De doorgifte van de programmering van BVN (Beste Vlaanderen en Nederland) in Zuid-Afrika |
|
Martijn van Dam (PvdA) |
|
Marja van Bijsterveldt (minister onderwijs, cultuur en wetenschap) (CDA) |
|
|
|
|
Is het correct dat BVN1 de uitzendingen via MultiChoice wilde beëindigen omdat MultiChoice niet had deelgenomen aan de aanbesteding?2
BVN heeft een aanbesteding gedaan voor free-to-air (gratis) ontvangst voor Midden- en West- Afrika. De winnaar van die aanbesteding bedient dat gebied, waarbij gelijktijdig dekking van het signaal voor zuidelijk Afrika ontstaat. MultiChoice heeft bereik in beide gebieden, was op de hoogte, maar heeft niet ingeschreven op de aanbesteding. Bij voortzetting van het contract met MultiChoice ontstaat dubbele dekking en dubbele kosten. Daarom heeft BVN er voor gekozen het bestaande contract met MultiChoice niet te verlengen.
Betreft de distributie van het signaal van BVN in zuidelijk Afrika werkelijk een opdracht die onder de aanbestedingsplicht valt? Zo ja, waarom?
Ja. BVN is een aanbestedende dienst in de zin van de Richtlijn 2004/18/EG en het Besluit aanbestedingsregels voor overheidsopdrachten (Bao) waarmee deze Richtlijn in Nederland is geïmplementeerd. De onderhavige opdracht tot satelliet-distributie is aan te merken als een overheidsopdracht voor diensten op grond van het Bao. Aanbestedende diensten dienen overheidsopdrachten voor diensten aan te besteden wanneer bij de raming van de contractwaarde van de opdracht de vigerende aanbestedingsdrempel wordt overschreden, wat hier het geval is.
Kan de distributie van dit signaal niet gewoon gegund worden aan partijen met een aantoonbaar groot bereik onder Nederlanders in de betreffende landen? Klopt het dat andere EU-landen de distributie van hun omroepsignaal in het buitenland wel gewoon gunnen en niet aanbesteden?
De keuze voor doorgifte van signaal in een gebied vindt plaats op basis van het bereik onder Nederlandssprekenden. Zoals aangegeven bij vraag 2 is BVN gehouden dergelijke opdrachten aan te besteden. Deze verplichting geldt ook voor andere EU-lidstaten en die passen de Europese aanbestedingsregels ook toe.
Kunt u uitleggen waarom het mogelijk is dat de doorgifte wel verlengd kon worden tot mei, maar dat er geen garantie gegeven kan worden voor doorgifte daarna? Waarom werd de verlenging van de doorgifte pas zo laat (21 januari) bekend gemaakt, waardoor wellicht mensen nu al een nieuwe satelliet hebben aangeschaft omdat ze dachten het signaal anders per 1 februari niet meer te kunnen ontvangen?
Het late tijdstip van de verlenging hangt samen met een onverwacht aantal negatieve reacties van kijkers. Zij bleken niet snel te kunnen of willen wijzigen van het huidige betaalpakket naar een nieuwe situatie met free-to-air ontvangst, lage eenmalige kosten ten spijt. BVN heeft binnen het bestaande contract gekozen voor een verlenging van doorgifte van het signaal tot 1 mei 2011. Met deze verlenging wordt de kijkers tijd gegund om hun ontvangstapparatuur aan te passen en wordt beoogd de introductie soepeler te laten verlopen.
Bent u het met mij eens dat het zeer onwenselijk is dat Nederlanders in zuidelijk Afrika gedwongen worden een nieuwe satellietschotel aan te schaffen waarmee ze de Astra 4A-satelliet kunnen ontvangen, terwijl ze via het bestaande Multichoice-abonnement waarmee nu BVN kan worden ontvangen, ook alle andere relevante zenders kunnen ontvangen?
De kosten voor de eenmalige aanschaf of aanpassing van de schotel en toebehoren, van ca. € 150 wegen op tegen de jaarlijks terugkerende abonnementskosten van het pluspakket van MultiChoice. Na enige tijd is deze investering terugverdiend en is dit een goedkoper alternatief voor de doelgroep.
Kunt u toezeggen zich tot het uiterste te zullen inspannen om te zorgen dat Nederlanders in zuidelijk Afrika gewoon via MultiChoice BVN kunnen blijven kijken?
Gezien bovenstaande informatie kan ik dit niet toezeggen.
Een lijst met 'ongewenste kinderboeken' |
|
Boris van der Ham (D66) |
|
Marja van Bijsterveldt (minister onderwijs, cultuur en wetenschap) (CDA) |
|
|
|
|
Wat is uw reactie op het gebruik van een lijst met «gevoeligheden voor protestants-christelijke scholen» door uitgevers van schoolboeken?1
Hier heb ik heb kennis van genomen.
Doet de overheid momenteel zaken met uitgevers die een dergelijke «zwarte lijst» hanteren? Hoe wilt u omgaan met deze uitgevers?
Neen. De overheid doet geen zaken met educatieve uitgevers. De overheid stelt kerndoelen vast voor het primair- en voortgezet onderwijs. De scholen kiezen zelf een methode om de kerndoelen te halen. Daarmee gaat geen bemoeienis van de overheid gepaard.
Een moeder die met het persoonsgebonden budget (PGB) geen kant op kan zonder begeleiding voor haar zoon |
|
Agnes Wolbert (PvdA) |
|
|
|
|
Kent u het bericht in het Algemeen Dagblad waarin een moeder stelt dat zij ondanks het PGB dat ze ontvangt voor de begeleiding van haar autistische zoon geen geschikte begeleiders kan vinden?1
Ja.
Is het waar dat de observatiekliniek deze cliënt naar huis heeft laten gaan zonder dat er een goede invulling voor de zorg voor hem thuis was gevonden? In hoeverre was de terugkeer naar huis ingegeven door bezuinigingen en een gebrek aan personeel bij de kliniek?
Uit de berichtgeving in het AD kan ik niet opmaken welke observatiekliniek hierbij betrokken is, noch de identiteit van de desbetreffende cliënt vaststellen.
Kunt u toelichten hoe vaak het voorkomt dat cliënten met een PGB naar huis worden gestuurd zonder dat er inhoud is gegeven aan de opvolgende zorg? In hoeverre hebben mensen in een dergelijke situatie werkelijk een keuze voor een PGB of zorg in natura?
Ik weet niet hoe vaak dit voorkomt. Wel bereiken mij signalen dat het groeiend beroep op de pgb-regeling door jeugdigen met psychiatrische problematiek (zoals ADHD, PDD/NOS en autisme) mogelijk samenhangt met een gebrek aan passende zorg binnen de ZVW en de AWBZ. Dit laat ik momenteel onderzoeken. Dit heb ik gemeld in mijn pgb-brief van 30 november (kenmerk: DLZ/SFI-U-3031834). Dit voorjaar zal ik u in mijn aangekondigde pgb-brief over de uitkomsten van dit onderzoek en mijn reactie hierop berichten. Mocht het inderdaad zo zijn dat passende zorg in natura voor deze cliënten ontbreekt, dan vind ik dat er geen sprake is van een volwaardige keuze tussen beide alternatieven.
Wie is in zulke gevallen verantwoordelijk voor de begeleiding bij het vinden van passende zorg? Op wie kunnen deze mensen een beroep doen?
Als een cliënt geïndiceerd is voor AWBZ-zorg, dan zijn er twee mogelijkheden: de cliënt kan aangeven of hij/zij de zorg in natura wil ontvangen of via een pgb de zorg wil realiseren. Bij keuze voor zorg in natura heeft het zorgkantoor een zorgplicht, dat wil zeggen dat het zorgkantoor actief op zoek dient te gaan naar een zorgaanbieder. Bij keuze voor een pgb is de cliënt zelf verantwoordelijk voor de inkoop van de zorg.
Deelt u de mening dat indien mensen voor passende zorg niet terecht kunnen bij zorg in natura, zij goed begeleid dienen te worden bij het vinden van een goede invulling van zorg via een PGB?
Als een cliënt kiest voor een pgb, dan is hij zelf verantwoordelijk voor het inkopen van zijn zorg. Dat is inherent aan het pgb. Ik ben er geen voorstander van om hiervoor een ondersteuningsaanbod voor budgethouders te ontwikkelen. Mocht de gewenste zorg in natura aanwijsbaar in de regio niet voorhanden zijn, dan heeft het zorgkantoor de verantwoordelijkheid om afspraken in de regio te maken zodat de benodigde zorg op korte termijn beschikbaar komt. Bij cliënten die kiezen voor een pgb heeft het zorgkantoor geen zorgplicht.
Deelt u de mening dat, indien deze begeleiding ontbreekt, dit kan leiden tot ongewenste en op den duur onverantwoorde situaties voor mensen met een zorgvraag en hun omgeving?
Zie antwoord vraag 5.
Welke stappen gaat u ondernemen om ervoor te zorgen dat mensen niet langer worden «afgescheept» met een PGB, maar op een goede manier worden begeleid, zodat zij het PGB kunnen inzetten zoals dat is bedoeld: voor goede, passende, persoonlijke zorg?
Mocht uit het onderzoek onder jeugdigen met psychiatrische problematiek blijken dat het zorg-in-natura aanbod ontoereikend is dan ga ik met de zorgkantoren en zorgverzekeraars in gesprek en zal ze daarbij wijzen op hun verantwoordelijkheden. Dit heb ik aangekondigd in mijn pgb-brief van
30 november 2010. In mijn pgb-(visie)brief van dit voorjaar ga ik in op de uitkomsten van dit onderzoek.
Pleegkinderen zonder nationaliteit |
|
Jeanine Hennis-Plasschaert (VVD) |
|
Piet Hein Donner (minister binnenlandse zaken en koninkrijksrelaties) (CDA) |
|
|
|
|
Bent u bekend met de brief van twee pleegouders die langdurige voogdij hebben over een in Nederland geboren jongen die tot zijn 18e geen vooruitzicht heeft op of een Nederlands paspoort of een Marokkaans paspoort, omdat zijn Marokkaanse moeder is overleden en zijn vader onbekend is?
Ja.
Bent u bekend met vergelijkbare situaties? Zo nee, kunt u onderzoeken of meer kinderen tot hun achttiende geen vooruitzicht hebben op een Nederlands of een ander paspoort?
Er is een zeer klein aantal gevallen bekend van minderjarige vreemdelingen die pleegkind zijn, waarbij de Nederlandse pleegouders de Nederlandse nationaliteit verlangen voor het pleegkind voor het bereiken van de meerderjarigheid, al dan niet omdat een andere nationaliteit voor het pleegkind moeilijk te verkrijgen is. Soms gaat het daarbij om pleegouders die zelf ook vreemdeling zijn en voor zichzelf en hun eventuele kinderen naturalisatie vragen.
Deelt u de mening dat het Internationaal Verdrag inzake de Rechten van het Kind, waar Nederland zich aan committeert en waarin is opgenomen dat een kind recht heeft op een naam en nationaliteit (artikel 7), moet worden nageleefd? Zo ja, wat betekent dat voor deze jongen en voor kinderen in mogelijk vergelijkbare situaties?
Nederland is partij bij het Internationaal Verdrag inzake de Rechten van het Kind (IVRK) en leeft dat na. Artikel 7 van het IVKR bepaalt dat kinderen het recht hebben om een nationaliteit te verwerven. Ingevolge het tweede lid van artikel 7 IVRK dient de verwezenlijking van dit recht gewaarborgd te worden in overeenstemming met het nationale recht en internationale verplichtingen, waarbij een bijzondere positie is weggelegd voor het kind dat anders staatloos zou zijn. In de in de brief geschetste casus is overigens geen sprake van de iure staatloosheid, omdat kan worden aangenomen dat het kind naar geldend Marokkaans recht de Marokkaanse nationaliteit heeft.
