Concurrentie op de parkeermarkt |
|
Sharon Dijksma (PvdA) |
|
Maxime Verhagen (minister economische zaken, viceminister-president ) (CDA) |
|
|
|
|
Kent u het bericht «Conflict over parkeermarkt»?1
Ja.
Voldoet het in het artikel omschreven model, waarbij gemeenten een coöperatie oprichten om parkeerbeheer uit te voeren, aan de mededingingseisen? Bent u bereid de Nederlandse Mededingingsautoriteit (NMa) hierover om advies te vragen?
Het is niet aan mij om in individuele gevallen over de toepasselijkheid van en de verenigbaarheid met het mededingingsrecht een uitspraak te doen. Die beoordeling is in eerste instantie aan de partijen zelf aan de hand van de geldende wetgeving, de beleidsregels die op de NMa van toepassing zijn en de uitvoeringsregels van de NMa en de Europese Commissie. De NMa, die op de hoogte is van de berichtgeving, is de bevoegde instantie om tegen overtredingen van de mededingingsregels op te treden. Hiertoe heeft zij een zelfstandige onderzoeks- en handhavingsbevoegdheid. Bij de keuze ten aanzien van mededingingsonderzoeken baseert zij zich op verschillende signalen, waaronder formele klachten van gedupeerde marktpartijen. Vooralsnog zijn er geen formele klachten over deze kwestie bij de NMa binnengekomen. De NMa is op de hoogte van de berichtgeving en blijft de ontwikkelingen nauwlettend volgen. Als zij daartoe aanleiding ziet, kan zij een mededingingsrechtelijk onderzoek starten.
In hoeverre is het gunnen door gemeenten van het parkeerbeheer aan een coöperatie waarvan zij zelf lid zijn strijdig met marktwerking? Krijgen andere marktspelers volgens u een eerlijke kans?
Er kan niet in algemene zin worden gesteld dat dit in strijd is met wet- en regelgeving die een goede marktwerking beoogt, te weten de mededingingsregels, de aanbestedingsregels en de staatssteunregels. Voor de verenigbaarheid met de mededingingsregels verwijs ik naar mijn antwoord op vraag 2.
Uit het krantenartikel blijkt dat de parkeerbedrijven zich verzetten tegen het feit dat bij het op afstand plaatsen van het parkeerbeheer door de betrokken gemeenten geen aanbestedingsprocedure is georganiseerd. Volgens de aanbestedingsregels is het onder voorwaarden mogelijk dat gemeenten ervoor kiezen bepaalde taken van algemeen belang uit te voeren met eigen middelen zonder dat zij via een aanbestedingsprocedure een beroep doen op marktpartijen («inbesteden»). In dat verband kan het voor gemeenten mogelijk zijn het parkeerbeheer over te dragen aan een gezamenlijke coöperatie. De vraag of sprake is van overtreding van de aanbestedingsregels kan alleen door de burgerlijke rechter worden bepaald. Het krantenartikel meldt ook dat de parkeerbedrijven een kort geding tegen de betreffende gemeente overwegen.
Voorts mag een gemeente de concurrentie niet verstoren door haar eigen coöperatie in een gunstigere positie te brengen dan marktondernemingen, door middel van een steunmaatregel die in strijd komt met de staatssteunregels. Bij een vermoeden van overtreding van de staatssteunregels kan een klacht worden ingediend bij de Europese Commissie.
In hoeverre hebben gemeenten die parkeerbeheer laten uitvoeren door henzelf opgerichte coöperaties invloed op het door de coöperatie gevoerde beleid, in het bijzonder het prijsbeleid? Beschikt u over gegevens waaruit blijkt dat parkeertarieven toe- dan wel afgenomen zijn ten opzichte van gemeenten die parkeerbeheer niet door een coöperatie laten uitvoeren?
De zeggenschap van de gemeenten in coöperaties hangt af van de wijze waarop dit in de statuten van de coöperatie is geregeld. Dit kan van geval tot geval verschillen. Over gegevens waaruit blijkt de parkeertarieven toe- dan wel afgenomen zijn ten opzichte van gemeenten die parkeerbeheer niet door een coöperatie laten uitvoeren, beschik ik niet.
Wat is uw opvatting over de in het artikel gesignaleerde tendens dat gemeenten steeds meer diensten uitbesteden? Bent u het met ons eens dat bepaalde kerntaken, zoals het innen van belastingen, niet op afstand zou moeten worden geplaatst omdat gemeenten hier direct op aanspreekbaar moeten zijn en blijven? Zo ja, kunt u deze taken omschrijven?
Gemeenten kunnen ervoor kiezen om taken op afstand te plaatsen. Veel gemeenten besteden bijvoorbeeld om efficiencyredenen het heffen en invorderen van belastingen uit aan een samenwerkingsverband. Daar is niets op tegen, zolang de wijze waarop dat gebeurt in lijn is met de daarvoor geldende regelgeving, zoals de hierboven bedoelde regelgeving op het gebied van aanbesteding, mededinging en staatssteun. Het al dan niet op afstand plaatsen van taken valt onder de autonome bevoegdheid van de gemeenten. Ook als een gemeente taken op afstand plaatst, blijft deze direct aanspreekbaar. De gemeente blijft verantwoordelijk voor de taakuitvoering. Daarom acht ik beleid vanuit de Rijksoverheid op dit punt dan ook niet nodig en niet wenselijk.
De zaak C. |
|
Coşkun Çörüz (CDA) |
|
|
|
|
Heeft u kennisgenomen van de uitzending van Argos over de zaak C?1
Ja.
Wat is uw algemene mening over de inhoud van deze uitzending?
Nederland heeft medewerking verleend aan verzoeken van de Italiaanse autoriteiten in deze strafzaak, en blijft dat doen, voor zover de toepasselijke wet- en regelgeving daartoe mogelijkheden biedt.
Verder verwijs ik naar de antwoorden op onderstaande vragen.
Klopt het dat in juni 2010 Italië Nederland heeft verzocht om C. aan te houden? Wat is er sinds die tijd met dat verzoek gebeurd en waarom is C. tot op de dag van vandaag nog steeds niet aangehouden en gedetineerd?
Opgelegde straffen dienen tenuitvoer gelegd te worden, ook als het gaat om straffen die in het buitenland zijn opgelegd. Daarbij dient uiteraard te worden gehandeld conform de wettelijke bepalingen, waaronder die uit de Uitleveringswet, de Overleveringswet en de Wet overdracht tenuitvoerlegging strafvonnissen (WOTS).
Naar aanleiding van een verzoek van de Italiaanse autoriteiten is betrokkene in maart 2010 aangehouden en voorgeleid aan de rechter-commissaris te Amsterdam. Deze heeft de detentie van betrokkene geschorst vanwege bijzondere persoonlijke omstandigheden. Pas nadien is bekend geworden dat het Italiaanse vonnis tegen betrokkene onherroepelijk was. Dat had tot gevolg dat aan het verzoek om overlevering van Italië niet kon worden voldaan, omdat Nederland geen eigen onderdanen overlevert voor de executie van een onherroepelijk vonnis.
Zoals wettelijk verplicht heeft Nederland vervolgens Italië aangeboden de tenuitvoerlegging van het vonnis over te nemen. In juni 2010 heeft Nederland een daartoe strekkend verzoek ontvangen van de Italiaanse autoriteiten. Op het ontvangen verzoek is de WOTS van toepassing. Het verzoek bleek echter incompleet. Er is om aanvulling gevraagd en in januari 2011 is nog een aanvulling ontvangen. Het verzoek is op dit moment in behandeling bij het Openbaar Ministerie.
Deelt u de mening dat een veroordeelde wapenhandelaar niet op vrije voeten zou mogen zijn? Zo ja, binnen welke termijn kan de aanhouding van C. plaatsvinden? Is de overheid bekend met de verblijfplaats van C?
Zie antwoord vraag 3.
Klopt het dat C. gesignaleerd staat? Zo ja, wat heeft Nederland gedaan met dit opsporingsbevel?
Zie antwoord vraag 3.
Hoe verlopen de contacten met het buitenland als het gaat om verzoeken van het buitenland aan Nederland om veroordeelden te detineren in Nederland? Klopt de uitspraak die in de uitzending wordt geuit dat Nederland zeer traag omgaat met dergelijke verzoeken uit het buitenland? Hoe zit dat in deze zaak?
Verzoeken tot overdracht van de tenuitvoerlegging van onherroepelijke strafvonnissen worden gedaan van centrale autoriteit aan centrale autoriteit, meestal de ministeries van Justitie. De verdere procedure is afhankelijk van het toepasselijke verdrag. Nederland gaat zo voortvarend mogelijk met deze verzoeken aan de slag en is daarbij gebonden aan de vereisten die het toepasselijke verdrag en de WOTS hieraan stellen.
Verder verwijs ik naar het antwoord op vragen 3, 4 en 5.
Bent u nog steeds van mening dat de Kamervragen van 24 september 2010 over de contacten tussen een ambtenaar van Buitenlandse Zaken en de voortvluchtige C. nog vertrouwelijk moeten blijven?2 Zo ja, waarom? Zo nee, bent u bereid die antwoorden op de vragen alsnog in de openbaarheid brengen?
Ik ben bereid de beantwoording van de eerdere Kamervragen (ingezonden op 27 april 2010 en beantwoord op 28 juni 2010) over dit onderwerp openbaar te maken en voeg deze als bijlage toe bij de huidige beantwoording.
Wat zijn de regels waaronder schriftelijke vragen van de leden van de Kamer vertrouwelijk worden beantwoord?
Of schriftelijke vragen van leden van de Kamer vertrouwelijk worden beantwoord is niet aan vaste regels gebonden. Van geval tot geval dient immers te worden bezien of de gevraagde informatie zonder of met een voorbehoud van vertrouwelijkheid aan de Kamer kan worden verstrekt. Als de normale beantwoording van Kamervragen, die volledige openbaarmaking
impliceert, door die openbaarmaking schade toebrengt aan andere gewichtige belangen, dan kan worden gekozen voor vertrouwelijke overlegging.
Heeft de toenmalige viceconsul van elk bezoek die hij heeft gebracht aan C. een aantekening gemaakt in het dossier? Zo nee, deelt u de mening dat als de toenmalige viceconsul wel een aantekening zou hebben gemaakt van zijn laatste bezoek, justitie niet zoveel probleem zou hebben om hem te vinden?
Alle bezoeken die de viceconsul in zijn professionele hoedanigheid heeft gebracht aan betrokkene tijdens diens detentie in Italië, zijn in het consulaire dossier over betrokkene vermeld. Indien met »zijn laatste bezoek» wordt bedoeld het eenmalige bezoek dat aan betrokkene is gebracht door de ambtenaar in een privéhoedanigheid, geldt dat vanwege de aard van dat bezoek geen verslag daarvan in het dossier is opgenomen. Zie daartoe ook de antwoorden op de vragen van 27 april 2010. Zou dat wel zijn gebeurd, dan is daarmee niet gezegd dat het ministerie van Veiligheid en Justitie over de gegevens had beschikt. In de regel heeft het ministerie van Veiligheid en Justitie namelijk geen inzage in de consulaire dossiers die op de ambassades en consulaten in het buitenland bewaard worden.
Ik verwijs verder naar het antwoord op vragen 3, 4 en 5.
Deelt u de mening van collega-diplomaten van de toenmalige viceconsul dat het ongebruikelijk is dat iemand contact met een (ex-)gedetineerde heeft zonder daarvan een aantekening in het dossier te maken? Zo nee, waarom niet?
Het betrof een privébezoek dat geen functionele noodzaak, doel of inhoud had. Tegen deze achtergrond is het gebruikelijk dat er geen aantekening in het dossier is opgenomen.
De moord op de Oegandese homoactivist David Kato |
|
Pia Dijkstra (D66) |
|
|
|
|
Wat is uw reactie op het bericht dat de Oegandese homoactivist David Kato is vermoord?1
Ik ben geschokt door de moord op de vooraanstaande mensenrechtenactivist David Kato. De dader(s) moeten worden opgespoord en vervolgd.
Bent u bereid de Oegandese regering te vragen of het land alle homoseksuelen wil beveiligen die levensgevaarlijk worden bedreigd, naar aanleiding van de oproep tot moord van het Oegandese blad Rolling Stone Magazine? Zo nee waarom niet?
