Het bericht dat Nederland onverminderd de mensenrechten van illegale vreemdelingen blijft schenden |
|
Gerard Schouw (D66) |
|
|
|
|
Wat is uw reactie op het rapport «Vreemdelingendetentie: In strijd met mensenrechten»?1
Amnesty International concludeert dat ondanks enkele kleine verbeteringen de Nederlandse praktijk van vreemdelingenbewaring niet wezenlijk is verbeterd sinds haar vorige rapport uit 2008. Ik ben echter van mening dat de afgelopen jaren zowel op het terrein van het beleid inzake vreemdelingenbewaring als de tenuitvoerlegging daarvan, het nodige is veranderd en verbeterd. Ik wijs in dit verband onder andere op de heroriëntatie waarover u bij brief van 29 juni 20103 bent geïnformeerd. Deze behelsde onder meer uitbreiding van het aantal bezoekuren, uitbreiding van het activiteitenprogramma en inrichting van een juridisch loket.
Wat de opmerkingen van Amnesty International inzake alternatieven voor bewaring betreft verwijs ik hier naar de beleidsbrief over het terugkeerbeleid, die uw Kamer naar verwachting medio 2011 wordt toegezonden. Hierin wordt onder andere ingegaan op de motie Gesthuizen cs over het onderzoeken van alternatieven voor bewaring4.
Hoe verhoudt dit rapport zich tot het door de Inspectie voor de Sanctietoepassing (IST) gepubliceerde rapport «De tenuitvoerlegging van de vreemdelingenbewaring. Drie detentiecentra doorgelicht» dat concludeert dat er onvoldoende werk is gemaakt van de eerder door uw voorganger gedane toezeggingen om de omstandigheden van vreemdelingen in detentie te verbeteren?2 Hoe verhoudt het rapport van Amnesty International zich tot uw reactie op het rapport van de ISt?
Uw Kamer is bij brief van 27 oktober jl. geïnformeerd over mijn reactie op het rapport van de Inspectie voor de Sanctietoepassing (ISt).7 De ISt concludeert in tegenstelling tot Amnesty International, dat ten opzichte van enkele jaren geleden de omstandigheden in de vreemdelingenbewaring in verschillende opzichten wel degelijk zijn verbeterd. Ook uit de onderliggende rapporten van de drie afzonderlijke detentiecentra valt naar mijn mening een positieve ontwikkeling te destilleren.
De toezegging van de toenmalige staatssecretaris van Justitie zag op het uitvoeren van een heroriëntatie. Uw kamer is per brief d.d. 29 juni 20103 door de toenmalige minister van Justitie geïnformeerd over de uitkomsten van deze heroriëntatie op de wijze waarop vreemdelingenbewaring ten uitvoer wordt gelegd, alsook over de stappen die naar aanleiding hiervan worden genomen.
Hoe verhoudt dit rapport zich tot de door uw voorgangers gedane toezeggingen om de omstandigheden van vreemdelingen in detentie te verbeteren?3
Zie antwoord vraag 2.
Wat is uw reactie op het commentaar van het Nederlands Juristen Comité voor de Mensenrechten (NCJM) van 4 november 2010?4 Deelt u de mening dat vrijheidsontneming een ultimum remedium is?5 Zo nee, waarom niet? Zo ja, waarom wordt er dan nog steeds weinig gebruik gemaakt van bijvoorbeeld een meldplicht of een borgsom?
Vreemdelingenbewaring dient ter fine van uitzetting. Het Nederlandse beleid gaat uit van de eigen verantwoordelijkheid van de vreemdeling om Nederland te verlaten wanneer niet (langer) sprake is van rechtmatig verblijf. Gedwongen vertrek – en daarmee vreemdelingenbewaring – komt pas aan de orde als de vreemdeling deze verantwoordelijkheid niet (tijdig) neemt en lichtere middelen niet (langer) aan de orde zijn. In dit kader kan vreemdelingenbewaring worden toegepast indien deze maatregel noodzakelijk is om te voorkomen dat de vreemdeling zich aan toezicht onttrekt. Gelet hierop meen ik dat vreemdelingenbewaring voldoet aan het uitgangspunt dat het als ultimum remedium wordt gebruikt.
Uiteraard deel ik de mening dat de duur van de vreemdelingenbewaring zo kort mogelijk dient te zijn. In de beleidsbrief over het terugkeerbeleid, die uw Kamer naar verwachting medio 2011 wordt toegezonden, wordt onder andere ingegaan op de motie Gesthuizen cs over het onderzoeken van alternatieven voor bewaring4.
Over de duur van vreemdelingenbewaring in de ons omringende landen kan ik opmerken dat deze met de totstandkoming van de Europese terugkeerrichtlijn is geharmoniseerd, in die zin dat de maximale duur van vreemdelingenbewaring gemaximeerd is tot zes maanden, eventueel te verlengen met maximaal 12 maanden. Hiermee wordt een maximale termijn voor vreemdelingenbewaring in de verschillende stelsels geïntroduceerd en zullen de verschillen tussen de lidstaten op dit punt dan ook afnemen. Ook over de toepassing van vreemdelingenbewaring en de detentieomstandigheden zijn harmoniserende maatregelen genomen.
Deelt u de mening dat, indien er gekozen wordt voor vrijheidsontneming, de duur van de detentie zo kort mogelijk dient te zijn? Zo nee, waarom niet? Zo ja, kunt u dan verklaren waarom in de ons omringende landen vreemdelingen veel minder lang vastzitten dan in Nederland?6
Zie antwoord vraag 4.
Bent u bekend met het bericht «Amnesty: Aanpak illegalen deugt niet?7 Is het waar dat een gedetineerde met nierstenen slechts één paracetamol per dag kreeg als behandeling? Was dit een incident of is dit de standaardprocedure? Deelt u de mening dat dit onacceptabel is en dat ook illegale vreemdelingen recht hebben op acute medische zorg? Zo nee, waarom niet? Zo ja, wat gaat u doen om volwaardige medische zorg aan illegale vreemdelingen beschikbaar te stellen?
Ja, ik ben bekend met dit bericht. Ik herken de hier geschetse situatie niet. De Dienst Justitiële Instellingen (DJI) draagt in haar inrichtingen zorg voor een doeltreffende, doelmatige en op de patiënt gerichte gezondheidszorg, waarvan de kwaliteit gelijkwaardig is aan de gezondheidszorg in de vrije maatschappij, rekening houdende met de bijzondere situatie van de vrijheidsbeneming.
Is het waar dat een zwangere vrouw tijdens haar zwangerschap alleen geboeid naar het ziekenhuis mocht, ondanks eerdere zwangerschapscomplicaties?8 Zo ja, meent u dat dit een correcte gang van zaken is? Zo nee, welke maatregelen gaat u nemen om deze praktijk te veranderen?
Het is juist dat een zwangere vrouw geboeid naar het ziekenhuis is gebracht. De regel is dat ingeslotenen geboeid worden vervoerd, tenzij er sprake is van bijzondere omstandigheden waardoor hiervan wordt afgeweken. Dit betekent overigens niet dat iedere zwangere vrouw ongeboeid wordt vervoerd. Per ingeslotene wordt beoordeeld of sprake is van bijzondere omstandigheden.
Wat is uw reactie op de constatering dat de klachten van vreemdelingen niet of gebrekkig worden onderzocht? Welke maatregelen gaat u nemen om een adequate klachtenregeling te realiseren?
Deze constatering herken ik niet. Er is een adequate klachtenregeling.
Ik verwijs hier naar de reactie van de toenmalige staatssecretaris van Justitie op het themarapport van de ISt «werkwijze commissies van toezicht»13.
Is het waar dat kwetsbare mensen, zoals minderjaren, slachtoffers van marteling of mensenhandel, zwangere vrouwen, (psychisch) zieken en zwangere vrouwen in de vreemdelingenbewaring worden geplaatst? Meent u dat dit een adequate opvang is voor deze mensen? Zo nee, welke maatregelen gaat u nemen om deze mensen de zorg te geven die ze nodig hebben?
Vreemdelingenbewaring dient niet als adequate opvang, maar als een bestuursrechtelijke maatregel om vreemdelingen beschikbaar te houden met het oog op hun uitzetting.
Voorzover er sprake is van detentieongeschiktheid wordt de maatregel van bewaring niet toegepast. Of iemand al dan niet detentiegeschikt is, hangt af van zijn of haar individuele omstandigheden en wordt getoetst door de medische dienst van de Dienst Justitiële Inrichtingen (DJI).
In de beleidsbrief over het terugkeerbeleid, die uw Kamer naar verwachting medio 2011 wordt toegezonden, wordt ingegaan op de motie Gesthuizen cs over het onderzoeken van alternatieven voor bewaring14.
In het huidige stelsel ontvangen kwetsbare personen in vreemdelingenbewaring steeds de zorg die zij behoeven. Dit is in overeenstemming met de Europese terugkeerrichtlijn. Ik ben dan ook van mening dat (andere) specifieke maatregelen niet nodig zijn.
Bent u bekend met de uitspraak van het Europees Comité inzake de voorkoming van folteringen en onmenselijke of vernederende behandelingen of bestraffingen van de Raad van Europa, waarin gesteld wordt dat vreemdelingen niet in een gevangenisachtige omgeving gedetineerd mogen worden?9 Hoe verhoudt deze uitspraak zich tot de huidige situatie?
Ik ben bekend met de rapportage uit 2009 van het Comité16. De rapportage van de CTP waarop wordt gedoeld ziet op de situatie in alle landen van Europa. Hoewel Nederland uiteraard ook tot die landen behoort, is het niet zo dat de opmerkingen specifiek tot Nederland zijn gericht. Het CTP spreekt de mening uit dat indien detentie van vreemdelingen noodzakelijk is om hun uitzetting zeker te stellen, dit niet onder dezelfde omstandigheden plaats moet vinden als de detentie van personen die vanwege een strafbaar feit zijn gedetineerd. Op zichzelf deel ik die onderliggende gedachte.
In Nederland vindt detentie van vreemdelingen plaats in speciaal voor dat doel ingerichte detentiecentra. Ik acht in dit verband de bepalingen van de terugkeerrichtlijn van belang. De Europese regelgever geeft als hoofdregel dat voor bewaring gebruik wordt gemaakt van speciale inrichtingen voor bewaring. Het onderbrengen in gevangenissen wordt echter door de Europese regelgever niet uitgesloten. Wel wordt benadrukt dat indien een lidstaat de onderdanen van een derde land die in bewaring worden gehouden, niet kan onderbrengen in een gespecialiseerde inrichting voor bewaring en dus gebruik dient te maken van een gevangenis, zij gescheiden dienen te worden gehouden van de gewone gevangenen. Deze Europese regels, die wel een bindend karakter hebben, leef ik na. Ik ben van mening dat in de Nederlandse situatie sprake is van gespecialiseerde inrichtingen in de zin van de terugkeerrichtlijn, maar overigens zal in ieder geval sprake zijn van gescheiden onderbrenging van strafrechtelijke gedetineerden. Het rapport geeft mij dan ook geen aanleiding om de huidige situatie te wijzigen.
Kunt u verklaren waarom uit zowel dit rapport, als het eerdere rapport van de ISt blijkt dat vreemdelingen in cellen verblijven en een soberder regime kennen dan strafrechtelijk gedetineerden? Hoe beoordeelt u de wenselijkheid hiervan?
Op onderdelen zijn er verschillen in regime. Het regime voor vreemdelingen in bewaring is niet per definitie ongunstiger dan dat voor strafrechtelijk gedetineerden. Daarnaast is van belang dat vreemdelingenbewaring ter fine van uitzetting dient en niet – zoals voor strafrechtelijk gedetineerden geldt – terugkeer in de maatschappij.
Anders dan in penitentiaire inrichtingen wordt in de centra voor vreemdelingenbewaring geen structurele arbeid of onderwijs aangeboden, behoudens incidentele educatieve activiteiten zoals alfabetisering en werkzaamheden van huishoudelijke aard. Ik ben van mening dat vreemdelingenbewaring zich niet goed leent voor onderwijs of (structurele) arbeid. In penitentiaire inrichtingen is arbeid of onderwijs gericht op het aanleren of onderhouden van arbeidsvaardigheden met het oog op resocialisatie, in het bijzonder waar het gaat om langere vrijheidsstraffen. Het doel van de vreemdelingenbewaring is daarentegen het beschikbaar houden voor de uitzettingsprocedure, het vaststellen van de identiteit en het voorkomen dat de vreemdeling zich onttrekt aan de uitzetting. Op resocialisatie gerichte elementen als het aanbieden van arbeid, onderwijs of regulier verlof verhouden zich niet met de aard van de maatregel. Bovendien is de gemiddelde duur er evenmin naar om dergelijke – in de regel langduriger – trajecten aan te bieden.
