAM.
Kunt u deze vragen afzonderlijk beantwoorden uiterlijk vóór 12 juni 2026, zodat de Kamer vóór de aangekondigde uitspraak van de rechtbank Noord-Nederland daarover kan beschikken?
Ja.
Milieunormen voor windturbines op land |
|
Felix Klos (D66), Dion Huidekooper (D66) |
|
Stientje van Veldhoven (D66), Bertram |
|
|
|
|
Bent u bekend met de brede oproep van onder andere bouwbedrijven, netbeheerders, gemeenten en milieuorganisaties om te kiezen voor milieunormen voor windturbines op land op basis van geluid en slagschaduw, in plaats van vast te houden aan generieke afstandsnormen?1
Ja.
Hoe beoordeelt u de stelling dat generieke afstandsnormen een slechte voorspeller zijn van ervaren hinder door windturbines, in vergelijking met normen gebaseerd op geluid en slagschaduw?
Een generieke afstandsnorm biedt op zichzelf geen aanvullende bescherming tegen hinder voor bewoners in de nabijheid van windturbines.2 Het geluidniveau op de gevel van een woning kan niet een-op-een vertaald worden naar een vaste afstand tot de windturbine, omdat dit van vele factoren afhankelijk is. Voorbeelden hiervan zijn: het type windturbine, bodemgesteldheid, bebouwing/obstakels/begroeiing in de omgeving, en weersomstandigheden. De mate van hinder door slagschaduw wordt niet alleen bepaald door de afstand vanaf de windturbine, maar ook door de oriëntatie van het windpark, de blootstellingsduur en de frequentie van het passeren van de wieken. Een afstandsnorm zal daarom normering voor geluid en slagschaduw niet kunnen vervangen en kan alleen als aanvullende norm gehanteerd worden om duidelijkheid en zekerheid te bieden aan omwonenden.
Kunt u toelichten in hoeverre het uitblijven van definitieve, werkbare milieunormen momenteel leidt tot stilstand of vertraging van windprojecten, met name op locaties waar de ruimte schaars is, zoals nabij bedrijventerreinen, infrastructuur en havens?
De Monitor Wind op Land laat zien dat de realisatiegraad van windturbines op land na 2021 afneemt. Ook zitten er minder projecten voor de realisatie van windturbines op land in de pijplijn. Dit komt door meerdere factoren, zoals netcongestie, vertragingen door bezwaar- en beroepsprocedures, beperkingen als gevolg van defensieactiviteiten, en door onzekerheid over de besluitvorming rond landelijke milieunormen.3
Sinds de uitspraak van de Raad van State in juni 2021 (het Nevele-arrest) wordt er gewerkt aan nieuwe landelijke milieunormen; welke specifieke factoren hebben ertoe geleid dat dit proces tot op heden nog niet is afgerond, en op welk moment kan de Kamer de normen tegemoetzien?
Het vorige kabinet heeft besloten de indiening van de AMvB milieunormen aan de Tweede Kamer aan het volgende kabinet te laten. Het nieuwe kabinet beraadt zich momenteel over de afstandsnormen. In het commissiedebat Hernieuwbare Energie van 15 april jl. is toegezegd voor de zomer de Tweede Kamer hierover te informeren.
In hoeverre kunnen landelijke normen voor geluid en slagschaduw bijdragen aan zowel de bescherming van omwonenden als aan het vergroten van onze energieonafhankelijkheid?
Bij de totstandkoming van de geluidsnormen in het ontwerpbesluit is uitgegaan van de bestaande kennisbasis over de relatie tussen windturbinegeluid en gezondheid. Deze toont aan dat er een duidelijk verband is tussen het geluidniveau van windturbines en de kans op hinder. De geluidnormen regelen daarom het beschermingsniveau voor omwonenden tegen hinder door windturbinegeluid.
Ook zijn in het ontwerpbesluit bepalingen opgenomen ter beperking van hinder van slagschaduw. Voor beide normeringen geldt dat deze enerzijds voldoende bescherming moeten bieden aan omwonenden en anderzijds plaatsingsruimte moet bieden aan windenergie omdat dit nodig is in het voorzien van leveringszekerheid en onafhankelijkheid van energie, en voor het behalen van klimaatdoelstellingen.
Naar verwachting leiden de nieuwe milieunormen tot meer duidelijkheid en zekerheid voor investeerders en exploitanten, wat bijdraagt aan het vergroten van de investeringsbereidheid in windturbines die bijdraagt aan het voorzien van leveringszekerheid.
Bent u bereid om landelijke milieunormen voor windturbines op land vast te stellen die gebaseerd zijn op geluid, slagschaduw en externe veiligheid, met ruimte voor lokaal maatwerk om specifieke gebiedskansen (zoals in havengebieden) te benutten?
Het ontwerpbesluit bevat landelijke milieunormen voor geluid, slagschaduw en externe veiligheid. Voor geluid en externe veiligheid geldt dat hierbij ruimte wordt gelaten voor lokaal maatwerk door het gebruik van grenswaardes en standaardwaarden. Dit biedt het bevoegd gezag ruimte om lokaal een goede afweging te kunnen maken van economische en maatschappelijke belangen, zoals de gezondheidsbescherming van bewoners en de duurzame energiedoelstellingen.4
Kunt u reflecteren op de mogelijke negatieve effecten van starre afstandsnormen voor de technologische innovatie, zoals de ontwikkeling van stillere, efficiëntere en hogere windturbines?
Innovatie is essentieel in de doorontwikkeling van windturbines. Deze markt is constant in ontwikkeling en aan innovatie onderhevig, en betreft een Europese en mondiale markt aangelegenheid. Met een generieke afstandsnorm geldt in het algemeen dat deze minder ruimte biedt om effecten van innovaties te accommoderen.
Hoe beoordeelt u het risico dat generieke afstandsnormen dwingen tot de bouw van meer, maar lagere turbines, en wat zijn daarvan de gevolgen voor de maatschappelijke kosten, de efficiëntie van het stroomnet en de impact op de biodiversiteit?
Nieuwe milieunormen kunnen de mogelijkheden voor grotere windturbines op land beperken. De maatschappelijke kosten, efficiëntie van het stroomnet en impact op de biodiversiteit worden per project beoordeeld, hier kunnen beperkt generieke uitspraken over worden gedaan. Ter ondersteuning van een zorgvuldige belangenafweging geldt een mer-beoordelingsplicht bij een park van 3 turbines of meer waarmee de milieueffecten en de effecten op biodiversiteit in beeld worden gebracht.
In hoeverre vormen generieke afstandsnormen een barrière voor de broodnodige «repowering» (het vervangen van oude door moderne turbines) op bestaande locaties, en acht u deze belemmering wenselijk in het licht van de klimaatdoelen en onze energie-afhankelijkheid?
