Belastingontwijkroutes |
|
Bruno Braakhuis (GL) |
|
Frans Weekers (staatssecretaris financiën) (VVD) |
|
|
|
|
Bent u bereid om te onderzoeken of over de door u genoemde 12.300.000.000.000,00 euro meer dan 0,008 procent aan belasting betaald zou kunnen worden, teneinde elders de lasten te verlichten?1
Ik kan me uw zorg ten aanzien van dit indrukwekkende bedrag voorstellen, daarom heb ik ook navraag laten doen bij DNB hoe we dit bedrag moeten duiden. Navraag bij DNB leert dat het bedrag uit de beantwoording waar u aan refereert, niets te maken heeft met belastbare winsten. In dit bedrag zijn ook bijvoorbeeld de waarden van leningen en deelnemingen opgenomen. Dit bedrag is afkomstig uit statistische rapportages van DNB over 2008. In de bijgevoegde publicatie uit het statistisch bulletin van DNB (december 2010)2 ligt de nadruk op inkomsten zoals dividenden en interest. Op bladzijde 27 is aangegeven dat in 2009 door BFI’s (Bijzondere Financiële Instellingen) per saldo ruim € 3 mrd meer is ontvangen dan is betaald. Daar moet bij worden opgemerkt dat dit zich niet één op één laat vertalen in een fiscaal belastbaar bedrag (deze statistische gegevens worden niet voor fiscale doeleinden opgesteld), maar het komt wel meer in de buurt dan het in de vraag gesuggereerde bedrag.
U geeft in uw beantwoording aan dat deze geldstromen werkgelegenheid opleveren (voor financiële professionals); deelt u de mening dat gezien het grote bedrag dat via deze entiteiten door Nederland stroomt deze een relatief lage werkgelegenheidsopbrengst met zich meebrengt? Kunt u dan wellicht bij het eventuele onderzoek de vraag betrekken of een hogere lastendruk op deze geldstromen niet meer werkgelegenheid oplevert, wanneer men dit laat terugvloeien middels een lastenverlaging op de factor arbeid?
In Nederland kan zekerheid vooraf worden gekregen voor de fiscale gevolgen van het opzetten van (internationale) structuren. Afhankelijk van de aard, omvang van het risico van de activiteiten worden ook afspraken gemaakt over de beloning in Nederland. Bij het vaststellen van die zakelijke beloning gelden internationale verrekenprijs spelregels waaraan de OESO landen, waaronder Nederland, zich houden. Net als voor andere bedrijfsmatige activiteiten wordt de werkgelegenheid die er mee gemoeid is, bepaald door het bedrijf dat voor zijn keuzes wordt afgerekend door de tucht van de markt. Dit geldt zowel voor directe werkgelegenheid die met een activiteit is gemoeid, als voor de indirecte werkgelegenheid (in dit geval voor de juridische en financiële dienstverlening). Aangrijpingspunt voor de winstbelasting is niet het balanstotaal of aantallen werknemers, maar de belastbare winst die met de activiteiten wordt behaald.
Wel heeft Nederland een bepaling in de wet3 opgenomen om te voorkomen dat structuren via Nederland worden geleid zonder dat hier enige activiteit plaatsvindt of zonder dat hier enig risico wordt gelopen. Hieruit blijkt dat Nederland geen fiscaal gefacilieerd onderdak wil bieden aan substanceloze structuren. Tot slot kan nog worden opgemerkt dat gegeven de mobiliteit van de grondslag het waarschijnlijk is dat een hogere belastingdruk leidt tot verdwijnen van activiteiten waardoor er geen ruimte ontstaat om elders de lasten te verlichten.
U geeft aan dat «multinationale ondernemingen zelf moeten worden aangesproken op hun verantwoordelijkheid»; kunt u hiervan voorbeelden geven vanuit het kabinet? Zijn er bedrijven aangesproken? Kunt u concrete voorbeelden van bedrijven noemen die door u zijn aangesproken in het kader van maatschappelijk verantwoord ondernemen, of wellicht in het kader van belastingontwijking ten nadele van ontwikkelingslanden?
Nee, omwille van de geheimhoudingsverplichting kan ik geen concrete voorbeelden van bedrijven noemen waarbij deze thema’s aan de orde zijn geweest in het overleg tussen de Belastingdienst en bedrijven. Wel kan ik in algemene zin aangeven dat dergelijke thema’s meer dan in het verleden onderwerp van gesprek zijn. In 2005 heeft de Belastingdienst aan zijn vormen van toezicht het zogenoemde horizontale toezicht toegevoegd. Horizontaal toezicht gaat uit van wederzijds vertrouwen, begrip en transparantie. De Belastingdienst streeft ernaar om met ondernemingen handhavingsconvenanten te sluiten, op grond waarvan ondernemingen zelf meer verantwoordelijkheid krijgen. Concreet betekent dit dat de bedrijven zelf de fiscale risico’s in beeld brengen en deze melden bij de Belastingdienst. Gebleken is dat bedrijven zich mede hierdoor in toenemende mate onthouden van agressieve structuren en dat ook afspraken worden gemaakt met bedrijven om zich hiervan te onthouden. Waar nodig bestrijdt de Belastingdienst uiteraard ook gericht constructies van bedrijven waarbij gepoogd wordt belasting te ontwijken. In dit verband wijs ik ook op mijn brief aan de Tweede Kamer van 22 december 2010 inzake Btw-ontwijkende structuren en financiële instellingen. Ook in internationaal verband wordt aandacht besteed aan maatschappelijk verantwoord ondernemen in relatie tot belastingen zoals bij het verder ontwikkelen van de OESO richtlijnen voor multinationale ondernemingen en in het Forum on Tax Administration van de OESO.
U stelt dat het doorlichten van het Nederlandse fiscale stelsel voor multinationale bedrijven op het gebied van belastingontwijking ten koste van ontwikkelingslanden weinig oplevert daar dit bij uitstek een internationaal probleem is; zou u om dat te onderbouwen willen aangeven hoe het bedrag van 12,3 biljoen euro in Nederland zich verhoudt tot deze geldstromen door andere OESO lidstaten? Hoe verhoudt zich dit tot het BBP van deze landen?
DNB heeft geen gegevens over de omvang van de geldstromen in andere OESO landen, en heeft dus ook geen inzicht in de verhoudingen van dat bedrag met het BBP. Voor zover bekend is er ook geen andere instantie (in Nederland) die deze informatie beschikbaar heeft. Het lijkt erop dat de geldstromen die via BFI’s stromen in het buitenland niet zoals in Nederland separaat worden gepubliceerd, maar mogelijk worden deze stromen ook niet separaat bijgehouden. Voor fiscale doeleinden lijkt de relevantie van het genoemde bedrag beperkt. Zoals aangegeven bij het antwoorden op de vragen 1 en 2, zegt het bedrag namelijk niets over belastbare winsten. Zoals reeds in de eerdere beantwoording aan u is uiteengezet heeft een specifiek op Nederland gericht onderzoek, vanwege het internationale karakter van de problematiek, weinig toegevoegde waarde. Belangrijker is dat in internationaal verband, zoals in het kader van de OESO Taskforce Tax & Development, met ontwikkelingslanden, NGO’s en bedrijfsleven wordt gewerkt aan een verbetering van de positie van ontwikkelingslanden. Dat de belangen van ontwikkelingslanden wel degelijk mijn bijzondere aandacht hebben, blijkt daarnaast ook uit de notitie fiscaal verdragsbeleid die recent aan de Tweede Kamer is gezonden4.
In uw antwoorden stelt u dat het faciliteren van royaltybetalingen van groot belang is voor innovatie; kunt u aangeven wat de betaling van royalty’s voor het voeren van een biermerk (Grolsch) dat al sinds 1615 bestaat – zoals in de SAB-Miller casus – te maken heeft met innovatie?
In de beantwoording van de vraag is geen relatie gelegd met een specifieke belastingplichtige. Innovatie kent vele schakeringen zoals onderzoek op het gebied van voeding, medicijnen, biotechnologie, technische toepassingen en het ontwikkelen van een merk(naam). Niet alleen de ontwikkeling van innovatie maar ook het onderhouden van rechten kan arbeidsintensief zijn en veel kosten met zich meebrengen. Innovatie is een item dat zowel door het bedrijfsleven als door de overheid belangrijk wordt geacht. Hoge bronheffingen op royalty’s kunnen een belemmering vormen voor het aantrekken van buitenlandse investeringen in innovatie.
Deelt u de mening dat de eisen voor royaltybetalingen zoals het intellectueel eigendom moet worden aangescherpt, om misbruik of oneigenlijk gebruik te voorkomen?
Nee. Het is zakelijk om voor het gebruik van intellectueel eigendom te betalen, ongelieerde partijen doen dat ook. De markt bepaalt de prijs. Voor gelieerde transacties gelden de internationale verrekenprijs spelregels van de OESO, die in de Nederlandse wet verankerd zijn in artikel 8b van de Wet op de vennootschapsbelasting 1969. Onzakelijke voorwaarden en prijzen bij transacties tussen groepsmaatschappijen kunnen worden gecorrigeerd. Verder kunnen misbruiksituaties worden bestreden met fraus legis. Het gaat dan om gevallen waarin de doorslaggevende beweegreden voor het aangaan van de rechtshandeling verijdeling van belastingheffing is en dat de gekozen wijze waarop een en ander is vormgegeven strijdig is met doel en strekking van de van de wet. Ik zie geen aanleiding om het instrumentarium uit te breiden voor royaltybetalingen. Tot slot wil ik nog melden dat bij de OESO recent een project is gestart over intellectuele eigendom in haar werkgroep over verrekenprijzen. Nederland zal zich daarbij inzetten dat ook rekening wordt gehouden met de belangen van niet OESO landen (waaronder de ontwikkelingslanden).
Klopt het bericht dat vijf landelijke partijen in de zorg hebben afgesproken dat ouderen na veertien dagen ziekenhuisopname hun kamer in hun verpleeghuis kwijt kunnen raken en dat Actiz en de consumentenfederaties hiermee ingestemd hebben?1
Cliëntenorganisaties en brancheorganisaties hebben met elkaar algemene leveringsvoorwaarden opgesteld. In deze leveringsvoorwaarden is opgenomen dat het verpleeghuis de kamer van een in het ziekenhuis opgenomen cliënt, minimaal veertien dagen vrij moet houden.
Deze voorwaarde is opgenomen aangezien het verpleeghuis geen financiering ontvangt voor een kamer als de cliënt is opgenomen in het ziekenhuis. In theorie is het dus mogelijk dat het verpleeghuis de kamer aan een andere cliënt kan aanbieden. In de praktijk echter wordt een situatie als deze altijd besproken met cliënt en eventueel familie, ziekenhuis en soms zorgkantoor.
ActiZ en de cliëntenorganisaties hebben met elkaar de afspraak gemaakt om een eenduidige afspraak over de termijn van het leeg houden van de kamer te realiseren.
Was u hiervan op de hoogte? Deelt u de mening dat dit waanzin is en stemt u daarmee in?
Ja, ik ben er van op de hoogte dat de branche- en cliëntenorganisaties algemene leveringsvoorwaarden hebben opgesteld. Hierin is meegenomen om bij ziekenhuisopname de kamer in het verpleeghuis minimaal veertien dagen vast te houden voor de cliënt. Ik vind het een goed initiatief, dat de organisaties problemen bespreken en zelf oplossingen realiseren, waar iedereen achter staat. De organisaties hebben dit gedaan in het belang van de cliënt, om extra onrust en onzekerheid over een eventueel verlies van de kamer weg te nemen.
Daarnaast is de NZa momenteel bezig om de knelpunten te onderzoeken die de huidige afwezigheidsregels opleveren. Ik wil de resultaten van dit onderzoek afwachten om daarna te kijken naar een mogelijke oplossing.
Hoe groot is de wachtlijst voor verblijf in een verpleeghuis? Per wanneer zijn deze capaciteitsproblemen opgelost?
De wachtlijst concentreert zich voornamelijk op dementerende ouderen. In de brief van 2 juli 2010 is uw Kamer geïnformeerd over de toegankelijkheid van de AWBZ (TK 2009–2010, 30 597, nr. 147). In deze brief zijn maatregelen aangegeven, die aan een oplossing voor de wachtlijsten bijdragen.
Wat is er met de twee miljard euro gebeurd die het vorige kabinet meent uitgetrokken te hebben voor de bouw van nieuwe zorginstellingen met eenpersoonskamers?
