Roken richt blijvende schade aan in het puberbrein |
|
Esmé Wiegman-van Meppelen Scheppink (CU) |
|
Edith Schippers (minister volksgezondheid, welzijn en sport) (VVD) |
|
|
|
|
Bent u bekend met de conclusie van de onderzoekers van de Vrije Universiteit Amsterdam, dat nicotine blijvende hersenschade veroorzaakt aan extra kwetsbare puberhersenen?1
Ja, ik ben op de hoogte van dit onderzoek.
Wat is uw oordeel over de conclusie van de onderzoekers dat nicotineblootstelling op jongeren in de leeftijd tussen 12 en 16jaar een rol speelt bij het ontstaan van aandachtstoornissen op latere leeftijd?
Deze conclusie onderstreept het huidige beleid waarin tabakswaren niet verkocht mogen worden aan jongeren onder de 16 jaar.
Bent u bereid om meer te investeren in voorlichting over de schade van roken aan pubers, gezien het feit dat hoe langer het eerste gebruik van een sigaret uitgesteld wordt, hoe minder kans dat iemand begint met roken? Zo ja, hoe gaat u dit doen? Zo nee, waarom niet?
Om te beginnen wil ik benadrukken dat in de eerste plaats de ouders verantwoordelijk zijn voor hun puber. Zij hebben een belangrijke rol bij de opvoeding over roken en ander middelengebruik. Via onder andere GGD’en, informatieavonden op scholen en online informatie en praktische hulp worden ouders hierin ondersteund. Er wordt dus al veel geïnvesteerd in gerichte voorlichting.
Er zijn verschillende manieren om roken door jongeren te voorkomen. Een daarvan is de hiervoor genoemde wettelijke leeftijdsgrens van 16 jaar. Goede voorlichting, onder andere via scholen, is daarnaast zeker belangrijk en vindt al plaats via onder andere «De Gezonde School» en het programma «De Gezonde School en Genotmiddelen», waarin voorlichting wordt gegeven over alcohol, roken en drugs.
Daarnaast is er dit jaar een jongerenprogramma, welke gericht is op het versterken van de weerbaarheid, met als thema’s alcohol, drugs en roken. Jongeren krijgen online informatie, testsituaties en advies op maat. Ook richt het programma zich op uitgaanssettings zoals horeca en festivals.
Tijdens het Algemeen Overleg Rookvrije horeca/tabaksbeleid op 19 januari 2011 heeft u een toezegging gedaan om alle schoolpleinen rookvrij te maken. Wanneer kan de Kamer een wetsvoorstel verwachten?2
Ik heb in het AO van 19 januari aangegeven sympathiek te staan tegenover dit voorstel, maar er niet primair voor verantwoordelijk te zijn. In de brief die 25 februari jl. naar de Kamer is gestuurd naar aanleiding van het Algemeen Overleg, heb ik aangegeven dat de minister van OCenW dit voornemen eerst met het onderwijs bespreekt. Ik zal u hierover nader informeren in de landelijke nota gezondheidsbeleid.
Deelt u de mening dat de kennis over de schade van tabak in Nederland flink achterloopt ten opzichte van andere landen?3
Professor Willemsen stelt in zijn oratie dat het kennisniveau over de schade van tabak onder het gemiddelde ligt met 72%. Dit relatief lage niveau wordt met name veroorzaakt doordat veel mensen nog weinig weten over de gevolgen van meeroken. De schade die wordt aangericht aan de gezondheid van de roker is beter bekend dan de schade die veroorzaakt wordt als gevolg van meeroken.
Bent u ook bekend met het artikel «Goede voorlichting over rookschade voor (zwangere) vrouwen ontbreekt»?4
Ja, ik heb kennis genomen van het desbetreffende artikel over voorlichting aan zwangere vrouwen.
Wat is volgens u het passende antwoord om de hoge Nederlandse perinatale sterfte te voorkomen, hetgeen door onder andere roken wordt veroorzaakt?
Binnen mijn aanpak van de perinatale sterfte in Nederland is een plaats ingeruimd voor een experiment met het zogenaamde kinderwensconsult. Via dit consult krijgen vrouwen met een kinderwens, door huisartsen en verloskundigen informatie aangereikt over de voorwaarden voor een gezonde zwangerschap. Daarbij gaat het ondermeer om onderwerpen als voeding, beweging, inname van foliumzuur, gebruik van alcohol en geneesmiddelen, maar uiteraard ook over het stoppen met roken.
Dit jaar start ik samen met de minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties, bij een zestal gemeenten een pilot gericht op de terugdringing van de perinatale sterfte. In deze pilot, die wordt uitgevoerd door het Erasmus MC, zal ook de effectiviteit van het kinderwensconsult voor risicogroepen wordt uitgetest.
Ook na de geboorte is goede voorlichting en ondersteuning beschikbaar, om meeroken door pasgeboren kinderen tegen te gaan: bij de kraamzorg, de JGZ en de centra voor jeugd en gezin.
De JSF |
|
Jasper van Dijk (SP), Angelien Eijsink (PvdA) |
|
|
|
|
Wat is uw reactie op het artikel «Nederlandse bedrijven lopen miljard mis door snijden in JSF»?1
Is het waar dat Nederlandse bedrijven mogelijk een miljard euro mislopen door het schrappen van het tweede-motorproject van de JSF? Zo nee, hoe kunt u dit scenario uitsluiten?
Wat vindt u van het feit dat tijdens het debat voorafgaand aan de ondertekening van de Memorandum of Understanding System Design and Development (MOU-SDD) in 2002 werd gesuggereerd dat één miljard dollar aan orders te verwachten viel voor de F136 motor en waarin sindsdien veel geïnvesteerd is door Nederland, en dat nu zonder overleg onze Amerikaanse partner de spin-off mogelijkheid ongedaan maakt door de ontwikkeling van de F136 motor te schrappen?2
Hoe oordeelt u over het feit dat tijdens het debat voorafgaand aan de ondertekening van de Memorandum of Understanding Production Sustainment and Follow-on Development (MOU-PSFD) in 2006 contractueel werd overeengekomen dat partners in deze MOU-PSFD de keuzevrijheid hadden tussen – dan wel sprake zou zijn van productie van – de twee motortypes F135 en F136, en dat nu zonder overleg onze Amerikaanse partner de ontwikkeling van de F136 motor schrapt? Is hier geen sprake van contractbreuk?3
Bij de totstandkoming van het PSFD-MoU zijn de betrokken landen ervan uitgegaan dat er voor de F-35 twee motoren zullen worden geproduceerd. De Amerikaanse regering kan gelet op de bepalingen van het MoU echter niet worden verhinderd de financiering van de verdere ontwikkeling van de F136-motor te stoppen. Wanneer de Verenigde Staten een dergelijk besluit zouden nemen is geen sprake van contractbreuk. Overigens zou de verdere ontwikkeling van de F136-motor volledig voor rekening komen van de Verenigde Staten, wat ook de afgelopen jaren het geval was.
Voor alle partijen die deelnemen aan een MoU geldt dat er kosten aan kunnen zijn verbonden als men zich zou terugtrekken. De procedures voor de verwerving van F-35 toestellen zijn vastgelegd in het PSFD-MoU. Indien een partnerland een contract voor de aanschaf van F-35 toestellen zou opzeggen dat door de Amerikaanse overheid ten behoeve van het partnerland is gesloten, zijn hieraan kosten verbonden. Hierbij moet onder meer worden gedacht aan additionele kosten die ontstaan voor andere partnerlanden.
Heeft Nederland dezelfde vrijheid om overeenkomsten met de VS ongedaan te maken ten aanzien van de koop van de eerste testtoestellen of moet Nederland zich wel aan alle contracten houden? Kunt u uw antwoord toelichten?
Zie antwoord vraag 4.
Heeft oud-minister Van Middelkoop anderhalf jaar geleden druk uitgeoefend op de Amerikaanse regering om het tweede-motorproject te laten doorgaan?
Nederland heeft de afgelopen jaren tijdens bilaterale contacten met de Verenigde Staten op zowel politiek als ambtelijk niveau het belang van de tweede motor voor het F-35 programma en voor de Nederlandse industriële participatie aan de orde gesteld. Het Pentagon is er niet van overtuigd dat de concurrentievoordelen van de tweede motor opwegen tegen de resterende ontwikkelingskosten voor de Amerikaanse overheid en acht het F136-programma mede in het licht van de in de Verenigde Staten benodigde bezuinigingen onnodig.
Is het waar dat president Obama en defensieminister Gates de tweede motor een «onnodige en extravagante uitgave» noemden? Wat is hierop uw reactie?
Zie antwoord vraag 6.
Wat voor gevolgen heeft de bezuiniging van 3,5 miljard dollar op defensie in de VS voor de Nederlandse deelname aan het JSF-project?
Het in vraag 8 genoemde bezuinigingsbedrag is bij Defensie niet bekend. Met de brief van 7 januari jl. en de jaarrapportage van het project Vervanging F-16 over 2010 van 17 maart jl. (Kamerstukken 26 488, nrs. 252 en 258) is de Kamer geïnformeerd over de maatregelen die minister Gates heeft genomen met betrekking tot het F-35 programma.
Het Pentagon heeft in januari jl. besloten een extra bedrag van $ 4,6 miljard uit te trekken voor de ontwikkeling van de F-35 in de System Development and Demonstration (SDD-)fase. De vaste Nederlandse bijdrage aan de SDD-fase bedraagt zoals bekend $ 800 miljoen (lopende prijzen). De gevolgen van de op 6 januari jl. door het Pentagon aangekondigde vertraging en verschuiving van 134 toestellen uit de productieseries LRIP 5 tot en met LRIP 9 zijn nog niet bekend. In beginsel betekenen minder toestellen per productieserie, een hogere stuksprijs in de desbetreffende productieseries. Wat per saldo de gevolgen zullen zijn voor de stuksprijzen in de productieseries van de komende jaren, en daarmee voor prijzen van de mogelijk door Nederland aan te schaffen eerste productietoestellen, is nog niet duidelijk. De export van toestellen zoals naar Israël vanaf naar verwachting LRIP 7 heeft de komende jaren een positieve invloed op de ontwikkeling van de stuksprijs. Tot slot heeft het Pentagon gemeld de stijging in de kostenramingen van het afgelopen jaar onaanvaardbaar te vinden en er alles aan te zullen doen om die stijging terug te dringen.
De in januari jl. door het Pentagon genomen maatregelen hebben geen gevolgen voor de prijs van het tweede F-35 testtoestel uit de LRIP 4 productieserie, waarover de Kamer met de brief van 22 februari jl. is geïnformeerd.
Klopt het dat de vertragingen in de ontwikkelingsfase van de JSF kunnen leiden tot nieuwe prijsstijgingen van de stuksprijs van de JSF? Worden de kosten van het tweede testtoestel hierdoor verhoogd? Zo ja, met welk bedrag?4
Zie antwoord vraag 8.
Bent u bereid af te zien van de aanschaf van de twee testtoestellen en te stoppen met deelname aan de ontwikkelingsfase van de JSF? Zo nee, hoe lang blijft de regering zichzelf vastketenen aan dit nodeloze project waar vrijwel niemand nog heil in ziet?
In het regeerakkoord is vastgelegd dat in 2011 een tweede F-35 testtoestel wordt aangeschaft ten behoeve van deelneming aan de operationele testfase. Binnenkort zal de Kamer hierover nader worden geïnformeerd.
De Kamer is reeds eerder geïnformeerd over de vertraging bij de productie van het eerste testtoestel. Zo is met de jaarrapportage van het project Vervanging F-16 over 2009 (Kamerstuk 26 488, nr. 232) gemeld dat de productie van eerdere SDD- en LRIP-toestellen ruim een half jaar achterliep op de planning. Met de brief van 7 januari jl. is gemeld dat de achterstand de eerstkomende jaren niet kan worden ingelopen en dat de levering van het eerste Nederlandse testtoestel nu is voorzien voor augustus 2012.