Nederland heeft naar aanleiding van deze zaak bij de Ugandese autoriteiten aangedrongen op adequate beveiliging van activisten op het gebied van de rechten van seksuele minderheden. Nederland financiert daarnaast het East and Horn of Africa Human Rights Defenders Project (EHAHRDP). Deze organisatie onderzoekt momenteel de acute behoeften van veertig bedreigde homoseksuelen in Uganda, op basis waarvan maatregelen zullen worden genomen om hen te beschermen.
Bent u bereid om in EU-verband te identificeren welke homoactivisten er wereldwijd levensgevaarlijk worden bedreigd en wilt u hen met de EU beveiliging aanbieden? Zo ja, welke maatregelen zijn mogelijk en is het volgens u wenselijk dat deze worden uitgebreid?
Het beleid van de EU ter bescherming van mensenrechtenverdedigers en ter bescherming van Lesbian, Gay, Bisexual and Transgender (LGBT)-personen in derde landen is vastgelegd in de EU-richtsnoeren Mensenrechtenverdedigers en de EU-toolkit To Promote and Protect the Enjoyment of All Human Rights by LGBT People. Dit kader biedt voldoende aangrijpingspunten om wereldwijd op te komen voor de rechten en de veiligheid van LGBT-activisten. De uitwerking hiervan zal verschillen van land tot land al naar gelang de specifieke lokale omstandigheden.
De prijsverhoging voor een ligplaats van een woonboot |
|
Sander de Rouwe (CDA) |
|
Frans Weekers (staatssecretaris financiën) (VVD) |
|
|
|
|
Waarom wordt de Kamer elk jaar op een zorgvuldige wijze op de hoogte gebracht over de verhoging van de jaarlijkse huur, tot op 0,1% nauwkeurig, maar kondigt het rijksvastgoed-en ontwikkelingsbedrijf (RVOB) plompverloren tijdens de jaarwisseling een prijsverhoging van soms wel 200% aan voor de huur van Staatswater en bijbehorende Staatsoever voor een ligplaats voor een woonboot?1
Deze vragen zijn beantwoord bij brief van 1 april 2011 (Kamerstuk 32 730, nr. 1).
Waarom geldt hier niet dezelfde bescherming als bij sociale huurwoningen – waarmee een vergelijking getroffen wordt in de aankondiging? Kunt u een gelijksoortige bescherming alsnog regelen?
Zie antwoord vraag 1.
Vindt het RVOB de prijsverhoging nodig omdat de huurprijs achter blijft bij de marktwaardeontwikkeling van gronden en waterkavels met een woonbestemming? Geldt voor huurwoningen niet hetzelfde, terwijl daar – terecht – zo’n aanpassing niet plaatsvindt? Bent u bereid om het huurbeleid en de regelgeving voor het huren van een woning en voor het huren van een ligplaats gelijk of gelijkwaardig te maken? Zo nee, waarom niet?
Zie antwoord vraag 1.
Is het waar dat, indien bezwaar gemaakt wordt, een huurder van een woonbootplaats onmiddellijk het recht op toepassing van het overgangsrecht verliest? Wanneer tegen een normale beschikking van de overheid bezwaar en beroep wordt aangetekend, is dat toch nimmer het geval? Waarom kiest de overheid als monopolist voor deze manier van werken?
Zie antwoord vraag 1.
Bent u, gezien de vele vragen die leven bij de huurders, bereid voorliggende vragen op relatief korte termijn, dat is maximaal twee weken, te beantwoorden?
Zie antwoord vraag 1.
Het feit dat SP'ers niet mogen inspreken in de raad van de gemeente Oude IJsselstreek |
|
Ronald van Raak (SP) |
|
Piet Hein Donner (minister binnenlandse zaken en koninkrijksrelaties) (CDA) |
|
|
|
|
Heeft de gemeente Oude IJsselstreek naar uw opvatting juist gehandeld toen zij het reglement van orde van de gemeente op zodanige wijze aanpaste, dat mensen die verbonden zijn aan een politieke partij geen gebruik meer kunnen maken van het inspreekrecht in de gemeenteraad?1
De mogelijkheid om in te spreken tijdens raads- en commissievergaderingen is een vorm van inspraak als bedoeld in artikel 150 Gemeentewet, waarover de raad bij verordening regels heeft te stellen. Over de wijze waarop dit verder vorm wordt gegeven, stelt de wet geen nadere regels. Het staat de raad dus vrij hier zelf in te voorzien. Het is in het eigen belang van de raad om hier een evenwichtige afweging te maken. Overigens hebben betrokkenen als burger wel de mogelijkheid om in te spreken; de uitzondering die de raad in het reglement van orde heeft gemaakt, geldt alleen indien men wil inspreken als vertegenwoordiger van een politieke partij.
Is deze uitsluiting van deze groep burgers van het inspreekrecht juridisch juist?
Zie antwoord vraag 1.
Deelt u de opvatting dat het politiek ongewenst is dat bepaalde mensen op deze gronden worden uitgesloten van het inspreekrecht?
Zie antwoord vraag 1.
Zijn er andere gemeenten die soortgelijke maatregelen hebben genomen om bepaalde mensen uit te sluiten van het inspreekrecht?
Op dit moment zijn bij mijn departement soortgelijke regelingen niet bekend.
Bent u bereid dit besluit van de gemeente Oude IJsselstreek ter vernietiging voor te dragen aan de Kroon?
Van strijd met het recht of het algemeen belang is mij niets gebleken, zodat een voordracht tot vernietiging niet aan de orde is.
Het bericht dat geprivatiseerde gevangenissen niet goedkoper zijn |
|
Lea Bouwmeester (PvdA) |
|
Fred Teeven (staatssecretaris justitie en veiligheid) (VVD) |
|
|
|
|
Kent u het krantenartikel «Geprivatiseerde gevangenis is niet goedkoper»?1
Ja.
Deelt u de stelling van de auteurs dat de besparingen door privatisering zullen tegenvallen? Zo ja, welke conclusie trekt u hieruit? Zo nee, waarom niet?
De auteurs van het krantenartikel zijn van mening dat een geprivatiseerde gevangenis niet goedkoper is dan een publieke gevangenis. Zij baseren zich daarbij onder meer op de analyse van Hart, Shleifer en Vishny, waarin erop wordt gewezen dat het juist in een sector als het gevangeniswezen erg lastig is om in contracten vast te leggen aan welke kwaliteitseisen moet worden voldaan. Ook de monitorkosten om de naleving van de contracteisen te controleren zouden hoog zijn. De auteurs raken met hun opmerkingen over het opstellen van contractuele eisen en het monitoren van de naleving van deze eisen aan een belangrijk punt. Aan het WODC is gevraagd een onderzoek uit te voeren naar de voor- en nadelen van privatisering van voor het gevangeniswezen relevante taken. Het WODC zal de wijze waarop in andere landen wordt omgegaan met het opstellen van contracteisen en het monitoren van de naleving meenemen in zijn onderzoek. Het WODC zal op basis van dit onderzoek ook inzicht verschaffen in de financiële kosten en baten van privatisering van het gevangeniswezen in andere landen, voor zover de bestaande evaluatieonderzoeken daarover gegevens bevatten.
Bent u van plan om de lonen van het gevangenispersoneel te verlagen, omdat uit ervaringen in het buitenland is gebleken dat het een manier is om besparingen te realiseren?
Medewerkers van DJI vallen net als alle ambtenaren onder de CAO-Rijk en het ARAR. Daarmee worden medewerkers Beveiliging beloond conform de CAO-Rijk en zijn de functies gewaardeerd conform de rijksbrede functiewaarderingssystematiek. Onderhandelingen over de CAO worden gevoerd door de Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties.
Is het waar dat de kosten van privatisering hoog zijn, omdat ambtenaren zullen moeten vastleggen, controleren en rapporteren of de beveiligingsbedrijven hun verplichtingen nakomen?
Zie antwoord vraag 2.
Kent u de analyse van de Amerikaanse (en bepaald niet linkse) academici Hart, Shleifer en Vishny dat juist het gevangeniswezen een sector is waarbij de contractuele problemen van privatisering het grootst zijn en de winst het kleinst? Zo ja, waarom houdt u dan nog steeds de mogelijkheid open om het Nederlandse gevangeniswezen te privatiseren? Zo nee, waarom niet en kunt u dan een cijfermatig overzicht verschaffen van de financiële voordelen van privatisering van het gevangeniswezen in andere landen?
Zie antwoord vraag 2.
Deelt u de conclusie dat het privatiseren van gevangenissen leidt tot lagere lonen en slechtere arbeidsomstandigheden voor gevangenispersoneel en tot onveiliger gevangenissen? Zo ja, vindt u dit ook onwenselijk? Zo nee, waarom niet?
Zoals ik in mijn antwoord op de vragen 2, 4 en 5 heb aangegeven, zal het WODC in zijn literatuuronderzoek inzicht verschaffen in de financiële kosten en baten van privatisering van het gevangeniswezen in andere landen, voor zover de bestaande evaluatieonderzoeken daarover gegevens bevatten. De loonkosten vormen een belangrijk onderdeel van de kosten en zullen dan ook door het WODC in beeld worden gebracht. Op de uitkomsten van dit onderzoek wil ik niet vooruitlopen.
Is het waar dat besparing door gevangenissen goedkoper in te richten in Nederland niet te realiseren is omdat er gezien de overcapaciteit in cellen geen nieuwe gevangenissen gebouwd zullen gaan worden? Zo nee, hoe denkt u dan concreet dat er wel bezuinigd kan gaan worden op de inrichtingskosten van gevangenissen?
Op dit moment is er geen sprake van overcapaciteit bij het gevangeniswezen. In het Verenigd Koninkrijk, waarnaar in het Regeerakkoord met name wordt verwezen, is alleen ervaring opgedaan met de privatisering van nieuw te bouwen gevangenissen. Het is juist dat bij nieuw te bouwen gevangenissen de mogelijkheden om te privatiseren gunstiger zijn, omdat dan al bij het ontwerp van het gebouw optimaal rekening kan worden gehouden met de uit te voeren detentietaak. Op voorhand sluit ik overigens niet uit dat er ook mogelijkheden zijn om (deel)taken te privatiseren dan wel uit te besteden bij bestaande gevangenissen. Het WODC zal onderzoeken welke vormen van privatisering in de praktijk nog meer worden toegepast.
Een moeder die met het persoonsgebonden budget (PGB) geen kant op kan zonder begeleiding voor haar zoon |
|
Agnes Wolbert (PvdA) |
|
|
|
|
Kent u het bericht in het Algemeen Dagblad waarin een moeder stelt dat zij ondanks het PGB dat ze ontvangt voor de begeleiding van haar autistische zoon geen geschikte begeleiders kan vinden?1
Ja.
Is het waar dat de observatiekliniek deze cliënt naar huis heeft laten gaan zonder dat er een goede invulling voor de zorg voor hem thuis was gevonden? In hoeverre was de terugkeer naar huis ingegeven door bezuinigingen en een gebrek aan personeel bij de kliniek?
Uit de berichtgeving in het AD kan ik niet opmaken welke observatiekliniek hierbij betrokken is, noch de identiteit van de desbetreffende cliënt vaststellen.
Kunt u toelichten hoe vaak het voorkomt dat cliënten met een PGB naar huis worden gestuurd zonder dat er inhoud is gegeven aan de opvolgende zorg? In hoeverre hebben mensen in een dergelijke situatie werkelijk een keuze voor een PGB of zorg in natura?
Ik weet niet hoe vaak dit voorkomt. Wel bereiken mij signalen dat het groeiend beroep op de pgb-regeling door jeugdigen met psychiatrische problematiek (zoals ADHD, PDD/NOS en autisme) mogelijk samenhangt met een gebrek aan passende zorg binnen de ZVW en de AWBZ. Dit laat ik momenteel onderzoeken. Dit heb ik gemeld in mijn pgb-brief van 30 november (kenmerk: DLZ/SFI-U-3031834). Dit voorjaar zal ik u in mijn aangekondigde pgb-brief over de uitkomsten van dit onderzoek en mijn reactie hierop berichten. Mocht het inderdaad zo zijn dat passende zorg in natura voor deze cliënten ontbreekt, dan vind ik dat er geen sprake is van een volwaardige keuze tussen beide alternatieven.
Wie is in zulke gevallen verantwoordelijk voor de begeleiding bij het vinden van passende zorg? Op wie kunnen deze mensen een beroep doen?