Voor de invoering van het bouwprogramma voor de langdurige zorg, dit geldt voor alle sectoren, is er twee miljard euro beschikbaar gesteld (TK 2007–2008, 31 200 XVI en 27 659, nr. 167). Zorginstellingen hebben daarvoor initiatieven ontwikkeld, die passen binnen het financiële kader en voldoen aan de in de beleidregels WTZi neergelegd prioriteringscriteria. De zorginstellingen die geprioriteerd zijn hebben financiering ontvangen om de huisvesting te vernieuwen en afbouw van de meerbedskamers te realiseren. De twee miljard is dus niet alleen ingezet voor de bouw van nieuwe zorginstellingen binnen de verpleging en verzorging sector, maar gebruikt voor de gehele sector voor capaciteitsvernieuwing en -verbetering.
Deelt u de mening dat deze zotheid die per 1 januari 2011 is ingevoerd per direct teruggedraaid moet worden?
Ik wil nogmaals benadrukken dat ik het initiatief van het veld om eenduidige afspraken te maken met elkaar, positief vind en ook deze afspraak niet terug zal draaien. Het is een afspraak die gemaakt is door de veldpartijen. Wel zal ik naar aanleiding van het eerder genoemde NZa onderzoek beoordelen of er aanpassingen nodig zijn.
Deelt u de mening dat in ons land uitgeprocedeerde asielzoekers beter worden behandeld dan ouderen in het verpleeghuis?
Ik deel deze mening niet en ik vind het afdoen aan de persoonlijke aandacht en inzet van de medewerkers in de ouderenzorg.
Als deze regeling zogenaamd in het leven geroepen is wegens wachtlijsten, hoe is het dan mogelijk dat een oudere tegen betaling van 33 euro per dag de kamer ineens wel kan behouden?
Ik vind het belangrijk dat er doelmatig gebruik wordt gemaakt van de AWBZ. Dit kan betekenen dat een leegstaande kamer in het verpleeghuis (tijdelijk) gebruikt wordt voor een andere cliënt. Van groot belang hierin is het overleg tussen het verpleeghuis en de cliënt. De cliënt moet wel het perspectief hebben dat hij/zij kan terugkeren naar het verpleeghuis. De basisafspraak in de algemene leveringsvoorwaarden is, dat de kamer minimaal veertien dagen wordt vastgehouden. Als een zorginstelling extra geld vraagt voor het vasthouden van de kamer, is dat hun eigen instellingsbeleid.
Zoals u weet krijgt het verpleeghuis een dagvergoeding per bewoner die niet zomaar doorloopt bij verblijf elders. Er wordt momenteel nog onderzoek gedaan naar de consequenties van het scheiden van wonen en zorg. Ik zal deze probleemstelling hierin meenemen. Het komt mij immers voor dat bij volledige scheiding van wonen en zorg dit vraagstuk zich niet voordoet.
Bent u bereid het «Recht op behoud van de eigen kamer bij ziekenhuisopname» op te nemen in de aangekondigde Zorginstellingenbeginselenwet?
In de houtskoolschets (TK 2011, 32 604, nr. 1) heb ik mijn ambitie kenbaar gemaakt, dat iedere bewoner recht heeft op een eigen kamer of op een kamer met partner als dat de wens is.
De algemene leveringsvoorwaarden voor zorg met verblijf, die in de sector verpleging en verzorging door branche- en cliëntenorganisaties zijn opgesteld, geven een kader voor behoud van de eigen kamer bij ziekenhuisopname. Met deze afspraken behoudt de bewoner in ieder geval voor minimaal veertien dagen de eigen kamer. Omdat het een minimumregeling is, is het altijd mogelijk dat de cliëntenraad er aanvullende afspraken over maakt met het bestuur van de zorginstelling. Tenslotte is in het overleg tussen cliënt of familie en de zorgaanbieder over de periode na de twee weken waarop het recht op behoud van de eigen kamer nu is ontstaan, de redelijkheid en billijkheid een belangrijke factor.
De kosten voor verkiezingsborden |
|
Ronald van Raak (SP) |
|
Piet Hein Donner (minister binnenlandse zaken en koninkrijksrelaties) (CDA) |
|
|
|
|
Wat is uw oordeel over het voornemen van de gemeente Apeldoorn om in verband met bezuinigingen de kosten van het plaatsen van verkiezingsborden vanaf volgend jaar door te berekenen aan de politieke partijen die aan de verkiezingen deelnemen?
Ik ben van mening dat het goed is dat gemeenten, door het plaatsen van zogenaamde verkiezingsborden, politieke partijen een mogelijkheid bieden om posters te plakken. Er is evenwel geen wettelijke verplichting om dit te doen. Naar mijn mening is het toegestaan dat gemeenten kosten doorberekenen door een op artikel 229 Gemeentewet gebaseerd recht te heffen. De doorberekening van kosten is gemaximeerd door het algemene kostendekkendheidscriterium van artikel 229b Gemeentewet. Het is aan de betreffende gemeenteraad om zich over de wenselijkheid en over de hoogte van de kosten uit te spreken.
Deelt u de opvatting dat dit ongewenst is? Zo nee, waarom niet?
Zie antwoord vraag 1.
Welke gemeenten zijn nog meer voornemens om op deze manier te bezuinigen?
Het is mij niet bekend of er meer gemeenten zijn die dit voornemen hebben.
Het bericht dat in de, onder scholieren verspreidde, EU-agenda de christelijk feestdagen zijn vergeten |
|
André Rouvoet (CU), Esmé Wiegman-van Meppelen Scheppink (CU) |
|
|
|
|
Klopt het dat in september 2010 een EU-agenda onder Europese scholieren is verspreid, waarin allerlei religieuze en culturele feestdagen zijn opgenomen, behalve de christelijke?1 Zo ja, wat is hierover uw mening?
Ja. Het gaat om editie 2010/2011 van de Europese Schoolagenda. De agenda is een jaarlijkse publicatie van de Europese Commissie en geeft informatie over activiteiten van de EU aan leraren en scholieren. Onderaan elke wekelijkse pagina van de agenda is een voetnoot opgenomen waarin vragen of feiten staan waarvan jongeren zich misschien niet bewust zijn. In enkele voetnoten worden ook feestdagen van niet-christelijke religies genoemd. In de voetnoten ontbreken de christelijke feestdagen. Ik betreur deze omissie zeer.
Is de desbetreffende agenda ook onder Nederlandse scholieren verspreid?
Ja. Op verzoek van leraren zijn in Nederland 73 075 exemplaren van de agenda verspreid aan in totaal 404 middelbare scholen.
Klopt het dat de Franse minister van Europese Zaken hierover zijn ongenoegen heeft laten blijken richting de Europese Commissie?
Ja.
Heeft de Nederlandse regering ook reeds zijn beklag gedaan bij de Europese Commissie? Zo ja, wanneer en op welke wijze? Zo nee, bent u van plan dit alsnog te doen?
Toen ik hiervan hoorde heb ik contact gezocht met de Europese Commissie en om opheldering gevraagd. De Europese Commissie heeft mij laten weten dat het gaat om een onopzettelijke fout die zo snel mogelijk wordt rechtgezet. De Commissie betreurt het hierdoor onbedoeld Europese burgers te hebben beledigd. Om deze fout te herstellen zal de Commissie een rectificatie sturen aan alle scholen die de agenda hebben ontvangen. Deze rectificatie zal tevens een overzicht van alle officiële feestdagen bevatten in het betreffende land. Deze feestdagen zullen ook worden opgenomen in de volgende editie van de schoolagenda. Ik heb de Commissie laten weten dat ik de omissie betreur.
Het feit dat in de kalender van de Europese Commissie de christelijke feestdagen worden verdonkeremaand |
|
Kees van der Staaij (SGP) |
|
|
|
|
Heeft u kennisgenomen van de berichtgeving dat in een zeer breed verspreide kalender van de Europese Commissie de christelijke feestdagen zijn weggelaten, terwijl de belangrijkste dagen van alle andere godsdiensten wel expliciet worden vermeld? Klopt dit bericht?1
Ja. Het gaat om editie 2010/2011 van de Europese Schoolagenda. De agenda is een jaarlijkse publicatie van de Europese Commissie en geeft informatie over activiteiten van de EU aan leraren en scholieren. Onderaan elke wekelijkse pagina van de agenda is een voetnoot opgenomen waarin vragen of feiten staan waarvan jongeren zich misschien niet bewust zijn. In enkele voetnoten worden feestdagen van niet-christelijke religies genoemd. In de voetnoten ontbreken de christelijke feestdagen.
Hoe beoordeelt u deze kalender en de – blijkbaar bewuste – weglating van christelijke feestdagen?
Ik betreur de omissie ten zeerste, en heb dat de Europese Commissie laten weten. Inmiddels heeft de Europese Commissie laten weten dat het om een fout gaat, die ook zij betreurt. Er is geen sprake van een opzettelijke weglating en het is niet de bedoeling geweest de christelijke religie in deze publicatie te discrimineren ten opzichte van andere religies.
Hoe valt te verklaren dat de christelijke feestdagen worden verdonkeremaand? Welke achtergrond heeft dit?
Zie antwoord vraag 2.
Klopt het bericht dat deze kalenders vijf miljoen euro belastinggeld hebben gekost?
Het jaarlijkse budget voor de publicatie van de Europese Schoolagenda is circa EUR 5,2 miljoen, inclusief de kosten voor de ontwikkeling, het printen en de verspreiding van 3,2 miljoen exemplaren aan scholen in de EU. De kosten per agenda komen hiermee op ongeveer EUR 1,60.
Zijn deze kalenders ook in Nederland verspreid?
Op verzoek van leraren zijn in Nederland 73 075 exemplaren van de agenda verspreid aan in totaal 404 middelbare scholen.
Bent u bereid de Europese Commissie hierop kritisch aan te spreken en te bevorderen dat bij toekomstige, vergelijkbare projecten de christelijke feestdagen voluit hun rechtmatige plaats krijgen?
Toen ik hiervan hoorde heb ik contact gezocht met de Europese Commissie en om opheldering gevraagd. De Europese Commissie heeft mij laten weten dat het gaat om een betreurenswaardige fout die zo snel mogelijk wordt rechtgezet. De Commissie betreurt het hierdoor onbedoeld Europese burgers te hebben beledigd. Om deze fout te herstellen zal de Commissie een rectificatie sturen aan alle scholen die de agenda hebben ontvangen. Deze rectificatie zal tevens een overzicht van alle officiële feestdagen bevatten in het betreffende land. Deze feestdagen zullen ook worden opgenomen in de volgende editie van de schoolagenda.
Verklaringen omtrent gedrag voor criminele jongeren |
|
Ahmed Marcouch (PvdA), Jeroen Recourt (PvdA) |
|
Fred Teeven (staatssecretaris justitie en veiligheid) (VVD) |
|
|
|
|
Kent u het bericht «Weinig animo voor herkansing van criminele jongeren»1?
Ja
Hoeveel voorwaardelijke Verklaringen omtrent het Gedrag (VOG) zijn er aangevraagd en hoeveel zijn er afgegeven? Wat zijn doorgaans de redenen voor de afwijzingen?
Ter gelegenheid van de start van de pilot «VOG onder voorwaarden» (hierna de pilot) op 27 mei 2010, zijn in totaal zeven aanvragen voor een VOG onder voorwaarden ingediend bij het Centraal Orgaan verklaring Omtrent het gedrag (hierna COVOG). Het COVOG heeft hiervan in drie gevallen vastgesteld dat de aanvrager voldeed aan alle voorwaarden voor deelname aan de pilot. Deze drie VOG’s heeft de toenmalige Minister van Justitie bij de aftrap van de pilot aan de betreffende jongeren uitgereikt.
In de vier overige gevallen voldeden de aanvragers niet aan alle gestelde voorwaarden voor deelname aan de pilot. De aanvragers waren ofwel ouder dan de gestelde maximumleeftijd van 21 jaar, ofwel waren nog niet aantoonbaar op de goede weg omdat zij recentelijk met justitie in aanraking waren gekomen.
Is het waar dat er na de uitreiking van de eerste drie voorwaardelijke VOG slechts twee aanvragen zijn gedaan? Zo ja, waar ligt dat aan en wat gaat u doen om het aantal aanvragen toe te laten nemen? Zo nee, hoeveel aanvragen zijn er dan wel gedaan?
