De ESA |
|
Afke Schaart (VVD), Gerda Verburg (CDA) |
|
Maxime Verhagen (minister economische zaken en klimaat, viceminister-president ) (CDA) |
|
|
|
|
Herinnert u zich het werkbezoek van medio december 2010 aan het European Space Research and Technology Centre (ESTEC), waarna u hebt gesteld dat Nederland een betrouwbare partner van European Space Agency (ESA) zal blijven?
Ja.
Kunt u uiteenzetten hoe u dit betrouwbare partnerschap inhoud zult geven voor wat betreft de contributie?
De huidige contributie bestaat uit deelname aan verplichte en optionele programma's waarvoor Nederland tijdens de Ministeriële Conferentie 2008 en eerdere heeft ingeschreven. Naar verwachting eind 2012 vindt opnieuw deze periodieke Ministeriële Conferentie plaats, waar lidstaten besluiten over programma’s en nieuwe financiële verplichtingen vastleggen voor een nieuwe periode van 4 jaar. In aanloop naar deze Ministeriële Conferentie zal ik de Tweede Kamer tijdig informeren over de Nederlandse inzet en bijbehorende contributie aan ESA.
Klopt de stelling van SpaceNed – samen met onder meer de provincie Zuid-Holland en een aantal gemeenten – dat elke euro die door Nederland wordt geïnvesteerd in de contributie van de ESA € 3,40 oplevert voor de Nederlandse economie? Zo nee, wat is dan de opbrengst per geïnvesteerde euro en waarop baseert u dit?
ESA hanteert een geo-return systeem dat er over meerdere jaren voor zorgt dat de contributie van de lidstaten grotendeels in de vorm van ESA opdrachten aan industrie en kennisinstellingen terugvloeit naar de lidstaten. Als ondergrens hanteert ESA een returncoëfficiënt van 0,9. De Nederlandse return ligt al jarenlang boven de 1, wat een gevolg is van de inhuur van dienstenleveranciers door ESTEC. De return uit deze inhuur vormt een bonus die het belang van ESTEC voor Nederland onderstreept, naast het belang van ESTEC uit oogpunt van kennisuitwisseling en innovatie. Inclusief deze return uit inhuur bedroeg de totale return voor Nederland over de periode 2005–2009 ca. € 1 106 mln., ofwel gemiddeld ca. € 220 mln. per jaar. Dit is 2,5 keer zoveel als de gemiddelde jaarlijkse Nederlandse contributie aan ESA in deze periode. Hierbij is geen rekening gehouden met de bestedingen van ESTEC medewerkers en de vele bezoekers in de regio in de vorm van uitgaven, overnachtingen, etc. Een schatting van de omvang van deze bestedingen is wel verdisconteerd in de door SpaceNed genoemde multiplier.
Welke ambitie hebt u voor de toekomst als het gaat om ruimtevaart en de ESA?
In het Regeerakkoord spreekt dit Kabinet de ambitie uit om de overheidsfinanciën weer gezond te maken en dat gaat niet zonder forse bezuinigingen. In de financiële paragraaf hebben wij daarom ombuigingen voorgesteld o.a. op het vlak van innovatiebeleid. Daarbij is aangegeven dat ook het ruimtevaartbeleid daar een bijdrage aan zal moeten leveren. Zoals ik tijdens mijn bezoek aan ESTEC in december heb gezegd, Nederland wil wel een loyale partner binnen ESA en een goed gastheer voor ESTEC zijn en blijven. Het Kabinet zal de Nederlandse inzet in aanloop naar de Ministeriële Conferentie in 2012 bezien binnen het kader van de financiële mogelijkheden. Ik verwacht de Kamer daarover in de loop van 2012 te kunnen informeren.
Hoe dienen, mede in het licht van bovenstaande, de bijdragen van de Nederlandse overheid voor ondermeer het ESA-programma er de komende vijf jaar uit te zien?
Zie antwoord vraag 4.
Welke rol is er volgens u weggelegd voor de ruimte- en luchtvaart in het nieuwe topsectorenbeleid?
Binnen de topsector High Tech Materialen en Systemen (HTSM) zijn terreinen als bijvoorbeeld nanotechnologie, sensoren, materialen en optica ook voor de lucht- en ruimtevaart belangrijk. Betrokkenheid bij de topsector HTSM kan zowel voor lucht- en ruimtevaartbedrijven als voor de bedrijven daarbuiten een belangrijke toegevoegde waarde hebben vanwege de wisselwerking tussen de technologiegebieden. Er is op de genoemde technologiegebieden ook geen duidelijke scheiding meer aan te gegeven tussen lucht/ruimtevaart en niet-lucht/ruimtevaart. Voor de doorontwikkeling van de lucht- en ruimtevaartindustrie is het van belang opgenomen te worden in de netwerken die er op deze terreinen buiten de lucht- en ruimtevaart (zijn) ontstaan.
Naast de «maak» kant is er ook de gebruikerskant. In het geval van luchtvaart is dit aspect onderdeel van de topsector Logistiek. Ruimtevaart is in toenemende mate een toeleverancier van gegevens aan socio-economische terreinen. Toepassingen van satellietdata kunnen van groot belang zijn voor Topsectoren als Water, Agrofood, Logistiek, Energie. Ruimtevaart kan zo een belangrijke verbindende factor zijn tussen de diverse topgebieden.
De topteams zullen in de periode tot medio juni de prioriteiten binnen de topsectoren bepalen. Het is nu aan de lucht- en ruimtevaartindustrie om aansluiting te vinden bij de topsectoren en actief kansen te benutten. Op basis van de adviezen van de topteams ga ik vervolgens de beleidsagenda’s bepalen en uitvoeren.
Bent u bereid deze vragen voor donderdag 17 maart 2011 te beantwoorden?
Het bericht dat de Pantar-busjes blijven rijden |
|
Paul Ulenbelt (SP) |
|
Paul de Krom (staatssecretaris sociale zaken en werkgelegenheid) (VVD) |
|
|
|
|
Kunt u – gezien de tegenstrijdige berichtgeving – uitsluitsel geven of de gemeente Amsterdam bezuinigt op het woonwerk-vervoer voor geindiceerden voor de Sociale Werkvoorziening (SW) op de sociale werkplaats Pantar in Amsterdam? Kunt u dit toelichten?12
Het is aan de gemeente Amsterdam om een keuze te maken op welke wijze zij haar beleid omtrent woon-werkverkeer van Wsw-werknemers vorm geeft.
De gemeente Amsterdam meldt in de rapportage «Naar een SW met toekomst», waaraan uw Kamer ook refereert, dat van de collectieve vervoersvoorziening wordt overgestapt op maatwerk. Uitgangspunt hierbij is dat niemand van de sw-medewerkers zijn werk verliest als gevolg van deze maatregel en waar nodig wordt de collectieve vervoersvoorziening in stand gehouden.
Hoe beoordeelt u het feit dat de gemeente Amsterdam in haar beleidsvoorstellen niet kan uitsluiten dat mensen met een SW-indicatie worden ontslagen? Welke maatregelen gaat u treffen om ervoor te zorgen dat uw toezegging – dat iedereen die nu in de Wsw zit zijn beschutte werkplek behoudt – gestand blijft?34
Allereerst maakt het bericht melding van bezuinigingen op het personeelsbestand van Pantar zelf en dus niet de Wsw-doelgroep. Zoals Amsterdam in haar rapport aangeeft, zal er bespaard moeten worden op de bedrijfsvoering van Pantar.
Voor zover er wordt bespaard in relatie tot de doelgroep, ziet dit op de kosten voor het woon-werkverkeer en kantinefaciliteiten. De beoogde bezuinigingen hebben als uitgangspunt dat niemand van de Wsw-ers zijn werk verliest, zoals bij het antwoord op vraag 1 al is opgemerkt.
In het spoeddebat inzake Pantar op 1 maart jl. heb ik gezegd dat er in de begroting voor het jaar 2011 een bezuiniging van € 120 mln. is opgenomen. Ik heb daarbij uitvoerig gemotiveerd waarom er ruimte moet zijn om de subsidie per Wsw-plek te verlagen. Tevens heb ik daarbij aangegeven dat het Rijk de taakstelling – voor wat betreft het aantal te realiseren Wsw-plekken – vaststelt en het daarbij behorende budget ter beschikking stelt. De gemeenten en sociale werkplaatsen kunnen op veel verschillende manieren invulling geven aan die bezuiniging. Gemeenten en de sociale werkbedrijven zijn het beste in staat om het nodige maatwerk te leveren. Aan de rechten en plichten van het huidige, zittende, Wsw-bestand met een indicatie verandert niets als gevolg van het Rijksbeleid.
Kunt u uiteenzetten hoeveel medewerkers van Pantar op basis van de plannen van de gemeente Amsterdam worden ontslagen (onderverdeeld in SW-medewerkers en niet-SW-medewerkers)?
In haar persbericht van 9 maart 2011 meldt de gemeente Amsterdam dat de besparingen op de Wsw onder andere worden gerealiseerd door te snijden in het personeelsbestand van Pantar zelf. Ik heb echter geen kennis van de invulling die de gemeente Amsterdam hieraan geeft en dit betreft ook een beleidsverantwoordelijkheid van de gemeente Amsterdam. In haar persbericht meldt de gemeente Amsterdam wel dat de invulling van de besparing niet leidt tot baanverlies van Wsw-werknemers.
Hoeveel tijdelijke medewerkers bij Pantar krijgen geen contractverlenging door deze bezuinigingen? Kunt u dit toelichten?
Zie antwoord vraag 3.
Hebben andere sociale werkplaatsen in Nederland ook plannen om mensen met een SW-indicatie te ontslaan? Zo ja, welke?
Ik heb geen kennis van plannen voor het ontslaan van werknemers met een Wsw-indicatie. Ik heb inmiddels kennis genomen van het voornemen van de Roteb in Rotterdam om 212 tijdelijke contracten voor mensen met een Wsw-indicatie niet te verlengen. De Roteb onderzoekt de mogelijkheden om deze mensen opnieuw aan het werk te helpen.
Het niet vergoeden van het tweede cochleaire implantaat bij jonge kinderen |
|
Pia Dijkstra (D66), Renske Leijten (SP), Linda Voortman (GL), Jetta Klijnsma (PvdA), Esmé Wiegman-van Meppelen Scheppink (CU) |
|
Edith Schippers (minister volksgezondheid, welzijn en sport) (VVD) |
|
|
|
|
Acht u het aannemelijk dat een doof kind met twee cochleaire implantaten beter hoort dan met een implantaat?
Het is niet aan mij om hierover uitspraken te doen. Zie ook mijn antwoord op vraag 3.
Acht u het aannemelijk dat kinderen met twee implantaten minder kans hebben op het oplopen van een taalachterstand?
Zie antwoord vraag 1.
Welke extra kosten moeten er gemaakt worden om dove kinderen van een tweede cochleaire implantaat te voorzien? Hoe weegt u deze kosten ten opzichte van de voordelen die een tweede chochelaire implantaat met zich meebrengen? Waarom wordt er uitgegaan van dubbele kosten (twee DBC’s)1 terwijl een aantal kosten als revalidatiekosten en bijvoorbeeld het verplegen van de patiënt en het gebruik van de operatiekamer enkele kosten zijn bij gelijktijdig implanteren?
De kosten van implantatie van één cochleair implantaat (DBC code 140034) bedragen € 42 527 en de kosten van de nazorg bij een cochleair implantaat (DBC code 140035) bedragen € 4722. Echter, voorliggend aan de vraag welke kosten een tweede implantaat met zich meebrengt, is de vraag of het resultaat van een dubbelzijdig cochleair implantaat aantoonbaar beter is als van een enkelzijdig implantaat. Het is aan het College voor zorgverzekeringen (CVZ) om die vraag te beantwoorden binnen de context van zijn rol als pakketbeheerder met toepassing van de geldende pakketcriteria en de waardering van genoemde kosten.
Bent u op de hoogte van het feit dat het College voor zorgverzekeringen (CVZ) zijn herbeoordeling over de vergoeding van het tweede implantaat uitstelt tot er meer wetenschappelijk onderzoek beschikbaar is en dat het daarbij wijst op onderzoek dat in Nijmegen wordt verricht? Wanneer worden de resultaten van dit onderzoek verwacht? Zijn er al tussentijdse resultaten van het onderzoek beschikbaar? Zo ja, hoe beoordeelt u deze tussentijdse resultaten?