Als een cliënt geïndiceerd is voor AWBZ-zorg, dan zijn er twee mogelijkheden: de cliënt kan aangeven of hij/zij de zorg in natura wil ontvangen of via een pgb de zorg wil realiseren. Bij keuze voor zorg in natura heeft het zorgkantoor een zorgplicht, dat wil zeggen dat het zorgkantoor actief op zoek dient te gaan naar een zorgaanbieder. Bij keuze voor een pgb is de cliënt zelf verantwoordelijk voor de inkoop van de zorg.
Deelt u de mening dat indien mensen voor passende zorg niet terecht kunnen bij zorg in natura, zij goed begeleid dienen te worden bij het vinden van een goede invulling van zorg via een PGB?
Als een cliënt kiest voor een pgb, dan is hij zelf verantwoordelijk voor het inkopen van zijn zorg. Dat is inherent aan het pgb. Ik ben er geen voorstander van om hiervoor een ondersteuningsaanbod voor budgethouders te ontwikkelen. Mocht de gewenste zorg in natura aanwijsbaar in de regio niet voorhanden zijn, dan heeft het zorgkantoor de verantwoordelijkheid om afspraken in de regio te maken zodat de benodigde zorg op korte termijn beschikbaar komt. Bij cliënten die kiezen voor een pgb heeft het zorgkantoor geen zorgplicht.
Deelt u de mening dat, indien deze begeleiding ontbreekt, dit kan leiden tot ongewenste en op den duur onverantwoorde situaties voor mensen met een zorgvraag en hun omgeving?
Zie antwoord vraag 5.
Welke stappen gaat u ondernemen om ervoor te zorgen dat mensen niet langer worden «afgescheept» met een PGB, maar op een goede manier worden begeleid, zodat zij het PGB kunnen inzetten zoals dat is bedoeld: voor goede, passende, persoonlijke zorg?
Mocht uit het onderzoek onder jeugdigen met psychiatrische problematiek blijken dat het zorg-in-natura aanbod ontoereikend is dan ga ik met de zorgkantoren en zorgverzekeraars in gesprek en zal ze daarbij wijzen op hun verantwoordelijkheden. Dit heb ik aangekondigd in mijn pgb-brief van
30 november 2010. In mijn pgb-(visie)brief van dit voorjaar ga ik in op de uitkomsten van dit onderzoek.
Pleegkinderen zonder nationaliteit |
|
Jeanine Hennis-Plasschaert (VVD) |
|
Piet Hein Donner (minister binnenlandse zaken en koninkrijksrelaties) (CDA) |
|
|
|
|
Bent u bekend met de brief van twee pleegouders die langdurige voogdij hebben over een in Nederland geboren jongen die tot zijn 18e geen vooruitzicht heeft op of een Nederlands paspoort of een Marokkaans paspoort, omdat zijn Marokkaanse moeder is overleden en zijn vader onbekend is?
Ja.
Bent u bekend met vergelijkbare situaties? Zo nee, kunt u onderzoeken of meer kinderen tot hun achttiende geen vooruitzicht hebben op een Nederlands of een ander paspoort?
Er is een zeer klein aantal gevallen bekend van minderjarige vreemdelingen die pleegkind zijn, waarbij de Nederlandse pleegouders de Nederlandse nationaliteit verlangen voor het pleegkind voor het bereiken van de meerderjarigheid, al dan niet omdat een andere nationaliteit voor het pleegkind moeilijk te verkrijgen is. Soms gaat het daarbij om pleegouders die zelf ook vreemdeling zijn en voor zichzelf en hun eventuele kinderen naturalisatie vragen.
Deelt u de mening dat het Internationaal Verdrag inzake de Rechten van het Kind, waar Nederland zich aan committeert en waarin is opgenomen dat een kind recht heeft op een naam en nationaliteit (artikel 7), moet worden nageleefd? Zo ja, wat betekent dat voor deze jongen en voor kinderen in mogelijk vergelijkbare situaties?
Nederland is partij bij het Internationaal Verdrag inzake de Rechten van het Kind (IVRK) en leeft dat na. Artikel 7 van het IVKR bepaalt dat kinderen het recht hebben om een nationaliteit te verwerven. Ingevolge het tweede lid van artikel 7 IVRK dient de verwezenlijking van dit recht gewaarborgd te worden in overeenstemming met het nationale recht en internationale verplichtingen, waarbij een bijzondere positie is weggelegd voor het kind dat anders staatloos zou zijn. In de in de brief geschetste casus is overigens geen sprake van de iure staatloosheid, omdat kan worden aangenomen dat het kind naar geldend Marokkaans recht de Marokkaanse nationaliteit heeft.
De verwerving van het Nederlanderschap is zowel voor kinderen als voor volwassenen uitgewerkt in de Rijkswet op het Nederlanderschap. Het recht om een nationaliteit te verwerven voor kinderen is hiermee voldoende gewaarborgd.
Bent u bereid in overweging te nemen of het mogelijk is dat deze jongen en kinderen in vergelijkbare situaties de Nederlandse nationaliteit kunnen krijgen? Zo nee, waarom niet?
Voogdij is de uitoefening van gezag over een minderjarig kind door een ander dan de ouders (artikel 1:245 BW). Dit kan zowel door een rechtspersoon geschieden als door een natuurlijk persoon. Voogdij kan worden uitgeoefend als de ouders van het kind zijn overleden, of als de ouders (tijdelijk) niet in staat zijn om het gezag uit te oefenen. Er ontstaat geen afstammingsrelatie tussen de voogd en het kind. Het Nederlanderschap kan bij voogdij dan ook niet door afstamming worden verkregen. Als in casu door adoptie van het pleegkind een afstammingsrelatie kan worden gevestigd, dan kan het Nederlanderschap mogelijk door afstamming verkregen worden.
De rechtspositie van minderjarige vreemdelingen die door pleegouders worden verzorgd ten aanzien van de nationaliteitsverkrijging verschilt in beginsel niet van minderjarige vreemdelingen die door hun eigen ouders worden verzorgd. Hoofdregel van de Rijkswet op het Nederlanderschap is dat voor een zelfstandig verzoek tot naturalisatie of optieverlening meerderjarigheid in beginsel is vereist. Voor enkele categorieën minderjarigen is het mogelijk om, onder voorwaarden, gedurende de minderjarigheid te opteren voor het Nederlanderschap. Voor pleegkinderen kan dit relevant zijn als sprake is van staatloosheid (artikel 6, eerste lid onder b).
In uitzonderlijke situaties kan een beroep worden gedaan op artikel 10 RWN. Voor inwilliging van een verzoek op grond van artikel 10 RWN dient de Raad van State van het Koninkrijk om advies gevraagd te worden. Op grond van het staande beleid kan met toepassing van dit artikel een pleegkind onder de volgende omstandigheden de Nederlandse nationaliteit verkrijgen:
Ook als niet is voldaan aan bovenstaande voorwaarden maar wel sprake is van zwaarwegende humanitaire omstandigheden, kunnen pleegkinderen het Nederlanderschap verkrijgen.
Naturalisatie van pleegkinderen op grond van artikel 10 RWN heeft zich in de loop der jaren enkele keren voorgedaan. Er is, behoudens de bovengenoemde uitzonderlijke gevallen, geen rechtvaardiging om onderscheid te maken in de verkrijging van de nationaliteit tussen verschillende minderjarige vreemdelingen op grond van hun verzorgingssituatie.
Verlening van een vreemde nationaliteit is afhankelijk van de wetgeving van het betreffende land, in dit geval Marokko. Het is aan degene die de voogdij over de minderjarige heeft om er zorg voor te dragen dat ook daadwerkelijk een geldig nationaal paspoort wordt verkregen. Over de casus zoals deze in de brief is geschetst kan zonder een aanvraag en onderzoek van de relevante omstandigheden geen uitsluitsel worden gegeven.
De onrechtmatigheid van de Statenverkiezingen van 2 maart 2011 |
|
Cynthia Ortega-Martijn (CU) |
|
Piet Hein Donner (minister binnenlandse zaken en koninkrijksrelaties) (CDA) |
|
|
|
|
Heeft u kennisgenomen van het bericht «Statenverkiezingen zijn onrechtmatig»?1
Ja
Deelt u de opvatting van de Groningse staatsrechtgeleerde Douwe Jan Elzinga dat de statenverkiezingen van 2 maart aanstaande onrechtmatig zijn? Is het waar dat deze uitsluiting van stemrecht ook in strijd is met het gelijkheidsbeginsel uit Internationale verdragen? Zo nee, waarom niet? Indien in de toekomst blijkt dat er toch sprake is van onrechtmatigheid, wat zijn dan de gevolgen daarvan?
Die opvatting deel ik niet. De leden van de Eerste Kamer worden gekozen door de leden van provinciale staten (artikel 55 van de Grondwet). De openbare lichamen Bonaire, Sint Eustatius en Saba zijn niet provinciaal ingedeeld, dus hun ingezetenen nemen niet deel aan de verkiezing van de provinciale staten. De verkiezing van de leden van de Eerste Kamer door de leden van provinciale staten (en dus niet door iedere Nederlander) is een uitzondering op de hoofdregel van artikel 4 van de Grondwet dat iedere Nederlander gelijkelijk het recht heeft de leden van algemeen vertegenwoordigende organen te kiezen. Internationale verdragsbepalingen, waaronder artikel 3 van het Eerste protocol bij het Europees verdrag voor de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden en artikel 25 van het verdrag voor Burger en Politieke Rechten van de VN verplichten niet tot toekenning van het kiesrecht voor een orgaan als de Eerste Kamer aan eenieder. Vele andere landen in Europa (en daarbuiten) kennen een tweekamersysteem dat vergelijkbaar is met het Nederlandse, waarbij één van beide kamers niet rechtstreeks wordt gekozen. Ook het gelijkheidsbeginsel dat in deze verdragen is vastgelegd gaat niet zo ver dat dit ertoe zou verplichten het kiesrecht voor de Eerste Kamer toe te kennen aan een wezenlijk ander orgaan dan provinciale staten, zoals de eilandsraad.
De heer Elzinga veronderstelt in zijn artikel dat een rechter, indien hij deze vraag krijgt voorgelegd, daar mogelijk anders over zal denken. Ik wil daar niet over speculeren.
Wel acht ik het wenselijk om de eilandsraden ook in het electoraat van de Eerste Kamer te betrekken. Op die wijze krijgen de Nederlandse ingezetenen van de openbare lichamen, net als Nederlanders in Nederland via de provinciale staten, indirect invloed op de samenstelling van de Eerste Kamer. Een daartoe strekkende wijziging van de Grondwet is in voorbereiding.
Hoe staat het met de toezegging dat de BES-eilanden een stem zullen krijgen in zowel de Eerste Kamer als de Tweede Kamer? Op welke manier heeft de regering dat uitgewerkt of op welke termijn gaat zij dat doen?2
De inwoners van de BES-eilanden hebben momenteel al kiesrecht voor de leden van de Tweede Kamer. Er is een grondwetswijziging in voorbereiding die ertoe strekt het kiesrecht voor de leden van de Eerste Kamer ook aan de leden van de eilandsraden toe te kennen. Het wetsvoorstel zal binnenkort voor advies aan de Afdeling advisering van de Raad van State worden voorgelegd.
Wanneer kan de Kamer de Grondwetswijziging met betrekking tot de nieuwe status van de BES-eilanden tegemoet zien?
Zie antwoord vraag 3.
Kent u de beslissing van Eurostat om geld dat via het Europese steunfonds EFSF wordt uitgeleend bij de staatsschuld van lidstaten op te tellen, proportioneel naar het bedrag dat een land heeft uitgeleend?12
Ja.
Bent u ervan op de hoogte dat wat betreft de vereisten van het Stabiliteits- en Groeipact deze boekhoudmethode dus directe gevolgen heeft voor de grootte van de Nederlandse staatsschuld? Kunt u bevestigen dat wanneer de Nederlandse garantstelling maximaal wordt gebruikt wordt dit zelfs een stijging betekent van € 26 miljard ofwel 4% van de staatsschuld, terwijl tegenover het uitgeleende bedrag een vordering staat en het saldo van de staatsschuld netto gelijk blijft.