Sinds de start van de pilot heeft het COVOG geen nieuwe aanvragen voor afgifte van een VOG onder voorwaarden ontvangen. Ik verwijs overigens naar mijn antwoord op vraag 9.
Deelt u de mening dat het voor het voorkomen van herhaling van crimineel gedrag het van groot belang is dat jonge ex-delinquenten stage kunnen lopen en een opleiding kunnen afmaken? Zo ja, hoe verhoudt zich dat tot het zeer geringe aantal voorwaardelijke VOG dat is afgegeven? Zo nee, waarom niet?
Ja. Het is voor jongeren met een strafrechtelijk verleden van groot belang dat zij resocialiseren in de samenleving, zodat wordt voorkomen dat zij terugvallen in strafbaar gedrag. Het lopen van een stage of het volgen van een opleiding kan hieraan bijdragen. Hierbij merk ik op dat niet voor alle stages of opleidingen een VOG is vereist. Daar waar een VOG wordt gevraagd ben ik mij ervan bewust dat dit ertoe kan leiden dat stagiaires niet de door hen gewenste stage kunnen lopen. Om jongeren die aantoonbaar op de goede weg zijn zo goed mogelijk te kunnen laten resocialiseren heeft de toenmalige Minister van Justitie de pilot gestart waarin een VOG onder voorwaarden wordt verstrekt. Vanwege de beperkte vraag naar een VOG onder voorwaarden, is ook slechts in een beperkt aantal gevallen een VOG onder voorwaarden verstrekt.
In 2010 heb ik 15 645 reguliere VOG-aanvragen ontvangen van jongeren onder de 18 jaar. Daarvan zijn er 63 geweigerd. Dat is 0,4 % van de aanvragen. Toegespitst op de gemeente Rotterdam, waar de pilot plaatsvindt, ging het om 367 reguliere aanvragen van jongeren onder de 18 waarvan de toenmalige Minister van Justitie er drie heeft geweigerd. In de overige gevallen heeft hij wel een VOG verstrekt.
Deelt u de mening dat het teleurstellend is dat slechts een zeer gering aantal jongeren met criminele antecenten voorwaardelijke VOG hebben gekregen? Zo ja, hoe gaat u er voor zorgen dat dit aantal gaat stijgen? Zo nee, waarom niet?
De pilot is gestart vanwege het signaal dat jongeren met een strafrechtelijk verleden door de weigering van de VOG te veel werden belemmerd in het volgen van een stage of het vinden van een baan. Er wordt echter slechts zeer beperkt gebruikgemaakt van de mogelijkheid om een VOG onder voorwaarden te krijgen. Dat zou erop kunnen wijzen dat de behoefte daaraan minder groot is dan eerder werd verondersteld.
Onder verwijzing naar mijn antwoord op vraag 4, merk ik overigens op dat het reguliere beoordelingskader voor VOG-aanvragen ruimte biedt om een zorgvuldige belangenafweging te maken. Hierbij wordt rekening gehouden met de belangen die een jongere met een strafrechtelijk verleden heeft bij afgifte van de VOG.
Is het waar dat veel werkgevers wel weten van het strafblad van hun stagiair, maar er zelf geen problemen mee hebben? Zo ja, waarom moeten wettelijke regels in die gevallen een stageplek in de weg moeten staan?
Veelal brengt een stagiair de werkgever op de hoogte van zijn of haar strafrechtelijk verleden. Hierbij geldt dat het de verantwoordelijkheid is van de werkgever om te bepalen of hij van een stagiair een VOG verlangt of niet. Dit is anders als het overleggen van een VOG – zoals het geval is bij de pilot – wettelijk verplicht is gesteld. In deze gevallen kan de werkgever de stagiair niet zonder overlegging van een VOG stage laten lopen. De samenleving dient beschermd te worden tegen personen die bepaalde strafbare feiten hebben gepleegd waaraan bijzondere risico’s zijn verbonden die de behoorlijke uitoefening van de functies binnen deze branche in de weg staan. Te denken valt daarbij aan functies in de zorg en het onderwijs, waarbij sprake kan zijn van bijvoorbeeld een afhankelijkheidsrelatie. In die gevallen is het niet verantwoord om het kunnen vervullen van de functie te laten afhangen van de persoonlijke mening van de werkgever over de door de stagiair gepleegde strafbare feiten.
Deelt u de mening van de woordvoerder van het ROC Zadkine dat door jongens met een relatief gering crimineel verleden geen VOG te geven, zij in feite dus dubbel gestraft worden? Zo ja, wat gaat u doen om in de toekomst te voorkomen? Zo nee, waarom niet?
Nee. Hoewel het voorstelbaar is dat het als een straf gevoeld kan worden, is de weigering van de afgifte van de VOG geen straf. De VOG is een preventief bestuursrechtelijk instrument dat tot doel heeft om te voorkomen dat personen (ook jongeren) met een voor een functie of stage relevant strafrechtelijk verleden gedurende een vastgestelde periode werkzaam kunnen worden in die functie of daarin stage kunnen lopen. Dit vanwege het risico voor de samenleving dat het strafrechtelijk verleden van de jongere met zich brengt. Per geval wordt een individuele afweging gemaakt waarbij wordt beoordeeld of de VOG ondanks het strafrechtelijk verleden van de jongere kan worden afgegeven. Hierbij wordt het belang van de jongere zorgvuldig afgewogen tegen het belang van beperking van de risico’s voor de samenleving.
Is het waar dat de pilot met de voorwaardelijke VOG nog te weinig bekendheid geniet? Zo ja, wat gaat u doen om dit te veranderen?
De pilot heeft zowel bij de start als daarna in landelijke en lokale media aandacht gehad. Ook de burgemeester van Rotterdam heeft zich binnen de gemeente bij meerdere gelegenheden positief uitgelaten over de pilot. Bovendien vervult hij richting werkgevers een stimulerende en faciliterende rol om hen te bewegen om als werkgever deel te nemen aan de pilot.
Daarnaast wijzen de twee deelnemende ROC’s hun leerlingen die stage gaan lopen op het bestaan en de mogelijkheden van de pilot.
Tot wanneer loopt de pilot met de voorwaardelijke VOG en zijn de uitkomsten tot nu toe aanleiding om de duur of de opzet van de pilot te veranderen? Zijn er plannen om de pilot naar andere gemeenten uit te breiden?
De pilot loopt tot 1 oktober 2011. Hierbij is afgesproken om de pilot tussentijds te evalueren. Mede gezien mijn antwoorden op vragen 4. en 5. is het niet aannemelijk dat de evaluatie aanleiding geeft om de pilot voort te zetten. Gezien de huidige resultaten van de pilot, zal ik deze niet uitbreiden naar andere gemeenten.
Deelt u de zorg dat een (te) rigide toepassing van de regels rond het afgeven van een (voorwaardelijke) VOG resocialisatie kan belemmeren daar waar de veiligheid dit niet vereist?
Van rigiditeit in de toepassing van regels is geen sprake zoals hiervoor is uiteengezet.
Het bericht dat de staatssecretaris kleinere cellen beter vindt |
|
Lea Bouwmeester (PvdA) |
|
Fred Teeven (staatssecretaris justitie en veiligheid) (VVD) |
|
|
|
|
Kent u de artikelen «Kleinere cel is beter»1 en «Staatssecretaris ziet heil in private gevangenissen»2?
Ja.
Deelt u de mening dat het topprioriteit heeft om recidive van gedetineerden terug te dringen? Op welke manier draagt privatisering daaraan bij? Waarom kan de markt dat beter dan de overheid?
Het terugdringen van de recidive is voor dit Kabinet een belangrijke prioriteit. Het draagt bij aan de veiligheid van de maatschappij en beperkt de kosten van het strafrechtsproces. Het WODC zal een onderzoek uitvoeren naar de voor- en nadelen van privatisering. Het WODC zal hierbij onder meer aandacht besteden aan de prestaties op het gebied van het terugdringen van de recidive van publieke en private gevangenissen.
Deelt u de mening dat terugdringen van de recidive bijdraagt aan een veiliger Nederland en ook nog kosten bespaart en dat het daarom verstandig is dit als topprioriteit aan te wijzen?
Zie antwoord vraag 2.
Hoeveel kan worden bespaard door het gevangeniswezen te privatiseren? Waarom kan de overheid niet goedkoper gedetineerden huisvesten en de markt straks wel?
De financiële middelen van de overheid dienen zo efficiënt mogelijk te worden benut. Ook voor het gevangeniswezen geldt dat telkens een afweging moet worden gemaakt op welke wijze de taken het meest kosteneffectief kunnen worden uitgevoerd. In dit licht moet bijvoorbeeld het voornemen worden gezien om de privatisering van voor het gevangeniswezen relevante taken voor te bereiden. In het Verenigd Koninkrijk is een markt ontstaan van een vragende overheid en private aanbieders die met elkaar concurreren. De concurrentie tussen marktpartijen heeft in het Verenigd Koninkrijk niet alleen geleid tot kostenreducties, maar ook tot een hogere effectiviteit. Er zijn echter ook evaluatierapporten bekend die minder positief zijn over de gevolgen van privatisering. Vandaar het eerder in het antwoord op vraag 2 en 3 vermelde besluit om het WODC een onderzoek te laten verrichten naar de voor- en nadelen van privatisering.
Welke markt betreft het hier? Is dit een «markt» vergelijkbaar met een «markt» waar sprake is van vraag en aanbod?
Zie antwoord vraag 4.
Wat doet u met de waarschuwing van Britse deskundigen dat geprivatiseerde gevangenissen in Engeland onder de maat presteren? Heeft u daar onderzoek naar gedaan of gaat u daar onderzoek naar doen?
Zie antwoord vraag 4.
Erkent u dat er gevaar bestaat dat de veiligheid in het geding is als de gevangenissen worden geprivatiseerd zoals de deskundigen in Engeland opmerken? Betreft het hier de veiligheid van de gedetineerden of van het personeel?
In het onderzoek van het WODC zal aandacht worden besteed aan de wijze waarop de veiligheid in al haar facetten bij private gevangenissen gewaarborgd wordt en hoe daarover door de verschillende deskundigen wordt gedacht.
Bent u van mening dat de bewakers die nu in gevangenissen werken te veel verdienen? Zo nee, klopt de berichtgeving dat u gezegd zou hebben dat vakbonden verlaging van lonen niet zouden toestaan en dat daarom de vakbonden minder macht moeten hebben? Als de beloning van bewakers wordt verlaagd, hoe schat u de kans in dat goedgekwalificeerd personeel zich aanmeldt voor een baan in de gevangenis?
Medewerkers van DJI vallen net als alle ambtenaren onder de CAO-Rijk en het ARAR. De functies bij DJI zijn gewaardeerd conform de rijksbrede functiewaarderingssystematiek (FUWASYS). Het inkomen van de medewerkers Beveiliging wordt mede bepaald door de toelages waarvoor zij (conform de CAO-Rijk) in aanmerking komen voor bijvoorbeeld onregelmatige diensten, het werken als bedrijfshulpverlener en de inzet in Interne Bijstand Teams.
De financiële aantrekkelijkheid van een baan bij het gevangeniswezen hangt in belangrijke mate af van de ontwikkelingen op de arbeidsmarkt en zal verschillen per regio. Bij het aantrekken van de economie zou het werven van medewerkers beveiliging binnen sommige regio’s met een krappe arbeidsmarkt kritisch kunnen worden.
Mijn opmerking tijdens een werkbezoek in het Verenigd Koninkrijk over de macht van de vakbonden, dient in de historische context aldaar te worden geplaatst. Naar ik heb begrepen heeft dit punt in het Verenigd Koninkrijk meegespeeld in het proces dat uiteindelijk heeft geleid tot het besluit een aantal gevangenissen te privatiseren.
Wat onderzoekt het Wetenschappelijk Onderzoek- en Documentatiecentrum (WODC)? Welke onderzoeksvragen heeft u het WODC meegegeven?
De hoofdvraag voor het WODC betreft het in beeld brengen van de ervaringen in het buitenland met privatisering van gevangenissen en wat hieruit kan worden geconcludeerd voor het voornemen om taken van het gevangeniswezen in Nederland te privatiseren. Onderzocht zal worden welke vormen van privatisering in de praktijk worden toegepast. Soms gaat het om het privatiseren van hele gevangenissen, soms over het uitbesteden van taken. Een belangrijk onderdeel van de vraagstelling vormt het in beeld brengen van de potentiële kosten en baten van privatisering. Ook de neveneffecten dienen in kaart te worden gebracht. Zoals ik heb aangegeven in het antwoord op de vragen 5, 6 en 7 zal het WODC aandacht besteden aan de wijze waarop de veiligheid bij private gevangenissen gewaarborgd wordt. De prestaties op het gebied van het terugdringen van de recidive vormen eveneens een belangrijk aandachtspunt.