Ja, dat is mij bekend. De reden hiervoor is dat de wetenschappelijke bewijslast voor de meerwaarde van een tweede cochleair implantaat onvoldoende is. Het CVZ heeft mij recent bericht dat het onzeker is of de onderzoekers hun gegevens zullen publiceren. Dit heeft zowel het CVZ als mij bevreemd en het CVZ zal daarom contact opnemen met de onderzoekers. Als de achterliggende reden is dat uit het onderzoek geen valide conclusies zijn te trekken betreur ik dat.
Er zijn overigens wel signalen dat verschillende implanterende centra in Nederland de handen ineen willen slaan om door middel van een vergelijkend onderzoek de zo broodnodige wetenschappelijke feiten alsnog boven tafel te krijgen zodat een gefundeerde pakketbeslissing mogelijk wordt. Ik juich dat toe.
Herinnert u zich de motie-Schippers/Agema waarin de regering werd verzocht om tijdelijke toelating tot het collectief verzekerde pakket van innovatieve hulpmiddelen?2 Deelt u de mening dat het tijdelijk toelaten van het tweede cochleaire implantaat bij jonge kinderen bij uitstek valt onder het bereik van deze motie? Deelt u de mening dat het tweede cochleaire implantaat bij jonge kinderen tijdelijk tot het collectief verzekerde pakket van innovatieve hulpmiddelen zou moeten worden toegelaten? Is hier «coverage with evidence developement» mogelijk? Zo nee, waarom niet?
Ik herinner me die motie. Mijn beleid is erop gericht om een tijdelijke toelating tot het pakket mogelijk te maken. Tijdens deze tijdelijke toelating zal de therapeutische meerwaarde en de kosteneffectiviteit moeten worden aangetoond. De voorwaarden van een tijdelijke toelating moeten glashelder zijn, evenals verwijdering uit het pakket als het geen therapeutische meerwaarde of kosteneffectiviteit heeft. Aangezien uitgangspunt is dat enkel effectieve zorg in het collectief verzekerde pakket wordt opgenomen, is het essentieel dat de meerwaarde van een tweede cochleair implantaat wordt aangetoond. Hiertoe kan het vergelijkende onderzoek dienen waarnaar ik bij mijn antwoord op vraag 4 verwees. Het CVZ heeft onlangs in zijn pakketadvies voorgesteld om dit vergelijkende onderzoek door voorwaardelijke financiering mogelijk te maken. Ik sta in principe positief tegenover zo’n voorstel en zal nagaan of dit haalbaar is. Hierbij speelt onder meer dat bij een dergelijk vergelijkend onderzoek niet alle kinderen die daaraan deelnemen, een tweede cochleair implantaat krijgen. Ook is de uitvoering afhankelijk van de beschikbaarheid van financiële middelen die vooral de meerkosten betreffen van implantatie van het tweede implantaat ten bedrage van € 42 527. Met voorwaardelijke financiering wordt beoogd om de wetenschappelijke fact finding door het vergelijkende onderzoek mogelijk te maken. Daarbij krijgen dus niet alle kinderen een tweede cochleair implantaat. Dit is een verschil met «coverage with evidence development».
Wilt u deze vragen beantwoorden voor de bespreking van het pakketadvies in april?
Ja.
Het bericht 'Hogeschool besteedt geld aan volstrekt verkeerde zaken' |
|
Harm Beertema (PVV) |
|
Halbe Zijlstra (staatssecretaris onderwijs, cultuur en wetenschap) (VVD) |
|
|
|
|
Bent u bekend met het artikel «Hogeschool besteedt geld aan volstrekt verkeerde zaken»?1
Ja.
Deelt u de zorg naar aanleiding van het onderzoek van onder anderen de genoemde Tilburgse hoogleraar, waaruit blijkt dat bij een elftal hogescholen tussen de 21% en 25% van het budget daadwerkelijk besteed wordt aan onderwijs? Zo nee, waarom niet?
In 2007 is de rapportage van het in opdracht van de HBO-raad en VSNU uitgevoerde onderzoek «benchmark overhead universiteiten en hogescholen» aan de toenmalige minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap aangeboden. De definitie voor overhead uit dit rapport is gebaseerd op het aantal fte’s in de primaire processen (onderwijs en onderzoek) en het aantal fte’s in overige functies en deze is in overleg tussen OCW en de ho-instellingen overeengekomen.
Voor het Ministerie van OCW is dit een duidelijke benadering die ook draagvlak heeft binnen het onderwijsveld. Uit de rapportage kwam naar voren dat in het hoger beroepsonderwijs het percentage aan zuivere overhead 24,5% was. De omvang van de zuivere overhead bij universiteiten bedroeg 25,3%.
Begin 2011 heeft de HBO-raad het onderzoek opnieuw laten uitvoeren op basis van de gegevens over 2009. De uitkomsten van de hbo-sector zijn vergeleken met andere publieke sectoren. Het percentage zuivere overhead is nu 25,8%. Ik wacht het rapport van de HBO-raad met belangstelling af. De VSNU is op dit moment bezig met de voorbereiding van een herhaling van de benchmark.
Er wordt van onderwijsinstellingen verwacht dat zij doelmatig omgaan met de beschikbare middelen voor het primaire proces, te weten het verzorgen van onderwijs. Ik vind een dergelijk overheadpercentage te hoog.
Met de ho-instellingen ga ik in het kader van de meerjarenafspraken afspraken maken over de wijze waarop een reductie van overhead gerealiseerd kan worden. De middelen die een reductie oplevert kunnen dan weer ingezet worden voor het primaire proces.
Wat is uw oordeel over het bericht dat de overheid vroeger 10% van het jaarlijkse hbo-budget voor huisvesting oormerkte en dat dit bedrag na de financiële verzelfstandiging is opgelopen tot 16–18%?
De instellingen zijn vanaf de decentralisatie van de hbo-huisvesting (Wet Huisvesting hoger beroepsonderwijs, 1 januari 1994) verantwoordelijk voor beslissingen over de investeringen in huisvesting en de exploitatie daarvan. OCW heeft geen zeggenschap meer over (de financiering van) het onroerend goed van de instellingen.
De door u genoemde percentages van 16–18% voor de huisvesting in de hbo-sector herken ik niet. De jaarrekeningen van de hbo-instellingen laten het volgende zien.
Uitgaande van de totale huisvestingslasten afgezet tegen de totale baten van de totale hbo-sector is het percentage huisvestingslasten vanaf 2005 (12%) gestaag gedaald naar 10% in 2009. Ik merk op, dat – naast de afschrijvingen en het saldo financieringskosten – onder de huisvestingslasten ook de huren, het onderhoud, de verzekeringen, de schoonmaakkosten en gas/licht/water vallen. De afschrijving op de inventaris heb ik niet meegenomen in mijn berekening; immers inventariskosten staan los van de investering in onroerend goed en deze worden altijd gemaakt ongeacht of er sprake is van nieuwe, oude of gehuurde gebouwen.
Deelt u de visie dat het erbarmelijk is dat hogescholen tegenwoordig honderden miljoenen uitgeven aan onderzoeksactiviteiten, waarvan de bekostiging wordt onttrokken aan het primaire proces? Zo nee, waarom niet?
Nee, deze visie deel ik niet. Het doen van praktijkgericht onderzoek is een wettelijke taak van hogescholen en behoort daarmee tot het primaire proces. Het doen van praktijkgericht onderzoek door hogescholen bevordert de kwaliteit van het onderwijs. Het is van groot belang dat het onderwijs gebaseerd is op «state of the art» kennis uit het onderzoek. Ook de arbeidsmarkt vraagt meer en meer om hbo-professionals die beschikken over academische vaardigheden. Het integreren van onderzoeksvaardigheden in het curriculum komt de kwaliteit van het onderwijs en de waarde van de afgestudeerde op de arbeidsmarkt ten goede.
Dat het om honderden miljoenen euro’s gaat, kan ik niet bevestigen. Uit de brancherapportage onderzoek 2009/2010, die is uitgebracht door de HBO-raad, blijkt dat hogescholen in het jaar 2009 gezamenlijk ongeveer honderd miljoen euro tot hun beschikking hadden om praktijkgericht onderzoek uit te voeren. Driekwart daarvan bestaat uit publieke middelen die hogescholen ontvangen om hun wettelijke taak tot «het doen van praktijkgericht onderzoek» ook daadwerkelijk vorm te kunnen geven. Dit betreft de middelen uit het RAAK-programma en het ontwerp- en ontwikkelbudget binnen de lumpsum. Een kwart van de genoemde honderd miljoen euro is afkomstig van internationale, private en andere publieke bronnen. De middelen voor praktijkgericht onderzoek worden zoals uit de brancherapportage naar voren komt niet onttrokken aan het primaire proces en zorgen juist voor extra private investeringen die ten goede komen aan het primaire proces.
Wat is uw reactie op de aanbevelingen van de auteurs met betrekking tot het inschakelen van de Algemene Rekenkamer, het inzetten van een verplichte matrix, transparantie in de jaarverslagen, landelijke examens en de versterking van de positie van de docent?
Tijdens het wetgevingsoverleg van 21 maart 2011 over het wetsvoorstel «Ruim baan voor talent» is motie 32 253, nr.15 ingediend waarmee de Tweede Kamer uitspreekt dat de Algemene Rekenkamer onafhankelijk onderzoek dient te doen naar overhead in het Nederlands hoger onderwijs. Deze motie is dinsdag 28 maart 2011 tot mijn genoegen door de Tweede Kamer aangenomen.
De uitgaven aan de ontwikkeling van het Elektronisch Patiëntendossier (EPD) |
|
Renske Leijten (SP) |
|
Edith Schippers (minister volksgezondheid, welzijn en sport) (VVD) |
|
|
|
|
Is het bericht waar dat een groot deel van de 300 miljoen euro die reeds is uitgegeven aan de ontwikkeling van het EPD is aangewend voor zaken als adviezen, pilots en communicatie? Zo ja, kunt u de uitgaven specificeren?1
Het genoemde bedrag spreidt zich uit over een periode van 10 jaar. Zoals aangegeven in diverse voortgangsrapportages is bij de ontwikkeling van het EPD gebruik gemaakt van adviezen, pilots en communicatie. Ik noem een aantal voorbeelden:
Voor nadere detaillering verwijs ik u naar de bijlage.2
Vallen de uitgaven binnen de begroting of dreigt er een tekort? Wilt u uw antwoord toelichten?
Het agentschap Centraal Informatiepunt Beroepen Gezondheidszorg (CIBG) van het Ministerie van Volksgezondheid, Welzijn en Sport heeft in het overzicht in de bijlage de kosten weergegeven. Dit overzicht valt uiteen in twee delen, een deel betreft externe adviseurs en managers voor de operatie van het UZI-register, het tweede deel betreft externe inhuur met betrekking tot projecttaken.
Gelet op de afwijzing van de EPD-wet door de Eerste Kamer is alle in de bijlage opgenomen externe inhuur actief op de lopende projecten per 31 maart jl. opgezegd. Gelet op de opzegtermijn van 1 maand zijn deze dus per 1 mei a.s. niet meer actief.
De inhuur van de flexibiele krachten door het CIBG is tot stand gekomen conform de inkoopvoorwaarden van de Rijksoverheid.
Hoeveel externe adviseurs en managers werken er bij het Unieke Zorgverlener Identificatie (UZI)-register? Wilt u voor elk van deze externe krachten de functieomschrijving en het uurloon specificeren? Wat zijn de totale uitgaven aan externen bij het UZI-register op jaarbasis?
Voorloper RAAC
(tot dec 2009)
RAAC
Realisatie
€ 0,18 miljoen
€ 1,4 miljoen
Beheer
€ 0,18 miljoen per jaar
€ 0,4 miljoen per jaar
Hosting
€ 0,13 miljoen per jaar
€ 0,58 miljoen per jaar
De doorontwikkeling van het registratiesysteem RAAC bij het CIBG bedroeg in 2010 € 0,4 miljoen.
Voor de ontwikkeling, beheer en hosting van webformulieren is in de periode 2008 – 2010 een bedrag van € 0,25 miljoen besteed.
De productie van UZI-passen is uitbesteed aan een externe partij en voor het beheer, onderhoud en hosting geldt een verplichting van € 1,3 miljoen voor 2011.
Kunt u de chronologische en kostenontwikkeling van de verschillende ICT-systemen, waaronder RAAC en zijn voorloper, webformulieren ed., uiteenzetten en de actuele stand van zaken omschrijven?