Als de Nederlandse garantstelling van circa 4 procent BBP maximaal afgegeven wordt, dan zal de EMU-schuld van Nederland met circa de helft toenemen, dus met circa 2 procent BBP. Een aantal componenten van de garantie leiden namelijk niet tot een verhoging van de schuld van de Nederlandse overheid. Deze componenten tellen op tot circa de helft van de Nederlandse garantie. Zo heeft Eurostat bepaald dat de volgende componenten niet meetellen voor de staatsschuld (1) de garantie voor de rente op obligaties van EFSF, (2) de overgaranties voor de verplichtingen van EFSF en (3) de loan specific cash buffer en cash reserve. Tegenover deze toename in schuld staat inderdaad een vordering. De netto staatsschuld stijgt dus niet, maar net als bij de nationale interventies gaat Eurostat uit van de bruto staatsschuld.
Betekent de beslissing van Eurostat dat, indien Nederland of een ander land door de beslissing boven de gestelde normen in het Stabiliteits- en Groeipact (en buitensporig-tekortprocedure) uit zal komen, het derhalve gedwongen zal worden maatregelen te nemen om de staatsschuld terug te brengen? Zo ja, wat vindt u daarvan? Zo nee, betekent dit in dat geval wederom een verslapping van de naleving van de regels, zoals die zijn vastgelegd in het Stabiliteits- en Groeipact?
De 60%-grens voor schuld in het Stabiliteits- en Groeipact heeft betrekking op de bruto schuld. Bij het verstrekken van de lening aan Griekenland is er afgesproken om in de buitensporigtekortprocedure en bij de beoordeling van de stabiliteitsprogramma’s rekening te houden met het feit dat een deel van de schuld is ontstaan door de lening aan een andere lidstaat. Lidstaten zullen dan ook niet op basis van het SGP gedwongen worden om extra maatregelen te nemen om hun schuld terug te brengen. Dit betekent niet een verslapping van de naleving van de regels van het SGP, aangezien de regels nog gewoon op basis van de bruto schuld worden toegepast, en alleen met deze vorderingen rekening wordt gehouden. Dat is natuurlijk redelijk, omdat het niet gewenst is dat landen in het strafbankje komen omdat ze maatregelen nemen die in het belang zijn voor de stabiliteit voor het eurogebied als geheel. Overigens zouden veel eurolanden ook een schuld boven de 60%-grens hebben als de lening aan Griekenland en Ierland niet zou hebben meegeteld. Zij moeten dus sowieso al maatregelen nemen.
Deelt u de mening dat het niet de bedoeling kan zijn dat landen die vrijwillig bijdragen aan het steunfonds om de stabiliteit van de euro te waarborgen en de Europese economie sterker te maken, zoals Nederland, benadeeld worden door deze nieuwe boekhoudmethode van Eurostat?
Ik ben het eens dat landen die deelnemen aan het EFSF niet om die reden benadeeld moeten worden binnen het SGP. Dat gaat ook niet gebeuren (zie vraag 3). Wel vind ik het belangrijk dat Eurostat de boekhoudmethode volgens de afgesproken en regels toepast, ook als dat betekent dat dit leidt tot een hogere bruto staatsschuld voor de landen die deelnemen aan het EFSF. Ik vind dan ook niet dat Nederland benadeeld wordt door de beslissing van Eurostat.
Zult u deze zorg met de Europese ministers van Financiën delen en er bij hen op aandringen hiervoor een oplossing te vinden?
Hierover zijn inmiddels afspraken gemaakt (zie vraag 3). Er is dan ook al een oplossing voor gevonden.
De zorg bij de Osira-groep |
|
Renske Leijten |
|
Wat is uw inhoudelijke reactie op het rapport over Osira?1
Ik heb het rapport gelezen. Zoals ik in het Algemeen Overleg over Monteverdi en Houtwijk op woensdag 26 januari jl. heb gezegd, vind ik een aantal punten heel belangrijk en wil ik mij inzetten om deze punten goed voor het voetlicht te krijgen. Ik vind de mening van de cliënten en het personeel van groot belang, zij moeten gehoord worden in een organisatie. De afstand tussen management/ bestuur en de werkvloer moet kleiner worden. De cliëntenraad en ondernemingsraad moet voldoende geïnformeerd en gehoord worden, helemaal als er sprake is van veranderingen in een organisatie. Ik wil graag dat er meer gebruik wordt gemaakt om kennis van buiten, naar binnen te halen. Zoals het gebruik maken van best practices. Met deze punten geef ik aan, waar ik me de komende tijd voor wil inzetten. Dit geldt niet alleen voor Monteverdi, Houtwijk en de OsiraGroep, maar voor alle zorgorganisaties.
Er lopen er een aantal programma’s waar zorgorganisaties aan mee kunnen doen, waarmee de organisatie zich kan verbeteren zoals In voor Zorg en Zorg voor Beter. Het deelnemen aan deze verbeterprogramma’s wil ik stimuleren. Het kabinet heeft € 860 miljoen beschikbaar gesteld om de kwaliteit in de langdurige zorg te verbeteren. Een deel van dit geld zal zeker besteed gaan worden aan opleiding en bijscholing van verzorgenden en verpleegkundigen.
Wanneer zal de Inspectie voor de Gezondheidszorg (IGZ) reageren op het rapport?2
De Inspectie voor de Gezondheidszorg (IGZ) is 4 februari gestart met hun onderzoek bij de OsiraGroep. Zij zullen een aantal zorginstellingen van de OsiraGroep gaan bezoeken. Ik wacht hun rapporten af. De IGZ zal in deze rapporten hun bevindingen aangeven.
Bent u van mening dat de IGZ voorlopig zou moeten overgaan tot verscherpt toezicht? Zo nee, waarom niet?
Zie antwoord vraag 2.
Wat is uw reactie op de aanbeveling om de overheadkosten van Osira te maximeren? Kunt u uw antwoord toelichten?
Zie antwoord vraag 1.
Wat is uw reactie op de aanbeveling om het personeel van Osira de zeggenschap en middelen te geven om per locatie een oplossing voor de problemen te bedenken en deze door te voeren? Kunt u uw antwoord toelichten?
Zie antwoord vraag 1.
Wat is uw reactie op de conclusie dat Osira te groot is geworden om nog verantwoorde zorg te kunnen bieden? Kunt u uw antwoord toelichten?
Zie antwoord vraag 1.
Wat is uw reactie op de aanbeveling dat Osira voorlopig niet zou moeten fuseren met andere zorginstellingen? Kunt u uw antwoord toelichten?
Zie antwoord vraag 1.
Wat is uw reactie op de constatering dat de afstand tussen het bestuur van Osira en de werkvloer te groot is? Kunt u uw antwoord toelichten?
Zie antwoord vraag 1.
Wat verdienen de bestuurders van Osira? Wat is uw mening over deze beloning?
De inkomens van de bestuurders zijn openbaar en opgenomen in het jaarverslag van de OsiraGroep. Als staatssecretaris heb ik geen formele bevoegdheid om me met de bestuursinkomens te bemoeien.
Wat is uw kwalificatie over de «stopwatchzorg» en het beleid van «zorgroutes» bij Osira? Bent u van mening dat bijvoorbeeld een toiletbezoek maximaal twee minuten en 15 seconden aan tijd mag kosten? Kunt u uw antwoord toelichten?
Ik denk dat een zorgroute goed in kaart kan brengen waar knelpunten in de zorg liggen of kunnen optreden. Het moet een hulpmiddel zijn en geen manier van werken. De zorgmanager kan het gebruiken bij de inzet van het personeel en de verdeling van het werk. Echter de verzorgende moet niet met een minutenbriefje in de hand de zorg verlenen. De zorg moet verleend worden conform de zorgafspraken die in overleg met de cliënt, in het zorgplan zijn opgenomen.
Wat is uw reactie op de aanbeveling dat werken in de zorg aantrekkelijker kan worden gemaakt door te vermijden dat het werk het karakter van productiewerk krijgt? Zo ja, zou een verbod op minutenregistratie niet een van de voor de hand liggende eerste maatregelen moeten zijn? Kunt u uw antwoord toelichten?
Zie antwoord vraag 10.
Vindt u het vervangen van vaste krachten door flexwerkers een uit zorgoogpunt verantwoorde ontwikkeling? Zo nee, wat gaat u aan deze ontwikkeling doen?
Ik ben me ervan bewust dat er gebruik wordt gemaakt van flexwerkers. Helaas is de arbeidsmarkt niet zo gunstig dat er genoeg en veel zorgverlenend personeel voor handen is. Ik wil daarbij sterk benadrukken dat het steeds terugkerend negatieve beeld dat wordt geschetst over de ouderenzorg, niet bijdraagt aan het vinden van goed personeel of het opleiden van nieuw personeel.
Deelt u de mening dat de zorg meer behelst dan een optelsom van omschreven «prestaties» met daarop toegespitste financiering? Wilt u uw antwoord toelichten?
Zie antwoord vraag 1.
Wat is uw reactie op de brief van de OsiraGroep naar aanleiding van het rapport?3
Ik denk dat dit iets is tussen de OsiraGroep en uw partij.
Welk bedrag geeft Osira jaarlijks uit aan persvoorlichters en reclame-uitingen? Vindt u dit een verstandige besteding van zorggeld? Kunt u uw antwoord toelichten?
Ik weet niet hoeveel geld Osira jaarlijks uitgeeft aan persvoorlichters. Dit is een interne beleidsaangelegenheid, nogmaals als staatssecretaris ben ik hier niet verantwoordelijk voor en is het ook niet aan mij om me hier mee te bemoeien.
Is uw oordeel dat de interne klachtenregeling van Osira naar behoren functioneert? Kunt u uw antwoord toelichten?
Zie antwoord vraag 2.
Wat is uw oordeel over het feit dat verpleeghuisarts R.L., die zich geroepen voelde te spreken over misstanden binnen Osira, wordt gedreigd met een dwangsom? Vindt u dit terecht en vindt u dit een vertrouwenwekkende handelwijze van Osira-bestuurders?4
Ik heb geen bemoeienis met de bedrijfsinhoudelijke aspecten van welke zorgorganisatie dan ook, dus ook niet van de OsiraGroep. Ik kan dan ook geen uitspraken doen over deze situatie.
Zijn zorgbestuurders die advocaten op critici afsturen bevorderlijk voor uw «pluisgevoel»? Wilt u uw antwoord toelichten?5
Deze vraag heeft volgens mij betrekking op een andere zorgorganisatie. Over de gang van zaken binnen deze organisatie heb ik mijn mening duidelijk weergegeven in het AO van woensdag 26 januari jl.
Hoe gaat u de onverantwoorde werkdruk bij Osira en elders in de zorg aanpakken, om te voorkomen dat, in uw woorden, «het kaarsje uitgaat» bij het personeel?
Zie antwoord vraag 1.
Bent u bereid werk te maken van een klokkenluidersregeling voor zorgpersoneel, zodat personeel veilig misstanden kan melden zonder angst voor intimidatie of sancties? Kunt u uw antwoord toelichten?
Ik ben van mening dat medewerkers die klachten hebben dit altijd eerst moeten melden binnen de eigen organisatie, volgens de procedure zoals dat gebruikelijk is binnen de zorginstelling. Medewerkers kunnen ook gebruik maken van een vertrouwenspersoon. De zorgorganisatie heeft zelf een verantwoordelijkheid om goed om te gaan met het personeel en een klachtencommissie beschikbaar te stellen.
Wat is uw reactie op het verweer van het Osira-bestuur dat de problemen voor een belangrijk deel veroorzaakt worden door de zorgzwaartepakketten (zzp’s)? Zo nee, welke bewijzen kunt u aanvoeren voor het tegendeel? Zo ja, bent u voornemens een einde te maken aan de zzp-financiering en het productdenken uit te bannen uit de zorg? Wilt u uw antwoord toelichten?
Ik ben het hier niet mee eens. Als blijkt dat de indicatie van de cliënt niet meer voldoende ruimte biedt om goede zorg te verlenen, dan zal de zorginstelling een herindicatie moeten aanvragen bij het CIZ. Bij een verhoging van het ZZP, kunnen er nieuwe zorgafspraken worden gemaakt.
De ZZP’s zijn dusdanig ontwikkeld dat iedere cliënt hiermee voldoende zorg kan ontvangen. De ZZP’s schrijft geen minuten voor en geeft niet aan hoe de bedrijfsvoering wordt ingericht. Dit is de eigen verantwoordelijkheid van de zorginstelling.