De verwerving van het Nederlanderschap is zowel voor kinderen als voor volwassenen uitgewerkt in de Rijkswet op het Nederlanderschap. Het recht om een nationaliteit te verwerven voor kinderen is hiermee voldoende gewaarborgd.
Bent u bereid in overweging te nemen of het mogelijk is dat deze jongen en kinderen in vergelijkbare situaties de Nederlandse nationaliteit kunnen krijgen? Zo nee, waarom niet?
Voogdij is de uitoefening van gezag over een minderjarig kind door een ander dan de ouders (artikel 1:245 BW). Dit kan zowel door een rechtspersoon geschieden als door een natuurlijk persoon. Voogdij kan worden uitgeoefend als de ouders van het kind zijn overleden, of als de ouders (tijdelijk) niet in staat zijn om het gezag uit te oefenen. Er ontstaat geen afstammingsrelatie tussen de voogd en het kind. Het Nederlanderschap kan bij voogdij dan ook niet door afstamming worden verkregen. Als in casu door adoptie van het pleegkind een afstammingsrelatie kan worden gevestigd, dan kan het Nederlanderschap mogelijk door afstamming verkregen worden.
De rechtspositie van minderjarige vreemdelingen die door pleegouders worden verzorgd ten aanzien van de nationaliteitsverkrijging verschilt in beginsel niet van minderjarige vreemdelingen die door hun eigen ouders worden verzorgd. Hoofdregel van de Rijkswet op het Nederlanderschap is dat voor een zelfstandig verzoek tot naturalisatie of optieverlening meerderjarigheid in beginsel is vereist. Voor enkele categorieën minderjarigen is het mogelijk om, onder voorwaarden, gedurende de minderjarigheid te opteren voor het Nederlanderschap. Voor pleegkinderen kan dit relevant zijn als sprake is van staatloosheid (artikel 6, eerste lid onder b).
In uitzonderlijke situaties kan een beroep worden gedaan op artikel 10 RWN. Voor inwilliging van een verzoek op grond van artikel 10 RWN dient de Raad van State van het Koninkrijk om advies gevraagd te worden. Op grond van het staande beleid kan met toepassing van dit artikel een pleegkind onder de volgende omstandigheden de Nederlandse nationaliteit verkrijgen:
Ook als niet is voldaan aan bovenstaande voorwaarden maar wel sprake is van zwaarwegende humanitaire omstandigheden, kunnen pleegkinderen het Nederlanderschap verkrijgen.
Naturalisatie van pleegkinderen op grond van artikel 10 RWN heeft zich in de loop der jaren enkele keren voorgedaan. Er is, behoudens de bovengenoemde uitzonderlijke gevallen, geen rechtvaardiging om onderscheid te maken in de verkrijging van de nationaliteit tussen verschillende minderjarige vreemdelingen op grond van hun verzorgingssituatie.
Verlening van een vreemde nationaliteit is afhankelijk van de wetgeving van het betreffende land, in dit geval Marokko. Het is aan degene die de voogdij over de minderjarige heeft om er zorg voor te dragen dat ook daadwerkelijk een geldig nationaal paspoort wordt verkregen. Over de casus zoals deze in de brief is geschetst kan zonder een aanvraag en onderzoek van de relevante omstandigheden geen uitsluitsel worden gegeven.
De zorg bij de Osira-groep |
|
Renske Leijten (SP) |
|
|
|
|
Wat is uw inhoudelijke reactie op het rapport over Osira?1
Ik heb het rapport gelezen. Zoals ik in het Algemeen Overleg over Monteverdi en Houtwijk op woensdag 26 januari jl. heb gezegd, vind ik een aantal punten heel belangrijk en wil ik mij inzetten om deze punten goed voor het voetlicht te krijgen. Ik vind de mening van de cliënten en het personeel van groot belang, zij moeten gehoord worden in een organisatie. De afstand tussen management/ bestuur en de werkvloer moet kleiner worden. De cliëntenraad en ondernemingsraad moet voldoende geïnformeerd en gehoord worden, helemaal als er sprake is van veranderingen in een organisatie. Ik wil graag dat er meer gebruik wordt gemaakt om kennis van buiten, naar binnen te halen. Zoals het gebruik maken van best practices. Met deze punten geef ik aan, waar ik me de komende tijd voor wil inzetten. Dit geldt niet alleen voor Monteverdi, Houtwijk en de OsiraGroep, maar voor alle zorgorganisaties.
Er lopen er een aantal programma’s waar zorgorganisaties aan mee kunnen doen, waarmee de organisatie zich kan verbeteren zoals In voor Zorg en Zorg voor Beter. Het deelnemen aan deze verbeterprogramma’s wil ik stimuleren. Het kabinet heeft € 860 miljoen beschikbaar gesteld om de kwaliteit in de langdurige zorg te verbeteren. Een deel van dit geld zal zeker besteed gaan worden aan opleiding en bijscholing van verzorgenden en verpleegkundigen.
Wanneer zal de Inspectie voor de Gezondheidszorg (IGZ) reageren op het rapport?2
De Inspectie voor de Gezondheidszorg (IGZ) is 4 februari gestart met hun onderzoek bij de OsiraGroep. Zij zullen een aantal zorginstellingen van de OsiraGroep gaan bezoeken. Ik wacht hun rapporten af. De IGZ zal in deze rapporten hun bevindingen aangeven.
Bent u van mening dat de IGZ voorlopig zou moeten overgaan tot verscherpt toezicht? Zo nee, waarom niet?
Zie antwoord vraag 2.
Wat is uw reactie op de aanbeveling om de overheadkosten van Osira te maximeren? Kunt u uw antwoord toelichten?
Zie antwoord vraag 1.
Wat is uw reactie op de aanbeveling om het personeel van Osira de zeggenschap en middelen te geven om per locatie een oplossing voor de problemen te bedenken en deze door te voeren? Kunt u uw antwoord toelichten?
Zie antwoord vraag 1.
Wat is uw reactie op de conclusie dat Osira te groot is geworden om nog verantwoorde zorg te kunnen bieden? Kunt u uw antwoord toelichten?
Zie antwoord vraag 1.
Wat is uw reactie op de aanbeveling dat Osira voorlopig niet zou moeten fuseren met andere zorginstellingen? Kunt u uw antwoord toelichten?
Zie antwoord vraag 1.
Wat is uw reactie op de constatering dat de afstand tussen het bestuur van Osira en de werkvloer te groot is? Kunt u uw antwoord toelichten?
Zie antwoord vraag 1.
Wat verdienen de bestuurders van Osira? Wat is uw mening over deze beloning?
De inkomens van de bestuurders zijn openbaar en opgenomen in het jaarverslag van de OsiraGroep. Als staatssecretaris heb ik geen formele bevoegdheid om me met de bestuursinkomens te bemoeien.
Wat is uw kwalificatie over de «stopwatchzorg» en het beleid van «zorgroutes» bij Osira? Bent u van mening dat bijvoorbeeld een toiletbezoek maximaal twee minuten en 15 seconden aan tijd mag kosten? Kunt u uw antwoord toelichten?
Ik denk dat een zorgroute goed in kaart kan brengen waar knelpunten in de zorg liggen of kunnen optreden. Het moet een hulpmiddel zijn en geen manier van werken. De zorgmanager kan het gebruiken bij de inzet van het personeel en de verdeling van het werk. Echter de verzorgende moet niet met een minutenbriefje in de hand de zorg verlenen. De zorg moet verleend worden conform de zorgafspraken die in overleg met de cliënt, in het zorgplan zijn opgenomen.
Wat is uw reactie op de aanbeveling dat werken in de zorg aantrekkelijker kan worden gemaakt door te vermijden dat het werk het karakter van productiewerk krijgt? Zo ja, zou een verbod op minutenregistratie niet een van de voor de hand liggende eerste maatregelen moeten zijn? Kunt u uw antwoord toelichten?
Zie antwoord vraag 10.
Vindt u het vervangen van vaste krachten door flexwerkers een uit zorgoogpunt verantwoorde ontwikkeling? Zo nee, wat gaat u aan deze ontwikkeling doen?
Ik ben me ervan bewust dat er gebruik wordt gemaakt van flexwerkers. Helaas is de arbeidsmarkt niet zo gunstig dat er genoeg en veel zorgverlenend personeel voor handen is. Ik wil daarbij sterk benadrukken dat het steeds terugkerend negatieve beeld dat wordt geschetst over de ouderenzorg, niet bijdraagt aan het vinden van goed personeel of het opleiden van nieuw personeel.
Deelt u de mening dat de zorg meer behelst dan een optelsom van omschreven «prestaties» met daarop toegespitste financiering? Wilt u uw antwoord toelichten?
Zie antwoord vraag 1.
Wat is uw reactie op de brief van de OsiraGroep naar aanleiding van het rapport?3
Ik denk dat dit iets is tussen de OsiraGroep en uw partij.
Welk bedrag geeft Osira jaarlijks uit aan persvoorlichters en reclame-uitingen? Vindt u dit een verstandige besteding van zorggeld? Kunt u uw antwoord toelichten?
Ik weet niet hoeveel geld Osira jaarlijks uitgeeft aan persvoorlichters. Dit is een interne beleidsaangelegenheid, nogmaals als staatssecretaris ben ik hier niet verantwoordelijk voor en is het ook niet aan mij om me hier mee te bemoeien.
Is uw oordeel dat de interne klachtenregeling van Osira naar behoren functioneert? Kunt u uw antwoord toelichten?
Zie antwoord vraag 2.
Wat is uw oordeel over het feit dat verpleeghuisarts R.L., die zich geroepen voelde te spreken over misstanden binnen Osira, wordt gedreigd met een dwangsom? Vindt u dit terecht en vindt u dit een vertrouwenwekkende handelwijze van Osira-bestuurders?4
Ik heb geen bemoeienis met de bedrijfsinhoudelijke aspecten van welke zorgorganisatie dan ook, dus ook niet van de OsiraGroep. Ik kan dan ook geen uitspraken doen over deze situatie.
Zijn zorgbestuurders die advocaten op critici afsturen bevorderlijk voor uw «pluisgevoel»? Wilt u uw antwoord toelichten?5
Deze vraag heeft volgens mij betrekking op een andere zorgorganisatie. Over de gang van zaken binnen deze organisatie heb ik mijn mening duidelijk weergegeven in het AO van woensdag 26 januari jl.
Hoe gaat u de onverantwoorde werkdruk bij Osira en elders in de zorg aanpakken, om te voorkomen dat, in uw woorden, «het kaarsje uitgaat» bij het personeel?
Zie antwoord vraag 1.
Bent u bereid werk te maken van een klokkenluidersregeling voor zorgpersoneel, zodat personeel veilig misstanden kan melden zonder angst voor intimidatie of sancties? Kunt u uw antwoord toelichten?
Ik ben van mening dat medewerkers die klachten hebben dit altijd eerst moeten melden binnen de eigen organisatie, volgens de procedure zoals dat gebruikelijk is binnen de zorginstelling. Medewerkers kunnen ook gebruik maken van een vertrouwenspersoon. De zorgorganisatie heeft zelf een verantwoordelijkheid om goed om te gaan met het personeel en een klachtencommissie beschikbaar te stellen.
Wat is uw reactie op het verweer van het Osira-bestuur dat de problemen voor een belangrijk deel veroorzaakt worden door de zorgzwaartepakketten (zzp’s)? Zo nee, welke bewijzen kunt u aanvoeren voor het tegendeel? Zo ja, bent u voornemens een einde te maken aan de zzp-financiering en het productdenken uit te bannen uit de zorg? Wilt u uw antwoord toelichten?