Het proces van een UZI-pas aanvraag van het CIBG bestaat uit 3 stappen.
Deze processen van het UZI-register zijn gecertificeerd op basis van ETSI TS 101 456 en NEN-EN-ISO 9001:2008. Een onafhankelijke auditor toetst jaarlijks of aan de gestelde normen en standaarden wordt voldaan.
Bij de aanvraag voor een eerste pas stuurt de pashouder een uitgeprint aanvraagformulier voorzien van een handtekening met een kopie WID en pasfoto toe. Het UZI-register neemt om uiterste zorgvuldigheid te betrachten de exacte persoonsgegevens van het kopie WID over in het registratiesysteem. Wanneer na 3 jaar een nieuwe pas wordt aangevraagd, wordt gebruik gemaakt van de reeds beschikbare gegevens in het systeem.
Het aantal aanvragen bij het UZI-register verschilt per maand. Om de pieken en dalen efficiënt op te vangen wordt, naast een vaste kern medewerkers, gebruik gemaakt van inzet van uitzendkrachten. Deze inzet is flexibel en het aantal fte wordt aangepast aan het aantal aanvragen dat wordt ontvangen.
Het CIBG heeft momenteel (maart 2011) een inzet van 24 fte aan uitzendkrachten. Hiermee is jaarlijks € 1,5 miljoen gemoeid. Het is de intentie deze inzet te minimaliseren door verdere automatisering.
Kunt u omschrijven op welke wijze de aanvragen voor een UZI-pas worden verwerkt? Is het waar dat de op de website ingevulde formulieren handmatig moeten worden overgetypt door uitzendkrachten? Om hoeveel uitzendkrachten gaat het, wat zijn de kosten en hoe verhoudt deze inzet van uitzendkrachten zich tot de beoogde automatisering?
Het CIBG geeft aan dat er met de distributie van de passen, waaronder ook de verzending aan de postkantoren en de postagentschappen in 2010 een bedrag is gemoeid van € 0,42 miljoen.
Wat zijn de kosten van de distributie, onder meer van de verzending naar postagentschappen?
Het Nationaal ICT Instituut in de Zorg (Nictiz) heeft op basis van beleidsmatige en technische impactanalyses de uitvoerbaarheid onderzocht. De uitkomst van deze impactanalyses is dat de realisatie van gedifferentieerd bezwaar uitvoerbaar is en in het tweede kwartaal van 2011 gereed kan zijn. De beleidsmatige impactanalyse is reeds in bezit van de Kamer. De kosten van de impactanalyses bedragen
€ 62 379.
De motie X van het lid Tan van de Eerste Kamer betekent dat mijn betrokkenheid bij het LSP dient te worden beëindigd zoals tevens in meer detail aangegeven in mijn brief aan uw Kamer van 11 april jl. met als kenmerk MEVA-U-3057580. Verdere realisatie zal niet meer door mij kunnen worden ondersteund conform motie X. Verder initiatief is derhalve aan Nictiz en het zorgveld.
Wat is de status van de mogelijkheid voor de patiënt om gedifferentieerd bezwaar te maken? Op welke wijze en tegen welke kosten is de uitvoerbaarheid onderzocht en wat is de uitkomst van dat onderzoek?
Mede op basis van input uit het zorgveld is door het UZI-register een voorstel gedaan voor de mogelijke oplossingsrichtingen voor een UZI-reservepas. Op deze mogelijke oplossingsrichtingen heeft een externe review aangevuld met aanvullend onderzoek plaatsgevonden. De kosten hiervoor bedragen € 9 105. + € 25 000 = € 34 105.
De motie X van het lid Tan van de Eerste Kamer betekent dat mijn betrokkenheid bij het LSP dient te worden beëindigd zoals tevens in meer detail aangegeven in mijn brief aan uw Kamer van 11 april jl. met als kenmerk MEVA-U-3057580. De behoefte voor een reservepas is voortgekomen uit continuïteitsoverwegingen ten behoeve van de beschikbaarheid van de LSP-dienstverlening. Derhalve heroverweeg ik de realisatie van de reservepas.
Wat is de status van de ontwikkeling van UZI-reservepassen? Op welke wijze en tegen welke kosten is hiernaar onderzoek gedaan en wat is de uitkomst van dit onderzoek?
De productie van UZI-passen is uitbesteed aan Getronics, en de contractomvang bedraagt € 1,3 miljoen voor 2011.
De productie van één UZI-pas is € 10,25. De kostprijs van één UZI-pas bedroeg in 2010 € 356.
Aan welk bedrijf is de daadwerkelijke productie van de UZI-passen uitbesteed en wat is de omvang van het contract?
Zie antwoord vraag 8.
Hoeveel kost de productie van één UZI-pas in totaal en wat is hierover uw opvatting?
De UZI-pas kan generiek worden gebruikt waardoor niet is te zeggen welk deel van de totale kosten van de UZI-pas voor rekening van het EPD komt.
Welk deel van de totale kosten van de UZI-pas komt voor rekening van het EPD?
Ja, de verantwoordelijkheid voor dit beleidsdossier is belegd bij de directie MEVA, met inzet van medewerkers vanuit het reguliere personeelsbudget.
Is uw Directie Macro-Economische Vraagstukken en Arbeidsvoorwaardenbeleid (MEVA) betrokken bij de ontwikkeling van het EPD en projecten die daarmee samenhangen? Zo ja, op welke wijze precies en tegen welke kosten?
Op grond van welke criteria wordt bepaald welke taken door het Centraal Informatie punt Beroepen Gezondheidszorg (CIBG) worden uitgevoerd en welke door Nictiz?
De motie X van het lid Tan van de Eerste Kamer betekent dat mijn betrokkenheid bij het LSP dient te worden beëindigd zoals tevens in meer detail aangegeven in mijn brief aan uw Kamer van 11 april jl. met als kenmerk MEVA-U-3057580. Dit betekent dat er van structurele financiële betrokkenheid geen sprake meer zal zijn.
Vallen de totale kosten van het EPD-project binnen het structurele VWS-budget voor ICT in de zorg, of moeten incidentele middelen worden toegevoegd? Wilt u uw antwoord toelichten en specificeren?
Het onderdeel over de invoering van de landelijke infrastructuur in de rapportage grote ICT-projecten zal aansluiten op de eerdere rapportages. De CIO Rijk zal de rapportage over 2010 op 18 mei a.s. aan uw Kamer doen toekomen.
Welke onderdelen van het EPD-project zullen worden toegevoegd aan de volgende rapportage grote ICT-projecten van de rijksoverheid? Wanneer zal de nieuwe rapportage door uw collega van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties aan de Kamer worden gestuurd?
De gemeentelijke leges voor opname van gastouders in het Landelijk Register Kinderopvang |
|
Karin Straus (VVD), Eddy van Hijum (CDA) |
|
Henk Kamp (minister sociale zaken en werkgelegenheid) (VVD) |
|
|
|
|
Bent u bekend met de gewijzigde wet Kinderopvang volgens welke het sinds 1 januari 2010 voor gastouders verplicht is zich te registreren in het Landelijk Register Kinderopvang (LRK)?
Ja.
Kunt u uiteenzetten welke kosten gemeenten maken voor de opname van een gastouder in het LRK en hoe hoog deze kosten gemiddeld zijn?
Gemeenten zijn wettelijk verantwoordelijk voor het toezicht op en de handhaving van de kwaliteit van de kinderopvang. De precieze kosten van de handeling die een gemeente verricht om een gastouder op te nemen in het LRK, zijn mij niet bekend. In de keten van toezichts- en handhavingstaken die gemeenten hebben alvorens te kunnen overgaan tot registratie is de tijd die hieraan wordt besteed beperkt (zie ook het antwoord op vraag 5).
Deelt u de mening dat het niet wenselijk is dat gemeenten kosten voor registratie in rekening brengen aan gastouders?1 Zo ja,wat wilt u hieraan doen? Zo nee, waarom niet?
Het heeft niet mijn voorkeur dat gemeenten leges in rekening brengen. Gemeenten zijn daar echter wel toe bevoegd. In de gemeentewet is bepaald dat gemeenten rechten mogen heffen voor diensten, maar daarop geen winst mogen maken. Dit is een algemeen principe in de bestuurlijke verhoudingen tussen rijk en gemeenten. Het spreekt voor zichzelf dat dergelijke algemene principes niet ter discussie kunnen worden gesteld op basis van ervaringen in één sector, de kinderopvang.
Verder is hier van belang dat de middelen die aan gemeenten beschikbaar zijn gesteld voor toezicht en handhaving op de kinderopvangsector via de reguliere sleutel worden verdeeld over gemeenten. Als gevolg daarvan kan het zijn dat gemeenten met relatief veel gastouders in het overgangsjaar 2010 niet geheel zijn gecompenseerd via het gemeentefonds. Vóór 2010 was immers niet bekend waar de gastouders zich in Nederland bevonden. Nu het Landelijk Register Kinderopvang is gevuld, is echter specifieke informatie beschikbaar over het aantal voorzieningen voor gastouderopvang per gemeente. Dit biedt de kans om de verdeelsleutel voor 2012 en de jaren daarna te verfijnen. De VNG onderzoekt deze mogelijkheid in overleg met de ministeries van BZK en SZW. Als dit lukt, verwacht ik dat het aantal gemeenten dat leges heft zal dalen.
De passage over lastenverzwaring waar u op wijst, heeft betrekking op de administratieve lasten die zouden toenemen als een vergunningplicht zou worden opgelegd. Deze administratieve lasten nemen niet toe als leges worden geheven.
Bent u het ermee eens dat het niet in de geest is van de gewijzigde wet Kinderopvang om leges te heffen, aangezien dit een lastenverzwaring betekent?2
Zie antwoord vraag 3.
Welke voor- en nadelen ziet u in het voorstel om registratie van gastouders in de LRK centraal te organiseren? Bent u voornemens om op dit terrein stappen te zetten?
De registratie van een gastouder in het LRK is het sluitstuk van een zorgvuldig besluitvormingsproces waarvoor gemeenten wettelijk verantwoordelijk zijn. Dit proces kan als volgt worden samengevat: het gastouderbureau dient bij de gemeente een aanvraag in tot in exploitatiename van een voorziening voor gastouderopvang, de gemeente geeft de GGD opdracht om te beoordelen of de gastouder voldoet aan de kwaliteitsvereisten, de GGD doet onderzoek en brengt een (beknopt) verslag uit aan de gemeente, de gemeenten neemt een besluit, de gemeente stuurt het gastouderbureau en de gastouder een beschikking, de gemeente schrijft de gastouder al dan niet in het LRK in. Deze zelfde stappen worden doorlopen als een aanvraag wordt ingediend tot in exploitatiename van een kindercentrum of een gastouderbureau. Vanwege het grote belang van registratie voor betrokkenen is dit proces omgeven door wettelijk waarborgen van zorgvuldigheid. Zo wordt een gastouder van rechtswege geregistreerd als een gemeente niet binnen 10 weken een besluit neemt op een aanvraag. Voorts is in het proces van GGD-controle sprake van hoor en wederhoor en heeft een aanvrager de mogelijkheid van bezwaar en beroep in het geval de gemeente negatief beschikt.
Het centraliseren van uitsluitend de registratiehandeling, bijvoorbeeld bij de technisch beheerder van het LRK, levert geen efficiencywinst op. Het hiervoor beschreven proces is pas een jaar geleden ingericht. Dit nu al wijzigen zou bestuurlijk onverantwoordelijk zijn. Bovendien is er geen centraal apparaat beschikbaar dat dit hele proces zou kunnen overnemen.
Ik verken op dit moment wel de mogelijkheden tot verbetering van de effectiviteit van het toezicht door de GGD en de handhaving door gemeenten. In dit kader wordt ook een mogelijke aanpassing van de verdeelsleutel voor de toekenning van middelen aan gemeenten voor toezicht en handhaving op de kinderopvang bezien. Ik ben voornemens uw Kamer hierover uiterlijk eind april te informeren.
Het recente geweld tegen Koptische christenen in Egypte |
|
Geert Wilders (PVV), Raymond de Roon (PVV) |
|
|
|
|
Kent u de berichtgeving over recent geweld tussen moslims en Kopten in Egypte?1
Ja.
