Het niet aanwezig zijn van een bedrijfsbrandweer bij het bedrijf Chemie Pack |
|
Hero Brinkman (PVV) |
|
|
|
|
Bent u bekend met het feit dat het bedrijf Chemie Pack niet in het bezit was van een bedrijfsbrandweer1, ondanks de wettelijke verplichting in artikel 13 van de Wet veiligheidregio’s?
Ja. Volgens artikel 31 van de Wet veiligheidsregio’s kan het bestuur van de veiligheidsregio een inrichting die in geval van een brand of ongeval een bijzonder gevaar kan opleveren voor de openbare veiligheid aanwijzen als bedrijfsbrandweerplichtig. Deze bevoegdheid betreft de categorieën inrichtingen die in artikel 7.1 van het Besluit veiligheidsregio’s worden genoemd. Hiertoe behoren de bedrijven die vallen onder het Besluit risico’s zware ongevallen 1999 zoals het bedrijf Chemie Pack Moerdijk.
Voor de Wet veiligheidsregio’s op 1 oktober 2010 van kracht werd, lag de bevoegdheid tot het aanwijzen van een bedrijfsbrandweer bij het college van B en W (Brandweerwet 1985 art. 13).
Het betreft hier dus niet een wettelijke verplichting maar een bevoegdheid.
Kunt u verklaren waarom er niet is voldaan aan deze wettelijke verplichting? Zo nee, waarom niet?
Chemie Pack Moerdijk valt in de zwaarste klasse van het Besluit risico’s zware ongevallen 1999 (Brzo 1999). Dergelijke bedrijven moeten bij een aanvraag voor een milieuvergunning een Veiligheidsrapport (VR) indienen. Onderdeel van het VR is het «Rapport inzake de Bedrijfsbrandweer».
In het «Rapport inzake de bedrijfsbrandweer» van Chemie-Pack uit 2008 is op basis van een beschouwing van de brand- en ongevalscenario’s geconcludeerd welke middelen en mensen nodig zijn. Het gaat dan o.a. om bedrijfshulpverleners (BHV-ers) met ademlucht en beschermende kleding en blusmiddelen.
De gemeente heeft destijds geen aanleiding gezien om op basis van bovengenoemd rapport over te gaan tot het aanwijzen van het bedrijf voor een bedrijfsbrandweer.
De veiligheidsregio Midden- en West Brabant is in het najaar van 2010 gestart met een traject om te beoordelen of Chemie-Pack diende te beschikken over een bedrijfsbrandweer. Volgens planning zou hierover medio 2011 besloten moeten zijn.
Kunt u aangeven of het bedrijf Chemie Pack regelmatig is gecontroleerd? Zo ja, hoe vaak en hebben deze controles ook uitgewezen dat het bedrijf niet in het bezit was van een bedrijfsbrandweer?
Het bedrijf Chemie Pack is regelmatig gecontroleerd. De afgelopen 5 jaar hebben er circa 30 toezicht- en handhavingactiviteiten plaatsgevonden, waaronder de jaarlijkse inspectie door gemeente, brandweer en Arbeidsinspectie in het kader van het
Brzo 1999. De controles hebben niet geleid tot een verandering met betrekking tot het al dan niet aanwijzen van een bedrijfsbrandweer.
Kunt u garanderen dat er bij andere (chemische) bedrijven in Nederland wel voldaan wordt aan de voorgenoemde wettelijke verplichting? Zo nee, waarom niet?
Zoals bij het antwoord op vraag 1 aangegeven is er geen directe verplichting tot aanwijzen in formele zin.
De situatie wat betreft de bedrijfsbrandweren in Nederland is volgens het Landelijk Expertisecentrum Brandweer & BRZO (samenwerkingsverband Nederlands Instituut Fysieke Veiligheid en veiligheidsregio Rotterdam Rijnmond) op 1 februari 2011 als volgt:
Het expertisecentrum baseert zich hierbij op gegevens van de veiligheidsregio’s.
De categorie «overige bedrijven» betreft voor het merendeel bedrijven die in de lichtste categorie van het Brzo 1999 vallen. Voor deze categorie is doorgaans geen bedrijfsbrandweer nodig. Deze bedrijven zijn niet beoordeeld of alleen ambtelijk beoordeeld zonder formeel besluit van het bevoegd gezag.
Naar aanleiding van de invoering van de Wet veiligheidsregio’s loopt er bij de veiligheidsregio’s een inhaalslag om de beoordeling van alle daarvoor in aanmerking komende bedrijven formeel af te ronden.
Kunt u een lijst van bedrijven verstrekken waar niet, of niet volledig, voldaan is aan de wettelijke verplichting tot het hebben van een bedrijfsbrandweer? Zo nee, waarom niet?
Een totaallijst met daarop per bedrijf de situatie op het gebied van bedrijfsbrandweer, is op dit moment op landelijk niveau nog niet beschikbaar. Gemeenten en veiligheidsregio’s houden zelf deze gegevens bij. Ik heb het landelijk Expertisecentrum Brandweer & BRZO gevraagd een complete lijst samen te stellen van de situatie op het gebied van bedrijfsbrandweren in Nederland. Dit betreft alle bij het antwoord op vraag 4 genoemde categorieën. Dit overzicht zal ik, vergezeld van een toelichting, voor 1 mei 2011 aan de Tweede Kamer sturen.
Is het mogelijk sancties toe te passen op grond van de Wet veiligheidsregio’s bij constatering van het niet voldoen aan de wettelijke verplichting? Zo ja, gaan deze maatregelen toegepast worden op het bedrijf Chemie Pack? Zo nee, waarom niet?
Het is op grond van de Wet veiligheidsregio’s artikel 64 lid 2 en lid 3 mogelijk sancties toe te passen indien niet voldaan wordt aan bij de aanwijzing van een bedrijfsbrandweer gestelde eisen betreffende personeel en materieel of het verstrekken van inlichtingen.
Bij Chemie Pack zijn deze sanctiemogelijkheden niet aan de orde omdat Chemie Pack niet aangewezen is als bedrijfsbrandweerplichtig.
Extra risico voor doven en slechthorenden bij de brand van Chemie-Pack in Moerdijk |
|
Paulus Jansen (SP) |
|
|
|
|
Wat is uw oordeel over het bericht dat doven en slechthorenden extra risico liepen bij de brand van Chemie-Pack in Moerdijk omdat 70% van deze groep later geïnformeerd werd dan de goed horende bevolking?12
Ik heb kennisgenomen van de berichtgeving over de enquête die Signaal na de brand in Moerdijk heeft gehouden over alarmering van doven en slechthorenden in het gebied. Signaal stelt dat doven en slechthorenden later op de hoogte waren van de situatie dan de goed horende bevolking, omdat zij de waarschuwingssirene en geluidwagens niet hebben gehoord. Dat is ernstig maar op zich kunnen daar geen eenduidige conclusies aan verbonden worden over grotere risico’s.
Er is een aantal factoren dat van invloed is op de wijze waarop burgers, zowel doven als goed horenden, gealarmeerd worden. Dat heeft bijvoorbeeld te maken met de plaats waar zij zich bevinden en de werkzaamheden die zij op dat moment uitvoeren. En in het kader van zelfredzaamheid heeft de burger ook zelf invloed, bijvoorbeeld door het gebruik van hulpmiddelen en eventuele afspraken die burgers hebben met mensen in de buurt over extra aandacht in noodsituaties. Daarnaast is een aantal middelen beschikbaar die overheden in kunnen zetten om informatie te verstrekken aan burgers en tevens om de zelfredzaamheid te vergroten. De gemeente kan bijvoorbeeld via de calamiteitenzender de nieuwsboodschappen op de TV ondertitelen.
Waarom is de cell broadcasting techniek «de SMS-bom», waarmee ook alle doven via hun mobiele telefoon kunnen worden bereikt, in 2010 niet ingevoerd zoals u heeft toegezegd?3
De voorzitter van de Tweede Kamer der Staten-Generaal is op 16 juli 2010 (kamerstuk 29 668, nr. 30) geïnformeerd over de stand van zaken betreffende NL-Alert (voorheen cell broadcast). Aangegeven is dat NL-Alert eind 2010 technisch gerealiseerd zal zijn en dat de dienst, na opleiding van gebruikers en het houden van praktijktesten, in het 2e kwartaal van 2011 operationeel in gebruik kan worden genomen. Technisch is NL-Alert gereed, wel zijn er nieuwe ontwikkelingen in de technologie zoals de (snelle) invoering van de Iphone. Daarnaast wil ik voor het invoeren bij de veiligheidsregio’s meer tijd inruimen zodat dit zorgvuldig gebeurt inclusief voldoende aandacht voor de communicatie. Zoals ik heb gezegd in het Algemeen Overleg met de vaste commissie voor Veiligheid en Justitie over rampenbestrijding en crisisbeheersing van afgelopen 9 december 2010, heb ik naar verwachting heel 2011 hiervoor nodig. NL-Alert was ten tijde van de brand bij Chemie-Pack nog niet gereed om in te zetten.
Bent u bereid dit systeem per ommegaande in te voeren? Zo nee, waarom niet?
Op dit moment ben ik bezig met het invoeren van NL-Alert. Naar verwachting heb ik heel 2011 nodig om NL-Alert te implementeren. Het is de eerste keer dat cell-broadcast voor alarmering bij rampen en crises wordt gebruikt. Ik bewaak dan ook strikt de uitvoering van dit traject. De nieuwe technische ontwikkelingen zoals de snelle opkomst van de Iphone maken dat ik gevraagd heb om een gateway review. Een gateway review is gericht op het in kaart brengen van risico’s en noodzakelijke maatregelen om deze risico’s te beperken. De uitkomsten van deze review zouden kunnen leiden tot een aanpassing in de uitvoering en in de planning van NL-Alert. Indien dit leidt tot aanpassingen, stel ik uw Kamer daarvan op de hoogte. Ik verwacht u hier medio mei over te kunnen informeren.
De Annual Growth Survey |
|
Kees Verhoeven (D66) |
|
Maxime Verhagen (minister economische zaken, viceminister-president ) (CDA) |
|
|
|
|
Hebt u kennisgenomen van de kritiek van de Europese Commissie op het Nederlandse Concept Nationaal Hervormingsprogramma (NHP) in haar Annual Growth Survey 2011?1
Ja, ik heb kennisgenomen van de aanbevelingen van de Europese Commissie in de Annual Growth Survey. In de gezamenlijke brief d.d. 4 februari 2011 van de ministers van Economische Zaken, Landbouw & Innovatie en Financiën aan uw Kamer over de Annual Growth Survey wordt ingegaan op uw vraag hoe het kabinet tegen de analyse van de Europese Commissie aankijkt en hoe dit meegenomen wordt in onder andere de definitieve versie van het Nationaal Hervormingsprogramma.
De Europese Commissie is in haar rapport nu ook kritisch; gaat u deze kritiek ter harte nemen in het schrijven van de definitieve versie van het NHP? Zo ja, hoe? Zo nee, waarom niet?
Zie antwoord vraag 1.
Waarom heeft de Europese Commissie in de Summary Nederland als enige Europese lidstaat niet opgenomen in de tabel met daarin de landelijke vertalingen van de «Europe 2020 Targets»?2
Zoals aangegeven in het concept Nationaal Hervormingsprogramma (TK 21 501-20, nr. 493) en in de brief over de Annual Growth Survey, heeft het kabinet voor de Europese doelen op het gebied van CO2-uitstoot, duurzame energie en voortijdig schoolverlaters reeds een nationale vertaalslag gemaakt. Voor de Europese doelen op het gebied van arbeidsparticipatie, R&D, energie-efficiëntie, tertiair onderwijs en sociale inclusie zijn de nationale doelstellingen vooralsnog kwalitatief van aard. In het Nationaal Hervormingsprogramma van april zullen de ambities van het kabinet beleidsmatig nader worden uitgewerkt.
Kunt u de tabel wellicht aanvullen met de Nederlandse doelen zodat de Kamer alsnog een overzicht kan krijgen van de ambities van Nederland in Europees perspectief?
Zie antwoord vraag 3.