Wat is uw reactie op de conclusie van Amnesty International dat de Nederlandse situatie in strijd is met internationale mensenrechten standaarden?10 Deelt u de mening van de door Amnesty International geciteerde emeritus hoogleraar Straf- en vreemdelingenrecht Anton van Kalmthout dat de huidige situatie een schending van artikel 3 uit het mensenrechtenverdrag is, dat een verbod inhoudt op inhumane en vernederende behandelingen?1 Nee, waarom niet? Zo ja, wat gaat u doen om deze mensenrechtenschendingen tot het verleden te laten behoren?
Ik verwijs u graag naar het antwoord op vraag 1. Ik ben van mening dat vreemdelingenbewaring conform internationaal geldende mensenrechten is, zoals artikelen 3 en 5 van het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (EVRM). Er zijn geen uitspraken waarin Nederland vanwege de detentieomstandigheden van vreemdelingen is veroordeeld, noch uit hoofde van 3 EVRM, noch uit hoofde van artikel 5 EVRM. Ik ben er ook van overtuigd dat de Nederlandse detentieomstandigheden een dergelijke toets kunnen doorstaan. Daarbij komt dat op het niveau van de Europese Unie eind 2008 in de terugkeerrichtlijn bindende afspraken zijn gemaakt tussen de Raad en het Europese Parlement over terugkeer, waaronder de toepassing van vreemdelingenbewaring bij niet rechtmatig verblijvende vreemdelingen. Er is derhalve een brede overeenstemming binnen Europa, zowel aan de kant van de Lidstaten als het Europees Parlement, over de toepassing van vreemdelingenbewaring. Het wetsvoorstel ter implementatie van de richtlijn ligt ter behandeling bij uw Kamer. Wat één van de uitgangspunten van de richtlijn is, en sinds jaar en dag reeds in Nederland het uitgangspunt vormt van zowel beleid als praktijk, is dat vreemdelingenbewaring een uiterste middel is. Het standpunt dat vreemdelingenbewaring altijd en/of automatisch wordt toegepast, komt niet overeen met de Nederlandse praktijk, waarin altijd naar de individuele omstandigheden van het geval wordt gekeken.
Bent u bereid om de aanbevelingen van Amnesty International over te nemen?11 Zo nee, waarom niet? Zo ja, op welke termijn worden deze doorgevoerd? Welke concrete verbeteringen op de terreinen van detentieduur, regime, en zorg bent u van plan door te voeren om de tekortschietende situatie in de vreemdelingendetentie aan te pakken?
Zie antwoord vraag 1.
Berichten dat de zorg voor autisten ver onder de maat is |
|
Willie Dille (PVV) |
|
Edith Schippers (minister volksgezondheid, welzijn en sport) (VVD) |
|
|
|
|
Bent u bekend met de zorgen die de Nederlandse Vereniging voor Autisme heeft over de slechte zorg voor autisten?1
Ja, ik ben op de hoogte van de zorgen die de Nederlandse Vereniging voor Autisme heeft over de slechte zorg voor autisten.
Is het waar dat de problemen van autistische patiënten verergeren door gebrekkige kennis van hulpverleners?
Hoe kan het zijn dat, ondanks alle aandacht voor isoleren- en separeren, het nog steeds gangbaar blijkt te zijn dat cliënten te vaak en onnodig in een isoleercel worden opgesloten?
In het artikel staat dat in de afgelopen vijf jaar ruim 150 autisten langer dan een jaar in separatie zijn gezet. Dit aantal is onjuist.
In april 2009 kwam een getal van 150 zeer langdurige separaties in een TV uitzending van NOVA. Het ging toen om het aantal afzonderingen en separaties in de jaren 2004 t/m 2008 in de gehele GGZ. Mijn voorganger heeft hierover een brief gestuurd aan de Tweede Kamer (25 424, nr. 78).
Waar het gaat om het terugdringen van dwangtoepassingen is in het veld de afgelopen jaren duidelijk een cultuurverandering ingezet. Het toepassen van dwangmaatregelen en met name separaties is geen toepassing (meer) die standaard in het arsenaal van de GGZ thuis hoort. De aandacht om dwangmaatregelen en met name separaties te voorkomen, is toegenomen. Het aantal separaties laat, mede als gevolg van het dwang- en drangproject van GGZ Nederland, een daling zien. Dit blijkt ook uit het Rapport «Separeren in de GGZ: beleid, praktijk en toezicht» van de Stichting IVA beleidsonderzoek en Advies, van juli 2010. VWS zal in samenwerking met veldpartijen verder inzetten op het toewerken naar een kwalitatief verantwoorde dwang en drang in de GGZ.
Is het waar dat autisten veelal belanden op afdelingen voor chronisch zieken, terwijl dat niet nodig is?
Wat gaat u doen om een einde te maken aan deze schrijnende situatie voor autisten?
Ik heb het Leo Kannerhuis bereid gevonden om in samenwerking met meerdere instellingen in Nederland meer voorzieningen op te zetten voor kinderen met autisme waardoor kennis over aanpak en behandeling en zorg en of behandeling regionaal beschikbaar komt. Er treedt hierdoor verbreding van kennis op bij de deelnemende instellingen die zich bewust zijn van het feit dat middels een dergelijke samenwerking de cliënt een bij autisme passend antwoord kan krijgen op de zorgvraag.
Kunt u garanderen dat de kennis over autisme bij hulpverleners binnen zes maanden op het gewenste niveau is? Zo nee, waarom niet?
Nee ik kan niet garanderen dat kennis over autisme bij hulpverleners binnen zes maanden op het gewenste niveau is omdat de inhoud van zorgverlening aan het veld is en omdat het om specialistische zorg gaat. Het gaat hierbij over feitelijke kennis over autisme en behandelmethodieken. Naast leren is vooral de praktijkervaring essentieel. Dit vraagt tijd.
Bij de beantwoording van vraag 5 heb ik al aangegeven hoe kennisontwikkeling wordt aangepakt. Het Leo Kannerhuis zal over een langere periode de ontwikkeling van kennis op dit terrein blijven volgen.
Leerlingen die worden gedwongen te stoppen met hun opleiding vanwege een tekort aan leer-werkplekken |
|
Tjeerd van Dekken (PvdA), Metin Çelik (PvdA) |
|
Marja van Bijsterveldt (minister onderwijs, cultuur en wetenschap) (CDA) |
|
|
|
|
Heeft u kennisgenomen van het bericht «Opleiding honderden scholieren in gevaar in het Noorden»?1
Ja.
Is het waar dat in het Noorden van het land en in Overijssel ruim 350 mbo-scholieren mogelijk gedwongen met hun opleiding moeten stoppen, omdat zij grote moeite hebben met het vinden van een werk-leerplek bij een bedrijf?
Nee.
Op 5 november jl. bleken in totaal ca. 350 mbo-studenten in het noorden van het land (ca. 100 in Groningen, ca. 100 in Friesland en ca. 50 in Drenthe) en Overijssel (ca. 100) in oktober 2010 nog zoekende te zijn naar een bpv-plaats.
Vervolgens zijn de regionale partijen (kenniscentra beroepsonderwijs bedrijfsleven, mbo-instellingen en gemeenten) samen aan de slag gegaan om voor elk van deze jongeren alsnog een passende bpv-plaats te vinden.
Al snel bleken deze activiteiten positieve resultaten op te leveren.
Zo bleken in de regio Groningen medio november jl. nog maar vijftig van voornoemde mbo-studenten niet te beschikken over een bpv-plaats2. Op 30 november jl. berichtte de regionale projectleider mijn ministerie dat voor nagenoeg alle 100 mbo-studenten een oplossing naar tevredenheid is gevonden, veelal in de vorm van een passende bpv-plaats en in een enkel geval is er gekozen voor een andere opleiding.
Uit de informatie van Colo volgt dat de inzet die de andere betrokken arbeidsmarktregio’s hebben geleverd ter bestrijding van de problematiek, een vergelijkbaar resultaat heeft opgeleverd.
Door de sterk verbeterde regionale samenwerking en een intensievere inzet van voornoemde partijen zijn knelpunten rondom het aanbod aan bpv-plaatsen sneller dan voorheen in beeld en worden deze knelpunten vervolgens sneller opgelost.
Deelt u de mening dat het onwenselijk is dat deze leerlingen overstappen naar een werk-leertraject waarbij ze vier dagen in de week naar school gaan en één dag in de week werken, omdat veel van deze leerlingen daarbij helemaal niet gebaat zijn ?
Indien het niet mogelijk blijkt een toereikend aanbod aan bpv-plaatsen voor een bepaalde opleiding te realiseren, zal voor sommige studenten de overstap naar de bol-opleiding als enige mogelijkheid resteren om toch de opleiding af te ronden. De desbetreffende student kiest er dan bewust voor om de opleiding van voorkeur te vervolgen in de bol-variant, om zo in de toekomst toch het beroep van voorkeur te kunnen gaan uitoefenen.
Dat laat onverlet dat er alles aan moet worden gedaan om te voorkomen dat jongeren die beter gedijen in een bbl-opleiding, noodgedwongen kiezen voor deze overstap. Uit de berichten die mij bereiken vanuit Colo, de MBO Raad en de regionale projectleiders jeugdwerkloosheid heb ik er alle vertrouwen in dat alle betrokken sectorale, regionale partijen zich daartoe maximaal inspannen.
Is het waar dat deze groep leerlingen bij gebrek aan een leerbaan nu hooguit twee dagen in de week naar school gaan en de rest van de week thuis zitten?
Voor bbl-studenten die langere tijd niet beschikken over een bpv-plaats spannen de desbetreffende mbo-instellingen zich in om doordeweeks toch voldoende structuur te bieden aan deze jongeren. Zo spreiden mbo-instellingen de onderwijsuren voor deze opleidingen over meerdere ochtenden in de week, opdat jongeren niet dagenlang achter elkaar doelloos thuiszitten. Ingeval het leerplichtige bbl-studenten betreft, zetten mbo-instellingen extra in op een verhoging van het aantal onderwijsuren op de instelling zelf.
Kunt u aangeven in welke sectoren in het noorden van het land de problemen om een leerbaan te vinden het grootst zijn?
Volgens de kenniscentra is het wat betreft de noordelijke provincies vooral in de sectoren bouw, techniek en transport & logistiek lastiger voor mbo-studenten om in crisistijd aan een leerbaan te komen.
Wat gaat u doen om deze problemen op te lossen, zodat deze mbo-scholieren verder kunnen met hun opleiding en kunnen gaan werken aan hun toekomst?
Ingeval voor een bepaalde opleiding niet voldoende bpv-plaatsen beschikbaar zijn, spannen mbo-instellingen zich samen met kenniscentra en gemeenten intensief in om alsnog alle studenten aan een bpv-plaats te helpen.
In eerste instantie wordt samen met de student gezocht naar een op de huidige opleiding toegesneden bpv-plaats, onder andere door de werving van extra bpv-plaatsen. Voor die studenten voor wie dat geen soelaas biedt, wordt een bpv-plaats van een aanverwante opleiding aangeboden waarmee de huidige opleiding kan worden afgerond. In zich daarvoor lenende gevallen wordt een bpv-plaats formatief opgevuld door twee studenten in plaats van één.
Uit mijn antwoord op vraag 2 blijkt mijns inziens dat de huidige aanpak van tekorten aan bpv-plaatsen – het Stage- en Leerbanenoffensief van de kenniscentra en de regionale aanpak – effectief is. Dit komt mede doordat de branches crisismaatregelen hebben genomen, met inzet van middelen uit de O&O-fondsen, waarmee veel stageplaatsen en leerbanen voor mbo-studenten in crisistijd zijn behouden.
Zijn er in andere delen van het land soortgelijke problemen en kunt u aangeven in welke gebieden en in welke sectoren?
Uit de Colo Barometer volgt juist dat het aanbod en de vraag naar bpv-plaatsen steeds beter in verhouding tot elkaar komen te staan. Naar verwachting van de kenniscentra is juist het zwaartepunt van de crisis voor de bpv-markt voorbij.