Kunt u bevestigen dat de aanleiding voor de gewelddadige clash tussen moslims en Kopten op 8 maart 2011, met 13 doden en meer dan 140 gewonden, lag in het feit dat moslims in Helwan een kerk hebben platgebrand en, om zout in de wonden te strooien, vervolgens dinsdag terugkwamen op diezelfde plek om massaal te bidden?
Op 8 maart jl. heeft een gewelddadige confrontatie plaatsgevonden tussen moslims en christenen in de wijk Mokattam in Cairo. De aanleiding voor dit geweld was de vernieling van een kerk in Sol (Helwan). Deze is vernield en in brand gestoken na een uit de hand gelopen ruzie over een relatie tussen een koptische man en een islamitische vrouw waarbij familieleden van beide betrokkenen zijn omgekomen. De kerk wordt weer door de Egyptische strijdkrachten opgebouwd.
De door u genoemde aantallen aanwezige moslims en christenen kan ik niet bevestigen. Volgens de Egyptische autoriteiten zijn bij de gevechten vijftien doden gevallen, waarvan in elk geval tien kopten. Ook waren er meer dan honderd gewonden. Volgens koptische ooggetuigen zouden er zowel door het Egyptische leger als door burgers schoten zijn gelost. Het leger zegt slechts in de lucht te hebben gevuurd om de menigte uiteen te drijven.
Naar aanleiding van de confrontaties tussen moslims en kopten in Sol en Mokattam heeft de Nederlandse ambassade op 10 maart jl. een bezoek gebracht aan Mokattam. Hier is met een aantal koptische geestelijken gesproken. Zij benadrukten dat de verhouding tussen de christenen en de moslims in de wijk gewoonlijk goed is.
Op 12 maart jl. is door de Nederlandse ambassade eveneens een bezoek gebracht aan Sol. Uit gesprekken met christelijke inwoners werd duidelijk dat ook het conflict in Sol niet representatief is voor het dagelijks leven aldaar. Volgens de inwoners leven moslims en christenen daar gewoonlijk vreedzaam naast elkaar. Vooraanstaande geestelijken van beide zijden hebben Sol inmiddels ook bezocht en pleiten voor verdraagzaamheid.
Is het waar dat 1000 Kopten die demonstreerden tegen het platbranden van die kerk, werden beschoten door moslims? Worden in die omgeving christelijke huizen en werkplaatsen regelmatig onder vuur genomen en demonstrerende christenen gestenigd?
Zie antwoord vraag 2.
Is het waar dat in de buitenwijk Mokattam van Cairo een menigte van 15 000 moslims een groep van 500 demonstrerende Kopten aanviel met stenen en een Koptisch klooster bekogelde met molotov-cocktails? Heeft vervolgens het Egyptisch leger, tezamen met de moslims, met scherp geschoten op de Kopten waarbij 9 van hen om het leven kwamen en 150 van hen werden gewond?
Zie antwoord vraag 2.
Zijn er gedurende de 18-daagse Egyptische revolutie in januari 2011 christenen (gemeld wordt: 24 personen) afgeslacht door moslims de hun kans schoon zagen?
Tijdens de revolutie zijn in Sharona (Opper-Egypte) op 30 januari jl. acht christenen en een moslim gedood. Het ging hierbij om een familievete naar aanleiding van een interreligieuze relatie. Er zijn daarnaast gedurende de revolutie meer dan 350 mensen omgekomen, ook christenen, maar zij kwamen niet om door sektarisch geweld.
Indien de berichtgeving waar is, deelt u dan de mening dat invloed van de Moslimbroederschap op het bestuur van Egypte ertoe kan leiden dat de situatie van de Kopten nog verder zal verslechteren? Wilt u de Egyptische regering duidelijk maken dat in dat geval Nederland de associatieovereenkomst van de EU met Egypte op zal zeggen? Zo nee, waarom niet?
Het is de verantwoordelijkheid van de autoriteiten om de positie van kopten en andere religieuze minderheden te beschermen, ongeacht welke partijen deel van de regering uitmaken. De positie van koptische christenen en andere religieuze minderheden in Egypte en de regio vormen regelmatig onderwerp van gesprek in de EU Raad Buitenlandse Zaken. Nederland pleit in EU-verband voor snelle uitvoering van concrete maatregelen naar aanleiding van de raadsconclusies over godsdienstvrijheid van de Raad van februari jl. Mocht de situatie van religieuze minderheden verslechteren, dan moet in EU verband bekeken worden welke aanvullende maatregelen genomen kunnen worden.
Bent u bereid de islamitische agressie tegen Koptische christenen in Egypte aan de orde te stellen in de 16e vergadering van de VN-Mensenrechtenraad en daar adequate maatregelen te verlangen? Zo nee, waarom niet?
De EU heeft het recente interreligieuze geweld in o.a. Egypte opgebracht tijdens de 16e vergadering van de VN Mensenrechtenraad. Mede op aandringen van Nederland organiseerde de EU tijdens deze Raad bovendien een side-event over de vrijheid van godsdienst en levensovertuiging en geweld tegen religieuze minderheden.
Wilt u bij de Egyptische regering aandringen op doeltreffende bescherming van mensen tegen agressie door islamieten en het Egyptisch leger? Zo nee, waarom niet?
De Egyptische ambassadeur in Den Haag is reeds op 11 maart jl. door het ministerie van Buitenlandse Zaken aangesproken op het recente geweld en gewezen op de verantwoordelijkheid van de Egyptische autoriteiten voor de bescherming van religieuze minderheden en respect voor hun fundamentele vrijheden. De Nederlandse ambassade in Cairo brengt dit eveneens in reguliere gesprekken met de Egyptische regering op.
Het voornemen tot opheffing van de gemeente Millingen aan de Rijn |
|
Pierre Heijnen (PvdA) |
|
|
|
|
Heeft u kennisgenomen over het voornemen tot opheffing van de gemeente Millingen aan de Rijn?1
Ja.
Is het bericht waar?
Ja. Bij brief van 15 maart 2011 geeft het college van de gemeente Millingen aan de Rijn aan, dat voor «een structurele oplossing» voor de problematiek van deze gemeente «een gemeentelijke herindeling onvermijdelijk is».
Zo ja, kan de Kamer een afschrift van de brief van het gemeentebestuur van Millingen aan de Rijn ontvangen?
Ja, zie de bijlage.
Is het waar dat omliggende gemeenten als Ubbergen en Groesbeek een fusie hebben geweigerd?
Het college van Millingen aan de Rijn heeft de besturen van omliggende gemeenten gevraagd een reactie te geven op een eventuele gemeentelijke herindeling. Het college van de gemeente Groesbeek geeft bij brief van 4 maart 2011 aan dat er veel bestuurlijk draagvlak bestaat voor intensieve samenwerking met Millingen aan de Rijn, maar niet voor een samenvoeging van deze gemeenten. Het college van Millingen aan de Rijn heeft echter (nog) geen standpunt van het gemeentebestuur van Ubbergen ontvangen.
Wat heeft de provincie in haar rol van toezichthouder gedaan om de problemen van Millingen aan de Rijn op te lossen? Waarom is dat tot op heden niet gelukt?
De rol van de provincie Gelderland als toezichthouder op de gemeente Millingen aan de Rijn is, chronologisch, als volgt geweest.
Vanwege de zorgelijke financiële situatie in 2005 is Millingen aan de Rijn in dat jaar onder preventief toezicht geplaatst door gedeputeerde staten van Gelderland. In samenwerking met de toenmalige Inspectie Financiën Lokale en provinciale overheden (IFLO) is in 2005 door de provincie een begrotingsscan opgesteld. Mede dankzij het opvolgen van de aanbevelingen in deze scan, is Millingen aan de Rijn tussen 2006–2009 er weer in geslaagd om sluitende begrotingen vast te stellen. In 2007/2008 heeft het gemeentebestuur van Millingen aan de Rijn een bestuurskrachtmeting uitgevoerd, waarbij de provincie Gelderland ondersteuning heeft geboden. Als uitvloeisel van deze meting is onder andere de ambtelijke organisatie van de gemeente Millingen aan de Rijn in 2009 ondergebracht bij de gemeente Groesbeek. Met financiële steun van de provincie is dit tot stand gebracht. Toen in het voorjaar 2009 bleek dat de financiële perspectieven van Millingen aan de Rijn aanmerkelijk verslechterden, is door de provincie, in overleg met het gemeentebestuur, een stappenplan opgesteld over de financiële problematiek.
In 2010 is Millingen aan de Rijn voor de tweede keer onder preventief toezicht van de provincie geplaatst en is opnieuw een begrotingsscan uitgevoerd. De uitkomsten hiervan betekenden een beter inzicht in de financiële positie van de gemeente. De aanbevelingen uit de scan zijn zoveel mogelijk in de begroting 2011 verwerkt, maar leidden niet tot een verbetering van de financiële positie. Op basis van de uitkomsten van de begroting 2011 en meerjarenbegroting 2012–2014 heeft de gemeenteraad van Millingen aan de Rijn in november 2010 besloten voor het begrotingsjaar 2011 een aanvraag te doen voor een aanvullende uitkering uit het Gemeentefonds op grond van artikel 12 Financiële verhoudingswet.
De financiële problematiek van Millingen aan de Rijn is het gevolg van een combinatie van factoren. Mede als gevolg van de economische recessie wordt deze gemeente al enige jaren geconfronteerd met hogere uitgaven in het kader van de WMO en de WWB. Verder blijkt uit de begrotingsscan, dat het deze gemeente ontbeert aan mogelijkheden om extra inkomsten te genereren, bijvoorbeeld uit aandelen in nutsbedrijven en uit grondexploitatie. De aanbevelingen uit de scans en bestuurkrachtmeting zijn weliswaar opgevolgd maar hebben een beperkte positieve invloed gehad en zijn derhalve onvoldoende gebleken om de financiën van Millingen aan de Rijn duurzaam op orde te krijgen.
Bent u bereid om op de kortst mogelijke termijn maatregelen te nemen die een antwoord bieden op de problemen van de gemeente Millingen aan de Rijn en de Kamer daarover te rapporteren?
Zoals in de beantwoording van de vorige vraag is aangegeven, heeft Millingen aan de Rijn voor het begrotingsjaar 2011 een aanvraag gedaan voor aanvullende uitkering uit het Gemeentefonds op grond van artikel 12 Financiële verhoudingswet. De besluitvorming over deze aanvraag zal plaatsvinden op grond van de daarvoor geldende procedure en termijnen.
Het bevorderen van de oplossing van de problemen van de gemeente Millingen aan de Rijn is een eerste verantwoordelijkheid van het provinciebestuur van Gelderland. Ik ga er van uit, dat het provinciebestuur van Gelderland deze rol zal oppakken.
De hogere instroom in de Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen (WIA) |
|
|
|
|
Paul de Krom (staatssecretaris sociale zaken en werkgelegenheid) (VVD) |
|
Bent u bekend met het artikel «Instroom in WIA blijft steeds verder toenemen»?1
Ja.
Deelt u de analyse uit het artikel dat de hogere instroom in de WIA te maken heeft met de demografische ontwikkeling, hernieuwde aanvragen van «35-minners», de recente inwerkingtreding van de WIA en de economische crisis?
Ja. Vorig jaar is een analyse verricht over de WIA-instroom in de periode 2006–2009. Daaruit kwam naar voren dat de stijging van de WIA-instroom een aantal oorzaken kent:
De hierboven genoemde punten verklaren 90% van de stijging van de WIA-instroom in de periode 2006–2009. In deze analyse is niet vastgesteld wat de invloed van de economische crisis is op de WIA-instroom. Dat de economische crisis enige invloed heeft, is echter mogelijk.
Hoe groot is de instroom in de WIA die in de begroting van 2011 werd verwacht? Hoe groot is de verwachte instroom in de WIA op basis van de nieuwe cijfers?
In de SZW-begroting 2011 werd uitgegaan van een WIA-instroom van 33 000 personen. De nieuwste raming gaat uit van een WIA-instroom van 37 500 personen in 2011. Voor de volledigheid merk ik hierbij op dat de WIA-instroom in vergelijking met de eerdere WAO-instroom en in vergelijking met de instroom zoals deze geraamd is bij de totstandkoming van de WIA nog steeds laag is.
Hoe groot zijn de budgettaire tegenvallers voor 2011 en structureel als gevolg van de hoger dan verwachte instroom in de WIA?
Met de voorjaarsnota zal het kabinet de kamer informeren over de actuele budgettaire problematiek en oplossingen daarvoor.
