Het bericht "Duitse verbinding Betuwelijn vertraagd" |
|
Maarten Haverkamp (CDA), Jacques Monasch (PvdA) |
|
|
|
|
Heeft u kennisgenomen van het bericht «Duitse verbinding Betuwelijn vertraagd»?1
Ja.
Heeft u inmiddels gesproken met minister Ramsauer over het schema dat Duitsland volgt met betrekking tot de aanleg van het derde spoor bij Emmerich? Zo nee, wanneer gaat dit dan plaatsvinden? Zo ja wat was de uitkomst van dit gesprek?
Staatssecretaris Scheurle heb ik gesproken op de Tansportraad van 31 maart 2011 en Minister Ramsauer op de informele Transportraad in februari jl. Met de heer Ramsauer heb ik recent een afspraak gemaakt voor een bezoek aan Rotterdam op 17 november 2011. Het derde spoor zal dan nadrukkelijk aan de orde komen. Het antwoord van beide bewindslieden is dat realisatie van het derde spoor hoge prioriteit heeft. Staatssecretaris Scheurle heeft dat 14 april 2011 schriftelijk bevestigd.2
Hoe verhoudt zich de huidige planning tot de planning zoals u die op 8 december jongstleden in een algemeen overleg met de Kamer deelde?
Ik heb ook in het Algemeen Overleg van 8 december 2010 mijn twijfels geuit over de haalbaarheid van 2013 als opleverjaar voor het derde spoor. Staatssecretaris Scheurle geeft nu in zijn brief aan dat de beschikking voor de bouw op zijn vroegst afgegeven wordt in 2013. Een nieuwe planning voor oplevering biedt hij nog niet. Dat er vertraging in de realisatie van het derde spoor optreedt is duidelijk.
Houdt de Duitse overheid het budget nog wel gereserveerd voor tijdige realisatie? Hoe is de recente besluitvorming in Duitsland over de Betuweroute verlopen?
De overheidsfinanciering voor het derde spoor komt van het Bundesministerie te Berlijn en van de deelregering Nordrhein-Westfalen (NRW). Het NRW deel staat sinds 2003 gereserveerd en het Bundesministerie heeft zich toen eveneens budgettair verplicht. De kosten van het derde spoor zijn inmiddels gestegen en de gereserveerde budgetten dekken niet meer volledig het project. Minister Voigtsberger en Staatssecretaris Scheurle hebben in januari 2011 een Arbeitsgruppe geformeerd met de opdracht om voorstellen uit te werken voor de financiering.
Is het waar dat de Rotterdamse haven volgens de huidige prognoses het derde spoor in 2014 of 2015 echt nodig zal hebben?
Ik verwacht dat de bestaande twee sporen tussen Zevenaar en Oberhausen dankzij de blokverdichting in 2012 ruimte bieden voor groei van het goederenverkeer tot 2015. Dit is gebaseerd op de huidige capaciteitsberekeningen, die uitgaan van een benuttingsgraad van 80%.
Ik vraag ProRail en Keyrail om samen met DBnetz die benuttingsgraad te gaan verhogen en naar logistieke mogelijkheden te zoeken om de bestaande twee sporen intensiever te gebruiken. Alles moet in het werk gesteld worden om de capaciteit van de twee sporen zo veel mogelijk op te rekken totdat het derde spoor beschikbaar komt.
Radioactief besmette containers |
|
Karen Gerbrands (PVV) |
|
Edith Schippers (minister volksgezondheid, welzijn en sport) (VVD) |
|
|
|
|
Bent u bekend met de artikelen «Minder controle op containers uit Japan»1 en «Meltdown in drie kernreactoren Fukushima»?2
Ja.
Bent u van mening dat 38 radioactief besmette containers in ongeveer twee maanden, er 38 te veel zijn en kunt u aangeven hoeveel daarvan op zee, in de havens en op de vliegvelden zijn opgemerkt? Zo nee, waarom niet?
Het aantal van 38 radioactief besmette containers in ongeveer twee maanden is, gezien de situatie in Fukushima, lager dan verwacht. Al deze overschrijdingen werden geconstateerd bij de detectiepoorten in de Rotterdamse haven. Bij 15 van de 38 containers werd bij nader onderzoek door de Kernfysische Dienst een daadwerkelijke overschrijding van de vervoersnorm gevonden. De meeste van deze containers zijn inmiddels schoongemaakt en daarna weer vrijgegeven.
Deelt u de mening dat de ramp in Fukushima veel groter is dan dat in eerste instantie werd gesteld en dat er altijd nog grote onzekerheden zijn, aangezien deskundigen van het Internationaal Atoomenergie Agentschap hun vraagtekens zetten bij het voornemen van eigenaar Tepco om de situatie bij de centrale begin volgend jaar volledig onder controle te hebben? Zo nee, waarom niet?
Ik ben van mening dat de ramp in Fukushima al direct als zeer ernstig is beoordeeld. In het begin waren nog weinig gegevens beschikbaar. Gaandeweg is meer duidelijk geworden hoe groot de schade is, alhoewel er nog altijd onzekerheden zijn over de ernst en aard van de schade ten gevolge van de verspreide radioactiviteit door de kerncentrale. Op dit moment kan nog niet exact worden bepaald wanneer de situatie in Fukushima weer volledig onder controle is. Ik heb dan ook geen reden om te twijfelen aan de resultaten van de beoordeling door de deskundigen van het Internationaal Atoomenergie Agentschap.
Bent u daarom van mening dat, totdat er vanuit Japan duidelijkheid is over de gang van zaken met de centrale, het controleren van containerschepen op zee door de Voedsel en Waren Autoriteit nog zeker met een jaar moeten worden verlengd? Zo nee, waarom niet?
Het controleren van containerschepen op zee is inmiddels gestopt. De belangrijkste reden daarvoor is dat in de afgelopen periode tijdens de metingen op zee geen besmetting met radioactiviteit is gemeten. Deze metingen waren minder nauwkeurig dan de metingen in de haven.
Deze metingen dragen niet langer bij aan de bescherming van de betrokken werknemers in de haven. Het besluit om deze metingen te stoppen, is in goed overleg tussen de betrokken overheidsinstanties en het bedrijfsleven tot stand gekomen. Mochten de lozingen van radioactieve stoffen in Japan toch weer groter worden, dan zal worden bezien of de metingen op zee wederom noodzakelijk zijn.
De controle door de Douane met de detectiepoorten in de haven blijft doorgaan. Dit zijn standaard metingen bij containers. Momenteel komen er nog sporadisch besmette containers binnen.
De steekproefsgewijze onderzoeken op de hoeveelheden Cesium-134, Cesium-137 en Jodium-131 bij levensmiddelen en diervoeders die worden uitgevoerd door de nieuwe Voedsel en Warenautoriteit op grond van de EU noodverordening (EU) 297/2011 zijn nu verplicht tot en met 30 september 2011.
In Brussel wordt door het Permanent comité voor de toxicologische veiligheid besloten of deze periode verlengd moet worden. Voor Nederland neemt het ministerie van VWS deel aan dit overleg. De besluitvorming zal afhangen van de analyseresultaten tot dan toe.
Het bericht "Waterschap verkwist zelf veel water in droge tijd" |
|
Richard de Mos (PVV) |
|
Joop Atsma (staatssecretaris infrastructuur en waterstaat) (CDA) |
|
|
|
|
Bent u bekend met het artikel «Waterschap verkwist zelf veel water in droge tijd»?1
Ja, het originele artikel komt uit Cobouw van 27 mei 2011.
Bent u van mening dat in tijden van droogte elk druppeltje zoetwater moet worden gekoesterd en dat het op zijn zachtst gezegd vreemd is dat waterschappen veel water verbruiken bij waterzuiveringen, terwijl dijken op springen staan, boeren soms niet kunnen bewateren en burgers worden opgeroepen hun tuin niet te sproeien? Zo nee, waarom niet?
Ja, ik ben met u van mening dat in droge tijden zorgvuldig met het beschikbare zoetwater moet worden omgegaan. Naar mijn oordeel leveren de waterschappen met de lozing van gezuiverd afvalwater een positieve bijdrage aan de zoetwatervoorraad. Het grootste deel van dit water wordt namelijk geloosd op zoet water en is beschikbaar voor watergebruikers.
Het deelprogramma Zoetwater van Deltaprogramma onderzoekt hoe in de toekomst beter met het beschikbare zoet water kan worden omgegaan. Het gebruik van gezuiverd afvalwater maakt daar onderdeel van uit.
Goede voorbeelden van hergebruik van gezuiverd afvalwater zijn er overigens al. Zo gebruikt het bedrijf Dow Chemical in Terneuzen gezuiverd afvalwater van de inwoners van Terneuzen. Dit water werd voorheen in de Westerschelde geloosd. Op Texel wordt het gezuiverde afvalwater benut om verdroging te bestrijden. Er loopt onderzoek naar meer mogelijkheden. Zo wordt in Delfland onderzocht of afvalwater duurzaam en kosteneffectief kan worden gezuiverd tot gietwater voor de glastuinbouw.
Bent u bereid om zo snel mogelijk serieus te kijken naar het advies van ingenieursbureau DHV, dat stelt dat het technisch eenvoudig is om water in de sloten te pompen en dat dit tevens efficiënter is dan het verhogen van het IJsselmeer met anderhalve meter, teneinde verdere problemen door de droogte het hoofd te bieden? Zo ja, wilt u de Kamer hierover voor de zomer berichten?
Ja, ik neem het advies van DHV serieus. Het hergebruik van afvalwater heeft zoals bij vraag 2 aangegeven de aandacht. Het vormt een van de mogelijke maatregelen. Het is daarbij nodig om ook te kijken naar de kosten (van eventueel extra zuiveren) en baten (van het extra zoet water) van de maatregel. Binnen het Deltaprogramma worden alle mogelijke maatregelen nader onderzocht op maatschappelijke kosten en baten.
Jaarlijks wordt de Tweede Kamer geïnformeerd over de voortgang van het Deltaprogramma. In dat kader zal ik u informeren.
Het vier weken sluiten van spoorknooppunt Zwolle |
|
Arie Slob (CU) |
|
|
|
|
Kent u de berichten «Zwolle vier weken dicht»1 en «Station Zwolle gaat volgend jaar vier weken dicht»?2
Ja.
Hoe komt het dat het beveiligingssysteem op station Zwolle zo weinig flexibel is dat er niet aan één spoor gewerkt kan worden, maar dat het hele systeem uitgeschakeld moet worden?
De nu door ProRail voorziene aanpak van werkzaamheden wordt niet veroorzaakt door de inflexilibiliteit van het beveiligingssysteem. ProRail heeft mij geïnformeerd dat zij, in overleg met de betrokken vervoerders, ervoor heeft gekozen dat deze werkzaamheden beter uitgevoerd kunnen worden door middel van één lange buitendienststelling dan door middel van een stapsgewijze aanpak met meerdere korte buitendienststellingen.
Klopt het dat de beveiliging in Zwolle opnieuw opgebouwd gaat worden met sterk verouderde, niet-redundante relaistechniek en dat ProRail deze aanpak ook wil volgen op de knooppunten Enschede, Zutphen, Utrecht en ’s-Hertogenbosch?