Wat is de omvang van de cellen in Nederland en wat is de omvang van de cellen in Engeland?
De omvang van cellen in Nederland varieert van ca. 10 m2 in koepelgevangenissen tot 12 – 14 m2 in justitiële inrichtingen van recenter datum. In Engeland varieert de omvang van de cellen. Recent in Engeland gebouwde cellen hebben een omvang van ca. 9,5 m2.
Hoeveel gedetineerden zitten op de cellen in Nederland en hoeveel zitten op de cellen in Engeland?
Binnen het gevangeniswezen bestaan standaard eenpersoonscellen en tweepersoonscellen. Uitzondering vormen de locaties Westlinge en Detentie concept Lelystad. Hier is sprake van 8 respectievelijk 6 persoonscellen. Ook in Engeland is sprake van eenpersoonscellen en meerpersoonscellen.
Hoeveel vierkante meter heeft een gedetineerde in Nederland tot zijn beschikking en hoeveel heeft een gedetineerde in Engeland tot zijn beschikking? Gelden deze cijfers ook voor gedetineerden die met meerdere mensen op een cel zitten? Zo nee, hoeveel vierkante meter heeft een gedetineerde tot zijn beschikking die met meerder mensen op een cel zit?
Het aantal vierkante meters dat een justitiabele tot zijn beschikking heeft varieert. Binnen het Gevangeniswezen geldt 30 – 40 m2 per gedetineerde inclusief de cel, binnen een Jeugdinrichting geldt 50 – 60 m2 per jeugdige inclusief de cel, binnen de Directie Forensische Zorg geldt 45 – 55 m2 per patiënt inclusief de cel. Deze cijfers gelden ook voor de meerpersoonscellen. Navraag in Engeland leert dat men in Engeland niet standaard bijhoudt hoeveel vierkante meter een gedetineerde tot zijn beschikking heeft.
Wat houdt de versobering in die u voor ogen heeft?
Dit kabinet spreekt de burger aan op diens eigen verantwoordelijkheid, dat geldt zeker voor gedetineerden. Gedetineerden die niet gemotiveerd zijn en/of bij wie sprake is van herhaalde recidive, komen in de toekomst niet zonder meer in aanmerking voor activiteiten gericht op re-integratie. Ik acht het niet verantwoord te blijven investeren in gedetineerden bij wie is vast komen te staan dat dat geen toegevoegde waarde heeft.
ICCO en Electronic Intifada |
|
Johan Driessen (PVV) |
|
|
|
|
Heeft u kennisgenomen van het bericht «ICCO negeert Rosenthal; zet omstreden beleid voort»?1
Ja.
Accepteert u de keiharde weigering van ICCO haar beleid van haat tegen Israel aan te passen?
Ik heb ICCO in het overleg van 13 januari een uiteenzetting gegeven van het Nederlands buitenlands beleid waarbij onder meer de intensivering van de relaties met Israël centraal staat. ICCO en vergelijkbare organisaties zullen er rekening mee moeten houden dat financiering van activiteiten zoals het oproepen tot boycots, het terugtrekken van investeringen en het afroepen van sancties tegen Israël, niet past binnen het Nederlandse regeringsbeleid. Conform de bepaling in de subsidiebeschikking ben ik hierover met ICCO in overleg getreden. Het ministerie zal de komende tijd de vinger aan de pols houden en zo nodig overgaan tot het geven van nadere aanwijzingen binnen het kader van de geldende subsidiebeschikking. Een en ander zal in ieder geval worden meegewogen bij de beoordeling van eventuele toekomstige subsidieverzoeken van ICCO, zo is te verstaan gegeven.
Acht u het nog langer te accepteren dat de Nederlandse belastingbetaler haat tegen Israel moet financieren?
Uiteraard zijn uitspraken – indien gedaan – die aanzetten tot haat jegens Israël onacceptabel en onverenigbaar met het Nederlandse beleid. Deze komen niet voor financiering door de overheid in aanmerking.
Deelt u de mening dat ICCO nu onmiddellijk helemaal van het subsidie-infuus dient te worden losgemaakt?
Daarvoor bestaat nu geen aanknopingspunt. Ik heb aangegeven dat bij de beoordeling van eventuele toekomstige subsidieaanvragen de opstelling van ICCO zal worden meegewogen.
Voornemens tot overheveling van de kraamafdeling van het ziekenhuis in Almelo naar Hengelo |
|
Margreeth Smilde (CDA), Sabine Uitslag (CDA), Pieter Omtzigt (CDA) |
|
Edith Schippers (minister volksgezondheid, welzijn en sport) (VVD) |
|
|
|
|
Bent op de hoogte van het feit dat de Raad van Bestuur van Ziekenhuisgroep Twente (ZGT) voornemens is de kraamafdeling van het ziekenhuis in Almelo over te hevelen naar het ziekenhuis in Hengelo?1
Mijn ministerie heeft naar aanleiding van de berichtgeving contact gehad met Ziekenhuis Groep Twente (ZGT) in Almelo. Op dit moment biedt ZGT de klinische verloskunde aan op de locaties Hengelo en Almelo. Met het oog op de kwaliteit kijkt ZGT op welke wijze zij de klinische verloskundige zorg in de regio toekomstbestendig kan organiseren om zo de continuïteit van de verloskundige zorg in de regio voor de toekomst zeker te stellen.
Hoe waardeert u de argumenten om de klinische kraamzorg van ZGT over te hevelen van de locatie Almelo naar de locatie Hengelo? Wat zijn de doorslaggevende argumenten? Hoe waardeert u deze argumenten?
ZGT heeft nog geen definitieve keuze gemaakt voor een locatie. ZGT heeft aangegeven voor het behoud van de kwaliteit niet voldoende bevallingen per jaar te kunnen realiseren indien zij de klinische verloskundige zorg op twee locaties, in Almelo en in Hengelo, blijft aanbieden. Om de klinische verloskundige zorg kwalitatief verantwoord te kunnen blijven aanbieden in de regio Twente sluit ZGT eventuele concentratie op één locatie niet uit. ZGT heeft nu een haalbaarheidsonderzoek gestart.
Ik ben geen voorstander van concentratie om de concentratie. Zorg moet in beginsel zo dicht mogelijk bij de mensen aangeboden worden. Maar dit moet wel kunnen.
Ik vind het prima dat ziekenhuizen proactief aan de slag gaan met het nadenken over de wijze waarop zij de verloskundige zorg kunnen verbeteren door aan de gestelde kwaliteitseisen te voldoen. Dit kan betekenen dat het ziekenhuis noodzakelijkerwijs over moet gaan tot concentratie van de zorg. Immers, als blijkt dat voor bepaalde ziekenhuizen de kwaliteitsnormen niet haalbaar zijn, kunnen zij geen veilige acute verloskundige zorg aanbieden.
Wat zijn volgens u de gevolgen van de overheveling voor de bereikbaarheid van de kraamzorg voor de mensen in Almelo en de buitengebieden zoals Wierden, Tubbergen, Twenterand? Kunnen de gestelde normen voor de ambulancediensten met betrekking tot bevallingen van 15 minuten worden gewaarborgd? Kunt u aangeven wat de aanrijtijden zijn van de kernen Tubbergen, Vriezenveen, Almelo en Wierden naar het ziekenhuis in Almelo en het ziekenhuis in Hengelo?
De voornemens betreffen de klinische verloskunde en niet de kraamzorg. ZGT heeft de gevolgen voor de aanrijtijden in onderzoek en zal de bevindingen meenemen in haar overwegingen.
Kunt u garanderen dat met de gebiedsuitbreiding de capaciteit van de kraamafdeling van het ziekenhuis in Hengelo voldoende is en dat het aan zijn zorgplicht kan voldoen voor de mensen in Almelo en de buitengebieden? Zo ja, op welke argumenten baseert u dit?
Nee, op dit moment voldoet de huidige capaciteit van de afdeling in Hengelo niet. Het ZGT heeft aangegeven dat zij, indien er werkelijk overgegaan wordt tot concentratie, via bouwtechnische aanpassingen uitbreiding van de capaciteit zullen realiseren. Een nader onderzoek door het ziekenhuis moet meer inzicht geven in de haalbaarheid van het voornemen. Bij dit haalbaarheidsonderzoek zullen de stakeholders worden betrokken. ZGT komt vóór de zomer nog met een definitief besluit.
Welke gevolgen heeft de overheveling voor de kwaliteit van kraamzorg in zijn totaliteit in de omgeving van Almelo en het buitengebied?
Ik neem aan dat u bij deze vraag de klinische verloskunde bedoelt en niet de kraamzorg. Een eventuele concentratie vindt uit kwaliteitsoverwegingen plaats, zodat ZGT kan voldoen aan de normen van de Stuurgroep zwangerschap en geboorte. Er is extra personeel nodig om binnen 15 minuten na aankomst in het ziekenhuis een spoedeisende behandeling te kunnen starten en om de begeleiding en bewaking van bevallende vrouwen te verbeteren. De Inspectie voor de Gezondheidszorg (IGZ) hanteert geen minimumnorm voor het aantal bevallingen in relatie tot kwalitatief goede zorg.
Wat zijn volgens u de gevolgen van de overheveling voor de veiligheid van de kraamzorg? Kunt u verzekeren dat de overheveling geen negatieve gevolgen heeft voor het terugdringen van het toch al relatief hoge babysterftecijfer in Nederland? Ziet u nog extra veiligheidsrisico’s voor bepaalde bevolkingsgroepen in verband met cultuurspecifieke zorg?
Ik ga er hier vanuit dat u de klinische verloskunde bedoelt. Met het voldoen aan de normen van de Stuurgroep zwangerschap en geboorte hoopt ZGT de kwaliteit van de klinische bevallingen te waarborgen en daarmee een verlaging van de babysterfte in de regio te realiseren. De 15-minutennorm voor de start van de behandeling in het ziekenhuis zal hiermee permanent geborgd zijn.
Bent u bevoegd en bereid in te grijpen, mocht blijken dat er onvoldoende garanties zijn voor de veiligheid, kwaliteit en bereikbaarheid van de klinische kraamzorg voor Almelo en omstreken?
Via de Inspectie voor de Gezondheidszorg (IGZ) ben ik bevoegd en bereid in te grijpen als de kwaliteit van zorg in het geding is.
Verwacht u dat door de overheveling het aantal thuisbevallingen zal toenemen? Beschikt u over de percentages thuis- en ziekenhuisbevallingen in de regio?
Ik beschik niet over de exacte percentages van de thuis- en ziekenhuisbevallingen in de regio Twente.
Het landelijke percentage thuisbevallingen is 26% (PRN 2007). Ik verwacht niet dat de regio Twente van dit percentage afwijkt. Ik zie geen aanleiding om nu aan te nemen dat met de overheveling het aantal thuisbevallingen zal toenemen.
Kunt u aangeven wat de zorgverzekeraars in deze regio vinden van het voorgenomen besluit? Wie moet volgens u de regierol nemen bij het verzekeren van een regionaal goed gespreid aanbod van ziekenhuis waar bevallingen kunnen plaatsvinden?
Het ziekenhuis heeft nog geen besluit genomen. De zorgverzekeraar, gemeenten en eerstelijns zorgverzekeraars zijn betrokken bij het onderzoek dat het ziekenhuis nu uitvoert.
In haar reactie op deze kwestie heeft de zorgverzekeraar aangegeven op te komen voor het belang van haar klanten om duurzaam goed klinische verloskundige zorg beschikbaar te hebben. Hierbij staan de wettelijke normen centraal alsook het belang van de klanten om te kunnen kiezen voor een thuisbevalling.
Een alarmerende stijging van identiteitsfraude |
|
Pierre Heijnen (PvdA), Jeroen Recourt (PvdA) |
|
|
|
|
Kent u het bericht «Alarmerende stijging van identiteitsfraude»?1
Ja.
Hoe beoordeelt u de stelling van deskundigen dat identiteitsfraude in Nederland een steeds grotere vlucht neemt?