Het repoweren van windturbines is van groot belang om ook in onze toekomstige vraag naar elektriciteit te kunnen voorzien. Dit laten recente studies naar de potentie van windturbines op land ook zien.5 Generieke afstandsnormen kunnen de mogelijkheden voor repowering beperken. Deze overweging neemt het kabinet mee in de besluitvorming over de milieunormen.
Energieschaarste |
|
Alexander Kops (PVV) |
|
Stientje van Veldhoven (D66) |
|
|
|
|
Bent u bekend met de berichten «Nederland grootste exporteur van diesel en kerosine – Schaarste «niet aan de orde»»1 en «Olieschaarste gaat pijn doen – Analisten waarschuwen: grote tekorten»?2
Ja.
Hoe kan het dat ambtenaren in een technische briefing3 de Kamer hebben verteld dat energieschaarste nog lang niet aan de orde is, maar dat twee dagen later energie-experts waarschuwen voor grote tekorten? Wie hebben gelijk?
Tijdens de technische briefing is een feitelijke en objectieve toelichting gegeven op de oliemarkt en de olie-leveringszekerheid. Hierbij is aangegeven dat de aanvoer van kerosine naar Europa verstoord is en dat de aanvoer van diesel gedeeltelijk verstoord is.
Het kabinet houdt rekening met alle mogelijke scenario's, ook met scenario's van dreigende schaarste of tekorten. Deze zijn uiteengezet in de recente Kamerbrief Acties Weerbaarheid Energieschok die aan de Kamer is gestuurd.4
Klopt het dat er volgens de ambtenaren in Nederland geen tekorten aan diesel en kerosine zullen ontstaan, omdat (1) Nederlandse raffinaderijen een overschot produceren, (2) Nederland de grootste netto-exporteur is en (3) de olie-import en -voorraden op orde zijn?
Tijdens de technische briefing is een feitelijke toelichting gegeven op de Nederlandse raffinagesector en de omvang van de strategische voorraden. Er is aangegeven dat er geen acute fysieke tekorten zijn, niet dat er nooit tekorten kunnen ontstaan.
De EU is voor circa 23% van haar kerosinegebruik afhankelijk van import. Ongeveer 77% wordt gemaakt in raffinaderijen binnen de EU. Zolang er voldoende ruwe olie beschikbaar blijft kunnen raffinaderijen in de EU op gebruikelijk niveau blijven produceren. Daarnaast beschikken Nederland en andere EU-lidstaten over strategische olievoorraden.
Deze combinatie van Europese productie en strategische voorraden maakt dat bij een gelijkblijvende verstoring van de aanvoer nog geruime tijd in de vraag kan worden voorzien. Tegelijkertijd moet worden opgemerkt dat de oliemarkt mondiaal is en dat prijsverschillen de handel naar, maar ook uit de EU kunnen stimuleren. De termijn van een Europese kerosinevoorraad van vijf maanden kan korter worden wanneer de Europese voorraden beperkt worden ingezet of wanneer marktpartijen de op de markt gezette strategische voorraden opkopen en verschepen naar andere delen van de wereld. Ook als Europese raffinaderijen minder ruwe aardolie beschikbaar hebben, of om andere redenen hun productie verlagen, neemt de aanbodverstoring toe.
Hoe valt dat te rijmen met de uitspraken van energie-expert Van den Beukel van «The Hague Centre for Strategic Studies»: «Wij maken heel veel olieproducten in onze raffinaderijen hier in Rotterdam. Dat maakt het probleem voor Nederland wellicht ietsjes minder. Maar de diesel of kerosine of het plasticproduct dat uit zo’n raffinaderij komt, gaat uiteindelijk naar de hoogste bieder. Dat kan Nederland zijn, maar niet noodzakelijk»?
De toelichting tijdens de technische briefing sluit aan bij de in de vraag geciteerde uitspraak van de heer Van den Beukel. Nederland beschikt over een sterke raffinagesector en produceert veel olieproducten, wat de positie van Nederland relatief gunstig maakt.
Tegelijkertijd opereren raffinaderijen op volle capaciteit binnen een open en transparante, internationale markt waarin een olieproduct vrijelijk kan worden verplaatst naar waar de vraag en prijs het hoogst zijn. Dit betekent dat productie in Nederland niet automatisch leidt tot beschikbaarheid voor de Nederlandse markt.
Hoe reageert u op de uitspraak van energie-expert Van Geuns van kennisinstituut «The Hague Centre for Strategic Studies» die de woorden van de ambtenaren als volgt kwalificeert: «Heel bijzonder. Het klinkt als: ga maar slapen, we hebben het goed. Maar Nederland is geen eiland»?
Het kabinet herkent zich niet in de geschetste kwalificatie en bereidt zich voor op alle scenario's, zoals ook blijkt uit de recente Kamerbrief Acties Weerbaarheid Energieschok.5 Daarbij is een bandbreedte gehanteerd van beperktere impact tot zeer zware impact op de wereld- en de Nederlandse economie. Kort samengevat wordt de impact op het energieaanbod, de economie en op huishoudens en bedrijven uiteengezet. De scenario's geven de gemene deler van publicaties van onder andere het Internationaal Energie Agentschap (IEA), De Nederlandsche Bank (DNB), het Centraal Planbureau (CPB), de Europese Centrale Bank (ECB), de OESO en het IMF.
Het kabinet bereidt zich voor op alle scenario's, onder andere door breed maatregelen te inventariseren en uit te werken om bedrijven en huishoudens te ondersteunen en neemt hiervoor signalen uit de samenleving en het bedrijfsleven mee.
Kunt u deze vragen nog deze week beantwoorden?
Voor beantwoording van deze vragen is de gebruikelijke termijn van drie weken aangehouden.
De uitwerking van een capaciteitsmechanisme om de voorzieningszekerheid van elektriciteit te borgen en de rol van kolencentrales |
|
Henk Jumelet (CDA) |
|
Stientje van Veldhoven (D66) |
|
|
|
|
Kunt u aangeven hoe het tijdspad eruitziet voor het invoeren van de capaciteitsmarkt voor de leveringszekerheid van elektriciteit, zoals afgesproken in het coalitieakkoord? Welke concrete stappen moeten nog worden gezet en binnen welke termijn verwacht u dat het capaciteitsmechanisme operationeel kan zijn?
Zoals in het coalitieakkoord is opgenomen, zet het kabinet in op een capaciteitsmarkt om de voorzieningszekerheid van elektriciteit te borgen. Op dit moment werkt het kabinet aan de uitwerking van het tijdspad en de benodigde stappen hiervoor. Het kabinet beoogt voor de zomer een brief over voorzieningszekerheid van elektriciteit naar uw Kamer te sturen. In deze brief zal nader worden ingegaan op het tijdspad en de benodigde concrete stappen.