De nieuwe beveiligingsinstallatie in Zwolle wordt gebouwd op basis van relaistechniek. Deze techniek is inderdaad al enkele decennia in gebruik, maar niet verouderd. Beveiligingsinstallaties op basis van relaistechniek kunnen binnen kortere tijd gewijzigd worden dan die op basis van elektronische technologie, zijn vaak goedkoper en de instandhouding hiervan kan, in tegenstelling tot elektronische systemen, door meer partijen worden uitgevoerd. Deze installatie is niet redundant uitgevoerd omdat een storing hierin een beperkte impact op de treindienst heeft vanwege het relatief kleine gebied waarop dit betrekking heeft. Bovendien leidt een storing hierin zelden tot uitval van de gehele beveiligingsinstallatie, zoals dat vaak wel het geval is bij elektronische systemen. In mijn brief aan uw Kamer van 11 maart 20113 heb ik een toelichting gegeven over het al dan niet redundant uitvoeren van dergelijke installaties. In de op 12 juli 2010 naar uw Kamer gestuurde maatschappelijke kosten- en baten-analyse over de invoering van ERTMS van Decisio is het onderscheid tussen beveiligingsinstallaties op basis van relaistechniek en van elektronische technologie nader toegelicht4..
Op de knooppunten Enschede, Zutphen, Utrecht en ’s-Hertogenbosch zijn de aard en omvang van de benodigde wijzigingen en de leeftijd van de huidige beveiligingsinstallaties zodanig dat aanpassing van deze bestaande installaties het meest voor de hand ligt.
Waarom wordt er door ProRail tegenwoordig niet meer gekozen voor een moderne redundant uitgevoerde elektronische beveiliging, waarvan de software vooraf «offline» getest is zodat wijzigingen snel, betrouwbaar en veilig uitgevoerd kunnen worden en situaties zoals de wekenlange ongeplande stremming 4 jaar geleden in Almelo worden voorkomen?
In Zwolle worden, voorafgaand aan de lange buitendienststelling in de zomer van 2012, twee nieuwe relaishuizen gebouwd, waarin de beveiligingsinstallatie al zoveel mogelijk wordt «voor gebouwd» en «offline» wordt getest. Zoals in het antwoord op vraag 3 aangegeven kunnen wijzigingen in beveiligingsinstallaties op basis van relaistechniek bovendien binnen kortere tijd worden uitgevoerd dan bij elektronische systemen. De lessen van de uitloop van de indienststelling van het tijdelijke hulpspoor in Almelo in 2007 zijn bij de aanpak van de ombouw van de beveiligingsinstallatie in Zwolle meegenomen.
Deelt u de mening dat de keuze voor nieuwe relaisbeveiliging een forse kapitaalsvernietiging met zich meebrengt omdat dan over enkele jaren alles nóg een keer omgebouwd moet worden naar elektronische beveiliging?
Neen, die mening deel ik niet. Er is geen reden om deze nieuwe relaisbeveiliging binnen enkele jaren om te bouwen naar elektronische beveiliging, en er is dus ook geen sprake van kapitaalsvernietiging daardoor. Zoals in het antwoord op vraag 3 aangegeven zijn beveiligingsinstallaties op basis van relaistechniek bovendien vaak goedkoper dan die op basis van elektronische technologie.
Deelt u de mening dat een toename van de reistijd van en naar het landsdeel noord vanaf Zwolle van één uur of meer, gedurende 4 weken, onacceptabel is?
ProRail en NS hebben mij geïnformeerd dat zij voor de periode van de lange buitendienststelling in de zomer van 2012 een alternatief vervoerplan zullen uitwerken. Bij deze uitwerking worden verschillende partijen betrokken, waaronder (vertegenwoordigers) van de treinreizigers. Daarbij wordt er naar gestreefd om de toename van de reistijd te minimaliseren. Gedacht wordt bijvoorbeeld aan direct busvervoer om Zwolle heen voor doorgaande reizigers.
Kunt u aangeven welke alternatieven er zijn onderzocht voor het sluiten van station Zwolle en waarom deze alternatieven niet zijn gekozen?
Zoals in het antwoord op vraag 2 aangegeven heeft ProRail, in overleg met de betrokken vervoerders, ervoor gekozen dat deze werkzaamheden beter uitgevoerd kunnen worden door middel van één lange buitendienststelling dan door middel van een stapsgewijze aanpak met meerdere korte buitendienststellingen. Naast deze nu gekozen aanpak heeft ProRail samen met de betrokken vervoerders de volgende alternatieven onderzocht:
ProRail en de vervoerders hebben gezamenlijk gekozen voor de nu geplande aanpak vanwege:
Kunt u aangeven waarom er bij Zwolle niet gedacht is aan een tijdelijk nood-kopstation ten oosten van het station ter hoogte van de Deventerstraatweg? Deelt u de mening dat via zo’n noodstation een doorgaande intercity Leeuwarden/Groningen-Zwolle-Deventer-Arnhem kan blijven rijden waardoor busvervoer op de landsdelige hoofdroute vermeden wordt, het reistijdverlies wordt beperkt tot 30 minuten en ook de regiotreinen naar Nijverdal, Emmen en Groningen kunnen blijven rijden? Bent u bereid deze mogelijkheid bij de directies van NS en ProRail onder de aandacht te brengen?
Dit alternatief is door ProRail en de vervoerders overwogen en door hen als minder aantrekkelijk beoordeeld dan de nu gekozen aanpak. De nadelen daarvan zijn:
Is het daarnaast mogelijk om de regionaal al langer ter discussie staande rijtijdverkorting tussen Almelo en Vroomshoop te realiseren zodat reizigers van Mariënberg t/m Emmen tijdens de werkzaamheden zonder reistijdverlies van en naar de Randstad kunnen blijven rijden via Almelo, en daarnaast ook het goederenvervoer van Coevorden en het Noorden kan blijven rijden? Bent u bereid dit regionale project uiterlijk in het voorjaar van 2012 door ProRail te laten realiseren en indien nodig financieel te ondersteunen?
ProRail heeft mij geïnformeerd dat de rijtijdverkorting die tussen Almelo en Vroomshoop gerealiseerd kan worden onvoldoende is om treinreizigers van Mariënberg t/m Emmen zonder reistijdverlies via Almelo in plaats van via Zwolle van en naar de Randstad te laten rijden. Het goederenvervoer van Coevorden en het Noorden blijft bij de huidige aanpak gewaarborgd.
Op basis van bovenstaande zie ik geen reden om ProRail op te dragen dit project uiterlijk in het voorjaar van 2012 te laten realiseren. Besluitvorming hierover zal via de gebruikelijke, daartoe geëigende procedure plaatsvinden.
Is het, uitgaande van een voorspoedig lopend bouw- en testtraject, tevens mogelijk om de Hanzelijn vervroegd te openen tot Kampen Zuid of zelfs tot Zwolle IJsselallee, zodat reizigers uit Kampen eveneens een adequaat vervoersalternatief krijgen?
Op basis van informatie van ProRail kan ik u meedelen dat de huidige planning voor het bouwen en testen van de Hanzelijn, inclusief de daarbij benodigde marges voor het opvangen van onvoorziene risico’s en tegenvallers, geen ruimte biedt voor een dergelijke vervroegde opening.
Corruptie bij Eurojust |
|
Jeroen Recourt (PvdA) |
|
|
|
|
Is het Europese antifraudebureau een onderzoek begonnen naar corruptie binnen Eurojust?1
Voor zover mij bekend is OLAF, het Europees Bureau voor Fraudebestrijding, inderdaad een onderzoek begonnen bij Eurojust. De gang van zaken bij Eurojust en het onderzoek naar eventuele misstanden door OLAF vallen onder verantwoordelijkheid van de Europese Commissie. Ik ben daarom niet in een positie om over deze zaak mededelingen te doen. Ook is het niet aan mij om te oordelen over de vraag of er (voorlopige) maatregelen genomen moeten worden tegen degene(n) tegen wie het onderzoek loopt.
Is het waar dat de hoofdverdachte, hoofd van de afdeling informatiemanagement, niet is geschorst hangende het onderzoek? Begrijpt u de onrust van de werknemers die onder de leiding van het hoofd van de afdeling informatiemanagement moet functioneren? Zo nee, waarom niet?
Zie antwoord vraag 1.
Is het waar dat men bewijsmateriaal eenvoudig zou kunnen laten verdwijnen? Geldt dat ook voor de hoofdverdachte?Zo ja, deelt u dan de mening dat dit zeer zorgwekkend is? Zijn er maatregelen genomen waarmee wordt gegarandeerd dat er geen bewijsmateriaal verdwijnt? Zo nee, waarom niet?
Zie antwoord vraag 1.
Is het waar dat in 2009 de president van Eurojust ontslag heeft genomen omdat hij als aanklager medewerkers onder druk heeft gezet om een corruptieonderzoek naar de premier van Portugal te staken? Waren er andere bezwaren tegen het aanblijven van de president? Zo ja welke?
Mij is bekend dat de voorzitter van Eurojust op 17 december 2009 zijn ontslag heeft ingediend. Eurojust heeft voor zover mij bekend geen officiële mededelingen gedaan omtrent de redenen van dit ontslag. Ik kan uw vraag daarom niet beantwoorden.
Deelt u de mening dat het pijnlijk is dat juist bij een organisatie van misdaadbestrijders corruptie wordt onderzocht? Zo nee, waarom niet? Zo ja, wat kunt u hieraan, al dan niet in samenspraak met uw Europese collega’s, aan doen?
Voor de geloofwaardigheid van en het vertrouwen in het openbaar bestuur is het van groot belang dat degenen die in dienst zijn van de overheid hun werk op integere wijze verrichten, zeker ook als zij werkzaam zijn bij een dienst die de bestrijding van criminaliteit tot taak heeft. Ieder incident dat aan die integriteit afbreuk doet is pijnlijk en valt te betreuren. Ik wijs er echter op dat het onderzoek naar de gang van zaken bij Eurojust nog loopt, en dat op dit moment niet vaststaat dat er sprake is geweest van misstanden. Als de uitkomst van dit onderzoek bekend is kan ik beoordelen of dit aanleiding geeft tot een reactie mijnerzijds, al dan niet in samenspraak met Europese collega’s.
Een resistente bacterie in het Maasstad Ziekenhuis |
|
Khadija Arib (PvdA) |
|
Edith Schippers (minister volksgezondheid, welzijn en sport) (VVD) |
|
|
|
|
Bent u op de hoogte van het bericht dat het Maasstad Ziekenhuis in Rotterdam al zeven maanden worstelt met de uitbraak van een zeer gevaarlijke en nagenoeg onbehandelbare bacterie, namelijk de Klebsiella pneumoniae?1
Ja.
Klopt het dat momenteel drie van de vier patiënten op de intensive care deze bacterie dragen en er in totaal tenminste 34 patiënten besmet zijn geraakt? Zo nee, wat zijn de werkelijke cijfers?
Omdat de populatie van de Intensive Care dagelijks wisselt, varieert het aantal patiënten met Oxa-48 producerende Klebsiella pneumoniae (K. pneumoniae). Dat maakt deze vraag moeilijk te beantwoorden.
In totaal is deze resistente bacterie tot nu toe bij 70 patiënten aangetoond. Gezien het feit dat het onderzoek nog lopende is zou dit aantal nog kunnen veranderen. De uitkomsten van het onderzoek, uitgevoerd door het Maasstad ziekenhuis met ondersteuning van het RIVM en UMCU, komen in september beschikbaar en zullen helderheid geven over het totaal aantal besmet geraakte patiënten. Overigens zijn de meeste patiënten niet ziek, maar alleen drager van het micro-organisme.