De handhaving van de 15-minutennorm met betrekking tot de ambulancezorg op het eiland Goeree-Overflakkee |
|
Kees van der Staaij (SGP) |
|
Edith Schippers (minister volksgezondheid, welzijn en sport) (VVD) |
|
|
|
|
Is het waar dat slechts 49% van de ambulances in de gemeente Goedereede bij hoogste prioriteit de 15-minutennorm haalt, waarvan in de woonkern Ouddorp slechts 32,7%? Klopt het dat 56,5% van de spoedritten binnen de norm wordt behaald in de gemeente Oostflakkee, waarvan in de woonkern Ooltgensplaat slechts 5%?
Ja, bij navraag bij de Veiligheidsregio Rotterdam-Rijnmond (VRR) blijken de genoemde overschrijdingspercentages te kloppen. Dit wordt mede veroorzaakt door de specifieke geografische omstandigheden. Deze gebieden zijn dusdanig dunbevolkt dat er maar een zeer klein gedeelte van de ambulanceritten ingezet hoeft te worden. Vanaf de dichtstbijzijnde ambulancestandplaats is de gemiddelde aanrijdtijd naar de randen van de regio tussen de 16 en 23 minuten op Goeree-Overflakkee.
Kunt u vanuit uw verantwoordelijkheid voor de bereikbaarheid van de zorg uiteenzetten wat de oorzaken ervan zijn dat de 15-minutennorm in deze gemeenten zo slecht behaald wordt, terwijl de prestatie voor de hele Veiligheidsregio Rotterdam-Rijnmond (VRR) gemiddeld 92,2% is?
De regionale ambulancevoorziening (RAV) is verantwoordelijk voor de invulling van het Referentiekader Spreiding & Beschikbaarheid, opgesteld door het RIVM. Dit kader wordt gevolgd als richtlijn voor het realiseren van een dusdanige dekking van het gebied dat 97% van de bevolking in 95% van de gevallen binnen 15 minuten aanrijdtijd bereikt kan worden.
De VRR kenmerkt zich enerzijds door een sterk verstedelijkt gebied en anderzijds door een zeer landelijk gebied dat deels door water doorsneden wordt. Het overgrote deel van de ambulanceritten vindt plaats in het verstedelijkte gebied van de regio.
Aan de randen van de regio is de dekkingsgraad lager. De overschrijdingspercentages moeten binnen deze context worden gezien. Ter illustratie: Van het totaal aantal ambulanceritten dat in de gehele VRR wordt verreden, wordt 0,7% verreden in de gemeente Goedereede en 0,5% in de woonkern Ouddorp. In de gemeente Oostflakkee gaat het om 0,5% van het totaal aantal ritten en 0,1% in de woonkern Ooltgensplaat.
Dat er in de gehele regio gemiddeld 92,2% van de A1-ritten op tijd arriveert, geeft aan dat de algehele dekking redelijk is en de streefnorm van 95% benaderd wordt. Wanneer meer ambulances naar de randen van de regio zouden worden verplaatst, brengt dit een stijging van de gemiddelde aanrijdtijd voor de hele regio met zich mee en een daling van het percentage A1-ritten dat binnen de 15 minuten blijft.
Welke concrete stappen onderneemt u om ervoor te zorgen dat de 15-minutennorm op het eiland Goeree-Overflakkee gegarandeerd wordt?
Er wordt door de VRR onderzocht hoe de prestaties in randen van de regio kunnen worden geoptimaliseerd, zonder dat dit ten koste gaat van het overgrote deel van de inwoners dat in het verstedelijkt gebied woont. Onder andere wordt gekeken of productdifferentiatie verder kan worden doorgevoerd en Rapid Responders (zoals bijvoorbeeld de motorambulance) kunnen worden ingezet als vooruitgestuurd voertuig, waardoor medische zorg eerder ter plaatse is.
De verenigbaarheid van de WIA met ILO verdrag 121 |
|
Roos Vermeij (PvdA) |
|
Paul de Krom (staatssecretaris sociale zaken en werkgelegenheid) (VVD) |
|
|
|
|
Bent u bekend met het bericht: «WIA in strijd met arbeidsverdrag»?1
Ja.
Bent u bekend dat ten tijde van de wetsbehandeling van de WIA al meerdere malen is aangekaart, dat de WIA niet voldoet aan de internationale normen? Bent u bekend met het feit dat op verzoek van de Kamer in 2005 al een informele opinie van de ILO is gevraagd? Weet u dat toenmalig minister De Geus hiervoor zelfs persoonlijk naar Genève is geweest?12
Voor het antwoord op deze vraag verwijs ik naar mijn brief van heden aan de Tweede Kamer over de zienswijze van de ILO.
Bent u bekend met het feit dat de toegezegde informele opinie van de ILO door toenmalig minister de Geus er nooit is gekomen, omdat de wet WIA al van kracht was geworden? Weet u dat de toenmalige regering in die tijd wel schrijft dat er geen enkele twijfel is aan de houdbaarheid van de WIA ten opzichte van ILO-Verdrag 121? Zo ja, wat is uw menig hierover met de kennis van nu? Bent u ervan op de hoogte, dat volgens uw voorganger, minister Donner, de hele gang van zaken rondom de medewerking van Nederland met betrekking tot de mogelijke totstandkoming van een oordeel van de ILO geen schoonheidsprijs verdiende?3
Voor het antwoord op deze vraag verwijs ik naar mijn brief van heden aan de Tweede Kamer over de zienswijze van de ILO.
Ik vind het een goede zaak dat het Comité van Deskundigen van de ILO zijn zienswijze over de verenigbaarheid van de WIA met ILO-verdrag nr. 121 heeft gegeven.
Deelt u de mening dat het goed is dat de ILO zich eindelijk een formeel oordeel heeft geveld over de verenigbaarheid van ILO verdrag 121 met de WIA?
Voor het antwoord op deze vraag verwijs ik naar mijn brief van heden aan de Tweede Kamer over de zienswijze van de ILO.
Hecht u aan de ILO die een belangrijke bijdrage levert aan een internationale rechtsorde op sociaaleconomisch terrein?
Voor het antwoord op deze vraag verwijs ik naar mijn brief van heden aan de Tweede Kamer over de zienswijze van de ILO.
Wat is uw reactie op het harde en duidelijke oordeel van de ILO dat de drempel van de WIA( 35%) te hoog is en daarmee in strijd met ILO-Verdrag 121?
Zie antwoord vraag 5.
Welke stappen gaat de u nemen, nu de ILO het oordeel heeft geveld, dat de van meet af aan omstreden WGA-vervolguitkering niet voldoet aan de ILO normen van Verdrag 121?
Zie antwoord vraag 5.
Bent u ook bekend dat naar het oordeel van de ILO de hoogte van de WGA vervolguitkering moet worden afgeleid van het laatstverdiende loon en niet, zoals nu, van het minimumloon? Bent u voornemens om de WIA aan te passen, zodat de WIA aan de normen van ILO-Verdrag 121 gaat voldoen? Zo ja, op welke wijze?
Subsidies voor innovatie technologieën voor de Floriadetentoonstelling 2012 in Venlo |
|
Han ten Broeke (VVD), Erik Ziengs (VVD) |
|
Maxime Verhagen (minister economische zaken en klimaat, viceminister-president ) (CDA) |
|
|
|
|
Bent u bekend met Villa Flora, het innovatieve kantoorpark op de tentoonstelling Floriade 2012 in Venlo, waar wordt geadverteerd met innovatieve klimaatbeheersing door een warmtewisselaar van het bedrijf Fiwihex?1
Ja.
Is het u bekend dat deze installatie nooit is geïnstalleerd omdat achtereenvolgend onmogelijke eisen zijn gesteld, zoals a) een garantie dat het innovatieve systeem na 10 jaar in de markt staat, b) herhaaldelijke productaanpassingen op basis van steeds weer wijzigende beursfaciliteiten, c) verplicht onderzoek en onkosten ter waarde van 50% van de eventuele omzet, om vervolgens te worden afgewezen?
Ja, het is mij bekend dat een andere warmtewisselaar wordt geïnstalleerd. Het is mij ook bekend dat de aannemer van kantorenpark Villa Flora vragen heeft gesteld over de leverbaarheid, betaalbaarheid en de prestaties van de Fiwihex warmtewisselaar. De aannemer heeft op basis van de verkregen informatie zijn eigen afweging gemaakt voor de toepassing van een duurzaam systeem.
Klopt het dat er diverse subsidies zijn gegeven door de gemeente Venlo, de omringende vijf gemeenten, de provincie Limburg en het Rijk onder de voorwaarde dat de meest innovatieve technologieën voor de horticultuurtentoonstelling in Villa Flora worden gebruikt, hetgeen voor wat betreft de klimaatbeheersing niet het geval lijkt te zijn?
De Floriade 2012 is hét internationale platform voor duurzaamheid en innovaties waarbij veel bezoekers uit binnen- en buitenland kennis kunnen maken met de innovatieve kracht van de Nederlandse agribusiness. Deze opzet past binnen de ambities van het kabinet en heeft daarom de steun van de Rijksoverheid.
Vanuit de regeling Unieke Kansen Programma «Naar Energieneutrale Scholen en Kantoren» heeft de Rijksoverheid een maximale bijdrage toegekend van
€ 500 000,– aan het project Villa Flora. Deze regeling bevat niet de specifieke voorwaarde dat alleen de meest innovatieve technologieën moeten worden toegepast. Het doel is om de energieprestatie van een nieuwbouwkantoor significant te verlagen. Voor wat betreft de subsidieverlening van de gemeenten en provincie wil ik opmerken dat de regio hierin haar eigen verantwoordelijkheid heeft om de financiële middelen op een effectieve manier in te zetten.
Is het u bekend dat de aannemer een nieuwe leverancier heeft gekozen die duidelijk minder innovatief is, zoals ook bleek bij de onderzoeken door de Wageningenuniversiteit? Welke redenen zijn hier door de aannemer voor opgegeven? Kunt u uitsluiten dat hierbij belangenverstrengeling heeft plaatsgevonden?
Ja, het is mij bekend dat de aannemer een andere leverancier heeft geselecteerd. De aannemer heeft gekeken naar de leverbaarheid, betaalbaarheid en de prestaties van het Fiwihex warmtewisselaar. Zoals eerder vermeld, heeft de aannemer op basis van de verkregen informatie zijn eigen afweging gemaakt voor de toepassing van een duurzaam systeem.
Kunt u ervoor instaan dat de rijkssubsidie die ten doel had de innovatie te bevorderen, goed besteed is in plaats van een minder innovatief systeem heeft bevoordeeld?
De regeling Unieke Kansen Programma «Naar Energieneutrale Scholen en Kantoren» heeft tot doel projecten te stimuleren die zich onderscheiden door energiezuinigheid, duurzaamheid en organisatorische innovaties in de bouwkolom. De projecten moeten bovendien kunnen fungeren als voorbeeld en inspiratiebron. Een belangrijke subsidievoorwaarde is het voldoen aan de Energie Prestatie Coëfficiënt van ≤ 0,75. De uiteindelijke subsidietoekenning geschiedt op basis van gemeten energieprestatie, dus als het project in de praktijk de beloofde energieprestatie niet kan realiseren, zal alsnog geen subsidie worden uitgekeerd. De opzet van Villa Flora past binnen het kader van de subsidieregeling.
Arrestaties in Irak |
|
Harry van Bommel (SP) |
|
|
|
|
Is het waar dat tenminste tien mensen in Irak zijn gearresteerd naar aanleiding van een demonstratie tegen werkloosheid, corruptie en slechte sociale omstandigheden in Bagdad op 7 maart? Indien nee, wat zijn dan de feiten?1
Naar aanleiding van de recente demonstraties hebben tientallen arrestaties plaatsgevonden, niet alleen in Bagdad maar ook in Erbil en Suleymaniya. Het is echter tot nu toe niet mogelijk het genoemde bericht te bevestigen. De Nederlandse ambassade in Bagdad en contactpersonen van internationale en Iraakse mensenrechtenorganisaties kunnen geen informatie vinden over deze arrestanten. Volgens Amnesty International zouden vier van de tien personen reeds zijn vrijgelaten op 10 maart jongstleden.
Deelt u de vrees van Amnesty International dat deze arrestanten bloot staan aan het ernstige risico op mishandeling of marteling? Indien nee, waarom niet?
Mishandeling en marteling komen in het Iraakse gevangenissysteem helaas op grote schaal voor. Mogelijk worden ook deze arrestanten hierdoor getroffen.