Op welke manier wordt bij het ontwerp van het capaciteitsmechanisme rekening gehouden met de voorschriften uit Verordening (EU) 2019/943, met name ten aanzien van de CO2-emissienormen voor elektriciteitscentrales uit artikel 22 lid 4?
Het kabinet bekijkt momenteel hoe de afspraak uit het coalitieakkoord over introductie van een capaciteitsmarkt het beste kan worden vorm gegeven. Hierbij wordt rekening gehouden met de CO2-emissienormen voor elektriciteitscentrales en andere voorschriften uit Verordening (EU) 2019/943. In de eerdergenoemde brief over het capaciteitsmechanisme zal dit onderdeel worden toegelicht.
Klopt het dat deze verordening voorschrijft dat energiecentrales alleen mogen deelnemen aan een capaciteitsmechanisme indien zij minder dan 550 g CO2 per kWh uitstoten en gemiddeld minder dan 350 kg CO2 per kW geïnstalleerd vermogen per jaar?
Ja. Of cumulatief aan beide voorwaarden moet worden voldaan zal worden nagevraagd in gesprekken met de Europese Commissie tijdens de verdere uitwerking van het capaciteitsmechanisme.
Kunt u bevestigen dat het kabinet bij de verdere vormgeving van aanvullend beleid voor leveringszekerheid van elektriciteit blijft streven naar de beste balans tussen maatschappelijke kosten en baten, zoals eerder aangegeven in Kamerstuk 29 023, nr. 570?
Ja, dat kan ik bevestigen.
In hoeverre zal er bij de inrichting van de capaciteitsmarkt aansluiting worden gezocht bij hoe een dergelijk mechanisme in ons omringende landen zoals België al is ingericht?
Het kabinet vindt het belangrijk om de ontwikkelingen van omringende landen zoals België aandachtig te volgen, zoals ook benadrukt in de Kamerbrief van mei 20251. De concrete inrichting van een capaciteitsmarkt en keuzes die daaruit voortvloeien, worden momenteel uitgewerkt en zullen worden toegelicht in de aanstaande Kamerbrief.
Welke mogelijkheden ziet u om bij de verdere uitwerking van een capaciteitsmechanisme rekening te houden met de rol van bestaande kolencentrales in de voorzieningszekerheid van elektriciteit, zoals dat o.a. ook in België is gedaan?
Volgens Europese verduurzamingseisen als onderdeel van de staatssteunregels waaraan een capaciteitsmechanisme moet voldoen, zijn volledig kolengestookte centrales uitgesloten van deelname aan dit mechanisme. Deze verordening geldt voor alle lidstaten waardoor volledig kolengestookte centrales geen onderdeel van het Belgische capaciteitsmechanisme zijn, of kunnen worden van een Nederlands capaciteitsmechanisme.
Wel zijn andere vormen van regelbaar vermogen, zoals gas-, waterstof- en biomassacentrales toegestaan. Gelet op de Europese verduurzamingseisen en het beginsel van technologieneutraliteit, kunnen kolencentrales deelnemen aan het capaciteitsmechanisme indien zij voldoen aan de CO2-eisen. Dit kan door bijvoorbeeld gebruik te maken van een andere brandstof zoals biomassa.
Hoe beoordeelt u de mogelijkheid om het capaciteitsmechanisme zo in te richten dat deze centrales alleen in aanmerking komen voor deelname aan een capaciteitsmechanisme indien zij voldoen aan strenge emissie-eisen zoals die uit de genoemde Europese Verordening, waarmee een in aanmerking komende centrale minstens zo schoon dient te zijn als het uitstootniveau van een gascentrale?
Zie antwoord vraag 6.
Is het mogelijk om het capaciteitsmechanisme flexibel vorm te geven zodat ook innovatieve technologieën, zoals waterstofcentrales of batterijsystemen, kunnen bijdragen aan de leveringszekerheid?
Ja. Een capaciteitsmechanisme moet technologieneutraal zijn. Het is mogelijk om in het ontwerp van een capaciteitsmechanisme keuzes te maken die gelijkwaardige deelname van CO2-vrije technologieën zoals vraagrespons en energieopslag (o.a. via batterijsystemen) stimuleren.
De hoge energieprijzen naar aanleiding van de Iran oorlog |
|
Henk Vermeer (BBB) |
|
Eerenberg |
|
|
|
|
In de brief aan de Kamer van 16 maart 2026 geeft het kabinet aan de situatie nauwlettend te volgen en de komende periode potentiële maatregelen, inclusief de financiële consequenties, verder uit te werken: kunt u aangeven wanneer de Kamer de uitwerking van deze mogelijke maatregelen kan verwachten1?
Als bijlage bij de brief2 acties weerbaarheid energieschok is een overzichtstabel opgenomen met mogelijke maatregelen.
In dezelfde brief geeft het kabinet aan dat deze mogelijke maatregelen pas in augustus kunnen worden betrokken bij de bredere besluitvorming over lasten en koopkracht: begrijpt u dat energiestations in de grensregio en energie-intensieve bedrijven nu al onder grote financiële druk staan en dat het voor hen simpelweg niet haalbaar is om tot augustus te wachten?
Het kabinet begrijpt de zorgen van burgers en bedrijven goed. Op korte termijn neemt het kabinet daarom een aantal maatregelen om de effecten van de economische schok bij burger en bedrijven op te vangen, de weerbaarheid op de langere termijn te vergroten en de onafhankelijkheid van energie uit het buitenland te verminderen. Het kabinet heeft uw Kamer hier op 20 april per brief nader over geïnformeerd. De realiteit is echter ook dat de overheid de effecten van de energieschok niet volledig kan wegnemen. In deze brief gaat het kabinet ook uitgebreider in op met welke scenario’s rekening moet worden gehouden en welke type maatregelen er dan klaarliggen. Dit vraag telkens een zorgvuldige weging.
Kunt u aangeven wat de eerstvolgende mogelijkheid is voor de Kamer om eventuele maatregelen eerder dan augustus te behandelen en te besluiten?
Op korte termijn neemt het kabinet een aantal maatregelen om de effecten van de economische schok bij burger en bedrijven op te vangen, de weerbaarheid op de langere termijn te vergroten en de onafhankelijkheid van energie uit het buitenland te verminderen. Dit voorstel wordt in de brief nader toegelicht. Het kabinet gaat hierover graag met uw Kamer in gesprek.
Heeft de Staat op dit moment extra inkomsten gegenereerd uit accijnzen en btw op brandstoffen als gevolg van de significant hogere adviesprijzen aan de pomp?
Indien dit het geval is, kunt u inzicht geven in de omvang van deze extra inkomsten?