Volgens de Colo Barometer van oktober jl. bezetten mbo-studenten op dit moment 343 983 bpv-plaatsen, tegenover slechts 309 225 bpv-plaatsen vorig jaar. Het aantal erkende leerbedrijven is op dit moment gestegen naar 214 300 leerbedrijven (een stijging van ca. 10% sinds aanvang van de economische crisis). Tevens laat voornoemde Colo Barometer zien dat het aantal opleidingen waarin zich knelpunten m.b.t. het aanbod aan bpv-plaatsen voordoen, wederom is gedaald ten opzichte van de voorgaande Colo Barometer.
Ingeval er desondanks nog substantiële knelpunten optreden rondom het aanbod aan bpv-plaatsen, worden deze effectief bestreden.
Toezicht van de Autoriteit Financiële Markten (AFM) op reclame uitingen |
|
Ewout Irrgang (SP), Farshad Bashir |
|
Jan Kees de Jager (minister financiën) (CDA) |
|
|
|
|
Bent u bekend met de advertenties van De Gouden Eeuw1 en Vlootmanschap Flinter Atlantis2, waarin zij hun beleggingsproducten aan de man brengen? Zijn deze ook bij de AFM (Autoriteit Financiële Markten) bekend?3
Ja.
Wat doet de AFM wanneer zij een advertentie tegenkomt waarin een minimaal vast rendement van 10,5% wordt beloofd? Doet de AFM niets met zo’n advertentie wanneer er bij staat dat deelname alleen mogelijk is vanaf € 50 000,–?
De AFM houdt toezicht op informatieverstrekking over financiële producten. Zij doet dat onder andere door continu reclame-uitingen te monitoren. Daarbij komen signalen over mogelijke onjuistheden naar voren. De AFM stelt vervolgens vast welke signalen prioriteit hebben en nader onderzoek verdienen. Wanneer daaruit blijkt dat de betreffende uiting aangepast moet worden gaat de AFM over tot handhavende maatregelen. Dit kan zijn een informele maatregel in de vorm van een normoverdragend gesprek of brief, dan wel een formele maatregel zoals een aanwijzing of een last onder dwangsom. Wanneer de AFM signalen heeft van advertenties met hoge, niet marktconforme, rendementen wordt onderzocht of hier sprake is van een realistisch rendement en op welke wijze dit rendement onderbouwd wordt. Het blijkt vaak te gaan om aanbiedingen die niet onder de Wet op het financieel toezicht (Wft) vallen, omdat de minimale inleg boven de 50 000 euro is.
De AFM kan bij reclame-uitingen voor beleggingen met participaties boven de 50 000 euro tot op heden alleen optreden met behulp van de Wet handhaving consumentenbescherming (Whc). De AFM is voor de Whc toezichthouder met betrekking tot oneerlijke handelspraktijken voor zover het de financiële sector betreft. Daarvan kan bijvoorbeeld sprake zijn als er essentiële informatie wordt weggelaten. Indien er sprake blijkt te zijn van een overtreding van de Whc, biedt dit de AFM mogelijkheden om nadere eisen te stellen aan informatie die gegeven moet worden over bijvoorbeeld welke activiteiten het bedrijf waarin belegd wordt gaat ontplooien, en op welke wijze het rendement tot stand komt. Uiteraard kan hier niet ingegaan worden op individuele toezichtcasussen.
Bij beleggingen die wel onder het Wft-toezicht vallen kan bijvoorbeeld een risico-indicator verplicht zijn. Ook kunnen er nadere eisen gesteld worden aan advertenties met betrekking tot de informatie over de opbouw van het rendement. Een voorbeeld hiervan is dat een aanbieder van beleggingen spreekt over een vast rendement terwijl dit rendement afhankelijk is van de toekomstige bedrijfsresultaten. De Wft bevat o.a. de eis dat alle relevante kenmerken van een product worden vermeld. Deze kenmerken dienen correct, duidelijk en niet misleidend te worden weergegeven. Dit is niet opgenomen in de Whc.
Bent u bereid om de vrijstelling voor de vergunning voor het aanbieden van beleggingsobjecten, te schrappen dan wel het drempelbedrag van deze vrijstelling fors te verhogen? Zo nee, waarom niet?
Het drempelbedrag voor het vergunningsvrij aanbieden van beleggingsobjecten is 50 000 euro. Deze grens vindt zijn oorsprong in de Prospectusrichtlijn, boven deze grens is het aanbieden van effecten niet onderworpen aan de prospectusplicht. Nationaal is, ten behoeve van een gelijk speelveld, er voor gekozen om deze grens door te trekken naar deelnemingsrechten in beleggingsinstellingen en beleggingsobjecten. In het verleden werd verondersteld dat een belegger boven deze grens kon worden geacht professioneel te zijn. In de praktijk is bij verschillende malafide beleggingsproducten gebleken dat ook consumenten actief zijn in dit vrijgestelde gebied, en dat de grens dus te kort schoot.
Om deze reden heb ik in Brussel tijdens de herziening van de Prospectusrichtlijn gepleit voor een minimale verdubbeling van de 50 000 euro grens. Deze verdubbeling heeft Nederland weten te realiseren. Mijn verwachting is dat de gewijzigde Prospectusrichtlijn, met de nieuwe 100 000 euro grens, nog voor het einde van dit jaar zal worden gepubliceerd. Anticiperend op deze verhoging is er bij achtste Nota van Wijziging bij de Wijzigingswet Financiële Markten 2010 voor gekozen om deze verdubbeling nu al op te nemen, tevens voor beleggingsobjecten en beleggingsinstellingen. Mijn uitgangspunt hierbij is dat de verdubbeling voor 1 januari 2012 in werking kan zijn getreden.
Hiernaast is onlangs de vrijstellingsvermelding (ook wel bekend als het wildwestbordje) behandeld door uw Kamer, als onderdeel van de Wijzigingswet Financiële Markten 2010. Dit voorstel regelt twee zaken. Ten eerste is het een uitbreiding van de al bestaande vermelding naar alle van de prospectusplicht vrijgestelde aanbiedingen van effecten. Ten tweede geeft het wetsvoorstel de mogelijkheid aan de AFM om regels op te stellen over de exacte vorm en inhoud van de vermelding. De vrijstellingsvermelding zal bestaan uit een geschreven tekst en een visueel element. In de geschreven tekst staat een algemeen waarschuwend element en een weergave van de elementen waaruit de vrijstelling bestaat. Het achterliggende doel van de vrijstellingsvermelding is consumentenbescherming.
Wat vindt de AFM van de volgende uitspraken in een advertentie voor een beleggingsproduct: «Deze regeling zorgt ervoor dat u bij een inleg van € 15 000 binnen twee jaar € 18 267 gegarandeerd terug ontvangt van de Nederlandse fiscus» en «fiscale teruggave bedraagt met 121,8 procent aanmerkelijk meer dan uw investering.»? Vindt zij dergelijke uitspraken gepast?
Allereerst is het belangrijk vast te stellen dat er sprake is van een grote verscheidenheid aan reclame-uitingen. De AFM heeft mij aangegeven dat in zijn algemeenheid dergelijke mededelingen ook de overige essentiële kenmerken dienen te bevatten, zoals de risico’s en de bedragen die op een later tijdstip door de belegger met de belastingdienst moeten worden afgerekend.
De uitspraak die in de vraag wordt genoemd verwijst naar de fiscale behandeling van een investering in de bouw van een schip waarop de regeling tijdelijke willekeurige afschrijving (TWA) van toepassing is. Voor de volledigheid verwijs ik voor de inhoud van de TWA naar de beantwoording van de Kamervragen van Kamerlid Bashir (SP) van 4 december 2009.4 Zie ook meer recent de brief van de staatsecretaris van Financiën van 12 november jl. over dit onderwerp.5
Deelt u de mening dat de in deze advertentie genoemde constructie veel risico met zich meebrengt vanwege het gebruik van een hefboom, die in combinatie met de willekeurige afschrijving ervoor zorgt dat er in de eerste jaren een grote fiscale aftrekpost ontstaat? Moet dit risico niet expliciet worden benoemd in de advertentie?
Een belegging in schepen brengt specifieke risico’s met zich mee. Naast de gebruikelijke risico’s van beleggen dienen beleggers zich ook goed te laten informeren over risico’s die zij bijvoorbeeld lopen tijdens de bouw van het schip maar ook over de fiscale gevolgen van een investering in een scheepvaart C.V. De hefboom ontstaat doordat de belegger ook belastingaftrek geniet over het gedeelte van de het schip dat niet met zijn eigen inleg is gefinancierd. In het prospectus van een dergelijk product wordt de werking van de TWA beschreven en hieruit is af te leiden dat er sprake is van financiering van de bouw van het schip door middel van een banklening in combinatie met inleg door beleggers. De belegger geniet belastingaftrek over beide delen. De risico’s die hier aan verbonden zijn, zoals het feit dat de ingebouwde hefboom kan leiden tot een verhoogd risico op het niet terugontvangen van de ingelegde gelden, dienen opgenomen te worden in de informatieverstrekking over dit product, waaronder advertenties.
Vormen reclame-uitingen als deze voor u een aanleiding om de reclameregels aan te scherpen, dan wel het toezicht daarop te intensiveren?
Zoals aangegeven is het monitoren van reclame-uitingen een belangrijk onderdeel van het toezicht door de AFM. Tegen reclame-uitingen wordt door de AFM ook opgetreden wanneer daar aanleiding voor is. Gezien de geheimhoudingsplicht van de toezichthouder beschik ik niet over informatie in deze specifieke casus om hier een uitspraak over te doen. In het jaarverslag van de AFM wordt een toelichting gegeven op de wijze waarop de AFM het reclametoezicht invult.
De beschuldiging van de Turkse premier Recep Tayyip Erdogan dat Europa verantwoordelijk is voor de bomaanslag die 31 oktober 2010 plaatsvond in Istanbul |
|
Louis Bontes (PVV) |
|
|
|
|
Kent u het nieuwsbericht «Erdogan: Europa verantwoordelijk voor aanslag Istanbul»?1
Ja.
Hoe beoordeelt u de beschuldiging van premier Erdoğan, dat Europa terroristische organisaties zou steunen en bijgevolg verantwoordelijk is voor de bomaanslag in Istanbul?
De Turkse premier vindt dat Europa onvoldoende onderneemt tegen organisaties die terrorisme steunen. In het verleden is gebleken dat de Turkse regering daarbij met name doelt op de, ook in Europa, verboden PKK. De Turkse zorgen op dit punt zijn niet nieuw. Turkije is de afgelopen jaren regelmatig het slachtoffer geweest van terroristische aanslagen, waarbij vele doden en gewonden zijn gevallen. De Nederlandse regering veroordeelt dit terroristische geweld ten zeerste. Hetzelfde geldt voor de recente bomaanslag op politiemensen in Istanbul.
De EU en Turkije werken nauw samen bij terrorismebestrijding, waaronder het tegengaan van terrorismefinanciering. Dat geldt ook voor Nederland. De regering voelt zich daarom niet aangesproken door genoemde uitspraak van de Turkse premier.
De regering beschikt niet over aanwijzingen dat de Turkse regering terrorisme zou steunen. Eerder is met uw Kamer gedeeld dat het IHH (Insani Yardim Vakfi) één van de grotere ngos is in Turkije, die volledig onafhankelijk opereert en in die zin geen formele banden heeft met de Turkse staat. Dit laat onverlet dat de Turkse regering sympathiseerde met de humanitaire doelstellingen van het zogenaamde «Gaza-flottielje». Wat Hamas betreft, is bekend dat de Turkse regering vindt dat het Midden-Oosten Vredesproces gebaat is bij een dialoog met Hamas. Dit is een opvatting die de EU en Nederland nadrukkelijk niet delen met Turkije.
Deelt u de constatering dat de beschuldiging van premier Erdoğan een prachtig voorbeeld is van de pot die de ketel verwijt dat die zwart ziet, gezien de Turkse steun voor organisaties als
Zie antwoord vraag 2.
Wat gaat u eraan doen om deze beschuldiging te weerleggen, die is gedaan door het islamistische Turkse regime, dat niet alleen zelf steun verleent aan terroristische organisaties, maar dat bovendien een deel van een lidstaat van de Europese Unie bezet houdt (Cyprus); antiterrorismewetgeving misbruikt om de oppositie te onderdrukken5; en openlijk aanpapt met en financiële steun ontvangt van het islamoterroristische regime in Teheran?