Bent u bereid er bij de Irakese autoriteiten op aan te dringen deze arrestanten onmiddellijk vrij te laten? Indien nee, waarom niet?
Nederland spreekt de Iraakse autoriteiten zowel bilateraal als in EU- en VN-verband aan op zijn verantwoordelijkheid om de wensen en klachten van de Iraakse bevolking serieus te nemen en de mensenrechten te eerbiedigen. Zo riep Hoge Vertegenwoordiger Ashton op 25 februari 2011 de Iraakse overheid op om de veiligheid van demonstranten te garanderen en de huidige spanning tussen burgers en overheid op te lossen door het politieke en democratische proces in plaats van door het gebruik van geweld.
Speciaal Vertegenwoordiger van de Secretaris-General van de Verenigde Naties voor Irak, de heer Melkert, riep op 2 maart de Iraakse autoriteiten op het belang van participatie van alle Irakezen in het opbouwen van de Iraakse staat en samenleving te erkennen. Hij benadrukte dat vrijheid van meningsuiting en vrijheid van vereniging fundamentele rechten zijn die moeten worden gerespecteerd. Melkert wees erop dat de VN bezorgd is over de meldingen inzake mensenrechtenschendingen door overheidspersoneel tijdens de huidige protesten en verwees daarbij naar berichten over het gebruik van disproportioneel geweld tegen demonstranten, beperkingen die worden opgelegd aan de media, en de arrestatie en detentie van demonstranten. De VN heeft het Iraakse parlement opgeroepen degenen die zich schuldig maken aan mensenrechtenschendingen te vervolgen.
Het Iraakse parlement heeft aandacht voor de mensenrechtensituatie: er is een parlementaire mensenrechtencommissie aangesteld die zich inzet voor het verbeteren van de mensenrechtensituatie in Irak. Die commissie staat in nauw contact met de ministeries van Binnenlandse Zaken en Justitie om misstanden in het Iraakse veiligheidsapparaat aan te pakken, hetgeen recentelijk heeft geleid tot de sluiting van een gevangenis die niet aan internationale standaarden voldeed. Ook zet het parlement zich er voor in zo spoedig mogelijk een onafhankelijke mensenrechtencommissie bestaande uit experts op te zetten.
De Nederlandse ambassadeur in Irak sprak op 10 maart 2011 met de Iraakse minister van Buitenlandse Zaken Zebari. In antwoord op de Nederlandse zorgen omtrent de houding van de Iraakse overheid jegens de Iraakse demonstranten gaf Zebari aan dat de Iraakse regering de klachten van de bevolking serieus neemt en werkt aan een oplossing. De Nederlandse regering zal Irak blijven aanspreken op zijn verantwoordelijkheden inzake het waarborgen van de mensenrechten en zal daarbij ook pleiten voor het vrijlaten van ten onrechte vastgezette demonstranten.
Bent u bereid er bij de Irakese regering op aan te dringen onafhankelijk onderzoek te laten doen naar deze arrestaties en de omstandigheden van gevangenhouding? Indien nee, waarom niet?
Zie antwoord vraag 3.
Bent u tevens bereid bij de Irakese regering de gerechtvaardigde klachten van de demonstranten onder de aandacht te brengen en er bij de regering op aan te dringen gevraagde hervormingen, zoals volledige vrijheid van meningsuitingen, vrijheid van vergadering, door te voeren?
Zie antwoord vraag 3.
Het proefjaar waarin de zeeverkeerscentrale en de vuurtorens naast elkaar weken |
|
Lutz Jacobi (PvdA) |
|
Joop Atsma (staatssecretaris infrastructuur en waterstaat) (CDA) |
|
|
|
|
Herinnert u zich uw antwoorden van 22 december 2010 op eerdere vragen over de ingebruikname en testperiode van de zeeverkeerscentrale?1 Bent u bereid nadere details te geven over de proef die u een jaar lang gaat houden, waarin de zeeverkeerscentrales en de bemande vuurtorens naast elkaar opereren?
Ja, de antwoorden herinner ik mij. Ik heb de antwoorden immers zeer recent aan u gegeven. Specifieke informatie over de uitwerking van het vergelijkingsjaar kan ik u echter nog niet geven op dit moment. Thans wordt met de leverancier overlegd over de radar op Schiermonnikoog en over het ontwerp van het camerasysteem. Zodra daar overeenstemming over is bereikt zullen de plannen voor het vergelijkingsjaar worden uitgewerkt.
Is het uw bedoeling om tijdens het draaien van de proef zowel de vuurtoren op Schiermonnikoog als op Terschelling te bemensen en in de proef op te nemen? Zo nee, waarom niet?
Ja, zoals u weet heb ik dat in december toegezegd.
Welke functie en taken hebben de mensen die in het proefjaar de vuurtorens gaan bezetten? Hoe laat de taakverdeling zich vergelijken tot de situatie zoals die op dit moment bestaat?
Omdat de definitieve plannen voor het vergelijkingsjaar nog moeten worden vastgesteld, kan ik u hierover op dit moment nog geen sluitende informatie geven.
Behoort de radarbegeleiding van schepen ook tot de taken die de vuurtorenwachters tijdens de proef uitvoeren? Zo ja, hoe vindt de afbakening plaats van de taken van de vuurtorenwachters en de medewerkers van de zeeverkeerscentrale? Zo nee, hoe kan zonder begeleiding vanaf de vuurtoren tijdens de proef een goede vergelijking gemaakt worden tussen begeleiding vanuit de centrale en vanaf de toren?
Zie antwoord 3. Uitgangspunt is dat de veiligheid op de Waddenzee minimaal gehandhaafd blijft, ook tijdens de vergelijking tussen verkeersbegeleiding vanaf de vuurtoren en vanuit de Zeeverkeerscentrale.
Waarom is gekozen voor een bezetting van de vuurtorens van gemiddeld twaalf uur per dag in plaats van vierentwintig uur per dag? Op welke tijden zullen de vuurtorens bezet zijn? Hoe kunt u weten dat bezetting op de overige tijden geen meerwaarde zal hebben en dus niet in de proef opgenomen hoeft te worden?
Een definitief besluit over de bezetting van de vuurtorens neem ik pas op basis van de bevindingen uit het vergelijkingsjaar. Wél heb ik toegezegd dat de vuurtorens op termijn gemiddeld twaalf uur per dag worden bezet omdat de aanwezigheid van het menselijk oog overdag in mijn ogen zeer gewenst is.
Welke vorderingen zijn sinds de beantwoording van de vorige vragen gemaakt met de opbouw van het radarsysteem en de inrichting van de zeeverkeerscentrale? Wanneer verwacht u dat de proef kan beginnen?
Sinds december 2010 zijn door de leverancier van het radarsysteem op Schiermonnikoog diverse aanpassingen doorgevoerd om het radarsysteem aan de eisen te laten voldoen. Het systeem wordt nu getest waarna zal blijken of het aan de gestelde eisen kan gaan voldoen. Met de inrichting van de Zeeverkeerscentrale op Terschelling wordt pas gestart nadat het radarsysteem voldoet en er overeenstemming is over het camerasysteem. Het evaluatiejaar begint na een succesvolle ingebruikname toets van de Zeeverkeerscentrale.
Bent u bereid na afloop van de proef alle opties open te houden, inclusief het herintroduceren van permanent bemenste vuurtorens en de ontmanteling van de zeeverkeerscentral?
Zie het antwoord op vraag 5.
Het rapport naar aanleiding van het artikel 'Order fregatten achter bezoek Beatrix aan Oman' |
|
Arjan El Fassed (GL) |
|
|
|
|
Bent u bekend met het artikel «Order fregatten achter bezoek Beatrix aan Oman»?1
Ja.
Is er reeds een vergunning aangevraagd voor de mogelijke levering van de in het artikel genoemde fregatten? Zo ja, is reeds gestart met onderzoek naar een exportvergunning voor de mogelijke levering van deze fregatten en bent u bereid dit zo spoedig mogelijk te delen met de Kamer? Zo nee, heeft de regering reeds een inschatting wanneer dit verzoek zal komen en is hij bereid hierover navraag te doen bij de leverancier Damen/De Schelde en de Kamer hierover zo spoedig mogelijk te informeren?
Nee. Er is geen formele vergunning aangevraagd. Een formele aanvraag voor een uitvoervergunning moet onder meer vergezeld gaan van een getekend contract en dat is voor de geschetste transactie nog niet beschikbaar. Wel is in 2010 een sondage ingediend naar de mogelijke verkoop van vier korvetten aan Oman. Een sondage is een proefaanvraag, waarmee een bedrijf kan onderzoeken of er onder de op dat moment geldende omstandigheden een vergunning vertrekt zou worden of niet. De sondage doorloopt daarvoor het hele beoordelingstraject, inclusief de toetsing aan de acht criteria van het Gemeenschappelijk Standpunt inzake wapenexport, maar de uitkomst is niet een verklaring van geen bezwaar of een garantie dat in de toekomst een vergunning zal worden afgegeven. De uitkomst zegt iets over dat moment en bevat altijd het voorbehoud dat een formele aanvraag opnieuw getoetst zal worden met inachtneming van de dan geldende omstandigheden. In het onderhavige geval was de uitkomst van de sondage overigens positief omdat er geen reden was om te vrezen dat de goederen zouden worden ingezet bij mensenrechtenschendingen of bij acties die eventueel tot interne of regionale destabilisatie zouden kunnen leiden.
Wanneer u de beoordeling van dit verzoek aan de Kamer stuurt, bent u dan bereid aan te geven hoe in dat verband is getoetst aan de wapenexportcriteria, meer in het bijzonder een uitsplitsing naar de criteria 2 (mensenrechten), 3 (interne situatie) en 4 (regionale spanningen)?
De regering is transparant in de rapportage over wapenexportvergunningen. Indien een aanvraag voor een exportvergunning voor deze korvetten wordt ingediend, is de regering, zoals gebruikelijk, bereid om het besluit daarover toe te lichten in de Kamer.
Kunt u aangeven op welke manier Oman momenteel bestrokken is bij antipiraterij activiteiten, dan wel concrete plannen heeft in die richting?
Tot op heden heeft Oman een bescheiden maar constructieve rol gespeeld op het terrein van piraterijbestrijding. Aangezien het risicogebied voor piraterij zich heeft uitgebreid, en piraten steeds vaker schepen aanvallen in de Arabische Zee, is het waarschijnlijk dat de betrokkenheid van Oman bij piraterijbestrijding verder zal toenemen.
Deelt u de mening dat de bewuste marineschepen niet alleen tegen piraterij maar evengoed ook meer offensieve taken vervullen en onderdeel zijn van een streven van Oman naar een stevige maritieme macht?
De betreffende korvetten zullen naar verwachting worden ingezet ter bescherming van de territoriale wateren van Oman en bij de bestrijding van piraterij. Deze schepen lenen zich minder voor offensieve acties of vervoer van troepen en materieel. Oman voert geen offensief buitenlands beleid. De inzet van de schepen bij de bestrijding van piraterij in de regio dient tevens een internationaal belang. Het draagt bij aan toename van de stabiliteit rond het Arabische schiereiland en in de Straat van Ormuz.
Deelt u de mening dat in het licht van de huidige ontwikkelingen, zowel in Oman, als in de wijdere Arabische wereld, het onverstandig is een positief oordeel te vellen over een eventuele order? Bent u bereid een eventueel het positief advies te heroverwegen?
De regering betracht de grootst mogelijke nauwkeurigheid bij de behandeling van wapenexportaanvragen. De daadwerkelijke vergunningaanvraag voor de onderhavige transactie zal, zoals gebruikelijk, aan de hand van de acht criteria van het EU Gemeenschappelijk Standpunt worden getoetst. Hierbij zal zorgvuldig rekening worden gehouden met de situatie zoals die op dat moment in de regio geldt.
Recente uitlatingen van de Turkse premier erdogan over de integratie van Turken in Duitsland |
|
Han ten Broeke (VVD) |
|
|
|
|
Kent u de recente uitspraken van de Turkse premier Erdogan1 waarin hij Turken in Duitsland opriep om hun kinderen eerst Turkse te leren en dan pas Duits?
Ja.
Deelt u de reactie van de Duitse minister van Buitenlandse Zaken, Guido Westerwelle, dat het leren van de taal juist de sleutel is tot integratie, ook in Nederland?