Kunt u tevens aangeven wat het verwachte overschot zou zijn als deze prijsontwikkeling zich de komende periode voortzet?
Bent u van mening dat de situatie in het Midden-Oosten de druk op de energiemarkt verder vergroot en dat Nederland al jarenlang structureel hogere energieprijzen kent dan de omringende landen?
De huidige crisis in het Midden-Oosten onderstreept de kwetsbaarheid van Nederland door de afhankelijkheid van fossiele brandstoffen uit het buitenland. Dit geeft zorgen en onzekerheid bij burgers en bedrijven over of de energierekening nog wel betaald kan worden en of de bedrijfsvoering in de huidige vorm kan worden voortgezet. Het is daarom belangrijk om weerbaarder te worden voor energieschokken, zodat de energiekosten voor burgers en bedrijven voorspelbaarder worden en het aanbod van energie meer in eigen hand hebben. Om de afhankelijkheid van olie- en gas verder te verminderen en de energiekosten structureel te verlagen, zet het kabinet in op het vergroten van energiezekerheid en betaalbare energie van eigen bodem. Daarnaast neemt het kabinet op korte termijn een aantal maatregelen om de energiekosten voor burgers en bedrijven te verlagen. Zo wordt voor 2026 onder andere extra budget vrijgemaakt voor het Warmtefonds en wordt versneld geld uit het Klimaatfonds overgeheveld om het MKB te ondersteunen bij het nemen van energiebesparende maatregelen. Ook wordt de onbelaste reiskostenvergoeding verhoogd en de motorrijtuigenbelasting voor bestelauto’s van ondernemers en vrachtwagens verlaagd.
Kunt u toelichten op welke wijze het kabinet werkt aan een structurele oplossing voor de hoge energiekosten, in plaats van tijdelijke maatregelen, zodat het ondernemersklimaat duurzaam wordt versterkt?
Zie antwoord vraag 7.
De uitspraken van minister Boekholt-O’Sullivan in The Guardian inzake het aanpassen van het energie- en ruimtegebruik van Nederlandse burgers |
|
Tom Russcher (FVD) |
|
Boekholt-O’Sullivan |
|
|
|
|
Bent u bekend met uw eigen uitspraken in The Guardian van 23 maart 2026, waarin u het dagelijks energie- en ruimtegebruik van Nederlandse burgers ter discussie stelt en vergelijkingen trekt met rantsoenering tijdens militaire missies in Afghanistan?1
Ja.
U verklaarde dat u in Afghanistan «een muntje kreeg voor de douche en een muntje om naar huis te bellen» en voegde toe dat burgers «afspraken moeten maken, want het aanbod is niet oneindig.» – welk concreet beleid vloeit uit deze uitspraak voort, en welke vormen van rantsoenering, tokensystemen, quota of verbruiksplafonds voor energie, water of andere nutsvoorzieningen worden door het kabinet overwogen of voorbereid?
Zoals ik in mijn brief van 26 maart aan de Kamer heb laten weten, had ik mijn woorden zorgvuldiger moeten kiezen en dit voorbeeld niet moeten gebruiken. Er vloeit geen beleid voort uit deze voorbeelden.
Kunt u uitleggen waarom de Nederlandse burger zijn gedrag zou moeten aanpassen – zoals de wasmachine ’s nachts aanzetten – terwijl het overbelaste elektriciteitsnet het gevolg is van geforceerde elektrificatie zonder adequate uitbreiding van de infrastructuur?
De oproep om stroom waar mogelijk buiten piekuren te gebruiken, is geen afwenteling op huishoudens maar een praktische maatregel om het elektriciteitsnet doelmatiger te benutten. Dit sluit aan bij de rijkscampagne Zet ook de knop om. De netbeheerders werken hard aan uitbreiding van de infrastructuur; het kabinet ondersteunt dit met een Versnellingsaanpak om de doorlooptijden van realisatie te verkorten. Daarnaast werken het kabinet en betrokken partijen aan maatregelen om het bestaande net efficiënter te benutten. Zie daartoe ook bijvoorbeeld de brief van de (vorige) Minister van KGG van 4 februari 2026 over het aansluitoffensief netcongestie.
Bestaan er binnen uw ministerie of de regering ambtelijke verkenningen, notities of scenariostudies over het beperken, reguleren of rantsoeneren van huishoudelijk energieverbruik, en bent u bereid deze naar de Kamer te sturen?
Voor zover binnen de overheid stukken zijn over netcongestie, flexibiliteit of vraagsturing, hebben die betrekking op beter gebruik van schaarse capaciteit, door bijvoorbeeld gebruik buiten de piekuren te stimuleren, en niet op het beperken van huishoudelijke vrijheden via rantsoenering.
Welke tijdsafhankelijke energiebeperkingen, dynamische afschakelmechanismen of op afstand bestuurbare apparatuur voor huishoudens worden door het kabinet overwogen, op welke wettelijke grondslag, en hoe zou de handhaving en controle daarvan eruitzien?
In het kabinetsbeleid voor spreiding van elektriciteitsverbruik door huishoudens is vrijwilligheid het uitgangspunt. Het kabinet overweegt geen tijdsafhankelijke energiebeperkingen, dynamische afschakelmechanismen of op afstand bestuurbare apparatuur voor huishoudens op grond van een publiekrechtelijk dwingend regime. Wel wordt toegewerkt naar de invoering van tijdafhankelijke nettarieven voor kleinverbruikers om dit te stimuleren, waarbij gebruikers worden ontzorgd door slimme apps voor energiemanagement om net-intensieve apparaten, zoals warmtepompen en thuislaadpalen, automatisch optimaal in te zetten2.
Op basis van welke norm of maatstaf concludeert u dat de gemiddelde Nederlander te veel ruimte, energie of water verbruikt, en welke maatregelen – zoals woningdelingsregelingen, verplichte kamerverhuur of andere vormen van woonruimteverdeling – overweegt de regering om het aantal kamers per persoon terug te dringen van 2,1 naar het Europees gemiddelde van 1,7?
Ik hanteer geen norm waaruit zou volgen dat de gemiddelde Nederlander «te veel» ruimte, energie of water gebruikt. Het kabinet bereidt geen maatregelen voor zoals verplichte woningdeling, verplichte kamerverhuur of een norm voor het aantal kamers per persoon. Zoals ik in mijn brief van 26 maart jongstleden heb aangegeven had ik mijn woorden in het interview zorgvuldiger moeten kiezen.
Deelt u de mening dat het tekort aan netcapaciteit niet was ontstaan als Nederland zijn eigen aardgasvoorraad niet vroegtijdig had afgebouwd, en wat zijn de totale kosten geweest van het dichtdraaien van de gaskraan in Groningen, inclusief de import van buitenlands gas en het ontmantelen en overdragen aan Oekraïne van ons gaspompsysteem?