Ik ben het hier niet mee eens. Als blijkt dat de indicatie van de cliënt niet meer voldoende ruimte biedt om goede zorg te verlenen, dan zal de zorginstelling een herindicatie moeten aanvragen bij het CIZ. Bij een verhoging van het ZZP, kunnen er nieuwe zorgafspraken worden gemaakt.
De ZZP’s zijn dusdanig ontwikkeld dat iedere cliënt hiermee voldoende zorg kan ontvangen. De ZZP’s schrijft geen minuten voor en geeft niet aan hoe de bedrijfsvoering wordt ingericht. Dit is de eigen verantwoordelijkheid van de zorginstelling.
Bent u van mening dat er in toenemende mate een managerscultuur heerst in de zorg? Zo nee, waarom niet? Zo ja, op welke wijze gaat u voorkomen dat de menselijkheid en arbeidsvreugde in de zorg worden opgeofferd aan bedrijfseconomisch denken? Zo nee, waarom niet?
Zoals ik al eerder heb geantwoord, wil ik zorgen dat de afstand tussen de werkvloer en het management verminderd wordt. In sommige organisaties is deze afstand te groot, waardoor het moeilijk is een organisatie aan te sturen en te weten welke knelpunten en wensen er in de zorg liggen. Door het verkleinen van deze afstand verwacht ik dat er een betere afstemming ontstaat, met als uiteindelijk resultaat kwalitatief goede zorg en tevreden medewerkers en cliënten.
Kunt u garanderen dat de bewoners van Osira en andere zorginstellingen goede, menswaardige zorg krijgen vóór het einde van uw regeertermijn? Indien u dit niet kunt garanderen, hoe verhoudt dit zich tot uw grondwettelijke zorgplicht? Wilt u uw antwoord toelichten?
Ik weet dat de meeste bewoners en cliënten al goede en menswaardige zorg ontvangen. Dit blijkt wel uit de jaarlijkse kwaliteitsmeting die zorgorganisaties verplicht zijn uit te voeren. Maar het blijkt ook andere onderzoeken, die onder andere ActiZ en het SCP hebben uitgevoerd, waarbij de cliënttevredenheid is onderzocht.
Welk collegiaal advies wilt u, vanuit uw kennis en ervaring van de zorg, meegeven aan de vertrekkende bestuurder van Haagse Wijk- en WoonZorg (HWW Zorg) die in het kader van een nieuwe carrièremove bij Osira aan de slag gaat?6
Ik reageer nu vanuit mijn functie als staatssecretaris en wil geen verwarring schetsen hieromtrent.
Het feit dat SP'ers niet mogen inspreken in de raad van de gemeente Oude IJsselstreek |
|
Ronald van Raak (SP) |
|
Piet Hein Donner (minister binnenlandse zaken en koninkrijksrelaties) (CDA) |
|
|
|
|
Heeft de gemeente Oude IJsselstreek naar uw opvatting juist gehandeld toen zij het reglement van orde van de gemeente op zodanige wijze aanpaste, dat mensen die verbonden zijn aan een politieke partij geen gebruik meer kunnen maken van het inspreekrecht in de gemeenteraad?1
De mogelijkheid om in te spreken tijdens raads- en commissievergaderingen is een vorm van inspraak als bedoeld in artikel 150 Gemeentewet, waarover de raad bij verordening regels heeft te stellen. Over de wijze waarop dit verder vorm wordt gegeven, stelt de wet geen nadere regels. Het staat de raad dus vrij hier zelf in te voorzien. Het is in het eigen belang van de raad om hier een evenwichtige afweging te maken. Overigens hebben betrokkenen als burger wel de mogelijkheid om in te spreken; de uitzondering die de raad in het reglement van orde heeft gemaakt, geldt alleen indien men wil inspreken als vertegenwoordiger van een politieke partij.
Is deze uitsluiting van deze groep burgers van het inspreekrecht juridisch juist?
Zie antwoord vraag 1.
Deelt u de opvatting dat het politiek ongewenst is dat bepaalde mensen op deze gronden worden uitgesloten van het inspreekrecht?
Zie antwoord vraag 1.
Zijn er andere gemeenten die soortgelijke maatregelen hebben genomen om bepaalde mensen uit te sluiten van het inspreekrecht?
Op dit moment zijn bij mijn departement soortgelijke regelingen niet bekend.
Bent u bereid dit besluit van de gemeente Oude IJsselstreek ter vernietiging voor te dragen aan de Kroon?
Van strijd met het recht of het algemeen belang is mij niets gebleken, zodat een voordracht tot vernietiging niet aan de orde is.
De moord op een Oegandese homoactivist |
|
Ahmed Marcouch (PvdA) |
|
|
|
|
Kent u het bericht dat een Oegandese homoactivist recent is vermoord?1
Ja.
Kunt u aangeven of de negen personen die op de lijst van de lokale krant Rolling Stone staan moeten vrezen voor hun leven? Als ze voor hun leven moeten vrezen, kunt u aangeven welke rol u voor de Nederlandse ambassade ziet weggelegd om deze mensen te beschermen?
In de publicaties van de Ugandese krant Rolling Stone Magazine zijn enkele tientallen namen van (vermeende) homoseksuelen genoemd. Nederland heeft naar aanleiding van de moord op mensenrechtenactivist David Kato reeds bij de Ugandese autoriteiten aangedrongen op adequate beveiliging van activisten op het gebied van de rechten van seksuele minderheden.
Nederland financiert daarnaast de organisatie East and Horn of Africa Human Rights Defenders Project (EHAHRDP). Deze organisatie gaat momenteel na wat de acute behoeften zijn van een veertigtal bedreigde homoseksuelen in Uganda, op basis waarvan maatregelen zullen worden genomen om hen te beschermen.
Deelt u de mening dat de zogenaamde Anti-homoseksualiteitswet in strijd is met de fundamentele rechten van de mens? Heeft u uw zorgen geuit richting de Oegandese autoriteiten dat de uitwerking van deze wet haatzaaiend is? Zo ja, kunt u de Kamer van die inspanningen op de hoogte stellen? Zo nee, waarom niet?
Sinds het betreffende wetsvoorstel, de zogenaamde Bahati-Bill, voor het eerst werd bekendgemaakt in oktober 2009 heeft Nederland bilateraal en in EU-verband bij herhaling en op politiek niveau ernstige zorgen geuit over de voorgestelde wetgeving. Daarbij is Uganda eveneens op zijn verplichtingen gewezen onder de door dat land geratificeerde verdragen op mensenrechtengebied.
De Bahati-Bill was een initiatief van een individueel parlementslid en is tot op heden niet in behandeling genomen door het Oegandese parlement. De Oegandese regering heeft afstand genomen van het wetsvoorstel.
Deelt u de mening dat er druk moet worden uitgeoefend op de Oegandese regering om duidelijk te maken dat het aannemen van deze wet bijdraagt aan een klimaat van onderdrukking tegen homo's? Zo ja, ziet u hier een rol weggelegd om dit zelf aan te kaarten of anders in EU verband aan te kaarten bij de Oegandese regering?
Zie antwoord vraag 3.
Kunt u aangeven hoe Nederland staat tegenover mogelijke asielaanvragen van Oegandese homoseksuelen?
Nederland behandelt asielaanvragen op individuele basis en zal eventuele aanvragen van Oegandese homoseksuelen op hun specifieke merites beoordelen.
Concurrentie op de parkeermarkt |
|
Sharon Dijksma (PvdA) |
|
Maxime Verhagen (minister economische zaken en klimaat, viceminister-president ) (CDA) |
|
|
|
|
Kent u het bericht «Conflict over parkeermarkt»?1
Ja.
Voldoet het in het artikel omschreven model, waarbij gemeenten een coöperatie oprichten om parkeerbeheer uit te voeren, aan de mededingingseisen? Bent u bereid de Nederlandse Mededingingsautoriteit (NMa) hierover om advies te vragen?
Het is niet aan mij om in individuele gevallen over de toepasselijkheid van en de verenigbaarheid met het mededingingsrecht een uitspraak te doen. Die beoordeling is in eerste instantie aan de partijen zelf aan de hand van de geldende wetgeving, de beleidsregels die op de NMa van toepassing zijn en de uitvoeringsregels van de NMa en de Europese Commissie. De NMa, die op de hoogte is van de berichtgeving, is de bevoegde instantie om tegen overtredingen van de mededingingsregels op te treden. Hiertoe heeft zij een zelfstandige onderzoeks- en handhavingsbevoegdheid. Bij de keuze ten aanzien van mededingingsonderzoeken baseert zij zich op verschillende signalen, waaronder formele klachten van gedupeerde marktpartijen. Vooralsnog zijn er geen formele klachten over deze kwestie bij de NMa binnengekomen. De NMa is op de hoogte van de berichtgeving en blijft de ontwikkelingen nauwlettend volgen. Als zij daartoe aanleiding ziet, kan zij een mededingingsrechtelijk onderzoek starten.
In hoeverre is het gunnen door gemeenten van het parkeerbeheer aan een coöperatie waarvan zij zelf lid zijn strijdig met marktwerking? Krijgen andere marktspelers volgens u een eerlijke kans?
Er kan niet in algemene zin worden gesteld dat dit in strijd is met wet- en regelgeving die een goede marktwerking beoogt, te weten de mededingingsregels, de aanbestedingsregels en de staatssteunregels. Voor de verenigbaarheid met de mededingingsregels verwijs ik naar mijn antwoord op vraag 2.
Uit het krantenartikel blijkt dat de parkeerbedrijven zich verzetten tegen het feit dat bij het op afstand plaatsen van het parkeerbeheer door de betrokken gemeenten geen aanbestedingsprocedure is georganiseerd. Volgens de aanbestedingsregels is het onder voorwaarden mogelijk dat gemeenten ervoor kiezen bepaalde taken van algemeen belang uit te voeren met eigen middelen zonder dat zij via een aanbestedingsprocedure een beroep doen op marktpartijen («inbesteden»). In dat verband kan het voor gemeenten mogelijk zijn het parkeerbeheer over te dragen aan een gezamenlijke coöperatie. De vraag of sprake is van overtreding van de aanbestedingsregels kan alleen door de burgerlijke rechter worden bepaald. Het krantenartikel meldt ook dat de parkeerbedrijven een kort geding tegen de betreffende gemeente overwegen.
Voorts mag een gemeente de concurrentie niet verstoren door haar eigen coöperatie in een gunstigere positie te brengen dan marktondernemingen, door middel van een steunmaatregel die in strijd komt met de staatssteunregels. Bij een vermoeden van overtreding van de staatssteunregels kan een klacht worden ingediend bij de Europese Commissie.
In hoeverre hebben gemeenten die parkeerbeheer laten uitvoeren door henzelf opgerichte coöperaties invloed op het door de coöperatie gevoerde beleid, in het bijzonder het prijsbeleid? Beschikt u over gegevens waaruit blijkt dat parkeertarieven toe- dan wel afgenomen zijn ten opzichte van gemeenten die parkeerbeheer niet door een coöperatie laten uitvoeren?
De zeggenschap van de gemeenten in coöperaties hangt af van de wijze waarop dit in de statuten van de coöperatie is geregeld. Dit kan van geval tot geval verschillen. Over gegevens waaruit blijkt de parkeertarieven toe- dan wel afgenomen zijn ten opzichte van gemeenten die parkeerbeheer niet door een coöperatie laten uitvoeren, beschik ik niet.
Wat is uw opvatting over de in het artikel gesignaleerde tendens dat gemeenten steeds meer diensten uitbesteden? Bent u het met ons eens dat bepaalde kerntaken, zoals het innen van belastingen, niet op afstand zou moeten worden geplaatst omdat gemeenten hier direct op aanspreekbaar moeten zijn en blijven? Zo ja, kunt u deze taken omschrijven?
