Een advies inzake hondentraining van Syntens |
|
Afke Schaart (VVD) |
|
Maxime Verhagen (minister economische zaken en klimaat, viceminister-president ) (CDA) |
|
|
|
|
Heeft u kennisgenomen van het bericht «Duidelijkheid in verhoudingen dankzij inzet honden»1 op de website van Syntens, waarin Syntens een bedrijf adviseert om een sessie met honden te houden om de onderlinge verhoudingen beter te begrijpen?
Ja, ik heb kennisgenomen van deze berichtgeving.
Hoe is dit advies uit te leggen als passend in de doelstelling van Syntens, als innovatienetwerk voor ondernemers?
In tegenstelling tot wat in de berichtgeving is opgenomen, heeft Syntens niet geadviseerd om een sessie met honden te houden om de onderlinge verhoudingen beter te begrijpen.
Het bedrijf heeft bij Syntens het programma groeiversneller gevolgd. Syntens heeft het bedrijf geholpen bij het realiseren van de groeiambities en het ontwikkelen van nieuwe product-marktcombinaties die uiteindelijk hebben geleid tot een verveelvoudiging van de omzet.
Naar aanleiding van een aanvullend verzoek over de optimale inrichting van het management van dit bedrijf heeft Syntens het bedrijf doorverwezen naar een commercieel adviesbureau, aangezien Syntens zich beperkt tot eerstelijns innovatieadvies en voorlichting. Dit bureau heeft vervolgens een training met honden voorgesteld welke geheel gefinancierd is door het bedrijf zelf.
Over deze gang van zaken heeft Syntens de medewerker van het lid Schaart ook op verzoek per e-mail op donderdag 10 februari geïnformeerd. De door Syntens gevolgde aanpak is in overeenstemming met het door mij aan Syntens opgelegde beleid om zo veel als mogelijk de commerciële kennis- en adviesmarkt in te schakelen en naar door te verwijzen.
Kunt u uiteenzetten hoe een training met honden exact de innovativiteit van een bedrijf kan verbeteren?
Nee, het ligt niet op mijn weg om adviezen tussen commerciële partijen van commentaar te voorzien.
Zijn dit soort adviezen representatief voor de adviezen van Syntens?
Zoals hierboven vermeld, heeft Syntens niet dit advies gegeven.
De door Syntens gevolgde aanpak is echter wel representatief. Syntens gaat uit van het belang en de ambitie van de ondernemer bij het realiseren van succesvolle innovaties. Hierbij maakt Syntens gebruik van zijn netwerk, dat bestaat uit ondernemers, kennisinstellingen en commerciële adviesorganisaties.
Zo ja, deelt u de mening dat belastinggeld beter gebruikt kan worden dan voor het verstrekken van dit soort adviezen?
Voor dit specifieke advies is geen belastinggeld gebruikt. De betrokken ondernemer heeft zelf betaald voor de diensten die zijn afgenomen bij het commerciële adviesbureau.
Zo ja, wat gaat u hier aan doen en zo nee, kunt u toelichten waarom u deze mening niet deelt?
Zie mijn antwoorden op de voorgaande vragen.
Hoe moet Syntens in uw ogen invulling geven aan de opdracht die u hebt gegeven, namelijk Ondernemend Nederland vooruit helpen?
Syntens heeft tot taak innovatie in het MKB te stimuleren. Dat doet het door het geven van voorlichting, het activeren van ondernemers, het verbinden van ondernemers aan kennisinstellingen, organisaties en ondernemers. Klanten geven Syntens gemiddeld een 8 voor haar dienstverlening. Syntens geeft wat mij betreft goed invulling aan zijn taak.
Voorlichting: 14 000 ondernemers per jaar.
Eén-op-één contacten: 6000 ondernemers per jaar.
Syntens Direct: 10 000 vragen per jaar.
Website: 500 000 bezoekers per jaar.
Kunt u verdere informatie geven over de samenstelling van het totale bedrag dat Syntens van de overheid krijgt, hoeveel hiervan in open concurrentie met andere bedrijven is vergund en hoeveel van dit bedrag meerjarig is?
Syntens ontvangt in 2011 in totaal € 38,5 mln van de overheid. Dat bedrag is grotendeels afkomstig van het ministerie van Economische Zaken, Landbouw en Innovatie (EL&I). Daarnaast verricht Syntens werk voor (tijdelijke) projecten van EL&I, andere ministeries en andere overheden.
van EL&I (meerjarig)
€ 32,4 mln
voor (tijdelijke) projecten van EL&I
€ 0,4 mln
voor projecten van andere ministeries en andere overheden
€ 6,1 mln
Totaal
€ 38,5 mln
Het bericht dat de postbezorging op de BES eilanden in gebreke blijft door onduidelijkheid over postcodes |
|
Wassila Hachchi (D66) |
|
|
|
|
Kent u het bericht «Post voor BES-eilanden gaat zoek»?1
Ja, het artikel is mij bekend.
Klopt het dat de BES-eilanden (nog) niet over een postcode beschikken die aansluit bij de nieuwe staatkundige verhouding die sinds 10 oktober 2010 is ingegaan?
Het klopt dat Caribisch Nederland niet beschikt over postcodes zoals deze in Nederland gebruikelijk zijn.
Het invoeren van een postcode – gelijk aan de situatie in Nederland – is aan de concessiehouder voor de postlevering op Caribisch Nederland in casu Nieuwe Post.
Begin dit jaar is er door mijn ministerie overleg gevoerd met Nieuwe Post om de kwaliteit van de postlevering op Caribisch Nederland te brengen op het niveau dat volgens de concessie is vereist. Daartoe zijn afspraken gemaakt die in de loop van 2011 moeten leiden tot het vereiste kwaliteitsniveau. Bekeken zal worden of een mogelijke invoering van postcodes kan bijdragen aan de verbetering van de kwaliteit en welke kosten daaraan verbonden zijn. Tevens zal de bredere toepassing van de postcode (ander gebruik van postcodes dan voor postbezorging) ten behoeve van andere instanties daarbij worden betrokken. Nieuwe Post brengt nu een en ander in kaart.
Klopt het dat de adressering Caribisch Nederland (nog) niet herkenbaar is voor de postbezorgingbedrijven en daardoor leidt tot het niet of met ernstige vertraging bezorgd worden van de post?
De Universal Postal Union (UPU) is begin oktober 2010 door mijn ministerie geïnformeerd over de staatkundige wijzigingen van de Nederlandse Antillen en de nieuwe benaming voor Bonaire, Sint Eustatius en Saba. Binnen het (internationale) UPU Post Code Systeem staan op dit moment alleen Bonaire, Sint Eustatius en Saba aangeduid als BES (de internationale adressing code voor de eilanden). Ik zal de UPU het verzoek doen in dit code systeem de benaming «Caribisch Nederland/Dutch Caribbean» toe te voegen en deze additionele benaming wereldwijd onder de postbezorgingbedrijven bekend te maken.
Er is nu sprake van een overgangssituatie waarin het mogelijk is dat er vertraging zal optreden met de bezorging van de post.
Ik zal tevens Nieuwe Post N.V. verzoeken om hun internationale klanten over deze wijziging te informeren om er voor te zorgen dat deze wijziging in hun systemen wordt doorgevoerd.
Wat is uw oordeel over het niet tijdig kunnen voldoen aan sancties of betalingsverplichtingen aan de Nederlandse overheid als gevolg van vertraagde bezorging? Hoe gaat u deze problematiek oplossen?
Voor zover mij bekend heeft het door u geschetste probleem zich nog niet voorgedaan. Mocht dit probleem zich onverhoopt toch voordoen dan zal ik voor dat specifieke geval bezien of rekening moet worden gehouden met de omstandigheid van de vertraagde bezorging.
Zoals aangegeven bij het antwoorden op de vragen twee en drie, zijn afspraken gemaakt om de kwaliteit van de postlevering te brengen op het niveau dat volgens de concessie is vereist en zullen de nodige stappen worden gezet om te komen tot bekendheid bij postleveringsbedrijven en klanten van de juiste adressering.
Ziet u mogelijkheden deze problematiek op korte termijn aan te pakken zodat de postbezorging op de eilanden weer op orde komt? Zo nee, waarom niet? Zo ja, welke stappen gaat u ondernemen?
Zoals aangegeven bij de antwoorden op de vragen drie en vier zal ik de UPU en de concessiehouder Nieuwe Post verzoeken meer bekendheid te geven aan de veranderde situatie met betrekking tot de BES-eilanden.
In zijn algemeenheid wil ik opmerken dat de kwaliteit van de postvoorziening op Caribisch Nederland voor verbetering vatbaar is. Dat was ook al zo toen de Nederlandse Antillen nog bestonden. Zoals gezegd zullen daarvoor de nodige stappen door Nieuwe Post moeten worden gezet.
Zijn er andere praktische problemen voor de bevolking van de BES-eilanden die zich voordoen dan wel worden voorzien ten gevolge van de nieuwe bestuurlijke verhouding? Zo ja, wat doet zich voor en wat wordt hiertegen ondernomen?
Ik verwijs u hiervoor kortheidshalve naar de passage «Caribisch Nederland» in de brief van de minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties (BZK) van 8 februari jl. (Kamerstuk 32 500 IV, nr. 30) waarin de minister van BZK ten aanzien hiervan een uiteenzetting geeft.
Het kiesrecht voor de Eilandsraad van niet-Nederlanders |
|
Gerard Schouw (D66), Wassila Hachchi (D66) |
|
Piet Hein Donner (minister binnenlandse zaken en koninkrijksrelaties) (CDA) |
|
|
|
|
Op welke wijze heeft u de desbetreffende verantwoordelijken in het Caribisch deel van het Koninkrijk formeel op de hoogte gebracht van de gevolgen van de uitspraak in de zaak Santana voor de verkiezingen van de eilandraad op 2 maart aanstaande?1
Het eilandsbestuur van Bonaire, dat immers partij was in deze zaak, heeft mij direct na de uitspraak (op 10 januari 2011) geïnformeerd en mij de uitspraak toegezonden. Nog dezelfde dag heeft het ministerie van BZK contact opgenomen met de ambtenaren die bij elk van de eilanden verantwoordelijk zijn voor de organisatie van de verkiezingen. Op dinsdag 11 januari 2011 heeft een videoconferentie plaatsgevonden met ambtenaren van het eiland Bonaire om na te gaan wat de gevolgen van de uitspraak zouden zijn en hoe met die gevolgen omgegaan zou kunnen worden. Sint Eustatius en Saba zijn op 10 januari van de uitspraak op de hoogte gesteld. Ook de dagen erna is er informatie verstrekt aan de ambtenaren van de openbare lichamen.
Het ministerie van BZK heeft, gelet op de uitspraak van het Hof, geregeld dat drie openbare lichamen de beschikking hebben gekregen over een update in de module verkiezingen van de PIVA om de juiste selectie van de kiesgerechtigden te kunnen maken. Tevens is gezorgd voor technische ondersteuning daarbij. De betreffende programmatuur is op 18 januari 2011 succesvol bij alle drie de openbare lichamen geïnstalleerd. Daarnaast is de brief die ik aan uw Kamer (Kamerstuk 2010–2011, nr 32 500 IV, nr. 25) heb gestuurd, via de Rijksdienst Caribisch Nederland, overhandigd aan de gezaghebbers.
Net als de gemeenten in Nederland ter voorbereiding op de provinciale statenverkiezingen hebben de bestuurscolleges van de openbare lichamen een circulaire ontvangen ter voorbereiding van eilandsraadsverkiezingen waarin ook wordt ingegaan op de gevolgen van de uitspraak Santana.
Op welke wijze worden alle EU-burgers en ook overige vreemdelingen van 18 jaar en ouder die meer dan vijf jaar onafgebroken legaal verblijven in Nederland (inclusief Bonaire, Saba en Sint-Eustatius) en die derhalve het recht hebben aan de eilandraadsverkiezingen deel te nemen indien zij ingezetenen zijn van het desbetreffende openbaar lichaam voor elk openbaar lichaam afzonderlijk tijdig achterhaald en geïnformeerd? Indien dit niet lukt, welke problemen voorziet u en wat gaat u hier aan doen?