Die mening deel ik niet. Netcongestie is een probleem van elektriciteitsinfrastructuur en piekbelasting en dat staat los van de vraag of aardgasproductie uit Groningen langer had moeten doorgaan. Na de aardbevingen van 2018 in Zeerijp besloot het kabinet om de gaswinning uit het Groningenveld zo snel mogelijk volledig te beëindigen. Op 19 april 2024 is met brede parlementaire steun gaswinning uit het Groningenveld definitief wettelijk beëindigd. Daarbij zijn alle overwegingen en perspectieven inclusief geopolitieke factoren en leveringszekerheid uitgebreid en zorgvuldig gewogen. Het belang van energiezekerheid spreekt voor zich. Het kabinet zit daar bovenop.
In hoeverre is het woningtekort direct te herleiden tot massale immigratie, gezien het feit dat de Nederlandse bevolking enkel nog kunstmatig groeit door migratie, en waarom kiest de regering voor grootschalige bijbouw in plaats van het aanpakken van deze oorzaak?
Het beleid van het kabinet is zowel gericht op het toevoegen van woningen om het woontekort aan te pakken als ook op minder instroom.
In de «Primos-prognose 2025, Prognose van bevolking, huishoudens en woningbehoefte» laat ABF Research zien hoe de door ABF verwachte woningbouw in de komende 15 jaar opgedeeld kan worden. Met 45% van de woningbouw wordt de groei van de bevolking opgevangen. Met 25% wordt voorzien in extra vraag naar woningen doordat huishoudens kleiner worden (minder mensen per woning). Met 14% wordt de geraamde sloop van woningen gecompenseerd. Met de resterende 16% wordt het woningtekort teruggedrongen. Voor de bevolkingsgroei geldt vervolgens dat deze voor 95% ontstaat door migratie. De basis achter deze prognose van ABF zijn de CBS-bevolkingsprognoses.
Hoe verhoudt uw oproep tot «eenvoudiger leven» zich tot het feit dat de Nederlandse burger al tot de hoogst belaste ter wereld behoort, en erkent u dat de werkende middenklasse onevenredig hard wordt geraakt door de gecombineerde lasten van de woningcrisis, het klimaatbeleid en de kosten van immigratie?
Ik onderken dat veel huishoudens druk ervaren door woonlasten, energiekosten en bredere kosten van levensonderhoud. Het kabinet zet zich in om die druk te verminderen, onder meer door maatregelen gericht op het verlagen van woonlasten, het verbeteren van betaalbaarheid en het versterken van de koopkracht van huishoudens.
Welke klimaat- en stikstofregelgeving die woningbouw belemmert is het kabinet bereid op te schorten totdat het woningtekort is opgelost, en indien geen enkele: waarom weegt deze regelgeving zwaarder dan adequate huisvesting?
Het kabinet is niet voornemens klimaat- of stikstofregelgeving generiek op te schorten. De inzet is om woningbouw sneller mogelijk te maken binnen de geldende wettelijke kaders, onder meer via vereenvoudiging van procedures, financiële stimulansen en maatregelen om knelpunten zoals stikstof en netcongestie te verminderen. Natuur- en klimaatmaatregelen zijn juist noodzakelijk met het oog op een gezonde en duurzame leefomgeving. Adequate huisvesting en de bescherming van natuur, klimaat en leefomgeving zijn publieke belangen die in samenhang moeten worden gediend.
De inzet op blauwe waterstof in de industrie |
|
Henk Jumelet (CDA) |
|
Stientje van Veldhoven (D66) |
|
|
|
|
Heeft u kennisgenomen van het artikel «Oost-Groningen zet in op blauwe waterstof als betaalbare stap richting duurzame industrie. «Wie tempo wil maken kan hier niet omheen»»1?
Ja
Deelt u de constatering dat de ontwikkeling van blauwe waterstof in Nederland achterblijft, terwijl dit volgens het rapport «Naar een eerste regionaal industrieel waterstofcluster rond Oost-Groningen» van de New Energy Coalition wél een noodzakelijke tussenstap is om CO2-reductie te bewerkstelligen in de industrie?
Koolstofarme waterstof speelt een belangrijke rol in de verduurzaming van de industrie. Tegelijkertijd is het van belang onderscheid te maken tussen bestaande en nieuwe toepassingen en tussen verschillende vormen van koolstofarme waterstof. In de beantwoording van de volgende vragen ga ik hier nader op in.
Kunt u verduidelijken welke concrete rol u ziet voor blauwe waterstof in het energiesysteem van de toekomst, zowel als vervanger in het opschalen van de Nederlandse waterstofketen en als tijdelijk alternatief voor aardgas?
In de Kamerbrief voortgang waterstofbeleid van 14 juli 20252 is de beleidsverkenning koolstofarme waterstof. In deze verkenning heeft het kabinet aangegeven dat het beleid voor koolstofarme waterstof zich vooral richt op het verduurzamen van bestaande grijze waterstofproductie, waterstofproductie uit restafval en de verduurzaming van restgassen in de petrochemie. Daarbij merk ik op dat blauwe waterstof op systeemniveau geen vervanger van aardgas is. Voor de productie ervan is door energieverliezen in de keten juist meer aardgas vereist dan de hoeveelheid die wordt vervangen. Nieuwe productie van blauwe waterstof uit aardgas vergroot daarmee de afhankelijkheid van aardgas(import) in plaats van deze te verminderen.
Directe elektrificatie is de voorkeursroute voor de verduurzaming van de industrie. Waterstof is met name een optie voor proceswarmte op hoge temperaturen of processen die een vlam vereisen. Voor deze toepassingen ziet het kabinet een mogelijke rol weggelegd voor koolstofarme waterstof. De beschikbaarheid van een alternatief zoals groen gas zal mede bepalen of nieuwe koolstofarme waterstofprojecten noodzakelijk zijn om de beoogde sectoren te verduurzamen. De in het voorjaar 2025 aangekondigde bijmengverplichting voor CO2-vrije energiedragers (waterstof) in gascentrales en bijbehorende subsidie voor ombouw van gascentrales is komen te vervallen. Hierdoor wordt op korte termijn geen grootschalige vraag voorzien in regelbaar vermogen met inzet van (blauwe) waterstof.
Op dit moment werkt het kabinet aan de actualisatie van het Nationaal Plan Energiesysteem (NPE), dat een gedetailleerd beeld geeft van de rol van waterstof in ons energiesysteem, inclusief een reflectie op de rol van koolstofarme waterstof. Momenteel vindt een uitgebreide consultatie met de sector plaats over de actualisatie van het NPE. Het NPE bouwt hierbij voort op voornoemde beleidsverkenning koolstofarme waterstof.