Gemeenten kunnen ervoor kiezen om taken op afstand te plaatsen. Veel gemeenten besteden bijvoorbeeld om efficiencyredenen het heffen en invorderen van belastingen uit aan een samenwerkingsverband. Daar is niets op tegen, zolang de wijze waarop dat gebeurt in lijn is met de daarvoor geldende regelgeving, zoals de hierboven bedoelde regelgeving op het gebied van aanbesteding, mededinging en staatssteun. Het al dan niet op afstand plaatsen van taken valt onder de autonome bevoegdheid van de gemeenten. Ook als een gemeente taken op afstand plaatst, blijft deze direct aanspreekbaar. De gemeente blijft verantwoordelijk voor de taakuitvoering. Daarom acht ik beleid vanuit de Rijksoverheid op dit punt dan ook niet nodig en niet wenselijk.
De loonsverlaging van 650 thuiszorgmedewerkers van Viva zorggroep |
|
Renske Leijten (SP) |
|
|
|
|
Wat vindt u ervan 650 thuiszorgmedewerkers van Viva zorggroep loonsverlaging krijgen, omdat het anders «over en uit» is?1
Het gaat hier om ondersteuning in het kader van de Wet maatschappelijke ondersteuning (Wmo). Gemeenten zijn daarbij de primair verantwoordelijke overheid.
Het is primair aan ViVa! zorggroep, vakbonden en gemeenten om ieder hun verantwoordelijkheid te nemen en om hier goede afspraken over te maken.
Vindt u het terecht dat de medewerkers de rekening gepresenteerd krijgen omdat de gemeenten in Kennemerland te lage prijzen betalen? Kunt u uw antwoord toelichten?
Indien een instelling, om wat voor redenen dan ook, continuïteitsproblemen kent, kan dit consequenties hebben voor het betrokken personeel. In dit geval heeft ViVa! Zorggroep zelf een tarief geoffreerd en is er geen tarief door de gemeenten «neergezet». De gecontracteerde tarieven lijken daarbij niet uit de pas te lopen bij de gemiddelde tarieven elders in het land.
Wat betalen de gemeenten (Velsen, IJmond, Haarlem en anderen) voor de thuiszorg? Wat is uw oordeel over hun prijs?
Zie antwoord vraag 2.
Is het juridisch juist dat alle medewerkers, ongeacht hun werkgebied en ongeacht de prijzen die gemeenten betalen, loon inleveren?
Zie antwoord vraag 1.
Bent u van mening dat gemeenten in hun bestek een juiste Functie Waardering Gezondheidszorg (FWG)-inschaling moeten opnemen wanneer zij besluiten openbaar aan te besteden? Kunt u uw antwoord toelichten?
Nee, werkgevers en werknemers hebben gezamenlijk afspraken gemaakt over de wijze waarop werkzaamheden en beloning gekoppeld zijn. De medewerkers van ViVa! Zorggroep vallen onder de CAO voor Verpleeg- en Verzorgingshuizen en Thuiszorg (VVT). Deze medewerkers dienen dus, zelfs zonder dat gemeenten dit in hun bestek opnemen, conform deze CAO beloond te worden.
Bent u het eens met de interpretatie van de gemeente Haarlem dat de aanbestedingsregels verhinderen dat een te lage prijs in een contract wordt omgezet in een redelijke (kostendekkende) prijs? Kunt u uw antwoord toelichten?
Een gemeente moet vooraf sturen op de beleidsdoelen die ze wil bereiken. Aanbesteden is een instrument om deze doelen te realiseren. De aanbestedingsregels zorgen er voor dat aanbestedende diensten op transparante wijze inkopen en bepaalde marktpartijen niet worden bevoordeeld. Dit betekent ook dat gemaakte afspraken tijdens de contractperiode niet zomaar kunnen worden gewijzigd. Een wezenlijke wijziging van de afspraken, bijvoorbeeld een forse verhoging van het tarief, zou kunnen leiden tot een dergelijke bevoordeling en voor andere marktpartijen (zoals andere geïnteresseerde marktpartijen) een reden kunnen zijn een juridisch procedure te starten wegens inbreuk op het aanbestedingsrecht.
Bent u zich er van bewust dat de boete van de Nederlandse Mededingingsautoriteit (NMa) zorggeld onttrekt aan de zorg? Bent u bereid de NMa te verzoeken de boetes niet te innen?
Over de boetes en het boetebeleid van de NZa heeft de minister van VWS begin november schriftelijke vragen van u beantwoord (TK 2010–2011, Aanhangsel 599). Ik verwijs u daar naar, in het bijzonder naar het antwoord op uw vraag 11.
Bent u van mening dat het werken in de zorg op deze manier aantrekkelijk wordt gemaakt? Kunt u uw antwoord toelichten?
Nee, arbeidsonrust is nooit bevorderlijk voor een goed klimaat op de arbeidsmarkt van een sector. Ik heb er echter vertrouwen in – gezien hetgeen dat in gang gezet is – dat betrokken partijen deze kwestie zo spoedig mogelijk op een voor iedereen zo acceptabel mogelijke wijze zullen oplossen.
Voetbalwedstrijden en collectief vervoer |
|
Richard de Mos (PVV) |
|
|
|
|
Bent u bekend met het feit dat veel supporters wegblijven van uitwedstrijden, omdat ze alleen met collectief vervoer kunnen reizen, met alle nadelen van dien?
Nee.
Deelt u de mening dat de Voetbalwet zich juist kan bewijzen door de combiregeling af te schaffen? Zo nee, waarom niet?
De Wet maatregelen bestrijding voetbalvandalisme en ernstige overlast kan bijdragen aan een verminderd gebruik van de combiregeling, maar deze niet vervangen. Een belangrijk verschil tussen beide maatregelen is dat de wet zich richt op de aanpak van een aanwijsbaar en beperkt aantal personen die individueel of in groepsverband in het verleden herhaaldelijk de openbare orde hebben verstoord of bij die groepsgewijze ordeverstoring een leidende rol hebben gehad en jegens wie ernstige vrees voor verdere verstoring bestaat, terwijl een combiregeling bij bepaalde risicowedstrijden wordt opgelegd aan alle bezoekende supporters van de uitspelende club, op basis van een inschatting van de veiligheidsrisico’s rondom een wedstrijd. Beide maatregelen kunnen afhankelijk van de situatie hun nut hebben. In het vernieuwde beleidskader Voetbal en Veiligheid zullen de ketenpartners (politie, gemeenten, KNVB, Openbaar Ministerie, Auditteam, ministerie van Veiligheid en Justitie) op landelijk niveau afspraken maken om het aantal combiregelingen te laten dalen. Het beleidskader verschijnt dit voorjaar.
Deelt u de mening dat een driekwart leeg vak, waarin bezoekers van uitwedstrijden gekooid hun wedstrijd bekijken, eruit ziet als een rotte kies in een verder puntgaaf gebit en dat dit de clubs tonnen aan inkomsten per seizoen scheelt? Zo nee, waarom niet?
Voetbalclubs dienen zich als een goed gastheer op te stellen. Het Auditteam Voetbal en Veiligheid doet op dit moment een onderzoek onder uitsupporters. Dit onderzoek verschijnt deze zomer en richt zich op vervoer, ontvangst en supportersbeleid. De resultaten worden besproken in de regiegroep Voetbal en Veiligheid waarin vertegenwoordigers van politie, OM, gemeenten, KNVB, Auditteam en het ministerie van Veiligheid en Justitie zitten.
Bent u bekend met de Engelse situatie, waarin supporters van beide ploegen als gevolg van de Engelse Voetbalwet gebroederlijk naar het stadion komen en zich voorbeeldig gedragen in en om het stadion?
Ervaringen in het buitenland met de aanpak en bestrijding van voetbalvandalisme worden vanzelfsprekend bij de vormgeving en operationalisering van het Nederlandse beleid betrokken. De ervaringen met de Engelse voetbalwet worden meegenomen bij de evaluatie van de Wet maatregelen bestrijding voetbalvandalisme en ernstige overlast, zoals toegezegd bij de aanvaarding van de daartoe strekkende motie Dölle c.s. (kamerstukken 31 467, I)
Bent u bereid de combiregeling in overleg met de KNVB vanaf het volgende seizoen af te schaffen, zodat de KNVB ruimschoots de tijd heeft de gevolgen naar de clubs en de supporters te communiceren? Zo nee, waarom niet?
Allereerst is het belangrijk dat alle partijen volgens het beleidskader voetbal en veiligheid gaan werken. Zo lang zich nog steeds incidenten rondom voetbalwedstrijden voordoen zijn maatregelen zoals een combiregeling nodig. Verder verwijs ik naar mijn antwoord op vraag 2.
Het vrijgeven van de voetbal makelaarsmarkt en de gevolgen die dit heeft voor jonge talenten |
|
Tjeerd van Dekken (PvdA) |
|
Edith Schippers (minister volksgezondheid, welzijn en sport) (VVD) |
|
|
|
|
Heeft u kennisgenomen van het bericht «Vrijgave makelaarsmarkt leidt tot misstanden met jonge talenten. Straks is de jeugd echt vogelvrij»?1
Ja.
Deelt u de mening dat jongeren onder de 16 jaar beschermd moeten worden en blijven tegen de invloeden van voetbalmakelaars en intermediairs? Zo ja, kunt u toelichten welke middelen ingezet worden om deze jonge talenten te beschermen? Zo nee, waarom niet?
Profvoetballer worden is voor velen een droom en als je opgenomen wordt in het selectietraject hiervoor kan dat veel kansen bieden. Maar clubs, begeleiders, ouders en makelaars moeten zorgvuldig met jonge talenten omgaan. Ik snap de zorgen die bestaan rondom transfers van minderjarige spelers, en vooral van spelers onder de 16 jaar.
In Nederland moeten spelersmakelaars een licentie van de KNVB hebben. Dit betekent dat zij zich moeten houden aan de reglementen van de KNVB. Volgens artikel 8 lid 1 sub d van het Reglement Spelersmakelaars is een spelersmakelaar verplicht zich te onthouden van activiteiten en werkzaamheden voor zover het spelers jonger dan 16 jaar betreft.Bij overtreding van de reglementen, komt de spelersmakelaar in aanraking met de tuchtrechtelijke organen van de bond.
Als een ouder of een bij de Nederlandse orde van advocaten ingeschreven advocaat opereert als intermediair tussen de (jonge) speler en de bond, dan valt deze niet onder de reglementen van de voetbalbond.
Biedt de huidige wet- en regelgeving adequate bescherming aan de jonge voetbaltalenten of worden kinderen jonger dan zestien in de praktijk wel «begeleid door sportmakelaars»? Indien dit laatste het geval is, om hoeveel kinderen gaat het dan?
Nederland heeft geen specifieke wettelijke regels die verbieden dat spelers jonger dan zestien bij een andere Nederlandse of buitenlandse club gaan spelen. Reguliere wet- en regelgeving ten aanzien van witwassen, belastingontduiking, fraude, arbeidsrecht etc. zijn van toepassing op iedereen, ook op sporters en hun begeleiders.
De sector heeft zelf regels opgesteld om jonge voetbaltalenten te beschermen; het in antwoord 2 genoemde artikel 8 lid 1 sub d van het Reglement Spelersmakelaars van de KNVB.
De afgelopen jaren zijn er weinig klachten bij de KNVB binnengekomen over spelersmakelaars die kinderen jonger dan 16 begeleiden. Deze klachten zijn onderzocht maar kunnen vaak niet bewezen worden. Redenen hiervoor lopen uiteen van simpelweg het «niet bestaan» van bewijsmiddelen tot het niet willen afgeven van een verklaring door betrokkenen.
Bent u in gesprek met de KNVB om het onder contract stellen van jonge talenten tegen te gaan? Overweegt u wettelijke of andere maatregelen om de misstanden met jonge talenten tegen te gaan? Zo ja, welke? Zo nee, waarom niet?