Direct na bestudering van de uitspraak, te weten op 11 januari 2011, is geadviseerd om zo snel mogelijk een (aanvullende) publicatie uit te laten gaan over de kiesgerechtigheid voor de eilandsraadsverkiezingen (eerder was door de gezaghebbers al openbaar gemaakt wie kiesgerechtigd waren voor de komende eilandsraadverkiezingen). Een concept tekst voor een dergelijke publicatie is op 14 januari 2011 door het ministerie van BZK aan de betrokken ambtenaren van de drie openbare lichamen verstrekt.
Verder wordt aan de vraag wie kiesgerechtigd zijn aandacht besteed in voorlichtingscampagne die in mijn opdracht wordt uitgevoerd door de Rijksdienst voor Caribisch Nederland (RCN). Er zijn op alle eilanden meermalen in diverse bladen advertenties verschenen die kiezers er op wijzen dat zij, indien zij menen dat zij ten onrechte geen stempas hebben ontvangen, alsnog contact kunnen opnemen met de openbare lichamen om hun kiesgerechtigheid vast te stellen. Ook op de webpagina over de eilandsraadsverkiezingen van de RCN, in voorlichtingsprogramma’s over de verkiezingen op tv en in een huis aan huis verspreide folder komt dit punt aan de orde.
Is het waar dat de Persoonsinformatievoorziening Nederlandse Antillen en Aruba (PIVA) niet de verblijfstitel registreert? Indien dit niet het geval is, op welke wijze kan dan vastgesteld worden dat iemand vijf jaar onafgebroken in Nederland (inclusief de BES-eilanden) heeft verbleven? Zo nee, op welke wijze wordt beoordeeld of zij inderdaad stemgerechtigd zijn?
In de PIVA kan, net als in de Nederlandse GBA, de verblijfstitel geregistreerd worden. Vernomen is dat de eilandsbesturen van Saba en Sint Eustatius in het verleden deze categorie in de PIVA niet hebben ingevuld. Het eilandsbestuur is verantwoordelijk voor het vaststellen van de kiesgerechtigheid van vreemdelingen die zijn opgenomen in de bevolkingsadministratie. Dit kan men onder meer doen door terug te gaan naar de brondocumenten die men heeft overlegd bij inschrijving (inschrijving is immers alleen mogelijk indien de vreemdeling aantoont op dat moment rechtmatig op het eiland te verblijven), door de IND te raadplegen, danwel door zelf contact op te nemen met de betrokken vreemdelingen om na te gaan of deze over documenten beschikt op grond waarvan de kiesgerechtigheid kan worden vastgesteld.
Op welke wijze is de IND betrokken bij het achterhalen van de verblijfsstatus van een niet-Nederlander? Heeft de IND voldoende capaciteit om, waar nodig, de eilanden te ondersteunen in dit proces? Zo nee, welke stappen gaat u ondernemen om dit proces in goede banen te leiden?
Zoals hierboven aangegeven kan het eilandsbestuur dan wel de vreemdeling zelf, een beroep doen op de IND-unit Caribisch Nederland bij het achterhalen van de verblijfsgegevens. De vreemdeling die ooit een periode rechtmatig verblijf in het Europese deel van Nederland heeft gehad, kan door tussenkomst van de IND-unit Caribisch Nederland een beroep doen op de IND in Nederland, unit Nationaliteit en Naturalisatie. Deze persoon moet zich wenden tot de IND-unit Caribisch Nederland om een verzoek om een bericht omtrent toelating in te dienen. De IND-unit Caribisch Nederland zal vervolgens dit verzoek doorsturen naar de IND in Nederland, unit Nationaliteit en Naturalisatie.
De IND heeft voldoende capaciteit om de eilanden te ondersteunen in dit proces uitgaande van een gering aantal van dit soort verzoeken.
Bent u van mening dat de niet-Nederlanders voldoende tijd hebben gehad zich te organiseren in partijvorm en zichzelf verkiesbaar te stellen, gezien het feit dat de uitspraak van het Hof op 10 januari plaatsvond en de termijn om aanspraak te maken op het passief kiesrecht 18 januari verliep? Zo nee, hoe beoordeelt u de geldigheid van de eilandsraadverkiezingen in het geval deze wordt aangevochten?
De uitspraak van het Hof heeft alleen betrekking op het actieve kiesrecht en heeft tot gevolg dat artikel Ya 14 Kieswet over het actieve kiesrecht buiten toepassing moet worden gelaten. De regeling met betrekking tot het passieve kiesrecht die vastligt in artikel 11 van de Wolbes is door de uitspraak niet gewijzigd. Dit betekent dat alleen Nederlanders zitting kunnen nemen in de eilandsraad. Uitsluitend de zittende eilandsraad, in het kader van het geloofsbrievenonderzoek van de nieuw gekozen leden, kan oordelen over de geldigheid van de eilandraadsverkiezingen (artikel V 4, eerste lid Kieswet).
Kunt u aangeven hoeveel niet-Nederlanders die nu alsnog kiesgerechtigd zijn, Spaanstalig zijn?
De bevolkingsadministratie bevat slechts gegevens over de nationaliteit van kiesgerechtigden, niet over hun taalvaardigheid. De eilandsbesturen van Saba en Sint Eustatius hebben mij laten weten dat Saba momenteel 923 kiesgerechtigden telt waarvan naar schatting 80 Spaanstalig, Sint Eustatius telt 2 135 kiesgerechtigden waarvan naar schatting 200 Spaanstalig. Ik kan niet aangeven waarop de eilandsbesturen deze schatting hebben gebaseerd. Bonaire telt 10 154 kiesgerechtigden, waarvan 157 uit landen van de Europese Unie en 197 overige vreemdelingen. Bonaire geeft aan niet in te kunnen schatten hoeveel van hen Spaanstalig zijn.
Wat is uw mening over het feit dat vrijwel alle voorlichting over de verkiezingen plaatsvindt in het Nederlands, Engels en Papiaments?
De voorlichtingscampagne die in mijn opdracht door de RCN wordt uitgevoerd, is in het Nederlands, Engels en Papiaments. Ik breng in herinnering dat in het kader van het wetsvoorstel tot wijziging van de Kieswet (Kamerstukken 2008–2009, nr 31 956, nr 3) is besloten om de informatie voor kiezers over de wijze van stemmen ook te verstrekken in het Papiaments en het Engels. Ik wijs u er op dat de rijksvoorlichtingscampagne voor de Nederlandse gemeenteraadsverkiezingen, waarbij ook niet-Nederlanders kiesgerechtigd zijn, uitsluitend in het Nederlands is.
Overigens staat het de eilandsbesturen volledig vrij om voorlichting te geven over de verkiezingen in andere talen.
Kunt u aangeven welke verschillen – zoals de verkiezingsdag en de openingstijden van de stembureaus – bestaan tussen de wijze waarop de afgelopen verkiezingen werden georganiseerd en de komende eilandsraadverkiezingen?
Uitgangspunt bij het wetgevingsproces, waar uw Kamer mee heeft ingestemd, is geweest dat de Nederlandse Kieswet integraal van toepassing zou zijn en dat alleen waar dit op grond van artikel 1, tweede lid van het Statuut is toegestaan, afwijkingen mogelijk zijn. Dergelijke afwijkingen zijn op grond van dit artikel alleen mogelijk met het oog op de economische en sociale omstandigheden, de grote afstand tot het Europese deel van Nederland, het insulaire karakter, het kleine oppervlakte, de bevolkingsomvang, de geografische omstandigheden, het klimaat en andere factoren waardoor deze eilanden zich wezenlijk onderscheiden van het Europese deel van Nederland.
Als gevolg hiervan worden de kiezers in Bonaire, Saba en Sint Eustatius geconfronteerd met wijzigingen, zoals andere openingstijden, een andere dag van stemming, het gebruik van de stempas, de noodzaak tot registratie van politieke partijen, het niet verstrekken van het kiezersregister aan politieke partijen, het stemmen in een willekeurig stemlokaal, de mogelijkheid om schriftelijke en onderhandse volmachten te geven en het afwijkende stembiljet. In de memorie van toelichting bij het voorstel tot wijziging van de Kieswet (Kamerstukken 2008–2009, nr 31 956, nr 3) is het feit dat er wijzigingen zouden gaan optreden uitdrukkelijk behandeld.
Welke gevolgen verwacht u dat deze verschillen zullen hebben? Hoe beoordeelt u deze?
De veranderingen zijn het gevolg van het feit dat de Kieswet integraal van toepassing is verklaard op de eilandsraadsverkiezingen. Alle verkiezingen, dus ook de verkiezing van de eilandsraden, worden door het ministerie van BZK geëvalueerd. De uitkomsten van deze evaluatie zal ik, samen met de uitkomst van de evaluatie van de verkiezingen van provinciale staten, aan de Kamer doen toekomen.
Is het waar dat het op de eilanden gebruikelijk was logo’s, kleuren en foto’s toe te staan op de verkiezingsbiljetten – mede in verband met het grote aantal laaggeletterden – maar dat dit nu niet het langer is toegestaan in verband met Nederlandse wetgeving?
Ja. Ik memoreer dat dit punt ook aan de orde is geweest in het Algemeen Overleg van 9 december 2010 over de inrichting van het verkiezingsproces. We hebben onder meer gesproken over het voorgenomen onderzoek naar een nieuw model stembiljet. Ik heb toen (zie pagina 21 van het verslag van het AO) aangegeven dat het vorige kabinet al had geconstateerd dat foto’s en logo’s een middel kunnen zijn om het laaggeletterden mogelijk te maken om zonder hulp te stemmen. In Caribisch Nederland werd daar al gebruik van gemaakt, maar op grond van de huidige Kieswet is het gebruik van logo’s, kleuren en foto’s niet mogelijk.
Deelt u de mening dat dit grote veranderingen zijn en dat die niet het gevolg zijn van veranderde omstandigheden op deze eilanden?
Bent u bereid te bezien op welke wijze – binnen het huidig wettelijk kader – aan deze bezwaren tegemoet kan worden gekomen? Zo nee, waarom niet?
Hoe worden deze verkiezingen geëvalueerd? Worden deze verkiezingen ook gemonitord?
Bent u bereid op basis van het verloop van deze verkiezingen – indien nodig – het vigerend wettelijk kader aan te passen om tegemoet te komen aan evidente knelpunten?
Bent u bereid, gezien de korte termijn tot de verkiezingen, deze vragen voor het Krokusreces te beantwoorden?
Het was niet mogelijk het antwoord binnen de gestelde termijn te geven omdat voor het antwoord op vraag 6 informatie moest worden ingewonnen bij de openbare lichamen.
De teruggeleiding van een meisje naar Guatemala |
|
Nine Kooiman (SP) |
|
Fred Teeven (staatssecretaris justitie en veiligheid) (VVD) |
|
|
|
|
Kent u de zaak van de 9-jarige Dana, die is teruggeleid naar Guatemala maar daar kennelijk niet is aangekomen?1
Deze zaak is mij bekend. Mijn informatie is dat Dana op 7 februari 2011 in gezelschap van haar vader naar Guatemala is gereisd en daar is aangekomen. Na een beslissing van de Guatemalteekse rechter daartoe, woont Dana nu voorlopig bij haar vader in afwachting van de resultaten van het onderzoek door de Guatemalteekse kinderbescherming.
Kunt u zich de gevoelens van de met het gezag belaste moeder voorstellen? Wat gaat u doen om Dana op te sporen? Welke inspanningen levert de Centrale Autoriteit momenteel om het meisje op te sporen en het gezag met de moeder te herstellen?
Zie antwoord vraag 1.
Op welke wijze heeft de Centrale Autoriteit de beoordeling gemaakt of er sprake kan zijn van een verantwoorde en veilige terugkeer van het meisje naar Guatemala? Welke waarborgen zijn hiertoe gesteld?
Ingevolge het Haags Kinderontvoeringsverdrag (HKOV) moet elk verdragsland een centrale autoriteit aanwijzen die is belast met de uitvoering van de doelstelling van het verdrag en tot wie men zich kan wenden in gevallen van kinderontvoering. Een centrale autoriteit neemt geen beslissingen. Het is de rechter die aan de hand van de criteria genoemd in dit verdrag, beslist of een kind moet worden teruggeleid naar het land waar vanuit het ongeoorloofd is meegenomen. In deze concrete zaak heeft de Nederlandse rechter in eerste aanleg en in hoger beroep na afweging van alle aangevoerde argumenten besloten tot het geven van een bevel tot teruggeleiding van Dana naar Guatemala. De situatie in Guatemala is in de verschillende gerechtelijke procedures expliciet aan de orde geweest. Steeds is geoordeeld dat deze situatie niet zo onveilig is dat de terugkeer van Dana daarom niet zou kunnen plaatsvinden.