Klopt het dat de microbiologen van het Maasstad Ziekenhuis medio april 2011 geïnformeerd zijn over de besmetting met Klebsiella pneumonaie op de intensive care (ic), maar weinig met deze informatie hebben gedaan? Heeft de GGD Rotterdam pas op 26 mei 2011 bericht ontvangen van het Maasstad? Welke maatregelen neemt GGD Rotterdam momenteel?
De beschikbare data en de gang van zaken rondom de uitbraak worden nog nader onderzocht door de Inspectie voor de Gezondheidszorg (IGZ), maar het volgende kan ik er vast over zeggen:
Het Maasstad Ziekenhuis is in april 2011 door de collega's van het Slotervaart Ziekenhuis geïnformeerd over de aanwezigheid van de Oxa-48 producerende K. pneumoniae. De bacterie werd aangetroffen bij een patiënt die overgebracht was van het Maasstad Ziekenhuis naar het Slotervaart Ziekenhuis.
Het Maasstad Ziekenhuis is in mei 2011 een intern onderzoek gestart waarbij ze heeft vastgesteld dat meerdere patiënten drager waren van de Oxa-48 producerende K. pneumoniae. Nadat dit was vastgesteld is dit op 26 mei 2011 gemeld bij de GGD Rotterdam.
Hoewel het bij een uitbraak van deze bacterie niet de specifieke taak van de GGD is, heeft de GGD de volgende acties ondernomen: Ze heeft contact gezocht met huisartsen, verpleeghuizen en andere zorgverleners in de omgeving om de situatie te monitoren. Tevens heeft ze de gemeenschap geïnformeerd via de regionale televisie en haar website2 en plaatsgenomen in het outbreakteam van het ziekenhuis. Binnen dit team draagt de GGD zorg voor de belangen van ontslagen patiënten en de gemeenschap in algemene zin.
Klopt het dat de Klebsiella pneumoniae resistent is voor de zwaarste categorie antibiotica, de carbepenem, en er enkel experimentele behandelingen overblijven om de infectie te bestrijden? Hoe effectief zijn deze behandelingen? Wat zijn de gezondheidsgevolgen van deze experimentele zorg voor de patiënt?
Het klopt dat de Oxa-48 producerende K. pneumoniae resistent is voor nagenoeg alle antibiotica, waaronder die uit de carbapenemgroep. Er is echter nog wel een enkel antibioticum over voor behandeling. Er blijven dus niet alleen experimentele behandelingen over. Ik beschik nog niet over de kennis van de effectiviteit en de mogelijke gezondheidsgevolgen van experimentele behandelingen, maar deze behandelingen worden vooralsnog niet toegepast.
Klopt het dat er sinds 2009 al een uitbraak is van Extended Spectrum Beta-lactamase (ESBL) op de ic van het Maasstad Ziekenhuis, maar deze niet is gerapporteerd? Heeft het Maasstad Ziekenhuis nog steeds last van deze ESBL? Hoeveel mensen zijn met deze ESBL besmet geraakt en naar welke plekken in Nederland hebben zij zich verplaatst?
Ja, het klopt dat het Maasstad Ziekenhuis sinds 2009 last heeft van ESBL-producerende bacteriën. ESBL-producerende bacteriën komen in meerdere ziekenhuizen voor. Het is niet gebruikelijk dat aanwezigheid van ESBL-producerende bacteriën wordt gerapporteerd bij de GGD. Indien deze bacteriën worden aangetoond moeten bepaalde (voorzorgs)maatregelen worden genomen om onder andere verdere verspreiding te voorkomen. Deze maatregelen staan beschreven in de richtlijnen van de Werkgroep Infectiepreventie (WIP). De WIP is een samenwerkingsverband van drie wetenschappelijke verenigingen op het gebied van infectiepreventie en ziekenhuishygiëne en maakt richtlijnen op het gebied van infectiepreventie voor de gezondheidszorg. De IGZ ziet toe op het naleven van deze richtlijnen.
Wat is het gevaar voor de volksgezondheid van deze resistente bacteriën in het Maasstad Ziekenhuis? Kunt u de rapportage van het Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu (RIVM) over het Maasstad Ziekenhuis zo snel mogelijk naar de Kamer sturen?
Een uitbraak met een resistente bacterie in een ziekenhuis is een lokaal probleem. De bestrijding binnen het Maasstad Ziekenhuis van de Oxa-48 producerende K. pneumoniae is in volle gang. Zoals bij vraag 2 gemeld vindt er een uitgebreid onderzoek onder grote groepen patiënten plaats. De uitkomsten van dit onderzoek zullen naar verwachting in september beschikbaar zijn. Zodra ik hierover beschik zal ik deze naar de Kamer zenden.
Bent u op de hoogte van meer uitbraken van resistente bacteriën in Nederlandse zorginstellingen of is het Maasstad Ziekenhuis een uniek geval?
De aanwezigheid van ESBL-producerende bacteriën neemt toe, zo blijkt uit de surveillance van het RIVM. Uitbraken met multiresistente bacteriën komen in meerdere ziekenhuizen voor. De aanwezigheid van de Oxa-48 producerende K. pneumoniaeis wel bijzonder en is slechts een enkele keer eerder voorgekomen in Nederland. Het is de eerste keer dat er sprake is van een uitbraak van de Oxa-48 producerende K. pneumoniae.
Welke maatregelen neemt u om de gezondheidsgevaren van de uitbraak in het Maasstad Ziekenhuis te minimaliseren?
De uitbraak in het Maasstad Ziekenhuis is een lokaal probleem dat om lokale actie vraagt. De verantwoordelijkheid ligt hiervoor in eerste instantie bij het ziekenhuis, met toeziend oog van de inspectie en ondersteuning van het RIVM bij het in kaart brengen en analyseren van deze uitbraak. Tevens heeft de IGZ d.d. 20 juli 2011 het Maasstad Ziekenhuis onder verscherpt toezicht gesteld en extra eisen aan het ziekenhuis gesteld zoals het aanstellen van een coördinator, in de vorm van een hoogleraar-arts-microbioloog, om de hygiënemaatregelen en infectiepreventiemaatregelen eenduidig toe te passen in het ziekenhuis.
Wat kunnen Nederlandse burgers doen om het risico voor hun gezondheid zo klein mogelijk te houden? Zijn er bepaalde gedragsvoorschriften?
De Oxa-48 producerende K. pneumoniae is een bacterie die voor gezonde mensen niet ziekteverwekkend is. Voor gezonde mensen vormt deze bacterie geen gevaar. De bacterie behoort tot de normale darmflora. Alleen als de bacterie buiten de darm in steriele weefsels komt kan dat tot infecties leiden. Dergelijke situaties kunnen in ziekenhuizen voorkomen. Nederlandse burgers kunnen gebruikelijke hygiënemaatregelen in acht nemen.
De lobby voor de vestiging van een Europees onderzoekscentrum van Heinz in Nederland |
|
Esther Ouwehand (PvdD), Marianne Thieme (PvdD) |
|
Maxime Verhagen (minister economische zaken en klimaat, viceminister-president ) (CDA) |
|
|
|
|
Is het waar dat er «flink gelobbyd» is om Heinz zover te krijgen haar nieuwe Europees onderzoekscentrum in Nijmegen te bouwen?1 Zo ja, kunt u uiteenzetten waaruit de politieke lobby heeft bestaan en welke toezeggingen er zijn gedaan om het Amerikaanse bedrijf te bewegen voor Nederland/Nijmegen te kiezen als locatie voor haar onderzoekscentrum? Zo nee, hoe verklaart u dat Heinz zelf wel spreekt over een «flinke lobby» in de media?
Het kabinet zet in op versterking van het vestigingsklimaat om aantrekkelijk te zijn voor nationale en internationale bedrijven die zorgen voor werkgelegenheid en innovatie. Het is dan ook goed nieuws voor de Nederlandse economie dat Heinz heeft besloten haar Europese onderzoekscentrum in Nijmegen te bouwen. Voor Heinz is dit overigens een bekende locatie omdat het bedrijf al jarenlang in en nabij Nijmegen is gevestigd.
Vanzelfsprekend zet het Ministerie van Economische Zaken, Landbouw en Innovatie (EL&I) zich in om bedrijven als Heinz te overtuigen van de kracht van Nederland als vestigingsplaats. Het bedrijf heeft dan ook diverse gesprekken gehad met mijn voorganger en diverse hoogambtelijke vertegenwoordigers. De vestiging van het onderzoekscentrum in Nederland is in dat verband ook bepleit bij de board van Heinz in de VS. Daarnaast heeft EL&I geholpen met locatieonderzoeken en de aanlevering van vergelijkende informatie op diverse gebieden, waaronder een vergelijkende studie naar arbeidskosten met een ander door Heinz geprefereerd land. Ook is het bedrijf in contact gebracht met verschillende andere overheidsinstanties.
Welke afspraken zijn er met Heinz gemaakt voor de opdracht van de bouw van dit Europese onderzoekscentrum?
Hierover zijn geen afspraken gemaakt.
Heeft u Heinz toezeggingen gedaan over een eventuele subsidieverstrekking door het ministerie van Economische Zaken, Landbouw en Innovatie? Zo ja, hoe verhoudt dat zich tot uw toezegging aan de Kamer om eventuele subsidies aan de negen «topsectoren» waaronder de topsector Agrofood waartoe Heinz behoort, toe te kennen op basis van nog te verschijnen rapporten die in juni 2011 pas gereed zijn? Zo nee, kunt u garanderen dat Heinz dit onderzoekscentrum zonder subsidie gaat bouwen?
Nee, hierover zijn geen toezeggingen gedaan.
Heinz kan, net als elk ander bedrijf, eventueel een beroep doen op mogelijke subsidies als het aan de in een subsidieregeling gestelde voorwaarden voldoet.
Heeft Heinz alle benodigde bouw- en milieuvergunningen voor dit onderzoekscentrum? Is er nog bezwaar- of beroepsmogelijkheid mogelijk tegen een vergunning? Indien er nog procedures lopen, kunt u ons te zijner tijd nader informeren over deze procedures?
Betreffende eventueel benodigde bouw- en milieuvergunningen is EL&I geen bevoegd gezag. Dit is een bevoegdheid van de gemeente Nijmegen. Naar ik heb begrepen van de gemeente Nijmegen, zijn de benodigde vergunningen nog niet verleend.
Uiteraard is ook Heinz gebonden aan wettelijke bepalingen met betrekking tot te verlenen vergunningen, inclusief daartoe behorende bezwaar- en beroepsmogelijkheden.
Hoe moet het persbericht van uw ministerie worden geduid, wanneer in het kader van de bouw van dit onderzoekscentrum gemeld wordt dat het kabinet «ruim baan maakt voor onderzoek naar nieuwe producten en diensten door het schrappen van onnodige regels en het oplossen van bestuurlijke knelpunten»?2 Kunt u uiteenzetten of en zo ja, welke «onnodige» regels zijn geschrapt ten behoeve van het nieuwe onderzoekscentrum van Heinz? Op basis van welke (wettelijke) bevoegdheid zijn deze regels geschrapt? Hoe is de besluitvorming tot stand gekomen?
Met het persbericht wordt aangegeven dat het kabinet in het kader van haar beleid ten aanzien van de topsectoren in algemene zin ruim baan wil maken voor onderzoek naar nieuwe producten en diensten, ondermeer door het verminderen van regeldruk. Voor de vestiging van het onderzoekscentrum van Heinz was geen sprake van het schrappen van regels.
Wat waren de bestuurlijke knelpunten bij het besluit tot de bouw? Welke bestuurlijke knelpunten zijn er geschrapt, hoe zijn deze opgelost?
Zie de beantwoording van de vragen 4 en 5.