Ouders zijn verantwoordelijk voor het welzijn en de ontwikkeling van hun kind. Als dat betekent dat zij in het kader van de ontwikkeling van de sportieve en maatschappelijke loopbaan een andere, nieuwe opleidingsplek kiezen, dan is dat hun goed recht. Dit moet uiteraard wel zorgvuldig gedaan worden.
Uit onderzoek van de Europese Commissie naar spelersmakelaars in de Europese Unie (2009) blijkt dat de oplossing vaak niet makkelijk te vangen is in wet- en regelgeving. Zelfregulering kan hierbij wel een belangrijk instrument zijn.
Maar als het om criminele activiteiten gaat, als de belastingen ontdoken worden, als het arbeidsrecht geschonden wordt of als het vrije verkeer van werknemers in het gedrang komt, dan komt uiteraard de publieke overheid in beeld. Hiervoor zijn wetten en regels en deze worden gehandhaafd.
Gelet op het bovenstaande overweeg ik geen nieuwe wettelijke of andere maatregelen in te stellen.
Hoe beoordeelt u de stelling dat de jeugd «echt vogelvrij» wordt als de FIFA de makelaarsmarkt vrijgeeft? Heeft het vrijgeven van de makelaarsmarkt gevolgen voor uw beleid? Zo ja, welke? Zo nee, waarom niet?
De FIFA gaat het huidige systeem van spelersmakelaars evalueren en sluit niet uit dat een van de uitkomsten van de evaluatie is dat het huidige licentiesysteem geheel afgeschaft wordt. Het systeem is volgens de FIFA namelijk veel te diffuus en makkelijk te omzeilen. Clubs, spelers en hun ouders kunnen immers altijd een advocaat inhuren en ouders kunnen zelf een contract ondertekenen of verhuizen naar een andere stad of ander land ten dienste van hun minderjarige kind.
De reguliere wet- en regelgeving in Nederland verandert niet automatisch door een wijziging van sportregels van de FIFA. Gelet hierop onderschrijf ik de stelling dat de jeugd «echt vogelvrij» wordt niet.
Het terugtreden van de Raad van Toezicht van Hogeschool InHolland |
|
Tanja Jadnanansing (PvdA) |
|
Halbe Zijlstra (staatssecretaris onderwijs, cultuur en wetenschap) (VVD) |
|
|
|
|
Heeft u kennisgenomen van de berichtgeving over het vertrek van de voltallige raad van toezicht van de hogeschool InHolland vooruitlopend op het onderzoeksrapport van de Inspectie Onderwijs?1
Ja.
Hoe beoordeelt u de positie, werkwijze en uitvoering van de wettelijke taken door de Raad van Toezicht, waarbij zij de nodige signalen over problemen in de organisatie niet in acties omgezet heeft?
Ik kan mij vinden in de conclusies van de inspectie in het «Tussenbericht» (Onderzoek naar alternatieve afstudeertrajecten bij Hogeschool Inholland) met betrekking tot de rol die de Raad van Toezicht heeft gespeeld; de Raad van Toezicht heeft niet op effectieve wijze ingegrepen.
Deelt u de mening dat de Raad van Toezicht direct passende maatregelen had moeten nemen zodra de signalen over problemen binnen afstudeertrajecten naar boven kwamen?
Uiteraard deel ik de mening dat een raad van toezicht direct passende maatregelen zou moeten nemen. Ik deel de conclusie van de inspectie dat de Raad van Toezicht van de Hogeschool Inholland niet op effectieve wijze heeft ingegrepen ten aanzien van de verhoudingen binnen het College van Bestuur.
Deelt u de mening dat het goed is om te bezien in welke mate uw bevoegdheden c.q. mogelijkheden aanscherping behoeven richting benoeming of sanctionering van Raden van Toezicht die zichtbaar falen of disfunctioneren?
Ik heb de Kamer tijdens het Algemeen Overleg van 18 november 2010 toegezegd dat ik zal onderzoeken wat mijn mogelijkheden zijn om in te grijpen wanneer er gerede twijfel is over de bestuurbaarheid van een instelling en dat ik in de beleidsreactie bij het inspectierapport over alternatieve afstudeertrajecten met nadere voorstellen zal komen. Het inspectierapport en mijn beleidsreactie zullen in april 2011 aan de Kamer worden toegestuurd.
Op welke wijze denkt u inzichtelijk te krijgen of en hoe de Raden van Toezicht van andere hoger onderwijsinstellingen in het land voldoende functioneren om hun wettelijke taken uit te voeren? Bent u bereid dit in kaart te brengen en indien nodig binnen uw mogelijkheden maatregelen te treffen?
In het inspectierapport over alternatieve afstudeertrajecten, dat betrekking heeft op alle instellingen in het hoger onderwijs, zal ook dieper worden ingegaan op het functioneren van het interne toezicht. Het functioneren van de raden van toezicht als nieuw, verplicht intern toezichtorgaan in algemene zin komt aan de orde in de evaluatie van de Wet versterking besturing die in 2013 zal worden afgerond.
De voornemens van het kabinet met betrekking tot de sociale werkplaatsen en de Wajong |
|
|
|
|
Paul de Krom (staatssecretaris sociale zaken en werkgelegenheid) (VVD) |
|
Kent u het bericht ««Pittige gesprekken» over één regeling»?1
Ja.
Is er door het kabinet al een concreet voorstel gedaan tot het vormen van een enkele regeling voor de onderkant van de arbeidsmarkt? Zo ja, hoe ziet zo’n regeling er precies uit? Zo nee, wanneer valt zo’n voorstel te verwachten?
Het kabinet wil met de nieuwe regeling werken naar vermogen toe naar een regeling die de WWB/WIJ, Wajong en Wsw hervormt en die decentraal wordt uitgevoerd door gemeenten en/of werkpleinen. Hierdoor kunnen de gemeenten meer mensen laten participeren, budgetten gerichter en effectiever inzetten en kosten besparen.
Zoals ik aan uw Kamer heb gemeld is voor een effectieve en uitvoerbare regeling overleg met de uitvoerders en andere betrokkenen cruciaal. Ik ben het eens met wat de heer Florijn aangeeft in het door u aangehaalde bericht «Pittige gesprekken», dat er op dit moment intensieve en goede gesprekken plaatsvinden met de verschillende uitvoerders. Mijns inziens zijn deze gesprekken van groot belang voor de invulling van de beleidsvoornemens. Op basis van deze gesprekken maak ik afwegingen voor de verdere uitwerking van de plannen.
Daarnaast heb ik reeds aangegeven dat het kabinet en medeoverheden nog in overleg zijn over een eventueel te sluiten bestuursakkoord op hoofdlijnen ten aanzien van deze en een aantal andere decentralisatievoornemens. Zo spoedig als mogelijk zal ik uw Kamer nader informeren.
Zullen er in die regeling voorstellen zitten betreffende duurzame inschaling van Wsw’ers onder het Wettelijk Minimumloon (WML)? Zal er bezuinigd worden op de capaciteit van de Wet sociale werkvoorziening (Wsw) dan wel Wajong voor nieuwe gevallen?
Ik heb reeds aangegeven de hoofdlijnennotitie naar uw Kamer te zullen sturen. In deze hoofdlijnennotitie zullen de afspraken uit het regeerakkoord nader worden uitgewerkt.
Deelt u de mening dat het een voorbeeld van onbehoorlijk bestuur is om gemeenten zo lang in het duister te laten over de bezuinigingen (en de invullingen daarvan) die in het komende jaar al moeten plaatsvinden? Zo nee, waarom niet?
Het zou naar mijn overtuiging van onbehoorlijk bestuur getuigen als ik zonder overleg met de gemeenten mijn beleid zou vaststellen. Gemeenten zijn, als toekomstige uitvoerders, voor mij belangrijke partners om tot een goede en zorgvuldige afweging te komen. Overigens constateer ik dat veel gemeenten inmiddels anticiperen op de vermindering van het participatiebudget in 2012 zoals opgenomen in het regeerakkoord.
In hoeveel gemeenten is sprake van onduidelijkheid over de gemeentelijke gevolgen van de beleidsvoornemens inzake de Wsw en Wajong, zoals nu bijvoorbeeld in Appingedam?2
Met gemeenten wordt momenteel intensief overlegd, onder andere met als doel mogelijke onduidelijkheden zoveel mogelijk op te lossen.
Hoeveel gemeenten zullen in de financiële problemen komen door de nieuwe regeling voor de onderkant van de arbeidsmarkt? Hoe groot acht u de kans dat gemeenten een artikel-12-status zullen moeten aanvragen, omdat ze niet aan hun verplichtingen kunnen voldoen?
Dit is een hypothetische vraag waar ik op dit moment geen antwoord op kan geven.
Deelt u de mening dat de contouren van de voorstellen, zoals die bij gelegenheid in de media verschijnen, als centrale gedachte lijken te hebben dat mensen met een zwakke positie op de arbeidsmarkt daaraan zelf (mede) schuldig zijn en dat de inspanningen om aan de slag te komen daarom geheel aan henzelf toevallen? Zo nee, waarom niet?
Nee, die mening deel ik niet. Dit kabinet wil met de voorstellen de juiste randvoorwaarden creëren om mensen die dat kunnen naar vermogen te laten werken en hen niet onnodig in een uitkering op te sluiten.
Deelt u de mening dat het beter is om de problemen op te lossen met een verplicht quotum voor mensen met een beperking in dienst van bedrijven en overheden, naar het model van het Rotterdamse stadsbestuur dat iedere werkloze een baan wil aanbieden? Zo nee, waarom niet?
Nee. Quota verplicht opleggen aan bedrijven kan op weinig draagvlak rekenen. Het wordt ervaren als een verkapte lastenverzwaring en/of boete en het is stigmatiserend voor de mensen die het betreft. Buitenlandse ervaringen hebben niet tot het gewenste resultaat geleid. Ik ben meer voorstander van stimuleren en motiveren van werkgevers.
Het bericht 'Gevangenis huurt meer imams in en minder pastors en humanisten' |
|
Lilian Helder (PVV), Geert Wilders (PVV), Joram van Klaveren (PVV) |
|
Fred Teeven (staatssecretaris justitie en veiligheid) (VVD) |
|
|
|
|
Kent u het bericht «Gevangenis huurt meer imams in en minder pastors en humanisten»?1
Ja.
Is het waar dat het aantal gevangenisimams stijgt ten opzichte van andere (geestelijke) verzorgers?
Ja. Dit is het gevolg van de uitkomsten van een voorkeurspeiling die is uitgevoerd in 2008, 2009 en 2010. De voorkeurspeiling betreft een onderzoek dat gedurende de hierboven vermelde drie opeenvolgende jaren is uitgevoerd onder een representatief deel van de ingeslotenen naar hun voorkeur voor de verschillende denominaties. Daaruit blijkt dat de vraag naar sommige denominaties is gegroeid en naar andere is gedaald.
Hoe beoordeelt u het commentaar van de voorzitter van het Humanistisch Verbond, die de wijze waarop Justitie de wensen van gedetineerden heeft gepeild «misleidend» noemt?
Het Nederlands strafrecht en gevangeniswezen berusten op de gedachte dat de gevangenisstraf dient als reactie op een misdrijf en in de hoop dat dit herhaling voorkomt. De gevangenisstraf strekt echter niet tot verandering van personen en de diepste overtuiging van mensen die door grondrechten worden beschermd. Het zou leiden tot een vorm van «brainwashing». Daarom volgt de geestelijke verzorging de overtuiging van personen en beoogt niet deze te hervormen.
In hoeverre deelt u de visie dat de integratie nog verder onder druk komt te staan bij een toename van het aantal imams in het gevangeniswezen?