Waarom heeft de Centrale Autoriteit zich op het standpunt gesteld dat Dana met de vader naar Guatemala diende terug te keren, terwijl Dana in Guatemala niet bij de vader verbleef?
Zie antwoord vraag 3.
Hoe kan het dat het ministerie van Buitenlandse Zaken een negatief reisadvies geeft voor Guatemala, maar dat een 9-jarig meisje toch naar dit land wordt teruggeleid waar zij al eens een gewapende overval heeft meegemaakt en niet veilig over straat kan?2
Zie antwoord vraag 3.
Hoe verloopt de samenwerking tussen de Nederlandse Centrale Autoriteit en de Centrale Autoriteit in Guatemala?
Goed.
Op welke wijze heeft de Centrale Autoriteit zich tot nu toe ingespannen om vast te stellen waar het kind zich bevindt en welke maatregelen zijn genomen om te voorkomen dat het kind aan gevaren is blootgesteld zoals voorgeschreven in artikel 7 onder a en b van het Haags Kinderontvoeringsverdrag?
Conform artikel 7, tweede lid, onder a en b, HKOV zijn voor de duur van het verblijf van het meisje in Nederland, maatregelen genomen om het belang van het meisje te waarborgen. De rechtbank te Utrecht heeft op 3 januari 2011 geoordeeld dat er gevaar bestond dat Dana zou worden onttrokken aan de tenuitvoerlegging van het eerder gegeven rechterlijke teruggeleidingsbevel. Daarom is de Stichting Bureau Jeugdzorg Utrecht belast met de voorlopige voogdij over Dana. Blijkens de uitspraak van de rechtbank heeft daarbij meegespeeld dat de moeder Dana na de eerdere terugkeer (in maart 2010) vanwege een teruggeleidingsbevel, nogmaals ongeoorloofd naar Nederland heeft overgebracht. Voorts heeft de moeder zich niet gehouden aan de in de beschikking d.d. 10 december 2010 opgenomen afspraken die de ouders onderling hadden gemaakt over de omgang tussen Dana en haar vader in december 2010.3 Bureau Jeugdzorg heeft als voogd ervoor zorggedragen dat genoemd teruggeleidingsbevel ten uitvoer is gelegd. Dana en haar vader zijn zoals gezegd op 7 februari 2011 samen naar Guatemala gereisd. Nu Dana weer in Guatemala verblijft, zijn de Guatemalteekse autoriteiten verantwoordelijk voor haar welzijn. Zoals aangegeven is mij bekend dat de kinderbescherming in Guatemala thans onderzoek doet naar de situatie.
Heeft de Centrale Autoriteit in Guatemala gecontroleerd of laten controleren of de vader tegen de moeder nieuwe procedures heeft aangespannen? Zo nee, waarom niet?
Tijdens de gerechtelijke procedures in Nederland, zijn de lopende procedures en de stand van zaken in Guatemala uitdrukkelijk aan de orde gekomen. De rechter heeft het besprokene in aanmerking genomen in zijn beoordeling van de zaak.
Welke afspraken zijn er vooraf gemaakt om de teruggeleiding naar Guatemala veilig en verantwoord te laten plaatsvinden?
Zie antwoord vraag 7.
Zijn er door de Centrale Autoriteit vooraf goede afspraken gemaakt over gezag en omgang? Zo nee, waarom niet? Zo ja, hoe wordt er voor gezorgd dat deze afspraken ook worden nagekomen?
Voorafgaande aan de terugkeer van minderjarigen kunnen ouders een beroep doen op de hulp en assistentie van de Nederlandse Centrale autoriteit als het gaat om de voorwaarden rondom een «safe return». Daar hoort ook bij het maken van afspraken rondom de – voorlopige – omgang tussen het kind en beide ouders direct na terugkeer. In de onderhavige casus hebben de ouders die hulp niet gevraagd, omdat die vooraf niet nodig leek. Nu de ouders na terugkeer in Guatemala het niet eens zijn over gezag en omgang, is het de Guatemalteekse rechter tot wie zij zich moeten wenden, omdat het meisje daar haar gewone verblijfplaats heeft.
Bent u bereid deze vragen, gelet op het spoedeisende karakter, zo spoedig mogelijk te beantwoorden? «Niet-essentiële reizen worden ontraden. Er geldt een verhoogd veiligheidsrisico voor het hele land. Stel uzelf de vraag of een reis naar dit land verantwoord en noodzakelijk is.»
Ja.
De brugsimulator voor het Koninklijk Instituut voor de Marine |
|
Wassila Hachchi (D66) |
|
|
|
|
Zijn er onomkeerbare stappen genomen in de aanschafprocedure van de brugsimulator voor het Koninklijk Instituut voor de Marine, die naar verwachting eind 2012 in gebruik zal zijn?
De brugsimulatoren voor het Koninklijk Instituut voor de Marine worden in overeenstemming met de reguliere verwervingsprocedures bij Defensie aangeschaft. De procedure is nagenoeg voltooid. Vanwege de geldigheidstermijn van het aanbod in de offerte is de tekening van het contract op korte termijn voorzien.
Klopt het dat de tenderspecificatie voor de brugsimulatoren 472 eisen stelt, en daarmee de trainingseisen van de International Maritime Organisation (IMO) ver overschrijdt? Zo ja, waarom heeft u gekozen voor aanvullende eisen?
De brugsimulatoren zullen niet alleen worden gebruikt voor de opleiding en training van militairen om veilig te kunnen varen in overeenstemming met de civiele eisen van de International Maritime Organisation (IMO). De simulatoren zullen ook worden gebruikt voor trainingen ten behoeve van militaire operaties. Hiervoor gelden aanvullende eisen.
Bent u van mening dat een simulator, conform de eisen van het IMO, goedkoper kan worden aangeschaft als Defensie uitwijkt naar alternatieven voor de simulatoren waar zij zich nu op richt?
Zie antwoord vraag 2.
Kunt u een overzicht geven van alle openbare informatie omtrent de aanbestedingsprocedure, en uw bijbehorende keuzes?
De aanbestedingsprocedure is begonnen met een openbaar verzoek tot informatie (Request for Information) waarin een algemene omschrijving van de behoefte was opgenomen. Omdat de uitvoering van het project bijzondere veiligheidsmaatregelen vereist, is de opdracht niet Europees aanbesteed. Dit is in overeenstemming met de regelgeving op dit gebied.
Defensie heeft een selectie uitgevoerd op grond van zowel civiele als militair-operationele criteria. Alle deelnemers aan de aanbestedingsprocedure waren van deze criteria op de hoogte. Uiteindelijk heeft Defensie gekozen voor de aanbieder met de economisch meest voordeligste inschrijving, die bovendien voldoet aan de eisen van Defensie.
De aanbevelingen in het rapport van de Commissie Davids |
|
Frans Timmermans (PvdA) |
|
|
|
|
Bent u van plan een onafhankelijk juridisch adviseur op uw ministerie aan te stellen die niet vaker dan gemiddeld twee keer per jaar voor gemiddeld vijf dagen werkzaamheden zal verrichten, zoals vermeld in de advertentie met de vacature in het Nederlands Juristenblad?
Om inhoud te geven aan aanbeveling 22 van de Commissie Davids zal ik waarborgen dat volkenrechtelijke adviezen mij rechtstreeks toegezonden worden, zodat deze volledig meegewogen kunnen worden in de besluitvorming over kwesties waar volkenrechtelijke aspecten aan de orde zijn. Twee medewerkers van de directie juridische zaken zullen als juridische adviseurs op volkenrechtelijk gebied zonder instructies of aanwijzingen, gevraagd of ongevraagd, rechtstreeks aan mij kunnen adviseren over volkenrechtelijke vraagstukken, overeenkomstig de rol van de «legal advisers» op ministeries van Buitenlandse Zaken in andere landen (de Verenigde Staten, het Verenigd Koninkrijk, Duitsland, Frankrijk, de Scandinavische landen).
Daarnaast wil ik mij voorzien van de mogelijkheid om in belangrijke volkenrechtelijke kwesties een «second opinion» te vragen aan een externe volkenrecht deskundige. Deze externe adviseur kan in voorkomende gevallen snel adviseren en aldus een mogelijk «gat» vullen tussen de interne adviezen en de zeer gewaardeerde adviezen van de Commissie van Advies inzake Volkenrechtelijke Vraagstukken (CAVV), die vanwege de aard van dit college een langere aanlooptijd hebben. Daar gaat het om in de betreffende advertentie. Deze externe volkenrecht deskundige zal adviezen uitbrengen al naar gelang de door hem getaxeerde behoefte. Ik heb inmiddels overleg gevoerd met de CAVV over de selectie van de externe volkenrecht deskundige.
Zo ja, acht u deze taakinvulling in lijn met de aanbeveling terzake in het rapport van de Commissie Davids?
Zie antwoord vraag 1.
Zo ja, hoe is dat te rijmen met de eerdere toezeggingen aan de Kamer dat de aanbevelingen geheel zouden worden uitgevoerd?
Zie antwoord vraag 1.
Hoe kan een onafhankelijk juridisch adviseur waarop slechts sporadisch een beroep zal worden gedaan, bijdragen aan een geheel nieuwe invulling van de rol van het juridisch advies op Buitenlandse Zaken, zoals dit door uw ambtsvoorganger aan de Kamer is toegezegd?
Zie antwoord vraag 1.
Zou het niet veeleer voor de hand liggen dat er een duidelijke waterscheiding wordt aangebracht tussen de wezenlijk verschillende rollen – enerzijds «bedrijfsjurist», anderzijds «onafhankelijk volkenrechtdeskundige» – die de juridische adviseurs bij Buitenlandse Zaken dienen te vervullen?
Door het advies van de juridische adviseurs rechtstreeks aan mij te laten richten bereik ik naar mijn mening de kern van wat de Commissie Davids beoogde. Door de mogelijkheid van een externe volkenrechtelijke «second opinion» in het leven te roepen van buiten het ministerie bouw ik extra zekerheid in naast de CAVV.
Zo ja, dienen beide functies dan niet ook wat betreft status, invulling, ondersteuning en tijdsbeslag zo niet geheel gelijkwaardig, dan toch vergelijkbaar te zijn? Zo nee, waarom niet?
Zie antwoord vraag 5.
Bent u bereid over deze en andere elementen van de uitvoering van de aanbevelingen van de Commissie Davids op korte termijn met de Kamer in overleg te treden, op basis van nadere informatie over uw concrete plannen?
Ik zal de Tweede Kamer nader informeren over de wijze waarop de externe advisering zal worden ingevuld en ben gaarne bereid om over de uitvoering van de aanbevelingen van de Commissie Davids met uw Kamer overleg te voeren.
Het project 'Schoolwacht' |
|
Ger Koopmans (CDA), Jack Biskop (CDA) |
|
|
|
|
|
|
|
Bent u bekend met het project «Schoolwacht» van het Bisschoppelijk College te Weert1 dat jongeren traint om op hun eigen school een rol te spelen bij het onderhouden van regels op de eigen school? Bent u ervan op de hoogte dat dit project wordt gebruikt als invulling van de maatschappelijke stage?
Hoe beoordeelt u de volgende tekst op de website van de school: «Deelname aan schoolwacht telt als maatschappelijke stage. Hiermee komt de verplichte externe maatschappelijke stage te vervallen (vanaf schooljaar 2011–2012)?1
Bent u van oordeel dat het invullen van de maatschappelijke stage binnen de muren van de school en gericht op de eigen schoolorganisatie tegemoet komt aan de bedoeling van de maatschappelijke stage, zoals deze door u tot nu toe is uitgedragen?
Wordt naar uw oordeel de beschikbaar gestelde subsidie op deze manier doelmatig en effectief besteed? Zo niet, op welke wijze kunt u dit aanpakken?
Kunt u bevestigen dat op de genoemde website, maar ook op informatiedragers van andere deelnemers aan het project «Schoolwacht», wordt gesproken over een goedkeuring van het project als maatschappelijke stage door uw ministerie? Waaruit bestaat deze goedkeuring? Worden ook andere projecten ter goedkeuring voorgedragen? Welke criteria worden gehanteerd voor goedkeuring? Op basis waarvan wordt de bekostiging afhankelijk gesteld van de goedkeuring?