Bent u van mening dat er in toenemende mate een managerscultuur heerst in de zorg? Zo nee, waarom niet? Zo ja, op welke wijze gaat u voorkomen dat de menselijkheid en arbeidsvreugde in de zorg worden opgeofferd aan bedrijfseconomisch denken? Zo nee, waarom niet?
Zoals ik al eerder heb geantwoord, wil ik zorgen dat de afstand tussen de werkvloer en het management verminderd wordt. In sommige organisaties is deze afstand te groot, waardoor het moeilijk is een organisatie aan te sturen en te weten welke knelpunten en wensen er in de zorg liggen. Door het verkleinen van deze afstand verwacht ik dat er een betere afstemming ontstaat, met als uiteindelijk resultaat kwalitatief goede zorg en tevreden medewerkers en cliënten.
Kunt u garanderen dat de bewoners van Osira en andere zorginstellingen goede, menswaardige zorg krijgen vóór het einde van uw regeertermijn? Indien u dit niet kunt garanderen, hoe verhoudt dit zich tot uw grondwettelijke zorgplicht? Wilt u uw antwoord toelichten?
Ik weet dat de meeste bewoners en cliënten al goede en menswaardige zorg ontvangen. Dit blijkt wel uit de jaarlijkse kwaliteitsmeting die zorgorganisaties verplicht zijn uit te voeren. Maar het blijkt ook andere onderzoeken, die onder andere ActiZ en het SCP hebben uitgevoerd, waarbij de cliënttevredenheid is onderzocht.
Welk collegiaal advies wilt u, vanuit uw kennis en ervaring van de zorg, meegeven aan de vertrekkende bestuurder van Haagse Wijk- en WoonZorg (HWW Zorg) die in het kader van een nieuwe carrièremove bij Osira aan de slag gaat?6
Ik reageer nu vanuit mijn functie als staatssecretaris en wil geen verwarring schetsen hieromtrent.
De doorgifte van de programmering van BVN (Beste Vlaanderen en Nederland) in Zuid-Afrika |
|
Martijn van Dam (PvdA) |
|
Marja van Bijsterveldt (minister onderwijs, cultuur en wetenschap) (CDA) |
|
|
|
|
Is het correct dat BVN1 de uitzendingen via MultiChoice wilde beëindigen omdat MultiChoice niet had deelgenomen aan de aanbesteding?2
BVN heeft een aanbesteding gedaan voor free-to-air (gratis) ontvangst voor Midden- en West- Afrika. De winnaar van die aanbesteding bedient dat gebied, waarbij gelijktijdig dekking van het signaal voor zuidelijk Afrika ontstaat. MultiChoice heeft bereik in beide gebieden, was op de hoogte, maar heeft niet ingeschreven op de aanbesteding. Bij voortzetting van het contract met MultiChoice ontstaat dubbele dekking en dubbele kosten. Daarom heeft BVN er voor gekozen het bestaande contract met MultiChoice niet te verlengen.
Betreft de distributie van het signaal van BVN in zuidelijk Afrika werkelijk een opdracht die onder de aanbestedingsplicht valt? Zo ja, waarom?
Ja. BVN is een aanbestedende dienst in de zin van de Richtlijn 2004/18/EG en het Besluit aanbestedingsregels voor overheidsopdrachten (Bao) waarmee deze Richtlijn in Nederland is geïmplementeerd. De onderhavige opdracht tot satelliet-distributie is aan te merken als een overheidsopdracht voor diensten op grond van het Bao. Aanbestedende diensten dienen overheidsopdrachten voor diensten aan te besteden wanneer bij de raming van de contractwaarde van de opdracht de vigerende aanbestedingsdrempel wordt overschreden, wat hier het geval is.
Kan de distributie van dit signaal niet gewoon gegund worden aan partijen met een aantoonbaar groot bereik onder Nederlanders in de betreffende landen? Klopt het dat andere EU-landen de distributie van hun omroepsignaal in het buitenland wel gewoon gunnen en niet aanbesteden?
De keuze voor doorgifte van signaal in een gebied vindt plaats op basis van het bereik onder Nederlandssprekenden. Zoals aangegeven bij vraag 2 is BVN gehouden dergelijke opdrachten aan te besteden. Deze verplichting geldt ook voor andere EU-lidstaten en die passen de Europese aanbestedingsregels ook toe.
Kunt u uitleggen waarom het mogelijk is dat de doorgifte wel verlengd kon worden tot mei, maar dat er geen garantie gegeven kan worden voor doorgifte daarna? Waarom werd de verlenging van de doorgifte pas zo laat (21 januari) bekend gemaakt, waardoor wellicht mensen nu al een nieuwe satelliet hebben aangeschaft omdat ze dachten het signaal anders per 1 februari niet meer te kunnen ontvangen?
Het late tijdstip van de verlenging hangt samen met een onverwacht aantal negatieve reacties van kijkers. Zij bleken niet snel te kunnen of willen wijzigen van het huidige betaalpakket naar een nieuwe situatie met free-to-air ontvangst, lage eenmalige kosten ten spijt. BVN heeft binnen het bestaande contract gekozen voor een verlenging van doorgifte van het signaal tot 1 mei 2011. Met deze verlenging wordt de kijkers tijd gegund om hun ontvangstapparatuur aan te passen en wordt beoogd de introductie soepeler te laten verlopen.
Bent u het met mij eens dat het zeer onwenselijk is dat Nederlanders in zuidelijk Afrika gedwongen worden een nieuwe satellietschotel aan te schaffen waarmee ze de Astra 4A-satelliet kunnen ontvangen, terwijl ze via het bestaande Multichoice-abonnement waarmee nu BVN kan worden ontvangen, ook alle andere relevante zenders kunnen ontvangen?
De kosten voor de eenmalige aanschaf of aanpassing van de schotel en toebehoren, van ca. € 150 wegen op tegen de jaarlijks terugkerende abonnementskosten van het pluspakket van MultiChoice. Na enige tijd is deze investering terugverdiend en is dit een goedkoper alternatief voor de doelgroep.
Kunt u toezeggen zich tot het uiterste te zullen inspannen om te zorgen dat Nederlanders in zuidelijk Afrika gewoon via MultiChoice BVN kunnen blijven kijken?
Gezien bovenstaande informatie kan ik dit niet toezeggen.
De loonsverlaging van 650 thuiszorgmedewerkers van Viva zorggroep |
|
Renske Leijten |
|
Wat vindt u ervan 650 thuiszorgmedewerkers van Viva zorggroep loonsverlaging krijgen, omdat het anders «over en uit» is?1
Het gaat hier om ondersteuning in het kader van de Wet maatschappelijke ondersteuning (Wmo). Gemeenten zijn daarbij de primair verantwoordelijke overheid.
Het is primair aan ViVa! zorggroep, vakbonden en gemeenten om ieder hun verantwoordelijkheid te nemen en om hier goede afspraken over te maken.
Vindt u het terecht dat de medewerkers de rekening gepresenteerd krijgen omdat de gemeenten in Kennemerland te lage prijzen betalen? Kunt u uw antwoord toelichten?
Indien een instelling, om wat voor redenen dan ook, continuïteitsproblemen kent, kan dit consequenties hebben voor het betrokken personeel. In dit geval heeft ViVa! Zorggroep zelf een tarief geoffreerd en is er geen tarief door de gemeenten «neergezet». De gecontracteerde tarieven lijken daarbij niet uit de pas te lopen bij de gemiddelde tarieven elders in het land.
Wat betalen de gemeenten (Velsen, IJmond, Haarlem en anderen) voor de thuiszorg? Wat is uw oordeel over hun prijs?
Zie antwoord vraag 2.
Is het juridisch juist dat alle medewerkers, ongeacht hun werkgebied en ongeacht de prijzen die gemeenten betalen, loon inleveren?
Zie antwoord vraag 1.
Bent u van mening dat gemeenten in hun bestek een juiste Functie Waardering Gezondheidszorg (FWG)-inschaling moeten opnemen wanneer zij besluiten openbaar aan te besteden? Kunt u uw antwoord toelichten?
Nee, werkgevers en werknemers hebben gezamenlijk afspraken gemaakt over de wijze waarop werkzaamheden en beloning gekoppeld zijn. De medewerkers van ViVa! Zorggroep vallen onder de CAO voor Verpleeg- en Verzorgingshuizen en Thuiszorg (VVT). Deze medewerkers dienen dus, zelfs zonder dat gemeenten dit in hun bestek opnemen, conform deze CAO beloond te worden.
Bent u het eens met de interpretatie van de gemeente Haarlem dat de aanbestedingsregels verhinderen dat een te lage prijs in een contract wordt omgezet in een redelijke (kostendekkende) prijs? Kunt u uw antwoord toelichten?
Een gemeente moet vooraf sturen op de beleidsdoelen die ze wil bereiken. Aanbesteden is een instrument om deze doelen te realiseren. De aanbestedingsregels zorgen er voor dat aanbestedende diensten op transparante wijze inkopen en bepaalde marktpartijen niet worden bevoordeeld. Dit betekent ook dat gemaakte afspraken tijdens de contractperiode niet zomaar kunnen worden gewijzigd. Een wezenlijke wijziging van de afspraken, bijvoorbeeld een forse verhoging van het tarief, zou kunnen leiden tot een dergelijke bevoordeling en voor andere marktpartijen (zoals andere geïnteresseerde marktpartijen) een reden kunnen zijn een juridisch procedure te starten wegens inbreuk op het aanbestedingsrecht.
Bent u zich er van bewust dat de boete van de Nederlandse Mededingingsautoriteit (NMa) zorggeld onttrekt aan de zorg? Bent u bereid de NMa te verzoeken de boetes niet te innen?
Over de boetes en het boetebeleid van de NZa heeft de minister van VWS begin november schriftelijke vragen van u beantwoord (TK 2010–2011, Aanhangsel 599). Ik verwijs u daar naar, in het bijzonder naar het antwoord op uw vraag 11.
Bent u van mening dat het werken in de zorg op deze manier aantrekkelijk wordt gemaakt? Kunt u uw antwoord toelichten?
Nee, arbeidsonrust is nooit bevorderlijk voor een goed klimaat op de arbeidsmarkt van een sector. Ik heb er echter vertrouwen in – gezien hetgeen dat in gang gezet is – dat betrokken partijen deze kwestie zo spoedig mogelijk op een voor iedereen zo acceptabel mogelijke wijze zullen oplossen.
De moord op een Oegandese homoactivist |
|
Ahmed Marcouch (PvdA) |
|
|
|
|
Kent u het bericht dat een Oegandese homoactivist recent is vermoord?1
Ja.
Kunt u aangeven of de negen personen die op de lijst van de lokale krant Rolling Stone staan moeten vrezen voor hun leven? Als ze voor hun leven moeten vrezen, kunt u aangeven welke rol u voor de Nederlandse ambassade ziet weggelegd om deze mensen te beschermen?
In de publicaties van de Ugandese krant Rolling Stone Magazine zijn enkele tientallen namen van (vermeende) homoseksuelen genoemd. Nederland heeft naar aanleiding van de moord op mensenrechtenactivist David Kato reeds bij de Ugandese autoriteiten aangedrongen op adequate beveiliging van activisten op het gebied van de rechten van seksuele minderheden.
Nederland financiert daarnaast de organisatie East and Horn of Africa Human Rights Defenders Project (EHAHRDP). Deze organisatie gaat momenteel na wat de acute behoeften zijn van een veertigtal bedreigde homoseksuelen in Uganda, op basis waarvan maatregelen zullen worden genomen om hen te beschermen.
Deelt u de mening dat de zogenaamde Anti-homoseksualiteitswet in strijd is met de fundamentele rechten van de mens? Heeft u uw zorgen geuit richting de Oegandese autoriteiten dat de uitwerking van deze wet haatzaaiend is? Zo ja, kunt u de Kamer van die inspanningen op de hoogte stellen? Zo nee, waarom niet?
Sinds het betreffende wetsvoorstel, de zogenaamde Bahati-Bill, voor het eerst werd bekendgemaakt in oktober 2009 heeft Nederland bilateraal en in EU-verband bij herhaling en op politiek niveau ernstige zorgen geuit over de voorgestelde wetgeving. Daarbij is Uganda eveneens op zijn verplichtingen gewezen onder de door dat land geratificeerde verdragen op mensenrechtengebied.
De Bahati-Bill was een initiatief van een individueel parlementslid en is tot op heden niet in behandeling genomen door het Oegandese parlement. De Oegandese regering heeft afstand genomen van het wetsvoorstel.