Het gebrek van behandeling van pedofilie |
|
Nine Kooiman |
|
Edith Schippers (minister volksgezondheid, welzijn en sport) (VVD) |
|
Wat is uw reactie op de constatering van deskundigen uit de psychiatrie dat de behandeling van pedofielen tekort schiet?1
In de uitzending van RTL nieuws kwam naar voren dat mensen lang moeten zoeken voordat ze geschikte hulpverlening hebben gevonden en dat bovendien het taboe rond pedofilie hen weerhoudt om vroegtijdig hulp te zoeken. Tevens bleek wel dat veel expertise over hulpverlening met betrekking tot pedofilie reeds is ontwikkeld in de forensische zorg en deze kennis nog beter verspreid moet worden in de reguliere GGZ. De vroegtijdige hulp aan pedofielen, die niet de fout in zijn gegaan, moeten we verbeteren.
Deelt u de mening van het Nederlands Instituut van Psychologen dat hulpverlening aan pedofielen in een vroeg stadium veel leed kan voorkomen? Zo nee, waarom niet?
De samenleving, en in het bijzonder kinderen, moeten beschermd worden tegen kindermisbruik. Het NIP constateert dat «de hulpverlening die er nu is, voornamelijk op gang komt wanneer een pedofiel al de fout in is gegaan. Hulpverlening kan in een vroeg stadium veel leed voorkomen, zowel bij de slachtoffers als bij de daders». Ik onderschrijf de mening van het NIP dat hulpverlening in een vroeg stadium veel leed kan voorkomen. Ik vind het dan ook van groot belang dat zo vroeg mogelijk goede zorg voor handen is. Dit kan met behulp van de expertise, die is opgebouwd door de forensische poliklinieken (waaronder bijvoorbeeld de Waag met vestigingen in Amsterdam, Den Haag, Haarlem, Leiden en Utrecht). Vanuit deze klinieken wordt ook zorg geboden aan pedofielen die niet op forensische titel deze zorg krijgen.
Bent u van plan maatregelen te nemen om de behandeling van pedofielen te bevorderen? Zo ja, welke? Zo nee, waarom niet?
Er is op dit moment expertise aanwezig in het veld. Bij forensische poliklinieken, maar eventueel ook bij reguliere psychologen of seksuologen kunnen pedofielen terecht voor behandeling. Vanwege het taboe rond deze stoornis is het echter zeer lastig om deze doelgroep in behandeling te krijgen. Pedofielen (die nog niet de fout in zijn gegaan) moeten zich namelijk vrijwillig aanmelden voor behandeling en dus hun gedrag als problematisch ervaren.
Vandaar dat ik het initiatief wil nemen om vroegtijdige hulpverlening te stimuleren. Dit op een vergelijkbare manier als de verschillende campagnes, die in omringende landen zijn gestart om kindermisbruik te voorkomen.
Dat betekent dat ik veldpartijen ga vragen om bijvoorbeeld de Engelse campagne Stop it now! naar Nederland te vertalen. Vervolgens zal ik de effecten hiervan actief monitoren.
Daarnaast voorzie ik dat de bestaande ontwikkeling van (anonieme) e-health in de ggz ook voor pedofielen kan bijdragen aan eerder in behandeling krijgen van deze groep. Tegelijkertijd zal ik om tafel gaan met de betrokken beroepsgroepen, om te stimuleren dat de kennis die aanwezig is over behandeling van pedofilie in de forensische zorg wordt gedeeld met de reguliere GGZ. Ook dit komt tijdige doorverwijzing ten goede.
De positie van Apple in de leveringsovereenkomst tussen uitgevers en abonnees |
|
Joost Taverne (VVD) |
|
Maxime Verhagen (minister economische zaken, viceminister-president ) (CDA) |
|
|
|
|
Heeft u kennisgenomen van de artikelen «Apple zet uitgevers buitenspel op iPad» en «Apple jaagt kranten op stang»?1
Ja.
Deelt u de mening dat het onwenselijk is dat het Amerikaanse bedrijf Apple zich als tussenpersoon in de relatie tussen de Nederlandse uitgever en Nederlandse abonnee plaatst en regels afdwingt voor hun onderlinge leveringsovereenkomst? Zo nee, waarom niet?
Uit de berichtgeving komt naar voren dat Apple onlangs aan Nederlandse en Belgische uitgevers heeft laten weten ze strenger aan de regels van de bestaande contracten voor het direct aanbieden van digitale edities op de iPad te zullen houden. Er zouden geen abonnementen op iPad-versies meer buiten de App Store om mogen worden aangeboden. Verschillende uitgevers geven aan te vrezen dat dit zou kunnen betekenen dat abonnees van de papieren editie geen gratis toegang meer kunnen krijgen tot de iPad-versie, er 30% van de abonnementsopbrengsten van de iPad-editie aan Apple moet worden betaald en dat de uitgever niet meer kan beschikken over de klantgegevens van abonnees van de iPad-editie.
Ik kan me de schrik en verontrusting bij sommige uitgevers op zich voorstellen, omdat ze nieuwe kansen zien op de iPad en deze boodschap niet verwacht hadden. Echter, de exacte plannen van Apple en de consequenties daarvan zijn nog niet duidelijk. Tussen de partijen vindt nog nader overleg plaats. De Persgroep geeft bijvoorbeeld aan dat het daarom nog te vroeg is om bezorgd te zijn over de plannen van Apple2. Vooralsnog kan hierover dan ook geen oordeel worden gegeven.
Deelt u de mening dat op zijn minst de schijn van machtsmisbruik wordt gewekt? Bent u bereid de Nederlandse Mededingingsautoriteit (NMa) te verzoeken deze kwestie met spoed in onderzoek te nemen?
Zoals hierboven aangegeven, zijn de exacte plannen van Apple nog onduidelijk. Er kan daarom niet worden beoordeeld of sprake is van misbruik. Ook is de vraag of Apple een machtspositie op deze markt heeft. Voor uitgevers bestaan er verschillende mogelijkheden om digitale edities van kranten en tijdschriften aan te bieden. Digitale edities kunnen bijvoorbeeld worden aangeboden via internet, zodat ze ook (via de browser) op de iPad te lezen zijn. In een reactie noemt NRC dit als mogelijkheid, indien er geen oplossing met Apple wordt gevonden2.
Indien er sprake is van machtsmisbruik, kan de NMa hiertegen optreden. Hiertoe heeft zij een zelfstandige onderzoeksbevoegdheid. Als minister van Economische Zaken, Landbouw en Innovatie ben ik verantwoordelijk voor het algemene functioneren van de NMa. Bij de keuze ten aanzien van mededingingsonderzoeken baseert zij zich op verschillende signalen, waaronder klachten van gedupeerde marktpartijen. Vooralsnog zijn er geen klachten van uitgevers over deze kwestie bij de NMa binnengekomen. Dit neemt niet weg dat zij de ontwikkelingen nauwlettend blijft volgen en daarbij bijvoorbeeld duidelijkheid probeert te krijgen over de plannen van Apple.
Deelt u de zorg dat het handelen van Apple net als nu al in België een rem zal zetten op het willen en kunnen innoveren van uitgevers en mogelijk andere sectoren?
Onduidelijkheid over de exacte plannen van Apple kan leiden tot een afwachtende houding bij uitgevers om nieuwe initiatieven te ontwikkelen. In de berichtgeving wordt hierop door een Belgische uitgever gedoeld1. Mede met het oog hierop is het van groot belang dat er snel duidelijkheid komt over de plannen.
Wilt u per omgaande contact zoeken met Eurocommissaris Kroes en haar vragen om een harde EU-brede aanpak?
Naar aanleiding van de berichten in de media heeft de NMa contact opgenomen met de Europese Commissie en mededingingsautoriteiten in andere lidstaten. Ook daar worden de ontwikkelingen gevolgd, maar is geen formeel onderzoek gestart. Uitzondering is België, waar de minister van Economie de Mededingingsautoriteiten gevraagd heeft een onderzoek te starten. Ook zij blijken echter nog geen duidelijkheid te hebben over de exacte plannen van Apple en de consequenties daarvan. Ik ben daarom van mening dat een EU-brede aanpak in deze specifieke kwestie vooralsnog niet aan de orde is. Dit neemt niet weg dat de Europese Commissie het handelen van Apple in het algemeen kritisch volgt. In 2010 startte de Commissie bijvoorbeeld een onderzoek naar het weren van bepaalde programmeertalen uit de App Store door Apple.
Doorgifte van het registratienummer van de kinderopvang |
|
Pieter Omtzigt (CDA) |
|
Frans Weekers (staatssecretaris financiën) (VVD) |
|
|
|
|
Is het waar dat in de afgelopen dagen duizenden ouders een brief hebben ontvangen van de Belastingdienst, waarin ouders wordt gevraagd om voor 28 januari a.s. het registratienummer van de kinderopvang door te geven, op straffe van intrekking van de kinderopvangtoeslag? Kunt u uiteenzetten hoeveel gezinnen een dergelijke brief van de Belastingdienst hebben ontvangen?
Er gaat veel geld om in de kinderopvangtoeslag. Het is van groot belang dat dit geld op een goede manier wordt besteed. Om de kwaliteit van de kinderopvang beter te waarborgen en de toeslag rechtmatig te kunnen toekennen is het landelijk Register Kinderopvang (LRK) tot stand gebracht. Alleen kinderopvanginstellingen en gastouders die voldoen aan de wettelijke kwaliteitseisen worden in het LRK opgenomen. Ouders kunnen zelf in het LRK vaststellen dat hun opvang aan de eisen voldoet. Aanvragers van kinderopvangtoeslag hebben per 1 januari 2011 alleen recht op deze toeslag indien hun kinderopvanginstelling of gastouder in het LRK staat geregistreerd. Belastingdienst/Toeslagen controleert of er sprake is van geregistreerde kinderopvang door het eigen toeslagensysteem te koppelen met het LRK. Deze koppeling vindt plaats op basis van de adresgegevens en opvangsoort van de opvanglocatie. Voor meer dan 350 000 toeslagaanvragers leverde deze koppeling een match op. Voor 114 000 toeslagaanvragers is er geen volledige match met een opvanginstelling in het LRK.
Aan deze 114 000 toeslagaanvragers is op 13 januari 2011 een brief gestuurd met het verzoek het LRK-nummer van de opvanginstelling van hun kind(-eren) aan Belastingdienst/Toeslagen door te geven. Alleen toeslagaanvragers kennen de juiste opvanglocatie van hun kind(-eren). Daarom kan het doorgeven van het LRK-nummer van de opvanglocatie alleen door de toeslagaanvrager zelf plaatsvinden.
Veel van de 114 000 aanvragers zijn al eerder geïnformeerd over het feit dat Belastingdienst/Toeslagen niet over de juiste gegevens van de opvanglocatie van hun kind beschikt. Belastingdienst/Toeslagen is al medio vorig jaar begonnen met opschonen en uitvragen van adresgegevens van de opvanglocatie. Bij 90 000 vraagouders bij wie het opvangadres ontbrak of niet juist was (bijvoorbeeld een apert duidelijk verkeerde postcode, bijv. 0000 AA) is toentertijd een brief gestuurd met het verzoek de juiste gegevens door te gegeven. In november is ook een mailing naar 150 000 toeslagaanvragers uitgegaan met het verzoek het opvangadres te controleren en zo nodig te wijzigen. Toeslagaanvragers bij wie dit niet heeft geleid tot een koppeling met een organisatie of gastouder in het LRK zijn nu opnieuw aangeschreven.
Overigens wordt op 10 februari nog een rappelbrief verzonden aan toeslagaanvragers die niet tijdig reageren.
Kunt u toelichten wat de stand van zaken is rond de aanmelding van kinderdagverblijven, buitenschoolse opvang en gastouders door gemeenten aan het Landelijk Register Kinderopvang (LRK)? Hoe volledig gevuld was het register op 1 januari 2011?