Bent u ervan op de hoogte dat in Weert de maatschappelijk stage op gemeentelijk niveau wordt omarmd als een manier om jongeren in contact te brengen met vrijwilligerswerk? Brengt een project als «Schoolwacht» volgens u dit uitgangspunt niet in gevaar? Welke mogelijkheden heeft de gemeente om hierin coördinerend op te treden?
Het diversiteitsbeleid en multiculturalisme bij Defensie |
|
Marcial Hernandez (PVV) |
|
|
|
|
Bent u bekend met het bericht dat de Koninklijke Marechaussee vorige maand de jaarlijkse diversiteitsprijs heeft uitgereikt aan een individu voor het bevorderen van diversiteit en multiculturalisme bij de KMAR?1
Ja.
Kunt u aangeven hoe de uitreiking van deze prijs zich verhoudt met de toezegging dat u het diversiteitsbeleid bij Defensie zult beëindigen? Zo nee, waarom niet?
Met mijn brief van 9 februari jl. (Kamerstuk 32 500 X, nr. 84) heb ik de Kamer geïnformeerd over de beëindiging van het diversiteitbeleid. In deze brief heb ik uiteengezet dat er onder andere geen streefcijfers meer worden gehanteerd voor de in- en doorstroom van vrouwen en etnisch-culturele minderheden. Voorts heb ik naar voren gebracht dat het belangrijk is dat iedereen bij Defensie kan werken zonder zich bedreigd of gediscrimineerd te voelen. Bij de Koninklijke marechaussee wordt de diversiteitsprijs gebruikt om activiteiten die bijdragen aan een sociaal veilige werkomgeving te belonen. Andere operationele commando’s kennen een dergelijke prijs niet. Ik wil het beleid ter zake van een sociaal veilige werkomgeving voortzetten. In overeenstemming met het Regeerakkoord zullen diversiteit en multiculturalisme daarin geen centrale rol innemen. Daarbij past de beëindiging van het toekennen van een prijs op dit gebied.
Hebben de andere krijgsmachtdelen ook dergelijke prijzen? Zo ja, welke?
Zie antwoord vraag 2.
Bent u bereid een einde te maken aan deze diversiteitsprijzen bij de krijgsmachtdelen of te vervangen door prijzen waarbij individuen die bijzondere prestaties leveren voor Defensie centraal staan en niet wordt gekeken naar diversiteit of multiculturalisme? Zo nee, waarom niet?
Zie antwoord vraag 2.
Op welke wijze is de Stichting Multicultureel Netwerk Defensie, die in 2003 officieel is erkend door de toenmalige staatssecretaris van Defensie, betrokken bij het ministerie van Defensie? Krijgt deze stichting subsidie van de overheid? Zo ja, hoeveel?
De Stichting Multicultureel Netwerk Defensie (MND) maakt geen deel uit van Defensie. Met deze stichting overlegt Defensie, evenals met de Stichting Homoseksualiteit en Krijgsmacht en het Defensie Vrouwennetwerk en andere organisaties van defensiepersoneel over beleid dat bijdraagt aan een sociaal veilige werkomgeving. In de begroting van Defensie voor 2011 is ondermeer een subsidie opgenomen van € 10 000 voor het MND. Bij het opstellen van de begroting voor 2012 wordt deze subsidie heroverwogen.
Bent u ervan op de hoogte dat belangrijke doelstellingen van dit netwerk, te weten het optimaliseren van het draagvlak voor een multiculturele Defensieorganisatie en het leveren van een bijdrage aan diversiteit binnen de Defensieorganisatie vanuit een multiculturele invalshoek, strijdig zijn met het regeerakkoord?
Zie antwoord vraag 5.
Bent u bereid de officiële erkenning van deze stichting ongedaan te maken en eventuele subsidies te beëindigen? Zo nee, waarom niet?
Zie antwoord vraag 5.
Bezuinigingen bij het Rijk |
|
Pierre Heijnen (PvdA) |
|
Piet Hein Donner (minister binnenlandse zaken en koninkrijksrelaties) (CDA) |
|
|
|
|
Kent u het bericht «Rijk snoeit nog forser»?1
Ja.
Is het waar dat de overheid veel ingrijpender gaat reorganiseren dan tot nu toe bekend was? Zo ja, hoeveel ingrijpender? Zo nee, wat is er dan niet waar aan dit bericht?
Nee. De voornemens om te komen tot een compacte rijksdienst geven invulling aan de taakstelling uit het regeerakkoord onder het kopje «kleinere overheid».
Gaan ten gevolge van – nog niet bekende kabinetsplannen – naast tienduizenden banen bij het Rijk inderdaad ook nog eens duizenden banen bij uitvoeringsinstanties in het land verloren? Zo ja, over hoeveel gaat dit en op welke wijze worden die banen geschrapt?
De aan de taakstelling voor het rijk verbonden bedragen zijn verdeeld over de ministeries en meerjarig ingeboekt. De ministeries zullen hun taakstellingen uitwerken in departementale plannen, waarin zij aangeven welke gevolgen zij aan de taakstelling verbinden. De genoemde uitvoeringsorganisaties maken deel uit van het Rijk en daarmee ook van het bereik van de taakstelling. In het programma Compacte Rijksdienst zijn voorstellen uitgewerkt om op een aantal terreinen te komen tot een ontdubbeling van uitvoering en toezicht.
Waarom is de voor uiterlijk januari van dit jaar toegezegde nota «Compacte Rijksdienst: Uitvoeringsprogramma» nog niet naar de Kamer gestuurd? Kan dit per ommegaande alsnog gebeuren? Zo nee, waarom niet?
Ik heb deze nota op 14 februari 2011 aan de Tweede Kamer der Staten-Generaal aangeboden. Publiciteit daarover was aanleiding voor het krantenbericht.
Houdt u bij de reorganisaties rekening met de aangenomen motie-Heijnen en De Pater-van der Meer2 waarin wordt verzocht bij de vernieuwing van de rijksdienst rekening te houden met de economische situatie in de krimpgebieden? Zo ja, op welke wijze? Zo nee, waarom niet?
In haar brief aan de Tweede Kamer van 16 september 2009 (TK, 2009–2010, 26 991, nr. 272) heeft de voormalige minister van BZK het kabinetsbeleid wat betreft de locatiekeuze van organisaties van het rijk uiteengezet. Dit beleid houdt in dat – waar mogelijk – rekening wordt gehouden met de regionale werkgelegenheidssituatie, maar dat het belang van een efficiënte bedrijfsvoering en een optimale dienstverlening aan de burger voorop staan. Dit is ook het beleid van het huidige kabinet. Het kabinet heeft dus oog voor het belang van werkgelegenheid in de zogeheten krimpgebieden, maar bij het streven om tot een kleinere en beter georganiseerde rijksoverheid te komen, past het niet om organisatieonderdelen van het rijk in krimpregio’s te vestigen of handhaven, louter om redenen van werkgelegenheid.
Op basis van dit uitgangspunt wordt bij reorganisaties in de rijksdienst rekening gehouden met de genoemde motie van de leden Heijnen en De Pater-van der Meer.
Wanpraktijken bij het verlengen van hypotheken |
|
Ewout Irrgang (SP), Paulus Jansen (SP) |
|
Jan Kees de Jager (minister financiën) (CDA) |
|
|
|
|
Heeft u kennisgenomen van het artikel «Acties tegen hoge hypotheekrente»1 en kloppen de in het artikel beschreven feiten?
Ik heb kennis genomen van het artikel. De Nederlandse Mededingingsautoriteit (NMa) heeft een quick scan uitgevoerd naar de hoogte van de hypotheekrentes. Momenteel onderzoekt de NMa in een tweede onderzoek meer diepgaand de concurrentie op de hypotheekmarkt. Mijn collega van Economische Zaken, Landbouw en Innovatie zal u beide onderzoeken toesturen zodra dit tweede onderzoek is afgerond. De NMa heeft in de quick scan geconcludeerd dat de marges na medio 2009 hoog zijn in zowel historisch als internationaal perspectief. De NMa stelt dat deze conclusie geldt voor zowel hypotheken met een variabele rente als voor hypotheken met een langere rentevaste periode. Mijn collega van Economische Zaken, Landbouw en Innovatie en ik verwachten over meer informatie te beschikken zodra de NMa beide delen van haar onderzoek heeft afgerond.
Zoals eerder aangegeven vormen de eerste uitkomsten van de quick scan wel reeds een serieus signaal. Ik ben daarom alvast in overleg met verschillende partijen om te bezien hoe er opvolging zou kunnen worden gegeven aan deze signalen en tegelijk zal voor meer definitieve conclusies het tweede onderzoek betrokken moeten worden.
Staat er een wettelijke termijn voor het uiterste moment waarop hypotheekverstrekkers bij het aflopen van de rentevaste periode een aanbieding moeten doen voor een nieuwe termijn? Zo nee, onderschrijft u de stelling van Vereniging Eigen Huis dat een zeer laat moment – bv. twee weken voor het aflopen van de termijn- de hypotheeknemer onvoldoende gelegenheid geeft om de aanbieding af te wegen tegen alternatieven en zo nodig te besluiten om over te stappen? Wat zou naar uw mening een redelijke termijn zijn voor het afwegen van een aanbieding voor contractverlenging? Bent u bereid om dit bij wet of anderszins te regelen?
Ik vind het belangrijk dat consumenten indien zij dat willen, kunnen overstappen naar een andere aanbieder. In het tweede deel van het onderzoek dat de NMa momenteel uitvoert naar de hypotheekmarkt zal ook worden gekeken naar de tarieven die banken hanteren voor de verschillende klanten en de aanwezigheid van mogelijke overstapdrempels. Er zal na weging van de resultaten van het onderzoek worden bekeken of extra maatregelen op dit terrein noodzakelijk zijn.
Het is aan hypotheekverstrekkers zelf om hun tarieven te bepalen. Hierbij speelt bijvoorbeeld de inschatting van de risico’s voor de bank een grote rol. Het is voorts aan de consument om te bepalen bij welke aanbieder hij het contract naar keuze onder de gunstigste voorwaarden kan afnemen. Ik hecht er daarbij wel aan dat consumenten voldoende inzicht hebben in het hypothecaire krediet. Ik ben hierover in gesprek met de AFM.
Is het toegestaan dat banken bij het verlengen van een hypotheek een rente-aanbieding doen die hoger2 ligt dan bij nieuwe klanten (die overigens eenzelfde risicoprofiel hebben)? Zo ja, is dit naar uw mening strijdig met het beginsel «gelijke monniken, gelijke kappen»? Zo nee, onderschrijft u dat kortingen – en het vervallen van kortingen bij verlenging van een hypotheekcontact – beter zichtbaar moet worden gemaakt voor de klant? Zo ja, hoe zou dit naar uw oordeel moet gebeuren?
Zie antwoord vraag 2.
Het bericht dat de ophokuren voor scholieren in het voortgezet onderwijs nog steeds bestaan |
|
Manja Smits (SP) |
|
Marja van Bijsterveldt (minister onderwijs, cultuur en wetenschap) (CDA) |
|
|
|
|
Wat is uw reactie op het bericht «Nog steeds veel ophokuren op middelbare scholen»?1
Zie mijn antwoorden op de volgende vragen en de antwoorden op de vragen van het lid Beertema (PVV) (Aanhangsel Handelingen, vergaderjaar 2010–2011, nr. 1631) over hetzelfde onderwerp.
Hoe kan het dat middelbare scholieren nog steeds twee volle weken aan ophokuren per jaar hebben, waarbij leerlingen een verplicht lesuur krijgen zonder les of actieve begeleiding»?
«Zinloze uren» of «ophokuren» zijn niet hetzelfde als zelfstandig werken. De inspectie heeft in het Beoordelingskader onderwijstijd helder gedefinieerd waar «zelfstandig werken» aan moet voldoen om mee te mogen tellen als onderwijstijd. Zo kan zelfstudie waarbij begeleiding door een leraar beschikbaar is, een goede invulling van de onderwijstijd zijn. Dit kan door leerlingen echter ook worden ervaren als «ophokuur». Het is niet te vermijden dat onderdelen van het programma door leerlingen als minder inspirerend worden ervaren dan andere onderdelen. Dat wil echter niet per definitie zeggen dat de kwaliteit van het onderwijs niet op orde is.