Ik verwijs naar het antwoord op vragen 1 en 2 van het lid Gesthuizen van uw Kamer (2011Z00473, ingezonden 13 januari 2011).
Is het waar dat identiteitsfraude als vorm van oplichting niet apart door de politie wordt geregistreerd? Zo ja, waarom niet? Is het waar dat u hierdoor geen zicht heeft op de totale omvang van het probleem? Welke maatregelen overweegt u om een completer beeld te krijgen van de problematiek?
Ik verwijs naar het antwoord op vragen 1, 2 en 4 van het lid Gesthuizen van uw Kamer (2011Z00473, ingezonden 13 januari 2011) en naar het antwoord op vraag 7.
Wat is uw reactie op de stelling dat identiteitsfraude in Nederland een grote vlucht neemt omdat het eenvoudig is voor criminelen om persoonsgegeven te bemachtigen uit databanken en dat uw ministerie van Veiligheid en Justitie hier nauwelijks aandacht voor heeft en laks is in het optreden hiertegen?
De stelling dat het in Nederland in zijn algemeenheid eenvoudig is voor criminelen om persoonsgegevens te bemachtigen uit databanken wordt niet door de mij beschikbare informatie ondersteund. Meer in het bijzonder is de veronderstelling onjuist dat overheidsdatabanken met persoonsgegevens eenvoudig te kraken zouden zijn omdat de overheid weinig aandacht aan beveiliging besteedt. Dat het relatief eenvoudig is om over personen via min of meer openbare bronnen zoals sociale netwerksites gegevens te verzamelen, is algemeen bekend. Het is ook bekend dat daarvan misbruik wordt gemaakt.
Voor databanken van de overheid en het bedrijfsleven waarin persoonsgegevens worden verwerkt gelden de regels en verplichtingen uit de Wet bescherming persoonsgegevens (WBP). De WBP verplicht de verantwoordelijken tot het treffen van technische en organisatorische maatregelen om persoonsgegevens te beveiligen tegen verlies, inbraak of onrechtmatige verwerking. Voor de rijksoverheid geldt daarnaast het Voorschrift informatiebeveiliging, dat de verantwoordelijken verplicht een risicoafweging te maken en op basis daarvan gepaste maatregelen te nemen. GOVCERT.NL adviseert de overheid hierbij en brengt rapporten en handleidingen uit, zoals het Raamwerk beveiliging webapplicaties.
Verder verwijs ik naar het antwoord op 2 sets vragen van het lid Gesthuizen van uw Kamer (2011Z00473, ingezonden 13 januari 2011 en Kamerstukken II, 2010–2011, Aanhangsel Handelingen, nr. 165).
Hoe beoordeelt u de conclusie uit het rapport van de Wetenschappelijke Raad voor het Regeringsbeleid dat veel mensen zich onvoldoende bewust zijn wat er met gegevens gebeurt of kan gebeuren die zij online aanleveren voor bijvoorbeeld het elektronisch patiëntendossier of online winkels? Bent u bereid maatregelen te treffen om bekendheid hiermee te vergroten? Zo ja, welke?
Nu het betreffende rapport van de Wetenschappelijke Raad voor het Regeringsbeleid nog niet is gepubliceerd, kan ik niet op de precieze inhoud daarvan vooruitlopen. De conclusie dat veel mensen niet weten wat identiteitsfraude is, is niet nieuw (ik verwijs naar een onderzoek van het Ministerie van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties uit 2010, www.rijksoverheid.nl/nieuws/2010/06/22/nederlanders-weten-weinig-over-id-fraude.html). Iedereen heeft een eigen verantwoordelijkheid om zich op de hoogte te stellen van de risico’s die verbonden zijn aan het verstrekken van persoonsgegevens en om de preventieve maatregelen te nemen die binnen zijn of haar invloedssfeer liggen. De overheid ziet het tot zijn taak dit onder de aandacht te brengen en concrete tips te geven, bijvoorbeeld met behulp van de website www.nederlandveilig.nl en publiekscampagnes in 2009 en 2010. Ook het bedrijfsleven doet dit met bijvoorbeeld de website www.veiligbankieren.nl. Verder geeft het Centraal Meldpunt Identiteitsfraude voorlichting over identiteitsfraude en het voorkomen daarvan. Er bestaat voor mij geen aanleiding voor het nemen van aanvullende maatregelen.
Welke wettelijk vastgelegde mogelijkheden heeft de politie momenteel om op te treden tegen identiteitsfraude? Heeft de politie voldoende kennis en mensen in huis om in dit opzicht effectief te zijn?
Ik verwijs naar het antwoord op vragen 3 en 4 van het lid Gesthuizen van uw Kamer (2011Z00473, ingezonden 13 januari 2011). De uitvoering van deze taak vindt plaats binnen de bestaande, beschikbare politiecapaciteit, waarbij altijd prioriteitsafwegingen worden gemaakt.
Wat vindt u van de suggestie om in het Wetboek van Strafrecht een artikel op te nemen die de politie de mogelijkheid geeft sneller op te treden? Bent u bereid om deze aanbeveling op te volgen? Zo nee, waarom niet?
Gezien het antwoord op vragen 3 en 4 van het lid Gesthuizen van uw Kamer (2011Z00473, ingezonden 13 januari 2011) acht ik het apart strafbaar stellen van identiteitsfraude vooralsnog niet nodig.
De strafoplegging door rechters in rechtszaken naar aanleiding van de jaarwisseling |
|
Ard van der Steur (VVD) |
|
|
|
|
Kent u het bericht «Rechters ongevoelig voor hogere eisen»?1
Ja.
Klopt het dat rechters in een aantal gevallen tijdens de berechting van verdachten in zogenoemde supersnelrecht- en snelrechtzittingen naar aanleiding van overtredingen en misdrijven die werden begaan tijdens de jaarwisseling de hogere strafeisen van het Openbaar Ministerie (OM) niet hebben gevolgd?
Het klopt dat de rechter in een aantal van de aangeduide zaken een lagere straf heeft opgelegd dan door de officier was geëist. Het aantal zaken van de afgelopen jaarwisseling dat is afgehandeld via supersnelrecht is echter te beperkt en te divers om op basis daarvan algemene conclusies te trekken over de vraag of rechters de per 31 december 2010 verhoogde strafeisen volgen. Ik verwijs wat dit betreft naar hetgeen de Staatssecretaris van Veiligheid en Justitie hierover heeft gezegd tijdens het debat van 20 januari 2011, en naar het onderzoeksrapport van de Universiteit Tilburg dat ik uw Kamer op 19 november 2010 heb gestuurd over de hoogte van de door de rechter opgelegde straffen in zaken van agressie en geweld tegen werknemers met een publieke taak (Kamerstukken II, vergaderjaar 2010–2011, 28 684, nr. 293). Uit dit onderzoek van 274 zaken waarin in 2010 een onherroepelijk vonnis is uitgesproken bleek dat rechters gemiddeld 93% van de strafeis van het OM volgen.
Hoe motiveren rechters in hun vonnissen de afwijking van de strafeis van het OM?
In onderhavige zaken gaat het om politierechterzittingen waarin mondeling uitspraak is gedaan. Mede om die reden is het lastig om een overzicht te geven van de motiveringen die de rechters hebben gegeven in deze zaken.
Deelt u de opvatting dat het vooral bij geweld tegen gezagsdragers van belang is dat zwaarder wordt gestraft?
Ja. Om deze reden heeft het OM op mijn instigatie bij de afgelopen jaarwisseling de strafeis voor deze categorie misdrijven verder verhoogd (van 150% naar 200%).
Franchisenemers die ten onder gaan aan wurgcontracten waarbij de franchisegever voordeel heeft |
|
Sharon Gesthuizen (SP) |
|
Maxime Verhagen (minister economische zaken en klimaat, viceminister-president ) (CDA) |
|
|
|
|
Wat is uw reactie op het bericht dat meerdere franchisenemers onder «valse voorwendsels», zoals veel te rooskleurige prognoses, een franchiseovereenkomst zijn aangegaan en daardoor in financiële problemen geraken?1
Op individuele basis kan ik geen uitspraak doen over de in de onderhands toegezonden brief genoemde zaken, die betrekking hebben op een al vele jaren bestaande franchiseketen met bijna 150 deelnemende winkels (cijfers Nederlandse Franchise Vereniging 2009). De drie voorvallen zijn, hoe vervelend voor de betreffende ondernemers ook, geen directe aanleiding om de keten, of de hele franchisewereld in Nederland, te verdenken van oplichting.
In 2008 en 2009 hebben wij franchiseketens tegen het licht gehouden, met als doel te zien of er vaker dan bij niet-franchisebedrijven sprake van misstanden zou zijn. Het Ministerie van Economische Zaken was opdrachtgever voor dit door onderzoeksbureau EIM uitgevoerde onderzoek, waaraan diverse specialisten, stakeholders en wetenschappers hebben meegewerkt. Uit dit onderzoek, Franchiseketens, marktaandeel en continuïteit, kwam naar voren dat er geen structurele misstanden in de franchisewereld zijn. Er is gekeken naar de volgende branches:
Uit het bovengenoemde onderzoek blijkt dat franchisenemers het over het algemeen beter doen (vaker na 5 jaar nog bestaan, sneller de eerste winst draaien, etc.) dan niet-franchisenemers. Deze uitkomsten wijzen niet op consequent «oneerlijk spel» in de franchisewereld. Franchisegevers die lid zijn van het Nederlandse Franchise Vereniging, hebben zich in ieder geval te houden aan de Europese Franchise code. Daarnaast bestaat (sinds kort) in de markt ook een (vrijwillig) keurmerk.
Deelt u de analyse dat franchisegevers er belang bij kunnen hebben om bijvoorbeeld franchisenemers met «wurgcontracten» en onder «valse voorwendsels» in hun pand te zetten, omdat dit de franchisegevers bijna niks kost terwijl het hen wel wat opbrengt om snel een huurder in hun pand te hebben, ook als deze franchisenemers hierdoor in financiële problemen geraken?2
Uit het bovengenoemde onderzoek bleek dat er een verschil in machtspositie is tussen franchisenemer en franchisegever. Er bleek echter ook dat er geen sprake lijkt te zijn van structurele misstanden. Het opzettelijk structureel benadelen van franchisenemers schaadt ook de franchisegever.
De experts adviseerden naar aanleiding van het onderzoek dat binnen de sector de franchisegevers hun zorgtaken en de voorlichting richting franchisenemers serieus moeten nemen; algemene informatie via Kamers van Koophandel en brancheorganisaties kan hierbij helpen. Wet- en regelgeving werd als een te zwaar middel gezien. Het ministerie van Economische Zaken, Landbouw en Innovatie heeft dit advies gevolgd.
Bent u bereid om een onderzoek in te stellen naar de schaalgrootte van dit probleem?
Uiteraard ben ik bereid om het onderzoek dat in december 2009 uitkwam te herhalen.
Als uit vervolgonderzoeken blijkt dat de franchisegevers in algemene zin hun taken niet afdoende vervullen, zal ik met de sector en belanghebbenden bezien wat vervolgstappen moeten zijn. Hierbij is voor mij de zorgplicht van franchiseketens en de openheid over omzetramingen cruciaal.
De afweging die ik in dat geval wil maken, is of het instellen van regels en verplichtingen niet een te zwaar middel is. Op individueel bedrijfsniveau zijn, ook in de franchisewereld, voorbeelden te vinden van (verwijtbare) fouten. In individuele gevallen staat voor ondernemers de weg naar de rechter open. Uit het rapport komt echter duidelijk naar voren dat er op macro-economisch vlak geen problemen zijn. Daarmee is naar mijn mening thans geen aanleiding voor aanvullende overheidsmaatregelen.
Bent u bereid additionele maatregelen te nemen om dit probleem nader te analyseren danwel op te lossen? Zo ja, welke?
Zie antwoord vraag 3.
Een rapport van "EU-diplomaten" over Jeruzalem |
|
Louis Bontes (PVV), Geert Wilders (PVV), Raymond de Roon (PVV), Wim Kortenoeven (PVV) |
|
|
|
|
Kent u de berichtgeving dat «EU-diplomaten» een rapport aan het Politiek en Veiligheidscomité hebben gezonden, waarin wordt aanbevolen om Oost-Jerusalem te behandelen als ware het de hoofdstad van een Palestijnse staat?1
Ja.
Deelt u de mening dat Jeruzalem de ondeelbare hoofdstad is van de staat Israël en dat iedere suggestie dat een deel van die stad aan enige andere staat moet toebehoren, verwerpelijk is? Zo nee, waarom niet?