Nederland zal nauw met de Turkse regering blijven overleggen om internationaal terrorisme tegen te gaan. De regering doet dit zowel bilateraal als via de EU. Hiertoe is nadrukkelijk van belang dat de samenwerking in overeenstemming plaatsvindt met het Nederlandse strafrecht en internationale verdragen.
Deelt u de mening dat Turkije nooit en te nimmer lid mag worden van de Europese Unie?
Nederland heeft in 2004 ingestemd met het lidmaatschapsperspectief voor Turkije, mits aan alle gestelde voorwaarden wordt voldaan. Turkije moet nu de afgesproken hervormingsagenda onverkort uitvoeren. Ook moet Turkije onverwijld het Ankara Protocol implementeren. Zolang dit niet gebeurt, kunnen de acht onderhandelingshoofdstukken, die de Raad in december 2006 heeft bevroren, niet worden ontdooid.
Beëindiging samenwerking Israël met United Nations Educational, Scientific and Cultural Organization (UNESCO) |
|
Geert Wilders (PVV) |
|
|
|
|
Kent u het bericht «Israel: UNESCO West Bank Decision «Absurd»»?1
Ja.
Kunt u bevestigen dat Israël heeft aangekondigd dat het elke samenwerking met UNESCO opschort wegens haar beslissing Joodse heiligdommen te herklasseren als een islamitische moskee totdat UNESCO haar besluit terugdraait?
De woordvoerder van de Onderminister van Buitenlandse Zaken heeft gesteld dat Israël de relaties met UNESCO zou verbreken, maar deze verklaring is kort daarna herroepen. Wel weigert Israël mee te werken aan de uitvoering van de vijf besluiten van de 185e Uitvoerende Raad (UR) van UNESCO die van 5 – 22 oktober 2010 gehouden is. Deze vijf besluiten hebben betrekking op behoud van cultureel erfgoed en op de toegang van Palestijnen tot cultureel erfgoed en onderwijs.
Deelt u de mening dat UNESCO door haar besluit de Palestijnse Autoriteit in feite steunt in het streven om Israël te delegitimiseren?
Nee. Van een PLO-streven naar ontkenning van de staat Israël is overigens naar oordeel van Nederland hier geen sprake. De PLO is reeds in 1993 als enige erkende vertegenwoordiger van het Palestijnse volk overgegaan tot erkenning van de staat Israël.
Kunt u zich vinden in het standpunt van premier Netanyahu dat deze poging om het volk van Israël los te maken van zijn cultureel-historische erfenis, absurd is?
Nee. Maar de Uitvoerende Raad van UNESCO is onverstandig om zich op deze wijze en daarenboven niet zoals gebruikelijk bij consensus uit te spreken over deze politiek zeer gevoelige vraagstukken.
Bent u bereid, indien dit bericht correct is, UNESCO op te roepen dit besluit per ommegaande ongedaan te maken?
Nederland zal wel waar mogelijk aandringen op een stellingname van de Uitvoerende Raad ten gunste van de voorheen bestaande consensus-methode.
Het bericht ‘Juristen: “Overheid loopt aanzienlijke risico’s voor aansprakelijkheid klimaatverandering’ |
|
Richard de Mos (PVV) |
|
Joop Atsma (staatssecretaris infrastructuur en waterstaat) (CDA) |
|
|
|
|
Bent u bekend met het bericht: «Juristen: «Overheid loopt aanzienlijke risico’s voor aansprakelijkheid klimaatverandering»1 en het boek «Klimaat en recht. Is het recht klaar voor klimaatverandering»?
Ja.
Deelt u de mening dat dit boek niets anders doet dan de mensheid angst aan jagen, doordat de auteurs stellen dat als de Nederlandse overheid niks doet op het gebied van klimaatwetgeving, dit op termijn kan leiden tot aansprakelijkheid? Zo nee, waarom niet?
Nee. Het boek geeft een overzicht van opvattingen van juristen van een advocatenkantoor. Weliswaar betreft het hier het kantoor van de Landsadvocaat, maar de advocaten van dit kantoor hebben de vrijheid te publiceren. Het Rijk is hier op geen enkele manier bij betrokken geweest, en de conclusies komen dan ook voor rekening van het advocatenkantoor. Ik ben het eens met de constatering dat het klimaatprobleem een reëel probleem is, ook in Nederland. Het is daarom niet verwonderlijk dat verkend wordt wat de juridische grenzen zijn van aansprakelijkheid als gevolg van klimaatverandering.
Wat vindt u van de mening van één van de auteurs dat de overheid meer juridische kaders moet scheppen voor bedrijven en burgers aangaande klimaatbeleid?
De overheid anticipeert continu op problemen die zich feitelijk bij de toepassing van het recht voordoen. Op dit moment voldoet de regelgeving op dit punt en deze is ook in overeenstemming met Europese en andere verdragsverplichtingen.
Wilt u afstand nemen van de conclusies van het boek? Zo nee, waarom niet?
De opvattingen in het boek zijn, zoals gezegd, opvattingen van een aantal juristen die deskundig zijn op het terrein van het klimaatrecht.
Is aan de totstandkoming van het boek; «Klimaat en recht. Is het recht klaar voor klimaatverandering?» belastinggeld besteed? Zo ja, om welk bedrag of welke bedragen ging het daarbij?
Nee.
het terugplaatsen van orka Morgan |
|
Esther Ouwehand (PvdD) |
|
|
|
|
Kent u het plan dat de mogelijkheden in kaart brengt om orka Morgan de vrijheid te hergeven?1
Ja.
Kunt u bevestigen dat terugplaatsing in het wild van orka Morgan nog steeds uw doelstelling is? Zo neen, waarom niet? Zo ja, op welke wijze wilt u vrijlating bevorderen?
Kunt u de garantie geven dat u geen toestemming zult geven om orka Morgan over te plaatsen naar SeaWorld of een ander soortgelijk dolfinarium?
Kunt u een inhoudelijke reactie geven op het plan van de organisatie «Free Morgan», waarin wordt aangegeven hoe orka Morgan in het wild kan worden teruggeplaatst?
Deelt u de mening dat zo snel mogelijk duidelijkheid moet komen over de rehabilitatie en resocialisatie van orka Morgan? Zo nee, waarom niet? Zo ja, op welke termijn en wijze denkt u die duidelijkheid te kunnen verschaffen?
De arrestatie van vier ex-moslims in Azerbeidzjan |
|
Wim Kortenoeven (PVV) |
|
|
|
|
Heeft u kennisgenomen van de arrestatie van vier ex-moslims (christenen) in Azerbeidzjan tijdens een dankdagdienst?1
Ja.
Kunt u aanduiden wat de aanleiding is voor deze arrestaties? Weet u waarvan zij worden beschuldigd en wat hen eventueel boven het hoofd hangt?
Mij is niet bekend op welke gronden de vier personen zijn gearresteerd en wat hun ten laste is gelegd. Navraag heeft alleen opgeleverd dat de vier arrestanten tijdens een nachtelijke gesloten rechtszitting diezelfde zondag tot vijf dagen gevangenis zijn veroordeeld. De vier mannen zijn inmiddels weer op vrije voeten gesteld.
Op welke wijze heeft u in de afgelopen periode, eventueel middels internationale gremia, de zorgelijke positie van christenen in Azerbeidzjan aan de orde gesteld bij de betreffende autoriteiten? Welke resultaten heeft dit opgeleverd? Betoont Azerbeidzjan zich enigszins gevoelig voor internationale kritiek hieromtrent?
In hoeverre heeft de positie van godsdienstige minderheden in Azerbeidzjan thans de aandacht van de Europese Unie? Kan deze aandacht verder geïntensiveerd worden? Wilt u dit in Europees verband bevorderen?
Bent u bereid – zo mogelijk ook in internationaal verband – om de nu aangeduide casus te benutten als handvat om opnieuw de godsdienstvrijheid van religieuze minderheden aan de orde te stellen bij de autoriteiten van Azerbeidzjan? Zo ja, op welke wijze en op welke termijn?
Bent u bereid om u ten zeerste in te spannen om de nu opgepakte ex-moslims weer op vrije voeten te krijgen?
Zie antwoord vraag 2.
Het bericht dat het Uitvoeringsinstituut Werknemers Verzekeringen UWV parttimers zoekt die ontslagen postbodes vervangen |
|
Sharon Gesthuizen (SP) |
|
Henk Kamp (minister sociale zaken en werkgelegenheid) (VVD) |
|
|
|
|
Wat is uw reactie op het bericht dat het UWV parttimers zoekt die ontslagen postbodes vervangen?1
De visie dat het UWV meewerkt aan het massaontslagplan van TNT zoals in de vraagstelling beschreven, deel ik niet. UWV voert haar taken uit conform de wet. Het bemiddelen van werkzoekenden op de arbeidsmarkt en het verstrekken van WW-uitkeringen zijn twee belangrijke taken van het UWV. Het kan gebeuren dat UWV, onder specifieke omstandigheden, beide taken uitvoert voor één organisatie. Als TNT ontslagaanvragen indient, zullen die op de gebruikelijke wijze worden getoetst.
Deelt u de visie dat het UWV hier meewerkt aan het massaontslagplan van TNT, waarbij voltijderpostbodes worden vervangen door goedkopere parttimers en flexwerkers?
Zie antwoord vraag 1.
Wat is uw reactie op de redenering «Fulltime bezorgers kloppen na hun ontslag voor een uitkering aan bij het UWV, de instantie die nu ook voor TNT Post goedkopere parttimers werft»?
Zie antwoord vraag 1.
Deelt u de mening dat, zolang er niet genoeg banen zijn voor alle mensen die willen werken, deze inspanningen van het UWV er per saldo niet toe leiden dat er meer mensen aan het werk komen, maar wel dat er druk op de arbeidsvoorwaarden ontstaat bij TNT, waar volwaardige banen met een fatsoenlijk loon worden vervangen door flexibele banen tegen veel lagere lonen?
Het is primair de verantwoordelijkheid van TNT om in samenwerking met de OR en de vakbonden de moeilijke beslissingen te nemen waar zij voor staan, met het oog op een financieel gezonde bedrijfsvoering op de lange termijn. Daarin zit ook het gedeelde belang van deze partijen. Het is ook hun taak en om daarbij al het mogelijke te doen om werknemers aan ander werk te helpen.
De inzetbaarheid van F16s |
|
André Bosman (VVD) |
|
|
|
|
Klopt het bericht1 dat tweederde van de Nederlandse F-16’s niet inzetbaar is omdat deze onderhoud behoeven? Klopt het voorts dat onderdelen uit de stilstaande F-16’s gebruikt worden om reparaties uit te voeren bij de actieve toestellen?
Deelt u de zorgen van de voorzitter van de Algemeen Christelijke Organisatie van Militairen en haar missie (ACOM), over de zorgwekkende toestand waarin de Nederlandse vloot F-16’s verkeert? Zo ja, wat zijn de plannen om deze situatie te verbeteren?
Is het nu nog mogelijk om een stabilisatiemissie in de lucht te ondersteunen? Zo ja, van welke grootte?
Deelt u voorts de zorgen over de situatie bij Defensie met betrekking tot de beschikbaarheid van opleidings- en trainingsfaciliteiten, munitie en reserveonderdelen, zoals ook weergegeven in uw antwoord op de vragen van de vaste commissie voor Defensie over het Materieelprojectenoverzicht 2010 van 3 november 2010?
Zoals ik heb uiteengezet in de brief van 18 november jl. (Kamerstuk 32 500 X, nr. 16) zijn de tekorten aan reservedelen en munitie toegenomen. Hierdoor kunnen reparaties vaak niet volledig worden uitgevoerd of duren de reparaties langer. Het gevolg is een lagere inzetbaarheid van het materieel. Dit heeft, net als de tekorten aan munitie, een weerslag op de geoefendheid van de eenheden en daarmee op de inzetgereedheid. Een hernieuwd evenwicht tussen de omvang en de samenstelling van de krijgsmacht en de beschikbare middelen is noodzakelijk om een krijgsmacht in stand te houden die er werkelijk toe doet. In het voorjaar zal ik in een beleidsbrief de maatregelen presenteren die daarvoor nodig zijn.
Bent u van mening dat de gereedstelling van militaire eenheden de hoogste prioriteit moet zijn bij de krijgsmacht en dat de voldoende beschikbaarheid van opleidings- en trainingsfaciliteiten, munitie en reserveonderdelen hierbij essentieel is? Zo ja, kunt u toezeggen dat de aanstaande bezuinigingen hierop geen negatieve invloed zullen hebben?