Wat voor soort onderzoeken zal dit onderzoekscentrum gaan uitvoeren en welke afspraken hierover zijn gemaakt? Welke regels en/of bestuursknelpunten zijn hiervoor «geschrapt»?
Op dit moment worden in het bestaande innovatiecentrum ketchup en sauzen voor Europa en producten voor lokale merken in de Benelux ontwikkeld. In hoeverre op termijn andere producten in het onderzoekscentrum zullen worden ontwikkeld, is onderdeel van studie en afweging. Het behoort tot de bedrijfsvertrouwelijke informatie welk onderzoek Heinz in de toekomst uit zal voeren.
Hiervoor zijn geen regels en/of bestuursknelpunten geschrapt.
Kunt u aangeven of Heinz in Nederland de afgelopen jaren dierproeven heeft uitgevoerd of heeft laten uitvoeren voor de (innovatie) van haar levensmiddelen? Zo ja, welke experimenten waren dat, voor welke producten en hoeveel en welke dieren waarbij betrokken? Zo nee, waarom weet u dat niet als alle dierproeven in Nederland geregistreerd moeten worden en die gegevens moeten worden doorgegeven aan de nVWA?
Dierproeven in Nederland dienen inderdaad geregistreerd te worden bij de nVWA. Uit informatie van de nVWA blijkt dat er door Heinz geen dierproeven geregistreerd zijn. Uiteraard dient Heinz zich te houden aan de wettelijke bepalingen die ter zake gelden.
Heeft u met Heinz gesproken over de grote weerstand tegen dierproeven in de Nederlandse samenleving en de ambitie van de regering om het aantal dierproeven terug te dringen? Zo ja, welke voorwaarden heeft u verbonden aan de komst van het onderzoekscentrum naar Nederland op dit gebied? Kunt u garanderen dat Heinz geen dierproeven zal (laten) verrichten? Zo nee, waarom niet?
Nee, zie de beantwoording van vraag 8.
De berichten over sterfte door medicijnen |
|
Fleur Agema (PVV) |
|
|
|
|
Bent u bekend met de berichten «Jaarlijks honderden doden door medicijnen bij dementie» en «Inspectie: Wij krijgen nauwelijks meldingen van sterfte»?1
Ja, ik ben hiermee bekend.
Denkt u dat de schatting van dit enorme aantal slachtoffers, gebaseerd op Brits onderzoek, een juiste zou kunnen zijn? Zo nee, waarom niet?
Ik kan niet bevestigen of ontkennen dat deze schatting juist is. We kunnen dan ook op dit moment over de situatie in Nederland geen onderbouwde uitspraak doen.
Zo ja, zou het gebruik van antipsychotica bij dementie met onmiddellijke ingang gestopt moet worden?
Nee, dit benadeelt de patiënten waarbij de antipsychotica noodzakelijk zijn. Het gehele gebruik van antipsychotica met onmiddellijke ingang stopzetten is niet doeltreffend. Het gaat er om dat voor elke patiënt het juiste geneesmiddel om de juiste reden wordt voorgeschreven. Zoals de inspectie al aangeeft in het artikel in Trouw is een strenger regiem rond antipsychotica niet de oplossing. De oplossing zit hem in scholing, bewustwording van personeel en in het strikt volgen van de behandelrichtlijnen en het uitgangspunt daarbij is dat verpleeghuizen het hele behandelproces zorgvuldig documenteren.
Deelt u de mening dat goede verzorging en bejegening betere manieren zijn om onrust en agressie tegen te gaan dan het toedienen van schadelijke en levensgevaarlijke medicijnen?
Het is geen of of situatie want soms zijn medicijnen onmisbaar. Maar medicijnen mogen niet in plaats van goede verzorging en bejegening worden gebruikt. Via programma’s als «Zorg voor Beter» en «In voor Zorg» zijn en worden verbetertrajecten ingezet om het gebruik van deze medicijnen te verminderen en om door middel van psychosociale aanpak onrust en agressie tegen te gaan. Ook in de CBO richtlijn ‘Diagnostiek en medicamenteuze behandeling van dementie’ (2005), de herziene richtlijn probleemgedrag (2008) en handreikingen van Verenso (beroepsvereniging van specialisten in ouderengeneeskunde) wordt hieraan aandacht besteed. Via het kwaliteitsinstituut en de inzichten van verzorgenden zal hier nog een extra impuls aan worden gegeven.
Deelt u de uitkomsten van het onderzoek van Trouw en Medisch Contact waaruit is gebleken dat de bestaande behandelrichtlijn, volgens welke een psychosociale aanpak de eerste keus-behandeling dient te zijn, niet gevolgd wordt? Klopt dit? Zo ja, wat gaat u doen om te waarborgen dat de richtlijn gevolgd wordt?
De inspectie heeft dit niet zo aangegeven in het artikel in Trouw. Zij heeft niet onderzocht of de behandelrichtlijn wordt nageleefd. De inspectie onderzoekt op dit moment of, en zo ja hoe, zij kan toezien op naleving van de CBO Richtlijn Diagnostiek en Medicamenteuze behandeling van Dementie en de Verenso Richtlijn Probleemgedrag.
Bent u ervan op de hoogte dat de IGZ zegt nauwelijks meldingen van sterfte te ontvangen, en geen specifiek onderzoek naar dit medicijngebruik te doen? Zo ja, hoe is dit mogelijk?
Bij vermoeden van onnatuurlijke dood bestaat een meldplicht bij de inspectie.
De inspectie heeft in 2009 een grootschalig onderzoek gedaan naar de algehele medicatieveiligheid in de intramurale ouderenzorg. In 2010 en 2011 vindt follow-up plaats bij de organisaties die als risicovol naar voren kwamen. In dit brede onderzoek zijn niet alle specifieke vormen van medicijngebruik meegenomen worden. Van belang is om eerst de medicatieveiligheid als geheel aan te pakken.
Wilt u de IGZ onmiddellijk onderzoek laten doen naar de omvang van het huidige gebruik van antipsychotica bij dementerenden en naar het naleven van de behandelrichtlijn?
Ja ik zal in dit in mijn vragen aan de IGZ opnemen als deel van een scherpere focus op de juiste goede zorg aan dementerenden.
Aan de Radboud Universiteit te Nijmegen vindt momenteel onderzoek plaats naar factoren die van invloed zijn op het inzetten van psychofarmaca bij mensen met dementie.
Het ODA-budget |
|
Kathleen Ferrier (CDA), Kees Verhoeven (D66) |
|
|
|
|
Kunt u aangeven hoe de € 300 mln aan ODA-middelen, die zijn vrijgemaakt voor de topsectoren en die binnen het ODA-budget vallen, worden besteed? Kunt u daarbij per jaar en tot 2015 aangeven hoeveel van deze gelden nog niet zijn ingevuld?1 2
Op 17 juni zullen de topteams hun eindadvies overhandigen aan minister Verhagen. Dan zal duidelijk worden in welke mate en op wat voor wijze de voorstellen van de 10 topteams aanspraak maken op de BZ ODA middelen. Gelet op de prioriteiten in het OS beleid, is de verwachting dat vooral de topteams Water, Agro-Food, Tuinbouw en Life Science met voorstellen gericht op ontwikkelingslanden zullen komen.
De financiële middelen die bij BZ beschikbaar zijn voor plannen van de topsectoren lopen op van 200 mln. in 2012 naar ongeveer 300 mln. in 2015. Een aanzienlijk deel van deze middelen ligt echter al vast in bestaande programma’s voor het bedrijfsleven. Het aandeel dat vast ligt neemt af van 85% in 2012 naar ca. 70% in 2015, zoals ook zichtbaar is in artikel 4.3 van de begroting 2011 van het ministerie van Buitenlandse Zaken. Wel is binnen deze reeds vastgelegde programma’s flexibiliteit mogelijk door rekening te houden met de agenda’s van de topsectoren en de prioritaire OS thema’s voedselzekerheid en water. Daarmee liggen de middelen voor 2015 minder hard vast.
In de bedrijfslevenbrief die het kabinet voor Prinsjesdag naar de Kamer stuurt zal nader worden ingegaan op de verdeling van de middelen ten behoeve van de topsectoren.
Deelt u de mening dat de aanwezige kennis bij en initiatieven van maatschappelijke organisaties bij kunnen dragen aan de versterking van innovatieve Nederlandse voorstellen waar in partnerlanden behoefte aan is? Zo ja, op welke manier krijgen deze organisaties de mogelijkheid om van deze middelen gebruik te maken? Zo nee, kunt u exact aangeven welke voorwaarden worden gesteld aan de besteding van dit geld?
In welke mate de aanwezige kennis bij en initiatieven van maatschappelijke organisaties bij kunnen dragen aan de versterking van innovatieve Nederlandse voorstellen hangt voor een groot deel af van de aard van de adviezen van de topteams. Daarover is nu nog niets te zeggen. Ik deel uw mening dat de samenwerking tussen het bedrijfsleven en maatschappelijke organisaties een meerwaarde kan hebben. De inzet op intensivering van publieke private samenwerking in het nieuwe OS beleid, illustreert dit.
In principe zijn de middelen die BZ koppelt aan de topgebieden afkomstig van het bedrijfslevenprogramma. Een aantal van de programma’s waaronder ORIO, PSI en PUM richt zich specifiek op het bedrijfsleven en niet op maatschappelijke organisaties. Daarnaast zijn er programma’s als het Initiatief Duurzame Handel (IDH) en het in ontwikkeling zijnde PPP fonds, die ook deel zijn van de BZ inzet voor de topgebieden, en die gericht zijn op samenwerkingsverbanden tussen bedrijfsleven en kennisinstellingen en/of maatschappelijke organisaties. Binnen deze programma’s liggen kansen voor maatschappelijke organisaties.
Kunt deze vragen beantwoorden voor het algemeen overleg over de focusbrief ontwikkelingssamenwerking gepland op 16 juni 2011?
Ja.
De ondernemingspeiling van het Productschap Tuinbouw |
|
Kees Verhoeven (D66) |
|
Henk Kamp (minister sociale zaken en werkgelegenheid) (VVD) |
|
|
|
|
Bent u bekend met de ondernemingspeiling van het Productschap Tuinbouw (PT)?1
Ja
Weet u of er meer ondernemingspeilingen zoals deze worden uitgevoerd door andere PBO’s?
Het is mij bekend dat bedrijfslichamen periodiek peilingen uitvoeren onder «hun» ondernemers in het kader van verbetering van de dienstverlening. Deze peilingen vormen een regulier onderdeel van de communicatie tussen het bedrijfslichaam en de ondernemers. Het gaat hierbij om vrijwillige peilingen waarvan de bedrijfslichamen zelf de inhoud en opzet bepalen, en die dan ook uitsluitend voor eigen gebruik worden uitgevoerd. Dergelijk onderzoek betreft uitdrukkelijk niet het wettelijk verplichte draagvlakonderzoek. Zoals bekend heb ik in het debat op 16 februari 2011 gezegd dat uitvoering van het wettelijk verplichte draagvlakonderzoek en uitvoering van de motie Aptroot niet tegelijk kunnen gebeuren. Het wettelijk verplichte draagvlakonderzoek komt pas eventueel weer aan de orde nadat de Kamer zich heeft uitgesproken over het kabinetsstandpunt over de publiekrechtelijke bedrijfsorganisatie dat ik de Kamer heb toegezegd voor 1 september 2011.
Wat is uw mening over de inhoud en uitvoering van deze of dergelijke peilingen?
Zie antwoord onder 2.