In de loop van 2010 zijn de bestaande kinderdagverblijven, organisaties voor buitenschoolse opvang (BSO) en gastouderbureaus uit de gemeentelijke registers overgezet in het LRK. Nieuwe kinderdagverblijven, organisaties voor BSO en gastouderbureaus dienden in 2010 een aanvraag tot registratie in te dienen bij de gemeente. Omdat gastouders niet in de gemeentelijke registers stonden, zijn alle gastouders in de loop van 2010 aangemeld door de gastouderbureaus aan de gemeenten. De gemeenten hebben gezorgd voor de registratie van de gastouders en van de nieuwe kindercentra en gastouderbureaus in het LRK (uiteraard alleen na een positieve beschikking). De stand op 3 januari jl. was als volgt:
Stand LRK 3 januari 2011
Geregistreerd in het LRK
Aanvraag nog in behandeling
Gastouders
49 856
1 227
Gastouderbureaus
717
83
Kinderdagverblijven
5 205
150
Org voor buitenschoolse opvang
6 188
140
Gezien het relatief kleine aantal aanvragen dat op 3 januari nog in behandeling was, is de conclusie dat het LRK nagenoeg volledig gevuld is.
Wat zijn de gevolgen voor de uitbetaling van de kinderopvangtoeslag aan de ouders indien een instelling wel beschikt over de benodigde vergunningen, maar nog niet is geregistreerd?1 Is het waar dat toeslag wordt teruggevorderd over de periode waarin de instelling niet geregistreerd staat? Deelt u de mening dat terugvordering ongewenst is indien registratie buiten de schuld van de ouders later heeft plaatsgevonden?
In de wet Kinderopvang is geregeld dat er enkel recht op kinderopvangtoeslag bestaat indien er gebruik is gemaakt van een geregistreerde opvanginstelling. Gelet hierop is Belastingdienst/Toeslagen gehouden de toeslag van een aanvrager terug te vorderen over de periode waarin kinderopvanginstelling niet geregistreerd staat. Voorop staat nu om voor zoveel mogelijk vraagouders de koppeling aan een geregistreerde kinderopvangorganisatie of gastouder tot stand te brengen. De brief van 13 januari aan alle niet-gekoppelde vraagouders heeft precies dat doel. Bij te late registratie van een bestaande kinderopvangorganisatie wordt afhankelijk van de oorzaak van die te late registratie besloten, door de verantwoordelijke bewindspersonen van Financiën en SZW, in welke gevallen er sprake kan zijn van het met terugwerkende kracht opnemen van een kinderopvanginstelling in het LRK. Uitgangspunt hierbij blijft dat registratie in het LRK een voorwaarde is voor de toekenning van de kinderopvangtoeslag.
Waarom legt de Belastingdienst de bewijsplicht bij ouders, die behalve het registratienummer veelal ook weer heel veel andere gegevens moeten invullen? Deelt u de mening dat ouders op deze manier onnodig met administratieve lasten worden opgezadeld?
Belastingdienst/Toeslagen hanteert als uitgangspunt dat onnodige administratieve lasten voor burgers worden vermeden. Alles wat Belastingdienst/Toeslagen zelf kan doen wordt gedaan. Dit blijkt ook uit het feit dat Belastingdienst/Toeslagen 350 000 aanvragers zelf heeft gekoppeld.
Is het waar dat de Belastingdienst ook brieven heeft verzonden aan ouders die hun kind laten opvangen bij instellingen die wel degelijk gewoon in het LRK geregistreerd staan? Op welke wijze matcht de Belastingdienst de gegevens over de kinderopvangtoeslag met het LRK? Wat is de oorzaak van de mismatch?
De koppeling van het LRK en het systeem van Belastingdienst/Toeslagen vindt plaats op basis van adresgegevens en opvangsoort van de opvanglocatie. Waarschijnlijk wordt een mismatch veroorzaakt doordat de opvanggegevens van een deel van de toeslagaanvragers in het systeem van Belastingdienst/Toeslagen onjuist, onvolledig of verouderd zijn. Toeslagaanvragers hebben bijvoorbeeld indertijd het gastouderbureau in plaats van de gastouder als opvanglocatie aangegeven.
Welke informatie moeten ouders nu precies aanleveren, zodat de uitkering van de toeslag niet in gevaar komt? Vind u het redelijk om hiervoor een termijn van slechts 10 dagen te hanteren? Hoe wilt u voorkomen dat ouders buiten hun schuld vanaf 1 februari geen opvangtoeslag meer ontvangen? Welke mogelijkheden heeft de Belastingdienst om fouten zelf administratief te corrigeren?
Essentieel is het doorgeven van het LRK-nummer van de opvanglocatie van het kind. In het aanvraagprogramma worden nog andere gegevens gevraagd, zoals opvanggegevens. Dit dient als contra-informatie. Op de site www.toeslagen.nl staat welke gegevens de aanvrager bij de hand moet hebben om de wijziging door te geven.
Een termijn van veertien dagen voor het doorgeven van deze gegevens is redelijk omdat het gaat om gegevens die al bekend zijn bij de aanvrager.
Wanneer waren deze problemen bekend? Is er over de kwestie overleg gevoerd tussen het ministerie SZW en de Belastingdienst? Zo ja, wanneer en wat was de conclusie van dit overleg? Waarom is de Kamer niet over deze kwestie geïnformeerd?
Tussen de Belastingdienst en SZW is uitgebreid contact over de implementatie van de wijzigingen in de wet Kinderopvang. Het onderwerp koppeling tussen LRK en systeem Belastingdienst/Toeslagen is bij deze contacten eveneens uitgebreid aan de orde. Het is ook goed om hier op te merken dat de brief van 13 januari een reeds lang gepland en noodzakelijk onderdeel is van het traject om het LRK te koppelen aan het toeslagensysteem van de Belastingdienst. Het gaat hier dus niet om een reactie op een acuut, niet voorzien probleem.
Bent u bereid deze vragen binnen vijf dagen te beantwoorden, gezien de deadline die aan de betroffen ouders is gesteld?
Ja.
Oproepen tot jihad en invoering van de shariah |
|
Ahmed Marcouch (PvdA), Jeroen Recourt (PvdA) |
|
|
|
|
Heeft u kennisgenomen van een op internet gepubliceerd interview met A. I., die zegt te spreken namens Sharia4Belgium?1
Ja.
Deelt u de mening dat in dit interview al dan niet impliciet opgeroepen wordt tot geweld en discriminatie, in het bijzonder in Nederland, tegen vrije meningsuiting en homo’s? Hoe wilt u de Nederlandse burgers en rechtstaat beschermen tegen de dreigementen die hier geuit worden?2
Het Openbaar Ministerie heeft door de vragenstellers aangehaalde passages uit het interview beoordeeld op mogelijke strafbaarheid op grond van artikel 137c (groepsbelediging) en 137d Wetboek van Strafrecht (aanzetten tot haat, discriminatie en geweld).
In artikel 137c en 137d Wetboek van Strafrecht (Sr) is strafbaar gesteld het beledigen van een groep mensen, respectievelijk het aanzetten tot gewelddadig optreden tegen of discriminatie van mensen wegens hun homoseksuele gerichtheid of hun levensovertuiging. Oproepen tot geweld of discriminatie tegen vrije meningsuiting valt hier niet onder. Wel is strafbaar het aanzetten tot gewelddadig optreden tegen of discriminatie van homoseksuelen en ongelovigen, of deze groepen te beledigen in de zin van artikel 137c Sr.
Van strafbaar aanzetten tot gewelddadig optreden in de zin van artikel 137d Sr, waarvoor vereist is dat direct wordt opgeruid of opgeroepen tot gewelddadigheden, is in het interview geen sprake. Het OM is na het zien van het interview verder van oordeel dat evenmin sprake is van aanzetten tot discriminatie van homoseksuelen of ongelovigen of van het strafbaar beledigen van deze groepen.
Wanneer er sprake is van strafbare feiten biedt de wet voldoende garanties biedt met betrekking tot de bescherming van Nederlandse burgers en de rechtsstaat.
Op welke manier wilt u voorkomen dat uitlatingen van dit soort extremistische groeperingen de kloof tussen bevolkingsgroepen vergroten? Wilt u de moslimgemeenschap oproepen zich publiekelijk te distantiëren van dit soort extremistische groeperingen die hun geloof in diskrediet brengen en angst aanwakkeren onder de overige bevolkingsgroepen?
Binnen de verschillende moslimgemeenschappen en breder in de Nederlandse samenleving wordt al actief afstand genomen van Sharia4Belgium en Sharia4Holland. Het is volstrekt helder dat extremistische uitlatingen onwenselijk zijn. Indien ze de grenzen van de wet overschrijden zal er stevig tegen worden opgetreden.
Deelt u de mening dat Sharia4Belgium en aanverwante groepen met hun uitlatingen bewust de randen van het strafrecht opzoeken? Wordt de strafbaarheid van de dreigementen, in dit geval van de geïnterviewde, serieus onderzocht of worden andere maatregelen overwogen om deze uitingen aan te pakken? Zo nee, waarom niet? Zo ja, heeft u hierover contact met uw Belgische collega? Heeft de Nederlandse rechter rechtsmacht over eventuele in het interview gepleegde strafbare feiten?
Nederland heeft rechtsmacht jegens eenieder die zich in Nederland aan enig strafbaar feit schuldig maakt. Als uit nader onderzoek zou blijken dat het filmpje in Nederland op YouTube is geplaatst, is hiermee de rechtsmacht gegeven.
Overigens speelt voor de bepaling van de rechtsmacht ook een rol dat de interviewer Nederlander is, en Nederland en de Nederlandse situatie vaak ter sprake komen. Het interview is in elk geval ook mede gericht op Nederland. Dit geeft Nederland in principe rechtsmacht. In recente vergelijkbare zaken is dit geaccepteerd.
Is het waar dat enkele personen die in november in België en Nederland opgepakt werden op verdenking van het voorbereiden van een terroristische aanslag betrokken waren bij Sharia4Belgium? Is dit voor u een signaal dat deze organisatie en de mensen die erbij betrokken zijn niet terugdeinzen voor het in de praktijk brengen van hun dreigementen? Zo nee, waarom niet? Zo ja, hoe wilt u daarop reageren?
De drie personen die in Nederland zijn aangehouden, zijn aangehouden op verzoek van de Belgische autoriteiten. Zij zijn verdachten in een Belgisch strafrechtelijk onderzoek. De drie personen zijn inmiddels overgeleverd aan België. In verband met het opsporingsbelang kan ik geen mededelingen doen over dit onderzoek dan wel over eventueel lopende strafrechtelijke onderzoeken.
Heeft u zicht op of onderzoekt u de banden die bestaan tussen Sharia4Belgium en de onlangs voor het voetlicht getreden groep Shariah4Holland? Bent u van mening dat Shariah4Holland oproept tot het gebruik van geweld? Wilt u Shariah4Holland nauwgezet volgen en aansluitend op de Kamervragen van 23 december 2010 beoordelen welke stappen tegen deze groep genomen kunnen worden?
In verband met het mogelijk doorkruisen van opsporingsbelangen kan ik geen mededelingen doen over eventueel lopende strafrechtelijke onderzoeken.
Op welke wijze werkt u samen met de regeringen van andere Europese landen om de verbanden in kaart te brengen tussen groepen die de invoering van de shariah nastreven? Hoe vergroot u de weerbaarheid van de Europese samenlevingen tegen deze destabiliserende groeperingen?
Diverse Europese landen hebben coördinatiecentra die informatie en analyses met elkaar delen over fenomenen en groeperingen die in verband kunnen worden gebracht met radicalisering en terrorisme. In Nederland vervult de NCTb deze rol.
De weerstand en weerbaarheid binnen verschillende Europese samenlevingen tegen de in de vragen genoemde groeperingen is groot. Zowel binnen als buiten moslimgemeenschappen. Van «destabiliserende» groeperingen is dan ook geen sprake. Om de weerbaarheid in Nederland nog verder te versterken, ondersteunt het Rijk gemeenten en maatschappelijke partners bij de uitvoering van beleid gericht op het tegengaan van radicalisering en polarisatie (zie www.nuansa.nl voor voorbeelden van activiteiten). In Europees verband worden regelmatig ervaringen en praktijken uitgewisseld. Daarnaast neemt Nederland actief deel aan de uitvoering van het Stockholmprogramma met betrekking tot de preventie van extremisme.