Het vastleggen van de evolutietheorie in de nieuwe leerlijn biologie |
|
Joël Voordewind (CU) |
|
Marja van Bijsterveldt (minister onderwijs, cultuur en wetenschap) (CDA) |
|
|
|
|
Hebt u kennisgenomen van het standpunt van stichting De Oude Wereld over het advies over de nieuwe leerlijn biologie?1
Ja.
Deelt u de mening dat het borgen van een eenzijdige visie op het ontstaan van de aarde de vrijheid van scholen sterk inperkt om vanuit de eigen grondslag biologieonderwijs te geven? Geeft de leerlijn niet een te eenzijdig beeld door alleen de evolutietheorie hierin op te nemen?
Vanuit de overheid wordt uitsluitend het examenprogramma vastgesteld.
Dat betekent dat de leerling in de bovenbouw van havo en vwo kennis moet verwerven van de evolutietheorie als in de wetenschap dominante opvatting.
Er blijft evenveel ruimte als vroeger voor scholen om aandacht te schenken
aan verschillende zienswijzen, en om de stof aan te bieden op een wijze die past bij de identiteit van de school.
In hoeverre zijn scholen nog in staat om het «hoe» van het biologieonderwijs in te vullen, wanneer via het «wat», via de leerlijn, de evolutietheorie eenzijdig wordt vastgelegd? Komt het door tijdgebrek, zoals het artikel u citeert, dat slechts aandacht kan worden besteed aan één populaire ontstaanstheorie? Zo ja, deelt u de mening dat tijdgebrek geen reden kan zijn om via de leerlijn een eenzijdige eis op te leggen aan scholen?
De door de Commissie Vernieuwing Biologie Onderwijs ontwikkelde leerlijn zal niet dwingend aan de scholen worden opgelegd. Zie verder het antwoord op vraag 2.
Heeft de leerlijn sterke invloed op de inhoud van het lesmateriaal? Zo ja, zijn scholen in staat om evenwichtig lesmateriaal te kunnen kiezen na invoering van deze leerlijn?
Ingevolge de vrijheid van onderwijs is het vervaardigen van leermiddelen vrij, evenals de keuze van leermiddelen door de scholen.
De Tweede Maasvlakte |
|
Ad Koppejan (CDA) |
|
|
|
|
Kent u de ontwikkelingen in Albrandswaard en het Buijtenland van Rhoon met betrekking tot de wijze van invulling van de compensatie Tweede Maasvlakte?
Ja. Het Buijtenland van Rhoon is onderdeel van de dubbeldoelstelling van het Project Mainport Rotterdam (PMR): de realisatie van de Tweede Maasvlakte en het verbeteren van de leefbaarheid in de Mainport Rotterdam.
Kent u de bereidwilligheid van betrokkenen, zoals Provincie Zuid-Holland, partners PMR, agrarische ondernemers en de stadsregio om te komen tot een oplossing voor de invulling van de compensatie voor de Tweede Maasvlakte?
Ja.
Bent u bekend met het fenomeen stadslandbouw? Deelt u de mening dat stadslandbouw een impuls kan zijn voor zowel het platteland in de omgeving van de stad en zijn plattelanders als een impuls voor de stad en zijn stedelingen?
Ja, ik bracht over dit onderwerp in januari 2011 een eenmalig magazine uit getiteld «Smakelijk duurzame stad». Dit is een uitnodiging aan gemeenten om samen met producenten en consumenten met voedselstrategie, stadslandbouw, voedselparken, moestuinen, streekproducten en voorlichting op scholen e.d. aan de slag te gaan.
Deelt u de mening dat voor de natuurontwikkeling in de Albrandswaard, in overeenstemming met het regeerakkoord, een oplossing moet worden gezocht die op draagvlak kan rekenen van de lokale bevolking?
Ja, met dien verstande dat binnen het kader van de planologische kernbeslissing (PKB) PMR niet alleen wordt gezocht naar een oplossing met draagvlak van bewoners, maar ook van agrariërs en maatschappelijke partijen.
Deelt u de mening dat daarom de oorspronkelijke plannen om in de Albrandswaard natte natuur te ontwikkelen niet in overeenstemming zijn met de letter en de geest van het regeerakkoord en dat er daarom gezocht dient te worden naar oplossingen voor natuurontwikkeling waarbij het agrarisch cultuurlandschap intact blijft in combinatie met vormen van stadslandbouw?
De PKB PMR en de uitwerkingsovereenkomsten zijn voor mij en de minister van IenM de harde kaders voor de transitie van het gebied. Het reeds vastgestelde bestemmingsplan zie ik als een gegeven. Wel acht ik het van belang dat er bij de realisatie van dit PMR-project gestreefd wordt naar zo veel mogelijk draagvlak van agrariërs.Volgens de PKB PMR zijn in het gebied activiteiten van (agrarische) bedrijven die een bijdrage leveren aan de beoogde hoofdfuncties natuur en recreatie toegestaan. Bij de transformatie van het gebied zullen de bestaande landschappelijke en cultuurhistorische elementen zo veel mogelijk behouden blijven.
Bent u bereid om Albrandswaard als pilotgebied te laten fungeren met als doel de ontwikkeling van stadslandbouw op grotere schaal te realiseren zodat op termijn stadslandbouw één van de ontwikkelingsmogelijkheden van de landbouw in randstedelijke gebieden (bijvoorbeeld Groene Hart) kan zijn?
In het antwoord op vraag 3 verwijs ik naar de «Smakelijke duurzame stad». Ik zie dus inderdaad parallellen met ontwikkelingen elders, waar ook sprake is van stedelijke druk en belangstelling van stedelingen voor landbouw, gezond voedsel en recreatie. Eventuele ervaringen van Albrandswaard met deze vorm van landbouw zullen derhalve als voorbeeld kunnen dienen.
Het tegengaan van fraude met Voorlopige teruggaaf (VT) |
|
Pieter Omtzigt (CDA) |
|
Frans Weekers (staatssecretaris financiën) (VVD) |
|
|
|
|
Is het waar dat het tegengaan van fraude met Voorlopige Teruggaaf (VT) tot de beleidsprioriteiten van de Belastingdienst hoort in 2011?1
Ja.
Is het waar dat in het kader van systeemfraude 29 000 signalen onderzocht worden en dat betaling van € 45 miljoen is tegengehouden in de jaren 2009 en 2010?2
Ja.
Is het waar dat alleen al in de zaak van 14 januari 2011, meer dan 12 000 foutieve aangiften zijn ingediend met een fraudebedrag van rond de € 100 miljoen?3
Deze zaak is nog onder de rechter. Om die reden kan ik er niet op ingaan. Bovendien is het een strafzaak.
Wel merk ik op dat als een concreet fraudebedrag wordt genoemd dat bedrag niet het concrete schadebedrag is. In de praktijk betreft het meestal pogingen tot oplichting die worden ontdekt door de Belastingdienst. In die gevallen wordt uitbetaling tegengehouden. Dit blijkt ook uit de beantwoording van de eerdere set vragen over de aanpak van VT-fraude.
Heeft u kennisgenomen van het artikel: Fiscus doet weinig aan fraude met teruggaaf waarin staat dat door criminelen via gestolen persoonsgegevens de rekening waarop VT en toeslagen betaald worden is veranderd?4
Ja. Eerder deelde ik u mee dat ik uw Kamer nader zou inlichten over de problematiek. Ik heb besloten dit te doen in de Fiscale Agenda. Gemakshalve verwijs ik daarnaar.
Kunt u garanderen dat betrokken rekeninghouders hierdoor geen schade zullen hebben?
Iemand die het slachtoffer is van identiteitsfraude en ten aanzien van wie duidelijk is dat hij daar zelf geen betrokkenheid bij had, krijgt de schade vergoed van de Belastingdienst.
In de Fiscale Agenda kondig ik o.a. aan dat de procedure die leidt tot wijziging van het rekeningnummer recent is gewijzigd waardoor het «stelen» van fiscale identiteitsgegevens van een ander veel moeilijker wordt.
Herinnert u zich dat u in de Kamer heeft toegezegd dat mensen slechts met één bankrekening met de fiscus hoeven te communiceren, dus dat storting en betaling via dezelfde rekening dient te geschieden (plus misschien nog de rekening van de woningbouwcoöperatie voor bijvoorbeeld de huurtoeslag)? Waarom is hiervoor nog geen voorstel gedaan?
Ja. Het is mijn voornemen dat per belastingplichtige of toeslaggerechtigde slechts één rekeningnummer wordt gebruikt.
Vindt er enige controle plaats (naam en/of rekeningnummer) als iemand zijn toeslag of belastingen op rekening van een derde laat storten? Zo ja, waarom hebben die controles niet geleid tot stopzetting van de uitbetalingen?
Op grond van de wet is het mogelijk uitbetaling van een belastingteruggaaf of tegemoetkoming te doen plaats vinden op een bankrekening die op naam gesteld is van een derde. Daarvan wordt op grote schaal gebruik gemaakt. In al die gevallen zou naam-nummercontrole leiden tot uitworp.
Bovendien matchen de door de Belastingdienst aangeleverde naamsgegevens niet altijd met de gegevens zoals gehanteerd door de banken. Ook in die gevallen ontstaat uitworp. Naam-nummercontrole zou daarmee leiden tot grote vertragingen in het reguliere uitbetalingsproces van de Belastingdienst en blijft om die reden achterwege.
Wanneer per belastingplichtige in beginsel nog slechts één rekeningnummer in gebruik is, wordt het laten uitbetalen van een teruggaaf of toeslag op rekeningnummer van een derde onmogelijk.
Hoeveel schade moet de samenleving leiden, voordat de regering aan de slag gaat met de beleidsprioriteit, namelijk het onmogelijk maken van dit soort fraude?
Het aanpakken van systeemfraude is een prioriteit binnen het toezichtbeleid van de Belastingdienst. Ik ben van mening dat met de genomen en nog te nemen maatregelen deze fraude zal afnemen. Helaas betekent dit niet dat daardoor alle fraude op dit terrein kan worden voorkomen. Fraude zal altijd blijven bestaan.
Kunt u de antwoorden op deze vragen laten samenvallen met concrete maatregelen en beleidsbesluiten, die de fraude met de VT effectief tegengaan?
Ja.
De onderdrukking van de Papoea's |
|
Kathleen Ferrier (CDA) |
|
|
|
|
Wat is uw reactie op de verklaring van de kerken op Papoea over de onderdrukking van de inheemse bevolking?1
Ik heb hier met zorg kennis van genomen.
Deelt u de mening dat Papoea op dit moment een annexatieproces ondergaat, waarbij het leefgebied van de Papoea's ernstig wordt bedreigd en geschaad? Zo nee, waarom niet?
De provincies Papoea en West-Papoea maken sinds 1969 onlosmakelijk deel uit van Indonesië. Er is dus geen sprake van annexatie.
De implementatie van de speciale autonomiewet voor Papoea uit 2001, bedoeld als kader voor de politieke, sociale en economische ontwikkeling van de regio, verloopt minder voorspoedig dan waarop gehoopt was. Mede hierdoor blijft de sociaal-economische ontwikkeling in de provincies Papoea en West-Papoea achter bij die van andere provincies. Het gebrek aan capaciteit op lokaal overheids- en institutioneel niveau is hieraan mede debet.
De door de eigen bevolking gekozen volksvertegenwoordiging in Papoea lijkt niet bij machte om de situatie wezenlijk te verbeteren. De Indonesische autoriteiten zijn zich bewust van deze problematiek en werken momenteel, in overleg met de autoriteiten in Papoea, aan de oprichting van een nieuwe eenheid die tot doel heeft de ontwikkeling van Papoea te versnellen. Deze eenheid zal ressorteren onder de vice-president. Het is belangrijk dat duidelijker wordt hoe dit initiatief zich verhoudt tot de speciale autonomiewet. Nederland volgt met grote interesse hoe dit verder wordt vormgegeven.
Hoe beoordeelt u de aanklacht dat Indonesië een bewuste politiek voert waarin de mensenrechten van de Papoea's met voeten worden getreden?