Ja. Voor migranten die zich in Nederland vestigen is het van belang om in te burgeren en de Nederlandse taal te leren. Uitgangspunt daarbij is dat men zelf verantwoordelijk is om het vereiste niveau van kennis te behalen, zodat men participeert in de samenleving en daarbij zelfredzaam kan zijn.
Wat vindt u van het feit dat dit in korte tijd de derde uitspraak is, na de speech van Erdogan in Keulen in 2008 en de kritiek op het integratiebeleid van Nederland en Oostelijk van januari jongstleden door de Turkse regering, die de integratie van Turken in Europa op het spel zet?
De inhoud van deze derde uitspraak van premier Erdoğan is niet nieuw. Zo is bekend dat de Turkse regering een onderscheid wil maken tussen integratie en assimilatie van Turkse onderdanen in Europa. Zij is daarbij voorstander van integratie, maar tegen pogingen tot assimilatie. Het Kabinet is van mening dat migranten en hun kinderen zelf hun identiteit mogen vormgeven, zolang dit gebeurt op een manier die past binnen de wet en zonder dat het hun participatie belemmert. Dit Kabinet beschouwt participatie, zelfredzaamheid en integratie als wezenlijk voor een succesvol bestaan en maatschappelijke samenhang in Nederland.
Bent u bereid deze systematische bemoeienis van de Turkse regering met Turkse diaspora in Europees verband aan te kaarten?
Een band met Turkije hoeft geen belemmering te zijn voor de integratie, zolang deze op basis van vrijwilligheid en binnen de grenzen van de wet plaatsvindt. Turkse Nederlanders dienen hun individuele keuzevrijheid te behouden, gericht op participatie in de Nederlandse samenleving. Vrijwilligheid moet het uitgangspunt blijven in contacten met de Turkse overheid. Indien dit niet het geval is, is er ongewenste overheidsbemoeienis. In de voorbije periode is met de Turkse overheid geregeld hierover gesproken. Recentelijk heb ik, tijdens mijn bezoek aan Ankara op 2 februari jl., nadrukkelijk het Nederlandse integratiebeleid uiteengezet. Hierbij heb ik gewezen op het belang van inburgering en het leren van de Nederlandse taal. Het Kabinet is het in dit licht ten principale oneens met genoemde uitspraken van premier Erdoğan.
Vindt u dat deze opmerkingen van Erdogan een bijdrage leveren aan het integratieproces van het land Turkije in de Europese Unie? Of deelt u de mening dat de systematische beïnvloeding van de Turkse diaspora in Europa contraproductief is voor zowel de integratie van Turkse migranten in Europa als de integratie van Turkije in de Europese Unie?
Zie antwoord vraag 4.
Het terugplaatsen van orka Morgan |
|
Esther Ouwehand (PvdD) |
|
|
|
|
Kunt u alsnog een inhoudelijke reactie geven op het plan van de organisatie «Free Morgan»1, waarin wordt aangegeven hoe Morgan in het wild kan worden teruggeplaatst? Zo nee, waarom niet?
Ik verwijs voor een antwoord op deze vragen naar mijn brief van 25 maart jl. waarin ik reageer op het wetenschappelijk rapport over de orka Morgan (Kamerstuk 28 286, nr. 496).
Aan welke criteria hebt u het besluit van het Dolfinarium, om Morgan niet terug te plaatsen in het wild, getoetst?2 Kunt u uiteenzetten of, en zo ja op welke wijze en met welk resultaat het plan tot het terugplaatsen van de orka in deze toets serieus is betrokken? Zo nee, waarom niet?
Zie antwoord vraag 1.
Hoe beoordeelt u het welzijn van orka’s in gevangenschap en in amusementsparken en op basis van welke (wetenschappelijke) inzichten komt u tot dit oordeel? Hoe verhoudt uw oordeel zich tot de gevangenschap van Morgan in het Dolfinarium?
Het Dolfinarium in Harderwijk is de enige organisatie in Nederland die orka’s tijdelijk mag houden of opvangen. Daarvoor moet het Dolfinarium voldoen aan vereisten uit de Flora en faunawet en Diergezondheids- en welzijnswet. Met die vereisten wordt dus ook invulling gegeven aan welzijnseisen, ongeacht of de orka voor wetenschappelijke of educatieve doeleinden wordt gehouden of opgevangen.
Het Dolfinarium heeft met veel zorg en veterinaire deskundigheid de orka Morgan opgevangen. Het herstel van de orka verloopt voorspoedig en het dier oogt gezond. De faciliteiten van het Dolfinarium zijn echter onvoldoende voor een permanent verblijf van de orka Morgan. Om die reden is het Dolfinarium op zoek naar een verblijf dat wel de geschikte faciliteiten heeft en dat vervolgens invulling kan geven aan een wetenschappelijke en educatieve rol voor de orka.
Voor verplaatsing van de orka Morgan naar het buitenland is een CITES-vergunning of EG-certificaat vereist. Beide documenten worden gebaseerd op het advies van de bevoegde onafhankelijke wetenschappelijke autoriteit, zoals voorgeschreven door het CITES-verdrag en de relevante Europese verordeningen. De aanvrager dient bij vervoer aan de internationale wetgeving voldoen. Ingeval bij vervoer door de lucht dient aan de vervoerseisen uit de IATA-richtlijn te worden voldaan. Verder dient het dier rechtmatig verkregen te zijn.
Ik acht het niet nodig dat de Tweede Kamer zich uitspreekt over voornemens tot verplaatsing en vertrouw op het oordeel van de CITES autoriteiten. Uiteraard zal ik uw Kamer wel informeren.
Klopt het dat volgens het huidige protocol «Opvang en rehabilitatie op het Dolfinarium, doel, beleid en knelpunten» uit 2002 het Dolfinarium Morgan alleen mag verplaatsen voor educatieve of wetenschappelijke doeleinden? Zo ja, wat wordt er precies en concreet verstaan onder educatief?
Zie antwoord vraag 3.
Vindt u een amusementspark als het Dolfinarium Harderwijk of Sea World in Californië ook onder wetenschappelijke doeleinden vallen? Zo ja, wat is het wetenschappelijke aspect hiervan?
Zie antwoord vraag 3.
Vindt u een amusementspark als het dolfinarium Harderwijk of Sea World in Californie ook onder educatieve doeleinden vallen? Zo ja, wat is het educatieve aspect hiervan? Klopt het dat voor verplaatsing van Morgan naar het buitenland een ontheffing inzake de Convention on International Trade in Endangered Species(CITES) is vereist? Zo ja, wat zijn de criteria om voor zo'n ontheffing in aanmerking te komen?
Zie antwoord vraag 3.
Kunt u toezeggen dat u geen ontheffing zult verlenen voor verplaatsing van Morgan naar het buitenland, in elk geval niet voordat de Kamer in de gelegenheid is gesteld zich uit te spreken over eventuele voornemens daartoe? Zo nee, waarom niet?
Zie antwoord vraag 3.
Nieuwe gevallen van Q-koorts op melkgeitenbedrijven |
|
Marianne Thieme (PvdD) |
|
|
|
|
Kunt u bevestigen dat, ondanks de vaccinatiecampagne, er toch weer nieuwe bedrijven besmet blijken te zijn met Q-koorts?
Zoals ook al eerder in brieven aan uw Kamer is gemeld, is de kans dat gevaccineerde dieren besmet worden kleiner, maar niet nul. Q-koorts is een ziekte die endemisch voorkomt in Nederland. De ziekte komt bij veel verschillende diersoorten voor en is onder andere aangetroffen in vogels en knaagdieren. Ook op gevaccineerde bedrijven kan de ziekte binnenkomen. Als gevaccineerde dieren geïnfecteerd raken, is de uitscheiding lager dan wanneer niet-gevaccineerde dieren geïnfecteerd raken. Het vaccin voorkomt abortussen (waarbij veel Q-koortsbacteriën worden uitgestoten) vrijwel geheel. Daarom verwachten we dat de nieuwe besmette bedrijven slechts een zeer beperkt verhoogd risico voor de gezondheid van omwonenden vormen.
Natuurlijk wordt de situatie op en om de besmette bedrijven nauwkeurig in de gaten gehouden. De nVWA onderzoekt de oorzaken van nieuwe besmettingen.
Hoeveel bedrijven zijn momenteel besmet met Q-koorts? Bij hoeveel bedrijven is die besmetting in 2011 geconstateerd?
Op dit moment zijn sinds de start van de tankmelkmonitoring in oktober 2009 in totaal 97 besmettingen op 96 bedrijven geconstateerd. Een van die bedrijven is in 2011 opnieuw besmet verklaard. Op dit moment zijn daarvan nog 65 bedrijven besmet. 32 bedrijven zijn vrij verklaard na een jaar lang een negatief tankmelkresultaat. In totaal zijn in 2011 drie bedrijven besmet verklaard (één herbesmetting en twee nieuwe besmettingen).
Bij een van de twee nieuw besmette bedrijven is sprake van een bijzondere situatie. Het bedrijf heeft vorig jaar via het testen van individuele melkmonsters een aantal positieve dieren gevonden en deze afgevoerd. Over deze strategie hebben wij u op 3 november 2010 geïnformeerd (Tweede Kamer, 2010–2011, 28 286, nr. 441) Nu blijken er op dit bedrijf opnieuw positieve dieren te zijn.
We hebben beoordeeld of deze omstandigheid reden voor extra maatregelen zou moeten zijn. Wij zien echter niet dat het risico van dit bedrijf groter is dan van andere nieuw besmette bedrijven. Voor dit bedrijf gelden de maatregelen die gebruikelijk gelden voor besmette bedrijven (bezoekersverbod, vervoersbeperkingen en strengere hygiënemaatregelen).
Op welke wijze wordt erop toegezien dat de besmette bedrijven zich aan de extra maatregelen houden? Hoe vaak wordt hierop gecontroleerd?
Van de besmette bedrijven wordt jaarlijks circa 33% gecontroleerd op de geldende Q-koortsmaatregelen, steeds in combinatie met een controle op de juiste toepassing van de verplichte identificatie- en registratieregels. Daarnaast zijn houders die in december 2010 een ontheffing voor het levenslang fokverbod van lammeren hebben aangevraagd de afgelopen maanden allemaal gecontroleerd.
Heeft u omwonenden van de besmette bedrijven per brief geïnformeerd over de besmettingen, zoals u eerder ook heeft gedaan? Zo nee, waarom niet? Bent u bereid dat alsnog te doen? Op welke wijze worden omwonenden en recreanten er nu op gewezen dat er een bedrijf besmet is met Q-koorts?
Nee. Omdat de nieuw besmette bedrijven, naar alle waarschijnlijkheid tijdig (voor besmetting) gevaccineerd zijn vormen ze een zeer beperkt verhoogd risico voor de gezondheid van omwonenden. De lokale GGD-en zijn van de besmetting op de hoogte gebracht. Voor meerinformatie kunnen omwonenden terecht bij de lokale GGD.
Hoe kunt u verklaren dat ondanks de vaccinatiecampagne er toch nieuwe besmettingen bij dieren worden geconstateerd? Betekent dit dat het vaccin niet afdoende werkt? Op welke wijze wordt er onderzocht wat de oorzaak is van de nieuwe besmettingen?
Zie antwoord vraag 1.
Is bij u bekend of er op de bedrijven die nu recent besmet zijn verklaard, geiten zijn die vallen onder de categorie waarvan u vorig jaar september het fokverbod heeft versoepeld? Zo nee, waarom niet en wordt daar onderzoek naar gedaan? Zo ja, deelt u de mening dat het versoepelen van het fokverbod onverstandig was, in het licht van deze nieuwe gevallen?
De recent besmette bedrijven hebben geen gebruik gemaakt van de mogelijkheid ontheffing aan te vragen van het levenslang fokverbod. De versoepeling van dit fokverbod heeft derhalve geen relatie met deze nieuwe besmettingen.
Op welke wijze wordt voorkomen dat de besmette geiten nogmaals gedekt worden, om te voorkomen dat zij bij het aflammeren de bacterie weer verder verspreiden?
Zoals bij het antwoord op vraag 1 en 5 beschreven, is de uitscheiding bij tijdig gevaccineerde, besmette dieren aanzienlijk lager waardoor zij een zeer beperkt verhoogd risico vormen voor omwonenden van de bedrijven. Er is daarom geen aanleiding om te voorkomen dat deze dieren opnieuw drachtig worden. Ik ben daarom ook niet bereid om het individueel testen van dieren verplicht te stellen om vervolgens een levenslang fokverbod te kunnen instellen voor positief geteste dieren.