Het Nederlands strafrecht en gevangeniswezen berusten op de gedachte dat de gevangenisstraf dient als reactie op een misdrijf en in de hoop dat dit herhaling voorkomt. De gevangenisstraf strekt echter niet tot verandering van personen en de diepste overtuiging van mensen die door grondrechten worden beschermd. Het zou leiden tot een vorm van «brainwashing». Daarom volgt de geestelijke verzorging de overtuiging van personen en beoogt niet deze te hervormen.
Op grond van de hierboven reeds toegelichte voorkeurspeiling is vast komen te staan dat het aantal formatieplaatsen voor islamitisch geestelijke verzorging diende te worden uitgebreid om te kunnen voldoen aan het wettelijke vereiste dat de geestelijke verzorging zoveel mogelijk dient aan te sluiten bij de godsdienst of levensovertuiging van de ingeslotenen. Ik zie geen relatie tussen de taakuitoefening door de bij DJI aangestelde islamitisch geestelijk verzorgers en de integratie van ingeslotenen in de Nederlandse maatschappij. Ik deel de visie dan ook niet dat de integratie onder druk komt te staan bij een toename van het aantal imams in het gevangeniswezen.
Deelt u de mening dat onze samenleving grotendeels is gevormd door de joods/christelijk/humanistische cultuur, dat deze in Nederland dominant moet blijven en dat het stijgende aantal imams in gevangenissen dit niet bevordert? Zo nee, waarom niet?
Onze samenleving heeft gedurende vele eeuwen de invloed van allerlei culturen ondergaan. De cultuur van de samenleving wordt gevormd door allen die daaraan volgens hun eigen overtuiging deelnemen. In de samenleving zoals wij die kennen is de Joods/christelijk/humanistische cultuur dominant. De vrijheid van godsdienst en levensovertuiging, zoals geregeld in artikel 6 van de Grondwet en in internationale verdragen omvat mede het recht om naar die overtuiging te leven, behoudens ieders verantwoordelijkheid volgens de wet. Met de geestelijke verzorging in de penitentiaire inrichtingen geeft de overheid uitvoering aan zijn verantwoordelijkheid om voorwaarden te scheppen die het uitoefenen van de vrijheid van godsdienst en levensovertuiging mogelijk maken voor hen aan wie de fysieke vrijheid is ontnomen.
Hoe groot is het percentage moslims onder de gedetineerden in Nederlandse gevangenissen?
In de registratiesystemen van DJI wordt niet bijgehouden of iemand moslim is. Door middel van eerdergenoemde voorkeurspeilingen is wel onderzoek verricht naar de voorkeur op het gebied van geestelijke verzorging van de ingeslotenen, niet naar hun godsdienstige of levensbeschouwelijke achtergrond. Uit de voorkeurspeiling volgt dat 21 van de ingeslotenen aangeeft gebruik te willen maken van islamitisch geestelijke verzorging.
Op basis van welke berekening bent u op het specifieke aantal van 43 fte’s voor imams uitgekomen?
Het budget voor geestelijke verzorging binnen de Dienst Justitiële Inrichtingen is gebaseerd op het totale aantal ingeslotenen. Hierbij wordt een norm gehanteerd van één geestelijk verzorger op 90 ingeslotenen. Toepassing van deze norm, in combinatie met de uitkomsten van de voorkeurspeiling, heeft geleid tot de vaststelling dat er 43 fte nodig zijn voor de islamitisch geestelijke verzorging.
Welke gevolgen heeft de (gedeeltelijke) privatisering van het gevangeniswezen voor deze (geestelijke) verzorgers?
De privatisering van de tenuitvoerlegging van straffen kan geen invloed hebben op de verantwoordelijkheid van de regering om personen die gedwongen hun vrijheid wordt ontnomen in staat te stellen hun vrijheid van godsdienst uit te oefenen.
Bent u bereid onmiddellijk een imamstop (als geestelijk verzorger) in te voeren bij gevangenissen?
De Penitentiaire beginselenwetten bepalen dat elke ingeslotene recht heeft op geestelijke verzorging die zo veel mogelijk aansluit bij zijn/haar godsdienst of levensovertuiging. Nu een deel van de ingeslotenen aangeeft een voorkeur te hebben voor islamitisch geestelijke verzorging, is de overheid verplicht te zorgen voor voldoende islamitisch geestelijk verzorgers in de justitiële inrichtingen. Ik zie dan ook geen enkele aanleiding om een imamstop (als geestelijk verzorger) in te voeren bij DJI.
Ontsnapte tijgers bij circus Belly Wien in Alphen aan den Rijn |
|
Esther Ouwehand (PvdD) |
|
|
|
|
Is het u bekend dat er bij circus Belly Wien onlangs drie tijgers zijn ontsnapt, waarbij één kameel is gedood, een kameel gewond is geraakt en een paard fikse bijtwonden heeft opgelopen?1
Ja.
Deelt u de mening dat dit een gevaarlijke situatie was, waarbij mensen in levensgevaar hadden kunnen komen? Zo ja, welke consequenties trekt u hieruit? Zo nee, hoe beoordeelt u dit incident dan?
Wanneer roofdieren ontsnappen is dat altijd gevaarlijk. In deze situatie is er geen gevaar geweest voor de veiligheid van publiek, want er was geen publiek aanwezig. Het circuspersoneel heeft de dieren weer snel gevangen.
De politie heeft de zaak onderzocht. Uit het onderzoek blijkt dat het slot van de tijgerkooi is vernield en dat de tijgers met opzet naar buiten zijn gelaten. De politie heeft de dader(s) niet kunnen achterhalen.
Kunt u uiteenzetten hoe het mogelijk is dat de tijgers überhaupt ontsnapt zijn en wat hierop de sancties zijn?
Zie antwoord vraag 2.
Kunt u uiteenzetten welke veiligheidsvoorschriften precies gelden voor het plaatsen van kooien en buitenverblijven en het tentoonstellen van wilde dieren door circussen wanneer zij een Nederlandse gemeente aandoen? Zijn deze voorschriften voor alle gemeenten gelijk of worden die door het plaatselijke bestuur vastgesteld? Acht u deze voorschriften afdoende om de veiligheid van mens en dier te waarborgen?
Er zijn geen wettelijke voorschriften voor circussen op dit punt. Gemeenten kunnen hun eigen voorschriften opnemen in de Algemeen Plaatselijke Verordening.
Kunt u uiteenzetten hoe vaak er controles hebben plaatsgevonden op openbare orde en veiligheid bij circussen in de afgelopen vijf jaar en wat de bevindingen daarvan waren? Hoe vaak zijn dierentuinen gecontroleerd op deze aspecten?
Voor openbare orde en veiligheid zijn de lokale autoriteiten (politie en gemeenten) verantwoordelijk. Incidenten op het terrein van openbare orde en veiligheid bij circussen worden niet centraal geregistreerd. Ik kan daarom niet aangeven hoe vaak er op die aspecten is gecontroleerd en wat daarvan de bevindingen waren.
Dierentuinen beschikken over een veiligheidsprotocol dat beoordeeld wordt bij de aanvraag voor een dierentuinvergunning. Wanneer dierentuinen belangrijke wijzigingen melden, wordt aandacht besteed aan de veiligheid. Bij incidenten wordt de situatie samen met de vergunninghouder doorgenomen.
Beschikt circus Belly Wien over de benodigde certificaten in het kader van Artikel 48 van de Uitvoeringsverordening (EG) nr. 338/97 en het Certificaat reizende tentoonstelling? Op welke wijze, met welke frequentie en door wie is dat de afgelopen jaren gecontroleerd? Zo nee, hoe kan een circus dat niet over deze certificaten beschikt een vergunning krijgen voor optredens in Nederland?
Circus Belly Wien beschikt, voorzover nodig, over EG-certificaten, zoals bedoeld in artikel 8, lid 3, van Verordening (EG) nr. 338/97.
In artikel 30 van Verordening 865/2006 krijgen lidstaten de mogelijkheid om certificaten voor reizende tentoonstellingen af te geven. Nederland maakt van deze mogelijkheid geen gebruik.
Verder is in Nederland voor het houden van bepaalde soorten, waaronder voor berberapen en tijgerwelpen, een bezitsontheffing nodig. Bij iedere aanvraag voor een bezitsontheffing wordt door de Dienst Regelingen altijd gecontroleerd of de dieren rechtmatig verkregen zijn. Als de aanvraag daartoe aanleiding geeft wordt de nVWA daarbij ingeschakeld.
Is het waar dat genoemde certificaten hun geldigheid verliezen als de daarop vermelde dieren zijn ontsnapt? Zo ja, klopt het dat deze certificaten hun geldigheid hebben verloren? Zo nee, hoe zit het dan? Op welke wijze en door wie wordt de geldigheid van deze certificaten getoetst en welke gevolgen worden verbonden aan een negatieve uitkomst van een dergelijke toetsing?
Genoemde certificaten verliezen niet hun geldigheid bij ontsnapping van dieren.
Zowel de Dienst Regelingen als de nVWA controleren certificaten op hun geldigheid. Als de certificaten niet geldig blijken te zijn, kan handhavend worden opgetreden.
Kunt u uiteenzetten welke meldingen de afgelopen jaren bij de handhavende autoriteiten zijn binnengekomen over onveilige situaties bij circus Belly Wien? Kunt u bevestigen dat er in 2010 melding is gemaakt over de manier waarop het circus de dieren had gehuisvest in Almere waarbij leerlingen van een bezoekende basisschool zonder bufferzone langs de tijgerkooien konden lopen en dat er geen net gespannen was boven het buitenverblijf van de tijgers, waardoor zij gemakkelijk over het hek hadden kunnen springen en ontsnappen? Kunt u bevestigen dat daarbij ook melding is gemaakt van de situatie dat deze leerlingen hun hand door de tralies van het verblijf van de berberapen konden steken? Deelt u de mening dat het hier om gevaarlijke situaties ging? Zo ja, waarom is er niet ingegrepen om de veiligheid van deze kinderen te waarborgen? Zo nee, waarom niet?
Voor de beantwoording van het eerste deel van deze vraag verwijs ik naar mijn antwoord onder vraag 5.
Bij de nVWA zijn in 2010 enkele meldingen binnengekomen over het circus Belly Wien, waaronder een algemene mail op 1 juni 2010 over mogelijke onveilige toestanden bij Circus Belly Wien. Tijgers zouden te dicht benaderd kunnen worden door het publiek. In de melding wordt niet gesproken over het ontbreken van netten boven het buitenverblijf van de tijgers of van kinderen die hun handen door de tralies van het apenverblijf kunnen steken. De melding is overgedragen aan de gemeente Geldrop-Mierlo, waar het circus de derde week van juni 2010 haar tenten zou opslaan. Als mensen wilde dieren te dicht kunnen benaderen, is dat potentieel gevaarlijk. De zorg voor de veiligheid is de verantwoordelijkheid van gemeenten. Gemeenten kunnen veiligheidsvoorschriften aan de vergunning verbinden.
Voor zover mij bekend zijn er in het verleden bijtincidenten met een aap van het betreffende circus geweest. Na overleg met het circus is bij de eerste melding in 2006 het bloed van de aap getest op besmettelijke ziekten. De aap bleek niet besmet te zijn te zijn met ziekten die ook gevaarlijk zijn voor mensen.
Kunt u toelichten wat er met bovengenoemde meldingen is gedaan? Kunt u bevestigen dat er al eerder melding is gemaakt van vier bijtincidenten met apen bij circus Belly Wien? Zo ja, hoe is er met deze meldingen omgegaan?
Zie antwoord vraag 8.
Kunt u, mede gelet op de meldingen over gevaarlijke situaties en bijtincidenten, uitleggen waarom u onlangs een ontheffing heeft verleend aan circus Belly Wien om de tijgers en berberapen onder zich te houden terwijl het circus geen vergunning had om deze dieren te houden? Waarom bent u overgegaan tot het verlenen van ontheffing in plaats van handhavend op te treden? Onderkent u dat u hiermee het illegaal houden van beschermde wilde dieren in feite heeft gelegaliseerd?