Waarom heeft de onderwijsinspectie niet eerder alarm geslagen over deze lege lesuren? In hoeverre houdt de inspectie toezicht op de invulling van de lesuren, naast toezicht op de droge urennorm?
De Inspectie rapporteert jaarlijks of scholen voldoende onderwijs van goede kwaliteit realiseren. Daarbij gaat het niet alleen over het aantal uren, maar ook over de invulling ervan: om mee te tellen als onderwijstijd moeten onderwijsactiviteiten aan bepaalde kwaliteitscriteria voldoen. Het inspectierapport over schooljaar 2008/2009 is op 17 maart 2010 aan uw Kamer gezonden, het rapport over schooljaar 2009/2010 wordt binnenkort aangeboden.
Of er al dan niet sprake is van «lege lesuren» is ook een kwestie van definitie. De inspectie heeft in het Beoordelingskader onderwijstijd helder gedefinieerd waar «zelfstandig werken» aan moet voldoen om mee te mogen tellen als onderwijstijd. Als een onderwijsactiviteit niet aan deze definitie voldoet, telt deze niet mee als onderwijstijd. Het is niet uit te sluiten dat dergelijke activiteiten worden aangeboden boven 1000 uur onderwijstijd die wel voldoet aan de kwaliteitscriteria. Daarover geeft het LAKS-onderzoek geen uitsluitsel.
In hoeverre heeft u zich de scholierenprotesten van drie jaar terug aangetrokken, waarbij leerlingen hun onvrede uitten over de lege lesuren die gepaard gingen met de strenge urennorm die u koste wat kost heeft ingevoerd?
Deze scholierenprotesten waren voor mij destijds mede de aanleiding om de Commissie Onderwijstijd onder voorzitterschap van de heer Cornielje in te stellen. De aanbevelingen van deze commissie zijn overgenomen in het Wetsvoorstel onderwijstijd VO dat thans aanhangig is bij uw Kamer. Kernpunten van dit wetsvoorstel zijn dat leerlingen recht hebben op voldoende onderwijstijd van goede kwaliteit, en dat leerlingen (en hun ouders) op schoolniveau inspraak hebben bij de invulling van de onderwijstijd: zij moeten er via de medezeggenschap mee instemmen. Zo kunnen leerlingen scholen aanspreken op de manier waarop de onderwijstijd wordt ingevuld en scholen zodoende «bij de les» houden.
Deelt u de mening dat deze lege ophokuren niets toevoegen aan de kwaliteit van het onderwijs?
Als er sprake is van lege ophokuren, dan voegen deze inderdaad niets toe aan de kwaliteit van het onderwijs.
Onderschrijft u de door het Landelijk Aktie Komitee Scholieren (Laks) gevonden cijfers dat havisten gemiddeld 94 ophok-uren, vwo'ers 80 uur en vmbo'ers 60 uur per jaar moeten bijwonen? Zo nee, wat is volgens u het juiste getal?
Ik heb kennis genomen van de uitkomsten van dit onderzoek en genoemde cijfers.
Wat is de reden dat de loze ophokuren in de havo het meest voorkomen, namelijk 95 lesuren (bijna 8% van de van de verplichte urennorm van 1000 klokuren)? Wat zegt dit over de kwaliteit van het havo-onderwijs?2
Het LAKS-onderzoek geeft hiervoor geen verklaring. Over de kwaliteit van het onderwijs kom ik binnenkort met u te spreken naar aanleiding van het Onderwijsverslag van de Inspectie.
Wat is uw reactie op de uitspraak van de rector van het Bataafs Lyceum in Hengelo: «Graag zou ik de reguliere lessen uitbreiden, zeker nu de exameneisen verhoogd zijn? Dit kan nu echter alleen ten koste van andere vakken, want er is te weinig geld beschikbaar.»? Deelt u zijn analyse dat het aantal ophokuren niet is terug te dringen met de huidige bekostiging? Zo nee, wat is dan de reden dat deze school onvoldoende inhoudelijke lessen kan aanbieden?3
De uitspraak van deze rector is in zoverre correct, dat scholen inderdaad keuzes zullen moeten maken. De uitspraak «dat er te weinig geld beschikbaar is» onderschrijf ik niet: ook met de huidige bekostiging is het mogelijk om voldoende onderwijstijd van goede kwaliteit te realiseren. Scholen hoeven bijvoorbeeld niet elk vak of elke (onderwijs)activiteit aan te bieden dat zij – bijvoorbeeld uit concurrentieoverwegingen – zouden willen aanbieden.
Deelt u de mening dat het schokkend is dat slechts 26,7% van de 2778 leerlingen aangeeft dat de ophokuren meestal nuttig worden besteed, terwijl 33,8% aangeeft dat deze uren nooit of meestal niet nuttig worden besteed?
Volgens het LAKS-onderzoek vindt 33,8% van de respondenten de besteding van «ophokuren» nooit (14,9%) of meestal niet (18,9%) nuttig. Bijna evenveel respondenten (31,6%) ziet het nut ervan meestal (26,7%) of altijd (4,9%) wél in. En nog eens ongeveer een derde van de respondenten (34,6%) weet het niet of heeft hier geen mening over. Uit het LAKS-onderzoek komt het beeld naar voren dat de meningen over het nut van ophokuren of zelfstudietijd verdeeld zijn. Het aantal respondenten dat dit wél zinvol vindt is namelijk ongeveer even groot als het aantal respondenten dat die mening niet is toegedaan, én als het aantal respondenten dat hierover geen mening heeft.
Leerlingen zouden er overigens goed aan doen om – als zij van mening zijn dat sprake is van niet-zinvolle invulling van de onderwijstijd – dit aan te kaarten bij de eigen school. Door betrokken te zijn bij de invulling van de onderwijstijd op schoolniveau, kunnen leerlingen de school op dit punt «bij de les houden» en direct een bijdrage leveren aan kwalitatief goed onderwijs.
Bent u bereid om direct in te grijpen op scholen, zodat leerlingen fatsoenlijk les krijgen in plaats van uren zinloos te worden opgehokt?
Indien een school onvoldoende onderwijstijd realiseert grijpt de Inspectie in. Ook zal de Inspectie nader onderzoek doen naar de kwaliteit van het onderwijs als de resultaten van een school onvoldoende zijn, als de school als (zeer) zwak beoordeeld wordt, als er financiële risico’s zijn, of als er (andere) serieuze signalen zijn dat het niet goed gaat op de school. Dat kan ook leiden tot ingrijpen.
Bent u bereid om de definitie van een lesuur aan te passen, zodat rommelige ophokuren, zonder actieve begeleiding van een docent niet meer kunnen meetellen voor de urennorm in het voortgezet onderwijs?
Nee. Ik vind het van belang dat de school samen met ouders en leerlingen bepaalt wat een inspirerende, uitdagende en zinvolle invulling van de onderwijstijd is. Uit het Beoordelingskader onderwijstijd dat de Inspectie gebruikt bij het onderzoek naar de onderwijstijd blijkt heel helder wat in ieder geval onder de definitie van onderwijstijd kan worden geschaard.
De positie van homoseksuele asielzoekers |
|
Hans Spekman (PvdA), Ahmed Marcouch (PvdA) |
|
|
|
|
Herinnert u zich eerdere schriftelijke vragen van 18 november 2010 over de positie van homoseksuele asielzoekers, en uw antwoorden daarop van 7 februari 2011?
Ja.
Waarom stelt u dat het bestaande beleid «toereikend» is om groepsspecifieke problemen aan te pakken, wanneer u tegelijkertijd met de stichting Secret Garden en met COC Nederland in gesprek bent over oplossingen voor de problemen voor lesbische vrouwen, homomannen, biseksuelen en transgenders (LHBT’s)?
Ik ben van mening dat het bestaande beleid toereikend is om te reageren op mogelijke problematiek. Ik sta evenwel altijd open voor verbeteringen. Daarom heb ik tijdens het gesprek met Secret Garden en COC Nederland afgesproken dat het COA samen met deze organisaties onderzoekt hoe mogelijke drempels voor meldingsbereidheid, die LHBT’s bij incidenten kunnen ervaren, kunnen worden weggenomen.
Deelt u de mening dat er al enige jaren duidelijke aanwijzingen zijn dat LHBT’s in de asielzoekerscentra (AZC’s) (grote) problemen ondervinden?1 Deelt u tevens de mening dat dit impliceert dat het beleid dat tot nu toe gevoerd wordt op dit punt blijkbaar niet volstaat?
Op grond van het aantal meldingen bij het COA of de politie kan de conclusie dat LHBT’s grote problemen zouden ondervinden in asielzoekerscentra niet worden getrokken. Ik ben hier in eerdere beantwoording van kamervragen reeds op ingegaan2. Tegelijkertijd laat ik, mede naar aanleiding van het eerder genoemde overleg, onderzoeken hoe de meldingsbereidheid kan worden vergroot. Ik verwijs in dit verband naar het antwoord op vraag 2. Dit betekent niet dat het staande beleid niet volstaat.
Kunt u specifieker uiteenzetten welk beleid er precies is ten aanzien van de kwetsbare groep LHBT’s in AZC’s? In hoeverre wordt in de centra ook door communicatie en toezicht voorkomen dat LHBT-asielzoekers door medebewoners worden belaagd en/of gediscrimineerd? Wordt aan alle asielzoekers, bijvoorbeeld in geldende huisregels of in de vorm van voorlichting, meegedeeld dat alle asielzoekers gelijk dienen te worden behandeld, en dat homoseksuelen in Nederland als normale, gelijkwaardige burgers worden beschouwd en behandeld? Bestaan er in uw beleid mogelijkheden om in uitzonderlijke situaties een asielzoeker een vergunning te weigeren indien hij zich schuldig maakt aan de discriminatie of onheuse bejegening van homoseksuelen?
Bij binnenkomst op een asielzoekerscentrum krijgt iedere bewoner de huisregels overhandigd. Deze huisregels worden tevens persoonlijk toegelicht en uitgelegd. In de huisregels is bepaald dat discriminatie verboden is en overtreding van dit verbod strafbaar. Zowel in de huisregels als in de mondelinge toelichting daarop wordt specifiek ingegaan op discriminatie op basis van seksuele voorkeur. Daarnaast wordt in de voorlichting aan asielzoekers aandacht besteed aan diverse samenlevingsvormen in Nederland.
Het COA registreert alle gevallen waarin aangifte wordt gedaan naar aanleiding van (mogelijk) strafbare feiten die door bewoners van de COA-opvang zouden zijn gepleegd. Een strafrechtelijke veroordeling wegens een misdrijf wordt meegewogen in de individuele asielprocedure. Bedreiging en/of fysiek geweld door een asielzoeker kan zowel strafrechtelijke- als vreemdelingrechtelijke gevolgen hebben.
Zo zullen criminele antecedenten conform staand beleid altijd worden betrokken bij de beoordeling van een verzoek om toelating. Vervolgens biedt de Vreemdelingenwet 2000 de mogelijkheid om bij afwijzing van een aanvraag om toelating een vreemdeling ongewenst te verklaren, wanneer hij ter zake van een misdrijf is veroordeeld tot een gevangenisstraf, waarbij het onvoorwaardelijk ten uitvoer te leggen gedeelte van de straf tenminste een maand bedraagt. Ook is ongewenstverklaring mogelijk van vreemdelingen die bij herhaling ter zake van een misdrijf zijn veroordeeld.
Bent u bereid om seksuele voorkeur en genderidentiteit toe te voegen aan de «sociale indicatoren» voor huisvesting buiten een AZC? Kunt u dit toelichten?
Het COA huisvest asielzoekers op één van de opvanglocaties in Nederland, ongeacht religie, seksuele voorkeur of genderidentiteit. Bij het huisvesten van asielzoekers houdt het COA rekening met de seksuele geaardheid van een asielzoeker, indien deze bekend is. Er is specifieke aandacht voor situaties waarin na plaatsing in de opvang een gevoel van onveiligheid wordt beleefd. Hierbij wordt bijvoorbeeld prioriteit gegeven aan verzoeken tot overplaatsing die versneld worden behandeld. Bij huisvesting in een gemeente na statusverlening wordt zoveel mogelijk rekening gehouden met bijzondere omstandigheden.