Een zwarte lijst van rookhoreca |
|
Sabine Uitslag (CDA) |
|
Edith Schippers (minister volksgezondheid, welzijn en sport) (VVD) |
|
|
|
|
Kent u het bericht «Zwarte lijst «rookhoreca» in de maak»?1 Heeft u kennisgenomen van het bericht van de VWA dat in ruim de helft van de kroegen en disco's weer wordt gerookt? Deelt u de mening dat handhaving van het rookverbod strenger moet worden gehandhaafd? Zo ja, hoe gaat u dat in de toekomst aanpakken?
Ja, ik ken het bericht «Zwarte lijst rookhoreca in de maak». De nVWA heeft mij geïnformeerd over de nalevingscijfers met betrekking tot het rookverbod in de horeca. Daaruit blijkt inderdaad dat in het najaar 2010 ongeveer in de helft van de cafés en discotheken gerookt wordt.
Binnen deze categorie vallen ook de kleine cafés, waar relatief meer gerookt wordt. Nu deze kleine cafés zonder personeel worden uitgezonderd van het rookverbod, verwacht ik overigens dat de naleving in de overige cafés en discotheken relatief hoger zal uitvallen.
De nVWA zal het rookverbod in de horeca waar het rookverbod blijft gelden intensief handhaven. De nVWA zal prioriteit geven aan het handhaven in de horeca waar het rookverbod het minst goed wordt nageleefd (cafés en discotheken). Omdat de kleine cafés zonder personeel worden uitgezonderd vervalt overigens ook een flink aantal cafés waar de nVWA anders intensief zou moeten handhaven. Daarnaast wordt de naleving van het rookverbod ook gecontroleerd door andere inspectieteams van de VWA (voedselveiligheid en leeftijdsgrenzen).
Kunt u voorafgaand aan het algemeen overleg van 19 januari a.s., uiterlijk 7 uur ’s ochtends, de Kamer de volgende gegevens doen toekomen en de volgende vragen beantwoorden:
Kunt u aangeven hoe het mogelijk is dat, ondanks dat in de helft van de kroegen en disco’s met personeel weer wordt gerookt, er nog steeds geen kroeg of disco met personeel voor de rechter is gedaagd? Komt dit omdat de VWA (en/of het Openbaar Ministerie) geen aanwijzing heeft gekregen van u om dit adequaat te kunnen uitvoeren? Bent u bereid een heldere aanwijzing te gaan geven aan zowel de VWA als het OM omtrent het handhaven van het rookverbod in horeca? Kan die aanwijzing de strekking bevatten, dat het OM automatisch een gerechtelijke procedure start tegen een horecagelegenheid na twee of meer boetes ?
Bij cafés met personeel vindt de handhaving op dit moment normaal doorgang via het traject van de bestuurlijke boete, bezwaarfase en beroep op de bestuursrechter. In dat traject is een aantal zaken bij de bestuursrechter aanhangig. Inmiddels loopt er ook al een aantal zaken in hoger beroep.
Eerder heeft mijn voorganger met de voormalig minister van Justitie afspraken gemaakt over het inzetten van het strafrechtelijke traject voor de handhaving. Dit was toen bedoeld om de openlijke overtreding van het rookverbod in de horeca krachtig tegen te gaan.
Het inzetten van het strafrechtelijk traject is zowel qua capaciteit als qua kosten een zeer intensief traject, dat ook weerstand bij de sector oproept. Door het arbeidsintensieve karakter van dit traject, zal het aantal inspecties dat de nVWA op de risicozones kan uitvoeren, bovendien drastisch verminderen. Ik zie het inzetten van het strafrecht daarom nu niet als de beste manier om de komende tijd intensief op de risicozones te gaan handhaven.
Met de nVWA en met het ministerie van V&J ben ik voortdurend in gesprek over hoe we de huidige handhavingscapaciteit zo goed mogelijk kunnen inzetten voor een efficiënte en doelmatige handhaving op specifiek de risicozones.
Voor de komende periode zal ik alles in het werk stellen om via de bestuurlijke weg de norm van een rookvrije horeca in de gelegenheden die niet onder de uitzondering vallen, te monitoren en te handhaven.
Privacy en de veiligheid van gastouders bij registratie in het landelijk register kinderopvang |
|
Eddy van Hijum (CDA) |
|
Henk Kamp (minister sociale zaken en werkgelegenheid) (VVD) |
|
|
|
|
Hebt u kennisgenomen van het bericht1 dat gastouders problemen hebben met het registreren van hun woonadres in het landelijk register kinderopvang?
Ja.
Deelt u de mening van de gastouders, dat door het vermelden van het woonadres van de gastouders op internet, de privacy en de veiligheid van de gastouders en de kinderen in gevaar kan komen? Zo nee, waarom niet?
Nee, die mening deel ik niet zonder meer. Gastouderopvang vindt per definitie plaats op een woonadres, derhalve in een niet voor iedereen toegankelijke ruimte. De situatie waarin de gastouder en de aan hem/haar toevertrouwde kinderen zich bevinden verschilt daarin niet wezenlijk van een situatie waarin iedere volwassene met kinderen op een woonadres zich bevindt. Het enkele feit dat de lokatie waarop de gastouderopvang plaatsvindt, getoond wordt op internet, maakt deze situatie niet per definitie onveilig.
Daarnaast moeten de mogelijke nadelen van transparantie over de opvanglokatie worden afgewogen tegen de voordelen. Een belangrijk doel van het LRK is transparantie over de kinderopvang die aan de eisen voldoet, om vraagouders optimale zekerheid te bieden over de kwaliteit van de opvang van hun kinderen. Het verminderen van die transparantie door opvangadressen niet meer te tonen, vergroot het risico op gastouderopvang op niet-geïnspecteerde lokaties en kan in die zin bijdragen aan onveiliger opvang.
Alles afwegend wil ik daarom blijven vasthouden aan het in het algemeen tonen van de opvanglokatie van gastouders in het LRK. Daarbij ben ik wel bereid te onderzoeken of het mogelijk is om in uitzonderingsgevallen het woonadres van de gastouder in het LRK af te schermen.
Zo ja, bent u bereid om de verplichting tot informatie voor gastouders te beperken tot de naam, woonplaats en het registratienummer van de gastouder, analoog aan het BIG-register, dat ook via het internet is te raadplegen? Zo nee, op welke manier wilt u dan de veiligheid van de gastouders waarborgen?
In mijn antwoord op vraag 2 heb ik aangegeven dat ik wil blijven vasthouden aan het tonen van het opvangadres in het LRK. Tevens heb ik aangegeven, bereid te zijn om te onderzoeken of in uitzonderingsgevallen – bijvoorbeeld indien de gastouder aantoonbaar veiligheidsrisico’s loopt – het woonadres in het LRK kan worden afgeschermd.
Het boetebeleid bij overtredingen van het spamverbod |
|
Gerda Verburg (CDA) |
|
Maxime Verhagen (minister economische zaken, viceminister-president ) (CDA) |
|
|
|
|
Heeft u kennisgenomen van het artikel «Opta geeft megaboete voor sms-spam»?1
Ja.
Kunt u – los van de in dit artikel genoemde casus – aangeven wat het boetebeleid is bij overtredingen van het spamverbod?
Een bestuurlijke boete moet een bestraffende en een afschrikkende werking hebben, maar tegelijkertijd ook proportioneel zijn. Een bestuurlijke boete is primair bedoeld om de naleving van wettelijke regels te bevorderen. Ook kan een hogere bestuurlijke boete worden opgelegd als de omvang van de schade groot is. Een bestuurlijke boete is echter niet bedoeld om schade te compenseren of het onrechtmatig genoten voordeel weg te nemen. Het ligt daarom niet in de rede om het instrumentarium voor bestuurlijke sancties aan te passen met als doel dat de boete hoger moet zijn dan het behaalde voordeel. In het kader van het strafrecht is het soms wel mogelijk het onrechtmatig behaalde voordeel weg te nemen. In het kader van het civiele recht kunnen schadevergoedingen worden toegekend.
In dit geval betrof het een overtredingen van artikel 11.7 van de Telecommunicatiewet (het spamverbod). Dergelijke overtredingen kunnen worden bestraft met een bestuurlijke boete van ten hoogste 450 000 euro per overtreding. Het college van de Onafhankelijke Post en Telecommunicatie Autoriteit (hierna: OPTA) hanteert voor de vaststelling van een boete beleidregels2. Daarin heeft OPTA normen vastgelegd om de hoogte van een boete te onderbouwen. Overtredingen van het spamverbod zijn in beginsel minder zware overtredingen. Dat houdt in dit systeem in dat de boete maximaal 100 000 euro per overtreding is. Aan de hand van de economische omstandigheden van het geval kan toch een zwaardere boete worden opgelegd, tot een maximum van 300 000 euro per overtreding. Factoren die daarbij van belang zijn, zijn onder meer het aantal verzonden berichten, het aantal klachten, de schade voor de slachtoffers en de opbrengsten van de overtreder. In dit geval heeft OPTA vastgesteld dat er drie overtredingen van het spamverbod zijn begaan. Vooral vanwege de omvang van de schade die slachtoffers hebben geleden, is in dit geval bepaald dat de overtredingen ernstig zijn. Daardoor kon OPTA in dit geval boetes van maximaal 300 000 euro per overtreding opleggen. OPTA heeft drie boetes opgelegd van respectievelijk 150 000, 200 000 en 200 000 euro. In totaal dus een boete van 550 000 euro.
Is het waar dat er regelmatig boetes worden opgelegd die lager zijn dan het met desbetreffende overtreding(en) te behalen voordeel? Zo nee, kunt u dat onderbouwen? Zo ja, bent u bereid het sanctie-instrumentarium op korte termijn zodanig in te richten dat de sanctie hoger is dan het behaalde voordeel?
Zie antwoord vraag 2.
'Bewoner verpleeghuis kan kamer kwijtraken' |
|
Margreeth Smilde (CDA) |
|
|
|
|
Kent u het bericht «Bewoner verpleeghuis kan kamer kwijtraken»?1
Ja, ik ken het bericht.
Deelt u de mening dat de onrust die nu ontstaat niet bevorderlijk is voor het huiselijke gevoel dat bewoners zouden moeten hebben in het verpleeghuis?
Ik ben het met u eens, dat iedere vorm van onrust voorkomen moet worden in het verpleeghuis. Onrust heeft altijd weerslag op cliënten en zeker de kwetsbare groep, die verblijft in een verpleeghuis, moet hiertegen beschermd worden. Helaas is het niet altijd mogelijk om dit te voorkomen. Ik vind het belangrijk dat de cliënten en familieleden dan ook goed geïnformeerd worden.
Deelt u de mening dat lange wachtlijsten voor een kamer in het verpleeghuis en de financieringsstromen soms nopen tot vervelende maatregelen in de zorg? Zo ja, aan welke alternatieven denkt u dan? Zo nee, wat zijn dan de knelpunten in de huidige regelgeving en financieringsstromen?
Ik wil u erop wijzen dat over het algemeen de meeste cliënten binnen de redelijke termijn worden opgenomen in het verpleeghuis. De wachtlijsten zijn niet zo lang meer. In de brief over de toegankelijkheid van de AWBZ van 2 juli 2010 (TK 30 597, nr. 147) is uw Kamer hierover geïnformeerd.
De NZa doet op dit moment onderzoek naar de knelpunten in de huidige afwezigheidsregels. Ik wil de resultaten van dit onderzoek afwachten en daarna te kijken naar een mogelijke oplossing.
Kunt u aangeven hoe de verpleeghuizen weten hoe lang de bewoners in het ziekenhuis zullen verblijven?
Het verpleeghuis zal altijd contact hebben met het ziekenhuis over de toestand van de bewoner. In samenspraak zullen zij komen tot een oordeel hoe lang een bewoner in het ziekenhuis verblijft en welke maatregel het verpleeghuis eventueel zal nemen als de ziekenhuisopname langer duurt. Hierover wordt ook het zorgkantoor geraadpleegd. Ik vind het daarnaast van het grootste belang dat er overleg zal zijn met de cliënt en/of diens familie over het gebruik van de verpleeghuiskamer.