Hoe beoordeelt u de huidige ontwikkeling en de concurrentiepositie van blauwe waterstof in Nederland ten opzichte van omringende landen?
In het algemeen heeft Nederland een goede uitgangspositie voor blauwe waterstof indien wordt gekeken naar bestaand aardgasinfrastructuur met inbegrip van LNG-faciliteiten en de waterstof- en CO2-infrastructuur die in ontwikkeling is. De onzekerheden rondom marktontwikkeling, kosten en vraag naar additioneel koolstofarme waterstof zijn groot. Bij blauwe waterstof blijft Nederland grotendeels afhankelijk van import van fossiele grondstoffen in plaats van deze af te bouwen. De vergelijking met omringende landen is niet eenvoudig te maken. Dit is mede afhankelijk van de samenstelling en omvang van de energie-intensieve industrie en de toekomstige industriële vraag naar waterstof in relatie tot andere verduurzamingsroutes als elektrificatie, groen gas en CCS, en de beleidskeuze voor de rol van waterstof in CO2-vrije elektriciteitsproductie.
Hoe verklaart u het huidige trage tempo van projecten voor blauwe waterstof, mede in het licht van recente uitstel of afstel van grootschalige initiatieven?
Ik heb kennisgenomen van de verschillende initiatieven voor nieuwe blauwe waterstofproductie en de besluiten die een aantal initiatiefnemers hebben genomen om hun projecten uit te stellen of stop te zetten. Dit illustreert de onzekerheden die er zijn over de vraag naar koolstofarme waterstof om te komen tot lange-termijnafnamecontracten. Dit komt ook omdat vraag naar koolstofarme waterstof uit buurlanden achterblijft, terwijl deze doorgaans een belangrijke potentiële afzetmarkt biedt voor nieuwe projecten die koolstofarme waterstof willen produceren. Het kabinet maakt nu tempo met het verduurzamen van bestaande grijze waterstofproductie en industriële restgassen, omdat hier het grootste potentieel zit, ook richting de klimaatdoelen voor 2030.
Welke maatregelen worden genomen om te voorkomen dat projecten op het gebied van blauwe waterstof uitwijken naar het buitenland vanwege ongunstige randvoorwaarden in Nederland?
Zoals beschreven onder vragen 3 en 5, focust de beleidsinzet van het kabinet op het gebied van koolstofarme waterstof zich op het verduurzamen van het bestaande gebruik van grijze waterstof, waterstofproductie uit restafval en de verduurzaming van restgassen in de petrochemie. Voor projecten die op deze wijze koolstofarme waterstof willen produceren, heeft het kabinet ook maatregelen genomen om ze van de grond te krijgen, bijvoorbeeld via aanpassingen in de SDE++. In aanvulling hierop zet het kabinet in op het op orde krijgen van de randvoorwaarden om de industrie in Nederland te verduurzamen. Hierbij is de inzet van hernieuwbare en koolstofarme waterstof een middel en geen doel.
In hoeverre ziet u het gebrek aan stabiel en voorspelbaar beleid als belangrijke belemmering voor investeringsbeslissingen in o.a. de industrie op het gebied van blauwe waterstof?
Het kabinet is zich ervan bewust dat de industrie gebaat is bij duidelijkheid en lange-termijnzekerheid om investeringsbeslissingen te kunnen nemen. Zo is het kabinet aan de slag met de implementatie van de herziene richtlijn hernieuwbare energie (RED-III) en het realiseren van de benodigde infrastructuur voor waterstof- en CO2-transport en -opslag. Met de beleidsverkenning koolstofarme waterstof in de Kamerbrief voortgang waterstofbeleid van 14 juli 2025 is invulling gegeven aan de beoogde beleidsinzet op koolstofarme waterstof, zoals beschreven onder vragen 3 en 5.
Hoe voorkomt u dat een te absolute focus op groene waterstof op korte termijn de ontwikkeling van blauwe waterstof vertraagt, terwijl deze ontwikkeling juist kan bijdragen aan snelle CO2-reductie?
In het beleid wordt ingezet op zowel de opschaling van hernieuwbare waterstof als de verduurzaming van bestaande grijze waterstofproductie en industriële restgassen door toepassing van CCS. Het kabinet ziet potentieel om via deze vormen van koolstofarme waterstof op snelle wijze CO2-reductie in de industrie te realiseren en hiervoor worden via de SDE++ middelen voor vrijgemaakt. Daarnaast zet het kabinet zich ook in op het realiseren van de benodigde infrastructuur voor waterstof- en CO2-transport en -opslag. Vanwege verplichtingen in RED-III moet het kabinet ook fors inzetten op het opschalen van hernieuwbare waterstof voor de industrie, wat tevens ook de bandbreedte bepaalt voor de inzet van koolstofarme waterstof.
Hoe voorkomt u dat de volgorde die u tijdens het commissiedebat Waterstof, groen gas en andere energiedragers op 4 maart 2026 schetste met betrekking tot de voorwaarden voor de inzet van blauwe waterstof (eerst het systeem en pas daarna concrete randvoorwaarden en ondersteuning) in de praktijk leidt tot uitstel en vertraging, terwijl snelheid maken met CO2-reductie juist een reden is om blauwe waterstof in te zetten?
Zie de beantwoording op vragen 3, 5 en 6.
Bent u bereid om vooruitlopend op het volledige systeemplaatje op korte termijn in ieder geval de voorlopige kaders en voorwaarden voor de productie en inzet van blauwe waterstof te schetsen, zodat kansrijke projecten niet onnodig vertragen of Nederland verlaten? Zo nee, waarom niet?
De voorlopige kaders en voorwaarden voor de verschillende routes voor de productie en inzet van koolstofarme waterstof zijn geschetst in voornoemde Kamerbrief van 14 juli 2025 en in deze beantwoording nader toegelicht. Het kabinet zal in de actualisatie van het NPE schetsen hoe koolstofarme waterstof past in de bredere systeemontwikkeling.
Het versnellen van energieonafhankelijkheid en een betaalbare energierekening. |
|
Sjoukje van Oosterhout (GroenLinks-PvdA) |
|
Stientje van Veldhoven (D66) |
|
|
|
|
Bent u op de hoogte van het feit dat Spanje in deze nieuwe energiecrisis een van de Europese landen is met de goedkoopste energierekeningen juist dankzij de grote toename van hernieuwbare energie?1
Ja, ik ben van deze berichtgeving op de hoogte.
Wat kan Nederland volgens u leren van de toegenomen weerbaarheid en goedkopere energierekeningen in Spanje?