De mensenrechtenschendingen op Papoea blijven een punt van zorg. Het inwinnen van betrouwbare informatie is moeilijk. In veel gevallen is de toedracht van mogelijke mensenrechtenschendingen moeilijk vast te stellen. Ik vind het belangrijk dat bij vermoeden van mensenrechtenschendingen objectief onderzoek wordt gedaan en dat de daders worden vervolgd en bestraft. De mensenrechtensituatie in Papoea vormt een vast onderdeel van de politieke dialoog met Indonesië. Zie ook het antwoord op vraag 5.
Kunt u ingaan op de migratiepolitiek van Indonesië en de gevolgen die deze politiek heeft voor zowel de Papoea's als de flora en fauna in dit gebied?
De actieve financiële ondersteuning van de transmigratie in Indonesië door de Indonesische autoriteiten is sinds 2000 bijna volledig gestopt. Dit weerhoudt mensen uit andere delen van Indonesië er niet van om zich te vestigen in het relatief dun bevolkte Papoea. De gebieden waarin migranten zich officieel mogen vestigen, bevinden zich buiten de beschermde en productiebosgebieden. De provincie Papoea heeft recentelijk een ruimtelijk ordeningsplan aangeboden aan het Ministerie van Bosbouw. De inzet van het plan is om in Papoea de bescherming van bos- en veengebieden in hoge mate te garanderen.
Bent u bereid de Indonesische autoriteiten op te roepen tot het onmiddellijk stoppen met de schending van de mensenrechten van de Papoea's? Bent u daarnaast bereid te pleiten voor een duurzame ontwikkeling van Papoea waarbij wordt gezocht naar een dialoog tussen de regering en de Papoea's?
De situatie van de mensenrechten in Papoea, alsmede die in andere delen in Indonesië, vormt een vast onderdeel van de politieke dialoog tussen Nederland en Indonesië. De mensenrechtensituatie in Papoea is tevens besproken tijdens de EU-Indonesië mensenrechtendialoog, die plaatsvond op 9 maart jl. Nederland tracht via praktische samenwerking met Indonesië projecten te realiseren die de situatie in Papoea in gunstige zin beïnvloeden. Zo draagt Nederland bijvoorbeeld bij aan versterking van de lokale bestuurlijke capaciteit in Papoea.
De Indonesische denktank LIPI heeft in zijn road map for Papua (2009) voorstellen gedaan voor een dialoog tussen vertegenwoordigers van de Papoea-bevolking en de Indonesische autoriteiten. In contacten met de Indonesische autoriteiten moedigt Nederland deze ontwikkeling aan.
Afrekenbare en controleerbare doelstellingen ten aanzien van het gebruik van antibiotica in de (pluim)veehouderij |
|
Stientje van Veldhoven (D66), Pia Dijkstra (D66) |
|
Edith Schippers (minister volksgezondheid, welzijn en sport) (VVD) |
|
|
|
|
Bent u bekend met het artikel «Nieuwe aanwijzing: kip risico voor gezondheid»?1
Ja.
Wat is uw reactie op de wetenschappelijke onderzoeksresultaten die in het artikel aangehaald worden over het verband tussen het gebruik van antibiotica in de (pluim)veehouderij en antibioticaresistentie bij bacteriën?
Zoals uit de onderzoeksresultaten van oktober 2010 blijkt, is er sprake van een mogelijk verband tussen de consumptie van kippenvlees en het vóórkomen van ESBL-producerende bacteriën bij mensen. In het NRC artikel wordt geschetst dat een deel van de ESBL-producerende bacteriën die bij de mens worden gevonden genetisch niet te onderscheiden is van ESBL- producerende bacteriën die bij kippen worden gevonden. Naar aanleiding van deze onderzoeksresultaten is er in oktober 2010 een tweede deskundigenberaad bij het RIVM over ESBL-producerende bacteriën belegd. Dit deskundigenberaad was een vervolg op een deskundigenberaad dat heeft plaatsgevonden in maart 2010. De adviezen van de deskundigen luiden:
De Gezondheidsraad is ondertussen om advies gevraagd. De hoofdvraag van de adviesaanvraag is: «wat zijn de risico’s voor de volksgezondheid van het gebruik van antibiotica in de veehouderij». Het advies wordt in de zomer van 2011 verwacht. De Gezondheidsraad zal zich ook uitspreken over de wijze waarop resistente bacteriën worden overgedragen.
Ondertussen wordt er gewerkt aan reductie van het gebruik van antibiotica in de veehouderij. Voor de maatregelen die worden genomen om het antibioticumgebruik te verminderen verwijs ik u naar de brief van staatssecretaris Bleker en mij van 8 december 20102.
Deelt u de conclusie van de heer Roel Coutinho in het artikel dat «het zeer waarschijnlijk is dat voedsel een belangrijke bron is van deze antibioticaresistente bacteriën»? Zo ja, wat voor conclusies verbindt u hieraan voor de aanpak van antibioticagebruik in de (pluim)veehouderij?
Zie antwoord vraag 2.
Klopt het dat het kabinet 20% minder antibioticagebruik wil in de veehouderij in 2011 en 50% minder in 2013?
Ja dat klopt.
Wat is het exacte doel, uitgedrukt in meetbare indicatoren? Welke effect- en prestatie-indicatoren worden gehanteerd? Kunt u aangeven hoe dit doel vertaald wordt naar specifiek de pluimveehouderij?
De reductiedoelstellingen zijn generiek geformuleerd over alle sectoren heen. Dat betekent dat alle specifieke sectoren deze doelstelling gewoon moeten halen.
Het gebruik van antibiotica in de veehouderij wordt al enkele jaren jaarlijks gerapporteerd in MARAN3. Deze rapportage is wetenschappelijk onderbouwd en is in Europa de enige in haar soort. In MARAN worden twee soorten gegevens gepubliceerd:
De MARAN rapportages geven trends aan. Het richtpunt voor de doelstellingen is het gebruik in 2009. De reductie zal daar naar worden herleid.
Algemeen verbindend verklaren
Het transparant maken van het antibioticagebruik is een belangrijk onderdeel van het antibioticabeleid voor de veehouderij. Door afspraken over databases waarin dierenarts of veehouder de voorgeschreven/afgeleverde/gebruikte middelen bijhouden algemeen verbindend te verklaren wordt dit gebruik inzichtelijk gemaakt.
In onze brief van 8 december 2010 kondigden wij een wijziging aan van de Diergeneesmiddelenwet waarmee het vooruitlopend op de Wet dieren mogelijk wordt gemaakt om private afspraken over de centrale registratie van het antibioticagebruik algemeen verbindend te verklaren. Daarmee worden de veehouderijsectoren ondersteund bij de realisatie van een sectorbrede centrale registratie. Het desbetreffende wetsvoorstel is klaar en wordt op dit moment met relevante partijen besproken. Op basis daarvan zal het voorstel zo snel mogelijk aan uw Kamer worden gestuurd.
Vanaf het moment dat registratie van gebruik verplicht is, kan het gebruik van antibiotica in de veehouderij exact worden vastgesteld. Het is belangrijk dat er naast de MARAN-cijfers, die weliswaar wetenschappelijk onderbouwd zijn maar deels voortkomen uit een steekproef, ook getailleerde gegevens per sector bekend worden. Dan kan het een aan het ander aan elkaar gerelateerd worden. Om ervoor te zorgen dat er uitspraken gedaan kunnen worden over de voortgang van de reductie in het gebruik, is het van belang dat de oude manier van meten en het meten via de nieuwe, algemeen verbindend verklaarde databases een heel kalenderjaar parallel plaatsvindt. Door de metingen parallel te laten lopen is vergelijking mogelijk. Hierdoor kunnen vervolgens, met terugwerkende kracht, reductiedoelstellingen worden omgezet in concrete hoeveelheden.
De verkoopcijfers van FIDIN laten over 2010 een afname zien van de verkoop van antibiotica van 12%. Omdat in MARAN is aangetoond dat de verkoopcijfers en de resultaten van de wetenschappelijke steekproef in grote lijnen overeenkomen mogen wij concluderen dat er in 2010 een daadwerkelijke vermindering in gebruik heeft plaatsgevonden.
In de brief die de staatssecretaris van EL&I en ik op 8 december 2010 gezamenlijk stuurden geven wij ook een aantal effect- en prestatie-indicatoren aan die eveneens een indicatie geven over de voortgang van het proces. Het gaat hier onder meer om:
Wat is het uitgangspunt (nulmeting) per 1 januari 2011 uitgedrukt in deze meetbare indicatoren? Welke hoeveelheid antibioticagebruik hanteert u als referentiewaarde om de vermindering in 2011 en 2013 aan te relateren? Kunt u aangeven hoe deze referentiewaarde vertaald wordt naar de pluimveehouderij?
Zie antwoord vraag 5.
Wat is het tussendoel voor deze doelstelling in 2012? Kunt u aangeven of het terugdringen van het gebruik van antibiotica met 20% in 2011 op schema ligt in de veehouderij en specifiek de pluimveehouderij?
Zie antwoord vraag 5.
Welke concrete maatregelen gaat het kabinet nemen om deze doelstellingen te bereiken? Wanneer gaat het kabinet deze maatregelen nemen?
Ik wil wederom verwijzen naar de brief die ik op 8 december 2010 gezamenlijk stuurde met de staatssecretaris van EL&I. De veehouderijsectoren moeten de doelstellingen bereiken en de overheid zal de aanpak vanuit de sectoren versterken met een aantal maatregelen. Dit zijn onder andere:
Mochten de tussentijdse reductieresultaten die de veehouderijsectoren behalen tegenvallen dan kan dit aanleiding geven het beleid aan te scherpen. Ook het advies van de Gezondheidsraad, waaraan ik veel waarde hecht en dat ik in de zomer van 2011 verwacht, kan tot aanpassingen leiden.
Welke instrumenten en middelen zijn er beschikbaar om deze doelstellingen te bereiken? Overweegt u om met wetgeving te komen indien de tussendoelstellingen niet gehaald worden? Kunt u aangeven hoeveel capaciteit er in de vorm van fte er bij de nieuwe Voedsel en Waren Autoriteit (nVWA) beschikbaar is voor de handhaving van regelgeving ten aanzien van antibiotica?
Zie antwoord vraag 8.
Heeft u in EU-verband actief aandacht gevraagd voor de problematiek in verband met het vraagstuk rondom antibioticagebruik in de Nederlandse (pluim)veehouderij en de relatie tot resistente bacteriën? Bent u van plan dit in de toekomst te doen?
Nederland is betrokken bij de ontwikkeling van een Europese aanpak. De Europese commissie is voornemens in november haar vijf jarenstrategie te presenteren voor de aanpak van antibioticaresistentie in zowel de humane gezondheidszorg als de veterinaire zorg. Daarnaast is er een gesprek geweest tussen staatssecretaris Bleker en commissaris Dalli waar het onderwerp aan de orde is gekomen.
Bent u bekend met vergelijkbare beleidsplannen uit andere Europese landen met als doel het terugdringen van het gebruik van antibiotica in de (pluim)veehouderij? Zo ja, kunt u aangeven welke indicatoren gebruikt worden om het beleid te evalueren?
In veel Europese landen heeft het terugdringen van antibiotica in de veehouderij nauwelijks prioriteit. De resistentievorming in de gezondheidszorg is daar een veel groter probleem dan de resistentieproblematiek in de veehouderij. Desondanks zijn er ook landen waar resistentie nog weinig aandacht krijgt terwijl resistentie er veelvuldig voorkomt. Samen met de Scandinavische landen loopt Nederland voorop bij pogingen om antimicrobiële resistentie in de praktijk te verminderen. Zover bekend zijn er geen andere landen die soortgelijke doelstellingen als Nederland hebben geformuleerd.
Voor gezamenlijke doelstellingen is nu dan ook geen draagvlak binnen de EU. Wel is er draagvlak om gezamenlijk het gebruik van antibiotica in kaart te brengen en te monitoren op antibioticaresistentie bij mensen, bij dieren en op voedsel. Nederland heeft ambtelijk aangedrongen op concrete, in EU-verband, te stellen doelen met betrekking tot vermindering van de problematiek.