Wat zijn de rechten van de bewoners in situaties zoals deze?
In de houtskoolschets over de Zorgbeginselenwet (TK 2010–2011, 32 604, nr. 1) heb ik mijn ambitie kenbaar gemaakt, dat iedere bewoner recht heeft op een eigen kamer of op een kamer met partner als dat de wens is.
De algemene leveringsvoorwaarden voor zorg met verblijf, die in de sector verpleging en verzorging door branche- en cliëntenorganisaties zijn opgesteld, geven een kader voor behoud van de eigen kamer bij ziekenhuisopname. Met deze afspraken behoudt de bewoner in ieder geval voor minimaal veertien dagen de eigen kamer. Omdat het een minimumregeling is, is het altijd mogelijk dat de cliëntenraad er aanvullende afspraken over maakt met het bestuur van de zorginstelling. Tenslotte is in het overleg tussen cliënt of familie en de zorgaanbieder over de periode na de twee weken waarop het recht op behoud van de eigen kamer nu is ontstaan, de redelijkheid en billijkheid een belangrijke factor.
Wordt het probleem verholpen zodra scheiden van wonen en zorg wordt ingevoerd? Is het aangekaarte probleem dan niet een reden om het scheiden van wonen en zorg versneld in te voeren?
Momenteel wordt er nog onderzoek gedaan naar de consequenties van het scheiden van wonen en zorg. Ik zal deze probleemstelling hierin meenemen en u berichten zodra de resultaten hierover bekend zijn.
De besmetting van nVWA-medewerkers met Q-koorts |
|
Pia Dijkstra (D66) |
|
Edith Schippers (minister volksgezondheid, welzijn en sport) (VVD) |
|
|
|
|
Bent u bekend met het bericht «Medewerkers nVWA besmet met Q-koorts»?1
Ja.
Kunt u bevestigen dat meer dan 10% van de medewerkers die ingezet zijn bij de ruimingsacties naar aanleiding van de Q-koortsepidemie besmet zijn geraakt? Zo ja, was u hier al eerder mee bekend?
Ja, de Inspecteur-generaal van de nVWA heeft ons hiervan op de hoogte gesteld.
Kunt u aangeven welke voorzorgsmaatregelen genomen zijn om nVWA medewerkers te beschermen tegen mogelijke infectie met de Q-koorts? Hoe beoordeelt u de effectiviteit hiervan?
Er zijn diverse beschermende maatregelen genomen waaronder: beschermende kleding, omkleedinstructies, gezichtsmaskers, instructies over het wassen van de handen en het gebruik van een douchewagen. Verder zijn zwangere vrouwen en mensen met bepaalde gezondheidsklachten, zoals hart- en vaatziekten en bepaalde chronische ziekten, uitgesloten van de werkzaamheden. De maatregelen zijn conform het Arbo- en Hygiëneprotocol van de nVWA en sluiten aan bij de aanbevelingen van het Kennissysteem Infectieziekten en Arbeid (KIZA)/Nederlands Centrum voor Beroepsziekten.
Welke stappen worden ondernomen om besmetting van medewerkers die bij dergelijke ruimingsactiviteiten in de toekomst betrokken zijn te voorkomen?
Voor elke dierziekte is bij de nVWA een passend protocol afgestemd met het RIVM.
De werkzaamheden in tijden van crisis maken standaard deel uit van de opleiding, training en oefening van gespecialiseerde medewerkers van de nVWA.
Kunt u uiteenzetten hoe de nazorg voor nVWA-medewerkers wordt vormgegeven?
Medewerkers bij wie na hun werkzaamheden antistoffen in het bloed zijn aangetroffen worden medisch gevolgd door de Arbodienst. Besmettingen die leiden tot schade kunnen worden aangemerkt als beroepsincident in de zin van het ARAR. De werkgever (nVWA) kan aan deze medewerkers een schadeloosstelling bieden.
Zijn u cijfers bekend over de besmettingsrisico’s die andere mensen die wegens hun werkzaamheden in contact kwamen met Q-koortsgerelateerde bedrijven, zoals transporteurs of medisch personeel?
Alle personen die bij de ruimingen betrokken zijn geweest, zoals de taxateurs, scanners, transporteurs en de medewerkers van het destructiebedrijf (Rendac) is onderzoek aangeboden. Het besmettingspercentage onder Rendac medewerkers was lager (4 procent) dan onder nVWA medewerkers.
Online alcoholhulp |
|
Sabine Uitslag (CDA) |
|
Edith Schippers (minister volksgezondheid, welzijn en sport) (VVD) |
|
|
|
|
Kent u het bericht «Jongens gebaat bij online alcoholhulp»?1
Ja.
Deelt u de mening dat overmatig alcoholgebruik onder jongeren een groot probleem is?
Ja.
Bent u op de hoogte van het onderzoek van de Radboud Universiteit en het Trimbos-instituut, waaruit blijkt dat online hulpverlening bij overmatig drankgebruik effect heeft bij jongens?
Ja. Het onderzoek had betrekking op de effectiviteit van een door het Trimbos Instituut ontwikkelde drinktest voor jongeren. Op basis van de testresultaten ontvingen de deelnemers informatie over de mogelijke risico’s van hun alcoholgebruik en advies over stoppen of matigen van hun alcoholgebruik.
Bent u ervan op de hoogte dat uit het onderzoek blijkt dat de methode niet effectief is voor meisjes? Zijn er ook manieren waarop meisjes beter kunnen worden bereikt?
De onderzoeker heeft geen duidelijke verklaring voor het verschil in effect bij jongens en meisjes. Vergelijkbaar onderzoek onder oudere alcoholgebruikers gaf voor vrouwen juist een beter effect te zien dan voor mannen. Uit de publicatie van het onderzoek in de Journal of Medical Internet Research is af te leiden dat in deze leeftijdscategorie (15 tot 20 jaar) deelnemende jongens gemiddeld ongeveer 2x zoveel drinken als de deelnemende meisjes. Jongens drinken grotere hoeveelheden en ze drinken vaker dan meisjes. Waarschijnlijk vormt dit een verklaring voor het verschil in effect bij jongens en meisjes.
Bent u van plan de uitkomsten van het onderzoek mee te nemen in de visienotitie over alcoholpreventie bij jongeren?
E-health biedt zeer veel mogelijkheden om preventie en zorg op een andere manier in te richten. Zoals ik in mijn brief dd. 26 januari 2011 («Zorg die werkt») heb aangegeven ben ik van plan na te gaan op welke wijze E-health het zorgproces kan versterken en zal ik in de landelijke nota Gezondheidsbeleid aangeven op welke wijze het positieve leefstijlbeleid wordt uitgewerkt.
Kunt u aangeven hoe u online hulpverlening gaat inzetten bij het terugdringen van overmatig drankgebruik onder jongeren, nu blijkt dat deze aanpak bewezen effectief is?
De onderzochte website (www.watdrinkjij.nl), speciaal ontwikkeld voor jongeren, is voor iedereen toegankelijk. Naar aanleiding van de resultaten van het onderzoek zal deze website worden verbeterd. Ook de effecten van de verbeterde website zullen worden onderzocht.
De meeste instellingen voor verslavingszorg bieden overigens soortgelijke online programma’s aan, waarvan er enkele zijn die speciaal op jongeren zijn gericht.
Bent u bereid, gelet op het gegeven dat preventie en (anonieme) online hulpverlening geen gemeengoed is bij zorgverzekeraars hierover met zorgverzekeraars in gesprek te gaan en dit te stimuleren?
Voor zover het College voor Zorgverzekeringen (CVZ) specifieke vormen van preventie en online hulpverlening heeft geduid als eerstelijns psychologische zorg, is voor deze zorg de NZa-beleidsregel voor eerstelijnspsychologie van toepassing. Per 1 januari 2011 heeft de NZa middels de declaratietitel «internetbehandeltraject» binnen deze beleidsregel gefaciliteerd dat zorgverzekeraars onlinebehandeltrajecten kunnen inkopen voor zover deze door het CVZ worden geduid als eerstelijns psychologische zorg.
Voor anonieme behandeling in de vorm van E-mental health is geen declaratietitel aangezien deze zorg niet tot een individuele verzekerde herleidbaar is. Momenteel zoeken verschillende partijen naar mogelijkheden voor een structurele oplossing.
Ik vind het van groot belang dat deze structurele oplossing er komt en zal uw kamer hierover op korte termijn informeren.
Uitspraken over het hoger onderwijs |
|
Boris van der Ham (D66) |
|
Mark Rutte (minister-president , minister algemene zaken) (VVD) |
|
|
|
|
Kunt u toelichten hoe de ombuigingen en intensiveringen zich de komende jaren (2011 – 2015 en structureel op basis van de voorgenomen kabinetsmaatregelen) verhouden in het hoger onderwijs?1
Het kabinet staat voor de opgave om de overheidsfinanciën weer op orde te brengen. Niet als doel op zich, maar om de economie en samenleving nu en in de toekomst houdbaar te laten zijn. Tegelijkertijd wil het kabinet een forse impuls geven aan de kwaliteit van het hoger onderwijs. Om de middelen voor de kwaliteitsimpuls vrij te maken, moeten er ook ombuigingen plaatsvinden. Daarnaast wordt ook van de student wordt een hogere bijdrage gevraagd, als investering in zijn eigen toekomst.
Voor de kwaliteitsimpuls is een bedrag beschikbaar van € 50 mln. in 2012, oplopend tot € 230 mln. in 2015 en tot € 300 mln. structureel2. Daarnaast vinden in deze jaren bezuinigingen plaats. Tot 2015 is er sprake van een netto terugloop van de rijksmiddelen. Vanaf 2015 voorziet de financiële paragraaf van het Regeerakkoord er structureel in dat bezuinigingen en investeringen in het hoger onderwijs vrijwel met elkaar in evenwicht zijn.
Kunt u, waar u aangeeft dat de kwaliteit van het hoger onderwijs op dit moment niet voldoende is, uiteenzetten wat de nulmeting van die kwaliteit van het hoger onderwijs is en op welke criteria die wordt gebaseerd?
Er zijn al geruime tijd, ook bij vorige kabinetten, zorgen over de kwaliteit van het hoger onderwijs, met name de kwaliteit van de hbo-bachelor. De recente signalen rondom de alternatieve afstudeertrajecten in het hbo doen daar wederom vragen over rijzen. Ook in het advies van de Commissie Veerman wordt opgemerkt dat het hoger onderwijs zwakke kanten heeft, zoals de hoge uitval van studenten, terwijl het talent onvoldoende wordt benut.
Dat neemt niet weg, dat Nederland een gewaardeerd systeem van kwaliteitsborging heeft en dat de basiskwaliteit van het onderwijs over het geheel genomen op orde is. Maar voor een land, dat de ambitie heeft een topkenniseconomie te zijn, is dat natuurlijk niet voldoende. De door de Commissie Veerman genoemde knelpunten moeten dan ook met kracht worden aangepakt.
Door het vorige kabinet en door de hoger onderwijssector zelf zijn daartoe al belangrijke stappen gezet. Zo zijn er meerjarenafspraken over studiesucces en kwaliteit gemaakt met nulmetingen en streefcijfers op indicatoren rondom uitval, rendement en kwaliteit. Uw Kamer wordt jaarlijks geïnformeerd over de voortgang daarvan. In de Strategische Agenda hoger onderwijs en onderzoek (die u in juni a.s. zult ontvangen) zullen voorstellen worden gedaan voor nieuwe afspraken over onderwijskwaliteit.
Wat is de doelstelling van het kabinet wat betreft het aantal uren college dat een student per week moet volgen? Hoeveel uren college volgen studenten nu per week, uitgesplitst naar verschillende categorieën studies? Hoe gaat het kabinet ervoor zorgen dat het aantal uren onderwijs dat studenten in het hoger onderwijs krijgen omhoog gaat?