Nederland is voorstander van een tweestatenoplossing, waarbij de grenzen van 1967 uitgangspunt zijn. Het is wat betreft Jeruzalem aan partijen om te komen tot afspraken over de finale status, zoals vastgelegd in de akkoorden van Oslo.
Deelt u de mening dat zo’n rapport op onaanvaardbare wijze vooruitloopt op de uitkomst van onderhandelingen en politiek steun geeft aan degenen die de eenzijdige uitroeping van een Palestijnse staat wensen2? Zo nee, waarom niet?
Nee, het rapport bevat een feitelijke beschrijving van de ontwikkelingen in Oost-Jeruzalem in 2010 en beschrijft daarnaast een aantal opties voor het EU-beleid ten aanzien van Jeruzalem. Besluiten daarover worden in gemeenschappelijk overleg in Brussel genomen. Het is van belang om een onderscheid te maken tussen opties die staand beleid bekrachtigen en opties die nieuw beleid zouden inhouden. Die opties die bestendiging inhouden van huidig beleid ten aanzien van Oost-Jerusalem en het vredesproces in het Midden-Oosten, zijn door Nederland onderschreven. Opties die vooruitlopen op de uitkomsten van de finalestatusonderhandelingen zijn niet door Nederland ondersteund. De timing van een en ander acht ik bovendien, gezien de recente ontwikkelingen in de regio, allerminst opportuun.
Wilt u afstand nemen van de aanduiding van Oost-Jeruzalem als hoofdstad van een (toekomstige) Palestijnse staat? Zo nee, waarom niet?
Zie antwoord op vraag 2.
Hebben Nederlandse diplomaten bijgedragen aan de totstandkoming van dat rapport? Zo ja, wilt u dan afstand nemen van hun deelname daaraan en hen tot de orde roepen?
Alle vertegenwoordigingen van EU-lidstaten bij de Palestijnse Autoriteit (PA) hebben bijgedragen aan de totstandkoming van het rapport. De inbreng van de Nederlandse vertegenwoordiging is conform het regeringsbeleid geweest. Nederland heeft zich in de discussies derhalve nadrukkelijk gedistantieerd van oproepen die strijdig zijn daarmee.
Wilt u ook afstand nemen van de oproepen in het rapport, zoals een boycot van Israëlische producten, het voeren van een publicitaire campagne tegen Israëlische producten, het geen gebruik maken van dienstverlening door Israëlische ondernemers, het ondersteunen van het openen van kantoren van de PLO in Jerusalem, het aanzetten van diplomaten om aanwezig te zijn bij ontruimingen e.d. van panden en de oproep tot EU-interventie tegen Israëlisch justitieel optreden in Jeruzalem? Kortom, wilt u het rapport naar de prullenbak verwijzen? Zo nee, waarom niet?
Zie antwoord vraag 5.
De beslissing van de Raad van State dat illegalen niet meer aan de grens mogen worden aangehouden |
|
Cora van Nieuwenhuizen (VVD) |
|
|
|
|
Kent u het artikel «Illegalen mogen niet meer worden aangehouden aan grens»?1
Ja.
Is het waar dat het Mobiel Toezicht Vreemdelingen van de Koninklijke Marechaussee naar aanleiding van de uitspraken van de Raad van State voorlopig onmogelijk wordt gemaakt?
Nee. De uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State van 28 december 2010 heeft wel directe gevolgen voor de uitvoering van het Mobiel Toezicht Veiligheid (MTV) aan de grens met België en Duitsland.
Uit de uitspraak volgt dat controles nabij de grens met België en Duitsland die zijn gebaseerd op artikel 50 van de Vw2000 en A3/2.4 van de Vreemdelingencirculaire 2000 onrechtmatig zijn. Hiermee is een deel van de vreemdelingrechtelijke bevoegdheden van de KMar vooralsnog niet toepasbaar. Er wordt nu zo veel mogelijk gebruik gemaakt van de beperkte mogelijkheden die het vreemdelingenrecht nog biedt.
Daarnaast kunnen ambtenaren van de Koninklijke Marechaussee, in samenwerking met de politie, op grond van andere dan vreemdelingrechtelijke bevoegdheden controleren in de grenszone. De uitspraak ziet niet op de strafrechtelijke bevoegdheden van de Koninklijke Marechaussee.
Deelt u de mening dat het van groot belang is dat deze grenscontroles langs de grens met België en Duitsland blijven bestaan? Zo nee, waarom niet?
Ja. Grenszones zijn vaak extra gevoelig voor grensoverschrijdende criminaliteit en voor illegaliteit. Inzet van de Koninklijke Marechaussee is juist daar van groot belang.
Klopt het dat een aangehouden illegale vreemdeling een schadevergoeding heeft verkregen van € 1 365,–? Tot welke reactie geeft dit u aanleiding? Welke maatregelen bent u van plan te nemen om een soortgelijke schadevergoeding in de toekomst te voorkomen?
Ja.
Het genoemde bedrag is door de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State aan betrokken vreemdeling toegekend als schadevergoeding voor de in bewaring verbleven periode. Het is staande jurisprudentie dat bij een onrechtmatig verblijf in bewaring een richtbedrag per in bewaring verbleven dag wordt toegekend als vergoeding voor immateriële schade. Daarvan wordt enkel afgeweken indien er bijzondere redenen zijn voor matiging van het bedrag.
Welke maatregelen bent u van plan te nemen om zeker te stellen dat illegale vreemdelingen die aan de grens worden aangehouden in de toekomst kunnen worden vastgezet, ook indien zij geen strafbare feiten hebben begaan?
MTV controles zullen met spoed van een deugdelijke juridische basis worden voorzien. Daartoe wordt op korte termijn een wijziging van het Vreemdelingenbesluit 2000 voorbereid.
Bent u bereid de Tweede Kamer middels een brief te informeren over de wijze waarop en op welke termijn u ervoor gaat zorgen dat de grenscontroles voor illegalen kunnen worden hervat? Wanneer denkt u deze brief aan de Tweede Kamer te kunnen toesturen? Bent u voornemens dit te koppelen aan de in het regeerakkoord opgenomen strafbaarstelling van illegaliteit en de handhaving? Zo ja, hoe en wanneer?
De brief over de gevolgen van de uitspraak voor het mobiel toezicht van de Koninklijke Marechaussee bij de binnengrenzen is samen met de beantwoording van deze Kamervragen naar de Tweede Kamer gezonden. De Kamer wordt separaat geïnformeerd over strafbaarheidstelling illegaliteit.
Het ontbreken van christelijke feestdagen op een kalender van de Europese Commissie |
|
Pieter Omtzigt (CDA), Kathleen Ferrier (CDA) |
|
|
|
|
Heeft u kennisgenomen van het feit dat alle christelijke feestdagen ontbreken op een massaal gedrukte kalender van de Europese Commissie?1
Ja. Het gaat om editie 2010/2011 van de Europese Schoolagenda. De agenda is een jaarlijkse publicatie van de Europese Commissie en geeft informatie over activiteiten van de EU aan leraren en scholieren. Onderaan elke wekelijkse pagina van de agenda is een voetnoot opgenomen waarin vragen of feiten staan waarvan jongeren zich misschien niet bewust zijn. In enkele voetnoten worden ook feestdagen van niet-christelijke religies genoemd. In de voetnoten ontbreken de christelijke feestdagen.
Bent u bereid om aan de Europese Commissie hierover publiekelijk opheldering te vragen?
Toen ik hiervan hoorde heb ik contact gezocht met de Europese Commissie en om opheldering gevraagd. De Europese Commissie heeft mij laten weten dat het gaat om een onopzettelijke fout die zo snel mogelijk wordt rechtgezet. De Commissie betreurt het hierdoor onbedoeld Europese burgers te hebben beledigd. Om deze fout te herstellen zal de Commissie een rectificatie sturen aan alle scholen die de agenda hebben ontvangen. Deze rectificatie zal tevens een overzicht van alle officiële feestdagen bevatten in het betreffende land. Deze feestdagen zullen ook worden opgenomen in de volgende editie van de schoolagenda. Ik heb de Commissie laten weten dat ik de omissie betreur.
Wilt u de Europese commissie vragen op welke wijze zij invulling wenst te geven aan de joods-christelijke traditie?
Zoals in de preambule bij het Verdrag betreffende de Europese Unie is verwoord, is de oprichting van de EU geïnspireerd door de culturele, religieuze en humanistische tradities van Europa. De Commissie, als hoedster van de Europese Verdragen, is zich hiervan bewust. Ik heb in deze specifieke situatie de uitleg van de Commissie aanvaard dat het gaat om een betreurenswaardige fout die zo snel mogelijk wordt hersteld.
De alarmerende stijging van identiteitsfraude |
|
Sharon Gesthuizen (SP) |
|
|
|
|
Wat is uw reactie op het bericht «Alarmerende stijging van identiteitsfraude»?1
De precieze omvang van het verschijnsel identiteitsfraude is niet bekend. Naast de meldingen die het Centraal Meldpunt Identiteitsfraude (CMI) ontvangt, komen aangiften en meldingen binnen bij de politie en bij bijvoorbeeld banken. Mijn ambtgenoot van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties laat onderzoek doen naar de omvang van identiteitsfraude op basis van bestaande bronnen. Naar verwachting is dit onderzoek medio 2011 gereed.
Denkt u, net als de genoemde deskundigen, dat het aantal van 166 meldingen van identiteitsfraude sinds 1 maart 2010 slechts het topje van de ijsberg is? Heeft u enig idee van de werkelijke omvang van dit (vermoedelijk groeiende) probleem? Zo nee, ziet u aanleiding onderzoek te laten verrichten naar de werkelijke omvang van dit probleem?
Zie antwoord vraag 1.
Wat is uw reactie op het verwijt dat justitie laks te werk gaat ten aanzien van identiteitsfraude?
Ik deel deze mening niet. Zo heeft mijn departement in samenwerking met de politie en de Koninklijke marechaussee in 2010 een handreiking identiteitsfraude voor de politie gemaakt (www.overheid.nl/identiteitsfraude/informatie-voor-de-politie). Dit is gebeurd omdat het belang wordt erkend dat de verschillende vormen van identiteitsfraude als strafbare handelingen herkend worden. Het doel van de handreiking is politiefunctionarissen te helpen bij het benutten van de bestaande wettelijke instrumenten bij het opnemen van de aangifte.
Waar op basis van opportuniteits- en prioriteitsafwegingen mogelijk worden zaken door het Openbaar Ministerie opgepakt.
Verder is het CMI ingesteld om ondermeer zoveel mogelijk te voorkomen dat slachtoffers van identiteitsfraude klem komen te zitten tussen overheidsinstanties, fouten niet hersteld worden en slachtoffers geconfronteerd blijven worden met de ongewenste gevolgen van identiteitsfraude (ik verwijs naar het antwoord op vragen van het lid Gesthuizen van uw Kamer, Kamerstukken II, 2010–2011, Aanhangsel Handelingen, nr. 18).
Welke artikelen uit het Wetboek van Strafrecht kunnen een rol spelen bij de diverse vormen van identiteitsfraude? Volstaan deze artikelen naar uw mening om alle vormen van identiteitsfraude effectief aan te kunnen pakken? Zo nee, bent u bereid zo nodig aanvullende strafbepalingen voor te stellen?
Uiteenlopende artikelen van valsheid in geschrift tot witwassen kunnen van toepassing zijn. Voor een overzicht van relevante strafbepalingen verwijs ik naar de hiervoor genoemde handreiking voor de politie. Deze strafbepalingen zijn toereikend voor het bestrijden van identiteitsfraude, op enkele punten na. Die lacunes worden aangevuld. Op zeer korte termijn zal ik met het oog daarop een conceptwetsvoorstel, dat tot doel heeft fraude met identiteitsbewijzen strafrechtelijk beter te kunnen aanpakken, voor consultatie voorleggen aan onder meer de Nederlandse Vereniging voor Rechtspraak en het College van procureurs-generaal.
Welke maatregelen gaat u nemen om het groeiende probleem van identiteitsfraude beter aan te kunnen pakken?
Aangezien op dit moment niet bevestigd kan worden dat sprake is van een groei in het aantal gevallen van identiteitsfraude, bestaat er voor mij geen aanleiding om aanvullende maatregelen te nemen.