Wat betreft het antibioticagebruik in de humane sector doet Nederland het ten opzichte van andere Europese landen goed. Op dit gebied heeft Nederland in Europa dan ook al jaren een stimulerende rol.
Kunt u de Kamer een overzicht geven van de gekwantificeerde doelstellingen ten aanzien van het terugdringen van gebruik van antibiotica in de (pluim)veehouderij die andere lidstaten hanteren?
Zie antwoord vraag 11.
Bent u bereid om in EU-verband aan te dringen op vergelijkbare doelstellingen als in Nederland ten aanzien van het terugdringen van het gebruik van antibiotica, met het oog op het behouden van een gelijk speelveld voor de Nederlandse (pluim)veehouderij? Zo ja, kunt u aangeven welke concrete stappen u op dit punt genomen hebt, of gaat nemen?
Zie antwoord vraag 11.
De rechtspositie van eigenaren van vakantiehuisjes |
|
Lutz Jacobi (PvdA), Pauline Smeets (PvdA) |
|
|
|
|
Bent u op de hoogte van het feit dat in het SER-voorwaardenoverleg Recreatie weinig of geen vooruitgang wordt geboekt met het maken van een aparte set RECRON-voorwaarden voor langkampeerders, in het bezit van een vast recreatieverblijf, zoals zomerhuizen en chalets?1
Ja.
Is het u bekend dat om die aparte voorwaarden door uw ambtsvoorganger in mei 2010 is gevraagd?
Ja.
Hoe beoordeelt u in dat licht de stand van zaken bij het SER-voorwaardenoverleg?
Dat het vaststellen van de nieuwe voorwaarden iets langer duurt dan verwacht, vind ik geen reden tot zorg. Ik heb vertrouwen in de voortgang van het proces.
Waarom vermelden de RECRON-voorwaarden 2003 dat deze voorwaarden bedoeld zijn «voor vaste plaatsen voor verplaatsbare kampeermiddelen» en beperken de RECRON-voorwaarden 2006 en 2008 zich vervolgens tot voorwaarden «voor vaste plaatsen»?
Voor een toelichting op de RECRON-voorwaarden verwijs ik u naar de RECRON zelf.
Bent u ervan op de hoogte dat, naar een ruwe schatting van de ANWB, in de afgelopen tien jaar ongeveer 25 000 langkampeerders zijn weggestuurd en dat zij een vermogensverlies van 250 miljoen euro hebben geleden, verdeeld over een vijftigtal recreatieparken? Wat is uw reactie op deze feiten?
Bij herstructurering van recreatieparken kan het voorkomen dat bestaande huurovereenkomsten worden opgezegd en huurders hun vakantieverblijf van de standplaats moeten verwijderen. Daarbij is echter niet in alle gevallen sprake van vermogensverlies. De huurders kunnen immers een vervangende standplaats aangeboden krijgen, of compensatie voor het verwijderen van hun vakantieverblijf.
Deelt u de mening dat zich hier een sociaal-maatschappelijk probleem voordoet? Zo ja, wat is uw concrete inzet om dit probleem aan te pakken?
In hoeverre het verlies aan recreatiestandplaatsen en particulier vermogen als een sociaal-maatschappelijk probleem aangemerkt kan worden, is niet aan mij om te beoordelen. De betrokkenen hebben mogelijkheden om daar iets tegen te doen. Indien de RECRON-voorwaarden van toepassing zijn op een individuele situatie, kunnen recreatieondernemers daaraan worden gehouden en kan het geschil worden voorgelegd aan de Geschillencommissie Recreatie. In andere gevallen is het mogelijk om geschillen voor te leggen aan de burgerlijke rechter.
Hoe beoordeelt u een recent onderzoek van de Universiteit van Utrecht2 naar de bescherming van de huurders van standplaatsen op campings en recreatieparken, waarin tot een hiaat in wet- en regelgeving wordt geconcludeerd? Bent u bereid te onderzoeken of aanvullende wetgeving nodig is? Zo nee, waarom niet?
De RECRON-voorwaarden zijn een vorm van zelfregulering, die specifieke regels bevat in aanvulling op de reeds bestaande wettelijke bescherming. Aanvullende wetgeving is zodoende niet aan de orde.
Zou het te overwegen zijn een standaardregeling ex. artikel 6:214 BW te ontwerpen, waardoor het verhuren van vaste standplaatsen met daarop (te bouwen) vaste recreatieverblijven slechts mogelijk wordt, indien door de verhuurder aan de huurder bijbehorende zakelijke rechten worden verleend (opstalrechten, duurcontracten en erfpacht), tenzij verhuurder vooraf aan de huurder kenbaar maakt, dat hij van deze standaardregeling wenst af te wijken (BW 6:214.5)? Zo nee, waarom niet?
Een dergelijke standaardregeling lijkt mij niet aan de orde zolang niet vast is komen te staan dat de huidige wetgeving en privaatrechtelijke algemene voorwaarden inzake het verhuren van vaste standplaatsen voor recreatieverblijven ontoereikend zouden zijn. Bovendien zou wetgeving het in gang gezette zelfreguleringsproces doorkruisen.
Onderkent u dat door een – kennelijke – leemte in de wetgeving projectontwikkelaars op goedkope wijze verhuurde recreatiegrond kunnen verwerven en ontruimen met de bedoeling om daarop dure recreatiewoningen voor hogere marktsegmenten te bouwen, de grond te verkavelen en uit te ponden? Zo nee, waarom niet?
Rechten en plichten van huurder en verhuurder zijn vastgelegd in de wet en in privaatrechtelijke huurovereenkomsten. Huurders die menen schade te ondervinden van de handelwijze van een projectontwikkelaar hebben de mogelijkheid om zich tot de burgerlijke rechter te wenden.
Bent u bereid met de VNG en het IPO te overleggen over het specifieker benoemen van de bestemming van recreatiegronden in gemeentelijke beleids- en bestemmingsplannen, zoals door de gemeente Soest is gedaan na problemen met de projectontwikkelaar die nu klaar staat het natuurpark De Ridderhof te Lage Vuursche te ontmantelen? Zo nee, waarom niet?
Het specifiek benoemen van de functie van gebieden en terreinen is een taak van de gemeente. Het feit dat de gemeente Soest de bestemming van recreatiegronden zodanig heeft benoemd dat voldoende zekerheid voor de huurders in het natuurpark kon worden bereikt, laat zien dat gemeenten het inderdaad zelf kunnen oplossen.
De beantwoording van de minister op de eerder gestelde vragen over bouwregelgeving, brandveiligheid voor parkeergarages en andere grote bouwwerken |
|
Cynthia Ortega-Martijn (CU) |
|
|
|
|
|
|
|
Bent u op de hoogte van gerechtelijke uitspraken waaruit blijkt dat de NEN-normen niet als regelgeving kunnen worden aangemerkt? Deelt u de conclusie dat er feitelijk, als het gaat om landelijke regelgeving, niets verandert hiermee?12
Bent u van mening dat landelijke afdwingbare regelgeving noodzakelijk is en bent u bereid hiervoor nadere acties te ondernemen?
Kunt u aangeven wat de stand van zaken is met betrekking tot landelijke regelgeving ten aanzien van brandmeldinstallaties voor overige grote brandcompartimenten, dus buiten besloten parkeergarages onder woningbouw?
Deelt u de analyse dat zolang branden als de TU-Delft niet op prestaties van brandveiligheidsvoorzieningen en dergelijke onderzocht worden, eigenlijk niet gestart kan worden met risicogerichte regelgeving en dat er data bij vele branden verzameld moeten worden om een begin te maken met het toepassen van risicogerichte regelgeving?
Deelt u de mening dat om te komen tot «risk based design» het beleid zou moeten worden ondersteund met een programma om de betreffende kennis op te bouwen, aangezien deze kennis er niet vanzelf komt? Wat is uw beleid op dit gebied?
Misleidende informatie in het bezwaarformulier Elektronisch Patiëntendossier (EPD) |
|
Karen Gerbrands (PVV) |
|
Edith Schippers (minister volksgezondheid, welzijn en sport) (VVD) |
|
|
|
|
Bent u bekend met het formulier «Bezwaar maken elektronisch patiëntendossier (EPD)?1
Ja.
Deelt u de mening dat de informatievoorziening omtrent het EPD helder en eenduidig dient te zijn?
Ja, ik deel die mening. Zoals ik ook in het AO van 20 januari jl. heb gezegd besteden we veel aandacht aan de communicatie omtrent het EPD. We inventariseren continu welke informatiebehoefte er is en passen indien nodig de communicatie hierop aan.
Bent u bekend met de in het formulier vermelde zin: «Deze verwijdering kan niet ongedaan worden gemaakt»?
Ja ik ben bekend met de zin op het formulier. Op het formulier wordt uitgelegd wat bezwaar maken inhoudt. Hierbij wordt onder andere uitgelegd dat gegevens die zijn aangemeld bij de landelijke infrastructuur bij het verwerken van het bezwaar worden verwijderd. Deze verwijdering kan niet ongedaan worden gemaakt. Het is wel mogelijk om een bezwaar tegen het EPD weer in te trekken. Als het bezwaar is ingetrokken kunnen zorgverleners weer gegevens aanmelden en raadplegen. Het is wel noodzakelijk dat de zorgverleners die in het verleden gegevens hadden aangemeld, dit opnieuw doen. In de bevestigingsbrief van de verwerking van dit verzoek wordt de burger geïnformeerd dat hij/zij zelf de eigen huisarts en apotheek dient te verzoeken de gegevens dan (opnieuw) aan te melden. Het landelijk schakelpunt heeft de verwijsgegevens immers verwijderd en beschikt daar niet meer over.
Kortom het gaat dus om twee verschillende dingen. Ten eerste het verwijderen van gegevens, dit kan niet ongedaan worden gemaakt. Ten tweede het maken van bezwaar, dat kan wel ongedaan worden gemaakt.
Is het waar dat op de website van het Informatiepunt landelijk EPD staat dat een bezwaar tegen het EPD ook weer kan worden ingetrokken?
Zie antwoord vraag 3.
Kunt u uitleggen waarom er desondanks in het formulier staat dat verwijdering uit het EPD niet ongedaan gemaakt kan worden?
Nadat het bezwaar is verwerkt worden de verwijsgegevens verwijderd. Het is niet meer bekend welke zorgverleners in het verleden gegevens hebben aangemeld.
De burger heeft de mogelijkheid om het bezwaar in te trekken. Gegevens van de burger kunnen (opnieuw) worden aangemeld door de zorgverleners, maar de gegevens uit het verleden zijn niet meer beschikbaar bij het landelijk schakelpunt.
Deelt u de mening dat die zin in het formulier mensen op het verkeerde been zet, waardoor ze mogelijk zelfs afzien van hun bezwaar?
Zoals in de antwoorden 3 t/m 5 aangegeven klopt de informatie zoals opgenomen in de toelichting op het bezwaarformulier en op de website www.infoEPD.nl. De mening dat de informatie mensen op het verkeerde been zet, deel ik daarom niet.
Kunt u bewerkstelligen dat de betreffende zin uit het formulier geschrapt gaat worden?
Door de zin uit de het formulier te schrappen wordt de informatie aan de burger onvolledig. Wel zal ik over dit onderwerp een extra vraag en antwoord op de website van het Informatiepunt landelijk EPD laten opnemen.
De beveiliging van opinievormers en kunstenaars |
|
Tofik Dibi (GL) |
|
|
|
|
Kent u het bericht dat kunstenares Sooreh Hera zich al drie jaar schuilhoudt sinds haar controversiële kunstwerk over de Islam en homoseksualiteit door het Haagse Gemeentemuseum is geweigerd?1
Ja
Klopt Hera’s relaas dat zij nooit heeft kunnen terugvallen op serieuze bescherming en dat haar zelfs is geadviseerd zolang in een daklozenopvang te schuilen?