Klopt het dat het geldend beleid is dat van asielzoekers uit alle landen (en niet slechts landen in Afrika en Azië) waar homoseksualiteit strafbaar is, in het kader van de toelatingsaanvraag, niet mag worden verwacht dat zij bescherming vragen bij de autoriteiten ter plaatse?
Ja.
Deelt u de mening dat slechts in landen waarvan bekend is dat autoriteiten in staat en bereid zijn om bescherming aan LHBT’s te bieden, van LHBT’s gevraagd mag worden dat zij bij deze autoriteiten bescherming vragen? Bent u bereid het beleid in die zin aan te passen? Kunt u dit toelichten?
Dit is staand beleid. In de Vreemdelingencirculaire is opgenomen3: «wanneer uit algemene informatie uit het land van herkomst blijkt dat bescherming in zijn algemeenheid niet mogelijk is of een verzoek daartoe bij voorbaat zinloos is of zelfs gevaarlijk, zal niet verder van de vreemdeling worden verlangd dat hij voor zijn individuele situatie aannemelijk maakt dat bescherming niet kan worden geboden.»
Deelt u tevens de mening dat in beginsel een vluchtelingenstatus dient te worden verleend aan LHBT’s uit landen waar homoseksualiteit strafbaar is, waar LHBT’s worden onderdrukt en/of vervolgd en/of waar zij onvoldoende bescherming van de autoriteiten krijgen? Zo nee, waarom niet?
Homoseksuelen die, ongeacht het land van herkomst, aannemelijk hebben gemaakt op grond van hun seksuele gerichtheid eengegronde vrees te hebben voor vervolging, komen in aanmerking voor een verblijfsvergunning. De strafbaarstelling van homoseksualiteit op zichzelf acht ik niet zonder meer afdoende voor verlening van een verblijfsvergunning asiel. Het gaat erom hoe de feitelijke situatie voor homoseksuelen in het land van herkomst is, en daarnaast hoe de individuele situatie van de asielzoeker eruit ziet. Dit leidt ertoe dat in iedere individuele situatie afzonderlijk wordt beoordeeld of vergunningverlening aan de orde is. Het kan ook voorkomen dat homoseksualiteit in het land van herkomst niet strafbaar is en er toch een vergunning wordt verleend.
Klopt het dat u ook onafhankelijk onderzoek gaat laten doen naar de veiligheidsproblemen waarmee LHBT-asielzoekers in AZC’s te maken hebben? Hoe gaat dat onderzoek eruit zien, wanneer zal dat ongeveer zijn afgerond en wanneer verwacht u de Kamer voorstellen tot verbetering te kunnen doen? Wordt ook onderzocht hoeveel van de genoemde veiligheidsincidenten zich de afgelopen jaren hebben gedaan?
Voor het onderzoek verwijs ik u naar het antwoord op vraag 2. Dit onderzoek zal in de zomer 2011 worden afgerond en richt zich op het verhogen van de meldingsbereidheid onder LHBT's.
De onbevaarbaarheid van de Indische oceaan |
|
Raymond Knops (CDA) |
|
|
|
|
Bent u bekend met het feit dat ten minste één bemanningslid van een Duits schip is geëxecuteerd door Somalische piraten?1
Ja.
Hoe beoordeelt u het feit dat reders overwegen om de Indische Oceaan tot onbevaarbaar oorlogsgebied te verklaren?
Het is begrijpelijk dat de internationale redersverenigingen Bimco, de International Chamber of Shipping, Intercargo, Intertanko en de Internationale vakbondsorganisatie voor transportarbeiders uitermate bezorgd zijn over het toenemende geweld door Somalische piraten.
Zoals bekend is de regering van oordeel dat de reder eerstverantwoordelijke is voor de bescherming tegen piraterij. Nederland dringt er bij reders op aan dat zij de Best Management Practices (BMP’s), een set maatregelen die de reders zelf kunnen nemen om zich te beschermen tegen piraterij, zo volledig mogelijk implementeren. Van de reder wordt onder andere verwacht dat hij adequate voorbereidingen treft voor zijn transporten, zoals het uitvoeren van een risicoanalyse, het overwegen van alternatieve routes en eventueel het niet aannemen van een vracht.
Het risicogebied van piraterij strekt zich intussen uit tot de Arabische Zee en een deel van de Indische Oceaan. Mede omdat de zeevaartroute door het Suezkanaal van cruciaal belang is voor de wereldhandel en -economie zetten Nederland en andere landen marineschepen in voor de kust van Somalië om het voor reders en kapiteins mogelijk te maken om de vaarroutes door de Golf van Aden, de Arabische Zee en de Indische Oceaan te blijven benutten. Het belang hiervan wordt door Nederland zowel in Europees als in internationaal verband (bijvoorbeeld in de Contact Group on Piracy off the Coast of Somalia) actief uitgedragen. Zo heeft de minister van Defensie er in de EU op aangedrongen harder op te treden tegen piraterij en waar mogelijk piraten te beletten de zee op te gaan. Dit zou uiteindelijk de veiligheid in de regio ten goede moeten komen.
De opvatting van de Duitse staatssecretaris dat de route via het Suezkanaal naar de Indische Oceaan beter kan worden vermeden komt voor rekening van de Duitse staatssecretaris.
Deelt u de opvatting van de Duitse staatssecretaris dat de route via het Suezkanaal naar de Indische Oceaan beter kan worden gemeden?
Zie antwoord vraag 2.
Geeft de beschreven methode van piraten om gegijzelde bemanning als menselijk schild te gebruiken, zodat aanwezige marineschepen niet kunnen ingrijpen, u aanleiding uw positie ten aanzien van de plaatsing van mariniers aan boord van schepen te heroverwegen? Zo nee, waarom niet?
De beschreven methode is helaas niet nieuw, omdat in bijna alle gevallen van een kaping Somalische piraten de bemanning aan boord gegijzeld hebben gehouden, om zo ontzetting door marineschepen te voorkomen. In de regeringsreactie op het AIV-advies over piraterij heeft de regering gesteld van mening te zijn dat de bescherming van individuele zeetransporten, door het plaatsen van een Vessel Protection Detachment, onder bepaalde omstandigheden een overheidstaak is. Op korte termijn zal de Kamer hierover een beleidskader ontvangen.
Op welke manier zult u gehoor geven aan de door VN-secretaris generaal Ban Ki Moon bepleite harde maatregelen om de straffeloosheid in Indische Oceaan tegen te gaan?
Op verzoek van de secretaris-generaal Ban Ki-moon heeft Jack Lang als speciaal adviseur een rapport geschreven waarin hij voorstellen doet om de straffeloosheid van piraterij tegen te gaan. Nederland draagt reeds bij aan het tegengaan van straffeloosheid door middel van een financiële bijdrage van € 0,8 miljoen aan het UNODC-programma ter versterking van de justitiële infrastructuur op de Seychellen, een bijdrage van € 1 miljoen aan het VN-Trustfund voor piraterijbestrijding en de inzet van een politieadviseur in het piraterijbestrijdingsprogramma van UNODC in Nairobi. Mede aan de hand van het rapport van Lang zal worden bezien welke maatregelen zowel nationaal als internationaal kunnen worden getroffen om de straffeloosheid verder tegen te gaan.
Bent u bereid ook in Europees verband te pleiten voor maatregelen die reders het vertrouwen geven om de vaarroute door de Indische Oceaan te blijven benutten?
Zie antwoord vraag 2.
De exploderende kosten in de langdurige zorg |
|
Pia Dijkstra (D66) |
|
|
|
|
Heeft u kennisgenomen van het artikel «Kosten langdurige zorg gaan exploderen»?1
Ja.
Klopt het dat bij ongewijzigd beleid de uitgaven aan langdurige zorg stijgen van 3,5% bbp naar 8,1% in 2060? Klopt het dat de AWBZ-premie stijgt van € 3900 naar € 5200 in 2020? Kunt u toelichten wat de oorzaken zijn voor deze grote stijging?
De onzekerheid bij het voorspellen van de groei van de uitgaven aan langdurige zorg is groot. De Europese Commissie voorspelt in «Sustainability Report 2009» dat de uitgaven aan langdurige zorg stijgen van 3,5% bbp naar 8,1%. Volgens de CPB-studie «Vergrijzing Verdeeld» nemen de AWBZ-uitgaven echter toe van 4% BBP naar zo’n 6% BBP. Duidelijk is wel dat de AWBZ-uitgaven aan ouderenzorg zullen stijgen als gevolg van een vergrijzende bevolking.
Momenteel is de AWBZ-premie niet kostendekkend en wordt een groot deel van de AWBZ-uitgaven uit de algemene middelen betaald. De AWBZ-premie is ook niet meer verhoogd sinds 2008 (een verhoging met 0,15%-punt). Het ligt ook niet in de verwachting dat de komende jaren de AWBZ-premie (fors) omhoog gaat. Wanneer de AWBZ-uitgaven verder stijgen, zal (in eerste instantie) het aandeel van de AWBZ-uitgaven dat uit de algemene middelen wordt bekostigd, toenemen.
Klopt het dat Nederland de hoogste uitgaven aan langdurige zorg heeft van alle EU-landen? Kunt u toelichten waardoor dit wordt veroorzaakt?
Ja, samen met Zweden heeft Nederland de hoogste uitgaven aan langdurige zorg van alle EU-landen (gemeten in % BBP). Vergelijkingen zijn echter altijd lastig vanwege definitiekwesties. Niet alles wat in ons land onder de langdurige zorg geschaard wordt, valt in andere landen eveneens onder de noemer langdurige zorg. Niettemin kan ik onderschrijven dat ons land relatief veel uitgeeft aan de langdurige zorg.
Belangrijke oorzaak hiervoor is de grote omvang van de geïnstitutionaliseerde zorg in ons land. Relatief veel ouderen, gehandicapten en geesteszieken leven in instellingen. Daarnaast zijn in Nederland veel vormen van aanspraak geformaliseerd, terwijl in andere EU-landen vergelijkbare zorg op informele basis wordt versterkt.
Wat vindt u van de aanbevelingen van het wetenschappelijk instituut van het CDA om een fundamentele stelselwijziging door te voeren in de AWBZ?
Ook ik ben van mening dat een koersverandering in de AWBZ gewenst is. De hoofdrichting van mijn beleidslijn heb ik u geschetst in mijn brief «Vertrouwen in de zorg», die ik uw Kamer op 28 januari jl. heb toegezonden. In deze brief heb ik drie grote thema’s benoemd:
Wat is uw reactie op de kritiek van het wetenschappelijk instituut van het CDA dat de investering voor ouderenzorg mogelijk niet leidt tot extra mensen in de zorg, maar enkel tot hogere lonen in de sector?
In het rapport staat het iets genuanceerder dan in de vraag is overgenomen. Er staat letterlijk: «In addition, the budget will increase in order to employ more nurses. However, as labour market conditions remain strict, wage increases could also be the consequence.»
Het is, (macro-)economisch gezien, een terecht gesignaleerd risico dat – onder overigens gelijkblijvende omstandigheden (ceteris paribus) – een toename van de vraag naar arbeid kan leiden tot een stijging van de prijs van arbeid. Maar er zijn tal van andere variabelen die ook een impact op de prijs van en de vraag naar arbeid kunnen hebben. Dus «ceteris paribus» gaat nagenoeg nooit op.
In ieder geval is het zo dat VWS de arbeidsmarkt in de zorg al decennia in de gaten houdt, er scenario’s voor ontwikkelt en er – samen met sociale partners in de zorg – beleid voor ontwikkelt en voert. Jaarlijks verschijnt er een zogenaamde Arbeidsmarktbrief van VWS die ook in de Tweede Kamer veel aandacht krijgt.
Wat vindt u van de aangedragen oplossing om de pensioenleeftijd te verhogen zodat de druk op de arbeidsmarkt wordt verlicht en mensen zelf een deel van de zorgkosten voor hun rekening kunnen nemen?
Een hogere pensioenleeftijd kan helpen het arbeidsaanbod te verruimen en daarmee de druk op de arbeidsmarkt te verlichten. Bovendien verbetert het financiële draagvlak voor de AWBZ. Tevens bouwt men (relatief) meer pensioen op waardoor men in een latere fase kan bijdragen (via eigen betalingen) aan de voorzieningen in de langdurige zorg. Het is dan ook verstandig dat dit kabinet inzet op het verhogen van de pensioenleeftijd.