Deelt u de mening dat er druk moet worden uitgeoefend op de Oegandese regering om duidelijk te maken dat het aannemen van deze wet bijdraagt aan een klimaat van onderdrukking tegen homo's? Zo ja, ziet u hier een rol weggelegd om dit zelf aan te kaarten of anders in EU verband aan te kaarten bij de Oegandese regering?
Zie antwoord vraag 3.
Kunt u aangeven hoe Nederland staat tegenover mogelijke asielaanvragen van Oegandese homoseksuelen?
Nederland behandelt asielaanvragen op individuele basis en zal eventuele aanvragen van Oegandese homoseksuelen op hun specifieke merites beoordelen.
Criminele activiteiten in de taxi wereld |
|
|
|
|
Bent u bekend met het artikel «Coke koop je in de taxi»?1
Ja, met de kanttekening dat het artikel mij bekend is onder de titel «Taxi’s Cocaïne Amsterdam».
Wat vindt u ervan dat door een kleinschalige steekproef al zoveel criminele activiteiten aan het licht zijn gebracht? Deelt u de mening dat dit doet vermoeden op grote schaal taxichauffeurs wat extra’s bijverdienen?
Een betrouwbaar beeld over de omvang van handel in drugs door taxichauffeurs is naar mijn oordeel, mede vanwege de beperkte schaal van de steekproef, niet af te leiden uit het artikel. Handel in cocaïne is strafbaar en niet acceptabel.
Zijn er bij u meer cijfers bekend over dergelijke criminele activiteiten in de taxiwereld en is bij u bekend of het hier gaat om de zogenaamde «vrije rijders» of komt dit ook voor onder taxi chauffeurs die aangesloten zijn bij een erkende taxiorganisatie?
Voor een algemeen beeld over aanwezigheid van criminaliteit in de taxisector verwijs ik naar het rapport «Preventieve doorlichting van de taxibranche», dat de toenmalige Minister van Justitie per brief van 20 maart 2009 aan de Tweede Kamer gezonden heeft (Kamerstuk 29 911, nr. 25). Het rapport gaat overigens niet in op specifieke groepen taxichauffeurs en de verschillen tussen «vrije rijders» en taxichauffeurs die aangesloten zijn bij een erkende taxiorganisatie.
Welke maatregelen gaat u nemen om de criminelen tussen de goedwillende taxi chauffeurs uit te pikken? Bent u bereid deze maatregelen aan te scherpen?
Zoals bekend zijn de politie en het Openbaar Ministerie verantwoordelijk voor de opsporing en vervolging van overtredingen. Vanuit mijn verantwoordelijkheid voor veilig en betrouwbaar taxivervoer met het oog op het belang van de consument, wijs ik erop dat recent meerdere maatregelen genomen zijn om de integriteit van de taxichauffeur beter te borgen.
Sinds medio 2010 heeft de Inspectie Verkeer en Waterstaat (IVW) de bevoegdheid om een chauffeurspas te schorsen bij ernstige delicten of het vermoeden hiervan. Deze bevoegdheid maakt onderdeel uit van de wijziging van het Besluit personenvervoer 2000 d.d. 4 mei 2010.
Voorts is door het Ministerie van Veiligheid en Justitie de implementatie voorbereid van een systeem van continue screening van de integriteit van taxichauffeurs, dat volgens planning medio 2011 in werking treedt (31 521, nr. 57). Dit systeem houdt in dat in het geval een taxichauffeur strafrechtelijk wordt vervolgd dan wel veroordeeld voor het plegen van een ernstig delict, het Ministerie van Veiligheid en Justitie daarvan melding doet aan IVW. Op grond van het Besluit personenvervoer 2000 zal IVW in dat geval de betrokkene verzoeken om een nieuwe Verklaring omtrent het Gedrag (VOG) aan te vragen, en kan IVW hangende de procedure de chauffeurspas schorsen. Indien vervolgens aan de taxichauffeur geen nieuwe VOG wordt verstrekt, trekt IVW de chauffeurspas in.
De verbetering van de kwaliteit van het taxivervoer staat voorts centraal in het bij de Tweede Kamer aanhangige wetvoorstel waarop in vraag 5 wordt gedoeld.
In hoeverre biedt het voorstel voor de taxiwet2, dat nu bij de Kamer voorligt, mogelijkheden om bij dergelijke overtredingen de desbetreffende taxichauffeurs en taxiorganisaties op te sporen en aan te pakken?
Het bedoelde wetsvoorstel biedt voor gemeenten bevoegdheden om aanvullende regels te stellen en voorzieningen te treffen in het belang van de kwaliteit van taxivervoer. Op grond van de voorgestelde artikelen 82a en 82b kunnen gemeenten aan taxichauffeurs aanvullende kwaliteitseisen stellen respectievelijk groepsvorming opleggen. Veilig en betrouwbaar taxivervoer met het oog op het belang van de consument staat in het wetsvoorstel centraal. Dit nieuwe wettelijke regiem ondersteunt de inzet om overtredingen zoals in de vraag bedoeld, tegen te gaan.
Bent u bereid de bevoegdheden van de «mystery guests», zoals genoemd in de aangenomen motie De Mos3, hiervoor aan te wenden en deze op een grotere schaal in te zetten?
Over de inzet van «mystery guests» in het toezicht op en de kwaliteitsbeoordeling van taxichauffeurs heeft mijn voorganger de Kamer naar aanleiding van de motie De Mos geïnformeerd per brief van 9 maart 2010 (Kamerstuk 31 521, nr. 45). De inzet van «mystery guests» door IVW is niet gericht op opsporing van criminele activiteiten, maar op de naleving van wet- en regelgeving waarop IVW toeziet. Dit laat onverlet dat geconstateerde criminele activiteiten door IVW worden gemeld aan de politie.
Het vrijgeven van de voetbal makelaarsmarkt en de gevolgen die dit heeft voor jonge talenten |
|
Tjeerd van Dekken (PvdA) |
|
Edith Schippers (minister volksgezondheid, welzijn en sport) (VVD) |
|
|
|
|
Heeft u kennisgenomen van het bericht «Vrijgave makelaarsmarkt leidt tot misstanden met jonge talenten. Straks is de jeugd echt vogelvrij»?1
Ja.
Deelt u de mening dat jongeren onder de 16 jaar beschermd moeten worden en blijven tegen de invloeden van voetbalmakelaars en intermediairs? Zo ja, kunt u toelichten welke middelen ingezet worden om deze jonge talenten te beschermen? Zo nee, waarom niet?
Profvoetballer worden is voor velen een droom en als je opgenomen wordt in het selectietraject hiervoor kan dat veel kansen bieden. Maar clubs, begeleiders, ouders en makelaars moeten zorgvuldig met jonge talenten omgaan. Ik snap de zorgen die bestaan rondom transfers van minderjarige spelers, en vooral van spelers onder de 16 jaar.
In Nederland moeten spelersmakelaars een licentie van de KNVB hebben. Dit betekent dat zij zich moeten houden aan de reglementen van de KNVB. Volgens artikel 8 lid 1 sub d van het Reglement Spelersmakelaars is een spelersmakelaar verplicht zich te onthouden van activiteiten en werkzaamheden voor zover het spelers jonger dan 16 jaar betreft.Bij overtreding van de reglementen, komt de spelersmakelaar in aanraking met de tuchtrechtelijke organen van de bond.
Als een ouder of een bij de Nederlandse orde van advocaten ingeschreven advocaat opereert als intermediair tussen de (jonge) speler en de bond, dan valt deze niet onder de reglementen van de voetbalbond.
Biedt de huidige wet- en regelgeving adequate bescherming aan de jonge voetbaltalenten of worden kinderen jonger dan zestien in de praktijk wel «begeleid door sportmakelaars»? Indien dit laatste het geval is, om hoeveel kinderen gaat het dan?
Nederland heeft geen specifieke wettelijke regels die verbieden dat spelers jonger dan zestien bij een andere Nederlandse of buitenlandse club gaan spelen. Reguliere wet- en regelgeving ten aanzien van witwassen, belastingontduiking, fraude, arbeidsrecht etc. zijn van toepassing op iedereen, ook op sporters en hun begeleiders.
De sector heeft zelf regels opgesteld om jonge voetbaltalenten te beschermen; het in antwoord 2 genoemde artikel 8 lid 1 sub d van het Reglement Spelersmakelaars van de KNVB.
De afgelopen jaren zijn er weinig klachten bij de KNVB binnengekomen over spelersmakelaars die kinderen jonger dan 16 begeleiden. Deze klachten zijn onderzocht maar kunnen vaak niet bewezen worden. Redenen hiervoor lopen uiteen van simpelweg het «niet bestaan» van bewijsmiddelen tot het niet willen afgeven van een verklaring door betrokkenen.
Bent u in gesprek met de KNVB om het onder contract stellen van jonge talenten tegen te gaan? Overweegt u wettelijke of andere maatregelen om de misstanden met jonge talenten tegen te gaan? Zo ja, welke? Zo nee, waarom niet?
Ouders zijn verantwoordelijk voor het welzijn en de ontwikkeling van hun kind. Als dat betekent dat zij in het kader van de ontwikkeling van de sportieve en maatschappelijke loopbaan een andere, nieuwe opleidingsplek kiezen, dan is dat hun goed recht. Dit moet uiteraard wel zorgvuldig gedaan worden.
Uit onderzoek van de Europese Commissie naar spelersmakelaars in de Europese Unie (2009) blijkt dat de oplossing vaak niet makkelijk te vangen is in wet- en regelgeving. Zelfregulering kan hierbij wel een belangrijk instrument zijn.
Maar als het om criminele activiteiten gaat, als de belastingen ontdoken worden, als het arbeidsrecht geschonden wordt of als het vrije verkeer van werknemers in het gedrang komt, dan komt uiteraard de publieke overheid in beeld. Hiervoor zijn wetten en regels en deze worden gehandhaafd.
Gelet op het bovenstaande overweeg ik geen nieuwe wettelijke of andere maatregelen in te stellen.
Hoe beoordeelt u de stelling dat de jeugd «echt vogelvrij» wordt als de FIFA de makelaarsmarkt vrijgeeft? Heeft het vrijgeven van de makelaarsmarkt gevolgen voor uw beleid? Zo ja, welke? Zo nee, waarom niet?
De FIFA gaat het huidige systeem van spelersmakelaars evalueren en sluit niet uit dat een van de uitkomsten van de evaluatie is dat het huidige licentiesysteem geheel afgeschaft wordt. Het systeem is volgens de FIFA namelijk veel te diffuus en makkelijk te omzeilen. Clubs, spelers en hun ouders kunnen immers altijd een advocaat inhuren en ouders kunnen zelf een contract ondertekenen of verhuizen naar een andere stad of ander land ten dienste van hun minderjarige kind.
De reguliere wet- en regelgeving in Nederland verandert niet automatisch door een wijziging van sportregels van de FIFA. Gelet hierop onderschrijf ik de stelling dat de jeugd «echt vogelvrij» wordt niet.
Het bericht dat bij een grootschalige actie in de Randstad en het zuiden van het land uitkeringsfraudeurs zijn opgepakt |
|
|
|
|
Paul de Krom (staatssecretaris sociale zaken en werkgelegenheid) (VVD) |
|
Heeft u kennis genomen van het bericht «Vier aanhoudingen wegens uitkeringsfraude»?1
Ja.
Kunt u uiteenzetten hoe lang deze grootschalige fraudegevallen al aan de gang zijn, en welke bedragen hiermee gemoeid zijn?
Nee, hierover kunnen in dit stadium van het onderzoek nog geen mededelingen worden gedaan.
Deelt u de mening dat de hardwerkende belastingbetaler nooit de dupe mag zijn van asociale fraudeplegers, en dat derhalve het totale fraudebedrag met rente moet worden teruggevorderd? Zo ja, hoe gaat u dit aanpakken en binnen welke termijn verwacht u het bedrag inclusief rente terug ? Zo nee, waarom niet?
Het kabinet is van oordeel dat deze fraude hard moet worden aangepakt om het maatschappelijke draagvlak voor de collectieve voorzieningen te behouden. Uitgangspunt is dat fraude nooit mag lonen.