Het kabinet betreurt het dat mevrouw Hera zich onvoldoende gesteund voelde. De bedreigingen zijn uiterst serieus genomen. Zo hebben zowel de decentrale als de centrale overheid aandacht gehad voor de veiligheidssituatie van mevrouw Hera. Met haar zijn verschillende gesprekken gevoerd en ook zijn er enige maatregelen getroffen die in overeenstemming waren met het gepercipieerde niveau van dreiging en risico. Er is nooit sprake geweest van een advies om in een daklozenopvang te schuilen.
Wat vindt u ervan dat Sooreh Hera nimmer de indruk heeft gekregen dat de centrale noch de decentrale overheid achter haar staan als ze door haar kunstwerken in de problemen komt?
Zie antwoord vraag 2.
Wat vindt u ervan dat opiniesite joop.nl na bedreigingen besloten heeft een cartoon van Adriaan Soeterbroek van haar website te verwijderen? Welke initiatieven zijn er genomen om dit soort bedreigingen te bestrijden?
Het kabinet betreurt dit soort voorvallen. Bedreiging met geweld is strafbaar gesteld in artikel 285 van het wetboek van Strafrecht. Het is aan de personen die bedreigd zijn om hiervan aangifte te doen bij de politie, waarna het OM zal bepalen of er strafrechtelijke vervolgstappen zullen worden gezet.
Deelt u de mening dat dit soort bedreigingen opinievormers onaanvaardbaar in hun vrijheden beknotten? Zo ja, vindt u ook niet dat juist ten aanzien van opinievormers, zoals Hera en Soeterbroek, het stelsel bewaken en beveiligen tekortschiet en uiteindelijk tot een onaanvaardbare vorm van zelfcensuur leidt?
Het kabinet vindt alle bedreigingen en uitingen van geweld tegen iedere persoon onacceptabel. Burgers en organisaties mogen van de overheid verwachten dat die hen te hulp schiet op het moment dat de aantasting van hun veiligheid zulke vormen dreigt aan te nemen, dat zij daar op eigen kracht geen weerstand meer tegen kunnen bieden. Dit geldt ook voor opinievormers. Voorkomen moet worden dat als gevolg van bedreigingen en uitingen van geweld in Nederland een klimaat van zelfcensuur ontstaat.
Wat vindt u ervan om het garanderen van de uitingsvrijheid voor opinievormers als prioriteit bij het ministerie van Algemene Zaken te beleggen? Bent u bereid om de effectuering van de grondwettelijke uitingsvrijheid tot uw beleidsprioriteiten als minister van Algemene Zaken te rekenen en, met het oog op het grote maatschappelijke belang van de uitingsvrijheid, de circulaire bewaking en beveiliging personen, objecten en diensten in die zin aan te passen dat opinievormers met landelijke bekendheid niet onder het decentrale maar onder het centrale beveiligingsstelsel vallen? Zo nee, waarom niet? Bent u bereid om op het ministerie van Algemene Zaken een meldpunt in te richten voor bedreigingen aan het adres van opinievormers om, indien nodig, direct te kunnen ingrijpen, indien het stelsel bewaken en beveiligen te kort dreigt te schieten?
De grondwettelijke uitingsvrijheid is niet in het geding als de ene burger de ander bedreigt vanwege zijn mening. Het bedreigen van burgers, of die nu opiniemaker zijn of niet, door andere burgers, is strafbaar gesteld in het wetboek van Strafrecht.
Het kabinet ziet geen aanleiding om landelijk bekende opiniemakers als zodanig op voorhand toe te voegen aan het zogenoemde rijksdomein in het stelsel bewaken en beveiligen. Het maakt voor landelijk bekende en andere scherp geprofileerde opiniemakers, qua maatregelen geen verschil of zij wel of niet tot het rijksdomein gelden. Het bepalen van passende veiligheidsmaatregelen betreft nu eenmaal maatwerk. Daarbij geldt als uitgangspunt dat het niveau van maatregelen ten aanzien van bedreigde personen in overeenstemming is met het niveau van dreiging. Het onderscheid tussen decentraal- en rijksdomein heeft bij het bepalen hiervan geen enkele invloed. Wel kan altijd indien daartoe aanleiding bestaat een persoon worden toegevoegd aan het rijksdomein. Tijdens de evaluatie van het stelsel bewaken en beveiligen van medio 2005 is hiervoor uitdrukkelijk aandacht geweest en zijn criteria geformuleerd voor het stelselmatiger bekijken of iemand toegevoegd dient te worden aan het centrale gedeelte van het stelsel. Het lokaal bevoegd gezag kan zich te allen tijde wenden tot de Nationaal Coördinator Terrorismebestrijding voor een verzoek tot overname van de verantwoordelijkheid. Ik zie geen aanleiding om een meldpunt in te richten.
Het bericht dat de provincies miljarden besteden aan vage doelen |
|
Gerard Schouw (D66) |
|
|
|
|
|
|
|
Kent u het bericht «Vele miljarden voor vage doelen»?1
Bent u van mening dat de provincies de extra inkomsten door verkoop van de energiebedrijven adequaat uitgeven in tijden van bezuiniging? Zo ja, waarom? Zo nee, waarom niet?
Wat is uw reactie op de in het artikel geuite stelling dat de provincies «veel te veel geld [hebben] ten opzichte van hun taken»?
Klopt het dat – behalve in de provincie Gelderland – onvoldoende informatie over het te besteden geld te vinden is in de provinciebegroting?
Is het naar uw mening voldoende inzichtelijk en transparant hoe publieke gelden besteed worden? Zo ja, waarom? Zo nee, waarom niet?
Wat is uw reactie op de complexe constructies op de begroting die gebruikt worden voor de financiering van projecten? Bent u van mening dat deze constructies voldoende financieel solide zijn? Bent u tevens van mening dat deze constructies voldoende transparant zijn? Zo ja, waarom? Zo nee, waarom niet?
Hoe oefent u de toezichthoudende rol van de rijksoverheid bij de besteding van provinciale middelen uit?
Ziet u aanleiding om in te grijpen bij de besteding van deze middelen door de provincies? Zo nee, waarom niet? Zo ja, welke instrumenten en/of sancties bent u van plan in te zetten?
Bent u bereid om de Algemene Rekenkamer te verzoeken onderzoek te doen naar de effectiviteit van provinciale bestedingen? Zo nee, waarom niet? Zo ja, op welke termijn zou dit onderzoek kunnen plaatsvinden?
De inadequate Nederlandse controle op veetransporten |
|
Marianne Thieme (PvdD) |
|
|
|
|
Kunt u bevestigen dat Nederland onlangs op de vingers is getikt door de Food and Veterinary Office (FVO) van de Europese Unie over ons controlesysteem voor veetransporten? Zo ja, wat is er volgens de FVO mis met de Nederlandse controles, welke verbeteringen dwingen zij af, binnen welke termijn, en wat is hier uw reactie op?
De FVO heeft van 6 tot 10 september 2010 een inspectiemissie in Nederland uitgevoerd en 10 februari 2011 haar definitieve rapport opgemaakt. De algemene conclusie van de FVO was juist dat de officiële controles in lijn zijn met de eisen van de Europese transportverordening 1/2005 en dat doeltreffend wordt opgetreden met betrekking tot het vervoer van niet transportwaardige dieren.
De FVO concludeert tevens dat de nVWA uitgebreide officiële transportcontroles uitvoert op het gebied van dierenwelzijn, waaronder een speciale afdeling voor welzijnsovertredingen tijdens transport en gecombineerde teams van dierenartsen en controleurs voor de handhaving. Dit laat onverlet dat de FVO daarnaast enkele verbeterpunten heeft voorgesteld en aanbevelingen gedaan. Deze aanbevelingen neem ik over.
Op de website van de FVO kunt u gedetailleerd nalezen wat de exacte aanbevelingen zijn en op welke wijze hieraan voldaan gaat worden: http://ec.europa.eu/food/fvo/ap/ap_nl_2010–8400.pdf
Hoe beoordeelt u de conclusie van de FVO dat de controle op het dierenwelzijn op de plaats van bestemming ondermaats is? Deelt u de mening van de FVO? Zo ja, hoe komt het dat deze controle ondermaats is en dat we daar door Brussel op gewezen moeten worden? Deelt u de mening dat dit mede veroorzaakt is door het uit handen geven van de controles? Zo nee, waarom niet en op basis van welke gegevens bent u die mening toegedaan?
De FVO concludeert niet dat de controle ondermaats zou zijn. De FVO merkt alleen op dat controle op het bedrijf van bestemming ten tijde van aankomst van de dieren relevant zou kunnen zijn. Deze inspecties worden echter vanuit de transportverordening niet verplicht gesteld en zijn dus niet bezien door de FVO.
Op welke wijze bent u van plan de aangenomen motie-Thieme (Kamerstuk 26 991, nr. 304) uit te voeren, waarin de Kamer de regering verzoekt de controle op veetransporten en slachthuizen weer geheel in overheidshanden te nemen? Wanneer wilt u de Kamer het nieuwe plan van aanpak voor controles op veetransporten en slachthuizen presenteren? Op welke wijze wordt daarin tevens tegemoet gekomen aan de kritiek van de FVO?
Ik zal u in april mijn reactie op de aangenomen motie Thieme sturen.
De manier waarop de Thuisapotheek klanten werft |
|
Henk van Gerven (SP) |
|
Edith Schippers (minister volksgezondheid, welzijn en sport) (VVD) |
|
|
|
|
Bent u op de hoogte van de manier waarop de Thuisapotheek klanten werft?1
Ik ben op de hoogte van de vragen die leven ten aanzien van de manier waarop Thuisapotheek klanten werft.
Is het waar dat call-centremedewerkers van de Thuisapotheek zich tijdens gesprekken met potentiële klanten voordoen als medewerkers van hun eigen apotheek? Hoe gaat u daar tegen optreden?
Het is niet aanvaarbaar als call-centremedewerkers van de Thuisapotheek zich tijdens gesprekken met potentiële klanten voor zouden doen als medewerkers van een andere apotheek. De Inspectie voor de Gezondheidszorg zal een onderzoek hier naar instellen evenals naar de bewering dat call-centremedewerkers van de Thuisapotheek het medicijngebruik van potentiële klanten zouden kennen. Ook dat is niet aanvaardbaar als die klanten daar geen toestemming voor hebben gegeven of als zij niet zelf eerder hun medicatiegebruik hebben opgegeven, bijvoorbeeld via een enquête.
Klopt de bewering dat call-centremedewerkers van de Thuisapotheek het medicijngebruik van potentiële klanten kennen? Zo ja, hoe is dat mogelijk en bent u bereid om de vertrouwelijkheid van deze gegevens te garanderen?
Zie antwoord vraag 2.
Vindt u het een wenselijke ontwikkeling dat de Thuisapotheek zich specialiseert op simpele medicijnen? Welke gevolgen heeft dit voor gewone apotheken? Komt hierdoor de beschikbaarheid van specialistische apotheekproducten onder druk te staan?
Over de wenselijkheid of onwenselijkheid van deze ontwikkeling neem ik geen standpunt in. De Thuisapotheek en andere landelijk werkende apotheken die zich toeleggen op herhaalmedicatie voorzien in een behoefte van de klant. De klant kiest hiervoor. Met de introductie van vrije tarieven wordt het veel gemakkelijker dan nu mogelijk om differentiatie aan te brengen in de bedragen die voor verschillende prestaties worden betaald. Nu is het nog gebruikelijk dat het door de NZa vastgestelde maximale receptregeltarief in rekening wordt gebracht voor diensten van zeer verschillende zwaarte. Straks zullen diensten met een geringe toegevoegde waarde minder beloond worden dan diensten met een hoge toegevoegde waarde. De beschikbaarheid van de diensten komt daarmee niet onder druk te staan. Uitgangspunt van vrije tarieven is immers dat de beloning is afgestemd op de toegevoegde waarde van de dienst. Dat zal ongetwijfeld betekenen dat de minder bewerkelijke en planbare diensten zoals het terhandstellen van herhaalreceptuur naar verhouding minder en de meer bewerkelijke diensten meer zullen worden beloond.