Klopt het dat u bij de ontvangst van het rapport de volgende uitspraak hebt gedaan: «Er moeten dingen anders in het stelsel van de langdurige zorg. Langdurige zorg is nergens duurder dan in ons land. Als we nu niets doen, neemt het verschil met andere landen de komende decennia alleen maar toe. Dat kunnen we onze kinderen niet aandoen»? Kunt u toelichten waarom u geen serieuze maatregelen neemt in de langdurige zorg als u die mening bent toegedaan?
Deze uitspraak heb ik inderdaad gedaan. Ik deel echter niet uw conclusie dat ik geen serieuze maatregelen neem in de langdurige zorg. Zoals ik bij vraag 4 al heb toegelicht heb ik in mijn brief «Vertrouwen in de zorg» het kader aangegeven waar binnen ik een aantal voornemens zal presenteren. Deze voornemens betreffen serieuze ingrepen in onder meer de functie begeleiding, de overheveling van jeugdzorg, het doorvoeren van scheiden wonen en zorg en het solide maken en wettelijke verankering van de pgb-regeling. Een nadere uitwerking van deze maatregelen zal ik u presenteren in de brief «Vernieuwingsprogramma langdurige zorg», die ik uw Kamer in het voorjaar zal toezenden.
De uitspraak van de Centrale Raad van Beroep in de zaak Spijkers |
|
Jasper van Dijk (SP), Angelien Eijsink (PvdA) |
|
|
|
|
Bent u bekend met de uitspraak van de Centrale Raad van Beroep in de zaak Spijkers op 23 december 2010?
In de uitspraak oordeelt de Centrale Raad van Beroep dat het ontslagbesluit en de uitkeringsregeling in stand blijven maar dat twee overwegingen bij de uitspraak van 1997 moeten worden aangepast. De Raad overweegt dat de bemoeienis van de heer Spijkers met de afwikkeling van het ongeval van de heer Ovaa een wezenlijke rol heeft gespeeld bij zijn ontslag en dat Defensie een overwegend aandeel heeft gehad in het ontstaan en voortbestaan van de verstoorde verhoudingen die de aanleiding waren voor het ontslag. De Raad baseert de herziening van zijn overwegingen op de in 2002 tussen Defensie en de heer Spijkers gesloten vaststellingsovereenkomst waarin is vastgelegd dat door Defensie jegens de heer Spijkers ernstig nalatig en onzorgvuldig is gehandeld, op de excuusbrief aan de heer Spijkers waarin dit evenzeer wordt erkend en op de rede van de staatssecretaris bij de uitreiking van de Koninklijke onderscheiding aan de heer Spijkers in 2003.
Ter uitvoering van de vaststellingsovereenkomst heeft Defensie, aanvullend op de uitkeringsregeling, een vergoeding van € 1,6 miljoen voor alle geleden en nog te lijden materiële en immateriële schade aan de heer Spijkers betaald. Sinds 2008 zijn nog enige praktische problemen opgelost die de heer Spijkers ondervond na de vaststellingsovereenkomst. De uitspraak volgt datgene wat is vastgelegd in de vaststellingsovereenkomst en de nadien genomen acties. Er zijn na de uitspraak van de Centrale Raad van Beroep geen verdere acties ondernomen omdat het ontslagbesluit zelf en de daarbij getroffen uitkeringsregeling door de Raad in stand zijn gelaten.
Naar aanleiding van de uitspraak van de Centrale Raad van Beroep en de herziene overwegingen heeft Defensie contact opgenomen met de FNV, die de heer Spijkers bijstaat. De FNV zal laten weten over welke onderwerpen nog overleg gewenst wordt.
Welke acties heeft u na de uitspraak ondernomen?
Zie antwoord vraag 1.
Is er vanuit uw ministerie contact opgenomen met de heer Spijkers? Zo ja, wat waren de uitkomsten van dit gesprek? Zo nee, waarom niet?
Zie antwoord vraag 1.
Het feit dat apothekers in Noordwijk weigeren een patiënt van medicijnen te voorzien |
|
Karen Gerbrands (PVV) |
|
Edith Schippers (minister volksgezondheid, welzijn en sport) (VVD) |
|
|
|
|
Bent u bekend met het bericht «Ziek van de apotheken»?1
Ja.
Wat vindt u van de weigering van de plaatselijke apotheken in Noordwijk om deze chronisch zieke patiënt te helpen?
Een weigering om patiënten de door een arts voorgeschreven geneesmiddelen af te leveren is niet alleen ongebruikelijk en bijzonder vervelend voor de desbetreffende patiënt, maar ook onacceptabel als het gaat om spoedmedicatie. Een dergelijke weigering is ook onacceptabel als alle apotheken in één plaats nee zouden verkopen omdat de betrokken patiënt ook geneesmiddelen betrekt bij een concurrerende, landelijk werkende apotheek die zich specialiseert in herhaalmedicatie zoals in casu de Thuisapotheek.
Onmiddellijk na de publicatie in de Telegraaf heeft de Inspectie voor de Gezondheidszorg (Inspectie) actie ondernomen en opheldering gevraagd bij de desbetreffende apotheken. Daarbij hebben de apotheken aangegeven dat de weigering niet was ingegeven door concurrentieoverwegingen maar juist was ingegeven door hun zorgplicht en het leveren van verantwoorde farmaceutische zorg omdat in de ogen van de apothekers sprake was van onverantwoord over- gebruik. Het onderzoek van de Inspectie is echter nog niet afgerond.
Inmiddels heeft de patiënte een kort geding aangespannen tegen de betrokken apotheken waarin zij eist om op de voor de klanten van de apotheken gebruikelijke manier te worden beleverd. De voorzieningenrechter heeft de uitspraak aangehouden tot 2 april 2011 in afwachting van de uitkomsten van het onderzoek van de Inspectie. Uit het tussenvonnis van het kort geding blijkt verder dat de betrokken apothekers hebben aangegeven dat hun weigering geen spoedmedicatie betrof en dat naar hun oordeel de veiligheid van de patiënte niet in gevaar is gekomen door het niet afleveren van geneesmiddelen. Het onderzoek van de Inspectie zal zich ook hiertoe uitstrekken.
Deelt u de mening dat concurrentie in de zorg er nooit toe mag lijden dat patiënten zorg onthouden wordt?
Ik deel de mening dat iedere patiënt toegang moet hebben tot verantwoorde farmaceutische zorg. Concurrentie in de zorg heeft als zodanig niets te maken met het leveren van verantwoorde farmaceutisch zorg en zet die verplichting niet opzij. Zie verder het antwoord op vraag 2.
Gaat u de betreffende apotheken op hun zorgplicht wijzen? Zo nee, waarom niet?
Waar het hier om gaat is of de afweging die de betrokken apothekers hebben gemaakt om de voorgeschreven geneesmiddelen niet ter hand te stellen zorgvuldig en juist is geweest. De Inspectie voor de Gezondheidszorg stelt een onderzoek hier naar in.
Welke maatregelen gaat u treffen om dit soort situaties voortaan te voorkomen?
Ik wacht het onderzoek van de IGZ af. Als dit onderzoek aanleiding geeft tot het nemen van maatregelen, zal ik dat doen.
Het bericht "Iran: Christians imprisoned wothout charge" |
|
Harry van Bommel (SP), Wim Kortenoeven (PVV), Joël Voordewind (CU), Kees van der Staaij (SGP) |
|
|
|
|
Bent u bekend met het artikel «Iran: Christians imprisoned without charge»?1
Ja.
Kunt u de berichten bevestigen dat momenteel vier christenen nog steeds vastzitten zonder dat er sprake is van een aanklacht? Gaat het om dhr. Vahik Abrahamian, zijn vrouw Sonia Keshish-Avanesian, dhr. Arash Kermanjani en zijn vrouw Arezo Teymouri, die allen wegens het christelijk geloof vast zouden zitten? Kunt u tevens bevestigen dat dhr. Vahik Abrahamian ook over de Nederlandse nationaliteit beschikt?
Deze berichten zijn mij bekend. Onderzoek door de Nederlandse ambassade in Teheran heeft tot op heden echter geen formele bevestiging door de Iraanse autoriteiten van deze berichten opgeleverd. De ambassade zal zich blijven inspannen meer informatie te verkrijgen. Ik kan wel bevestigen dat de heer Abramian de Nederlandse nationaliteit bezit. In een gesprek met mijn Iraanse ambtsgenoot Salehi en marge van de VN-Mensenrechtenraad in Geneve op 1 maart 2011 heb ik aandacht gevraagd voor de positie van bipatride gedetineerden.
Heeft de Nederlandse ambassade inmiddels consulaire en/of juridische bijstand kunnen leveren of weigeren de Iraanse autoriteiten ook hier elke vorm van medewerking? Zo nee, bent u bereid dat alsnog te regelen en bij de Iraanse autoriteiten aan te dringen op de directe vrijlating van deze christenen?
De Nederlandse Ambassade in Teheran heeft eind maart 2010 voor het eerst berichten gehoord over de mogelijke arrestatie van de heer Abramian. Op 3 april 2010 is in een diplomatieke nota aan het Iraanse Ministerie van Buitenlandse Zaken gevraagd of de autoriteiten bevestiging konden geven van de status van de heer Abramian. Tevens is toen gevraagd naar de redenen voor arrestatie indien de heer Abramian inderdaad gedetineerd zou zijn en naar de juridische status van zijn zaak. De ambassade heeft bij die gelegenheid eveneens gevraagd of de heer Abramian kon beschikken over een advocaat en heeft verzocht om toestemming om betrokkene zo spoedig mogelijk te bezoeken. Hierop is na rappel bij het ministerie op 4 augustus 2010 een antwoord ontvangen waarin wordt gesteld dat relevante informatie over Iraanse onderdanen slechts aan familieleden wordt verstrekt.
Wat betreft consulaire bijstand geldt dat de Nederlandse regering deze alleen kan bieden aan Nederlandse onderdanen in casu de heer Abramian die de Nederlandse en Iraanse nationaliteit bezit. Zijn echtgenote en het echtpaar Kermanjani-Teymouri bezitten de Nederlandse nationaliteit niet.
Zoals de Kamer bekend is, staan de Iraanse autoriteiten Nederland niet toe consulaire bijstand te verlenen aan gevangenen met zowel de Nederlandse als de Iraanse nationaliteit. Bij elke mogelijke gelegenheid protesteert Nederland tegen deze opstelling.
Nederland wijst, bilateraal en in EU-verband, Iran consequent op zijn internationale verplichtingen om de rechten van religieuze minderheden te waarborgen.
Bent u bereid om de Kamer, eventueel vertrouwelijk, in te lichten over de stappen die zijn genomen in deze zaak?
Ik verwijs naar mijn antwoord op vraag 3. De Vaste Kamercommissie Buitenlandse Zaken is ingelicht over de situatie van de Nederlands-Iraanse bipatride gedetineerden in Iran tijdens een besloten Algemeen Overleg op 25 november 2010. Ik zal de Kamer met regelmaat op de hoogte houden van ontwikkelingen.
Europese wapenexport naar Noord-Afrika |
|
Arjan El Fassed (GL) |
|
|
|
|
Bent u bekend met het twaalfde Europese jaarverslag over de controle op de export van militaire technologie en materieel?1
Ja.
Klopt het dat de Europese wapenexport naar Noord-Afrika de afgelopen vijf jaar dramatisch is gestegen? Welke Europese landen zijn verantwoordelijk voor deze stijging en naar welke Noord-Afrikaanse landen zijn deze wapens gegaan? Kunt u dit ook in cijfers uitdrukken?
De Europese wapenexport naar Noord-Afrika is de afgelopen jaren toegenomen (bijlage ter inzage gelegd bij het Centraal Informatiepunt Tweede Kamer). Dit heeft voornamelijk te maken met een aantal grote transacties. In het geval van Marokko, bijvoorbeeld, hebben Frankrijk en Italië vergunningen afgeven voor ca. € 410 miljoen (gevechtsvliegtuigen) en heeft Nederland vergunningen afgegeven voor een totaal van € 555 miljoen (marineschepen). In het geval van Libië heeft Frankrijk voor € 80 miljoen aan vliegtuigen geleverd.
De stijging in Europese wapenexporten naar Noord-Afrika is voornamelijk te verklaren door de modernisering die de meeste landen in de regio, en vooral Algerije en Marokko, noodzakelijk achtten om te kunnen reageren op nieuwe dreigingen, in het bijzonder terrorisme en illegale migratiestromen. Er is geen verband tussen deze stijging en de recente ontwikkelingen in Noord-Afrika.