Deelt u de mening dat de vragen enigszins suggestief zijn gesteld?
Het is aan de bedrijfslichamen zelf – als autonome publiekrechtelijke lichamen – te bepalen op welke wijze zij contact zoeken met «hun» ondernemers.
Kunt u aangeven of de draagvlakonderzoeken, waar u in eerdere debatten aan refereerde, op dezelfde manier zullen worden uitgevoerd?
Het wettelijk verplichte draagvlakonderzoek dient te worden uitgevoerd door middel van een representatieve steekproef. Dit houdt in dat minimumeisen worden gesteld aan de deelname van georganiseerde én ongeorganiseerde ondernemers; van grote én kleine ondernemingen alsmede van branches, subsectoren of schakels in de productieketen. De ondernemerspeiling van het Productschap Tuinbouw daarentegen was een online onderzoek onder de ondernemers die onder het productschap ressorteren met 14% respons. Om deze reden is de ondernemerspeiling niet te vergelijken met het wettelijk verplichte draagvlakonderzoek.
Vreest u met dergelijke vraagstelling niet voor Noord- Koreaanse uitslagen?
Zie antwoord onder 4.
Toont dit aan dat de PBO’s niet in staat blijken hun draagvlak bij de ondernemers op een eerlijke manier te meten? Willen zij wellicht op deze manier hun bestaansrecht onderstrepen?2
Het is een goede zaak wanneer een bedrijfslichaam periodiek onderzoekt hoe ondernemers het bedrijfslichaam waarderen. Met de ingewonnen informatie kan het bedrijfslichaam zijn beleid bijsturen en aanscherpen.
Bent u ook van mening dat het draagvlak van PBO’s veel duidelijker kan worden gemeten wanneer deze wordt gebaseerd op het aantal ondernemers dat een vrijwillige bijdrage betaald?
Voor de opstelling van het kabinet inzake de publiekrechtelijke bedrijfsorganisaties verwijs ik naar het kabinetsstandpunt terzake, dat ik voor 1 september 2011 aan de Kamer zal toezenden.
De EHEC-bacterie en antibiotica |
|
Marianne Thieme (PvdD) |
|
Edith Schippers (minister volksgezondheid, welzijn en sport) (VVD) |
|
|
|
|
Kent u het bericht «Superbacterie EHEC resistent tegen gros van de antibiotica»?1
Ja
Is het waar dat EHEC resistent is tegen het gros van de antibiotica?
De EHEC-stam die de uitbraak van ziektegevallen in Duitsland veroorzaakt is resistent tegen meerdere soorten antibiotica (multiresistent), en eveneens ESBL-positief. Dat geldt niet per definitie voor andere EHEC-stammen.
Zijn er andere oorzaken denkbaar voor brede resistentie tegen antibiotica van een bacterie, anders dan dat er een directe of indirecte relatie is met het gebruik van antibiotica in de humane gezondheidszorg of in de veehouderij? Zo ja, welke oorzaken?
Nee. De keerzijde van het gebruik van antibiotica is het optreden van antibioticaresistentie, een natuurlijk verschijnsel. Door het gebruik van antibiotica bij mensen en dieren ontstaat selectiedruk en overleven juist die bacteriën die resistent zijn.
Kunt u aangeven hoeveel van de dierlijke mest die wordt toegepast in de biologische tuin- en akkerbouwafkomstig is van niet-biologische veehouderijen? Zo nee, waarom niet? Zo ja, kunt u een overzicht daarvan naar de Kamer sturen?
Ja, staatssecretaris Bleker zal uw Kamer binnenkort een overzicht sturen.
Kunt u aangeven of oppervlaktewater dat besmet is met ESBL’s2 gebruikt wordt/mag worden voor irrigatie in de land- en tuinbouw? Zo ja, bent u bereid hier maatregelen tegen te nemen, zo ja op welke termijn en wijze?
Er zijn geen normen voor ESBL-producerende bacteriën in oppervlaktewater. Transmissieroutes zullen worden meegenomen in onderzoek dat het RIVM uitvoert naar ESBL-producerende bacteriën bij groenten en fruit. Daarnaast wachten staatssecretaris Bleker en ik de bevindingen van de Gezondheidsraad af. Afhankelijk van de resultaten zullen nadere stappen overwogen worden.
Deelt u de mening dat de overheid als taak heeft elke vorm van overdracht van ESBL’s uit de veehouderij naar plantaardige producten te voorkomen uit oogpunt van voedselveiligheid? Zo nee, waarom niet? Zo ja, op welke termijn en wijze wilt u dit realiseren?
Ik vind het probleem van antibioticaresistentie erg zorgelijk. De overheid heeft de taak ervoor te zorgen dat de risico’s van resistentieontwikkeling en overdracht van resistentie zoveel mogelijk worden ingeperkt, zoals die van ESBL-producerende bacteriën. Daarom hebben wij aan u aangegeven dat het antibioticagebruik in de veehouderij in 2011 met 20% moet afnemen en tot 2013 met 50% gereduceerd moet worden ten opzichte van 2009. Hier wordt hard aan gewerkt. Op 26 mei hebben wij in een Algemeen Overleg hierover uitgebreid van gedachten gewisseld.
Daarnaast is de ondernemer zelf op grond van Europese regelgeving (Verordening (EG) 178/2002) de eerste verantwoordelijke voor het op de markt brengen van veilig voedsel.
Dit betekent dat de ondernemer zelf preventieve maatregelen moet treffen om gezondheidsrisico’s te beheersen. De ondernemer doet dit door de Europese wettelijke regels (verordeningen) en de Warenwet te volgen die deze verantwoordelijkheid invullen. De overheid controleert de naleving van die regels.
Bent u bereid een verbod in te stellen op handel, transport, lozing en injectie van dierlijke mest die ESBL’s bevat? Zo nee, waarom niet? Zo ja, op welke termijn en wijze?
Het uitrijden en verwerken van mest wordt onder andere gereguleerd door Europese wetgeving die strikte voorwaarden stelt ter bescherming van de volks- en diergezondheid.
Er is op dit moment binnen Nederland en Europa te beperkt informatie beschikbaar over de rol van mest in relatie tot verspreiding van ESBL-producerende bacteriën. Er is meer onderzoek nodig om uitspraken te doen over de mogelijke oorzaak-gevolg verbanden en volksgezondheidsrisico’s. In de zomer gaat een onderzoek hiernaar van start. Ook wachten staatssecretaris Bleker en ik de bevindingen van de Gezondheidsraad af, of op het gebied van dierlijke mest nadere stappen moeten worden ondernomen.
Kunt u aangeven of er een verband bestaat of redelijkerwijze vermoed kan worden tussen EHEC en ESBL’s? Zo ja, welk verband? Zo nee, waarom niet?
EHEC is een specifieke E. coli variant. Van E. coli is bekend dat deze ESBL-positief kunnen zijn. Het is daarom niet vreemd dat een ESBL-positieve EHEC-stam in Duitsland is aangetroffen.
Kunt u aangeven of er een verband bestaat of redelijkerwijze vermoed kan worden tussen EHEC en het gebruik van antibiotica in de veehouderij? Zo ja, welk verband? Zo nee, waarom niet?
Op dit moment zijn er geen aanwijzingen dat er een verband is tussen EHEC en het gebruik van antibiotica in de veehouderij. Dit verband wordt voor andere resistente bacteriën wel vermoed. Om meer zicht te krijgen op de risico’s van het gebruik van antibiotica in de veehouderij voor de volksgezondheid verwachten staatssecretaris Bleker en ik in de zomer een advies van de Gezondheidsraad.
Is het waar dat volgens het RIVM3 de EHEC bacterie altijd afkomstig is uit mest van vee?4 Zo nee, waar kan de bacterie nog meer van afkomstig zijn? Zo ja, kunt u aangeven of er een direct of indirect verband is tussen de EHEC besmettingen en mest uit de veehouderij?
Herkauwende landbouwhuisdieren vormen het belangrijkste dierreservoir van EHEC-bacteriën. Echter, op basis van genetisch onderzoek is gebleken dat de uitbraakstam in Duitsland (O104) geen typische EHEC is maar eigenschappen bevat van zowel EHEC als van een ander type E. coli. Het is op dit moment voor de deskundigen van het RIVM-CIb onduidelijk waar de EHEC-uitbraakstam vandaan komt.
Het bericht dat 9292 OV-data tegen betaling vrijgeeft |
|
Kees Verhoeven (D66) |
|
|
|
|
Bent u bekend met het bericht «9292 geeft OV-data tegen betaling vrij»?1
Ja.
Klopt het bericht dat 9292 tegen betaling en met toestemming OV-data wil vrijgeven?
Dat klopt, maar het verdient nadere toelichting. 9292 maakt geen winst. 9292 geeft namens de OV vervoerders de ruwe data vrij tegen «verstrekkingkosten»4.
De data zijn dus gratis, de «ophaalkosten» zijn voor rekening van de afnemer.
Ten aanzien van de term «met toestemming» het volgende. 9292 stelt de gegevens volgens een licentiemodel5 beschikbaar aan de markt (voor grote en kleine verzoeken). Uitgangspunt hiervan is dat de door 9292 verstrekte OV-data niet voor andere toepassingen aan de markt ter beschikking worden gesteld, dan voor het verstrekken van reisinformatie aan de reiziger. Via het licentiemodel kan dat (beter) gereguleerd worden.
Hoe verhoudt zich dit met de belofte dat in 2011 de gegevens openbaar beschikbaar zouden worden in de Nationale Databank Openbaar Vervoersgegevens (NDOV)?2
Sinds 1 januari 2011 hebben de vervoerders op grond van het BP2000 de verplichting om actuele OV data ter beschikking te stellen aan eenieder die daarom vraagt ten behoeve van een reisinformatie systeem.
Daarnaast hebben de overheden (provincies, stadsregio’s en mijn ministerie) het project NDOV gestart. Het doel van dit project is de voorwaarden te creëren dat de gegevens eenvoudig en tegen verstrekkingskosten beschikbaar komen; marktpartijen kunnen dan op één plek hun gegevens «ophalen», in plaats van stuk voor stuk, bij alle vervoerders. De overheid heeft hierin een faciliterende rol, de markt wordt nadrukkelijk betrokken bij de vraag welke data benodigd zijn voor een OV reisadvies en op welke wijze dat idealiter wordt verkregen.
Hoe verhoudt zich dit met de ideeën uit de Digitale Agenda.nl zoals verwoord in het hoofdstuk «Groei en Innovatie met «open data» als grondstof»?3
De digitale agenda.nl stelt dat overheidsdata beschikbaar dienen te komen voor ondernemers volgens het principe «open, tenzij», zodat ondernemers deze data kunnen hergebruiken voor het ontwikkelen van innovatieve diensten.
OV data zijn echter afkomstig van de vervoerders, die marktpartijen zijn. 9292 is daarnaast, als marktpartij en als eigenaar van de 9292 databank, gerechtigd en vrij om haar databank ter beschikking te stellen. Zoals ik ook in vraag 3 heb omschreven hebben de vervoerders reeds de verplichting actuele OV data te verstrekken aan derden (WP2000 artikel 14 en BP2000 artikel 10).
Om welke reden wil 9292 deze gegevens alleen tegen betaling vrij geven? Wat is uw reactie hierop?
Zie ook het antwoord op vraag 2. De data van 9292 zijn gratis, de «ophaalkosten» (verstrekkingkosten) zijn voor rekening van de afnemer. Hiermee wordt aangesloten bij de WP2000 waarin staat dat de data onder redelijke en objectief gerechtvaardigde voorwaarden geleverd dienen te worden door de vervoerders ten behoeve van een reisinformatiesysteem. Hierbij valt te denken aan verstrekkingkosten.