Het OM leidt het strafrechtelijk onderzoek naar deze fraudegevallen. De omvang van de schade kan op dit moment nog niet worden bepaald. Dit is afhankelijk van het lopende onderzoek van het OM en de uitkomsten van de heronderzoeken door UWV en zorgkantoren. De heronderzoeken door het UWV starten op het moment dat door het OM toestemming is verleend voor het gebruik van gegevens uit het strafrechtelijk onderzoek.
De mensen die bij UWV in deze zaak in beeld zijn, worden herbeoordeeld. Daarbij worden de arbeidsmogelijkheden opnieuw beoordeeld. Indien uit de keuring door het UWV blijkt dat de uitkering ten onrechte is verstrekt, wordt de uitkering verlaagd of beëindigd en teruggevorderd. Als bewezen wordt dat er sprake is geweest van misleiding van de verzekeringsarts, zal daarbovenop een maximale boete worden opgelegd, of er is sprake van strafrechtelijke vervolging door het OM. Indien iemand zich niet aan de betalingstermijn houdt, wordt tevens wettelijke rente in rekening gebracht. Op welke termijn de schade zal worden teruggevorderd in het lopende onderzoek is afhankelijk van de voortgang en de uitkomst van het onderzoek.
Ook de zorgkantoren doen in deze zaak onderzoek naar onterecht uitgekeerde persoonsgebonden budgetten. Ook hier geldt dat in gevallen van fraude de budgetten stop gezet zullen worden en het onterecht betaalde bedrag zal worden teruggevorderd. Zorgkantoren kunnen daarbij de onderzoekskosten in de vordering betrekken. Het tegengaan van fraude met pgb’s heeft bij het ministerie van Volksgezondheid, Welzijn en Sport prioriteit. Momenteel worden in overleg met alle bij het pgb en de fraudebestrijding betrokken partijen maatregelen uitgewerkt om fraude met pgb’s terug te dringen. Deze maatregelen richten zich op de gehele pgb-keten. Het gaat dus niet alleen om mogelijke aanpassingen in de subsidieregeling, maar ook om verbeteringen in de voorlichting (preventie), de controle (detectie) en de sanctiemogelijkheden (repressie). Een advies is in maart gereed. (Zie ook antwoorden op kamervragen van Venrooy-van Ark over fraude met pgb’s, kenmerk 2011Z01606).
Deelt u de mening dat uitkeringsfraude keihard moet worden aangepakt, dat bij fraude en ten onrechte uitgekeerde uitkeringen het bedrag altijd moet worden teruggevorderd, en het recht op een uitkering waarmee is gefraudeerd voor het leven moet komen te vervallen? Zo nee, waarom niet ?
Het kabinet is van mening dat fraude met uitkeringen de solidariteit onder ons stelsel van sociale zekerheid ondermijnt. Het kabinet wil uitkeringsfraude daarom harder aanpakken. Onterecht verstrekte uitkeringen worden daadwerkelijk teruggevorderd, ongeacht de hoogte van de fraude. Een boete komt bovenop de beëindiging en terugvordering van de ten onrechte uitbetaalde uitkering. De maatregelen uit het Regeerakkoord worden uitgewerkt in een plan van aanpak. Het kabinet zal de brief over de aanpak fraude zo spoedig mogelijk aan de Tweede Kamer toezenden.
Deelt u de mening dat fraude en bedrog grote bedreigingen vormen voor het draagvlak van de verzorgingsstaat, en dat derhalve de interventieteams nog intensiever en nog meer landelijke controles moeten uitvoeren dan nu het geval is? Zo nee, waarom niet?
Uiteraard ben ik met u van mening dat fraude en bedrog het draagvlak van onze verzorgingsstaat aantasten en daarom hard moeten worden bestreden. Burgers en bedrijven die zich niet aan de regels houden, moeten worden aangepakt en het onrechtmatig genoten voordeel moet worden ontnomen.
Het kabinet voert een actief handhavingsbeleid om het plegen van fraude op de terreinen van de arbeidsmarkt en sociale zekerheid te ontmoedigen en overtredingen die toch worden gepleegd, te bestraffen. De maatregelen op het terrein van handhaving die het Kabinet neemt, zijn opgenomen in het Handhavingsprogramma 2011–2014, dat ik op 21 december jl. aan uw Kamer heb aangeboden (Kamerstuk 17 050, nr. 402). Verder zal ik u binnenkort een plan van aanpak toesturen waarin ik uiteenzet hoe ik het fraudebeleid wil aanscherpen.
De interventieteams zijn al sinds 2003 een belangrijk instrument in het detecteren van mogelijke fraude op de terreinen van de arbeidsmarkt, de sociale zekerheid en de belastingen. De teams controleren zowel ondernemers als burgers die een uitkering genieten. De jarenlange ervaring leert dat de teams steeds beter in staat zijn om op basis van risicoanalyse in die branches en wijken te controleren op fraude en aanverwante misstanden waar de problemen het grootst zijn. In de periode 2011–2014 zullen de teams nog meer gericht worden ingezet.
Wat gaat u eraan doen om dit soort grootschalige fraudes, ter bescherming en behoud van de sociale voorzieningen voor de mensen die het echt nodig hebben, in de toekomst te voorkomen?
Het kabinet is van mening dat fraude met uitkeringen ontoelaatbaar is. Fraude moet daarom hard bestreden worden. Het kabinet werkt de maatregelen uit het Regeerakkoord uit in een plan van aanpak. De brief over de aanpak fraude zal het kabinet zo spoedig mogelijk aan de Tweede Kamer toezenden.
Mochten de lopende onderzoeken naar de fraudegevallen daartoe aanleiding geven, dan betrekt het kabinet de resultaten daarvan bij de uitwerking van de aanpak fraude.
Het gebrek aan talent, kennis en kunde als grootste actuele bedreiging voor onze economische groei |
|
Kees Verhoeven (D66), Boris van der Ham (D66) |
|
Marja van Bijsterveldt (minister onderwijs, cultuur en wetenschap) (CDA) |
|
|
|
|
Wat is uw reactie op de zorgen van het Nederlandse bedrijfsleven over de bezuinigingen van dit kabinet op het onderwijs?1
Het kabinet staat voor de opgave om de overheidsfinanciën weer op orde te brengen. Niet als doel op zich, maar om de economie en samenleving nu en in de toekomst houdbaar te laten zijn.
Zoals blijkt uit het overzicht in de onderwijsparagraaf van het regeerakkoord is het bedrag aan ombuigingen gelijk aan het bedrag dat is uitgetrokken voor intensiveringen. Daarbij merk ik op dat, net als andere departementen, het ministerie van OCW een bijdrage levert aan de taakstelling voor de subsidies, de gematigde loonontwikkeling en de taakstelling voor het Rijk, de agentschappen en de ZBO’s.
Erkent u dat de bezuinigingen op het hoger onderwijs afdoen aan de aantrekkelijkheid van Nederland? Zo nee, waarom niet?
Nee, zie hiervoor in eerste instantie het antwoord op vraag 1. Daar komt bij dat waar het de aantrekkelijkheid van ons land voor buitenlandse investeringen betreft, factoren als de centrale ligging in Europa, het goed ontsloten zijn, het goede fiscale klimaat en het relatief goede opleidingsniveau van de beroepsbevolking even belangrijk zijn als de kwaliteit van de onderwijs- en kennisinfrastructuur. En ons land scoort goed op deze punten.
Waar het de aantrekkelijkheid van ons land voor buitenlands talent betreft, wordt verwezen naar het eerder aan u gezonden onderzoeksrapport «Wat beweegt kennismigranten». Hieruit blijkt dat goede loopbaankansen in een kwalitatief hoogwaardige kennisinfrastructuur het belangrijkste argument voor een kenniswerker is om elders zijn of haar talenten in te zetten. Ons land blijkt volgens genoemd rapport op dit punt de concurrentie met andere OESO-landen goed aan te kunnen.
Zoals uit het antwoord op vraag 1. blijkt, zet het kabinet juist ook in op een kwaliteitsimpuls van de onderwijs- en kennisinfrastructuur. Daarnaast wijzen wij erop dat de keuze voor en de instelling van negen topsectoren waarbinnen wetenschap, bedrijven en overheid samenwerken aan een versterking van de concurrentiekracht van onze economie, direct aangrijpt bij de belangrijkste, hiervoor genoemde beweegreden van de kennismigrant.
Deze duidelijke herkenbaarheid en zichtbaarheid van de richting waarin onze kenniseconomie zich de komende jaren zal gaan ontwikkelen, zal de aantrekkelijkheid van ons land voor de internationale kenniswerker zeker versterken.
Hoe gaat u er, ondanks de bezuinigingen op het hoger onderwijs en de voorgenomen plannen in het regeerakkoord op het gebied van immigratie en asiel, voor zorgen dat ons land aantrekkelijk blijft voor buitenlands talent?
Zoals in het regeerakkoord al is aangegeven, zal het kabinet ervoor zorg dragen dat de voornemens op migratiegebied de bevordering van de kenniseconomie niet zal belemmeren. Daarbij wordt erop gewezen dat in het keuzeproces van een kennismigrant voor een bepaald land, de wet- en regelgeving geen erg grote rol speelt. Zoals hiervoor opgemerkt gaat het de kennismigrant vooral om goede loopbaankansen in een kwalitatief hoogwaardige kennisinfrastructuur. Een zodanige kennisinfrastructuur dat het «the place to be is» op een bepaald vakgebied of specialisatie. Het doel van de 9 topsectoren is ons land tot zo’n gebied te maken en de huidige regelgeving voor kennismigranten sluit daarop goed aan.
Hoe verklaart u het grotere vertrouwen van bijvoorbeeld het Duitse bedrijfsleven in de economische groei? Bestaat er een relatie met de investeringen van de Duitse overheid in kennis?
Als indicator voor het vertrouwen van het bedrijfsleven wordt vaak het zogenaamde «producentenvertrouwen» gebruikt. Dergelijke indices worden samengesteld op basis van enquêtes waarin ondernemers wordt gevraagd naar hun verwachtingen over de toekomstige bedrijvigheid.
Tevens spelen het oordeel over de voorraden gereed product en orderposities en daarmee de recente economische prestaties een rol.
Op basis van cijfers van het Centraal Bureau voor de Statistiek, het Duitse Institut für Wirtschaftsforschung en de Europese Commissie van het producentenvertrouwen blijkt inderdaad dat het Duitse bedrijfsleven momenteel meer vertrouwen heeft dan het Nederlandse bedrijfsleven.
De Duitse economie heeft in 2010 beter gepresteerd dan de Nederlandse economie. Volgens de Duitse overheid groeide haar economie in 2010 met 3,6%. Dit terwijl het Centraal Planbureau voor Nederland in december uitging van 1¾% groei (CPB Nieuwsbrief, 4, december 2010).
De goede realisatiecijfers van Duitsland heeft een aantal verklaringen. Het is ten eerste waarschijnlijk dat een deel van de betere prestatie verklaard kan worden door het feit dat de Duitse economie door de crisis een grotere klap heeft gehad dan de Nederlandse economie (OESO, OECD Economic Outlook, 87, mei 2010).
Een tweede verklaring is de sectorstructuur. Het is vooral de Duitse maakindustrie die goed presteert. Deze industrie is meer dan de Nederlandse gericht op de productie van machines en auto’s. Het zijn vooral deze producten waarnaar in opkomende landen veel vraag is. Opkomende landen groeien snel. Duitsland profiteert hier meer van dan de meeste andere landen, zo blijkt uit een studie naar uitvoer naar de BRIC-landen (Groot, Lejour en Gerritsen, Uitvoer naar opkomende economieën, Economisch Statistische Berichten, 96, 7 januari 2011). Duitsland is zelfs in staat gebleken zijn aandeel in de wereldexport constant te houden op het niveau van 2000 (the Economist, Vorsprung durch exports, 3 februari 2011). Dit ondanks het feit dat landen als China veel meer zijn gaan exporteren.
De groeiverwachtingen voor de opkomende landen zijn beter dan voor de traditionele afzetmarkten van Nederland en Duitsland (IMF, World Economic Outlook Update, 25 januari 2011). Het is daarom begrijpelijk dat het vertrouwen van het Duitse bedrijfsleven ook voor de toekomstige economische ontwikkeling groot is.
Goede realisaties en positieve verwachtingen kunnen dus (verschillen in) het producentenvertrouwen verklaren. Investeringen in kennis lijken geen rol te spelen, gelet op de wijze waarop het producentenvertrouwen in de praktijk wordt gemeten.