Zie antwoord vraag 4.
De Nederlandse relatie met Israël |
|
Mariko Peters (GL) |
|
|
|
|
Kunt u uitleggen wat wordt bedoeld met de zin «Nederland wil verder investeren in de band met de staat Israël» in het regeerakkoord van VVD en CDA «Vrijheid en verantwoordelijkheid»? Wat is het beleidsmotief achter deze doelstelling en hoe kan dat met de intensivering worden bereikt?
Het regeerakkoord stelt dat Nederland verder wil investeren in de band met de staat Israël. Bij de verdere investering wordt voortgebouwd op hetgeen tot nu toe is bereikt, ook door mijn voorgangers.
Het is nodig om verder in de banden met Israël te investeren omdat het bestaansrecht van Israël, de enige democratie in de regio, door sommige landen en groeperingen nog steeds in twijfel wordt getrokken. Nederland wil weerstand bieden tegen pogingen tot delegitimatie van Israël. Israëls bestaansrecht moet onomstreden zijn en Israël dient zich daarin gesteund te weten door de internationale gemeenschap.
Daarnaast biedt intensivering van de relaties meer mogelijkheden om een constructieve dialoog met Israël te hebben, bijvoorbeeld daar waar het gaat over het Midden-Oosten Vredesproces (MOVP). Versterkte samenwerking maakt moeilijke boodschappen makkelijker aanvaardbaar.
Vindt u dat de Nederlandse band met de staat Israël door uw voorgangers was verwaarloosd? Zo nee, wat denkt u te kunnen bereiken wat met het beleid van uw voorstanders niet is gelukt?
Zie antwoord vraag 1.
Hoe staan andere Europese landen tegenover intensivering van de banden met Israël? In hoeverre komt uw wens tot intensivering van de banden met Israel overeen met de mening die andere Europese landen en de EU zijn toegedaan? Kunt u uw antwoord toelichten?
Ik kan niet treden in de bilaterale relaties van andere Europese landen met Israël.
Ten aanzien van de relaties tussen de EU en Israël geldt dat de EU en Israël hierover in de EU-Israël Associatieraad van juni 2008 nadere afspraken hebben gemaakt. Het gaat hier om het intensiveren van de politieke relaties, deelname van Israël aan communautaire programma’s en agentschappen en verdere integratie in de interne markt. Deze afspraken staan nog steeds, zij het dat de Europese Commissie en Israël na de Israëlische actie in Gaza (Cast Lead) besloten hebben de uitwerking ervan tot nader orde aan te houden. De verantwoordelijke Commissaris Füle heeft tijdens zijn recente bezoek aan Israël (3 november 2010) overleg gevoerd over de manier waarop de EU en Israël de draad weer kunnen oppakken.
Nederland streeft ernaar dat deze uitwerking spoedig aan de orde komt in een nieuwe Associatieraad tussen Israël en de EU.
Kunt u voor de volgende terreinen aangeven op welke wijze daar thans in de bilaterale relaties van Nederland met Israël invulling aan wordt gegeven en op welke manier u daarin eventueel wilt intensiveren:
De bilaterale betrekkingen tussen Nederland en Israël bestrijken een breed palet aan onderwerpen. Een deel van deze betrekkingen vindt plaats op het intergouvernementele vlak, een deel op het maatschappelijke vlak. De contacten tussen de Nederlandse en Israëlische samenlevingen kennen veel facetten die zich lenen voor verdere verdieping. De regering zal de komende tijd inventariseren en concrete voorstellen uitwerken voor de invulling daarvan. Naast politieke samenwerking zal de intensivering zich met name, maar niet uitsluitend, richten op handel en economie, water, wetenschap en innovatie. Daarover zal ook overleg plaatsvinden met Israël.
Ten aanzien van de aspecten a. (mensenrechten), f. (cultuur), g. (politieke contacten) en h. (diplomatieke contacten), geldt dat deze regelmatig aan de orde komen in officiële contacten tussen Israël en Nederland op ministerieel en hoogambtelijk niveau. Deze dialoog is openhartig en constructief. Vanuit de begroting van het ministerie van Buitenlandse Zaken staan voor bepaalde thema’s bescheiden programmabudgetten open. Uit het Mensenrechtenfonds is voor 2010 € 140 000 voor Israël toegekend. Dit bedrag komt onder andere ten goede aan activiteiten in de Arabisch-Israëlisch gemeenschap, onder Bedoeïenen en voor slachtoffers van vrouwenhandel. Uit het «Kleine Programma Fonds- non ODA» is in 2010 € 40 000 voor projecten op het gebied van dialoog en cultuur besteed, met name aan ondersteuning van interculturele dialoog en samenwerking. Ook het «Programma Ondersteuning Buitenlands Beleid» (POBB) staat open voor projecten in Israël.
Wat betreft de aspecten b. (handel) en e. (onderwijs en wetenschap) en f. (cultuur) is op te merken dat Nederlandse en Israëlische organisaties, instellingen en personen intensief met elkaar samenwerken. Beide samenlevingen kenmerken zich door hun toegankelijkheid. Intensivering van de relatie Nederland-Israël op economisch gebied levert een win-win situatie op. De seminars die de Nederlandse Ambassade in Israël organiseert over investeren en innovatie in Nederland hebben een goede deelname van het Israëlisch bedrijfsleven en genereren de nodige follow-up. De ambassade stimuleert match-making tussen Nederlandse en Israëlische bedrijven op (innovatieve) gebieden die voor beide partijen interessant zijn, o.m. milieutechnologie, landbouwtechnieken, life sciences en telecom/ICT. Er liggen ook kansen op het gebied van samenwerking in watertechnologie en (duurzame) energie.
Op militair terrein (aspect c.) werken Nederland en Israël in operationele zin in voorkomend geval alleen samen in de NAVO-operatie Active Endeavour. De beide ministeries van Defensie onderhouden verder bilaterale contacten over diverse onderwerpen van gezamenlijk belang. Wat betreft wapenexport (aspect d.) verwijs ik naar het antwoord op vraag 6.
Uit het bovenstaande blijkt dat de Nederlandse en Israëlische samenlevingen veel raakvlakken kennen die zich lenen voor verdere investering in elkaar. De regering zal de komende tijd concrete voorstellen uitwerken voor de invulling daarvan. Ik wil nog niet vooruitlopen op de inhoud daarvan.
Is de kritische bejegening door Nederland van mensenrechtenschendingen door Israël nog staand beleid, zoals de discriminatie van niet-joden in Israël, detentie van mensenrechtenactivisten en kinderen, beperkingen van de bewegingsvrijheid van Palestijnen en nederzettingenbouw op de Westelijke Jordaanoever? Zo nee, waarom niet?
Het regeerakkoord stelt dat Nederland opkomt voor de bescherming van mensenrechten wereldwijd. Waar nodig zal Nederland in bilateraal en in EU-verband bij Israël blijven aandringen op respect voor mensenrechten en het humanitair oorlogsrecht. De oprichting van een subcomité Mensenrechten onder het EU-Associatieakkoord met Israël (zoals voorzien in de afspraken tussen de EU en Israël tijdens de Associatieraad van juni 2008 en conform de praktijk gevolgd met andere regionale partners) zal de mensenrechtendialoog met Israël verder vormgeven.
Is het aangescherpte wapenexportbeleid ten aanzien van Israël1 nog staand beleid, in die zin dat vergunningaanvragen voor wapenexport in beginsel worden afgewezen op grond van de criteria van de Europese gedragscode wapenexport (mensenrechten, interne spanningen en spanningen in de regio), vooral indien het leveranties aan de landmacht of luchtmacht betreft? Zo nee, in welke opzichten niet?
Israël heeft het recht zich te verdedigen tegen aanvallen van buitenaf. Het beleid ten aanzien van leveranties aan Israël is restrictief. Iedere aanvraag wordt per geval getoetst aan het EU Gemeenschappelijk Standpunt inzake wapenexport. Hierbij wordt met name gekeken naar de gevolgen van de mogelijke export voor de regionale, interne en mensenrechtensituatie.
De eindgebruiker speelt een rol bij de toetsing. Voor lucht- en landmacht zijn tot nu toe alleen retour-na-reparatie vergunningen verleend, aangezien dit materieel al eigendom is van Israël. Het is echter nog altijd mogelijk dat vergunningen worden afgegeven voor de uitvoer van materieel waarmee Israël zich kan verdedigen.
De komende verkiezingen in Birma |
|
|
|
|
Kent u de berichten over de verkiezingen in Birma van 7 november a.s?1
Ja
Deelt u de mening dat deze verkiezingen onmogelijk vrij en eerlijk kunnen zijn, zoals de autoriteiten claimen?
Zo ja, bent u bereid om zich in EU-verband sterk te maken voor een verklaring waarin de uitslag van de verkiezingen niet wordt erkend? Bent u daarbij bereid om, bilateraal en in EU-verband, andere landen in de regio, zoals China, de Asean-landen en India, aan te sporen om de uitslag van deze verkiezingen niet te erkennen?
Deelt u de mening dat deze verkiezingen niet het begin mogen zijn van verminderde aandacht en afname van internationale druk op het Birmese regime van de EU en andere betrokken partijen als de Verenigde Staten, Asean, China en India?
Ja, die mening deel ik. Binnen de EU zal overleg plaatsvinden over de recente ontwikkelingen in Birma en hoe daar mee om te gaan. De verkiezingsuitslagen zijn nog niet officieel bekend gemaakt, alhoewel het ernaar uitziet dat de staatspartij USDP met grote meerderheid gewonnen heeft. Enkele oppositiepartijen lijken de uitslagen aan te willen vechten. Aung San Suu Kyi is 13 november jl. vrijgelaten, het is echter nog niet duidelijk of zij een rol kan gaan spelen in de Birmese politiek en zo ja welke. Binnen de EU zal ik pleiten voor het handhaven van de EU-sancties en nadere studie doen naar de wenselijkheid en modaliteiten van toekomstige contacten met het Birmese regime. De EU zal ook moeten blijven wijzen op de noodzaak van vrijlating van alle 2 200 politieke gevangenen.
Zo ja, bent u bereid om er bij deze internationale actoren op aan te dringen zich achter een hernieuwd initiatief van VN-secretaris generaal Ban Ki Moon te scharen, dat werkelijke verbeteringen in Birma voor ogen heeft?
Zoals ook vastgelegd in de Raadsconslusies van de Raad Buitenlandse Zaken van 26 april jl., geeft Nederland met de overige landen van de EU onverminderd steun aan de missie van goede diensten van de Secretaris-Generaal van de Verenigde Naties. Hetzelfde geldt de internationale «group of friends of Burma». Nederland en de EU dringen er bij de Birmese autoriteiten, alsook andere landen in de betrokken regio, op aan de goede diensten van de SGVN zo goed mogelijk te benutten en te ondersteunen.
Bent u bereid om u, na de verkiezingen van 7 november, binnen de Europese Unie sterk te maken voor een VN Commission of Inquiry ten behoeve van onderzoek naar oorlogsmisdaden in Birma, en te pleiten om daarover een tekst op te nemen in de Common Position on Burma?
Ja, zoals aangeven in mijn brief aan de kamer van 4 oktober 2010, ben ik voorstander van het instellen van een VN-onderzoekscommissie naar oorlogsmisdaden en misdaden tegen de menselijkheid in Birma. Ik zal in nauw overleg met gelijkgezinde partners bezien wat het juiste moment en meest effectieve strategie is om zo breed mogelijke steun voor een internationale onderzoekscommissie te genereren. De EU Common Position on Burma zal pas eind april 2011 voor verlenging in aanmerking komen. Tegen die tijd zal ik bezien of een tekst over de VN Commission of Inquiry in het licht van de ontwikkelingen op dat moment zinvol is.
Fouten in processen-verbaal |
|
Ard van der Steur (VVD) |
|
|
|
|
Kent u het artikel «Proces-verbaal is vaak een rommeltje»?1
Ja.
Herkent u het probleem dat zaken stuk lopen wegens een onjuist opgemaakt ambtsedig proces-verbaal? Zo nee, waarop baseert u dit? Zo ja, hoe groot is dit probleem of hoe vaak komt dit voor? Welke maatregelen bent u voornemens te nemen om dit te voorkomen?