Hoe beoordeelt u deze toename van export van wapens?
Zie antwoord vraag 2.
Kunt u een appreciatie geven van deze stijging in het licht van recente ontwikkelingen in Noord-Afrika, in landen als Egypte, Tunesië en Libië?
Zie antwoord vraag 2.
Kunt u een inschatting maken van het risico dat wapens die in de afgelopen vijf jaar door lidstaten van de Europese Unie (EU) zijn geëxporteerd naar landen in Noord-Afrika, worden ingezet voor schendingen van mensenrechten?
Op basis van het EU Gemeenschappelijk Standpunt inzake wapenexport wordt iedere transactie individueel getoetst aan het zogenoemde mensenrechtencriterium (criterium 2). Hierbij wordt met name op basis van de aard van het goed en de eindgebruiker nagegaan of er een verband kan worden gelegd tussen deze gegevens en de in het land van bestemming geconstateerde mensenrechtenschendingen. Informatiebronnen voor de beoordeling zijn, naast informatie van het Nederlandse postennetwerk, onder andere rapporten van Amnesty International en Human Rights Watch.
Deze procedure is bij alle aanvragen voor uitvoer van Nederland naar Noord-Afrika gehanteerd. Het risico dat wapens die in de afgelopen vijf jaar door Nederland zijn geëxporteerd zijn ingezet voor schendingen van mensenrechten, is derhalve zeer klein. Ik vertrouw erop dat dit ook geldt voor andere lidstaten van de EU.
Heeft u dit recent in EU-verband ter sprake gebracht? Zo ja, wanneer en in welk verband? Zo nee, waarom niet? Bent u van plan hierover met uw Europese collega’s te spreken?
Tijdens de laatste bijeenkomst van de EU werkgroep wapenexport (COARM) in Brussel op 18 februari jl. is hierover gesproken. Duitsland, Oostenrijk en het VK hebben de wapenexport naar Egypte tijdelijk opgeschort («on hold») en Frankrijk hanteert waakzaamheid en heeft de uitvoer van wapens en goederen voor de oproerpolitie tijdelijk opgeschort (ook «on hold»). Andere EU lidstaten, die beduidend minder of niet exporteren naar Egypte, zullen aanvragen voor landen in Noord-Afrika op individuele basis blijven behandelen op grond van het EU Gemeenschappelijk Standpunt inzake wapenexport. Daarbij zal in het licht van de huidige ontwikkelingen zeer kritisch worden gekeken naar het eventueel effect op de mensenrechtensituatie en naar de eindgebruiker.
Welke Europese landen hebben de wapenexport naar deze landen opgeschort? En voor welke landen geldt dat?
Zie antwoord vraag 6.
Welke mechanismen zijn er om te toetsen dat deze wapens niet worden ingezet voor schendingen van mensenrechten?
Zie antwoord vraag 5.
Welke landen in Noord-Afrika en het Midden-Oosten staan positief ten opzichte van een mogelijk toekomstig wapenhandelsverdrag?
Irak, Israël, Jordanië, Libanon, Marokko, Oman en Tunesië stemden tijdens de Algemene Vergadering van de Verenigde Naties in 2009 voor de resolutie (R/64/48) waarin werd afgesproken om te onderhandelen over een internationaal Wapenhandelsverdrag (ATT). De overige landen in Noord-Afrika en het Midden-Oosten onthielden zich van stemming.
Nederland en de Europese Unie proberen actief alle landen te betrekken bij het proces om tot een internationaal Wapenhandelsverdrag te komen. In EU-verband zijn bijvoorbeeld seminars voor overheidsvertegenwoordigers uit Noord-Afrika en het Midden-Oosten georganiseerd en Nederland heeft een bijeenkomst in Addis Abeba gefinancierd waar maatschappelijke organisaties uit heel Afrika hun visie en ideeën voor een Wapenhandelsverdrag konden bespreken.
Zijn er in Europees verband plannen ontwikkeld om ervoor te zorgen dat deze landen betrokken worden bij onderhandelingen over een mogelijk toekomstig wapenhandelsverdrag? Hoe gaat Nederland al dan niet bilateraal ervoor zorgen dat deze landen positief staan ten opzichte van een toekomstig wapenhandelsverdrag?
Zie antwoord vraag 9.
Kunt u deze vragen beantwoorden voor het algemeen overleg wapenexport dat gepland staat vóór 16 maart 2011?
Ja.
Particulier grondeigendom van de staatssecretaris |
|
Henk van Gerven (SP) |
|
|
|
|
Klopt het dat u per 1 februari jl. uw particulier grondeigendom waarover u natuursubsidie ontving hebt verkocht voor € 1,– met een terugkoopbeding als u geen staatssecretaris meer bent? Kunt u de reden van deze constructie toelichten?1
Ja. Hiermee heb ik ook het eigendom overgedragen, na eerder het belang al op afstand geplaatst te hebben.
Heeft u aan de minister-president bij uw aantreden als staatssecretaris gemeld dat u gronden in eigendom had waarover u natuursubsidie ontvangt? Heeft hij met u besproken dat er sprake zou kunnen zijn van belangenverstrengeling bij de uitoefening van uw ambt daar u als staatssecretaris natuurbeheer in portefeuille heeft? Zo nee, waarom niet? Zo ja, wat waren zijn en uw afwegingen daarbij?
Uit het gesprek met de formateur worden geen mededelingen gedaan. Ik verwijs u naar de brief van de minister-president van 15 oktober 2010, 32 417, nr. 18.
Was u als gedeputeerde van Groningen verantwoordelijk voor het natuurbeleid in Groningen? In hoeverre was u als gedeputeerde voor landbouw en natuur zelf direct of indirect verantwoordelijk voor plaatsing van uw terreinen op de kaart van het provinciale natuurgebiedsplan?
In mijn derde periode als gedeputeerde in het college van Gedeputeerde Staten van de provincie Groningen, april 2007–mei 2009, was ik gedeputeerde voor landbouw, natuur, milieu en bestuurlijke organisatie. De plaatsing van deze gronden binnen de begrensde EHS heeft plaatsgevonden geruime tijd voor dat ik als gedeputeerde aantrad.
In hoeverre heeft u zelf een rol gespeeld in de procedure van subsidietoekenning aan de aanvraag die uw ex-vrouw heeft ingediend?
Daarin heb ik geen enkele rol gespeeld. De subsidieaanvraag is bij de Rijksoverheid, het toenmalige Ministerie van LNV, ingediend en door de toenmalige minister van LNV toegekend.
Is een dergelijke constructie opgezet om te verhullen dat u mede eigenaar van de gronden bent waarover subsidie is verkregen? Zo nee, waarom niet?
Zie antwoord vraag 4.
Erkent u dat een dergelijke handelwijze de schijn van belangenverstrengeling oproept? Zo nee, waarom niet?
Zie antwoord vraag 4.
Vindt u met de kennis en inzicht van heden dat u destijds juist hebt gehandeld? Zou u nu weer hetzelfde doen? Kunt u uw antwoord nader motiveren?
Ja. Zoals ik in mijn brief van 2 februari 2011 heb aangegeven, hebben mijn toenmalige echtgenote en ik een subsidieverzoek ingediend bij het toenmalige Ministerie van LNV. Dit is conform alle gangbare regels ingediend en afgehandeld. Daarna heb ik zowel als gedeputeerde, als als Staatssecretaris, geen enkele betrokkenheid gehad bij dit subsidieverzoek.
Thuisonderwijs |
|
Jack Biskop (CDA) |
|
Marja van Bijsterveldt (minister onderwijs, cultuur en wetenschap) (CDA) |
|
|
|
|
Heeft u kennisgenomen van de uitzending van Argos van zaterdag 5 februari 2011 over de melding dat 97 ouders van leerlingen van het Islamitisch College te Amsterdam, na sluiting van de school in augustus, hun kinderen thuisonderwijs willen gaan geven?
Ja.
Kan dit voornemen van de ouders betekenen, dat ouders vanwege artikel 5b van de Leerplichtwet hun kinderen niet naar school sturen omdat er binnen redelijke afstand geen school van de gewenste levensbeschouwelijke richting is? Kunt u ingaan op wat verstaan moet worden onder een redelijke afstand en of elke vorm van islamitisch onderwijs aan het criterium gewenste levensbeschouwelijke richting voldoet?
Ja. Onder een «redelijke afstand» wordt in de regel 20 km1 verstaan.
Het betrokken artikellid betreft overwegende bedenkingen (dat wil zeggen godsdienstige of levensbeschouwelijke bezwaren) van de ouders tegen de richting van de scholen in de omgeving.
In hoeverre ziet u een spanning tussen de Leerplichtwet, die geen thuisonderwijs toestaat (althans dit niet regelt), en het genoemde artikel 5b van de Leerplichtwet en de Grondwet en artikel 23, lid 2, waarin wordt gesteld dat het geven van onderwijs vrij is, behoudens het toezicht van de overheid?
Er is geen spanning tussen artikel 5, onder b, van de Leerplichtwet en artikel 23 Grondwet. Thuisonderwijs is geen manier om de leerplicht te vervullen, maar kan worden gegeven aan kinderen die zijn vrijgesteld van de leerplicht. Thuisonderwijs is niet in de leerplichtwet geregeld, wel de gronden voor vrijstelling van de leerplicht.
Wat vindt u van de uitzondering die voor levensbeschouwelijk onderwijs wordt gemaakt ten aanzien van het registreren van thuisonderwijs en bent u, indien noodzakelijk, bereid om maatregelen te nemen?
Overwegende godsdienstige of levensbeschouwelijke bedenkingen zijn gronden voor een beroep op vrijstelling van de leerplicht evenals bijvoorbeeld het lichamelijk of geestelijk niet in staat zijn om tot een school te worden toegelaten. Ik heb serieuze twijfel in hoeverre deze uitzonderingsgrond in het belang van alle betrokkenen en de samenleving als geheel is.
Ik ga mij dan ook beraden op de opportuniteit van deze vrijstellingsgrond en zal u dit najaar over de uitkomst informeren.
Op welke wijze voorziet u in toezicht op de kwaliteit van het onderwijs als ouders de mogelijkheid hebben kinderen te onttrekken aan de leerplicht en thuisonderwijs te geven? Wordt ook later nog gekeken hoe de kwaliteit van het thuisonderwijs voor het desbetreffende kind is?
Voor de ouders van vrijgestelde kinderen geldt geen leerplicht. Er is geen toezicht op de dan aangeboden vormen van onderwijs. Uit onderzoeken is gebleken dat er tot nu toe geen sprake is van een zorgelijke situatie voor kinderen die zijn vrijgesteld op grond van richtingsbedenkingen.
Bent u bereid om, in navolging van uw voorgangster mevrouw Van der Hoeven, een regeling te treffen betreffende het thuisonderwijs, opdat een adequaat toezicht mogelijk wordt? Zo ja, hoe? Zo nee, waarom niet?
Mijn brief van 13 december 2010 (32 500 VIII nr. 123) bevat de beleidsreactie op het aanvullend onderzoek naar thuisonderwijs. Daarin staat dat het kabinet het niet noodzakelijk en disproportioneel acht om aan de geldende wettelijke bepalingen inzake vrijstelling van de leerplicht op grond van richtingsbedenkingen voorwaarden te verbinden op het gebied van de kwaliteit van thuisonderwijs en het toezicht erop. Daarbij is opgemerkt dat het opnemen van thuisonderwijs als ongewenst neveneffect kan hebben dat thuisonderwijs wordt gezien als een volwaardig alternatief voor regulier onderwijs. Dit zou een onwenselijke aanzuigende werking kunnen hebben.
Welke instrumenten heeft de gemeente, eventueel via de leerplichtambtenaar, om ongebreideld gebruik van artikel 5b van de Leerplichtwet tegen te gaan?
Indien voldaan wordt aan het gestelde in artikel 5, aanhef en onder b, en in artikel 6 inzake de kennisgeving en artikel 8 inzake de verklaring is er van rechtswege sprake van vrijstelling. Bij twijfel of daaraan voldaan wordt kan de leerplichtambtenaar proces-verbaal opmaken. De rechter kan wegen of de overwegende bedenkingen tegen de richting, inderdaad de richting betreffen en niet het onderwijs of de leerplicht zelf dan wel pedagogisch-didactische overwegingen.