De begroting van Curaçao en Sint Maarten |
|
André Bosman (VVD) |
|
Piet Hein Donner (minister binnenlandse zaken en koninkrijksrelaties) (CDA) |
|
|
|
|
Klopt het dat de begroting van Sint Maarten pas op 23 december 2010 is vastgesteld, terwijl ingevolge de Rijkswet financieel toezicht Curaçao en Sint Maarten, de begroting uiterlijk op 15 december van een jaar moet zijn vastgesteld?1
De begroting 2011 is op 23 december 2010 goedgekeurd door de Staten van Sint Maarten. Van vaststelling is pas sprake wanneer de landsverordening betreffende de begroting is ondertekend door de minister van Financiën én de Gouverneur van Sint Maarten, waarmee de begroting de kracht van wet krijgt.
Heeft het College financieel toezicht Curaçao en Sint Maarten toestemming voor uitstel verleend? Zo ja, waarom?
Nee.
Bent u door het College financieel toezicht Curaçao en Sint Maarten op de hoogte gesteld van het feit dat Sint Maarten de begroting niet tijdig heeft vastgesteld? Zo ja, wanneer? Wat heeft u of de raad van ministers van het Koninkrijk met deze informatie jegens Sint Maarten gedaan?
Het College financieel toezicht (Cft) heeft mij op 15 december bericht dat Sint Maarten nog geen vastgestelde begroting had, en dat Sint Maarten verwachtte een door de Staten goedgekeurde begroting uiterlijk 31 december 2010 aan het Cft aan te kunnen bieden. Vervolgens is dit op 17 december besproken in de raad van ministers van het Koninkrijk (RMR). Tijdens de bespreking in de RMR bevestigde de gevolmachtigde minister van Sint Maarten aan dat er voor 1 januari een door de Staten goedgekeurde begroting zou zijn. Dat is ook gebeurd. Omdat het ten aanzien van de situatie rond de begroting van Sint Maarten wellicht nodig is snel te kunnen reageren heeft de RMR de minister van Financiën en mijzelf gemachtigd eventuele vervolgstappen te nemen. Op dit moment wordt nog gewacht op het advies van het Cft bij de door de Staten vastgestelde begroting. Hierbij heeft de gouverneur laten weten te wachten met ondertekening van de begroting totdat het Cft daarover een positief oordeel heeft gegeven. Pas op dat moment wordt de begroting ook wet.
Ook heb ik op 10 januari op Sint Maarten gesproken met o.a. de minister van Financiën, het kabinet en de gouverneur van Sint Maarten. In die gesprekken heb ik duidelijk aangegeven dat Nederland ervan uitgaat dat Sint Maarten zich aan de wet houdt, in haar begroting ook rekening houdt met de afspraken voor wat betreft plannen van aanpak en met een realistische begroting komt die een sluitende gewone dienst laat zien en die een positief advies krijgt van het Cft. Ook heb ik hierbij aangegeven dat er daarbij niet gerekend moet worden op eventuele begrotingssteun vanuit Nederland. Nederland heeft de afgelopen jaren reeds ruimhartig ondersteunt met de hele schuldsanering en sinds 10-10-2010 is het loket van de schuldsanering ook voor Sint Maarten gesloten.
Wat zijn de gevolgen van het feit dat de begroting van Sint Maarten niet op tijd is vastgesteld? Wat zijn de gevolgen voor de verplichtingen van Sint Maarten? Wat zijn de gevolgen voor burgers en bedrijven?
De Rijkswet schrijft voor dat wanneer op 1 januari van het begrotingsjaar geen sprake is van een vastgestelde begroting, de begroting van het aan het betrokken begrotingsjaar voorafgaande jaar tot grondslag strekt van het beheer. Complicerende factor daarbij is dat de begroting 2010 betrekking had op Sint Maarten als eilandgebied, terwijl het takenpakket van Sint Maarten in 2011 flink is uitgebreid nu het de status van land heeft. Hier is een praktische oplossing voor gevonden. Daarom heeft het Cft voor Sint Maarten een maximaal verplichtingenkader berekend dat lager is dan de op 23 december 2010 door de Staten goedgekeurde begroting. Sint Maarten is zodoende in staat om de reeds vastliggende (juridische) verplichtingen te voldoen. Hierbij hanteert de minister van Financiën van Sint Maarten tevens het instrument van voorafgaand toezicht, wat inhoudt dat alle beslissingen met financiële gevolgen eerst ter toetsing aan hem moeten worden voorgelegd. Vooralsnog is het niet de verwachting dat burgers en bedrijven hiervan veel zullen merken. Er wordt momenteel hard gewerkt om zo snel mogelijk te kunnen beschikken over een vastgestelde begroting 2011 die voldoet aan de normen van de Rijkswet, zodat deze begroting volledig in uitvoering kan worden genomen.
Wat waren de bevindingen van het college met betrekking tot de begroting van Sint Maarten? Geven de bevindingen van het college u of de raad van ministers van het Koninkrijk aanleiding om nadere stappen te ondernemen? Zo nee, waarom niet? Zo ja, welke?
Begin oktober 2010 heeft Sint Maarten een ontwerpbegroting voorgelegd aan het Cft. Daarop heeft het Cft, conform artikel 11 van de Rijkswet, op 21 oktober 2010 een (negatief) advies gegeven. Vervolgens heeft Sint Maarten de ontwerpbegroting aangepast en ingediend bij de Staten, die het op 23 december 2010 hebben goedgekeurd. Op 27 december 2010 is de goedgekeurde begroting ingediend bij het Cft voor advies, conform artikel 12 lid 1. Dat advies had volgens de wettelijke termijn op 10 januari 2011 (artikel 12 lid 2 gereed moeten zijn. Het Cft heeft Sint Maarten om nadere informatie gevraagd die het nodig heeft om de begroting goed te kunnen beoordelen. Sint Maarten heeft aangegeven dat het opleveren van deze informatie enige tijd in beslag neemt. Daarop heeft het Cft laten weten dat daarmee het advies later zal verschijnen. Er zijn dus op dit moment nog geen bevindingen van het Cft en dus ook geen aanleiding tot verdere stappen dan eerder beschreven.
Voldoet de begroting inmiddels aan de normen in artikel 15 van de Rijkswet financieel toezicht Curacao en Sint Maarten? Is er inmiddels sprake van een sluitende begroting? Zo neen, wat wordt eraan gedaan om te bereiken dat er een sluitende begroting komt?
Zoals eerder vermeld is er bij het Cft een vastgestelde begroting ingediend op 27 december. Deze was op papier sluitend. Verder wordt het advies van het Cft bij deze begroting afgewacht.
Wat wordt er gedaan om te bereiken dat de begroting voor het jaar 2012 wel op de goede wijze tot stand komt en dat er sprake is van een sluitende begroting?
Bedacht moet worden dat de begroting voor 2011 een unieke gebeurtenis is. Het is de allereerste begroting van het zelfstandige land Sint Maarten. Vlak voordat het land Sint Maarten zelfstandig was geworden werd duidelijk dat het moeite had met het maken van een adequate begroting voor 2011 die aan alle wettelijke verplichtingen voldoet. Mede daarom heeft de toenmalige staatsecretaris van BZK met Sint Maarten en het Cft afspraken gemaakt over intensiever overleg tussen het Cft en Sint Maarten bij zowel de begrotingsopstelling als de begrotingsuitvoering. Hierbij is uiteraard wel scherp in het oog gehouden dat het Cft zijn hoofdtaak, namelijk het onafhankelijk uitoefenen van financieel toezicht, niet vermengd met zijn adviserende rol. Dit geïntensiveerde overleg zal ook in 2011 gecontinueerd worden, waarbij ik de hoop heb dat mede daardoor de totstandkoming van een afdoende begroting voor 2012 minder moeizaam zal verlopen. Daarnaast kan verwacht worden dat er leereffecten zullen optreden. Mocht dit alles in de loop van dit jaar niet voldoende blijken te zijn dan zal de RMR zich beraden op nadere stappen.
De maatschappelijke stage |
|
Boris van der Ham (D66) |
|
Marja van Bijsterveldt (minister onderwijs, cultuur en wetenschap) (CDA) |
|
|
|
|
Wat is uw reactie op de opmerkingen van Movisie dat de helft van de scholen geen afdoende uitvoering geeft aan de maatschappelijke stage?1
Deze opmerkingen zijn mijns inziens geen goede weergave van de werkelijkheid. Movisie en haar achterban, de stagebiedende organisaties, zouden graag zien dat OCW voor de scholen en daarmee voor de leerlingen bepaalt wat een geschikte maatschappelijke stage is. Ik vind eigen initiatief van de leerling en ruimte voor de school erg belangrijk. Vrijheid in de uitvoering van de maatschappelijke stage is daarbij onontbeerlijk.
Wat is uw reactie op de inschatting dat veel scholen het daartoe beoogde geld per leerling (60 euro) niet besteed aan het begeleiden van de stagiaires? Hoe wilt u scholen ertoe bewegen dat dit geld wel toekomst aan die instellingen of personen die de stage begeleiden?
Het geld dat scholen ontvangen is niet enkel bedoeld voor de begeleiding van leerlingen, maar voor alle personele en materiële kosten die gemoeid zijn met het organiseren en uitvoeren van de maatschappelijke stage, zowel binnen de school als bij de stagebieder. Ik stimuleer scholen en hun samenwerkingspartners in gesprek te gaan. Ik vind het echter niet wenselijk om een uurtarief voor het begeleiden van maatschappelijke stagiairs in te stellen. Een maatschappelijke stage is maatwerk. De intensiteit van de benodigde begeleiding verschilt per leerling, per stageplek en -activiteit. Scholen bepalen zelf, afhankelijk van de specifieke lokale situatie op welke wijze zij de gelden inzetten.
Hoe beoordeelt u de stelling dat stagebedrijven en instellingen steeds meer afhaken doordat er geen voldoende vergoeding voor begeleiding tegenover staat?
Ik ben het niet eens met de stelling. Met uitzondering van de zorgsector worden maatschappelijke stages zelden gelopen bij stagebedrijven. De meeste stages vinden juist plaats bij vrijwilligersorganisaties of in andere omgevingen met meer vrijwilligers. Deze partijen haken niet af wanneer zij geen financiële tegemoetkoming ontvangen. Wanneer begeleiding een aandachtspunt is, maken ze dat bespreekbaar met de school en vinden samen een oplossing, bijvoorbeeld door vrijwillige begeleiders aan te trekken. Het is de taak van zowel de stagebiedende organisatie als de school om in gesprek te gaan over een mogelijke vergoeding voor de geboden begeleiding.
Wat is uw reactie op de stelling dat de inhoud van veel maatschappelijke stages niet voldoende meerwaarde hebben? Kunt u ingaan op de voorbeelden die in de betreffende radio-uitzending worden genoemd? Dient een «verhaal schrijf cursus» niet gewoon onderdeel te zijn van de lessen Nederlands
Ik ben het niet eens met deze stelling. Uit verschillende onderzoeken onder ouders, leerlingen en docenten blijkt dat de stages als nuttig worden ervaren. Zo blijkt uit onderzoek van de NJR dat 71% van de jongeren de werkzaamheden van hun maatschappelijke stage zinvol vindt. Dit sluit aan bij de bevinding van de Laks-monitor. Hier geeft 61% aan de maatschappelijke stage nuttig te vinden.
Zoals u weet is in Nederland sprake van een grote autonomie van de scholen. Dit geldt ook voor de uitvoering van de maatschappelijke stage. Scholen bepalen zelf op welke wijze zij invulling geven aan de stage. Belangrijke randvoorwaarde is dat het gaat om vrijwilligerswerk: maatschappelijke stagiairs doen geen werk waar anderen voor betaald krijgen. Een schrijfcursus kan onderdeel zijn van de lessen Nederlands met als doel om beter te leren schrijven. Maar het kan ook onderdeel zijn van een maatschappelijke stage als de leerling de geleerde kennis op een creatieve manier overbrengt aan anderen, bijvoorbeeld door zelf geschreven verhalen voor te lezen op een basisschool of daar te helpen met de schrijfles van de basisschoolleerlingen.
Bent u bereid de landelijk verplichte maatschappelijke stage te heroverwegen op de punten van het verdrukken van normale onderwijstijd en betere benutting van overheidsgeld?