De politie herkent dat er in sommige gevallen sprake is van processen-verbaal waarin onderzoeksresultaten onjuist zijn weergegeven. De politie is hier zeer alert op en acht een juist opgemaakt proces-verbaal een belangrijke voorwaarde voor een geloofwaardige en betrouwbare politie. Om ten aanzien van verhoren achteraf te kunnen controleren of de weergave in processen-verbaal overeenstemt met de werkelijkheid, worden van verhoren steeds vaker video- of audio-opnamen gemaakt. Beleid op dit vlak is opgenomen in de Aanwijzing auditief en audiovisueel registreren van verhoren van aangevers, getuigen en verdachten die op 1 september 2010 in werking is getreden.
Het precieze aantal gevallen waarin sprake is van dergelijke onjuist opgemaakte processen-verbaal, en het aantal zaken dat daar eventueel door stuk loopt, is niet bekend.
Wanneer er sprake is van een onjuist opgemaakt proces-verbaal worden in de korpsen passende maatregelen genomen en wordt extra aandacht gevraagd voor een goede kwaliteit van het proces-verbaal. Indien nodig wordt contact gelegd met het politieonderwijs.
Bent u van mening dat bovengenoemd probleem mede veroorzaakt kan worden door de ICT-problemen bij de politie? Zo nee, waarom niet? Zo ja, welke maatregelen bent u voornemens te nemen?
De Inspectie Openbare Orde en Veiligheid heeft uit onderzoek naar de ICT-systemen van politie geen informatie verkregen waaruit blijkt dat ICT-problemen gevolgen hebben voor de juistheid van processen-verbaal. Een onjuist opgemaakt proces-verbaal heeft te maken met het handelen van politieambtenaren. Het geschetste probleem is niet terug te voeren naar fouten in of aan het bedrijfsprocessensysteem zelf.
Bent u verder van mening dat bovengenoemd probleem mede veroorzaakt kan worden door het huidige bedrijfsprocessensysteem? Zo nee, waarom niet? Zo ja, welke maatregelen bent u voornemens te nemen?
Zie antwoord vraag 3.
Het niet naleven van de vrijstelling van de sollicitatieplicht voor alleenstaande ouders met kinderen tot vijf jaar door gemeenten |
|
Cynthia Ortega-Martijn (CU) |
|
Paul de Krom (staatssecretaris sociale zaken en werkgelegenheid) (VVD) |
|
|
|
|
Heeft u kennisgenomen van de berichten «Ouder in de bijstand moet werken»1 en «Kinderen? Je moet toch solliciteren»?2
Ja.
Bent u bekend met het feit dat veel gemeenten het verzoek tot vrijstelling van de sollicitatieplicht van alleenstaande ouders met kinderen tot vijf jaar in tegenstelling tot het met de Wet verbetering arbeidsmarktpositie alleenstaande ouders geïntroduceerde recht op ontheffing van de sollicitatieplicht afwijzen? Zo ja, wat is de achterliggende reden dat zij zich niet aan dit recht houden? Waarom kiezen gemeenten er niet voor om invulling te geven aan de scholingsplicht voor deze ouderen?
In de Wet werk en bijstand (WWB) geldt, ook voor alleenstaande ouders, als uitgangspunt dat financiële zelfstandigheid door werk de voorkeur heeft boven uitkeringsafhankelijkheid. Werk leidt tot economische zelfstandigheid en tot participatie in de maatschappij. Alleenstaande ouders in de bijstand moeten, net als andere bijstandsgerechtigden aan het werk.
In 2009 is de Wet verbetering arbeidsmarktpositie alleenstaande ouders van kracht geworden. Alleenstaande ouders met kinderen jonger dan vijf jaar hebben het recht gekregen om een ontheffing van de sollicitatieplicht aan te vragen voor de duur van maximaal zes jaar. Hieraan is een scholingsplicht gekoppeld om gedurende de ontheffingsperiode de positie op de arbeidsmarkt te verbeteren. De invulling van de scholingsplicht is aan het college.
Omdat uitdrukkelijk niet is beoogd een categoriale ontheffing voor de doelgroep te regelen, moeten alleenstaande ouders zelf een aanvraag doen, staat het gemeenten uiteraard vrij een traject naar werk te stimuleren en zelf te bepalen hoe de voorlichting over de ontheffingsmogelijkheid er uit ziet.
Overigens wil ik u erop wijzen dat het Kabinet voornemens is om deze specifieke ontheffingsmogelijkheid voor alleenstaande ouders met kinderen tot vijf jaar af te schaffen. Uw Kamer zal hierover op korte termijn een voorstel ontvangen.
Deelt u de mening dat het handelen van de gemeenten om geen uitvoering te geven aan de bepalingen van de Wet verbetering arbeidsmarktpositie alleenstaande ouders ongewenst is? Hoe verhoudt de praktijk dat gemeenten weigeren om vrijstelling van de sollicitatieplicht aan alleenstaande ouders met kinderen tot vijf jaar te geven zich tot uw uitspraak dat de ouders niets door het strot geduwd zal worden?3 Bent u bereid om deze gemeenten een bestuurlijke aanwijzing te geven? Indien nee, waarom niet?
Zie antwoord vraag 2.
Kunt u per gemeente cijfermaterieel verstrekken over het aantal alleenstaande ouders met kinderen tot vijf jaar dat recht heeft op vrijstelling van de sollicitatieplicht en het specifieke aantal alleenstaande ouders dat op basis van de regeling daadwerkelijk vrijstelling heeft verkregen? Op welke wijze wordt in de praktijk gegarandeerd dat ouders worden betrokken bij de invulling van de scholingsplicht? Bent u bekend met het aantal bezwaren dat is ingediend op beschikkingen waarbij genoemde ouders tegen hun wil in een re-integratietraject zijn geplaatst en om hoeveel bezwaren gaat het dan? Indien u deze informatie niet heeft, bent u dan bereid om het functioneren van de Wet verbetering arbeidsmarktpositie alleenstaande ouders op korte termijn te evalueren? Zo ja, wanneer kan de Kamer dit tegemoet zien?
Eind 2008 waren er 68 260 alleenstaande ouders met een bijstandsuitkering. Hiervan hebben er 25 160 een kind jonger dan vijf jaar.
Op 21 januari 2010 is, samen met de monitor bestuurlijk akkoord, een onderzoek aan uw Kamer gezonden over de eerste resultaten van de werking van de Wet verbetering arbeidsmarktpositie alleenstaande ouders. Hierin is geconcludeerd dat de overgrote meerderheid van de ontheffingen van de doelgroep, tijdelijk en individueel zijn verleend op de algemene ontheffingsgrond van dringende redenen. Gemeenten geven hierbij als reden aan dat ontheffen op deze grond ook voor alleenstaande ouders met kinderen jonger dan vijf jaar volstaat. Het onderzoek biedt geen inzicht in landelijke cijfers over het aantal ontheffingen.
Verder blijkt dat gemeenten verschillende initiatieven ontplooien om de doelgroep te ondersteunen. Gemeenten geven aan dat het aanbod per cliënt verschilt en dat het gaat om maatwerk. Daarbij houden zij rekening met het niveau, interesses en motivatie van de cliënt.
Het onderzoek biedt geen inzicht in eventuele bezwaren die zijn ingediend op beschikkingen over ontheffingen.
In de wet is geregeld dat deze binnen vier jaar na inwerkingtreding zal worden geëvalueerd. Omdat het Kabinet voornemens is om de ontheffingsmogelijkheid voor alleenstaande ouders in de WWB af te schaffen, lijkt het niet opportuun om de evaluatie uit te voeren.
Deelt u de mening dat gemeenten verplicht zijn om alleenstaande ouders met kinderen tot vijf jaar te informeren dat zij indien gewenst ontheffing kunnen krijgen van de sollicitatieplicht? Welke maatregelen gaat u nemen om er voor te zorgen dat deze ouders beter worden geïnformeerd?
Zie antwoord vraag 2.
Welke maatregelen gaat u daarnaast nemen om de handhaving van de Wet verbetering arbeidsmarktpositie alleenstaande ouders door gemeenten daadwerkelijk te garanderen zodat alleenstaande ouders met kinderen tot vijf jaar vrijstelling van de sollicitatieplicht verleend krijgen en in aanmerking komen voor een scholingstraject?»
Het geven van ontheffingen is geen doel op zich. Iedereen is zelf verantwoordelijk om in zijn eigen levensonderhoud te voorzien door te werken. De uitvoering van de WWB is gedecentraliseerd. Gemeenten zijn hiervoor verantwoordelijk en de systematiek van de WWB stimuleert hen om bijstandsgerechtigden zo snel mogelijk weer aan het werk te krijgen. Het college kan hierbij een of meer re-integratievoorzieningen inzetten. Gemeenten zijn verplicht hun re-integratiebeleid vast te leggen in een verordening. Deze moet tevens blijk geven van een evenwichtige aanpak voor alle doelgroepen.
Omdat het gaat om een gemeentelijke verantwoordelijkheid en gezien het Kabinet voornemens is om de specifieke ontheffingsmogelijkheid voor alleenstaande ouders in de WWB af te schaffen ben ik niet van plan maatregelen ten aanzien van gemeenten te nemen.
Deelt u de mening dat de financiële prikkel die in de Wet werk en bijstand (WWB) voor gemeenten zit om mensen snel aan het werk te helpen er debet aan is dat geen vrijstellingen aan alleenstaande ouders met kinderen tot vijf jaar worden afgegeven? Wat gaat u er aan doen dat gemeenten hun inspanningen voor de re-integratie niet richten op deze groep, maar juist op moeilijk in regulier werk plaatsbare groepen als Wajongers en Wsw’ers die extra begeleiding daadwerkelijk nodig hebben?
Zie antwoord vraag 6.
Hoe kijkt u tegen de instroom van alleenstaande ouders in de WWB aan die veroorzaakt wordt doordat alleenstaande ouders hun alimentatie niet ontvangen? Vindt u het met ons een grotere inspanning wenselijk om te voorkomen dat alleenstaande ouders überhaupt in de WWB terecht komen? Zo nee, waarom niet?
Alimentatieverplichtingen jegens partners en kinderen zijn wettelijk verankerd in Boek 1 van het Burgerlijk Wetboek. Alimentatieverplichtingen die door de rechter zijn vastgesteld dienen ook te worden nagekomen, mede om te voorkomen dat als gevolg van het uitblijven hiervan een beroep wordt gedaan op de WWB. Binnen dit kader wijs ik op de Wet tot Wijziging van Boek 1 van het Burgerlijk Wetboek en van de Wet Landelijk Bureau Inning Onderhoudsbijdragen (LBIO) in verband met de inning van partneralimentatie (Kamerstukken 2008–2009, 31 575) die op 1 augustus 2009 inwerking is getreden. Met die wijziging is er ook voor de inning van partneralimentatie een laagdrempelig loket gekomen, ingeval betaling hiervan uitblijft. De interventie van het LBIO – op verzoek van de alimentatieplichtige – bevordert de behoorlijke nakoming van alimentatieverplichtingen. De praktijk bij inning van kinderalimentatie wijst dat uit. In 90% van de gevallen is de inschakeling van het LBIO succesvol. De uitbreiding van het takenpakket van het LBIO met inning van partneralimentatie biedt belangrijke voordelen binnen het bijstandsdomein. Deze wet sluit aan bij de eigen verantwoordelijkheid voor de voorziening in de kosten van het bestaan in de WWB en vermindert bijstandsafhankelijkheid. Concreet wordt hier gedoeld op het zelf effectueren van vastgestelde alimentatie via het LBIO als deze niet wordt betaald. Hierdoor zijn besparingen op de bijstand mogelijk. Gemeenten worden met deze wet ontlast in de uitvoering van de bevoegdheid tot bijstandsverhaal op onderhoudsplichtigen, in die gevallen waarin alimentatie in een rechterlijke uitspraak is vastgelegd.
Wilt u als regering met een voorstel komen voor de wettelijke verankering van de partneralimentatie, zodat het aantal alleenstaande ouders die geen alimentatie ontvangen zal afnemen waarmee de last op de WWB tevens zal verminderen? Zo ja, wanneer kan de Kamer dit voorstel verwachten?
Zie antwoord vraag 8.
Het artikel 'De creche wordt steeds duurder en slechter' |
|
Mariëtte Hamer (PvdA) |
|
Henk Kamp (minister sociale zaken en werkgelegenheid) (VVD) |
|
|
|
|
Kent u het artikel «De crèche wordt steeds duurder en slechter»?1
Ja.