Spanje is minder afhankelijk van gas voor de elektriciteitsvoorziening, waarbij gascentrales maar een klein deel van de tijd de elektriciteitsprijs bepalen. Dit leidt onder andere tot goedkopere energierekeningen dan in andere Europese landen die minder hernieuwbare energie tot hun beschikking hebben. In Nederland bepalen gascentrales steeds minder vaak, maar nog wel het grootste deel van de tijd de elektriciteitsprijs. Hoe meer wind, zon en kernenergie er is in Nederland, hoe minder in de toekomst schokken in de internationale gasmarkt leiden tot hogere elektriciteitsprijzen in Nederland.
Bent u op de hoogte van de vaststelling dat de transitie naar net zero voor het Verenigd Koninkrijk goedkoper zou uitkomen dan de kostprijs van één enkele fossiele energiecrisis?2
Ja, ik ben van deze berichtgeving op de hoogte.
Wat kan Nederland volgens u hiervan leren?
Deze berichtgeving laat onder meer zien dat afhankelijkheid van de import van fossiele energie, in tijden van crises, direct raakt aan de betaalbaarheid van energie en gevolgen heeft voor de economie. Dit geldt ook voor Nederland. Afhankelijk blijven van fossiele energie heeft niet alleen gevolgen voor het klimaat, maar ook voor onze economie door onzekerheid over energieprijzen en prijsschokken. De les die Nederland hieruit kan trekken is dat energie van eigen bodem deze risico’s en effecten op de economie aanzienlijk verkleint.
Werkt u naar aanleiding van de olie- en gascrisis aan een versnellingsplan voor hernieuwbare energie en energiebesparing?
Op dit moment vindt binnen het kabinet een inventarisatie plaats van maatregelen om de gevolgen van de huidige situatie in het Midden-Oosten tegen te gaan. Daar worden de voorstellen van de NVDE (zie ook de antwoorden op vragen 9 t/m 12) in meegenomen.
Hernieuwbare energie van eigen bodem en energiebesparing zijn essentieel voor een weerbaar energiesysteem met minder strategische afhankelijkheden. Het kabinet zet daarom, zoals ook in voorgaand antwoord beschreven, in op het opschalen van schone energie. Daarnaast is het belangrijk dat we het voor onze industrie, die internationaal moet concurreren, aantrekkelijk maken om ook de overstap te maken naar elektrificatie. In het coalitieakkoord heeft het kabinet een versnelling ingezet door gericht middelen uit te trekken voor zowel wind op zee als ondersteuning voor de elektrificatie van de industrie.
Specifiek voor hernieuwbare energie op land heeft het kabinet daarnaast onderzoek laten doen naar doorgroei, waarde en potentie van hernieuwbare energie op land na 2030. Dit onderzoek wordt binnenkort met de Kamer gedeeld. In de actualisatie van het NPE zal ik nader ingaan op de ambitie voor de verdere groei van hernieuwbaar op land. Hierover ga ik uiteraard ook met medeoverheden in gesprek om te bezien hoe we deze doorgroei mogelijk kunnen maken.
Hoe zult u bijvoorbeeld uitwerking geven aan de aangenomen motie Van Oosterhout c.s. om versneld de 1 GW wind op zee uit te rollen (Kamerstuk 36 800 XXIII, nr. 26)?
In navolging van de motie van het lid Van Oosterhout c.s., die aanspoort tot versnelde uitrol van wind op zee, voert het kabinet deze uit door nog dit jaar een extra subsidietenderronde van 1 GW voor windenergie op zee open te stellen, bovenop de reeds geplande 1 GW. Hierover heb ik de Kamer inmiddels geïnformeerd. De motie draagt hiermee bij aan de opschaling van hernieuwbare energie, waarbij het coalitieakkoord inzet op 40GW windenergie op zee.
Welke mogelijkheden ziet u bovenop het coalitieakkoord om toch nog versneld te vergroenen om zo weerbaarder te worden, de energierekeningen van mensen en bedrijven te doen dalen en te vermijden dat de onvermijdelijk volgende olie- of gascrisis Nederland nóg meer geld gaat kosten?
Hernieuwbare energie van eigen bodem realiseren heeft hoge prioriteit voor het kabinet. Het coalitieakkoord stelt een aantal ambitieuze doelstellingen om versneld te vergroenen en weerbaarder te worden. Dit is een flinke opgave en vraagt volledige inspanning van het kabinet om tijdig te realiseren, want er zijn ook maakbaarheidsuitdagingen zoals netcongestie, die om maximale creativiteit en samenwerking vragen.
Specifiek kiest het kabinet ervoor om wind op zee te stimuleren via contracts for difference en is budget gereserveerd om de SDE++ regeling de komende 6 jaar open te stellen, waardoor initiatiefnemers worden ondersteund om te verduurzamen. Dit betreft zowel de productie van hernieuwbare energie alsook elektrificatie en CO2-reductie. Hiermee draagt het kabinet bij aan de vraagontwikkeling van elektriciteit. Daarnaast voert het kabinet, zoals ook benoemd in het antwoord op vraag 6, de motie om versneld de 1 GW wind op zee uit te rollen uit. Dit doet het kabinet door nog dit jaar een extra subsidietenderronde van 1 GW voor windenergie op zee open te stellen, bovenop de reeds geplande 1 GW.3
Welke investeringen in verduurzaming zouden er vervroegd kunnen worden in de tijd om sneller te kunnen genieten van die voordelen van meer weerbaarheid en goedkopere energierekeningen?
Zie antwoord vraag 7.
Bent u op de hoogte van het Spoedplan voor minder aardgas van de Nederlandse Vereniging Duurzame Energie (NVDE)?3
Ja, ik ben op de hoogte van het Spoedplan voor minder aardgas van de Nederlandse Vereniging Duurzame Energie (NVDE).
Welke elementen uit dit plan kunnen volgens u versneld uitgevoerd worden?
Ik verwelkom alle ideeën van partijen uit de praktijk die bijdragen aan energiebesparing en het versnellen van de transitie naar meer energie van eigen bodem. In dat kader is er regelmatig contact tussen de NVDE en mijn ministerie.
Het spoedplan bevat interessante aanknopingspunten. Op andere punten roept het plan vragen op. Beide zal ik binnenkort met de NVDE bespreken en betrek ik bij de actualisering van het NPE.
Om te beginnen roept het spoedplan op om onverminderd in te zetten op het oplossen van netcongestie en het verkorten van doorlooptijden van projecten. Beide zijn prioriteit voor dit kabinet. Daarnaast noemt het plan een aantal maatregelen voor de verduurzaming van woningen. Ook daar wil het kabinet verder op doorpakken, door het verplicht uitfaseren van energielabels E, F en G bij huurwoningen en het normeren van slimme (hybride) warmtepompen waar dit de beste oplossing is. Met een Nationaal Isolatie Offensief wil het kabinet de ingezette lokale isolatieaanpakken versnellen en versterken. Ook heeft het kabinet dit voorjaar extra middelen (77 miljoen) uitgetrokken voor warmtenetten.