Nee, ik sta achter de landelijke verplichting. Ik ben overtuigd van de meerwaarde van de maatschappelijke stage. Leerlingen, hun ouders, docenten en ook stagebieders ervaren deze meerwaarde. De overheidsgelden worden dus goed benut. Op praktisch alle scholen is de maatschappelijke stage inmiddels ingevoerd. De maatschappelijke stage geeft concreet invulling aan de wettelijke opdracht aan het onderwijs om burgerschap en sociale integratie te bevorderen (artikel 17 van de WVO). De maatschappelijke stage is onderwijstijd, er is dus geen sprake van het verdrukken van normale onderwijstijd. Het voortgezet onderwijs bereidt jongeren in brede zin voor op een goede deelname aan de maatschappij en de maatschappelijke stage levert daar een belangrijke bijdrage aan.
Thuiszorg voor mensen met complexe problemen als verslavingen en psychiatrische aandoeningen |
|
Renske Leijten (SP) |
|
|
|
|
Wat is uw reactie op het bericht dat een thuiszorgaanbieder in Noord-Holland stopt met het aanbieden van thuiszorg aan mensen met verslavingen en psychische aandoeningen?1
Genoemd besluit van de betreffende thuiszorgaanbieder, ViVa! Zorggroep, staat niet op zichzelf. De organisatie heeft met forse financiële problemen te kampen.
Vanuit mijn systeemverantwoordelijkheid voor de continuïteit van de ondersteuning in het kader van de Wet maatschappelijke ondersteuning (Wmo) houd ik de vinger aan de pols.
Erkent u dat deze doelgroep recht heeft op zorg? Zo nee, waarom niet?
Uit hoofde van de Wmo is de gemeente verantwoordelijk voor de maatschappelijke ondersteuning van haar burgers. In de Wmo is een compensatieplicht voor gemeenten opgenomen. Deze compensatieplicht houdt in dat gemeenten burgers die een beperking ervaren in hun participatie een oplossing dienen te bieden die deze burgers in staat stellen een huishouden te voeren, zich te verplaatsen in en om de woning, zich lokaal te verplaatsen per vervoermiddel en om medemensen te ontmoeten en op basis daarvan sociale verbanden aan te gaan. Dit betreft ook mensen met een chronisch psychisch probleem en mensen met een psychosociaal probleem.
De gemeente is er dus verantwoordelijk voor dat ook de groep cliënten met complexere problematiek op een adequate wijze wordt ondersteund en dat de continuïteit van deze ondersteuning gewaarborgd is. De betrokken gemeenten hebben in dit kader aangegeven in gesprek te zijn met andere aanbieders, zodat deze – indien noodzakelijk – de benodigde ondersteuning kunnen leveren.
Dreigt er naar uw oordeel rechtsongelijkheid als de ene gemeente wel extra middelen voor deze doelgroep uittrekt en de andere gemeente niet? Zo ja, vindt u dit aanvaardbaar? Zo nee, waarom niet?
De Wmo is een gedecentraliseerde wet die gemeenten door het bieden van lokaal maatwerk de mogelijkheid geeft om beter in te spelen op de wensen van haar burgers. Dit betekent dat gemeenten – binnen de kaders die de Wmo stelt – verschillende keuzes kunnen maken. Dit betekent niet dat er sprake is van rechtsongelijkheid. Gemeenten moeten te allen tijde aan de compensatieplicht voldoen. Over het beleid dat gemeenten voeren, en de keuzes die zij daarbij maken, leggen zij verantwoording af aan het lokale bestuur.
Wordt de Wet maatschappelijke ondersteuning (Wmo) naar uw tevredenheid uitgevoerd, wanneer complexe zorgbehoevenden geen zorg meer ontvangen in de regio in Noord-Holland? Kunt u uw antwoord toelichten?
Zie antwoord vraag 2.
Hoeveel geoormerkt geld hebben de gemeenten in het werkgebied van de Noord-Hollandse thuiszorgaanbieder ontvangen in verband met de overheveling van activerende en ondersteunende begeleiding naar de Wmo?
De middelen voor de Wmo worden aan gemeenten uitgekeerd via de algemene uitkering van het gemeentefonds. De middelen voor hulp bij het huishouden worden uitgekeerd via een integratie-uitkering. Deze middelen zijn niet geoormerkt, maar voor gemeenten vrij besteedbaar. Verantwoording over de besteding van de middelen vindt plaats in de Gemeenteraad.
De toereikendheid van de middelen in de algemene uitkering van het gemeentefonds wordt jaarlijks gemonitord in het Periodiek Onderhoudsrapport. Deze monitor was aanleiding voor een verdiepend onderzoek naar de omvang en verdeling van het Gemeentefonds waarvan de eerste resultaten in het voorjaar worden verwacht. De omvang van de integratie-uitkering voor hulp bij het huishouden wordt jaarlijks gemonitord door het Sociaal Cultureel Planbureau. De jaarlijkse onderzoeken tot nu toe tonen aan dat het budget voor hulp bij het huishouden voldoende is.
In 2010 is in totaal € 127 miljoen structureel aan gemeenten beschikbaar gesteld vanwege het schrappen van de activerende en ondersteunende begeleiding voor mensen met een lichte beperking. Hiervan is 102 miljoen toegevoegd aan de algemene uitkering van het gemeentefonds en 25 miljoen aan de integratie-uitkering voor hulp bij het huishouden. Deze extra middelen zijn volgens de gebruikelijke verdeelsystematiek over gemeenten verdeeld.
Naar aanleiding van de motie Wolbert en Sap (32 123 XVI, nr. 84) is in december 2009 naar alle gemeenten een brief gestuurd. Daarin werden de wethouders Wmo opgeroepen burgers die te maken hebben met de AWBZ-pakketmaatregel te ondersteunen en daar waar het de gemeentelijke verantwoordelijkheid betreft de middelen die daarvoor aan gemeenten zijn toegekend in te zetten. De uitkomst van het lokale debat is echter bepalend voor de wijze waarop een gemeente deze burgers daadwerkelijk ondersteunt. Gemeenten zijn dus vrij in de wijze waarop de beschikbaar gestelde middelen worden ingezet, mits aan het compensatiebeginsel wordt voldaan.
Zijn de geoormerkte gelden door deze gemeenten daadwerkelijk besteed aan activerende en ondersteunende begeleiding vanuit de Wmo? Zo ja, vindt u deze middelen toereikend om goede zorg te kunnen bieden aan kwetsbare mensen? Zo nee, wilt u deze gemeenten opdragen om de geoormerkte gelden uitsluitend te besteden aan activerende en ondersteunende begeleiding?
Zie antwoord vraag 5.
Hoe kunt u controleren of gemeenten geoormerkte Wmo-gelden daadwerkelijk gebruiken waarvoor ze bedoeld zijn? Wilt u uw antwoord toelichten?
Zie antwoord vraag 5.
Bent u bereid om gemeenten die geoormerkte Wmo-gelden niet juist besteden te corrigeren? Zo ja, op welke wijze gaat u dit doen? Zo nee, waarom niet?
Zie antwoord vraag 5.
Bent u bereid met de Vereniging Nederlandse Gemeenten (VNG) in overleg te treden over de omgang met complexe zorgbehoevenden, ten einde te voorkomen dat hen zorg onthouden wordt? Zo ja, kunt u de Kamer informeren over de uitkomsten van dit overleg? Zo neen, waarom niet?
Zoals gezegd, betreft het hier een specifieke kwestie. Ik heb geen signalen dat de thuiszorg voor groepen met complexe problematiek onder druk staat. Desondanks zal ik hierover in overleg treden met de VNG, om te bekijken of nader onderzoek nodig is. Ik zal uw Kamer informeren over de uitkomsten van dit overleg.
In hoeveel gemeenten in Nederland staat de thuiszorg voor groepen met complexe problematiek onder druk? Indien u niet over de gegevens beschikt, bent u bereid hier onderzoek naar te doen? Zo nee, waarom niet?
Zie antwoord vraag 9.
Het bericht dat een vrouw weken dood in huis heeft gelegen door tekortschietende zorg |
|
Renske Leijten (SP) |
|
|
|
|
Wat is uw reactie op het bericht dat een vrouw acht weken dood in huis heeft gelegen nadat een verpleeghuis haar zonder adequate nazorg heeft ontslagen?1
Ik betreur dat dit is gebeurd.
Wordt deze ernstige zaak onderzocht door de Inspectie voor de Gezondheidszorg (IGZ)? Zo nee, wilt u de IGZ verzoeken dit onderzoek alsnog te starten? Zo nee, waarom niet?
Het overlijden is gemeld aan de IGZ als calamiteit en de inspectie heeft de zaak conform de Leidraad Meldingen in behandeling genomen.
Welke zorgverleners en andere organisaties waren in deze zaak precies betrokken en welke verantwoordelijkheden hadden deze instanties?
In deze zaak zijn een verpleeghuis, een RIBW, een psychiatrische instelling en een huisarts betrokken. De gezamenlijke verantwoordelijkheid van deze instellingen was om na het ontslag te zorgen voor adequate begeleiding van patiënte en terugval te voorkomen.
Hoe oordeelt u over de verwarring bij de verschillende zorginstanties over de al dan niet geregelde nazorg van deze mevrouw? Kunt u uw antwoord toelichten?
De gang van zaken tussen het ontslag en het overlijden wordt in opdracht van de IGZ onderzocht. Bij dit onderzoek worden alle onder vraag 3 genoemde instanties betrokken. Een belangrijke vraag daarbij is of er tekortkomingen zijn geweest met betrekking tot de nazorg, zo ja, welke en wat de betrokken partijen mogelijk op dit punt structureel kunnen verbeteren. De inspectie verwacht de uitkomst van het onderzoek in februari.
Welke rol heeft het zorgkantoor, de zorgverzekeraar en de huisarts gespeeld bij de zorg voor deze mevrouw? Waren zij op de hoogte van het ontslag en gemaakte afspraken? Zo nee, bent u van mening dat dit wel het geval dient te zijn?
Mogelijk zal de uitkomst van het onderzoek tot het antwoord op deze vraag kunnen leiden. De huisarts geldt in de gezondheidszorg als een belangrijke centrale zorgfunctionaris die over een ontslag uit een verpleeghuis geïnformeerd zal moeten zijn.
Erkent u dat de zorg ernstig versnipperd is geraakt? Zo ja, wat is uw oordeel hierover en wat gaat u doen om de versnippering aan te pakken? Zo nee, waarom niet?
Tussen diverse partijen moet goed worden samengewerkt en moeten ook duidelijk de verantwoordelijkheden worden vastgelegd. Juist bij goede samenwerking tussen zorgaanbieders en ketenzorg zijn cliënten zeer gebaat.
Hoe verklaart u dat zoveel zorginstellingen in één regio zo langs elkaar heen werken dat dit heeft kunnen gebeuren? Kunt u uw antwoord toelichten?
Alvorens mijn oordeel te vormen, wacht ik de uitkomsten van het onderzoek af.
Hoeveel mensen sterven er jaarlijks als gevolg van verwaarlozing en hoeveel mensen lopen door verwaarlozing gezondheidsschade op? In hoeveel van deze gevallen gaat het om «zorgmijders»? Indien u niet over deze gegevens beschikt, bent u bereid hier onderzoek naar te doen? Zo nee, waarom niet?
Over de combinatie van «gezondheidsschade en/of overlijden als gevolg van verwaarlozing» en «zorgmijders» zijn mij geen betrouwbare gegevens bekend.
Voor zorgaanbieders en hulpverleners is het erg lastig zo niet ondoenlijk om echte zorgmijders op het spoor te komen en hen de benodigde hulp en/of ondersteuning te verlenen. In het onderhavige geval was er echter sprake van een zorgrelatie. Ik wil niet vooruitlopen op het hierboven genoemde lopende onderzoek. Maar ik hecht groot belang aan samenwerking en goede ketenzorg. Als dit goed geregeld is, wordt het risico dat cliënten verstoken blijven van juiste zorg aanzienlijk verkleind. En daarmee ook de kans op gezondheidsschade.
Daarnaast zijn zorgaanbieders verplicht om incidenten, waarbij (ernstige) gezondheidsschade optreedt of sprake is van overlijden, te melden bij de inspectie. Aan de incidenten die bij de inspectie worden gemeld, kan niet automatisch het label «verwaarlozing» geplakt worden. De inspectie onderzoekt of er bij deze incidenten sprake is van een tekortkoming in de zorgverlening. Indien daar sprake van is, moet de zorgaanbieder passende maatregelen nemen ter voorkoming van herhaling.