De berberapen en de tijgerwelpen bij het betreffende circus hadden een legale afkomst, die voldoet aan de CITES regelgeving. Daarboven geldt voor apen en katachtigen dat circussen moeten beschikken over een zogenoemde bezitsontheffing op basis van de Flora- en faunawet. Het betreffende buitenlandse circus heeft bij mij een aanvraag hiervoor gedaan. Omdat de dieren rechtmatig waren verkregen en er geen aanleiding was om te veronderstellen dat de dieren niet op de juiste wijze zouden worden gehouden, heb ik de ontheffing verleend.
In de ontheffing is als voorwaarde opgenomen dat moet worden voldaan aan de artikelen 36 en 37 van de Gezondheids- en welzijnswet voor dieren.
Deelt u de mening dat het gerechtvaardigd is dat gemeenten op grond van regels van openbare orde en veiligheid in de Algemene Plaatselijke Verordening (APV) circussen met wilde dieren in hun gemeente moeten kunnen weren? Zo ja, kunt u uiteenzetten welke mogelijkheden de APV daartoe biedt? Zo nee, waarom niet?
Het is mij bekend dat een aantal gemeenten geen circussen met wilde dieren op hun grondgebied wenst. Zoals aangegeven in reactie op eerdere Kamervragen2 hebben gemeenten een autonome regelgevende bevoegdheid, die onder meer wordt begrensd door regelgeving op rijks- en provinciaal niveau. De Gezondheids- en welzijnswet voor dieren is uitputtend bedoeld voor dierenwelzijnsbeleid. Uit het gemeenterecht vloeit voort dat gemeenten in zo’n geval niet bevoegd zijn om vanuit een oogpunt van dierenwelzijn eigen regels over dieren te stellen. Dit is bevestigd in een uitspraak van de afdeling Bestuursrechtspraak van de Raad van State.3
Gemeenten hebben wel de bevoegdheid om met andere oogmerken regels te stellen inzake dieren, mits deze regels niet in strijd zijn met de normen in de Gezondheids- en welzijnswet voor dieren. Gemeenten kunnen bijvoorbeeld regels stellen over circussen in het belang van de openbare orde of veiligheid. In een concreet geval is het aan de rechter om te beoordelen of een gemeente bij het opstellen van regels binnen de grenzen van haar bevoegdheid is gebleven.
Het stellen van regels over openbare orde en veiligheid is bij uitstek een lokale verantwoordelijkheid, waarmee die afweging dus op het meest toepasselijke niveau wordt gemaakt.
Bent u bekend met het feit dat tientallen gemeenten circussen met wilde dieren willen verbieden binnen hun gemeente en tot nog toe nog steeds gedwongen zijn circussen met wilde dieren toe te laten? Hoe beoordeelt u dit, meewegende dat juist ook de gemeente Alphen aan de Rijn zich tot een rechtszaak toe heeft ingespannen voor een gemeentelijk verbod op circussen met wilde dieren?
Zie antwoord vraag 11.
Bent u bereid de alsmaar groeiende groep gemeenten die circussen met wilde dieren willen weren van hun grondgebied tegemoet te komen? Zo ja, op welke wijze? Zo nee, hoe verhoudt zich dit tot de passage «Taken van het bestuur worden op een zo dicht mogelijk bij de burger gelegen niveau gelegd» uit het regeerakkoord?
Zie antwoord vraag 11.
Bent u bekend met de brief van de Europese Commissie waarin zij aangeeft dat lidstaten op nationaal niveau een verbod op wilde dieren in circussen mogen instellen? Bent u bereid deze mogelijkheid, in navolging van andere lidstaten, te benutten? Zo ja, op welke termijn? Zo nee, waarom niet?
Het is mij bekend dat Oostenrijk wilde dieren in circussen heeft verboden. Voorts is mij bekend dat de Europese Commissie van mening is dat de vraag hoe wilde dieren in het circus het best kunnen worden beschermd door de lidstaten zelf dient te worden beoordeeld. Dit heeft de Commissie aangegeven in haar motivering om een tegen Oostenrijk ingezette infractieprocedure niet door te zetten. De Europese Ombudsman heeft in maart 2010 het formele besluit genomen dat de Europese Commissie slecht bestuur heeft gepleegd. Dit is gebeurd, omdat volgens de Europese Ombudsman de genoemde motivering van de Europese Commissie niet afdoende was. Ik ben geen voorstander van een nationaal verbod. Ik wil juist de mogelijkheid benutten om tot Europese regelgeving te komen.
Het gebrek aan talent, kennis en kunde als grootste actuele bedreiging voor onze economische groei |
|
Kees Verhoeven (D66), Boris van der Ham (D66) |
|
Marja van Bijsterveldt (minister onderwijs, cultuur en wetenschap) (CDA) |
|
|
|
|
Wat is uw reactie op de zorgen van het Nederlandse bedrijfsleven over de bezuinigingen van dit kabinet op het onderwijs?1
Het kabinet staat voor de opgave om de overheidsfinanciën weer op orde te brengen. Niet als doel op zich, maar om de economie en samenleving nu en in de toekomst houdbaar te laten zijn.
Zoals blijkt uit het overzicht in de onderwijsparagraaf van het regeerakkoord is het bedrag aan ombuigingen gelijk aan het bedrag dat is uitgetrokken voor intensiveringen. Daarbij merk ik op dat, net als andere departementen, het ministerie van OCW een bijdrage levert aan de taakstelling voor de subsidies, de gematigde loonontwikkeling en de taakstelling voor het Rijk, de agentschappen en de ZBO’s.
Erkent u dat de bezuinigingen op het hoger onderwijs afdoen aan de aantrekkelijkheid van Nederland? Zo nee, waarom niet?
Nee, zie hiervoor in eerste instantie het antwoord op vraag 1. Daar komt bij dat waar het de aantrekkelijkheid van ons land voor buitenlandse investeringen betreft, factoren als de centrale ligging in Europa, het goed ontsloten zijn, het goede fiscale klimaat en het relatief goede opleidingsniveau van de beroepsbevolking even belangrijk zijn als de kwaliteit van de onderwijs- en kennisinfrastructuur. En ons land scoort goed op deze punten.
Waar het de aantrekkelijkheid van ons land voor buitenlands talent betreft, wordt verwezen naar het eerder aan u gezonden onderzoeksrapport «Wat beweegt kennismigranten». Hieruit blijkt dat goede loopbaankansen in een kwalitatief hoogwaardige kennisinfrastructuur het belangrijkste argument voor een kenniswerker is om elders zijn of haar talenten in te zetten. Ons land blijkt volgens genoemd rapport op dit punt de concurrentie met andere OESO-landen goed aan te kunnen.
Zoals uit het antwoord op vraag 1. blijkt, zet het kabinet juist ook in op een kwaliteitsimpuls van de onderwijs- en kennisinfrastructuur. Daarnaast wijzen wij erop dat de keuze voor en de instelling van negen topsectoren waarbinnen wetenschap, bedrijven en overheid samenwerken aan een versterking van de concurrentiekracht van onze economie, direct aangrijpt bij de belangrijkste, hiervoor genoemde beweegreden van de kennismigrant.
Deze duidelijke herkenbaarheid en zichtbaarheid van de richting waarin onze kenniseconomie zich de komende jaren zal gaan ontwikkelen, zal de aantrekkelijkheid van ons land voor de internationale kenniswerker zeker versterken.
Hoe gaat u er, ondanks de bezuinigingen op het hoger onderwijs en de voorgenomen plannen in het regeerakkoord op het gebied van immigratie en asiel, voor zorgen dat ons land aantrekkelijk blijft voor buitenlands talent?
Zoals in het regeerakkoord al is aangegeven, zal het kabinet ervoor zorg dragen dat de voornemens op migratiegebied de bevordering van de kenniseconomie niet zal belemmeren. Daarbij wordt erop gewezen dat in het keuzeproces van een kennismigrant voor een bepaald land, de wet- en regelgeving geen erg grote rol speelt. Zoals hiervoor opgemerkt gaat het de kennismigrant vooral om goede loopbaankansen in een kwalitatief hoogwaardige kennisinfrastructuur. Een zodanige kennisinfrastructuur dat het «the place to be is» op een bepaald vakgebied of specialisatie. Het doel van de 9 topsectoren is ons land tot zo’n gebied te maken en de huidige regelgeving voor kennismigranten sluit daarop goed aan.
Hoe verklaart u het grotere vertrouwen van bijvoorbeeld het Duitse bedrijfsleven in de economische groei? Bestaat er een relatie met de investeringen van de Duitse overheid in kennis?
Als indicator voor het vertrouwen van het bedrijfsleven wordt vaak het zogenaamde «producentenvertrouwen» gebruikt. Dergelijke indices worden samengesteld op basis van enquêtes waarin ondernemers wordt gevraagd naar hun verwachtingen over de toekomstige bedrijvigheid.
Tevens spelen het oordeel over de voorraden gereed product en orderposities en daarmee de recente economische prestaties een rol.
Op basis van cijfers van het Centraal Bureau voor de Statistiek, het Duitse Institut für Wirtschaftsforschung en de Europese Commissie van het producentenvertrouwen blijkt inderdaad dat het Duitse bedrijfsleven momenteel meer vertrouwen heeft dan het Nederlandse bedrijfsleven.
De Duitse economie heeft in 2010 beter gepresteerd dan de Nederlandse economie. Volgens de Duitse overheid groeide haar economie in 2010 met 3,6%. Dit terwijl het Centraal Planbureau voor Nederland in december uitging van 1¾% groei (CPB Nieuwsbrief, 4, december 2010).
De goede realisatiecijfers van Duitsland heeft een aantal verklaringen. Het is ten eerste waarschijnlijk dat een deel van de betere prestatie verklaard kan worden door het feit dat de Duitse economie door de crisis een grotere klap heeft gehad dan de Nederlandse economie (OESO, OECD Economic Outlook, 87, mei 2010).
Een tweede verklaring is de sectorstructuur. Het is vooral de Duitse maakindustrie die goed presteert. Deze industrie is meer dan de Nederlandse gericht op de productie van machines en auto’s. Het zijn vooral deze producten waarnaar in opkomende landen veel vraag is. Opkomende landen groeien snel. Duitsland profiteert hier meer van dan de meeste andere landen, zo blijkt uit een studie naar uitvoer naar de BRIC-landen (Groot, Lejour en Gerritsen, Uitvoer naar opkomende economieën, Economisch Statistische Berichten, 96, 7 januari 2011). Duitsland is zelfs in staat gebleken zijn aandeel in de wereldexport constant te houden op het niveau van 2000 (the Economist, Vorsprung durch exports, 3 februari 2011). Dit ondanks het feit dat landen als China veel meer zijn gaan exporteren.
De groeiverwachtingen voor de opkomende landen zijn beter dan voor de traditionele afzetmarkten van Nederland en Duitsland (IMF, World Economic Outlook Update, 25 januari 2011). Het is daarom begrijpelijk dat het vertrouwen van het Duitse bedrijfsleven ook voor de toekomstige economische ontwikkeling groot is.
Goede realisaties en positieve verwachtingen kunnen dus (verschillen in) het producentenvertrouwen verklaren. Investeringen in kennis lijken geen rol te spelen, gelet op de wijze waarop het producentenvertrouwen in de praktijk wordt gemeten.
Het Mor Gabriel klooster in Turkije |
|
Pieter Omtzigt (CDA) |
|
|
|
|
Heeft u kennisgenomen van het feit dat de Turkse staat een rechtszaak tegen het Mor Gabriel klooster bij het Turkse hooggerechtshof in Ankara gewonnen heeft, zodat het klooster een gedeelte van zijn eeuwenoude landerijen moet afstaan?1
Ja.