Het kabinet is van mening dat er flink geïnvesteerd moet worden in de onderwijsintensiteit en kwaliteit van het hoger onderwijs. Studenten moeten meer contacturen krijgen en meer uitgedaagd worden. Het gemiddeld aantal contacturen verschilt per instelling en per opleiding. De precieze informatie is beschikbaar op www.studiekeuzeinformatie.nl.
In de huidige meerjarenafspraken over studiesucces en kwaliteit worden de contacturen op landelijk niveau gemonitord, maar in de nieuwe meerjarenafspraken zullen specifieke afspraken per instelling worden gemaakt om het aantal contacturen te verhogen. Uw Kamer heeft het kabinet in de motie Rouwe/Lucas (Kamerstuknr. 32 500 VIII, nr. 66) verzocht dit transparant te maken. Afhankelijk van de meerjarenafspraken zullen de instellingen extra financiële middelen krijgen om de onderwijsintensiteit te verhogen.
Kunt u een overzicht geven van de bureaucratie en regelgeving die het kabinet gaat schrappen? Kunt u aangeven hoe de verplichte maatschappelijke stage zich en de extra administratieve lasten die dit voor scholen betekent zich hiertoe verhoudt?
Zoals in het regeerakkoord is opgenomen, zal de regeldruk voor burgers, professionals en bedrijven verder worden verminderd. In februari a.s. ontvangt uw Kamer de brief over het programma regeldruk bedrijven. De vermindering van regeldruk geldt uiteraard ook voor onderwijsinstellingen.
Zo is er binnen OCW al een aantal trajecten in gang gezet, die voor de onderwijsinstellingen zullen leiden tot minder regeldruk. Voorbeelden zijn:
Om de regeldruk verder te verminderen vindt er momenteel een onderzoek plaats waarin wordt gevraagd welke regeldruk voor onderwijsinstellingen ergerlijk is. Aan de hand daarvan zal worden nagaan welke mogelijkheden er zijn om deze regeldruk te verminderen.
De instellingen in het hoger onderwijs zijn autonoom en het aantal subsidies in deze sector van het onderwijs is beperkt. Daardoor zijn de mogelijkheden tot reductie van de administratieve lasten voor de instellingen van het hoger onderwijs klein. De hogescholen en universiteiten lopen mee in bovengenoemde trajecten. In wetstrajecten, als versterking besturing (Staatsblad 2010, nr. 119 ) en de aanpassing van het accreditatiestelsel (Staatsblad 2010, nr. 293) zijn de administratieve lasten al verminderd.
De gevolgen van het wetsvoorstel maatschappelijke stage voor de administratieve lasten van scholen zijn voorgelegd aan het adviescollege toetsing administratieve lasten (Actal). Actal heeft aangegeven geen bezwaren te hebben tegen het voorstel.
Hoe gaat het kabinet het mogelijk maken dat schaalvergroting wordt tegengegaan?
Ongebreidelde schaalvergroting in het onderwijs wordt tegen gegaan door middel van het wetsvoorstel fusietoets in het onderwijs. Dit wetsvoorstel is in maart vorig jaar met algemene stemmen door de Tweede Kamer aangenomen en ligt nu ter behandeling voor in de Eerste Kamer (behandeling is gepland op 25 januari a.s.). Daarin worden fusiepartners verplicht de noodzaak van een fusie te motiveren, inclusief baten en lasten, en de effecten van de fusie voor personeel en studenten en het instellingsklimaat van de betrokken instellingen, de effecten op de diversiteit van het onderwijsaanbod en de keuzevrijheid van toekomstige studenten helder in kaart te brengen. De fusiepartners dienen daarbij gebruik te maken van de zogenaamde Fusie Effect Rapportage (FER). De FER wordt getoetst aan de wet door een onafhankelijke adviescommissie; in het hoger onderwijs zal die taak belegd worden bij de Commissie Doelmatigheid Hoger Onderwijs (CDHO). De CDHO brengt advies uit aan de minister, die vervolgens beslist.
Kunnen deze vragen worden beantwoord vóór het spoeddebat over de bezuinigingen op het Hoger Onderwijs?
Ja.
Aftrekbaarheid van boetes |
|
Wouter Koolmees (D66) |
|
Frans Weekers (staatssecretaris financiën) (VVD) |
|
|
|
|
Heeft u kennisgenomen van de artikelen «Schikkingen deels fiscaal aftrekbaar»1, «Belastingbetaler draagt bij aan schikking»1 en «Hoge Raad beslist dat NMa-boetes niet aftrekbaar zijn»?2
Ja.
Vindt u het terecht dat de belastingbetaler bijdraagt aan een deel van schikking? Kunt u uw antwoord toelichten?
De eerste twee krantenartikelen hebben betrekking op het vastgoedfraudeonderzoek Klimop. In dit omvangrijke onderzoek wordt ernaar gestreefd met de beschikbare capaciteit bij de opsporingsdiensten, het Openbaar Ministerie en de zittende magistratuur (ZM) een maximaal effect te bereiken door een aanpak waarbij aan zoveel mogelijk verdachten een sanctie kan worden opgelegd en maximaal herstel van de schade voor de benadeelde partijen wordt behaald. Dat heeft geleid tot een gedifferentieerde afdoening waarbij voor de openbare terechtzitting is geconcentreerd op de natuurlijke personen die als hoofdverdachte kunnen worden gekwalificeerd vanwege hun actief sturende rol en de omvang van het genoten voordeel. De zaken van een aantal andere verdachten worden met een transactie afgedaan.
Het OM kan bij een transactie op grond van artikel 74 Wetboek van Strafrecht onder andere overeenkomen dat een bedrag wordt betaald als boete, ter ontneming van het wederrechtelijk verkregen voordeel of als schadevergoeding. Een bedrag dat wordt betaald als boete is niet aftrekbaar. Dit is geregeld in artikel 3.14, eerste lid, onderdeel c, van de Wet inkomstenbelasting 2001 en artikel 8 van de Wet op de vennootschapsbelasting 1969. De boete is namelijk gericht op leedtoevoeging. Dit geldt voor alle soorten boeten, dus ook voor de boeten die opgelegd worden door de Nederlandse Mededelingsautoriteit (NMA) en boeten die betaald worden in het kader van een veroordeling of een transactie.
Het ontnemen van wederrechtelijk verkregen voordeel en het laten betalen van een schadevergoeding zijn erop gericht de rechtmatige toestand te herstellen. Het profijt wordt weggenomen dat de verdachte door zijn strafbare handelen heeft gehad. In beide gevallen zijn de gebruikelijke regels voor winstbepaling van toepassing. Deze zijn identiek voor natuurlijke personen en voor rechtspersonen.
Tegenover het belaste profijt staat dan het bedrag dat de verdachte aan de Staat betaalt Daardoor zijn de inkomsten voor de verdachte per saldo nihil en is uiteindelijk geen winstbelasting verschuldigd. De belastingbetaler draagt dan ook niet bij aan deze onderdelen van een transactie of veroordeling.
Voor de betreffende vier transacties uit het Klimoponderzoek verwijs ik verder naar de antwoorden op vragen van de leden Gesthuizen en Bashir van uw Kamer (2011Z00501). Door een aan deze transacties gestelde voorwaarde zijn de benadeelde partijen vroegtijdig schadeloos gesteld. Met de drie rechtspersonen zijn boetes overeengekomen en met de natuurlijke persoon een boete en een taakstraf (www.om.nl, persbericht van 10 januari 2011).
Welke vormen van boetes en schikkingen zijn fiscaal aftrekbaar?
Zie antwoord vraag 2.
Deelt u de mening dat een bedrijf dat wordt veroordeeld dan wel een schikking treft zelf voor het volledige boetebedrag en overige kosten moet opdraaien, en dat het onterecht is dat dit bedrag aftrekbaar is? Zo nee, waarom niet? Zo ja, bent u bereid dit te regelen?
Zie antwoord vraag 2.
Digitale jacht op de Veluwe |
|
Marianne Thieme (PvdD) |
|
|
|
|
Kent u het bericht «boosheid over digitale jacht op de Veluwe»?1
Ja.
Is het waar dat het gebruik van digitale camera’s, gevoed door zonnepanelen en voorzien van zend- of opname apparatuur, strijdig is aan de Benelux-Overeenkomst op het gebied van de jacht en de vogelbescherming van 20 juni 1977? Zo ja, bent u bereid handhavend op te treden tegen genoemd gebruik? Zo nee, waarom niet?
Ik kan begrijpen dat het gebruik van een digitale camera voor het afschot van wilde zwijnen vragen oproept. Het gebruik is echter bedoeld om de leefpatronen van de wilde zijnen in het afschotgebied te analyseren en daarmee het beheer van de wildezwijnenpopulatie, in het belang van onder meer de verkeersveiligheid en schadebestrijding, effectiever te maken.
De Beneluxovereenkomst reguleert de toegestane geweren, munitie en andere middelen, tuigen en jachtmethoden die direct bij de jacht mogen worden gebruikt.
De digitale camera op de Veluwe wordt echter niet gebruikt voor de jacht en valt daarom niet onder het begrip van hulpmiddelen als bedoeld in de Beneluxovereenkomst. Het gebruik ervan is – in de omstandigheden waarop wordt gedoeld – niet wederrechtelijk.
Kunt u uiteenzetten hoe u het gebruik van cameratoezicht beoordeelt in het licht van de privacy van natuurliefhebbers en recreanten?
De camera’s waar u op doelt, zijn veelal gelegen op private gronden, die niet voor het publiek zijn opengesteld. In het geval camera’s op publiek opengestelde terreinen worden ingezet, dan dient de grondgebruiker het publiek hiervan in kennis te stellen.
De Jachtakte wordt verstrekt door de korpschef van het regionale politiekorps in de regio, waarin de woonplaats van de aanvrager is gelegen. De korpschef is bevoegd tot het nemen van beschikkingen tot intrekking van jachtakten.
Deelt u de mening dat het 24 uur elektronisch volgen van het gedrag van in het wild levende dieren met als oogmerk de dieren te doden, een laffe en wederrechtelijke daad is? Zo ja, op welke wijze en termijn wilt u hieraan een einde maken? Zo nee, waarom niet?
Zie antwoord vraag 2.
Kunt u uiteenzetten of het wederrechtelijk gebruik van verboden optische middelen en aantasting van de privacy van recreanten en natuurliefhebbers aanleiding vormt tot intrekking van de jachtakte van de dader(s)? Zo nee, waarom niet?
Zie antwoord vraag 3.
Een partijpolitieke email van een schooldirecteur |
|
Harm Beertema (PVV) |
|
Marja van Bijsterveldt (minister onderwijs, cultuur en wetenschap) (CDA) |
|
|
|
|
Heeft u kennisgenomen van bijgevoegde interne email van de directeur van basisschool Hazesprong in Nijmegen?1
Ja.
Is het de taak van een schooldirecteur zijn afkeer van een politieke partij te ventileren tegenover het gehele onderwijzend personeel?
De taak van de directeur van een school is omschreven in artikel 29, eerste lid van de Wet op het primair onderwijs (WPO): «Bij de directeur van een school berust, onder verantwoordelijkheid van het bevoegd gezag, de onderwijskundige, organisatorische en huishoudelijke leiding van een school.» Op grond van de artikelen 30a en 31 van de WPO kan het bevoegd gezag hem bij wet opgedragen taken en bevoegdheden delegeren of mandateren aan (onder andere) de directeur.
Tot de bovengenoemde, al dan niet gedelegeerde of gemandateerde, taken van de directeur behoort uiteraard niet het uiten van een mening over een politieke partij. Dat neemt niet weg dat het de directeur in beginsel vrijstaat zijn mening te uiten over zaken die niet met die taken in verband staan. Zoals bekend is het uiten van een mening immers vrij, behoudens ieders verantwoordelijkheid volgens de wet. Het betreft hier een grondrecht dat is vastgelegd in artikel 7 van de Grondwet.