Wat omvatten de «verstrekkingskosten» die 9292 in rekening wil brengen? Kunt u een schatting geven van de hoogte van deze kosten?
Verstrekkingkosten zijn de meerkosten die daadwerkelijk gemaakt moeten worden om de gratis data aan afnemers te verstrekken. De hoogte van het bedrag van deze verstrekkingkosten is nog niet bekend. De intentie van 9292 is echter om de verstrekkingkosten, voor alle partijen die OV data wensen ten behoeven met het doel hiervan reisinformatie te maken, op een laagdrempelige, proportionele en evenredige wijze uit te voeren om daarmee de innovatie op het vlak van het verstrekken van reisinformatie aan de reiziger te bevorderen.
Deelt u de mening dat, om daadwerkelijk innovatie te stimuleren en de ontwikkeling van apps die het reizen per OV makkelijker maken te bevorderen, de gegevens gratis moeten worden verstrekt?
Ja, zie ook het antwoord op vraag 5 en 6. De data zelf is gratis wel zijn de verstrekkingskosten voor de afnemer.
Is er een business case gemaakt waarbij gekeken is naar de opbrengsten voor de totale maatschappij, waarbij de scenario’s van betaald en onbetaald vrijgeven van de gegevens zijn vergeleken?
Nee, er is immers geen sprake van het betalen van kosten voor de data.
Bent u bereid de OV-gegevens alsnog in 2011 vrij te geven, vrij van betaling?
Vervoerders hebben reeds de verplichting (WP2000/ BP2000) de data te verstrekken aan derden. Ik was zeer verheugd met het nieuws dat 9292 nog dit jaar de data van de vervoerders gratis ter beschikking stellen tegen verstrekkingkosten. Al eerder heeft de NS partijen toegang gegeven tot haar gegevens (via een API6). Ik vind dit een goede zaak.
Blatter en de FIFA |
|
Richard de Mos (PVV) |
|
Edith Schippers (minister volksgezondheid, welzijn en sport) (VVD) |
|
|
|
|
Bent u bekend met de berichten «Blatter smeedde sluw een alliantie»1 en «Nieuwe beschuldigingen tegen Blatter»?2
Ja.
Deelt u de mening dat aan de toewijzing van de WK’s aan Rusland en Qatar (2018 en 2022) nog steeds een luchtje hangt van omkoping en vriendjespolitiek, waardoor ons land de organisatie van een WK misloopt en dat wellicht door corruptie Nederlandse belastingmiljoenen (tien miljoen euro), die zijn uitgegeven voor ons WK-Bid, zijn gesmolten als sneeuw voor de zon? Zo nee, waarom niet?
Ik deel het gevoel dat het niet goed is voor een organisatie die op wereldniveau acteert, dat in de publiciteit dergelijke geluiden opgeld doen. Er zijn geen aanwijzingen voor een relatie met het niet verkiezen van Nederland en België als organisatoren van het WK 2018. Verder merk ik op dat de steun van de Nederlandse regering aan het WK Bid € 4,5 miljoen bedroeg. Zoals toegezegd krijgt de Kamer inzicht in de besteding daarvan.
Verder blijf ik van mening, dat elke democratische organisatie op een verantwoorde wijze zelf de verkiezingen voor de verschillende functies moet regelen (zie ook antwoord op de vragen 4 en 5).
Deelt u de mening dat een wereldwijde sportorganisatie, die grote invloed heeft op de sport, commercie, gezondheid en maatschappelijke ontwikkeling in de aangesloten landen, zijn verantwoordelijkheid moet nemen door verkiezingen met betrekking tot bestuursleden en organiserende landen in volledige transparantie te laten verlopen? Zo nee, waarom niet?
Zie antwoord vraag 2.
Vindt u dat de FIFA alsnog een onderzoek moet doen naar de handel en wandel van voorzitter Blatter, aangaande de toewijzing van de laatste twee WK’s en voorzitterschappen, zeker gezien het feit dat hij wederom in opspraak is gekomen over een «schenking» van één miljoen dollar aan Concacaf, de voetbalbond voor Noord- en Midden Amerika? Zo nee, waarom niet?
Het is de Kamer bekend dat ik in mijn brief van 16 februari 2011 aan de KNVB het verzoek heb gedaan om het belang van transparante besluitvorming binnen de juiste gremia van de FIFA te agenderen, juist vanuit de zorgen die er bestaan over de beeldvorming rondom het functioneren van de FIFA. Omdat de FIFA een autonome en private ledenorganisatie is kan en wil ik mij niet met de interne gang van zaken bemoeien. Het zijn de aangesloten leden van de FIFA zelf die veranderingen kunnen bewerkstelligen. Er is op aandrang van de leden waaronder de KNVB een proces van hervorming binnen de FIFA in gang gezet. Dat vind ik een goede zaak. Te zijner tijd zullen de uitkomsten hiervan op hun merites moeten worden beschouwd.
Daarnaast heeft Nederland zowel op de informele Sportraad van 22 en 23 februari 2011 als op de formele Sportraad van 20 mei 2011 aandacht gevraagd voor een transparant en goed bestuur bij alle sportbonden, dus ook bij de FIFA. Dit heeft ertoe geleid dat in het EU werkplan voor sport voor de periode 2011–2014 de bevordering van goed bestuur in de sport een prioriteit is geworden en dat in EU-verband beginselen voor een transparant en goed bestuur in de sport worden ontwikkeld.
Bent u bereid om bij de KNVB en bij uw collega-ministers in andere, bij de FIFA aangesloten landen, uw invloed aan te wenden om alsnog een FIFA-onderzoek naar de rol van de heer Blatter van de grond te krijgen? Deelt u de mening dat Blatter er verstandig aan doet om op te stappen? Zo nee, waarom niet?
Zie antwoord vraag 4.
De Hanzelijn |
|
Sander de Rouwe (CDA), Eddy van Hijum (CDA) |
|
|
|
|
Is het waar dat de beoogde tijdwinst voor een reis van Amsterdam naar Zwolle (of andersom) van 15 minuten, die het gevolg zou moeten zijn van de aanleg van de Hanzelijn, wellicht niet wordt bereikt?1
De verwachting is dat de reistijden, zoals genoemd in de referentie, op het moment van opening van de Hanzelijn nog niet kunnen worden gehaald. NS heeft aangegeven te verwachten dat, afhankelijk van een aantal hierna te noemen keuzes, de reistijd tussen Amsterdam en Zwolle in de dienstregeling 2013 tussen de 7 en 10 minuten verschilt ten opzichte van de tijden die als referentie zijn genoemd.
Bij de besluitvorming over de Hanzelijn is een reistijd van 57–58 min. tussen Amsterdam en Zwolle als referentie gehanteerd2. In de reactie (d.d. 29 september 2010) van mijn ambtsvoorganger op vragen over snelheidsverhoging op het spoor is aan deze reistijd gerefereerd, met de toevoeging dat hierbij is uitgegaan van InterCity-treinen met maximum treinsnelheden van 160 km/u.
Uitspraken over een beoogde tijdwinst zijn uiteraard afhankelijk van de dienstregeling die als vergelijking wordt gehanteerd. Op dit moment start NS conform het reguliere proces de detailuitwerking van de dienstregeling 2013. De Hanzelijn wordt hierin opgenomen. De reistijden die op het moment van opening van de Hanzelijn zullen worden gerealiseerd worden bepaald door de actuele mogelijkheden van de infrastructuur, keuzes in de dienstregelingen, te bedienen stations, te realiseren aansluitingen, type materieel en het daarin toegepaste beveiligingssysteem e.d. Welke reistijden precies in 2013 gerealiseerd gaan worden is gezien het lopende ontwerpproces van de dienstregeling nog niet aan te geven.
Van welke factoren is het afhankelijk of de beoogde reistijd van 55 minuten ook daadwerkelijk zal worden bereikt?
Het bereiken van de beoogde reistijd van 55 minuten is afhankelijk van de dienstregeling en de infrastructuur. Op de dienstregeling, en de factoren die daarbij een rol spelen, ben ik bij het antwoord op vraag 1 reeds ingegaan. Hieronder ga ik in op de factor infrastructuur.
Op de corridor Amsterdam–Zwolle zijn twee grote projecten in uitvoering: de Hanzelijn en de korte-termijn-maatregelen op de OV-SAAL corridor.
De Hanzelijn wordt conform de specificaties gebouwd en gecertificeerd opgeleverd als verbinding voor hogere snelheden (max. 200 km/u) tussen Lelystad en Zwolle3.
Bij de specificaties voor de korte-termijnmaatregelen in het OV-SAAL project is mede gelet op de reistijden tussen Schiphol en Zwolle. Op de corridor Schiphol–Amsterdam–Almere–Lelystad worden, na ingebruikname van de Hanzelijn, verschillende maatregelen genomen om de reistijd stapsgewijs te verbeteren. Het project OV SAAL Korte Termijn cluster c (op de Zuidtak in Amsterdam) is inmiddels in realisatie en voor het project OV SAAL KT cluster a (op de Flevolijn) is in mei van dit jaar een ontwerp-tracébesluit gepubliceerd. Nog dit jaar zal er een tracébesluit worden vastgesteld. Zoals aangegeven in de brief over OV SAAL van 14 april 2011 zijn de korte termijnmaatregelen in 2015/16 gereed.
Na oplevering van alle korte-termijnmaatregelen zijn er ten opzichte van de dienstregeling 2013 naar verwachting kortere reistijden mogelijk.
Bent u met ons van mening dat de investering in de Hanzelijn van ruim 1 miljard euro een zo groot mogelijk maatschappelijk rendement moet opleveren, onder meer in de vorm van een snellere verbinding van de regio Zwolle en het Noorden met de Randstad? Welk effect heeft een langere reistijd op de kosten-batenverhouding van de investering in de Hanzelijn?
Ik ben met u van mening dat een investering een zo groot mogelijk rendement moet opleveren. Overigens moet daarbij, naast de destijds gestelde doelen, ook de huidige beleidscontext in acht worden genomen.
In het geval van de Hanzelijn behoorde het bereiken van een snellere verbinding van de regio Zwolle en het Noorden met de Randstad tot de destijds gestelde doelen, alsook het ontlasten van de Gooi- en Veluwelijn, een regionale verbinding tussen Zwolle en Lelystad, een verbinding voor het goederenvervoer naar het noorden en verhoging van de flexibiliteit en betrouwbaarheid van het netwerk. De huidige beleidscontext omvat mede PHS.
Na oplevering van de korte-termijnmaatregelen van OV-SAAL ontstaat een situatie die in principe reissnelheden mogelijk maakt die de eerder genoemde referentie benaderen. De werkelijke te behalen reistijden zijn zoals gezegd afhankelijk van keuzes ten aanzien van het vervoer, waaronder de dienstregeling. Er is daarom naar mijn oordeel geen aanleiding om te veronderstellen dat in de eindsituatie sprake zal zijn van een wezenlijk andere kosten-batenverhouding dan ten tijde van het besluit.
Op welke wijze gaat u bevorderen dat de beoogde reistijd van 55 minuten ook daadwerkelijk wordt bereikt? Wanneer kan de Kamer hierover duidelijkheid verwachten?
Hiervoor verwijs ik u naar de antwoorden op vraag 1, 2 en 3.