Onderschrijft u de centrale stelling uit het artikel dat onder druk van winstmarges veel kinderdagverblijven juist slechtere kwaliteit gaan leveren en kunt u dit toelichten? In hoeverre zullen de door het kabinet voorgenomen bezuinigingen de marktwerking in de kinderopvang vergroten? Welke gevolgen heeft dit volgens u voor de kwaliteit van de kinderopvang?
Voor dit antwoord verwijs ik u naar het antwoord op vraag 2 van de leden Koşer-Kaya en Verhoeven (Aanhangsel Handelingen, vergaderjaar 2010–2011, nr. 552).
Kunt u bevestigen dat steeds meer kinderopvangorganisaties in handen komen van buitenlandse investeerders en kunt u daarbij toelichten om welk aandeel van de totale kinderopvangsector het hierbij gaat?
Ik kan niet bevestigen dat steeds meer kinderopvangorganisaties in eigendom zijn van investeerders met een andere dan de Nederlandse nationaliteit, aangezien de nationaliteit van eigenaren van kinderopvanginstellingen niet wordt geregistreerd. Overigens moeten kinderopvanginstellingen, ook als zij in buitenlandse handen zijn, gewoon voldoen aan alle regels die de Wet kinderopvang stelt, bijvoorbeeld ten aanzien van de beroepskracht-kind-ratio.
Deelt u de mening dat kosten moeten worden gemaakt om de kwaliteit van kinderopvang te vergroten? Bestaat er volgens u spanning tussen het belang van ouders en kinderen om de kwaliteit van kinderopvang zo hoog mogelijk te maken enerzijds en het belang van buitenlandse investeerders om kosten te verlagen en winst te maximaliseren anderzijds?
Kwaliteitsverhoging brengt veelal kosten met zich mee. Zo zullen de salariskosten stijgen als het gemiddeld aantal pedagogisch medewerkers toeneemt ten opzichte van het aantal opgevangen kinderen. Kwaliteitsverhoging kost echter niet altijd per definitie geld. Zo kan een goede leidinggevende de kwaliteit van de opvang ook verhogen met consequente en concrete feedback over de omgang met kinderen richting pedagogisch medewerkers.
Er is altijd een zekere spanning tussen de wens van ouders en hun kinderen en het aanbod dat kinderopvangondernemers kunnen doen. Relevanter is echter dat ouders, kinderen en aanbieders van kinderopvang een gezamenlijk belang hebben bij opvang met een goede prijs/kwaliteitverhouding. Aan extreem hoge kwaliteit hangt een prijskaartje, dat afnemers zullen meewegen. Net zo goed geldt dat aanbieders het zich niet kunnen veroorloven om louter naar kostenverlaging te streven. Als dit te zeer ten koste gaat van de kwaliteit, zullen afnemers het product of de dienst niet meer afnemen. Dit mechanisme werkt nog niet optimaal in de kinderopvang.
Daarom heeft mijn voorganger in haar brief van 5 februari j.l. maatregelen aangekondigd om de positie van ouders te versterken en zo de werking van de kinderopvangmarkt te verbeteren. Zoals ik aangeef in antwoord op vraag 4 van de leden Koşer-Kaya en Verhoeven, zeg ik u een brief toe over de kinderopvangmarkt.
Kunt u de berichtgeving bevestigen dat het ministerie van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap vergeefse pogingen heeft gedaan om inzicht te krijgen in representatieve cijfers over de solvabiliteit, rentabiliteit en liquiditeit in de kinderopvangsector? Bent u van mening dat voldoende financieel toezicht op de kinderopvangsector mogelijk is? Kunt u dit toelichten?
Dat kan ik niet bevestigen. Het Waarborgfonds kinderopvang publiceert ieder jaar het Sectorrapport kinderopvang. Dat rapport geeft actuele informatie over de financieel-economische trends en ontwikkelingen in de kinderopvang en dus ook cijfers over solvabiliteit en rentabiliteit. Dat Sectorrapport wordt gemaakt op basis van jaarverslagen van kinderopvanginstellingen.
Kunt u de berichtgeving uit het genoemde artikel bevestigen dat in sommige regio’s structureel te weinig leidsters voor groepen staan? Kunt u bevestigen dat gemeentes ondanks meldingen van deze en andere overtredingen van de wet vaak niet overgaan tot het uitdelen van boetes? Bent u van mening dat kinderopvangorganisaties die op deze of op andere wijze in gebreke blijven daar geen financieel voordeel uit mogen halen? Zo ja, bent u bereid daartoe maatregelen te nemen? Zo nee, waarom niet?
Handhaving op overtredingen van de kwaliteitscriteria, dus ook zeker de beroepskracht-kind-ratio, moet door gemeenten worden aangepakt. Het artikel gaat specifiek in op de situatie in Leiden. Inmiddels is het toezicht en handhaving verbeterd. Leiden heeft met de GGD en met het management van B4Kids gesprekken gevoerd. Dat heeft tot verbetering van de inzet van voldoende beroepskrachten geleid. De Onderwijsinspectie heeft in april 2010 afspraken gemaakt met Leiden op de achterblijfpunten register, handhavingsbeleid en handhaving. Het register is inmiddels op orde en het handhavingsbeleid is eind december 2009 vastgesteld door B&W. Handhaving vindt sinds vaststelling van het handhavingsbeleid structureel plaats. De Onderwijsinspectie zal eind 2010 de uitvoering van de handhaving opnieuw toetsen.
Deelt u de mening dat oudercommissies, willen zij effectief gebruik kunnen maken van hun adviesrecht bij vaststelling van de tarieven, inzicht moeten hebben in de kosten van kinderopvangorganisaties waaronder de personele kosten? Zijn kinderopvangorganisaties verplicht dit inzicht te bieden? Zo nee, bent u bereid daartoe initiatieven te nemen? Zo ja, welke middelen staan deze commissies ter beschikking om deze gegevens op te vragen?Kunt u de Kamer informatie verstrekken over de mate waarin het advies van de oudercommissie inzake de tarieven wordt opgevolgd door kinderopvangorganisaties?
Ik heb geen inzicht in de mate waarin adviezen van oudercommissies inzake tarieven worden opgevolgd. Kinderopvangorganisaties zijn namelijk niet verplicht hierover te rapporteren. Kinderopvangorganisaties zijn niet verplicht inzicht in de kosten te bieden. Wel is een ondernemer verplicht een wijziging van prijzen en openingstijden toe te lichten. Ik ben van mening dat oudercommissies c.q. ouders een afweging moeten kunnen maken tussen prijs en kwaliteit. BOinK heeft subsidie gekregen om de vergelijkingssite te bouwen en te vullen, die ouders daarbij moet ondersteunen.
De verkoop van het belang in het Oostenrijkse Redmail door TNT vanwege de invoering van een nieuwe postwet 'die concurrentie beperkt' |
|
Sharon Gesthuizen (SP) |
|
|
|
|
Wat is uw reactie op het nieuwsbericht over de verkoop van het belang in Redmail door TNT vanwege een nieuwe postwet in Oostenrijk die aldaar de concurrentie beperkt?1
Op 13 januari 2010 heeft TNT met een persbericht aangekondigd toekomstige activiteiten van Redmail te zullen beperken tot de bezorging van kranten. Dit naar aanleiding van de bijeenkomst met beursanalisten begin december 2009, waarin TNT heeft besloten per EU-land te kijken of TNT allianties zal vormen dan wel zich terug zal trekken. Het bericht van 2 november jl. heb ik derhalve ter kennisgeving aangenomen.
Is het waar dat in Oostenrijk de brievenbussen, waarin postbedrijven de post bestemd voor bewoners moeten deponeren, op slot zitten en dat alleen het voormalig staatsbedrijf in Oostenrijk de sleutels voor deze brievenbussen heeft waardoor de bezorging door andere postbedrijven feitelijk onmogelijk is?
Voor wat betreft het sleutelprobleem heeft TNT bij navraag in januari 2010 aangegeven dat ongeveer bij 30% van de huisbrievenbussen in Oostenrijk alleen bezorgd kan worden door middel van een sleutel; dergelijke sleutels heeft alleen de Österreichische Post, als verlener van de Universele Dienst.
Deze situatie is door concurrenten op de Oostenrijkse postmarkt langs juridische weg aangevochten, teneinde op dit punt gelijke kansen te creëren voor alle spelers. De klagers zijn weliswaar in het gelijk gesteld, maar in de situatie is de facto niets veranderd, omdat de brievenbussen eigendom zijn van de betreffende woningeigenaren. De postmarkt gaat in Oostenrijk per 1 januari 2011 open, conform de Postrichtlijn. Voor het sleutelprobleem is in het wetsvoorstel (dat op 1 januari 2011 inwerking treedt) bepaald dat uiterlijk 31 december 2012 alle huisbrievenbussen toegankelijk dienen te zijn voor alle postbezorgers.
Heeft u contact met uw Oostenrijkse ambtgenoot over de problemen rond de toegang tot de brievenbussen? Zo nee, waarom niet en bent u alsnog bereid om contact te hebben en de Kamer hierover te informeren?
Er is geen contact met mijn Oostenrijkse ambtgenoot over de problematiek rond de toegang tot de brievenbussen. Dit betreft een binnenlandse aangelegenheid in Oostenrijk, waarbij de Oostenrijkse postwetgeving per 1 januari 2011 zorgt voor de implementatie van de Europese Postrichtlijn. Het is aan de Europese Commissie om te beoordelen of de Oostenrijkse postwetgeving al dan niet in strijd is met de Europese regelgeving.
Deelt u de mening dat er door deze situatie geen sprake is van een gelijk speelveld op de Europese postmarkt en dat het Nederlandse bedrijf TNT in het nadeel is?
In Oostenrijk betreft het een overgangsproblematiek voor 30% van de huisbrievenbussen, die niet van de ene op de andere dag is opgelost. Maar zoals in de nieuwe Oostenrijke Postwet is aangegeven, wordt deze opgelost, waarmee, zij het met enige vertraging, wel een gelijk speelveld ontstaat. Ik wil er op wijzen dat de lidstaten met de grootste postmarkten, Duitsland en het Verenigd Koninkrijk, Nederland voor zijn gegaan met de volledige openstelling van hun postmarkt en dat TNT daar van meet af aan actief is.
Deelt u de mening dat, nu keer op keer op keer blijkt dat in Nederland de nieuwkomers een voordeel hebben ten opzichte van de voormalig monopolist in ons land, TNT, terwijl in andere Europese land juist de nieuwkomers, waaronder het Nederlandse TNT, een concurrentienadeel hebben ten opzichte van voormalige staatsbedrijven, de Europese liberalisering van de postmarkt volledig is mislukt?
Zie antwoord vraag 4.
Wat bent u van plan te gaan doen aan deze situatie?
De Europese Commissie ziet toe op een tijdige en juiste implementatie van de Postrichtlijn. Wanneer lidstaten in gebreke blijven, kan de Europese Commissie een infractieprocedure starten tegen de lidstaat.
Ik ga er vanuit dat de Commissie de implementatie nauwgezet zal volgen, net zoals indertijd bij de openstelling van de telecommunicatiemarkt.
Ik zal hiervoor aandacht vragen bij de Europese Commissie.
Kunt u deze vragen vóór eerstkomend algemeen overleg over de postmarkt beantwoorden?
Deze antwoorden ontvangt u voor het Algemeen Overleg van 15 december a.s., waarin de postmarkt in den brede wordt besproken.
Het onmiddelijk stoppen van ontwikkelingshulp aan Jemen |
|
Johan Driessen (PVV) |
|
|
|
|
Deelt u, gelet op de recent aangetroffen explosieven in vrachtvliegtuigen in Londen en Dubai met als bestemming de Verenigde Staten, de mening dat Jemen een jihad-broeinest is?1 Zo nee, waarom niet?
Nee, ik deel uw mening dat Jemen een jihad-broeinest is niet. De regering maakt zich wel grote zorgen over de ontwikkelingen in Jemen. Het terroristische netwerk Al Qa’ida op het Arabisch Schiereiland pleegt aanslagen op zowel Jemenitische, als buitenlandse doelen in Jemen. Het werkterrein van de terroristische cellen heeft zich uitgebreid naar doelen buiten Jemen. Een groot aantal landen, waaronder Nederland, heeft ondermeer in het kader van het Friends of Yemen proces aangegeven bereid te zijn de Jemenitische overheid bij te staan in haar strijd tegen het terrorisme.