Is het mogelijk de dieren individueel te testen op de aanwezigheid van de bacterie, en voor de besmette dieren een levenslang fokverbod in te stellen, bijvoorbeeld middels herhaalde individuele testen zoals ook is toegepast bij de bokken? Bent u bereid dit verplicht te stellen? Zo nee, waarom niet?
Zie antwoord vraag 7.
Wordt er inderdaad, zoals toegezegd door u, tijdens deze lammerperiode tweewekelijks de tankmelk van alle bedrijven getest op de aanwezigheid van de bacterie? Zo nee, waarom niet?
Ja, in de lammerperiode (1 december–1 juni) wordt zoals toegezegd de tankmelk op melkgeiten- en melkschapenbedrijven tweewekelijks onderzocht op de Q-koorts bacterie.
De wervingscampagne voor pleegouders |
|
Jeroen Dijsselbloem (PvdA) |
|
|
|
|
Heeft u kennisgenomen van de nieuwe campagne van Pleegzorg Nederland om nieuwe pleegouders te werven?
Ja.
Begrijpt u dat deze campagne bestaande pleegouders een zure smaak in de mond geeft, gezien het feit dat pleegouders soms heel lang onnodig moeten wachten op een plaatsing?
Centraal staat dat er voor een kind dat zorg nodig heeft wordt gezocht naar een geschikt pleeggezin. Voor een goede match van een pleegkind met een pleeggezin zijn drie tot vijf pleeggezinnen nodig. Dit betekent dat het aanbod van pleegouders groter moet zijn om de vraag naar pleegzorg op passende wijze tegemoet te komen. De keerzijde is dan ook dat de mogelijkheid bestaat dat er voor een pleeggezin geen match wordt gevonden en dat zij uiteindelijk geen pleegkind toegewezen krijgen. Pleegouders hebben geen «recht» op een pleegkind. Het belang van het kind en dus een goede matching voor het kind staat voorop. Uiteraard dienen pleegzorgaanbieders over dit uitgangspunt goede voorlichting te geven. Dan zal de verwachting van pleegouders daar ook bij passen.
Is het waar dat deze lange wachttijden voortkomen uit geldgebrek, dat er wel kinderen en pleegouders zijn, maar geen geld?
In het Afsprakenkader jeugdzorg 2010–2011 dat provincies en stadsregio’s met het Rijk zijn overeengekomen is opgenomen dat met het beschikbare budget aan alle kinderen de zorg wordt geboden die nodig is. Het IPO heeft op 17 februari 2011 in een bestuurlijk overleg deze afspraak nog eens bevestigd. Provincies en instellingen spannen zich in om meer omschakeling van (dure) residentiële zorg naar pleegzorg en gezinshuizen mogelijk te maken. Om deze omschakeling te bevorderen is in het Afsprakenkader jeugdzorg verder afgesproken dat er een campagne komt om meer pleegouders te werven. Zoals ik in antwoord 2 heb aangegeven blijft het uitgangspunt, dat voor elk kind dat zorg nodig heeft een geschikt pleeggezin wordt gezocht, zonder dat gegarandeerd kan worden dat iedere pleegouder (direct) een pleegkind krijgt toegewezen.
Is het waar dat er bij de William Schrikkergroep sprake is van een plaatsingsstop?
Zoals ik in vraag 2 heb aangegeven hebben pleegouders geen recht op een pleegkind. De mogelijkheid bestaat dat pleegouders ingeschreven staan bij een pleegzorgaanbieder zonder dat aan hen een pleegkind is toegewezen. Dit hangt samen met de vraag. Soms is er meer vraag naar pleeggezinnen voor jonge kinderen. Maar niet elk aspirant-pleeggezin is geschikt voor deze doelgroep. Het kan ook zijn dat er vraag is naar gezinnen voor pubers. Daarvoor zijn pleegouders vereist die weten om te gaan met deze leeftijdsgroep. Deze factoren beïnvloeden de tijd die nodig is om tot een passende match te komen. Voor provincies en zorgaanbieders blijft het uitgangspunt dat er voor een kind dat zorg nodig heeft gezocht wordt naar een geschikt pleeggezin.
Hoe lang staan pleegouders al ingeschreven bij de Schrikkergroep zonder dat een pleegkind aan hen is toegewezen?
Zie antwoord vraag 4.
Is het waar dat in Zeeland Juvent (vroegere AZZ) al geruime tijd een plaatsingsstop heeft?
Zie antwoord vraag 4.
Is het waar dat pleegouders bij Juvent als sinds 2009 geen plaatsing meer hebben gehad?
Zie antwoord vraag 4.
Wat is de stand van zaken ten aanzien van de beloofde verhoging van de vergoedingen voor pleegzorg? Is de vergoeding in 2011 verhoogd?
In de brief van 9 juli 2009 (Kamerstukken II 2008/09, 31 279, nr. 9) is aangegeven dat de pleegvergoeding gefaseerd verhoogd gaat worden. Dit leidde tot een eerste verhoging op jaarbasis van € 200 per 1 januari 2010. Het bedrag van € 200 komt uit de compensatie algemene heffingskorting voor alleenverdienende ouders met een pleegkind. Hiervoor is door het vorige kabinet een bedrag van € 3 miljoen ingezet. De volgende verhoging van de pleegvergoeding houdt verband met de invoering van het wetsvoorstel Verbetering positie pleegouders. Momenteel ligt de nota naar aanleiding van het verslag in verband met dit wetsvoorstel in de Tweede Kamer. Zodra dit wetsvoorstel in werking treedt zal de pleegvergoeding verhoogd worden. Voor het jaar 2011 is de vergoeding alleen geïndexeerd.
Waarom wordt een wervingscampagne gestart zolang bestaande pleegouders lange tijd geen kind krijgen vanwege geldgebrek? Wat gaat u doen om deze wachttijden aan te pakken?
Zie antwoord 3.
De partydrug GHB |
|
Sabine Uitslag (CDA), Coşkun Çörüz (CDA) |
|
Edith Schippers (minister volksgezondheid, welzijn en sport) (VVD) |
|
|
|
|
Kent u het bericht «Hulp GHB schiet tekort»?1
Ja.
Deelt u de mening dat GHB «het bewustzijn van de mens kan beïnvloeden en bij gebruik door de mens kan leiden tot schade aan de gezondheid en schade voor de samenleving» (artikel 3a, lid 2 Opiumwet)? Deelt u daarnaast de mening dat door drugsverslaving vaak niet alleen de verslaafde zelf, maar ook de gezinnen eromheen onder de verslaving lijden?
GHB werd vroeger als narcosemiddel gebruikt. In kleinere hoeveelheden werkt GHB ontremmend en geeft het een euforisch gevoel met een effect dat vaak wordt beschreven als een alcoholroes. GHB is moeilijk te doseren. Een gebruiker neemt al snel te veel, waardoor een toestand van bewusteloosheid («out gaan») kan optreden. Dit levert gezondheidsrisico’s op voor de individuele gezondheid van de gebruiker (ademhalingsmoeilijkheden, kans op stikken) en bij deelname aan het verkeer risico’s op schade en letsel voor zowel de gebruiker als voor andere verkeersdeelnemers. Op grond van deze overwegingen is GHB sinds 2002 op lijst II van de Opiumwet geplaatst. Ik ben van mening dat iedere verslaving niet alleen negatieve gevolgen heeft voor de verslaafde zelf, maar ook voor diens sociale omgeving.
Is er een causaal verband tussen schooluitval en het gebruik van GHB en andere vormen van softdrugs? Zo ja, kunt u deze gegevens aan de Kamer overleggen?
Uit de beschikbare gegevens (Nationale Drugs Monitor, Monitor drugsincidenten) is af te leiden dat GHB relatief weinig door middelbare scholieren wordt gebruikt. Uit het in 2009 gepubliceerde onderzoek2 naar middelengebruik (alcohol en cannabis) en voortijdig schoolverlaten is af te leiden dat middelengebruik onderdeel is van een breder leefpatroon met ook andere risicofactoren die in relatie staan tot problemen op school. Hoewel er geen stevig bewijs is voor een causale relatie tussen middelengebruik en schoolproblemen komt uit dit onderzoek wel het beeld naar voren dat vroeg en zwaar gebruik van alcohol en cannabis indicatoren zijn voor problemen op school. Het gaat echter te ver om schooluitval alleen toe te schrijven aan het gebruik van GHB of andere softdrugs.
Is er een causaal verband tussen de instroom in de jeugdzorg en het gebruik van GHB en andere vormen van softdrugs? Zo ja, kunt u deze gegevens aan de Kamer overleggen?
Een dergelijk verband is mij niet bekend. Uit het visiedocument «Jeugd-ggz: Investeren in de toekomst3», waarin in kader 9 de meest voorkomende diagnoses in de Jeugd-ggz in 2009 – uitgesplitst naar leeftijd – zijn weergegeven, is af te leiden dat aan middelen gebonden stoornissen van jongeren tot 18 jaar niet en van jongvolwassenen van 18 tot 22 jaar in zeer geringe mate (2%) in de Jeugd-ggz worden gediagnosticeerd.
Vindt u dat er een integrale aanpak moet komen voor zowel preventie als behandeling van GHB-verslaafden? Zo ja, hoe wilt u dit vorm gaan geven?
In deze verwijs ik naar de beantwoording van de door Kamerlid Bouwmeester gestelde vragen 5 en 7 over GHB (2011Z01628).
Bent u het met uw ambtsvoorganger eens dat verslaving valt onder de definitie van chronisch ziek zijn en dus ook als zodanig behandeld moet worden?
Wetenschappelijke onderzoeksresultaten leiden steeds sterker tot de conclusie dat verslaving een zodanige verandering in de hersenen tot gevolg heeft, dat gesteld kan worden dat verslaving een hersenziekte is. Verslaving tast het beloningssysteem aan en het systeem waarmee controle wordt uitgeoefend over de keuzes die iemand maakt. Verslaafden beschikken niet meer over een adequate zelfcontrole. Afhankelijk van frequentie en duur van het gebruik en de aard van het middel of van de middelen kan dit tot onherstelbare schade leiden, terwijl ook na behandeling vanwege het defect van het belonings- en zelfcontrolesysteem het risico op terugval blijft bestaan, hetgeen een verklaring vormt voor het chronische karakter van verslaving.
Bent u bekend met het feit dat er wachtlijsten bestaan bij de verslavingscentra, waardoor verslaafden maandenlang moeten wachten op hulp? Hoe kunt u ervoor zorgen dat deze wachtlijsten worden teruggedrongen?
Uit een inventarisatie van de hulpvraag bij verslavingszorginstellingen voor behandeling van GHB-verslaving is gebleken dat dergelijke behandelingen vooral voorkomen in West-Brabant, Friesland, omgeving Zutphen, de kop van Noord-Holland, de stad Groningen en Zuid-Oost Drenthe. De wachtlijstproblematiek doet zich lang niet bij alle verslavingszorginstellingen voor, maar met name in Brabant en Noord-Nederland. Deze problematiek geldt alleen voor de klinische detoxificatiefase.
Mede gelet op de gezondheidsrisico’s die kunnen optreden bij het detoxificatieproces als onderdeel van de behandeling van GHB-verslaving stimuleer ik een project waarbij de verslavingszorginstellingen participeren in het onder wetenschappelijke begeleiding ontwikkelen van een nieuw detoxificatieprotocol voor GHB-verslaving. Doel daarvan is het realiseren van een adequaat protocol waarmee elke verslavingszorginstelling dit onderdeel van de behandeling van GHB-verslaving succesvol kan hanteren. Daardoor kan de behandelcapaciteit worden uitgebreid.
Ziet u aanleiding GHB te verplaatsen van lijst II naar lijst I van de Opiumwet door middel van een algemene maatregel van bestuur (artikel 3a, lid 2 Opiumwet), dan wel met spoed via een ministeriële regeling (artikel 3a, lid 5 Opiumwet)?
Ik heb onlangs het Coördinatiepunt Assessment en Monitoring nieuwe drugs (CAM) opdracht gegeven een nieuwe risicobeoordeling van GHB op te stellen. Het resultaat van deze beoordeling kan aanleiding zijn GHB van lijst II naar lijst I te verplaatsen. Ik heb het CAM gevraagd deze risicobeoordeling voor 1 juli 2011 af te ronden.