Vindt u het een vorm van misleiding dat mensen door de Thuisapotheek worden benaderd naar aanleiding van een algemene internetenquête? Vindt u het terecht dat het beantwoorden van één vraag uit een lange enquête door de Thuisapotheek wordt geïnterpreteerd als toestemming om te bellen? Bent u bereid om de regels hiervoor aan te scherpen?
Ik kan hier geen uitspraak over doen. De Inspectie voor de Gezondheidszorg stelt een onderzoek in naar de feitelijke gang van zaken. Ik vind wel dat het duidelijk moet zijn voor de mensen op grond waarvan zij worden benaderd door de Thuisapotheek of andere aanbieders. Als dat een internetenquête is, zou dat aan het begin van het klantcontact moeten worden aangegeven. Daarnaast zou bij het invullen van een dergelijke enquête het helder moeten zijn voor de mensen dat zij toestemming geven om telefonisch benaderd te worden. Ik verwacht dat de Thuisapotheek en andere aanbieders naar aanleiding van de vragen die gerezen zijn en de publiciteit daaromheen, hun handelwijze hiermee in overeenstemming zullen brengen omdat zij anders het risico lopen minder klanten te krijgen.
Vindt u het principieel onjuist dat een apotheker door middel van telefonische colportage klanten mag werven voor het verstrekken van receptgeneesmiddelen?
Telefonische colportage is een veel directere vorm van het onder de aandacht brengen bij potentiële klanten dan bijvoorbeeld het plaatsen van advertenties. Als telefonische colportage plaatsvindt na expliciete toestemming van de potentiële klant is dat niet principieel onjuist. Zie verder het antwoord op vraag 5.
De afkeuring door de rechter van de lagere plaatsing van een studente door de Dienst Uitvoering Onderwijs |
|
Tanja Jadnanansing (PvdA), Metin Çelik (PvdA) |
|
Marja van Bijsterveldt (minister onderwijs, cultuur en wetenschap) (CDA) |
|
|
|
|
Bent u bekend met het artikel «Rechter keurt lagere plaatsing studente af»?1
Ik heb kennis genomen van dit artikel.
Wist u dat het probleem uit het artikel al een tijd bekend is bij de Dienst Uitvoering Onderwijs (DUO)?
Het probleem is al enige tijd bekend. Het mbo kent geen voorgeschreven diplomamodel en cijferlijstmodel. Mbo-instellingen kunnen dus diverse varianten van cijferlijsten hanteren. In 2006 zijn afspraken gemaakt met de MBO Raad over hoe DUO met varianten van cijferlijsten omgaat voor de berekening van het gemiddelde examencijfer en de indeling in lotingsklassen van kandidaten die willen doorstromen naar een hbo-opleiding waarvoor een numerus fixus geldt. De MBO Raad heeft deze afspraken jaarlijks gepubliceerd in de zogenoemde diplomanotitie.
Wat is uw mening over de stelling dat DUO de waarde van opleidingen juist moet kunnen taxeren?
Het is niet aan DUO om de waarde van opleidingen of van diploma’s te taxeren. DUO is belast met de uitvoering van de lotingsprocedure op basis van de Regeling aanmelding en selectie hoger onderwijs (RAS) voor opleidingen waarvoor een numerus fixus geldt voor de toelating van studenten.
Niet de waarde van een opleiding, maar de door de student behaalde examenresultaten, zoals vermeld op de cijferlijst bij het diploma, zijn bepalend voor de indeling in lotingsklassen.
Volgens het artikel wordt er aan het probleem gewerkt en zal het niet lang meer duren om het probleem op te lossen, klopt dit bericht? Zo ja, kunt u ons nader informeren over uw plannen?
Bovengenoemde regeling wordt op onderdelen gewijzigd. Daarmee wordt beoogd de lotingsprocedure te verhelderen door nader aan te geven hoe het gemiddeld eindexamencijfer berekend moet worden als een gegadigde zich aanmeldt voor een fixusopleiding. De wijziging is opgesteld in overleg met de MBO Raad.
Daar binnenkort het Wetsvoorstel inzake het competentiegericht onderwijs in het mbo2 in de Kamer wordt besproken, in hoeverre houdt u bij uw voorstel rekening met deze omissie?
Ik acht het gewenst dat er ook in het mbo meer eenduidigheid komt in de diploma’s en de daarbij behorende resultatenlijsten. In het wetsvoorstel inzake de invoering van de competentiegerichte kwalificatiestructuur (kamerstuk 32 316) is daarom in artikel 7.4.6, tweede lid van de Wet educatie en beroepsonderwijs (WEB) bepaald dat bij ministeriële regeling modellen voor diploma en resultatenlijst kunnen worden vastgesteld. Die regeling wordt voorbereid. Het is voorts de bedoeling om in het Examenbesluit beroepsopleidingen WEB voor te schrijven op welke wijze de examenresultaten moeten worden uitgedrukt.
Acht u het prestatie-registratie-systeem van het competentiegericht onderwijs in het mbo eerlijk en kunt u ons verzekeren dat de kansen van mbo'ers die verder willen studeren maximaal wordt geborgd?
Uit een analyse van de selectiegegevens bij DUO blijkt dat de inlotingskans voor hbo lotingstudies relatief hoog is. Van de 3197 lotingsdeelnemers in 2010 met een mbo-diploma zijn er 2944 ingeloot (= 92%) en 253 uitgeloot (= 8%). Van de 7516 lotingsdeelnemers in 2010 met een havo- of vwo-diploma zijn er 6109 ingeloot (= 81%) en 1407 uitgeloot (= 19%). Door een hoger cijfergemiddelde heeft DUO lotingsdeelnemers met een mbo-diploma vaker in een hogere lotingsklasse ingedeeld. De gemiddelde gerealiseerde kans op inloting van mbo’ers is kortom hoger dan van studenten afkomstig van havo of vwo. Een hogere lotingsklasse betekent een hogere inlotingskans.
Door aanscherping van de regels betreffende de resultatenlijst bij mbo diploma’s (zie het antwoord op vraag 5) worden individuele studenten minder afhankelijk van keuzen van instellingen betreffende de resultatenlijst. Die aanscherping is erop gericht om de transparantie van diploma’s en examenresultaten te vergroten, in het belang van alle mbo’ers, instellingen voor vervolgonderwijs en werkgevers. Bovendien wordt door de wijziging van de RAS de lotingsprocedure verhelderd (zie het antwoord op vraag 4). De mogelijkheden tot doorstroom van mbo-gediplomeerden naar hbo lotingstudies zijn al stevig geborgd en door bovengenoemde maatregelen wordt die borg nog verder versterkt.
Het aantrekken van foute ondernemers naar aanleiding van het bericht "Britse BV-vorm snel misbruikt" |
|
Bruno Braakhuis (GL) |
|
|
|
|
Bent u bekend met het artikel in het Financieele Dagblad van 24 februari «Britse BV-vorm snel misbruikt»?1
Ja.
Hoe oordeelt u over de het feit dat door middel van de buitenlandse rechtsvormen als Britse «limited companies» (Ltd’s) en euro-BV’s de strenge Nederlandse eisen aan het starten van een onderneming ontweken kunnen worden?
Vennootschappen die zijn opgericht in een lidstaat van de Europese Unie beschikken op grond van artikel 49 en 54 Verdrag betreffende werking van de EU (voorheen: artikel 43 en 48 EG-Verdrag) over het recht van vrijheid van vestiging. In het kader van de vrijheid van vestiging heeft het Europese Hof van Justitie in een aantal arresten (van 9 maart 1999, JOR 1999, 117 (Centros); 5 november 2002, JOR 2003/4 (Überseering) en 30 september 2003, JOR 2003 (Inspire Art)) bepaald dat lidstaten van de Europese Unie rechtspersonen die in andere lidstaten zijn opgericht, moeten erkennen en accepteren dat die rechtspersonen worden beheerst door het recht van dat land. Aldus kunnen in het Verenigd Koninkrijk van Groot-Brittannië en Noord-Ierland opgerichte limiteds in Nederland ondernemingsactiviteiten ontplooien zonder dat zij aan de Nederlandse vereisten voor de oprichting van een vennootschap behoeven te voldoen. Dit betekent niet dat in het geval van faillissement van een limited de schuldeisers onbeschermd zijn. Het recht van het Verenigd Koninkrijk voorziet in een streng aansprakelijkheidsregime voor bestuurders indien komt vast te staan dat zij op enige wijze onbehoorlijk hebben gehandeld en de vennootschap of de crediteuren daardoor zijn gedupeerd. Dit regime geldt ook voor limiteds die hun activiteiten geheel of nagenoeg geheel in Nederland uitoefenen en strekt dus mede ter bescherming van Nederlandse schuldeisers, naast de mogelijkheden tot het verkrijgen van schadevergoeding op grond van onrechtmatige daad (artikel 6:162 BW). Overigens hechten wij er belang aan op te merken dat van de vrijheid van vestiging voor in de Europese Unie opgerichte vennootschappen niet alleen gebruik wordt gemaakt door buitenlandse ondernemingen die in Nederland zakelijke activiteiten willen verrichten. Ook Nederlandse ondernemingen profiteren van de vrijheid van vestiging. Zij kunnen daardoor immers gemakkelijker grensoverschrijdend zaken doen nu Nederlandse vennootschappen in de hele Europese Unie erkend moeten worden en door andere lidstaten niet telkens aan nieuwe of aanvullende voorschriften mogen worden onderworpen.
Kunt u een inschatting geven hoeveel schade deze Britse Ltd’s veroorzaken voor de Nederlandse economie door faillissementsfraude en wanbetaling aan bedrijven en aan hun eigen werknemers? Zo ja, bent u bereid deze met de Kamer te delen? Zo nee, bent u bereid hier onderzoek naar in te stellen?
Uit gegevens van de Kamers van Koophandel blijkt dat limiteds in ongeveer 65% van de gevallen binnen 5 jaar na inschrijving weer van de markt verdwijnen. Bij Nederlandse ondernemingen is dat gemiddeld 50%. Daarmee is niet gezegd dat in het geval van limiteds in hogere mate sprake is van faillissementsfraude dan het geval is met BV’s. Over de omvang van faillissementsfraude waarbij de limited als rechtsvorm gebruikt wordt en de eventueel daaruit voortvloeiende schade, is geen specifieke informatie bekend. Deze informatie kan alleen worden verkregen door (een voldoende grote steekproef van) individuele dossiers te analyseren. Dit is uitermate arbeidsintensief en dus kostbaar. Gezien het zeer beperkte aandeel van limiteds op de Nederlandse markt, het betreft ongeveer 700 limiteds tegenover ruim 780 000 BV’s, en in het licht van de aanstaande invoering van een nieuw toezichtmodel dat wél vat heeft op buitenlandse rechtspersonen, achten wij een onderzoek op dit moment niet aangewezen.
Is Nederland het enige land dat de dupe is van deze Britse BV-vorm, waarbij de screening door Justitie wordt omzeild? Hoe gaan andere landen hiermee om? Hoe verhoudt de Nederlandse faillissementsfraude zich tot de faillissementsfraude in andere landen?
Wij zetten hierboven in het antwoord op vraag 2 reeds uiteen dat op grond van de vestigingsvrijheid van artikel 43 en 48 EU-Verdrag en de jurisprudentie van het Europese Hof van Justitie lidstaten van de Europese Unie gehouden zijn om rechtspersonen die in andere lidstaten zijn opgericht, te erkennen. Dit geldt niet alleen voor Nederland, maar voor alle lidstaten van de Europese Unie. De oprichtingsvereisten voor vennootschappen zijn in de Europese Unie niet geharmoniseerd. Zij verschillen daarom per lidstaat. Niet alle lidstaten kennen een voorafgaande screening, een minimumkapitaal of een uitkeringstoets. De lidstaten die dergelijke voorschiften niet kennen, leggen ter bescherming van diegenen die met de vennootschap zaken doen veeleer de nadruk op de persoonlijke aansprakelijkheid van bestuurders of feitelijk leidinggevenden, die intreedt indien de vennootschap binnen afzienbare tijd na oprichting failliet gaat. Ons is geen specifieke informatie bekend waaruit volgt dat limiteds in Nederland of in andere landen van de Europese Unie in hogere mate bij faillissementsfraude zijn betrokken dan nationale rechtsvormen.