De invoer van bont en uitvoering van de motie over verplichte etikettering |
|
Henk van Gerven (SP) |
|
|
|
|
Kan de regering, nu gebleken is dat maar liefst 93% van de mensen een label wenst om te weten of de bontkraag van de jas die ze kopen echt is of nep, uiteenzetten wat zij de afgelopen periode heeft ondernomen om te zorgen dat deze mensen snel helderheid krijgen?1
In antwoord op de motie Gerkens over een etiketteringsplicht voor bont (kamerstukken 30 826, nr.19) is uw Kamer in een brief van 25 november 2009 (kamerstukken 30 826, nr. 27) toegezegd dat het kabinet aan deze motie invulling geeft door het draagvlak voor een etiketteringsplicht op Europees niveau te onderzoeken.
Er is gebleken dat een meerderheid van het Europees Parlement voorstander is van dergelijke etikettering in het kader van de herziening van de verordening van het Europees Parlement en de Raad betreffende textielbenamingen en de desbetreffende etikettering van textielproducten. Het Europees Parlement heeft daartoe een amendement ingediend dat vraagt om het opnemen van een verplichting voor producenten om de aanwezigheid van dierlijke materialen in textielproducten op het etiket aan te geven. De letterlijke tekst van dit amendement luidt: «Om geïnformeerde keuzes te kunnen maken, moeten consumenten bij de aankoop van een textielproduct weten of dat product delen bevat die niet van textiel zijn, maar een dierlijke herkomst hebben. Het is daarom van wezenlijk belang dat de aanwezigheid van dierlijke materialen op het etiket wordt aangegeven.»
Zoals door mijn voorganger ook al in debat met uw Kamer is aangegeven, steunt Nederland opname van deze verplichting en brengt deze positie in de relevante Brusselse overleggen en informele contacten naar voren.
De betreffende verordening zal eind maart voor tweede lezing in het Europees Parlement voorliggen. Daarna zal ook de Raad zich opnieuw over de voorstellen buigen. Binnen de Raad maakt Nederland zich, zoals aangegeven, sterk voor het aanvaarden van het parlementaire amendement over etikettering. Tot op heden lijkt er in de Raad echter geen meerderheid voor opname van een etiketteringsverplichting te zijn. Nederland zal zijn positie actief blijven uitdragen en actief op zoek blijven gaan naar steun. Uiteindelijk neemt de Raad echter een meerderheidsbeslissing en zijn de mogelijkheden voor het opvoeren van druk op andere lidstaten voor Nederland dus beperkt. Uiteraard zal ik u van de ontwikkelingen in dit dossier op de hoogte houden.
Waarom is de aangenomen motie Gerkens (Kamerstuk 30 826, nr. 19) over etikettering van bont nog steeds niet uitgevoerd?2 Bent u bereid om de druk op te voeren in Brussel zodat die verplichte labeling van bont in jassen er nu komt?
Zie antwoord vraag 1.
Hoeveel bont komt jaarlijks Nederland binnen?
Zie antwoord vraag 1.
Kunt u garanderen dat hier geen illegaal bont bij zit van bijvoorbeeld ijsberen, zeehonden of katten?
De gevraagde informatie is niet voorhanden: binnen de EU bestaat er vrij verkeer van goederen, daardoor is er geen zicht op handelsstromen vanuit EU-lidstaten. Bij de import van bont uit derde landen worden alleen producten van 100% bont geregistreerd. Zodra het bont als onderdeel verwerkt is in bijvoorbeeld kleding, is hiervan geen separate registratie.
Kunt u toelichten op welke wijze en hoe intensief hierop is gecontroleerd het afgelopen jaar en hoeveel overtredingen zijn geconstateerd?
Bij de nieuwe Voedsel- en Warenautoriteit (nVWA) bestaat het sterke vermoeden dat producten gemaakt van honden- en kattenbont niet op de Nederlandse markt worden verhandeld, gebaseerd op onderzoek dat in 20053, 20064 en meer recentelijk in 2009 en 2010 is uitgevoerd. De nVWA verricht inspecties inzake het verhandelen van (producten met) honden- en kattenbont in Nederland. Ten aanzien de import van honden- en kattenbont wordt een tweesporenbeleid gevoerd. Op verzoek van de nVWA neemt de douane in haar reguliere controles de inspectie op bontproducten mee. Indien er twijfel aan de herkomst van bontproducten bestaat, wordt de nVWA geïnformeerd door de douane. Door deze aanpak is het mogelijk om een relatief groot aantal partijen bij binnenkomst te screenen. In 2010 is er één melding geweest vanuit de douane. Deze partij bleek geen honden- en kattenbont te bevatten.
In 2010 zijn door de nVWA inspecties verricht om vast te stellen of er producten verhandeld worden in Nederland waarin gebruik gemaakt is van honden- en kattenbont. Tijdens deze inspecties zijn 47 producten bemonsterd die (voor een deel) uit bontachtig materiaal bestonden. Deze monsters zijn door de nVWA onderzocht om vast te stellen of er in deze producten gebruik gemaakt is van honden- en kattenbont.
Wanneer er een vermoeden bestaat dat in een product honden- of kattenbont is verwerkt, wordt dit door middel van onderzoek in 3 stappen geverifieerd.
Door middel van microscopisch onderzoek is goed vast te stellen of het dierlijk bont of kunstbont betreft.
Middels microscopisch onderzoek kan vervolgens vast worden gesteld of het dierlijke bont afkomstig is van konijn of wasbeerhond (veel gebruikte bontsoorten) of dat het bont een andere dierlijke herkomst heeft. Wanneer het bont een dierlijke herkomst heeft, maar geen konijn of wasbeerhond, wordt het monster aangeboden voor onderzoek middels de SIAM-methode. Dit geeft in alle (tot nu toe bekende) gevallen uitsluitsel over de dierlijke herkomst.
Van de 47 in 2010 onderzochte monsters bevatten 16 monsters konijnenbont, 3 monsters bevatten wasbeerhondenbont, 2 monsters bevatten alleen veren en 26 monsters bestonden uit kunststofvezels. De nVWA doet geen specifiek onderzoek naar ijsberenbont en zeehondenbont, maar is deze bontsoorten bij inspecties naar honden- en kattenbont niet tegengekomen.
Hoe effectief is controle op bont naar het oordeel van de Voedsel en Warenautoriteit?
Zie antwoord vraag 5.
Het vangnet voor zelfstandigen zonder personeel (zzp-ers) |
|
Jesse Klaver (GL) |
|
Henk Kamp (minister sociale zaken en werkgelegenheid) (VVD) |
|
|
|
|
Heeft u kennis kunnen nemen van het artikel «Zzp-ers zoeken een bed»?1
Ja.
Wat is uw reactie op de uitspraken van de directeur van het Centraal planbureau dat er veel verborgen leed zit onder de groep zzp-ers die vorig jaar de klap van de crisis opvingen, waardoor officiële werkloosheidscijfers relatief laag bleven?
Zoals mijn voorganger in antwoord op dezelfde vraag van 15 januari 2010 reeds heeft aangegeven2 is het inherent aan ondernemerschap dat het inkomen van de zelfstandige «meeademt» met de conjunctuur. Als het slecht gaat met de economie krijgen zzp’ers te maken met minder opdrachten en/of een verlaging van uurtarieven om de concurrentie aan te kunnen. Ze profiteren over het algemeen ook als eerste als de economie weer aantrekt.
Alhoewel dit bij de eigen verantwoordelijkheid van ondernemers hoort, kunnen dergelijke financiële klappen hard aankomen. Gegevens van het CBS laten zien dat het gemiddeld persoonlijk inkomen van de gehele groep zelfstandigen in 2009 inderdaad is gedaald, maar gemiddeld nog altijd hoger is dan dat van werknemers in particuliere bedrijven. In hoeverre het inkomen van zzp’ers is gedaald, is niet bekend. De omzetdaling van zzp’ers bedroeg in 2009 volgens het Economisch Instituut Midden- en Kleinbedrijf (EIM) circa 6,5%; dat is min of meer gelijk aan de omzetdaling in Midden- en Kleinbedrijf (MKB) als geheel. Niet alle zzp’ers werden in gelijke mate getroffen door de crisis. Circa één op de vijf zzp’ers had in 2009 een omzetdaling van 10% of meer.
De overgrote meerderheid van de ondernemers blijkt een aanzienlijke financiële buffer te hebben. Op 1 januari 2010 hadden zelfstandigen een doorsneevermogen van € 154 000. Uiteraard is sprake van een aanzienlijke spreiding in de hoogte van het vermogen. Niettemin had 75% van de zelfstandigen op 1 januari 2010 meer dan € 20 000 aan vermogen beschikbaar.
Sinds 2010 heeft de economie een voorzichtig herstel ingezet. De verwachting is dat zzp’ers hiervan profiteren.
Kunt u inzichtelijk maken waarom het niet-gebruik van het Besluit bijstandsverlening zelfstandigen (BBZ) hoog is en bent u bereid hierop actie te ondernemen? Zo nee, waarom niet?
Er is geen informatie bekend over de mate van niet-gebruik van het Bbz. Wel zijn er signalen dat zelfstandigen niet altijd op de hoogte zijn van het bestaan van het Bbz. Hieruit kan overigens niet worden afgeleid dat zelfstandigen de weg naar het Bbz niet weten te vinden als dat nodig is. Zolang er immers geen financiële problemen zijn is er ook geen reden om naar informatie over het Bbz te zoeken. Wanneer problemen zich dreigen aan te dienen, is het in eerste instantie de verantwoordelijkheid van de zelfstandige zelf om te zoeken naar oplossingsrichtingen of ondersteuningsmogelijkheden, waarbij het Bbz als vangnet kan dienen wanneer andere vormen van ondersteuning (bijvoorbeeld via een bank) niet mogelijk zijn. Gemeenten zijn – als uitvoerder van het Bbz – primair verantwoordelijk voor de bekendheid van het Bbz onder de (potentiële) doelgroep. Gemeenten zijn via de verzamelbrief van februari 2009 (in beginperiode van de crisis) en in december van datzelfde jaar opgeroepen om de mogelijkheden van het Bbz, met name in nijpende situaties, optimaal te benutten. Daarnaast heeft het kabinet het initiatief genomen om op de website antwoordvoorbedrijven.nl een digitaal informatieloket voor zzp’ers op te zetten waarop alle regels en faciliteiten vanuit de overheid – waaronder het Bbz – overzichtelijk worden gepresenteerd.
Deelt u de mening dat het niet wenselijk is dat een zelfstandige gedwongen wordt om te teren op zijn opgespaarde pensioenvoorziening alvorens hij/zij in aanmerking komt voor de BBZ? Zo nee, waarom niet? Zo ja, kunt u uiteenzetten welke stappen u hierin zal ondernemen?
Het kabinet zal hier uitgebreid op ingaan in zijn reactie op het advies van de SER over de positie van zzp’ers. Deze reactie zal voor 1 april aan de Kamer worden gezonden.
Kunt u uiteenzetten waarom een zelfstandige, bij problematische schulden, geen gebruik kan maken van de minnelijke schuldhulpverlening?
Het is in eerste instantie een verantwoordelijkheid van de zelfstandige zelf om een oplossing te vinden voor eventuele financiële problemen waarin het bedrijf verkeert. Als er sprake is van een in principe levensvatbaar bedrijf dat tijdelijk in moeilijkheden verkeert is ondersteuning via het Bbz mogelijk. In die gevallen waarin het bedrijf niet levensvatbaar is (en het Bbz dus niet van toepassing is), kan de zelfstandige het bedrijf of beroep beëindigen. Daarna kan hij evenals andere burgers een beroep doen op de schuldhulpverlening. Het staat gemeenten overigens vrij om schuldhulpverlening aan te bieden aan zelfstandigen met een nog functionerende onderneming. Gelet op de verantwoordelijkheidsverdeling tussen rijk en gemeenten op dit vlak is het niet aan mij om hierin verdere stappen te ondernemen.
Deelt u de mening dat de mogelijkheden qua schuldhulpverlening voor zelfstandigen zeer beperkt zijn en vaak in een (te) laat stadium toegankelijk zijn en dat deze niet zijn gericht op de voorzetting van de onderneming? Zo nee, waarom niet? Zo ja, kunt u uiteenzetten welke stappen u hierin zal ondernemen?
Zie antwoord vraag 5.