De Hazesprong is een bijzondere school, ressorterend onder de Stichting Sint Josephusscholen in en om Nijmegen. Binnen het bijzonder onderwijs is het Burgerlijk Wetboek van toepassing op de arbeidsverhoudingen. De eis van goed werknemerschap uit hoofde van artikel 7:611 van het Burgerlijk Wetboek kan meebrengen dat een werknemer zich van bepaalde uitlatingen dient te onthouden omdat die indruisen tegen belangen van de werkgever. Of dat hier het geval is, is ter beoordeling van het bevoegd gezag van de school van de betrokken directeur.
Overigens stelt artikel 10 van het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (EVRM) strenge eisen aan de beperking van de vrijheid van meningsuiting van (onder andere) werknemers.
Deelt u de mening dat met deze politieke actie bovengenoemde directeur heeft aangetoond niet geschikt te zijn voor het onderwijs en per onmiddellijk dient te vertrekken? Zo nee, waarom niet?
Zoals in het antwoord op vraag 2 is toegelicht, betreft het hier een aangelegenheid tussen de directeur en zijn werkgever. Of aan de zijde van de werkgever belangen zijn geschaad is ter beoordeling van die werkgever. Ook het eventuele besluit de betrokken directeur op basis hiervan te ontslaan, is exclusief voorbehouden aan de werkgever. Ik verwijs in dit verband naar artikel 33a van de WPO. Gelet hierop en mede in aanmerking genomen dat de benoeming en het ontslag van onderwijspersoneel onder de grondwettelijk gewaarborgde vrijheid van onderwijs valt, onthoud ik mij hier van een mening.
Bent u bereid uw invloed aan het wenden ten einde het schoolbestuur ervan te overtuigen deze directeur voor ontslag voor te dragen?
Nee, zie het antwoord op vraag 3.
Belastingontwijkroutes |
|
Bruno Braakhuis (GL) |
|
Frans Weekers (staatssecretaris financiën) (VVD) |
|
|
|
|
Bent u bereid om te onderzoeken of over de door u genoemde 12.300.000.000.000,00 euro meer dan 0,008 procent aan belasting betaald zou kunnen worden, teneinde elders de lasten te verlichten?1
Ik kan me uw zorg ten aanzien van dit indrukwekkende bedrag voorstellen, daarom heb ik ook navraag laten doen bij DNB hoe we dit bedrag moeten duiden. Navraag bij DNB leert dat het bedrag uit de beantwoording waar u aan refereert, niets te maken heeft met belastbare winsten. In dit bedrag zijn ook bijvoorbeeld de waarden van leningen en deelnemingen opgenomen. Dit bedrag is afkomstig uit statistische rapportages van DNB over 2008. In de bijgevoegde publicatie uit het statistisch bulletin van DNB (december 2010)2 ligt de nadruk op inkomsten zoals dividenden en interest. Op bladzijde 27 is aangegeven dat in 2009 door BFI’s (Bijzondere Financiële Instellingen) per saldo ruim € 3 mrd meer is ontvangen dan is betaald. Daar moet bij worden opgemerkt dat dit zich niet één op één laat vertalen in een fiscaal belastbaar bedrag (deze statistische gegevens worden niet voor fiscale doeleinden opgesteld), maar het komt wel meer in de buurt dan het in de vraag gesuggereerde bedrag.
U geeft in uw beantwoording aan dat deze geldstromen werkgelegenheid opleveren (voor financiële professionals); deelt u de mening dat gezien het grote bedrag dat via deze entiteiten door Nederland stroomt deze een relatief lage werkgelegenheidsopbrengst met zich meebrengt? Kunt u dan wellicht bij het eventuele onderzoek de vraag betrekken of een hogere lastendruk op deze geldstromen niet meer werkgelegenheid oplevert, wanneer men dit laat terugvloeien middels een lastenverlaging op de factor arbeid?
In Nederland kan zekerheid vooraf worden gekregen voor de fiscale gevolgen van het opzetten van (internationale) structuren. Afhankelijk van de aard, omvang van het risico van de activiteiten worden ook afspraken gemaakt over de beloning in Nederland. Bij het vaststellen van die zakelijke beloning gelden internationale verrekenprijs spelregels waaraan de OESO landen, waaronder Nederland, zich houden. Net als voor andere bedrijfsmatige activiteiten wordt de werkgelegenheid die er mee gemoeid is, bepaald door het bedrijf dat voor zijn keuzes wordt afgerekend door de tucht van de markt. Dit geldt zowel voor directe werkgelegenheid die met een activiteit is gemoeid, als voor de indirecte werkgelegenheid (in dit geval voor de juridische en financiële dienstverlening). Aangrijpingspunt voor de winstbelasting is niet het balanstotaal of aantallen werknemers, maar de belastbare winst die met de activiteiten wordt behaald.
Wel heeft Nederland een bepaling in de wet3 opgenomen om te voorkomen dat structuren via Nederland worden geleid zonder dat hier enige activiteit plaatsvindt of zonder dat hier enig risico wordt gelopen. Hieruit blijkt dat Nederland geen fiscaal gefacilieerd onderdak wil bieden aan substanceloze structuren. Tot slot kan nog worden opgemerkt dat gegeven de mobiliteit van de grondslag het waarschijnlijk is dat een hogere belastingdruk leidt tot verdwijnen van activiteiten waardoor er geen ruimte ontstaat om elders de lasten te verlichten.
U geeft aan dat «multinationale ondernemingen zelf moeten worden aangesproken op hun verantwoordelijkheid»; kunt u hiervan voorbeelden geven vanuit het kabinet? Zijn er bedrijven aangesproken? Kunt u concrete voorbeelden van bedrijven noemen die door u zijn aangesproken in het kader van maatschappelijk verantwoord ondernemen, of wellicht in het kader van belastingontwijking ten nadele van ontwikkelingslanden?
Nee, omwille van de geheimhoudingsverplichting kan ik geen concrete voorbeelden van bedrijven noemen waarbij deze thema’s aan de orde zijn geweest in het overleg tussen de Belastingdienst en bedrijven. Wel kan ik in algemene zin aangeven dat dergelijke thema’s meer dan in het verleden onderwerp van gesprek zijn. In 2005 heeft de Belastingdienst aan zijn vormen van toezicht het zogenoemde horizontale toezicht toegevoegd. Horizontaal toezicht gaat uit van wederzijds vertrouwen, begrip en transparantie. De Belastingdienst streeft ernaar om met ondernemingen handhavingsconvenanten te sluiten, op grond waarvan ondernemingen zelf meer verantwoordelijkheid krijgen. Concreet betekent dit dat de bedrijven zelf de fiscale risico’s in beeld brengen en deze melden bij de Belastingdienst. Gebleken is dat bedrijven zich mede hierdoor in toenemende mate onthouden van agressieve structuren en dat ook afspraken worden gemaakt met bedrijven om zich hiervan te onthouden. Waar nodig bestrijdt de Belastingdienst uiteraard ook gericht constructies van bedrijven waarbij gepoogd wordt belasting te ontwijken. In dit verband wijs ik ook op mijn brief aan de Tweede Kamer van 22 december 2010 inzake Btw-ontwijkende structuren en financiële instellingen. Ook in internationaal verband wordt aandacht besteed aan maatschappelijk verantwoord ondernemen in relatie tot belastingen zoals bij het verder ontwikkelen van de OESO richtlijnen voor multinationale ondernemingen en in het Forum on Tax Administration van de OESO.
U stelt dat het doorlichten van het Nederlandse fiscale stelsel voor multinationale bedrijven op het gebied van belastingontwijking ten koste van ontwikkelingslanden weinig oplevert daar dit bij uitstek een internationaal probleem is; zou u om dat te onderbouwen willen aangeven hoe het bedrag van 12,3 biljoen euro in Nederland zich verhoudt tot deze geldstromen door andere OESO lidstaten? Hoe verhoudt zich dit tot het BBP van deze landen?
DNB heeft geen gegevens over de omvang van de geldstromen in andere OESO landen, en heeft dus ook geen inzicht in de verhoudingen van dat bedrag met het BBP. Voor zover bekend is er ook geen andere instantie (in Nederland) die deze informatie beschikbaar heeft. Het lijkt erop dat de geldstromen die via BFI’s stromen in het buitenland niet zoals in Nederland separaat worden gepubliceerd, maar mogelijk worden deze stromen ook niet separaat bijgehouden. Voor fiscale doeleinden lijkt de relevantie van het genoemde bedrag beperkt. Zoals aangegeven bij het antwoorden op de vragen 1 en 2, zegt het bedrag namelijk niets over belastbare winsten. Zoals reeds in de eerdere beantwoording aan u is uiteengezet heeft een specifiek op Nederland gericht onderzoek, vanwege het internationale karakter van de problematiek, weinig toegevoegde waarde. Belangrijker is dat in internationaal verband, zoals in het kader van de OESO Taskforce Tax & Development, met ontwikkelingslanden, NGO’s en bedrijfsleven wordt gewerkt aan een verbetering van de positie van ontwikkelingslanden. Dat de belangen van ontwikkelingslanden wel degelijk mijn bijzondere aandacht hebben, blijkt daarnaast ook uit de notitie fiscaal verdragsbeleid die recent aan de Tweede Kamer is gezonden4.
In uw antwoorden stelt u dat het faciliteren van royaltybetalingen van groot belang is voor innovatie; kunt u aangeven wat de betaling van royalty’s voor het voeren van een biermerk (Grolsch) dat al sinds 1615 bestaat – zoals in de SAB-Miller casus – te maken heeft met innovatie?
In de beantwoording van de vraag is geen relatie gelegd met een specifieke belastingplichtige. Innovatie kent vele schakeringen zoals onderzoek op het gebied van voeding, medicijnen, biotechnologie, technische toepassingen en het ontwikkelen van een merk(naam). Niet alleen de ontwikkeling van innovatie maar ook het onderhouden van rechten kan arbeidsintensief zijn en veel kosten met zich meebrengen. Innovatie is een item dat zowel door het bedrijfsleven als door de overheid belangrijk wordt geacht. Hoge bronheffingen op royalty’s kunnen een belemmering vormen voor het aantrekken van buitenlandse investeringen in innovatie.
Deelt u de mening dat de eisen voor royaltybetalingen zoals het intellectueel eigendom moet worden aangescherpt, om misbruik of oneigenlijk gebruik te voorkomen?
Nee. Het is zakelijk om voor het gebruik van intellectueel eigendom te betalen, ongelieerde partijen doen dat ook. De markt bepaalt de prijs. Voor gelieerde transacties gelden de internationale verrekenprijs spelregels van de OESO, die in de Nederlandse wet verankerd zijn in artikel 8b van de Wet op de vennootschapsbelasting 1969. Onzakelijke voorwaarden en prijzen bij transacties tussen groepsmaatschappijen kunnen worden gecorrigeerd. Verder kunnen misbruiksituaties worden bestreden met fraus legis. Het gaat dan om gevallen waarin de doorslaggevende beweegreden voor het aangaan van de rechtshandeling verijdeling van belastingheffing is en dat de gekozen wijze waarop een en ander is vormgegeven strijdig is met doel en strekking van de van de wet. Ik zie geen aanleiding om het instrumentarium uit te breiden voor royaltybetalingen. Tot slot wil ik nog melden dat bij de OESO recent een project is gestart over intellectuele eigendom in haar werkgroep over verrekenprijzen. Nederland zal zich daarbij inzetten dat ook rekening wordt gehouden met de belangen van niet OESO landen (waaronder de ontwikkelingslanden).
Een alarmerende stijging van identiteitsfraude |
|
Pierre Heijnen (PvdA), Jeroen Recourt (PvdA) |
|
|
|
|
Kent u het bericht «Alarmerende stijging van identiteitsfraude»?1
Ja.
Hoe beoordeelt u de stelling van deskundigen dat identiteitsfraude in Nederland een steeds grotere vlucht neemt?
Ik verwijs naar het antwoord op vragen 1 en 2 van het lid Gesthuizen van uw Kamer (2011Z00473, ingezonden 13 januari 2011).
Is het waar dat identiteitsfraude als vorm van oplichting niet apart door de politie wordt geregistreerd? Zo ja, waarom niet? Is het waar dat u hierdoor geen zicht heeft op de totale omvang van het probleem? Welke maatregelen overweegt u om een completer beeld te krijgen van de problematiek?