Wat kunt u doen om deze internationale witteboordencriminaliteit aan te pakken? Is hiervoor aanpassing van Europese regelgeving nodig? Zo ja, bent u bereid uw Europese collega’s hierop aan te spreken? Zo nee, bent u bereid nationale wetgeving te ontwikkelen waardoor dit voorkomen kan worden?
Wij gaven in het antwoord op vraag 6 al aan dat uit cijfers van de Kamers van Koophandel niet blijkt van een groeiend aantal limiteds. Nu daarnaast geen specifieke kwantitatieve informatie bekend is waaruit volgt dat limiteds in Nederland of in andere landen van de Europese Unie in hogere mate bij faillissementsfraude zijn betrokken dan nationale rechtsvormen, zien wij vooralsnog geen reden om dit punt specifiek aan de orde te stellen. In voorkomende gevallen van fraude bestaan bovendien zowel op nationaal als op Europees en internationaal niveau al samenhangende beleidsprogramma’s om financieel economische fraude te bestrijden. Ook vindt ten aanzien van het probleem van de faillissementsfraude thans al onderzoek plaats. Het Ministerie van Veiligheid en Justitie draagt bij aan de financiering van de leerstoel «Faillissementsfraude» die onlangs door de Radboud Universiteit Nijmegen is ingesteld. De leeropdracht van de betreffende leerstoelhouder is te onderzoeken wat de oorzaken van faillissementsfraude zijn en wat de indicatoren van faillissementsfraude zijn alsmede hoe faillissementsfraude zo efficiënt mogelijk kan worden bestreden. Bij het onderzoek zal worden samengewerkt met deskundigen uit de praktijk, de overheid en verschillende wetenschappelijke disciplines, waaronder de juridische en de accountancy.
Verwacht u dat aanpassing van de Nederlandse kapitaaleisen voor BV’s ertoe leidt dat het aantal Britse Ltd’s zal afnemen? Welke andere mogelijkheden ziet u om de wildgroei aan Ltd’s een halt toe te roepen?
Wij zouden willen benadrukken dat naar onze mening niet kan worden gesteld dat sprake is van een wildgroei aan limiteds. Het aantal bij de Kamer van Koophandel geregistreerde limiteds was in het afgelopen jaar immers het laagste in de laatste 7 jaren. Een van de belangrijkste redenen waarom startende ondernemers er nu in voorkomende gevallen voor kiezen om een limited op te richten in plaats van een BV, is dat voor de oprichting van een limited geen minimumkapitaal nodig is. Thans is voor de oprichting van een besloten vennootschap nog wel een minimumkapitaal vereist. Op grond van artikel 2:178 lid 2 BW bedraagt dat minimumkapitaal € 18 000. Het wetsvoorstel vereenvoudiging en flexibilisering van het BV-recht (Kamerstuknummer 31 058) voorziet in de afschaffing van het verplichte minimumkapitaal. Daartegenover stelt het wetsvoorstel een belangrijke waarborg voor schuldeisers. Deze waarborg is de codificatie van bestaande rechtspraak en betreft de zogenaamde uitkeringstest (vergelijk het voorgestelde artikel 2:216 lid 2). De uitkeringstest voorziet erin dat telkens wanneer bestuurders en aandeelhouders besluiten geld aan de vennootschap te onttrekken, zij moeten bezien of de vennootschap daarna nog in staat zal zijn om door te gaan met het betalen van haar opeisbare schulden. Wanneer nadien blijkt dat de BV niet langer kan voortgaan met betalen, zijn de bestuurders en de aandeelhouders aansprakelijk voor daaruit voortvloeiende schade.
Het wetsvoorstel behelst verder de aanpassing van bepaalde regels die door de praktijk als te gecompliceerd worden ervaren. Daardoor zullen aandeelhouders meer dan thans het geval is in staat worden gesteld de vennootschap zoveel mogelijk volgens de eigen behoeften in te richten zonder dat aan de waarborgen voor schuldeisers en andere bij de vennootschap betrokkenen wordt afgedaan. Wij verwachten dat de in het wetsvoorstel voorgestelde aanpassingen tot gevolg zullen hebben dat minder vaak zal worden gekozen voor een limited.
Ziet u aanleiding om onderzoek in te stellen naar het groeiende aantal Ltd’s en de gevolgen voor faillissementsfraude en witwaspraktijken?
Zie antwoord vraag 5.
Het bericht 'belastinggeld voor bendeleden' |
|
Lilian Helder (PVV) |
|
|
|
|
Bent u op de hoogte van het bericht: «Belastinggeld voor bendeleden»?1
Ja.
Klopt het dat negen leden van een Brabantse drugsbende 150 000 euro schadevergoeding krijgen omdat justitie de zaak tegen hen uiteindelijk niet rond kreeg?
De rechtbank te Breda heeft naar aanleiding van verzoekschriften op basis van de artikelen 89 en 591a van het Wetboek van Strafvordering (WvSv) bij beschikking van 24 februari 2011 aan negen personen een schadevergoeding uitgekeerd van in totaal € 150 000.
Deelt u de mening dat wanneer duidelijk is dat verdachten alleen vrijspraak hebben gekregen omdat de politie het onderzoek verknoeide, zij geen recht zouden moeten hebben op een schadevergoeding? Zo nee, waarom niet?
In dit geval is sprake van niet-ontvankelijk verklaring van het Openbaar Ministerie. Over de schuld of onschuld van de verdachten is niets vast komen te staan. Indien een zaak eindigt zonder oplegging van straf, zoals hier aan de orde, bestaat een mogelijkheid tot schadevergoeding. Op grond van artikel 90 WvSv beoordeelt de rechter of het in het betreffende geval billijk is dat geleden schade voor rekening van de burger blijft. Schadevergoeding kan achterwege blijven als een gegronde verdenking bestond. Het Openbaar Ministerie heeft zich op het standpunt gesteld dat daar in deze zaak sprake van was. De rechtbank heeft evenwel geoordeeld dat in dit bijzondere geval, gelet op de overwegingen van de rechtbank in de vonnissen van 27 januari 2010, een mogelijk gegronde verdenking op zichzelf niet in weg mag staan aan een naar gronden van billijkheid toe te kennen schadevergoeding.
Wat is er misgegaan bij justitie of politie waardoor de zaak is geresulteerd in een vrijspraak?
Er is geen sprake van vrijspraak, maar van niet-ontvankelijkheid van het Openbaar Ministerie.
Het Openbaar Ministerie heeft mij meegedeeld dat de hoofdverdachte in deze zaak eind 2008 is gehoord door de politie. Daarvan is een proces-verbaal opgemaakt. Daarbij is de oorspronkelijke verklaring aangevuld, zijn bepaalde zinnen uitgebreider op papier gekomen en zijn er wijzigingen aangebracht in de volgorde van de verklaring. De rechtbank te Breda heeft op 27 januari 2010 geoordeeld dat de oorspronkelijke verklaring van deze verdachte dusdanig is aangepast, gewijzigd en aangevuld, dat er van deze oorspronkelijke verklaring weinig meer is overgebleven. De rechtbank spreekt in het vonnis vervolgens van een bekentenis tussen aanhalingstekens, die naar het oordeel van de rechtbank een essentieel onderdeel vormde van het gehele onderzoek. Door de gang van zaken is deze verklaring en daarmee ook het gehele onderzoek volgens de rechtbank dermate besmet, dat daaraan verregaande consequenties moesten worden verbonden, ook ten aanzien van de overige verdachten. Vanwege de fundamentele inbreuk op de procesorde waardoor tekort is gedaan aan het recht op een eerlijk proces, is het Openbaar Ministerie vervolgens niet-ontvankelijk verklaard in de vervolging van alle verdachten.
Deelt u de mening dat het schandalig is dat de belastingbetaler opdraait voor fouten die door justitie of politie worden gemaakt? Zo nee, waarom niet?
Vanzelfsprekend betreur ik de niet-ontvankelijkheid van het Openbaar Ministerie in de zaken tegen de verdachten, hetgeen uiteindelijk tot deze uitkomst heeft geleid.
Welke maatregelen gaat u nemen om te voorkomen dat deze fouten nogmaals worden gemaakt?
Op 16 juli 2010 heeft de toenmalige Minister van Justitie de eindrapportage van het programma Versterking Opsporing en Vervolging aan uw Kamer aangeboden (Kamerstukken II 2009–2010, 32 123 VI, nr. 117). Daarbij heeft hij onder meer aangegeven dat bij de politie de ervaringen met het programma hebben geleid tot de instelling van het Centrum Versterking Opsporing. Deze voorziening draagt bij aan structurele aandacht binnen de korpsen voor kwaliteitsverbetering.
Het Openbaar Ministerie heeft mij meegedeeld dat op het niveau van het politiekorps Midden en West Brabant een Masterplan Versterking Opsporing is gestart. Het plan heeft tot doel om door middel van verschillende projecten het vakmanschap in de opsporing te vergroten, fouten te voorkomen en risico’s te minimaliseren. Het Openbaar Ministerie is nauw betrokken bij de uitvoering van het Masterplan. Onvolkomenheden in de opsporing worden geregeld geïnventariseerd en er wordt actie ondernomen om deze in de toekomst te voorkomen.
Daarnaast heeft het Openbaar Ministerie mij meegedeeld dat in de onderhavige zaak het politiekorps Midden en West Brabant zijn verantwoordelijkheid heeft genomen door de betreffende medewerkers uit het operationele opsporingsproces te halen.
Politiek gekleurde informatie verspreid onder ouders van leerlingen op de Christelijke Basisschool Het Klinket te Arnhem |
|
|
|
|
Marja van Bijsterveldt (minister onderwijs, cultuur en wetenschap) (CDA) |
|
Heeft u kennisgenomen van de brief getiteld «Protesteer mee tegen bezuinigingen op passend onderwijs» die verspreid is onder de ouders van leerlingen op de Christelijke Basisschool Het Klinket, waarin de schoolleider Loes Hilderink van de betreffende school oproept tot protest tegen de bezuinigingen op het passend onderwijs?1
Ja.
Deelt u de opvatting van de school dat de brief een onjuiste weergave van feiten inzake het kabinetsbeleid met betrekking tot passend onderwijs geeft en daarmee een eenzijdige en politiek gekleurde boodschap bevat?
In betreffende brief wordt uitgegaan van twee onjuiste veronderstellingen over de plannen op het passend onderwijs. Ten eerste wordt gesteld dat er door de bezuinigingen «... voor tienduizenden leerlingen geen plaats meer zal zijn in het speciaal onderwijs.» De capaciteit van de huidige bijna 70 000 plekken blijft bij de invoering van passend onderwijs echter bekostigd. Wel wordt deze bekostiging in het speciaal onderwijs iets lager met als gevolg dat daar de klassen gemiddeld 10% groter worden.
In de brief wordt verder aangegeven dat reguliere basisscholen «... meer zorgleerlingen krijgen, die eigenlijk niet geholpen kunnen worden in de basisschool en ook niet meer doorverwezen kunnen worden naar het speciaal basisonderwijs». Dit is onjuist. Het geld van de huidige rugzakjes voor extra begeleiding blijft bij het reguliere onderwijs. Hier wordt niet op bezuinigd. Daarnaast ontvangen reguliere scholen extra geld om begeleiding van zorgleerlingen op maat in te richten. Verder blijft het mogelijk leerlingen door te verwijzen naar het speciaal onderwijs. De school van aanmelding kan ervoor kiezen om onderwijs op de eigen school aan te bieden, maar kan ook een aanbod doen bij een andere school of in het speciaal onderwijs.