De lopende publiekscampagne «zet ook de knop om» wordt voortgezet. Daarnaast loopt momenteel het Interdepartementaal Beleidsonderzoek energietransitie van de woningvoorraad. Dit zal rond de zomer een rapport opleveren, met daarin wat nodig is om de woningvoorraad tijdig aardgasvrij te maken.
Verder gaat het spoedplan van de NVDE in op het voortvarend uitrollen van hernieuwbare energie en het versnellen van elektrificatie van fossiele energievraag. Hier zet het kabinet vol op in.
Ook onderschrijft het kabinet het belang van opschaling van groen gas, onder andere via het programma groen gas.
In lijn met het coalitieakkoord gaat het kabinet door met de bestaande maatwerkafspraken en richten nieuwe maatwerkafspraken zich op clusters of gebieden. Hiermee kan verdere reductie in gasverbruik behaald worden.
Tot slot maken thermische isolatie en het beter inregelen van installaties onderdeel uit van de energiebesparingsplicht.
Sommige maatregelen zijn echter niet voldoende gespecificeerd om concreet aan te geven of ze wenselijk zijn en welke blokkades er potentieel nog zijn. Of ze zijn lastig uitvoerbaar, zoals de energiebesparingsplicht als voorwaarde voor de subsidies. Zoals aangegeven zal ik in gesprek gaan met de NVDE om hierover nader van gedachten te wisselen.
Welke delen kunnen volgens u niet versneld uitgevoerd worden en waarom niet?
Zie antwoord vraag 10.
Indien bepaalde blokkades de uitvoering van die delen in de weg staan, wat zou er nodig zijn om die blokkades op te heffen?
Zie antwoord vraag 10.
Zou u deze vragen kunnen beantwoorden voor het commissiedebat Hernieuwbare energie van 1 april a.s.?
De vragen zijn beantwoord voor het commissiedebat Hernieuwbare energie, dat is verplaatst naar 15 april 2026.
De juridische implicaties van het on hold zetten van gaswinning |
|
Sjoukje van Oosterhout (GroenLinks-PvdA) |
|
Stientje van Veldhoven (D66) |
|
|
|
|
Zou een tijdelijk staken van reeds vergunde gaswinning om bepaalde onderzoeken naar de gevolgen ervan af te wachten, neerkomen op contractbreuk met de gaswinningsbedrijven?
In de Mijnbouwwet zijn limitatieve gronden opgenomen die kunnen leiden tot het intrekken of wijzigen van bestaande vergunningen, dan wel kunnen leiden tot het wijzigen of intrekken van instemming met een winningsplan (zie art 21 en art 36 Mijnbouwwet). Buiten deze gronden is geen intrekking of wijziging mogelijk omdat een dergelijk besluit in strijd met de Mijnbouwwet en dus onrechtmatig is.
Tevens betekent het tijdelijk staken van een reeds vergunde gaswinning een inbreuk op het eigendomsrecht van een gaswinningsbedrijf. Dit kan alleen als is voldaan aan de eisen die artikel 1, Eerste Protocol, van het Europees Verdrag ter bescherming van de Rechten van de Mens (artikel 1 EP EVRM) stelt voor de bescherming van eigendom.
Heeft u binnen de huidige wetgeving juridische mogelijkheden om een algemene tijdelijke of permanente stop op nieuwe gasboringen in te voeren in een specifiek gebied, inclusief wanneer er exploratievergunningen zijn toegekend? Is er daarbij een verschil tussen projecten die nog in een proefboorfase zitten en projecten die al volop gas aan het winnen zijn? Zo ja, welke mogelijkheden heeft u?
Op basis van de huidige Mijnbouwregelgeving bestaat geen mogelijkheid om een algemene tijdelijke of permanente stop op gaswinning in te voeren in een specifiek gebied. Zoals in het antwoord op vraag 1 aangegeven, gelden voor bestaande vergunningen en instemmingen limitatieve intrekkings- en weigeringsgronden en moet worden voldaan aan de eisen van artikel 1 EP EVRM voor de bescherming van eigendom. Dit geldt zowel voor projecten die nog in de proefboorfase zitten als voor projecten die al volop gas aan het winnen zijn.
Ook bij een wijziging van de Mijnbouwwet moet worden voldaan aan de eisen van artikel 1 EP EVRM.
Welke juridische mogelijkheden heeft u om reeds verleende vergunningen voor gasboringen weer in te trekken?
Zie het antwoord bij vraag 1.
Heeft u juridische mogelijkheden om reeds lopende gaswinningsprojecten tijdelijk of permanent stil te leggen in een specifiek gebied? Zo ja, welke?
Zie het antwoord bij vraag 2.
In welke van deze gevallen zullen betrokken bedrijven financieel gecompenseerd moeten worden en in welke gevallen is dat niet nodig?
Zoals in het antwoord op vraag 1 aangegeven kan het tijdelijk of permanent stilleggen van reeds lopende gaswinningsprojecten alleen als sprake is van één van de limitatieve gronden uit de Mijnbouwwet en daarnaast wordt voldaan aan de eisen van artikel 1 EP EVRM voor de bescherming van eigendom. Hierbij zijn de volgende voorwaarden van belang. De inmenging moet rechtmatig zijn, dat wil zeggen bij wet voorzien (legaliteitsbeginsel) en de inmenging moet een legitieme doelstelling hebben die dient ter bevordering van het algemeen belang (legitimiteitsbeginsel). Als aan deze voorwaarden is voldaan, dan moet sprake zijn van een «fair balance» oftewel een redelijk evenwicht tussen de eisen van het algemeen belang waarvoor de inmenging nodig zou zijn, en de bescherming van de fundamentele rechten van het individu, in casu de getroffen vergunninghouders (evenredigheidsbeginsel). Om aan die laatste eis te voldoen, zou een financiële compensatie een mogelijkheid kunnen zijn.
Zijn er omstandigheden waarin u meer ruimte heeft om vergunningen in te trekken of vergunde projecten stil te leggen, bijvoorbeeld in het geval van nieuwe inzichten over risico’s die bij op het moment van vergunningverlening niet bekend waren of als minder riskant werden ingeschat?
Zoals bij antwoord 1 aangeven zijn in de Mijnbouwwet limitatieve gronden opgenomen die kunnen leiden tot het intrekken of wijzigen van bestaande vergunningen, dan wel kunnen leiden tot het wijzigen of intrekken van instemming met een winningsplan. Tevens moet worden voldaan aan de eisen met betrekking tot de bescherming van eigendom volgens artikel 1 EP EVRM, zoals in het antwoord op vraag 5 toegelicht.