Bent u ermee bekend dat de National Coördinator Terrorismebestrijding (NCTb) heeft besloten dat post en vracht via luchtverkeer uit Jemen in ons land niet meer welkom is? Bent u ermee bekend dat ook bijvoorbeeld de Verenigde Staten, het Verenigd Koninkrijk, Frankrijk en Duitsland geen vrachtvliegtuigen uit Jemen meer toelaten?2
De NCTb heeft inderdaad besloten extra veiligheidsmaatregelen te treffen zodat het tot nader order niet is toegestaan om luchtvracht- en postzendingen die afkomstig zijn uit Jemen via de lucht naar Nederlandse luchthavens te vervoeren, of vanaf Nederlandse luchthavens via de lucht te verzenden. Het is mij bekend dat andere landen soortgelijke maatregelen hebben getroffen.
Bent u bereid, behoudens noodhulp, per direct alle ontwikkelingshulp aan Jemen te stoppen? Zo nee, waarom niet.
Nee. Ontwikkelingssamenwerking kan een belangrijke bijdrage leveren aan het wegnemen van onderliggende oorzaken van radicalisering. Het huidige Nederlandse ontwikkelingssamenwerkingsprogramma in Jemen richt zich op de watersector en integraal waterbeheer, onderwijs en reproductieve gezondheid. Met deze inzet richt het Nederlandse programma zich op de bestrijding van enkele meer structurele oorzaken van het fragiele karakter van Jemen. Daarnaast draagt Nederland bij aan programma’s gericht op het tegengaan van radicalisering, witwassen van geld ten behoeve van terrorismefinanciering en document- en identiteitsfraude. Vanwege de voortgaande destabilisering in Jemen wordt momenteel bezien op welke wijze het Nederlandse ontwikkelingssamenwerkingsprogramma in Jemen kan worden aangepast om beter aan te sluiten bij de verslechterende politieke, economische, sociale en veiligheidssituatie. Hier wil ik niet op vooruitlopen.
UNESCO filosofiedag in Iran |
|
Joël Voordewind (CU) |
|
|
|
|
Heeft u kennisgenomen van het artikel «Philosophy Day Raises Questions Before It Begins» in de New York Times?1
Ja.
Hoe duidt u het feit dat de filosofiedag van de United Nations Educational, Scientific and Cultural Organization (UNESCO) wordt gehouden in Iran, een land waar diverse grondrechten – zoals de vrijheid van meningsuiting, vereniging en godsdienst – dagelijks met voeten worden getreden, en dat onderworpen is aan diverse VN-sancties?
Directeur Generaal UNESCO, Irina Bokova, heeft dinsdag 9 november jl. besloten dat UNESCO niet langer bereid is zich te verbinden aan de organisatie van de wereldfilosofiedag die van 21 tot 23 november a.s. in Iran zou worden georganiseerd. UNESCO heeft geconstateerd dat Iran met betrekking tot de organisatie niet aan alle eisen van UNESCO voldoet.
Zal deze dag worden bezocht door een delegatie van de Nederlandse overheid? Zo ja, kunt u ervoor zorg dragen dat er geen Nederlandse delegatie aanwezig zal zijn? Bent u voorts bereid om het de Nederlandse burgers sterk af te raden om deze dag te bezoeken?
Zie antwoord vraag 2.
Heeft de Nederlandse regering reeds haar bezwaar kenbaar gemaakt bij de Verenigde Naties(VN) /UNESCO? Zo nee, waarom niet? Bent u (alsnog) bereid om u zowel in Europees als VN-verband steun te verwerven voor een dringend verzoek aan de Directeur Generaal van UNESCO Irina Bokova, om deze dag hetzij af te zeggen, hetzij te verplaatsen naar een land waar fundamentele mensenrechten wel worden gerespecteerd?
Zie antwoord vraag 2.
Het bericht dat vijf jaar marktwerking de kwaliteit van de kinderopvang heeft verslechterd |
|
Nine Kooiman |
|
Henk Kamp (minister sociale zaken en werkgelegenheid) (VVD) |
|
Wat is uw reactie op het bericht dat vijf jaar marktwerking de kwaliteit van de kinderopvang heeft verslechterd?1 Kunt u uw antwoord toelichten?
Voor dit antwoord verwijs ik u naar het antwoord op vraag 2 van de leden Koşer-Kaya en Verhoeven (Aanhangsel Handelingen, vergaderjaar 2010–2011, nr. 552).
Kunt uiteenzetten wat de gemiddelde uurprijs was in 2008, 2009 en 2010? Wanneer dit niet bekend is, bent u bereid dit te onderzoeken? Zo nee, waarom niet? Hoe gaat u ervoor zorgen dat de gemiddelde uurprijs niet nog meer stijgt?
2006
2007
2008
2009
2010 (gegevens sept 2010
Dagopvang
€ 5,45
€ 5,67
€ 5,81
€ 5,97
€ 6,15
Buitenschoolse opvang
€ 5,68
€ 5,83
€ 5,91
€ 5,95
€ 6,10
Gastouderopvang
€ 5,43
€ 5,74
€ 5,86
€ 5,90
€ 5,53
Bovenstaande tabel presenteert de gemiddeld door ouders opgegeven uurprijs aan de Belastingdienst. De stijging van het uurtarief lijkt niet buitenproportioneel te zijn. De NMa komt op basis van het onderzoek «Marktwerking in de kinderopvang», tot dezelfde conclusie.
Wat gaat u doen om ouders meer mogelijkheden te geven om tegen de stijging van uurprijzen en de verplichte afname van meer kinderopvanguren dan dat ouders afnemen, in beroep te gaan? Bent u bereid om het advies van de oudercommissie bindend te maken? Zo nee, waarom niet?
Ouders waarvan de kinderopvangorganisatie is aangesloten bij één van de brancheorganisaties hebben altijd de mogelijk om, na een interne klachtenprocedure, het geschil in te dienen bij de Geschillencommissie Kinderopvang. Mijn voorganger heeft in haar brief van 5 februari j.l. maatregelen aangekondigd om de positie van ouders te versterken en zo de werking van de kinderopvangmarkt te verbeteren. Zoals ik in het antwoord op vraag 4 van de leden Koşer-Kaya en Verhoeven aangeef, stuur ik u in de loop van 2011 een brief over dit onderwerp.
Hoe gaat u ervoor zorgen dat kinderopvangorganisaties zich aan de wettelijke normen gaan houden zodat er genoeg begeleidsters op een groep met kinderen staan? Hoe gaat u ervoor zorgen dat kinderopvangorganisaties hier voldoende op gecontroleerd worden? Kunt u uw antwoord toelichten?
Voldoende pedagogische medewerkers op de groep is één van de voornaamste kwaliteitscriteria waarop de GGD toetst. Sinds september 2009 is de GGD begonnen met de zogenoemde onaangekondigde controles. Daardoor kan de GGD nog scherper controleren of kindercentra niet de hand lichten met deze kwaliteitseis. Als sprake is van een overtreding moet de gemeente handhavend optreden. Dat gebeurt vaak goed, maar in veel gevallen nog onvoldoende (zie tevens mijn antwoord op vraag 6). Tegelijk ben ik bezig met de convenantpartijen te komen tot eenvoudiger te hanteren normen. De convenantpartijen streven ernaar om nog in 2010 tot overeenstemming te komen. Eenvoudiger normen zijn voor GGD-en en gemeente beter te handhaven en zullen ook leiden tot een hogere nalevingsbereidheid bij de kindercentra
Bent u bereid om ervoor te zorgen dat de gemeentelijke gezondheidsdiensten (GGD’s) ook niet aangekondigd en onverwachts kinderopvangorganisaties inspecteren? Zo nee, waarom niet?
Ja. Op dit moment controleren de GGD-inspecteurs vaak al onaangekondigd.
Hoe gaat u ervoor zorgen dat gemeenten de kinderopvangorganisaties die de wettelijke normen overtreden, ook daadwerkelijk aanpakt?
Met project «achterblijvende gemeenten» zet ik stevig in op verbetering van vooral de handhaving door gemeenten. In de praktijk blijkt het effectief te werken als de Onderwijsinspectie de individuele gemeenten op dit achterblijven aanspreekt. Inmiddels zijn er veel meer gemeenten die de uitvoering op orde hebben of waar afspraken mee zijn gemaakt om de uitvoering binnenkort op orde te hebben.
Hoe gaat u ervoor zorgen dat kleinschalige kinderopvang in Nederland mogelijk blijft en niet alleen in handen komt, zoals dat nu het geval is in de grote gemeenten, van de vier grootste organisaties die meer dan negentig procent van de crèches en naschoolse opvang in handen heeft? Kunt u uw antwoord toelichten?
De NMa concludeert op basis van onderzoek door Regioplan dat de markt voor kinderopvang een dynamische markt is. Dat blijkt uit het aantal aantal toetreders en uittreders. Uit het onderzoek blijkt dat in gemeenten met meer dan 50 000 inwoners waar de vier grootste aanbieders van kinderopvang gezamenlijk een marktaandeel van 80 à 90% hebben, 62% van de kinderopvangorganisaties tussen december 2006 en december 2008 toe- dan wel uitgetreden is. Verder blijkt uit onderzoek van het Netwerkbureau kinderopvang naar de capaciteit in de kinderopvang, dat de relatief kleine aanbieders tot 20 locaties een marktaandeel hebben van circa 60%. Daarnaast is ook een meerderheid van de nieuwe toetreders een kleine aanbieder met minder dan 50 kindplaatsen. Dat betekent dat er voldoende kleine aanbieders op de markt voor kinderopvang actief zijn en zullen blijven.
Hoe gaat u ervoor zorgen dat de arbeidsvoorwaarden in kinderopvangorganisaties gewaarborgd wordt? Kunt u uw antwoord toelichten?
Als u bedoelt de arbeidsvoorwaarden zoals afgesproken in de CAO kinderopvang, dan ga ik daar niet over. Arbeidsvoorwaarden zijn het onderwerp van werkgevers en werknemers. Mocht een werkgever zich daaraan niet houden dan kan de werknemer de vakbond in de arm nemen en zonodig naar de rechter stappen.
Hoe gaat u ervoor zorgen dat de kinderopvang betaalbaar blijft nu de marktwerking zorgt voor hogere kosten kinderopvang en u wilt bezuinigingen op de kinderopvang?
Zoals ik schrijf in antwoord op vraag 2 van de leden Koşer-Kaya en Verhoeven, zijn volgens de NMa de prijzen in de kinderopvang de afgelopen jaren niet buiten proportioneel gestegen. De effecten van de bezuinigingen op de marktwerking zullen worden meegenomen in de brief die ik heb toegezegd in antwoord op vraag 4 van de leden Koşer-Kaya en Verhoeven.
Bent u bereid om ervoor te zorgen dat ook de werkgevers de afgesproken een derde van de kinderopvangkosten gaan betalen? Zo nee, waarom niet?
De invoering van de Wet kinderopvang is gebaseerd op de gedachte dat formele kinderopvang tripartiet gefinancierd wordt door de overheid, de werkgevers en de ouders. Sinds 1 januari 2007 betalen werkgevers verplicht mee via een opslag op de wachtgeldpremie. Daarvoor was de bijdrage nog vrijwillig. Het is echter zo dat als de kosten van kinderopvang stijgen maar de grondslag van de opslagpremie stijgt minder hard mee, dan hoeft het opslagpercentage niet dienovereenkomstig te wijzigen. Relevant om op te merken is dat een stijging van de werkgeversbijdrage, gegeven de scheiding van inkomsten en uitgaven niet kan dienen als dekking van overschrijdingen van het kinderopvangbudget. Gegeven het inkomstenkader dat het kabinet hanteert dient een eventuele stijging van deze opslag op de wachtgeldpremie gecompenseerd te worden met lagere collectieve lasten elders. In 2010 bedroeg de gemiddelde bijdrage van werkgevers 23%, van ouders 22% en van het Rijk 55%. Met de bezuinigingen beweegt de verhouding in de bijdragen door de 3 verschillende partijen zich in de richting van 1/3.
Bent u bereid de marktwerking in de kinderopvang af te schaffen die ervoor zorgt dat de kinderopvang steeds duurder wordt en van slechtere kwaliteit? Zo nee, waarom niet?
Nee. Voor dit antwoord verwijs ik u naar het antwoord op vraag 2 van de leden Koşer-Kaya en Verhoeven.
Kunt u deze vragen beantwoorden voor het nader te plannen wetgevingsoverleg kinderopvang?
Ja.