Het bericht dat gehandicapten zijn bekogeld en bespuugd |
|
Lilian Helder (PVV), Willie Dille (PVV) |
|
|
|
|
Bent u bekend met het artikel «Gehandicapten bespuugd en bekogeld»?1
Ja.
Deelt u de mening dat het niet zo kan zijn dat juist de meest kwetsbare mensen de dupe worden van straatterreur in hun eigen leefomgeving?
Ja.
Is er hier sprake van een structureel en/of toenemend probleem? Speelt deze terreur zich ook af in de omgeving van andere (zorg)instellingen?
Ik heb geen aanwijzigingen dat het hier om een probleem gaat waar (zorg)instellingen structureel mee te maken hebben. De incidenten bij de onderhavige gehandicapteninstelling lijken te worden veroorzaakt door een zeer kleine groep jeugdige daders. De politie is bezig met het opsporen van de daders. Omdat in de omgeving van de onderhavige zorginstelling de laatste tijd meer problemen zijn met overlastgevende jeugd zijn naast de politie ook andere instanties betrokken die kunnen bijdragen aan het aanpakken van deze problemen. Tussen de veiligheidscoördinator van de zorginstelling en de politie zijn naar aanleiding van de incidenten afspraken gemaakt om bij nieuwe incidenten snel en doeltreffend te kunnen handelen.
Bent u bereid om de politie ter plaatse aan te sporen om een hoge prioriteit te geven aan het opsporen van deze daders?
Zie antwoord vraag 3.
Wat kunt u doen om de veiligheid van deze kwetsbare groep mensen te waarborgen?
Zie antwoord vraag 3.
Het bericht dat het Maasstad ziekenhuis heeft gefaald bij de aanpak van een gevaarlijke bacterie |
|
Karen Gerbrands (PVV) |
|
Edith Schippers (minister volksgezondheid, welzijn en sport) (VVD) |
|
|
|
|
Bent u bekend met het artikel «Maasstad Ziekenhuis faalt bij aanpak resistentie»?1
Ja.
Wat is uw reactie op het feit dat door het «niet adequate reageren» van het ziekenhuis inmiddels 34 patiënten besmet zijn geraakt met de gevaarlijke bacterie Klebsiella pneumoniae?
Het is een ingrijpende gebeurtenis wanneer mensen in het ziekenhuis een besmetting oplopen. Wanneer hierbij sprake is van onzorgvuldig handelen is dat extra ingrijpend. Echter, op dit moment is de eerste prioriteit dat het ziekenhuis alle maatregelen treft om verdere verspreiding te voorkomen, zodat de veiligheid van de patiënten geborgd is. Daartoe heeft de IGZ d.d. 20 juli 2011 het Maasstad Ziekenhuis onder verscherpt toezicht gesteld en extra eisen aan het ziekenhuis gesteld zoals het aanstellen van een coördinator, in de vorm van een hoogleraar-arts-microbioloog, om de hygiënemaatregelen en infectiepreventiemaatregelen eenduidig toe te passen in het ziekenhuis. Vervolgens zal nader onderzoek van de IGZ moeten uitwijzen of en in hoeverre er sprake is geweest van «niet adequaat reageren» of «onverantwoordelijk handelen». Naar aanleiding van de uitkomst van het inspectieonderzoek zullen eventueel stappen worden genomen.
Klopt het dat er nog meer patiënten besmet kunnen zijn en dat het probleem veel groter kan zijn dan nu bekend is?
Om meer zicht te krijgen op de toedracht van de besmetting en op de verspreiding ervan vindt op dit moment een uitgebreid onderzoek plaats. Uit het onderzoek blijkt dat 70 patiënten deze bacterie hebben. Gezien het feit dat het onderzoek nog lopende is zou dit aantal nog kunnen veranderen. De uitkomsten van het onderzoek worden in september verwacht. Overigens zijn de meeste patiënten niet ziek, maar alleen drager van het micro-organisme.
Bent u ervan op de hoogte dat verschillende bronnen melden dat de bacterie wellicht al in 2009 of 2008 aanwezig was? Beschikt u inmiddels over de juiste datum van de uitbraak?
De beschikbare data en de gang van zaken rondom de uitbraak worden nog nader onderzocht door de Inspectie voor de Gezondheidszorg (IGZ), maar het volgende kan ik er vast over zeggen:
Recent onderzoek van het RIVM, UMCU en GGD heeft vastgesteld dat de uitbraak van de Klebsiella pneumoniae (K. pneumoniae) rond 1 juli 2009 is begonnen in het Maasstad Ziekenhuis. De K. pneumoniae is een bacterie die vaker infecties veroorzaakt bij Intensive Care patiënten.
Dit zelfde onderzoek heeft tevens uitgewezen dat het ziekenhuis vanaf oktober 2010 te maken heeft gehad met de aanwezigheid van een speciaal type van de K. pneumoniae, namelijk de Oxa-48 producerende K. pneumoniae. Dit speciale type K. pneumoniae is resistent voor antibiotica uit de carbapenemgroep.
Klopt het dat er een meldingsplicht geldt voor deze bacterie? Zo ja, wat zijn dan de sancties indien dit niet wordt opgevolgd?
Op basis van de Wet publieke gezondheid en de Kwaliteitswet zorginstellingen is er geen meldingsplicht voor deze bacterie als zodanig. Volgens de huidige stand van zaken is dat ook niet nodig. Of er, op grond van artikel 4a lid 2 van de Kwaliteitswet zorginstellingen, sprake is van een te melden calamiteit is onderdeel van het onderzoek van de inspectie.
Deelt u de mening dat het bestuur van het Maasstad ziekenhuis onverantwoordelijk gehandeld heeft? Zo ja, gaat u het bestuur hierop aanspreken?
Zie antwoord vraag 2.
Welke maatregelen gaat u treffen om dit «falen» van het bestuur aan te pakken, zodat dit niet meer voor kan komen?
Zie antwoord vraag 2.
Het opleggen van sancties aan gedetineerden en tbs-ers die spreken met journalisten |
|
Sharon Gesthuizen (SP) |
|
|
|
|
Wat is uw reactie op het bericht «Gevangenis Nieuwegein geeft loslippige gedetineerde straf»?1
Aan de betreffende gedetineerde is inderdaad een sanctie opgelegd. Bij een celinspectie die werd uitgevoerd omdat het vermoeden bestond dat de gedetineerde contact had opgenomen met RTV Utrecht, is een brief, gericht aan een fictief advocatenkantoor, gevonden. De inhoud van de brief heeft ertoe geleid dat de gedetineerde een maatregel is opgelegd. Het is aannemelijk dat betrokkene met deze brief voornemens was een poging te doen op ongeoorloofde wijze contact op te nemen met vertegenwoordigers van de pers.
Op basis waarvan heeft de gevangenisdirectie de gedetineerde een sanctie opgelegd? Was dat omdat hij geen toestemming vooraf heeft gevraagd voor zijn contact met media of omdat de inhoud van dit contact en de klachten van deze gedetineerde de gevangenisdirectie niet zinde?
Zie antwoord vraag 1.
Bent u van mening dat de weigeringsgronden van artikel 40, eerste lid, Penitentiaire beginselenwet, waarin staat op welke gronden gesprekken tussen gedetineerden en journalisten door de gevangenisdirecteur geweigerd kunnen worden, zo ruim zijn dat gesprekken vrijwel steeds geweigerd kunnen worden? Kunt u uw antwoord toelichten?
De Grondwet bepaalt in artikel 15, vierde lid, dat een persoon aan wie de vrijheid rechtmatig is ontnomen, in de uitoefening van zijn grondrechten kan worden beperkt, voor zover deze zich niet met de vrijheidsontneming verdraagt. De grenzen van de vrijheid van meningsuiting van gedetineerden worden overschreden wanneer de rechten en vrijheden van anderen of bepaalde publieke belangen, zoals de openbare orde en veiligheid en het voorkomen of opsporen van strafbare feiten, geschaad kunnen worden. In artikel 40 van de Pbw zijn de gronden voor het weigeren van een gesprek tussen een gedetineerde en de media aangegeven. Deze weigeringsgronden zijn limitatief. Bij het overwegen van een verzoek om contact met de media dient telkens de afweging te worden gemaakt tussen het individuele recht van de gedetineerde op vrije meningsuiting en de genoemde criteria in artikel 40 Pbw. Zwaarwegende belangen van derden, zoals nabestaanden en slachtoffers, kunnen in het geding zijn.
Een eventuele beslissing van de directeur van de inrichting om een gesprek met een vertegenwoordiger van de media niet toe te staan, wordt steeds na een afweging van de betrokken belangen genomen. Indien een gedetineerde het niet eens is met de beslissing van de inrichtingsdirecteur, kan hij tegen deze beslissing in beklag gaan bij de beklagcommissie van de commissie van toezicht van de inrichting. Vervolgens kan de beslissing ook nog door de beroepscommissie van de Raad voor Strafrechttoepassing en Jeugdpreventie worden getoetst op de eisen van noodzakelijkheid en proportionaliteit.
Gelet op het bovenstaande ben ik van mening dat het beleid ten aanzien van contacten van gedetineerden met de media helder is. Ik zie dan ook geen reden om het beleid aan te passen.
Deelt u de mening dat het beperken van het recht op vrijheid van meningsuiting slechts in uitzonderlijke gevallen kan plaatsvinden, dat inperking vooral op zijn plaats is om de rechten van slachtoffers en eventuele nabestaanden te waarborgen, maar dat van de andere weigeringsgronden terughoudend gebruik moet worden gemaakt? Zo nee, waarom niet?
Zie antwoord vraag 3.
Hoe wordt voorkomen dat iemand die voor de inrichting onwelgevallige informatie naar buiten wil brengen hiervoor geen toestemming krijgt vooraf en/of achteraf wordt gestraft? Bent u bereid om maatregelen te nemen om dit te voorkomen?
Bent u, in tegenstelling tot uw voorganger, wel bereid om directeuren van penitentiaire inrichtingen te wijzen op het beperkt toepassen van de redenen op grond waarvan het contact met de media geweigerd kan worden?2 Bent u bereid zo nodig de wet te wijzigen of regels op te stellen over de toepassing van de wet? Zo nee, waarom niet?
Zie antwoord vraag 3.
De controle-actie van de Sociale Verzekeringsbank (SVB) naar zogenaamde "spook AOW-ers" |
|
Ino van den Besselaar (PVV) |
|
Henk Kamp (minister sociale zaken en werkgelegenheid) (VVD) |
|
|
|
|
Bent u bekend met het bericht «Op zoek naar spook-aow’ers»?1
Ja.
De Sociale Verzekeringsbonte (SVB) schat het fraudepercentage met AOW-uitkeringen op 0,36%, zowel in het binnen- als in het buitenland; onderschrijft u dit percentage? Waarop is het gebaseerd?
Het bedoelde percentage van 0,36% betreft niet een «fraudepercentage» maar het door de SVB op basis van een theoretisch model geschatte maximaal resterend misbruikrisico. Dit getal is gebaseerd op het totaal van risicofactoren waar regelingen – in dit geval de AOW – aan onderhevig zijn en de afdekking van die risico’s door verificatie en controlemaatregelen. Het maakt deel uit van een risicoanalyse die ertoe dient om de relatieve verschillen in risico’s binnen en tussen wetten inzichtelijk te maken. Dat helpt bij het zo gericht mogelijk inzetten van handhavingscapaciteit. Waar mogelijk worden aanvullende controle- en handhavingsmaatregelen genomen.