Ik verwijs naar het antwoord op vragen 1, 2 en 4 van het lid Gesthuizen van uw Kamer (2011Z00473, ingezonden 13 januari 2011) en naar het antwoord op vraag 7.
Wat is uw reactie op de stelling dat identiteitsfraude in Nederland een grote vlucht neemt omdat het eenvoudig is voor criminelen om persoonsgegeven te bemachtigen uit databanken en dat uw ministerie van Veiligheid en Justitie hier nauwelijks aandacht voor heeft en laks is in het optreden hiertegen?
De stelling dat het in Nederland in zijn algemeenheid eenvoudig is voor criminelen om persoonsgegevens te bemachtigen uit databanken wordt niet door de mij beschikbare informatie ondersteund. Meer in het bijzonder is de veronderstelling onjuist dat overheidsdatabanken met persoonsgegevens eenvoudig te kraken zouden zijn omdat de overheid weinig aandacht aan beveiliging besteedt. Dat het relatief eenvoudig is om over personen via min of meer openbare bronnen zoals sociale netwerksites gegevens te verzamelen, is algemeen bekend. Het is ook bekend dat daarvan misbruik wordt gemaakt.
Voor databanken van de overheid en het bedrijfsleven waarin persoonsgegevens worden verwerkt gelden de regels en verplichtingen uit de Wet bescherming persoonsgegevens (WBP). De WBP verplicht de verantwoordelijken tot het treffen van technische en organisatorische maatregelen om persoonsgegevens te beveiligen tegen verlies, inbraak of onrechtmatige verwerking. Voor de rijksoverheid geldt daarnaast het Voorschrift informatiebeveiliging, dat de verantwoordelijken verplicht een risicoafweging te maken en op basis daarvan gepaste maatregelen te nemen. GOVCERT.NL adviseert de overheid hierbij en brengt rapporten en handleidingen uit, zoals het Raamwerk beveiliging webapplicaties.
Verder verwijs ik naar het antwoord op 2 sets vragen van het lid Gesthuizen van uw Kamer (2011Z00473, ingezonden 13 januari 2011 en Kamerstukken II, 2010–2011, Aanhangsel Handelingen, nr. 165).
Hoe beoordeelt u de conclusie uit het rapport van de Wetenschappelijke Raad voor het Regeringsbeleid dat veel mensen zich onvoldoende bewust zijn wat er met gegevens gebeurt of kan gebeuren die zij online aanleveren voor bijvoorbeeld het elektronisch patiëntendossier of online winkels? Bent u bereid maatregelen te treffen om bekendheid hiermee te vergroten? Zo ja, welke?
Nu het betreffende rapport van de Wetenschappelijke Raad voor het Regeringsbeleid nog niet is gepubliceerd, kan ik niet op de precieze inhoud daarvan vooruitlopen. De conclusie dat veel mensen niet weten wat identiteitsfraude is, is niet nieuw (ik verwijs naar een onderzoek van het Ministerie van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties uit 2010, www.rijksoverheid.nl/nieuws/2010/06/22/nederlanders-weten-weinig-over-id-fraude.html). Iedereen heeft een eigen verantwoordelijkheid om zich op de hoogte te stellen van de risico’s die verbonden zijn aan het verstrekken van persoonsgegevens en om de preventieve maatregelen te nemen die binnen zijn of haar invloedssfeer liggen. De overheid ziet het tot zijn taak dit onder de aandacht te brengen en concrete tips te geven, bijvoorbeeld met behulp van de website www.nederlandveilig.nl en publiekscampagnes in 2009 en 2010. Ook het bedrijfsleven doet dit met bijvoorbeeld de website www.veiligbankieren.nl. Verder geeft het Centraal Meldpunt Identiteitsfraude voorlichting over identiteitsfraude en het voorkomen daarvan. Er bestaat voor mij geen aanleiding voor het nemen van aanvullende maatregelen.
Welke wettelijk vastgelegde mogelijkheden heeft de politie momenteel om op te treden tegen identiteitsfraude? Heeft de politie voldoende kennis en mensen in huis om in dit opzicht effectief te zijn?
Ik verwijs naar het antwoord op vragen 3 en 4 van het lid Gesthuizen van uw Kamer (2011Z00473, ingezonden 13 januari 2011). De uitvoering van deze taak vindt plaats binnen de bestaande, beschikbare politiecapaciteit, waarbij altijd prioriteitsafwegingen worden gemaakt.
Wat vindt u van de suggestie om in het Wetboek van Strafrecht een artikel op te nemen die de politie de mogelijkheid geeft sneller op te treden? Bent u bereid om deze aanbeveling op te volgen? Zo nee, waarom niet?
Gezien het antwoord op vragen 3 en 4 van het lid Gesthuizen van uw Kamer (2011Z00473, ingezonden 13 januari 2011) acht ik het apart strafbaar stellen van identiteitsfraude vooralsnog niet nodig.
De onrechtmatige vreemdelingenbewaring van een voormalige alleenstaande minderjarige asielzoeker in de Kerstperiode |
|
Hans Spekman (PvdA) |
|
|
|
|
Klopt het dat een 18-jarige jongen uit Angola die al negen jaar alleen in Nederland verblijft, op 24 december 2010 één dag voor kerst, in vreemdelingenbewaring is geplaatst?1
Nee. De vreemdeling waar in deze vraag aan wordt gerefereerd werd op 22 december 2010 in vreemdelingenbewaring gesteld.
Klopt het dat de rechtbank van Dordrecht in een uitspraak van 7 januari 20112 heeft geoordeeld dat deze vreemdelingenbewaring onrechtmatig was, derhalve niet had mogen plaatsvinden, en de bewaring van deze jongen onmiddellijk moet worden opgeheven? Is dit laatste inmiddels gebeurd?
Op 7 januari 2011 is de vrijheidsontnemende maatregel, die was opgelegd op 22 december 2010, opgeheven op last van de rechtbank. De vreemdeling werd in vrijheid gesteld.
Klopt het dat de rechtbank heeft overwogen dat de vreemdelingenbewaring in deze zaak is gebruikt om deze kwetsbare jongen te dwingen mee te werken aan terugkeer naar Angola? Zo ja, to welke reactie geeft dit u aanleiding? Bent u ervan op de hoogte dat de mate van medewerking aan terugkeer geen grond is om een vreemdeling in de gevangenis te zetten? Zo ja, wat is de verklaring dat hiertoe in deze zaak toch toe is overgegaan? Waarom wordt een vreemdeling in bewaring geplaatst terwijl er geen aspecten van openbare orde spelen en er geen vluchtgevaar is?
Uit mijn beleid, zoals dat ook is bevestigd door de jurisprudentie van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State, volgt dat een vrijheidsontnemende maatregel kan worden toegepast ten aanzien van de vreemdeling die niet of onvoldoende meewerkt aan zijn uitzetting. Juist door de oplegging van de maatregel wordt de mogelijkheid van uitzetting veilig gesteld, doordat permanent kan worden toegezien op de inspanningen tot terugkeer. Daarnaast wordt het zicht op uitzetting verscherpt en bevorderd. De noodzaak voor het opleggen van een vrijheidsontnemende maatregel wordt gemotiveerd aan de hand van de vreemdeling persoonlijk betreffende feiten en omstandigheden. De mate van medewerking aan vertrek vormt een afweging in dit kader.
In het concrete geval van de door u aangehaalde zaak is door de procesvertegenwoordiger ter zitting – zoals ook blijkt uit de uitspraak – allereerst gewezen op het gebrek aan medewerking van de vreemdeling aan zijn uitzetting in de periode voorafgaand aan diens inbewaringstelling. Daarbij is verwezen naar de gedragingen van de vreemdeling bij gelegenheid van een presentatie bij de Angolese autoriteiten, zijn verklaringen tijdens de diverse vertrekgesprekken en het niet nakomen van gedane toezeggingen contact op te nemen met het IOM. Daarmee heeft de procesvertegenwoordiger een correcte presentatie gegeven van de feiten en omstandigheden van de zaak. Uw beschrijving van de gang van zaken ter zitting deel ik niet. Noch ben ik van mening dat de omstandigheden in deze zaak of de tijd van het jaar reden hadden moeten zijn om anders te handelen. Uiteraard ben ik bereid op uw verzoek het stenografische verslag aan de Tweede Kamer te zenden.
In deze zaak heeft de rechter geoordeeld dat onvoldoende gebleken is dat niet met een lichter middel had kunnen worden volstaan en heeft hij gelast de bewaring op te heffen. De onderliggende rechtsvraag is in andere uitspraken afdoende uitgemaakt. Hoewel ik de conclusie van de rechter in onderhavige zaak op zichzelf niet volledig deel, heb ik besloten niet in hoger beroep te gaan en voor het moment te berusten in de feitelijk ontstane situatie. Deze uitspraak geeft echter geen aanleiding de uitvoering anders te instrueren.
Vreemdelingenbewaring zie ik als ultimum remedium en wordt als zodanig ook toegepast. Het proces is zodanig ingericht, dat de vreemdeling voorafgaand aan een inbewaringstelling wordt gehoord, teneinde te beoordelen of sprake is van feiten en omstandigheden welke aanleiding zouden kunnen geven van de oplegging van een vrijheidsontnemende maatregel af te zien. Ook na de inbewaringstelling van een vreemdeling wordt – indien zich relevante feiten of omstandigheden voordoen – bezien of deze aanleiding geven alsnog voor een lichter middel te kiezen.
Overigens zal ik naar aanleiding van de motie van het lid Gesthuizen c.s. de mogelijkheden om meer gebruik te maken van alternatieven voor vreemdelingenbewaring nader onderzoeken en uw Kamer hierover voor de zomer van 2011 informeren.
Klopt het dat uw procesvertegenwoordiger tijdens de zitting bij de rechtbank in eerste instantie heeft verhuld wat de werkelijke reden was van de inbewaringstelling en dat dit pas is toegegeven nadat hier door de rechter op is doorgevraagd? Zo ja, wat is hiervoor uw verklaring? Bent u bereid het stenografisch verslag van de rechtszitting aan de Tweede Kamer te zenden?
Zie antwoord vraag 3.
Deelt u de mening dat het mensonterend is om een jonge jongen die al negen jaar in Nederland is, jaren een verblijfsvergunning heeft gehad, alleen naar Nederland is gestuurd en al bijna zijn hele jeugd een onstabiel bestaan heeft geleid, één dag voor kerst uit zijn vertrouwde omgeving te halen en in de gevangenis te plaatsen, zonder dat hij iets misdaan heeft? Wat is uw verklaring dat, ondanks een poging vanuit de Tweede Kamer om de bewaring van deze jongen in elk geval tijdens de kerstdagen op te heffen, deze juridisch onrechtmatige en bovendien onmenselijke vreemdelingenbewaring toch is voortgezet?
Zie antwoord vraag 3.
Klopt het dat de rechtbank heeft geoordeeld dat in zaken als deze lichtere middelen dan bewaring hadden moeten worden toegepast? Zo ja, tot welke reactie geeft uu dit aanleiding? Waarom is dit nagelaten? In hoeverre worden lichtere middelen dan vreemdelingenbewaring standaard serieus overwogen door de Dienst Terugkeer en Vertrek (DT&V) en/of de Vreemdelingenpolitie?
Zie antwoord vraag 3.
Bent u bereid deze omstandigheid van de onrechtmatige vreemdelingenbewaring mee te wegen om ten aanzien van deze jonge Angolees gebruik te maken van uw discretionaire bevoegdheid?3
Uiteraard betrek ik bij mijn beslissing om al dan niet de discretionaire bevoegdheid toe te passen alle feiten en omstandigheden in deze zaak. Inzake de (on)rechtmatigheid van de bewaring, verwijs ik echter naar mijn bovenstaande antwoorden.
Bent u bereid deze vragen te beantwoorden vóór het Algemeen Overleg over vreemdelingenbewaring dat u met de Tweede Kamer heeft op 26 januari a.s?