Om dit soort misverstanden te voorkomen en weg te nemen heb ik besloten alle scholen op verschillende manieren te informeren over mijn plannen. Zoals ik in het vragenuurtje op 8 maart heb aangegeven, ga ik alle schoolbesturen, scholen en medezeggenschapsraden in het primair onderwijs een brief sturen over de voorstellen passend onderwijs. Hiermee wil ik de verkeerde beelden in de media rechtzetten. Verder houd ik het veld op de hoogte via de nieuwsbrief van de directie Primair Onderwijs. Ook is op de website van de Rijksoverheid een onderwerp «passend onderwijs» aangemaakt waar mensen actuele informatie kunnen vinden: http://www.rijksoverheid.nl/onderwerpen/passend-onderwijs
Deelt u de opvatting dat een schoolleider geen eenzijdige politieke boodschappen behoort te verspreiden in en om een school?
Zoals ik u op 11 februari 2011 heb aangegeven in mijn antwoord aan de leden Wilders, Bosma en Beertema is de taak van de directeur van een school omschreven in artikel 29, eerste lid van de Wet op het primair onderwijs (WPO): «Bij de directeur van een school berust, onder verantwoordelijkheid van het bevoegd gezag, de onderwijskundige, organisatorische en huishoudelijke leiding van een school.» Op grond van de artikelen 30a en 31 van de WPO kan het bevoegd gezag hem bij wet opgedragen taken en bevoegdheden delegeren of mandateren aan (onder andere) de directeur.
Tot de bovengenoemde, al dan niet gedelegeerde of gemandateerde, taken van de directeur behoort uiteraard niet het uiten van een mening over een politieke partij. Dat neemt niet weg dat het de directeur in beginsel vrijstaat zijn mening te uiten over zaken die niet met die taken in verband staan. Zoals bekend is het uiten van een mening immers vrij, behoudens ieders verantwoordelijkheid volgens de wet. Het betreft hier een grondrecht dat is vastgelegd in artikel 7 van de Grondwet.
Heeft u kennisgenomen van het feit dat zowel tijdens de Nationale Voorleesdag op 19 januari 2011 als tijdens de Warme Truiendag op 4 februari 2011 de Arnhemse SP-Wethouder Blijenberg op uitnodiging deze basisschool bezocht, terwijl andere politici de school in die periode niet bezochten?2 Lijkt hiermee volgens u «Het Klinket» een wel erg eenzijdig politiek podium te bieden, waarvan geen sprake behoort te zijn?
Ja, van dit feit heb ik kennis genomen.
In Arnhem is mevrouw Blijenberg Wethouder onderwijs en jeugd. Op de Nationale Voorleesdag en de Warme Truiendag bezochten in diverse gemeenten betrokken wethouders scholen in het land, zo ook binnen Arnhem. Verder staat het scholen vrij om te beslissen wie zij uitnodigen.
Heeft u kennisgenomen van het bericht «School roept ouders op tot verzet tegen kabinet»3 waarin het schoolbestuur aangeeft dat het niet aan de school is om stemadviezen te geven, maar desondanks niet aangeeft de brief hierin te zullen trekken? Hoe beoordeelt u het handelen van het schoolbestuur?
Ja, ik heb kennis genomen van het bericht.
Voor mijn antwoord verwijs ik naar vraag 3.
De drukke overwegen bij station Naarden-Bussum |
|
Maarten Haverkamp (CDA) |
|
|
|
|
Kent u de situatie bij station Naarden-Bussum, waar de overwegen in het centrum lang en vaak dicht zijn door de nabijheid van het station en de drukke route van intercity-treinen? Kent u het pleidooi van lokale belangenorganisaties voor een verdiepte ligging van het spoor in Naarden en Bussum?
Ja.
Klopt het dat uitvoering van het Programma Hoogfrequent Spoorvervoer er toe leidt dat deze route nog meer treinen te verwerken krijgt?
In de planstudie OV SAAL 2020 (onderdeel van het Programma hoogfrequent Spoorvervoer) zijn meerdere varianten onderzocht, waarvan enkele leiden tot toename van het aantal treinen op de Gooilijn. In het onderzoek wordt ook aandacht besteed aan overwegen in Naarden-Bussum.
Is het waar dat sluitingsduur van de overwegen verkort zou kunnen worden als in plaats van de huidige vijf sporen nog slechts twee of drie in de overweg zouden zitten?
Ja. Als de oversteeklengte van de overweg korter wordt door het saneren van sporen, mag de aankondigingstijd (dat is de tijd tussen het activeren van de overweg en het passeren van de trein) korter worden. Dit leidt tot kortere dichtligtijden.
Zoals ik uw Kamer op 22 november heb laten weten voert ProRail in de periode 2011–2013 een grootschalig meet- en onderzoeksprogramma uit om te bezien of dichtligtijden verkort kunnen worden (Kamerstuk 29 893, nr. 111). Overwegen op de Gooilijn zullen aandacht krijgen in dit programma.
Is het waar dat van de huidige sporen er slechts drie met enige regelmaat gebruikt worden en ook in de toekomst met drie sporen volstaan kan worden?
Van de huidige vijf sporen bij station Naarden-Bussum worden momenteel drie sporen intensief gebruikt en wordt soms een vierde spoor gebruikt. Voor de komende jaren onderzoekt ProRail momenteel of met een optimalisatie en vereenvoudiging van de sporenlayout voldaan kan worden aan de groeiende capaciteitsvraag.
In de planstudie OV SAAL 2020 is in een aantal varianten voorzien dat het aantal treinen toeneemt op de Gooilijn. Dat vraagt voldoende capaciteit. Besluitvorming over OV SAAL is dit voorjaar gepland.
Bent u bereid om te onderzoeken of het weghalen van ongebruikte sporen een eenvoudige en betaalbare manier kan zijn om de problemen rond de dichtligtijden van de spoorwegoverwegen in Naarden en Bussum aan te pakken?
Ja. Vermindering van het aantal sporen te Naarden-Bussum wordt momenteel reeds door Prorail onderzocht, in eerste instantie voor de korte termijn. Na besluitvorming over OV SAAL 2020 zal ook worden gekeken naar de mogelijkheden voor de middellange termijn.
Bent u bereid om te onderzoeken of met het verplaatsen van seinen tijdwinst te boeken is met betrekking tot de openstelling van overweg?
Ja, ik zal ProRail verzoeken optimalisatie van seinen mee te nemen in het bij antwoord 3 genoemde dichtligtijdenonderzoek en de verdere uitwerking van de maatregelen OV SAAL middellange termijn.
Overigens worden door ProRail de eerste helft van 2011 verschillende maatregelen uitgevoerd (waaronder het verplaatsen van activeringspunten) waardoor de dichtligtijden van de overwegen tussen Naarden-Bussum en Bussum Zuid op korte termijn verkort worden.
De resultaten van het landelijke onderzoek komen in de periode 2011–2013 beschikbaar. Deze tijd is nodig omdat het een complex onderzoek betreft vanwege het grote aantal overwegen die ieder op zich een unieke situatie vormen vanuit ligging, seinplaatsing, dienstregeling, uitvoering van de dienstregeling door de vervoerder etcetera. Het gaat dus steeds om maatwerk waarbij er ook baanvakgewijs sprake is van onderlinge beïnvloeding van de overwegen en de te kiezen oplossing.
Bent u bereid om dit onderzoek vóór de zomer van 2011 aan de Kamer te zenden?
Nee. De resultaten van het meet- en onderzoeksprogramma naar verkorting van dichtligtijden van overwegen op de PHS en OV SAAL corridors zijn naar verwachting in de loop van 2012 gereed. Over de voortgang van maatregelen op de OV SAAL corridor zal ik uw Kamer informeren na besluitvorming over genoemde planstudie voor 2020.
De bedreiging van het Nederlandse boerenlandschap door bezuiningen |
|
Henk van Gerven (SP) |
|
|
|
|
Is het waar dat Stichting Zeeuws Landschapsbeheer praktisch al haar subsidiegeld dreigt te verliezen na eind 2011?1
In een persbericht van 15 februari heeft de provincie Zeeland aangegeven dat de voorgenomen rijksbezuinigingen voor Zeeland betekenen dat na 2011 geen nieuwe verplichtingen worden aangegaan voor onder meer subsidieverstrekking aan de Stichting Zeeuws Landschapsbeheer.
Is het waar dat eenzelfde soort scenario dreigt voor de andere provinciale takken van Landschapsbeheer Nederland door de bezuinigingen van dit kabinet? Zo nee, waarom niet? Zo ja, wat gaat u daar tegen ondernemen?
Ik ben in gesprek met de provincies over de decentralisatie van het natuur- en landschapsbeleid. In de nieuwe constellatie, na afronding van het traject, is het aan de provincies om te bepalen of en hoeveel subsidie zij blijven verstrekken aan de Stichtingen Landschapsbeheer.
Hoe denkt u het voortbestaan van deze organisaties te kunnen garanderen als 80 tot 90% van hun inkomsten verdwijnen?
Na decentralisatie van het landschapsbeheer is het aan de provincies om al dan niet gebruik te maken van de kennis en inzet van organisaties op het gebied van landschapsbeheer, en daarmee bij te dragen aan het voortbestaan van deze organisaties. Overigens kunnen ook andere publieke en private organisaties hieraan bijdragen.
Hoeveel boeren, die nu profiteren van de diensten van Landschapsbeheer Nederland bijvoorbeeld door controle op bacterievuur in meidoorns, aanleg of herstel van erfbeplanting, advies over cultuurhistorische elementen of onderhoud particuliere historische buitenplaatsen worden door deze bezuinigingen benadeeld?
Volgens Stichting Landschapsbeheer Nederland maken jaarlijks circa 10 000 boeren gebruik van hun diensten. Of en zo ja, hoeveel boeren hiervan door de bezuinigingen worden getroffen, valt echter niet te zeggen, aangezien dat mede afhangt van de manier waarop de provincies de bezuinigingen zullen opvangen.
Aangezien in Zeeland alleen 33 000 mensuren vrijwilligerswerk op losse schroeven staan door de bezuinigingen op Landschapsbeheer, kunt u inzichtelijk maken hoeveel gratis vrijwilligersuren verdwijnen als Landschapsbeheer Nederland niet meer zou bestaan?
De inzet van vrijwilligers bedroeg in het jaar 2009 circa 824 000 arbeidsuren, volgens gegevens van de Stichting Landschapsbeheer Nederland. In hoeverre deze vrijwilligersuren zullen verdwijnen, hangt mede af van de manier waarop de provincies het landschapsbeheer willen vormgeven.
Is het waar dat u het zo karakteristieke Nederlandse boerenlandschap zeer op prijs stelt? Zo ja, waarom initieert u dan bezuinigingen die noodzakelijk onderhoud hiervan wegbezuinigen? Accepteert u hiermee een verrommeling en verwaarlozing van het Nederlandse cultuurlandschap? Zo ja, tot in welke mate? Zo nee, wat is uw alternatieve plan om karakteristieke Nederlandse landschapselementen en boerencultuurlandschap te behouden en te onderhouden?
Ik stel het karakteristieke Nederlandse boerenlandschap bijzonder op prijs. Ik ben er van overtuigd dat de regio, samen met de grondeigenaren, goed in staat is om het landschap te onderhouden. Provincies en gemeenten kunnen hierin een belangrijke stimulerende rol spelen en daarbij gebruik maken van de inzet en instrumenten van andere betrokken organisaties. Ik denk bijvoorbeeld aan de waterschappen die bij de uitvoering van de Kaderrichtlijn Water tevens een bijdrage leveren aan het herstel van het landschap. Er zijn streekrekeningen en landschapsfondsen opgezet waarmee private financiering kan worden aangewend voor het landschap. Het aantal agrarische natuurverenigingen dat zich wil inzetten voor het landschap, is eveneens toegenomen.
Het Gemeenschappelijk Landbouw Beleid na 2013 biedt in principe goede mogelijkheden om boeren via doelgerichte betalingen te vergoeden voor het uitvoeren van maatregelen, onder andere voor het landschap. Ik ga mijn best doen in Brussel om dat mogelijk te maken. Ik heb u over deze «vergroening» recent per brief van 8 maart over het Gemeenschappelijk Landbouwbeleid nog geïnformeerd, Kamerstuk 28 625, nr. 117.