Als grondslag voor het extrapoleren van daadwerkelijk optredende fraude is dit getal ongeschikt. Immers, een berekening die dit als uitgangspunt neemt veronderstelt dat 100% van de rechthebbenden die onder het resterende risico vallen, ook daadwerkelijk misbruik maken (zie ook antwoord op vraag 3).
Waarom is, uitgaande van 0,36% fraude (ruim 100 miljoen euro!), in 2010 slechts een zeer gering gedeelte (7,6 miljoen euro) opgespoord? Wat gaat u doen om deze opsporing te verbeteren?
De suggestie dat slechts een klein deel van optredende fraude wordt opgespoord is niet realistisch. De vergelijking waarop deze aanname is gebaseerd roept een verkeerd beeld op; de begrippen die naast elkaar gezet worden zijn niet van dezelfde orde.
Zoals bij het antwoord op vraag 2 reeds gesteld, is het genoemde percentage geen geschikte grondslag om de daadwerkelijk optredende fraude te berekenen. Er is geen sprake van 0,36% fraude, doch van 0,36% risico op misbruik.
Naast de 7,6 miljoen euro terugvorderingen bij fraude worden uiteraard uitkeringen waarbij fraude wordt geconstateerd ook stopgezet.
Het doel van het handhavingsbeleid van de SVB is het zo effectief en efficiënt mogelijk vergroten van de rechtmatigheid van de uitkeringen door preventie, detectie en sanctioneren van fouten en fraude door klanten. Uit de jaarlijkse Integrale rapportage die het ministerie van SZW naar de Tweede Kamer stuurt blijkt ook dat de SVB een goede handhavingspraktijk heeft ontwikkeld, met op risicoanalyses gebaseerde, gerichte en effectieve controles.
In 2010 werd 7 miljoen euro uitgegeven aan fraudebestrijding; betreft dit alleen de bestrijding van fraude met AOW-uitkeringen? Zo ja, klopt het dan dat de teruggevorderde bedragen onder aftrek van de incassokosten nauwelijks de kosten te dekken?
Nee, de ruim € 7 miljoen die de SVB in 2010 besteedde betreft de handhaving voor alle uitkeringen die zij verstrekt. Daarbij is handhaving een veel breder begrip dan fraudebestrijding. Onder handhaving valt het geheel van preventie, detectie en sanctionering. In de kosten van handhaving worden de kosten van de fysieke controles en onderzoeken in binnen- en buitenland meegenomen, maar ook de kosten van de belangrijkste administratieve processen (zoals bestandskoppelingen en -vergelijking) bij controle op inkomens en samenwonen.
De opbrengst van de handhavingsactiviteiten voor alle wetten die de SVB uitvoert was in 2010 bijna € 14 miljoen aan sancties, terugvorderingen en aangiften. Hierbij geldt dat besparingen die het stopzetten van de lopende uitkering met zich mee brengen buiten beschouwing worden gelaten. De veronderstelling dat de teruggevorderde bedragen de kosten nauwelijks dekken is daarom niet terecht.
Daarnaast voorkomt handhaving misbruik in de toekomst en gaat van deze activiteiten een preventieve werking uit.
Fraude mag niet lonen en dient daarom altijd met kracht bestreden te worden. De solidariteit tussen burgers komt tot uitdrukking in onze sociale verzekeringen en voorzieningen en in het vertrouwen dat we daarvan gebruik maken zoals dat is bedoeld en vastgelegd. Beschamen van dat vertrouwen ondergraaft die maatschappelijke solidariteit én de betaalbaarheid van onze regelingen.
Is het langs de deuren van Nederlandse AOW’ers in het buitenland gaan een effectieve en efficiënte methode om fraude te voorkomen? Zo ja, is Monaco dan de meest gerede plek om aan te doen?
Ja. De SVB verricht sedert 2001 systematisch controleonderzoek in het buitenland. Welke landen en welke klantgroepen worden onderzocht is gebaseerd op voorafgaande risicoanalyses. Deze controles leveren meer op dan ze kosten. Tevens hebben deze controles een preventief effect op de «regelovertreding» van klanten in het buitenland. Doordat bekend is dat wordt gecontroleerd, ook in het buitenland, wordt fraude ontmoedigd.
Hoofddoel van het bezoek aan Monaco was om te komen tot een nadere invulling van de handhavingsafspraken die voortvloeien uit het in 2001 met Monaco afgesloten verdrag in het kader van de wet BEU. Landen waarbij sprake was van een grotere klantconcentratie en mogelijk hoger risico zijn in dit verband eerder bezocht. Aan een dergelijk bezoek is een nulmeting gekoppeld met als doel de rechtmatigheid van de pensioenen en uitkeringen te kunnen beoordelen. Dit is de gebruikelijke praktijk bij landen met een (nieuw) BEU-verdrag.
De praktijken binnen de zwaar gesubsidieerde hulpclub SNV |
|
Johan Driessen (PVV) |
|
|
|
|
Klopt het dat Robert de Jongh nog altijd SNV-directeur in Latijns-Amerika is1? Deelt u de mening dat gezien de onthullingen over een cultuur van vriendjespolitiek bij SNV in Latijns-Amerika Robert de Jongh beter niet meer als SNV-directeur actief kan zijn2? Zo nee, waarom niet?
Ja. Met dien verstande dat hij SNV binnenkort zal verlaten.
Ik acht het de verantwoordelijkheid van de toenmalige directie van SNV om af te wegen of de aan het licht gebrachte feiten over onrechtmatigheden bij SNV in Latijns-Amerika zodanig verwijtbaar waren aan de directeur, dat hij zijn werkzaamheden niet langer had kunnen voortzetten.
Klopt het dat oud SNV-directeur Dirk Elsen in september 2009 – na een voor SNV Latijns-Amerika en daarmee ook voor Robert de Jongh zeer negatieve interne audit uit mei 2009 – met SNV-directielid Annemiek Jenniskens heeft overlegd om Robert de Jongh te promoveren tot directeur van SNV in Azië? Hoe oordeelt u over de wereldvreemdheid van de (toenmalige) directie van SNV?
Ik kan op deze vraag geen antwoord geven. Het is ook niet mijn streven om op de hoogte te zijn van alle gesprekken die medewerkers van SNV met elkaar voeren.
Klopt het dat naast Joke Brandt, directeur-generaal Internationale Samenwerking bij het ministerie van Buitenlandse Zaken en tevens oud SNV-medewerkster, ook Jan Remijn, senior beleidsmedewerker op het directoraat-generaal, als ambtenaar betrokken is (geweest) bij de perikelen rondom SNV? Klop het dat ook Jan Remijn een verleden heeft bij SNV? Deelt u de mening dat ambtenaren met een SNV-verleden beter niet op het SNV-dossier ingezet kunnen worden? Deelt u de mening dat elke schijn van verwevenheid tussen het ministerie en SNV vermeden zou moeten worden? Zo nee, waarom niet?
De betrokken ambtenaar was tot begin 2003 werkzaam op het hoofdkantoor van SNV.
Sinds 2007 heeft betrokkene zich onder meer bezig gehouden met zaken betreffende SNV. Zijn kennis van de organisatie kwam daarbij goed van pas. Het ministerie kent adequate regelgeving om belangenverstrengeling en partijdigheid te voorkomen. Die regels worden strikt toegepast.
Overigens was SNV tot 2003 een onderdeel van het ministerie van Buitenlandse Zaken. Dit impliceert logischerwijze dat veel medewerkers van het Departement in hun carrière ook voor SNV werkzaam zijn geweest.
Klopt het dat SNV adviesbureau «Huijskens Communications» in de arm heeft genomen? Zo ja, wat zijn de kosten hiervan voor de Nederlandse belastingbetaler? Deelt u de mening dat het inschakelen van een extern adviesbureau door SNV geen pas geeft? Zo nee, waarom niet?
Ja. Tussen Huijskens Communications en SNV is een contract gesloten waarin is bepaald dat SNV dit jaar voor een bedrag van maximaal 75 000 euro gebruik kan maken van communicatie-advies van dit bureau.
Mijn voorkeur heeft het inhuren van externe bureaus over het algemeen niet, maar het is goed in dit geval rekening te houden met een Raad van Toezicht die zonder voorzitter was, zonder directievoorzitter en die zich tegelijkertijd met veel media-aandacht geconfronteerd zag.
Het bericht ‘Woerden weer intercitystation’ |
|
Maarten Haverkamp (CDA), Gerda Verburg (CDA) |
|
|
|
|
Heeft u kennisgenomen van het bericht: «CDJA wil Woerden weer intercitystation maken»?1
Ja.
Is het waar dat Woerden een belangrijk knooppunt en een van de meest centraal gelegen stations van Nederland is? Is het waar dat Woerden het grootste station is zonder intercitystatus? Is het waar dat het tijdverlies van een stop in Woerden slechts 2 minuten is, dankzij de 4 perrons?
Woerden is te omschrijven als een middelgroot vervoersknooppunt, centraal gelegen tussen diverse grote steden in de Randstad. Gezien deze centrale ligging wordt er per trein minimaal twee keer per uur een rechtstreekse verbinding geboden met de vier grootste steden van Nederland en met station Leiden Centraal.
Vanaf Woerden wordt twee keer per uur een Intercityverbinding geboden richting Utrecht Centraal en twee keer per uur richting Leiden. De overige richtingen worden met sprintertreinen bediend. Als u met «intercitystatus» bedoelt dat op een station intercity’s stoppen, dan is Woerden dus een station met intercitystatus.
De gemiddelde halteringstijd van een Intercitytrein is twee minuten. Deze tijd is niet afhankelijk van het wel of niet aanwezig zijn van vier perrons. Bij de overweging door NS m.b.t. het wel of niet laten stoppen van een Intercitytrein op een station wordt een afweging gemaakt tussen de extra reistijd voor doorgaande reizigers in de Intercitytrein ten opzichte van de voordelen (kortere reistijd) voor eventuele nieuwe reizigers.
NS streeft er naar om per dienstregeling 2013 het aantal treinen vanuit Woerden richting Utrecht uit te breiden tot 6 treinen per uur (2 keer per uur een Intercity en 4 keer per uur een Sprinter).
Wat zijn de criteria voor het geven van de intercitystatus aan een station? Voldoet Woerden daaraan?
De voorschriften in de vervoerconcessie voor het hoofdrailnet vormen de randvoorwaarden waarbinnen NS zelf de dienstregeling kan bepalen. In de vervoerconcessie worden echter geen eisen gesteld aan op welke stations intercity’s moeten stoppen. Als u met «intercitystatus» bedoelt stations op welke intercity’s stoppen, dan gelden daarvoor geen criteria van het Rijk. NS maakt deze keuzes zelfstandig op basis van zaken als onder andere de beschikbare infrastructuurcapaciteit, de verwachte vervoervraag en de logistieke maakbaarheid. Bij het ontwikkelen en uitwerken van (wijzigingen van) de dienstregeling vraagt NS de zienswijze van consumentenorganisaties, regionale overheden en ProRail. Wanneer de regio daar belang aan zou hechten, kan ze via deze weg aandringen bij NS om de treindienst van/naar Woerden aan te passen. Zie verder mijn antwoord op vraag 2.
Welke andere mogelijkheden ziet u om de ontsluiting per openbaar vervoer van Woerden te verbeteren en de stad zodoende voor onder meer forenzen en studenten aantrekkelijker te maken?
Voor zover het de ontsluiting per spoor betreft, zie antwoord 3. Overige ontsluitingsmogelijkheden per openbaar vervoer van in dit geval de gemeente Woerden vormen een zaak van de betrokken decentrale overheden.