In antwoorden op eerdere Kamervragen gaf uw ambtsvoorganger aan dat de ambassades van EU-lidstaten bij toerbeurt de rechtszaken tegen het klooster zouden bijwonen en dat de Kamer daarover geïnformeerd zou worden. Kunt u uiteenzetten wie de rechtszitting heeft bijgewoond en wat de bevindingen zijn in de EU?2
De Nederlandse Ambassade volgt de rechtszaak over het Mor Gabriël-klooster op de voet. Zo is Nederland regelmatig bij zittingen aanwezig geweest. Indien dit niet geval was, werd ons land vertegenwoordigd door de EU-delegatie of andere EU-lidstaten. Het Kabinet deelt de conclusie van de Europese Commissie in haar laatste voortgangsrapport, dat een flinke inspanning vereist is ten aanzien van de rechten van religieuze minderheden.
Deelt u de mening dat de Turkse overheid, door het aanspannen van vele rechtszaken tegen het klooster, de rechten van de minderheden niet garandeert, zoals ook opgemerkt in de voortgangsrapportage over Turkije van de Europese commissie?3
Zie antwoord vraag 2.
Bent u bereid de Turkse ambassadeur in Nederland in een onderhoud te wijzen op de precaire situatie van de christelijke minderheden in zijn land, hem te verzoeken aan de Turkse regering de rechtszaken van de overheid tegen het Mor Gabriel klooster in te trekken en de resolutie 1704 (speciaal punt 19.6 dat om bescherming van het klooster en zijn eigendommen gaat) van de Raad van Europa na te leven, en daarop terug te rapporteren aan de Raad van Europa zoals gevraagd?
Mede op aandringen van Nederland, heeft de EU-vertegenwoordiging in Turkije op 15 februari jl. bij de Turkse regering gedémarcheerd, om namens alle EU-lidstaten haar zorg uit te spreken over het verloop van de Mor Gabriël-rechtszaak. Verder heeft Nederland zich herhaaldelijk in Raad van Europa-verband hiervoor ingezet, waarbij de godsdienstvrijheid voor alle Turkse inwoners werd benadrukt. Ook heb ik zelf mijn zorgen geuit over deze zaak in consultaties met mijn Turkse collega op 2 februari jl. Het Kabinet zal, tot slot, de reguliere bilaterale contacten blijven aanwenden om aandacht te vragen voor de rechten van (religieuze) minderheden in Turkije. Dit zal ook in gesprekken met de Turkse Ambassadeur aan de orde komen.
Bent u bereid om dit onderwerp te agenderen in de EU en zo ja, op welke wijze?
Zie antwoord vraag 4.
Bent u bereid om uw en onze zorgen over het Mor Gabriel klooster aan de Turkse regering over te brengen tijdens uw bezoek aan Turkije en kunt u ons op de hoogte stellen van het antwoord dat u van de Turkse minister krijgt?
Zie antwoord vraag 4.
Een vergelijkingswebsite ten aanzien van prijs en kwaliteit van kinderopvang |
|
|
|
|
Henk Kamp (minister sociale zaken en werkgelegenheid) (VVD) |
|
Kent u de vergelijkingswebsite die door de Belangenvereniging voor Ouders in de Kinderopvang (BOink) is ontwikkeld om ouders een beter inzicht te geven in de prijs en kwaliteit van kinderopvang?1
Ja
Is het waar dat al sinds oktober 2006 aan de ontwikkeling van deze website wordt gewerkt met financiële steun van de rijksoverheid?
Nee. In 2009 is subsidie toegekend aan de Belangenvereniging voor Ouders in de Kinderopvang (BOink) voor de looptijd van 4 jaar om deze site te ontwikkelen en te vullen. Er is tot nu toe een voorschot van € 379 400,- betaald voor dit project.
Is het waar dat het rijk in 2010 opnieuw subsidie heeft verleend voor de ontwikkeling van de website? Hoeveel subsidie heeft de rijksoverheid in de afgelopen jaren in totaal aan dit project verstrekt?
Zie antwoord vraag 2.
Deelt u de mening dat de website volstrekt niet beantwoordt aan het doel de positie van ouders te verbeteren door inzicht te verschaffen in prijs, kwaliteit, openingstijden en het pakket van uren of dagdelen die instellingen aanbieden, doordat in de meeste gevallen concrete informatie over tarieven, kwaliteit en aangeboden pakketten van uren/dagdelen ontbreekt?2
Nee. Op dit moment hebben circa 1600 locaties de kinderopvangkaart ingevuld. De kinderopvanginstellingen hebben tijd nodig om de kinderopvangkaart te vullen. Als de kinderopvangkaart op termijn beter gevuld wordt door de kinderopvanginstellingen dan kunnen de ouders de prijs en kwaliteit van de verschillende kinderopvanginstellingen met elkaar vergelijken.
Wordt de informatie op de website, die vanaf medio 2010 in de lucht zou zijn2 nog aangevuld? Wanneer is de informatie op de website volledig?
Ja. De verwachting is dat het drie jaar zal duren voordat de kinderopvangkaart een goed landelijke dekking krijgt. Daar is ook rekening mee gehouden bij de toekenning van de subsidie. Hoe snel de vulling in de praktijk zal zijn, is afhankelijk van de medewerking van de kinderopvanginstellingen.
Op welke wijze wordt in de richting van ouders bekendheid aan het initiatief gegeven? Welke waarborgen zijn er dat de informatie over de opvanginstellingen actueel en correct is?
De keuze voor de wijze waarop bekendheid wordt gegeven aan dit initiatief is aan BOinK. In de subsidie aanvraag heeft BOinK aangegeven:
BOinK heeft eerder twee pilots uitgevoerd waarin de waarborgen zijn onderzocht. Gebleken is dat de ondernemers accuraat waren waar het ging om het invullen van de gegevens van eigen locaties. Daarnaast maakten ouders die gebruik maakten van deze locaties maar ook derden BOinK erop attent dat bepaalde informatie niet correct was.
Welke eisen zijn er destijds verbonden aan het verlenen van een subsidie aan het project? Voldoet het eindproduct aan deze eisen, of ziet u aanleiding om subsidiegeld terug te vorderen?
BOinK voert het project uit volgens het projectplan en rapporteert hierover jaarlijks. Aan het eind van het project, uiterlijk maart 2013, dient BOinK de eindverantwoording in. Daarin wordt verantwoording afgelegd over de doelstellingen en de financiering van het project. Eén van de doelstellingen is bijvoorbeeld dat de kinderopvangkaart na 4 jaar voor 85% zal zijn gevuld. Op basis van de eindverantwoording wordt de subsidie definitief vastgesteld dan wel teruggevorderd.
Het artikel "Hufters op het veld harder straffen" |
|
|
|
|
Edith Schippers (minister volksgezondheid, welzijn en sport) (VVD) |
|
Wat vindt u van de conclusies die de Kennispraktijk naar aanleiding van het project «Samen voor sportiviteit en respect» trekt in haar vandaag gepubliceerde rapport?1
Ik ben van mening dat sportiviteit en respect hoger op de agenda moeten bij de sport en de sportverenigingen. Sportiviteit en respect worden veelal gezien als iets extra’s dat pas aan de orde komt als overige zaken geregeld zijn. Ik deel dan ook de conclusie dat «normaal doen» weer vanzelfsprekend moet worden in de sport. Tevens kan ik u melden dat ik reeds met de sport (NOC*NSF, KNVB en KNHB), gemeenten (VNG en VSG), het ministerie van Veiligheid en Justitie en MO-groep Welzijn in overleg ben om de sport veiliger te maken, ongewenst gedrag tegen te gaan en uitwassen aan te pakken. Dit overleg zal resulteren in een actieplan dat ik nog dit voorjaar naar de Kamer zal sturen. De conclusies uit genoemd rapport neem ik mee in het opstellen van het actieplan.
Deelt u de conclusies die de Kennispraktijk trekt? Bent u bereid een inhoudelijke reactie op de inhoud van het rapport naar de Kamer te sturen, dan wel te verwerken in de eerder toegezegde Sportbrief? Zo nee, waarom niet?
Zie antwoord vraag 1.
Bent u bereid bij de betrokken sportbonden te informeren op welke wijze zij de conclusies uit het rapport van Kennispraktijk in de praktijk gaan omzetten, onder andere op het gebied van meer uniforme strafbepalingen bij geweld op sportvelden?
Zie antwoord vraag 1.
Bent u het eens met de stelling in het artikel «Zware sanctie bij zware overtreding werkt bevorderend voor de sportiviteit»? Zo nee, waarom niet?
Zie antwoord vraag 1.
De passagier die na een valse bommelding gewoon werd vrijgelaten |
|
André Elissen (PVV), Lilian Helder (PVV) |
|
|
|
|
Bent u bekend met het bericht «Onrust Schiphol na bommelding passagier tijdens controle»?1
Ja.
Hoe beoordeelt u de situatie dat iemand die doelbewust grote wanorde op een luchthaven veroorzaakt en daarbij inspeelt op de angst voor een aanslag, na verhoor direct wordt vrijgelaten?
Uiteraard vind ik het onaanvaardbaar dat mensen dreiging en wanorde veroorzaken met valse bommeldingen. Het Openbaar Ministerie treedt hier in voorkomende gevallen dan ook consequent tegen op, waarbij de zwaarte van de sanctie afhangt van de overlast die door de valse bommelding is veroorzaakt. In dit geval was er overigens geen sprake van «grote wanorde» op de luchthaven. Deze valse bommelding heeft ongeveer 15 minuten vertraging veroorzaakt bij het inchecken van de passagiers, en geen vertraging voor de vlucht zelf ten gevolge gehad.
Waarom is er geen gebruik gemaakt van de mogelijkheid tot inverzekeringstelling, voorlopige hechtenis, voorgeleiding of snelrecht?
Op 25 januari 2011 is een persoon als verdachte verhoord door de Koninklijke Marechaussee. Daarnaast zijn twee getuigen gehoord. Nadat het onderzoek was afgerond is de verdachte conform artikel 61 van het Wetboek van Strafvordering op last van de hulpofficier van justitie binnen 6 uur heengezonden. Verdere vrijheidsbeneming van de verdachte was niet gerechtvaardigd, omdat er geen verder onderzoek nodig was. Evenmin was er aanleiding om snelrecht toe te passen. De Koninklijke Marechaussee heeft een proces-verbaal opgemaakt en ingestuurd naar het Openbaar Ministerie, alwaar de zaak is beoordeeld. De verdachte is een transactie van 750 euro aangeboden. Dat is het gebruikelijke bedrag bij een valse bommelding die een vertraging bij het inchecken veroorzaakt, maar geen vertraging van de vlucht zelf. Indien de transactie niet wordt betaald zal hij worden gedagvaard.
Hoe gaat u de beeldvorming bestrijden dat het verstoren van de openbare orde met een valse bomdreiging vrijwel straffeloos kan gebeuren?
Ik deel niet de indruk dat er in de beeldvorming sprake van is dat men straffeloos valse bommeldingen op Schiphol kan doen. Het Openbaar Ministerie treedt consequent op in voorkomende gevallen, en daders krijgen een aanzienlijke transactie voorgesteld. Indien de transactie niet wordt betaald, of indien sprake is van ernstige verstoring of recidive, worden verdachten standaard gedagvaard.
Bent u van plan de kosten voor de inzet van orde- en veiligheidsdiensten te verhalen op de dader? Zo nee, waarom niet?
Zoals vermeld in antwoord op vraag 2 heeft het onderhavige incident geen grote wanorde, maar slechts een geringe vertraging bij het inchecken veroorzaakt. Door de Koninklijke Marechaussee kon het incident op reguliere wijze met de reeds beschikbare mensen worden afgehandeld. De Koninklijke Marechaussee acht deze zaak daarom niet geschikt voor een poging om schade op de dader te verhalen.